Historische Boeken 2

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Inleiding en Indeling Samuël, Koningen, Kronieken

1 Koningen 17-19 Elia, de Tisbiet

1 Koningen 19 - Elia, de profeet in de spelonk

1 Koningen 19 en 2 Koningen 2 - Elisa, de zoon van Safat

2 Koningen 5:1-14 - Het meisje zonder naam

2 Koningen 5:1-15 - Naäman de Syriër

2 Koningen 6:8-23 - Ik zie, Ik zie, wat jij niet ziet!

2 Koningen 10:1-20 - Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen

2 Koningen 22 - Opwekking onder Koning Josia

Inleiding en Indeling 1 en 2 Kronieken

2 Kronieken 20 - Koning Josafat

2 Kronieken 27 - Koning Jotam

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Inleiding en indeling van de boeken 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen en 1 en 2 Kronieken

 

 

Het onderwerp

De boeken Samuël, Koningen en de Kronieken geven de geschiedenis weer van het koninkrijk Israël, de jaren van nederlaag en overwinning en aan het einde een verdeeld koninkrijk. Wanneer je deze boeken leest is er één les die eruit springt en dat is: Spreuken 14:34 ‘Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën’. Wanneer het volk God verhoogt, verhoogt God het volk; maar wanneer de leiders, profeten en het volk zich van de Wet afkeren, ontzegd God het volk zijn zegen.

Deze waarheid wordt niet alleen gevonden in de geschiedenis van een volk als collectief, maar ook in het persoonlijke leven van de leiders. Beide David en Salomo, werden de Here ongehoorzaam en betaalden daarvoor de prijs, zowel in hun gezinnen als in hun persoonlijke levens. ‘Wie Mij eren, zal Ik eren’ (1Sam.2:30).

De profeten

In een periode van geestelijke achteruitgang, zond God profeten om het volk te doen ontwaken. Er zijn een aantal onbekende profeten in deze boeken, maar ook bekende dienstknechten van God zoals Elia en Elisa, Jesaja, Joël, Amos, Jona en Micha. Om een chronologisch overzicht te krijgen van hun optreden is het goed daarvoor andere boeken te raadplegen. De taak van een profeet om het volk terug tot God te brengen (Mal.4:5-6; Mat.17:11).

Een en twee Samuël

Deze boeken geven de overgang weer van de periode van de Richteren tot aan de tijd dat het koninkrijk Israël werd opgericht. Samuël was de laatste richter en de eerste nationale profeet. Hij was het die Saul tot koning zalfde, en daarna David als zijn opvolger. We kunnen deze boeken als volgt indelen:

A. Samuël (1 Sam.1-7)

1. Geboorte en jeugd (1-3)

2. Vroege dienst (4-7)

B. Saul (1 Sam.8-15)

1. Saul tot koning gemaakt (8-10)

2. Zijn eerste overwinningen (11-12)

3. Zijn zonden en verwerping (13-15)

C. David (1 Sam.16 – 2 Sam.24)

1. De herder (1 Sam.16-17)

2. De dienaar (1 Sam.18-19)

3. Verbannen (1 Sam.20-31)

4. De koning David (2 Sam.1-24)

a. Zijn overwinningen (2 Sam.1-10)

b. Zijn beproevingen (2 Sam.11-24)

I. Persoonlijke zonden (11-12)

II. Amnons zonde (13)

III. Absaloms zonde (14-18)

IV. Nationale onrust (19-24)

Een en twee Koningen

Deze twee boeken, zoals de titels al aangeven, behandelen de koningen van het volk Israël. Ze beginnen met de glorieuze regering van Salomo en eindigen met de tragische wegvoering in ballingschap van Juda naar Babylon. We kunnen deze boeken als volgt indelen:

A. Het koninkrijk verenigd (1Kon.1-11)

1. Salomo ’s rijkdom en wijsheid (1-4)

2. Salomo ’s tempel (5-9)

3. Salomo ’s zonde (10-11)

B. Het koninkrijk verdeeld (1 Kon.1-25)

1. Rehobeam en Rehabeam (12-14)

2. Een reeks van goede en verkeerde koningen (15-16)

3. Elia en koning Achab (17-22)

C. Het koninkrijk in gevangenschap

1. Israëls gevangenschap (1-17)

2. Juda’s gevangenschap (18-25)

Een en twee Kronieken

De boeken een en twee Koningen werden geschreven vóór de gevangenschap van Juda en het lijkt erop dat het geschreven is vanuit het standpunt van een profeet, terwijl 1 en 2 Kronieken werden geschreven ná de gevangenschap (1Kron.6:15) en vanuit het oogpunt van een priester. Deze boeken roepen de herinnering op aan Spreuken 14:34 ‘‘Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën’. Zonde was een verwijt aan de Joden omdat zij Gods volk waren en door God geroepen werden tot een heilig leven ((Ex.19-20). God zou zijn volk veel eerder geoordeeld hebben maar vanwege zijn belofte aan David heeft Hij dat niet gedaan. ‘Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd’ (2Sam.7:16). De uiteindelijke vervulling van die belofte is de Heer Jezus, ‘de zoon van David’ (Mat.1:1), die eenmaal de troon van David zal oprichten (Luk.1:26-33) en zal heersen vanuit Jeruzalem.

We hebben genoeg aandacht besteed in bovenstaande indeling van 1 en 2 Koningen aan de geschiedenissen van Saul, David en Salomo, vandaar dat we hierna onze aandacht willen richten op die gegevens die alleen gevonden worden in 1 en 2 Kronieken.

A. Geslachtsregister van Adam tot koning Saul (1Kron.1-9)

B. De regering van koning David (1Kron.10-29)

1. De door van koning Saul (10)

2. David verstevigt zijn koninkrijk (11-16)

3. Gods verbond met David (17)

4. David breidt zijn koninkrijk uit (18-20)

5. David telt het volk (21)

6. David treft voorbereidingen voor de tempelbouw (22-29)

(De dood van Davis)

C. De regering van koning Salomo (2Kron.1-9)

1. Salomon ontvangt Gods zegen (1)

2. Salomo bouwt en wijdt de tempel (2-7)

3. Salomo ’s roep en rijkdom (8-9)

D. Het verdeeld koninkrijk (10-36)

(De koningen van Juda)

1. De regering van Jerobeam (10-12)

2. Van Abia tot Asa (13-16)

3. De regering van Josafat (17-20)

4. Van Joram tot Amasja (21-25)

5. De regering van Uzzia (26)

6. De regering van Jotam en Achaz (27-28)

7. De regering van Hizkia (29-32)

8. De regering van Manasse en Amon (33)

9. De regering van Josia (34-35)

10. De laatste koningen en de ondergang van Juda (36)

 _____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Elia, de Tisbiet

 

1 Koningen 17-19

 

 

Inleiding

Voorbereidingen voor een strijd, of oorlog zijn essentieel wil je de overwinning behalen. Elia’s dienst begon in het verborgene, maar een ‘verborgen’ dienst is ook een dienst! Mozes had een voorbereidingstijd van veertig jaar, voordat hij het volk Israël naar het beloofde land mocht en kon leiden. Elia’s dienst duurde, in deze hoofdstukken, zeven jaar. Paulus spreekt over ‘strijd’ aan het einde van zijn leven (2Tim.4:7). Een goed soldaat zal in de strijd wonden kunnen oplopen, dat is praktisch onvermijdelijk. Elia haalde een grote overwinning maar viel daarna in een emotionele put ; hij was gekwetst. Ook wij hebben een strijd en zullen op de een of andere manier gewond kunnen raken, dat moet ons niet verbazen (1Petr.4:12). Hoe gaan we om met voorbereiding, strijd en teleurstelling? Hoe ging Elia daar mee om en welk rol speelde, en speelt God in dat proces? Daarover gaat dit artikel.

Situatie van het volk

Profeten traden op in tijden van verval. Een profeet was niet alleen maar een toekomstvoorspeller, maar ook een persoon om het volk op te roepen zich te bekeren en terug te keren naar de Here (Mal.4:5-6; Mat.3:1-2). Elia, en zijn opvolger Elisa, waren zulke profeten. Elia zijn naam betekend ‘mijn God is Jahweh’ en in tegenstelling tot het volk was hij de enige die met recht zo’n naam mocht dragen. In de dagen waarin zich deze gebeurtenissen zich afspeelden diende praktisch het hele volk de Baäl. Koningin Izebel, de echtgenote van koning Achab, had deze afgoderij met toestemming van Achab uit het land, Sidon meegebracht (1Kon.16:31-32). Ze doodde de ware profeten van God en gebruikte overheidsgelden om honderden andere, valse profeten aan te stellen om de dienst van Baäl te verrichten. De gevolgen van hun afgoderij konden daarom niet uitblijven en waren zoals voorzegd in het boek Deuteronomium in het hoofdstuk over de zegen en de vloek: ‘Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: ‘De Here zal u slaan met tering, koorts, brand, ontstekingen, droogte, brandkoren en honigdauw: zij zullen u vervolgen, totdat gij te gronde gaat’ (Deut.28:15, 22). De droogte in Elia’s dagen duurde drieeneenhalfjaar. Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land’ (Luk.4:25; 1Kon.18:1). Gebrek aan regen was vaak de straf op de zonden van het volk (Deut.11:13-17; 2Kron.7:12-15).

Verberg u, Elia! (1Kon.17)

De droogte was vermoedelijk al een half jaar bezig voordat Elia als profeet geroepen werd (18:1). Plotseling verschijnt Elia, vanuit het niets op het toneel, ontmoet Achab en kondigt hem het oordeel aan: ‘Zo waar de Here, de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord’ (17:1). Zo onverwacht en  onaangekonigd Elia op het ‘podium’ is gekomen, zo verdwijnt hij ook weer om drie jaar later weer voor Achab te verschijnen. Naar het woord van de Here moest Elia zich verbergen bij de beek Kerit. In totaal was die periode er een van drie jaar (18:1) waarin in Elia drie wonderlijke gebeurtenissen meemaakte: (1) Hij werd gevoed door raven, onreine vogels’ die hem ‘des morgens brood en vlees, en des avonds brood en vlees, terwijl hij uit de beek dronk totdat die uitdroogde. (2) Hij vertrok en nam zijn intrek bij een weduwe in Sarefat waar hij op een wonderlijke wijze gevoed werd, naar het woord van de Here: ‘Het meel in de pot zal niet opraken, en de olie in de kruik zal niet ontbreken tot op de dag, waarop de Here regen op de aardbodem geven :zal’ (17:14). (3) Tenslotte werd Elia het middel om de gestorven zoon van de weduwe weer tot leven te brengen, waardoor zij tot de erkenning kwam: ‘Thans weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des Heren in uw mond waarheid is’ (1Kon.17:17-24). Daarmee was de voorbereidingstijd voor Elia voorbij, drie jaar waren verstreken, koning Achab was niet veranderd, en Elia moest het definitieve oordeel aan hem verkondigen. Deze periode moest Elia genoeg vertrouwen geven om de aanstaande confrontatie aan te gaan. We worden niet ingelicht over de bijzonderheden hoe deze wonderlijke gebeurtenissen die Elia tot dusver had meegemaakt, tot stand zijn gekomen. De Heer Jezus neemt ze voor waar gebeurd aan, dus waarom zouden wij dat ook niet doen? (Luk.4:25-26). Het ‘verberg u, Elia’ wordt nu ‘Vertoon u, Elia’!

Vertoon u, Elia! (1Kon.18)

Elia ontmoet de profeet Obadja

Wie was Obadja die Elia tegen kwam toen hij op weg was naar Achab? Obaja was iemand die de Here zeer vreesde, maar hij diende koning Achab als veldmaarschalk! (18:3). Op zijn minst een vreemde combinatie te noemen. Wat een contrast tussen deze twee profeten: Elias diende de Here in het openbaar en zonder vrees; Obadja diende Achab en diende de Here in het geheim (18:3-4). Elia ken de de wil van God, Obadja wist niets over de aanstaande gebeurtenissen. Elia diende het volk, Obadja was op zoek naar gras voor de paarden en de muildieren. Elia roemde niet op wat hij voor de Here had gedaan en nog zou doen; Obadja gaf nogal op over zijn verdiensten dat hij de Here had gediend door de profeten te verbergen Mogelijk dat die schizofene houding Elia heeft aangezet tot zijn latere uitspraak: ‘Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Here God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na!’ (18:21). Aan de ene kant zien we dat Obadja de Here diende, wat blijkt uit de redding van vijftig profeten die hij had verborgen en verzorgd, aan de andere verbleef hij aan het hof van afgodische koning Achab en had blijkbaar geen geestelijke kracht om daarmee te breken. We kunnen hier de volgende tekst op toe passen: ‘Toch blijft het vaste fundament van God staan, met dit zegel: De Heere kent wie van Hem zijn, en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid’ (2Tim.2:19). We willen ons dus onthouden van een oordeel, maar we mogen ons wel afvragen waar we zelf staan?!

Elia ontmoet koning Achab

Obadja probeert Elia van zijn zijn voornemen af te houden om naar koning Achab te gaan; hij vreesde voor zijn leven. Want zei hij tegen Elia: ‘Wat heb ik misdaan, dat gij uw knecht wilt overleveren in de macht van Achab om mij te doden? Zo waar de Here, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk, waar mijn heer niet naar u heeft laten zoeken. En zeide men: hij is er niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren, dat men u niet kon vinden. En nu zegt gij: ga heen, zeg tot uw heer: Elia is er. Nu moest het eens gebeuren, terwijl ik van u wegga, dat de Geest des Heren u wegnam, ik weet niet waarheen. Als ik dan aan Achab bericht zou brengen en hij vond u niet, dan zou hij mij doden, terwijl uw knecht nog wel van zijn jeugd af de Here vreest’ (1Kon.18:9-12). Maar niets kon Elia tegenhouden, hij bleef trouw aan de opdracht die had gekregen: ‘Daarop zeide Elia: Zo waar de Here der heerscharen leeft, in wiens dienst ik sta, heden zal ik mij aan hem vertonen’ (18:15). Elia was niet bang om Achab te ontmoeten en hem Gods boodschap mee te delen, ondanks het feit dat Achab hem naar het leven stond. Wel geeft Achab Elia de schuld van de droogte: ‘Zodra Achab Elia zag, zeide hij tot hem: Zijt gij daar, gij, die Israël in het ongeluk stort?’ (18:17). Zo’n opmerking is herkenbaar, hoe vaak hoor je niet dat mensen God de schuld geven als de zaken niet goed gaan in deze wereld! Maar Elia corrigeert Achab door te zeggen: ‘Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar gij en uws vaders huis, doordat gij de geboden des Heren hebt verzaakt en de Baäls zijt nagelopen’ (18:18).

Elia ontmoet de profeten van Baäl

Elia daagt de koning uit en roept het volk en de vierhonderdvijftig priesters van Baäl, maar ook de vierhonderd profeten van Asjera om samen te komen op de berg Karmel, maar die laatste laten het afweten. Hij stelt hen voor de keuze: ‘Indien de Here God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na’ (18:21), maar het volk antwoordde hem niets! Neutraliteit is iets wat niet hoort bij iemand die belijdt dat hij of zij deel uitmaakt van het volk van God. Duidelijkheid is vereist! We zien dat el eerder bij het gouden kalf en waar het helemaal uit de hand loopt en Mozes oproept tot een keuze: ‘Wie voor de Here? Die kome tot Mij! En tot hem verzaelden zich al de Levieten’ (Ex.32:26). Later roept Jozua het volk ook op tot het maken van een duidelijke keuze en zegt tegen het volk: ‘Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen!’ (Joz.24:15). Omdat het volk zwijgt dwingt Elia hen tot een antwoord: De God die met vuur zal antwoorden, die zal God zijn. En het gehele volk gaat daarmee akkoord en antwoordde: Dat is goed’ (18:24). Het verloop van de competitie is bekend en kunt u in de volgende verzen lezen: De Baäl priesters doen de grootste inspanningen en moeite om hun god aan de praat te krijgen, maar zonder resultaat. Ook nu nog zien we in bepaalde culturen, denk aan India, hoe mensen zich laten verleiden in hun dienst aan de afgoden, tot allerlei dwaze dingen. De afloop is bekend en toen het volk zag dat het vuur des Heren het brandoffer verteerde, wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden: De Here, die is God! De Here, die is God! (18:39). Als resultaat hierop kwam er regen, wat Jakobus toeschrijft aan het gebed van Elia (Jak.5:17-18). Dat maakt ons duidelijk wat een krachtig gebed van een rechtvaardige, u en ik, tot stand kan brengen! Maar er was nog werk te doen, de Baäl priesters moesten gedood worden (Deut.13:1-5). Het is niet voldoende te erkennen ‘dat de Here God is’, maar we moeten ook de ‘afgoden’ uit ons leven veroordelen en wegdoen om Gods zegen te kunnen ontvangen.

Wat doet gij hier, Elia?

Er is een citaat van de Duitse dichter Goethe dat gaat als volgt: ‘Himmelhoch jauchzend, und zum Tode betrübt!’. In het Nederlands wordt het vertaald als: ‘Hemelse vreugde, dodelijk verdriet!’. Het ene moment zitten wij op ‘de top van de berg’ en het volgende moment zitten ze ‘in het dal’! Wie kent zulke momenten niet, ook Elia. Hij hield stand en behaalde een grote overwinning op de vierhonderdvijftig Baäl priesters en even later gaat hij op de vlucht om zijn leven te redden, voor de vrouw Izebel! In de taal van vandaag zouden we zeggen Elia had een ‘burn-out’ en verkeerde in een depressie. Maar gelukkig wordt hij opgezocht door de engel des Heren die zei: ‘zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb’, waar hem een verdere ontmoeting wachtte (19:7-9). En op de vraag die hem gesteld wordt: ‘Wat doet gij hier, Elia?’ komt de ‘aap uit de mouw’, Elia zei tegen de Here: zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de Here, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen’. ‘Ik ben alleen overgebleven’ dat was wat Elia al eerder had gezegd (18:22), en in zekere zin was dat ook wel zo. Uiteraard wist Elia wel dat er nog honderd profeten waren overgebleven, maar die zaten veilig verstorp in een spelonk… We hebben niet gelezen dat ze Elia hadden geholpen toen hij op de Karmel was, maar ‘wat zegt het Goddelijk antwoord tot hem? Ik heb Mij zevenduizend mannen doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet geboden hebben’ (Rom.11:4). Ook in onze dagen zien we veel ‘verstopte’ dienaren van God, en kun je je soms ook alleen voelen. Dat wat toen zo, in de tijd van de Jezus’ verblijf op aarde, maar ook vandaag. ‘Arbeiders zijn er weinig’ (Mat.9:37). Elia zat ook in een spelonk, maar hij kwam eruit toen de Here aan hem verscheen! ‘Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen’ (Ps.91:1). Elia moest op zijn schreden terugkeren, en naar de woestijn van Damascus gaan (19:15). Daar, waar hij van de weg was afgeraakt, moest hij er weer op gaan. Elia ontvangt nieuwe kracht, nieuwe opdrachten en moest een nieuwe profeet in zijn plaats zalven.

__________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Elia, de profeet in de spelonk

 

1 Koningen 19

 

Inleiding

Wat Elia overkwam kan ook u overkomen: een depressie, een stemmingsstoornis die zich kenmerkt door een verlies van levenslust of zware neerslachtigheid. Dat laat ons zien dat Elia een mens was van gelijke natuur als wij (Jak.5:17). Feitelijk was er geen aanleiding voor Elia’s depressie, want hij had nog maar pas op de berg Karmel een grote overwinning op koning Achab en zijn profeten behaald. Elia ging van de overwinning naar de nederlaag omdat hij op de omstandigheden lette en niet op God (vs.3). Hij geloofde de woorden van Izebel meer dan het woord van God, en hij was blijkbaar vergeten op welke manier God een lange periode voor hem had gezorgd bij de beek Kerit. Vrees nam de plaats in van geloof en hij rende weg. Hij ging weg om zijn leven kon behouden, maar toen hij in Berseba gekomen was vroeg hij de Here om zijn leven te nemen. Misschien had hij zich onderweg bedacht, hoe dan ook, Elia zat werkelijk in een heel zware depressie! Ook vandaag de dag is depressie tot een volksziekte geworden, de zielzorgers hebben handen vol werk. Elia liep weg voor de problemen, Izebel die hem naar het leven stond, en raakte in een depressie. Veel mensen lopen ook voor de problemen weg in plaats van ze op te lossen, en geraken in een depressie. Ondanks de grote voorspoed waarin zich onze maatschappij kenmerkt, is de mens niet gelukkig. Nu, door de coronacrisis, deze maatschappij zwaar op de proef wordt gesteld, en nu blijkt hoe onvoorspelbaar onze welvaart is, legt dat nog een grotere druk om de mens. Daarbij komt nog de angst om ook besmet te worden, en nog erger te sterven… en wat dan? Gelovigen hebben nog uitzicht op een leven na dit leven op grond van hun geloof in het plaatsvervangend offer van Christus, maar voor de ongelovige is geen hoop!

God versterkt Elia

Voor de dreigementen van Izebel, de vrouw van koning Achab, vlucht Elia, om zijn leven te redden. ‘Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Heer vertrouwt is onaantastbaar’ (Spr.29:25). Hij maakte zich op ging op weg en kwam te Berseba, liet zijn knecht daar achter en trok de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en zei: ‘Het is genoeg! Neem nu here, mijn leven!’ (19:4). Zou hij onderweg van gedachten zijn veranderd, want hij wilde toch zijn leven redden? (19:3). Hoe dan ook, zó in die geestelijke toestand vindt de Engel des Heren hem en bemoedigt Elia door hem twee keer te voorzien van eten en drinken en zegt tegen hem: ‘Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. Eten en drinken; een prachtig beeld van Gods Woord en Geest. Zo’n wonderlijke verzorging had Elia al eerder genoten, tijdens zijn verblijf bij de beek Kerit (17:1-6). Hij stond op en ging door de kracht van die spijs veertig en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb. Ook wij hebben nodig versterkt te worden voor onze reis en daarvoor kunnen we gebruik maken van Gods Woord onder leiding van de Heilige Geest. Dat is ook wat wij nodig hebben in een tijd van ‘droogte’ in ons leven, om kracht op te doen, want anders zou de reis ook voor ons te ver zijn! Vinden we in de Emmaüsgangers daarvan niet een prachtige illustratie, wat Gods Woord kan bewerken? De Emmaüsgangers waren verdrietig en teleurgesteld door de gebeurtenissen, maar toen kwam Jezus en opende hun Gods Woord en hun hart werd in vuur en vlam gezet; ze kregen weer moed en levenslust! (Luk.24:17, 32-33).

God wijst Elia terecht

Wanneer Elia dan na een lange reis bij het gebergte Horeb aankomt en zich in een spelonk verbergt, wordt hem, door de Here, gevraagd wat hij daar komt doen. En dan komt de ware reden van zijn depressie aan het licht: hij alleen is overgebleven, alle anderen hebben verzaakt! Althans, zo denkt hij erover en daar is ook wel iets voor te zeggen, want had hij niet alleen gestaan tegenover die vierhonderdenvijftig Baäl profeten? Maar Elia stond niet alleen in zijn strijd tegen de Baälpriesters, want God was met hem! Maar hij klaagt Israël bij God aan en zegt: ‘Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven’. Maar was is Gods antwoord tot hem: ‘Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben’ (Rom.11:2-4). Maar waar waren die zevenduizend mannen dan toen Elia daar op de Karmel stond? Ik geloof dat we allemaal wel eens dat gevoel gehad hebben, dat we alleen staan in ons geloof. Dat is zien op omstandigheden en dan ga je wegzinken in een depressie! Petrus heeft dat letterlijk zo ervaren toen met Jezus op het water wandelde. Het ging goed totdat hij zag op de wind, de omstandigheden en niet op de Heer, en hij begon te zinken. Gelukkig was hij in staat om tot Jezus te roepen, die Hem greep en redde. Als g’ in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten, God verlaat u niet! Het is heel bevrijdend je diepste nood en gevoelens, en niet alleen je verlangens, aan God bekend te maken dat kan heel bevrijdend werken. Werp al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u! (1Petr.5:7).

God verschijnt aan Elia

God roept Elia om uit zijn spelonk te komen want Hij wil zich aan hem openbaren. Mensen die te kampen hebben met een depressie hebben vaak de neiging zich terug te trekken om zich af te zonderen, in plaats er met anderen over te spreken om zo tot een mogelijke oplossing te komen. Daarom roept de Here Elia, eerst in een wind, aardbeving, vuur en tenslotte in een zachte koelte. Dat doet ons denken toen de Here God nadat Adam en Eva in zonde waren gevallen, hen kwam opzoeken. Vragend: ‘Mens, waar zijt gij?’ (Gen.3:8-9) Ook hier begint de ontmoeting met Elia met een vraag van de Heer, ‘Wat doet gij hier, Elia?’ (19:9, 13). Geen verwijt maar een vraag, want: ‘Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een krenkend woord wekt toorn op (Spr.15:1). Of zoals een andere spreuk van Salomo zegt: ‘Een woord in juiste vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen’ (Spr.25:11). En voor de tweede keer geeft Elia hetzelfde antwoord. Aansluitend zegt de Here tegen hem, dat hij op zijn schreden moet terugkeren, hij moet terug naar de woestijn van Damascus, en krijgt de opdracht Jehu tot koning over Israël te zalven, Hazaël als de nieuwe koning van Syrië en Elisa als de nieuwe profeet. Elisa moet terug aan het werk en dat is een goed medicijn voor mensen die van een depressie moeten herstellen. Hij krijgt de bemoeding mee dat er in Israël nog zevenduizend zijn overgebleven die zich niet voor Baäl gebogen hebben

God vervangt Elia

In de laatste verzen van dit hoofdstuk zien we de overdracht van zijn roeping als profeet des Heren op Elisa, door wie de Here verder tot het volk zal spreken. Elia ontmoet Elisa en werpt hem zijn mantel toe, waarop Elisa achter hem aangaat en toestemming vraagt om eerst nog afscheid van zijn ouders te mogen nemen. Hetzelfde vinden we in het Nieuwe Testament wanneer Jezus mensen roept om Hem te volgen. Het antwoord is: ‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God’ (Luk.9:62). Daarmee zit Elia’s taak erop. Hij had gewenst te sterven, hij had de Here gevraagd zijn leven te nemen, maar dat zou niet gebeuren, want hij voer in een storm ten hemel! (2Kon.2:11). Gods knecht werd thuisgehaald, God werk ging echter verder en Elisa nam zijn plaats in. Ook wij, gelovigen hebben de belofte dat we niet zullen sterven. De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid’ (Joh.11:25-26). Gelooft u dat?

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Elisa, de zoon van Safat

 

1 en 2 Koningen

 

Inleiding

Het is niet gemakkelijk om een grote persoonlijkheid zoals Elia op te volgen en toch je eigenheid te bewaren, jezelf te zijn! Het gevaar je voorganger te imiteren is dan groot. Met dat gevaar moest Elisa rekening houden en op welke manier hij daar mee omging kunnen we leren wanneer we zijn leven als profeet van God onderzoeken. Er is er maar Eén die wij mogen, zelfs moeten imiteren en dat is de Heer Jezus opdat we ons zijn gezindheid eigenmaken, tot ons voordeel: ‘Christus heeft u een voorbeeld nagelaten, opdat u zijn voetstappen navolgt’ (1Petr.1:21).

1. Elisa had de moed om zichzelf te zijn

In Gods koninkrijk hier op aarde vind je gelovigen van allerlei aard, er is er niet één gelijk, maar allen hebben ze hetzelfde doel en verlangen, namelijk om God te dienen en het evangelie in deze wereld bekend te maken. Eenheid in verscheidenheid! Paulus beschrrijft het zo: ‘Niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken, maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is te niet te doen’ (1Kor.1:26-28). Abraham, Isaak en Jakob waren alle drie gelovigen, maar werkten dat geloof elk op hun eigen manier uit. Mensen, ook gelovigen, zijn er altijd geneigd tot uniformiteit ten kosten van de eigen identiteit, maar daar vinden we in de Schrift niets van terug. We vinden die verscheidenheid terug in de brief aan de Romeinen, waar Paulus spreek over: ‘De één gelooft alles te mogen eten, maar wie zwak is eet alleen groenten. De één stelt de ene dag boven de andere dag, maar de andere stelt alle dagen gelijk’ (Rom.14:2, 5). Het Nieuwe Testament spreekt verder van ‘zwakken en sterken, geestelijken en ongeestelijken, kinderen en volwassenen in het geloof. Er sommigen zijn geroepen als apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars (Ef.4:11). De Heer Jezus spreekt in de gelijkenis van de talenten erover dat een ieder talenten kreeg ‘naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:15). God gaat met een ieder van ons een andere weg, een eigen weg! Petrus vroeg de Heer Jezus wat er met Johannes zou gebeuren, waarop de Heer hem antwoordde: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het jou aan? Volg jij mij’ (Joh.21:22).

Het is duidelijk dat Elisa anders acteerde dan zijn vooorganger Elia en daar was niet mis mee, hij was en bleef zichzelf ook in zijn handelen voor de Heer.

2. Elisa was gehoorzaam aan zijn roeping

Een aantal van de de twaalf apostelen die de Heer Jezus had geroepen om bij Hem te zijn opdat Hij ze zou kunnen uitzenden om te prediken (Mark.3:14), waren vissers. Het beroep van visser was niet gemakkelijk, je moest hard werken om tot een vangst te komen: ‘Meester, de gehele nacht door hebben wij ons ingespannen en niets gevangen’ (Luk.5:5). En aan het einde van het evangelie naar Johannes lezen we: ‘Zij gingen naar buiten stapten in het schip; en in die nacht vingen zij niets’ (Joh.21:4). Jakobus en Johannes waren net als Petrus, Mozes, Gideon, David, Andreas, gelijk als Elisa, aan het werk toe ze geroepen werden tot Gods dienst. Iemand die door God geroepen wordt in zijn dienst is een rentmeester van de verborgenheden van God. En de eisen voor een rentmeester zijn dat hij trouw bevonden wordt (1Kor.4:1-2). Voorbeelden van mislukte gelovigen zijn er legio en vaak doordat men de taak onderschat had. Toen Elisa geroepen werd en de mantel van Elia toegeworpen kreeg was deze druk aan het werk, liet alles achter en volgde en diende Elia (1Kon.19:19-21). Elisa was eerst een dienaar voordat hij een leider werd. ‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God’ (Luk.9:62). De apostel Paulus schrijft: ‘Terwijl ik vergeet wat achter is strek ik mij uit naar wat voor mij ligt’ (Fil.3:12). Jakobus, Johannes en Simon Petrus volgden Jezus, nadat zij de schepen op het land hadden getrokken en lieten alles achter zich (Luk.5:11). ‘Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waard. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden’ (Mat.10:37-39). Elisa had een rijke familie, als we in rekening brengen hoeveel dieren hij ter beschikking had, maar liet alles achter en volgde Elia.

3. Elisa had respect voor het verleden

Tussen de roeping en de overdracht van de taak van Elia op Elisa, lag een tijd waarover we niet ingelicht worden. Beiden vinden we ze weer toen ze uit Gilgal vertrokken naar Betel (2Kon.2:1). Het zal ongetwijfeld een tijd van voorbereiding zijn geweest voor Elisa want Elia’s vertrek was nabij. De profeten van Betel en Jericho waren daarvan op de hoogte en ook Elisa: ‘Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de Here heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil’ (2Kon.2:3, 5). Paulus en Petrus waren ook allebei op de hoogte van de tijd van hun heengaan (2Tim.4:6; 2Petr.1:14). De route die Elisa nam was een soort gedenktocht, een terugblijk op sommige belangrijke gebeurtenissen van het volk Israël. Gilgal, waar de besnijdenis en het Pascha plaatsvond en het verbond van Sinaï werd vernieuwd. (Joz.5:1-12). Gilgal, naar de betekenis van de naam, waar de smaad van Egypte werd afgewenteld. Betel, een bekende plaats in het leven van Abraham en Jakob. Betel, het huis van God. (Gen.12:8; 13:3; 28:10-22; 35:1-8). Jericho, doet ons denken aan een aantal grote gebeurtenissen (Joz.3). Waar jaren geleden het volk Israël het land binnentrok, verlaat Elia het, maar Elisa keert na Elia’s heengaan, er weer naar terug. Ook wij mogen terugkijken op wat God in het verleden heeft gedaan voor ons door Christus, daarom vieren we immers regelmatig het avondmaal? Elia en Elisa hadden respect voor het verleden maar bleven daar niet in steken en idealiseerden het ook niet. Het verleden dient om ons te onderwijzen en te leiden naar de dingen die voor ons liggen. Het verleden hoeft niet beter geweest te zijn, het wat zeker anders!  Methodes, manier van uitdrukking geven aan het geloof zijn er veel, maar de principes zijn onveranderlijk. Methodes veranderen, principes nooit! Elisa’s openbaar optreden nam een aanvang, Elia voer op.

4. Elisa verlangde naar een levend geloof

Elisa moet onder de indruk geweest zijn van Elia’s geloof in God, de reden waarom hij vraagt om een dubbel deel van de geest (2Kon.2:9). Dat wil niet zeggen dat hij dat letterlijk vraagt maar Elisa doelt op het eerstgeboorterecht (Deut.21:17). De Geest kan niet worden opgedeeld, gesplitst of vermenigvuldigd. Elisa bedoeld te zeggen: ‘Elia, laat mij jouw geestelijke erfenis zijn en verleen mij het voorrecht om jouw dienst verder te zetten in de kracht van God!’ Dat is wat hij verlangde, Gods zegen op zijn leven en voor zijn toekomstige bediening. Elisa had gezien hoe krachtig God in en door het leven van Elia werkte en daarnaar verlangde hij ook; een gezond verlangen! Elia opdracht was voorbij, maar Gods werk gaat door, Elisa mocht het nu voortzetten. Ook wij zien zo nu en dan belangrijke mensen heengaan, maar Gods werk gaat door en Hij roept dan anderen om de Grote Opdracht verder te zetten. God verandert van werkers, maar elke arbeider in Gods koninkrijk moet leren in afhankelijk en onder Gods leiding door Woord en Geest zijn persoonlijke opdracht uit te werken. We dienen onze eigen behoudenis uit te werken met vrees en beven, want het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken, om zijn welbehagen (Fil.2:12). Heeft u ook dat verlangen, zoals Elisa dat had? Vraag dan ook om een ‘dubbel’ deel van Gods Geest!

5. Elisa kon omgaan met tegenstand

Het begin van zijn dienst was nu niet echt bemoedigend, onmiddellijk werd hij op de proef gesteld en kwam er tegenstand! Het eerste wonder dat Elisa doet is het slechte water van de bron gezond maken. Dit doet ons denken aan Mozes die het water in Mara, door er een stuk hout in te gooien weer zoet maakte. Mocht er nog getwijfeld worden aan Elisa’s roeping als profeet van God door de profeten van Jericho, dan zou dit wonder hen gerust moeten stellen. Op weg naar Betel kwamen er spottende knapen uit de stad hem tegemoet. We mogen er niet van uitgaan dat het kleine kinderen waren, maar min of meer volwassen jongeren, mogelijk opgestookt door de mannen van Betel. Zo wordt het woord voor knaap ook gebruikt voor Isaak, Jozef en Salomo. Het ‘raak mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad’ (Ps.105:15; 1Kron.16:22), dat vandaag de dag zo vaak misbruikt wordt, is hier wel op zijn plaats. De Here God maakt zich als het ware één met de profeet Elisa, als ze Mij vervolgen zullen ze ook u vervolgen (Joh.15:20) en andersom ‘Saul, Saul waarom vervolg je Mij? (Hand.9:4). Een van de aangekondigde straffen op verzet tegen de Here vermeld in het boek Leviticus spreekt ervan: ‘Ik zal de dieren van het veld op u afsturen en die zullen u van kinderen beroven, uw vee uitroeien en u in aantal zó verminderen, dat uw wegen er verlaten bij liggen’ (Lev.26:22). Diensknechten van God werden en worden nog altijd vervolgd en dat geldt ook voor gelovigen, en velen ervaren dat aan de lijve, ook vandaag! Het: ‘Allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden’ (2Tim.3:12) blijkt maar al te waar te zijn!

6. Elisa had de gezindheid van een dienstknecht

De gezindheid waarmee Elisa zijn taak uitoefende was er een van bezorgheid voor het volk van God. Die gezindheid wordt vooral openbaar in de werken die hij deed; we tellen zo’n vijftien wonderen tijdens zijn leven en zelfs nog een na zijn dood. We zetten ze eens op een rijtje.

Het begon daarmee dat hij met de mantel van Elia de wateren van de Jordaan uiteen deed gaan (2Kon.2:14) gevolgd door het water van Jericho dat hij gezond maakte. Het laatste deed hij misschien wel om aan de inwoners daar duidelijk te maken dat hij een profeet van God was (vgl. Joh.2:11). Op weg naar Betel kwamen de spottende knapen hem tegemoet en begonnen hem belachelijk te maken. Elisa vervloekte ze en twee berinnen verscheurden ze (2Kon.2:23-25). Op vraag van een van de vrouwen van de profeten zorgde hij ervoor dat ze over meer dan voldoende olie konden beschikken voor de verkoop zodat ze in haar levensonderhoud kon voorzien en de schulden kon betalen (2Kon.4:1-8). De Sunamitische vrouw kreeg naar Elisa’s belofte een zoon, maar die stierf vrij onverwacht, maar Elisa greep in en wekte hem weer tot leven (2Kon.4:8-37). De moes die de profeten tot voedsel diende was niet te eten, maar na interventie van Elisa was ‘de dood uit de pot’! (2Kon.4:38-41). Daarna het wonder van de spijziging van de honderd (2Kon.4:42-44). De genezing van Naäman de legeroverste van Aram is heel bekend; een melaatse die genezen werd door tussenkomst van een onbekend meisje (2Kon.5:1-14). Vervolgens de drijvende bijl, waarvan het ijzer in het water viel en die Elisa weer deed boven komen (2Kon.6:1-7). Bekend is ook de geschiedenis en het optreden van Elisa in de oorlog tegen de de koning van Aram (2Kon.6:8-23). Elisa trad ddarna op in de belegering van de Samaria waar op wonderlijke wijze de vijanden, vanwege het geluid van een grote legermacht, waren gevlucht. Door hun vlucht kwam er een overvloed aan voedsel vrij. (2Kon.7:1-19). Elia zorgde er voor dat koning Joas de Arameeërs  zou verslaan (2Kon.13:14:19). Het meest opvallende wonder is wel dat een dode, die in het graf van Elisa werd gegooid en met diens gebeente in aanraking kwam, weer tot leven werd gewekt (2Kon.13:20-21).

Hiermee besluiten we met het overzicht van de daden van de profeet Elisa waaruit we mogen besluiten dat hij oog had voor de noden van de mensen om hem heen. Daardoor is Elisa een type van de Heer Jezus die ook met ontferming bewogen was met de mensen, die rondliepen als schapen zonder herder (Mat.9:36)

 _____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

'Het meisje zonder naam'

 

2 Koningen 5:1-4

 

 

Een onverwachte gebeurtenis!

                          

Inleiding

Zoals alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering geschreven is (Rom.15:4), zo ook deze geschiedenis vermeld in 2 Koningen 5. Wellicht is de bedoeling daarvan niet gelijk voor iedereen duidelijk, maar ik geloof dat God ons hiermee duidelijk wil maken dat voor Hem iedereen een middel kan zijn om tot zijn doel te komen, in dit geval de genezing van Naäman. In Mattheüs 25:14-30 lezen we in de gelijkenis van de talenten: ‘En de één gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde een, ieder naar zijn eigen bekwaamheid.’ Er is dus niemand die kan zeggen ‘ik heb geen talent van de Heer ontvangen!’. ‘Ons’ talent moeten we ontdekken en als we weten wat het is, ook gebruiken en niet in de grond stoppen (Math.25:25). Ook dienen we te waken over hoogmoed zodat we ons talent overwaarderen, maar ook het gevaar voor onderwaardering ligt op de loer. ‘Omdat ik geen hand/oog ben…’, of ‘Het oog kan niet tot de hand zeggen: ik heb je niet nodig…’ (1 Kor.12:15; 21). Een ander gevaar is dat wij, bewust zijnde van ‘onze’ bekwaamheden en talenten, gaan denken dat we nu alles wel alleen kunnen. Zo werkt het in het koninkrijk van God niet, we hebben elkaar nodig! (Luk.5:7). De vraag is dus niet of we een gave (talent) hebben, maar of we God de toegang in ons leven geven om die gave tot ontwikkeling te brengen! Paulus schrijft aan Timotheüs dat ‘er vaten zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester!’ (2 Tim.2:21).

Zijn wij bruikbaar voor de Meester?

Naar de mens gesproken stelt Gods ‘gereedschap’ niet zoveel voor. Paulus spreekt over: ‘niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken, het dwaze van de wereld, het zwakke van de wereld, het onaanzienlijke van de wereld, wat niets is.’ (1 Kor.1:26-28). Maar deze ‘gereedschappen’ in de hand van God, kunnen wonderen teweegbrengen! ‘Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen?’ zeiden de discipelen (Joh.6:9-15). Maar de broden en vissen in de hand van de Here Jezus betekenden voeding voor vijfduizend mannen (en vrouwen?)! In het hierboven vermelde Bijbelgedeelte horen we van een meisje dat op wonderlijke wijze door God gebruikt werd. Het stelde misschien niet zoveel voor naar menselijke maatstaven, maar ze werd een werktuig in Gods handen waardoor een generaal genezing ontving. Naäman realiseerde zich waarschijnlijk niet dat God met hem bezig was doordat Hij toeliet dat een joods meisje als gevangene meegevoerd werd, in zijn huis terechtkwam en het dienstmeisje van zijn vrouw zou worden. Het meisje, van wie we de naam niet weten, had er ook niet voor gekozen om op zo’n manier door God gebruikt te worden. Het waren de omstandigheden die het lieten gebeuren dat ze zo tot een zegen zou zijn voor Naäman en zijn huis. Een vergelijking met Jozef dringt zich hier op. Jozef die door zijn broers naar Egypte werd verkocht, zegt later tegen hen: ‘God stuurde mij vooruit, zodat ik jullie levens kon redden’ (Ps. 105:17; Gen.45:5-8). ‘O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, *hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?’ Rom.11:33-34).

De overval

Het moet een zwarte bladzijde in het leven van dat meisje zijn geweest die dag toen die Aramese soldaten in haar dorp kwamen, haar gevangen namen en meevoerden naar hun land. Weg van haar land, familie, vrienden en alles waar ze zo mee vertrouwd was, haar hele (jonge) leven werd er door op zijn kop gezet. Al haar dromen en plannen werden in een klap tenietgedaan. Nu ik dit schrijf denk ik aan de tweehonderd meisjes die in 2014 Nigeria door de extremistische groep van Boko Haram zijn gekidnapt. Ik zal maar niet uitweiden over wat er met die meisjes is gebeurd daarvoor zijn de details te gruwelijk! We zijn niet altijd in staat zulk soort gebeurtenissen te doorgronden en te verklaren.

De slavin

Enige tijd later werd ze dan tewerkgesteld als dienstmeisje in het gezin van Naäman (een generaal zoals ze begreep) waar ze zijn vrouw mocht helpen in de huishouding. Ze begreep er niets van wat God met haar leven wilde, want ze geloofde dat God een doel met haar leven had, zoals dat voor iedere gelovige het geval was. Maar wat er nu gebeurd was kon ze niet rijmen. Haar gedachten gingen onwillekeurig terug naar de verhalen die ze van haar ouders had gehoord over Jozef uit het boek Genesis. Was hij ook niet in een soortgelijke situatie naar een ander land gesleept, en zou hij ook niet met die vraag geworsteld hebben waar God nu was en waarom Hij niets deed? Ze voelde zich erg verdrietig, eenzaam en alleen, maar haar geloof was sterk genoeg om te blijven vertrouwen dat God haar wel zou helpen. Zo kwam het dat ze niet verbitterd werd en bij de pakken neer ging zitten, en had ze ook geen gevoelens van haat ten opzichte van de mensen die haar omringden.

De evangeliste

Toen ze op een dag hoorde ze dat Naäman ziek was, melaats (en ze wist dat deze ziekte ongeneeslijk was en tot de dood zou leiden) werd ze vervuld met een groot medelijden. Als in een flits ging er door haar heen dat Naäman hulp kon vinden in haar land bij haar volk. Maar even snel kwam de gedachte in haar op dat ze nu de kans kreeg om wraak te nemen door te zwijgen en niets te zeggen over de profeet in Israël die hem zou kunnen helpen. Was Naäman en het volk waar ze nu verbleef, tenslotte ook geen vijanden van haar volk en God, was haar redenering? Ze lag de hele nacht wakker met die gedachte maar vond geen vrede. Zo lag ze na te denken over alles wat er gebeurd was vanaf de dag dat ze hier gekomen was tot nu, en met de vraag die haar al zolang bezig hield: ‘waarom moest dit alles gebeuren, wat wilde God van haar?’ En weer als vanzelf kwam het beeld van Jozef haar voor de geest. Hoe had hij gehandeld? Was ook hij niet bij machte geweest om wraak te nemen, zoals zij nu, en zich niets aan te trekken van de ernstige situatie waarin zijn familie toen verkeerde? Mocht je kwaad met kwaad vergelden, of was je ertoe geroepen om zegen te verspreiden? Er stond toch dat je je naaste moest liefhebben en je vijand haten; of stond dat er niet? (Mat.5:43). Nee, het was niet gemakkelijk om te weten wat ze moest doen. Maar geleidelijk aan kwam ze tot rust en werden haar dingen duidelijk en begon ze zich af te vragen of God misschien had toegelaten dat ze hier in dit land en gezin terechtgekomen was voor een bepaald doel? Zou God haar willen gebruiken zodat Naäman genezing zou kunnen vinden bij de profeet in Israël? De ‘waaroms’ werden ‘waarvoors’, en toen ze de volgende morgen opstond wist ze wat haar te doen stond. Ze zou doen wat anderen na haar ook zouden doen, toen ze zeiden: “Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden.” (2Kon.7:9). Ging ze daardoor niet dezelfde weg die Jozef was gegaan? Ze dacht aan wat Jozef tegen zijn broers had gezegd toen hij zich aan hen bekend maakte. (Op dat moment was ze blij dat haar ouders haar met het woord van God hadden opgevoed en dat ze zoveel teksten uit het hoofd kende.) ‘Toen zeide Jozef tot zijn broeders: Kom eens hier’. Zij staarden hem allen stomverbaasd aan. En hij herhaalde het: Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte verkochten! Verwijt het jezelf niet, want God had er een bedoeling mee! Hij stuurde mij vooruit, zodat ik jullie levens kon redden. God heeft mij hierheen gestuurd om jullie en jullie gezinnen in leven te houden, zodat jullie kunnen uitgroeien tot een groot volk. Ja, God stuurde mij hierheen, niet jullie!’ (Genesis 45:5-8). Ja, nu wist ze het, dat moest ook zij doen, spreken en niet zwijgen!

Een groot gevoel van vrede en blijdschap vervulde haar hart, ze rende naar beneden en zei tot haar meesteres: “Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen.” (5:3). Het was eruit voor ze het wist. Maar gelijk kwam er ook twijfel in haar hart, zou Naäman wel naar de profeet willen gaan? Maar goed, zij had gedaan wat ze kon, dan moest God de rest maar doen, dacht ze stilletjes. Het waren spannende momenten die dag en ze probeerde uit te vinden wat er met haar raad gedaan werd. Even later hoorde ze haar meesteres met een van de officieren van haar man praten en die beloofde Naäman mee te delen wat het meisje aangeraden had. Zou het werkelijk zo zijn dat God haar, zo’n klein nietig meisje, ging gebruiken zodat haar meester zou kunnen worden genezen? En weer dacht ze terug aan haar ouders die haar hadden grootgebracht met het geloof waardoor ze nu in staat was om haar meester mee te delen wie de profeet was, waar hij woonde en wat hij kon doen.

De beloning

Later die dag hoorde ze dat Naäman plannen had om de profeet op te zoeken; het was gelukt! Nee, we kunnen niet alles vertellen hoe het gegaan is, maar na enige tijd hoorde ze dat haar meester weer thuis zou komen, gezond en wel! Maar ze hoorde wel dat haar meesteres enorm blij was toen hij thuiskwam, want wat haar man verandert zeg! Ze wist niet hoe het gebeurd was, maar het lichaam van haar man was weer zo gezond, als het lichaam van een kleine jongen! Later heeft Naäman verteld hoe de God van Israël hem genezen had en ook dat hij daar van wilde getuigen tegenover iedereen die het wilde horen. Hij was bevorderd tot ambassadeur van God en dat was voor hem belangrijker dan een generaal te zijn.

Tenslotte

Maar hoe is het afgelopen met het meisje zonder naam? Heeft zij ook een beloning gekregen, of is ze misschien wel vrijgelaten en teruggestuurd naar haar huis? We weten het niet. Weet je, het is eigenlijk ook niet belangrijk, want het gaat het er helemaal niet om wie wij zijn of wat wij doen, maar wat de Heer door ons heen kan doen! Een beloning? Ik denk dat het meisje gezegd zal hebben: ‘Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: ‘Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen’ (Luk17:10). Neen. Johannes de doper heeft het goed begrepen toen hij zei: ‘Hij moet meer, maar ik minder worden’ (Joh.3:30). Ze is opgegaan in de geschiedenis, maar niet in het ‘vergeetboek’ geraakt bij God, want: ‘Hij is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor zijn naam… (Hebr.6:10).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Naäman de Syriër

 

 2 Koningen 5

 

 

‘Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad. Maar Ik zeg u naar waarheid: Ook waren er veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, maar wel Naäman, de Syriër. En allen in de synagoge werden met woede vervuld toen zij dit hoorden’ (Luk.4:24-28)

Inleiding

‘Maar de man, een krijgsheld, was melaats…’ (2Kon.5:1), zo begint de beschrijving van Naäman, de legeroverste van de koning van Aram. En zo begint ook uw en mijn geschiedenis, want melaatsheid wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van de zonde (Lev.13). ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed’ (Jes.64:6). Een paar voorbeelden uit het Oude Testament maken duidelijk waarom sommige mensen melaats werden. Mirjam werd melaats vanwege kritiek en afgunst op Mozes, haar broer (Num.12). Koning Uzzia werd melaats vanwege hoogmoed (2Kron.26:16-23) en Gehazi, de knecht van Elisa, werd melaats vanwege begeerte en misleiding (2Kon.5:27). Wat als God ook vandaag mensen dit deed overkomen wanneer ze op een of andere manier zouden zondigen, zou u dan ook melaats zijn? Naäman was een melaatse, een onreine en moest daarom gemeden worden en stond buiten de gemeenschap. Zoals gezegd is melaatsheid een beeld van de zonde die ‘in de wereld is gekomen en daardoor de dood’ (Rom.5:12). ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één’ (Rom.3:10). Koning, keizer, admiraal… zondaars zijn we allemaal! Niet zo’n prettig beeld toch dat de Bijbel geeft over de mens! Is er dan geen mogelijkheid om aan de dood te ontkomen? Ja, dat is er en daarover gaat dit artikel.

Naäman

‘Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats’ (vs.1)

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schrijft in zijn boek ‘Joodse Oudheden’ (boek 8, hoofdstuk 15.5) dat het vermoedelijk Naäman is geweest die met een schot met de boog (eenspeer volgens anderen) de dood heeft veroorzaakt van koning Achab van Israël (1Kon.22:34). Dat, en de overwinning die de Here door zijn hand aan de koning van Aram had geschonken, was de reden dat Naäman zeer gezien werd bij zijn heer, de koning van Aram, en natuurlijk ook bij de bevolking. Hij was een gevierd mens, hij had het gemaakt in deze wereld; wat kon hem nog gebeuren? Het ging hem allemaal voor de wind tot op het moment dat hij een klein wit plekje op zijn lichaam ontdekte: melaatsheid! Naäman zal het wel niet direct bekend hebben gemaakt. Ik stel mij zo voor dat hij het voor anderen geprobeerd heeft te verbergen. Maar wat je ook doet, op de duur wordt het toch zichtbaar, het blijft niet bij een vlekje maar het hele lichaam wordt aangetast. Zoals het gaat met melaatsheid, zo gaat het ook met de zonde; het begint klein maar uiteindelijk wordt het hele leven erdoor beheerst. Het nieuws verspreidde zich vermoedelijk als een lopend vuurtje door de stad, iedereen had het erover: Naäman is melaats! Het was het gesprek van de dag en zo gebeurde het dat ook het dienstmeisje in het huis van Naäman het vernam.

Een onverwachte gast

‘De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw’(vs.2)

Het moet een zwarte bladzijde in het leven van dat meisje zijn geweest, toen die Aramese soldaten in haar dorp kwamen, haar gevangen namen en meevoerden naar hun land. Weg van haar land, familie, vrienden en alles waar ze zo mee vertrouwd was, haar hele (jonge) leven werd erdoor op de kop gezet. Al haar mogelijke dromen en plannen werden in één klap tenietgedaan. Ze werd tewerkgesteld als dienstmeisje in het gezin van Naäman, waar ze zijn vrouw mocht helpen in de huishouding. Ze begreep er niets van wat God met haar leven wilde. God had een doel met haar leven, zoals dat voor iedere gelovige het geval is, maar het was voor haar op dat moment nog verborgen. Zoals dat ook voor Jozef verborgen was en zich pas later bewust werd van zijn plaats in het plan van God met het volk Israël (Gen.45:6-7). Toen ze op een dag hoorde dat Naäman ziek was (melaats) begreep ze dat deze ziekte, die toen ongeneeslijk was, tot de dood zou leiden, werd ze vervuld met een groot medelijden. Als in een flits ging er door haar heen dat Naäman hulp kon vinden in haar land, bij haar volk. Zou God haar willen gebruiken zodat Naäman genezing zou kunnen vinden bij de profeet in Israël? De ‘waaroms’ werden ‘waarvoors’ en toen ze de volgende morgen opstond wist ze wat haar te doen stond. Ze zou doen wat anderen na haar ook zouden doen, toen ze zeiden: ‘Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden’ (2Kon.7:9). Een groot gevoel van vrede en blijdschap vervulde haar hart, ze rende naar beneden en zei tot haar meesteres: ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (5:3).

Naämans zoektocht

'Daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud verlost bent' (1Petr.1:18)

Zo gauw Naäman van zijn vrouw had gehoord wat het meisje haar had verteld, ondernam hij actie en ging naar zijn heer, de koning van Aram, die hem een aanbevelingsbrief gaf voor de koning van Israël met de volgende inhoud: ‘Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid’ (vs.6). Dit was de eerste van een aantal verkeerde beslissingen die Naäman nam. Ten eerste, hij ging naar de verkeerde persoon. Waarom niet gedaan wat het meisje zijn vrouw had gezegd? ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (vs.3). Zoals Naäman zijn er veel mensen in de wereld, ze proberen redding te vinden bij Boeddha, Allah, Maria of andere ‘heiligen’ en ‘verlichte’ geesten van verschillende religies, terwijl de Schrift zegt: ‘Al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden’ (Rom.10:12-13). De Heer Jezus is de Persoon die kan redden want Hij is de weg, de waarheid en het leven (Joh.14:6). ‘En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden’ (Hand.4:12).

Zijn tweede misvatting was dat hij dacht dat hij genezing zou kunnen verkrijgen door geld: ‘Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen’ (vs.5). Hij had er alles voor over om genezen te worden, maar begreep niet dat geld niet het juiste middel was, zoals ook later Simon de tovenaar niet begreep dat je geestelijke zaken niet met geld kunt kopen. ‘Toen nu Simon zag dat door de oplegging van handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, bood hij hun geld aan en zei: Geeft ook mij deze macht, opdat ieder die ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt. Petrus echter zei tot hem: Moge uw geld met u naar het verderf gaan, omdat u hebt gemeend de gave van God door geld te kunnen verkrijgen’ (Hand.8:18). Zoals Naäman en Simon, zijn er de eeuwen door mensen geweest die ervan uitgingen dat ze met geld gunsten of zelfs hun redding zouden kunnen kopen. We denken maar aan het systeem van aflaten ten tijde van de middeleeuwen, waartegen de hervormer Luther in opstand kwam. Zo wordt verteld, dat men bij Tetzel, de vertegenwoordiger van de paus, ook de zonden van reeds overleden mensen kon laten uitdelgen. Ook uitspraken van Tetzel, zoals ‘Als het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt’ laten zien hoe de mensen toen misleid werden. Nee, ‘niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, bent u verlost van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel, maar door kostbaar bloed, als van een smetteloos en onbevlekt lam, het bloed van Christus’ (1Petr.1:18-19).

Niet door de koning van Israël, die toegaf dat hij geen melaatse kon genezen, ook niet door geld of op een door Naäman bedachte manier kon hem genezing geven. Naäman werd toornig en ging heen en maakte zijn derde fout. ‘Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden?’ (vs.11-12). ‘Ik dacht bij mijzelf…’.  Zoals Naäman zijn er ook vandaag mensen die op ‘hun’ zelf uitgedachte manier gered willen worden. Het gaat er niet om of die andere rivieren beter of slechter zijn, het gaat er om wat de profeet en/of Gods Woord zegt: alleen het bloed van Christus reinigt ons van onze zonden (1Joh.1:7) en ‘In niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegven waardoor wij behouden moeten worden’ (Hand.4:12). Dit wordt duidelijk door de vervolgde gebeurtenissen.

Naämans genezing

‘Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.14).

Het lijkt erop dat Naämans dienaren redelijker waren dan hun meester. ‘Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.13). Je mag dankbaar zijn dat er anderen zijn die op een tactvolle wijze proberen je te bewegen dingen te doen waartoe je eigenlijk niet bereid bent. We moeten niet vergeten dat dit hele proces begon met een meisje dat bewogen was met de situatie van haar heer. Alles wat gebeurde tussen dat moment en de raad van zijn dienstknechten was een periode van eigengereidheid. Maar nu Naäman zijn tegenstand had opgegeven en had ingezien dat zijn pogingen om op zijn manier genezen te worden vruchteloos waren, was het moment daar waarop hij in staat was om de raad van anderen te aanvaarden. Naäman vernederde zichzelf door af te dalen in de Jordaan voor de ogen van zijn dienaren en zich zevenmaal onder te dompelen. Maar met die vernedering begon zijn verhoging (Mat.23:12)! We mogen aannemen dat niet het water het middel was dat tot zijn genezing leidde, maar de helende hand van God. Gods weg tot redding klinkt dwaas in de ogen van de ongelovigen. We weten niet hoe het werkt, hoe het bloed van Christus ons reinigt van de zonden. We ervaren wel dát het werkt! Het evangelie verandert mensen, mensen worden een nieuwe schepping en dat nieuwe leven dient zichtbaar te worden. De apostel Paulus, die wellicht honderden mensen tot geloof heeft zien komen door de verkondiging van het evangelie, was ervan overtuigd dat het werkt! ‘Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor eenieder die gelooft’ (Rom.1:16). Naäman ging heen om de profeet te bedanken (vs.15). Daarna ging hij naar huis om het blijde nieuws te vertellen en zei: ‘Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël’ (vs.18).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet!’

 

2 Koningen 6:8-23

 

 

 

Inleiding 1 en 2 Koningen

Deze twee boeken geven de handelingen weer van de koningen van het volk Israël, in het bijzonder het Tienstammenrijk, ze beschrijven de opkomst, ontwikkeling, verdeling en de ondergang van dit rijk. Ze beginnen met de glorieuze regering van Salomo en eindigen met de tragische wegvoering in ballingschap van Juda naar Babylon. Als bekend verondersteld is het rijk Israël onder Rechabeam en Jerobeam opgedeeld in 2 en 10 stammen; vaak als Juda en Israël genoemd (1Kon.12). Beide boeken beschrijven een tijdperk van ongeveer vierhonderd jaren vol van geweld en onrust, waarop de zogenaamde ‘vierhonderd stille jaren’ volgen. In het eerste boek vinden we de profeet Elia, in het tweede boek zijn opvolger Elisa. Elisa was meer de ‘stille’ dienstknecht, terwijl Elia meer de man van de confrontatie was. Het boek 2 Koningen heeft als thema Gods oordeel over Israël en Juda en kan als volgt worden ingedeeld. Het gedeelte uit het tweede boek Koningen dat we voor ons hebben heeft zou je als titel kunnen meegeven: ’Strijd’ en overwinning’. Beide boeken laten ons de trouw van God zien in het handhaven van het verbond, ondanks de ontrouw van het volk. Er is sprake van drie ontmoetingen: (1) met de koning Joram, zoals algemeen wordt aanvaard dat hij deze koning is, (2) met Elisa’s dienaar, waarvan we ook de naam niet weten, en (3) met de vijanden van Israël.

Elisa en de koning (6:8-14)

Het is oorlog, niet alleen in de tijd van de profeet Elisa, maar ook in onze tijd! Let u maar eens op wat er in het Midden-Oosten allemaal aan de hand is, en hoe Israël meer en meer omringd wordt door vijandige staten. Het is opvallend dat het in de dagen van Elisa ging om de belegering van Samaria en dat dat nú ook het geval is; de zogenaamde ‘bezette Westbank’! Maar ook op een andere manier is er oorlog, en wel aan het geestelijk front! Ik hoef u dat niet vertellen want als u om u heen kijkt ziet u het verval van het christendom door de leegstaande kerken. De islamisering van onze westerse wereld neemt hand over hand toe. Een Duitse filosoof heeft eens gezegd: ‘Ik ben niet bang voor de kracht van de Islam, maar veel meer voor de zwakheid van het christendom!’ Deze woorden een aantal jaren geleden uitgesproken, zijn maar al te zeer waar gebleken. De Bijbel waarschuwt ons met de woorden: ‘Weest nuchter, waakt, uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden’ (1Petr.5:8), maar ook als ‘een engel des lichts’ (2Kor.11:14) is de duivel ijverig bezig strijd te voeren. Heeft u uw wapenrusting al aangetrokken? (Ef.6). De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen te Korinthe: ‘…opdat de satan op ons geen voordeel zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11). We zijn dus gewaarschuwd! In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wilden velen geen geloof hechten aan de berichten dat Hitler zich aan het voorbereiden was op de verovering van Europa, maar we weten nu hoe het gegaan is.

Nu terug naar ons Bijbelgedeelte. We zien hier dat de koning van Aram plannen aan het beramen is tegen de koning van Israël, maar telkens blijkt dat deze plannen vroegtijdig bekend werden. Heel normaal dat de koning van Aram denkt dat er een verrader in zijn kamp is, maar dat bleek niet het geval te zijn. Hoe, dat weten we niet, maar één van zijn dienaren weet dat Elisa bekend is met de plannen van de koning, ook al zijn ze in het verborgene besproken, namelijk in zijn slaapkamer. Ook weten we niet op welke wijze Elisa daarvan in kennis is gesteld, dat moet door goddelijke openbaring gebeurd zijn! Zou Elisa ook niet geweten hebben dat de koning van plan was hem gevangen te nemen? Ik geloof van wel. We hebben het al gelezen maar laten we het nog maar een keer doen: ‘zijn (satans) gedachten zijn ons niet onbekend’. Wij kunnen op de hoogte komen van de plannen van de duivel door Gods Woord te lezen, de Bijbel is als het ware het ‘handboek van de soldaat’. Toen ik mijn legerdienst moest vervullen kreeg ik een exemplaar van ‘het handboek van de soldaat’, daar stonden allerlei nuttige tips in voor tijden van gevaar. Je werd geacht dat te lezen want als de vijand aan de voordeur klopt heb je daar geen tijd meer voor. Is het ook niet zo met veel gelovigen? Het ‘handboek’ van de gelovige, de Bijbel, is misschien nog wel in huis, maar wordt het nog gelezen? Elisa had de tijd gehad om te vluchten omdat hij wist dat ze hem wilden gevangennemen, maar hij bleef waar hij was, in Dotan: ‘Weerstaat echter de duivel en hij zal van vluchten’ (Jak.4:7). Een soortgelijk gevaar dreigde ook voor Nehemia, ook tegen hem waren moordplannen gesmeed door Sanballat, Tobia en de Arabier Gesem. Maar zijn antwoord luidde: ‘Zou een man als ik vluchten?’ (Neh.6:11). Er zijn gevallen waarin we dienen te vluchten, zoals Jozef (Gen.39:12) maar hier dienen we stand te houden: ‘Onderwerpt u aan God’, ‘weerstaat de duivel’, ‘nadert tot God’ is wat Jakobus ons leert (Jak.4:7-8).

Elisa en zijn dienaar (6:15-18)

‘Pak een oudere man niet hard aan, maar vermaan hem als een vader, de jongeren als broers’ (1Tim.5:1). Het was voor de dienaar van Elisa misschien wel de eerste keer dat hij een situatie meemaakte zoals hier beschreven; een stad, waarin hij zich bevond, omsingeld door vijanden! Zijn reactie is dan ook begrijpelijk, hij vraagt Elisa: ‘Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen!’ (Vs.15). Hij was wellicht onervaren en nog niet zo lang in dienst Van Elisa, als plaatsvervanger van Gechazi (2Kon.5:27), dus we moeten hem daar niet te hard op aanspreken. Elisa toont dan ook de juiste gezindheid, door hem geen verwijten te maken maar eerder hem te bemoedigen! Hoe gaan wij om met hen die nog maar kort op de weg zijn? Het was heel gemakkelijk voor Elisa geweest om neer te zien op zoveel onkennis van zijn dienaar, maar hij probeert hem op dezelfde ‘hoogte’ te brengen waar hij zelf, door genade, mag gekomen was. Wat jonge gelovigen nodig hebben zijn ‘voorgangers’ in het geloof, mensen met geestelijk ervaring. Elisa had al eerder ‘vurige paarden en wagens gezien’ (2:12) de dienaar niet. In de persoon van de apostel Paulus hebben we een nieuwtestamentisch voorbeeld van hoe een oudere, volwassen gelovige omgaat met een jongere gelovige zoals Timotheüs (1Tim.4:6-16. Hierin ligt een belangrijke taak voor ‘oudere’ gelovigen, zowel mannen als vrouwen. Oudere gelovigen dienen geestelijke zaken en ervaringen door te geven aan jongere gelovigen. ‘…en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten’ (2Tim.2:1-2). Twee vragen moeten we nog beantwoorden. Ten eerste: wat is het antwoord van Elisa aan de dienaar? En ten tweede: ‘Op wat voor een manier doet Elisa dat?’ Elisa bemoedigd zijn dienaar met de woorden: ‘Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dat zij, die bij hen zijn’ (6:16). Waarvan de nieuwtestamentische tegenhanger is: ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4; vgl. 2Kron.32:7-8). Wellicht was deze ‘leerstellige’ uiteenzetting van Elisa niet voldoende om de dienaar de ogen te openen, vandaar het gebed dat erop volgt. ‘Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie’ (vs.17). De Here verhoorde het gebed van Elisa en opent de ogen van de knecht die de vurige wagens en paarden zag rondom Elisa. ‘Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, duizenden bij duizenden’ (Ps.38:18).

Elisa en zijn vijanden (6:19-23)

Bedriegt Elisa zijn vijanden of pleegt hij verraad aan zijn volk door hen naar Samaria te brengen?  Hij stelt zijn vijanden voor hem te volgen, dan zal ik u brengen naar de man die gij zoekt (vs.19). Samaria was de stad waar Elisa thuishoorde en hij was erop weg naartoe, maar hij had een speciaal voornemen met betrekking tot zijn vijanden. Wat hierna volgt is als een voorbeeld van wat later de Heer Jezus leerde en praktiseerde, heb uw vijanden lief (Mat.5:43). Wie heeft meer liefde voor zijn vijanden getoond dan de Heer Jezus? (Rom.5:10). Had Elia nog vuur uit de hemel willen doen neerdalen (1:10-12; Luk.9:54) Elisa bad voor de vijanden opdat ze mochten zien en zette hun brood en water voor. Hoe ging Elisa met zijn vijanden om, en hoe kunnen wij daarmee omgaan? Salomo schreef: ‘Indien uw vijand honger heeft, geeft hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geeft hem water te drinken; want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd’ (Spr.25:21-22; Rom.12:20-21; Mat.5:43-48; Luk.6:27-36). De koning van Israël had andere plannen, hij wilde ze gelijk doden, maar Elisa is van een andere geest en handelt in genade door ze naar de man te brengen die ze zoeken en geeft hun brood en water. De voormalige Amerikaanse president Lincoln werd eens ter verantwoording geroepen in verband met zijn houding ten opzichte van zijn vijanden. ‘Waarom ben u zo vriendelijk voor hen? U moet proberen ze uit te schakelen.’ Zei iemand tegen hem. Waarop Lincoln hem antwoordde: ‘Schakel ik ze niet uit als ik vrienden van ze maak?’

Tot besluit

In dit gedeelte van de Bijbel worden we vaak geconfronteerd met de woorden ‘zien’ of ‘blindheid’. (1) Elisa was een ziener, in de letterlijke betekenis van het woord, zijn ogen hoefden niet geopend te worden; hij zag de werkelijkheid die voor anderen verborgen was. (2) De dienaarzag alleen de zichtbare dingen, en zijn ogen moesten geopend worden om die dingen te zien die alleen voor het geestelijk oog zichtbaar kunnen zijn. (3) De vijanden werden blind, omdat ze meenden dat ze zagen (Joh.9:41). (4) De koning van Israël was ziende blind en onbekend met Gods gedachten.

De blindgeborene die we vinden in Johannes 9 horen we zeggen: ‘Ik was blind en nu zie ik!’

In principe zijn alle mensen geestelijk blindgeboren en alleen door wedergeboorte kunnen ze weer zien. In hun blindheid kunnen ze daarom het koninkrijk van God niet zien ook al zijn ze de leraar van Israël (Joh.3:3). De Heer Jezus noemt de geestelijke leiders dat ook ‘blinde leiders’: ‘Laat hen begaan. Zij zijn blinde leidslieden van blinden. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen (Mat.15:14; Rom.2:19).

We kunnen twee soorten blindheid onderscheiden in de Bijbel: (1) die van de ongelovigen en (2) die van de vleselijke of niet-geestelijke gelovige.

Ten eerste en direct volgend op de verwijzing naar de blindheid van het volk Israël, zoals vermeld in 2 Korinthiërs 3:14-16, is de onthulling van Satans ‘bedekking’ die hangt over hen die verloren gaan van het evangelie waardoor zij gered hadden kunnen worden. Zoals geschreven staat: ‘Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan; in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen’ (2Kor.4:3-4). Vervolgens zijn er andere geschriften die de waarheid uiteenzetten met betrekking tot het feit dat de ongelovigen onder de macht van Satan staan (Joh.8:44; Ef.2:1-2; Kol.1:13; 1Joh.5:19). Elke inspanning om de ongelovige te bereiken met het evangelie, is om ze uit de macht van de duisternis te bevrijden, en moet voldoende zijn om deze sluier op te heffen die satan heeft opgelegd (Joh.16:7-11).

Ten tweede de blindheid van de vleselijke christenen. De blindheid en de beperking daarmee verbonden, is wanneer ze proberen de Schrift te begrijpen. Zoals vermeld in 1Korinthe3:1 - ‘En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus’. De oplossing voor de blindheid van de ongelovigen is de verlichting die door de verlossing in Christus tot stand komt, terwijl de remedie voor de blindheid van de vleselijke gelovige een vollediger toegeven is aan de inwonende heilige Geest.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

‘Plotseling zal Hij tot Zijn tempel komen’

         

2 Koningen 11:1-20

 

Inleiding

Wij leven in een tijd waarin wij mogen uitzien naar de openbaring en de komst van de Koning der koningen en Heer der heren, de Heer Jezus Christus voor het volk Israël. Dat heeft Hij beloofd en zal eenmaal plaatsvinden. De gedachte van zijn plotselinge komst wordt in 2 Koningen 11 prachtig geïllustreerd in de geschiedenis van Joas. Voor alle duidelijkheid, ik denk bij de bespreking van dit gedeelte niet aan zijn komst voor de Gemeente, de zgn. Opname, maar aan zijn komst voor Israël. Ik hoop dat u zich het onderscheid tussen die twee verschillende komsten hebt eigen gemaakt!

We verplaatsen ons naar het zuidelijk koninkrijk van Juda, waar de troon vacant was omdat Jehu de koning van Juda - Achazja - naar het leven had gestaan, zodat deze stierf nabij Megiddo (2Kon.9:27-28). De koningin-moeder, Atalja, een dochter van Achab en de moeder van Achazja, maakte van deze gelegenheid gebruik en besteeg de troon en regeerde Juda gedurende zes jaar.

In dit gedeelte van de Bijbel zien we in het bijzonder het handelen van God ten opzichte van zijn volk Israël, toen en in de nabije toekomst, op een grootse manier gedemonstreerd (Rom.8:33)! De raad van God en de verantwoordelijkheid van de mens worden hier duidelijk in beeld gebracht. De raad van God, of zijn plan, staat vast, maar de wegen waarlangs die raad tot stand komt zijn mede afhankelijk van het handelen en de verantwoordelijkheid van de mens. Maar wat er ook gebeurt, Gods plan komt tot stand. ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zegt: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen; die uit het oosten een roofvogel roept, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit; Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering’ (Jes.46:10-11). ‘Maar de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig, de gedachten van Zijn hart bestaan van generatie op generatie’ (Ps.33:11). In het Bijbelgedeelte dat we nu bespreken lijkt het dat door het handelen van Atalia Gods plan zal falen…

De aanslag op de Koning (11:1)

‘Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en bracht het gehele koninklijke geslacht om’ (2Kon.11:1).

Het plan van God om na de zondeval een Verlosser in de wereld te brengen, werd vanaf het begin gedwarsboomd door de Satan. Deze toont zich de eeuwen door zeer actief in het bestrijden van Gods voornemen. In het begin van het boek Genesis wordt deze strijd aangekondigd met de woorden: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). Dat is de oorzaak waarom er, tot vandaag de dag, zoveel antisemitisme in de wereld is, want de Verlosser zou uit het volk Israël voortkomen. In Farao, de koning van Egypte, vinden we de eerste van een reeks ‘Jodenhaters’ die we tegenkomen in de geschiedenis en waarvan Hitler voorlopig de laatste is. Wanneer we de Bijbel raadplegen, zien we dat na de torenbouw van Babel en de daarop volgende spraakverwarring, God Abram roept uit Ur der Chaldeeën en belooft hem tot een groot volk te maken. De belofte van een toekomstige Messias is het voorrecht van de stam Juda: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Later in de geschiedenis van het volk Israël zien we dat God, die in David een man naar zijn hart gevonden had (1Sam.13:14), hem belooft dat zijn huis en koningschap zouden vaststaan voor altijd (2Sam.7:11,16; Ps.89). ‘Want zo zegt de Here: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is’ (Jer.33:17). We zien in de evangeliën dat de belofte vervuld werd in de Persoon van de Heer Jezus, waarvan David een type was. ‘Hij (Jezus) zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven’ (Luk.1:32). In het evangelie naar Mattheüs zien we dan ook in het geslachtsregister dat de Heer Jezus, naar de mens gesproken, afstamt van David (Mat.1:1-17).

Daarom is de daad van Atalia om het gehele koninklijke geslacht uit te roeien, van grote betekenis. Wanneer er geen nageslacht van David meer zou overblijven, zou er geen Messias meer kunnen komen! Er waren niet veel nakomelingen van het huis van David meer over, want eerder had koning Jehoram al zijn broers en de prinsen van Israël gedood (2Kron.21:4). Jehu had enkele van Davids nakomelingen gedood (22:8), en nu had Atalja op haar beurt bevolen om het ‘koninklijk zaad’ uit te roeien. De Satan deed zijn uiterste best om te voorkomen dat de beloofde Messias in Bethlehem geboren zou worden!

De verborgen Koning (11:2-3)

‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim’ (Hos.3:4). 

Het plan van Atalia om haar kleinkinderen, het koninklijk zaad, uit te roeien, faalde want God greep in! Hij had immers een belofte gedaan dat Hij Juda niet wilde verderven ter wille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven (8:19). God greep in en gebruikte daarvoor Jehoseba, de vrouw van de priester Jojada, waarvan we in het volgende gedeelte meer zullen vernemen. ‘Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Achazja, nam Joas, de zoon van Achazja, en bracht hem met zijn voedster heimelijk weg uit de kring der prinsen die gedood werden, naar de bergplaats voor de bedden; en zij verborgen hem voor Atalja, zodat hij niet ter dood gebracht werd. Hij bleef zes jaar bij haar verborgen in het huis des Heren, terwijl Atalja over het land regeerde’ (2Kon.11:2-3).

Omdat alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering is geschreven (Rom.15:4; 1Kor.10:6), is het niet zo moeilijk in deze gebeurtenis een voorafschaduwing te zien van de verwerping van de Heer Jezus en zijn heengaan naar de Vader. Mozes, ook een type van de Heer Jezus als Verlosser, werd toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen (Hebr.11:23). Mozes, en ook Jozef, werden bij hun eerste komst door het volk verworpen, maar de tweede keer aanvaard en zo zal het ook met de Heer Jezus zijn. De verleiding is groot om in Joas een beeld van de Heer Jezus te zien, of is dat te gewaagd? Zoals Joas opgroeide als kind in het huis des Heren, werd de Heer Jezus als jongen van twaalf jaar gevonden in de tempel (Luk.2:46). Hoe Joas als kind opgroeide, weten we niet, maar ook van de Heer Jezus is weinig over zijn jeugd bekend. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet (Gal.4:4) en zo kwam ook voor Joas de tijd dat hij aan het volk getoond werd als diegene die zijn rechten op de troon van David opeiste.

De Koning geopenbaard (11:5-9)

‘Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:5).

Joas moet ongeveer zeven jaar zijn geweest toen de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde werden ingelicht en hij aan hen werd voorgesteld (vs.4). Niemand wist van zijn bestaan af, met uitzondering van de priester Jojada en zijn vrouw Jehoseba. Hij leefde in het verborgene, zoals ook ons leven verborgen is in God, en daar hebben andere mensen geen kennis van (Kol.3:3). Jojada’s naam betekent: ‘God is trouw’. God is trouw in het vervullen van zijn belofte, zoals Hij die deed aan het huis van David, dat Hij voor altijd zijn troon zou bevestigen (2Sam.7:13). ‘Maar in het zevende jaar ontbood Jojada de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde; hij liet hen bij zich komen in het huis des Heren, sloot met hen een verbond en nam hun een eed af in het huis des Heren. Daarop toonde hij hun de zoon des konings’ (vs.4). Joas was verborgen gehouden in het huis des Heren; was er een betere plaats denkbaar? David zegt bij monde van Psalm 23 dat hij zou verblijven in het huis des Heren tot in lengte van dagen. Ze zullen wel verbaasd geweest zijn toen ze hoorden dat er toch nog iemand over was van het huis van David! Zo zullen ook de Emmaüsgangers niet verwacht hebben dat het nog goed zou aflopen. Uiterst voorzichtig lichtte Jojada de oversten in en toonde hun de koning, de zoon van koning Achazja. We weten niet waarom voor Joas als zevenjarige de tijd gekomen was om het koningschap op zich te nemen. Het zevende jaar doet ons denken aan volmaaktheid, het Vrederijk. ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon’ (Gal.4:4) en zo zal het ook in de toekomst gaan: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:1). Wat een gedenkwaardige dag was het toen bleek dat er toch nog iemand over was van het huis van David en wat een dag zal het zijn wanneer de Heer Jezus, als de Ware zoon van David, zal verschijnen en zijn voeten op de Olijfberg zullen staan en zij de Zoon des mensen zullen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid (Zach.14:4; Mat.24:30)! ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen’ (Op.1:7; Zach.12:10; Joh.19:37).

Het kwaad bestraft (11:10-16)

‘En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en teniet doen door de verschijning van zijn komst’ (2Thes.2:8).

Nadat koning Joas aan de oversten van de lijfwacht en de garde was voorgesteld, kregen ze opdracht hem te beschermen en zo nodig te verdedigen. Volledig bewapend stelden zij zich op rondom de koning. ‘Toen bracht hij de zoon des konings naar buiten, zette hem de kroon op en gaf hem de Getuigenis. Zo maakten zij hem koning; zij zalfden hem, klapten in de handen en riepen: Leve de koning!’ (vs.12). Deze twee dingen die de garde deed mogen ook wij doen: Onze Koning verdedigen en het uitroepen: De Koning leeft!

We mogen ons rondom onze Koning scharen met onze wapens in de hand. Wat onze wapens zijn, wat ons zwaard is? Dat is het Woord van God (Ef.6:17). ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard’ (Hebr.4:12). We mogen ons rondom de Koning scharen en zijn eer verdedigen en strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Jud.:3).

We mogen blij zijn en in onze handen klappen en verkondigen dat Jezus leeft; de Heer is waarlijk opgestaan! Nu koning Joas uit de verborgenheid van zijn tempel is gekomen, mag hij worden grootgemaakt en verkondigd aan het volk. De verborgenheid van God zal voleindigd worden en de tijd van het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen (Op.10:7; 11:15). ‘Ze zetten hem de kroon op en gaven hem de Getuigenis’ (vs.12).

Wanneer wij als gelovigen de dood en opstanding van de Heer Jezus verkondigen in deze wereld, zal er vijandschap ontstaan. De koningin hoorde het geroep van de garde en het volk en riep: Verraad, verraad (vs.14)! Maar haar tijd was voorbij en haar einde nabij. Zoals in onze tijd de duivel ook weet dat hij nog weinig tijd heeft en zijn einde nabij is (Op.12:12).

Ten slotte (11:17-20)

Na de dood van koningin Atalja brak een nieuw tijdperk aan voor het volk van Juda. ‘Toen sloot Jojada het verbond tussen de Here en de koning en het volk, dat zij een volk des Heren zouden zijn, alsmede tussen de koning en het volk’ (11:17). Dit doet ons denken aan het toekomstige Vrederijk wanneer de Heer Jezus Koning zal zijn over het volk Israël en zal heersen van het ene einde van de aarde tot het andere. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’ (Jer.31:31-34).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Opwekking in het Koninkrijk Juda

Josia, de koning van Juda

 

 

 

 

 

2 Koningen 22-23 - 2 Kronieken 34-35

‘Vóór hem is er geen geweest, die zich zo tot de Here keerde met zijn ganse hart, zijn ganse ziel en zijn ganse kracht, naar de gehele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op’ (2 Kon.23:25)

Voorwoord

Het noordelijk koninkrijk Juda heeft twintig koningen gekend, waarvan er twee, geestelijk gezien, ver boven de anderen uitsteken, Hizkia en Josia. Beide hadden ze voorgangers, hun vaders en grootvaders, die tegen God zondigden door niet te wandelen naar zijn geboden. Beiden acteerden in, wat we een eindtijd zouden kunnen noemen, namelijk aan het einde van het koninkrijk Juda. Beide waren, door genade en geloof, de leiders van een opwekking. Deze opwekkingen waren van tevoren niet verwacht, en we mogen ze dan ook zien als een werk van Gods Geest. Opwekking of opleving refereert binnen de christelijke context over het algemeen aan een periode van geestelijke vernieuwing binnen de kerk. Het ‘Ontwaakt, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten’ (Ef.5:14; Rom.13:11), wordt tegen gelovigen gezegd. In het christendom wordt hieronder verstaan een buitengewoon werk van de Heilige Geest waardoor geestelijk ingeslapen gelovigen wakker worden, naamchristenen daadwerkelijk gaan geloven en niet-christenen tot geloof komen en bij de kerk komen. De nadruk ligt hier op het werk van de Geest (en niet het werk van mensen). Een opwekking begint vaak met een sterk zondebesef, het belijden van zonden, bekering, de gave van de zekerheid van het heil en levensheiliging. Doordat kerkleden zich bekeren worden kerken ook aantrekkelijker voor niet-christenen. Tekenen van een opwekking zijn de massale bekering van mensen tot het christelijk geloof en een moreel herstel in het gedrag en uitingen van de gelovige.

De Noord-Amerikaanse opwekkingsprediker Jonathan Edwards noemde vijf aspecten die typerend zijn voor een opwekking: (1) de werking van Gods Geest is universeel, (2) er worden grote aantallen mensen in korte tijd wedergeboren, (3) Gods Geest werkt in korte tijd bij velen een geestelijke doorbraak, (4) er is een grote geestelijke diepgang (5) de opwekking breidt zich uit naar andere plaatsen.

Inleiding

De moord op zijn vader Amon bracht Josia op de troon (2Kon.21:23). Hij was de laatste van de ‘goede’ koningen van Juda voordat het einde van het volk kwam. Hij regeerde in Juda van 639-608 en was een voorbeeld voor het volk: ‘Zo priester, zo volk’ (Hos.4:9) en niet ‘Zo vader, zo zoon’. Want Manasse zijn vader en grootvader waren koningen die niet gewandeld hadden op de weg van de Heer. In koning Josia zijn tijd was het volk verwikkeld in de afgodendienst en had het de dienst aan de Here opgegeven. Josia was geheel anders, en was als een ‘licht schijnend in de duisternis’ (Fil.2:15). Hij was al op achtjarige leeftijd koning geworden en we lezen dat hij op zijn zestiende de Here begon te zoeken. Hij zocht de Here in zijn jongelingsjaren (Pred.12:1) en dat maakte het verschil! ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Waarschijnlijk heeft de hogepriester Chilkja daar ook een aandeel in gehad (2Kon.22:4). Het is interessant te weten dat Josia’s moeder Jedida, wat ook de bijnaam van Salomo was (2Sam.12:25). Jedida of Jedidja betekent ‘geliefde van God’ en dat kan een aanwijzing zijn dat Josia’s moeder ook een gunstige geestelijke invloed op Josia heeft gehad. De profeten Jeremia en Zefanja leefden in zijn tijd.

Josia reinigde het land - Reformatie (2Kron.34:3-7)

Toen Josia acht jaar was werd hij koning van Juda en acht jaar later, toen hij dus zestien jaar was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. Al gauw kwam hij tot de ontdekking dat het met het volk niet goed ging en hij begon maatregelen te nemen. ‘In het achtste jaar zijner regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden. Men brak in zijn tegenwoordigheid de altaren der Baäls af; de wierookaltaren die daarop stonden, hieuw hij om; de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden verbrijzelde en verpulverde hij, en het stof strooide hij op de graven van hen die daaraan geofferd hadden; de beenderen der priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem. Ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, en zelfs in die van Naftali, welke allerwegen in puin lagen, brak hij de altaren en de gewijde palen af, en sloeg hij de gesneden beelden tot gruis; al de wierookaltaren in het gehele land van Israël hieuw hij om. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem’. Daarmee vervulde Josia de profetie van 1 Koningen 13:1-2 waar staat – ‘Zie, daar kwam een man Gods door het woord des Heren uit Juda te Betel, terwijl Jerobeam op het altaar stond om het offer te ontsteken. 2Deze nu predikte tegen het altaar door het woord des Heren, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de Here: zie, een zoon zal aan Davids huis geboren worden met name Josia; en hij zal op u de priesters der hoogten slachten, die offers op u ontsteken, en mensenbeenderen zal men op u verbranden.

Josia herstelde de tempel – Restauratie (2Kon.22:3-7)

Het is niet voldoende om af te breken, er moet ook opgebouwd worden! Ook gelovigen moeten dingen afleggen, om daarna andere dingen aan doen (Fil.3:8,12). ‘In het achttiende jaar nu van koning Josia zond de koning de schrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, naar het huis des Heren met de opdracht: Ga naar de hogepriester Chilkia; laat hij het geld gereed houden, dat in het huis des Heren gebracht is, dat de dorpelwachters ingezameld hebben van het volk; laat men het ter hand stellen aan de opzichters die over het huis des Heren aangesteld zijn, opdat dezen het geven aan hen die het werk verrichten, die in het huis des Heren bezig zijn om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen: aan de werklieden, de bouwlieden en de metselaars, en voor het aankopen van hout en gehouwen stenen, om de tempel te herstellen; maar van het geld dat hun ter hand wordt gesteld, worde geen verantwoording gevraagd, want zij handelen in goed vertrouwen. En de hogepriester Chilkia zeide tot de schrijver Safan: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des Heren (Deut.31:24-26). En Chilkia gaf het boek aan Safan en deze las het. En de schrijver Safan kwam bij de koning, deed hem verslag en zeide: Uw dienaren hebben het geld dat zich in de tempel bevond, uitgestort en het ter hand gesteld aan de opzichters die aangesteld waren over het huis des Heren’.

Josia kreeg het Wetboek – het Woord van God (2Kon.22:8-20; 2Kron.34:14-28)

‘Ik heb het wetboek gevonden!’ Het wetboek dat al sinds tijden niet was geraadpleegd, wat aangeeft hoe de geestelijke toestand van het volk ervoor stond. Maar hoe is het nu, in onze dagen, hoeveel van de gelovigen raadplegen de Bijbel, het Woord van God nog als leidraad voor hun geestelijk leven? Bij koning bracht dat een verandering in zijn leven van Josia en door hem ook bij het volk. De grootste schat die u hebt, is niet geld maar het Woord van God, dat maar al te vaak ‘zoek’ is tussen de ‘rommel’ die je zo gemakkelijk kunt vergaren. Behandelt u Gods Woord als uw schat? (Ps.119:14,72,127,162). Of ligt het ergens ‘begraven’? Gods Woord is geen relikwie dat je in een museum voor de godsdienst kunt bewonderen. Ze zetten het Boek niet terug op het vaste plaatsje in de tempel. Nee, ze lazen eruit voor in het openbaar en behandelden het met respect als het levende Woord van God. De koning beefde voor Gods Woord (Jes.66:2) en liet onmiddellijk de Here raadplegen. Er is altijd een nieuw woord van de Heer als je de Bijbel leest en zijn wil zoekt. De koning en het volk sloten een verbond met de Heer en gingen staan voor het aangezicht des Heren (23:1-3; 34:29-33). Per slot van rekening behoren de resultaten van Bijbelkennis gehoorzaamheid en dienst te zijn: een levende toewijding aan de God van het Woord. Toen Josia het Wetboek in zijn handen kreeg en het begon te lezen begreep hij onmiddellijk dat Juda in groot gevaar verkeerde, en gaf hij onmiddellijk bevel om de Here te raadplegen, terwille van mij, van het volk en van geheel Juda, over de woorden van dit gevonden boek, want groot is de gramschap des Heren, die over ons ontbrand is, omdat onze vaderen naar de woorden van dit boek niet hebben geluisterd en niet hebben gedaan overeenkomstig al wat ons voorgeschreven is (22:13). Daarop leest Josia het wetboek aan het hele volk voor en sluit samen met het volk een trouwverbond met Jahweh.

Josia vierde het Pascha – Gedenken (23:21-23; 35:1-19)

Net zoals zijn overgrootvader Hizkia herstelt ook Josia het Pascha in ere. De ark wordt weer in de tempel geplaatst. De Levietendienst wordt hersteld volgens de voorschriften en de vorsten stellen tienduizenden offerdieren vrijwillig ter beschikking. Bij Hizkia hoorden we dat er zo’n Pascha niet is geweest sinds Salomo (2Kron.30:26), maar zo’n Pascha als nu van Josia is er zelfs niet geweest sinds Samuël (2Kron.35:18)! En toch is er bij het volk onder de vrome schijn veel trouweloosheid, zoals Jeremia in diezelfde tijd profeteerde (Jer.3:10).

Wat was het resultaat van Josia’s pogingen tot reiniging van het land en herstel van de dienst aan God? Gedurende zijn dagen was er vrede en zegen; hoewel God zijn eerder aangezegde oordelen niet terugnam ten gevolge van de zonde van Manasse (2Kon.23:26-27). Josia’s dienst en de dienst aan God hadden het oordeel hoogstens een aantal jaren uitgesteld, maar de ballingschap naderde en er was geen uitstel mogelijk.

Josia’s einde – zijn dood (23:28-30; 35:20-27)

Het lijkt aannemelijk dat het Egyptische leger, onder leiding van farao Necho II via de zee het land probeerde binnen te dringen. Farao bedoeling was niet om Juda aan te vallen, maar dat deze manier van doen er alleen voor was om de Assyriërs aan te vallen. In die tijd faalde Josia om naar de raad van God te vragen, het lijkt het er eerder op dat hij aan Gods wil bewust niet gehoorzaamde (2Korn.35:22). Hij vermomde zich in de strijd maar dat kon niet verhinderen dat hij in de strijd gewond raakte. In Zacharia 12:11 zien we een toespeling op de rouw te Megiddo voor koning Josia. De koning had beter de raad van Spreuken 20:3 en 26:17 in acht genomen! Mogelijk was Juda in die tijd een bondgenoot van Assyrië en was Josia verplicht te handelen, maar het is duidelijk dat de farao geen voornemen had op de strijd met Josia aan te gaan. Josia raakt gewond in de strijd en sterft in Jeruzalem aan zijn wonden; hij werd 39 jaar oud. De Egyptenaren lijden een paar jaar later bij Karkemis tegen Nebukadnezar de nederlaag (Jer.46:2).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op 1 en 2 Kronieken

 

 

 

De boeken Samuël, Koningen en Kronieken vermelden de geschiedenis van de Joden vanaf de laatste richter Samuël en de aanstelling van de eerste koning Saul tot aan de ballingschap naar Babel. De boeken 1 en 2 Koningen waren geschreven vanuit het standpunt van de profeten, terwijl 1 en 2 Kronieken de Joodse geschiedenis vanuit het standpunt van de priesters vermelden. In de boeken van de Kronieken wordt de nadruk gelegd op de Levieten, de bouw van de tempel, Gods verbond zoals vermeld in Deuteronomium, en de heilige stad Jeruzalem. Je zou kunnen stellen dat 1 en 2 Koningen ons de politieke kant laten zien en 1 en 2 Kronieken de religieuze kant. 2 Kronieken vermeld maar liefst vijf ‘opwekkingen’ in de geschiedenis van Juda (hoofdstukken 15, 20, 23-24, 25 en 29-31).

De chronologie in 1 Kronieken 1-9 komt vóór 1 Samuël 1 en zijn de ‘levende schakels’ met het verleden. Het was voor de Joden belangrijk dat ze hun geschiedenis kenden en in staat waren hun plaats in het volk te kennen. Dit was speciaal voor de priesters en Levieten van belang die in de tabernakel en tempel dienst moesten doen.

De schrijver van 1 Kronieken begint met de vermelding van de dood van Saul (1 Kron.10). Het is interessant om op te merken wat hij weglaat uit zijn verslag: Davids lang conflict met Saul; de rivaliteit met Isboset (2 Sam.2-4); Davids zonde met Batseba; Davids familieproblemen met Amon en Absolom; Adonias poging de troon van Salomo te bezetten; de zonde van Salomo; en veel geschiedenissen van de koningen van Israël (het noordelijk koninkrijk). De vermelding richt zich op de koningen van Juda en legt de nadruk van Gods keuze voor David en zijn nakomelingen om vanuit Jeruzalem te regeren. Als je alleen 1 en 2 Kronieken zou bestuderen zul je nooit te weten komen dat David en Salomo ooit gezondigd hebben! Volgens de schrijver van 2 Kronieken, was het niet Salomo zijn zonde die tot de verdeling van het rijk leidde, maar Jerobeam politieke wijze van handelen. Beide kanten zijn waar, maar het is interessant op te merken dat, vanuit het priesterlijk standpunt, David en Salomo werden geïdealiseerd. Per slot van rekening zorgde David voor de kosten van de tempelbouw, de liederen, muzikale instrumenten, de orde voor de Levieten, maar Salomo bouwde de tempel.

Het boek laat ons zien dat God het volk zegent wanneer het Hem gehoorzaamt en het tuchtigt wanneer ze ongehoorzaam zijn. God is trouw aan zijn verbond zelfs als zijn volk ontrouw is. Wanneer Gods lankmoedigheid stopt, staat Hij toe dat het volk Juda naar Babel wordt gebracht, en laat het toe dat de vijand de tempel en de stad Jeruzalem vernietigd. Twee Kronieken eindigt met beschrijving van het decreet van Cyrus om de Joden toe te stemmen naar hun land terug te keren, en loopt dus parallel met boek Ezra. De schrijver ziet het verband met de geschiedenis van het volk, omdat God hen leidt en zijn doel bereikt, ondanks hun zonden.

---------------------------------------------------------------------------------------Indeling van de boeken 1 en 2 Kronieken

 

I. Geslachtsregisters van Adam tot koning Saul (1 Kron.1-9)

II. De regering van Koning David (1Kron.10-29)

A. De dood van koning Saul (10)

B. bevestigd zijn koninkrijk (11-16)

C. Gods verbond met David (17)

D. David breidt zijn koninkrijk uit (18-20)

E. David telt het volk (21)

F. David bereid de tempelbouw voor (22-29)

(De dood van David)

III. De regering van koning Salomo (2 Kron.1-9)

A. Salomo ontvangt Gods zegen (1)

B. Salomo bouwt en wijdt de tempel in (2-7)

C. Salomo’s roem en wijsheid (8-9)

IV. Het gedeeld koninkrijk (2 Kron.10-36)

(De koningen van Juda)

A. De regering van Rechabeam (10-12)

B. Van Abia tot Asa (13-16)

C. De regering van Josafat (17-20)

D. Van Joram tot Amasja (21-25)

E. De regering van Uzzia (26)

F. De regering van Jotam en Achaz (27-28)

G. De regering van Hizkia (29-32)

H. De regering van Manasse en Amon (33)

I. De regering van Josia (34-35)

J. De laatste koningen en van van Juda (36)

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Koning Josafat

2 Kronieken 17–20

 

 

 

 

 

Inleiding

Josafat (2 Kron.17-20; 1 Kon.22:41-51) is opnieuw een trouw en gelovig koning. Hij herstelt wat sinds Asa’s reformatie weer achteruitgegaan is en stuurt overal in zijn land oversten en Levieten rond om aan het volk onderwijs in Gods wet te geven. Omringende volken beven voor hem en zijn leger bereikt een ongekende omvang. Ook van Israël heeft hij niets te duchten. Integendeel, hij verzwagert zich helaas met Achab (doordat zijn zoon Joram met diens dochter Athalia huwt) en knoopt betrekkingen aan met de koningen Achan, Ahazia en Joram van Israël. De betrekking met Achab houdt een verbond in met deze tegen de Arameeërs (zie 1 Kon.22), waarin Achab sneuvelt en ook Josafat bijna het leven laat. De Profeet Jehu, de zoon van Hanani, komt hem om dit verkeerde bondgenootschap de straf aanzeggen: een invasie van de vijand. Voordat we daarover horen, zien we hoe Josafat de religieuze en burgerlijke rechtspraak in het hele land regelt, met als hoofdrechter de hogepriester Amarja en de Judese vorst Zebadja.

Daarna valt Moab met zijn bondgenoten het land binnen. Josafat wordt bang, want hij weet dat dit Gods straf is; hij roept een vasten uit in het land en het volk komt bijeen. Nu spreekt Josafat in de tempel een prachtig gebed uit, waarin hij pleit op Gods beloften en vroegere uitreddingen. De profeet Jahaziël deelt nu mee dat Jahweh, die de vijand gebracht heeft, hem ook Zelf zal verslaan. De volgende morgen trekt het leger jubelend uit, in vertrouwen op Jahweh. Deze laat de vijanden zich tegen zich keren, zodat zij elkaar uitmoorden. Als Josafat op het slagveld aangekomen is, ziet hij slechts lijken; drie dagen duurt het voor de hele buit is weggesleept. Het volk looft Jahweh in het Dal der Lofprijzing en alle omringende volkeren sidderen voor de macht van Jahweh. Helaas verbindt Josafat zich later met Achabs zoon Ahazia in een scheepshandelsovereenkomst, maar Jahweh laat de schepen schipbreuk lijden (Josafat is de schoonvader van Athalia, de zuster van Ahazia en Joram van Israël, en deze verkeerde familiebetrekking is de oorzaak van de verkeerde bondgenootschappen). Direct daarna biedt Ahazia aan het zijn scheepslui te proberen, maar Josafat heeft zijn les geleerd. Ook met Joram van Israël sluit Josafat een verbond en wel tegen Moab, waartegen Jahweh hem juist zo’n grote overwinning gegeven heeft! Door dit verbond wordt hij mede de bondgenoot van de koning van Edom; wat een afgang… Toch is het oordeel van de Bijbel over het geheel genomen gunstig over deze grote koning uit het huis van David.

Hoofdstuk 17-18

Josafats geestelijk leven wordt omschreven in Psalm 1:1-3 want hij wandelde in de goede raad (17:3), hij had zijn welgevallen aan de wegen van God (17:6), en hij gaf vrucht in zijn dienst door het Woord door te geven aan het volk (1717:3, 6, 9). Hij bracht de vreze des Heren in de praktijk, en werd beschermd door de vreze des Heren. Als men God vreest, heeft men verder niet te vrezen (Ps.112).

Maar Josafat trouwde met de verkeerde vrouw, sloot een verkeerd bondgenootschap, voerde een verkeerde oorlog, en kwam bijna tot een verkeerd levenseinde. Door te wandelen ‘in de raad der goddelozen’ en ‘te zitten in de kring der spotters’ (2 Kron.18:9; Ps.1:1-2), raakte de koning in ernstige moeilijkheden. Hij moest wellicht ongewenst luisteren naar valse profeten en de strijd ingaan met een koning die een vals vertrouwen koesterde. De druk om je aan te passen is vandaag nog groter dan toen. Verzet u zich ertegen? Kunt u de valse profeet en zijn boodschap doorzien, of bent u onder de indruk van zijn ‘visuele hulpmiddelen’ en zijn plezierige boodschap (2 Kron.18:10)? Leest u de laatste drie verzen van Psalm 1 eens en wees op uw hoede!

Hoofdstuk 19

Josafat kwam weer veilig thuis alleen omdat God hem genadig was en hem beschermde tijdens de veldslag. Als we tegen Gods wil in handelen en ons op gevaarlijke plaatsen begeven, verzoeken we God, en het is een zonde om God te verzoeken en Hem te dwingen om wonderen te doen ten behoeve van ons. Dat is de manier waarop de satan de Heer Jezus verzocht (Math.4:5-7).

Josafat onderwierp zich aan Gods woord en wijdde zich weer aan de dienst van zijn volk. Terwijl hij weg was om de strijd van iemand anders te strijden, werden zijn eigen mensen verwaarloosd (Hoogl.1:6). Als een goede schaapherder zocht hij de verdwaalden op en bracht hen terug bij de Heer (Ezech.34:1-10), en hij zorgde ervoor dat de mensen werden beschermd door eerlijke rechters en gediend door vrome priesters.

Let u op de nadruk op de schrik en de vreze des Heren (vs7,9). Josafat had gezondigd, maar God vergaf hem. Het resultaat van vergeving behoort de vreze des Heren te zijn (Ps.130:4). Johannes Calvijn schreef: ‘Ware vroomheid bestaat… in zuivere en ware ijver die God in alle opzichten liefheeft en Hem waarlijk vereert als Heer, zijn rechtvaardigheid betracht en meer dan de dood vreest om Hem te krenken.’

Hoofdstuk 20

A.    Zoek de Heer.

Als u grote problemen ziet aan de horizon, raadpleeg dan de Heer voordat u iets anders doet. Wat betekent dat? Het betekent dat u doet wat Josafat en Juda deden. Zij herinnerden zich Wie God is (vs.6), wat Hij deed in het verleden (vs.7) en wat Hij zei dat Hij zou doen in de toekomst (vs.8-9). Het betekent Hem te vertrouwen en door het geloof uw ogen op Hem gevestigd te houden (vs.12).

B.    Luister naar de Heer.

God heeft altijd een speciaal woord voor hen die zich tot Hem wenden om hulp. Als u voor een strijd staat, besteed dan veel tijd aan zijn Woord en aan gebed, want dan zal Hij u het woord van bemoediging geven dat u nodig hebt. ‘Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd’ (2 Kron.20:12).

C.   Prijs de Heer.

De strijd werd gewonnen door de zangers, die op de meest gevaarlijkste plek stonden – tussen twee legers in. Maar zij zongen de lof van God en dreven de vijand op de vlucht. Het koor loofde God nadat God had gesproken (vs.19), vóór( de veldslag (vs.21), een goed voorbeeld voor ons om te volgen als we Hem prijzen.

Zelfs een dal kan een ‘Dal der Lofprijzing’ worden, als we leren hoe we de Heer moeten prijzen. ‘Gebed verandert alles’ is een bekend gezegde, dat ongetwijfeld waar is. Maar het is ook waar dat ‘lofprijzing alles verandert’. Waarom? Omdat ware lofprijzing mensen verandert, en God kan werken in en door mensen die Hem prijzen. Bij ware lofprijzing zijn geloof, hoop en liefde betrokken, de sterkste wapens in het arsenaal van de christen.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Koning Jotam

2 Koningen 15 - 2 Kronieken 27

 

 

 

 

Inleiding

Beter een kort en goed leven, dan een lang en slecht. Jotam regeerde slechts 16 jaar. Het komt er niet op aan om lang te leven maar wel om goed en productief te leven voor de Heer. Niet hoe lang we leven is belangrijk, maar hóe we leven! Wij vragen ons wel eens AF waarom God de eerder wegneemt dan de ander en zeker als het iemand die veel goeds voor de Heer heeft gedaan. Zo ook met Jotam, hij was een van de weinige koningen die ‘recht deed in de ogen des Heren’. ‘Zo vader, zo zoon’ gaat niet altijd op, want zijn vader Uzzia, die lang leefde en goed begon, eindigde en stierf als een melaatse. Het beste zou natuurlijk zijn dat je lang leeft en tot eer van God, maar dat heb je niet voor het zeggen. En zouden we een lang leven tot eer van God ook volhouden? Uzzia begon ook goed zolang hij door Zekarja begeleidt werd die hem onderrichtte. Zolang hij de Here zocht, maakte God hem voorspoedig (2Kron.26:5; Joz.1:8), maar toen kwam de hoogmoed en werd hij ontrouw. Die hoogmoed maakte dat Uzzia, tegen Gods gebod in, de tempel binnenging om daar reukwerk te ontsteken. Hij luisterde niet naar de priesters die hem waarschuwden en wilden tegenhouden, waarop God hem sloeg met melaatsheid (2Kron.26:16-23). Uzzia kwam in een afgezonderde positie terecht en was uitgesloten van het huis des Heren. Jotam volgde zijn vader dan op als koning van Israël en hij regeerde zestien jaar, maar deed gelukkig niet wat zijn vader wel deed, namelijk: hij ging de tempel des Heren niet binnen! Jotam zijn naam betekend ‘God is volmaakt’, Jotam niet, want de hoogten waar het volk offerde verwijderde hij niet (1Kon.15:35). Jotam was geestelijk, actief, strijdvaardig, sterk en standvastig. Kenmerken die elke gelovige goed zouden staan!

Jotam was geestelijk

Paulus spreekt de Galaten toe met de woorden: ‘U die geestelijk bent’, daarmee erkend hij dat er ook ongeestelijke, of vleselijke gelovigen zijn (Gal.6:1; 1Kor.3:1). Of je geestelijk of ongeestelijk bent zal blijken uit je daden. We mogen opmaken uit het feit dat Jotam de tempel niet binnenging zoals zijn vader gedaan had, dat Gods woord gezag over hem had (2Kron.26:16). Jotam had de gevolgen gezien die deze daad van zijn vader met zich meebrachten, hij werd melaats! Als je Gods Woord hoort en aanneemt kan dat geloof in je bewerken (Rom.10:17). De Heer Jezus toetste Petrus’ geloof toen hij aan het vissen was in de zee van Tiberias en niets gevangen had en Hij hem de opdracht gaf: ‘Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst’ (Luk.5:4). De reactie van Petrus op het bevel van de Heer Jezus toonde zijn vertrouwen in Hem, toen hij zei: ‘Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen’. Het ging helemaal tegen zijn gevoelens en vakmanschap in, maar hij gehoorzaamde. Iemand heeft eens gezegd: ‘Echt geloof betekent gehoorzaamheid aan God, ongeacht de gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!’ God beloont geloof, geloof dat zich openbaart door gehoorzaamheid (2Kron.26:5). De sleutel tot een succesvol christelijk leven is gehoorzaamheid aan Gods Woord. We lezen dan ook: ‘En toen zij dit hadden gedaan, gehoorzamen aan Jezus’ gebod, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden’ (Luk.5:6). Tegenwoordig hebben veel gelovigen moeite met zich te onderwerpen aan Gods Woord, of nog erger hebben heel weinig kennis van Gods Woord. Maar de principes blijven wel geldig: ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Er ligt een rijke beloning klaar al we ons door Gods Woord laten vermanen (Ps.19:12). Dat wil niet zeggen dat Jotam in alles volmaakt was, want de offerhoogten bleven bestaan (2Kon.15:35). Maar we zullen hem daarover maar niet te hard oordelen want mogelijk zijn er ook bij ons nog dingen waarin we tekortschieten!

Jotam was actief

Je kunt niet zeggen dat Jotam het werk des Heren met lauwheid verrichtte (Jer.48:10) nee, hij was vol actie. Hij bouwde binnen en buiten de stad. Hij bouwde de Bovenpoort van het huis des Heren. Jotam beveiligde de tempel, terwijl zijn vader Uzzia dat deed met de stad (26:9). Misschien mogen we daaruit ook opmaken dat Jotam voorrang gaf aan God boven de stad en zijn bewoners. Ook bouwde hij veel aan de muur van Ofel waar de tuinen van de koning waren, waardoor die verbonden werden met de tempel. Hij bouwde versterkingen in het gebergte van Juda, en in de bossen bouwde hij burchten en torens’ (2Kron.27:3-4). Jotam was zich bewust van mogelijke vijanden en bereidde zich daarop voor door verdedigingswerken te bouwen. Van Uzzia lezen we daarvan niets, en omdat hij zich van ‘geen kwaad bewust was’ werd hij onvoorzichtig, viel in hoogmoed en werd ontrouw aan God.

Al deze bijzonderheden die we in het leven van koning Jotam vinden, kunnen we toepassen in ons leven. Bouwen wij ook mee aan het huis van God, de gemeente? (1Tim.3:15) zoals Jotam bouwde aan Gods huis, de tempel in Jeruzalem? En waarmee bouwen wij dan, met goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi of stro? (1Kor.3:10). Jotam probeerde er iets moois van te maken dat blijkt wel daardoor dat hij de koninklijke tuinen wilde doen aansluiten met de tempel. Het huis van de Heer was hem dierbaar! Hoe staat het met onze liefde voor het huis van God, de Gemeente, en wat is onze, wat is mijn bijdrage daaraan? Het Bijbelboek Ezra en Nehemia geven ons prachtige voorbeelden hoe in die dagen gebouwd werd en de ijver en enthousiasme die daarbij aan de dag gelegd werd. Ze wilden het huis des Heren niet aan zijn lot overlaten (Neh.10:39).

Jotam was strijdvaardig

Het huis van God, en alles wat de voortgang van Gods werk kan bevorderen is doelwit van de vijand, de satan die dat wil tegenwerken en/of vernietigen. Daartoe bouwde Jotan versterkingen in het gebergte van Juda, en in de bossen bouwde hij burchten en torens (27:4). ‘Hij streed met de koning der Ammonieten en overwon deze, zodat de Ammonieten hem in dat jaar honderd talenten zilver, tienduizend kor tarwe en tienduizend kor gerst gaven. Dit brachten hem de Ammonieten ook in het tweede en in het derde jaar op’ (2Kron.27:5). Dat alles bracht rust, voorspoed en vrede in het land en onder het volk.

Dat betekent dat wij, evenals Jotam, ons ook dienen voor te bereiden op eventuele aanvallen van de vijand en ons moeten beschermen tegen gevaren van buiten en binnen (Hand.20:7). Voorkomen is beter dan genezen! We mogen de vijand niet onderschatten of negeren, nee deze is actief bezig en zeker in onze tijd. Wij mogen de signalen niet negeren en doen alsof er niets aan de hand is. De kerkverlating in de laatste decennia spreekt boekdelen. En op het westelijk halfrond is de reden daarvan niet zozeer vervolging door overheden, maar veeleer door gevaar van binnenuit, door valse leraren die allerlei dwaalleer verkondigen. Daarbij komt bij dat de kennis van Gods Woord onder het volk van God miniem is, waardoor allerlei dwaalleer gemakkelijk binnenkomt en als waarheid wordt aangenomen. Het ‘mijn volk ten gronde door gebrek aan kennis’ is geleidelijk aan waarheid geworden in onze dagen (Hos.4:6). Waarschuwingen worden in de wind geslagen of niet serieus genomen, gezien als bangmakerij en vaak niet aanvaard. Zelfs Gods Woord wordt niet meer als gezaghebbend aanvaard in zaken van leer en moraal. ‘Zie, het woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?’ (Jer.8:9). Het zou beter zijn dat we de geestelijke wapenrusting aandoen om stand te houden (Ef.6:13) en te strijden voor het geloof dan eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Judas:3). Gelijk Jotam, zullen we in Gods kracht strijden en de vijand overwinnen.

Jotam was krachtig en standvastig

Jotam was het tegenovergestelde van zijn vader Uzzia iemand van wie gezegd kan worden dat hij ‘een wankelmoedig man was, onberekenbaar in al zijn wegen’ (Jak.1:7). Koning Jotam was geen jojo, die de ene keer boven op de berg zat, en even later in het dal! Of, zoals met dat in het Duits zegt: Himmelhoch jauchzend, und zum Tode betrübt! (Hemelhoog juichend en tot de dood bedroefd). Nee, Jotam betoonde zich een krachtig man, want hij was standvastig in zijn wandel voor het aangezicht van de HERE, zijn God’ (2Kron.27:6). Hoe dat kwam? Wel, hij wandelde voor het aangezicht van God, d.w.z. hij hield rekening met de wil van God in zijn leven en paste dat ook toe. Vandaag ontbreekt het aan stabiele gelovigen, die standvastig zijn in leer en praktijk. Paulus roept de gelovigen in Filippi op om hun behoudenis met vrees en beven uit te werken, want het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken, om zijn welbehagen (Fil.2:12-13). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt! Is datzelfde enthousiasme en bereidwilligheid om aan het huis van God te bouwen ook bij ons aanwezig, of willen, gelijk de aanzienlijken in Nehemia’s dagen de schouders niet zetten onder het werk? (Neh.3:54). Of behoren wij tot degenen die met krachtige hand het goede werk aanvatten? (Neh.2:18). Er is in onze dagen een groot tekort aan werkers in de verschillen gemeenten; veel werk wordt gedaan door dezelfde, vaak oudere, broeders en zusters. Veel jongere gelovigen hebben zich vaak niet voorbereid op een toekomstige taak die hun wacht. ‘Daarom, mijn geliefde broeders en zusters, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’ (1Kor.15:58)

________________________________________________________________