Evangeliën Lukas

Wat zegt de Bijbel?

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

Inleiding en Indeling van Lukas

Lukas 1 - Lofzangen in Lukas

Lukas 2:36-38 - Misschien vandaag

Lukas 2:21-38 - Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen!

Lukas 3-4 – Kracht voor de reis

Lukas 4:16-30 - De verwerping van Jezus

Lukas 5 – Vragen bij discipelschap

Lukas 9 - Lessen uit de verheerlijking op de berg

Lukas 13 - Genezing kromgebogen vrouw

Lukas 14 – Tafelgesprekken

Lukas 18 - De reis naar Jeruzalem

Lukas 21 - Vragen over de toekomst

 

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 Inleiding op het evangelie naar Lukas

 

Lukas was een arts en waarschijnlijk een Griek (Kol.4:14); hij vergezelde Paulus op sommige van zijn reizen (let u op de voornaamwoorden ‘wij’ en ‘ons’ in Hand.16:10; 20:5; 21:1; 27:1). Hij schreef het evangelie naar Lukas rond de jaren 55-60 mogelijk vanuit Caesarea en het boek Handelingen van de Apostelen (Luk.1:1-4; Hand.1:1-3) rond het jaar 63, ook vanuit Caesarea, die verslagen zijn van reizen: de reis van Christus naar Jeruzalem (Luk.9:51) en de reis van Paulus naar Rome.

Dokter Lukas schreef met de Grieken, dus de gehele niet-joodse mensheid, in gedachten en hij stelde Jezus Christus voor als de volmaakte Zoon des Mensen en de barmhartige Heiland (Luk.19:10). God heeft in de mens een welbehagen en in Christus heeft Hij heil bereid dat tot alle volken komt (2:14, 32v.). Voor de zondige mensheid betekent dat in Christus de genade van God te leren kennen, en dit staat dan ook eveneens hier op de voorgrond (4:22 en de gelijkenissen).

Door zijn ontroerende tekening van Jezus’ nederige mensheid en van de barmhartigheid van God die Hij ontvouwt (in het bijzonder aan de sociaal zwakkeren) is Lukas echt de ‘geliefde arts’. Hij noemt vrouwen, kinderen en de armen in zijn Evangelie, en blijdschap en vrolijkheid komen er vele malen in voor. Hij legt ook nadruk op het bidden en op Gods liefde voor de hele wereld. Lukas droeg beide boeken op aan Theófilus (‘vriend van God’), een Romeinse gelovige, mogelijk een ambtenaar, die onderlegd moest worden in het geloof.

Lukas’ benadering is ongecompliceerd. De genealogie van de Heer Jezus gaat terug op Adam (3:38). Lukas aandacht gaat uit naar zondaars, en gebruikt het woord zestien keer. Een dokter heeft altijd aandacht voor het individu en dat is dan ook te vinden in ‘zijn’ Evangelie. Zes wonderen en negentien gelijkenissen vinden we alleen in dit Evangelie. Lukas en Paulus leggen beiden de nadruk op geloof, bekering, genade en vergeving.

Dokter Lukas geeft het meest uitgebreide verslag van de geboorte van de Heer – geen wonder voor een arts. Hij boekstaaft de geboorte van onze Heer en zijn eerste jaren (hoofdstuk 1-2); zijn doop en verzoeking (3:1-4; 13); zijn dienst in Galilea (4:14-9:17); zijn dienst op weg naar Jeruzalem (9:18-19:27); en de laatste week van zijn dienst, in Jeruzalem (19:28-24:53).

Als u het Evangelie van Lukas leest, zult u de barmhartige Zoon des mensen gaan liefhebben; Hij bekommert Zich om hen die in nood zijn en wil dat zijn boodschap van redding wordt gebracht aan de hele wereld.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het Evangelie naar Lukas

I. Inleiding (1:2-4)

II. De komst van de Zoon des Mensen (1:5–2:52)

A. De aankondiging aan Zacharia (1:5-25)

B. De aankondiging aan Maria (1:26-46)

C. De geboorte van Johannes (1:57-80)

D. De geboorte van Jezus (2:1-20)

E. De voorstelling van Jezus (2:21-38)

F. De kindertijd van Jezus (2:39-52)

III. De reisweg van de Zoon des Mensen (3:1–19:27)

A. De voorbereiding (3:1-4:13)

1. Gedoopt door Johannes de Doper (3:1-38)

2. Verzocht door de Satan (4:1-13)

B. De dienst in Galilea (4:14-9:50)

C. De dienst in Judea (9:51-13:21)

D. De dienst in Perea (13:22-19:27)

IV. De Zoon des Mensen in Jeruzalem (19:28–23:56)

A. Intrede in de stad (19:28-48)

B. Gesprekken met de leiders (20:1-47)

C. Onderwijs aan de apostelen (21:1-22:38)

D. Het lijden als een misdadiger (22:39-23:25)

E. Het sterven op het kruis (23:26-56)

V. De overwinning van de Zoon des Mensen (24:1-53)

A. De Overwinnaar van de dood (24:1-12)

B. De Bemoediger van de hoop (24:13-35)

C. De Schenker van de vrede (24:36-43)

D. De Dienstgever (24:44-53)

__________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

‘Lofzangen in het Evangelie naar Lukas’

‘Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden?’ (Job 38:4-7)

Inleiding

De morgensterren juichten, de zonen Gods jubelden toen het Woord van God deze schepping tot stand bracht, hoeveel meer zou er gejuicht en gejubeld worden toen Hij zijn schepping binnentrad en kwam tot het Zijne? Bij ‘morgensterren’ mogen we aan engelen denken (vgl. Jes.14:12) en bij zonen Gods eveneens (Job 1:6). Het evangelie naar Lukas verstrekt ons de meeste informatie over de komst van de Heer Jezus in deze wereld. Zijn geboorte wordt daarin voorzegt en beschreven, zijn besnijdenis en jonge jaren, en zijn doop in de Jordaan als het begin van zijn openbaar optreden. Het is dan ook te verwachten dat bij Zijn komen in de wereld lofzangen ten gehore werden gebracht. ‘En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En laten alle engelen van God Hem aanbidden’ (Heb.1:6). Het juichen en zingen is niet voorbehouden aan de engelen, ook wij mogen onze stem verheffen en onze Heiland loven en prijzen. In het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Lukas vinden we vijf lofzangen van diverse gelovigen die ons in de lofprijs zijn voorgegaan.

De lofzang van Elisabeth (1:42-45)

In deze verzen vinden we de lofzang van Elizabeth maar het onderwerp daarvan was Maria. Al heel vroeg, in het boek van de profeet Jesaja, vinden we de aankondiging van de vrouw die de Messias in de wereld zou brengen: ‘Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal Hem de naam Immanuël geven (Jes.7:14). Zes maanden (Luk.1:26) na de verschijning van de engel Gabriël aan Zacharias bezocht deze Maria en vertelde haar dat zij de moeder van de Messias zou worden. Dat bezoek moet een geweldige invloed op Maria gemaakt hebben! Zoveel vrouwen hadden gewenst de moeder te zijn van de Messias en nu was haar de eer te beurt gevallen. Maria was waarschijnlijk nog erg jong, want joodse meisjes trouwden vroeg. Ze was verloofd met een timmerman genaamd Jozef (Mat.13:55); ze kwam van het geslacht van David (Luk.3:23-38) en was een maagd (vs.27; Jes.7:14). In die dagen was een verloving praktisch gelijk aan een huwelijk, en een verloving verbreken stond gelijk aan echtscheiding. Dit verklaart waarom Jozef haar ‘man’ genoemd wordt voordat ze eigenlijk getrouwd waren (Mat.1:19). Gabriëls begroeting is letterlijk, ‘Gegroet, begenadigde, de heer is met u, u bent gezegend onder de vrouwen!’ (1:28). Hoewel ze een gelovige vrouw was, was het Gods genade, dat Maria’s verkozen werd boven de andere vrouwen om de moeder van de Messias te zijn. Maria is gezegend onder de vrouwen, niet boven de vrouwen. In haar eigen lofzang noemt Maria God, haar Heiland (1:47). Ook zij moest gered en verzoend worden met God, gelijk alle andere mensen. Maria geloofde dat wat God beloofde ook zou doen. Ze vroeg: ‘Hoe zal dit zijn?’ en niet ‘Hoe kan dat?’. Omdat Jezus bestond vóór zijn moeder, kon Hij niet ontvangen worden in haar schoot op een normale manier. De maagdelijke geboorte is een wonder van God Die op deze wijze zijn Zoon in de wereld bracht zonder enige zweem van zonde in zijn menselijke natuur (vs.35; 2Kor.5:21; 1Petr.2:22; Heb.4:15). Maria wijdde zichzelf aan Gods Geest toe (Rom.12:1) ondanks dat zij wist verkeerd begrepen te worden en smaad moest ondergaan.

De lofzang van Maria (1:46-56)

‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’, woorden uitgesproken door David als hij de bijdrage in ontvangst neemt voor het bouwen van de tempel (1Kron.29:14) waarin hij alle lof aan God toeschrijft. Maria’s lofzang is ook één groot loflied op Gods gevende genade en liefde, daarop ligt de nadruk in deze lofzang! ‘En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heere groot, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker, omdat Hij heeft omgezien naar de nederige staat van Zijn dienares. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij zalig spreken, want Hij Die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam. En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen. Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm. Hij heeft hen die hoogmoedig zijn in de gedachten van hun hart, uiteengedreven. Hij heeft machtigen van de troon gestoten en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden. Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken, zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid’ (1:47-56). De God van alle genade (1Petr.5:10) heeft zijn genade, die heilbrengt voor alle mensen, laten verschijnen (Tit.2:11). Het komt allemaal van Hem! God is in Christus de mensen nabijgekomen, ‘Hij heeft onder ons gewoond’, God met ons.

De lofzang van Zacharias (1:67-79)

Het gaat hier over de verlossing van het volk Israël met het doel om hen te behouden van hun vijanden, om barmhartigheid te bewijzen en zijn verbond te gedenken. Maar die verlossing heeft ook een doel, namelijk: ‘Dat zij, gered van hun vijanden, onbevreesd Hem zouden dienen, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al hun dagen’, daarin waren ze tekortgeschoten in het verleden. Dat doet ons denken aan de verlossing van het volk Israël uit Egypte om God te dienen. God voor wiens aangezicht Abraham en Izaäk gewandeld hadden (Gen.48:15). Maar die verlossing was niet beperkt tot Israël, want reeds bij de verbondssluiting met Abraham lezen we dat er een zegen vóór Abraham is, maar ook dóór Abraham (Rom.4:21-22), dat zijn zij die in Christus Jezus geloven. Buiten Abraham om is er geen zegen! Maar niet alleen het voorrecht verlost te zijn geldt voor ons, maar ook de ‘verplichting’ God te dienen, niet omdat het moet, of om behouden te worden, maar uit liefde voor de verlossing die God in Christus heeft mogelijk gemaakt. Maar er zijn nog twee andere doelen waarvoor het volk Israël en ook wij verlost zijn: ten eerste om Gods liefde te openbaren, en te schijnen voor hen die in de duisternis en schaduw van de dood zitten, en ten tweede om onze voeten te richten op de weg van de vrede’ (1:79), met andere woorden: ‘te wandelen in nieuwheid van het leven’ (Rom.6:4).

De lofzang van de engelen (2:13-14)

God heeft in de mensen welbehagen! God is niet in oorlog met de mensen, maar de mensen zijn in oorlog met God! Ondanks alles wat er is gebeurd in het verleden, heeft God de mens niet opgegeven. En waarom niet? Omdat God zijn hart uitgaat naar het verlorene, zijn schepselen. God wil niet dat er iemand verloren gaat maar dat allen behouden worden (2Petr.3:9) en Hij heeft geen behagen in de dood van de zondaar maar veeleer daarin dat deze zich bekeert en leeft! (Ez.18:23). Het waren onze zonden die scheiding maakten tussen ons en God, daarom heeft God zijn Zoon gezonden, niet opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden (Joh.3:17). We komen die zoekende reddende liefde van God op elke bladzijde van de Bijbel tegen. Al in Genesis 4 lezen dat God Adam en Eva op zoekt: ‘Waar zijt Gij? (Gen.3:9). In de gelijkenissen van de onrechtvaardige landlieden (Mat.21:33-46) lezen we over de pogingen van God om zijn volk te bereiken en ‘tenslotte nu zond Hij tot hen zijn Zoon!’ Zeg zelf: Wat had God nog meer moeten doen, Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard? (Jes.5:4; Rom.8:32). De brief aan de Hebreeën zegt dat ‘God heeft vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken, en heeft nu in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon (Heb.1:1). God geeft niet op want in het laatste boek van het Nieuwe Testament wordt de mens nog opgeroepen om tot Hem te komen: ‘En laat Hij die dorst heeft, komen: laat hij die wil het levenswater nemen om niet!’ ‘Kom, o kom, met al uw noden, vrede wordt u aangeboden.

De lofzang van Simeon (2:29-33)

‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’ waren de woorden van de Heer Jezus gericht aan de Joden (Joh.4:17). De nadruk in deze lofzang ligt op het werk van God. Wat was het werk en het doel daarvan? Het werk was om het Lam van God, de Heer Jezus, in deze wereld in te brengen die de duivel zou verslaan om hen die zouden geloven te bevrijden van de macht van de boze en om ons met God te verzoenen. ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, Hij de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen om ons tot God te brengen’ (1Petr.3:18). In Johannes 17:4 lezen we dat de Heer Jezus zegt: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven.’ En verder lezen we dat het Zijn voedsel was de wil te doen van Hem die Hem had gezonden, en zijn werk volbrengen’ (Joh.4:34). God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was (2Kor.5:18). Dat ‘werk’ leidde de Heer Jezus naar het kruis van Golgotha waar Hij het uit heeft geroepen: ‘Het is volbracht!’

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Misschien vandaag!

Anna

Lukas 2:36-38

Inleiding

Stel je nu eens voor dat Anna die bewuste dag dat de Heer Jezus door zijn ouders naar de tempel werd gebracht, tegen haar gewoonte in thuis was gebleven, dan had ze de mooiste dag van haar leven gemist; de dag waarvan ze al jarenlang had gehoopt om hem mee te mogen maken! Maar gelukkig, ze was trouw in haar dienst voor God, ze had een levende hoop en haar hart was gericht op de komst van de Messias, die ze vol verlangen verwachtte. Zo ging ze dag aan dag naar de tempel en in haar hart zei ze: ‘Misschien vandaag, misschien vandaag!’. En op die dag was het dan zover, haar verwachting werd werkelijkheid; de Messias was daar! Hoe kwam het dat zij, en ook anderen, er zo zeker van was dat de komst van de Messias aanstaande was? Was die komst aangekondigd?

Was de komst van de Messias aangekondigd?

Er waren meer Joodse mensen die de komst van de Messias verwachtten; dat wordt wel duidelijk uit een aantal Schriftplaatsen van het Nieuwe Testament. Ten eerste, Jozef van Arimathea: ‘een man genaamd Jozef, die raadsheer was en een goed en rechtvaardig man (deze had niet ingestemd met hun raad en handelwijze), van Arimathea, een stad van de Joden, die het koninkrijk van God verwachtte’ (Luk.23:50-51). Ook mogen we die verwachting bespeuren bij de Samaritaanse vrouw, toen ze tot de Heer Jezus zei: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus wordt genoemd; wanneer Die is gekomen, zal Hij ons alles verkondigen’ (Joh.4:25). En verder nog Simeon, een man rechtvaardig en godvrezend, die de vertroosting van Israël verwachtte. Hij had een goddelijke aanwijzing ontvangen door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer had gezien’ (Luk.2:25-26). En ten slotte de weduwe Anna, die ‘sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luk.2:38). Aan haar willen we in dit artikel wat meer aandacht geven.

Maar hoe kwamen deze personen erbij om de Messias te verwachten? In zijn Kerkgeschiedenis verwijst Eusebius (270-340 n.Chr.) daarvoor naar Genesis 49 en zegt dat de komst van de Christus niet onverwacht is gekomen. Want doordat Herodus op de troon zat ten tijde van de geboorte van de Heer Jezus, is de profetie in vervulling gegaan die zegt: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10), want Herodus was de eerste vreemdeling die over het Joodse volk regeerde. Zolang de Joden de mogelijkheid hadden om onder hun eigen inheemse heersers te leven, was die voorzegging nog niet uitgekomen; van Mozes’ tijd tot de regering van Augustus hadden zij hun eigen leiders. Tijdens Augustus’ bewind echter kreeg Herodus als eerste vreemdeling uit handen van de Romeinen de regering over het Joodse volk toebedeeld. Omdat de regering over de Joden in vreemde handen was gekomen, moest volgens de profetie degene Die de volken verwachtten spoedig komen; Zijn verschijnen stond a.h.w. voor de deur, want met Herodus was, zoals gezegd, aan de regelmatige en rechtmatige opvolging door eigen inheemse regeerders en vorsten een einde gekomen (Eusebius, Boek Een 1.6-1.4). De ‘Silo’ uit Juda blijkt de grote zoon van David te zijn, die soms zelfs ‘David’ heet: ‘want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Tot zover Eusebius. Maar misschien kenden ze ook de profetie van Daniël (Dan.9:24-27). Want die profetie brengt ons tot de tijd dat ‘een gezalfde (Messias) zal worden uitgeroeid’. Dat houdt in dat zijn komst iets eerder te verwachten was.

Anna was trouw in haar dienst aan God

Veel mensen van het Joodse volk die de tempel bezochten, zullen Anna wel gekend hebben, want zij kwam daar dagelijks. Sommigen kenden haar persoonlijk en spraken met haar over hun gezamenlijke verwachting, de komst van de Messias (Luk.2:36-38). Anna was een arme weduwe die niet in de mogelijkheid geweest zal zijn om de rollen van de profeten aan te schaffen. Mogelijk heeft ze anderen horen spreken over de naderende komst van de Messias. Misschien was een tekst van de profeet Maleachi wel haar favoriet: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:1). En Hij kwam! Op die bewuste dag toen Anna naar haar gewoonte de tempel binnenkwam, zag ze Simeon staan met een echtpaar en een baby. Simeon was luidop God aan het loven: ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël’ (Luk.2:29-32).

De trouw die Anna had getoond in het dagelijks bezoeken van de tempel werd beloond! Ze kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde God (Luk.2:38). Ze zou allerlei redenen kunnen hebben gehad om niet naar de tempel te gaan, bijvoorbeeld haar leeftijd had een excuus kunnen zijn. Ze was al vierentachtig jaar, of zoals andere uitleggers willen, 104 of 105. In ieder geval was ze op hoge leeftijd gekomen, zegt Lukas. ‘Ouderdom komt met gebreken’ zegt een spreekwoord, en ook Anna zal wel moeiten in het lichaam hebben gehad, maar dat was geen reden om niet naar de tempel te gaan. Neen, ‘één ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel’ (Ps.27:4).

Een andere reden om de tempel niet te bezoeken had kunnen zijn dat ze het niet eens was met de dienst zoals die in de praktijk gehouden werd. Anna wist dat de leiders van het volk huurlingen waren en geen herders en dat ze weinig aandacht voor het volk hadden. Was het niet de Heer Jezus die de tempel was binnengegaan en de kooplieden uiteen begon te drijven en tot hen zei: ‘Er staat geschreven: En mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt’ (Luk.19:46). Een rovershol! Maar dat weerhield haar er niet van de tempel te bezoeken, dag aan dag. Ze was een profetes en sommigen zagen uit naar een ontmoeting met haar om woorden van troost te horen. En ze was op de juiste plaats, op het juiste moment!

Anna was gemotiveerd door hoop

Oudere mensen, ook gelovigen, hebben de neiging om in het verleden te gaan leven en te spreken over ‘die goede oude tijd’. Dat zijn mensen die of een grote fantasie hebben of een slecht geheugen! Anna’s ogen waren gericht op de toekomstige dingen. Aan gebeurtenissen uit het verleden kunnen we prettige herinneringen hebben, maar we kunnen niet in het verleden leven, ook al leeft het verleden in ons. Telkens als Anna de tempel bezocht zal ze wellicht gedacht hebben: ‘Misschien vandaag! Misschien vandaag! Gelovigen toen werden gemotiveerd door een baby in een kribbe, wij mogen gemotiveerd zijn door de wederkomst van de Heer. Natuurlijk was de komst van de Heer Jezus als een kind noodzakelijk, want door deel te nemen aan bloed en vlees, met andere woorden door Mens te worden, werd het voor Hem mogelijk om door zijn dood te niet te doen, hem die de macht over de dood had, dat is de duivel (Hebr.2:14). Wij vereren een opgestane Heer, want ‘wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor eenieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond’ (Heb.2:9). We verwachten de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus (Tit.2:13). ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is! (1Joh.3:3).

Anna’s aandacht was gericht op de Heer

Haar hoop werd niet beschaamd. Het wachten duurde lang maar was niet tevergeefs. God was en is altijd op tijd. ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon (Gal.4:4). Jozef en Maria hadden hun offers gebracht en de Heilige Geest leidde Simeon en Anna naar de tempel (Luk.2:27). Er zullen wel veel meer mensen de tempel bezocht hebben, maar Simeon en Anna stonden bij de Heer en verheugden zich dat de beloofde Messias in de wereld was gekomen, om verlossing te bewerken. Simeon mocht de Heiland zelfs in zijn armen nemen. Wat tragisch voor de mensen die die dag ook naar de tempel waren gekomen en de Heer niet opgemerkt hebben! En wij? Beleven wij zijn aanwezigheid in onze samenkomsten? Anna is een goed voorbeeld voor ons om niet alleen met kerst, maar elke dag van het jaar, de Heer voor ogen te hebben. Om dat te beleven is het niet nodig naar een of ander religieus gebouw te gaan. Natuurlijk is het niet meer dan normaal om regelmatig met andere gelovigen God groot te maken in de onderlinge samenkomst (Heb.10:23), maar elke dag zouden we tijd moeten vrijmaken om bij Hem te zijn om de dag met Hem te beginnen (Mark.3:14). Het mag geen verschil maken hoe we ons voelen of wat ons bezighoudt, maar laten we altijd God prijzen voor zijn genade! ‘Here, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens leg ik het U voor, en zie uit’ (Ps.5:4).

Anna deed haar naam eer aan

Anna’s naam betekent ‘genade’. Ondanks haar ouderdom en ongetwijfeld daarmee gepaard gaande lichamelijke bezwaren, ontving ze genade om met vasten en bidden haar geloof tot uitdrukking te brengen. ‘Geestelijke’ oefeningen zijn belangrijk om ons sterk te maken en in goede conditie te houden, vooral als we ouder worden. De apostel Paulus zou vele jaren later aan Timotheüs schrijven dat ‘de oefening van het lichaam van weinig nut is, doch dat de godsvrucht nuttig is tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toekomst’ (1Tim.4:8). Wat de apostel Johannes bij zijn vriend Gaius wenste te zien, zou ook ons verlangen moeten zijn. ‘Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’ (3Joh:2). In Anna werd Gods kracht zichtbaar, want zijn genade was haar genoeg (2Kor.)! Anna kon instemmen met de apostel Paulus en zeggen: ‘Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest’ (1Kor.15:10).

Anna was ook een dankbaar iemand. Als je haar zou hebben gevraagd hoe het met haar ging en hoe ze zich voelde, zou je verwacht hebben dat ze een uitvoerig verslag zou geven van haar fysieke toestand, zoals dat vaak met oude mensen het geval is. Maar in plaats daarvan prijst ze de Heer voor zijn goedheid. Ze zou nooit weten wat de apostel Paulus later zou schrijven in 1Thes.5:16 ‘Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u’. Maar ze kende die blijdschap toen al! Wij verdienen geen genade en kunnen ze niet kopen, we kunnen ze slechts ontvangen en God ervoor danken.

Anna was een getuige

Je hoort de mensen weleens zeggen dat kerst een feest is voor kinderen. Maar kijk eens naar die groep mensen in de tempel en je weet beter. We zien Jozef en Maria, Simeon, Anna en de Heer Jezus, degene waar het allemaal om ging! Hij was het middelpunt van hun verlangen, blijdschap en verering. Maria was een teenager, Jozef was twee keer zo oud als zij, Simeon en Anna waren al op hoge leeftijd. Toen de Heer Jezus geboren werd, zagen we alleen maar volwassen mensen. En tegen die mensen getuigde Anna ‘en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luk.2:38). Waar spreekt u over met de mensen die u omringen? Bent u ook overtuigd van de wederkomst van de Heer Jezus en is uw hoop daarop gevestigd? Nee, we hebben geen tijdsaanduiding van zijn komst dan alleen: ‘Misschien vandaag!’

Anna leefde aan het einde van de periode van Gods handelen die werd afgesloten door de komst van de Messias en ik ben ervan overtuigd dat wij in een soortgelijk tijdperk leven. De tekenen wijzen in de richting dat de komst van de Heer Jezus niet meer veraf kan zijn. Mag ik een paar van die aanwijzingen noemen? Het ontstaan van de staat Israël in 1948, het ontstaan van de Europese Unie (een mogelijk hersteld Romeins Rijk), het brengen van Oost-Jeruzalem onder Israëlisch bestuur in 1967 (het einde van de tijden der volkeren?), het ontstaan van een groot aantal Messias-belijdende gemeenten in Israël sinds 1967 en het verval van het christendom, vooral in West-Europa. Mijn hoop is gericht op de komst van de Heer Jezus en ik leef in die verwachting gelijk een Anna in haar tijd. En u?

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen!

Lukas 2:21–38

‘Weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten’

 

Wat zijn uw verwachtingen? Verwacht u de komst van de Heer Jezus? En bent u dan ook ‘gelijk aan mensen die op hun heer wachten, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen?’ (Luk.12:36). Ik geloof dat wij in een wereld leven die vergelijkbaar is met de wereld van toen, zo’n tweeduizend jaar geleden. Het volk van God, Israël, in verval en onder het gezag van de Romeinen. Het was ‘vrede op aarde’ door de Pax Romana, maar het was een schijnvrede. En wat maar aan weinigen bekend was, het was een wereld die aan de vooravond stond van de komst van de Zoon des Mensen. Het Koninkrijk was nabij!

En toch hadden ze kunnen weten dat de komst van de Messias niet meer lang op zich zou laten wachten! Het volk Israël had immers het ‘profetisch Woord’ ter beschikking, waarin de komst van de Messias te voren werd aangegeven? Petrus zegt het als volgt: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna’ (1Petr.1:10-11). Uit de bekende profetieën van Daniël had men nauwkeurig de tijd kunnen berekenen ‘wanneer een Gezalfde (Messias) zou worden uitgeroeid' (Dan.9:24-26). De 70 jaarweken beslaan een periode van 490 jaar. Negenenzestig jaarweken zijn 483 jaar gerekend vanaf 445 v.Chr.; 69 weken x 7 = 483 jaren. Wat ons dan bij het jaar 38 n.Chr. brengt. We weten dat de Heer Jezus geboren is ongeveer 5 v.Chr. De laatste jaarweek (zeven jaar) vindt dan haar vervulling in de eindtijd.

Het tijdstip van de geboorte kon men wel niet bepalen, maar wel de plaats waar de Messias geboren zou worden. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (Mi.5:1). Toch had het volk Israël zich niet opgemaakt voor de ontmoeting met zijn Messias. ‘Bereid u om uw God te ontmoeten, o Israël’ (Am.4:12).

En toch… waren er enkelen onder het volk die wel de ‘vertroosting van Israël’ verwachtten! We denken maar aan Jozef van Arimathea, die ook zelf het koninkrijk van God verwachtte (Mark.15:43). De Samaritaanse vrouw, die tegen Jezus zei: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt (Joh.4:25). Johannes de Doper; die twijfelde echter aan de juistheid van zijn verwachting en liet vragen: ‘Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten? (Mat.11:3), en Simeon en Anna, die een persoonlijke ontmoeting hebben gehad met de Heiland der wereld waarvan we lezen in Lukas 2. We lezen daar over drie ‘ontmoetingen’.

1. Ontmoeting met ‘Mozes’ (2:21-24)

De eerste ontmoeting in Lukas 2 is die met Mozes in de betekenis van het voldoen aan de verplichtingen van ‘de Wet’. Jezus was geboren onder de wet (Gal.4:4) en moest daarom besneden worden op de achtste dag. ’Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten’ (Gen.19:9-12). 'En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen’ (Luk.2:21). De naam Jezus betekend ‘de Heer brengt redding’.

Maar er was nog een verplichting betreffende de wet van Mozes en die betrof Maria: zij moest gereinigd worden (en niet Jezus, zoals sommigen onterecht beweren). ‘Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. Drieëndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn’ (Lev.12:2-4). Tussen vers 21 en 22-24 ligt dus een periode van 33 dagen.

Maar er was een derde ‘ontmoeting’ met betrekking tot de wet van Mozes. ‘En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here (Ex.13:2, 12, 15).

De vierde en laatste ‘ontmoeting’ met de wet van Mozes was dat Maria een offer moest brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven (Lev.12:1-8). Maria en Jozef waren te arm om een lam als offer te brengen, terwijl Jezus zelf het Lam was!

2. Ontmoeting met Simeon (2:25-35)

Simeon zijn naam betekent ‘verhoring’ en dat komt helemaal overeen met wat we van hem lezen in dit evangelie, zijn gebed werd letterlijk verhoord want hij had een goddelijke aanwijzing ontvangen dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer had gezien. De heilige Geest staat centraal in dit gedeelte. De heilige Geest was op hem, hij had door de Geest een aanwijzing ontvangen en hij kwam door (in de kracht van) de Geest in de tempel juist op het tijdstip dat Jozef en Maria binnenkwamen. Toeval? Wat een geweldige beschrijving krijgen we nog van hem: ‘deze man was rechtvaardig en godvrezend en hij verwachtte de vertroosting van Israël.' Hij was er dus helemaal klaar voor om de Christus, de Heer, te ontmoeten! ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1Joh.3:3).

Simeon had een bijzonder inzicht van Wie er ging komen, let maar eens op de verschillende wijzen waarmee hij de Christus benoemt. ‘De vertroosting van Israel, de Christus, uw behoudenis, een licht tot openbaring, heerlijkheid voor uw volk Israël, een teken’. In de verzen 29-33 beschrijft hij de Here Jezus en het doel waarvoor Hij gekomen was. ‘mijn ogen hebben uw behoudenis gezien’ (vs.30), ‘een licht tot openbaring voor de volkeren (vs.32) en ‘tot heerlijkheid voor uw volk Israël' (vs.32)

In de verzen 34-35 spreekt hij profetisch over het werk van de Heiland en wat dat teweeg zou brengen bij de mensen en heel speciaal bij Maria. De profetie (2:34-35) heeft drie elementen: (1) Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en (2) tot een teken, dat weersproken wordt – en (3) door uw (Maria) eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.

Simeon kon in vrede heengaan want zijn ogen hadden Gods behoudenis gezien. Hij heeft de Heer Jezus in zijn armen mogen nemen en we mogen geloven dat hij nu ‘veilig is in Jezus' armen, veilig aan Jezus’ hart!’ Ik zou wensen dat ieder mens Jezus zou mogen ‘zien’ voordat hij of zij sterft!

3. Ontmoeting met Anna (2:36-38)

Anna haar naam betekende ‘genade’. Al vroeg weduwe geworden en daardoor het leven in zijn volheid geproefd, was ze toch niet bitter geworden, maar beter. Zij is een voorbeeld voor allen die tegenslag in hun leven hebben, maar ook voor oudere gelovigen die denken niets voor God te kunnen betekenen wanneer ze op leeftijd zijn gekomen (Ps.92:15). En nu ze vierentachtig jaar oud is (!), lezen we nog zov eel geweldige dingen over haar. Kwam Simeon geleid door de Geest in de tempel, Anna was er thuis, ze week niet uit de tempel. ‘Wist u niet dat Ik in de dingen van mijn Vader moet zijn?’, liet de Heer Jezus zijn ouders weten (Luk.2:49). En Anna was volop bezig in de dingen van de Heer met vasten en bidden, dag en nacht. Dat was haar dienst aan God (Romeinen 12:1). Evenals de herders kon ook Anna niet zwijgen over alles wat ze gehoord en gezien had (Luk.2:20,38). Anna sprak waar haar hart van vol was en daarvan liep haar mond over. Ook hier zien we dat er nog meer mensen van het volk in de verwachting leefden van de komst van de Messias. Er wordt gesproken over ‘allen die de verlossing van Jeruzalem verwachtten’. Zoals geschreven staat in Jesaja: ‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de HERE naar Sion wederkeert. Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de HERE heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. De HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God’ (52:7-10).

Besluit.

‘Wij hebben de Heer gezien’ (ná zijn opstanding) hadden de discipelen tegen Thomas gezegd (Joh.20:25). Simeon en Anna hadden de Heer Jezus gezien en later vele anderen. Johannes zegt: ‘wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14).

VeeL anderen hadden de wens om Jezus te zien: ‘Er waren enige Grieken onder hen, die opgingen om op het feest te aanbidden: dezen dan gingen tot Filippus, die van Betsaïda in Galilea was, en vroegen hem en zeiden: Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’ (Joh.12:20-21). Ik hoop dat u ook behoort bij die mensen die Jezus hebben ‘gezien’ of de wens hebben om Jezus te ‘zien’.

Ik spreek de hoop uit dat u ook behoort tot die gelovigen die uitzien naar de komst van de Heer Jezus in heerlijkheid en dat u ooggetuigen wordt van zijn Majesteit! (2Petr.1:16)

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Kracht voor de reis. 

Lukas 3 en 4

Inleiding

Dat de Heilige Geest een belangrijke plaats innam in het leven van de Heer Jezus blijkt duidelijk uit de diverse gedeelten in Lukas 3 en 4. De invloed van de Heilige Geest in het leven en de werken van de Heer Jezus is van grote betekenis geweest, en mag dienen als een voorbeeld voor ons.

De ‘wapenen’ die de Heer Jezus gebruikte tijdens de verzoeking in de woestijn – het gebed, het Woord van God en de Heilige Geest – zijn dezelfde als die ook ons ter beschikking staan. Laten we nu de vier vermeldingen over de Heilige Geest in Lukas 3 en 4 onderzoeken, want het onderwijs dat we hierover ontvangen kan bijzonder nuttig voor ons zijn.

1. Ontvangen van de Heilige Geest (Luk.3:21-22)

‘Het gebeurde nu, terwijl Apollos in Korinthe was, dat Paulus, na de hoger gelegen streken doorreisd te hebben, in Efeze kwam en er enige discipelen vond; en hij zei tot hen: Hebt u wel de Heilige Geest ontvangen, toen u tot geloof kwam? Zij echter zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of de Heilige Geest er is’ (Hand.19:1-2).

Een aantal jaren geleden, tijdens één van mijn vele reizen naar Roemenië in de jaren negentig, kwam ik weer eens bij vrienden op bezoek met mijn onlangs nieuw gekochte auto. In tegenstelling tot mijzelf, hadden die een grote interesse voor auto’s en vroegen mij: ‘En wat voor een motor heeft hij’ Waarop ik tot hun verbazing antwoordde: ‘Ik weet niet eens of er een motor in zit!’ (Ik had namelijk nog nooit onder de motorkap gekeken!)

Veel gelovigen die tot bekering zijn gekomen en de Heer Jezus als hun Heiland kennen, hebben vaak door gebrek aan onderwijs maar weinig besef van de inwoning van de Heilige Geest; ze weten vaak niet dat hun lichaam een tempel is van de Heilige Geest. Datzelfde gebrek komen we ook tegen bij de gelovigen van de gemeente in Korinthe, aan wie de apostel Paulus schrijft: ‘Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?’ (1Kor.6:19). Vond Paulus het zo belangrijk dat ze zouden weten dat de Heilige Geest in hen woonde? Het was van grote praktische betekenis, zoals uit het vervolg blijkt: ‘Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!’ (1Kor.6:20). Of zoals Paulus het van zichzelf zegt, ‘dat Christus wordt grootgemaakt in mijn lichaam’ (Fil.1:20).

2. Vol van de Heilige Geest (Luk.4:1)

‘Jezus nu, vol van de Heilige Geest…’ Zó ging de Heer Jezus de woestijn in voor de confrontatie met de duivel! Deze wereld wordt door christenen wel vergeleken met een woestijn, en dat is hij ook. Een woestijn is vol gevaren en begaanbare paden zijn er vaak niet, dus is het kennen van Gods wil en weg nodig. De inwoning van de Heilige Geest hebben houdt niet automatisch in dat een gelovige ook met de Heilige Geest vervuld is! Dat blijkt uit wat Paulus aan de gelovigen in Efeze schrijft: ‘En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest’ (Ef.5:18) ‘Vervuld zijn’ met de Heilige Geest heeft als doel dat de Efeziërs, maar ook wij, ‘tot elkaar zouden spreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer.’ (Ef.5:19). Maar dat is niet alles, want wat er in vers 18 voorafgaat, leert ons ook dat de ‘vervulling’ ertoe dient dat wij Gods wil zouden verstaan opdat wij als wijzen zouden wandelen en niet als onwijzen (Ef.5:16,17). Paulus en Timotheüs hielden niet op voor de gelovigen in Kolosse te bidden dat ze ‘vervuld zouden worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Heer waardig te wandelen tot al zijn welbehagen.’ (Kol.1:9,10)

Gelet op het voorgaande mag het duidelijk zijn dat ook voor ons de opdracht ‘wordt vervuld met de Geest’ van grote betekenis is.

3. Leiding door de Heilige Geest (Luk.4 :1)

Het volgende waar onze aandacht op gevestigd wordt, is de vermelding dat de Heer Jezus ‘door de Geest geleid werd in de woestijn.’ Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament vinden we voorbeelden van leiding van gelovigen of het volk van God als geheel. Vrijwel onmiddellijk denken we dan aan de wolkkolom en vuurkolom (Sjechina) die voor het volk Israël uitging (Ex.13:21v.; Num.9:17-21).

Asaf zegt in Ps. 78:14: ‘Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht.’ Ik heb onlangs deze beschrijving daarover gelezen: ‘Leiden’ is niet gewoon ‘de weg wijzen’. Dat is wat een wegwijzer doet, die tegelijk zelf op zijn eigen plek blijft staan. Nee, de Sjechina c.q. Geest is een Aanvoerder, Een die de weg wijst en tevens zelf meegaat, ja, vooropgaat, en die zijn reisgenoten de kracht tot de reis geeft.

Een nieuwtestamentisch voorbeeld van leiding van God in het leven van een gelovige vinden we onder andere in Handelingen 16:6vv., waar we over het zoeken van Gods wil lezen door de apostel Paulus wanneer hij tot twee keer toe verhinderd werd om het Woord in Asia en Bitynië te verkondigen. ’s Nachts krijgt Paulus dan een gezicht, een Macedonisch man stond daar en smeekte hem: ‘Kom over naar Macedonië en help ons.’ Paulus en zijn medereizigers maakten daaruit op dat God hen had geroepen om in Macedonië het evangelie te verkondigen.

Betrekkelijk gemakkelijk zult u zeggen, maar in mijn leven ervaar ik dat niet op die wijze! Heeft u de Heilige Geest ontvangen? Bent u vol van de Heilige Geest? Dan mag u weten dat Diezelfde Geest ook ú wil leiden, zoals vroeger het volk Israël en de apostel Paulus! ‘Want allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods’ (Rom.8:14). 

4. Kracht van de Heilige Geest (Luk.4:14)

De Heilige Geest is zowel een Persoon als een kracht. Meerdere teksten in de Bijbel maken ons duidelijk dat het om twee verschillende zaken gaat. In de context van dit artikel willen we aandacht besteden aan de Heilige Geest als kracht. Van de Heer Jezus lezen we dat Hij was ‘gezalfd met de Heilige Geest en met kracht’ (Hand. 10:38). Na zijn terugkeer uit de woestijn lezen we: ‘En Jezus keerde in de kracht van de Geest terug naar Galilea’ (Luk.4:14) . Ook wij hebben die kracht nodig voor onze verdere reis. Op een dieptepunt in het leven van de profeet Elia ontving hij bezoek van een engel die hem koeken en water bracht. Nadat Elia gegeten en gedronken had, legde hij zich weer neer, maar de engel raakte hem voor de tweede keer aan en zei: ‘Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn.’ ‘Toen stond Elia op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods’ Horeb’ (1 Kon.19:1-8). Als wij ons niet voeden met Gods Woord en wandelen in de kracht van de Geest kan het gevaar bestaan dat voor ons de reis ook te lang zal zijn en dat we de eindstreep niet halen!

Paulus kon zeggen: ‘Ik vermag alle dingen door Hem die mij kracht geeft’ (Fil.4:13). Die kracht hebben we allen nodig; kracht om te strijden, en om uit en in te gaan, hoe lang de reis ook duurt en hoe oud we ook worden! (Joz.14:11, 12).

Die kracht heeft de Heer Jezus ook beloofd aan hen die Hem zouden volgen: ‘Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult mijn getuigen zijn’ (Hand.1:8)

5. Zalving met de heilige Geest. (Luk.4:18)

Hier ligt de nadruk op de dienst die de Heer Jezus gaat vervullen. Merk de logische volgorde op die Lukas ons laat zien. Ten eerste het ontvangen van de Geest, daarna de verzoeking in de woestijn waarin de Heer Jezus liet zien dat Hij de Zoon van God was en trouw was aan God, en dan nu zijn definitieve aanvang van zijn dienst. Zou Petrus hieraan gedacht hebben toen hij de woorden vermeld in Handelingen 10:34–43 uitsprak? ‘De Heer Jezus was de Christus – Gezalfde!'

Tenslotte

‘Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, liefde en van bezonnenheid’ (2Tim.1:7). Kent u die kracht?

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

De verwerping van de Heer Jezus

Lukas 4:16-30

Inleiding.

Na zijn ‘dienst’ in het verborgene, thuis (Luk.2:40,52) en in de woestijn, vinden we hier de Heer Jezus in de synagoge, een optreden in het openbaar. Na de verzoeking in de woestijn lezen we dat ‘Hij leerde in hun synagogen, en door allen geëerd werd’ (Luk.4:15). Dat laatste bleek echter niet het geval in de synagoge van Nazareth, de plaats waar Hij was opgevoed! Dat geen enkele profeet aangenaam is in zijn vaderstad, moest ook de Heer Jezus helaas ervaren (vs.24). Later lezen we in het evangelie naar Lukas, dat de Heer Jezus dagelijks in de tempel leerde en dat al het volk aan zijn lippen hing als het Hem hoorde (Luk.19:48; Mark.12:37). De reactie die Jezus’ boodschap opwekte bij de overpriesters en de schriftgeleerden was daaraan echter totaal tegengesteld, herhaaldelijk lezen we in de Evangelieën: ‘Dat zij Hem trachtten om te brengen’ (Luk.19:47; 20:19; 22:2). Een vijandige houding die ook de apostel Paulus in zijn dienst herhaaldelijk heeft ervaren (1Thes.2:14-16; Hand.17:5). Hoe dan ook, het was sabbat en de Heer Jezus ging naar zijn gewoonte naar de synagoge (4:16). Een voorbeeld om na volgen (Heb.10:25). Als rondreizende prediker was de Heer Jezus bekend en dus werd Hem de gelegenheid gegeven om de schriftlezing te doen. Dit gebruik vinden we ook als de apostel Paulus de joden in de synagoge in Antiochië bezoekt. We lezen daar: ‘En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan’ (Hand.13:1; 18:24-26). Je vraagt je wel eens af met voor verwachting de Heer Jezus die dag naar de synagoge ging. Hij had in andere synagogen geleerd en werd door allen geëerd (4:15), maar hier in de stad waar Hij was opgevoed?

De tekst.

In de synagoge had men, wat we zouden kunnen noemen een soort leesrooster, en het voorgeschreven gedeelte uit het boek Jesaja was op die bewuste sabbat aan de beurt. Het zal dus wel geen toeval zijn geweest dat de Heer Jezus deze tekst mocht lezen, eerder de wil van God. Zo konden geestelijke leiders later niet beweren dat hij bewust die tekst had opgezocht. De tijd van vragen stellen door de Heer Jezus was voorbij (Luk.2:46) en de tijd dat Hij met gezag leerde was aangebroken (Luk.4:32). De Heer Jezus las: ‘De Geest van de Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen; Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken het aangename jaar van de Heer’ (Luk.418; Jes.61:1-2). De joodse rabbijnen pasten deze tekst terecht toe op de komende Messias, en de bezoekers in de synagoge waren daarvan op de hoogte. De vermelding van ‘het aangename jaar des Heren’ duidt op het zogenaamde ‘jubeljaar’. Iedere zevende jaar was een ‘sabbatsjaar’ voor het volk, opdat het land zou rusten; en iedere vijftigste jaar (ná zeven sabbatsjaren) werd een jubeljaar genoemd. Het was een jaar dat ieder van het volk zijn bezittingen zou terugkrijgen, bezittingen die waren verkocht kwamen weer in het bezit van hun oorspronkelijke eigenaren, en alle schulden werden kwijtgescholden. Het land mocht niet bebouwd worden. (Lev.25:1-13). Wat de Heer Jezus niet las waren de laatste woorden van de tekst uit Jesaja, want die eindigden als volgt: ‘En een dag der wrake van onze God’.

De uitleg

Toen de Heer Jezus, na de lezing ging zitten om de tekst die Hij had voorgelezen wilde uitleggen, waren alle ogen op Hem gericht. De Heer viel als het ware met de deur in huis toen Hij de tekst op Zichzelf toepaste: ‘Heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld’, met andere woorden: Ik ben de Messias! De Heer Jezus had, voordat hij deze woorden in de woorden voorlas, uitlegde en op Hemzelf toepaste al geruime tijd gepredikt in de ‘hele streek en in hun synagogen. Hij was dus gekend en geëerd en geen onbekende en zeker in zijn vaderstad niet! Uitgaande van de tekst verkondigde de Heer Jezus drie dingen: (1) dat de Schrift in Hem tot vervulling was gekomen, Hij was het die gezalfd door de Geest geroepen was aan armen het Evangelie te verkondigen en herstel te brengen waar nodig. Die woorden werden ondersteund door ‘de tekenen van het koninkrijk’, waarnaar de Heer Jezus verwees toen Johannes de doper Hem vroeg: ‘Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie’ (Mat.11:2-5; zie ook: Jes.29:18, 32:1-3, 35:5, 42:16-18). (2) dat het Jubeljaar was begonnen, het aangename jaar van de Heer, dat zoals hierboven vermeld, verwees naar de rust die God het volk had beloofd. (3) Dat dit voorrecht en zegen kwam door de genade die God bewees, aan het volk Israël maar ook de volkeren, die ook zouden delen in de genade van God. Een genade voor de volkeren, die zo vaak over het hoofd wordt gezien, maar zo prachtig wordt beschreven in Psalm 67.

De reactie

De ‘woorden van genade’ die uit Jezus’ mond kwamen (Ps.45:3) konden de aanwezigen niet overtuigen, hoe zeer ze zich er ook over verwonderden. Hij, Jezus de beloofde Messias, is hij niet de zoon van Jozef, de timmerman? De Heer Jezus snijdt hun als het ware de pas af door te verwijzen naar de gebeurtenissen die in Kapernaüm waren gebeurd, waar de Heer Jezus met zijn moeder, broers en discipelen hadden verbleven (Mat.4:13; Joh.2:12). Wat was daar dan gebeurd, dat ook in Nazareth moest gebeuren? In Kapernaüm had de Heer de o.a. de knecht van een hoofdman genezen van zijn verlamming (Mat.7:5vv.; Joh.4:43-54), de schoonmoeder van Petrus genezen en de geesten van bezetenen uitgedreven, alle lijdenden genezen (Mat.8:14-17). Wel, deze dingen moest Jezus ook maar eens doen in zijn vaderstad, bewijs je hier ook maar eens, dan zouden wellicht hun opinie over Hem wijzigen! Het tegendeel bleek echter waar, zoals we nog zullen zien! Dat ‘een profeet in zijn eigen vaderstad niet geëerd wordt bleek niet alleen uit de verwerping van de Heer Jezus, maar ook het Oude Testament geeft daarvan getuigenis en wel door de profeten Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Micha en Amos (Mat.23:34). De verwerping van de Heer Jezus die hier een aanvang nam resulteerde in de totale afwijzing door het gehele volk Israël, bij monde van de overpriesters. ‘Wij willen niet dat Deze koning over ons wordt, wij hebben geen koning dan de keizer (Joh.19:16), waardoor ze verwezen Jezus naar het kruis verwezen. 

De genade van God

De twee gebeurtenissen uit het leven van de profeet Elia en Elisa, waarnaar de Heer Jezus verwijst, zijn in eigenlijk al een vooruitblik en een aanwijzing van wat na zijn sterven, opstanding en hemelvaart zou plaatsvinden, namelijk de verkondiging van het Evangelie aan alle volken (Mat.28:19). ‘Door hun (Israëls) overtreding is de behoudenis tot de volken gekomen’ (Rom.11:11) Zij (de farizeeën en wetgeleerden) hebben de raad van God voor zichzelf terzijde gesteld (Luk.7:30). ‘De genade van God, heilbrengend voor alle mensen is verschenen’ (Tit.2:11). Zoals al gezegd wordt deze waarheid en verandering van Gods handelen, door de Heer Jezus geïllustreerd in de zending van de profeet Elia naar de weduwe in Sarepta bij Sidon (1Kon.17) en de bemiddeling in de genezing van de legeroverste Naäman van zijn melaatsheid 2Kon.5). Beiden, de weduwe en Naäman, behoorden niet tot het volk Israël en konden nergens aanspraak op maken; ze hadden geen deel aan de verbonden die God met het volk Israël gesloten had. Zij behoorden tot de volken die God, na de roeping van Abraham (Gen.12:1), op hun eigen wegen had laten gaan (Hand.14:16). Dat het heil ook voor de volken was, was ongezien en het is daarom dan ook de reden dat door de prediking van de apostel Petrus, de gelovigen uit de volken buiten zichzelf waren dat de gave van de Heilige Geest ook op de volken werd uitgestort (Hand.10:45, 11:18, 13:48, 14:27).

De verwerping

Was het eerst een afwijzende houding die de bezoekers van de synagoge toonden, wat er nu volgt gaat verder, het is de verwerping van de Heer Jezus! Dat genade werd betoond aan de volkeren was er te veel aan! Zij toch waren het uitverkoren volk! Nu begrijpen we ook waarom Jona weigerde om naar Nineve te gaan om hen het oordeel aan te kondigen. Toch zouden de Joden als uitverkoren volk, de volkeren tot jaloersheid hebben moeten wekken, maar het tegenovergestelde was waar, en dat verwijt de Heer Jezus hen: ‘Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen’ (Mat.23:13). Dat de toorn van de mens Gods gerechtigheid niet bewerkt (Jak.1:20) wordt hier wel duidelijk. ‘Ze werden met toorn vervuld, stonden op en wierpen Hem de stad uit, maar dat was blijkbaar nog niet voldoende want ze wilden Hem van de steilte afwerpen! Maar de Heer Jezus ging midden tussen hen door en vertrok, zijn uur was nog niet gekomen (Joh.7:30; 8:20), dat ‘uur’ was door de Vader bepaald! ‘Vóór het feest van het Pascha nu, heeft Jezus, die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader, en die de zijnen, die in de wereld waren had liefgehad, hen had liefgehad tot het einde’ (Joh.13:1, 12:23, 17:1). De verwerping die hier gebeurde is later, toen de apostelen uitgingen om het Evangelie te verkondigen aan de Joden, veel vaker voorgekomen. Het was één van de grootste klachten van de apostel Paulus (bv. 1Thes.2:14-16). ‘Wie u hoort, hoort Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem die Mij heeft gezonden’ (Luk.10:16). ‘Het aangename jaar van de Heer’ (4:19), zou worden ‘Een dag van de wraak van God’ (Jes.61:2).

__________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Vragen bij discipelschap

Lucas 5:1-11

Inleiding. 

Het zou voor Simon (hierna: Petrus) één van de gedenkwaardigste dagen van zijn leven blijven, toen hij aan het meer van Gennézareth door de Heer Jezus werd geroepen als ‘visser van mensen.’ Die dag, toen de Heer Jezus bij hem in boot stapte, zal Petrus de draagwijdte daarvan niet begrepen hebben. Het zou echter een dag worden om nooit te vergeten! De Heer Jezus wilde Petrus testen voor zijn nieuwe taak, en we kunnen op z’n minst vier vragen stellen bij de gebeurtenissen hier beschreven, en ons antwoord daarop zal duidelijk maken of wij (voor-)bereid zijn om de Heer Jezus te volgen.

Hoe ga ik om met teleurstelling?

De discipelen hadden de hele nacht gevist en niets gevangen, dat moet een grote teleurstelling voor hen zijn geweest. Alle moeite voor niets! Maar toch gaven ze niet op, want we zien dat ze bezig waren de netten te spoelen om zich voor te bereiden voor de volgende vangst. Ik ben geen visser en ook geen ‘nachtmens’, maar als ik de hele nacht had gevist en niets gevangen, dan zou ik mijn netten niet hebben gespoeld, maar zou ze verkocht hebben! Maar echte vissers geven niet zo gauw op, en dat kan een reden zijn dat er ten minste zeven discipelen vissers waren. U bent misschien ook wel eens gaan ‘vissen’ zonder iets te vangen. Ik bedoel, u hebt misschien ook wel eens pogingen ondernomen om mensen voor het evangelie te ‘vangen’, en ondanks veel inspanningen geen resultaat gezien. Als je Gods Woord onderzoekt zal je tot de ontdekking komen dat je niet de enige bent die teleurstellingen heeft gekend in zijn dienst voor God (Elia – 2Kn19). Maar toch was deze teleurstelling voor Petrus de weg naar succes! Hij had geen controle over de vis in de zee, maar wel over zijn vertrouwen en de vastberadenheid van zijn eigen hart. Soms is het je eigen schuld dat je niets vangt, soms de schuld van anderen, maar hier maakt het deel uit van Gods plan! Zoals de Heer Jezus macht heeft om geen vissen in het net te laten komen, heeft Hij ook de macht om dat wél te doen. Petrus zou ondervinden dat succes heel dichtbij lag, dus geef niet te gauw op! Hij was geslaagd voor de eerste test: hij gaf niet op!

Hoe ga ik om met gezag?

Petrus had er geen bezwaar tegen dat de Heer Jezus in zijn boot kwam om de massa toe te spreken. De Heer nam het gezag van Petrus over en vroeg hem iets van het land af te varen, en terwijl Hij zat, leerde Hij de menigten. Zo moest ook Petrus luisteren naar Gods boodschap; en als je Gods Woord hoort, kan dat geloof in je bewerken (Rom.10:17). De uitdaging volgt onmiddellijk wanneer de Heer Jezus Petrus beveelt: “Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst” (5:4).  Welk recht heeft Jezus om bezit te nemen op het meest waardevolle van een visser, zijn netten? Eerst vroeg Jezus om zijn boot, daarna zijn netten, en wat zou nog volgen? De Heer wilde de visser!

Het zal niet gemakkelijk voor Petrus geweest zijn om als ervaren visser te gehoorzamen aan een timmerman! Maar de reactie van Petrus op het bevel van de Heer Jezus toont zijn vertrouwen in Hem. “Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen.” Het ging helemaal tegen zijn gevoelens en vakmanschap in, maar hij gehoorzaamt. Iemand heeft eens gezegd, ik citeer: ‘Echt geloof betekent gehoorzaamheid aan God, ongeacht de gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!’

God beloont geloof, geloof dat zich openbaart door gehoorzaamheid. De sleutel van een succesvol christelijk leven is gehoorzaamheid aan Gods Woord. We lezen dan ook: “En toen zij dit hadden gedaan, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden” (5:6). Petrus slaagde voor de tweede test en dat brengt ons tot de volgende vraag: Hoe gaan we om met succes?

Hoe ga ik om met succes?

Het eerste wat Petrus deed was ‘zijn’ succes met anderen delen (5:7). God zegent ons, niet om die zegen voor ons te houden, maar om die te delen met anderen. 'Ik zal jou zegenen' had God tegen Abraham gezegd, 'en jij zult tot een zegen zijn' (Gen.12:2). 'Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen' (Hand.20:35).

Maar er was nog een tweede reactie van Petrus! Hij werd nederig door Gods zegen! Het was een grote beproeving voor Petrus om vanuit zijn boot naar de mensen te roepen: ‘Kijk eens wat ik gedaan heb! Ik ben een succesvol man!’ Maar in plaats daarvan valt hij aan de knieën van de Heer Jezus en zegt: “Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens” (5:8). Als je zó met succes kunt  omgaan, zal teleurstelling je niet ontmoedigen. Maar als succes je hoogmoedig maakt, zal teleurstelling je ontmoedigen en misschien ervoor zorgen dat je eronderdoor gaat. Voor Paulus bestond ook het gevaar dat succes hem hoogmoedig zou maken en daarom, zegt Paulus: ‘is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven” (2 Kor.12:7).

Gelukkig heeft de Heer Jezus niet gedaan wat Petrus Hem vroeg 'Heer, ga uit van mij!’ Hij had een plan met Petrus en wilde het tegenovergestelde bereiken, namelijk dat Christus in Petrus’ leven de eerste en de enige plaats zou krijgen. Zó zou Petrus tot een zegen kunnen zijn, en is dat ook geweest, voor velen.

Petrus was geslaagd voor de derde test: Hij wist om te gaan met succes.

Hoe ga ik om met onevenwichtigheid?

Petrus had door dit wonder ondervonden, dat alles wat hij bezat aan ervaring en bekwaamheid niet voldoende was om succes te hebben. Hij moest opnieuw beginnen en leren dat hij ‘zonder Hem niets kon doen’ (Joh.15:5). Daardoor zou Petrus onzeker kunnen worden, en om die reden waren de hier opgedane lessen een goede basis voor de tijd die ging komen, wanneer hij als ‘visser van mensen’ de Heer ging dienen (Hand.2). Teleurstelling en succes wisselen elkaar af in het leven, en de vraag is, welke reacties dat bij mij teweegbrengt? Word ik als ‘een golf van de zee, heen en weer geslingerd door mijn gevoelens en emoties, of blijf ik ‘een rots, rustig te midden van de golven'?

We moeten ervoor zorgen dat we ‘geen verdeeld hart’ hebben (Mat.6:19-22) en geen ‘twee heren dienen’ (Mat.6:24), maar dat we “zien op Jezus, de overste leidsman en voleinder van het geloof. Want let op Hem die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt” (Hebr.12:2, 3).

De Heer Jezus riep Petrus, en ook ons, tot een leven van geloof in Hem. Dat betekent dat Hij voor ons voorgaat en de weg bereidt (Ef.2:10). Het geloofsleven is geen ‘sprong in het duister’, omdat we Hem volgen die ‘het Licht van de wereld is’ (Joh.8:12). We worden geleid door het Woord van God, dat een lamp voor onze voeten is en een licht op ons pad (Ps.119:105).

Petrus slaagde voor de vierde test: hij verliet alles en volgde Hem. Durft u de uitdaging aan? 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

‘Lessen uit de verheerlijking op de berg’

Lukas 9:28-36

Inleiding

Hoofdstuk 9 begint met de uitzending van de twaalf discipelen om het koninkrijk van God te prediken, demonen uit te drijven en zieken gezond te maken. Dat waren ‘de tekenen van het koninkrijk’. Toen Johannes de doper aan Jezus liet vragen: ‘Bent U Degene die zou komen’, zei Hij dat ze Johannes dit antwoord moesten geven: ‘Blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd’. Wij verkondigen niet het ‘evangelie van het Koninkrijk’ zoals de discipelen toen, maar het ‘evangelie van genade’ (Hand.20:24) waarbij geen specifieke tekenen horen zoals in de tijd toen de Heer Jezus op aarde was. Genezingen en andere wonderen zijn wel mogelijk maar dan meer als ondersteuning van de prediking van het Woord (Heb.2:4). Natuurlijk konden deze dingen niet verborgen blijven en de verhalen daarover bereikten zelfs het Hof van Herodes, die daardoor in verlegenheid kwam en Jezus trachtte te zien. Na de terugkeer van de discipelen van hun opdracht, lezen we van de spijziging van de Heer Jezus van de vijfduizend. Dit maakte zo’n indruk op het volk dat ze Hem koning wilden maken (Joh.6:14). Omdat het gerucht de ronde deed dat Johannes de doper was opgewekt, en dat Jezus eigenlijk Elia zou zijn of een andere profeet, vroeg de Heer Jezus aan zijn discipelen: ‘Wie zegt U dat Ik ben?’ Petrus het enige goede antwoord gaf: De Christus van God, maar dat was hem dan wel van Boven ingegeven (Mat.16:17). Rekening houdend met wat was gebeurd vóór deze dingen kunnen we begrijpen dat de discipelen in de mening verkeerden dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken (Luk.9:11). De twaalf discipelen waren het land rond gegaan om het koninkrijk van God te prediken en Jezus verteld aansluitend de menigten daarvan. In het evangelie naar Mattheüs lezen we verder dat Hij naar Jeruzalem vertrok. Zou dan eindelijk het koninkrijk van de Messias aanbreken, Jeruzalem was immers ‘de stad van de grote Koning?’ (Mat.5:35). Uit de gelijkenis van de ponden leren we echter dat de ‘man van hoge geboorte’ eerst naar een ver land moest reizen alvorens terug te keren om zijn koninkrijk te vestigen en dat zijn onderdanen tot aan zijn terugkeer handel moesten drijven (Luk.19:12vv.). De Heer Jezus gaf hen daarom onderwijs over discipelschap en kruisdragen om in de toekomstige tijd stand te kunnen houden. De gebeurtenis op de berg van verheerlijking brengen een aantal belangrijke zaken voor onze aandacht, die nuttig voor ons kunnen zijn zoals ze dat toen waren voor de discpelen. We willen, uitgaande van dit Bijbelgedeelte, er vijf uitlichten.

 

Jezus Christus is Gods Zoon

‘Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’

De discipelen hadden meegemaakt dat de Heer Jezus wonderen deed die een teken waren van zijn heerlijkheid als Zoon van God (Joh.2:11), maar deze ontmoeting op de berg der verheerlijking was de enige keer dat de Heer Jezus zijn heerlijkheid, niet door daden, maar door zijn lichaam toonde. Hij had zijn heerlijkheid in het vlees verborgen gehouden, maar nu veranderde zijn verschijning, het uiterlijk van zijn gezicht en zijn kleding. Verder in zijn leven lezen we dat de Heer ‘gestalte nog luister had’ (Jes.53:2).

Bij de doop van de Heer Jezus had de Vader al getuigt: ‘U bent mijn geliefde Zoon’ (Luk.3:22) en ook nu op de berg der verheerlijking zegt de stem uit de wolk: ‘Deze is mijn uitverkoren Zoon, hoort Hem’ (9:35). De verschijning van de Heer Jezus in heerlijkheid in de nabijheid van drie discipelen, heeft een onvergetelijke indruk op hen nagelaten, toen ze met Hem op de heilige berg waren. Jaren later schrijft Petrus daarover in zijn eerste brief: ‘Want niet als navolgers van vernuftig verzonnen fabels hebben wij u de kracht en komst onze Heer Jezus Christus bekend gemaakt, maar als ooggetuigen van zijn majesteit. Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (2Petr.1:16-18). Volslagen duidelijk: Jezus is de Zoon van God, daar is geen twijfel over mogelijk!

 

Gods koninkrijk zal komen

‘Zij dachten dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken’ (Luk19:11). 

Wanneer we naar deze wereld kijken en het onrecht, geweld zien, dan kunnen we met Lot mee voelen die ‘door het zien en horen zijn rechtvaardige ziel gekweld heeft vanwege hun wetteloze werken’ (2Petr.2:8). Het verlangen naar ‘Uw koninkrijk kome’ wordt steeds sterker naarmate de duisternis toeneemt. De nacht is ver gevorderd en de dag van Christus komst is meer nabij dan ooit tevoren. Tweeduizend jaar geschiedenis liggen achter ons en de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen (Rom.13:11-12). Om het met de woorden van de gelijkenis van de tien ponden te zeggen: ‘De man van hoge geboorte die naar een ver land was afgereisd staat op het punt terug te keren!’ (Luk.19:11-14). Er zijn  een vijftal kenmerken - die ik vermeld, zonder er verder op in te gaan omdat ik dat elders al heb gedaan - waardoor we mogen geloven aan de terugkeer van de Heer voor de Gemeente, deze zijn: (1) Het ontstaan van de staat Israël; (2) het ontstaan van de EU (hersteld Romein Rijk); (3) Het Oude Jeruzalem dat sedert 1697 onder het gezag van de Israëlische overheid is gekomen; (4) Het ontstaan van de Messias-belijdende Joden; en (5) Het verval van de christelijke kerk.  Met andere woorden: het podium waarop God het slotstuk van zijn plannen ten uitvoer zal brengen, voordat de Heer Jezus komt om het Koninkrijk op te richten, is klaar! Bent u klaar voor zijn komst? ‘Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij’ (Luk.21:28).

 

Gods Woord kun je vertrouwen

‘En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is’ (2Petr.1:19).

Meer dan ooit in de geschiedenis van de Kerk is het noodzakelijk vast te houden aan de Bijbel als het door de Geest geïnspireerde Woord van God (2Petr.1:19; 2Tim.3:16). Door dat Woord heeft God Zich geopenbaard en door dat Woord hebben wij zijn boodschap van genade leren kennen (1Petr.1:22-23). Wij dienen vast te houden aan het onderwijs van de apostelen, vervat in het Nieuwe Testament, en te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heilige is overgeleverd (Jud.3). Nu wij in de laatste dagen leven en in acht nemen wat er in de wereld gebeurt is het nodig acht te geven op het profetisch Woord. De volkeren ‘kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Micha 4:12), maar wij hebben het grote voorrecht op de hoogte te kunnen zijn van Gods plannen. De Heer Jezus heeft de belofte gedaan dat de Heilige Geest tot ons zou spreken over de toekomstige dingen (Joh16:13), en dat kan omdat God van het begin, het einde verkondigd’ (Jes.46:10). De dingen die nu in de wereld gebeuren, ik denk vooral aan de gebeurtenissen in het Midden-Oosten, zijn voorzegt in, zowel het Oude als het Nieuwe Testament. We kunnen op de hoogte zijn van Gods plannen met deze wereld, maar dan dient u wel aandacht te besteden aan Gods Woord.

Lijden gaat aan heerlijkheid vooraf 

‘Het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna’ (1Petr.1:11).

 

De apostel Paulus verzuchtte al ‘dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). En hoeveel te meer wij, die het ‘zuchten van de schepping’ in sommige gevallen letterlijk aan den lijve ervaren, en uitzien naar vrijmaking van de slavernij van de vergankelijkheid? Wij leven in een gevallen wereld waar de zonde heerst op elk terrein, en ook wij, gelovigen, ontkomen niet aan het lijden. Lijden hoeft niet altijd lichamelijk lijden te zijn, maar ook geestelijk, innerlijk lijden dat voor anderen niet zichtbaar is. ‘Er zijn veel tranen van het hart, dat het oog nooit bereikt!’ De brieven van de apostel Petrus kun je ook opdelen in die betekenis. De eerste brief gaat voornamelijk over het lijden, zijn tweede brief over de heerlijkheid die daarop volgt. Petrus verwijst in zijn eerste brief naar het lijden van de Heer Jezus en de heerlijkheden daarna (1Petr.1:11). ‘De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden’ (Rom.8:17). Vlak voordat de Heer verscheen in heerlijkheid op de berg had Hij daar met zijn discipelen over gesproken: ‘Als iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen’ (Luk.9:24).

 

De heerlijkheid nu al ervaren

De transfiguratie, of verandering van gedaante was een uiterlijke verandering die van binnen uit kwam. De heerlijkheid van de Heer Jezus is ook aan ons gegeven: ‘En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven’ (Joh.17:22). We zullen zijn heerlijkheid wanneer we bij Hem zullen zijn in zijn heerlijkheid (Joh.17:24). Maar wij kunnen ook nu al zijn heerlijkheid ervaren in een persoonlijke metamorfose, dat onze levens veranderd worden en ons tot een zegen voor anderen maakt. Er zijn twee teksten die het woord ‘transfiguratie’ op gelovigen toepast. (1) ‘Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproefd wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is’ (Rom.12:1-2). (2) ‘Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest’ (2Kor.3:18). Een veranderd leven verlangt een nieuwe manier van denken wat de Heilige Geest in ons kan bewerken wanneer ons bezig houden met Gods Woord.  ‘Toen Mozes van de berg Sinai afdaalde, – de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afdaalde – wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met Hem gesproken had. Toen Aäron en al de Israëlieten Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen. Toen riep Mozes hen tot zich, en Aäron en al de vorsten in de vergadering keerden tot hem terug en Mozes sprak hen toe. Daarna naderden al de Israëlieten en hij gebood hun al wat de Here tot hem gesproken had op de berg Sinai. Toen Mozes geëindigd had met hen te spreken, deed hij een doek voor zijn gelaat. Maar wanneer Mozes kwam voor het aangezicht des Heren, om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij naar buiten ging; daarna ging hij naar buiten en zeide tot de Israëlieten wat geboden was. Wanneer de Israëlieten aan het gelaat van Mozes zagen, dat de huid van zijn gelaat straalde, deed Mozes de doek weer voor zijn gelaat, totdat hij naar binnen ging, om met Hem te spreken’ (Ex.34:29-35).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Genezing van een kromgebogen vrouw

Lukas 13:10-17

Inleiding

Zijn wij begaan met menselijke noden? We zien hier een vrouw die al achttien jaar ziek was, ze was kromgebogen en kon zich niet oprichten. Deze gebeurtenis vinden we alleen terug in het evangelie naar Lukas. Het sleutelvers van het Lukasevangelie zegt dat: ‘De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was’ (Luk.19 :10), en we zien de Zoon hier in actie komen omdat Hij was begaan met mensen, want de Schrift zegt: ‘Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben’ (Mat.9 :36). Mensen helpen in hun nood maakte ook deel uit van Jezus’ bediening, want in Lukas 4 lezen we: ‘Hij (God) heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren’ (Luk.4:18-19).

Verder wil dit bijbelgedeelte de aandacht vestigen op de ‘onvruchtbaarheid’ van het volk Israël waarop de Heer Jezus zinspeelt in de gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom in de voorafgaande verzen (13 :6-9). De Wet kon wel een ziekte vaststellen maar niet genezen. In plaats dat we bij de Farizeeërs en schriftgeleerden liefde, gerechtigheid, nederigheid en genade ten opzichte van Gods volk vaststellen, vond hij arrogantie en wetticisme. Ze waren niet alleen in staat deze vrouw te helpen, maar weigerden dat zelfs omdat het op een sabbatdag gebeurde. Al eerder had de Heer Jezus hen verweten dat ze huichelaars waren (Luk.12:56) en ook bij deze gebeurtenis. Een treffend voorbeeld van hun huichelarij vinden we in het evangelie naar Mattheüs, waar de Heer Jezus tot de Farizeeën en de schriftgeleerden had gezegd: ‘Waarom overtreden uw discipelen de overlevering der ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Hij antwoordde hun en zeide: Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering (zelfs) het gebod Gods? Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt: Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren. Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering. Huichelaars, terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, zeggende: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’ (Mat.15:1-9).

1. Bevrijding (13:10-13, 16)

‘Hij was bezig te leren in een der synagogen op sabbat. En zie, er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten. Toen Jezus haar zag, sprak Hij haar toe en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid; en Hij legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en zij verheerlijkte God. Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?’

Het is opmerkelijk dat we deze vrouw in de synagoge vinden. Veel gelovigen die tegenslag hebben verlaten eerder de kerk en God in plaats van God te blijven zoeken in hun nood (vgl. Luk.2:37-38). Vandaar dat we ook worden opgeroepen om ‘onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen’ omdat Hij daar aanwezig is, en waar Hij is, is zegen te verwachten! (Heb.10:25). Achttien jaar had ze al een geest van zwakheid! (Andere vertalingen spreken van ziekte) De Heer Jezus zei dat ze gebonden was en losgemaakt moest worden. Er was er maar Eén die dat kon en dat was Jezus. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou’ (1Joh.3:8; Mat.12:24). Het is opmerkelijk dat Jezus haar riep en niet zij Hem. Dat duidt er wellicht op dat de Heer Jezus het er niet alleen om ging haar te genezen van haar gebondenheid, maar ook dat hij de Farizeeën en schriftgeleerden een les in barmhartigheid wilde leren. Hij zag haar, riep haar en zei tot haar: ‘Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid’ en legde haar de handen op. Alle activiteit gaat van de Heer uit want ‘Christus is, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen gestorven (Rom.5:6).

2. Tegenstand (13:14-15)

‘Maar de overste der synagoge, het kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zeide tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dàn om u te laten genezen en niet op de sabbatdag. Maar de Here antwoordde hem en zeide: Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?’

Bij eerdere gelegenheden had de Heer Jezus er al op gewezen dat de ‘sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat’ en dat ‘de Zoon des mensen heer is, ook over de sabbat’ (Luk.6:1-11). De Heer Jezus heeft zeven wonderen op een sabbatdag verricht (Mark.1:21-28; 1:29-31; 3:1-6; Luk.13:10-17, 14:1-6; Joh.5:1-18). De overste van de synaoge richtte zijn klacht aan de menigte, niet aan de Heer Jezus. Ze hadden meer liefde voor hun os of ezel dan voor deze vrouw! Jezus noemt ze huichelaars. Huichelaars of hypocrieten zijn mensen die voordoen bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houden. In Jezus’ beroemde rede tegen de Farizeeën en schriftgeleerden vinden we van hun huichelarij talloze voorbeelden (Mat.23). De overste van de synagoge zei: ‘kom maar gedurende de week, maar niet op de sabbat’. Zou hij, of de eventuele andere aanwezige Farizeeën of schriftgeleerden, ze hebben kunnen genezen? En als hij de macht had mensen te genezen, waarom had hij hen dan niet eerder genezen? In het volgende hoofdstuk vinden we een gelijke kwestie (Luk.14:1-6). De Heer Jezus geeft twee voorbeelden uit de praktijk van het dagelijkse leven om aan te tonen dat het geoorloofd was goed te doen op sabbatdag en om de Farizeeën en schriftgeleerden op hun hypocriete houding te wijzen. Hier antwoordde de de Here hen en zeide: ‘Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken?’ En in hoofdstuk 14:5: ‘Als een zoon of een os van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op de sabbatdag?’

3. Reacties (13:17)

‘En toen Hij dit zeide, schaamden zich al zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden’

We vinden drie reacties op de genezing van deze vrouw. Ten eerste zijzelf: het was er een van dank en verheerlijking van God. Het gaat niet om de genezing van deze vrouw, het gaat erom dat God wordt grootgemaakt. ‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’ (Mat.5:16). De omstanders verheugden zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden. Bij de genezing van de verlamde in ditzelfde evangelie lezen we dat: ‘ontzetting allen beving en zij verheerlijkten God, en werden met vrees vervuld, zeggende: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien’ (Luk.5:26). De tegenstanders werden beschaamd, wellicht om het feit dat Jezus hen de les had gespeld!

‘Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw’ (Mat.23 :23).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Tafelgesprekken

Lukas 14:1-24

Inleiding

Zou u willen dat Jezus eens bij u op bezoek kwam? U heeft wellicht ook wel eens het tekstbordje zien hangen in een woning met de tekst: 'Jezus Christus is het Hoofd van dit huis, de stille Toehoorder van elk gesprek en de ongeziene Gast bij elke maaltijd’. Dit zijn mooie gedachten en gewetensvol omgaan daarmee zou het leven in elk gezin beter maken. Maar ik vraag me wel eens af hoeveel van ons werkelijk de Heer Jezus aan hun tafel zouden willen, want Hij kan een ‘lastige’ Gast zijn! Een Farizeeër ontdekte dat toen Hij de Heer Jezus uitnodigde op een ontbijt op de sabbat. Was het met bijbedoelingen dat hij Hem op de Sabbat uitnodigde? ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden’ (Luk.6:7; 14:1). In ieder geval ging het die morgen anders dan zij gedacht zullen hebben, want die ‘tafelgesprekken’ waren allesbehalve vrijblijvend; de Heer Jezus gebruikte deze gelegenheid immers om een aantal gelijkenissen te vertellen en daarin onderwees hij vier belangrijke lessen, die ook voor ons hun nut kunnen hebben.

Een les in barmhartigheid (14:1-6)

‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.' (Mark.2:27; Joh.4:16v)

 

Dat de sabbat een heilige dag was voor de Israëlieten mag duidelijk zijn. De straffen op het overtreden van de sabbat waren zwaar. ‘Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten’ (Ex.31:14). Dat het God serieus was kunnen we leren uit het voorbeeld van de sabbatschender (Num.15:32-36). Mocht er dan niets gedaan worden op de sabbat? Het is interessant te zien dat er op de sabbat een extra offer gebracht moest worden boven het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer (Num.28:10). Wie ooit een bezoek aan Israël heeft gebracht zal weten dat er in de hotels een speciale ‘sabbatlift’ is, een lift die op de sabbat automatisch op elke verdieping stopt zodat de mensen niet op de knoppen hoeven te drukken en daarmee het sabbatgebod zouden overtreden. Ik heb vaak meegemaakt dat wij pas na het einde van de sabbat het hotel in mochten en dan warm eten kregen dat de vrijdag voor de sabbat al was klaargemaakt. En zo zijn  er nog veel meer zaken te noemen. De Farizeeën en schriftgeleerden gingen zo ver in hun ijver dat ze de Heer Jezus probeerden te doden na de genezing op de sabbat van de verlamde bij de vijver van Bethesda. ‘Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde’ (Joh.5:18). Terugkerend naar ons Bijbelgedeelte in het evangelie naar Lukas zien we dat Jezus op de hoogte was van wat de Farizeeën en de schriftgeleerden dachten (o.a. Luk.6:8; 9:47; 11:47) en Hij pareerde dat met de vraag: ‘Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?’ (vs.3). Hierop konden of wilden ze geen antwoord geven. Een mooi voorbeeld op welke manier de Heer Jezus de sabbat ondergeschikt achtte aan bepaalde omstandigheden, vinden we in het Lukasevangelie toen Jezus en de discipelen door de korenvelden wandelden  en de discipelen aren plukten, stuk wreven en aten. Toen de Farizeeën Hem daarover aanspraken, antwoordde de Heer hen naar de geschiedenis van David uit het Oude Testament (1Sam.21:1-6). ‘Hebt gij dan ook dit niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen?’ (Luk.6:3). Uit deze en andere voorbeelden blijkt dat ‘de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v)

Een les in nederigheid (14:7-11)

‘Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (Mat.23:12)

Uit deze gelijkenis kunnen we een belangrijke les leren die niet alleen op de Farizeeën en schriftgeleerden van toepassing is maar ook op onszelf: een les in nederigheid! In de wereld is het de normaalste zaak om met list of geweld de eerste te willen worden. Maar ook in het Koninkrijk van God vinden we soortgelijke taferelen. ‘Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar’ (Mat.11:12). Dit is geen gemakkelijk vers om te duiden waar of over wie het hier gaat. De oppositie tegen de aankondiging van het koninkrijk der hemelen kwam van de Farizeeën, die het religieuze systeem vertegenwoordigden, en één van de geweldenaars was Herodes Antipas, die Johannes de Doper gevangen nam. Vandaag de dag is het niet anders, ook nu zien we religieuze leiders die graag de eerste plaats innemen (Mat.23:1-11) en zien we dat de gelovigen in veel delen van de wereld vervolgd worden door de overheid.

De principes om in het koninkrijk der hemelen de eerste plaats te willen innemen verschillen echter fundamenteel van de wereldse principes en zijn veel moeilijker in de praktijk te brengen. ‘Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar’, dat was het antwoord dat de Heer Jezus gaf naar aanleiding van de discussie die de discipelen hadden gehad over ‘wie de grootste (of: de belangrijkste) was’ (Mark.9:35). Om in te zien wat het betekent om jezelf te vernederen, hebben we Iemand die ons is voorgegaan wiens voorbeeld we mogen volgen (1Petr.2:21). In de brief aan de Fillipenzen worden we opgeroepen om dezelfde gezindheid te tonen die ook de Heer Jezus heeft getoond: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader’ (Fil.2:5-11). Hieruit wordt duidelijk hoe we eerste plaats kunnen bereiken in het Koninkrijk der hemelen; na vernederen volgt verhoging, of om het met de woorden van de apostel Petrus te zeggen: ‘Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd’ (1Petr.5:5-7).

Een les in weldadigheid (14:12-14)

‘… de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen’  (Hand.20:35).

In het boek Zacharia roept God het volk op tot barmhartigheid: ‘Zo zegt de HERE der heerscharen: spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid’ (Zach.7:9). Barmhartigheid wordt wel eens met de volgende definitie omschreven: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren.’ Uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan weten we dat de priester en de Leviet daarin bepaald niet uitblonken. De Farizeeën stonden bekend als geldzuchtigen (Luk.16:14). God is ons voorgegaan in barmhartigheid, zo kunnen wij te weten komen uit het Oude Testament, en ook wij zijn gered ‘niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid’ (Tit.3:5). Jakobus is vrij sterk in zijn benadrukking van barmhartigheid wanneer hij spreekt over weldadigheid: ‘Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft’ (Jak.2:13).

Dat de Farizeeën en de schriftgeleerden uitermate gewiekst waren in het omzeilen van de wet, blijkt wel uit Markus 7:6-13, waar de Heer Jezus tot hen zegt: ‘Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.’ Wat was hier het geval? Wel, door te zeggen dat een zaak waardoor ze hun ouders hadden kunnen helpen, een aan God gewijde offergave was, ontkwamen ze aan hun verplichtingen ten opzichte van hun ouders en stelden Gods wet buiten werking.

Wat was hier het geval? Ze nodigden mensen uit, vrienden, buren, bloedverwanten, voor een maaltijd met de bijbedoeling dat ze hun investering er wel weer uit zouden krijgen; met andere woorden dat het hun niets zou kosten. Ware barmhartigheid is zich ontfermen en schenken (Ps.37:21). En zij (en ook wij) hoeven niet bang te zijn dat het niet vergolden zal worden, want het zal ons vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen (Luk.14:14). Gezegde: ‘Je kunt je beloning geen twee keer ontvangen. Je krijgt ze nú van mensen, of morgen van God.’ We zijn geroepen om wel te doen: ‘God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen’ (1Tim.6:18). Laten we dan geven zonder bijbedoelingen en we zullen Gods zegen ervaren en zullen er echt niet armer van worden! ‘Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden’ (Spr.11:24).

Een les in prioriteiten stellen (14:15-24)

‘Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient’ (Luk.19:42)

‘First things first’ is een bekend Engelse gezegde, of in het Nederlands: ‘Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’. De gelijkenis van het grote avondmaal volgt naar aanleiding van de voorgaande verzen, die iemand ertoe brachten om op te merken dat ‘hij gelukkig is die brood zal eten in het koninkrijk van God’. We kunnen deze gelijkenis in drie hoofdpunten samenvatten: (1) de voorbereiding, (2) de uitnodiging en (3) de gevolgen.

1. De voorbereiding – ‘Komt, want het is nu gereed’

‘Komt, want het is nu gereed’ moest de slaaf tot de genodigden zeggen. Alle voorbereidingen waren getroffen en het moment was gekomen om aan te schuiven. Zoveel eeuwen later mogen ook wij de mensen uitnodigen en zeggen: ‘Zie, nú is het de tijd des welbehagens’ zie, nú is het de dag des heils’ (2Kor.6:2). ‘Heden, indien gij zijn stem hoort’ en ‘En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet’ (Heb.4:7; Op.22:17). Er is geen tweede kans.

2. De reacties – ‘Houd mij voor verontschuldigd’

De reacties op de uitnodiging zijn zonder meer teleurstellend te noemen en we begrijpen de toorn van de heer des huizes. Als het selchts een gelijkenis was konden we er wellicht nog mee leven, maar als we uit deze gelijkenis mogen leren dat de ‘uitnodiger’ God is, die zijn Zoon gegeven heeft opdat wij ‘brood zouden kunnen eten in het koninkrijk van God’,dan begrijpen wij hoeveel pijn het God moet doen wanneer mensen zijn aanbod van liefde en genade afslaan. Ook in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden vinden we een eenzelfde afwijzing. Maar we lezen daar wat meer over de verwachtingen van de heer des huizes, want hij dacht: mijn zoon zullen zij ontzien. Leest u maar: ‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’ (Mat.21:33-39). Deze verwerping van het heil moet God in zijn hart geraakt hebben!

3. De gevolgen – ‘Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is’

Hoe erg het ook is, de Bijbel leert ons heel duidelijk dat de verwerping van het heil wat we ontvangen kunnen in Christus, oordeel inhoudt. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee en wijzen erop dat God een God van liefde is en dat nooit zal doen. De Bijbel leert ons het tegendeel en dat is de norm die we dienen te hanteren als we over zulke zaken spreken. Een voorbeeld daarvan zien we bij de apostel Paulus wanneer hij in Athene het Evangelie verkondigt en spreekt in dergelijke bewoordingen: ‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’ (Hand.17:30-31). Dus: ‘Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

De reis naar Jeruzalem

Lukas 18:35-43

Inleiding

Kan het een algemeen beginsel zijn, dat God op één wijze, of op twee tot de mensen spreekt om de mens van zijn doen af te brengen en daarna niet meer? (Job.33:14-18, 29). Ik denk er wel eens aan hoe vaak heeft God, mij en u zijn stem doen horen, éénmaal, tweemaal of misschien meerdere keren? In ieder geval God wacht op een antwoord, in Zijn spreken tot ons. ‘Zo heeft God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons (u en mij) gesproken in de Zoon!’ (Heb.1:1). Wat is ons antwoord geweest? God heeft de mens lief en wil niet dat er ook maar iemand verloren gaat, daarvoor zond Hij zijn eigen Zoon en Die is gekomen om het verlorene te zoeken en te behouden (Luk.19:10). Dus kijkt u uit dat u Hem die spreekt, niet afwijst, want misschien is het uw laatste kans! (Hebr.12:25).

Derde en laatste aankondiging van Jezus’ lijden, dood en opstanding

Wat de Here Jezus bedoelde met de mededeling dat hij zou opgaan naar Jeruzalem en welke gevolgen dat zou hebben, hebben de discipelen toen waarschijnlijk niet begrepen, zoals met zoveel andere gebeurtenissen die plaats vonden tijdens het verblijf van de Heer Jezus’ hier op aarde (Joh.12:16). Ze dachten misschien hetzelfde als de andere mensen, namelijk dat het koninkrijk van God onmiddellijk openbaar zou worden, omdat Jezus op weg was naar Jeruzalem, de stad van de grote Koning was (Luk.19:11; Mat.5:35). Een vermoeden dat later nog versterkt zou worden tijdens de intocht in Jeruzalem, waar de mensen de Heer Jezus tegemoet kwamen met takken van palmbomen, roepende: ‘Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’ en ‘de Koning van Israël’ (Joh.12:13). De realiteit bleek echter geheel anders te zijn, want de Heer Jezus werd verraden en verworpen en aan een kruis genageld! De discipelen waren net zo ‘blind’ als de blinde bedelaar die door de Heer Jezus genezen werd. Veel van de discipelen hebben dingen gehoord en gezien maar het pas later begrepen, na Jezus’ opstanding en verheerlijking (Joh.2:22; 12:16; 14:26; 16:13-14).

Van Jericho naar Jeruzalem

Op weg naar Jeruzalem (Luk.17:11-12) kwam Jezus door Jericho en ontmoette daar een blinde bedelaar, genaamd Bartimeüs zoals blijkt uit Markus 10:46. Als we de naam Jericho horen noemen gaan onze gedachten uiteraard uit naar de gebeurtenissen vermeld in het boek Jozua. (Joz.6:26; Richt.3:13). Jericho, een stad die in het boek Richteren ‘de Palmstad’ genoemd wordt, maar die onder een vloek was komen te liggen (vgl. 1Kon.16:34; 2Kon.2:19). Maar ook denken we aan een andere gebeurtenis zoals we dat vinden in het evangelie naar Lukas, namelijk de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Daar lezen we dat ‘een mens afdaalde van Jeruzalem naar Jericho en in handen viel van rovers, die hem zowel uitkleedden als slagen gaven, en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen’ (Luk.10:25-37). Wie ‘die mens’ was wordt niet vermeld maar het is in elk geval een prototype van de ‘gevallen’ mens in het algemeen, die in handen van de ‘rover’, de duivel, gevallen is? En juist in deze stad, die onder een vloek lag, ontmoet de Here Jezus deze arme en blinde bedelaar. Hij leed als het ware onder deze vloek waarvan zijn blindheid een zichtbaar teken was (Deut.28:28). Hij was niet blindgeboren want in vers 42 zegt de bedelaar: ‘dat ik weer kan zien (vgl. Mat.20:34). De Here Jezus was gekomen om ‘blinden het gezicht’ weer te geven (Luk.4:19), om ons vrij te kopen van de vloek van de wet, door voor ons een vloek te worden (Gal.3:13).

Een blinde bedelaar

Was Bartimeüs ‘toevallig’ op hetzelfde moment aan het bedelen toen de Heer Jezus Jericho naderde? Het was dan wel op z’n minst een gelukkige samenloop van omstandigheden te noemen, dat is zeker. Temeer omdat we weten dat de Here Jezus voor de laatste keer in Jericho zou zijn, maar ook dat Hij Gods ‘laatste woord’ was (Hebr.1:1)! Naar de mens gesproken zou niemand anders de blinde Bartimeüs meer kunnen helpen, het was nu of nooit! Dus op twee manieren was het voor Bartimeüs zijn laatste kans! Herinneren we ons de tekst in het boek Job nog? ‘God spreekt op één wijze, of twee…’ Dus ‘Heden, als u zijn stem hoort, verhardt uw harten niet’ (Heb.4:7). Vanwege zijn blindheid was Bartimeüs aangewezen op hulp van anderen die hem op de hoogte brachten dat Jezus de Nazoreeër eraan kwam (18:37). De kennis over Wie die Jezus uit Nazareth wel was, was algemeen bekend omdat ‘een gerucht van Hem uitging door de hele streek’ (Luk4:14). De verkondiging van het evangelie van het koninkrijk was zeker niet onopgemerkt gebleven, door de dienst van Johannes de Doper en van de Heer Jezus. De evangeliën geven daarvan herhaaldelijk verslag (Mat.14:35; Mark.6:35); het was immers niet in een uithoek gebeurd (Hand.26:26).

Tegenstand

Ging zijn kennis betreffende de Heer Jezus misschien ook verder dan dat Hij meer dan een Nazoreeër was? In elk geval roept hij de Heer Jezus aan, niet als ‘Jezus de Nazoreeër’, maar als ‘Jezus, Zoon van David’, met de noodkreet: ‘erbarm U over mij!’ Hij erkende daarmee dat hij afhankelijk was van een ander, van ‘De Andere’. Maar uit de uitspraak Jezus, zoon van David bleek dat Bartimeüs verstond dat de Heer Jezus de beloofde Messias was. Wat was het dat hem ertoe bracht de hulp van Jezus in te roepen? In elk geval ging hij ervan uit hij dat er geen grenzen zijn aan Jezus’ macht, voor elk die wonderen van Hem verwacht. Maar op hetzelfde moment dat de redding nabij is duikt ook de ‘tegenstander’ op, die gebruik maakten van hen die vooraan liepen en Bartimeüs waarschuwden dat hij zou zwijgen. Maar hij was vastbesloten en volhardend (vgl. 18:7) en liet zich door niets en niemand tegenhouden, hij had Jezus nodig en niemand anders! Daarom riep hij echter des te meer: ‘Zoon van David, Jezus erbarm U over mij. Ook voor nu geldt dat geen andere Naam gegeven is waardoor wij behouden moeten worden (Hand.4:12), Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh.14:6)!

Jezus nu bleef staan

En dan gebeurt het grote wonder: Jezus bleef staan! Hadden we eerst nog gelezen dat Jezus de Nazoreeër ‘voorbijging’, nu lezen we ‘Jezus nu bleef staan en dat voor een arme, blinde bedelaar, maar een bedelaar die in zijn grote nood een beroep doet op Jezus’ barmhartigheid! ‘Dáár is niemand weggezonden die om hulp bad, daar heeft ieder heil gevonden, alles wat hij nodig had’ en daarom kwam Bartimeüs met zijn nood bij Jezus en… Jezus nu bleef staan! De schepper van hemel en aarde blijft staan voor een arme bedelaar die om hulp riep. Na het bevel van de Heer Jezus dat Bartimeüs bij Hem zou worden gebracht riepen de mensen de blinde en zeiden tot hem: ‘Heb goede moed, sta op, Hij roept u’ en Bartimeüs wierp zijn kleed af, sprong op en kwam bij Jezus (Mark.10:50). De Here Jezus nam tijd voor Bartimeüs en wil ook voor u en mij tijd nemen om te luisteren naar uw verlangens en uw noden, dat is wat Bartimeüs moest doen, zijn verlangens bekend maken (Fil.4:6). Dat hij blind wist de Heer wel en kon dat zelf ook constateren toen Bartimeüs voor hem stond, maar Hij wilde gevraagd worden. En Bartimeüs maakt zijn verlangen bekend met de woorden: ‘Heer, dat ik wil dat ik weer kan zien’. We mogen ervan uitgaan dat Bartimeüs niet blindgeboren was, maar blind was geworden, waardoor hij het zicht op de werkelijkheid rondom hem had gemist en verlangde dat weer te bezitten. En de Heer Jezus sprak: Uw geloof heeft u behouden en… hij zag Jezus! De woorden van Job werden voor Bartimeüs werkelijkheid die had gezegd: ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd’ (Job.42:5).

Volgeling van Jezus

De Heer Jezus, die op grond van het geloof van Bartimeüs, hem van zijn blindheid genezen had, volgde de Heer terwijl hij God verheerlijkte. Nu hij Jezus kon zien wilde hij Hem ook volgen! ‘Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen’ (Joh.8:12). Soms moeten we echter vaststellen dat veel mensen die tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen, helaas na een tijdje, om diverse redenen, wel eens weer afhaken. Het was een goede keus van Bartimeüs om Jezus te volgen, maar dat bracht hem wel in Jeruzalem waar de Heer verworpen en gekruisigd zou worden. De Heer Jezus was in de stad van de vloek (Jericho) gekomen om de vloek in Jeruzalem teniet te doen. Zover zal Bartimeüs wel niet gedacht hebben. Maar hij zou door ervaring ondervinden wat ook wij moeten ervaren, dat het volgen van de Here Jezus kan leiden tot verdrukking. Maar we weten ook dat het lijden van deze tegenwoordige tijd is niet waard vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. En hoe volgde Bartimeüs de Heer, we lezen: ‘terwijl hij God verheerlijkte’. Laten we hem daarin navolgen, want Hij is het waard!

Het getuigenis

In het Oude Testament vinden we geen enkele vermelding van de genezing van een blinde, daarom moest het voor de menigte, die getuigenis van dit wonder waren geweest, toch een duidelijke aanwijzing zijn dat de messiaanse tijd was aangebroken en dat de Heer Jezus de beloofde Messias moest zijn. Jesaja zegt: ‘Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien’ en ‘Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden (Jes.29:18; 35:5). De tekenen die gepaard gingen bij de verkondiging van het Koninkrijk waren onloochenbaar aanwezig (Luk.4:18-19). De Heer Jezus heeft nog andere blinden personen genezen, dus moest de menigte wel tot de conclusie komen dat het bijzonder tijden en wonderen waren. Een blinde bedelaar kon zien dat Jezus de Messias was, dus kon de menigte niet achterblijven in het verheerlijken van God. Ze hadden ongelofelijke dingen gezien! (Luk.5:26). De religieuze leiders weigerden, ondanks de onmiskenbare wonderen en tekenen, Jezus te erkennen als de Messias en bleven blind! Jezus zei tot hen: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden. Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zij zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind? Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde (Joh.9:39-41).

Tenslotte

Ik zou toch willen eindigen en u de vraag meegeven, die aan het begin van dit artikel is gesteld: ‘Hoe vaak heeft Jezus u zijn stem doen horen? Ik hoop dat u die stem ook door het lezen van dit artikel heeft gehoord en nu antwoord wil geven aan Zijn roepstem. Hij gaat heden voorbij en wil ook voor u blijven staan; misschien is het voor morgen eeuwig te laat. Als u het zicht op God kwijt bent, hulp nodig hebt en Zijn stem hebt gehoord, stel het dan niet uit en neem de beslissing om tot Hem te komen. Hij roept u: Kom doe het nu! Kom tot uw Heiland, toef langer niet. Kom tot nu tot Hem, Die redding u biedt; Die ook voor u de hemel verliet, Hoor naar Zijn roepstem: Kom!

_____________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

Vragen over de toekomst

Lukas 21

Voorwoord

In drie evangeliën vinden we een eindtijdrede, beter bekend onder de titel: ‘Rede over de laatste dingen’. De rede in Mattheüs en Marcus zijn vrijwel identiek en verschillen weinig. In het evangelie van Mattheüs en Lukas zijn de verschillen echter groter en verdienen daarom onze aandacht. Ik ben daar in een apart artikel op ingegaan. Zie mijn artikel: De vlucht uit Jeruzalem - Mattheüs 24 en Lukas 21 in de rubriek Christendom. Ik verdedig de visie dat de rede in Lukas deels vervuld is rond 70 n.Chr. en voor een ander deel spreekt over de toekomstige gebeurtenissen, terwijl de rede in Mattheüs geheel toekomstig is. 

Inleiding

Hoofdstuk 21 kunnen we in tweeën delen op grond van het woordje ‘totdat’; ‘totdat de tijden van de volken zullen zijn vervuld’ (Luk.21:24). Het eerste deel (21:1-20) spreekt van het tijdvak van de verwoesting van de tempel door Titus in 70 n.Chr., tot het aanbreken van de zeventigste jaarweek zoals aangekondigd in Daniël 9, en dat verbonden is met de komst van de Messias voor het volk Israël. Het tweede deel zijn praktische vermaningen gericht aan Joodse gelovigen die leven in de tijd vlak voorafgaand aan de komst van de Messias (Luk.21:29-38). Deze boodschap is gericht tot Joden, het is geschreven door een Jood en het gaat over de toekomst van de Joden! In de Bijbel wordt het volk Israël weergegeven door twee symbolen, een wijnstok en vijgenboom (Mat.21:18v.; Jer.8:13; Hos.9:10; Nah.3:12). En ‘alle bomen’ van Luk.21:29 de omliggende volken (zie: Jer.12 :14-15). Als de ‘zomer’ (Luk.21:30) een metafoor is voor het verwachte Vrederijk, dan moet de ‘lente’ de tijd zijn voorafgaand aan de komst van Christus en dat Vrederijk. 

De beschrijving van de tijd van 33-70 n.Chr. (Luk.21:8-19)

De Heer jezus was niet onder de indruk van de schoonheid van de tempel, Hij wist dat het een ‘rovershol’ was en dat het door God ‘woest’ aan de Joden was overgelaten (Mat.23:38). Toen Jezus dan ook aangaf dat die tempel verwoest zou worden en dat er geen steen op de andere gelaten zou worden (21:6) vroegen de discipelen achter bijzonderheden naar deze aanstaande gebeurtenis. ‘Zeg ons wanneer zullen deze dingen gebeuren?’ Omdat Lukas’ evangelie bestemd was voor de volken, geeft hij niet alle details die speciaal verbonden zijn met het volk Israël, zoals Mattheüs dat wel doet (Mat.24). Jezus vertelde hun dat er moeilijke tijden zouden komen voor de gelovigen, en dat ze moesten vasthouden aan zijn Woord en zich niet laten verleiden (21:8). Ook zouden ze niet verontrust moeten worden door nationale of internationale of natuurlijke gebeurtenissen, en dat ze niet zouden opgeven als vervolging zou komen. Tijden van vervolging kunnen aanleiding geven om te getuigen van hun geloof, en Christus zou door de Heilige Geest de wijsheid geven wat te zeggen. De Heer Jezus verwijst in eerste instantie naar de tijd die beschreven is in het boek Handelingen, maar uiteraard geldt dit voor alle gelovigen in alle tijden. We moeten in alle tijden oppassen voor verleidingen en angst en erop vertrouwen dat de Geest ons de kracht zal geven te volharden.

De verwoesting van de tempel. 70.n.C. – de komst van de Messias (Luk.21:20-24)

Deze verzen gaan over de inname van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door Titus in het jaar 70 n.Chr. De Heer Jezus geeft de discipelen de raad om de stad en Judea te ontvluchten. Voor meer bijzonderheden over die vlucht verwijs ik nogmaals naar mijn artikel ‘De vlucht uit Jeruzalem’ in de rubriek Christendom van deze website. De rest is de trieste geschiedenis van wat de Joden die toen zijn weggevoerd door de Romeinen en verspreid zijn over alle volken tot op vandaag de dag, is overkomen. Zij werden verstrooid onder alle volken!’ Maar er is een goddelijk ‘totdat’! ‘En zij zullen vallen door het scherp van het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door de volken worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld’ (21:24). Veel theologen, die de vervangingstheologie of vergeestelijkingstheologie met betrekking tot Israël hadden verdedigd, kwamen dan ook in grote verlegenheid dat op 24 mei 1948 de staat Israël werd opgericht! De ‘tijden van de volken’ verwijst naar de gebeurtenis dat de volken Jeruzalem hebben ingenomen. Het begin van die periode is van 606-586 v.Chr. toen de Babyloniërs zijn begonnen met het wegvoeren van de Joden in ballingschap (2Kron.36) en het einde van die periode zal zijn wanneer de Heer Jezus zal terugkeren, Jeruzalem zal bevrijden en zijn rijk zal oprichten (Zach.13-14). Toen in 1967, de Oude stad Jeruzalem is veroverd en het onder Israëlisch bestuur kwam, menen anderen dat de tijden van de volken daardoor als beëindigd mag worden beschouwd. Hoe het ook zij we zien in elk geval dat God bezig is zijn geschiedenis met het volk Israël te vervolgen (Ez.37). 

De komst van de Heer Jezus. (Luk.21:25-28)

Wanneer we spreken over de terugkeer van de Heer Jezus moeten we goed de twee komsten van de Heer Jezus onderscheiden, respectievelijk voor de Gemeente en voor Israël. Zie daarvoor bijvoorbeeld de rubrieken Israël en Eschatologie van mijn website, voor meer uitleg. Deze verzen komen m.i. overeen met de beschrijving in de eerste zes zegels in hoofdstuk 6 van het boek Openbaring. (Zie daarvoor mijn artikel: ‘De eerste zes zegels’ in de rubriek NT Geschriften van Johannes). We bevinden ons hier namelijk in de ‘ure van verzoeking’ c/q de ‘Grote Verdrukking’, de laatste jaarweek van Daniël (Dan.9:27). Meer specifiek bevinden we ons hier in de laatste helft van die jaarweek, in de benauwdheid van Jakob (Jer.30:7; Op.13-19). De Heer Jezus onderwijst ons wat er zal gebeuren in die tijd, vlak voor zijn komst in heerlijkheid. Het zal een tijd zijn waar de mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk zullen komen. De gevestigde orde zal ineenstorten. Radeloosheid door bruisen van de zee en watergolven; mogen of moeten we daarbij denken aan grote catastrofes veroorzaakt door de natuur, of zijn het zoals sommigen, die denken dat ‘zee en watergolven’ metaforen zijn van volkeren, en denken aan de ineenstorting van de menselijke beschaving en anarchie? De wetenschap dat de komst van de Messias aanstaande is zal voor de gelovigen in die tijd een grote bemoediging zijn om te volharden. ‘Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij!’ (21:28).

De dingen die zij nu meemaken zijn als het ware schaduwen van de nabije werkelijkheid. De gelijkenis van de vijgenboom maakt dat duidelijk. Het is duidelijk dat het hier om Israël gaat; Israël wordt gesymboliseerd door de vijgenboom (Mat.21:18v.; Jer.8:13; Hos.9:10; Nah.3:12) In ‘alle bomen’ zie ik persoonlijk het ontstaan van de volken (Jer.12:14-15) die zich rondom Israël bevinden, en in een of andere relatie daarmee staan. We denken maar aan Jordanië, Syrië, Libanon, landen die eeuwenlang deel hebben uitgemaakt van het Ottomaanse rijk, daarna als mandaatgebied onder gezag van Frankrijk en Engeland en dan uiteindelijk zelfstandig zijn geworden. Het is een geestelijke ‘lente’, de zomer is nabij; een nieuw begin! Israël is alweer 72 jaar een eigen staat en land, dus hoe dichtbij is de komst van Christus wel niet!?

Adviezen voor gelovigen (Luk.21:29-38)

Deze adviezen zijn bruikbaar voor elke gelovige in welke tijd hij of zij ook leeft, maar hier hebben ze uiteraard te maken met de nabije komst van Christus en daaraan voorafgaande oordelen die over de wereld zullen komen.

Let op! Let op de tekenen der tijden (Mat.16:3) en geef acht op het profetisch woord! (1Petr.1:19). Betreffende de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente zijn geen tekenen gegeven, maar voor Israël wel, zoals we hebben gezien: ‘Als nu deze dingen beginnen te gebeuren! Maar als de tekenen bedoeld voor Israël, nu al zichtbaar worden, dan moeten ook wij ernstig rekening houden met de komst van de Heer! Dus: Laat onze lendenen omgord en onze lampen brandend zijn, en weest gelijk aan mensen die op hun heer wachten’ (Luk.12:35vv.).

Pas op! Er zijn nooit meer sekten, oosterse religie en andere spirituele stromingen geweest dan in de laatst vijftig. Het is dan ook een kenmerk van de eindtijd. ‘Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten, en zij zullen het oor van de waarheid afkeren, en zich tot de fabels wenden’ (2Tim.4:3-4).

Waakt en bidt! Speciaal met het oog op de eindtijd is het noodzakelijk rekening te houden met de machten van de duisternis in de Grote Verdrukking, wanneer de duivel zich zal openbaren. ‘Daarom weest vrolijk, hemelen, en u die daarin woont. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft’ (Op.12:12).

‘Maar groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag van de eeuwigheid. Amen.’ (2Petr.3:18).

______________________________________________________________