Diverse Onderwerpen 5

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Diverse Onderwerpen 5

 

1. Vragen in Crisistijden

2. Vier bijzondere ontmoetingen - Lukas 1

3. Klaar voor verandering?

4. De zonde die ons licht omstrikt - Heb.12:1

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

‘Vragen in Crisistijden’

Hebreeën 11:7

               

 

‘Geloven in crisistijden’ is mogelijk want, ‘al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ (1Joh.5:4)

Inleiding

Voormalig minister van buitenlandse zaken van de VS, Henry Kissinger schijnt eens gezegd te hebben: ‘Deze week kan er geen crisis komen, want mijn agenda is al vol!’ In diezelfde week kwam het bekende ‘Watergate’ schandaal dat leidde tot zijn aftreden! Crisissen komen, of onze agenda nu volgeboekt is of niet. Misschien was uw agenda ook vol in februari 2022, maar de crisis kwam toch, Rusland viel Oekraïne binnen met alle gevolgen van dien, ook voor u en mij!

De dagen van Noach worden door de Heer Jezus vergeleken met een crisistijd. Een tijd die voorafgaat aan zijn komst om deze wereld te oordelen. Het zal voor de mensen van deze wereld ook een onverwachte komst zijn, want: ‘Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen’ (1Thes.5:3). ‘Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn’ (Mat.24:37-39).

Een crisistijd vraagt ook om prioriteiten te stellen en dat niet alleen op het vlak van de economie, maar ook in uw persoonlijk leven als gelovige. We zullen moeten leren omgaan met situaties die we voorheen niet kenden. Een stap terugzetten is altijd moeilijk, vooral nadat we decennia van een redelijke welvaart hebben kunnen genieten. Een herbezinning is noodzakelijk. Leven in een eindtijd of crisistijd brengt ook vragen met zich mee en een aantal willen we in dit artikel belichten en pogen daarop een antwoord te geven.

1. Leven we nu in de eindtijd?

Op de opmerking ‘dat het eindtijd is’ hoor je vaak als reactie, dat is al zo vaak gezegd en oorlogen en hongersnoden zijn er altijd geweest’, dus ik neem dat maar met een korreltje zout! Ik zou daartegenover willen stellen dat niet alleen uiterlijke signalen – de tekenen der tijden - ons zeggen dat we in de eindtijd leven, maar ook de Schrift leert ons dat. De apostel Paulus schreef aan de gelovigen te Korinthe het volgende: ‘Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen’ (1Kor.10:11). Dat wijst op de vervulling van de eerdere eeuwen (fasen of bedelingen) in de heilsgeschiedenis. Vandaar dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën ook kon zeggen: ‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon’ (Heb.1:1). De Heer Jezus is ‘eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde af te schaffen’ (Heb.9:26).

Dat we in de eindtijd leveren blijkt ook uit een aantal gebeurtenissen, die uniek zijn in de geschiedenis, dat wil zeggen ze hebben nog niet eerder plaatsgevonden, en zijn allemaal gebeurd ná de Tweede wereldoorlog. Ik noem er hier vijf: (1) Het ontstaan van de staat Israël in 1948; (2) De aanzet tot het ontstaan van een herstel van het oude Romeinse rijk waarvan de Europese Unie een voorloper mag zijn; (3) De verovering van West Jeruzalem in 1967 dat daardoor weer onder Israëlisch gezag werd gesteld; (4) Daarmee gepaard gaand het ontstaan van een groep Messias-belijdende Joden in Israël; (5) En tenslotte het enorme verval van het Christendom niet alleen in daling van aantallen kerkbezoekers maar ook in kwantiteit; (6) En tot slot zou je nog kunnen zeggen, de verloedering van de maatschappij ten gevolge wereld die zichzelf tot norm is geworden en de beginselen van Gods Woord terzijde heeft gesteld.

Deze twee redenen – de Schrift en de hier vermelde zes gebeurtenissen - mogen voldoende zijn om met zekerheid te kunnen zeggen dat we in dé eindtijd leven die voorafgaat aan de komst van de heer Jezus!

2. Is geloven in eindtijd nog wel mogelijk?

Eindtijd of niet, crisis of geen crisis geloven is altijd mogelijk, maar het betekend wel dat we onszelf prioriteiten moeten stellen. Zo schrijft de apostel Johannes aan het slot van de Openbaring: ‘Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, nog meer gerechtigheid doen; en die heilig is zich nog meer heiligen’ (Op.22:11). In één generatie is onze wereld enorm verandert, vooral zij die net ná de tweede wereldoorlog geboren zijn, zoals ondergetekende hebben dat van nabij mogen meemaken. Dat heeft ons als westerse wereld ook veel voorspoed gegeven, maar dat weegt mijns inziens helaas niet op tegen de nadelen! We leven nu in een seculiere wereld en maatschappij, terwijl er enige decennia geleden nog gesproken werd over christelijk Europa. Dat vergt ook van ons als christen een heroriëntering en ons af te vragen of we nog in het geloof zijn en niet meegezogen zijn in de veranderde wereld. Zoals de apostel Paulus zegt: ‘Onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf’ (2Kor.13:5).

‘Door het geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werd, eerbiedig een ark gereedgemaakt tot behoudenis van zijn huis’ (Heb.11:7). Noach heeft de ‘bui’ zien hangen, en zich voorbereid op de dingen en de tijd die zou komen. Wanneer geloven dat we leven in de eindtijd en dat Jezus’ komst voor de deur staat dan dienen ook wij ons daarop voor te bereiden. Want: ‘Wie deze hoop op Hem heeft reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1Joh.3:3).

3. En wat met onze kinderen?

Het is een veel voorkomende en begrijpelijke vraag wat er gebeuren zal met onze kinderen, kleinkinderen, familieleden of vrienden, nadat de Heer Jezus gekomen is om zijn Gemeente thuis te halen (Joh.14:1-3). Maar dat is een vraag die je altijd kunt stellen, want wat als je kind, kleinkind, familielid of vriend sterft zonder dat hij of zij een beslissing voor Christus heeft genomen? Mogelijk heeft Noach zich ook die vraag gesteld, en heeft gedaan wat hij kon doen: ‘Door het geloof heeft hij eerbiedig een ark toebereid tot redding van zijn huisgezin’ (Heb.11:7). Vooral in onze westerse wereld is het voor jongeren moeilijk om zich staande te houden in hun geloof, als ze al gelovig zijn! Het is dus heel belangrijk voor gelovige ouders om naast ze gaan staan en ze op een passende manier in hun geloof te begeleiden. Misschien mogen we ook een beroep doen op de volgende tekst: ‘En zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’ (Hand.16:31). Dat is een belofte, maar dat mag niet tekortdoen aan onze verantwoordelijkheid uiteraard!

Is er nog een tweede kans? Die vraag horen we ook vaak. Men verwijst dan vaak naar Openbaring 7 waar we lezen over ‘Een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen’ die uit de Grote Verdrukking komen (Op.7:9,14). Bewijsteksten voor een tweede kans nadat iemand gestorven is zijn er niet, daarover is de Schrift duidelijk! ‘Het is de mensen beschikt om éénmaal te sterven, en daarna het oordeel’ (Heb.9:27). De komst van de Heer Jezus voor de Gemeente, de Opname, zal wellicht veel mensen die daarvan gehoord hebben, of gelovigen gekend hebben die plots verdwenen zijn, aan het denken zetten. Maar over welke mensen hebben we het? Van ongelovigen die het evangelie bewust hebben afgewezen zegt de Schrift, ‘dat zij verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden (2Thes.2:10). We moeten dus denken aan anderen die ná de Opname in kennis zouden kunnen komen met het evangelie van het Koninkrijk dat over de hele wereld gepredikt zal worden (Mat.24:14).

4. Wanneer mogen de komst van de Heer Jezus verwachten?

We dienen twee (weder-) komsten van de Heer Jezus te onderscheiden in de Schrift: (1) de Opname, de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente, en (2) de komst van de Heer Jezus voor Israël en de volken. De eerste zal plaatsvinden vóór, de tweede ná de laatste jaarweek (Dan.9). De eerste kan elk moment plaatsvinden, aan de tweede gaan tekenen vooraf. Van beiden kan echter gezegd worden: ‘Van die dag of dat uur echter weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader’ (Mark.13:32).

De visie dat de Opname elk moment kan plaatsvinden wordt door meerdere Bijbelteksten ondersteund. Denken we maar aan de woorden van de apostel, die spreekt van ‘wij de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, zullen de ontslapenen geenszins voorgaan’ (1Thes.4:15,17). De gelovigen van de Gemeente hebben de belofte dat ‘ze bewaard zullen worden voor het uur van de verzoeking dat over het hele aardrijk zal komen' (Op.3:10). Het zal een ‘onzichtbare’ komst zijn, voor de wereld verborgen (1Kor.15:51-52). De komst van Christus voor Israël en de volken gaat gepaard met oordelen, de dag van de Heer en zal zichtbaar zijn. Hij zal daar weerkomen vanwaar Hij vertrokken is, de Olijfberg, zoals al in het Oude Testament is voorzegt (Hand.1:11; Zach.14:3). Elders op mijn website kunt u wel meer informatie vinden over deze twee verschillende wederkomsten.

Hoe dan ook: ‘Weest ook u gereed, want op een uur dat u het, niet vermoedt, komt de Zoon des mensen (Luk.12:40). De Heer vertraagd de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen’ (2Petr.3:9). De vraag is: Bent u bereid Hem te ontmoeten? In elk geval de Heer Jezus komt op tijd, Zijn tijd! En misschien wel vandaag! ‘Zie, Ik kom spoedig!’ (Op.22:12).

5. En wat kunnen we doen tot het zover is?

We gaan niet in een hoekje, met een boekje zitten en wachten de Heer komt, dat is duidelijk. Noach bouwde aan de ark tot op het moment dat hij erin ging (Mat.24:39). De Heer Jezus zei tegen zijn tien slaven: ‘Doet zaken totdat Ik kom’ (Luk.19:13). Nee, een eindtijd of crisistijd zoals u wilt, is geen tijd om stil te zitten, en de profetie heeft niet als doel te speculeren, maar om ons te motiveren! De wereld staat letterlijk en figuurlijk in brand, en zouden wij zwijgen? (2Kon.7:9). ‘Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn, en weest u gelijk aan mensen die op hun wachten, wanneer hij terugkomst van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen’. Dat is de oproep van de Heer Jezus in de gelijkenis over de waakzame slaven in Lukas 12:35).

Jakobus, de halfbroer van de Heer Jezus, leefde in de begintijd van de Gemeente, maar heeft ons wel aanwijzingen gegeven in verband met de komst van de Heer, die wij, levend in de eindtijd, ter harte kunnen nemen. ‘Hebt dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht van het land en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur. Broeders, neemt als voorbeeld van het lijden en het geduld de profeten, die in de naam van de Heer gesproken hebben. Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord, en u hebt uit het einde van de Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontferming is’ (Jak.5:7-11).

Tenslotte

Nee, alle vragen zijn niet gesteld en ook de antwoorden zullen mogelijk niet voldoende zijn. We weten niet hoe het verder zal gaan in deze wereld, naarmate we dichter bij de komst van de Heer komen zal het moeilijker worden. Als we om ons heen kijken is het vooruitzicht donker, kijken we omhoog zien we het licht van de morgenster als schijnen (2Petr.1:19). We hebben dan ook veel wijsheid nodig om antwoord te kunnen geven op de vragen waarmee we dan zitten, op onze weg naar Huis!

_____________________________________________________________

 

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 Vier bijzondere ontmoetingen

Lukas 1

 

Inleiding

Lukas schreef ‘zijn’ evangelie onder de leiding van de Heilige Geest nadat hij het leven van de Heer Jezus nauwkeurig had onderzocht (1:1-4). Wanneer we de woorden ‘van voren’ in vers 3 mogen lezen als ‘van boven’, zoals sommige uitleggers doen, dan zouden we kunnen stellen dat God Lukas leidde bij het verzamelen van de informatie en het ordenen voordat hij het evangelie schreef. Zijn doel was ons een nauwkeurig verslag te geven van de geboorte, leven, onderwijs, dood en opstanding van de Heer Jezus. De hoogedele Theófilus (‘vriend van God’) aan wie Lukas schrijft, kan een vooraanstaand Romeins persoon zijn geweest, die als nieuw gelovige, het nodig had in zijn geloof bevestigd te worden (Hand.1:1-4). Lukas begint zijn evangelie met het vermelden van vier belangrijke bezoeken die vooraf zijn gegaan aan Jezus’ geboorte.

Gabriël bezoekt Zacharias (1:1-25)

‘De dagen van Herodes, koning van Judéa’ (vs.5) behoorden niet tot de beste dagen van het volk Israël, maar de priester Zacharia en zijn vrouw baden en dienden God ondanks die omstandigheden. ‘Zijn nu waren beiden rechtvaardig voor God, wandelend in alle geboden en inzettingen van de Heer, onberispelijk (vs. 6). God had een gelovig overblijfsel zelfs in de donkerste dagen, mensen zoals Zacharia (‘Jehova heeft herinnerd’), Elizabeth (God is eed), Simeon (‘verhoring’ zie: 2:25-35), en Anna (‘genade’ zie: 2:36-38). Het was de voorzienigheid van God dat Zacharia was uitgekozen om het reukoffer te brengen in het tempelhuis, want deze dienst gebeurde maar eenmaal in het leven van een man. Zacharia had gebeden voor een zoon, want zijn vrouw Elisabeth was onvruchtbaar, en zij waren ‘beiden op hoge leeftijd gekomen’. Op het uur van het reukoffer, verscheen hem de engel, Gabriël die hem zei: ‘Wees niet bang, Zacharia, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven’ (vs. 13).

Engelen worden zo’n drieëntwintig keer vermeld in het evangelie naar Lukas, maar slechts twee van hen worden met hun naam vermeld in de Schrift: Gabriël (Dan.8:16; 9:21; Luk.1:19, 26) en Michaël (Dan.10:13, 21; 12:1; Judas 9; Op.12:7). Wat geweldig dat de eerste woorden van de hemel waren: ‘Vrees niet!’ of ‘Wees niet bang’. Dit vinden we vaker bij Lukas (1:13, 30; 2:10; 5:10; 8:50; 12:7, 32). Nog een ander, meer voorkomend woord in dit evangelie is ‘Blijdschap’ (o.a. 1:14; 2:10).

Vroeg Zacharias om een teken toen hij zei: ‘Waaraan zal ik dat weten?’  (vs.18; vgl. 1Kor.1:22). Mocht het een vraag zijn dan werd zijn vraag beantwoord, want hij bleef doof totdat zijn zoon acht dagen oud was! Geloof opent onze monden tot lofprijs, en ongeloof sluit onze monden (1:22, 64). Wat een eer voor dit oud echtpaar om de ouders te mogen worden van de laatste en grootste van de profeten (7:25-28; Mat.11:7-13), hun zoon die de Messias mocht introduceren en voorstellen aan het volk Israël! Maar wat tragisch dat Zacharias niet de heraut kon zijn van het goede nieuws, nu God op het punt stond om de Messias in de wereld te zenden!

Gabriël bezoekt Maria (1:26-38)

Zes maanden later (vs.26), bezoekt de engel Gabriël Maria in de stad Nazareth met de mededeling dat zij de moeder zou worden van de Messias. Maria zal nog een zeer jonge vrouw geweest zijn, want Joodse meisjes trouwden vroeg. Ze was verloofd met een timmerman (Mark.6:3), genaamd Jozef uit het geslacht van David (Mat.1:1-17). Maar niet alleen Jozef, ook Maria stamde af van het geslacht van David (Luk.2:27, 3:31). Maria was een maagd (vs.27; Jes.7:14) en in die tijd was een verloving gelijk aan een huwelijk, en een verloving verbreken stond gelijk aan een scheiding. Dit verklaart waarom Jozef haar ‘man’ werd genoemd en Maria zijn ‘vrouw’voor ze eigenlijk getrouwd waren (Mat.1:19-20). Gabriëls begroeting zou je letterlijk kunnen vertaling als ‘Genade’ of: ‘Je bent hogelijk begenadigd’. Ook al was Maria een gelovige vrouw, het was Gods genade, niet Maria’s karakter, waarom Hij haar verkoos. De uitdrukking ‘begenadigde’ wordt gebruikt voor alle gelovigen zoals we zien in Efeze 1:6 (‘Waarmee hij ons begenadigd heeft’). Maria is gezegend uit alle vrouwen, maar niet boven alle vrouwen.

De komst van de Zoon van God naar de wereld houdt niet alleen maar onze persoonlijke verlossing en redding in, maar ook de vervulling van Gods beloften gegeven aan zijn volk Israël (vvs. 32-33). Deze beloften te vergeestelijken is het Joodse volk beroven van wat God hen heeft beloofd (2Sam.7; Jes.9:6-7; Jer.33:14-18). Wanneer we de woorden van de engel betreffende de geboorte van de Messias letterlijk nemen, dan moeten we dat ook met deze woorden in de verzen 32-33 doen.

In tegenstelling tot Zacharia, geloofde Maria dat wat God beloofde zou doen. Ze vroeg: ‘Hoe zal dit zijn?’ en niet ‘Hoe is dit mogelijk?’. Omdat de Heer Jezus bestond vóór zijn moeder, was het niet mogelijk dat hij ontvangen werd op de normale menselijke wijze. De maagdelijke geboorte is een wonder van God die de eeuwige Zoon van God in de wereld bracht zonder de smet van de zonde in zijn menselijke natuur (vs.35; 2Kor.5:21; 1Petr.2:22; Heb.4:15). Maria gaf zich over aan de Heilige Geest (vgl. Rom.12:1) goed beseffende dat zij schaamte en onbegrip zou gaan ervaren.

Maria bezoekt Elisabeth (1:39-56)

Zacharia en Elisabeth zullen in een van de priesterlijke steden geleefd hebben (Joz.21), dus moest Maria een reis maken om Elizabeth, haar nicht, te bezoeken. Toen ze aankwam en Elisabeth begroette, begonnen wonderlijk dingen te gebeuren. Elisabeth prees God wat Hij had gedaan aan Maria, en de nog-niet-geboren Johannes de doper sprong op van vreugde in de schoot van zijn moeder (vs.44 vgl. Joh.3:29-30). Merk op dat Elisabeth Maria ‘de moeder van mijn Heer noemt’, wat een juiste benaming is, maar het was ook belangrijk dat Maria’s geloof werd vermeld’ (vs.45).

Maria’s lofprijzing wordt ook wel ‘het Magnificat’ genoemd. De naam 'Magnificat' dankt het lied aan de eerste woorden in de Latijnse versie, Magnificat anima mea Dominum, wat betekent '(mijn ziel) verheerlijkt de Heer'. Maria kende de Schrift, want er zijn maar liefst vijftien oudtestamentische vermeldingen of toespelingen in haar lied te vinden (Vgl. 1Sam.2:10-10). Ze loofde God en acht keer vermeld ze wat God haar heeft gedaan. Het is duidelijk dat Maria God kende als haar Heiland (vs.47), wat aangeeft dat ze op God vertrouwde voor haar eigen behoudenis. Ze prees God voor wat Hij aan haar gedaan had (vvs.46-49), voor allen die Hem vreesden (vvs.50-53), en voor zijn knecht Israël (vvs.54-55). Maria nam Gods beloften aan Israël letterlijk en verklaarde ze niet weg.

God bezoekt zijn volk (1:57-80)

‘God heeft zijn volk bezocht en er verlossing voor bewerkt’ (vs.68). Dat is het thema van deze lofzang. Het kind waarnaar verwezen wordt door Zacharia (vs.76) was Johannes de doper (Johannes betekent ‘genade van God’), de voorloper van de Heer Jezus, de heraut van de Messias die verlossing zou brengen voor een wereld verloren in schuld en eens Israël zou bevrijden van haar vijanden. God bezocht zijn volk, maar die (h-) erkenden helaas de tijd niet dat naar hen werd omgezien (Luk.19:44). Zacharia nam Gods verbonden en beloften, gericht aan Israël letterlijk, en zag uit naar de tijd van hun vervulling (vs.72-73).

In deze prachtige lofprijzing verstrekt Zacharias ons aantal beelden, die de verlossing symboliseren die we in en door de Heer Jezus ontvangen: (1) Verlossing uit de slavernij en behoudenis (vs.68-69), (2) ‘Dat wij, gered uit de hand van onze vijanden, onbevreesd Hem zouden dienen (vs.74), (3) Vergeving van zonden (vs.77), (4) Het aanstaand komen van de Opgang uit de hoogte en het aanbreken van een nieuwe tijd (vs.78-79; Jes.9:2). God heeft zijn volk bezocht en zal ze nog een keer bezoeken, en dat ligt in de nabije toekomst!

Excurs: Geslachtsregisters van Jezus Christus (Mattheüs 1:1-17 – Lukas 3:23-38)

De geslachtsregisters van Jezus Christus vermeld in het Evangelie naar Mattheüs en Lukas verschillen wat betreft inhoud omdat de schrijvers verschillende motieven op het oog hadden. Mattheüs begint bij Abraham en eindigt met Jozef. Lukas echter begint bij Jozef maar eindigt met Adam. Mattheüs verdeeld ‘zijn’ register in drie keer veertien geslachten. Waarom er drie koningen in vers 8 werden weggelaten is onduidelijk. Mattheüs geeft de genealogie van Jozef weer, die een nakomeling van koning David was. Als aangenomen zoon van Jozef was Jezus zijn wettelijke erfgenaam voor zover het de erfenis betrof. Let op vers 16: ‘Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie geboren is Jezus, Die Christus genoemd wordt’. Dit staat in contrast tot de vermeldingen in de voorgaande verzen betreffende de voorvaderen van Jozef, waar staat: ‘Abraham verwekte Izak, Izak verwekte Jakob enz.’. Er wordt niet gezegd dat Jozef Jezus heeft verwekt, maar dat ‘Jozef de man van Maria was, uit wie Jezus is geboren’.

Lukas 3:23-38 vermeld de genealogie van Maria en gaat helemaal, via Abraham, terug tot op Adam het begin van het menselijke geslacht. Maria’s geslachtslijn liep via Natan, een zoon van Batseba (1Kron.3:5), de vrouw van David. Daarom stamde Jezus, wat de menselijke lijn betreft van David af via Natan en wat de koninklijke lijn betreft van David af via Salomo. Lukas 3:23 zegt: ‘Jezus… was, naar men meende (of: dacht), de Zoon van Jozef’. Dit ‘naar men meende’ duidt erop dat het wilde zeggen dat Jezus niet werkelijk de biologische zoon van Jozef was, ondanks dat het wel zo gebruikt werd door zijn volksgenoten. Verder geeft Lukas’ register aandacht aan Maria de moeder van Jezus, die noodzakelijkerwijs de enige menselijke ouder moest zijn door wie Jezus uit een rij van voorouders kon zijn voortgekomen. Haar genealogie is hier vermeld, beginnend met Eli, die eigenlijk Jozefs schoonvader was, in tegenstelling tot Jozefs eigen vader, Jakob (Mat.1:16).

De verschillen duiden dus niet op tegenstrijdigheden, zoals sommigen menen, maar op verschillende vertrek- en eindpunten en doelstellingen. Daarmee zijn niet alle moeilijkheden wat betreft deze registers opgelost maar het is duidelijk dat Jezus een afstammeling is van David aan wie de belofte was gedaan dat het niet aan een man zou ontbreken die op de troon van Israël zal zitten (2Kron.6:16).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Klaar voor verandering?

 

 

 

 

 

Inleiding

Alles is veranderd! Het is me nogal een jaar geweest, een jaar waarin veel veranderd is, uiteraard niet in het minst door de gevolgen van de oorlog Van Rusland tegen Oekraïne. We hebben de laatste decennia grootse veranderingen meegemaakt in wereld en maatschappij, en het lijkt wel of die veranderingen in steeds sneller tempo gaan. In mijn jonge jaren was er geen Mac Donald, mijn moeder had geen wasmachine, auto’s waren nog een bijzonderheid, televisie was onbekend, het woord computer, fax of GSM kenden we niet. De pil was nog niet uitgevonden en ook IKEA niet en ook kindergeld was voor de toekomst. De diaconie van de kerk had een belangrijke taak voordat er sociale instellingen kwamen. Organisaties zijn aan het veranderen. De samenleving is aan het veranderen. En mensen zelf zijn aan het veranderen’. De manier waarop mensen kopen en bedrijven verkopen is door het internet radicaal veranderd. De invoering van de Euro heeft veel veranderd. Maar ook door een onverwachte gebeurtenis, zoals ziekte een ongeval o.i.d. kan je hele leven veranderen. De coronapandemie heeft onze leven en maatschappij veranderd. Het is bekend dat oudere mensen niet graag veranderen: ‘Het was toch goed waarom veranderen?’. Maar er is veel veranderd en er gaat nog veel veranderen!’ Bent u er klaar voor of bent u ‘verandermoe’?

We zouden nog lang kunnen praten over wat er allemaal veranderd is in het verleden, maar er zijn ook zaken die niet veranderd zijn en ook nooit zullen veranderen en daar wil ik het met u over hebben in dit artikel.

God is niet veranderd

‘Voorwaar, Ik, de Here, ben niet veranderd’(Mal.3:6)

Dat God niet veranderd wil zeggen dat Hijzelf, zijn karakter niet veranderd, en dat geeft ons geloof een solide basis, daarop kunnen we vertrouwen. God is licht, God is liefde (1Joh.1:5, 4:9) dat is en blijft Hij tot in eeuwigheid. Jakobus zegt van God: ‘De Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering’ (Jak.1:17). Hetzelfde wordt in de brief aan de Hebreeën van de Heer Jezus gezegd: ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid’ (Heb.13:8). Ik moet er niet aan denken dat God een grillige God zou zijn, die op elk willekeuring moment kan veranderen van gedacht, zoals we vinden in de mythologie van het oude Egypte en in andere religies. Daar draaide alles om die grillige, humeurige goden te behagen. Als een god zijn intrek nam in zijn aardse woning, het goddelijke standbeeld, moesten de priesters dit wassen, aankleden en het van lekkernijen voorzien. Iemand heeft eens geschreven: ‘Geloven betekent overgave en loslaten, vallen en zweven, eeuwig blijven vragen en zoeken. Gelovig bestaan komt erop neer, dat je voortdurend wordt verrast en op het verkeerde been wordt gezet, omdat God steeds weer anders is’. Juist het tegenovergestelde is waar! Het Bijbels geloven is geen sprong in het duister, want ‘Het geloof nu is de zekerheid van wat men hoopt, de overtuiging van wat men niet ziet’ (Heb.11:1). Maar Gods onveranderlijkheid betekend niet dat zijn handelen met zijn schepping en schepselen niet kan veranderen. De tekst in Mal.3:6 wordt dan ook vervolgd door: ‘Keer terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:7), dat maakt duidelijk dat God verschillend handelt in verschillende situaties en toch Dezelfde blijft. Nee, Ik de Here ben niet veranderd, want: ‘Gij hebt voormaals de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk uwer handen; Die zullen vergaan, maar Gij houdt stand, zij alle zullen verslijten als een kleed, Gij verwisselt ze als een gewaad, en zij verdwijnen; ‘Maar Gij blijft dezelfde, aan uw jaren komt geen einde’ (Ps.102:26-28; Heb.1:10-12).

De natuur zal niet veranderen

‘Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden’ (Gen.8:22)

Zolang deze planeet, waarop wij leven, bestaat blijven de seizoenen komen en gaan. Zoals we weten hebben we de seizoenen te danken aan de schuine stand van de aarde. Maar door te zeggen ‘zolang de aarde bestaat’ wordt al aangegeven dat er ook een periode zal waarin er veranderingen zullen optreden, die een ‘andere’ aarde zal doen ontstaan. Zoals de mens nu met de aarde omgaat kunnen we vaststellen dat het, vooral sinds de industriële revolutie, misgaat. De gevolgen tonen zich op allerlei manieren, zoals het smelten van de ijskappen en daardoor het verhogen van het zeewater. Verder door de verhoging van de temperatuur wereldwijd waardoor het klimaat beïnvloed wordt. In de media worden we voortdurend met de neus op de feiten gedrukt en wordt er gezegd dat het niet goed gaat met deze aarde. Gods woord zegt dat: ‘De schepping zucht en is in barensnood, in de hoop dat ze zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God’ (Rom.8:21-22). Er is hoop, de schepping is in barensnood, dat verwijst naar iets nieuws dat gaat komen. Gaat deze aarde voorbij, dan mogen we weten dat de tijden van verkwikking aanstaande zijn, de tijden van de heerstelling van alle dingen’ (Hand.3:19-21). Daarbij mogen we denken aan het rijk van Christus, een periode in Gods handelen met deze aarde, die vooral uitvoerig en uitbundig beschreven wordt door de profeet Jesaja. Neemt u eens de moeite en lees die gedeelten waarover hij spreekt van de nieuwe hemel en nieuwe aarde die zal ontstaan wanneer de Messias verschijnt (zie bv. de hoofdstukken 60-62). Dan zullen er grote veranderingen optreden ook in de natuur: de woestijn zal bloeien als een roos! Verder spreekt Jesaja over de wolf die zich bij het schaap verkeren, de panter die zich neerlegt bij het bokje, enz. Daar, op die herstelde aarde, zal er niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden’ (Jes.65:17-25). Wat een positieve verandering zal dat zijn!

De mens is niet veranderd

‘Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was’ (Gen.6:5)

Ja, er is veel veranderd, maar de mens niet en dat kan ook niet omdat hij aangetast is door de zonde; ‘Wat uit het vlees geboren is, blijft vlees (Joh.3:6). Toorn van God wordt van de hemel geopenbaard, omdat de mens Gods openbaring in de schepping heeft verworpen, waardoor God hen heeft overgegeven en hun op eigen wegen heeft laten gaan (Rom.1:18-32; Hand.14:16-17). Paulus spreekt over de zonde die in hem woont, en in ieder mens, en dat dat de oorzaak is van het falen van de mens om het goede te doen. ‘Joden en Grieken zijn allen onder de zonde’ (Rom.3:9). Voor die overtuiging is in de evolutietheorie geen plaats, daar gaat men uit van de goedheid van de mens. De geschiedenis van de mensheid laat ons echter heel iets anders zien. Dat er niemand is die goed doet blijkt dan ook wel uit hun daden: ‘Hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog; addergif is onder hun lippen, hun mond is vol vervloeking en bitterheid; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellende is op hun wegen; en de weg van de vrede hebben zij niet gekend; geen vrees voor God staat hun voor ogen’ (Rom.3:13-18). De Heer Jezus wijst op het hart als de bron voor het falen van de mens, wanneer hij zegt: ‘Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen’ (Mat.15:19). Is er geen oplossing, geen verandering mogelijk? Ja zeker wel, en de Bijbel geeft die ook duidelijk aan door te stellen dat we een nieuwe schepping moeten worden door geloof in Jezus Christus (2Kor.5:17). Of zoals de Heer Jezus het tegen Nicodemus heeft gezegd: ‘U moet opnieuw geboren worden’ (Joh.3:1-21) dat brengt een verandering tot stand die leidt tot in het eeuwige leven!

Gods Woord is niet veranderd

‘Voor eeuwig, HEERE, staat Uw woord vast in de hemel’ (Ps.119:89)

God waakt over zijn woord! In de Bijbel, bestaande uit het oude- en nieuwe testament, heeft God, door de Heilige Geest, Zichzelf geopenbaard. We weten daarom ook dat God  licht en liefde is (1Joh.1:5, 4:8,16). ‘Want niet de wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar heilige mensen van Godswege hebben door de Heilige Geest gedreven, gesproken’ (2Petr.1:21; 2Tim.3:16). Zo zegt Paulus: ‘…toen u van ons het woord van de prediking van God hebt ontvangen, hebt u het aangenomen niet als een woord van mensen, maar zoals het waarlijk is, als Gods woord’ (1Thes.2:13). ‘Het Woord van de Heer blijft tot in eeuwigheid. Dit nu is het woord dat u verkondigd is’ (1Petr.1:25). De Bijbel is dan ook een bijzonder boek, het steekt met kop en schouders uit, boven al het andere wat geschreven is de loop van de tijd. Dat geldt niet alleen het unieke van zijn ontstaan, eenheid, verspreiding of zijn literair karakter, maar ook voor zijn morele karakter. Iets waarmee de moderne mens maar moeilijk overweg kan. De oorzaak daarvan is dat de Bijbel een systeem van moraliteit onderwijst dat radicaal indruist tegen het normbesef van de mens, dat zichzelf tot norm heeft gesteld. Een moraal die bijvoorbeeld inhoudt dat we onze vijanden moeten liefhebben en wél moeten doen aan degene die ons haten en vervolgen, die inhoudt dat een wellustige blik overspel en haat moord is! Het Bijbelse antwoord op het morele probleem van de moderne mens is persoonlijke, geestelijke wedergeboorte, een echte innerlijke levensverandering en een oprecht levend geloof in de opgestane Christus. Maar niet alleen de morele standaard is het die de Bijbel bijzonder maakt, ook het evangelie, de blijde boodschap, die daarin vermeld is. Dat evangelie maakt bekend hoe de gevallen mens weer opgericht kan worden en hoe de relatie met God hersteld kan worden. Gods woord is de waarheid! (Joh.17:17) en we worden dan ook opgeroepen om ‘te strijden voor het geloof dat éénmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Judas:3).

Gods raad (plan) is niet veranderd

‘De raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht’ (Ps.33:11)

Gods plan staat vast en is onveranderlijk, maar de weg die naar het doel moet leiden, kan veranderen, namelijk door menselijk falen waardoor God corrigerend moet optreden. God heeft een plan met deze wereld en in de Schrift wordt dat aangeduid met ‘Gods raad of plan’. Zo zegt Jesaja: ‘Uw raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker’ (25:1) en ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zegt: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen’ (Jes.46:10).

Wat houdt Gods raad in, wat is het uiteindelijke doel? Mogelijk dat Paulus daar een antwoord op geeft, wanneer hij schrijft in de brief aan de gelovigen te Efeze: ‘God is overvloedig geweest jegens ons in alle wijsheid en inzicht; daar Hij ons de verborgenheid van zijn wil bekend heeft gemaakt, naar zijn welbehagen, dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande de bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op aarde is onder een hoofd samen te brengen in Christus’ (Ef.1:10-11). Die raad van God is aan de apostel Paulus bekend gemaakt, want we lezen in zijn afscheidsrede tot de oudsten van Efeze, het volgende: ‘Daarom getuig ik op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen; want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen’ (Hand.20:26-27). Die ‘raad’ moet hem dus bekend zijn gemaakt en sommigen verwijzen daarvoor naar 1Korinthiërs 11:23. Gods raad staat vast en zal haar doel bereiken, en bestaat daarin dat eenmaal elke knie van hen die in de hemel en die op de aarde zijn zich zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader (Fil.2:10-11). Vast en zeker!

Tenslotte

Ook in het nieuwe jaar dat voor ons ligt zullen er weer veel dingen veranderen, bent u er klaar voor? Maar wat niet veranderd en van veel grote waarde en belang is, dat we mogen weten dat God niet veranderd en Dezelfde blijft tot in eeuwigheid. Ook de loop van de schepping, de seizoenen blijven tot er een nieuwe aarde aanbreekt. Helaas blijft de mens hetzelfde maar gelukkig kan, door de genade van God ook daar verandering in komen door de verkondiging van Gods woord totdat Gods raad volvoerd is en dat Jezus Christus komen om de heerschappij op zich te nemen. Bent u klaar voor die verandering?

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘De zonde die ons licht omstrikt’

Hebreeën 12:1

 

 

Inleiding

Het is niet geheel zeker wie de schrijver van de brief aan de Hebreeën is, de apostel Paulus heeft voor veel bijbeluitleggers de voorkeur, maar wie het ook geweest mag zijn, het doel van de schrijver is wel duidelijk, hij wilde zijn geloofsgenoten bemoedigen in hun wandel met God. Hij roept hen op om te volharden en vast te houden aan het Woord en de wedloop uit te lopen. Het waren moeilijke tijden (10:32) en de verleiding om op te geven was reëel aanwezig (3:12). Het bekendste hoofdstuk uit deze brief is vermoedelijk hoofdstuk 11 waar we de beschrijving vinden van hen die in hoofdstuk 12:1 onder de verzamelnaam ‘de grote wolk van getuigen’ worden vermeld. Daar vinden we ook de oproep om aandacht te schenken aan ‘de zonde die ons licht omstrikt’ (Heb.12:1).

Tijdens het zingen van het lied 169 uit de Opwekkingsbundel trof mij speciaal het zinnetje: ‘In Hem heeft de zonde geen macht over mij’. Maar, dacht ik toen, wat wanneer we niet ‘in Hem’ zijn, en wat is zonde? Hoe is de zonde in de wereld gekomen en kan een kind van God nog zondigen? Hoe kan het dat zoveel gelovigen van de weg zijn afgeraakt en de wedloop niet tot een goed einde hebben kunnen brengen? Vragen, die mij bezighielden en u misschien ook.

De schrijver van de brief aan de Hebreeën 12 stelt ons de wandel van een gelovige voor als een wedloop, in een renbaan (1Kor.9:28). Hij waarschuwt ons om rekening te houden met het feit dat er verhinderingen kunnen komen waardoor we de wedloop vroegtijdig moeten stoppen en waardoor we de prijs missen. Salomo kwam al tot de conclusie: ‘Dat het niet de snelsten zijn die de wedloop winnen, noch de sterksten de strijd, noch ook de wijzen het brood, noch ook de schranderen de rijkdom, noch ook de verstandigen de gunst, want tijd en toeval treffen hen allen’ (Pred.9:11). Eén van die toevalligheden, of verhinderingen is de zonde, die ons licht omstrikt!

De zonde

‘En de HERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen’ (Gen.4:6-8)

Wij als gelovigen hebben vijanden, drie om precies te zijn: het vlees, de wereld en de duivel. (Jak.4:1,4,7; Ef.2:2,3). Het ‘vlees’ is de in ons wonende zonde, die een macht is in ons, zo zegt de apostel Paulus het in de brief aan de gelovigen te Rome (7:17,20). Door de mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. De dood is het gevolg, (loon) van de zonde (Rom.6:23), niet de straf op de zonde: die straf is de ‘tweede’ of de eeuwige dood (Op.20:14). Omdat de zonde nog in ons woont is de mens altijd geneigd om het kwade te doen; de zonde die in hem woont zet hem daartoe aan. Zijn we dan veroordeeld om altijd te blijven zondigen, ook als gelovige? Zeker niet, leest u maar: ‘Laat de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen. En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God, als uit de doden levend geworden, en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade’ (Rom.6:12-14). Daar komt onze verantwoordelijkheid op de voorgrond. Ja, wij zijn verkocht onder de zonde, maar we hebben ook Gods Geest ontvangen en zijn daardoor in staat dat de zonde niet over ons zal heersen. Hoe dan? Wel, als we naar het vlees leven, zullen we sterven; maar als we kunnen door de Geest de werkingen van het lichaam doden. ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid’ (2Tim.1:7). Wanneer gelovigen zich ervan bewust zijn dat hun lichaam een tempel van de heilige Geest is (1Kor.6:19; Rom.8:9) worden zij opgeroepen door de kracht van de Geest te leven. Zulke gelovigen zullen in staat zijn te voorkomen dat de zonde in hun lichamen kan gaan heersen. ‘Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4).

Satan is echt

De duivel of satan wordt in het Nieuwe Testament ‘De vorst van deze wereld’ (Joh12:31, 14:30, 16:11) en ‘De god van deze eeuw of wereld’ genoemd (2Kor.4:4). Maar wie is hij eigenlijk en waar komt hij vandaan? Veel blijft voor ons verborgen, maar wat we aan de Schrift kunnen ontlenen mag voldoende zijn. De Schrift toont ons een gevallen engel die verbannen werd van de berg der goden omdat hij zich aan de Allerhoogste wilde gelijkstellen (Ez.28:13vv.; Jes.14:12-15). Hij is de grote tegenstander van God, en heeft zich tot doel gesteld om Gods plan van verlossing te dwarsbomen. Vanaf de schepping van de mens, zien we hem in actie komen, en in de tijd van Jezus’ komst in deze wereld worden zij bedoelingen steeds duidelijker. Tijdens zijn ontmoeting met de Heer Jezus in de woestijn zegt hij: ‘Ik heb de macht deze koninkrijken te geven, want zij is mij overgegeven en ik aan wie ik wil geef ik ze’ (Luk4:6). Die overdracht van macht heeft plaatsgevonden bij de zondeval, waar de mens zijn gezag is ontnomen. Hoewel de Heer Jezus door het kruis de satan heeft overwonnen is hij nog steeds een geduchte vijand. De Schrift toont hem aan ons als een engel van het licht en een brullende leeuw (2Kor.11:15; 11Petr.5:8), maar zijn einde staat echter vast. Er wordt in dat verband wel gesproken van de viervoudige val van de satan. (1) Verbanning van de berg der goden (Ez.28:13vv.); (2) Op aarde geworpen (Op.12:10); (3) In de afgrond geworpen (Op.20:2); (4) In de poel van vuur geworpen (Op.20:10)

Satans doel

‘Opdat de satan op ons geen voordeel mocht behalen. Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11).

‘Zijn gedachten zijn ons niet onbekend’, maar wat houden die gedachten dan in, hoe komen wij achter satans gedachten? Wat met ‘satans gedachten’ wordt bedoeld wordt duidelijker wanneer we er andere Bijbelvertalingen op na slaan. Daaruit blijkt dat het meer gaat om ‘wat hij in den zin heeft’ of ‘van plan is’. Dat blijkt ook de woorden die de Heer Jezus tot Petrus heeft gezegd, namelijk: ‘Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd u allen te mogen ziften als de tarwe’ (Luk.22:31; 1Petr.5:8). In de tweede brief aan de Korinthiërs, wordt meer dan in enige andere brief van Paulus, gesproken over de negatieve activiteiten van de satan. Bijvoorbeeld in 11:14, waar gesproken wordt over dat ‘de satan zichzelf voordoet als een engel van het licht en zijn dienaren zich voordoen als dienaars van de gerechtigheid’. Dat doet mij denken aan de gevaren die de Gemeente van Jezus Christus van binnenuit bedreigen en waarvoor Paulus eerder al had gewaarschuwd. ‘En uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken’ (Hand.20:30). De kerkgeschiedenis legt helaas van de waarheid van dat gevaar ruimschoots getuigenis af! Hij is de ‘aanklager van de broeders’ de ‘tegenstander van God’ (Op.12:10; 2Thes.2:4).

Satans tactieken

Inderdaad, het zijn vaak de ‘kleine vossen’ en niet altijd grote zaken die verderfelijk zijn voor het geestelijk leven. Daarvan getuigt Salomo wanneer hij zegt: ‘Vangt ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, nu onze wijngaarden in bloei staan’ (Hgl.2:15). De vrouw (Eva) werd verleid door de duivel en viel in overtreding (1Tim.2:14) en de satan zette David ertoe aan om het volk te tellen (1Kron.21:1), om maar twee voorbeelden te geven. Het is niet dat God de mens verwierp om een kleinigheid als een ‘appel’, maar dat de mens God verwierp om een kleinigheid als een ‘appel’. Kleine zonden, maar grote gevolgen, want ‘door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood’ (Rom.5:12). Een door de zonde van David bracht de Here de peest onder het volk en er stierven zeventigduizend man! (2Sam.24:15). Nee, de zonde vracht een hoge prijs! Want: ‘Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij de dood voort’ (Jak.1:14). Bij het bepalen van wat zonde is, is het is niet belangrijk wat wij zonde noemen, maar wat God zonde noemt. Iemand heeft eens gezegd: ‘Het ging erbij de zondeval niet slechts om ongehoorzaamheid aan Gods gebod, maar van het zelf willen uitmaken wat goed en kwaad is’.

Onze verdediging.

‘Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel’ (Ef.6:11)

We hebben een machtige vijand, die we zeker niet mogen onderschatten. Aan de andere kant mogen we in de wetenschap leven dat elke gelovige de heilige Geest gekregen heeft, waardoor hij in staat is, in de kracht van de Geest de zonde te overwinnen. Want: ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4). We hebben de bijstand van de heilige Geest, zijn in het bezit van Gods Woord en mogen overtuigd zijn van de zorg die de Vader voor zijn kinderen heeft. En als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn? (Rom.8:31). Maar die wetenschap ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid om weerstand te bieden aan de duivel, vast in het geloof, want de duivel gaat rond als een brullende leeuw op zoek wie hij zou kunnen verslinden (1Petr.5:8-9). Het onderwijs, hoe wij de zonde kunnen overwinnen vinden we uitvoerig besproken in de brief aan de Romeinen, vooral de hoofdstukken 6-8.

_____________________________________________________________