Christendom 2

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Staat en RK-kerk tijdens de Franse revolutie

 

 

 

 

Inleiding

Was het toeval toen wij onze intrek namen in een B&B in Normandië, dat ik geconfronteerd werden met een ‘vergeten’ stuk kerkgeschiedenis, die plaatsvond aan het einde van de achttiende eeuw in Frankrijk? Althans dat was mij niet bekend en daarom was mijn interesse gewekt toen onze hospita vertelde dat ze tijdens de verbouwing van hun huis, aan de binnenkant van de schouw een inscriptie had gevonden van een naam van een ondergedoken geestelijke, een datum en een ingekerfd kruisteken. Het jaar was 1793, een periode in de Franse geschiedenis die bekend staat als de ‘Terreur’. Mijn bezoek aan Le Mont St. Michel in Normandië en het paleis van Lodewijk XIV in Versailles werden daardoor met elkaar verbonden, immers tijdens de Revolutie stonden staat en kerk lijnrecht tegenover elkaar.

Eind achttiende begin negentiende eeuw stond, zoals bekend is, in het teken van de Franse revolutie, de rechten van de mens, maar ook en dat is minder bekend, door de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de scheiding van kerk en staat. Die inleidende gebeurtenissen bestonden uit een gewelddadige vervolging van de RK-kerk, waarbij veel doden vielen te betreuren. Veel priesters, pastoors en bisschoppen werden het land uitgezet, doken onder of werden op transport gezet naar Frans-Guyana. Maar voorafgaand aan de vervolging van de RK-kerk had die van de Protestante kerk, anders gezegd de Hugenoten, plaatsgevonden. Was de vervolging die de RK-kerk heeft ondergaan een ‘koekje van eigen deeg’? Was het een oordeel van God, een goddelijke vergelding van wat men de Protestanten eerder had aangedaan? Met andere woorden: zou er een oorzakelijk verband kunnen zijn?  Bekend is de Bartholomeusnacht of (Parijse) bloedbruiloft die massale moordpartij door katholieken op hugenoten (Franse calvinisten) die begon te Parijs in de nacht van 23 op 24 augustus 1572. De slachting duurde drie dagen en verspreidde zich in de loop van de daaropvolgende maanden als een golf over heel Frankrijk, waarbij uiteindelijk tussen de 5.000 en 30.000 hugenoten de dood zouden vinden.

De kerstening van Frankrijk

Kerstening is het historische bekeren, vaak massaal, van niet-christelijke (veelal heidense) volkeren tot het christendom. Dat gebeurde niet door de verkondiging van het evangelie waardoor mensen tot geloof kwamen in de Heer jezus, maar door met geweld volkeren te onderwerpen en ze te dwingen om het christelijk geloof te aanvaarden zoals dat door de RK-kerk werd verkondigd.

De Frankische koning Clovis (ca. 466-511), ook wel bekend als Clovis I, was de eerste Frankische vorst die zich tot het christendom bekeerde. Wie was deze Clovis en wat heeft hij betekend voor de Franse en Europese geschiedenis?Het Germaanse volk van de Salische en Merovingische Franken duikt in bronnen voor het eerst op vanaf 250 na Christus. Het volk kwam mee met de Grote Volksverhuizing (ca.300-600). De Franken kwamen het Romeinse Rijk binnen in Toxandrië – zo heette het gebied tussen het huidige Breda en Antwerpen – in 358. In dat jaar nam keizer Julianus Apostata (331-363) hen op als bondgenoten binnen het Romeinse Rijk.In 440 stichtten ze een officieel koninkrijk met als centrum Doornik. Het rijk breidde zich vervolgens uit richting het Zuiden, eerst tot de Somme, onder leiding van koning Childerik I (ca.436-481). Childerik sloot met de Romeinen en Visigoten een verbond tegen Attila de Hun en diens troepen.Onder Childeriks zoon Clovis begon de Merovingische dynastie en breidde het Frankische Rijk zich nog verder naar het zuiden uit, tot aan de rivier de Loire. De Franken profiteerden van het machtsvacuüm dat ontstond door het zich steeds verder terugtrekkende Romeinse Rijk.

Clovis werd geboren omstreeks het jaar 466 als zoon van Childerik I en Basina. Toen hij vijftien jaar was, in 481, volgde Clovis zijn vader op als koning. Kort tevoren, in 476, was de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus afgezet, waarmee een einde kwam aan het West-Romeinse Rijk. De weg naar machtsuitbreiding lag hierdoor open voor de Franken.

In 486 behaalde Clovis een belangrijke overwinning op Syagrius (ca.430-486), de laatste Romeinse generaal die zich nog in Gallië bevond en die in opdracht van Clovis met een messteek de dood vond. Clovis trad in 492 of 493 in het huwelijk met een Germaanse – meer specifiek: Bourgondische – koningsdochter genaamd Clothilde. Ze was een dochter van het koningspaar Chilperic en Caratena. Haar Bourgondische vader was ariaans*, evenals veel andere Germaanse vorsten die tot het christendom overgegaan waren, maar haar moeder was katholiek. Onder haar invloed was ook Clothilde katholiek geworden. Zij was het die Clovis aanspoorde zich te laten dopen.

In 496 versloeg Clovis de Alemannen. In datzelfde jaar, op 25 december 496 (maar er zijn ook historici die 497, 499 of 506 als opties noemen), liet Clovis zich in de stad Reims dopen tot christen. Samen met een gevolg van 3000 Frankische krijgers en Clovis’ zussen Abboflede en Lantechilde. De meeste historici gaan er ervan uit dat het verhaal dat de overwinning op de Alemannen Clovis naar het christendom dreef, een legende is. In elk geval was hij tot deze doopplechtigheid aangespoord door zijn vrome vrouw Clothilde. De plechtigheid werd voltrokken door Remigius van Reims (ca.437-533), de bisschop van Reims. Over de motieven van Clovis is in de historiografie naar voren gebracht dat Clovis hiermee de Gallisch-Romeinse aristocratie die al rooms-katholiek was, achter zich wilde krijgen. Zo kon hij de Visigoten, die en rijk hadden opgebouwd in het huidige Spanje en Zuid-Frankrijk en de ‘ketterij’ van het arianisme aanhingen – makkelijker bestrijden. Hoogstwaarschijnlijk was Clovis’ bekering inderdaad ingegeven door machtspolitieke ambities. Hoe machtspolitiek zijn motief ook was, zijn doop vormde een belangrijke stap in de kerstening van West-Europa. In 507 verplaatste Clovis het machtscentrum van Doornik naar Parijs, nadat hij de Visigoten verslagen had. Op 27 november 511 overleed hij in Parijs. Bij zijn overlijden hadden de Franken zeggenschap over bijna de volledige provincie Gallië, dat voortaan Frankrijk heette: het rijk van de Franken. Tot zover de kerstening van Frankrijk. Ik ga niet in op de verdere christianisering van Frankrijk in de eeuwen erna, maar vervolg mijn verhaal met de vervolging van de Protestanten in de 17e en 18e. eeuw in Frankrijk.

De vervolging van de Protestanten

De vervolging die het protestantisme, beter bekend als de Hugenoten, heeft ondergaan in de 17de en 18de eeuw in Frankrijk is voldoende bekend. Lodewijk XIV en de katholieke kerk hadden besloten de protestanten door een enorme actie te dwingen katholiek te worden en degenen die weigerden, het bestaan onmogelijk te maken. De vorige koning, de bekende Hendrik de Vierde, had tijdens zijn regering het Edict van Nantes uitgevaardigd in 1598, waarbij de protestanten volledige vrijheid van godsdienst werd toegestaan. Er bestonden toen 760 kerken. Onder zijn opvolger, de meedogenloze Lodewijk de Dertiende, begonnen de vervolgingen opnieuw, vooral met de medewerking van de kardinaal Richelieu. De vrijsteden waarover de protestanten beschikten werden ingenomen, maar niet zonder strijd. Echter onder de regering van Lodewijk XIV, die begon in 1643, werd de vervolging officieel opgevoerd tot een ontstellende graad van wreedheid en meedogenloosheid. Het protestantisme moest worden uitgeroeid, zonder meer. Alle protestantse kerkgebouwen werden afgebroken. Een menigte van geestelijken werd eerst gezonden naar de protestantse gebieden om de mensen tot de katholieke kerk te laten overgaan door overreding en omkoping, maar dat gaf niet veel resultaten. Men moest veel harder te werk gaan. De koning zond daarop afdelingen van dragonders naar die gebieden om met geweld de protestanten te doen overgaan naar de Roomse kerk. Deze soldaten hadden vrij spel. Ze drongen de huizen binnen om de bewoners te dwingen katholiek te worden en zo niet dan werden ze uiterst wreed behandeld, geslagen, mishandeld, gemarteld, soms gedood, meisjes werden verkracht. Er zou nog veel meer te zeggen zijn. Het doel was hen het leven onmogelijk te maken. Door dit beestachtig optreden gaf een aantal protestanten toe om zogenaamd katholiek te worden, maar dat was maar schijn, ook om hun kinderen te sparen, die hen anders werden afgenomen om in kloosters te worden opgevoed. Ze woonden de mis bij, maar thuis ging de Bijbel weer open en las de vader van het gezin een gedeelte, en sprak over het ware geloof. Maar hun geweten liet hen niet met rust, en ze voegden zich bij de andere geloofsgenoten, om bijeen te komen in geheime bijeenkomsten, meestal in de open lucht. Vandaar de naam ‘le Désert’ (de Woestijn). De predikanten werden zonder meer omgebracht. De anderen gingen van plaats tot plaats, waar ze verborgen werden door de protestanten, die in die tijd Hugenoten genoemd werden. Maar ze liepen steeds de kans opgespoord te worden. In deze leegte kwam een merkwaardig verschijnsel op, namelijk dat van de profeten: christenen die zeiden te spreken door de Geest. Ze bemoedigden de gelovigen en hielden het vuur brandende, maar helaas was niet alles wat de één of ander zei in overeenstemming met Gods Woord.

Een nieuwe wending kwam door een bijzondere gebeurtenis die plaats heeft gevonden in een bekend dorp in de bergstreek van de Cévennes. In dit dorp, Le Pont de Monvert, bevond zich een Roomse geestelijke die met soldaten Hugenoten oppakten en hen opsloot in de kelders van zijn groot huis waar ze op een gruwelijke manier werden gemarteld. Deze ongelofelijke wreedheid bracht een groep Hugenoten ertoe zich te bewapenen om daarna tot de aanval over te gaan. De martelaren werden bevrijd, en de geestelijke, Du Chayla, werd gedood. Daarmee brak de periode aan van het gewapend verzet. Andere Hugenoten voegden zich bij hen en vormden uiteindelijk een klein leger van tegen de 2000 man. Op handige wijze wisten ze aan wapens en munitie te komen. Deze strijders werden de camisards genoemd. De strijd tegen de troepen van de koning werd voornamelijk gevoerd in de streek van de Cévennes en soms verder op. De wegen van nu bestonden natuurlijk niet, en de camisards kenden ieder pad en ieder ravijn, en konden zo onverwacht tot de aanval overgaan, of zo nodig ontsnappen en zich verbergen. Soms vonden er zelfs veldslagen plaats. Hun strijdlied was Psalm 68, die ze zongen voor ieder gevecht. Dit alles maakten de acties van de dragonders zeer moeilijk, hoewel hun aantal wel tot twintigduizend man was opgevoerd Het verzet van de Hugenoten was zo geweldig dat de koning twee legeraanvoerders heeft moeten afzetten. De opvolger paste een nog meedogenlozer tactiek toe. Het was zo dat de camisards voedsel en hulp kregen van de bevolking. Daar wilde de generaal van de dragonders een eind aan maken door deportatie en het verwoesten van zo’n 460 dorpen. De weggejaagde bevolking moest maar zien hoe in leven te blijven. Eén van de aanvoerders van de camisards, de befaamde Cavalier, werd verleid door een vredesaanbod en dacht te onderhandelen. Dit liep op niets uit en hij vluchtte naar het buitenland. De heldhaftige aanvoerder, Roland, geloofde totaal niet in de beloften van de koning en zette de strijd voort. In 1704 werd hij echter verraden en gedood. Daarmee was weldra het gewapend verzet gebroken. Inmiddels werden de mannen die opgepakt waren en hun geloof niet wilden verloochenen, naar de galeien gezonden, waar ze met kettingen aan de banken werden vastgemaakt voor het gehele seizoen op zee, behalve de winter. Dat was een zeer hard lot! De vrouwen en meisjes werden in forten en torens opgesloten voor het leven, onder andere in de bekende Tour de Constance die een hoektoren is van het ommuurde stadje Aigues Mortes (ten Zuid-Westen van Nîmes). Daar bevond zich tevens de bekende geloofsheldin Marie Durand die gedurende 38 jaar de gevangenen bemoedigde en hun geloof versterkte. Haar naam is dan ook alom bekend en geëerd. De kinderen werden naar de kloosters gestuurd. Inmiddels kwam de predikant Claude Brousson terug uit Lausanne om de kerken weer te reorganiseren en om de gelovigen die nog waren overgebleven, bij te staan en te bemoedigen. Dat was tevens de taak die Antoine Court op zich had genomen. In Genève werden nu Hugenoten opgeleid tot predikant. Deze predikanten gingen terug naar Frankrijk om daar onder zeer hachelijke omstandigheden de gelovigen te bezoeken en diensten te leiden, wetende eventueel een wrede martelaarsdood tegemoet te gaan. Velen zijn dan ook omgekomen.

Intussen waren veel Hugenoten naar het buitenland gevlucht, wat niet makkelijk was wegens de bewaakte grenzen. Ze gingen naar diverse landen maar vooral naar Nederland, waar ze goed ontvangen werden. Zo vinden wij vandaag in Nederland mensen die een zuiver Franse naam dragen. In de landen waar ze terecht kwamen, brachten ze voorspoed omdat onder hen veel bekwame vaklieden waren en industriëlen. Later heeft Frankrijk bemerkt wat een economische aderlating dit is geweest; en dat wordt tot op heden nog gezegd. Onder de regering van Lodewijk XVI werd in 1787 het ‘Edict de Tolérance’ uitgevaardigd en dat betekende het einde van de vervolgingen. De Hugenoten mochten weer bijeenkomen en kerkdiensten houden. Maar door de Franse revolutie kregen ze weer alle burgerrechten terug. Als men die geschiedenis leest, kan men niet anders dan getroffen zijn door zoveel volharding in het ware geloof, gegrond op de Bijbel. Laten wij hun voorbeeld volgen.

Het Jansenisme

Rond 1650 kreeg de Kerk in Frankrijk intern te kampen met het jansenisme. Het jansenisme was een hervormingsbeweging die in de zeventiende eeuw binnen het Europees katholicisme ontstond, in navolging van de Ieperse hoogleraar (en latere bisschop) Cornelius Jansenius (1585-1638). De augustijnse stroming sloot aan bij de beweging van de contrareformatie. Verder streefden jansenisten een ascetische levenswijze na, verwierpen ze de pauselijke onfeilbaarheid en Maria’s Onbevlekte Ontvangenis. Het streven van de jansenisten naar volledige onafhankelijkheid van Rome werd gesteund door veel Franse parlementen die streden om het hoogste gezag. De parlementariërs vonden daarbij echter koning Lodewijk XIV op hun pad die meende de door God aangewezen heerser van het land te zijn. Parlementen beschouwde de absolutistische vorst als niet meer dan adviescolleges.

Het jansenisme werd in verschillende pauselijke bullen veroordeeld. Paus Urbanus VIII veroordeelde de beweging bijvoorbeeld in 1642 in de bul In Eminenti. Ook belangrijk was de bul Regiminis Apostolici uit 1665 waarin vijf stellingen uit Jansenius postume werk werden verworpen. Geestelijken of kloosterlingen die deze bul niet wilden ondertekenen werden voortaan als jansenist beschouwd. In 1713 vaardigde paus Clemens XI, op aandringen van koning Lodewijk XIV, de bul Unigenitus uit waarin stellingen in het boek van Quesnel officieel als ketters werden bestempeld. Een jaar later dwong de koning het Franse parlement deze bul te aanvaarden. Voor Lodewijk was bestrijding van het jansenisme van belang omdat jansenisten zich niet alleen verzetten tegen de onfeilbaarheid van de paus, maar ook in toenemende mate tegen de groeiende macht van de koning. Koning Lodewijk XIV voerde een politiek van religieuze eenheid en bestreed groeperingen die afweken van de officiële katholieke leer. In 1685 had hij om die reden bijvoorbeeld ook het Edict van Nantes herroepen dat decennialang beperkte vrijheid had geboden aan de Hugenoten, de Franse aanhangers van de Franse-Zwitserse theoloog en kerkhervormer Johannes Calvijn. In 1710 werd het klooster Port-Royal, centrum van het jansenisme, verwoest.

Het Gallicalisme

Na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV werd het katholicisme staatsgodsdienst. Vanaf de 18e eeuw kreeg de RK-kerk te kampen met een toenemende mate van antiklerikalisme tijdens de Verlichting, de Franse Revolutie en vanaf 1880 in de Derde Republiek. Het Concordaat van 1801 betekende het einde van het gallicanisme. Het gallicanisme dateert uit de 17de eeuw en vond onder de regering van Lodewijk XIV zijn scherpste uitdrukking in de Gallicaanse Artikelen die door Jacques-Bénigne Bossuet in 1682 werden opgesteld: (1) Aan de pausen is alleen volmacht gegeven over geestelijke zaken. (2)  de uitoefening van de volheid van de geestelijke macht zijn de pausen onderworpen aan het gezag van een algemeen concilie. (3) Bij de uitoefening van zijn macht moet de paus de instellingen, regels en gebruiken van de Franse Kerk en het Franse rijk onverkort handhaven. (4) In zaken van geloof heeft de paus een hoofdaandeel en zijn decreten gelden voor de gehele Kerk, maar ze zijn niet onherroepelijk, tenzij de instemming van de gehele Kerk gegeven is. Deze artikelen dreigden een aanleiding te worden tot een formeel schisma en werden door paus Alexander VIII (1689-1691) verworpen. Ze werden door Lodewijk XIV in 1693 ingetrokken, maar bleven geregistreerd in de akten van de parlementen, zodat de Gallicaanse beginselen hun geldigheid behielden tot de Franse Revolutie (1789). In 1801 sloten Pius VII en Napoleon een concordaat, maar door zijn eigenmachtige optreden nam Napoleon vele gedane concessies terug.

De Franse revolutie en de RK-kerk

De Franse Revolutie had een grote impact op de verhouding tussen kerk en staat. De revolutionairen probeerden de eeuwenoude – sinds het doopsel van Clovis – banden, de l’union du trône et de l’autel (vereniging van troon en altaar), door te snijden. Ze wilden godsdienstvrijheid en de invloed van de kerk in de samenleving terugdringen en de maatschappij laïciseren*. De Revolutie wilde een kerk die bij de staat zou passen. Ze vaardigde de Constitution civile du clergé (Burgerlijke grondwet van de geestelijkheid) uit, die echter onder invloed van de revolutionaire dynamiek en de buitenlandse druk, o.a. van de paus, voor een scheiding zorgde tussen kerk en Revolutie en ook de kerk onderling. Tijdens de radicale fase van de Revolutie (1792-1994) met als hoogtepunt de Terreur o.l.v. Robespierre was er een campagne om het katholicisme uit te roeien. De gelijktijdig opgezette revolutionaire religieuze culten kregen echter weinig aanhang. De katholieke clerus dook onder of ging in ballingschap. Het Directoire (1794-1799) beloofde aanvankelijk godsdienstvrijheid, maar ging weldra opnieuw over tot kerkvervolging, wat in de Belgische gewesten de ‘Beloken Tijd’* inluidde. Pas Napoleon verzoende de katholieken met de Revolutie door het Concordaat met paus Pius VII, waardoor er godsdienstvrijheid kwam, maar hij consolideerde de laïcisering. Het katholicisme als staatsgodsdienst werd voltooid verleden tijd.

De vervolging van de RK-kerk

De ontkerstening of ontchristening (Frans: déchristianisation) van Frankrijk tijdens de Terreur, de climax van de Franse Revolutie, was een grootschalige aanval van de revolutionaire Franse overheid op de Rooms-Katholieke Kerk. Het rooms-katholieke geloof werd vervangen door een atheïstische, humanistische antigodsdienst, de Cultus van de Rede. Priesters werden vervolgd en vermoord en kerken werden met geweld en vernieling omgevormd tot ‘tempels van de rede’.

Achtergrond

Onder het Ancien Régime, het Frankrijk voor het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789, was het rooms-katholicisme de staatsgodsdienst. Zo'n 95% van de bevolking hing het geloof aan. De Rooms-Katholieke Kerk was de grootste landeigenaar van het land en verdiende aan de tienden die van de bevolking geïnd werden. De machtspositie van de Kerk was geïnstitutionaliseerd als de eerste stand (premier état) van de Staten van Frankrijk. De bisschoppen waren allen afkomstig uit de adel. In 1789 bestond de Franse clerus uit 130.000 priesters, monniken en nonnen (ongeveer een half procent van de bevolking).

Ontkerstening

De antikatholieke hetze begon direct na het uitbreken van de revolutie. Al in augustus 1789, enkele weken na de bestorming van de Bastille, werd het de Kerk verboden om belastingen te heffen. De revolutionairen verklaarden het kerkelijk eigendom openbaar bezit en verkochten het via executoriale verkoop. In februari 1790 werden alle kloosterordes opgeheven, en op 12 juli 1790 nam de Nationale Grondwetgevende Vergadering de wet op de Constitution civile du clergé (burgerlijke inrichting van de geestelijkheid) aan, waarbij pastoors en bisschoppen omgevormd werden tot door de staat betaalde en door het volk verkozen ambtenaren. Ze moesten een eed van trouw aan de grondwet zweren. Op 13 april 1791 verklaarde paus Pius VI zich tegen de wet, waardoor de priesters (de RK-kerk) in twee facties uiteenvielen: degenen die bereid waren de eed van trouw te zweren, en degenen die dat weigerden.

De ontkerstening nam steeds grotere vormen aan in de periode 1792-1794, toen revolutionair Frankrijk van alle kanten bedreigd werd, door zowel buitenlandse legers als royalistische en antirevolutionaire rebellen. De Rooms-Katholieke Kerk werd door de revolutionairen beschouwd als vijandig en antirevolutionair en tijdens de ‘Septembermoorden’ in september 1792 werd een bloedbad onder geestelijken aangericht waarbij onder meer 200 priesters en drie bisschoppen om het leven kwamen. In september 1792 werd echtscheiding gelegaliseerd door de Nationale Conventie en nam de staat de controle over de geboorte-, sterf- en trouwregisters over van de Kerk. In mei 1793 werden de kerken gesloten en werd de katholieke mis verboden; er kwamen zgn. ‘droge missen’. De kerken werden geplunderd en het buitgemaakte goud en zilver werd gebruikt om de oorlog te financieren. Beelden in de kerken werden verwijderd en kruizen en andere religieuze objecten werden vernietigd. Het geconfisqueerde eigendom van de Kerk werd gebruikt als onderpand voor het nieuwe betaalmiddel, de assignaten. Op 21 oktober 1793 werd een wet aangenomen waarbij alle priesters die weigerden een eed van trouw aan de republiek te zweren, en iedereen die hun onderdak verschafte, ter plekke gedood mochten worden. In november 1793 werd het woord dimanche (zondag) verboden en de gregoriaanse kalender vervangen door een republikeinse kalender waarbij de sabbat, heiligendagen en andere christelijke hoogtijdagen afgeschaft werden. De christelijke feestdagen werden vervangen door nieuwe feestdagen die de oogst en andere niet-religieuze zaken vierden. De aartsbisschop van Parijs moest aftreden en zijn mijter inruilen voor een rode Frygische muts. Sommige plaatsnamen van religieuze oorsprong werden veranderd, zoals Saint-Tropez, dat Héraclée ging heten. Al met al werden zo'n 20.000 priesters gedwongen zich terug te trekken en 9.000 werden gedwongen om te trouwen. Zo'n 30.000 priesters ontvluchtten het land en duizenden werden geëxecuteerd. De guillotine werd regelmatig gebruikt om de tegenstanders van de Revolutie te elimineren.

Cultus van de Rede

Als vervanging voor het christelijke geloof werd een atheïstische cultus in het leven geroepen, losjes gebaseerd op het denken van Voltaire en de verlichting. Achter deze Cultus van de Rede (Culte de la Raison) stonden enkelen van de meest radicale revolutionairen in Parijs, zoals Jacques-René Hébert, Pierre Gaspard Chaumette en Joseph Fouché. De cultus kreeg veel steun van de sansculottes totdat de vervolging van de hébertisten (de volgelingen van Hébert) door Robespierre de beweging ondergronds dreef. Op 10 november 1793 proclameerde de Nationale Conventie op suggestie van Chaumette een Godin van de Rede die door de cultus geëerd zou worden. Mmle. Maillard, een populaire zangeres, werd gekozen als personificatie van deze godin. Chaumette organiseerde vervolgens een Fête de la Raison (Feest van de Rede), waarbij de ‘godin, getooid met Frygische muts, een processie naar de Notre-Dame van Parijs leidde. Daar werd ze op een altaar op een ‘berg’ geplaatst (een referentie aan de montagne van de Nationale Conventie), tussen bustes van Voltaire en Rousseau. Tijdens de ceremonie werd de kathedraal omgedoopt tot de Tempel van de Rede.

Toen Robespierre de macht greep in Frankrijk en de Terreur zijn hoogtepunt bereikte werden veel van de voorstanders van de Cultus van de Rede geëxecuteerd. Robespierre verving de cultus in 1794 met een nieuwe, deïstische Cultus van het Opperwezen (Culte de l'Être suprême), die zijn hoogtepunt bereikte met een Fête de l'Être suprême (Feest van het Opperwezen) op 8 juni, waarbij Robespierre als een soort hogepriester optrad. Robespierres nieuwe godsdienst werd algemeen belachelijk gemaakt en versnelde zijn politieke ondergang en executie.

Herstel van de Rooms-Katholieke Kerk

Na de val van Robespierre nam het nieuwe regime, het Directoire, op 21 februari 1795 een wet aan waarbij religieuze praktijken weer werden toegestaan. Het luiden van kerkklokken, religieuze processies en het tonen van kruizen was echter nog steeds verboden. In 1799 werden priesters nog steeds gevangengezet en gedeporteerd naar strafkolonies. Het Directoire steunde alternatieven voor het rooms-katholicisme, zoals de culte décadaire en de Theofilantropie, hoewel deze weinig voet aan de grond kregen. In 1798 namen Franse revolutionaire troepen Rome in en namen Paus Pius VI gevangen. De Kerkelijke Staat werd opgeheven en vervangen door een Franse vazalstaat, de Romeinse Republiek. De paus stierf het jaar erop in ballingschap. Na zijn machtsgreep in 1799 zocht Napoleon Bonaparte verzoening met de Kerk. In 1800 werd de Kerkelijk Staat hersteld, en in 1801 ondertekenden Napoleon en Paus Pius VII het Concordaat van 1801. In de daarbij aansluitende encycliek Ecclesia Christi erkende Pius VII de Franse Republiek, die van haar kant het katholicisme uitriep tot ‘godsdienst van de meerderheid’. De wens van het Vaticaan om het katholicisme tot staatsgodsdienst uit te roepen werd echter niet ingewilligd. Het Concordaat voorzag in: het herstel van de vrijheid van eredienst, een bezoldiging van de katholieke geestelijkheid door de Staat, in ruil voor de tijdens de Revolutie genationaliseerde en door de revolutionaire regering verkochte kerkelijke bezittingen een herindeling van Frankrijk (de geannexeerde zuidelijke Nederlanden inbegrepen) in nieuwe bisdommen (vermindering tot 60 bisdommen in Frankrijk).

In 1804 was de paus aanwezig bij de kroning van Napoleon in Parijs, waar hij moest toezien hoe Napoleon zijn rug naar hem keerde en zichzelf tot keizer kroonde. Ondanks het herstel van de Kerk, verslechterde de relatie tussen Napoleon en Pius VII snel, hoewel het conflict tussen paus en keizer een machtsstrijd was en niet de religieuze vrijheid betrof. In 1808 verdween de Kerkelijke Staat nogmaals toen het werd ingelijfd in Napoleons Eerste Franse Keizerrijk en het Koninkrijk Italië. De paus reageerde hierop door Napoleon in de ban te doen, waarop Napoleon op zijn beurt de paus liet gevangennemen. Na de val van Napoleon in 1815 volgde de Restauratie, waarbij de machtspositie van de Kerk vóór de Franse Revolutie voor een groot deel hersteld werd.

Gevolgen

De ontkerstening tijdens de Franse Revolutie wordt vaak als grondslag gezien voor het laïcisme, de scheiding van kerk en staat in Frankrijk die in 1905 wettelijk vastgelegd werd, en in 1958 in de grondwet verankerd werd. Het Concordaat van 1801, waarmee Napoleon een einde maakte aan de ontkerstening, eindigde de status van het rooms-katholicisme als enige erkende godsdienst in Frankrijk. Met het Concordaat kregen ook drie andere religies officiële erkenning: het jodendom, calvinisme en lutheranisme.

Tenslotte

De vraag die ik aan het begin van dit artikel stelde: ‘Was de vervolging die de RK-kerk tijdens de Franse revolutie heeft ondergaan een ‘koekje van eigen deeg’? Was het een oordeel van God, een goddelijke vergelding van wat men de Protestanten c.q. de Hugenoten eerder had aangedaan? Met andere woorden: zou er een oorzakelijk verband kunnen zijn?’ Ik laat de beantwoording van deze vragen graag aan de lezer over. Naar de toekomst kijkend zou de vervolging van de RK-kerk tijdens de Franse revolutie een ‘voorproefje’ kunnen zijn van wat het naamchristendom in de eindtijd, na de Opname van de Gemeente, zal moeten ondergaan. Ik denk dan aan wat geschreven staat in de hoofdstukken 17 en 18 van het boek Openbaring. En ligt er ook niet eens les voor ons Evangelische Gemeenten in, om voorzichtig om te gaan door verbintenissen te sluiten met de overheid…?

_____________________________________________________________

*Arianisme

Het arianisme is een stroming binnen het christendom, ontstaan in het begin van de vierde eeuw, die werd genoemd naar haar stichter Arius (256-336), presbyter van Alexandrië. In het arianisme wordt het dogma van de drie-eenheid niet geaccepteerd. Zowel Jezus als de Heilige Geest worden gezien als scheppingen van God, die ondergeschikt zijn. Jezus is hierbij alleen ondergeschikt aan God, terwijl de Heilige Geest ondergeschikt is aan zowel Jezus als God.

*Laïsering

Laïcisatie of laïcisering (v. Kerklat. laicus = leek) is het terugbrengen van een geestelijke van de Rooms-Katholieke Kerk in de lekenstand. Bij geestelijken met een hogere wijding kan dit, met inbegrip van de ontheffing van de celibaatsverplichting, gebeuren door een dispensatie van de Heilige Stoel, door een decreet of rechterlijke uitspraak dat de wijding onder ernstige vrees ontvangen werd, of ook bij wijze van kerkelijke straf, bijvoorbeeld bij degradatie. In dit laatste geval blijft de celibaatsverplichting bestaan. Door laïcisatie verliest een geestelijke zijn ambt en alle klerikale rechten en verplichtingen. De wijding zelf kan men niet verliezen. Terugkeer is mogelijk met verlof van de Heilige Stoel of de plaatselijke bisschop.

*Beloken tijd

Met de ‘beloken tijd’ wordt in de Zuidelijke Nederlanden de tijd bedoeld van ongeveer 1796 tot 1801. Het was de tijd van de Franse Revolutie waarin van katholieke geestelijken werd geëist dat ze de eed van trouw aan de Republiek aflegden en de monarchie afzwoeren, de zogenaamde 'eed van haat'. Veel geestelijken verzetten zich tegen deze antikatholieke maatregel. Een aantal geestelijken sympathiseerden ook met het ancien régime. Zij die de eed weigerden, werden steeds strenger vervolgd en moesten zelfs onderduiken. Het was ook de tijd van de Boerenkrijg (1798).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Onderwijs van de Twaalf Apostelen aan de Volken

 

De Didache

 

Inhoud

Voorwoord

Geschiedenis van de Didache

Discussie over de Didache

Samengesteld document

Wanneer en waar de Didache is geschreven

De Didache en de Bijbel

Theologie van de Didache

Indeling Didache

Het Onderwijs (Didache) van de Twaalf Apostelen aan de Volken (Vertaling)

Voorwoord

U hebt een vertaling in handen van wat waarschijnlijk het eerste christelijke boekje is dat meteen na het Nieuwe Testament is geschreven. Het is zelfs goed mogelijk dat delen ervan zijn geschreven toen de brieven van Paulus nog niet eens bestonden. Het is oeroud dus. Wat ik persoonlijk zo mooi vind aan het lezen van de Didache (dat Griekse woord betekent onderwijs; de complete titel is Het Onderwijs van de Twaalf Apostelen aan de Volken) is dat je inzicht krijgt in het leven van de allereerste gemeente van Christus. Je staat als het ware oog in oog met de gelovigen uit de eerste eeuw. Paulus schrijft in zijn brief aan de Efeziërs (3:17-19) dat hij bidt dat ‘Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods’. Let op die woorden ‘samen met alle heiligen’, dit is belangrijk. De liefde van Christus leren we pas echt kennen in de gemeenschap van de hele kerk. Goed luisteren naar de vroege kerk heeft dus een direct voordeel voor ons: we leren er de liefde van Christus beter door kennen.

Luisteren naar de vroege kerk kan ons ook helpen om ons Nieuwe Testament beter te begrijpen. Hoe geloofden en leefden de eerste christenen? Hoe probeerden zij hun Heer te volgen? Wat de Didache extra bijzonder maakt, is dat het door veel christenen van de vroege kerk tot de Heilige Schrift werd gerekend. Zo belangrijk was dit boekje dus voor de volgelingen van Christus in de eerste eeuwen. De kerk besloot in de vierde eeuw voorgoed dat de Didache toch niet tot de Heilige Schrift gerekend moet worden. Dat wil niet zeggen dat we er niet veel van kunnen leren, zodat we meer leren over onze broeders en zusters van heel lang geleden, en om te zien in hoeverre we zelf ons geestelijk leven kunnen verrijken met dit boekje uit de vroege kerk.

Geschiedenis van de Didache

In de vroege kerk werd de Didache als belangrijk christelijk boekje beschouwd. Het was zelfs zo belangrijk dat kerkvaders als Origenes (185-254) en Athanasius (293-373) zeggen dat het niet tot de Bijbel moet worden gerekend. Blijkbaar waren er gelovigen die dit wel deden en dat waren er zoveel dat belangrijke kerkvaders zich tegen die gedachte moesten uitspreken. Athanasius zegt dat de Didache in Alexandrië werd gelezen in de kerken, maar niet als Heilige Schrift. Eusebius schreef in het begin van de vierde eeuw zijn Kerkgeschiedenis. Daarin zegt hij dat de Didache, samen met een paar andere boekjes, niet tot de canon van het Nieuwe Testament behoort, maar hij zegt erbij dat ‘sommigen het verwerpen terwijl anderen het in [het Nieuwe Testament] plaatsen’.

Toen de kerk gezamenlijk vastlegde welke geschriften het als Heilige Schrift beschouwde, en het Nieuwe Testament zoals we dat nu kennen dus zijn vaste vorm kreeg, viel de Didache net buiten de boot. Misschien is dat ook waarom de Didache daarna niet zorgvuldig werd bewaard. Tot in de 19de eeuw dachten de geleerden dat de Didache voorgoed was verdwenen. In 1873 onderzocht de Grieks-Orthodoxe priester Philotheos Bryennios (1833-1918?) een oude bibliotheek in Constantinopel. Dit was de bibliotheek van het Jeruzalem Klooster van het Heilige Graf. Hij vond daar een Griekse codex van 120 bladzijden; dat bleek een collectie van oude christelijke boeken te zijn. Het manuscript dat hij bestudeerde was gedateerd 1056 na Chr. In dat jaar kopieerde de monnik Leo - hij noemde zichzelf schrijver en zondaar - deze groep oude christelijke geschriften. Tot Bryennios’ grote verrassing zat de verloren gewaande Didache tussen de boekjes die Leo had overgeschreven, en tien jaar later publiceerde hij dit.

Discussies over de Didache

De vondst van de Didache leidde tot grote opwinding onder theologen en kerkhistorici. Binnen een paar maanden na de publicatie van de Griekse tekst werd het vertaald en gepubliceerd in het Duits, Frans en Engels. Met de Didache nu in de hand, begrepen de geleerden meteen dat dit boekje eigenlijk nooit echt helemaal verloren was gegaan; het bleek als basis te zijn gebruikt voor een geschrift dat we uit de vierde eeuw kennen, de Apostolische Constituties. Ook een Ethiopische kerkorde uit de vierde eeuw bleek volop van de Didache gebruik te hebben gemaakt. De vondst van Bryennios heeft ons echter de oudste en meest complete versie in handen gegeven. De Didache zoals we die nu hebben, zorgde voor veel discussie. Voor veel Rooms-Katholieke geleerden klinkt de Didache niet Rooms genoeg; Protestanten zien er te veel werkheiligheid in. Sommigen zien de Didache daarom niet graag als een weerslag van het vroegste christendom. Op basis van hun vooronderstellingen concluderen ze daarom soms dat de Didache het werk van een onbeduidende sekte was, of dat het pas laat is geschreven. Maar bij het lezen van de Didache moeten we onze vooroordelen eerst maar even aan de kant zetten, om de tekst zoals we die hebben op ons te laten inwerken.

Samengesteld document

Er zijn geleerden die menen dat de Didache een samengesteld document is; het zou volgens hen geleidelijk, tussen het jaar 50 en 150 na Chr. zijn ontstaan. Een deel zou heel oud zijn, en andere delen iets jonger. Andere geleerden zijn er zeker van dat het hele document in één keer tot stand kwam, en sommigen denken dat dit ergens tussen 50-70 na Chr. gebeurde. Als de geleerden elkaar tegenspreken is het wijs om de zaak maar in het midden te laten, hoewel de argumenten van degenen die menen dat het een samengesteld document is niet erg aanspreken. Bijna alle geleerden zijn het erover eens dat de Didache elementen bevat die zeer oud zijn, aangezien we er een soort christendom in zien dat al vroeg verdwenen is, bijvoorbeeld met rondtrekkende apostelen en profeten. Maar theologen die menen dat de kerk zijn leer over de Drie-eenheid pas vrij laat ontwikkelde, denken dat de trinitarische gedeeltes later aan de Didache moeten zijn toegevoegd. Dit is geen sterk argument aangezien ook het Nieuwe Testament doordrenkt is van het concept dat de ene God tegelijk Vader, Zoon en Geest is. Dit was het geloof van de Apostolische Kerk.

Wanneer en waar de Didache is geschreven

Egypte en Syrië worden genoemd als mogelijke plaatsen waar de Didache zou zijn ontstaan. Maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen: we weten het gewoon niet. Datzelfde geldt, maar in mindere mate, voor de datering van de Didache. Veel wijst erop dat het geschrift heel vroeg tot stand kwam, vanwege de aandacht die het schenkt de structuur van het leiderschap van de kerk en de aanwezigheid van rondtrekkende predikers. Bovendien, het Avondmaal wordt nog gevierd als onderdeel van een gewone maaltijd. De doop wordt nog op publieke plaatsen, zoals in rivieren, uitgevoerd.

Een charismatische rabbijn, Barry Albin, wist met zekerheid te zeggen dat ‘de tweede bisschop van Jeruzalem, Simon, de halfbroer en neef van Jezus de Messias’ het boekje schreef. ‘Jakobus bestuurde de kerk in Rome tot 62 na Chr., dus moet de Didache tussen 63 na Chr. en de dood van Simon in het begin van de tweede eeuw zijn geschreven’. Helaas, de rabbi had geen andere bron voor deze informatie dan dat ‘De Stem’ hem dit had ingefluisterd. We zullen dit dus maar niet serieus nemen, en accepteren dat we de plaats waar en de tijd wanneer de Didache ontstond niet met zekerheid kunnen vaststellen. Dat de titel van de Didache volledig Het Onderwijs van de twaalf Apostelen aan de Volken luidt, hoeft niet te betekenen dat de apostelen persoonlijk bij het totstandkomen van de Didache betrokken waren. Velen in de vroege kerk geloofden in ieder geval dat de Didache overeenkwam met het onderwijs van de apostelen. Dat geeft ons genoeg reden om er ook vandaag aandachtig naar te luisteren.

De Didache en de Bijbel

De relatie van de Didache tot de Bijbel is moeilijk vast te stellen. We mogen er van uit gaan dat de schrijver de Joodse Heilige Schriften kende, want hij lijkt enkele malen uit die Schriften te citeren. Aangezien het bij al die citaten om teksten gaat die de schrijver ook uit de Joodse liturgie kan hebben gekend, weten we niet in hoeverre hij gebruik maakte van boekrollen van het Oude Testament. Misschien is dat ook niet van belang, aangezien indertijd het uit het hoofd kennen van de teksten gebruikelijker was dan tegenwoordig. Citeerde de Didache uit de geschriften van het Nieuwe Testament? Ook dit is een lastige kwestie. Heel vaak lijkt het of de Didache gebruik maakte van het Evangelie van Mattheus en dat van Lukas, maar gaat het daarbij wel om citaten? Het is niet ondenkbaar dat de Didache citeerde uit de mondelinge of de geschreven traditie waaruit Mattheus en Lukas zelf ook hebben geput. Of heeft Mattheus misschien gebruikt gemaakt van de Didache? Dit veronderstelt natuurlijk dat de Didache een oeroud geschrift is. Opvallend is verder, dat niets er op wijst dat de schrijver van de Didache contact had met of iets gelezen had van Paulus, Petrus, of Johannes. Sommigen concluderen daaruit dat de heel vroege kerken nogal geïsoleerd waren - ze spreken dan van ‘het milieu van Mattheus’ of ‘het milieu van Paulus’, of van weer een ander. Echter, alles wijst er juist op dat de vroege kerken veel onderling contact hadden. In het Romeinse Rijk was dat echt niet ingewikkeld, met een uitstekend wegennetwerk en met goede manieren om brieven te kopiëren en te verspreiden. Derhalve lijkt het me beter dit ‘gebrek’ aan directe citaten eerder te zien als aanwijzing dat de Didache echt heel vroeg is geschreven, misschien nog voordat Paulus zijn eerste brieven schreef.

Theologie van de Didache

In de Didache komt een aantal belangrijke geloofsovertuigingen aan bod. De persoonlijke levensstijl die van de gelovigen wordt verwacht, is die van de radicale Bergrede, Mattheus 5-7. Opvallend is dat specifiek wordt geageerd tegen abortus en kindermisbruik. Ook mogen de gelovigen zich niet inlaten met magie en het gebruik van toverdrankjes. Zulke zaken waren in het Romeinse Rijk gemeengoed. Zorg voor de armen wordt als belangrijke deugd onderstreept. De prediker in de christelijke gemeenschap werd gezien als een vertegenwoordiger van de Heer en verdiende dus eer. De gelovigen moesten dagelijks bijeenkomen voor gebed en alles doen wat goed was voor hun eenheid. Dit behelsde onder meer onderlinge armenzorg. Bidden in de gemeente mocht pas als mensen hun zonden hadden beleden. Het was van belang het Onze Vader driemaal daags te bidden. De Didache geeft vrij nauwkeurige opdrachten voor dopen, vasten, en de Avondmaal. Al heel vroeg kende de gemeente van de Didache blijkbaar gezaghebbende leiders en een tamelijk vastliggende liturgie. De doop moest bij voorkeur plaatsvinden door onderdompeling in stromend water, maar desnoods was, bij gebrek aan water, besprenkeling ook goed. De doop moest plaatsvinden in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Geest. Deze heel vroege gemeente was dus trinitarisch.

De Didache bepaalde dat de gelovigen niet moesten vasten op de dagen dat de Joden dat ook deden, maar volgelingen van Jezus moesten het doen op woensdag en vrijdag. De volgelingen van Jezus moesten zich dus duidelijk onderscheiden van die Joden die Hem niet volgden. Voor het vieren van het Avondmaal schrijft de Didache nauwkeurig de gebeden voor die bij brood en wijn moesten worden gebruikt. Opvallend daarbij is dat voor de eenheid van de gemeente moest worden gebeden. Dit was een belangrijk thema. Hierbij wordt de Joodse verwachting van een terugkeer naar het Heilige Land omgebogen tot een verwachting dat alle gelovigen in Christus zich bij de ene gemeente zullen aansluiten - een gemeente waarvan de grens tot in de eeuwigheid rijkt. De Eucharistie wordt een offer genoemd, die als vervulling wordt gezien van de offers aan God die volgens Maleachi 1:11 eenmaal onder de heidenvolken zullen worden gebracht.

De gemeente kwam op de zondag bijeen voor de viering van de Eucharistie. Vóór die viering moest schuldbelijdenis plaatsvinden. De gemeente had opzieners en diakenen om leiding te geven. De gemeente moest iedereen die in de naam van de Heer langs kwam, welkom heten. Gastvrijheid was van groot belang, maar als iemand die zich profeet of apostel noemde die gastvrijheid misbruikte, dan moest de gemeente hem niet als ware dienaar van Christus erkennen en hem niet onderhouden. De urgentie van al deze dingen was groot, want het was het einde der tijden. In de gemeente zal de liefde verkillen en er zal een antichrist opstaan. Maar dan zal de Heer komen om de wereld te oordelen.

INDELING DIDACHE

1. Twee wegen 1.1-2.7

2. Bewaar je gedachten 3.1-10

3. Gedrag in gezin en gemeente 4.1-14

4. Weg van de dood 5.1-2

5. Wat je eet 6.1-3

6. Hoe te dopen 7.1-5

7. Hoe te vasten en te bidden 8.1-3

8. Eucharistie 9.1-10.7

9. Rondtrekkende leraars, apostelen en profeten 11.1-13.7

10. Liturgie 14.1-3

11. Leiders in de kerk 15.1-2

12. Pastoraal advies 15.3-4

13. Urgentie van dit alles: leven in de eindtijd 16.1-8

Het onderwijs van de Didache

Hoofdstuk 1:

ER ZIJN TWEE WEGEN

1. Er zijn twee wegen, één van het leven en één van de dood.1 Het onderscheid is groot tussen de twee wegen.

EERSTE GEBOD VAN WEG VAN HET LEVEN

2. De weg van het leven is dit: Ten eerste, heb God, die u gemaakt heeft, lief. Ten tweede, [heb] uw naaste [lief] als uzelf. [Dat laatste wil zeggen:] Alles wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet aan.

3. Van deze [voorgaande] woorden is het onderwijs dit: zegent wie u vervloeken en bidt voor uw vijanden, en vast voor wie u vervolgen. Want wat voor verdienste is er wanneer u liefhebt wie u liefhebben? [Is het] niet [zo dat] ook de volken datzelfde doen? U echter, hebt lief wie u haten, en u zult [zo doende] geen vijand hebben.

4. Verwerp de vleselijke en lichamelijke begeerten. Indien iemand u een klap op de rechterwang geeft, keer hem ook de andere [wang] toe, en u zult volmaakt zijn. Indien iemand u dwingt één mijl te gaan, ga er twee met hem. Indien iemand uw bovenkleed neemt, geef hem ook uw onderkleed. Als iemand iets van u afpakt wat u toebehoort, vraag het niet terug, want u kunt dat niet doen.

5. Geef aan allen die [iets] van u vragen, en vraag [dat] niet terug, want de Vader wil aan allen geven van zijn eigen gaven. Gezegend is wie geeft in overeenstemming met [dit] gebod, want hij is onschuldig. Wee degene die ontvangt. Wanneer iemand die het [echt] nodig heeft iets ontvangt, die is [dan] onschuldig, maar wie ontvangt zonder [echte] behoefte, zal rekenschap [moeten] geven waarom en waartoe [hij die gift accepteerde]. In de gevangenis zal hij worden ondervraagd over wat hij heeft gedaan en hij zal daaruit niet worden vrijgelaten totdat de laatste cent is betaald.

6. Hierover is verder ook dit gezegd: ‘Laat uw gift zweten in uw handen totdat u weet aan wie het te geven.

Hoofdstuk 2:

TWEEDE GEBOD VAN HET ONDERWIJS

1. Het tweede gebod van het onderwijs [is]:

2. Moord niet; pleeg geen overspel; schend geen jongens; pleeg geen ontucht; steel niet; doe niet aan magie; bereid geen toverdranken; dood geen kind in [een daad van] corruptie noch een pasgeborene; begeer niet wat uw buurman toebehoort.

3. Pleeg geen meineed; leg geen vals getuigenis af; spreek geen kwaad; wees niet haatdragend.

4. Hink niet op twee gedachten en spreek niet met een dubbele tong want een dubbele tong is een dodelijke val.

5. Uw spreken moet niet onwaar en leeg zijn, maar handel ernaar.

6. Wees niet begerig of hebzuchtig, of huichelachtig, of kwaadwillig, of arrogant. Smeed geen slecht plan tegen uw buurman.

7. Haat geen enkel mens, maar vermaan sommigen, bid voor sommigen, en heb sommigen meer lief dan uw [eigen] zielen.

Hoofdstuk 3:

GEDRAG BEGINT MET EEN GEDACHTE

1. Mijn kind, ontvlucht alle kwaad en alles wat daarop lijkt.

2. Wees niet toornig want toorn leidt tot moord. Wees niet jaloers of een ruziemaker of een heethoofd, want uit dat alles komt moord voort.

3. Mijn kind, wees niet begerig, want begeerte leidt tot ontucht. Wees geen vuilspreker en geef uw ogen niet de kost, want dat alles leidt tot overspel.

4. Mijn kind, wees niet iemand die waarde hecht aan voortekenen want dat leidt tot afgoderij. Doe niet aan toverij; wees geen astroloog; doe niet aan magie, en wil dit niet [eens] zien, want al die zaken leiden tot afgoderij.

5. Mijn kind, wees geen leugenaar, want liegen leidt tot diefstal. Wees niet geldzuchtig en ijdel want uit dit alles komen diefstallen voort.

6. Mijn kind, wees geen mopperaar want dat leidt tot godslastering. Wees niet aanmatigend of kwaadaardig, want uit dit alles komen godslasteringen voort.

7. Integendeel, wees nederig, want de nederigen zullen de aarde beërven.

8. Wees geduldig en barmhartig en onschuldig en rustig en goed en beef altijd voor de woorden die u hebt gehoord.

9. Verhef uzelf niet en sta uw ziel niet toe overmoedig te worden. Laat uw zielen niet verbonden zijn met hooghartigen maar verbind uzelf met rechtvaardigen en nederigen.

10. De dingen die u overkomen, ontvang die als goed, wetend dat buiten God om niets gebeurt.

Hoofdstuk 4:

GOED GEDRAG IN GEZIN EN GEMEENTE

1. Mijn kind, denk dag en nacht aan degene die het woord van God tot u spreekt, en eer hem als [ware hij de] Heer. Want waar over de heerschappij wordt gesproken, daar is de Heer.

2. Zoek bovendien dagelijks het aangezicht van de heiligen zodat u steun vindt in hun woorden.

3. Veroorzaak geen verdeeldheid maar breng vrede tussen wie strijden. Oordeel rechtvaardig; wees onpartijdig als u oordeel velt bij overtredingen.

4. Twijfel niet of iets [waar] is of niet.

5. Wees niet iemand die de handen uitstrekt om te ontvangen maar die ze intrekt als het op geven aankomt.

6. Als u [geld] hebt [verdiend] met uw handen, betaal [dan] een losprijs voor uw zonden.

7. U zult niet aarzelen om te geven en niet mopperen wanneer u geeft, want u weet wie de goede Vergelder van het loon is.

8. Wijs de behoeftige niet af maar hebt alle dingen gemeenschappelijk met uw broeders en zeg niet dat iets het uwe is. Immers, als jullie gemeenschap hebben in wat blijvend is, des te meer in het vergankelijke.

9. Weerhoud uw hand niet van uw zoon en van uw dochter, maar onderwijs ze de vreze des Heren vanaf hun jonge jaren.

10. Beveel uw [manlijke] slaaf of dienstmeisje, die hopen op dezelfde God als u, niet op een woedende manier, opdat ze niet ophouden de God die [Heer] over u beiden is, te vrezen. God immers roept [mensen] niet op basis van [aanzien van] de persoon, maar [gebaseerd op] wie de Geest heeft voorbereid.

11. En u, slaven, onderwerpt u aan de heren, als symbool van God, in respect en vrees.

12. Haat alle huichelarij en alles wat de Heer niet behaagt.

13. Verzaak de geboden van de Heer niet maar bewaar wat u hebt ontvangen zonder [daaraan] toe te voegen of ervan weg te laten.

14. Belijd in de gemeente uw zonden, en u zult niet tot uw gebed naderen met een slecht geweten. Tot zover de weg van het leven.

Hoofdstuk 5:

DE WEG VAN DE DOOD

1. Maar van de dood is dit de weg. Allereerst is het vol kwaad en volledig vervloekt; moord, overspel, begeerte, ontucht, diefstal, afgoderij, magie, toverij, roof, valse getuigenissen, huichelarij, dubbelhartigheid, list, trots, slechtheid, koppigheid, hebzucht, vulgair taalgebruik, jaloezie, overmoed, hooghartigheid, gesnoef.

2. [Op de weg van de dood vindt u] vervolgers van goede [mensen], haters van waarheid, liefhebbers van de leugen, degenen die het loon van rechtvaardigheid niet kennen, die niet hechten aan het goede en aan een rechtvaardig oordeel, die geen oog houden op het goede maar op het kwade, die ver verwijderd zijn van vriendelijkheid en geduld, liefhebbers van wat zonder waarde is; die beloningen najagen, zonder barmhartigheid voor de armen, die zich niet inzetten voor slachtoffers, die niet erkennen wie ze heeft geschapen, kindermoordenaars, schenders van de schepping van God; die zich afwenden van de hulpbehoevenden, die de verdrukten kwellen, pleitbezorgers zijn van de rijken, oneerlijke rechters voor de armen, totaal zondig. Dat jullie, kinderen, van al deze [mensen] veilig worden bewaard.

Hoofdstuk 6:

MAAK DE JUISTE KEUS

1. Zie erop toe dat niemand u afleidt van deze weg van het onderwijs, want zo iemand onderwijst u los van God.

2. Immers, als u het hele juk van God kunt dragen, zult u volmaakt zijn. Maar als u dat niet kunt, doe dan [in elk geval] wat u [maar] kunt.

VOORSCHRIFTEN OVER VOEDSEL

3. En wat betreft het voedsel, [houdt u aan het juk] voorzover u kunt, maar vermijd in elk geval wat aan de afgoden geofferd is; dat is dienst aan dode goden.

Hoofdstuk 7:

OVER DE DOOP

1. Wat betreft de doop, doopt aldus: nadat u al deze [voorgaande] dingen hebt doorgenomen [met de dopelingen], doopt in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest in stromend water.

2. Maar als u geen stromend water hebt, doopt dan in ander water. En als u niet in koud water kunt dopen, [dan maar] in warm.

3. Als u die allebei niet hebt, giet dan driemaal water over het hoofd in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

4. En voor de doop, laten degene die doopt en de dopeling vasten, net als eenieder ander die dat kan.

5. U dient de dopeling te instrueren dat hij één of twee dagen van tevoren moet vasten.

Hoofdstuk 8:

OVER HET VASTEN

1. Laat uw vasten niet samenvallen met dat van de huichelaars. Die vasten immers op de tweede en vijfde [dag] na de sabbat; u zult [dus] vasten op de vierde [dag na de sabbat] en op de [dag van de] voorbereiding [op de sabbat].

OVER HET BIDDEN

2. U zult ook niet bidden als de huichelaars, maar zoals de Heer in zijn evangelie gebood, bidt aldus: Onze vader die in de hemelen is, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome, uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde, geef ons vandaag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, zoals wij onze schuldenaren vergeven, en leidt ons niet   verzoeking, maar verlos ons van de boze, want van u zijn de kracht en de glorie tot in de eeuwigheid.

3. Bidt dit driemaal per dag.

Hoofdstuk 9:

OVER DE EUCHARISTIE

1. En wat betreft de Eucharistie, viert de Eucharistie op deze manier.50

2. Eerst, wat betreft de beker: We danken u, onze Vader, voor de heilige wijnstok David, uw knecht, die u aan ons bekend hebt gemaakt door Jezus uw knecht. U zij de glorie tot in de eeuwigheid.

3. Wat betreft het gebroken brood: We danken u, onze Vader, voor het leven en de kennis die u aan ons bekend heeft gemaakt door Jezus uw knecht. U zij de glorie tot in de eeuwigheid.

4. Net zoals dit gebroken brood ooit verstrooid was over de bergen maar daarna bijeengebracht werd tot één, moge zo uw gemeente bijeengebracht worden in uw koninkrijk van de einden der aarde. Want van u is de glorie en de kracht door Jezus Christus, tot in de eeuwigheid. Laat niemand eten of drinken van uw Eucharistie behalve wie zijn gedoopt in de naam van de Heer, want de Heer heeft over deze dingen gezegd, ‘Geef het heilige niet aan de honden.’

Hoofdstuk 10

1. Nadat u genoeg hebt gehad, dankt u als volgt:

2. We danken u, Heilige Vader voor uw heilige naam die u in onze harten heeft doen wonen en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid die u ons bekend heeft gemaakt door Jezus uw kind. U zij de glorie tot in de eeuwigheid.

3. U, almachtige Heerser, schiep alle dingen omwille van uw naam, voedsel en ook drank gaf u aan [alle] mensen tot hun genoegen, opdat ze u zouden danken. Maar ons begenadigde u [zelfs] met geestelijk voedsel en drank en eeuwig leven door uw kind.

4. Bovenal danken we u omdat u krachtig bent. U zij de glorie tot in de eeuwigheid.

5. Gedenk, Heer, uw gemeente, om haar te redden van alle kwaad en om haar te volmaken in uw liefde; en breng haar geheiligd bijeen uit de vier windrichtingen in uw koninkrijk, dat u bereid hebt. Want van u is de kracht en de glorie tot in de eeuwigheid.

6. Dat [uw] genade kome en deze wereld voorbijgaat! Hosanna voor de God van David! Indien iemand heilig is, laat hij komen. Indien iemand dat niet is, laat hij zich bekeren. Maranatha! Amen.

7. Maar staat de profeten toe [God] te danken zoals ze [dat zelf] willen.

Hoofdstuk 11

LERAREN

1. Derhalve, als iemand komt die u al deze voorgenoemde zaken onderwijst, ontvangt hem.

2. Maar wanneer degene die onderwijst af gaat wijken en ander onderwijs gaat geven dat [zijn eerdere onderwijs] ondermijnt, luistert niet naar hem. Maar [als een leraar] bijdraagt aan rechtvaardigheid en kennis van de Heer, ontvangt hem zoals [u] de Heer zou ontvangen.

APOSTELEN EN PROFETEN

3. Wat betreft de apostelen en profeten, behandelt hen in overeenstemming met de regel van het evangelie.

4. Verwelkomt elke apostel die bij u komt zoals [u] de Heer zou ontvangen.

5. Hij mag echter niet langer dan een dag blijven, tenzij in een noodgeval, dan [kan hij] een andere [dag blijven]. Als ze er drie blijven, zijn het valse profeten.

6. Als de apostel vertrekt, mag hij niets in ontvangst nemen behalve [genoeg] brood tot hij een [nieuwe] overnachting vindt. Als hij om geld vraagt, is hij een valse profeet.

7. Voorts, test of beoordeelt geen enkele profeet die in de Geest spreekt want elke zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet worden vergeven.

8. Maar niet ieder die in de Geest spreekt, is een profeet, [dat is hij] alleen als hij [ook] de manier van doen heeft van de Heer. Aan hun manier van doen herkennen jullie dus de valse profeet en de [ware] profeet.

9. Bovendien, elke profeet die [sprekend] in de Geest een tafel laat aanrichten zal daar niet van mee-eten. Als hij dat doet, is hij een valse profeet.

10. Iedere profeet die de waarheid onderwijst maar [zelf] niet doet wat hij onderwijst, is een valse profeet.

11. Elke profeet die beproefd is en waarachtig gebleken en die [ondanks dat] op een wereldse manier de geheimenis van de gemeente voorstelt (terwijl hij anderen niet leert te doen wat hij zelf doet), die zal niet geoordeeld worden door u, want zijn oordeel is aan God. Trouwens, op dezelfde manier gedroegen ook de oude profeten zich.

12. Maar als iemand in de Geest zegt, ‘geef mij geld’, of iets anders, luistert niet naar hem. Maar als hij u zegt te geven voor anderen die gebrek lijden, oordeelt hem dan niet.

Hoofdstuk 12

1. Verwelkomt eenieder die komt in de naam van de Heer. Maar als u hem [vervolgens] onderzoekt, zult u [hem] kennen - want u zult inzicht hebben van rechts en links.

2. Als wie tot u komt slechts op doorreis is, helpt hem dan zoveel u kunt. Maar hij moet niet langer bij u blijven dan twee of, zo nodig, drie dagen.

3. Als hij zich echter bij u wil vestigen als ambachtsman, laat hij dan werken en eten.

4. Maar als hij geen ambachtsman is, besluit naar uw eigen inzicht hoe hij bij u kan leven als christen zonder ledigheid.

5. Maar als hij zo niet wil handelen, dan is hij een christushandelaar. Past op voor zulke mensen.

Hoofdstuk 13

1. Elke waarachtige profeet die zich bij u wil vestigen, is zijn eten waardig.

2. Evenzo is elke waarachtige leraar, net zoals de arbeider, zijn eten waardig.

3. Neemt dus alle eerstelingen van de opbrengst van de wijnpers en de dorsvloer, en van het vee en de schapen, en geef die eerstelingen aan de profeten, want die zijn uw hogepriesters.

4. Als u geen profeet [in uw midden] hebt, geeft [die eerstelingen] dan aan de armen.

5. Als u brood maakt, neemt de eersteling en geeft die [weg] in overeenstemming met het gebod.

6. Evenzo, als u een kruik wijn of olie opent, neemt de eersteling en geef dat aan de profeten.

7. Van uw geld en kleren en van alle bezittingen, neemt de eersteling naar uw eigen goeddunken, in overeenstemming met het gebod.

Hoofdstuk 14:

LITURGIE

1. Als u samenkomt op de dag die aan de Heer behoort, breekt u brood en viert u de Eucharistie, nadat u [eerst] uw zonden hebt beleden91 zodat uw offer rein is.

2. Als iemand een geschil heeft met zijn metgezel zal die niet met u samenkomen, totdat ze zich hebben verzoend, opdat uw offer niet wordt verontreinigd.

3. Dit is het waarvan de Heer heeft gezegd: Op elke plaats en te allen tijde, brengt mij een rein offer, want ik ben de grote Koning, zegt de Heer, en mijn naam is wonderbaar onder de volken.

Hoofdstuk 15:

OPZIENERS EN DIENAREN

1. Stelt voor uzelf opzieners en dienaren aan die waardig zijn voor de Heer, mannen die nederig zijn en niet hebzuchtig, waarachtig en beproefd. Immers, ze dienen u met de dienst van de profeten en de leraren.

2. U dient ze niet te verachten want ze zijn de eervollen onder u, samen met de profeten en de leraren.

PASTORALE ADVIEZEN

3. Wijst elkaar terecht, maar niet in boosheid, maar in vrede, zoals u dit vindt in het evangelie. En als iemand zich jegens zijn naaste misdraagt, laat niemand met hem spreken en laat hem niet van u horen, totdat hij zich heeft bekeerd.

4. Wat betreft uw gebeden en aalmoezen en alles wat u doet, doet dat alles zoals u het vindt in het evangelie van onze Heer.

Hoofdstuk 16:

DE TIJD IS NABIJ

1. Waakt over uw leven. Laat uw lampen niet uitgaan en laten uw lendenen omgord zijn, maar weest bereid, want u weet het uur niet waarin onze Heer zal komen.

2. Komt dikwijls samen om te zoeken naar wat gunstig is voor uw zielen. Immers, de hele tijd104 dat u heeft geloofd zal u geen baat doen, als u in de laatste tijd niet volmaakt bent.

3. Want in de laatste dagen zal het aantal valse profeten en bedervers groot worden; de schapen zullen veranderen in wolven; liefde zal veranderen in haat.

4. Want als de wetteloosheid toeneemt zullen ze elkaar haten en vervolgen en overleveren. En dan zal de wereldbedrieger verschijnen als zoon van God en hij zal tekenen en wonderen doen, en de wereld zal in zijn handen worden overgeleverd. En hij zal perversiteiten begaan zoals die in alle eeuwen niet hebben plaatsgevonden.

5. Dan zal de hele mensheid tot de vuurproef van het oordeel komen, en velen zullen struikelen en verloren gaan. Maar wie volharden in hun geloof zullen worden behouden door de [omwille van hun] Vervloekte Zelf.

6. Dan zullen de tekenen van de waarheid verschijnen. Eerst het teken van een opening in de hemel; dan het teken van het geluid van een trompet; en als derde de opstanding van de doden.

7. Maar niet allen [zullen dan opstaan], maar zoals is gezegd, “De Heer zal komen, en alle heiligen met hem.”

8. Dan zal de wereld de Heer zien komen op de wolken van de hemel...

_____________________________________________________________