Gelijkenissen deel 2

Wat zegt de Bijbel?

 In de reeks 'Gelijkenissen' zijn in deel 2 de volgende gelijkenissen geplaatst:

 

 

Gelijkenissen deel 2

20. Het huis van de sterke - Luk.11:21-23

21. Gelijkenis van de onrechtvaardige rechter (Luk.11 en 18)

22. Gelijkenis twee schuldenaren (Vergeving) (Luk.7:36-50)

 ____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 ‘Het huis van de sterke’

 

 

 

‘Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit’ (Luk.11:21-26)

Inleiding

Wanneer we met Kerst het ‘Vrede op aarde’ zingen, denken we vaak maar aan één aspect verbonden met de komst van de Heer Jezus: namelijk vrede. De geboorte in Bethlehem betekende echter zowel vrede als oorlog. Deze oorlog was de climax in het eeuwenoude conflict tussen God en satan (Gen.3:15). U en ik zijn niet alleen toeschouwers, maar ook deelnemers. In deze oorlog in het niet mogelijk neutraal te blijven. We zijn met of tegen Hem. Wat deze gelijkenis ons wil zeggen is dat Jezus Christus satans koninkrijk is binnengekomen, de satan heeft verslaan en de mensen bevrijd die in zijn macht waren. Let op de stappen in Christus’ strijd tegen satan.

Oorlog dan Vrede

De geboorte van de Heer Jezus zo’n 2000 jaar geleden leidde naar de climax van een strijd die al eeuwen daarvoor was begonnen en aangekondigd, toen de Here God tot de slang had gezegd: ‘Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:14-15). Het gezag wat de mens had is toen, ná de zondeval, overgedragen naar de satan, wat het eerst ter sprake kwam bij de verzoeking in de woestijn, toen de satan tot de Here Jezus hem alle koninkrijken liet zien en zei: ‘U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want ze is mij overgegeven en aan wie ik wil, geef ik ze’ (Luk.4:6). Hij wordt verder ‘de overste van de wereld’ en ‘de overste van de macht der lucht’ genoemd (Joh.12:31; 14:30; 16:11; Ef.2:2).

Het huis van de sterke binnengegaan

Na vele eeuwen, toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon (Gal.4:4). De Heer Jezus heeft vlees en bloed aangenomen opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren (Heb.2:14). En zo, als een kind in een kribbe, is Christus het vijandelijk gebied gekomen met het doel de duivel te onttronen. Dat is het onderwerp dat in deze studie aan de orde is. Dat de duivel op de hoogte was van de komst van de Verlosser blijkt wel uit de latere kindermoord, zoals beschreven in Mattheüs 2:13-18). Maar hij was al gewaarschuwd, zoals eerder vermeld in Genesis 3:14-15, alleen het tijdstip was onbekend. Dat satan heeft de eeuwen door de plannen van God geprobeerd te dwarsbomen, maar is beperkt in het verloop. Hij is de aanklager van de broeders en het tijdstip dat hij op aarde zal worden geworpen is aanstaande. Dan zal de duivel op aarde neerkomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft (Op.12:10-12). Dus de duivel is op de hoogte van zijn beperktheid.

De sterke gebonden

‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken’ (1Joh.3:8). De ‘iemand’, in de gelijkenis, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint is uiteraard de Heer Jezus. De satan is een geschapen wezen, hij is niet zoals God alwetend, almachtig of alomtegenwoordig. Het lijkt er wel op dat hij alomtegenwoordig is maar is gelegen aan het gegeven dat hij beschikt over een leger aan demonen, gevallen engelen. Hij is goed georganiseerd want we lezen dat ze over zich hadden als koning de engel van de afgrond’ (Op.9:11). Dus een niet te onderschatten vijand! De Heer Jezus noemt de duivel de overste van de demonen (Mat.12:24). Toen de Heer Jezus op satans terrein kwam overwon hij hem. Hij die sterker was stond oog in oog met de ‘goed bewapende man die zijn eigen hof bewaakte’. In zijn leven, dood en opstanding heeft de Here Jezus een volkomen overwinning op de duivel behaald. ‘Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd’ (Kol.2:15). Christus overwon satan en maakt aanspraak op zijn buit door zondaars te bevrijden uit de macht van de duisternis en over te brengen naar Gods koninkrijk. Zoals David de reus Goliath versloeg

Met zijn eigen zwaard, zo versloeg Jezus de satan met zijn eigen wapens en gebruikt zijn ‘buit’ om de satan te bestrijden met zijn eigen ‘wapens’. Zoals Jesaja zegt: ‘Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ik zelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ik zelf zal uw zonen redden. En Ik zal uw verdrukkers hun eigen vlees doen eten, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn; en al het levende zal weten, dat Ik, de Here, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs’ (Jes.49:24-26). ‘Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar de hoge heeft Hij de gevangenschap gevangen genomen en heeft de mensen gaven gegeven’ (Ef.4:8).

Bevrijd om te dienen

Veel gelovigen die door God gered zijn uit de macht van de duisternis en overgebracht zijn in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, beseffen vaak niet waarvoor zij gered zijn. Lukas omschrijft het in ‘zijn’ evangelie duidelijk met de volgende woorden: ‘Om ons te geven, dat wij gered uit de hand van onze vijanden, onbevreesd Hem zouden dienen, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al onze dagen’ (Luk.1:74). Sinds onze bekering en wedergeboorte behoren wij aan een ander toe, aan Hem die uit de doden is opgewekt, opdat wij God vrucht zouden dragen (Rom.7:5). Dit wordt nog maar eens onderstreept door de apostel Paulus in de brief aan de Korinthiërs met de volgende woorden: ‘Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam’ (1Kor.6:19-20).

Dit komt heel duidelijk naar voren in het boek Exodus waar Mozes bij elke confrontatie met de Farao de nadruk legt op de aanstaande dienst aan God (4:23; 7:16; 8:1, 20; 9:1, 13; 10:3,7,11,26; 14). Gelijk aan het begin zegt de Here tot Mozes: ‘Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg’ (Ex.3:12). Maar ze konden God niet eerder dienen dan na hun bevrijding uit Egypte en zo kunnen wij God niet eerder dienen nadat wij bevrijd zijn uit de macht van de duisternis. Vergeet ook niet dat met die oproep deze gelijkenis eindigt: ‘Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit’ (Luk.11:23).

In de strijd tegen de duivel hebben wij ook een taak! Let wel: ‘Onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). Een overkomelijke vijand? Nee, want ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is!’ (1Joh.4:4).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 Gelijkenis van de onrechtvaardige rechter

‘Heer, leer ons bidden!’

Lukas 18:1-8  en Lukas 11:1-13

 

 

‘Hij nu sprak een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden’ (Luk.18:1)

Voorwoord

Wanneer we vragen dat de Heer ons iets wil leren, dan worden we als het ware verplaatst naar de schoolbanken. Het leren hoeven we niet alleen maar toe te passen om het gebed, er zijn nog heel wat meer ‘terreinen’ in het leven van een gelovige dat we moeten leren om te gaan. Bijvoorbeeld: De apostel >Paulus schrijft aan de gelovigen te Filippi: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin ik ben’. En waar was Paulus? Juist, in de gevangenis! Het leven van een gelovige is een proces, een opgroeien in de genade en kennis van de Heer Jezus (2Petr.3:18). Het Woord van God waardoor we zijn wedergeboren is er ook voor om ons te doen opgroeien (1Petr.1:23; 2:2). En bij die groei van een gelovige neemt het gebed een belangrijke plaats in, want als we niet bidden ontvangen we niet! (Jak.4:2). De meesten van ons zullen liever iets anders doen dan bidden. Maar we beseffen echt wel dat werken zonder gebed niets opleverd. Wat een verschil zou het zijn in onze persoonlijke levens, onze gezinnen, onze kerken, en onze wereld als Christenen werkelijk leerden om te bidden – en dat dan ook doen! Als u in de gelegenheid zou zijn om de Heer om één speciale zegening te vragen, zou u dan vragen, ‘Heer, leer mij bidden?’ Sommigen zouden misschien vragen, ‘Heer, leer mij om goed te spreken!’ of ‘Heer, leer mij om te evangeliseren!’, maar ‘leer mij bidden’ is het meest verstandige dat je kunt vragen. Elke andere zegen in het leven van een christen is er op één of andere manier mee verbonden, en van afhankelijk. Aan de hand van de gelijkenis van de onrechtdige recht willen we verder ingaan op het onderwerp ‘gebed’, maar maken ook gebruik van het bijbelgedeelte over ‘het bidden’ in Lukas 11:1-13 en 18:1-8.

Inleiding

‘De Heer Jezus heeft zijn discipelen nooit geleerd te preken, maar wel hoe te bidden!

Voor veel gelovigen is het gebed een onderwerp dat eerder vragen oproept dan geeft. Gebed schept, gewild of ongewild, een verwachting; het verlangt een antwoord. Maar het antwoord op ons gebed of verlangen komt vaak niet overeen met onze verwachting. We kunnen verkeerd bidden en daarom dienen we het onderwerp van ons gebed te overwegen in het licht van Gods Woord alvorens het bij God bekend te maken (Jak.4:3). Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde, dus dienen we te zoeken naar zijn wil. Veel gelovigen raken teleurgesteld in het gebed, vaak omdat ze het onderwerp eenzijdig benaderen, bijvoorbeeld op grond van Johannes 15:17, zonder rekening te houden met de vele andere teksten die over gebed gaan. Gebed is een serieuze bezigheid omdat we daardoor in de nabijheid komen van de Schepper van hemel en aarde. Bij een bezoek aan een of andere belangrijke koning of staatshoofd zullen we ons zeker terdege voorbereiden, hoeveel temeer op een ontmoeting met de Koning der koningen, want dat is pas een serieuze ontmoeting. Gebed is niet alleen maar een serieuze bezigheid het is ook een kostbaar voorrecht om in te gaan in het heiligdom via de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen. Het voorhangsel was geopend omdat de Heer Jezus zijn bloed heeft gestort op het kruis van Golgotha. Hij heeft de prijs betaald en wij kunnen binnengaan om voor God te verschijnen.

Verschillen/overeenkomsten tussen Lukas 11 en 18.

In Lukas 11 gaat het over ‘iets nodig hebben’ ‘de Vader geeft wat nodig is ‘de bidder vraagt om een lening’ in dat geval om een brood (Luk.11:6).

In Lukas 18 gaat het om ‘recht verlenen’ en daar ligt de nadruk op ‘volharding’ en ‘het gelovig gebed’ (Mat.21:22).

De plicht om te bidden - (Luk.11:1)

God wil gebeden zijn! Een voorbeeld daarvan vinden bij de genezing van een blindgeborene, die door de Heer Jezus genzen werd. Op de vraag van de Heer Jezus: ‘Wat wilt u dat Ik u doe?’, antwoorde blinde: ‘Heer, dat ik weer kan zien’ (Luk.18:40). Uiteraard wist de Heer Jezus dat deze man, die voor Hem stond, blind was, maar toch dwingt Hij hem om zijn nood bekend te maken en te vragen om genezing. Er is in de Bijbel niet vermeld wie het geweest is die de Heer Jezus de vraag stelde; ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen heeft geleerd’ (Luk.11:1). In elk geval moet hij de belangrijkheid ervan ingezien hebben. Het antwoord dat de Heer Jezus gaf is ‘dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden’ (Luk.18:1). Gebed moet een noodzakelijk deel van ons geestelijk leven uitmaken, want hoelang kunnen we leven zonder te ademen? Als de Heer Jezus bad en Johannes de doper, hoeveel te meer wij! Wij mogen al opnze verlangen bekend maken bij God! (Fil.4:6).

Richtlijnen voor gebed – (1Tim.2:1-2)

We dienen te bidden naar Gods wil en zo begint ook het onderwijs met betrekking tot het gebed in Mattheüs 6:5vv. - ‘het Onze Vader’ - met de woorden ‘moge uw wil gebeuren’. Door anderen is wel eens opgemerkt dat ‘Bidden niet is dat onze wil in de hemel geschied, maar dat Gods wil op aarde geschied!’ Vandaar ook de vraag ‘Heer, leer ons bidden!’ Uiteraard kunnen er momenten in ons leven zijn dat ‘wij naar behoren niet weten wat wij zullen bidden en mogelijk ook niet hoe, op welke manier, maar dan komt de Heilige Geest on te hulp, want de Geest bidt in overeenstemming met God (Rom.8:26-27). Maar het kan ook voorkoimen dat we verkeerd bidden, dat is waar Jakobus ons op wijst: ‘U bidt en ontvangt niet, omdat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten’ (Jak.4:3). Dus kennen van en op de hoogte zijn van Gods wil in een basisvoorwaarde voor het gebed. Paulus roept ons daarom ook op om te beproeven wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is (Rom.12:2; Ef.5:10, 17).

Volharden in gebed – (1Sam.12:23)

‘Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam en dankt’ (Kol.4:2; Rom.12:112; 1Thes.5:17). En mooi voorbeeld van volharden gbed zien we bij de weduwe die de ‘onrechtvaardige rechter’, door haar volharding, er toe kan bewegen haar recht verschaffen (Luk.18:3-5). Wil dat zeggen dat we tot in den treuren voor een of andere zaak moeten blijven bidden? De apostel Paulus spreekt ervan dat hij de Heer driemaal gebeden heeft voor zijn ‘doorn in het vlees’. Gods antwoord was: ‘Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht’ (2Kor.12:8-9). We moeten volharden in de gebden’ wil m.i. niet zeggen dat we altijd voor een of andeeree zaak moeten blijven bidden, maar het ook kunnen leren loslaten. Doen we dat niet kan krijgen we eindeloze gebedslijstjes. Dat we onze bekommernissen op Hem mogen werpen wil zeggen dat Hij voor ons zorgt. Hij is een hoorder van het gebed.

Antwoord op gebed - (Jak.4:21)

Zoals hiervoor gezegd dienen we met de kennis van Gods wil vervuld worden’ (Ko1:9). Als het gebed in overeenstemming is met Gods wil en gehoord wordt, wil dat nog niet zeggen dat het beantwoord wordt op de wijze zoals wij denken dat het zou moeten. Ik denk daarbij aan het verlangen en gebed van de apostel Paulus om de gelovigen in Rome te willen bezoeken. Het verlangen werd wel werkelijkheid maar de wijze waarop Paulus in Rome kwam, had hij zich denk ik wel heel wat anders voorgesteld. Hij ging namelijk als gevangene! Op deze website is zelfs een rubriek dat als onderwerp heeft ‘Onbeantwoorde Gebeden’. We mogen alles in het gebed brengen, waarbij we ons dienen af te vragen wordt God erdoor verheerlijkt en gediend? maar voor geestelijke. Leest u eens rustig die gedeelten die ons spreken over het gebedsleven van de apostel Paulus (Fil.1:9-11; Ef.1:15-23; 3:14-21). Verder is het beter niet bidden wat jij nodig hebt, maar wat je wilt zijn.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 Gelijkenis van de twee schuldenaren

Het grootste wonder!

Lukas 7:36-49

 

 

‘Wie veel vergeven is, heeft veel lief!’

Voorwoord

In Lukas 7 zien we drie wonderen: (1) de genezing van de dienstknecht van de hoofdman was een groot wonder; (2) de opwekking van een dode en nog groter wonder en (3) de vergeving van een zondares het grootste wonder! Vergeving heelt de grootste nood, brengt de grootste vrucht voort en vergt de grootste prijs. Het kostte God weinig moeite om iemand te genezen, maar het kostte Hem zijn Zoon om ons te kunnen vergeven!

Inleiding

Waarom nodigde Simon, de farizeeër de Heer Jezus uit?-, was het uit nieuwsgierigheid of om hem te verzoeken, zoals dat vaker gebeurde? (Zie: o.a. Mat.16:1; 19:3). Simon was op de hoogte van de zonden van de vrouw (7:39), maar hij vergat wie hijzelf was; ook een zondaar! De vrouw was in de zonde gevallen, maar Simon leefde erin door zijn hooghartige houding, die de farizeeën eigen was (Luk.18:11). Rijken en hen die het in deze wereld gemaakt hebben, hebben net zo goed vergeving nodig als armen en gevallenen; beiden staan schuldig voor God, omdat er niemand is die goed doet en allen onder zonde zijn en  gezondigd hebben (Rom.3:9vv.). Mensen die in de nabijheid van de Heer Jezus komen, zien eerder hun onvolmaaktheid en schuld. We hoeven maar te denken aan de volgende personen: Abraham die zei: ‘Zie toch, ik heb mij verstout tot de Here te spreken, hoewel ik stof en as ben’ (Gen.18:27). Ezra getuigde van het volk en zichzelf: ‘Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel’ (Ezr.9:6). En wat te denken van de profeet Jesaja die zei: ‘Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is’ (Jes.6:5). Petrus die op zijn beurt tot de Heer Jezus zei: ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer’ (Luk.5:8). Iemand die in de nabijheid van God komt en zich spiegelt aan Gods Woord, zal tot de erkenning komen dat hij voor God niet kan verschijnen in de staat waarin hij is.

We hebben allemaal vergeving nodig!

‘Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekkingen van het vlees en van de geest’ (2Kor.7:1)

Tijdens de inwijding van de tempel was het Koning Salomo die verklaarde, dat ‘er geen mens is die niet zondigt’ (1Kon.8:46; Rom.3:23). Deze vaststelling wordt bevestigd door het Nieuwe Testament. De mens is geen zondaar omdat hij zondigt, maar hij zondigt om hij een zondaar is! Elk mens heeft gezondigd en staat schuldige voor een heilig God, die ‘te rein van ogen is om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab.1:13). Wil een mens met God in gemeenschap willen komen, dan heeft hij vergeving nodig van zonden om verzoend te worden door Christus.

Zonden van het vlees en de geest

Zonden zijn er meerdere vormen, de zonden van de vrouw in de gelijkenis zullen immoreel van aard zijn geweest, bevlekking van het vlees. Haar gedrag was bekend en haar zondig gedrag zichtbaar voor iedereen (vs.37, 39, 47). De farizeeër daarentegen was een toonbeeld van vroomheid, de buitenkant was onberispelijk, maar de binnenkant tegenovergesteld, de zonden van de geest werd in hem openbaar. Het is niet voor niets dat de Heilige Geest een heel hoofdstuk wijdt aan de farizeeën en Schriftgeleerden (Mat.23). De hoogmoed van de geestelijke leiders van Israël leidde ertoe dat Jezus verworpen en gekruisigd werd.

Bewuste en Onbewuste zonden

‘Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde’ (Jak.4:17). De Heer Jezus nam het Simon de farizeeër kwalijk dat hij niet aan de Heer Jezus de nodige aandacht had besteed, zoals het behoorde in de joodse cultuur van Jezus’ tijd. ‘Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft mijn voeten met tranen nat gemaakt en met het haren afgedroogd. Een kus hebt U mij niet gegeven, maar zij heeft vanaf dat Ik binnengekomen ben niet opgehouden mijn voeten innig te kussen. Met olie hebt u mijn hoofd niet gezalfd maar zij heeft met balsem mijn voeten gezalfd’ (vs.44-46). Simon zag wel de zonden van de vrouw, maar was blind voor zijn eigen tekortkomingen. En is dat bij ons ook niet vaak het geval?

Openbare of verborgen zonden (1Tim.5:24)

Zo, schrijft de apostel Paulus aan zijn geestelijk kind, Timotheüs: ‘Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan hun voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij’ (1Tim.5:24). Deze tekst staat in verbinding met vers 22 waar gesproken om voorzichtig te zijn met een al te snel oordeel, zowel positief als negatief. ‘Leg niemand snel de handen op…’. Het kan gebeuren dat een gelovige verkeerd doet zonder het te beseffen. ‘Ik wist niet dat het de hogepriester was’ erkende Paulus toen hij zei: ‘God zal u slaan, gewitte wand!’. Over zijn vervolging van de gemeente erkende Paulus dat hij het ‘onwetend had gedaan, in ongeloof’ (1Tim.1:13). Ja, ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.14:12), dus onderzoekt uzelf of u in het geloof bent, beproeft uzelf! (2Kor.13:13).

Vergeving is een gift van God.

‘En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft’ (Luk.7:49)

Vergeving is uit genade

Simon, de farizeeër was uiteraard van de gedachte dat je bij God wel in een goed blaadje kon komen door goede werken, maar genade is niet iets wat je kan verdienen of kopen, wij zijn immers bankroet. We zien dit heel goed tot uitdrukking komen in wat die farizeeër in een andere gelijkenis zei: ‘O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al mijn inkomsten’ (Luk.18:11:12; Mat.23:13). De apostel Paulus schreef: ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God; niet op grond van werken’ (Ef.2:8-9).

Vergeving ontvang je door geloof

De vrouw ontving geen genade door haar tranen of door de zalving met balsem van de voeten van de Heer Jezus. Wat je ook zou doen, vergeving is door genade. De Heer Jezus had al eerder gezegd: ‘Haar vele zonden zijn vergeven’ (vs.47) en vers vijftig sluit daarbij aan, waar de Heer zegt: ‘Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede’ (vs.50).

Vergeving is zeker

Over de vrouw had de Heer Jezus tot Simon gezegd: ‘Haar vele zonden zijn vergeven’(vs.47) en tot de vrouw zei Hij: ‘Uw zonden zijn vergeven’ (vs.48). Als iemand haar een paar dagen later zou hebben gevraagd: ‘Hoe ben je zo zeker dat je behouden bent en dat je zonden vergeven zijn?’, dat had ze kunnen zeggen: ‘De Heer heeft het gezegd!’. En wat zouden wij zeggen als zo’n vraag aan ons gesteld zou worden? We zouden bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar wat Gods Woord daarover zegt: ‘Deze dingen heb ik u geschreven, opdat u weet dat u eeuwig leven hebt’ (1Joh.5:13). Om die reden is het ook zo belangrijk te weten dat we als basis voor ons geloof het Woord van God bezitten en dat is heel wat anders dat het woord van mensen is (vgl. 1Thes.2:13). ‘Het Woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden’ (1Tim.1:15).

Vergeving is kostbaar

De behoudenis is uit genade, maar is niet goedkoop! We zijn niet verlost door vergankelijke dingen, zoals zilver of goud, maar door kostbaar bloed van een vlekkeloos en onbesmet lam, heet bloed van Christus (1Petr.118-19). Nee, vergeving schenken is niet goedkoop, het kostte de Heer Jezus zijn leven. Is het niet dat Hij op het kruis heeft uitgeroepen: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luk.23:34). Vergeving is uit genade, maar dat wil niet zeggen dat iedereen behouden is, zoals er zijn die dat beweren. Zoals Paulus schrijft: ‘Maar nu is, buiten de wet om, gerechtigheid van God geopenbaard… door geloof in Jezus Christus tot allen en over allen die geloven’ (Rom.3:22). Gods genade en vergeving strekt zich uit tot aan alle mensen, maar is uitsluitend van toepassing op hen die de Heer Jezus in geloof als hun Heer en Heiland aanvaarden.

Vergeving schenken

‘Waar vergeving is, kan genezing zijn!’

Ook wij, als kinderen van God en discipelen van de Heer Jezus, worden opgeroepen vergeving te schenken. Er is zelfs een gelijkenis aan gewijd. Vergeving vergt ook hier een grote prijs, want we weten allemaal, en misschien wel uit ervaring, hoe moeilijk het is vergeving te schenken en te ontvangen. (Kol.3:13). Als er onenigheid is tussen broeders of zusters, of in de gemeente, dan getuigd het van geestelijke volwassenheid dat men elkaar vergeven kan. ‘Maar weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft’ (Ef.4:32; Kol.3:12-13). Wanneer we ons herinneren dat een broeder of zuster iets tegen ons heeft, moeten we daarmee ook niet te lang wachten. ‘Maar wees spoedig welgezind, jegens uw tegenpartij (Mat.5:25). Het kan ook zijn dat u iets tegen iemand hebt, ook dan dient vergeving een plaats te krijgen (Mark.11:25), want vergeving is, kan genezing, herstel zijn!

Vergeving resulteert in een nieuw leven

‘Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde’ (Luk.7:47)

Wie veel vergeven is, heeft veel lief! Dat is wat de gelijkenis ons ook duidelijk wil maken, dat toegepaste genade tot resultaat kan hebben om Hem te dienen die het geschonken heeft. ‘Jezus zei tegen hem: ‘Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij nu sprak: ‘Meester, zeg het!’ ‘Een schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd denaren schuldig en de ander vijftig. Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van hen dan zal hem het meest liefhebben?’ Simon antwoordde en zei: Ik veronderstel, hij aan wie hij het meeste heeft geschonken. Hij nu zei tot hem: U hebt juist geoordeeld (7:40-43). Nu begrijpen we wellicht ook beter de ijver die de apostel Paulus tentoonspreidde voor de Heer: hij wist hoeveel kwaad hij had gedaan, hoe groot zijn schuld was, voordat hij de Heer Jezus ontmoette. Vanaf het moment dat Paulus Christus leerde kennen wenste hij ‘dat Christus zou worden grootgemaakt in zijn lichaam, want te leven is voor mij Christus’ (Fil.1:20). Liefde voor Christus uit zich is liefde voor anderen, dat is het resultaat van vergiffenis. De vrouw schaamde zich niet voor haar liefde voor de Heer Jezus, iedereen had kunnen zie hoe ze Jezus’ voeten met tranen had natgemaakt, en met haar haren afgedroogd en gekust. Een totale toewijding, dat ook ons niet zou misstaan. ‘Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden’ (2Kor.5:17). Dat is wat iemand die zich heeft bekeerd tot Christus, mag weten en ervaren, een nieuw begin, maar ook een nieuwe liefde want de liefde van God is in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is’ (Rom.5:5). De vrouw ervoer een nieuwe vrijheid (Joh.8:36) en een nieuwe vrede, de vrede van God die alle verstand te boven gaat! (Rom.5:1).

Simon, de farizeeër

‘Als u blind was zou u geen zonde hebben, maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde’ (Joh.9:41)

En hoe is het met Simon, de farizeeër verdergegaan? We horen daar niets meer over, hoewel hij ook de weg had kunnen gaan die de vrouw ging, maar hij liep de gelegenheid mis. We mogen ervan uitgaan dat hij vastgeroest zat in zijn overtuiging, dat een mens gerechtvaardigd kon worden door het houden van de Wet. Was dat niet het probleem van zoveel Farizeeën en Schriftgeleerden? Het probleem van Simon en zoveel anderen, was geestelijke blindheid. Die blindheid wordt treffend geïllustreerd in de beschrijving van de genezing van de blindgeborene in Johannes 9. De Heer Jezus geeft de Farizeeën, op hun vraag: ‘Zijn wij soms ook blind?’, het volgende antwoord: ‘Als u blind was zou u geen zonde hebben, maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde’ (Joh.9:41). Simon zag zichzelf niet. Hij dacht dat hij een rechtvaardig persoon was, aangenaam voor God, maar in werkelijkheid was hij dat niet. Hij zag wel de zonden van anderen, maar niet die van hemzelf. Hij verstond zelfs niet hoe hij de Heer Jezus had vernederd door hem niet de eer te geven die gasten normaliter ontvangen (7:44-45). Hij had ook geen goede kijk op de vrouw, die bij de Heer Jezus kwam. Hij zag alleen haar verleden. Hij zag alleen maar de buitenkant, niet de binnenkant van de vrouw. De Heer zag beide! De werkelijke oorzaak van zijn blindheid was, dat hij niet zag wie de Heer Jezus werkelijk was. Hij noemde hem ‘Meester’ (vs.40), maar in zijn hart zei hij: ‘Als deze een profeet was… (vs.39). Niet eerder dan dat we de  Heer Jezus werkelijk leren kennen wie Hij werkelijk is, zullen de ogen van zondaren niet opengaan en blijven ze blind. Zo ook Simon!

_____________________________________________________________