Gelijkenissen deel 2

Wat zegt de Bijbel?

 In de reeks 'Gelijkenissen' zijn in deel 2 de volgende gelijkenissen geplaatst:

 

 

Gelijkenissen deel 2

20. Het huis van de sterke - Luk.11:21-23

21. Gelijkenis van de onrechtvaardige rechter (Luk.11 en 18)

22. Gelijkenis twee schuldenaren (Vergeving) (Luk.7:36-50)

 ____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 ‘Het huis van de sterke’

 

 

 

‘Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit’ (Luk.11:21-26)

Inleiding

Wanneer we met Kerst het ‘Vrede op aarde’ zingen, denken we vaak maar aan één aspect verbonden met de komst van de Heer Jezus: namelijk vrede. De geboorte in Bethlehem betekende echter zowel vrede als oorlog. Deze oorlog was de climax in het eeuwenoude conflict tussen God en satan (Gen.3:15). U en ik zijn niet alleen toeschouwers, maar ook deelnemers. In deze oorlog in het niet mogelijk neutraal te blijven. We zijn met of tegen Hem. Wat deze gelijkenis ons wil zeggen is dat Jezus Christus satans koninkrijk is binnengekomen, de satan heeft verslaan en de mensen bevrijd die in zijn macht waren. Let op de stappen in Christus’ strijd tegen satan.

Oorlog dan Vrede

De geboorte van de Heer Jezus zo’n 2000 jaar geleden leidde naar de climax van een strijd die al eeuwen daarvoor was begonnen en aangekondigd, toen de Here God tot de slang had gezegd: ‘Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:14-15). Het gezag wat de mens had is toen, ná de zondeval, overgedragen naar de satan, wat het eerst ter sprake kwam bij de verzoeking in de woestijn, toen de satan tot de Here Jezus hem alle koninkrijken liet zien en zei: ‘U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want ze is mij overgegeven en aan wie ik wil, geef ik ze’ (Luk.4:6). Hij wordt verder ‘de overste van de wereld’ en ‘de overste van de macht der lucht’ genoemd (Joh.12:31; 14:30; 16:11; Ef.2:2).

Het huis van de sterke binnengegaan

Na vele eeuwen, toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon (Gal.4:4). De Heer Jezus heeft vlees en bloed aangenomen opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren (Heb.2:14). En zo, als een kind in een kribbe, is Christus het vijandelijk gebied gekomen met het doel de duivel te onttronen. Dat is het onderwerp dat in deze studie aan de orde is. Dat de duivel op de hoogte was van de komst van de Verlosser blijkt wel uit de latere kindermoord, zoals beschreven in Mattheüs 2:13-18). Maar hij was al gewaarschuwd, zoals eerder vermeld in Genesis 3:14-15, alleen het tijdstip was onbekend. Dat satan heeft de eeuwen door de plannen van God geprobeerd te dwarsbomen, maar is beperkt in het verloop. Hij is de aanklager van de broeders en het tijdstip dat hij op aarde zal worden geworpen is aanstaande. Dan zal de duivel op aarde neerkomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft (Op.12:10-12). Dus de duivel is op de hoogte van zijn beperktheid.

De sterke gebonden

‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken’ (1Joh.3:8). De ‘iemand’, in de gelijkenis, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint is uiteraard de Heer Jezus. De satan is een geschapen wezen, hij is niet zoals God alwetend, almachtig of alomtegenwoordig. Het lijkt er wel op dat hij alomtegenwoordig is maar is gelegen aan het gegeven dat hij beschikt over een leger aan demonen, gevallen engelen. Hij is goed georganiseerd want we lezen dat ze over zich hadden als koning de engel van de afgrond’ (Op.9:11). Dus een niet te onderschatten vijand! De Heer Jezus noemt de duivel de overste van de demonen (Mat.12:24). Toen de Heer Jezus op satans terrein kwam overwon hij hem. Hij die sterker was stond oog in oog met de ‘goed bewapende man die zijn eigen hof bewaakte’. In zijn leven, dood en opstanding heeft de Here Jezus een volkomen overwinning op de duivel behaald. ‘Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd’ (Kol.2:15). Christus overwon satan en maakt aanspraak op zijn buit door zondaars te bevrijden uit de macht van de duisternis en over te brengen naar Gods koninkrijk. Zoals David de reus Goliath versloeg

Met zijn eigen zwaard, zo versloeg Jezus de satan met zijn eigen wapens en gebruikt zijn ‘buit’ om de satan te bestrijden met zijn eigen ‘wapens’. Zoals Jesaja zegt: ‘Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ik zelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ik zelf zal uw zonen redden. En Ik zal uw verdrukkers hun eigen vlees doen eten, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn; en al het levende zal weten, dat Ik, de Here, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs’ (Jes.49:24-26). ‘Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar de hoge heeft Hij de gevangenschap gevangen genomen en heeft de mensen gaven gegeven’ (Ef.4:8).

Bevrijd om te dienen

Veel gelovigen die door God gered zijn uit de macht van de duisternis en overgebracht zijn in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, beseffen vaak niet waarvoor zij gered zijn. Lukas omschrijft het in ‘zijn’ evangelie duidelijk met de volgende woorden: ‘Om ons te geven, dat wij gered uit de hand van onze vijanden, onbevreesd Hem zouden dienen, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al onze dagen’ (Luk.1:74). Sinds onze bekering en wedergeboorte behoren wij aan een ander toe, aan Hem die uit de doden is opgewekt, opdat wij God vrucht zouden dragen (Rom.7:5). Dit wordt nog maar eens onderstreept door de apostel Paulus in de brief aan de Korinthiërs met de volgende woorden: ‘Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam’ (1Kor.6:19-20).

Dit komt heel duidelijk naar voren in het boek Exodus waar Mozes bij elke confrontatie met de Farao de nadruk legt op de aanstaande dienst aan God (4:23; 7:16; 8:1, 20; 9:1, 13; 10:3,7,11,26; 14). Gelijk aan het begin zegt de Here tot Mozes: ‘Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg’ (Ex.3:12). Maar ze konden God niet eerder dienen dan na hun bevrijding uit Egypte en zo kunnen wij God niet eerder dienen nadat wij bevrijd zijn uit de macht van de duisternis. Vergeet ook niet dat met die oproep deze gelijkenis eindigt: ‘Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit’ (Luk.11:23).

In de strijd tegen de duivel hebben wij ook een taak! Let wel: ‘Onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). Een overkomelijke vijand? Nee, want ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is!’ (1Joh.4:4).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 Gelijkenis van de onrechtvaardige rechter

‘Heer, leer ons bidden!’

Lukas 18:1-8  en Lukas 11:1-13

 

 

‘Hij nu sprak een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden’ (Luk.18:1)

Voorwoord

Wanneer we vragen of de Heer ons iets wil leren, dan worden we als het ware verplaatst naar de schoolbanken. Het leren is niet alleen van toepassing op het gebed, er zijn nog heel wat meer ‘terreinen’ in het leven van een gelovige waar we moeten leren hoe te handelen. Bijvoorbeeld: De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen te Filippi: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin ik ben’. En dat schreef Paulus toen hij in de gevangenis was! Het leven van een gelovige is een proces, een opgroeien in de genade en kennis van de Heer Jezus (2Petr.3:18). Het Woord van God waardoor we zijn wedergeboren, is er ook voor om ons te doen opgroeien (1Petr.1:23; 2:2). En bij die groei van een gelovige neemt het gebed een belangrijke plaats in, want als we niet bidden ontvangen we niet! (Jak.4:2). De meesten van ons zullen liever iets anders doen dan bidden. Maar we beseffen het, en anders zullen we het in de praktijk van het leven wel ervaren, dat werken zonder gebed niets opleverd. Wat een verschil zou het brengen in ons persoonlijke leven, in onze gezinnen, onze kerken, en onze wereld als wij werkelijk leerden om en hoe te bidden! Als u in de gelegenheid zou zijn om de Heer om één speciale zegening te vragen, zou u dan vragen, ‘Heer, leer mij bidden?’ Sommigen zouden misschien vragen, ‘Heer, leer mij om goed te spreken!’ of ‘Heer, leer mij om te evangeliseren!’. Op zich niet verkeerd, maar ‘leer mij bidden’ is het meest verstandige dat je kunt vragen. Elke andere zegen in het leven van een christen is er op één of andere manier mee verbonden, en van afhankelijk. Aan de hand van de gelijkenis van de onrechtvaardige rechters (Luk.18:1-8) willen we ingaan op het onderwerp ‘gebed’, maar we maken ook gebruik van het bijbelgedeelte over ‘het bidden’ in Lukas 11:1-13.

Inleiding

‘De Heer Jezus heeft zijn discipelen nooit geleerd te preken, maar wel hoe te bidden!

Voor veel gelovigen is het gebed, los van ware aanbidding, een onderwerp dat eerder vragen oproept dan geeft. Gebed schept, gewild of ongewild, een verwachting; het verlangt een antwoord. Maar het antwoord op ons gebed of verlangen komt vaak niet overeen met onze verwachting. We kunnen verkeerd bidden en daarom dienen we het onderwerp van ons gebed te overwegen in het licht van Gods Woord alvorens het bij God bekend te maken (Jak.4:3). Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde, dus dienen we te zoeken naar zijn wil. Veel gelovigen raken teleurgesteld in het gebed, vaak omdat ze het onderwerp eenzijdig benaderen, of ervan uitgaan ‘dat alles wat we de Vader bidden in Jezus’ naam, zullen ontvangen’ (Joh.15:17), zonder daarbij rekening te houden met andere bijbelgedeelten die over gebed gaan. Gebed is een serieuze bezigheid omdat we daardoor in de nabijheid komen van de Schepper van hemel en aarde. Bij een bezoek aan een of andere belangrijke koning of staatshoofd zullen we ons zeker terdege voorbereiden, hoeveel temeer op een ontmoeting met de Koning der koningen! Gebed is niet alleen maar een serieuze bezigheid het is ook een kostbaar voorrecht om in te gaan in het heiligdom via de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen (Heb.10:19-22). Het voorhangsel was geopend omdat de Heer Jezus zijn bloed heeft gestort op het kruis van Golgotha. Hij heeft de prijs betaald en wij kunnen binnengaan om voor God te verschijnen.

Verschillen/overeenkomsten tussen Lukas 11 en 18

In Lukas 11 gaat het over ‘iets nodig hebben’ ‘de Vader geeft wat nodig is ‘de bidder vraagt om een lening’ in dat geval om een brood (Luk.11:6). In Lukas 18 gaat het om ‘recht krijgen’ en daar ligt de nadruk op ‘volharding’ en ‘het gelovig gebed’ (Mat.21:22).

De plicht om te bidden (Luk.11:1)

God wil gebeden zijn! Een voorbeeld daarvan vinden bij de genezing van een blindgeborene, die door de Heer Jezus genezen werd. Op de vraag van de Heer: ‘Wat wilt u dat Ik u doe?’, antwoorde blinde: ‘Heer, dat ik weer kan zien’ (Luk.18:40). Uiteraard wist de Heer Jezus dat deze man, die voor Hem stond, blind was, maar toch dwingt Hij hem om zijn nood bekend te maken. Er is in de Bijbel niet vermeld wie het geweest is die de Heer Jezus de vraag stelde; ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen heeft geleerd’ (Luk.11:1), in elk geval moet de vraagsteller de belangrijkheid ervan ingezien hebben. Het antwoord dat de Heer Jezus gaf, is: ‘dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden’ (Luk.18:1). Gebed moet een noodzakelijk deel van ons geestelijk leven uitmaken, want hoelang kunnen we leven zonder te ademen? Als de Heer Jezus bad en Johannes de doper, hoeveel te meer wij! Wij mogen al onze verlangen bekend maken bij God; er is altijd wel iets waarvoor we kunnen bidden! (Fil.4:6). En in een wereld die meer en meer in opstand is tegen het gezag, zou het ons als christenen niet misstaan te bidden voor die overheid in plaats van te demonsteren en ons ongenoegen te uiten over genomen maatregelen zoals wat we in de achter ons liggende coronatijd hebben gezien. Dat is een opdracht! (1Tim.21-2).

Richtlijnen voor gebed (Mat.6:5)

We dienen te bidden naar Gods wil en zo begint ook het onderwijs met betrekking tot het gebed in Mattheüs 6:5vv. - ‘het zogenaamde Onze Vader’ - met de woorden ‘moge uw wil gebeuren’. Zoals gezegd: ‘Bidden niet is dat onze wil in de hemel geschied, maar dat Gods wil op aarde geschied!’, vandaar ook de vraag van de discipelen: ‘Heer, leer ons bidden!’ Uiteraard kunnen er momenten in ons leven zijn dat ‘wij naar behoren niet weten wat wij zullen bidden en mogelijk ook niet hoe, op welke manier, maar dan komt de Heilige Geest ons te hulp, want de Geest bidt in overeenstemming met God (Rom.8:26-27). In het leven van een gelovige kunnen er situaties ontstaan waarmee we geen raad weten en het ons aan wijsheid ontbreekt (Jak.1:5). In zulke situatie komt de Heilige Geest ons te hulp. Maar het kan ook voorkomen dat we verkeerd bidden, dat is waar Jakobus ons op wijst: ‘U bidt en ontvangt niet, omdat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten’ (Jak.4:3). Dus het kennen en het op de hoogte zijn van Gods wil, is een basisvoorwaarde voor het gebed. Paulus roept ons daarom ook op, om te beproeven wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is (Rom.12:2; Ef.5:10, 17).

Volharden in gebed (1Sam.12:23)

‘Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam en dankt’ (Kol.4:2; Rom.12:12; 1Thes.5:17). En mooi voorbeeld van volhardend gebed zien we bij de weduwe die de ‘onrechtvaardige rechter’, door haar volharding, ertoe probeert te bewegen haar recht te verschaffen (Luk.18:3-5). Wil ‘volharden in het gebed‘ dan zeggen dat we tot in den treuren voor een of andere zaak moeten blijven bidden? De apostel Paulus spreekt ervan dat hij de Heer driemaal gebeden heeft voor zijn ‘doorn in het vlees’, en Gods antwoord was: ‘Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht’ (2Kor.12:8-9). We moeten volharden in de gebeden’ wil m.i. niet zeggen dat we altijd voor een of andere zaak moeten blijven bidden, maar dat we het ook moeten leren los te laten, over te geven. Doen we dat niet dan krijgen we eindeloze gebedslijstjes. Dat we onze bekommernissen op Hem mogen werpen wil zeggen dat we erop mogen vertrouwen dat God ons dat zal geven wat goed voor ons is. Hij is een hoorder en verhoorder van het gebed, alleen op zijn tijd en manier.

Antwoord op gebed (Jak.4:21)

Zoals hiervoor gezegd dienen we met de kennis van Gods wil vervuld worden’ (Ko1:9). Als het gebed in overeenstemming is met Gods wil en gehoord wordt, wil dat nog niet zeggen dat het beantwoord wordt op de wijze zoals wij denken dat het zou moeten gebeuren. Ik denk daarbij aan het verlangen en gebed van de apostel Paulus om de gelovigen in Rome te bezoeken. Het verlangen werd werkelijkheid, het gebed werd verhoord, maar de wijze waarop Paulus in Rome kwam, had hij zich, denk ik, wel heel wat anders voorgesteld. Hij ging namelijk als gevangene! Er zijn heel wat voorbeelden in de Bijbel te vinden waarin de gebeden niet beantwoord worden zoals wij ze verwoorden of wensen. We mogen alles in het gebed brengen, waarbij we ons wel dienen af te vragen, wordt God erdoor verheerlijkt en gediend? Leest u eens rustig die gedeelten die ons spreken over het gebedsleven van de apostel Paulus (Fil.1:9-11; Ef.1:15-23; 3:14-21). Misschien is het niet altijd nodig om te bidden voor iets wat je graag wenst of denkt nodig te hebben, maar wat je wilt zijn.

Met mijn verstand bidden (Mat.22:37)

Regelmatig hoor ik van gelovigen die bidden voor een opwekking en dat vaak al vele jaren doen en dat zonder enig gevolg. Nu hoop ik, met alle rechtgeaarde gelovigen samen, dat er een opwekking zou komen en dat veel ongelovigen Christus zouden mogen vinden als hun Redder. Maar is dat realistisch, vraag ik mij tegelijkertijd af? Paulus schrijft toch ook dat we bij ons bidden ons verstand niet vruchteloos mogen laten. Zo zegt hij: ‘Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden’ (1Kor.14:15). De werkelijkheid om mij heen toont ons het beeld van kerken die gesloten worden, gemeenten die verouderen omdat er geen nieuwe mensen meer tot bekering komen en ga zo maar door. De Schrift leert ons toch dat we de Here zouden liefhebben met geheel ons hart en met geheel onze ziel en met geheel ons verstand (Mat.22:37). Met gebruik makend van ons verstand zullen we toch moeten leren verstaan wat de wil van God is (Ef.5:17). De Schrift leert mij dat wij die in een eindtijd leven, en ik meen toch dat we daar mee te maken hebben, geen opwekkingen meer mogen verwachten, maar juist het tegenovergestelde een steeds verdergaand verval. Leert ons dat ook de ‘kerkgeschiedenis’ niet, zoals we die vinden in de zeven gemeenten (Op.2 en 3). Die geschiedenis eindigt met Laodicéa waarin het verval duidelijk aanwezig is en de heer buiten staat. Ik weet dat is geen aantrekkelijk vooruitzicht, maar beter met de realiteit te leven, dan van de ene teleurstelling in de andere terechtkomen!

Zal Ik nog het geloof vinden op aarde? (Luk.18:8)

Aansluitend aan het voorafgaande nog een opmerking over Lukas 18:8 waar staat: ‘Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’. Vaak wordt deze tekst gebruikt om te duiden of er in de eindtijd, vlak voor Jezus’ komst het bijbels geloof nog wel aanwezig zal zijn. Maar als we rekening houding met de context waarin deze vraag staat denk ik dat we aan iets anders moeten denken dan dat. Lukas 18:8 kunnen koppelen aan Lukas 17:22-37. De eindtijd zal geen periode zijn van groot geloof. Acht zielen werden gered in Noach’s tijd en vier uit Sodom, waarvan nog één omkwam tijdens de vlucht uit Sodom. Schriftgedeelten zoals 1 Timotheüs 4 en 2 Timotheüs 3 schetsen een heel ander beeld van de tijd voor Jezus’ komst! Vinden we nog geloof vlak voor de komst van de Heer Jezus? Ik geloof van wel, maar hoe sterk is dat geloof, is zo volhardend als dat van de weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter? Daar mogen we zelf het antwoord op geven!

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Gelijkenis van de twee schuldenaren

Het grootste wonder!

Lukas 7:36-49

 

 

‘Waar vergeving is, kan genezing zijn!’

Voorwoord

Vergeving, daarover gaat dit artikel. ‘Iedereen zegt dat vergeving een geweldig idee is, totdat ze zelf iemand moeten vergeven’ – C.S.Lewis

In het zevende hoofdstuk van het evangelie naar Lukas kunnen we drie wonderen opmerken: (1) de genezing van de slaaf van een hoofdman, (2) de opwekking van een dode jongeman en (3) de vergeving van een zondares! De genezing van de slaaf van de hoofdman van Kapernaüm kostte de Heer Jezus weinig moeite, slechts één woord was voldoende. Dat was natuurlijk een groot wonder, maar een nog groter wonder vond even later plaats, namelijk de opwekking van de gestorven jongeling te Naïn. Ook daar was slechts het woord van de Heer Jezus voldoende. Hij zei tot de dode: ‘Jongeman, Ik zeg je, sta op’. Het gevolg was dat de dode overeind ging zitten en begon te spreken en aan zijn moeder werd terggegeven. Maar het grootste wonder moest nog komen en dat was dat een zondares vergeven werd. Het kostte God weinig moeite om een zieke te genezen, of iemand uit de doden op te wekken, maar het kostte Hem zijn Zoon om ons te kunnen vergeven! Vergeving heelt de grootste nood, brengt de grootste vrucht voort en vergt de grootste prijs.

Inleiding

Waarom nodigde Simon, de farizeeër de Heer Jezus eigenlijk uit? Uit nieuwsgierigheid of om hem te verzoeken, zoals dat vaker gebeurde? (Zie: o.a. Mat.16:1; 19:3). Zoals zoveel anderen was ook Simon op de hoogte van de zonden van de vrouw (7:39), maar hij vergat wat hijzelf was; ook een zondaar! De vrouw was in de zonde gevallen, maar Simon leefde erin door de hooghartige houding die hij liet zien, een houding die de farizeeën eigen was (Luk.18:11). We hebben allemaal vergeving nodig, of je nu rijk of arm bent, een religieus leider of een gevallen vrouw, beiden staan schuldig voor God en hebben vergeving nodig. Wat zegt Gods Woord? Er is niemand die goed doet, allen zijn onder zonde en hebben gezondigd (Rom.3:9vv.). Mensen die in de nabijheid van de Heer Jezus komen, zien eerder hun onvolmaaktheid en schuld. We hoeven maar te denken aan Abraham die zei: ‘Zie toch, ik heb mij verstout tot de Here te spreken, hoewel ik stof en as ben’ (Gen.18:27). Of Ezra die van het volk en zichzelf zei: ‘Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel’ (Ezr.9:6). En wat te denken van de profeet Jesaja die zei: ‘Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is’ (Jes.6:5). En was het niet Petrus die tot de Heer Jezus zei: ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer’ (Luk.5:8). Iemand die in de nabijheid van God komt en zich spiegelt aan Gods Woord, zal, wanneer hij oprecht is, tot de erkenning komen dat hij voor God niet kan verschijnen, in de staat waarin hij is.

We hebben allemaal vergeving nodig!

‘Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekkingen van het vlees en van de geest’ (2Kor.7:1)

Tijdens de inwijding van de tempel was het Koning Salomo die verklaarde, dat ‘er geen mens is die niet zondigt’ (1Kon.8:46; Rom.3:23). Deze vaststelling wordt bevestigd door het Nieuwe Testament. De mens is geen zondaar omdat hij zondigt, maar hij zondigt om hij een zondaar is! Elk mens heeft gezondigd en staat schuldig voor een heilig God, die ‘te rein van ogen is om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab.1:13). Wil een mens met God in gemeenschap komen, dan heeft hij vergeving nodig van zonden en verzoend te worden met God door Christus (2Kor.5:19). Maar welke zonden?

Zonden van het vlees en de geest

Zonden zijn er in meerdere vormen, de zonden van de vrouw in de gelijkenis zullen immoreel van aard zijn geweest, bevlekking van het vlees. Haar gedrag was bekend en haar zondig leven zichtbaar voor iedereen (vs.37, 39, 47). De farizeeër daarentegen was een toonbeeld van vroomheid, de buitenkant was onberispelijk, maar de binnenkant tegenovergesteld, de zonden van de geest kenmerkte hem. Het is niet voor niets dat de Heilige Geest een heel hoofdstuk wijdt aan de farizeeën en Schriftgeleerden (Mat.23). Was het niet de hoogmoed van de geestelijke leiders van Israël die ertoe leidde dat de Heer Jezus verworpen en gekruisigd is geworden?

Bewuste en Onbewuste zonden

‘Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde’, zo zegt Jakobus (Jak.4:17). De Heer Jezus wees Simon de farizeeër op zijn tekortkomingen omdat hij, als gastheer, de Heer Jezus niet de nodige aandacht gegeven, zoals dat behoorde in de joodse cultuur van zijn tijd. ‘Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft mijn voeten met tranen nat gemaakt en met het haren afgedroogd. Een kus hebt U mij niet gegeven, maar zij heeft vanaf dat Ik binnengekomen ben niet opgehouden mijn voeten innig te kussen. Met olie hebt u mijn hoofd niet gezalfd maar zij heeft met balsem mijn voeten gezalfd’ (vs.44-46). Simon zag wel de zonden van de vrouw, maar was blind voor zijn eigen tekortkomingen. En is dat bij ons ook niet vaak het geval?

Openbare of verborgen zonden (1Tim.5:24)

Zo, schrijft de apostel Paulus aan zijn geestelijk kind, Timotheüs: ‘Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan hun voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij’ (1Tim.5:24). Deze tekst staat in verbinding met vers 22 waar gesproken om voorzichtig te zijn met een al te snel oordeel. ‘Leg niemand snel de handen op…’. Het kan gebeuren dat een gelovige verkeerd doet zonder het te beseffen. ‘Ik wist niet dat het de hogepriester was’ erkende Paulus toen hij zei: ‘God zal u slaan, gewitte wand!’ (Hand.23:3). Over zijn vervolging van de gemeente erkende Paulus dat hij het ‘onwetend had gedaan, in ongeloof’ (1Tim.1:13). Ja, ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.14:12). Daarom, laten we onderzoeken of we in het geloof zijn, en onszelf beproeven! (2Kor.13:13).

Vergeving is een gift van God.

‘En zij die mee aanlagen, begonnen oner elkaar te zeggen: Wie is Deze dat Hij zelfs zonden vergeeft’ (Luk.7:49)

Alleen God kan zonden vergeven

Op de vraag: ‘Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft’ zijn het de Farizeeën die ons zelf het antwoord geven, toe ze zeiden: ‘Wie kan zonden vergeven dan God alleen? (Luk.5:21). De Heer Jezus repliceerde daarop door te zeggen: ‘Wat is gemakkelijker te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en loop? Maar opdat u weet dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven, -zei Hij tot de verlamde: Ik zeg u: sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis’ (Luk.5:23v.).

Vergeving is uit genade

Simon, de farizeeër was uiteraard van de gedachte dat je bij God wel in een goed blaadje kon komen door goede werken, maar genade is niet iets wat je kan verdienen of kopen, wij zijn immers bankroet. Dat beginsel om door goede werken behouden te worden zien we heel goed tot uitdrukking komen in wat die farizeeër in een andere gelijkenis zei: ‘O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al mijn inkomsten’ (Luk.18:11:12; Mat.23:13). De apostel Paulus schreef: ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God; niet op grond van werken’ (Ef.2:8-9).

Vergeving ontvang je door geloof

De vrouw ontving geen genade door haar tranen of door de zalving met balsem van de voeten van de Heer Jezus. Wat je ook zou doen, vergeving is door genade. De Heer Jezus had al eerder gezegd: ‘Haar vele zonden zijn vergeven’ (vs.47) en vers vijftig sluit daarbij aan, waar de Heer zegt: ‘Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede’ (vs.50). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

Vergeving is zeker

Van de vrouw had de Heer Jezus tot Simon gezegd: ‘Haar vele zonden zijn vergeven’(vs.47) en tot de vrouw zei Hij: ‘Uw zonden zijn vergeven’ (vs.48). Als iemand haar een paar dagen later zou hebben gevraagd: ‘Hoe ben je zo zeker dat je behouden bent en dat je zonden vergeven zijn?’, dat had ze kunnen zeggen: ‘De Heer heeft het gezegd!’. En wat zouden wij zeggen als zo’n vraag aan ons gesteld zou worden? We zouden bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar wat Gods Woord daarover zegt: ‘Deze dingen heb ik u geschreven, opdat u weet dat u eeuwig leven hebt’ (1Joh.5:13). Daarom is het ook zo belangrijk voor ons dat we het Woord van God ontvangen hebben, want ‘Het Woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden’ (1Tim.1:15).

Vergeving is kostbaar

De behoudenis is uit genade, maar is niet goedkoop! We zijn niet verlost door vergankelijke dingen, zoals zilver of goud, maar door kostbaar bloed van een vlekkeloos en onbesmet lam, het bloed van Christus (1Petr.1:18-19). Nee, vergeving schenken is niet goedkoop, het kostte de Heer Jezus zijn leven. Is het niet dat Hij op het kruis heeft uitgeroepen: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luk.23:34). Vergeving is uit genade, maar dat wil niet zeggen dat iedereen behouden is, zoals er zijn die dat beweren. Zoals Paulus schrijft: ‘Maar nu is, buiten de wet om, gerechtigheid van God geopenbaard… door geloof in Jezus Christus tot allen en over allen die geloven’ (Rom.3:22). Gods genade en vergeving strekt zich uit tot aan alle mensen, maar is uitsluitend van toepassing op hen die de Heer Jezus in geloof als hun Heer en Heiland hebben aanvaard.

Vergeving schenken

‘Waar vergeving is, kan genezing zijn!’

Ook gelovigen, kinderen van God en discipelen van de Heer Jezus, worden opgeroepen om vergeving te schenken, er is zelfs een gelijkenis aan gewijd. Vergeving vergt ook hier een grote prijs, want we weten allemaal, en misschien wel uit ervaring, hoe moeilijk het is vergeving te schenken of te ontvangen (Kol.3:13). Als er onenigheid is tussen broeders of zusters, of in de gemeente, dan getuigd het van geestelijke volwassenheid dat men elkaar vergeven kan. ‘Maar weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft’ (Ef.4:32; Kol.3:12-13). Wanneer we ons herinneren dat een broeder of zuster iets tegen ons heeft, moeten we daarmee ook niet te lang wachten. ‘Maar wees spoedig welgezind, jegens uw tegenpartij' (Mat.5:25). Het kan ook zijn dat u iets tegen iemand hebt, ook dan dient vergeving een plaats te krijgen (Mark.11:25). Waar vergeving is, kan genezing zijn, en dat is toch wat de Heer wil!

Vergeving resulteert in een nieuw leven

‘Haar vele zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar wie weinig wordt vergeven, die heeft weinig lief’ (Luk.7:47)

Wie veel vergeven is, heeft veel lief! Dat is wat de gelijkenis ons ook wil duidelijk maken, namelijk dat toegepaste vergeving tot resultaat zou moeten hebben om Hem te dienen die het geschonken heeft. ‘Jezus zei tegen hem: ‘Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij nu sprak: ‘Meester, zeg het!’ ‘Een schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd denaren schuldig en de ander vijftig. Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van hen dan zal hem het meest liefhebben?’ Simon antwoordde en zei: Ik veronderstel, hij aan wie hij het meeste heeft geschonken. Hij nu zei tot hem: U hebt juist geoordeeld (7:40-43). Nu begrijpen wij wellicht ook beter de ijver die de apostel Paulus tentoonspreidde voor de Heer: hij wist hoeveel kwaad hij had gedaan, hoe groot zijn schuld was, voordat hij de Heer Jezus ontmoette (Gal.1:13-14). Paulus sprak over zichzelf als ‘de voornaamste van de zondaars’ (1Tim.1:13-15). Vanaf het moment dat Paulus Christus leerde kennen wenste hij ‘dat Christus zou worden grootgemaakt in zijn lichaam’ (Fil.1:20). Liefde voor Christus uit zich in liefde voor anderen, dat is het resultaat van vergiffenis. De vrouw schaamde zich niet voor haar liefde voor de Heer Jezus, iedereen had kunnen zie hoe ze Jezus’ voeten met tranen had natgemaakt, en met haar haren afgedroogd en gekust. Een totale toewijding, dat ook ons niet zou misstaan. ‘Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden’ (2Kor.5:17). Dat is wat iemand, die zich heeft bekeerd tot Christus, mag weten en ervaren, een nieuw begin, maar ook een nieuwe liefde want de liefde van God is in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is’ (Rom.5:5). Ze ervoer de vrouw een nieuwe vrijheid (Joh.8:36) en een nieuwe vrede, de vrede van God die alle verstand te boven gaat! (Fp.4:7; Rom.5:1).

Simon, de farizeeër

‘Als u blind was zou u geen zonde hebben, maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde’ (Joh.9:41)

En hoe is het met Simon, de farizeeër verdergegaan? We horen daar niets meer over, hoewel hij ook die weg had kunnen gaan zoals die zondares, maar hij liep de gelegenheid mis. We mogen ervan uitgaan dat hij vastgeroest zat in zijn overtuiging, dat een mens gerechtvaardigd kon worden door het houden van de Wet. Was dat niet het probleem van zoveel farizeeën en schriftgeleerden? Het probleem van Simon en zoveel anderen, was geestelijke blindheid. Die blindheid wordt treffend geïllustreerd in de beschrijving van de genezing van de blindgeborene in Johannes 9. De Heer Jezus geeft de Farizeeën, op hun vraag: ‘Zijn wij soms ook blind?’, het volgende antwoord: ‘Als u blind was zou u geen zonde hebben, maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde’ (Joh.9:41). Simon zag zichzelf niet. Hij dacht dat hij een rechtvaardig persoon was, aangenaam voor God, maar in werkelijkheid was hij dat niet. Hij zag wel de zonden van anderen, maar niet die van hemzelf. Hij verstond zelfs niet hoe hij de Heer Jezus vernederde door hem niet de eer te geven die gasten normaliter dienden te ontvangen (7:44-45). Hij had ook geen goede kijk op de vrouw, die bij de Heer Jezus kwam. Hij zag alleen haar verleden. Hij zag alleen maar de buitenkant, niet de binnenkant van de vrouw. De Heer zag beide! De werkelijke oorzaak van zijn blindheid was, dat hij niet zag wie de Heer Jezus werkelijk was. Hij noemde hem ‘Meester’ (vs.40), maar in zijn hart zei hij: ‘Als deze een profeet was… (vs.39). Niet eerder dan wanneer een mens de Heer Jezus werkelijk heeft leren kennen, zal hij of zij niet weten wie Hij is. Als de ogen van zondaren niet opengaan blijven ze blind.

___________________________________________________________