Eschatologie 2

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

1. De geschiedenis van de Imminentie

2. Preterisme een verkenning

3. Vragen aan Preteristen

4. Zie, Hij kwam/komt met de wolken

 

___________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Geschiedenis van de Imminentie

 

 

 

Inleiding

Wat verstaan we in de eschatologie (leer van de laatste dingen) onder imminentie? De meest gangbare verklaring van het woord is: boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. In de eschatologie wordt het gebruikt door hen die het pretribulationisme aanhangen en geloven dat de wederkomst van Christus voor de Gemeente (de zgn. Opname) spoedig kan gebeuren en wel zonder voorafgaande tekenen. ‘Perhaps Today!’

De doctrine van de imminentie

Aan Israël zijn tekenen gegeven die aan de (tweede) komst van Christus zouden voorafgaan opdat ze in de verwachting van zijn komst zouden leven als deze dingen gaan gebeuren. Dag en uur blijven wel voor het volk Israël verborgen, maar door de tekenen die geschieden kunnen ze toch een redelijk vermoeden hebben van de tijd van de komst van de Messias.

Aan de Gemeente zijn geen tekenen gegeven. De Gemeente leefde en leeft in de verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus om hen te brengen in zijn heerlijkheid (Joh.14:2-3; 17:24; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 2Petr.3:3-4). Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:6, Titus 2:13 en Openbaring 3:3 roepen de gelovigen op om uit te zien naar de komst van de Heer Jezus en niet uit te zien naar bepaalde tekenen. Het is natuurlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die voorafgaan aan de laatste jaarweek, zoals beschreven in Daniël 9, en waarvan de vervulling beschreven is in het boek Openbaring vanaf hoofdstuk 4-19, hun schaduw vooruitwerpen, maar nergens worden de gelovigen opgeroepen om op deze gebeurtenissen te letten, wel om hun aandacht te vestigen op de altijd aanwezige mogelijkheid van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus.

Enkele Nieuwtestamentische teksten

1 Korinthe 1:7 zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heer Jezus Christus verwacht.

1 Korinthe 4:5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen, aan het licht zal brengen, en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.

1 Korinthe 15:51 Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

1 Korinthe 15:52. in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden.

1 Korinthe 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha!

1 Thessalonicenzen 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Titus 2:13 in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.

Jakobus 5:7 Heb dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht de op de kostelijke vrucht van het land en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt.

Jakobus 5:8. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij.

Jakobus 5:9. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.

1Johannes 2:28 En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst.

Openbaring 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Openbaring 22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Openbaring 22:12 Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is.

Openbaring 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Heer Jezus!

Stemmen uit het verleden

Hoewel de eschatologie in het vroege Christendom nog niet op alle punten duidelijk was, was de onmiddellijke wederkomst van Christus voor de gelovigen geen punt van discussie. De vroege kerkvaders, maar ook de hervormers Luther, Calvijn, John Knox en Latimer waren die mening toegedaan.

Luther: ‘Laten we niet denken dat de komst van de Heer veraf is. Laten we de hoofden opheffen en laten we onze Verlosser met verlangen verwachten’.

Calvijn: ‘De schrift is eenduidig in het verlangen naar de komst van de Heer’.

Knox: ‘De Heer zal terugkeren en dat met spoed’.

Latimer: ‘Misschien kan Hij komen in mijn dagen, zo oud als ik ook ben, of in de dagen van mijn kinderen’.

Cyprian, die leefde rond het jaar 200, zegt: ‘We zouden onszelf tegenspreken en ongeloofwaardig zijn wanneer we zouden bidden: dat Uw koninkrijk spoedig mag komen, en tegelijk verlangen naar een lang leven hier op aarde!’

Doorheen de achter ons liggende eeuwen is het getuigenis van de apostolische kerk, talloze kerkleiders en andere Christenen duidelijk, ze geloofden in een imminente onmiddellijke komst van Christus. Hieronder een beknopte opgave.

-Tussen de tijd van de apostel en het concilie van Nicea (325 n.Chr.) zijn het Papias, Irenaeus, Justin Martyr, Tertullian, Hippolytus, Methodus, Commodianus en Lactantius.

-In de zestiende eeuw Johannes Calvijn en William Tyndale.

-In de zeventiende eeuw de Puriteinen, de Covenanters en de Westminster Confession.

- In de achttiende eeuw George Whitefield, John Wesley en Thomas Coke.

-In de negentiende eeuw de Plymouth Brethern (Darby e.v.a.) en Charles H. Spurgeon.

Het getuigenis van Charles Haddon Spurgeon (De prins der Predikers)

Spurgeon schrijft in zijn ‘Twelve Sermons on the Second Coming of Christ, pag.137-38 het volgende: ‘Broeders, op dit punt wil ik oprecht zijn, want het idee van het uitstel van de komst van Christus is altijd schadelijk, hoe u er ook uitkomt door profetie te bestuderen, of op een andere manier ... Denk daarom niet dat de Heer zijn komst uitstelt, en dat hij nog niet wil of kan komen. Veel beter zou het voor u zijn om op de uitkijk te staan, en teleurgesteld te zijn te denken dat hij niet komt ... Hij zal op zijn eigen tijd komen, en we moeten altijd uitkijken naar Zijn verschijning' En verder vanaf pagina 140 nog het volgende: ‘O, geliefden, laten we elke ochtend proberen op te staan alsof dat de ochtend is waarop Christus zou komen; en als we 's avonds naar bed gaan, mogen we dan gaan liggen met de gedachte: 'Misschien word ik gewekt door het geluid van de zilveren trompetten die zijn komst aankondigen. Voordat de zon opkomt, kan ik uit mijn dromen worden opgeschrikt door de grootste van alle kreten: 'De Heer is gekomen! De Heer is gekomen!' Wat een uitzicht, wat een aansporing, wat een teugel, wat een aansporing, zulke gedachten zouden bij ons aanwezig moeten zijn! Neem dit als leidraad je hele leven. Doe alsof Jezus zou komen tijdens de handeling waarmee je bezig bent; en als u niet in die handeling betrapt wilt worden door de komst van de Heer, laat het dan niet uw handeling zijn’. Tenslotte nog op blz.140 het volgende: ‘Mensen van de Tabernakel, u bent klaar om vanavond te kijken zoals zij deden in de dappere dagen van weleer! De mannen van Whitefield en Wesley waren toeschouwers; en degenen die vóór hen waren, in de dagen van Luther en Calvijn, en zelfs terug tot in de dagen van onze Heer. Ze hielden de wacht in de nacht, en jij moet hetzelfde doen, totdat 'Beginnend met de middernachtelijke roep: 'Zie je hemelse Bruidegom is nabij' ga je eropuit om je terugkerende Heer te verwelkomen'

Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen. Er is altijd een verwachting geweest op een spoedige komst van de Heer ook in hun tijd.

Tegenwerpingen

Tegenstanders van het geloof in een onmiddellijke en spoedige komst van de Heer voeren daarvoor o.a. de volgende argumenten aan. De aankondiging van de verwoesting van de tempel (Luk.21:20), de zendingsopdracht om het Evangelie te prediken in de gehele wereld (Matth.28:19-20), het sterven van de apostel Petrus zoals vermeld in Johannes 21:19, dat zou moeten voorafgaan aan de terugkeer van de Heer, de belofte die de Heer Jezus gaf aan Johannes dat hij zou blijven totdat Hij zou komen (Joh.21:22), de opdracht die aan de apostel Paulus gegeven was om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18). De geschiedenis van de Kerk zoals die zich zou ontwikkelen volgens Openbaring 2 en 3, maakten volgens tegenstanders het geloof in een onmiddellijke en spoedige terugkeer van de Heer onmogelijk. Eerst moesten deze dingen gebeuren, anders kon de Heer Jezus niet terugkeren, zo stelden zij.

Antwoord

De hierboven vermelde argumenten falen hierin, dat de personen over wie het gaat zelf geloofden dat de normale gang van zaken zou kunnen worden onderbroken door de komst van de Heer.

Petrus: tot wie de Heer had gezegd dat hij door zijn dood Christus zou verheerlijken (Joh.21:18-19) en toch moedigt hij zijn lezers aan met de woorden: ‘Omgord daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13).

Paulus: had de taak ontvangen om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en toch roept hij de gelovigen voortdurend op, met het oog op de komst van de Heer een heilig leven te leiden (Tit.2:11-13; 1Kor.15:51; Fil.3:20; 1Thes.1:9-10, 4:17-18).

Johannes:tot wie de Heer had gezegd dat‘hij zou blijven tot de komst van de Heer’ (Joh.21:22), getuigt toch in zijn eerste brief: ‘Kinderen, het is het laatste uur en zoals u gehoord hebt dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18).

De apostelen: hadden de grote opdracht te horen gekregen om het evangelie wereldwijd uit te dragen (Matth.28:19) en toch lieten ze niet na de gelovigen te vertellen over de nabije komst van de Heer.

De vroege kerk riep de gelovigen toch op de Heer te verwachten (Openb.22:7, 12, 20). En in Eusebius’ kerkgeschiedenis vinden we veel vermeldingen van gelovigen die in zijn tijd leefden en getuigenis gaven van de spoedige komst van de Heer Jezus. Eusebius leefde van 260-340.

Nogmaals: Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen.

Zoals gezegd houden de tegenwerpingen er geen rekening mee dat God de vrijheid heeft en bij machte is om een aangekondigd ‘programma’ te wijzigen. Nemen we als voorbeeld de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden in Mattheüs 21:33-46, waar het oorspronkelijke plan van God was dat zijn Zoon koning zou worden, maar teniet gedaan werd doordat landlieden de erfgenaam verwierpen en doodden. De verwachting van de heer des huizes was dat ze zijn zoon zouden ontzien en hem zouden aanvaarden. ‘Maar toen de landlieden echter zijn zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hebben doden. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’. Op dat moment gaat het oorspronkelijke plan van God een andere richting op, want: ‘het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.’ Hier zien we dat een definitieve verandering plaats heeft gevonden. Een ander voorbeeld waarin een mogelijke verandering wordt aangekondigd is Handelingen 3:19-21, waar Petrus het volgende zegt: ‘Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van de verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher.’ We zien dus dat een verandering in het eerdere plan van God erin zou hebben geresulteerd dat, als het Israëlische volk massaal de Messias zou hebben aangenomen, het Vrederijk zou zijn aangebroken en er geen sprake zou zijn geweest van een Gemeente uit de volken. De hierboven vermelde tegenargumenten, zoals de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld, de verwoesting van de tempel en het aangekondigd sterven van de apostel Petrus, zouden dan ook niet doorgegaan zijn.

Samenvatting

Hoewel de argumenten die door de tegenstanders zijn aangevoerd, op het eerste gezicht overtuigend lijken, blijkt bij nader onderzoek dat ze de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan en daarom dienen te worden afgewezen.

Geraadpleegde werken:

Things to Come, Pentecost, J.D.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

De Openbaring van Jezus Christus, Ouweneel, W.J.

The Bible Exposition Commentary, Wiersbe, W.W.

Brennpunkte biblischer Prophetie, Walvoord, J.F.

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Het preterisme: een verkenning

 

 

 

Het preterisme is de leer dat de voorzegde gebeurtenissen in Mattheüs 24 en het boek Openbaring grotendeels of volledig hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na Christus. Sommige preteristen stellen dat de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden in het jaar 70 hebben plaatsgevonden.

Term.

De term preterisme komt van het Latijnse woord praeter = verleden, omdat de profetieën merendeels of alle reeds in het verleden zouden zijn vervuld.

Hoofdinhoud van leer.

Het preterisme stelt dat alle of een deel van de Bijbelse profetieën over de laatste dagen verwijzen naar gebeurtenissen die in de eerste eeuw plaatsvonden na de geboorte van Christus, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

Versus futurisme.

Het preterisme staat tegenover het futurisme, dit is de opvatting dat de meeste voorzeggingen over het einde der tijden, de laatste dagen, de Grote Verdrukking en dergelijke, nog een toekomstige vervulling wacht en aan de terugkeer van Christus onmiddellijk zullen voorafgaan.

Gedeeltelijk en volledig preterisme.

De opvatting dat de profetieën over het einde reeds grotendeels (maar niet alle) zijn uitgekomen, heet gedeeltelijk preterisme (Eng. partial preterism). De meer recente opvatting dat alle voorzeggingen reeds zijn vervuld, wordt volledig preterisme (Eng. full preterism) genoemd.

Nederlandstalige preteristen.

In het Nederlandse taalgebied wordt een preteristische leer verkondigt (anno 2017) door David Sörensen, die stelt dat de wederkomst van de Heer Jezus in het jaar 70 heeft plaatsgevonden, en door de prediker Jeroen Koornstra. De laatste ziet 2Petr.3:10-12 vervuld in 70 na Chr., toen Jeruzalem verwoest werd.

2Petr.3:10 Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.

2Petr.3:11 Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht, 2Petr.3:12 terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan de hemelen in vuur gezet zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten. (TELOS)

Gedeeltelijk preterisme

Het gedeeltelijke preterisme is de oudste van de twee standpunten. Het stelt dat de profetieën aangaande de verwoesting van Jeruzalem, de Antichrist, de Grote Verdrukking en de komst van de Dag van de Heer als een "komst ten oordeel" door Christus, vervuld werden circa 70 na Chr., toen de Romeinse generaal (en latere keizer) Titus Jeruzalem innam, plunderde en de tempel verwoestte, waardoor blijvend een einde kwam aan de dagelijkse dierenoffers. "Babylon de Grote" (Openbaring 17-18) wordt vereenzelvigd met de oude heidense stad Rome of de Joodse stad Jeruzalem.

De meeste gedeeltelijk preteristen geloven ook dat uitdrukking "laatste dagen" slaat op de laatste dagen van de Mozaïsche verbond dat God uitsluitend hadden met de natie Israël tot het jaar 70 na Christus. Zoals God gericht uitoefende over verschillende naties in het Oude Testament, zo kwam ook Christus ten oordeel tegen degenen in Israël die hem afwezen.

Die laatste dagen van de natie Israël zijn volgens het gedeeltelijk preterisme te worden onderscheiden van de "laatste dag", die nog wel in de toekomst ligt en deze gebeurtenissen brengt: de wederkomst van Jezus, de lichamelijke opstanding van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, het laatste oordeel, en de schepping van een letterlijke nieuwe hemel en een nieuwe aarde, vrij van de vloek van zonde en dood, die door de val van Adam en Eva is gekomen.

Het preterisme vindt (anno 2015) al meer aanhang onder christenen. Een bekende Amerikaanse preterist is Don K. Preston. Hij ziet de periode tussen 30 en 70 na Christus als het duizendjarig rijk en de tijd daarna is die van het nieuwe verbond (de eeuwige toestand).

Gedeeltelijk preteristen zijn in overeenstemming met de klassieke geloofsbelijdenissen van de christenheid en met de leer van de opstanding bij de vroege kerkleraars. Gedeeltelijk preteristen zeggen dat het Nieuwe Testament spreekt van vele "komsten" van Christus. Zij betogen dat de uitdrukking "wederkomst" betekent: twee of een reeks soortgelijke komsten, want de Schrift spreekt van andere komsten vóór de komst ten oordeel (in 70 n.C.). Zij menen dat de nieuwe schepping geleidelijk komt door een geleidelijke verlossing, tot stand gebracht door Christus, die regeert vanaf zijn hemelse troon. Hij zal daarbij gaandeweg zijn vijanden onderwerpen. De verlossing vindt haar hoogtepunt in de vernietiging van de lichamelijk dood, de "laatste vijand" (1Kor.15: 20-24). Zolang er nog vijanden zijn, kan de opstanding der doden niet plaatsvinden.

Bijna alle gedeeltelijk preteristen zijn het amillennialisme dan wel postmillennialisme toegedaan. Veel postmillenniale gedeeltelijke preteristen zijn ook theonomisten, die de zedelijke normen van het Oude Testament toepasbaar achten op de huidige maatschappij.

Het gedeeltelijk preterisme wordt algemeen beschouwd als een historisch orthodox standpunt, omdat het alle onderdelen van de grote geloofsbelijdenissen in de christenheid onderschrijft. In de Verenigde Staten is het gedeeltelijk preterisme onder protestanten een minderheidsstandpunt, dat duidelijk tegengesproken wordt, met name door degenen die het dispensationalisme aanhangen. Sommige dispensationalisten zijn bezorgd dat gedeeltelijk preterisme leidt tot een acceptatie van het volledig preterisme, maar deze bezorgdheid wordt tegengesproken door gedeeltelijk preteristen.

Volledig preterisme

Het volledig preterisme verschilt van het gedeeltelijk daarin, dat alle profetie beschouwd als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem, dus ook de voorzeggingen aangaande de opstanding van de doden en de wederkomst (parousia) van de Heer Jezus.

Namen.

Volledig preterisme is ook bekend onder andere namen, zoals (in het Engels) consistent preterism of hyper-preterism. De laatste term heeft een afkeurende bijklank. Een verwante, maar meer recente term is pantelisme (= "alvervulling"), die sommigen beschouwen als een verlengstuk van de volledig preterism in plaats van hetzelfde.

Volgens het volledig preterisme is de Heer Jezus teruggekomen in 70 n.C. en wel ten oordeel, wat geleid heeft tot de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel in het jaar 70. Dit gebeurde door middel van buitenlandse legers op een manier die vergelijkbaar is met diverse oudtestamentische beschrijvingen van God die komt om andere naties rechtvaardig te oordelen.

Volgens het volledig preterisme is de opstanding van de doden al gebeurd. Deze opstanding was niet een lichamelijke, maar een verrijzenis van de zielen uit de plaats der doden, welke bekend staat als Sjeool (Hebreeuws) of Hades (Grieks). De rechtvaardige zielen hebben een geestelijk lichaam gekregen dat geschikt is voor de hemel, en de onrechtvaardige doden zijn geworpen in de poel van vuur. Sommige volledig preteristen geloven dat deze verandering een doorgaande is en bij het overlijden van elke ziel plaatsvindt (Heb.9:27).

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden door het volledig preterisme gelijkgesteld met de vervulling van de wet in het jaar 70 na Chr. Zoals een christen bij zijn bekering "een nieuwe schepping" is geworden, is de wereld dat ook in 70 na Chr.

Kritiek

Bijbels bezwaar. Op Bijbelse gronden kan men ernstige bezwaren tegen het volledig preterisme aanvoeren. Reeds de apostel Paulus verwierp de gedachte dat de opstanding der doden al had plaatsgevonden.

2Tim.2:16-18 Maar onttrek je aan ongoddelijk gezwets; want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymeneus en Filetus, die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat de opstanding al heeft plaatsgehad en die het geloof van sommigen omverwerpen. (TELOS)

De Heer Jezus stond lichamelijk uit de doden op en ook de doden zullen lichamelijk verrijzen en het lichaam van de levenden zal veranderd worden.

Aanhangers van het volledig preterisme antwoorden dat Paulus' veroordeling terecht was, omdat de opstanding vóór 70 na Christus nog niet gebeurd was. Ook zeggen zij dat zij bepaalde Schriftplaatsen, die tegen hun standpunt worden aangevoerd, anders uitleggen.

Ketterij.

Voorzover en omdat het volledig preterisme sterk afwijkt van de overgeleverde geloofsbelijdenissen, wordt het door velen als ketterij beschouwd. Volledig preteristen antwoorden dat de geloofsbelijdenissen niet goddelijk geïnspireerd zijn, maar zijn opgesteld door feilbare mensen. De belijdenissen zijn fout op het punt van de toekomst en moeten aangepast worden.

Werking

Het volledig preterisme is een wassende stroom, die druk uitoefent om erkend te worden als een volwaardige eschatologische zienswijze. Tot op heden (anno 2016) heeft geen grote behoudende kerk in de Verenigde Staten deze zienswijze aanvaard, maar hebben verscheidene kerken het volledig preterisme veroordeeld.

Argumenten voor het preterisme

Sommige leerlingen zouden Hem zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat sommigen van zijn leerlingen zijn komst zouden meemaken.

Mat.16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer Jezus heeft gezegd dat "dit geslacht", het geslacht van zijn tijd (in de eerste eeuw) de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

De voorzeggingen in Matteüs 24 aangaande de "Grote Verdrukking" beschouwt het preterisme als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. Steun voor deze stelling vindt men in Jezus' woorden dat "dit geslacht niet zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd". Deze woorden schijnen de voorzegde gebeurtenissen te beperken tot "dit geslacht", tot de generatie in de eerste eeuw. "Spoedig".

De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden geschieden (Op.1:1)

Op.1:1 Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door zijn engel gezonden en aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.

Op.22:6 En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.

Hijzelf zou spoedig komen (Op.22:7, 12, 20)

Op.22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Op.22:12 Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden zoals zijn werk is.

Op.22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!

Ook aan twee gemeenten in Klein-Azië zei Hij spoedig te komen.

Op.2:16 Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond.

Op. 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Tegenwerpingen

Sommige leerlingen zouden Hen zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat enkele leerlingen Hem zouden zien komen in zijn koninkrijk.

Mat16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

Dat hebben zij gezien toen de Heer zes dagen na deze woorden drie leerlingen meenam op een hoge berg. Daar werd hij verheerlijkt.

Mat.17:1 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. Mat.17:2 En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Enz. (TELOS)

Merk op dat ze verzen onmiddellijk volgen op Matth. 16:28. Dat "zien komen" is een vooruitblik geweest. Zoals Hij toen in zichtbare heerlijkheid straalde, zo zal hij eens zichtbaar verschijnen in deze wereld.

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer heeft gezegd dat "dit geslacht" de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

Het gebruikte woord voor "geslacht" is het Griekse woord "genea". Het kan een figuurlijke betekenis hebben: "een soort mensen die veel op elkaar lijken in gaven, leefwijzen, karakter; specifiek in ongunstige zin, een verdorven geslacht”.

Mat.11:16 Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen: (TELOS)

Mat.12:39 Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona. (TELOS)

Mat.12:45 Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht. (TELOS)

Mark.8:38 Want wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen. (TELOS)

Mark.9:19 Hij nu antwoordde hun en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem bij Mij. (TELOS)

Fil.2:15 opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld, (TELOS)

Als wij andere Schriftplaatsen over de toekomst zoveel mogelijk letterlijk nemen, moeten we "dit geslacht" in Mat.24:34 figuurlijk verstaan: het betekent niet een "generatie van 40 jaar" betekent, maar "deze soort mensen", d.w.z. dit verdorven mensengeslacht.

"Spoedig". De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden gebeuren en dat Hijzelf spoedig zou komen. Daarnaast heeft de Heer gesuggereerd dat zijn komst op zich laat wachten. De boze slaaf zou zeggen "Mijn heer blijft uit".

Mat.24:48 Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mat.24:49 Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards, (TELOS)

De bruidsmeisjes vielen in slaap, omdat "de bruidegom uitbleef".

Mat.25:5 Toen nu de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. Mat.25:6 Maar te middernacht klonk een geroep: Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet! (TELOS)

In de gelijkenis van de slaven kwam de heer "na lange tijd" (Mat.25:19).

Mat.25:14 Want het is als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. (...) Mat.25:19 Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen. (TELOS)

Wetend dat sommigen het uitbleven van de Heer voor traagheid hielden, wees de apostel Petrus erop dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.

2Petr.3:8-11 ‘Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht’ (TELOS)

De tijdrekening van God is anders dan de onze. Gezien de aanwijzingen van "lange tijd" en "uitblijven" en gezien dat veel voorzeggingen over de eindtijd en de zichtbare komst van de Heer in de wereld met heerlijkheid en majesteit nog niet hebben plaatsgevonden, moeten we "spoedig" in het perspectief van een goddelijke tijdrekening plaatsen.

Ps.90:4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht. (HSV)

De Heer komt op de wolken van de hemel.

Critici van het preterisme wijzen erop dat Mattheüs 24 ook spreekt van Jezus' komst op de wolken des hemels. Deze wederkomst in de lucht is nog niet gebeurd, ook niet in de eerste eeuw. De preterist antwoordt daarop dat er geen reden is om aan te nemen dat die komst op de wolken de Wederkomst van Christus is. In het Oude Testament spreekt God van zijn komst tot het volk ten oordeel. In Jesaja 19 vinden wij daarvan een treffend voorbeeld. De profeet verwijst naar het op handen zijnde oordeel over Egypte:

Jes.19:1 De last over Egypte. Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt in Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste. (HSV)

Noch Jes.19:1 noch Mat.24:33, die beide op een komst op de wolken spreken, spreken volgens het preterisme van de wederkomst van Christus.

Belofte van Israëls herstel. Een andere tegenwerping tegen het preterisme is dat Gods verbond met Israël "eeuwig" is en daarom niet geëindigd kan zijn in het jaar 70. Israël is weliswaar verstrooid onder de volken, naar de Schrift (Deut. 30), maar het zal ook weer worden hersteld, naar de Schrift.

Logische gevolgen.

Een ander bezwaar tegen het preterisme naar voren gebracht, is dat het antisemitisme en vervangingstheologie in de hand werkt.

Meer informatie

Willem J. Ouweneel, Vond Jezus' wederkomst al in het jaar 70 plaats? CIP.nl, 7 april 2017. De auteur voert argumenten tegen het preterisme aan.

Jeroen Koornstra, Waarom vergeestelijking eindtijdprofetieën niet problematisch is. CIP.nl, 10 april 2017. Reactie van preterist Jeroen Koornstra op het artikel van Willem Ouweneel.

Willem J. Ouweneel, Noch Calvijn, Wright en Sproul hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen! CIP.nl, 11 april 2017. Antwoord op de reactie van Jeroen Koornstra.

Koornstra vs. Ouweneel: is Jezus nou wel of niet teruggekeerd in het jaar 70?, CIP.nl, 13 april 2017. Laatste reactie van Koornstra en van Ouweneel.

Engelstalig

Preterisme, een artikel op Theopedia.com, bevat een lijst van literatuur en internetbronnen over het preterisme.

AlwaysBeReady.com, de site van apologeet Charlie Campbell, verwijst naar verscheidene kritische beoordelingen van het preterisme.

Bron: Christipedia

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Vragen aan Preteristen

 

 

 

 

 

De profetieën van de Grote Verdrukking en de Tweede Komst

 

Vele preteristen geloven dat de meeste of alle profetieën reeds vervuld werden in het verleden, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.C. Zij beweren dat deze grote profetieën over de grote verdrukking en de tweede komst van onze Heer geen TOEKOMST zijn maar reeds VERVULD werden. Zij beweren dat deze belangrijke profetische gebeurtenissen reeds plaatsvonden in 70 n.C.!

Deze benadering is het resultaat van een niet-letterlijke interpretatie van profetie. De Bijbel heeft veel te zeggen over wanneer onze Heer zal komen in Zijn Koninkrijk. Beschouw het volgende en bemerk hoe dit geheel de notie tegenspreekt dat Christus in Zijn koninkrijk kwam in 70 n.C.:

1. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk dan keert Hij terug naar de aarde en zal Hij gezien worden door elk oog (Mattheüs 24:25-30 en Openbaring 1:7). 

Dit is nooit gebeurd in 70 n.C.

2. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het joodse volk verzameld worden uit alle landen en teruggebracht in hun beloofde land (Mattheüs 24:31; Jeremia 16:14-15; Jesaja 43:5-7; Jeremia 23:7-8; Jeremia 31:7-10; Ezechiël 11:14-18; Ezechiël 36:24).

Dit is niet gebeurd in 70 n.C. In plaats van verzameld werden de joden gedood en verstrooid.

3. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zullen er geen oorlogen meer op aarde zijn (Jesaja 2:4; Micha 4:3; Psalm 46:9; Zacharia 9:10).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dit was een tijd van wrede oorlogvoering, en ook daarna, uitgewerkt door het machtige Romeinse leger.

4. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het koninkrijk voor Israël hersteld worden (Handelingen 1:6) en de Messias zal zitten op de troon van David, gelokaliseerd in Jeruzalem (Jesaja 9:7; Jeremia 17:25; 23:5-6; 33:15; Hosea 3:4-5; Amos 9:11-15; Lukas 1:32-33).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want Jeruzalem en de tempel waren verwoest, en er was geen Koning uit de lijn van David die heerste op de aardse troon!

5. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal het een tijd zijn van grote bevrijding en grote zegen voor het joodse volk (Jeremia 30:7-9; Ezechiël 34:25-31).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dat was een tijd van grote oordelen over het joodse volk dat enkele tientallen jaren eerder hun Messias doodde en Hem afwees (alhoewel sommige joden wel in Hem geloofden).

6. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal Hij Zijn heiligdom, de Tempel, in het midden van Zijn volk stellen (Ezechiël 37:26-28; Ezechiël 40:5-43:27).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want sindsdien is er helemaal geen tempel meer.

7. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een priesterschap werkzaam zijn in de tempel en er zullen dierlijke offers gebracht worden (Ezechiël 44:1-46:24).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want toen werd een eind gemaakt aan de tempel, de offers en het priesterschap.

8. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk “zullen de joden zich vestigen in het hele beloofde land, en het zal terug onderverdeeld worden in 12 stammendivisies. Maar deze divisies zullen verschillen van deze in het boek Jozua” (Arnold G. Fruchtenbaum, Footprints of the Messiah, p. 328). De locatie van alle 12 stammen tijdens het koninkrijk is beschreven in Ezechiël 47:13-48:29. Zeven stammen zullen zich situeren ten noorden van de tempel (Ezechiël 48:1-7) en vijf stammen ten zuiden van de tempel (Ezechiël 48:23-29).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. Na de Romeinse verwoesting van Jeruzalem werden de overgebleven joden verstrooid over de hele wereld, tot er in de 20ste eeuw een klein overblijfsel terugkeerde naar Israël en er een joodse staat werd gesticht.

9. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een boodschap van goed nieuws zijn voor Jeruzalem (Jesaja 52:7-10). Deze boodschap zal bestaan uit de volgende elementen: 1) Het goede nieuws van vrede; 2) Het goede nieuws dat de Messias zal regeren in Sion; 3) Het goede nieuws dat God Zijn volk heeft vertroost; 4) Het goede nieuws dat God Jeruzalem heeft verlost.

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want toen was er alleen maar het slechte nieuws van oordeel en verwoesting. 

10. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal er vreugde en blijheid zijn (Jesaja hoofdstuk 35). Deze vreugde zal voortkomen uit de volgende toestanden: 1) De woestijn zal vruchtbaar worden (Jesaja 35:1-2, 6-7); 2) De Messias zal Israël komen bevrijden (Jesaja 35:3-4); 3) Zij die lam, blind of doof zijn zullen genezen worden (Jesaja 35:5-6); 4) Wilde, gevaarlijke dieren zullen niet langer een probleem vormen (Jesaja 35:9). 5) Het zal een tijd zijn van grote blijdschap (Jesaja 35:10).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want de overlevende joden hadden geen blijheid doch enkel smart en verdriet (vergelijk Jesaja 35:10).

 Bron: Website: Marc Verhoeven

_____________________________________________________________

Nog enkele bijkomende opmerkingen:

Volgens Mat.24:14 zou het evangelie van het koninkrijk over het hele aardrijk worden gepredikt, dat was in 70 n.Chr. allesbehalve vervuld: de verkondiging was nauwelijks op gang gekomen.

Volgens Mat.24:24 was er helemaal geen schare 'valse Messiassen en profeten' in Israël.

Mattheüs 24:15-31 heeft totaal geen betrekking op de tijd rond het jaar 70, maar op de tijd dat Israël weer hersteld is in zijn land, zoals sinds de stichting van de staat Israël in 1948 inderdaad het geval is, althans fysiek, nog niet geestelijk.

Wanneer Christus komt worden de goddeloze vijanden geoordeeld en de duivel wordt voor een tijd opgesloten zodat hij de volken niet meer kan verleiden (Op.17:14; 19:11-20:3). Dat is nog niet gebeurd de duivel stapt nog vrij rond (1Petr.5:8).

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Zie, Hij kwam/komt met de wolken

Door Peter van Beugen

 

 

 

Met toestemming overgenomen uit het Bijbelstudieblad: Focus op de Bijbel - juni 2017, nummer.

 

Oude geluiden duiken eens in de zoveel tijd in nieuwe vorm weer op. Zo is onlangs op de website ontdekgod.nl van David Sorensen met veel verve het zgn. preterisme gepresenteerd.

Preterisme — het woord is afgeleid van het Latijnse voorzetsel praeter, dat je o.a. met 'voorbij' kunt weergeven - is eenvoudig gezegd de uitleg van bijbelse profetieën, die ervan uit gaat dat de vervulling van alle bijbelse profetieën reeds heeft plaatsgevonden, dus in het verleden ligt. Volgens deze theorie is Christus teruggekomen in het jaar 70 n.chr., op het moment dat de tempel in Jeruzalem werd verwoest onder keizer Vespasianus.

Alle profetieën m.b.t. de wederkomst en het koninkrijk zouden dus op dat moment in vervulling zijn gegaan of begonnen te gaan: er is geen terugkomst van Christus meer, geen herstel van Israël, geen nieuwe hemel en aarde, geen opstanding van doden. Deze uitleg laat een kader los dat de Bijbel mijns inziens geeft over de toekomst. Het loslaten van dit kader heeft vergaande implicaties voor het verstaan van de tijd waarin wij leven. Daarom vind ik het belangrijk om een antwoord te geven op de theorie die door Sorensen is gepresenteerd.

Ik wil om te beginnen een aantal gebeurtenissen behandelen die volgens de Bijbel nauw samenhangen met de wederkomst van Christus. Ik geloof dat hieruit blijkt dat deze profetieën onmogelijk allemaal in 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Daarna wil ik een aantal uitgangspunten behandelen die Sorensen presenteert op zijn website en aantonen dat die geen steekhouden. Tenslotte wil ik een aantal van de gevolgtrekkingen behandelen die voortkomen uit het preterisme, en deze toetsen aan de Bijbel.

De wederkomst van Christus

Een overgroot gedeelte van de Bijbel bestaat uit profetische geschriften, zoals en Jesaja en Jeremia, of uit geschriften die een profetische dimensie hebben, zoals de Psalmen. Een aantal van deze profetieën bestaat uit visioenen die om een nadere uitleg vragen, maar veel profetieën bestaan uit concrete en eenduidige uitspraken. Wanneer men over zoveel boeken verspreid zoveel uitspraken aantreft, is aan ons de taak om de puzzelstukjes aan elkaar te leggen, net zolang totdat we het totale plaatje gaan zien. Wij zouden het gemakkelijk hebben gevonden als één van de schrijvers even een chronologisch overzichtje had toegevoegd aan zijn boek, maar een dergelijk overzicht staat niet in de Bijbel. Maar wie eenmaal een aantal hoekstukjes en andere markante stukken van de puzzel gevonden heeft, kan veel andere stukjes moeiteloos aanleggen. Geef je dergelijke hoekstukjes niet de goede plek en begin je ergens willekeurig te bouwen, dan merk je al gauw dat er stukjes overblijven die je er niet meer in kunt passen.

Enkele van deze hoekstukjes zijn nu juist:

1. Christus komt terug

Bij de eerste komst van Christus zijn niet alle profetieën in vervulling gegaan die met zijn komst samenhangen. Een aantal daarvan zullen expliciet wachten op zijn wederkomst. Voor deze toekomstige gebeurtenissen is in het schema van Sorensen geen plek. De puzzelstukjes blijven over en dus worden deze profetieën vergeestelijkt.

2. Er is een herstel van het volk Israël op grond van Gods beloften.

Lange tijd heeft men gemeend dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen en dat voor het Joodse volk en Israël geen plek meer is - de zgn. vervangingstheologie. Veel profetieën uit het Oude Testament over Israël of Jeruzalem kun je echter onmogelijk op de Gemeente toepassen.

3. Er is een toekomstig Koninkrijk van God of een ‘Vrederijk' dat door de komst van Christus op aarde gesticht zal worden en dat in aard en vorm verschilt van het Koninkrijk in onze dagen. Er zal vrede zijn, de volken zullen geoordeeld zijn en de schepping hersteld.

Ik laat het even bij deze drie basispunten. Hierover zijn de meeste gelovigen het eens geworden. Je kunt over allerlei zaken nog van mening verschillen. Bijvoorbeeld of de Gemeente voorafgaand aan het Vrederijk wordt opgenomen, en hoelang van tevoren dan wel, en of dit Vrederijk nu letterlijk 1000 jaar duurt of niet. Maar dat is een kwestie van ‘verder puzzelen'. In het kader van dit artikel kan ik niet alles op ‘tekst-niveau' uitwerken, maar geïnteresseerde lezers kunnen bij auteurs van verschillende theologische smaken terecht zoals Ouweneel (Ouwenee1: 2012), Pentecost (Pentecost: 1958) of Walvoord (Walvoord: 1999).

Ik noem nu tien gebeurtenissen die samenhangen met de wederkomst van Christus.

1. Zichtbare verschijning op de Olijfberg

Zacharia zegt hierover (1): Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overigen van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden. En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden (14:2-4). En een aantal hoofdstukken daarvoor: Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. (12:10). Sorensen haalt weliswaar het eerste vers uit Zacharia 14 aan, maar hij vergeet door te lezen. In 70 n.Chr. is Jeruzalem weliswaar ingenomen en geplunderd, maar de rest van deze profetieën blijft onvervuld. Christus is niet teruggekomen met zijn voeten op de Olijfberg, de berg is niet door een aardbeving in tweeën gesplitst en evenmin is de Heer uitgetrokken ten strijde en ten behoeve van zijn volk Israël. Integendeel, Hij heeft ze overgegeven aan de macht van de heidenen. De stammen van Israël hebben Hem niet gezien en zeker niet over de Messias, Jezus van Nazareth, geweeklaagd, degene die zij doorstoken hebben.

2. Eindstrijd in Israel

Voorafgaand aan de wederkomst zullen alle volken van de aarde worden verzameld voor de eindstrijd op de plaats die in het book Openbaring Armageddon wordt genoemd. Het betreft hier niet alleen legers van het Romeinse Rijk. Er zullen legers uit het Oosten (Op.9:14, 16:12), uit het Noorden (Dan.11:40), uit het Zuiden (Dan.11:40), uit de omliggende volken (Jes. 11: 11-15) komen. Hier horen minstens bij legers uit Azië (Iran? Irak?), Syrië, Egypte en Afrika en uit de omliggende volken, bijv. het huidige Jordanië. De Bijbel voorzegt dat deze volken Israël in het nauw zullen drijven, maar uiteindelijk zullen worden verslagen en onderworpen. Dit zal gebeuren wanneer Israël door de kracht van de Heer zegeviert, die voor hen strijdt. De eindstrijd van de volken moet zich voltrekken voorafgaand aan de verschijning van de Heer. Een dergelijke strijd heeft niet plaatsgevonden tussen de jaren 30 en 70 n.Chr.

3. Oordeel over het Beest en de antichrist

Als bijzonderheid noem ik het oordeel over twee personen die in de eindtijd een voorname rol spelen. De beschrijving van deze sleutelfiguren gaat terug op profetieën uit het Oude Testament. In de tijd van de profeet Daniël brak de periode aan die we aanduiden met de ‘tijden van de volken'. Israël zou eeuwenlang niet als soeverein koninkrijk bestaan, maar als gezagsgebied van wereldmogendheden. Zelfs op dit moment valt het tempelplein, de heiligste plaats in Jeruzalem, onder het bestuur van de islamitische Waqf, met aan het hoofd de koning van Jordanië. De laatste heerser van de wereld, aangeduid als 'het Beest' in Op.13, zal een verbond sluiten met de 'valse profeet' of 'antichrist' in Israël en maken dat een beeld van hem wordt opgericht in de tempel, dat aanbeden zal worden. Dit kan niet verwijzen naar de vaandels die de Romeinen in Jeruzalem hebben geplaatst, nadat de stad en de tempel waren verwoest - nog afgezien van het feit dat een vaandel geen afgodsbeeld is. Dit beeld zal in de tempel staan vóórdat deze wordt verwoest (2Thess.2:4) en is een voorwerp van aanbidding voor alle volken. Aan dit duivelse verbond tussen de valse profeet en het Beest maakt Christus in eigen persoon een einde als die beiden levend in de poel van vuur worden geworpen (Op.19:20). Nu zijn noch keizer Vespasianus, noch Titus - zijn zoon en legeraanvoerder bij de inname van Jeruzalem - noch Herodes Agrippa II, stadhouder van Judea op dat moment op die wijze omgekomen. Vespasianus stierf een natuurlijke dood in het jaar 79 n.Chr. Titus, die hem inmiddels als keizer was opgevolgd stierf in 81 n.Chr. na een ziekbed, terwijl Herodes Agrippa II volgens Justus van Tiberias pas in het derde jaar van keizer Trajanus, dat is het jaar 100 n.Chr. zou sterven van ouderdom (Schürer:2010).

4. Verzameling van de twaalf stammen van Israël

Bij de wederkomst van Christus zullen alle verstrooiden van de twaalf stammen van Israël naar het land terugkeren: Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks (Jes.11:10-12).  Zie hierover verder ook Jer.3:18, 30:3, Zach.10:6, Ezech.20:33-38, Matth.24:31. De belofte van God is dat als zij bijeen verzameld zullen zijn uit de volken, zij voortaan in ongestoorde rust en vrede in hun land zullen mogen blijven wonen: Maar zij zullen zitten, eenieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgenboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikt; want de mond des Heeren der heerscharen heeft het gesproken (Micha 4:4).  In het jaar 70 n.Chr. is het tegenovergestelde gebeurd: veel Israelieten werden in ballingschap weggevoerd, weg uit het land, en in het jaar 136 n.Chr., na de opstand van Simon Bar Kochba, werd de Joden zelfs de toegang tot de stad Jeruzalem ontzegd!

5. Rechtspraak over de volken

Volgend op de verschijning van Christus zal er een tribunaal worden opgericht waar alle volken worden geoordeeld: Wanneer nu de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troop van zijn heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken verzameld worden en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt... dan zal de koning zeggen tot hen die aan zijn rechterhand zijn ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk... En tot hen die aan zijn linkerhand zijn 'Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur' (Matth.25:31-46). De wijze waarop de volken Israël, de broeders van de Heer, zullen hebben bejegend, juist in het uur van hun grote benauwdheid, zal de maatstaf zijn voor het oordeel dat de Heer over hen velt. Zij die hen vijandig hebben behandeld zullen ter plekke geoordeeld worden, terwijl zij die hen vriendschappelijk hebben behandeld, het koninkrijk ingaan. Dit oordeel over de volken heeft helemaal niet plaatsgevonden in 70 n.Chr. En het Romeinse Rijk, dat verantwoordelijk was voor de verwoesting van de tempel, heeft nog eeuwen nadien voortbestaan.

6. Opstanding van doden

Als Christus terugkomt zullen doden opstaan. Volgens 1 Thess.4:15-18 zullen de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, samen met de ontslapenen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Want Hij zal roepen met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God en de doden in Christus zullen opstaan. Evenzo vermeldt 1 Kor.15:20-23 dat Christus is opgewekt als eersteling van hen die zijn ontslapen en dat daarna zij die van Christus zijn, bij zijn komst zullen opstaan. En Openb.20:1-6 vermeldt dat de ontslapenen die uit de grote verdrukking komen en die om het woord van God en om het getuigenis van Jezus waren onthoofd, levend werden en met Hem regeerden duizend jaren... Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deelheeft! 

Dit punt is zo duidelijk dat de uitleg over een wederkomst in het jaar 70 n.Chr. hopeloos spaak loopt. Een massale opstanding van doden kan immers onmogelijk ongemerkt plaatsvinden. Op dit punt aangekomen blijkt dan ook dat Sorensen helaas zijn toevlucht neemt tot een uitlegmethode waarmee je elk probleem in je theologie kunt pareren, nl. de methode van 'vergeestelijking'. De opstanding verwijst volgens Sorensen niet naar een fysieke werkelijkheid, m.a.w. we moeten dat niet 'letterlijk opvatten', het verwijst eenvoudig naar een 'werkelijkheid in de geestelijke wereld' en houdt dus niets anders in dan het voortbestaan van de geest en de geestelijke ontmoeting met Christus. Ik kom later uitvoeriger op dit thema terug, maar volsta op dit moment met te stellen dat de Bijbelse leer van de opstanding het preterisme voor een onoverkomelijk probleem stelt.

7. Herstel in de schepping

Het gevolg van de wederkomst van Christus zal zijn dat de vloek van de aarde zal worden weggenomen (Joh.1:29) en dat de schepping zal worden hersteld tot een paradijs. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods (Jes.35:1,2). En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein kind zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os (Jes. 11: 6-9, zie ook o.a. Hos.2:15-22). Rom.8:21 zegt dat de schepping verlost zal worden van de slavernij van de vergankelijkheid. Op.22:2 zegt dat er genezing zal zijn voor alle volken, de leeftijd van de mensen zal zijn als de levensduur van bomen (Jes.65:22). In het Vrederijk van Christus zullen de doodsoorzaken ziekte en veroudering worden weggenomen, zullen dieren niet langer ten prooi vallen aan andere dieren en zal de woestijn worden veranderd in een lusthof. Het behoeft weinig commentaar dat de wereld waarin wij leven daar niet op lijkt, en het ook niet gaat doen zolang Christus nog met is teruggekomen. Dit vergt een rechtstreekse ingreep van de hemel, die Christus zal brengen bij zijn komst.

8. Jeruzalem centrum van de wereld

In het Koninkrijk van God zal Jeruzalem het geestelijke en politieke centrum van de wereld worden: Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten order de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren (Jes.2:1-4, zie ook o.a. Zach.14:16-19). 
Jeruzalem zal de plaats zijn waar de volken onderricht ontvangen, waar rechtspraak plaatsvindt en waarheen de volken jaarlijks optrekken om het Loofhuttenteest te vieren. Dit zal gebeuren nadat Christus zijn troon er heeft gevestigd en de volken heeft geoordeeld.

9. Herbouw van de tempel

De tempel die voorafgaand aan de wederkomst in Jeruzalem zal zijn gebouwd, en waarin het beeld van het Beest zal worden geplaatst, zal worden afgebroken. Maar in het Vrederijk zal een nieuwe tempel worden gebouwd, die beschreven staat in het boek Ezechiël: En de heerlijkheid des Heeren kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag. En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof, en ziet, de heerlijkheid des Heeren had het huis vervuld. En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande. En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid (Ezechiël 43:1-7). De bouwkundige en geografische details plus de voorschriften voor de priester- en offerdienst laten weinig twijfel over het feit dat we hier te maken hebben met een letterlijke en fysieke beschrijving van een toekomstige tempel en bijbehorende dienst. Dit wordt bevestigd in overige profetieën aangaande het Vrederijk, zie o.a. Jes.66:20, Zach.14:20.

10. Satan wordt gebonden Als laatste vermeld ik het binden van de satan tijdens het Vrederijk (Op.20:2) voor een periode van duizend jaar. Gedurende deze periode kan satan niet rondgaan om volken en koningen te misleiden of aan te zetten tot oorlog. Dit kan toch onmogelijk met droge ogen beweerd worden van de tijd waarin wij nu leven. Paulus zegt dan ook dat satan de overste is van deze wereld (2Kor.4:4), de overste van de macht der lucht (Ef.2:2) en Petrus zegt dat hij rondgaat als een briesende leeuw (1Petrus 5:8). Dit is heel iets anders dan wat Sorensen beweert, nl. dat satan 'alleen maar in Israël werkte en dat de rest van de wereld slechts met demonen te doen heeft'. Volgens Sorensen is het duidelijk dat de satan reeds in de pool van vuur is geworpen, 'we zien immers een voortdurende afname van de invloed van het kwaad op aarde'. Tjonge, dat mij dat nu niet is opgevallen... 'En hoe zit het dan met satansverering wereldwijd?'. Volgens Sorensen zijn dit ‘slechts' demonen die doen alsof zij satan zijn. Tja, nu kan iedereen natuurlijk van alles beweren, maar ik vraag mij dan wel of waarop je deze bewering baseert. Wat Sorensen zegt over satan staat toch echt haaks op de Schrift. Satan is in het boek Openbaring helemaal niet 'uitsluitend in Israël werkzaam'. Hij geeft zijn gezag juist aan het Beest dat gezag voert 'over elk geslacht en taal en volk en natie' (13:7). Zoals ik onder punt 3 al heb aangetoond is het oordeel over het Beest en de valse profeet toekomstig. Inderdaad, satan is verslagen, maar ook een verslagen tegenstander kan nog weerstand bieden. Inderdaad hebben gelovigen autoriteit ontvangen om in Jezus Naam demonen uit te drijven, maar het is naïef om te veronderstellen dat satan en zijn macht in onze tijd teniet gedaan zouden zijn. Daarover spreken Paulus en Petrus zich in de geciteerde Schriftgedeelten duidelijk uit.

De methode van vergeestelijking

Ik zou door kunnen gaan met gebeurtenissen opsommen die samenhangen met de wederkomst van Christus, maar ik geloof dat de genoemde punten duidelijk maken dat die beslist niet in het jaar 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Een belangrijke sleutel voor de uitleg van Bijbelse profetieën geeft Petrus: 'Geen enkele profetie uit de Schrift laat een eigenmachtige uitleg toe' (2Petr.1:20, NBV). Je zult geduldig Schrift met Schrift moeten vergelijken, totdat je een kader vindt waarin alle teksten en gebeurtenissen tot hun recht komen. Dit is een andere aanpak dan die welke Sorensen voorstaat, zoals we zullen zien. Hij neemt als uitgangspunt een vers uit Mattheüs 24:34 en koppelt de vervulling hiervan rechtstreeks aan de gebeurtenis in 70 n.Chr. Deze uitleg staat op gespannen voet met tal van Schriftplaatsen en dit wordt 'eenvoudig opgelost' door een laatste redmiddel, namelijk door alle daarin genoemde zaken dan maar te vergeestelijken. Met deze methode zul je dan wel meer dan de helft van de Bijbel moeten gaan vergeestelijken, omdat je met een letterlijke uitleg niet meer uit de voeten kunt. Je komt hierdoor bovendien in conflict met wezenlijke geloofszaken. Zo moet Sorensen wel het Bijbelse gegeven van de lichamelijke opstanding vergeestelijken, omdat zijn schema geen ruimte meer laat voor een lichamelijke opstanding. Hiermee betaalt hij de tol dat hij afbreuk doet aan het evangelie dat Paulus verkondigd heeft (1Kor.15:1-4,13). Bovendien wordt er geen hermeneutisch criterium gegeven voor de keuze waarom bepaalde teksten nu wel en andere niet moeten worden vergeestelijkt. Als er geen lichamelijke opstanding is, is er dan wel een lichamelijk sterven geweest van Jezus, of zelfs een lichamelijke kruisiging, of geboorte? Die vragen lijken misschien gezocht, maar als je eenmaal deze weg inslaat, zijn ze dat helaas niet! Wat bepaalt nu immers de keus waarom het ene wel en het andere niet letterlijk moet worden opgevat? Van deze keus legt Sorensen op geen enkele wijze verantwoording af.

Ik wil nu nader ingaan op de onderbouwing die Sorensen geeft op zijn website voor zijn theorie. Deze bestaat uit een aantal gedeelten, nl. ten eerste de Schriftplaats Matth.24:34, ten tweede overige teksten uit de brieven en Openbaring, en ten derde de geschiedschrijving. Ik laat ze een voor een de revue passeren.

Mattheüs 24:34

Sorensen is niet de enige die met de uitleg van deze Schriftplaats gestoeid heeft: 'Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd'. Betekent dit dat binnen de tijdspanne van een generatie alle profetieën over de wederkomst zouden zijn vervuld? Nee, dat hebben we inmiddels vastgesteld. 'Al deze dingen' zullen we dus nader moeten duiden en twee andere verzen in de toespraak helpen ons daarbij. Vs. 8 zegt 'al deze dingen zijn nog maar het begin van de weeën'. Dat betreft dus de gebeurtenissen beschreven in de voorgaande verzen, die wel het einde inluiden, maar die zelf nog met het einde zijn! En vs.33 bevestigt dit: 'wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur'. Als 'al deze dingen' hier 'alle toekomstige gebeurtenissen' zou betekenen, wat is er dan nog 'nabij, voor de deur?! Alles is dan immers al gebeurd? Het parallelgedeelte in Lukas 21:31 maakt dit expliciet: ‘Wanneer u al deze dingen ziet gebeuren, weet dan dat het koninkrijk van God nabij is'. 'Al deze dingen' slaat dus inderdaad op de gebeurtenissen die aankondigen dat de wederkomst en de vestiging van zijn koninkrijk aanstaande zijn'. (2) De Nieuwe Bijbelvertaling geeft Matth.24:34 ook in deze zin weer: 'Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren' [of beginnen te gebeuren]. De gebeurtenissen zouden hun loop al gaan nemen bij de val van Jeruzalem, maar de voleinding van die gebeurtenissen voltrekt zich pas bij de wederkomst van Christus.

Overigens betekent 'geslacht' (enkelvoud) in Mattheüs zelden of nooit een 'generatie' van mensen, maar juist een ‘categorie' mensen. Matth.12:39 zegt bijvoorbeeld 'een boos en overspelig geslacht verlangt een teken'. Daarmee bedoelde Jezus niet 'de mensen die tussen 30 en 70 n.Chr. leefden'. Immers ook Paulus zegt ‘Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid' (1Kor.1:22). Het was een kenmerk van het Jodendom dat zij een teken zochten. Nu mocht het bij de val van Jeruzalem en de grote diaspora lijken alsof Israël en het Jodendom definitief zouden ophouden te bestaan, maar de vijgenboom zou in het laatst der dagen opnieuw gaan botten en uitlopen: er is een wonderlijk herstel van Israël in de eindtijd. Dus zelfs wanneer 'al deze dingen' een grotere tijdspanne dan een mensenleven omvat, zal ‘dit geslacht' inderdaad geenszins voorbij zijn gegaan voordat ze zijn gebeurd. 

De brieven en de Openbaring

Sorensen haalt tal van verwijzingen uit de brieven aan, die alle zeggen dat 'de tijd nog kort is' en dat het 'de laatste ure is'. Hieruit is echter geen absoluut tijdstip af te leiden waarop de Heer terug zou komen. Het betekent integendeel dat, ook al zou de komst van de Heer langer op zich laten wachten, de dienstknechten toch zo moeten leven als kon de Heer elk ogenblik terugkeren. De gelijkenissen in de evangeliën onderstrepen dit (Matth. 24:45-51, 25:1-13, 14-30, Luk.12:35-48). Het moet overigens toch ook boekdelen spreken dat geen enkele geïnspireerde Bijbelschrijver zegt dat de komst van de Heer al geweest is! Maar bovendien zegt Paulus in 2Thess.2 aan die gelovigen die meenden dat de dag van de Heer al wel was aangebroken dat dit helemaal met kon. Daarvoor moest eerst de mens van de zonde geopenbaard worden en die kan op zijn beurt nog niet komen omdat eerst 'de tegenhouder' moet worden weggenomen. Dit kan alleen maar slaan op de in de Gemeente inwonende Heilige Geest, die bij de opname van de Gemeente wordt weggenomen. Pas daarna zullen de toorn van het Lam en de oordelen van God de aarde treffen.

Bij de datering van het boek Openbaring maakt Sorensen het wel erg bont: 'Sommigen beweren dat Openbaring is geschreven na de val van Jeruzalem.' Laat dat ‘sommigen' maar weg, alsof we hier met een stelletje exoten te maken hebben die Openbaring zo laat dateren. Al sinds de 2e eeuw n.Chr. - en wel bij monde van Polycarpus, nota bene de directe leerling en tijdgenoot van Johannes zelf - is de overgrote meerderheid van alle commentatoren het erover eens dat Johannes dit boek geschreven heeft onder keizer Domitianus, en wel rond het jaar 95 n.Chr. Dit feit alleen al ontkracht de theorie dat Christus in 70 n.Chr. teruggekomen was: Johannes profeteert er immers over! Johannes profeteert ook over een tempel in Jeruzalem (11:2). Dat ziet niet op de tempel van Herodes, zoals Sorensen meent, die is immers niet gedurende 42 maanden door de volken ontheiligd. Dat is niet gebeurd bij de belegering door Vespasianus, maar zal wel gebeuren in de tempel die zal worden gebouwd in de toekomst.
De brieven van het Nieuwe Testament en het boek Openbaring pleiten dus beslist niet voor een wederkomst van Christus in 70 n.Chr.

De geschiedschrijving

Als derde getuige voert Sorensen een aantal 'zeer betrouwbare historische bronnen' aan. Hij verwijst naar Pseudo-Hegesippus, Eusebius, Flavius Josephus, Gaius Tacitus en Sepher-Josippon, die allen onafhankelijk van elkaar - althans die suggestie wordt gewekt, beschrijvingen geven van bovennatuurlijke tekenen bij de val van Jeruzalem. Daarmee zouden de tekenen uit Matth.24:29-30 in vervulling zijn gegaan. Laat mij nu één voor één deze historische getuigen onder de loupe nemen. Pseudo-Hegesippus is een geschrift uit de vierde eeuw dat vrijwel volledig bestaat uit een vrije vertaling of parafrase van het boek Josephus. Josephus schreef zijn werk in het Grieks en Pseudo-Hegesippus is niets anders dan een Latijnse vertaling van datzelfde boek. De naam Hegesippus is een verbastering van de naam Iosippius: Josephus. (Catholic Encyclopedia:1913 - Pseudo-Hegesippus). Eusebius schreef zijn Kerkgeschiedenis in de eerste heeft van de 4e eeuw n.Chr. Inderdaad beschrijft hij eveneens opzienbarende tekenen bij de val van Jeruzalem (III.8.1-6), maar Eusebius citeert daarbij 'de historicus' en deze historicus is niemand minder dan Josephus. (Eusebius:1993 reprint). Is dit Sorensen nu zelf niet opgevallen of vergeet hij dit te vermelden? Gains Tacitus, of Publius Cornelius Tacitus is evenmin een directe getuige van de val van Jeruzalem. Hij schreef zijn Histotiae begin 2e eeuw en gaat voor de details over de val van Jeruzalem terug op een andere bron. Wie de beschrijving van Tacitus met die van Josephus vergelijkt kan met dichte ogen raden wie zijn bron is: Josephus!
Sorensen gaat verder en voert een nieuwe historische 'bron' op: Sepher-Josippon. U voelt hem al aankomen. Wie enige kennis van het Hebreeuws heeft weer dat 'sepher' 'boek' of 'boek van' betekent, en Josippon is natuurlijk niemand anders dan Josephus. Sepher-Josippon is een geschrift uit de 10e eeuw, dus werd geschreven ca. 900 jaar na de val van Jeruzalem. Het handelt over een veelheid van zaken, boort vroeg-Joodse en Bijbelse bronnen aan, en voor de beschrijving van de oorlogen citeert de auteur natuurlijk niemand anders dan: Josephus (josephus.orinst.ox.ac.uk/archives/935).
Al deze 'historische bronnen' gaan in werkelijkheid dus terug op Flavius Josephus — over wie later meer. De wijze waarop Sorensen zijn 'historisch bewijs' presenteert, bezorgt mij een onbehaaglijk gevoel. Het wekt namelijk de schijn van een veelheid aan getuigen, terwijl deze auteurs allen één en dezelfde bron citeren. Sorensen zwijgt daarover in alle talen. Ik ga ervan uit dat hij dat niet bewust doet — om zijn geschiedkundige bewijs wat 'op te kloppen' - maar moet dan wel concluderen dat hij blijkbaar niet het minste onderzoek naar zijn bronnen heeft verricht. Dit ondermijnt de betrouwbaarheid van zijn theorie.

Nu over Josephus zelf. Josephus bevond zich ten tijde van de Romeinse belegering niet in Jeruzalem, maar in het Romeinse kamp. Hij was vroeg in de opstand krijgsgevangen genomen, viel in de gunst bij keizer Vespasianus en ging na de val van Jeruzalem met Titus mee naar Rome. Zijn tweede naam dankt hij aan het keizerlijke huis van de Flavii. In Rome schreef hij zijn boeken, en betoogde daarin dat het Romeinse Leger — waaraan hij zijn huidige goede leven dankte - een instrument was in de hand van God en dat de val van Jeruzalem Gods wil was. Met deze voorkennis vernemen we nu wat hij schreef over de val van Jeruzalem (Josephus:1960 reprint, pp. 581-583, Nederlandse vertaling van mij): 'Zo werd het ellendige volk overtuigd door bedriegers en diegenen die God loochenden, daar zij geen acht gaven, noch geloof hechtten aan de tekenen die toch zo evident waren en die zo duidelijk hun ondergang voorspelden... zij hielden geen rekening met de aanklacht die God tegen hen had... Zo was er een ster, die leek op een zwaard, die boven de stad stond, en een komeet, die een jaar doorging... op de achtste dag van de maand Nisan en op het negende uur van de nacht scheen er een licht rondom het altaar en het huis, zo helder dat het dag leek; dit duurde een half uur... Op ditzelfde feest baarde een koe, die naar de priester werd geleid een lam in het midden van de tempel... en een paar dagen na het feest, op de 21e dag van de maand Artemistus verscheen er een ongelooflijk en buitengewoon teken; ik veronderstel dat het relaas ervan klinkt als een fabel, als het niet werd verteld door velen die het hebben gezien... want voor zonsondergang werden strijdwagens en soldatentroepen gezien die door de wolken renden en de stad omsingelden... en de priesters die dienstdeden bij het altaar hoorden uit de vuurhaard het geluid als van een menigte die zei: Laten we hier vandaan gaan'... De joden hadden hun tempelplein vierkant gemaakt door het afbreken van de burcht Antonia, en tegelijkertijd in hun heilige orakels geschreven ‘toen zou hun stad zowel als de tempel ingenomen worden, als ze hun tempel vierkant zouden hebben gemaakt... en in die tijd zou iemand uit hun land regeerder van de aarde worden... maar dit orakel handelde over Vespasianus, die aangewezen was als keizer in Judea'.

Tot zover Josephus. Iedereen die enigszins bekend is met de literaire stijl van Joodse apocriefe en deutero-canonieke boeken, herkent hier onmiddellijk dezelfde verhaaltrant bij Josephus, gelardeerd met fantasie en fabels. 'Goddelijke tekenen' als een koe die een lam baart, een stem uit bet altaar die de priesters oproept om te vertrekken, en zelfs een heilig orakel dat de heerschappij van Vespasianus aankondigt, vallen buiten iedere geloofwaardigheid. Bovendien beantwoordt de verschijning van de hemellegers helemaal met aan het profetische woord. Volgens Josephus strijden ze immers mét de Romeinen en tégen Jeruzalem, terwijl de Bijbelse legers toch met de Heer, vóór zijn volk en tégen hun vijanden strijden? Wanneer we weten met welk doel en voor wie Josephus dit heeft opgeschreven, is het niet moeilijk om de politieke lading van dit boek te ontwaren. De door Sorensen opgevoerde 'zeer betrouwbare en historische bronnen' kunnen we zondermeer naar het rijk van de fabels verwijzen en de gelovigen zouden er goed aan doen om hier geen enkele aandacht meer aan te besteden.

Ik zou nog in kunnen gaan op allerlei kanttekeningen die Sorensen plaatst bij de lichamelijke terugkomst van Jezus, die zich niet 'in de fysieke dimensie' voltrekt maar 'geestelijk moet worden verstaan', net als trouwens de opname van de gemeente in de lucht, die ook verwijst naar een 'geestelijk rijk'. De nieuwe hemel en nieuwe aarde zijn natuurlijk óók nog slechts 'geestelijke' begrippen, net als de toekomstige tempel van Ezechiël en ... nou ja, eigenlijk gewoon alles. Dat we dit letterlijk moeten verstaan zijn 'allemaal misverstanden', gecreëerd door 'mensen die geen enkele kennis hebben van de taal en cultuur van de Bijbel en elkaar maar een beetje napraten', mensen die ‘wilde leringen de wereld insturen' en een 'onwetende christenheid misleiden'. De lezer oordele zelf.

Ik eindig met twee zaken die beslist nog aan bod moeten komen, nl. de opstanding, en 'het aangebroken koninkrijk'.

Opstanding uit de doden

Sprekend over de opstanding blijkt welke hoge tol Sorensen betaalt voor de verdediging van zijn theorie. Ik citeer: ‘Doorheen het Oude en Nieuwe Testament wordt voorspeld dat bij de komst van Jezus de zogenaamde ‘opstanding van de doden’ zal plaatsvinden. Een van de grootste misverstanden onder christenen is het idee dat de doden dan fysiek opstaan. Nergens in de Bijbel wordt echter gezegd dat de opstanding lichamelijk zou zijn. Steeds is er sprake van een geestelijke opstanding... Als wij sterven, gaan wij niet meer naar een dodenrijk, maar we stappen eenvoudig uit ons aardse lichaam en leven verder in ons geestelijke lichaam.’

Geen lichamelijke opstanding dus meer, 'opstanding' betekent doorleven in een 'geestelijk lichaam' in een 'geestelijke werkelijkheid'. Nu is de term 'geestelijk lichaam' al een innerlijke tegenspraak, immers geesten hebben helemaal geen lichaam. Maar we laten de Bijbel voor zich spreken: ‘Thomas, breng je vinger hier en zie mijn handen en breng je hand en steek die in mijn zijde' (Joh.20:27). Ik kan u verzekeren: wie dit bij een geest probeert, tast in de lucht. 'Zij nu kwamen naar Hem toe, grepen zijn voeten en huldigden Hem' (Matth.28:9). En Lukas vertelt: 'Zij werden echter angstig en erg bang en meenden een geest te zien. En Hij zei: betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb... en Hij zei tot hen: hebt u hier iets te eten? Zij nu gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. En Hij nam het en at het voor hun ogen'. Hoe Sorensen kan ontkennen dat de Bijbel hier spreekt van een fysiek lichaam is mij een raadsel. Iemand die vlees en beenderen heeft en die vis eet, heeft toch een lichaam? Geestelijk voortleven na het sterven is niet hetzelfde als een leer van de opstanding. Als Jezus zegt 'Ik zal hem opwekken op de laatste dag' (Joh.6:54), waar is de overledene dan volgens Sorensen tussen de dag van zijn heengaan en de laatste dag? Even duidelijk als de Schrift is over de opstanding van Christus, is zij over de onze: 'God nu heeft de Heer opgewekt en zal ook ons opwekken door zijn kracht (1Kor.6:14), 'En als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maker door zijn Geest die in u woont' (Rom.8:11). Een sterfelijk lichaam levend maken is toch echt iets anders dan een geestelijk voortbestaan.

Ons lichaam wordt in de Schrift wel vergeleken met een tent waarin wij wonen. Sterven wij, dan worden wij ontkleed: onze geest leeft voort zonder lichaam. Maar worden wij opgewekt, dan ontvangen wij een nieuw en eeuwig lichaam (2Kor.5:1-10). Dit idee staat haaks op de Griekse levensbeschouwing in Jezus' dagen: zij beschouwden het afleggen van het lichaam als een bevrijding en de idee dat men opnieuw in een lichaam zou worden opgewekt was hun dwaasheid. De Sadduceeën hadden deze idee van de Grieken overgenomen. En het is om deze reden dat zij botsten, niet alleen met de Farizeeën, maar ook met de Heer zelf: 'U dwaalt wel zeer, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God' (Matth.22:29). De opstanding van de doden was een kern van het evangelie dat de discipelen verkondigden: 'Die God heeft opgewekt uit de doden, van wie wij getuigen zijn (Hand.3:15; zie ook 4:10, 5:30, 10:40, 13:37, 17:3, 17:18). 'Over de hoop en de opstanding van doden sta ik terecht' (Hand. 2 3:6).

Dat Sorensen zijn eigen theorie heeft over de terugkeer van Christus, is nog tot daaraan toe. Maar dat hij omwille van die theorie ook de lichamelijke opstanding uit de doden ontkent, doet op jammerlijke wijze afbreuk aan de boodschap van het evangelie: 'Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd,... dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften, en dat Hij is begraven en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften'! (lKor.15:1-4).

Het aangebroken koninkrijk

Tenslotte wil ik iets zeggen over de conclusies die uit het preterisme volgen voor onze tijd. Aangezien volgens Sorensen alle profetieën uit de Schrift reeds in vervulling zijn gegaan, er geen nieuwe eeuw, en zelfs geen nieuwe hemel en aarde meer zullen volgen, is het aan de gelovigen in onze tijd om alle beloften aangaande het koninkrijk te verwerkelijken. Dit legt een niet reële verwachting en druk op de bediening van gaven, genezingen en wonderen in deze tijd. Let wel: ik geloof in de onverminderde werkzaamheid van de gaven van de Geest in onze tijd — bijvoorbeeld zoals vermeld in 1 Kor. 12 - en ik geloof dat God de prediking van zijn woord bevestigt door tekenen en wonderen — bijvoorbeeld zoals vermeld in Markus 16:18. Ik ben dus geen cessationist of ultra-dispensationalist die beweert dat (bepaalde) gaven, tekenen en wonderen niet meer voorkomen in onze dagen. Maar we moeten ons wel baseren op een goede Bijbelse basis en verantwoording van deze manifestaties, en ik geloof dat het preterisme die niet biedt. Dit houdt namelijk in dat Gód alles al gedaan en gegeven heeft, en dat de gelovigen, door eenvoudig te doen wat God van hen vraagt, de vervulling van alle beloften zullen zien. De dwingende conclusie is dat als een zieke niet geneest na de bediening van de genezingsgave, wellicht het geloof van de genezer of — nog erger — van de zieke tekortschiet. Deze leer gaat voorbij aan de soevereiniteit van God in de bediening van de gaven. Ze onderscheidt niet het doel waarvoor de gaven primair zijn gegeven, nl. — in een notendop - manifestaties die de Geest geeft wanneer Hij dat wil tot opbouwing van de gemeente c.q. tekenen en wonderen die de Heer werkt om de prediking van het evangelie te bekrachtigen. We houden daarbij altijd rekening met het karakter van de tijd of de bedeling waarin wij leven, nl. dat het koninkrijk van God in onze dagen nog niet de uiteindelijke vorm aanneemt zoals beschreven in de profetieën, omdat de vervulling van die profetieën wacht op de komst van Christus. Wij leven in de tijd van het onvolmaakte en de hoop op Gods beloften. Deze wetenschap maakt dat ik met steeds toenemende toewijding en geloof mij hier op aarde wil inzetten voor de zaak van het koninkrijk van mijn Heer, wetende dat Hij Zelf eenmaal totale verlossing, vrede en gerechtigheid zal brengen op deze aarde.

Literatuur

Eusebius, the Ecclesiastical History of, 1993 (reprint), Baker Book House, Grand Rapids
Josephus F., The complete works of, 1960 (reprint), Kregel, Grand Rapids
Ouweneel W.J., De toekomst van God, 2012, Medema, Heerenveen
Pentecost J.D., Things to Come, 1958, Academic Books, Grand Rapids
Schürer E., A history of the Jewish people in the time of Jesus Christ, 2010 reprint), Hendrickson, Peabody
Walvoord J., Major Bible Prophecies, 2000, Zondervan, Grand Rapids

Noten:
(1) Teksten uit het Oude Testament worden geciteerd uit de Statenvertaling, teksten uit het Nieuwe Testament worden geciteerd uit de Telosvertaling.

(2) Voor wie het verder na wil gaan: de tijdlijn is in het evangelie van Lukas nog duidelijker dan in Mattheus: vs. 20-24 ziet op de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. 'Alles' in vs. 22 betekent dus niet 'alle profetieën' maar 'alles wat geschreven staat over het begin van de weeën'. Het gedeelte vervolgt immers met de tijden van de volken (vs.24-26) – dat is de tijd dat Jeruzalem vertrapt wordt door de volken en die hield niet op in 70 n.Chr. Pas daarna beschrijft hij de wederkomst van de Zoon des mensen (vs.26-28). Dit sluit hij af met te zeggen (vs.28) 'als nu deze dingen beginnen te gebeuren...'. Dus eerst de val van Jeruzalem, dan de tijden van de volken, en daarna de wederkomst van Christus en het koninkrijk.

_____________________________________________________________