Eschatologie - Vragen

Wat zegt de Biibel?

 

 

 

Vragen met betrekking tot de Eschatologie

Voorwoord

In de loop der jaren heb ik veel vragen met betrekking tot de eindtijd en/of het boek Openbaring te beantwoorden gekregen. Ik ben al lang genoeg op weg als gelovige om niet te beweren dat ik hét antwoord op alle vragen heb, maar ik meen toch wel dat ik door jarenlange studie van dit onderwerp een recht van spreken heb. Mocht u toch van mening zijn dat ik enige correctie nodig heb, aarzel dan niet om dit te laten weten, want ‘de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen’ (1Kor.14:32).

In de antwoorden zal regelmatig worden verwezen naar reeds bestaande artikel in deze rubriek. Deze vraag- en antwoordreeks zal regelmatig worden aangevuld en bijgewerkt. U mag dit als een soort vademecum beschouwen.

Ik heb veelvuldig gebruik gemaakt van onderstaande werken:

The Bible Exposition Commentary OT en NT – Wiersbe

Things to Come, Pentacost, J.D.

De Openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Openbaring - Dr. H.R. van de Kamp - Commentaar op het NT

De komst van Christus - Glashouwer en Verweij

Brennpunkte Biblischer Prophetie - John F. Walvoord

Studiebijbel - deel 10 – Openbaring

Das kommende Reich Gottes - Andrew M. Woods

Lexikon zur Endzeit - Mal Couch

Verder nog vele andere werken en diverse websites.

 __________________________________________________________

Vraag 1

Als de Heilige Geest, die in de Gemeente en de gelovigen woont sedert de hemelvaart van de Heer Jezus, hoe kunnen er dan na de Opname van de Gemeente toch nog mensen tot geloof komen?

Antwoord: Dit is eigenlijk geen groot probleem. Zo goed als er in het OT mensen tot geloof konden komen, voordat de Heilige Geest (permanent) op aarde verbleef in de Gemeente en de gelovigen sedert de uitstorting van de Heilige Geest (Hand.2), zo goed kunnen er ook mensen tot bekering komen nadat de Heilige Geest is van de aarde is weggenomen vanwege de Opname van de Gemeente. Ondanks deze ‘wegneming’ kan de Geest nog wel werkzaam zijn op aarde! We zien dat bijvoorbeeld in Ezechiël 37 met betrekking tot de herrijzenis van Israël hetgeen nog toekomstig is. Nog een voorbeeld van de werking van de heilige Geest zien we in Zacharia 12:10 waar staat: ‘Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden’. We dienen het verschil tussen de werking en het permanent verblijven van de Heilige Geest in de Gemeente en in de gelovigen van de Gemeente leren onderscheiden. Zie o.a.: Joh.7:39; 16:7; Hand.2:33; 1Kor.6:19 en 1Kor.3:16.

Vraag 2

Wie of wat is de zgn. ‘weerhouder’ vermeld in 2 Thessalonicenzen 2?

Antwoord:

Uit het Bijbelgedeelte waarnaar wordt verwezen, blijkt dat vóórdat de dag des Heren aanbreekt er een aantal gebeurtenissen moeten plaatsvinden. Dat zijn de volgende zaken: (1) ‘dat wat tegenhoudt’ (vs.6) en ‘hij die tegenhoudt’ (vs.7) moet eerst worden ‘weggenomen’; (2) dan komt na het verval, de ‘afval’ (vs.3) en de openbaring van de antichrist (‘de mens van de zonde’ de ‘zoon van het verderf’, ‘de wetteloze’ vs.3,8); (3) daarna pas komt ‘de dag van de Heer’ (vs.2) en ‘de verschijning van zijn komst’, wanneer Hij de wetteloze zal verteren (vs.8).

Zie voor een meer uitgebreide uitleg hierover het artikel ‘De weerhouder’ in de rubriek: Eschatologie. Sommige gelovigen kunnen niet inzien dat de ‘weerhouder’ de Heilige Geest is, want, zeggen ze, hoe kunnen er en dan nog tijdens de ‘afwezigheid’ van de Heilige Geest op aarde, vanwege de opname van de Gemeente, nog mensen tot bekering komen? Voor het wantwoord verwijs ik u naar de eerste vraag.

Vraag 3

Is het juist dat we in Openbaring 7, waar gesproken wordt ‘over de grote schare die niemand tellen kan en die uit de grote verdrukking komen’, de Opname van de Gemeente mogen zien, zoals sommigen denken?

Antwoord:

Daarvoor is geen enkel Bijbels bewijs; er wordt niet over ‘opnemen’ of ‘opname’ gesproken noch over de Gemeente in het geheel van het boek Openbaring. Het onderwijs met betrekking tot de Opname vinden we niet in de Openbaring, maar in het evangelie naar Johannes en de brieven van de apostel Paulus. De Opname wordt voorondersteld. Ik geloof dat we die mogen ‘zien’ in Openbaring 4:1, in samenhang met Openbaring 1:19.

Hoe het dan toch komt dat er sommigen zijn die geloven dat Opname gevonden kan worden in de Openbaring, heeft te maken met de visie dat de Gemeente in het midden of aan het einde van de grote verdrukking wordt opgenomen. Zij zullen de opname toch ergens moeten vermelden in het boek Openbaring en nemen misschien hun toevlucht tot dit gedeelte. Anderen menen de Opname te vinden in de opstanding van de ‘twee getuigen’ in Openbaring 11:11. De Opname hierin willen ‘zien’ moet dan wel bewezen worden. Persoonlijk zie ik dit meer als een vorm van ‘inlegkunde’ in plaats van uitlegkunde. We moeten leren altijd Schrift met Schrift te vergelijken wanneer we iets willen verklaren en dienen onze verklaring dan te ondersteunen met andere Bijbelteksten. We dienen onze visie aan te passen aan de Bijbel en niet de Bijbel in onze visie wringen. De tekst is duidelijk: Over wie gaat het? Over hen die uit de grote verdrukking komen. Is dat de Gemeente? Dat kunnen we uit de tekst niet opmaken.

Vraag 4

Hoe kan je het boek Openbaring het beste indelen, er zijn toch veel manieren om dat doen, welke is de juiste?

Antwoord:

Het zou van hoogmoed getuigen te zeggen dat ik de enige juiste manier van de indeling van de Openbaring meen te weten, daarvoor zijn er meerdere mogelijkheden. Daarom geef ik het volgende ter overweging. Er zijn er die een indeling doen volgens een reeks van drie visioenen of vier terugkerende formules zoals ‘in de Geest’ of in vier zinsneden als ‘En ik zag’ of ‘ik zag’ dat zo’n veertig keer vermeld staat in het boek Openbaring. Ook zijn er die het boek indelen in reeksen van zeven; zeven gemeenten, zegels, bazuinen en schalen.

Mijn voorkeur gaat echter uit naar de indeling die het boek zelf maakt in hoofdstuk 1:19: ‘Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna zal gebeuren’. ‘Wat u hebt gezien’ is dan hoofdstuk 1 waar Johannes de Heer Jezus zag. Het ‘wat is’ verwijst m.i. naar de hoofdstukken 2 en 3 die ons de geschiedenis van de kerk in haar praktische openbaring als ‘huis van God’ schetsen door de zeven gemeenten. Het ‘wat hierna gebeuren zal’ sluit aan op die geschiedenis in hoofdstuk 4:1. Vooral 4:1 is belangrijk want daar staat tweemaal: ‘Hierna zag ik…’ en ‘…wat hierna moet gebeuren’. Hierna is dat wat volgt op de geschiedenis van de kerk, zoals geschetst door de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Als er meerdere mogelijkheden zijn is het altijd raadzaam die visie de voorkeur te geven die rechtstreeks door de Bijbel zelf wordt ondersteund, en dat is m.i. Openbaring 1:19.

Vraag 5

Kun je op grond van Johannes 21:21-23 waar staat: ‘Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het jou aan?’ stellen dat Johannes zou blijven leven totdat de Heer Jezus zou terugkomen en dat Jezus dus tot zolang niet kon komen?

Antwoord:

De Heer Jezus zei niet dat Johannes zou blijven leven totdat Hij zou terugkomen en ook niet dat hij zou sterven voordat Hij zou terugkomen. Jezus doet hier een veronderstelling géén belofte! We hebben hier te maken met een hyperbool. De hyperbool is de stijlfiguur van overdrijving. Het tegenovergestelde is een parabool. Een reden om een hyperbool te gebruiken kan zijn om bijvoorbeeld een emotie of een mening extra nadruk te geven. Jezus zegt alleen: Als Ik wil…! ‘Want Jezus had niet tot hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom wat gaat het jou aan?’ (vs.23). Zoals toen lezen ook nu velen deze tekst verkeerd en leren dat deze discipel niet zou sterven. Jezus zei dit om aan te geven dat Hij uitmaakte wat met Johannes zou gebeuren en Petrus moest zich daar geen zorgen om maken maar Jezus volgen!

Maar het houdt niet alleen een vermaning aan het adres van Petrus in, maar heel de passage (vs.20-23) moet een veel diepere zin hebben. Zoals Christus in vs.15-19 de dienst van Petrus had omschreven (weid mijn lammeren – Hoed/weidt mijn schapen), zo duidt Hij in vs.20-23 het karakter van de dienst van Johannes aan: deze zou ‘blijven’ tot de wederkomst van Christus. Vers 23 maakt duidelijk dat dit niet letterlijk betekend dat Johannes niet zou sterven; dus blijft er maar één mogelijkheid over: zijn dienst zou blijven tot de wederkomst van Christus. Dit ‘blijven’ betekent niet alleen maar, dat de dienst van Johannes betrekking zou hebben op de wederkomst als zodanig; dat is ook wel juist, want niemand beschrijft – afgezien van Christus Zelf (Mat.24-25) – de wederkomst van Christus in het NT zo uitvoerig als Johannes, in het boek Openbaring. Maar het ‘blijven’ van Johannes’ dienst heeft betrekking op heel de periode van de christelijke geschiedenis tot op de wederkomst.

Daar komt bij dat de apostelen en gelovigen in de begintijd van het christendom leefden in de onmiddellijke verwachting van de komst van Christus: Jak.5:7-10: ‘de komst van de Heer is nabij’ en ‘Zie, de Rechter staat voor de deur’, 1Petr.4:7, 5:4: ‘Het einde van alles is nabij’, Heb.10:24-25, 37 ‘Want nog een zeer korte tijd en Hij die komt, zal komen en niet uitblijven’, 1Joh.2:18,28; 3:2 ‘Het is het laatste uur’ 1Thes.4:15,17 ‘wij, levenden die overblijven tot de komst van de Heer’, Tit.2:13 ‘In de verwachting van de verschijning van Jezus Christus’ De gelovigen worden in het NT voortdurend aangemaand om te leven in de verwachting van de onmiddellijke terugkeer van de Heer! (Joh.14:2-3; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 1Petr.3:3-4). Daarom verwacht een gelovige de Heer altijd, en ook al is hij nog niet gekomen, wie onder ons kan zeggen dat hij of zij morgen nog leeft? Lees: Lukas 12:35-36.

Vraag 6

Is de Dag des Heren gelijk aan de Opname? Ik doel op de tekst 2 Thessalonicenzen 2:1-2.

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is uitermate belangrijk gelet op de implicaties dat het met zich mee kan brengen. Als de Dag des Heren gelijk is aan de Opname dan is het duidelijk dat de Gemeente door de Grote Verdrukking moet en de afval en de antichrist zal meemaken, want de gebeurtenissen verbonden aan de Dag des Heren zullen plaatsvinden aan het einde van de laatste jaarweek vlak voor de komst van de Heer Jezus. Met andere woorden tijdens die laatste jaarweek zou dan de Gemeente nog op aarde zijn. Dan is het onmogelijk om te geloven dat de Gemeente vóór of in het midden van die jaarweek zal worden weggenomen.

Daarom zal er aan de ‘tegenhouder’ ook een andere uitleg gegeven moeten worden dan de algemeen gaande, die is dat de ‘tegenouder’ of hetgeen ‘hem tegenhoudt’ Heilige Geest en/of de Gemeente is. Want als de ‘tegenhouder’ wel de heilige Geest of de Gemeente is, dan is het duidelijk dat de Opname voorafgaat aan de dag des Heren. (Voor de 'weerhouder zie vraag 2) Dat gaat niet allen op voor de 'weerhouder' maar ook voor de term die daar genoemd wordt 'de afval'. Is dat dan de afval (niet ‘verval’) van het christelijk geloof door het achtergebleven christendom na de Opname? Ik geloof dat het twee verschillende gebeurtenissen zijn, want als de Opname gelijk was aan de Dag des Heren waarom stelde men dan die vraag? De Dag des Heren is duidelijk een dag van oordeel en verschilt in ernstige mate van de bijeenvergadering van de gelovigen tot Hem. Als de Gemeente de periode van oordelen, de laatste jaarweek, zou moeten meemaken dat zou je toch op zijn minst een vermelding daarvan in het boek Openbaring mogen verwachten. In de hoofdstukken 4-19 vinden we echter geen enkele vermelding van de Gemeente noch de Opname. Ik zie dus niet in dat de Opname hetzelfde is als de Dag des Heren.

Vraag 7

Wat is het Bijbels bewijs voor de opname van de Gemeente vóór de Grote Verdrukking?

Antwoord:

Het is moeilijk om van ‘bewijs’ te spreken. Het staat nergens zwart op wit in één Bijbeltekst. Trouwens ik spreek liever van ‘laatste jaarweek’ in plaats van de Grote Verdrukking om misverstanden te voorkomen. Want ik geloof dat de Grote Verdrukking het tweede deel is van de laatste jaarweek en specifiek met het oog op Israël. Maar, om terug te keren tot de vraag, dat het nergens zwart op wit in één Bijbeltekst staat vermeld, geld ook voor de andere visies met betrekking tot de Grote Verdrukking zoals de midtrib (Opname in het midden van de laatste jaarweek) en posttrib (Opname aan het einde van de laatste jaarweek). Dat betekent dat men keuzes dient te maken. Mijn voorkeur voor de pretrib visie (Opname vóór de laatste jaarweek) is gebaseerd op een aantal keuzes die gemaakt dienen te worden uit heel veel verschillende onderwerpen die allemaal te maken hebben met dit onderwerp. Deze onderwerpen dienen allemaal te passen in het voor ogen hebbend model en mogen er niet in gewrongen worden. De hermeneutische sleutel dient in het slot te passen! Ik geloof dat de futuristische-pretribulationistische-prechiliastische visie daaraan het beste beantwoord en recht doet aan tal van voorwaarden voor een juiste exegetische toepassing met betrekking tot de Opname. De voornaamste ‘bewijsteksten’ voor de Opname zijn Johannes 14:1-3; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20-21; 1Thes.4:13-18. Er zijn er die de Opname afwijzen als iets geheimzinnigs dat niet in de theologie thuishoort. Tegen die mensen zou ik willen zeggen: Een ‘geheimzinnige’ Opname? Als God Henoch en Elia op een ‘geheimzinnige’ manier kon wegnemen van deze aarde, kan Hij dat dan niet met de Gemeente? De vraag die men dan moet beantwoorden is: ‘Wat verstaat men onder de Opname?’

Vraag 8

Mogen we in de eindtijd nog een opwekking verwachten? Wat moeten we verstaan onder 'de afval' zoals vermeld in 2 Thessalonicenzen 2:3?

Antwoord:

De gelijkenis van de dolik en de tarwe in Mattheüs 13 maakt duidelijk dat in de eindtijd beide tot volledige rijping gekomen zijn, zowel de grootste dwaasheid als de grootste wijsheid. Wanneer we aannemen dat Openbaring 2 en 3 symbool staat voor de geschiedenis van de christenheid dan zien we een patroon dat we door heel de Bijbel tegenkomen namelijk, dat wat goed begint altijd tot verval en zelfs afval leidt. Denk aan de schepping, het koningschap in Israël, de geschiedenis van het volk Israël en ook die van de Christenheid. De gedachte dat het in de eindtijd geestelijk slecht zal gaan kan worden onderbouwd door een reeks van Nieuwtestamentische teksten. Voor ons is 2 Thessalonicenzen 2:3 van belang waar specifiek over ‘de afval’ gesproken wordt. Let wel: Afval van het geloof is wat anders dan verval van het geloof.

De afval vermeld in 2Thes.2:3 is die waarvan de openbaring van de Antichrist het hoogtepunt vormt en aan die afval tevens leiding aan geeft. In 1Johannes 2:22 lezen we dat de Antichrist de Vader en de Zoon loochent. Het verval van het christelijk geloof zien we het duidelijkst in de West-Europese landen en Amerika. Een recent onderzoek heeft aangetoond dat slechts 6% van de Vlamingen nog regelmatig naar de kerk gaat en dit percentage is dalende vanwege de vergrijzing van de bevolking. Maar geringere aantallen kerkbezoekers is nog niet het ergste. Erger zijn de leerstellige dwalingen die we tegenkomen en die zich vooral uit in de toenemende Mariaverering. Ook het joodse volk zal in die afval worden meegetrokken want zij zullen de antichrist aanvaarden als de Christus. Jezus zegt: 'Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen' (Joh.5:43). Elders in de wereld horen we van een toename van het christelijk geloof maar ik heb wel vragen over de inhoud; zeg de kwaliteit van dat geloof. Roger Liebi zegt daarover het volgende: ‘Met het oog op de uitspraken van de Bijbelse profetie kan men ook niet rekenen op een opwekking in de eindtijd in Europa en Amerika. Een dergelijke uitspraak, zoals sommige christenen propageren, komt overeen met de valse profetie van de in Mattheüs 24:11,2 24 aangekondigde eindtijdprofetieën, 2Tim.3-4; 2Petrus2-3; Judas en 2Thes2:3 spreken over een grote afval binnen de belijdende christenheid. Als we ons bewust worden, wat de profetie in het Woord van God werkelijk zegt, dan zien we ook hoe belangrijk de Bijbelse oproep tot waakzaamheid en nuchterheid is. Vóór Jezus verschijnt komt er geen ‘gouden eeuw’ op de wereld af, maar ‘de grote afval’. (Zie ook het artikel in de Rubriek: Christendom 'Komt er nog een opwekking in Europa?)

Vraag 9

U spreekt over ‘de Opname’ wat moet ik daaronder verstaan?

Antwoord:

De Opname behoort tot één van de verborgenheden of geheimenissen ‘die van alle eeuwen en geslachten verborgen is geweest, maar die nu geopenbaard is aan zijn (Gods) heiligen’ (Kol.1:26). Deze verborgenheden of geheimenissen bekend te maken behoorde tot de verantwoordelijkheid van de apostel Paulus (Kol.1:25). In verband met de toekomstige gebeurtenissen lezen we ook nog over een andere verborgenheid: ‘Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. In een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en zij zullen veranderd worden’ (1Kor.15:51-52). In dergelijke zin sprak de Heer Jezus ook over de gelijkenissen. ‘Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ (Mat.13:35; Ps.78:2). Omdat deze dingen verborgen waren van alle eeuwen en geslachten is het ook niet juist de Opname te vereenzelvigen met de zichtbare komst van Christus op de Olijfberg omdat die al duidelijk gedocumenteerd was in het Oude Testament. Het is een speciaal gebeuren en betreft de terugkeer van de Heer Jezus om zijn bruid (de Gemeente) op te halen en te brengen in het huis van de Vader. De voornaamste ‘bewijsteksten’ voor de Opname zijn Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20-21 en 1Thes.4:13-18.

Vraag 10

Wat zijn de voornaamste verschillen tussen pretribulationisme en posttribulationisme, respectievelijk de visie dat de Opname vóór de Grote Verdrukking plaatsvindt en dat de Opname ná de Grote Verdrukking plaatsvindt?

Antwoord:

Het posttribulationisme is de opvatting dat de Gemeente wordt opgenomen ná de Grote Verdrukking en is het gevolg van een niet onderscheiden van de volgende zaken:

1e. Het verschil tussen de Gemeente en Israël wordt niet onderscheiden omdat volgens posttribulationisme beiden de laatste jaarweek (Grote Verdrukking) zullen meemaken.

2e. Het onderscheid geen afzonderlijk verschijnen van de Heer Jezus om de Gemeente in het Vaderhuis te brengen. Dit is de Opname volgens pretribulationisme. Men spreekt bij posttribulationisme wel over de Opname maar dat correspondeert niet met de gedachte die daarmee gepaard gaat, namelijk dat de Heer Jezus komt en wij Hem tegemoet gaan in de lucht. Om het anders te zeggen men gelooft niet een ‘geheimzinnige wegneming’.

3e. Men onderscheidt niet de verschillende bedelingen in de Bijbel. Een bedeling is een periode binnen de heilsgeschiedenis die zich van andere onderscheidt door een eigensoortige relatie tussen God en de mens.

4e. Men onderscheidt niet dat de laatste jaarweek – de zeventigste – bestemd is voor het toekomstige volk Israël.

5e. Het gelooft niet dat de Heer Jezus ieder moment kan komen voor de Gemeente.

6e. Het posttribulationisme onderscheidt onvoldoende het karakter van de Grote Verdrukking.

7e. Het posttribulationisme zal een aantal teksten die op Israël betrekking hebben op de Gemeente moeten toe passen. Dat komt vooral tot uitdrukking in de Rede over de laatste dingen in Mattheüs 24. (Zie daarvoor het artikel in deze Rubriek: ‘Mattheüs 24 een exegese’).

8e. Men gaat voorbij aan de verschillen tussen de Opname voor de Gemeente en Jezus’ komst voor Israël. (Zie daarvoor de artikelen ‘Drie komsten van Christus?’ en ‘Het Midtribulationisme’ in deze Rubriek).

9e. Men beloont niet de verschillende fasen in de opstanding.

10e. Posttrib gaat ervan uit dat de ‘laatste bazuin’ vermeld in de eerste brief aan de Korinthiërs (1Kor.15:52) dezelfde is al de ‘zevende laatste bazuin’ vermeld Openbaring (Op.11:15-18).

11e. Op grond van Mattheüs 13:24-30 en 36-43 gaat men er abusievelijk vanuit dat de Gemeente blijft voortbestaan tot aan het einde van de eeuw.

(Zie ook het artikel: Het Midtribulationisme op deze website)

Vraag 11

Zijn de twee getuigen vermeld in Openbaring 11 een beeld van de Opname van de Gemeente?

Antwoord:

Hen die de mening zijn toegedaan dat de Twee Getuigen een beeld weergeven van de Opname van de Gemeente geven in ieder geval blijk dat ze van de indeling van het boek Openbaring geen kennis hebben of er geen rekening mee houden (zie: vraag 4). Met andere woorden ná hoofdstuk 4 is de Gemeente niet meer op aarde. Als er al sprake is van de Opname van de Gemeente in het boek Openbaring dan is hoofdstuk 4:1 daar een heenwijzing naar. We moeten voorzichtig zijn met dingen in de Bijbel in te lezen: we moeten aan exegese (uitlegkunde) doen, niet aan eisegese (inlegkunde). De mening dat de twee getuigen een beeld van de opname geven, wordt overigens door geen enkele andere tekst uit de Bijbel ondersteund; het is een visie zonder enig Bijbels bewijs.

Vraag 12

Is de Opname een verzinsel? Er zijn Bijbeluitleggers die beweren dat, zoiets als een geheimzinnige wegneming van gelovigen niet bestaat of mogelijk is. Ze bedoelen hiermee de zogenaamde Opname. Is dit juist?

Antwoord:

Dat er een duidelijk verschil is tussen de komst van de Heer Jezus voor Israël en die van de Gemeente is duidelijk. De komst van de Heer Jezus voor Israël is redelijk uitvoerig en gedetailleerd beschreven in het Oude Testament, net zoals dat het geval was bij zijn eerste komst als kind in Bethlehem, denk bijvoorbeeld aan Micha 5:1 en Jesaja 9:5. Zacharia spreekt over de komst van de Messias met de volgende bewoordingen: ‘Zie, er komt een dag voor de Here, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de Here, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem. En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving; ja, het zal één dag zijn – die is bij de Here bekend – geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen’ (Zach.14:1-7). We kunnen hieruit het volgende leren: (1) er zal in die tijd een grote strijd zijn om de stad Jeruzalem (2) het volk Israël zal weer aanwezig zijn, (3) het zal een zichtbare komst zijn, (4) de komst zal plaatsvinden op de Olijfberg die ten oosten van Jeruzalem ligt, (5) alle stammen zullen over Hem weeklagen en (6) kunnen we ons afvragen wie die ‘heiligen’ zijn die met Hem komen? Veel meer teksten uit het NT verstrekken ons meer informatie over die komst van de Heer Jezus voor Israël en de volken, zie onder andere Luk.21:27; Hand.1:11; Op.1:7; Mat.24:30.

Dat er ook nog een andere komst van de Heer Jezus is moet wel waar zijn, want waarom moest de komst van de Heer Jezus door de apostel Paulus nog apart worden geopenbaard? Met andere woorden als er maar één wederkomst van de Heer Jezus zou zijn, die zo duidelijk aangekondigd en beschreven is in het OT en NT, waarom dan nog spreken van een ‘verborgenheid’ of ‘geheimenis’ betreffende Jezus’ komst? Het moet dus gaan om een andere komst dan die voor Israël en dat is de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente. De Opname behoort tot één van de verborgenheden of geheimenissen ‘die van alle eeuwen en geslachten verborgen is geweest, maar die nu geopenbaard is aan zijn (Gods) heiligen’ (Kol.1:26). Deze verborgenheden of geheimenissen bekend te maken behoorde tot de verantwoordelijkheid en voorrecht van de apostel Paulus (Kol.1:25). In verband met de toekomstige gebeurtenissen lezen we ook nog over een andere verborgenheid: ‘Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. In een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en zij zullen veranderd worden’ (1Kor.15:51-52). Omdat deze dingen verborgen waren van vóór alle eeuwen en geslachten is het ook niet juist de Opname te vereenzelvigen met de zichtbare komst van Christus op de Olijfberg omdat die al duidelijk gedocumenteerd was in het Oude Testament. Het is een speciaal gebeuren en betreft de terugkeer van de Heer Jezus om zijn bruid (de Gemeente) op te halen en te brengen in het huis van de Vader zoals beschreven in de brief aan de Thessalonicenzen: ‘Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen‘ (1Thes.4:13-18). Andere teksten voor de Opname zijn: Johannes 14:1-3; 1Kor.15:51-52 en Fil.3:20-21. Ik zie dus geen reden om aan te nemen dat de ‘Opname’ een verzinsel zou zijn omdat het duidelijk in het NT vermeld staat; of kan iemand anders mij vertellen wat er dan met die ‘verborgenheid’ van Paulus bedoeld wordt?

Vraag 13

Wat is de ‘dag van de Heer’ en wanneer komt deze dag?

Antwoord:

De aanleiding. Na de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen is er verwarring ontstaan waardoor ze dachten dat de dag van de Heer al was aangebroken. De gelovigen werden in toenemende mate vervolgd door de ambtenaren van het Romeinse Rijk, welke hun heidense gebruiken en zienswijzen op de kleine christelijke gemeente afdwongen. De jonge gelovigen zijn dan tot de gevolgtrekking gekomen dat de dag des Heren al begonnen was, en dat Paulus’ verzekering dat zij de toorn van God zouden ontvluchten niet waar was. Afgezien van valse profetieën die hierover in de gemeente uitgesproken werden, zijn er ook valse brieven rondgegaan die naar bewering van Paulus afkomstig waren (‘als door brief van ons’ 2Thes.2:2), waarin gezegd werd dat de gelovigen door de verdrukking en het lijden van de dag des Heren zouden moeten gaan. Paulus heeft zijn tweede zendbrief aan hen geschreven om de volgorde van de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden in de eindtijd te verduidelijken en te bevestigen dat de opname vóóraf zal gaan aan de dag van de Heer. Het tweede hoofdstuk van de tweede brief aan de Thessalonicenzen is een hoogst betekenisvol hoofdstuk in de christelijke eschatologie. Thomas Constable zegt hierover: ‘Deze verzen (2Thes.2:1-12) bevatten waarheden die nergens anders in de Bijbel voorkomen. Het verschaft een sleutel tot het verstaan van toekomstige gebeurtenissen en is van centraal belang in deze zendbrief”.

Wat is die dag? Uit het verband van 1Thes.5:2 met vs.9 blijkt dat ‘de dag van de Heer’ gelijkgesteld kan worden met de toorn, niet met de Opname (1Thes.1:10). De ‘dag des Heren’ omvat heel de periode, die begint na de opname der gemeente en duurt tot en met het laatste oordeel. Het is de ‘dag van wrake’, die volgt op de ‘dag van genade’ (Jes.61:2). Want na het ‘aangename jaar de Heren’ komt ‘de dag, brandende als een oven’ (Mal.4:1). Onder andere volgende profeten spreken over ‘de dag des Heren’ (Am.5:18-20; Jes.2:12, 13:6-16; Mi.7:4-6; Zef.1:14-16; Ez.30:3-12). Volgens Ironside begint de ‘dag van de Heer’ wanneer ‘de dag van de genade’ beëindigd is. De ‘dag van de Heer’ volgt op de Opname. Het zal een tijd zijn waarop Gods oordelen over de aarde worden uitgestort. Het sluit de tijd in wanneer de Heer terugkomt met zijn heiligen om zijn vijanden te oordelen en het koninkrijk in bezit zal nemen; om te heersen in gerechtigheid voor een duizendjarige periode. Volgens Scofield beslaat ‘de dag van de Heer’ (ook genoemd ‘die dag’ en ‘de grote dag’) die tijd die begint met de terugkeer van de Heer Jezus in heerlijkheid, en eindigt met de reiniging van de hemel en de aarde door vuur om plaats te maken voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. (Jes.65:17-19, 66:22; 2Petr.3:13; Op.21:1). Rene Pache zegt in zijn ‘Komende Christus’ over de dag des Heren: ‘Dit is de korte periode van verschrikkelijke oordelen, die onmiddellijk aan de komst van Christus in zijn heerlijkheid voorafgaat, en die samenvalt met de regering van de antichrist’.

Wat gaat er aan die dag vooraf? Paulus heeft waarschijnlijk tijdens zijn bezoek aan de gemeente intensief onderricht gegeven over de dag des Heren, wat een tijd zal zijn van de uitstorting van goddelijke toorn over de boze en ongelovige wereld. Er zijn verscheidene oudtestamentische Schriftgedeelten waarin bijzonderheden worden gegeven over deze vreselijke tijd (vgl. Jes.13:9-13; 24:1-23; Jo.2:11, 31; Zef.1:14-16). Gelovigen worden aangemaand zich geestelijk voor te bereiden om waardig geacht te worden om de komende oordelen te ontvluchten (vgl. Luk.21:36). Er gaan een aantal gebeurtenissen aan de komst van de dag des Heren vooraf: ‘Want die (de dag van de Heer) komt niet als niet eerst (1) de afval gekomen is en (2) de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf’ en verder: dat de zoon van het verderf (d.i. de antichrist) zich (3) in de tempel zal gaan zetten en vertonen dat hij God is en tenslotte dat de weerhouder (d.i. de Heilige Geest en/of de Gemeente) zal zijn weggenomen.

Tenslotte. Paulus heeft sterk op de harten van de gemeente gedrukt om ‘Zijn Zoon uit de hemelen te ver­wach­ten, Die Hij uit de doden heeft opgewekt, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn’ (1Thes.1:10). Later in deze brief heeft hij de belofte nog eens herhaald: ‘Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heer Jezus Christus’ (1Thes.5:9). De toorn van God zou slechts over de ongelovigen komen.

Vraag 14

Moeten we de duizend jaren, vermeld in Openbaring 20 letterlijk nemen?

Antwoord:

Ja, neem ze maar letterlijk, want waarom zou je dat niet doen? Ik geloof in een toekomstig rijk waar Christus zal heersen want dat heeft Hij ons beloofd en daarover spreekt Jesaja hoofdstuk 9:5 ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.’ en (vs.6) ‘Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid’. Vers 5 wordt door iedere christen letterlijk moeten nemen en waarom vers 6 dan niet?

Maar zo gemakkelijk ligt dat niet want veel christenen denken daar anders over, bijvoorbeeld hen die zich achiliasten*, of aanhangers van de vervangingsleer*, of preteristen* noemen. De leer die ze navolgen, dwingt hen om een duizendjarig rijk te vergeestelijken en niet letterlijk te nemen. Ook een toekomstig en nationaal herstel van Israël is in hun denken niet mogelijk. In het Rooms-Katholieke en in grote delen van de Protestantse kerk is dit de officiële kerkleer. Hun mening is dus niet gebaseerd of een exegese van Openbaring 20:1-10 maar wordt bepaald door hun kerkleer. Dus neemt u die duizend jaar maar letterlijk en trekt u zich niets aan van hen die verwijzen naar 1 Petrus 3:8 waar staat dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag’ en waarmee ze willen aantonen dat de duizend jaren in Openbaring 20 niet letterlijk genomen moet worden. Door dit te zeggen laten ze alleen maar zien dat ze van een goede Bijbeluitleg geen weet hebben. Duizend jaren is bij de Heer één dag, en andersom, maar bij ons mensen is duizend jaren, duizend jaren, en een dag een dag!

Achiliasten of amilllennialisme: leer die een duizendjarig rijk afwijst.

Supersessionisme of sustitutionisme of vervangingstheologie. De leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen. Is een leer dat beweerd dat de duizend jaren nú vervuld worden.

Preteristen. Op het verleden betrekking hebbend; dingen vanuit het verleden verklarend. Beweren dat de duizend jaren in 70 v.Chr. is begonnen.

Zie verder het boek: 'Het Israël van God' van W.J. Ouweneel waarin bovenstaande visies uitvoerig besproken worden.

Vraag 15

Leert Mattheüs 24:40 de Opname?

De tekst in Mattheüs 24:40 gaat als volgt: ‘Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molensteen malen, één wordt meegenomen en één achtergelaten.

Antwoord:

In de Statenvertaling staat deze tekst als volgt: ‘De één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden’. NBG en HSV hebben: ‘aangenomen’ en ‘achtergelaten’. Het Nieuwe Testament in de Telos/Voorhoeve vertaling hebben: ‘meegenomen’ en ‘achtergelaten’. Omdat het hier om het eindoordeel en het begin van het vrederijk gaat, betekent ‘meenemen’ hier: wegrukken door het oordeel; en ‘achtergelaten’: op aarde laten, opdat de betreffende gelovigen het vrederijk kunnen binnengaan. Maar of het nu om ‘wegnemen’ of ‘aannemen’ gaat, in ieder geval kan men niet vertalen ‘opnemen’, en nog minder spreekt het vanzelf dat het hier om de Gemeente zou gaan. De context maakt toch duidelijk dat het hier gaat om personen die in Juda wonen en de heilige plaats (de tempel) kunnen zien, en personen die de sabbat houden, kortom: Joden in het Heilige Land (Mat.24:15-20).

In 1Thes.4 waar het over de Opname gaat staat is het Griekse woord ‘har’pazo’ vertaald als ‘opgenomen’; met geweld wegnemen, snel grijpen en meenemen. Het Griekse woord in Mattheüs 24:40 is een ander woord: paralam’bano dat is ‘erbij nemen’ maar niet ‘opnemen’.

Daar komt bij dat het onderwijs van de Opname voorbehouden was aan de apostel Paulus en pas bekendgemaakt kon worden ná het ontstaan van de Gemeente (Kol.1:25vv.; Ef.3:3vv: Rom.16:25v.). Dit maakt ook de reden duidelijk dat de apostel Paulus de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente mocht en moest bekendmaken omdat de zichtbare komst van Christus al uitvoerig beschreven was in Oud- en Nieuwe Testament en de komst voor de Gemeente niet.

Vraag: 16

Mogen we in de zeven gemeente die vermeld worden in Openbaring 2 en 3 een profetische beschrijving zien van de kerkgeschiedenis?

Antwoord:

Daarover zijn de meningen verdeeld, vooral omdat de toepassing wereldwijd niet altijd overkomt met de beschrijvingen van de beschreven situatie van de gemeenten en hun toepassing op de wereldwijde gemeenten. Ik bedoel hiermee dat de situatie zoals bijvoorbeeld beschreven in de gemeente van Laodicéa niet overeenkomt met de geestelijke toestand van veel kerken in veel landen in de wereld. Ik durf te zeggen dat Laodicéa wel overkomt met de kerk in West-Europa, en door het op die manier toe te passen ontkom aan die impasse. Maar dat is mijn eigen mening. Toch wil ik een aantal aanwijzingen geven die de visie dat Openbaring 2 en 3 een profetische beschrijving is van de geschiedenis van de kerk steunen, maar dan toegepast op Europa.

1e. Zoals we kunnen lezen is het boek Openbaring het enige echte profetische van de Bijbel, in die zin dat het de toekomstige gebeurtenissen beschrijft. En het profetische geldt voor het gehele boek, en niet alleen voor de hoofdstukken vier tot aan het einde van het boek. In Openbaring 1 zien we de Heer Jezus voorgesteld in een profetisch karakter en er is geen enkele reden aan te nemen waarom hoofdstuk 2 en 3 niet profetisch zouden zijn. Diverse keren wordt Openbaring profetische genoemd. ‘Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen…’ (1:3; 22:7,10,18,19).

2e. Wanneer we Openbaring 1:19 nemen als indeling van het boek Openbaring dan moeten we de vraag beantwoorden waarom de hoofdstukken 1, 2 en 3 niet profetisch zouden zijn. ‘Schrijf dan wat u hebt gezien (Openbaring 1), en wat is (Openbaring 2 en 3) en wat hierna zal gebeuren’ (Openbaring 4-22).

3e. Het is niet te ontkennen dat de beschrijvingen van de zeven gemeente treffend toe te passen zijn op de christelijke kerk op de kerkgeschiedenis van, vooral de kerk in Europa. Dat is niet te ontkennen en bevestigd de gedachte dat de inhoud van de brieven een eenheid vormen. Het boek Openbaring moest ook naar alle zeven gemeenten gezonden worden (Op.1:11), wat ook blijkt uit de zin ‘Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ (2:7,11,17,29; 3:6,13,22).

4e. In brieven aan de gemeenten Thyatira, Sardis, Filadelfia en Laodicéa wordt vermeld dat ze zullen blijven bestaan tot aan Jezus’ komst en moeten de hoofdstukken 2 en 3 wel een verdere toepassing hebben dan alleen maar een pastorale en geschiedkundige.

5e. De geestelijke volgorde die we in de brieven aan de zeven gemeenten vinden zijn gemakkelijk terug te vinden in de kerkgeschiedenis. Van ‘de eerste liefde verlaten’ tot de ‘omdat u lauw bent en niet heet of koud’ (Op.2:4; 3:16). Voor een uitgebreide beschrijving van de kerkgeschiedenis met inachtneming van Openbaring 2 en 3 kunt u vinden onder de rubriek: Eschatologie 2 van deze website.

Tenslotte

Openbaring 2 en 3 alleen maar te willen zien als een geschiedkundige beschrijving van de toenmalige geestelijke situatie en als bemoediging aan de gelovigen van de komende eeuwen om vol te houden en niet te verzaken in hun geloof, roept de vraag op waarom dat doen door middel van zeven brieven aan verschillende gemeenten en niet in een eenvoudig pastoraal hoofdstuk. Die vraag moet nog beantwoord worden.

____________________________________________________________