Eschatologie 2

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Imminentie en Waakzaam

Tien Economieën of Tien Koningen?

De acht koningen van de eindtijd

De koning van het Noorden - De Assyriër-Rubriek: Profetische Boeken 2

Wie zijn de 24 oudsten?

Profetische uitleg Openbaring 2 en 3

De geschiedenis van de Imminentie

Preterisme een verkenning

Vragen aan Preteristen

Zie, Hij kwam/komt met de wolken

The Great Reset

___________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Is de komst van Christus aanstaande?

Verwachting en Imminentie

 

John F. MacArthur, Jr.

 

 

 

 

Inleiding

Het Nieuwe Testament is consistent in zijn verwachting dat de wederkomst van Christus elk moment kan plaatsvinden. Dat doordringende perspectief van nadering roept drie vragen op. De eerste vraag heeft betrekking op de vraag of de Verdrukking zal voorafgaan aan de komst van Christus voor de Gemeente. Het antwoord op die vraag is dat het niet zo zal zijn, omdat de Gemeente nooit wordt gevraagd om vooruit te kijken naar de verdrukking, maar om vooruit te kijken naar de komst van Christus. De tweede vraag draait om hoe de wederkomst van Christus in de vroege kerk op handen had kunnen zijn. Het antwoord hier is dat niemand behalve de Vader weet wanneer de komst zal plaatsvinden, zodat christenen, inclusief de vroege kerk, altijd klaar moeten staan. De derde vraag is waarom de op handen zijnde wederkomst van Christus zo belangrijk is. Dit antwoord heeft betrekking op de motivatie die het voor gelovigen verschaft om hun leven te zuiveren en daardoor vooruitgang te boeken in de richting van het doel van heiliging en gelijkvormigheid aan Christus. De drievoudige oproep van het onderwijs van imminentie is om nu wakker te worden en te gehoorzamen, de werken van de duisternis af te werpen en de klederen van een heilig leven aan te trekken.

* * * * *

Christus kan elk moment komen. Ik geloof dat met heel mijn hart - niet vanwege wat ik in de kranten lees, maar vanwege wat ik in de Schrift lees. Vanaf de allereerste dagen van de Gemeente koesterden de apostelen en christenen van de eerste generatie een oprechte verwachting en vurige hoop dat Christus op elk moment plotseling zou kunnen terugkeren om Zijn kerk in de hemel te vergaderen. Jakobus, die waarschijnlijk de vroegste van de nieuwtestamentische brieven schreef, vertelde zijn lezers uitdrukkelijk dat de wederkomst van de Heer ophanden was: ‘Heb dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht van het land, en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur!’ (Jak.5:7-9).

Petrus herhaalde diezelfde verwachting toen hij schreef: 'Het einde van alles nu is nabij; wees dus bezonnen en nuchter tot gebeden’ (1Petr.4:7). De schrijver van Hebreeën noemde de ophanden zijnde wederkomst van Christus als een reden om trouw te blijven: ‘Laten we acht geven op elkaar tot aanvuring van liefde en goede werken; en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar elkaar vermanen, en dat zoveel te meer naarmate u de dag ziet naderen’ (Heb.10:24-25). Hij schreef: Want nog een zeer korte tijd, en Hij die komt, zal komen en niet uitblijven" (vs. 37). En de apostel Johannes deed de meest zelfverzekerde uitspraak van allemaal: ‘Kinderen, het is het laatste uur, en zoals u hebt gehoord dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18). Toen Johannes zijn visioen optekende in het boek Openbaring, liet hij het voorafgaan door te zeggen dat deze dingen ‘spoedig moeten gebeuren’ (Op.1:1).

De schrijvers van het Nieuwe Testament schreven vaak over de ‘verschijning’ van Christus en ze lieten nooit na om het gevoel over te brengen dat dit spoedig zou kunnen gebeuren. ‘En nu, kinderen, blijf in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst” (1Joh.2:28; 3:2; Kol.3:4; 2Tim.4:8; 1Petr.5:4). Al die teksten suggereren dat in de vroege kerk de verwachting van de op handen zijnde wederkomst van Christus hoog opliep. Een vaste overtuiging dat Christus elk moment kan terugkeren, doordringt het hele Nieuwe Testament. Toen de apostel Paulus de komst van de Heer voor de Gemeente beschreef, gebruikte hij persoonlijke voornaamwoorden waaruit blijkt dat hij er duidelijk van overtuigd was dat hij zelf tot degenen zou kunnen behoren die levend zouden worden opgenomen om de Heer te ontmoeten: ‘Wij de levenden die overblijven tot de komst van de Heer’ en ‘wij de levenden, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht' (1Thes.4:15, 17). Het was duidelijk dat hij uitkeek naar de terugkeer van Christus tijdens zijn leven. Hij maakte verder duidelijk dat een waakzame, hoopvolle verwachting over de wederkomst van Christus een van de goddelijke houdingen is die goddelijke genade alle gelovigen leert: ‘Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen en onderwijst ons dat wij met verzaking van de goddeloosheid en de wereldse begeerten ingetogen, rechtvaardig en godvruchtig zouden leven in deze tegenwoordige eeuw, in de verwachting  van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus' (Tit.2:11-13).

Zal de verdrukking voorafgaan aan de komst van Christus voor de kerk?

Desalniettemin houden sommige onderzoekers van Bijbelse profetieën vol dat christenen geen onmiddellijke verwachting mogen hebben van de wederkomst van Christus. In plaats daarvan, zeggen ze, zouden we moeten uitkijken naar het begin van de zevenjarige verdrukkingsperiode, de vervulling van bepaalde oordelen en voorlopige tekenen, de opkomst van de antichrist – of al het bovenstaande. Als ze over toekomstige dingen praten, ligt de nadruk zwaar op angst en rampspoed voor het volk van God. Wat hen betreft, wordt ‘de gelukkige hoop’ pas relevant nadat de Gemeente door de verdrukking is gegaan. Op het eerste gezicht lijkt dit standpunt niet geheel verstoken van Bijbelse steun. Immers, toen Christus de gebeurtenissen van de laatste dagen schetste, nam Hij vele profetieën op over verdrukking en ontberingen, en Hij zei dat deze tekenen vooraf zouden gaan aan en wijzen op Zijn wederkomst (Mat.24:21, 30).

De brieven bevatten ook profetieën over afvalligheid en vervolging in de laatste dagen voorafgaand aan de wederkomst van Christus. Zo waarschuwde de apostel Paulus Timotheüs voor gevaarlijke tijden die zouden komen (2Tim.3:1-3). Hij zei tegen hem: ‘De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen’ (1Tim.4:1) - en hij beschreef verder een afvalligheid die vooraf zou gaan aan de terugkeer van Christus. Degenen die geloven dat de kerk door de ontberingen van de periode van de verdrukking moet lijden, citeren steevast 2Thes.2:1-3 als bewijs: ‘Wij vragen u broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem, dat u niet zo snel in uw denken geschokt en verschrikt wordt, noch door geest, noch door een woord, noch door een brief als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn. Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want die komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf’.

Dus aan de ene kant is het Nieuwe Testament doordrongen van een groet verlangen van verwachting en overtuiging dat de gezegende hoop op Christus' wederkomst nabij is. Aan de andere kant worden we gewaarschuwd voor problemen en beproevingen die aan de wederkomst van Christus zullen voorafgaan. Hoe kunnen we deze twee draden van profetie met elkaar verzoenen? Hoe kunnen we een dagelijkse verwachting van Christus' wederkomst cultiveren als deze voorlopige tekenen nog moeten worden vervuld voordat Hij terugkeert? Er moeten verschillende punten in gedachten worden gehouden. Ten eerste zijn alle algemene ‘tekenen der tijden’ die in het Nieuwe Testament worden gegeven, vervuld - en worden voor onze ogen vervuld. Het zijn in feite kenmerken van het hele tijdperk van het Christelijke kerk. Afvalligheid en ongeloof, eigenliefde en zonde, oorlogen, geruchten van oorlogen en natuurrampen zijn allemaal heel gewoon geweest in het christelijk tijdperk. Vrijwel elke generatie christenen sinds de tijd van Christus heeft geloofd dat ze de tekenen van de eindtijd voor hun eigen ogen in vervulling zagen gaan. Dus hoe kunnen we weten of onze eigen tijd de ware ‘laatste dagen’ is van Bijbelse profetieën - of gewoon meer van dezelfde algemene afvalligheid en rampspoed die het hele christelijke tijdperk hebben gekenmerkt?

De apostel Johannes loste die vraag onder inspiratie van de Heilige Geest op toen hij schreef: ‘Kinderen, het is het laatste uur, en zoals u hebt gehoord dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18). De Gemeente bevond zich al in ‘de laatste dagen’, zelfs voordat het apostolische tijdperk eindigde. In feite is de ‘laatste dagen’ een Bijbelse term voor het christelijke tijdperk zelf (Heb.1:1-2). Dit hele tijdperk is een opmaat naar het uiteindelijke hoogtepunt van de menselijke geschiedenis. Dit zijn de laatste dagen - en zo was het vroege Gemeente tijdperk.

Ten tweede, niets in het Nieuwe Testament suggereert ooit dat we onze verwachting van Christus' verschijning moeten uitstellen totdat andere voorbereidende gebeurtenissen kunnen plaatsvinden. De enige duidelijke uitzondering is 2Thes.2:1-3 (hierboven volledig geciteerd), die zegt: ‘die dag [de dag des Heren] komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is”. Dat is duidelijk een sleuteltekst voor degenen die geloven dat de Verdrukking de volgende gebeurtenis is op de profetische agenda, en dat de Gemeente de heerschappij van de Antichrist zou moeten verwachten in plaats van de terugkeer van Christus. Inderdaad, als 2Thes.2:1-3 eigenlijk betekent dat Christus' komst voor de Gemeente pas kan plaatsvinden na zeven jaar van Verdrukking, dan vernietigt het alles wat het Nieuwe Testament leert over de op handen zijnde wederkomst van Christus'.

Maar kijk eens goed naar de context van 2Thes.2. De christenen in Thessalonicenzen waren in de war en van streek door enkele valse leraren (mogelijk mensen die deden alsof ze namens de apostel spraken) die leerden dat de vervolgingen en het lijden dat ze op dat moment ervoeren de oordelen waren die gepaard gingen met de dag des Heren. (De uitdrukking verwijst altijd naar oordeel en gewoonlijk naar een tijd van apocalyptisch oordeel - vgl. Jes.13:9-11; Am.5:18-20; 1Thes5:2-3; 2Petr.3:10; Op.6: 17; 16:14.) Velen in de kerk van Thessalonika hadden, te midden van hun eigen zware ontberingen en ellende, blijkbaar die leugen geloofd, en ze geloofden dat het betekende dat ze zelf het voorwerp waren geworden van Gods laatste apocalyptische toorn. Het is duidelijk dat ze hierdoor diep verontrust waren, want in zijn eerdere brief had Paulus hen aangemoedigd door hen te vertellen over de opname (1Thes.4:14-17) - de komst van Christus voor zijn Gemeente. Paulus had hen zelfs opgedragen elkaar te troosten met de belofte dat Christus voor hen zou komen (vs. 18). Maar nu, in een tijd van hevige vervolging en beproeving, waren de christenen in Thessaloniki ten prooi gevallen aan het valse idee dat God Zijn laatste toorn al uitstortte - en zij behoorden tot de voorwerpen van die toorn. Ze waren duidelijk bang dat ze de opname hadden gemist en op het punt stonden te worden weggevaagd in de laatste en baanbrekende oordelen van de Dag des Heren. Daarom schreef Paulus: ‘Wij vragen u echter, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem, dat u niet zo snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief, als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn’ (1Thes.2:1-2). ‘De komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem’ is een duidelijke verwijzing naar de opname. ‘De dag van Heer’ is de dag des Heren (in feite gebruiken de oudere manuscripten de uitdrukking ‘dag des Heren’ in dit vers). Er waren twee aspecten van de fout die de kerk van Thessalonika verontrustte: een was het idee dat ze de opname hadden gemist. De andere was de daarmee gepaard gaande angst dat ze al het apocalyptische oordeel waren binnengegaan dat aangaf dat de dag des Heren al was aangebroken. En als Paulus dus zegt: ‘Die dag zal niet komen als niet eerst de afval gekomen is, en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf’ (2Thes.2:3) - dan heeft hij het over de dag van de Heer en zijn apocalyptische oordeel, niet de opname. Hij suggereerde niet dat de komst van Christus voor de Gemeente zou worden uitgesteld tot nadat de gebeurtenissen van de Verdrukking allemaal waren afgelopen. Hij suggereerde zeker niet dat de Thessalonicenzen hun hoop op de komst van Christus voor hen moesten uitstellen tot het einde van de Verdrukking. Hij had zijn hele eerste brief besteed aan het aansporen van hen om waakzaam en afwachtend te zijn en elkaar te bemoedigen met het nieuws van de op handen zijnde wederkomst van Christus (vgl. 1Thes.1:19; 4:15-18; 5:6, 9, 11). Als de apostel nu van plan was hun te leren dat alle gebeurtenissen van de Verdrukking vervuld moesten worden voordat Christus voor hen kon terugkeren, zou dat inderdaad weinig ‘troost’ zijn. In feite zou het alles omverwerpen wat het Nieuwe Testament te zeggen heeft over de naderende, troostende en hoopvolle wederkomst van Christus. Dus de consistente leer van het Nieuwe Testament is dat christenen moeten uitkijken naar de op handen zijnde komst van Christus voor Zijn Gemeente, en 2Thes.2:1-4 is daarop geen uitzondering.

Hoe kon de komst van Christus nabij zijn in de vroege kerk?

Sommigen beweren dat de komst van Christus onmogelijk ophanden kan zijn geweest voor de vroege kerk, gezien het overduidelijke feit dat Hij tweeduizend jaar later nog steeds niet is teruggekeerd. Sceptici maken het christendom vaak belachelijk of betwisten juist op die grond de onfeilbaarheid van de Schrift. De aan het begin van dit hoofdstuk geciteerde verzen bewijzen immers dat Jakobus, Petrus, Johannes, Paulus en de schrijver van Hebreeën allemaal geloofden dat de wederkomst van Christus zeer nabij was – ‘voor de deur’ (Jak.5:9); ‘De Heer is nabij’ (Fil.4:5; 1 Petr.4:7); ‘naarmate u de dag ziet naderen’ (Heb 10:25); ‘spoedig komen’ (Op.3:11; 22:7). Hoe kan het dan dat Christus tweeduizend jaar later nog steeds niet is teruggekeerd?

Zouden de apostelen het bij het verkeerde eind hebben gehad met betrekking tot de timing? Dat is precies wat sommige sceptici beweren. Hier is een typisch fragment uit een nieuwsbrief waarvan het enige doel is om de onfeilbaarheid van de Schrift aan te vallen: Paul zelf toonde dat hij een van degenen was die wachtten op de op handen zijnde wederkomst van Christus. Maar zoals de geschiedenis van die tijd duidelijk laat zien, was alles voor niets. Er verscheen geen Messias. Het Nieuwe Testament zegt herhaaldelijk dat de Messias binnen zeer korte tijd zou terugkeren. Toch heeft de mensheid bijna 2000 jaar gewacht en is er niets gebeurd. Dat kan in geen geval worden beschouwd als 'snel komen'. Het is inderdaad jammer dat miljoenen mensen nog steeds vasthouden aan de verloren hoop dat er op de een of andere manier een Messias zal opstaan ​​om hen uit hun hachelijke situatie te halen. Hoeveel jaar (2.000, 10.000, 100.000) zal het duren voordat ze eindelijk zeggen: "We kunnen alleen maar concluderen dat we het slachtoffer zijn van een wrede hoax"?

Wat zullen we van deze beschuldiging tegen de waarheid van de Schrift zeggen? Bewijst het verstrijken van tweeduizend jaar inderdaad dat de komst van Christus niet op handen was in het tijdperk van de vroege kerk, en dat de apostelen zich vergist hadden? Zeker niet. Denk aan de duidelijke uitspraak van Christus in Mat.24:42: ‘U weet niet op welke dag uw Heer komt.’ De exacte tijd blijft voor ons verborgen, net als voor de apostelen. Maar Christus kon niettemin elk moment komen. De rechter staat nog voor de deur. De dag staat nog voor de deur. Er zijn geen andere gebeurtenissen die op de profetische kalender moeten plaatsvinden voordat Christus ons in de lucht komt ontmoeten. Hij kan elk moment komen. En in die zin is de komst van Christus ophanden. In dezelfde zin was Zijn komst ophanden, zelfs in de dagen van de vroege kerk.

Ik veronderstel dat het ook mogelijk is dat Christus zijn komst nog tweeduizend jaar of langer zou kunnen uitstellen. Gezien de snelle achteruitgang van de samenleving, zie ik niet hoe dat mogelijk is, maar de apostelen ook niet toen ze de toestand van de wereld in hun tijd overzagen. Hij kon Zijn komst nog steeds uitstellen. Daarom leerde Christus ons om voorbereid te zijn, of Hij nu onmiddellijk komt of langer uitstelt dan we voor mogelijk houden (vgl. Mat.24:42–25:12). In ieder geval is het verstrijken van tweeduizend jaar geen verwijt aan de trouw van God of de betrouwbaarheid van Zijn Woord. Dit is precies het punt dat Petrus maakte toen hij anticipeerde op de spotters die zouden opstaan ​​en de spot dreven met de belofte van Christus' wederkomst (2Petr.3:3-4). Peters antwoord aan die spotters? ‘Bij de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag’ (vs. 8). De hoeveelheid aardse tijd die verstrijkt is niet van belang. Het is zeker niet relevant vanuit Gods tijdloze gezichtspunt. Een moment is als vele eonen in Zijn gedachten, en eonen gaan voorbij als momenten. Hij is niet gebonden aan tijd zoals wij, en geen enkele hoeveelheid tijd kan ooit Zijn trouw tenietdoen. 'De Heer is niet traag met betrekking tot Zijn belofte, zoals sommigen het voor traagheid beschouwen, maar Hij is lankmoedig jegens ons, niet willend dat iemand verloren gaat, maar dat iedereen tot bekering komt' (vs. 9).

Met andere woorden, de echte reden voor het uitstel van de Heer is niet dat Hij nalatig of onvoorzichtig is in het nakomen van zijn beloften, maar eenvoudig omdat Hij lankmoedig en vriendelijk is, de komst van Christus uitstelt en de toorn die daarmee gepaard gaat terwijl Hij mensen tot redding roept. En Christus zal niet terugkeren voordat de barmhartige doeleinden van God voltooid zijn. Verre van apathie of nalatigheid van Gods kant te suggereren, onderstreept het lange uitstel voordat Christus verschijnt eenvoudig de opmerkelijke diepte van Zijn bijna onuitputtelijke barmhartigheid en lankmoedigheid. En daarom is het feit dat er tweeduizend jaar zijn verstreken, volkomen irrelevant voor de leerstelling van de op handen zijnde wederkomst van Christus. De komst van Christus is nog steeds nabij. Het kan elk moment gebeuren. Het gebod om gereed en waakzaam te zijn is evenzeer van toepassing op ons als op de vroege kerk. In feite zou de wederkomst van Christus een nog urgenter probleem voor ons moeten zijn, omdat het met het verstrijken van iedere dag dichterbij komt. We weten nog steeds niet wanneer Christus komt, maar we weten wel dat we tweeduizend jaar dichter bij die gebeurtenis zijn dan Jacobus was in die vroegste dagen van de christelijke jaartelling, toen de Heilige Geest hem bewoog om de kerk te waarschuwen dat de komst van de Heer was nabij en de Rechter stond al vóór de deur.

Waarom is de op handen zijnde wederkomst van Christus zo belangrijk?

Waarom is het zo belangrijk om te geloven dat Christus elk moment kan komen? Omdat de hoop op de aanstaande komst van Christus een krachtig heiligend en zuiverend effect op ons heeft. ‘En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1Joh.3:3). De wetenschap dat de komst van Christus dichterbij komt, zou ons moeten motiveren om ons voor te bereiden, naar Christus te streven en alle dingen uit te stellen die betrekking hebben op ons vorige leven zonder Christus. De apostel Paulus volgde deze redenering tegen het einde van zijn brief aan de Romeinen. Hij herinnerde de gelovigen in Rome aan hun plicht om hun naasten lief te hebben als zichzelf, en zei dat liefde het enige principe is dat aan al Gods morele geboden voldoet (Rom.13:8-10). Vervolgens benadrukte hij de urgentie van het leven in gehoorzaamheid aan dit grote gebod, en schreef hij: ‘En dit te meer, omdat wij de tijd kennen, dat het uur voor u al daar is om uit de slaap te ontwaken; want de behoudenis is nu nader dan toen wij tot geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. Laten wij als op de dag, welvoeglijk wandelen niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in ontuchtigheden en uitspattingen, niet in twist en jaloersheid; maar doet de Heer Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om begeerten te voldoen (Rom.13:11-14). Dat is de wake-up call van de apostel Paulus aan de Gemeente. De wederkomst van Christus nadert. De tijd is nu dichterbij dan toen we voor het eerst geloofden. Elk moment dat voorbijgaat, brengt de wederkomst van Christus nog dichterbij. Hoe moeten we de tijd verzilveren? Hij roept op tot een drieledig antwoord dat perfect het juiste perspectief van de christen op de op handen zijnde mogelijkheid van Christus' wederkomst samenvat. Word wakker! ‘Ontwaak uit de slaap’, smeekt hij (vs. 11) - en hij onderstreept zowel de urgentie van dit gebod als de ophanden zijnde komst van Christus, met vier zinnen: ‘nu is het de hoogste tijd’; ‘onze redding is dichterbij’ (vers 11); ‘De nacht is ver gevorderd; en ‘de dag is nabij’ (vs. 12). Tijd is kort; gelegenheid is kort. De Heer komt spoedig, en de gebeurtenis komt elk moment dichterbij. De tijd om te gehoorzamen is nu. De enige tijd die we als vanzelfsprekend kunnen beschouwen, is nu. En aangezien er geen garantie is voor meer tijd, is het gewetenloos om onze gehoorzaamheid uit te stellen. Denk hier eens over na: de apostel Paulus benadrukte de urgentie van dit gebod in zijn tijd, tweeduizend jaar geleden. Hij geloofde dat de komst van Christus nabij was - en steeds dichterbij kwam. Hoeveel urgenter zijn deze dingen voor onze tijd? ‘Nu is onze redding dichterbij’ (vs. 11) - tweeduizend jaar dichterbij, om precies te zijn. Dit is zeker niet het moment om op onze hoede te zijn of in slaap te vallen. Hoewel sommigen in de verleiding kunnen komen te denken dat het lange uitstel betekent dat de komst van Christus niet langer een urgente zaak is, zal een ogenblik nadenken onthullen dat als we geloven dat Christus de waarheid sprak toen Hij beloofde snel terug te komen, we moeten geloven dat de tijd dringt komt steeds dichterbij - en de urgentie wordt niet verminderd door de vertraging, maar verhoogd. Het is volkomen natuurlijk voor ongelovigen, sceptici en ongelovigen om te denken dat het uitstel van Christus betekent dat Hij Zijn belofte niet zal vervullen (2Petr.3:4). Maar geen echte gelovige zou ooit zo moeten denken. In plaats van te wanhopen omdat Hij vertoeft, moeten we ons realiseren dat de tijd nu dichterbij is dan ooit. Hij komt eraan. Zoals we eerder zagen, garandeert Zijn Woord dat Hij zal komen. Onze hoop zou sterker moeten worden, niet afnemen, aangezien Hij zijn komst uitstelt. Wanneer Paulus schrijft: ‘Omdat wij de tijd kennen’ (Rom.13:11), gebruikt hij een Grieks woord voor ‘tijd’ (kairos), dat spreekt van een tijdperk of een periode, niet de tijd (chronos) verteld door een klok. ‘De tijd kennen’ spreekt daarom van het begrijpen van deze tijd, onderscheidend zijn, zoals ‘de zonen van Issaschar die begrip van de tijd hadden, om te weten wat Israël behoorde te doen’ (1Kron.12:32). Christus berispte de Farizeeën voor het ontbreken van ditzelfde soort onderscheidingsvermogen: ‘Wanneer het avond is geworden, zegt u: 'Mooi weer, want de hemel is rood'; en 's morgens: 'Vandaag storm, want de lucht is somber rood.' Het aanzien van de hemel weet u wel te onderscheiden, maar kunt u het de tekenen der tijden (kairos) niet?’ (Mat.16:1-3). Misschien had Paulus tekenen van geestelijke lethargie of saaiheid gezien onder de gelovigen in Rome. Ongetwijfeld bracht het leven in die grote stad veel afleidingen en aardse verlokkingen met zich mee die de harten afleidden van de oprechte hoop op Christus’ komst. Net als de samenleving waarin we leven, was het Romeinse leven gericht op het vlees en bood het veel materieel comfort en aards amusement. Misschien waren ze geneigd te vergeten dat ze in de laatste dagen leefden. Geestelijk vielen ze in slaap.

Het lijkt soms alsof de hele kerk tegenwoordig in een nog ergere staat van geestelijke slaperigheid verkeert. Er is wijdverbreide onverschilligheid over de wederkomst van de Heer. Waar is het verwachtingspatroon dat de vroege kerk kenmerkte? De trieste erfenisgeschiedenis die over de kerk van onze generatie zal worden opgetekend, is dat toen we het begin van een nieuw millennium naderden, de meeste christenen zich veel meer zorgen maakten over de komst van een computerstoring die bekend staat als de ‘millenniumbug’ dan over de komst van de duizendjarige Koninkrijk! Te veel christenen in onze tijd zijn in een toestand van gevoelloze lethargie en inactiviteit terechtgekomen - een ongevoeligheid voor de dingen van God. Ze zijn als Jona, diep in slaap in het ruim van het schip terwijl razende stormen ons dreigen weg te vagen (Jona 1:5-6). Ze zijn als de dwaze maagden, die ‘toen de bruidegom werd opgehouden, sliepen en sliepen’ (Mat.25:5). Hoog tijd om uit die sluimer te ontwaken. Paulus zond een soortgelijke wake-up call naar de kerk in Efeze: ‘'Ontwaak u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Kijkt dus nauwkeurig uit hoe u wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen, terwijl u de geschikte gelegenheid ten volle uitbuit, want de dagen zijn boos’ (Ef.5:14-16). Nooit was zo'n alarm meer nodig dan vandaag. In de woorden van onze Heer Zelf: ‘Waakt dan! Want u weet niet wanneer de heer van het huis komt, 's avonds, of te middernacht of met het hanengekraai of ‘s morgensvroeg; opdat hij als hij plotseling komt, u niet in slaap vindt’ (Mark.13:35-36). Als Paulus zegt dat ‘onze redding dichterbij is dan toen we tot geloof kwamen’ (Rom 13:11), heeft hij het natuurlijk over de voleinding van onze redding. Hij suggereerde niet dat de Romeinen niet wedergeboren waren. Hij vertelde hen niet dat hun rechtvaardiging nog een toekomstige realiteit was. Hij herinnerde hen eraan dat het hoogtepunt van wat bij hun wedergeboorte begon, steeds dichterbij kwam. ‘Redding’ verwijst in deze context naar onze verheerlijking, het uiteindelijke doel van Gods reddende werk (Rom.8:30). Door de hele Schrift heen is dit verbonden met de verschijning van Christus: ‘Wij weten dat wanneer Hij wordt geopenbaard, wij aan Hem gelijk zullen zijn’ (1Joh.3:2). ‘Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen’ (Fil.3:20-21). ‘Wanneer Christus uw leven geopenbaard wordt, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’ (Kol.3:4). ‘Hij zal voor de tweede keer verschijnen, zonder zonde – of gescheiden van - verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachtten’ (Heb.9:28). Merk op dat de schrijver van Hebreeën het woord redding op dezelfde manier gebruikt als Paulus het in Rom.13:11 gebruikt. Dit laatste aspect van het heil is waarnaar Paulus een paar hoofdstukken eerder verwees, in Rom 8:23: ‘Wijzelf zuchten bij onszelf, in de verwachting van het zoonschap, de verlossing van ons lichaam.’ Dat is het aspect van onze redding dat dichterbij is dan toen we voor het eerst geloofden, en het wacht alleen op de komst van Christus.

Dus de indringende oproep van Paulus hier in Romeinen 13 gaat ervan uit dat de wederkomst van Christus op handen is. Als er een ander eschatologisch tijdperk (kairos) - vooral de Verdrukking - zou plaatsvinden vóór Christus' wederkomst voor de kerk, zou Paulus zeker hebben gewezen op het begin van dat tijdperk en er bij de Romeinen op hebben aangedrongen zich erop voor te bereiden. Maar verre van hen te waarschuwen dat er een donker tijdperk van verdrukking in hun toekomst zou zijn, was wat hij hun vertelde praktisch het tegenovergestelde: ‘De nacht is ver verstreken, de dag is nabij’ (vs. 12). De kairo's van vervolging, ontbering en duisternis waren ‘vergevorderd’ (prokopto in de Griekse tekst - wat ‘snel vooruitgaan’ of ‘verdreven worden’ betekent). Daglicht - de uiteindelijke voltooiing van onze redding wanneer Christus terugkeert om ons naar de heerlijkheid te brengen - staat voor de deur. We hebben geen idee hoeveel zand er nog in de zandloper van de menselijke geschiedenis zit. Maar we moeten ons realiseren dat er veel zand door de zandloper is gegaan sinds de apostel Paulus zei dat het daglicht al nabij was. Hoeveel meer urgent is deze wake-up call voor de kerk vandaag! De nacht van Satans heerschappij zal spoedig plaats maken voor de dageraad van Christus' komst voor de Zijnen. De apostel Paulus gebruikte precies dezelfde beeldspraak van duisternis en dageraad toen hij aan de Thessalonicenzen schreef:

‘Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt. Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid! dan zal een plotseling verderf over hen komen, zoals de barensnood bij een zwangere vrouw, en zij zullen geenszins ontkomen. Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen; want u bent allen zonen van het licht en zonen van de dag. Wij zijn niet van de nacht of van de duisternis. Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn. Want zij die slapen, slapen ’s nachts en zij die dronken zijn, zijn ’s nachts dronken. Maar laten wij die van de dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij het borstharnas van het geloof en de liefde aangedaan hebben, en als helm de hoop van de behoudenis; want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis door onze Heer jezus Christus’ (1Thes.5:1-9). God heeft ons niet tot toorn aangesteld. De dag van toorn die zal komen in de Verdrukking is niet waar we ons op moeten voorbereiden. De plotselinge verschijning van Christus om ons tot heerlijkheid te brengen is onze hoop. Word wakker! Wees nuchter. Wees alert. Uw verlossing nadert.

Wegdoen! Het naderen van de dageraad betekent dat het tijd is voor een verandering van kleding: ‘Laten wij de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen’ (Rom.13:12). Paulus beeldspraak roept het beeld op van een soldaat die de nacht heeft doorgebracht in een dronken orgie. Nog steeds gekleed in de klederen van zijn zonde, is hij in een dronken slaap gevallen. Maar de dageraad nadert, en nu is het tijd om wakker te worden, de kleren van de nacht af te werpen en de wapenrusting van het licht aan te trekken. Het Griekse werkwoord dat met ‘afwerpen’ is vertaald, was een term die sprak van met geweld worden uitgeworpen of verdreven. De Griekse term wordt slechts drie andere keren in het Nieuwe Testament gebruikt, en in elk geval spreekt van verbanning uit een synagoge (Joh.9:22; 12:42; 16:2). Dus de term draagt ​​het idee van het afzweren en verzaken van zonde (of de onberouwvolle zondaar) met kracht en overtuiging. Paulus roept op tot een daad van berouw. Hij wil dat ze afwerpen - excommuniceren, of... verbreek de gemeenschap met - de ‘werken van de duisternis’. Het is dezelfde uitdrukking die hij gebruikt in Ef.5:11: ‘Heb geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar stelt ze veeleer aan de kaak." Paulus gebruikt vaak de beeldspraak van veranderende kleding om het afleggen van de zonde en de oude mens te beschrijven. ‘Doe wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens uit, die ten verderve gaat wordt door de bedrieglijke begeerten’ (Ef.4:22). ‘Maar nu, legt ook u dit alles af: toorn, kwaadheid boosheid, laster, vuile taal uit uw mond. Liegt niet tegen elkaar, daar u de oude mens hebt uitgedaan’ (Kol.3:8-9). Let op het tweevoudig afschuiven: ‘u hebt de oude mens met zijn daden uitgedaan’; maar blijf ‘al deze’ werken van duisternis wegdoen. Het beeld dat dit oproept is dat van Lazarus, opgewekt uit de dood, nieuw leven gegeven, maar nog steeds gebonden in oude grafdoeken die nog moesten worden afgedaan (vgl. Joh.11:43-44). Gebruikmakend van soortgelijke beelden, spoort de schrijver van Hebreeën de gelovigen aan om ‘elke last en de zonde die ons zo gemakkelijk verstrikt af te leggen, en laten we met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt’ (Heb.12:1). Daar beeldt hij de christen af ​​als een atleet, ontdaan van alle lasten en klaar om te rennen. Er is veel dat we opzij moeten schuiven als we voorbereid willen zijn op de komende dag. Jakobus vat het kort en bondig samen: ‘legt alle vuiligheid onreinheid en overmaat van boosheid af” (Jak.1:21). En Petrus herhaalt de gedachte: ‘Leg dan af alle boosheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerijen’ (1Petr.2:1).

Aandoen! Er is nog een ander aspect van voorbereid zijn op de komst van de Heer. We zijn niet volledig voorbereid op het aanbreken van de nieuwe dag, tenzij we de juiste kleding hebben aangetrokken: 'doe de wapenrusting van het licht aan, doe de Here Jezus Christus aan' (vs. 12, 14). Nogmaals, het beeld is dat van een soldaat die de nacht in dronkenschap had doorgebracht. Hij was naar huis gestruikeld en in slaap gevallen in kleren die nu gekreukeld waren en bevuild met het bewijs van zijn lusten. De dag brak aan. Het was tijd om wakker te worden, de oude kleren uit te doen en iets schoons en gepolijst en strijdklaar aan te trekken. ‘Wapenrusting’ suggereert oorlogvoering, en dat is passend. Hoewel de wederkomst van Christus op handen is, is dat geen reden om de strijd op te geven. De Schrift suggereert nooit dat Zijn volk ergens op een heuvel zou moeten zitten om Zijn komst af te wachten. In feite zijn we tussen nu en Zijn komst opgesloten in een strijd ‘tegen de overheden, tegen de machten, tegen de heersers van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke machten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:11). De nabijheid van de wederkomst van onze Heer doet niets af aan de ernst van de strijd. Dit is niet het moment om onze ijver te verslappen, maar het tegenovergestelde. We moeten de strijd met nieuwe kracht aangaan, wetende dat de tijd kort is. ‘Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden’ (vs. 13). Met andere woorden, we zijn geen soldaten buiten dienst, vrij om te feesten en te genieten van de vleselijke geneugten van het nachtleven. We hebben dienst en onze opperbevelhebber kan elk moment verschijnen. Daarom: ‘Laten wij als op de dag, welvoeglijk wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in ontuchtigheden en uitspattingen, niet in twist en jaloersheid’ (Rom.13:13). De christen die geen heilig en gehoorzaam leven leidt met hemelse prioriteiten, is een christen die de betekenis van de op handen zijnde wederkomst van de Heer niet begrijpt. Als we oprecht verwachten dat onze Heer op enig moment zal verschijnen, zou die gezegende hoop ons ertoe moeten bewegen getrouw te zijn en op de juiste manier te wandelen, opdat onze Heer niet terugkomt om te ontdekken dat we verkeerd wandelen, Hem ongehoorzaam zijn of Hem onteren. In de eigen woorden van Christus: ‘Waakt dan! Want u weet niet wanneer de heer van het huis komt, 's avonds, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in ’s morgens vroeg; opdat hij, als hij plotseling komt, u niet in slaap vindt. Wat Ik nu tot u zeg, zeg ik tot allen: Waakt!” (Mark.13:35-37). Er is meer: ​​‘Maar doet de Heer Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om begeerten te voldoen’ (Rom.13:14). Nogmaals, wanneer we verheerlijkt worden, zullen we ogenblikkelijk gelijkvormig worden aan het beeld van Christus - zoveel op Hem lijken als voor mensen mogelijk is. Christusgelijkvormigheid is daarom het doel waartoe God ons beweegt (Rom.8:29). Zelfs nu zou het proces van heiliging ons moeten conformeren aan Jezus ’s beeld. Als we groeien n genade, groeien we in Christusgelijkenis. Wij moeten een weerspiegeling worden van het karakter van Christus en Zijn heiligheid. En dat is wat Paulus bedoelt als hij schrijft: ‘Doe de Here Jezus Christus aan.’ We moeten heiliging nastreven, Christus volgen in ons gedrag en karakter, Zijn gedachten in ons laten zijn en Zijn voorbeeld onze wandel laten leiden (Fil.2:5; 1 Petr.2:21).

Paulus vergeleek zijn pastorale plicht om de Galaten te discipelen met geboorteweeën, terwijl hij ernaar streefde ze op Christus te laten lijken: ‘Van wie ik in opnieuw in barensnood bent, totdat Christus gestalte in u krijgt’ (Gal 4:19). Schrijvend aan de Korinthiërs beschreef Hij heiliging ook als het proces waardoor ze opnieuw gemaakt zouden worden naar Christus' gelijkenis: van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest’ (2Kor.3:18). Met andere woorden, we gaan van het ene niveau van heerlijkheid naar het andere naarmate we verder komen in de richting van het uiteindelijke doel. Dus ‘doe de Heer Jezus Christus aan’ is gewoon een gebod om heiliging na te streven (het hele thema van Rom.12-16). Toen Paulus tegen de Galaten zei: ‘Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan’ (Gal.3:27), zei hij in wezen dat heiliging begint bij bekering. Vanaf het eerste moment van geloof zijn we gekleed in zijn gerechtigheid. Dat is rechtvaardiging. In de woorden van de profeet Jesaja: ‘Ik zal mij zeer verheugen in de Heer, mijn ziel zal blij zijn in mijn God; want Hij heeft mij bekleed met de klederen van de zaligheid, hij heeft mij bedekt met de mantel van de gerechtigheid’ (Jes.61:10).

Maar dat is nog maar het begin van wat het betekent om Christus aan te doen. Rechtvaardiging is een eens en voor altijd voltooide gebeurtenis, maar heiliging is een continu proces. En het commando om ‘aan te trekken Christus’ in Romeinen 13 is een gebod om de Christusgelijkenis van heiliging na te streven.

De hoop op de aanstaande wederkomst van Christus is daarom het scharnier waarop een goed begrip van heiliging draait.

Laten we eens kijken naar enkele van de belangrijkste teksten die spreken over de naderende wederkomst van Christus, en specifiek opmerken wat voor soort praktische plichten deze leer ons oplegt:

Standvastigheid: Hebt ook u geduld, sterkt uw hart, want de komst van de Heer is nabij’ (Jak.5:8).

Vriendelijkheid: ‘Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur!’ (Jak.5:9).

Gebed: ‘Het einde van alles nu is nabij; wees dus bezonnen en nuchter tot gebeden’ (1Petr.4:7).

Trouw. Trouw in het samenkomen en elkaar aanmoedigen: ‘Laten wij op elkaar acht geven tot aanvuring van liefde en goede werken; en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar elkaar vermanen en dat zoveel te meer naarmate u de dag ziet naderen' (Heb.10:24-25).

Heilig gedrag en godsvrucht: ‘Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht’ (2 Petr. 3:11).

Reinheid en gelijkenis met Christus: ‘Als Hij wordt geopenbaard, zullen we zijn zoals Hij is, want we zullen Hem zien zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1Joh.3:2-3).

Deze verschillende categorieën en omvatten elk een aspect van onze heiliging. De hoop op de aanstaande wederkomst van Christus is een katalysator en een stimulans voor al deze dingen - elke vrucht van de Geest, elke christelijke deugd, alles wat te maken heeft met heiligheid en gelijkvormigheid aan Christus, en alles wat tot leven en godsvrucht behoort. Daarom is het zo belangrijk om een ​​waakzame verwachting te kweken voor de op handen zijnde komst van Christus. Het punt is niet om ons geobsedeerd te maken door aardse gebeurtenissen. In feite, als je interesse in de wederkomst van Christus je totaal fixeert met wat er in deze wereld gebeurt, heb je het punt totaal gemist. De wetenschap dat de wederkomst van Christus ophanden is, zou ons hart naar de hemel moeten keren, ‘van waaruit wij ook de Heer Jezus Christus, als Heiland verwachten’ (Fil 3:20). ‘Daarom, geliefden, daar u deze dingen verwacht, beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede’ (2Petr.3:14).

*De bron van dit essay is uitgebrachte boek The Second Coming, copyright © 1999 door John MacArthur (Crossway, 1999).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Tien Economieën of Tien Koningen?

 

 

 

‘Hier is het verstand, dat wijsheid heeft: De zeven koppen zijn zeven bergen waarop de vrouw gezeten is. Ook zijn het zeven koningen: vijf ervan zijn gevallen, een is er nog en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij korte tijd blijven. En het beest, dat was en niet is, is zelf ook de achtste, maar het is uit de zeven en het vaart ten verderve. En de tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar een uur ontvangen zij macht als koningen met het beest. Dezen zijn een van zin en geven hun kracht en macht aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen (want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen) en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen’ (Op.17:10-14).

Vraag

Mogen we de tien koningen, vermeld in Op.17 opvatten als tien wereldeconomieën?

Antwoord

De 10 grootste economieën ter wereld zijn: De Verenigde Staten, China, Japan, Duitsland, India, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Brazilië en Canada. Maar moeten we deze tien grootste economieën in de wereld als een uitleg van Openbaring 17 zien? Het antwoord op die vraag geeft ons het statenbeeld van de profeet Daniël want daar zien we dat het daar om afzonderlijke rijken gaat, Babylonië, Meden en Perzen, Griekenland en vervolgens de Romeinen. De vraag is waarom we dan in het toekomstig Romeins rijk opeens tien wereldeconomische machtsblokken zouden moeten zien? Hoe zou het mogelijk zijn dat die tien machten, gelet op hun grote verschillen in grootte en politieke interesses, de macht zouden geven aan één van die tien machten?

De uitleg die de profeet Daniël heeft gegeven van het statenbeeld aan koning Nebukadnessar leert ons dat het laatste van de vier rijken aan wie God de aardregering heeft gegeven, van de tijd dat het Joodse volk in Babylonische ballingschap is gegaan tot aan de komst van de Messias, het Romeinse rijk het laatste is. Het Romeinse rijk wordt ons voorgesteld in twee gestalten, (1) door twee benen, Oost- en West Romeinse rijk, en (2) door tien tenen, in haar eindtijdfase, tien koningen (Op.17:713). Dat wil zeggen dat er vóór dat het rijk van Christus komt er een Romeins rijk aanwezig zal moeten zijn. Veel uitleggers zien dat ook in de huidige Europese Unie het begin en ontwikkeling van dit rijk, dat in de eindtijd de vorm van een tien-statenbond zal aannemen. Dit rijk wordt ons in het Nieuwe Testament voorgesteld door het beest uit de zee (Op.13:1-10). In de eindtijd zullen er tien koningen zijn die hun macht schenken aan één, het beest, het hoofd van het hersteld Romeins rijk. ‘En de tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar een uur ontvangen zij macht als koningen met het beest. Dezen zijn een van zin en geven hun kracht en macht aan het beest’ (Op.17:12-13). Verder wordt door mij genoemd het Hoofd van het hersteld Romeins Rijk afgekort tot (HRR). Deze ‘koning’ zal een verbond sluiten met Israël, specifieker met de Antichtist, dat verbond zou er toe moeten leiden dat ze gevrijwaard blijven voor de agressie van andere koningen, zoals die van het Noorden (Assyrië) en het uiterste noorden, Rusland. Deze laatste zal de eerste ondersteunen. Het gesloten verbond zal op de helft, dus na drieënhalf jaar verbroken worden, waarna een ‘gruwel van verwoesting’ zal worden opgericht, dat een ‘startschot’ is voor de Grote Verdrukking waar Israël doorheen zal moeten (Mat.24:15, 21; Dan.12:1; Jer.30:7). De koning van het herstelde Romeinse rijk zal worden vernietigd door Christus komst (Zach.14:3).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Acht koningen van de eindtijd

 

 

 

Woord vooraf

God is de God, die van het begin ook het einde verkondigd (Jes.46:10) en het is dan ook niet verwonderlijk, gelet op de overvloed aan Bijbelse informatie in verband met de eindtijd, hoeveel belang God eraan hecht om ons daarover te informeren. Een van de redenen waarom de Heilige Geest gekomen is, is om ons over die toekomstige dingen in te lichten (Joh.16:13; 15:15) en om onze aandacht op Christus te richten, want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie (Op.19:10).

Bij de beschrijving van de eindtijd, zoals we dat vinden in Gods Woord, komen we maar liefst acht koningen, machthebbers of koninkrijken tegen, die dan een belangrijke rol zullen spelen. Ik denk dat we niet ver verwijderd zijn van het moment waarop ‘de koningen der aarde zich in slagorde zullen scharen en de machthebbers samen zullen spannen tegen de Here en zijn gezalfde’ (Ps.2:2). We leven in een transitieperiode waarin het aangename jaar van de Heer zal overgaan naar de dag van de wrake van God (Jes.61:2; Luk.4:18-19).

De huidige gebeurtenissen versterken de indruk dat het einde van ‘tijden van de volken’ zeer nabij is (Luk.21:24), wat wil zeggen dat de komst van Christus en zijn koninkrijk nabij is en Hij een einde zal maken aan alle voorgaande rijken (Dan.2:44).

Wij leven in een tijd dat we de ontwikkelingen die zullen leiden tot die definitieve fase van Gods handelen met deze wereld van nabij mogen meemaken. Een van de meest opmerkelijke gebeurtenissen ná de tweede wereldoorlog is de vestiging van de staat Israël in 1948. Maar ook het ontstaan van de rijken van de koningen, die we hierna zullen bespreken maken daar deel van uit (vgl. Luk.21:29). Daar komt bij dat de technologische evolutie van de laatste decennia toepassingen, die tot voor kort ondenkbaar waren, mogelijk maken. We denken maar een ontwikkelingen en toepassingen op het gebied van de computertechnologie. Maar ook het assortiment van wapens die de mens ter beschikking staan zijn onbegrensd. We zien daar nu al een glimp van bij de oorlog in Oekraïne, en dat zal alleen maar toenemen naarmate de tijd vordert. Het Midden-Oosten, maar met name Israël zal het middelpunt vormen van de gebeurtenissen, ‘de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad’ (Op.20:9).

Veel van de dingen die hieronder beschreven worden zullen zij, die hun vertrouwen op de Heer Jezus Christus hebben gesteld en deel uitmaken van de Gemeente van de Levende God, niet meemaken. Het getuigenis van de Schrift is daarover duidelijk, de Gemeente zal worden opgenomen vóór de dag deS Heren zal aanbreken! (1Thes.5; 2Thes.2). Voor hen die dan nog op de aarde wonen zal een verschrikkelijke tijd aanbreken!

Een denkbaar eindtijdscenario

Dat de Schrift één geheel vormt bestaande uit het Oude en Nieuwe Testament komt door de bespreking van dit onderwerp duidelijk naar voren. De meeste informatie moeten we uit het Oude Testament halen. Zoals de Heer Jezus zei: ‘de Schrift kan niet verbroken worden’ (Joh.10:35 – Telos. vert.). Op grond van de gegevens die de Bijbel ons verstrekt zou je, uiteraard onder voorbehoud, tot het nu volgende eindtijdscenario kunnen komen.

Na de Opname van de Gemeente zal een afvallig staatshoofd van Israël, de antichrist de macht krijgen in Israël,[1] die een verbond zal sluiten met het hoofd van het hersteld Romeins rijk, de Europese Unie, gesymboliseerd door het beest uit de zee[2]. Deze dictator van West-Europa wordt in Israël tot een afgod gemaakt[3]. In die tijd trekt de koning van het zuiden (Egypte)[4] op tegen Israël. Ook de Assyriërs (Iran/Irak/Syrië) trekken op en overspoelen Israël. Ze worden door God gebruikt als zijn roede om het afvallige volk Israël te tuchtigen en worden daarbij gesteund door Gog, Rusland[5]. De Assyriërs nemen Jeruzalem in en ook Egypte wordt door hen overrompeld[6]. De Europese legers snellen daarop Israël te hulp vanwege het verbond tussen de dictator van Europa en de Antichrist[7]. Op dat moment zal de Heer Jezus neerdalen op de Olijfberg en als een Held ten strijde trekken tegen zijn vijanden; dit is het begin van Zijn Davids regering[8]. De Europese legers die intussen het verbond met Israël verbroken hebben, worden in het noorden van Israël, in Harmagedon door Christus vernietigd[9]. De leiders van de opstand, het beest en de valse profeet, worden in de hel geworpen[10]. Het teruggekeerde overblijfsel uit de twee stammen dat was gevlucht[11], verdrijft samen met de in Jeruzalem achtergebleven getrouwen de bezettingsmacht van de Assyriërs uit het land[12]. Door geruchten uit het oosten en noorden keert de hoofdmacht van de Assyriërs met de koning van het verre noorden uit Egypte terug naar Jeruzalem.[13] Christus vernietigt in Edom, de grootste haters van Zijn volk, de heidenvolken die in Edom zijn verzameld[14]. Daarna komt de Heer Jezus uit Edom[15] naar Jeruzalem en vernietigt de Assyriërs en de koning van het verre noorden bij Jeruzalem[16]. De rest van de goddeloze Joden wordt gedood[17] maar het gelovig overblijfsel van de Joden wordt verlost[18] en zij oordelen Jordanië, Arabië, de Palestijnen e.a.[19]. Het overblijfsel van de tien stammen keert uit alle volken terug naar Israël[20] en Israël zal als één volk onder één Koning in vrede en veiligheid in het land wonen[21]. De Russische machten met in hun gelederen de Perzen, Cusjieten en Puteeërs rukken tegen Israël op en worden op de bergen van Israël vernietigd[22]. Tenslotte wordt Satan voor duizend jaren gebonden[23].

Tot zover een schets van de gebeurtenissen die in de eindtijd vlak voor de zichtbare wederkomst van de Christus, de parousia, zullen plaatsvinden. Deze gehele geschetste periode vanaf de Opname tot aan de wederkomst van Christus op de Olijfberg omvat de zeventigste en laatste jaarweek van Daniël (Dan.9:24927). Vanaf 1948, toen Israël weer als een staat erkend werd, is het podium voor de eindstrijd al in gang gezet. De machten die een rol gaan spelen en uit zijn op de vernietiging van Israël is de oorlog tegen het Lam. De koningen die hieronder vermeld en besproken worden zijn inmiddels allen aanwezig en hebben hun positie al ingenomen. We moeten wel bedenken dat zij niet kunnen bevroeden dat dit hun ondergang zal betekenen. Om het met de woorden van de profeet Micha te zeggen: ‘Wel zijn nu vele volkeren tegen u vergaderd, die zeggen: Zij worde ontwijd, en mogen onze ogen zich aan Sion verlustigen! Maar zij kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer. Sta op en dors, gij dochter Sions; want Ik zal uw hoorn van ijzer maken en uw hoeven van koper, en gij zult vele volkeren verbrijzelen en gij zult hun onrechtmatig gewin door de ban aan de Here wijden, en hun vermogen aan de Here der ganse aarde’ (Mi.4:11-13). ‘Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde’ (Ps.2:1-2). ‘Dezen hebben enerlei bedoeling en geven hun macht en gezag aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen - want Hij is Heer van de heren en Koning van de koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen’ (Op.17:13-14).

Overzicht van de vier machten die in de eindtijd een rol spelen

Bij het bestuderen van de opstelling van heidense naties ten tijde van de Grote Verdrukking zullen we ontdekken dat er: (1) een federatie van naties van tien koninkrijken zal zijn die de uiteindelijke vorm is geworden van het vierde koninkrijk (Dan.2:40-42; Op.17:9-12) een hersteld Romeins rijk (EU) onder leiding van het beest, de Antichrist (Open.13:1-10); (2) een noordelijke confederatie, Rusland en haar bondgenoten; (3) een Oosterse of Aziatische confederatie, Irak, Syrië (de Assyriër) en China (?) en (4) een Noord-Afrikaanse mogendheid, Egypte. Het optreden van deze vier geallieerde machten tegen Israël tijdens de Grote Verdrukking worden duidelijk in de Schrift vermeld en vormen een van de belangrijkste thema's van de profetie. (Zie o.a. Ez.38-39; Dan.11-12 e.v.a.).

De koning van het Romeins rijk

Uit de uitleg die de profeet Daniël heeft gegeven van het statenbeeld van Nebukadnezar weten we dat het laatste van de vier rijken aan wie God de aardregering heeft gegeven, van de tijd dat het Joodse volk in Babylonische ballingschap is gegaan tot aan de komst van de Messias, het Romeinse rijk het laatste is. Het Romeinse rijk wordt ons voorgesteld in twee gestalten, (1) door twee benen, Oost- en West Romeinse rijk, en (2) door tien tenen, in haar eindtijdfase (Op.17:713). Het rijk van Christus zal dat rijk verbrijzelen. Dit rijk wordt ons in het Nieuwe Testament voorgesteld door het beest uit de zee (Op.13:1-10). In de eindtijd zullen er tien koningen zijn die hun macht schenken aan één koning, het beest (Op.17:12). ‘En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar één uur gezag als koningen ontvangen met het beest. Dezen hebben enerlei bedoeling en geven hun macht en gezag aan het beest’ (Op.17:12-13). Veel uitleggers geloven dat de EU een voorloper is van deze koning, het ‘beest uit de zee’ (Op.13:1-7). Deze ‘koning’ zal een verbond sluiten met Israël, een verbond dat er zou toe moeten leiden dat Israël gevrijwaard zal blijven voor de agressie van andere koningen, zoals die van het Noorden (Assyrië) en het uiterste noorden, Rusland. Deze laatste zal de eerste ondersteunen. Het gesloten verbond zal op de helft, dus na drieënhalf jaar verbroken worden, waarna een ‘gruwel van verwoesting’ zal worden opgericht, dat een ‘startschot’ is voor de Grote Verdrukking voor Israël (Mat.24:15, 21; Dan.12:1; Jer.30:7). De koning van het Romeins rijk zal worden vernietigd door Christus komst (Zach.14:3).

De koning van het noorden

Deze koning is de Assyriër, de oude vijand van Israël in het Oude Testament. Te onderscheiden van ‘de koning van het verre noorden’, Rusland! Hiermee kan het huidige Iran, Irak en/of Syrië bedoeld zijn, maar dat is niet met zekerheid te zeggen. In elk geval zijn het wel drie landen die ten noorden van Israël liggen en vijandig ten opzichte van Israël zijn. Vooral de profeet Jesaja heeft ons veel over de Assyriër te zeggen, zo laat hij ons zien dat God de Assyriër in het verleden heeft gebruikt om het volk Israël, vanwege hun zonden, te tuchtigen opdat ze tot God zouden terugkeren. ‘Wee Assur, die de roede van mijn toorn is en in welks hand mijn gramschap is als een stok. Tegen een godvergeten volk zal Ik [die] [koning] zenden, en tegen de natie waarover Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden om buit te behalen en roof te plegen en om het volk te vertrappen als slijk der straten’ (Jes.10:5-6). Zo wordt door Jesaja ook Kores (Cyrus) vermeld als Gods herder (Jes.44:28; 45:1). Jesaja schildert Assur verder als een machtig, geweldig en wreed rijk, zie daarvoor Jes.8:5vv.; zie verder Jes.10:5vv.; 13:3vv.; 14:25; 30:31vv.; Jes.36-37; 41:2vv. Vergeet ook niet Psalm 83 te lezen, waarin vers 9 ook van Assur sprake is (Zie ook Dan.10-11). Zoals de Assyriër in vroegere tijden als tuchtroede door de Here is gebruikt geworden, zo zal het nogmaals zijn in de Grote Verdrukking. In het boek Daniël zien we de aanslag van de Assyriër op het land Israël, in het bijzonder de stad van de grote Koning, Jeruzalem. ‘Maar in de eindtijd zal met hem (de Antichrist – zie vers.36-39) de koning van het Zuiden in botsing komen, en de koning van het Noorden zal op deze (de Antichrist) aanstormen met wagens en ruiters en vele schepen; en hij zal de landen binnenvallen, en als een overstroming steeds verder om zich heen grijpen. Ook het Sieraadland (Israël) zal hij binnenvallen, en velen zullen struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der Ammonieten. En hij zal zijn hand uitstrekken tegen de landen, en het land Egypte zal niet ontkomen, Maar hij zal de schatten bemachtigen van goud en zilver en alle kostbaarheden van Egypte; en Libiërs en Ethiopiërs zullen in zijn gevolg zijn. Doch geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem ontstellen, zodat hij in grote grimmigheid zal uittrekken om velen te verdelgen en te vernietigen. Hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de berg van het heilig Sieraad (Dan.8:9), maar dan komt hij aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt’ (Dan.11:45).

De koning van het verre of uiterste noorden

Deze koning is Gog en wordt voor het eerst vermeld in Gen.10:2 (zie ook: 1Kron.1:5, Ez.38, 39 en Op.19:17-18, 20:8). In het Bijbelboek Ezechiël wordt er veel aandacht aan besteed: ‘Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt de Here Here: zie, Ik zal u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! Ik zal u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre noorden en brengen op de bergen van Israël’ (Ez.39:1-2). Omdat er gesproken wordt van ‘uit het verre, of uiterste noorden, wordt algemeen aangenomen dat hiermee Rusland en zijn bondgenoten bedoeld is. Let op de uitdrukkingen in het ‘verre’ of ‘uiterste’ noorden (Ez.38:6, 15; 39:2). Wanneer mogen we het optreden en de ondergang van de ‘koning van het verre noorden’ chronologisch invoeren in de eindtijd gebeurtenissen? Ná het oordeel over de koning van het hersteld Romeins rijk onder leiding van de Antichrist in Armageddon volgt het oordeel over de ‘koning van het Noorden’ de Assyriër en zijn bondgenoten is het dal van Josafat. Daarna het oordeel over Bozra (Edom) waarna het land Israël de veel gezochte rust zal krijgen (Ez.38:8-12). In die tijd zal het volk dat uit het gebied van de volken is bijeengebracht, die have en goed heeft verworven, die op de navel van de aarde in gerustheid woont, worden overvallen. Toch blijft er nog een vijand over en dat is ‘de koning van het verre, of uiterste noorden’, zoals gezegd Rusland en zijn bondgenoten. Het oordeel van deze koning zal plaatsvinden op de bergen Israëls juist voor de definitieve vestiging van het Vrederijk van Christus. Op de bergen Israëls zal Gog vallen. De beschrijving van de verdere lotgevallen laat ik voor wat het is omdat Ezechiël in hoofdstuk 38 en 39 daarvan een levendige beschrijving geeft. Na de vernietiging van deze laatste vijand zal het Vrederijk aanbreken en de bouw van de tempel zoals beschreven vanaf Ezechiël 40 tot aan het einde van het boek.

De koningen van het Oosten (van de zonsopgang)

En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier dat is de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van de zonsopgang komen, bereid zou worden’ (Op.16:12; 9:13-16). Het is niet helemaal duidelijk wie hier mee bedoeld worden en welke rol voor deze koningen in de eindtijd is weggelegd. Over de identiteit van deze koningen is veel discussie. Walvoord komt tot een telling van vijftig verschillende interpretaties! We kunnen denken aan China, anderen eerder aan Iran en/of Syrië en sympathiserende volken. Als het Iran en/of Syrië zou zijn dat is het gewoon een andere benaming voor de koning van het noorden. Wie voorkeur geven aan China verwijzen naar de grote aantallen die genoemd worden. ‘En het getal van de legers van de ruiterij was twintigduizend tienduizendtallen’ (Op.9:16). China staat echter op geen wijze in verbinding met Israël. Het zou kunnen dat ze wel betrokken zijn maar dan meer als verbonden met de Koning van het Noorden of de Koning van het verre Noorden. Op dit moment, in het voorjaar 2022 terwijl de oorlog tegen Oekraïne woest, zijn Rusland en China bevriende naties.

De koning van het zuiden

Er is geen ander zuidelijk rijk dat in verbinding met Israël heeft gestaan dan Egypte. De rol die Egypte in de eindtijd zal spelen is eerder passief te noemen, dat wordt wel duidelijk uit het volgende Bijbelgedeelte: ‘Maar in de eindtijd zal met hem (d.i. de Antichrist) de koning van het Zuiden in botsing komen, en de koning van het Noorden zal op deze aanstormen met wagens en ruiters en vele schepen; en hij zal de landen binnenvallen, en als een overstroming steeds verder om zich heen grijpen. Ook het Sieraadland (d.i. Israël) zal hij binnenvallen, en velen zullen struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der Ammonieten. En hij zal zijn hand uitstrekken tegen de landen, en het land Egypte zal niet ontkomen, Maar hij zal de schatten bemachtigen van goud en zilver en alle kostbaarheden van Egypte; en Libiërs en Ethiopiërs zullen in zijn gevolg zijn. Doch geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem ontstellen, zodat hij in grote grimmigheid zal uittrekken om velen te verdelgen en te vernietigen. Hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de berg van het heilig Sieraad, maar dan komt hij aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt’ (Dan.11:40-45). Die geruchten uit het oosten en noorden hebben betrekking op de vernietiging van de legers van het Romeins rijk onder leiding van de Antichrist. Egypte wacht nog een prachtige toekomst, want: ‘Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte zal met Assur de Here dienen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde. Omdat de Here der heerscharen het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël’ (Jes.19:23-25).

De koning van Israël

Dit is de antichrist, ‘het beest uit de aarde’ (Op.13:11-18; Dan.11:36v.). Er komt een moment waarop het volk Israël een koning over zich zullen stellen, van wie het ware karakter pas later wordt herkend. Die ‘herkenning’ komt aan het begin van de tweede helft van de laatste jaarweek, ‘de gruwel van verwoesting zal worden opgericht en zal staan op de heilige plaats’, dat zal de tempel zijn (Mat.24:15). In die tempel zal de ‘mens van de zonde, ‘zoon van het verderf’ zich zetten en vertonen dat hij God is (2Thes.2:3-4). Uitdrukkingen als ‘de god zijner vaderen’ en ‘de lieveling der vrouwen’ doen vermoeden dat het hierbij om een Jood zal gaan (Dan.11:37). Het is moeilijk te geloven dat het Joodse volk Israël een niet-jood als ‘koning’ zal aanvaarden. Deze koning van Israël in de eindtijd iS de Antichrist van wie de Heer Jezus heeft van deze geprofeteerd: ‘Ik ben gekomen in de Naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan. Als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen’ (Joh.5:43). Het is het beest uit de aarde en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als de draak’ (Op.13:11). De ‘koning’ van wie in Daniël 11:35 gesproken wordt heeft o.a. de volgende kenmerken. (1) Hij doet wat hem goeddunkt; dat is hij, die in zijn eigen naam komt (vs.36; vgl.Joh.5:43). (2) Hij verheft zich tegen alle goden (vs.36), dat is wat we ook vinden in 2Thes.2:4. (3) Hij minacht de Messias (vs.37); hij loochent dat Jezus de Christus is (1Joh.2:22). Hij vereert de god van de vestingen (Maoezzim) vs.38; dit is volgens velen de hoofdgod van de Romeinen. (4) Hij treedt op met behulp van een vreemde god (vs.39); hij oefent al de macht van het eerste beest uit (Op.13:12). We wijzen erop dat hoofdstuk elf van Daniël spreekt vanaf vers 35 over de eindtijd, wat eraan voorafgaat is de geschiedenis die in het verleden heeft plaatsgevonden. Deze koning van Israël zal, zoals gezegd de Antichrist zijn die, uit vrees voor de bedreiging van de omliggende volken, een verbond zal sluiten met het hoofd van het hersteld Romeins rijk. Jesaja spreekt van ‘een verbond met de dood’: ‘Omdat gij zegt: Wij hebben een verbond met de dood gesloten en met het dodenrijk een verdrag gemaakt; wanneer de voortstormende gesel doortrekt, zal hij ons niet bereiken, want wij hebben leugen tot onze schuilplaats gesteld en in bedrog ons verborgen’ (Jes.28:15). In de hier genoemd ‘voortstormende gesel’ mogen we de Assyriër lezen, de koning van het Noorden (Jes.28:2; Jer.6:22, 26; Dan.9:27). Zoals we kunnen lezen in Daniël wordt dit zevenjarig verbond, gesloten met het Romeins rijk, waarover we het volgende kunnen lezen: ‘En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is (Dan.3-9:27 Mat.24:15.). Het einde van de Antichrist vinden we beschreven in 2Thes.2:8, hij zal zijn einde vinden bij de verschijning van Heer Jezus.

De koning van de afgrond

Achter alle koningen van de aarde gaat de duivel schuil, de overste van deze wereld, zo noemt de Heer Jezus hem ‘de overste van de wereld’ (Joh.14:30; 12:31; 16:11). In de Openbaring zegt de apostel Johannes over de satan: ‘Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; in het Hebreeuws is zijn naam Abaddon (verderver); en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon’ (Op.9:11). Dat duidt op een georganiseerd geheel: een koning en zijn demonische onderdanen (Mat.25:41; Ef.6:12). Daarom noemt de Heer Jezus de duivel de overste van de demonen (Mat.12:24) en spreekt verder over ‘de duivel en zijn engelen’ (Mat.25:41). Daniël 10:13 laat zien dat er speciale engelen zijn die de satan helpen (Dan.10:13; Op.12:7). Het is de duivel die de volkeren verleid: ‘En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen’ (Op.12:9). De duivel is onverbeterlijk in zijn boosheid want ‘wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee. En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid (Op.20:7-10). We kunnen spreken van een viervoudige val van satan: (1) Verbanning berg goden (Vgl. Jes.14:10-21; Ez.28:11-19), (2) in hemelse gewesten (Ef.6:10-12). (3) Hij werd op aarde geworpen (Op.12:9, 10). En (4) geworpen in de poel van vuur en zwavel (Op20:10). Het is treffend dat in het boek Openbaring staat dat de duivel weet dat hij nog weinig tijd heeft voor dat het Goddelijk oordeel hem zal treffen. ‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft’ (Op.12:12).

De Koning der koningen

Hiermee is zonder enige twijfel de Heer Jezus bedoeld, de Koning van de koningen en Heer van de heren (Op.19:16). Het zgn. statenbeeld van Daniël (Dan.2) laat ons zien dat het laatste rijk het rijk van de Christus is. ‘Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; En hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is’ (Dan.7:13-14). Eenmaal komt het moment, en wie weet hoe snel al, dat we de Koning der koningen op de troon van zijn heerlijkheid zullen zien zitten en alle volken voor Hem verzameld zullen worden (Mat.25:31vv.). Het hemelse Jeruzalem is de bruid van het Lam (Op21:9v.), het aarde Jeruzalem is de bruid van de Koning (Hos.2:18 ,19). Jesaja zegt: ‘Uw ogen zullen de Koning in zijn schoonheid aanschouwen’ (Jes.33:17). ‘We zullen Hem zien gelijk Hij is’ (Fil.3:2). Hebreeën 2:7-9 zegt: ‘U hebt hem voor korte tijd minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond. U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen; alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd wat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer’. ‘Hij, die gehoorzaam geworden is, tot de dood, ja, tot de kruisdood heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader (Fil.28-11).

We gaan niet verder in op wat het resultaat voor de wereld zal zijn van Jezus’ duizendjarige heerschappij omdat dit buiten het bestek van dit artikel valt, dan allen te vermelde dat het een rijk van vrede en gerechtigheid zal zijn.

Tenslotte

Tot zover een overzicht van de acht koningen van de eindtijd. Meer gedetailleerde uitleg over deze koningen zult u kunnen vinden in de vele boeken die de eschatologie tot onderwerp hebben. In het bijzonder wil ik één boek noemen waaraan ik veel te danken heb gehad en dat is ‘Jeruzalem, de stad van de grote Koning’ van W.J.Ouweneel.



[1] Joh.5:43; Dan.11:36-39; Jes.30:33; Zach.11:15-17; 1Joh.2:18,22

[2] Dan.9:27; Jes.28:14-15; Jes.57:9-11; Op.13:1v.; 11-13

[3] Mat.24:15; 2Thes.2:4; Op.13:11-18

[4] Dan.11:40

[5] Jes.8:5-8; Jes.10:5,28-32; Jes.28:2,14-19; Dan.9:27; Zach14:1-2; Dan.8:2

[6] Jes.10:24,32; Jes.28:14-19; Dan.11:40-43; Zach.14:1-4

[7] Op.16:13-16; Op.17:7-14; Op.19:19

[8] Ps.2; Zach.14:3-7; Hand.1:11; Ko.3:4

[9] Op.17:14; Op.19:11-19; Dan.2:34-35; Dan.2:44-45; Dan.7:7-14

[10] Op.19:20-21

[11] Mat.24:15-21

[12] Mi.5:4-5

[13] Dan.11:44-45; Jes.29:1-4

[14] Jes.63:1-6

[15] Jes.63:1

[16] Jes.10:5-27; Jes.29:1-8; Jes.30:27-33; Jes.31:4-8; Dan.8:20-26; Dan.11:44-45

[17] Jes.17:4-6; Zef.3:11,15; Zach.13:8-9; Zach.14:1-15

[18] Jes.10:20-27; Jes.28:16; Jes.29:1-8; Jes.30:18-26; Mi.5:1-8; Zef.3:12-20

[19] Jes.11:11-16; Jl.3:4-8; Zefanja 2

[20] Mat.24:31

[21] Ez.37:15-28

[22] Ez.38:5

[23] Op.20:1-3

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

De Koning van het Noorden

‘De Assyriër’

(Daniël 11:36-12:13)

 

 

 

 

Voorwoord

Hoofdstuk 11 en 12 van het boek Daniël leest als een spannend oorlogsverslag, een oorlog zopas beëindigd is. In werkelijkheid is het een vooruitblik op gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden en wie weet hoe snel al! De gebeurtenissen in onze huidige wereld geven mij, en met mij veel andere gelovigen, de overtuiging dat we ver op weg zijn naar het moment dat de Heer Jezus Christus zijn Gemeente zal komen halen, voordat Gods oordelen over derwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt ze aarde losbreken. Zo staat in de Bijbel dat we ‘zijn Zoon mogen vevan de komende toorn’ (1Thes.1:10; 5:9). En die dag van zijn toorn (Op.6:17) zal niet lang meer op zich laten wachten is mijn overtuiging. De huidige wereldsituatie geeft immers ook, meer dan ooit, alle aanleiding om in die verwachting te leven! Vervulde profetie is een van de bewijzen van de Goddelijke inspiratie van de Bijbel, want alleen een alwetende God kan kennis hebben van toekomstige gebeurtenissen en die zijn knechten de profeten de opdracht heeft gegeven deze op te schrijven (Am.3:7). ‘Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem’ (Dan.2:22; Jes.46:10). Het is geen wonder dat er dan ook heel wat critici zijn die ontkennen dat er ook maar iemand is die de toekomst kan voorzeggen zoals Daniël dat gedaan heeft en met zoveel bijzonderheden over mensen, wereldrijken en gebeurtenissen (Dan.2 en 7). Hun ‘wetenschappelijke’ conclusie is dat het boek van Daniël pas achteraf geschreven moet zijn, als een geschiedkundig verslag van gedane zaken. Daarmee ontkennen ze de realiteit van profetie. Zij die God kennen als hun Vader door geloof in Jezus Christus hebben geen moeite met Goddelijke profetie, want: ‘Zo hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed daarop acht op te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Weet dit eerst, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft. Want niet door de wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar heilige mensen van Godswege hebben door de Heilige Geest gedreven, gesproken’ (2Petr.1:19-21).

Inleiding

Aan de verzen 11-35 van hoofdstuk 11 gaan we voorbij, die zijn vervuld in de dagen van Daniël en zijn geschiedenis. We beginnen ons onderzoek met Daniël 11:36-12:13 dat nog volledig in de toekomst ligt en ik wil in dit artikel aandacht vragen voor ‘de koning van het noorden’, één van de koningen die een rol zal spelen in het eindtijdgebeuren. Het is opmerkelijk dat een groot aantal uitleggers van het profetisch woord geen onderscheid maken tussen de ‘koning van het noorden’ en ‘de koning van het verre noorden’ en dat ze deze twee koningen aan elkaar gelijkstellen. Dat komt wellicht doordat identificatie van de ‘koning van het noorden’ niet zo gemakkelijk is als het lijkt. Om u een idee te geven: Er zijn uitleggers die menen dat (1) Armageddon een conflict zal zijn tussen het Romeins rijk en een noordelijke confederatie; (2) Anderen denken aan het Romeins rijk, de koningen van het oosten en mogelijk Aziatische rijken. Weer anderen denken dat (3) het een conflict is tussen alle volken en God, of (4) een conflict tussen vier grote wereldmachten. Nog anderen denken dat (5) het een conflict is tussen het Romeins rijk, Rusland en de Aziatische rijken of (6) het sluit Rusland uit, maar denken dat het zal gaan tussen het Romeins rijk, de oosterse en noordelijke machten. Tenslotte is er nog de mening dat (7) Rusland als enige agressor in die tijd van betekenis is. Andere Bijbeluitleggers zijn echter van mening dat (8) Iran en/of Syrië ‘de koning van het noorden’ is, Rusland de koning van het verre noorden, Egypte de koning van het zuiden, de ‘Antichrist de koning van Israël en tenslotte de koning van het hersteld Romeins rijk. We gaan deze laatste visie in dit artikel verder uitwerken. De toekomst zal leren in hoeverre deze juist is.

Wat/wie is de Assyriër?

In mijn artikel ‘De beer is los’[1] en het vervolg daarop, heb ik aandacht besteed aan Gog en Magog, een macht die in de Bijbelboeken Ezechiël en Openbaring vermeld wordt. In dit artikel zal het gaan over de Assyriër, de koning van het noorden, de aartsvijand van Israël in het Oude testament. Of de Assyriër van toen helemaal gelijkgesteld kan worden met Iran en/of Syrië van vandaag is niet helemaal duidelijk, mede door de verschuiving van deze volkeren in de loop van de eeuwen. Maar het zijn wel beide volken die vijandig tegenover Israël staan en beide hun plaats in het noorden hebben ten opzichte van Israël. Meerdere profeten van het Oude Testament, zoals Daniël, Jesaja en Zacharia, spreken van de Assyriër en we willen dan ook zien wat zij te zeggen hebben. Andere profeten zijn Joël, Micha, Nahum, Jeremia en Psalm 83, maar we beginnen met de profeet Daniël en hopen niet alleen te weten te komen of de Assyriër de koning van het noorden is maar ook om tot een globaal overzicht te komen van de gebeurtenissen die in de eindtijd zullen plaatsvinden.

De Assyriër in Daniël

‘En de koning zal doen wat hem goeddunkt; hij zal zich verhovaardigen en zich verheffen tegen elke god, zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken, en hij zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt. Ook op de goden zijner vaderen zal hij geen acht slaan; op de lieveling der vrouwen noch op enige andere god zal hij acht slaan, want tegen alle zal hij zich verheffen. Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de god die zijn vaderen niet gekend hebben, zal hij vereren met goud en zilver en edelgesteenten en kostbaarheden. Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de god die zijn vaderen niet gekend hebben, zal hij vereren met goud en zilver en edelgesteenten en kostbaarheden’ (Dan.11:36-39).

De Assyriêr in Jesaja

‘En de Here ging voort nogmaals tot mij te spreken: Omdat dit volk de zacht vloeiende wateren van Siloach versmaadt en er vreugde is bij Resin en de zoon van Remaljahu, Daarom, zie, de Here doet over hen opkomen de machtige en geweldige wateren van de Rivier, de koning van Assur met al zijn heerlijkheid; deze zal buiten al zijn beddingen stijgen en buiten al zijn oevers rijzen’ (Jes.8:5-7).

‘Wee Assur, die de roede van mijn toorn is en in welks hand mijn gramschap is als een stok.

Tegen een godvergeten volk zal Ik [die] [koning] zenden, en tegen de natie waarover Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden om buit te behalen en roof te plegen en om het volk te vertrappen als slijk der straten. Doch hij zelf bedoelt dit niet zo en zijn hart beraamt het niet zo, want hij heeft in de zin te verdelgen en talloze volken uit te roeien’ (Jes.10:5-7).

De Assyriër in Zacharia

Zie, er komt een dag voor de Here, waarop de buit, op u behaalt, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden’ (Zach.14:1-2).

De Assyriër in Zefanja

‘En Hij zal zijn hand tegen het Noorden uitstrekken, Hij zal Assur te gronde richten en Nineve tot een wildernis maken, dor als een woestijn’ (Zef.2:13).

Zeven ‘koningen’

Bij de beschrijving van de eindtijd, zoals we dat vinden beschreven in Daniël 11 en 12 en andere Bijbelgedeelten, komen we maar liefst zeven koningen, machthebbers of koninkrijken tegen, waarvan ik in het kort iets over wil zeggen, maar de meeste aandacht in dit artikel zal uitgaan naar ‘de koning van het noorden’.

(1) De koning van het verre of uiterste noorden

Deze koning is Gog en wordt vermeld in Gen.10:2, 1Kron.1:5, Ez.38, 39 en Op.19:17-18, 20:8. ‘Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt de Here Here: zie, Ik zal u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! Ik zal u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre noorden en brengen op de bergen van Israël’ (Ez.39:1-2). Algemeen wordt aangenomen dat hiermee Rusland en zijn bondgenoten bedoeld is. Let op de uitdrukkingen in het ‘verre’ of ‘uiterste’ noorden (Ez.38:6, 15; 39:2).

(2) De koning van het Romeins rijk

Deze ‘koning’ is het hoofd van het hersteld Romeins rijk (de EU). ‘En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar één uur gezag als koningen ontvangen met het beest. Dezen hebben enerlei bedoeling en geven hun macht en gezag aan het beest’ (Op.17:12-13). Veel uitleggers geloven deze koning het ‘beest uit de zee’[2] is (Op.13:1-7).

(3) De koning van het zuiden

Er is geen ander zuidelijk rijk dat in verbinding met Israël heeft gestaan, dus dit kan niet anders zijn dan Egypte (Dan.11). Het heeft ook nog een prachtige toekomst: ‘Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte zal met Assur [de] [Here] dienen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde. Omdat de Here der heerscharen het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël’ (Jes.19:23-25).

(4) De koning van Israël

Dit is de antichrist, ‘het beest uit de aarde’[3] (Op.13:11-18; Dan.11:36v.). Er komt een moment waarop het volk Israël een koning over zich zullen stellen, een valse Messias, de Antichrist. Gelet op uitdrukkingen als ‘de god zijner vaderen’ en ‘de lieveling der vrouwen’ doen vermoeden dat het hierbij om een Jood zal gaan. De Heer Jezus heeft van deze geprofeteerd: ‘Ik ben gekomen in de Naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan. Als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen’ (Joh.5:43). Het beest uit de aarde had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als de draak’ (Op.13:11).

(5) De koning van het noorden

Deze koning is de Assyriër, de oude vijand van Israël in het Oude Testament. Te onderscheiden van ‘de koning van het verre noorden’! Hiermee kan het huidige Iran en/of Syrië bedoeld zijn, maar dat is niet met zekerheid te zeggen. In elk geval zijn het beide rijken die ten noorden van Israël liggen. ‘Wee Assur, die de roede van mijn toorn is en in welks hand mijn gramschap is als een stok. Tegen een godvergeten volk zal Ik [die] [koning] zenden, en tegen de natie waarover Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden om buit te behalen en roof te plegen en om het volk te vertrappen als slijk der straten’ (Jes.10:5-6).

(6) De koningen van de opgang van de zon (het oosten)

En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier dat is de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van de zonsopgang komen, bereid zou worden’ (Op.16:12; 9:13-16). We kunnen denken aan China of misschien eerder aan Iran en/of Syrië en sympathiserende volken. Anderen geven de voorkeur aan China, mede gelet op de grote aantallen die genoemd worden. ‘En het getal van de legers van de ruiterij was twintigduizend tienduizendtallen’ (Op.9:16).

(7) De Koning der koningen

Hiermee is zonder enige twijfel de Heer Jezus bedoeld, de Koning van de koningen en Heer van de heren (Op.19:16). Het zgn. statenbeeld van Daniël (Dan.2) laat ons zien dat het laatste rijk het rijk van de Christus is. ‘Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; En hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is’ (Dan.7:13-14).

De eindtijd

Over de uitleg van Daniël 11:1-35 zijn de meeste bijbelleraars het wel eens, het is een profetisch overzicht die Daniël geeft en die in het verleden vervuld is geworden. Het is gewoon geschiedenis. Met vers 36 van hoofdstuk 11 breekt de ‘eindtijd’ aan. Een aantal keren wordt dit woord gebruikt in hoofdstuk 11 en 12. ‘Sommige van de verstandigen zullen struikelen, opdat er onder hen loutering, schifting en zuivering teweeggebracht worde, tot aan de eindtijd; want deze toeft nog tot de vastgestelde tijd’ (11:35). ‘Maar in de eindtijd zal met hem de koning van het Zuiden in botsing komen’ (11:40). ‘Maar gij, Daniel, houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen’ (12:4). ‘Doch hij zeide: Ga heen, Daniel, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd’ (12:9). ‘Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen’ (12:13).

De Grote Verdrukking

Zowel het Oude als het Nieuwe Testament zeggen ons dat er een tijd van grote benauwdheid, een grote verdrukking zal komen, sinds er volkeren bestaan (Dan.12:1; Mat.24:21: Op.7:14). Deze verdrukking zal plaatsvinden in de laatste week van Daniël’s profetie over de zeventig weken jaarweken (Dan.9:24-27). ‘Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden’ (Jer.30:7). De gebeurtenis die het begin van de laatste jaarweek zal inluiden is het sluiten van een verbond van Israël met de leider van een tienstatenbond van Europa (zie: Dan.7:7-28). De reden voor dit verbond is om veiligheid te garanderen voor Israël. De periode van de Grote Verdrukking zal eindigen met de komst van de Messias.

Een denkbaar eindtijdscenario

Op grond van het bovenstaande zou je, uiteraard onder voorbehoud, tot het nu volgende eindtijdscenario kunnen komen. Na de Opname van de Gemeente zal een afvallig staatshoofd, de antichrist de macht krijgen in Israël (Joh.5:43; Dan.11:36-39; Jes.30:33; Zach.11:15-17; 1Joh.2:18,22) en zal een verbond sluiten met het Hoofd van het hersteld Romeins rijk, de Europese Unie, het beest uit de zee (Dan.9:27; Jes.28:14-15; Jes.57:9-11; Op.13:1v.; 11-13). Deze dictator van West-Europa wordt in Israël tot een afgod gemaakt (Mat.24:15; 2Thes.2:4; Op.13:11-18). In die tijd trekt de koning van het zuiden (Egypte) op tegen Israël (Dan.11:40). Ook de Assyriërs trekken op en overspoelen Israël. Ze worden door God gebruikt als zijn roede om het afvallige volk Israël te tuchtigen en worden daarbij gesteund door Gog, Rusland (Jes.8:5-8; Jes.10:5,28-32; Jes.28:2,14-19; Dan.9:27; Zach14:1-2; Dan.8:2). De Assyriërs nemen Jeruzalem in en ook Egypte wordt door hen overrompeld (Jes.10:24,32; Jes.28:14-19; Dan.11:40-43; Zach.14:1-4). De Europese legers snellen daarop Israël te hulp vanwege het verbond tussen de dictator van Europa en de antichrist (Op.16:13-16; Op.17:7-14; Op.19:19). Dan is het moment aangebroken waarop de Heer Jezus neerdaalt op de Olijfberg en als een Held ten strijde optrekt tegen zijn vijanden; dit is het begin van Zijn Davids regering (Ps.2; Zach.14:3-7; Hand.1:11; Ko.3:4). De Europese legers worden in het noorden van Israël, in Harmagedon, door Christus vernietigd (Op.17:14; Op.19:11-19; Dan.2:34-35; Dan.2:44-45; Dan.7:7-14). De leiders van de opstand, het beest en de valse profeet, worden in de hel geworpen (Op.19:20-21). Het teruggekeerde overblijfsel uit de twee stammen dat was gevlucht (Mat.24:15-21), verdrijft samen met de in Jeruzalem achtergebleven getrouwen de bezettingsmacht van de Assyriërs uit het land (Mi.5:4-5). Door geruchten uit het oosten en noorden keert de hoofdmacht van de Assyriërs met de koning van het noorden uit Egypte terug naar Jeruzalem (Dan.11:44-45; Jes.29:1-4). Christus vernietigt in Edom, de grootste hater van Zijn volk, de heidenvolken die in Edom zijn verzameld (Jes.63:1-6). Daarna komt de Heer Jezus uit Edom (Jes.63:1) naar Jeruzalem en vernietigt de Assyriërs en de koning van het verre noorden bij Jeruzalem (Jes.10:5-27; Jes.29:1-8; Jes.30:27-33; Jes.31:4-8; Dan.8:20-26; Dan.11:44-45). De rest van de goddeloze Joden wordt gedood (Jes.17:4-6; Zef.3:11,15; Zach.13:8-9; Zach.14:1-15) maar het gelovig overblijfsel van de Joden wordt verlost (Jes.10:20-27; Jes.28:16; Jes.29:1-8; Jes.30:18-26; Mi.5:1-8; Zef.3:12-20) en zij oordelen Jordanië, Arabië, de Palestijnen e.a. (Jes.11:11-16; Jl.3:4-8; Zefanja 2). Het overblijfsel van de tien stammen keert uit alle volken terug naar Israël (Mat.24:31) en Israël zal als één volk onder één Koning in vrede en veiligheid in het land wonen (Ez.37:15-28). De Russische machten met in hun gelederen de Perzen, Cusjieten en Puteeërs rukken tegen Israël op en worden op de bergen van Israël vernietigd (Ez.38:5). Tenslotte wordt Satan voor duizend jaren gebonden (Op.20:1-3).

Nawoord

De huidige tijd dwingt ons om het profetisch woord te onderzoeken en dat des temeer naarmate de tijd nadert van Jezus’ komst om zijn Gemeente op te halen en te brengen in het huis van de Vader (Joh.14:1)! We weten niet hoe het de komende tijd verder zal gaan met de oorlog tegen Oekraïne maar we hebben gezien was Rusland teweeggebracht heeft en nog zal doen in de nabije toekomst. Is de oorlog tegen Oekraïne de prelude van wat er in het Midden-Oosten zal plaatsvinden? We wachten af, maar tot die dag aanbreekt heffen wij onze hoofden naar boven vanwaar onze Verlosser zal komen! (Luk.21:28).

_____________________

[1] Zie het artikel ‘De beer is los’ in de rubriek: Profetische Boeken 2

[2] Zie het artikel ‘Twee beesten’ in de rubriek: Eschatologie 2 op mijn website.

[3] Zie het artikel ‘Twee beesten’ in de rubriek: Eschatologie 2 op mijn website.

__________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Wie zijn de vierentwintig oudsten

genoemd in het boek Openbaring?

 

Inleiding

In de pretribulationistische visie, die visie die Gemeente opgenomen ziet vóór het uur van de verzoeking die over het hele aardrijk zal komen, ook wel met de term ‘Grote Verdrukking’ gelijkgesteld hoewel dat in principe niet juist is, is het belangrijk om aan te tonen dat de opname heeft plaatsgevonden ná hoofdstuk 2 en 3. In die visie zijn de hoofdstukken 2 en 3 een profetische beschrijving van de christelijke kerk in haar verantwoordelijkheid op aarde.

Men plaats ná die geschiedenis de Opname onder verwijzing naar 4:1 waar staat: ‘Hierna (dus ná hoofdstuk 2 en 3) zag ik, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren’. Aan het hoe, wanneer en waarom van de Opname wordt hier in Openbaring voorbijgegaan, omdat het al voldoende is vermeld in andere Schriftgedeelten (Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-53; Kol.3:4; 1Thes.4:13-18).

De 24 oudsten

De oudsten vermeld in het boek Openbaring zijn een opvallende groep van personen, die tot twaalf keer toe in de hoofdstukken 4–19 vermeld worden (4:4, 10; 5:5, 5, 8 ,11, 14; 7:11, 13; 11:16; 14:3: 19:4). De eerste keer zien wij ze zitten op tronen rondom de troon van God in de hemel. Ze aanbidden God en prijzen hem voor zijn scheppingswerk (4:4, 10-11). Ze loven de Heer Jezus voor zijn verlossingswerk (5:8-12). Ze prijzen God voor de behoudenis van hen die uit de grote verdrukking zijn gekomen en vóór de troon van God zijn en Hem dienen (7:13-17). Ze prijzen God dat het koningschap is gekomen en Hij het oordeel zal uitvoeren en zijn rijk op aarde zal oprichten (11:16-18). En zij prijzen God voor het oordeel over het grote Babylon, de hoer, de valse kerk (19:4). Over het bepalen van de identiteit van de oudsten is veel onenigheid. Zijn deze oudsten mensen of engelen? En als zij mensen representeren, zijn het dan de gelovigen van het Oude testament of van het Nieuwe Testament, of beide? De Bijbelse beschrijving geeft toch aanleiding om aan gelovigen uit het Gemeentetijdperk te denken. Ze zijn al in de hemel (Op.4-5) vóórdat de oordelen uitgevoerd worden, de eerste zes zegels, die hun aanvang hebben in hoofdstuk 6 en zij zitten op tronen vóór Gods troon (4:4). In de tegenwoordigheid van God horen we nooit dat engelen zitten op tronen. De Heer Jezus heeft zijn volgelingen echter wel beloofd dat ze met Hem zouden zitten op tronen (3:21). God heeft de wedergeboren gelovigen echter al in de positie gebracht met Christus te doen zitten in de hemelse gewesten (Ef.2:6). De oudsten zijn gekleed in witte kleren (4:4). De belofte aan de gelovigen van de Gemeente om bekleed te worden met witte kleren vinden we in Openbaring 3:5, 18; 19:7-8. De oudsten dragen gouden kronen op hun hoofden (4:4). De kronen zijn een teken van overwinning. Zulke kronen werden ook beloofd aan de gelovigen van de Gemeente (2:10; 3:11). Ook in de brieven van de apostelen worden de gelovigen van de Gemeente kronen in het vooruitzicht gesteld (1Kor.9:25; 1Thes.2:19; 2Tim.4:8; Jak.1:12; 1Petr.5:4). Engelen dragen geen kronen, maar gelovigen wel en zullen het doen zoals blijkt.

Opvallend is het getal van vierentwintig. Koning David verdeelde de levitisch priesters in vierentwintig afdelingen (1Kron.24). Elk van deze afdelingen representeerde de hele priesterlijke stam en het gehele volk Israël, wanneer ze voor God hun dienst uitoefenden. Op die wijze representeerde het getal vierentwintig in Openbaring ook een grotere groep. Het hoeven daarom niet exact vierentwintig individuele personen te zijn. De oudsten zien zichzelf als koningen en priesters (5:10). De gelovigen van de Gemeente zijn ook een koninklijk priesterdom (1Petr.2:9; Op.1:6). Omdat Christus priesterkoning is naar de orde van Melchizedek (Heb.5-7), zijn ook de gelovigen, in Christus, priesterkoningen.

De oudsten worden duidelijk van engelen onderscheiden (5:11). Het begrip (presbyteros) (oudste) wordt op geen enkele plaats in de Schrift aan engelen toegeschreven, vaker echter op leiders en vertegenwoordigers van de Gemeente (Hand.20:17; 1Tim.3:1-7; Tit.1:5-9). We zijn dat ook van mening dat de vierentwintig oudsten de verloste gelovigen van de Gemeente representeren. Ook omdat ze al opgenomen zijn in de hemel 4:1) vóórdat de oordelen over de aarde losbarsten (Op.6-16).

Aartsengelen?

De argumenten, die door anderen worden aangehaald als zouden de 24 oudsten een speciale klasse van aartsengelen moeten zijn, zijn m.i. niet overtuigend genoeg.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

De Profetische uitleg van Openbaring 2 en 3

 

 

 

 

Zie ook Rubriek: Pre-Wrath Doctrine - deel 11

Voorwoord

In het achtste deel in de evangelische dogmatische reeks met de titel ‘De kerk van God II' gaat de auteur W.J. Ouweneel in hoofdstuk 2 onder de titel ‘Profetische uitleg van Op2 en 3', uitvoerig in op de profetische benadering van deze twee hoofdstukken. Aanbevolen voor hen die dieper willen ingaan op dit onderwerp.

Inleiding

Op de vraag of de hoofdstukken 2 en 3 van het Bijbelboek Openbaring een overzicht geven van de kerkgeschiedenis vanaf het ontstaan van de Gemeente (Hand.2) tot aan de Opname kan worden verklaard aan de hand van onderstaande argumentatie. In de meeste Protestantse c.q. Reformatorische theologie wordt voorbijgegaan aan de profetische uitleg en laat met het profetische slechts slaan vanaf hoofdstuk 4. De hoofdstukken 2 en 3 verklaart men in de traditionele uitleg slechts als een tijdelijke (historische) én praktische uitleg. Dat heeft alles te maken met hun visie op de verbondsleer, visie op Israël en de Gemeente. Binnen de Evangelische traditie is men het er vrijwel unaniem over eens dat Openbaring 2 en 3 naast de historische en praktische uitleg ook een profetische uitleg mogelijk is. Ik zou geen serieuze bijbelleraar binnen de Evangelische traditie kennen die hieraan voorbijgaat in zijn of haar uitleg over dit Bijbelboek. Men voert daarvoor onderstaande argumenten aan.

Profetische verwijzing naar zeven opmerkelijke toestanden in de kerkgeschiedenis

Wat is' duidt op de hoofdstukken 2 en 3, wat voor Johannes op dat moment tegenwoordige tijd was: de toenmalige zeven gemeenten in Asia. Maar in ruimere, profetische zin omvat 'hetgeen is' de hele huidige genadebedeling, die begonnen is op de Pinksterdag en voortduurt tot aan de opname van de ware Gemeente. De profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3 houdt in dat de zeven brieven een profetische verwijzing vormen naar zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk, vanaf het eind van de eerste eeuw tot aan de opname van de Gemeente, die in Op 4 verondersteld is.

Aanwijzingen voor de profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3

1e. De woorden in 1:3 'Zalig is hij die leest, en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die bewaren wat daarin geschreven staat'. Door deze woorden wordt het gehele boek Openbaring, en dus ook de zeven brieven, als profetie gekenmerkt. Dit profetische karakter kan niet enkel vanaf Op 4 gelden, maar het geldt ook voor Op 1, waar Christus ons wordt voorgesteld in de profetische gestalte van Dan.7 en in 10 als de gestalte van de Zoon des mensen die gereed staat om het oordeel uit te oefenen. Evenzo dus moet dit profetisch karakter voor Op.2 en 3 gelden.

De zeven brieven onderscheiden zich daarmee principieel van de andere nieuwtestamentische brieven: deze hebben elke gelovige, in welke tijd hij ook leeft, iets te zeggen. De zeven brieven hebben dat ook wel maar ze geven in het bijzonder profetie! Profetie in de betekenis van apokalupsis, onthulling om ‘om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden’ (1:1). Zoals de rest van Openbaring een schets geeft van de gebeurtenissen die achtereenvolgens in de wereld moeten plaatsvinden, tot aan de zichtbare wederkomst van de Heer, zo schetsen de zeven brieven de ontwikkeling die de Kerk (als getuigenis van God op aarde) doormaakt vóórdat de Heer de zijnen tot Zich neemt (Joh.14:1-3; 1Thes.4:15-18).

2e. Het begrip 'profetie' heeft in Openbaring een duidelijk eschatologisch karakter, d.w.z. het heeft betrekking op de toekomstige dingen: 'om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden' in 1:1 (zie ook 22:6!).

3e. Johannes richt zijn gehele schrijven in één boekrol (Gr. biblion) tot de zeven gemeenten (1:4, 11). Het gehele boek Openbaring is daarom voor hen een ondeelbaar profetisch geheel. Dit onderstreept de opmerking onder Op 1:3, namelijk dat de gehele Openbaring toekomst-onthullende profetie is.

4e. Het is opvallend dat juist deze gemeenten gekozen zijn en dat hun getal tot zeven is beperkt. Er waren in Asia méér gemeenten (Hiërapolis, Kolosse, enz.), maar deze zeven zijn genomen en de andere weggelaten, omdat deze zich in toestanden bevonden die de Heilige Geest nodig had, om ons een volkomen (zeven) afbeelding van de geschiedenis van de christelijke Kerk op aarde te kunnen geven. Het getal zeven speelt een rol: het geeft een volheid, volkomenheid, en een totaalbeeld aan.

5e. Er is in de zeven brieven een morele volgorde. Men kan zien dat de Heer een vast plan voor ogen had. Het kwaad begint klein, alleen zichtbaar voor het oog van de Heer (Efeze), maar het neemt langzamerhand toe totdat de Gemeente uit de mond van de Heer wordt uitgespuwd (Laodicéa - Op.3:16). We kunnen moeilijk anders dan aan op elkaar volgende toestanden in de christelijke Kerk denken. De Gemeente op aarde, als voor God verantwoordelijk, wordt van het begin tot haar einde profetisch beschreven in de verschillende toestanden waarin zij achtereenvolgens komen zou. Het gaat dus om zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk. De morele volgorde is er een van toenemende ontrouw en degeneratie van de Kerk. Dit komt overeen met wat de Heer Jezus had voorzegt: Mat.13:24-33. Paulus had ervoor gewaarschuwd: Hand.20:29; 2Thes.2; 2Tim.3; 2Tim.4:3,4; Rom.11:22. Ook Johannes: 1Joh.2 (de geest van de Antichrist). En Petrus: 2Petr.2 en 3. En Judas niet te vergeten. Deze morele volgorde van de brieven, wordt anderzijds door de geschiedenis duidelijk bevestigd. Het ‘Wat is’, is een profetische schildering van de kerkgeschiedenis.

6e. Na het tweede en derde hoofdstuk wordt geen melding meer gemaakt van de Gemeente op aarde. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt ons getoond wat er in de hemel zal gebeuren, en in de volgende hoofdstukken is er nog slechts sprake van de volken, Israël en de grote hoer Babylon.

7e. In de brieven wordt gesproken van de persoonlijke wederkomst van de Heer voor de gemeenten Thyatira (2:25), Sardis (3:3, vgl. 16:15) en Filadelfia (3:11). Hieruit blijkt wel zeer duidelijk dat de inhoud profetisch is. Voor de plaatselijke gemeenten Thyatira, Sardis en Filadelfia kan de Heer niet wederkomen, want deze gemeenten zijn reeds lang verdwenen. Deze gemeenten moeten dus de éne Kerk voorstellen, in zeven toestanden c.q. gedaanten, vanaf het begin tot aan de komst van Jezus Christus voor Zijn Gemeente.

De duur van de periode ‘wat is’

Het lijkt wat vreemd dat de periode van ‘wat is’ nu al bijna 20 eeuwen duurt. In Openbaring vinden we echter meer van zulke aanduidingen. Zo wordt God genoemd: ‘Die is, en Die was, en Die komt’ (1:8). Met ‘is’ wordt hier niet één ogenblik bedoeld, maar een tijdsperiode. Zo ook met het beest: ‘Het beest dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal omhoogkomen uit de afgrond’ (17:8): hier betekent ‘is niet’ een bepaalde tijd waarin dit ‘beest’ niet zal bestaan. Met ‘wat is’ in Op 1:19 is de hele periode bedoeld waarin God lankmoedig wacht. God grijpt niet openlijk in. Dat zal echter wèl gebeuren in de periode van ‘wat hierna zal geschieden’.In Joh.4 verliet de Heer Jeruzalem en Judéa en ging naar Galiléa. Op weg daarheen moest Hij door Samaria gaan en verbleef aldaar twee dagen (Joh.4:40). Na die twee dagen ging Hij heen naar Galiléa, en kwam in Kana (Joh.4:43, 46; Hos.6:2). Hij kwam op de derde dag (Hos.6:2) terug in zijn eigen land. Deze geschiedenis van Jezus’ wandel van Jeruzalem en Juda naar Galilea is profetisch voor 1e. de verwerping van Jeruzalem en Juda, 2e. het tijdperk van de Gemeente,

3e. het herstel van Israël.

Twee gedeelten: 7 = 3 + 4

De zeven brieven aan de gemeenten zijn in twee gedeelten te verdelen: drie gemeenten vormen het eerste gedeelte en de overige vier het tweede. Dit is een erg belangrijk punt.  Zie de opdeling in het schema het tijdperk van de Gemeente. In de brieven aan de eerste drie gemeenten wordt de Gemeente als zodanig aangesproken. Zij worden nog gezien als mensen die allen deel uitmaken van het geheel. In de laatste vier brieven wordt de kleine groep getrouwen als een aparte groep aangesproken: ‘de anderen’ in Thyatira (2:24); ‘weinige namen’ in Sardis (3:4); ‘indien iemand Mijn stem zal horen’ in Laodicéa (3:20). In de eerste drie brieven wordt de Gemeente gewezen op haar de oorspronkelijke positie en toestand. God wilde zeggen: als je je bekeert kun je in die toestand hersteld worden: “bekeer u” (Efeze in 2:5; Pergamus in 2:16). Maar in de (vierde) brief aan Thyatira wordt het anders. Dan is gebleken dat de Kerk in haar geheel zich in een verwerpelijke toestand bevindt. Dan wordt het accent gelegd op de hoop die er nog is voor iedere individuele gelovige. De Geest richt zich dan speciaal tot hen die overwinnen en houdt hen de komst van de Heer voor om hen te bemoedigen: 'Houd vast aan wat u hebt totdat Ik zal komen' t.a.v. de getrouwe ‘overigen’ in Thyatira (2:24 -25); ‘Ik kom spoedig. Houd wat u hebt’ t.a.v. Filadelfia (3:11).

In de brieven aan de eerste drie gemeenten gaat de vermaning ‘Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ vooraf aan de belofte voor de individuele overwinnaars: 2:7 (Efeze); 2:11 (Smyrna); 2:17 (Pergamus). Hier wordt van de hele Gemeente verwacht dat ze haar oren open heeft, en pas daarna wordt opgeroepen om te overwinnen. In de laatste vier gemeenten echter wordt die vermaning pas gegeven na de belofte voor de overwinnaars: 2:29 (Thyatira); 3:6 (Sardis); 3:13 (Filadelfia); 3:22 (Laodicéa). Hier staat de vermaning niet langer in verbinding met de brief aan de Gemeente als geheel. Het trouwe groepje gelovigen - een minderheid - wordt hier apart gezien van de Gemeente als geheel (behalve bij Filadelfia).

In de eerste drie brieven betekent de komst van de Heer het berechten van de aangeschreven Gemeente, tijdens of aan het eind van hun tijdperk. Het is binnen deze context een voorwaardelijk komen: 'Maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u' (Ef.2:5); ‘Zo niet, dan kom Ik spoedig tot u’ (Pergamus, 2:16). Pas vanaf de vierde brief wordt de aandacht gevestigd op dé komst van Christus: Thyatira (2:25); Sardis (3:3, vgl. 16:15); Filadelfia (3:11). Dat er in Sardis niet meer over de komst van de Heer gesproken wordt, betekent dat nu alles moreel verdorven is en gereed voor het oordeel. In Laodicéa staat de Heer buiten de Gemeente (3:20).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Geschiedenis van de Imminentie

 

 

 

Inleiding

Wat verstaan we in de eschatologie (leer van de laatste dingen) onder imminentie? De meest gangbare verklaring van het woord is: boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. In de eschatologie wordt het gebruikt door hen die het pretribulationisme aanhangen en geloven dat de wederkomst van Christus voor de Gemeente (de zgn. Opname) spoedig kan gebeuren en wel zonder voorafgaande tekenen. ‘Perhaps Today!’

De doctrine van de imminentie

Aan Israël zijn tekenen gegeven die aan de (tweede) komst van Christus zouden voorafgaan opdat ze in de verwachting van zijn komst zouden leven als deze dingen gaan gebeuren. Dag en uur blijven wel voor het volk Israël verborgen, maar door de tekenen die geschieden kunnen ze toch een redelijk vermoeden hebben van de tijd van de komst van de Messias.

Aan de Gemeente zijn geen tekenen gegeven. De Gemeente leefde en leeft in de verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus om hen te brengen in zijn heerlijkheid (Joh.14:2-3; 17:24; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 2Petr.3:3-4). Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:6, Titus 2:13 en Openbaring 3:3 roepen de gelovigen op om uit te zien naar de komst van de Heer Jezus en niet uit te zien naar bepaalde tekenen. Het is natuurlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die voorafgaan aan de laatste jaarweek, zoals beschreven in Daniël 9, en waarvan de vervulling beschreven is in het boek Openbaring vanaf hoofdstuk 4-19, hun schaduw vooruitwerpen, maar nergens worden de gelovigen opgeroepen om op deze gebeurtenissen te letten, wel om hun aandacht te vestigen op de altijd aanwezige mogelijkheid van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus.

Enkele Nieuwtestamentische teksten

1 Korinthe 1:7 zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heer Jezus Christus verwacht.

1 Korinthe 4:5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen, aan het licht zal brengen, en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.

1 Korinthe 15:51 Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

1 Korinthe 15:52. in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden.

1 Korinthe 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha!

1 Thessalonicenzen 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Titus 2:13 in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.

Jakobus 5:7 Heb dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht de op de kostelijke vrucht van het land en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt.

Jakobus 5:8. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij.

Jakobus 5:9. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.

1Johannes 2:28 En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst.

Openbaring 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Openbaring 22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Openbaring 22:12 Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is.

Openbaring 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Heer Jezus!

Stemmen uit het verleden

Hoewel de eschatologie in het vroege Christendom nog niet op alle punten duidelijk was, was de onmiddellijke wederkomst van Christus voor de gelovigen geen punt van discussie. De vroege kerkvaders, maar ook de hervormers Luther, Calvijn, John Knox en Latimer waren die mening toegedaan.

Luther: ‘Laten we niet denken dat de komst van de Heer veraf is. Laten we de hoofden opheffen en laten we onze Verlosser met verlangen verwachten’.

Calvijn: ‘De schrift is eenduidig in het verlangen naar de komst van de Heer’.

Knox: ‘De Heer zal terugkeren en dat met spoed’.

Latimer: ‘Misschien kan Hij komen in mijn dagen, zo oud als ik ook ben, of in de dagen van mijn kinderen’.

Cyprian, die leefde rond het jaar 200, zegt: ‘We zouden onszelf tegenspreken en ongeloofwaardig zijn wanneer we zouden bidden: dat Uw koninkrijk spoedig mag komen, en tegelijk verlangen naar een lang leven hier op aarde!’

Doorheen de achter ons liggende eeuwen is het getuigenis van de apostolische kerk, talloze kerkleiders en andere Christenen duidelijk, ze geloofden in een imminente onmiddellijke komst van Christus. Hieronder een beknopte opgave.

-Tussen de tijd van de apostel en het concilie van Nicea (325 n.Chr.) zijn het Papias, Irenaeus, Justin Martyr, Tertullian, Hippolytus, Methodus, Commodianus en Lactantius.

-In de zestiende eeuw Johannes Calvijn en William Tyndale.

-In de zeventiende eeuw de Puriteinen, de Covenanters en de Westminster Confession.

- In de achttiende eeuw George Whitefield, John Wesley en Thomas Coke.

-In de negentiende eeuw de Plymouth Brethern (Darby e.v.a.) en Charles H. Spurgeon.

Het getuigenis van Charles Haddon Spurgeon (De prins der Predikers)

Spurgeon schrijft in zijn ‘Twelve Sermons on the Second Coming of Christ, pag.137-38 het volgende: ‘Broeders, op dit punt wil ik oprecht zijn, want het idee van het uitstel van de komst van Christus is altijd schadelijk, hoe u er ook uitkomt door profetie te bestuderen, of op een andere manier ... Denk daarom niet dat de Heer zijn komst uitstelt, en dat hij nog niet wil of kan komen. Veel beter zou het voor u zijn om op de uitkijk te staan, en teleurgesteld te zijn te denken dat hij niet komt ... Hij zal op zijn eigen tijd komen, en we moeten altijd uitkijken naar Zijn verschijning' En verder vanaf pagina 140 nog het volgende: ‘O, geliefden, laten we elke ochtend proberen op te staan alsof dat de ochtend is waarop Christus zou komen; en als we 's avonds naar bed gaan, mogen we dan gaan liggen met de gedachte: 'Misschien word ik gewekt door het geluid van de zilveren trompetten die zijn komst aankondigen. Voordat de zon opkomt, kan ik uit mijn dromen worden opgeschrikt door de grootste van alle kreten: 'De Heer is gekomen! De Heer is gekomen!' Wat een uitzicht, wat een aansporing, wat een teugel, wat een aansporing, zulke gedachten zouden bij ons aanwezig moeten zijn! Neem dit als leidraad je hele leven. Doe alsof Jezus zou komen tijdens de handeling waarmee je bezig bent; en als u niet in die handeling betrapt wilt worden door de komst van de Heer, laat het dan niet uw handeling zijn’. Tenslotte nog op blz.140 het volgende: ‘Mensen van de Tabernakel, u bent klaar om vanavond te kijken zoals zij deden in de dappere dagen van weleer! De mannen van Whitefield en Wesley waren toeschouwers; en degenen die vóór hen waren, in de dagen van Luther en Calvijn, en zelfs terug tot in de dagen van onze Heer. Ze hielden de wacht in de nacht, en jij moet hetzelfde doen, totdat 'Beginnend met de middernachtelijke roep: 'Zie je hemelse Bruidegom is nabij' ga je eropuit om je terugkerende Heer te verwelkomen'

Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen. Er is altijd een verwachting geweest op een spoedige komst van de Heer ook in hun tijd.

Tegenwerpingen

Tegenstanders van het geloof in een onmiddellijke en spoedige komst van de Heer voeren daarvoor o.a. de volgende argumenten aan. De aankondiging van de verwoesting van de tempel (Luk.21:20), de zendingsopdracht om het Evangelie te prediken in de gehele wereld (Matth.28:19-20), het sterven van de apostel Petrus zoals vermeld in Johannes 21:19, dat zou moeten voorafgaan aan de terugkeer van de Heer, de belofte die de Heer Jezus gaf aan Johannes dat hij zou blijven totdat Hij zou komen (Joh.21:22), de opdracht die aan de apostel Paulus gegeven was om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18). De geschiedenis van de Kerk zoals die zich zou ontwikkelen volgens Openbaring 2 en 3, maakten volgens tegenstanders het geloof in een onmiddellijke en spoedige terugkeer van de Heer onmogelijk. Eerst moesten deze dingen gebeuren, anders kon de Heer Jezus niet terugkeren, zo stelden zij.

Antwoord

De hierboven vermelde argumenten falen hierin, dat de personen over wie het gaat zelf geloofden dat de normale gang van zaken zou kunnen worden onderbroken door de komst van de Heer.

Petrus: tot wie de Heer had gezegd dat hij door zijn dood Christus zou verheerlijken (Joh.21:18-19) en toch moedigt hij zijn lezers aan met de woorden: ‘Omgord daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13).

Paulus: had de taak ontvangen om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en toch roept hij de gelovigen voortdurend op, met het oog op de komst van de Heer een heilig leven te leiden (Tit.2:11-13; 1Kor.15:51; Fil.3:20; 1Thes.1:9-10, 4:17-18).

Johannes:tot wie de Heer had gezegd dat‘hij zou blijven tot de komst van de Heer’ (Joh.21:22), getuigt toch in zijn eerste brief: ‘Kinderen, het is het laatste uur en zoals u gehoord hebt dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18).

De apostelen: hadden de grote opdracht te horen gekregen om het evangelie wereldwijd uit te dragen (Matth.28:19) en toch lieten ze niet na de gelovigen te vertellen over de nabije komst van de Heer.

De vroege kerk riep de gelovigen toch op de Heer te verwachten (Openb.22:7, 12, 20). En in Eusebius’ kerkgeschiedenis vinden we veel vermeldingen van gelovigen die in zijn tijd leefden en getuigenis gaven van de spoedige komst van de Heer Jezus. Eusebius leefde van 260-340.

Nogmaals: Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen.

Zoals gezegd houden de tegenwerpingen er geen rekening mee dat God de vrijheid heeft en bij machte is om een aangekondigd ‘programma’ te wijzigen. Nemen we als voorbeeld de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden in Mattheüs 21:33-46, waar het oorspronkelijke plan van God was dat zijn Zoon koning zou worden, maar teniet gedaan werd doordat landlieden de erfgenaam verwierpen en doodden. De verwachting van de heer des huizes was dat ze zijn zoon zouden ontzien en hem zouden aanvaarden. ‘Maar toen de landlieden echter zijn zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hebben doden. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’. Op dat moment gaat het oorspronkelijke plan van God een andere richting op, want: ‘het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.’ Hier zien we dat een definitieve verandering plaats heeft gevonden. Een ander voorbeeld waarin een mogelijke verandering wordt aangekondigd is Handelingen 3:19-21, waar Petrus het volgende zegt: ‘Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van de verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher.’ We zien dus dat een verandering in het eerdere plan van God erin zou hebben geresulteerd dat, als het Israëlische volk massaal de Messias zou hebben aangenomen, het Vrederijk zou zijn aangebroken en er geen sprake zou zijn geweest van een Gemeente uit de volken. De hierboven vermelde tegenargumenten, zoals de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld, de verwoesting van de tempel en het aangekondigd sterven van de apostel Petrus, zouden dan ook niet doorgegaan zijn.

Samenvatting

Hoewel de argumenten die door de tegenstanders zijn aangevoerd, op het eerste gezicht overtuigend lijken, blijkt bij nader onderzoek dat ze de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan en daarom dienen te worden afgewezen.

Geraadpleegde werken:

Things to Come, Pentecost, J.D.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

De Openbaring van Jezus Christus, Ouweneel, W.J.

The Bible Exposition Commentary, Wiersbe, W.W.

Brennpunkte biblischer Prophetie, Walvoord, J.F.

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Het preterisme: een verkenning

 

 

 

Het preterisme is de leer dat de voorzegde gebeurtenissen in Mattheüs 24 en het boek Openbaring grotendeels of volledig hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na Christus. Sommige preteristen stellen dat de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden in het jaar 70 hebben plaatsgevonden.

Term.

De term preterisme komt van het Latijnse woord praeter = verleden, omdat de profetieën merendeels of alle reeds in het verleden zouden zijn vervuld.

Hoofdinhoud van leer.

Het preterisme stelt dat alle of een deel van de Bijbelse profetieën over de laatste dagen verwijzen naar gebeurtenissen die in de eerste eeuw plaatsvonden na de geboorte van Christus, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

Versus futurisme.

Het preterisme staat tegenover het futurisme, dit is de opvatting dat de meeste voorzeggingen over het einde der tijden, de laatste dagen, de Grote Verdrukking en dergelijke, nog een toekomstige vervulling wacht en aan de terugkeer van Christus onmiddellijk zullen voorafgaan.

Gedeeltelijk en volledig preterisme.

De opvatting dat de profetieën over het einde reeds grotendeels (maar niet alle) zijn uitgekomen, heet gedeeltelijk preterisme (Eng. partial preterism). De meer recente opvatting dat alle voorzeggingen reeds zijn vervuld, wordt volledig preterisme (Eng. full preterism) genoemd.

Nederlandstalige preteristen.

In het Nederlandse taalgebied wordt een preteristische leer verkondigt (anno 2017) door David Sörensen, die stelt dat de wederkomst van de Heer Jezus in het jaar 70 heeft plaatsgevonden, en door de prediker Jeroen Koornstra. De laatste ziet 2Petr.3:10-12 vervuld in 70 na Chr., toen Jeruzalem verwoest werd.

2Petr.3:10 Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.

2Petr.3:11 Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht, 2Petr.3:12 terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan de hemelen in vuur gezet zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten. (TELOS)

Gedeeltelijk preterisme

Het gedeeltelijke preterisme is de oudste van de twee standpunten. Het stelt dat de profetieën aangaande de verwoesting van Jeruzalem, de Antichrist, de Grote Verdrukking en de komst van de Dag van de Heer als een "komst ten oordeel" door Christus, vervuld werden circa 70 na Chr., toen de Romeinse generaal (en latere keizer) Titus Jeruzalem innam, plunderde en de tempel verwoestte, waardoor blijvend een einde kwam aan de dagelijkse dierenoffers. "Babylon de Grote" (Openbaring 17-18) wordt vereenzelvigd met de oude heidense stad Rome of de Joodse stad Jeruzalem.

De meeste gedeeltelijk preteristen geloven ook dat uitdrukking "laatste dagen" slaat op de laatste dagen van de Mozaïsche verbond dat God uitsluitend hadden met de natie Israël tot het jaar 70 na Christus. Zoals God gericht uitoefende over verschillende naties in het Oude Testament, zo kwam ook Christus ten oordeel tegen degenen in Israël die hem afwezen.

Die laatste dagen van de natie Israël zijn volgens het gedeeltelijk preterisme te worden onderscheiden van de "laatste dag", die nog wel in de toekomst ligt en deze gebeurtenissen brengt: de wederkomst van Jezus, de lichamelijke opstanding van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, het laatste oordeel, en de schepping van een letterlijke nieuwe hemel en een nieuwe aarde, vrij van de vloek van zonde en dood, die door de val van Adam en Eva is gekomen.

Het preterisme vindt (anno 2015) al meer aanhang onder christenen. Een bekende Amerikaanse preterist is Don K. Preston. Hij ziet de periode tussen 30 en 70 na Christus als het duizendjarig rijk en de tijd daarna is die van het nieuwe verbond (de eeuwige toestand).

Gedeeltelijk preteristen zijn in overeenstemming met de klassieke geloofsbelijdenissen van de christenheid en met de leer van de opstanding bij de vroege kerkleraars. Gedeeltelijk preteristen zeggen dat het Nieuwe Testament spreekt van vele "komsten" van Christus. Zij betogen dat de uitdrukking "wederkomst" betekent: twee of een reeks soortgelijke komsten, want de Schrift spreekt van andere komsten vóór de komst ten oordeel (in 70 n.C.). Zij menen dat de nieuwe schepping geleidelijk komt door een geleidelijke verlossing, tot stand gebracht door Christus, die regeert vanaf zijn hemelse troon. Hij zal daarbij gaandeweg zijn vijanden onderwerpen. De verlossing vindt haar hoogtepunt in de vernietiging van de lichamelijk dood, de "laatste vijand" (1Kor.15: 20-24). Zolang er nog vijanden zijn, kan de opstanding der doden niet plaatsvinden.

Bijna alle gedeeltelijk preteristen zijn het amillennialisme dan wel postmillennialisme toegedaan. Veel postmillenniale gedeeltelijke preteristen zijn ook theonomisten, die de zedelijke normen van het Oude Testament toepasbaar achten op de huidige maatschappij.

Het gedeeltelijk preterisme wordt algemeen beschouwd als een historisch orthodox standpunt, omdat het alle onderdelen van de grote geloofsbelijdenissen in de christenheid onderschrijft. In de Verenigde Staten is het gedeeltelijk preterisme onder protestanten een minderheidsstandpunt, dat duidelijk tegengesproken wordt, met name door degenen die het dispensationalisme aanhangen. Sommige dispensationalisten zijn bezorgd dat gedeeltelijk preterisme leidt tot een acceptatie van het volledig preterisme, maar deze bezorgdheid wordt tegengesproken door gedeeltelijk preteristen.

Volledig preterisme

Het volledig preterisme verschilt van het gedeeltelijk daarin, dat alle profetie beschouwd als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem, dus ook de voorzeggingen aangaande de opstanding van de doden en de wederkomst (parousia) van de Heer Jezus.

Namen.

Volledig preterisme is ook bekend onder andere namen, zoals (in het Engels) consistent preterism of hyper-preterism. De laatste term heeft een afkeurende bijklank. Een verwante, maar meer recente term is pantelisme (= "alvervulling"), die sommigen beschouwen als een verlengstuk van de volledig preterism in plaats van hetzelfde.

Volgens het volledig preterisme is de Heer Jezus teruggekomen in 70 n.C. en wel ten oordeel, wat geleid heeft tot de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel in het jaar 70. Dit gebeurde door middel van buitenlandse legers op een manier die vergelijkbaar is met diverse oudtestamentische beschrijvingen van God die komt om andere naties rechtvaardig te oordelen.

Volgens het volledig preterisme is de opstanding van de doden al gebeurd. Deze opstanding was niet een lichamelijke, maar een verrijzenis van de zielen uit de plaats der doden, welke bekend staat als Sjeool (Hebreeuws) of Hades (Grieks). De rechtvaardige zielen hebben een geestelijk lichaam gekregen dat geschikt is voor de hemel, en de onrechtvaardige doden zijn geworpen in de poel van vuur. Sommige volledig preteristen geloven dat deze verandering een doorgaande is en bij het overlijden van elke ziel plaatsvindt (Heb.9:27).

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden door het volledig preterisme gelijkgesteld met de vervulling van de wet in het jaar 70 na Chr. Zoals een christen bij zijn bekering "een nieuwe schepping" is geworden, is de wereld dat ook in 70 na Chr.

Kritiek

Bijbels bezwaar. Op Bijbelse gronden kan men ernstige bezwaren tegen het volledig preterisme aanvoeren. Reeds de apostel Paulus verwierp de gedachte dat de opstanding der doden al had plaatsgevonden.

2Tim.2:16-18 Maar onttrek je aan ongoddelijk gezwets; want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymeneus en Filetus, die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat de opstanding al heeft plaatsgehad en die het geloof van sommigen omverwerpen. (TELOS)

De Heer Jezus stond lichamelijk uit de doden op en ook de doden zullen lichamelijk verrijzen en het lichaam van de levenden zal veranderd worden.

Aanhangers van het volledig preterisme antwoorden dat Paulus' veroordeling terecht was, omdat de opstanding vóór 70 na Christus nog niet gebeurd was. Ook zeggen zij dat zij bepaalde Schriftplaatsen, die tegen hun standpunt worden aangevoerd, anders uitleggen.

Ketterij.

Voorzover en omdat het volledig preterisme sterk afwijkt van de overgeleverde geloofsbelijdenissen, wordt het door velen als ketterij beschouwd. Volledig preteristen antwoorden dat de geloofsbelijdenissen niet goddelijk geïnspireerd zijn, maar zijn opgesteld door feilbare mensen. De belijdenissen zijn fout op het punt van de toekomst en moeten aangepast worden.

Werking

Het volledig preterisme is een wassende stroom, die druk uitoefent om erkend te worden als een volwaardige eschatologische zienswijze. Tot op heden (anno 2016) heeft geen grote behoudende kerk in de Verenigde Staten deze zienswijze aanvaard, maar hebben verscheidene kerken het volledig preterisme veroordeeld.

Argumenten voor het preterisme

Sommige leerlingen zouden Hem zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat sommigen van zijn leerlingen zijn komst zouden meemaken.

Mat.16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer Jezus heeft gezegd dat "dit geslacht", het geslacht van zijn tijd (in de eerste eeuw) de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

De voorzeggingen in Matteüs 24 aangaande de "Grote Verdrukking" beschouwt het preterisme als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. Steun voor deze stelling vindt men in Jezus' woorden dat "dit geslacht niet zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd". Deze woorden schijnen de voorzegde gebeurtenissen te beperken tot "dit geslacht", tot de generatie in de eerste eeuw. "Spoedig".

De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden geschieden (Op.1:1)

Op.1:1 Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door zijn engel gezonden en aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.

Op.22:6 En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.

Hijzelf zou spoedig komen (Op.22:7, 12, 20)

Op.22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Op.22:12 Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden zoals zijn werk is.

Op.22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!

Ook aan twee gemeenten in Klein-Azië zei Hij spoedig te komen.

Op.2:16 Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond.

Op. 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Tegenwerpingen

Sommige leerlingen zouden Hen zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat enkele leerlingen Hem zouden zien komen in zijn koninkrijk.

Mat16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

Dat hebben zij gezien toen de Heer zes dagen na deze woorden drie leerlingen meenam op een hoge berg. Daar werd hij verheerlijkt.

Mat.17:1 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. Mat.17:2 En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Enz. (TELOS)

Merk op dat ze verzen onmiddellijk volgen op Matth. 16:28. Dat "zien komen" is een vooruitblik geweest. Zoals Hij toen in zichtbare heerlijkheid straalde, zo zal hij eens zichtbaar verschijnen in deze wereld.

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer heeft gezegd dat "dit geslacht" de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

Het gebruikte woord voor "geslacht" is het Griekse woord "genea". Het kan een figuurlijke betekenis hebben: "een soort mensen die veel op elkaar lijken in gaven, leefwijzen, karakter; specifiek in ongunstige zin, een verdorven geslacht”.

Mat.11:16 Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen: (TELOS)

Mat.12:39 Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona. (TELOS)

Mat.12:45 Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht. (TELOS)

Mark.8:38 Want wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen. (TELOS)

Mark.9:19 Hij nu antwoordde hun en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem bij Mij. (TELOS)

Fil.2:15 opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld, (TELOS)

Als wij andere Schriftplaatsen over de toekomst zoveel mogelijk letterlijk nemen, moeten we "dit geslacht" in Mat.24:34 figuurlijk verstaan: het betekent niet een "generatie van 40 jaar" betekent, maar "deze soort mensen", d.w.z. dit verdorven mensengeslacht.

"Spoedig". De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden gebeuren en dat Hijzelf spoedig zou komen. Daarnaast heeft de Heer gesuggereerd dat zijn komst op zich laat wachten. De boze slaaf zou zeggen "Mijn heer blijft uit".

Mat.24:48 Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mat.24:49 Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards, (TELOS)

De bruidsmeisjes vielen in slaap, omdat "de bruidegom uitbleef".

Mat.25:5 Toen nu de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. Mat.25:6 Maar te middernacht klonk een geroep: Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet! (TELOS)

In de gelijkenis van de slaven kwam de heer "na lange tijd" (Mat.25:19).

Mat.25:14 Want het is als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. (...) Mat.25:19 Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen. (TELOS)

Wetend dat sommigen het uitbleven van de Heer voor traagheid hielden, wees de apostel Petrus erop dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.

2Petr.3:8-11 ‘Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht’ (TELOS)

De tijdrekening van God is anders dan de onze. Gezien de aanwijzingen van "lange tijd" en "uitblijven" en gezien dat veel voorzeggingen over de eindtijd en de zichtbare komst van de Heer in de wereld met heerlijkheid en majesteit nog niet hebben plaatsgevonden, moeten we "spoedig" in het perspectief van een goddelijke tijdrekening plaatsen.

Ps.90:4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht. (HSV)

De Heer komt op de wolken van de hemel.

Critici van het preterisme wijzen erop dat Mattheüs 24 ook spreekt van Jezus' komst op de wolken des hemels. Deze wederkomst in de lucht is nog niet gebeurd, ook niet in de eerste eeuw. De preterist antwoordt daarop dat er geen reden is om aan te nemen dat die komst op de wolken de Wederkomst van Christus is. In het Oude Testament spreekt God van zijn komst tot het volk ten oordeel. In Jesaja 19 vinden wij daarvan een treffend voorbeeld. De profeet verwijst naar het op handen zijnde oordeel over Egypte:

Jes.19:1 De last over Egypte. Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt in Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste. (HSV)

Noch Jes.19:1 noch Mat.24:33, die beide op een komst op de wolken spreken, spreken volgens het preterisme van de wederkomst van Christus.

Belofte van Israëls herstel. Een andere tegenwerping tegen het preterisme is dat Gods verbond met Israël "eeuwig" is en daarom niet geëindigd kan zijn in het jaar 70. Israël is weliswaar verstrooid onder de volken, naar de Schrift (Deut. 30), maar het zal ook weer worden hersteld, naar de Schrift.

Logische gevolgen.

Een ander bezwaar tegen het preterisme naar voren gebracht, is dat het antisemitisme en vervangingstheologie in de hand werkt.

Meer informatie

Willem J. Ouweneel, Vond Jezus' wederkomst al in het jaar 70 plaats? CIP.nl, 7 april 2017. De auteur voert argumenten tegen het preterisme aan.

Jeroen Koornstra, Waarom vergeestelijking eindtijdprofetieën niet problematisch is. CIP.nl, 10 april 2017. Reactie van preterist Jeroen Koornstra op het artikel van Willem Ouweneel.

Willem J. Ouweneel, Noch Calvijn, Wright en Sproul hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen! CIP.nl, 11 april 2017. Antwoord op de reactie van Jeroen Koornstra.

Koornstra vs. Ouweneel: is Jezus nou wel of niet teruggekeerd in het jaar 70?, CIP.nl, 13 april 2017. Laatste reactie van Koornstra en van Ouweneel.

Engelstalig

Preterisme, een artikel op Theopedia.com, bevat een lijst van literatuur en internetbronnen over het preterisme.

AlwaysBeReady.com, de site van apologeet Charlie Campbell, verwijst naar verscheidene kritische beoordelingen van het preterisme.

Bron: Christipedia

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Vragen aan Preteristen

 

 

 

 

 

De profetieën van de Grote Verdrukking en de Tweede Komst

 

Vele preteristen geloven dat de meeste of alle profetieën reeds vervuld werden in het verleden, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.C. Zij beweren dat deze grote profetieën over de grote verdrukking en de tweede komst van onze Heer geen TOEKOMST zijn maar reeds VERVULD werden. Zij beweren dat deze belangrijke profetische gebeurtenissen reeds plaatsvonden in 70 n.C.!

Deze benadering is het resultaat van een niet-letterlijke interpretatie van profetie. De Bijbel heeft veel te zeggen over wanneer onze Heer zal komen in Zijn Koninkrijk. Beschouw het volgende en bemerk hoe dit geheel de notie tegenspreekt dat Christus in Zijn koninkrijk kwam in 70 n.C.:

1. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk dan keert Hij terug naar de aarde en zal Hij gezien worden door elk oog (Mattheüs 24:25-30 en Openbaring 1:7). 

Dit is nooit gebeurd in 70 n.C.

2. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het joodse volk verzameld worden uit alle landen en teruggebracht in hun beloofde land (Mattheüs 24:31; Jeremia 16:14-15; Jesaja 43:5-7; Jeremia 23:7-8; Jeremia 31:7-10; Ezechiël 11:14-18; Ezechiël 36:24).

Dit is niet gebeurd in 70 n.C. In plaats van verzameld werden de joden gedood en verstrooid.

3. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zullen er geen oorlogen meer op aarde zijn (Jesaja 2:4; Micha 4:3; Psalm 46:9; Zacharia 9:10).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dit was een tijd van wrede oorlogvoering, en ook daarna, uitgewerkt door het machtige Romeinse leger.

4. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het koninkrijk voor Israël hersteld worden (Handelingen 1:6) en de Messias zal zitten op de troon van David, gelokaliseerd in Jeruzalem (Jesaja 9:7; Jeremia 17:25; 23:5-6; 33:15; Hosea 3:4-5; Amos 9:11-15; Lukas 1:32-33).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want Jeruzalem en de tempel waren verwoest, en er was geen Koning uit de lijn van David die heerste op de aardse troon!

5. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal het een tijd zijn van grote bevrijding en grote zegen voor het joodse volk (Jeremia 30:7-9; Ezechiël 34:25-31).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dat was een tijd van grote oordelen over het joodse volk dat enkele tientallen jaren eerder hun Messias doodde en Hem afwees (alhoewel sommige joden wel in Hem geloofden).

6. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal Hij Zijn heiligdom, de Tempel, in het midden van Zijn volk stellen (Ezechiël 37:26-28; Ezechiël 40:5-43:27).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want sindsdien is er helemaal geen tempel meer.

7. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een priesterschap werkzaam zijn in de tempel en er zullen dierlijke offers gebracht worden (Ezechiël 44:1-46:24).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want toen werd een eind gemaakt aan de tempel, de offers en het priesterschap.

8. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk “zullen de joden zich vestigen in het hele beloofde land, en het zal terug onderverdeeld worden in 12 stammendivisies. Maar deze divisies zullen verschillen van deze in het boek Jozua” (Arnold G. Fruchtenbaum, Footprints of the Messiah, p. 328). De locatie van alle 12 stammen tijdens het koninkrijk is beschreven in Ezechiël 47:13-48:29. Zeven stammen zullen zich situeren ten noorden van de tempel (Ezechiël 48:1-7) en vijf stammen ten zuiden van de tempel (Ezechiël 48:23-29).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. Na de Romeinse verwoesting van Jeruzalem werden de overgebleven joden verstrooid over de hele wereld, tot er in de 20ste eeuw een klein overblijfsel terugkeerde naar Israël en er een joodse staat werd gesticht.

9. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een boodschap van goed nieuws zijn voor Jeruzalem (Jesaja 52:7-10). Deze boodschap zal bestaan uit de volgende elementen: 1) Het goede nieuws van vrede; 2) Het goede nieuws dat de Messias zal regeren in Sion; 3) Het goede nieuws dat God Zijn volk heeft vertroost; 4) Het goede nieuws dat God Jeruzalem heeft verlost.

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want toen was er alleen maar het slechte nieuws van oordeel en verwoesting. 

10. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal er vreugde en blijheid zijn (Jesaja hoofdstuk 35). Deze vreugde zal voortkomen uit de volgende toestanden: 1) De woestijn zal vruchtbaar worden (Jesaja 35:1-2, 6-7); 2) De Messias zal Israël komen bevrijden (Jesaja 35:3-4); 3) Zij die lam, blind of doof zijn zullen genezen worden (Jesaja 35:5-6); 4) Wilde, gevaarlijke dieren zullen niet langer een probleem vormen (Jesaja 35:9). 5) Het zal een tijd zijn van grote blijdschap (Jesaja 35:10).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want de overlevende joden hadden geen blijheid doch enkel smart en verdriet (vergelijk Jesaja 35:10).

 Bron: Website: Marc Verhoeven

_____________________________________________________________

Nog enkele bijkomende opmerkingen:

Volgens Mat.24:14 zou het evangelie van het koninkrijk over het hele aardrijk worden gepredikt, dat was in 70 n.Chr. allesbehalve vervuld: de verkondiging was nauwelijks op gang gekomen.

Volgens Mat.24:24 was er helemaal geen schare 'valse Messiassen en profeten' in Israël.

Mattheüs 24:15-31 heeft totaal geen betrekking op de tijd rond het jaar 70, maar op de tijd dat Israël weer hersteld is in zijn land, zoals sinds de stichting van de staat Israël in 1948 inderdaad het geval is, althans fysiek, nog niet geestelijk.

Wanneer Christus komt worden de goddeloze vijanden geoordeeld en de duivel wordt voor een tijd opgesloten zodat hij de volken niet meer kan verleiden (Op.17:14; 19:11-20:3). Dat is nog niet gebeurd de duivel stapt nog vrij rond (1Petr.5:8).

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Zie, Hij kwam/komt met de wolken

Door Peter van Beugen

 

 

 

Met toestemming overgenomen uit het Bijbelstudieblad: Focus op de Bijbel - juni 2017, nummer.

 

Oude geluiden duiken eens in de zoveel tijd in nieuwe vorm weer op. Zo is onlangs op de website ontdekgod.nl van David Sorensen met veel verve het zgn. preterisme gepresenteerd.

Preterisme — het woord is afgeleid van het Latijnse voorzetsel praeter, dat je o.a. met 'voorbij' kunt weergeven - is eenvoudig gezegd de uitleg van bijbelse profetieën, die ervan uit gaat dat de vervulling van alle bijbelse profetieën reeds heeft plaatsgevonden, dus in het verleden ligt. Volgens deze theorie is Christus teruggekomen in het jaar 70 n.chr., op het moment dat de tempel in Jeruzalem werd verwoest onder keizer Vespasianus.

Alle profetieën m.b.t. de wederkomst en het koninkrijk zouden dus op dat moment in vervulling zijn gegaan of begonnen te gaan: er is geen terugkomst van Christus meer, geen herstel van Israël, geen nieuwe hemel en aarde, geen opstanding van doden. Deze uitleg laat een kader los dat de Bijbel mijns inziens geeft over de toekomst. Het loslaten van dit kader heeft vergaande implicaties voor het verstaan van de tijd waarin wij leven. Daarom vind ik het belangrijk om een antwoord te geven op de theorie die door Sorensen is gepresenteerd.

Ik wil om te beginnen een aantal gebeurtenissen behandelen die volgens de Bijbel nauw samenhangen met de wederkomst van Christus. Ik geloof dat hieruit blijkt dat deze profetieën onmogelijk allemaal in 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Daarna wil ik een aantal uitgangspunten behandelen die Sorensen presenteert op zijn website en aantonen dat die geen steekhouden. Tenslotte wil ik een aantal van de gevolgtrekkingen behandelen die voortkomen uit het preterisme, en deze toetsen aan de Bijbel.

De wederkomst van Christus

Een overgroot gedeelte van de Bijbel bestaat uit profetische geschriften, zoals en Jesaja en Jeremia, of uit geschriften die een profetische dimensie hebben, zoals de Psalmen. Een aantal van deze profetieën bestaat uit visioenen die om een nadere uitleg vragen, maar veel profetieën bestaan uit concrete en eenduidige uitspraken. Wanneer men over zoveel boeken verspreid zoveel uitspraken aantreft, is aan ons de taak om de puzzelstukjes aan elkaar te leggen, net zolang totdat we het totale plaatje gaan zien. Wij zouden het gemakkelijk hebben gevonden als één van de schrijvers even een chronologisch overzichtje had toegevoegd aan zijn boek, maar een dergelijk overzicht staat niet in de Bijbel. Maar wie eenmaal een aantal hoekstukjes en andere markante stukken van de puzzel gevonden heeft, kan veel andere stukjes moeiteloos aanleggen. Geef je dergelijke hoekstukjes niet de goede plek en begin je ergens willekeurig te bouwen, dan merk je al gauw dat er stukjes overblijven die je er niet meer in kunt passen.

Enkele van deze hoekstukjes zijn nu juist:

1. Christus komt terug

Bij de eerste komst van Christus zijn niet alle profetieën in vervulling gegaan die met zijn komst samenhangen. Een aantal daarvan zullen expliciet wachten op zijn wederkomst. Voor deze toekomstige gebeurtenissen is in het schema van Sorensen geen plek. De puzzelstukjes blijven over en dus worden deze profetieën vergeestelijkt.

2. Er is een herstel van het volk Israël op grond van Gods beloften.

Lange tijd heeft men gemeend dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen en dat voor het Joodse volk en Israël geen plek meer is - de zgn. vervangingstheologie. Veel profetieën uit het Oude Testament over Israël of Jeruzalem kun je echter onmogelijk op de Gemeente toepassen.

3. Er is een toekomstig Koninkrijk van God of een ‘Vrederijk' dat door de komst van Christus op aarde gesticht zal worden en dat in aard en vorm verschilt van het Koninkrijk in onze dagen. Er zal vrede zijn, de volken zullen geoordeeld zijn en de schepping hersteld.

Ik laat het even bij deze drie basispunten. Hierover zijn de meeste gelovigen het eens geworden. Je kunt over allerlei zaken nog van mening verschillen. Bijvoorbeeld of de Gemeente voorafgaand aan het Vrederijk wordt opgenomen, en hoelang van tevoren dan wel, en of dit Vrederijk nu letterlijk 1000 jaar duurt of niet. Maar dat is een kwestie van ‘verder puzzelen'. In het kader van dit artikel kan ik niet alles op ‘tekst-niveau' uitwerken, maar geïnteresseerde lezers kunnen bij auteurs van verschillende theologische smaken terecht zoals Ouweneel (Ouwenee1: 2012), Pentecost (Pentecost: 1958) of Walvoord (Walvoord: 1999).

Ik noem nu tien gebeurtenissen die samenhangen met de wederkomst van Christus.

1. Zichtbare verschijning op de Olijfberg

Zacharia zegt hierover (1): Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overigen van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden. En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden (14:2-4). En een aantal hoofdstukken daarvoor: Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. (12:10). Sorensen haalt weliswaar het eerste vers uit Zacharia 14 aan, maar hij vergeet door te lezen. In 70 n.Chr. is Jeruzalem weliswaar ingenomen en geplunderd, maar de rest van deze profetieën blijft onvervuld. Christus is niet teruggekomen met zijn voeten op de Olijfberg, de berg is niet door een aardbeving in tweeën gesplitst en evenmin is de Heer uitgetrokken ten strijde en ten behoeve van zijn volk Israël. Integendeel, Hij heeft ze overgegeven aan de macht van de heidenen. De stammen van Israël hebben Hem niet gezien en zeker niet over de Messias, Jezus van Nazareth, geweeklaagd, degene die zij doorstoken hebben.

2. Eindstrijd in Israel

Voorafgaand aan de wederkomst zullen alle volken van de aarde worden verzameld voor de eindstrijd op de plaats die in het book Openbaring Armageddon wordt genoemd. Het betreft hier niet alleen legers van het Romeinse Rijk. Er zullen legers uit het Oosten (Op.9:14, 16:12), uit het Noorden (Dan.11:40), uit het Zuiden (Dan.11:40), uit de omliggende volken (Jes. 11: 11-15) komen. Hier horen minstens bij legers uit Azië (Iran? Irak?), Syrië, Egypte en Afrika en uit de omliggende volken, bijv. het huidige Jordanië. De Bijbel voorzegt dat deze volken Israël in het nauw zullen drijven, maar uiteindelijk zullen worden verslagen en onderworpen. Dit zal gebeuren wanneer Israël door de kracht van de Heer zegeviert, die voor hen strijdt. De eindstrijd van de volken moet zich voltrekken voorafgaand aan de verschijning van de Heer. Een dergelijke strijd heeft niet plaatsgevonden tussen de jaren 30 en 70 n.Chr.

3. Oordeel over het Beest en de antichrist

Als bijzonderheid noem ik het oordeel over twee personen die in de eindtijd een voorname rol spelen. De beschrijving van deze sleutelfiguren gaat terug op profetieën uit het Oude Testament. In de tijd van de profeet Daniël brak de periode aan die we aanduiden met de ‘tijden van de volken'. Israël zou eeuwenlang niet als soeverein koninkrijk bestaan, maar als gezagsgebied van wereldmogendheden. Zelfs op dit moment valt het tempelplein, de heiligste plaats in Jeruzalem, onder het bestuur van de islamitische Waqf, met aan het hoofd de koning van Jordanië. De laatste heerser van de wereld, aangeduid als 'het Beest' in Op.13, zal een verbond sluiten met de 'valse profeet' of 'antichrist' in Israël en maken dat een beeld van hem wordt opgericht in de tempel, dat aanbeden zal worden. Dit kan niet verwijzen naar de vaandels die de Romeinen in Jeruzalem hebben geplaatst, nadat de stad en de tempel waren verwoest - nog afgezien van het feit dat een vaandel geen afgodsbeeld is. Dit beeld zal in de tempel staan vóórdat deze wordt verwoest (2Thess.2:4) en is een voorwerp van aanbidding voor alle volken. Aan dit duivelse verbond tussen de valse profeet en het Beest maakt Christus in eigen persoon een einde als die beiden levend in de poel van vuur worden geworpen (Op.19:20). Nu zijn noch keizer Vespasianus, noch Titus - zijn zoon en legeraanvoerder bij de inname van Jeruzalem - noch Herodes Agrippa II, stadhouder van Judea op dat moment op die wijze omgekomen. Vespasianus stierf een natuurlijke dood in het jaar 79 n.Chr. Titus, die hem inmiddels als keizer was opgevolgd stierf in 81 n.Chr. na een ziekbed, terwijl Herodes Agrippa II volgens Justus van Tiberias pas in het derde jaar van keizer Trajanus, dat is het jaar 100 n.Chr. zou sterven van ouderdom (Schürer:2010).

4. Verzameling van de twaalf stammen van Israël

Bij de wederkomst van Christus zullen alle verstrooiden van de twaalf stammen van Israël naar het land terugkeren: Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks (Jes.11:10-12).  Zie hierover verder ook Jer.3:18, 30:3, Zach.10:6, Ezech.20:33-38, Matth.24:31. De belofte van God is dat als zij bijeen verzameld zullen zijn uit de volken, zij voortaan in ongestoorde rust en vrede in hun land zullen mogen blijven wonen: Maar zij zullen zitten, eenieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgenboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikt; want de mond des Heeren der heerscharen heeft het gesproken (Micha 4:4).  In het jaar 70 n.Chr. is het tegenovergestelde gebeurd: veel Israelieten werden in ballingschap weggevoerd, weg uit het land, en in het jaar 136 n.Chr., na de opstand van Simon Bar Kochba, werd de Joden zelfs de toegang tot de stad Jeruzalem ontzegd!

5. Rechtspraak over de volken

Volgend op de verschijning van Christus zal er een tribunaal worden opgericht waar alle volken worden geoordeeld: Wanneer nu de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troop van zijn heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken verzameld worden en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt... dan zal de koning zeggen tot hen die aan zijn rechterhand zijn ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk... En tot hen die aan zijn linkerhand zijn 'Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur' (Matth.25:31-46). De wijze waarop de volken Israël, de broeders van de Heer, zullen hebben bejegend, juist in het uur van hun grote benauwdheid, zal de maatstaf zijn voor het oordeel dat de Heer over hen velt. Zij die hen vijandig hebben behandeld zullen ter plekke geoordeeld worden, terwijl zij die hen vriendschappelijk hebben behandeld, het koninkrijk ingaan. Dit oordeel over de volken heeft helemaal niet plaatsgevonden in 70 n.Chr. En het Romeinse Rijk, dat verantwoordelijk was voor de verwoesting van de tempel, heeft nog eeuwen nadien voortbestaan.

6. Opstanding van doden

Als Christus terugkomt zullen doden opstaan. Volgens 1 Thess.4:15-18 zullen de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, samen met de ontslapenen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Want Hij zal roepen met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God en de doden in Christus zullen opstaan. Evenzo vermeldt 1 Kor.15:20-23 dat Christus is opgewekt als eersteling van hen die zijn ontslapen en dat daarna zij die van Christus zijn, bij zijn komst zullen opstaan. En Openb.20:1-6 vermeldt dat de ontslapenen die uit de grote verdrukking komen en die om het woord van God en om het getuigenis van Jezus waren onthoofd, levend werden en met Hem regeerden duizend jaren... Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deelheeft! 

Dit punt is zo duidelijk dat de uitleg over een wederkomst in het jaar 70 n.Chr. hopeloos spaak loopt. Een massale opstanding van doden kan immers onmogelijk ongemerkt plaatsvinden. Op dit punt aangekomen blijkt dan ook dat Sorensen helaas zijn toevlucht neemt tot een uitlegmethode waarmee je elk probleem in je theologie kunt pareren, nl. de methode van 'vergeestelijking'. De opstanding verwijst volgens Sorensen niet naar een fysieke werkelijkheid, m.a.w. we moeten dat niet 'letterlijk opvatten', het verwijst eenvoudig naar een 'werkelijkheid in de geestelijke wereld' en houdt dus niets anders in dan het voortbestaan van de geest en de geestelijke ontmoeting met Christus. Ik kom later uitvoeriger op dit thema terug, maar volsta op dit moment met te stellen dat de Bijbelse leer van de opstanding het preterisme voor een onoverkomelijk probleem stelt.

7. Herstel in de schepping

Het gevolg van de wederkomst van Christus zal zijn dat de vloek van de aarde zal worden weggenomen (Joh.1:29) en dat de schepping zal worden hersteld tot een paradijs. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods (Jes.35:1,2). En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein kind zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os (Jes. 11: 6-9, zie ook o.a. Hos.2:15-22). Rom.8:21 zegt dat de schepping verlost zal worden van de slavernij van de vergankelijkheid. Op.22:2 zegt dat er genezing zal zijn voor alle volken, de leeftijd van de mensen zal zijn als de levensduur van bomen (Jes.65:22). In het Vrederijk van Christus zullen de doodsoorzaken ziekte en veroudering worden weggenomen, zullen dieren niet langer ten prooi vallen aan andere dieren en zal de woestijn worden veranderd in een lusthof. Het behoeft weinig commentaar dat de wereld waarin wij leven daar niet op lijkt, en het ook niet gaat doen zolang Christus nog met is teruggekomen. Dit vergt een rechtstreekse ingreep van de hemel, die Christus zal brengen bij zijn komst.

8. Jeruzalem centrum van de wereld

In het Koninkrijk van God zal Jeruzalem het geestelijke en politieke centrum van de wereld worden: Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten order de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren (Jes.2:1-4, zie ook o.a. Zach.14:16-19). 
Jeruzalem zal de plaats zijn waar de volken onderricht ontvangen, waar rechtspraak plaatsvindt en waarheen de volken jaarlijks optrekken om het Loofhuttenteest te vieren. Dit zal gebeuren nadat Christus zijn troon er heeft gevestigd en de volken heeft geoordeeld.

9. Herbouw van de tempel

De tempel die voorafgaand aan de wederkomst in Jeruzalem zal zijn gebouwd, en waarin het beeld van het Beest zal worden geplaatst, zal worden afgebroken. Maar in het Vrederijk zal een nieuwe tempel worden gebouwd, die beschreven staat in het boek Ezechiël: En de heerlijkheid des Heeren kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag. En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof, en ziet, de heerlijkheid des Heeren had het huis vervuld. En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande. En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid (Ezechiël 43:1-7). De bouwkundige en geografische details plus de voorschriften voor de priester- en offerdienst laten weinig twijfel over het feit dat we hier te maken hebben met een letterlijke en fysieke beschrijving van een toekomstige tempel en bijbehorende dienst. Dit wordt bevestigd in overige profetieën aangaande het Vrederijk, zie o.a. Jes.66:20, Zach.14:20.

10. Satan wordt gebonden Als laatste vermeld ik het binden van de satan tijdens het Vrederijk (Op.20:2) voor een periode van duizend jaar. Gedurende deze periode kan satan niet rondgaan om volken en koningen te misleiden of aan te zetten tot oorlog. Dit kan toch onmogelijk met droge ogen beweerd worden van de tijd waarin wij nu leven. Paulus zegt dan ook dat satan de overste is van deze wereld (2Kor.4:4), de overste van de macht der lucht (Ef.2:2) en Petrus zegt dat hij rondgaat als een briesende leeuw (1Petrus 5:8). Dit is heel iets anders dan wat Sorensen beweert, nl. dat satan 'alleen maar in Israël werkte en dat de rest van de wereld slechts met demonen te doen heeft'. Volgens Sorensen is het duidelijk dat de satan reeds in de pool van vuur is geworpen, 'we zien immers een voortdurende afname van de invloed van het kwaad op aarde'. Tjonge, dat mij dat nu niet is opgevallen... 'En hoe zit het dan met satansverering wereldwijd?'. Volgens Sorensen zijn dit ‘slechts' demonen die doen alsof zij satan zijn. Tja, nu kan iedereen natuurlijk van alles beweren, maar ik vraag mij dan wel of waarop je deze bewering baseert. Wat Sorensen zegt over satan staat toch echt haaks op de Schrift. Satan is in het boek Openbaring helemaal niet 'uitsluitend in Israël werkzaam'. Hij geeft zijn gezag juist aan het Beest dat gezag voert 'over elk geslacht en taal en volk en natie' (13:7). Zoals ik onder punt 3 al heb aangetoond is het oordeel over het Beest en de valse profeet toekomstig. Inderdaad, satan is verslagen, maar ook een verslagen tegenstander kan nog weerstand bieden. Inderdaad hebben gelovigen autoriteit ontvangen om in Jezus Naam demonen uit te drijven, maar het is naïef om te veronderstellen dat satan en zijn macht in onze tijd teniet gedaan zouden zijn. Daarover spreken Paulus en Petrus zich in de geciteerde Schriftgedeelten duidelijk uit.

De methode van vergeestelijking

Ik zou door kunnen gaan met gebeurtenissen opsommen die samenhangen met de wederkomst van Christus, maar ik geloof dat de genoemde punten duidelijk maken dat die beslist niet in het jaar 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Een belangrijke sleutel voor de uitleg van Bijbelse profetieën geeft Petrus: 'Geen enkele profetie uit de Schrift laat een eigenmachtige uitleg toe' (2Petr.1:20, NBV). Je zult geduldig Schrift met Schrift moeten vergelijken, totdat je een kader vindt waarin alle teksten en gebeurtenissen tot hun recht komen. Dit is een andere aanpak dan die welke Sorensen voorstaat, zoals we zullen zien. Hij neemt als uitgangspunt een vers uit Mattheüs 24:34 en koppelt de vervulling hiervan rechtstreeks aan de gebeurtenis in 70 n.Chr. Deze uitleg staat op gespannen voet met tal van Schriftplaatsen en dit wordt 'eenvoudig opgelost' door een laatste redmiddel, namelijk door alle daarin genoemde zaken dan maar te vergeestelijken. Met deze methode zul je dan wel meer dan de helft van de Bijbel moeten gaan vergeestelijken, omdat je met een letterlijke uitleg niet meer uit de voeten kunt. Je komt hierdoor bovendien in conflict met wezenlijke geloofszaken. Zo moet Sorensen wel het Bijbelse gegeven van de lichamelijke opstanding vergeestelijken, omdat zijn schema geen ruimte meer laat voor een lichamelijke opstanding. Hiermee betaalt hij de tol dat hij afbreuk doet aan het evangelie dat Paulus verkondigd heeft (1Kor.15:1-4,13). Bovendien wordt er geen hermeneutisch criterium gegeven voor de keuze waarom bepaalde teksten nu wel en andere niet moeten worden vergeestelijkt. Als er geen lichamelijke opstanding is, is er dan wel een lichamelijk sterven geweest van Jezus, of zelfs een lichamelijke kruisiging, of geboorte? Die vragen lijken misschien gezocht, maar als je eenmaal deze weg inslaat, zijn ze dat helaas niet! Wat bepaalt nu immers de keus waarom het ene wel en het andere niet letterlijk moet worden opgevat? Van deze keus legt Sorensen op geen enkele wijze verantwoording af.

Ik wil nu nader ingaan op de onderbouwing die Sorensen geeft op zijn website voor zijn theorie. Deze bestaat uit een aantal gedeelten, nl. ten eerste de Schriftplaats Matth.24:34, ten tweede overige teksten uit de brieven en Openbaring, en ten derde de geschiedschrijving. Ik laat ze een voor een de revue passeren.

Mattheüs 24:34

Sorensen is niet de enige die met de uitleg van deze Schriftplaats gestoeid heeft: 'Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd'. Betekent dit dat binnen de tijdspanne van een generatie alle profetieën over de wederkomst zouden zijn vervuld? Nee, dat hebben we inmiddels vastgesteld. 'Al deze dingen' zullen we dus nader moeten duiden en twee andere verzen in de toespraak helpen ons daarbij. Vs. 8 zegt 'al deze dingen zijn nog maar het begin van de weeën'. Dat betreft dus de gebeurtenissen beschreven in de voorgaande verzen, die wel het einde inluiden, maar die zelf nog met het einde zijn! En vs.33 bevestigt dit: 'wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur'. Als 'al deze dingen' hier 'alle toekomstige gebeurtenissen' zou betekenen, wat is er dan nog 'nabij, voor de deur?! Alles is dan immers al gebeurd? Het parallelgedeelte in Lukas 21:31 maakt dit expliciet: ‘Wanneer u al deze dingen ziet gebeuren, weet dan dat het koninkrijk van God nabij is'. 'Al deze dingen' slaat dus inderdaad op de gebeurtenissen die aankondigen dat de wederkomst en de vestiging van zijn koninkrijk aanstaande zijn'. (2) De Nieuwe Bijbelvertaling geeft Matth.24:34 ook in deze zin weer: 'Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren' [of beginnen te gebeuren]. De gebeurtenissen zouden hun loop al gaan nemen bij de val van Jeruzalem, maar de voleinding van die gebeurtenissen voltrekt zich pas bij de wederkomst van Christus.

Overigens betekent 'geslacht' (enkelvoud) in Mattheüs zelden of nooit een 'generatie' van mensen, maar juist een ‘categorie' mensen. Matth.12:39 zegt bijvoorbeeld 'een boos en overspelig geslacht verlangt een teken'. Daarmee bedoelde Jezus niet 'de mensen die tussen 30 en 70 n.Chr. leefden'. Immers ook Paulus zegt ‘Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid' (1Kor.1:22). Het was een kenmerk van het Jodendom dat zij een teken zochten. Nu mocht het bij de val van Jeruzalem en de grote diaspora lijken alsof Israël en het Jodendom definitief zouden ophouden te bestaan, maar de vijgenboom zou in het laatst der dagen opnieuw gaan botten en uitlopen: er is een wonderlijk herstel van Israël in de eindtijd. Dus zelfs wanneer 'al deze dingen' een grotere tijdspanne dan een mensenleven omvat, zal ‘dit geslacht' inderdaad geenszins voorbij zijn gegaan voordat ze zijn gebeurd. 

De brieven en de Openbaring

Sorensen haalt tal van verwijzingen uit de brieven aan, die alle zeggen dat 'de tijd nog kort is' en dat het 'de laatste ure is'. Hieruit is echter geen absoluut tijdstip af te leiden waarop de Heer terug zou komen. Het betekent integendeel dat, ook al zou de komst van de Heer langer op zich laten wachten, de dienstknechten toch zo moeten leven als kon de Heer elk ogenblik terugkeren. De gelijkenissen in de evangeliën onderstrepen dit (Matth. 24:45-51, 25:1-13, 14-30, Luk.12:35-48). Het moet overigens toch ook boekdelen spreken dat geen enkele geïnspireerde Bijbelschrijver zegt dat de komst van de Heer al geweest is! Maar bovendien zegt Paulus in 2Thess.2 aan die gelovigen die meenden dat de dag van de Heer al wel was aangebroken dat dit helemaal met kon. Daarvoor moest eerst de mens van de zonde geopenbaard worden en die kan op zijn beurt nog niet komen omdat eerst 'de tegenhouder' moet worden weggenomen. Dit kan alleen maar slaan op de in de Gemeente inwonende Heilige Geest, die bij de opname van de Gemeente wordt weggenomen. Pas daarna zullen de toorn van het Lam en de oordelen van God de aarde treffen.

Bij de datering van het boek Openbaring maakt Sorensen het wel erg bont: 'Sommigen beweren dat Openbaring is geschreven na de val van Jeruzalem.' Laat dat ‘sommigen' maar weg, alsof we hier met een stelletje exoten te maken hebben die Openbaring zo laat dateren. Al sinds de 2e eeuw n.Chr. - en wel bij monde van Polycarpus, nota bene de directe leerling en tijdgenoot van Johannes zelf - is de overgrote meerderheid van alle commentatoren het erover eens dat Johannes dit boek geschreven heeft onder keizer Domitianus, en wel rond het jaar 95 n.Chr. Dit feit alleen al ontkracht de theorie dat Christus in 70 n.Chr. teruggekomen was: Johannes profeteert er immers over! Johannes profeteert ook over een tempel in Jeruzalem (11:2). Dat ziet niet op de tempel van Herodes, zoals Sorensen meent, die is immers niet gedurende 42 maanden door de volken ontheiligd. Dat is niet gebeurd bij de belegering door Vespasianus, maar zal wel gebeuren in de tempel die zal worden gebouwd in de toekomst.
De brieven van het Nieuwe Testament en het boek Openbaring pleiten dus beslist niet voor een wederkomst van Christus in 70 n.Chr.

De geschiedschrijving

Als derde getuige voert Sorensen een aantal 'zeer betrouwbare historische bronnen' aan. Hij verwijst naar Pseudo-Hegesippus, Eusebius, Flavius Josephus, Gaius Tacitus en Sepher-Josippon, die allen onafhankelijk van elkaar - althans die suggestie wordt gewekt, beschrijvingen geven van bovennatuurlijke tekenen bij de val van Jeruzalem. Daarmee zouden de tekenen uit Matth.24:29-30 in vervulling zijn gegaan. Laat mij nu één voor één deze historische getuigen onder de loupe nemen. Pseudo-Hegesippus is een geschrift uit de vierde eeuw dat vrijwel volledig bestaat uit een vrije vertaling of parafrase van het boek Josephus. Josephus schreef zijn werk in het Grieks en Pseudo-Hegesippus is niets anders dan een Latijnse vertaling van datzelfde boek. De naam Hegesippus is een verbastering van de naam Iosippius: Josephus. (Catholic Encyclopedia:1913 - Pseudo-Hegesippus). Eusebius schreef zijn Kerkgeschiedenis in de eerste heeft van de 4e eeuw n.Chr. Inderdaad beschrijft hij eveneens opzienbarende tekenen bij de val van Jeruzalem (III.8.1-6), maar Eusebius citeert daarbij 'de historicus' en deze historicus is niemand minder dan Josephus. (Eusebius:1993 reprint). Is dit Sorensen nu zelf niet opgevallen of vergeet hij dit te vermelden? Gains Tacitus, of Publius Cornelius Tacitus is evenmin een directe getuige van de val van Jeruzalem. Hij schreef zijn Histotiae begin 2e eeuw en gaat voor de details over de val van Jeruzalem terug op een andere bron. Wie de beschrijving van Tacitus met die van Josephus vergelijkt kan met dichte ogen raden wie zijn bron is: Josephus!
Sorensen gaat verder en voert een nieuwe historische 'bron' op: Sepher-Josippon. U voelt hem al aankomen. Wie enige kennis van het Hebreeuws heeft weer dat 'sepher' 'boek' of 'boek van' betekent, en Josippon is natuurlijk niemand anders dan Josephus. Sepher-Josippon is een geschrift uit de 10e eeuw, dus werd geschreven ca. 900 jaar na de val van Jeruzalem. Het handelt over een veelheid van zaken, boort vroeg-Joodse en Bijbelse bronnen aan, en voor de beschrijving van de oorlogen citeert de auteur natuurlijk niemand anders dan: Josephus (josephus.orinst.ox.ac.uk/archives/935).
Al deze 'historische bronnen' gaan in werkelijkheid dus terug op Flavius Josephus — over wie later meer. De wijze waarop Sorensen zijn 'historisch bewijs' presenteert, bezorgt mij een onbehaaglijk gevoel. Het wekt namelijk de schijn van een veelheid aan getuigen, terwijl deze auteurs allen één en dezelfde bron citeren. Sorensen zwijgt daarover in alle talen. Ik ga ervan uit dat hij dat niet bewust doet — om zijn geschiedkundige bewijs wat 'op te kloppen' - maar moet dan wel concluderen dat hij blijkbaar niet het minste onderzoek naar zijn bronnen heeft verricht. Dit ondermijnt de betrouwbaarheid van zijn theorie.

Nu over Josephus zelf. Josephus bevond zich ten tijde van de Romeinse belegering niet in Jeruzalem, maar in het Romeinse kamp. Hij was vroeg in de opstand krijgsgevangen genomen, viel in de gunst bij keizer Vespasianus en ging na de val van Jeruzalem met Titus mee naar Rome. Zijn tweede naam dankt hij aan het keizerlijke huis van de Flavii. In Rome schreef hij zijn boeken, en betoogde daarin dat het Romeinse Leger — waaraan hij zijn huidige goede leven dankte - een instrument was in de hand van God en dat de val van Jeruzalem Gods wil was. Met deze voorkennis vernemen we nu wat hij schreef over de val van Jeruzalem (Josephus:1960 reprint, pp. 581-583, Nederlandse vertaling van mij): 'Zo werd het ellendige volk overtuigd door bedriegers en diegenen die God loochenden, daar zij geen acht gaven, noch geloof hechtten aan de tekenen die toch zo evident waren en die zo duidelijk hun ondergang voorspelden... zij hielden geen rekening met de aanklacht die God tegen hen had... Zo was er een ster, die leek op een zwaard, die boven de stad stond, en een komeet, die een jaar doorging... op de achtste dag van de maand Nisan en op het negende uur van de nacht scheen er een licht rondom het altaar en het huis, zo helder dat het dag leek; dit duurde een half uur... Op ditzelfde feest baarde een koe, die naar de priester werd geleid een lam in het midden van de tempel... en een paar dagen na het feest, op de 21e dag van de maand Artemistus verscheen er een ongelooflijk en buitengewoon teken; ik veronderstel dat het relaas ervan klinkt als een fabel, als het niet werd verteld door velen die het hebben gezien... want voor zonsondergang werden strijdwagens en soldatentroepen gezien die door de wolken renden en de stad omsingelden... en de priesters die dienstdeden bij het altaar hoorden uit de vuurhaard het geluid als van een menigte die zei: Laten we hier vandaan gaan'... De joden hadden hun tempelplein vierkant gemaakt door het afbreken van de burcht Antonia, en tegelijkertijd in hun heilige orakels geschreven ‘toen zou hun stad zowel als de tempel ingenomen worden, als ze hun tempel vierkant zouden hebben gemaakt... en in die tijd zou iemand uit hun land regeerder van de aarde worden... maar dit orakel handelde over Vespasianus, die aangewezen was als keizer in Judea'.

Tot zover Josephus. Iedereen die enigszins bekend is met de literaire stijl van Joodse apocriefe en deutero-canonieke boeken, herkent hier onmiddellijk dezelfde verhaaltrant bij Josephus, gelardeerd met fantasie en fabels. 'Goddelijke tekenen' als een koe die een lam baart, een stem uit bet altaar die de priesters oproept om te vertrekken, en zelfs een heilig orakel dat de heerschappij van Vespasianus aankondigt, vallen buiten iedere geloofwaardigheid. Bovendien beantwoordt de verschijning van de hemellegers helemaal met aan het profetische woord. Volgens Josephus strijden ze immers mét de Romeinen en tégen Jeruzalem, terwijl de Bijbelse legers toch met de Heer, vóór zijn volk en tégen hun vijanden strijden? Wanneer we weten met welk doel en voor wie Josephus dit heeft opgeschreven, is het niet moeilijk om de politieke lading van dit boek te ontwaren. De door Sorensen opgevoerde 'zeer betrouwbare en historische bronnen' kunnen we zondermeer naar het rijk van de fabels verwijzen en de gelovigen zouden er goed aan doen om hier geen enkele aandacht meer aan te besteden.

Ik zou nog in kunnen gaan op allerlei kanttekeningen die Sorensen plaatst bij de lichamelijke terugkomst van Jezus, die zich niet 'in de fysieke dimensie' voltrekt maar 'geestelijk moet worden verstaan', net als trouwens de opname van de gemeente in de lucht, die ook verwijst naar een 'geestelijk rijk'. De nieuwe hemel en nieuwe aarde zijn natuurlijk óók nog slechts 'geestelijke' begrippen, net als de toekomstige tempel van Ezechiël en ... nou ja, eigenlijk gewoon alles. Dat we dit letterlijk moeten verstaan zijn 'allemaal misverstanden', gecreëerd door 'mensen die geen enkele kennis hebben van de taal en cultuur van de Bijbel en elkaar maar een beetje napraten', mensen die ‘wilde leringen de wereld insturen' en een 'onwetende christenheid misleiden'. De lezer oordele zelf.

Ik eindig met twee zaken die beslist nog aan bod moeten komen, nl. de opstanding, en 'het aangebroken koninkrijk'.

Opstanding uit de doden

Sprekend over de opstanding blijkt welke hoge tol Sorensen betaalt voor de verdediging van zijn theorie. Ik citeer: ‘Doorheen het Oude en Nieuwe Testament wordt voorspeld dat bij de komst van Jezus de zogenaamde ‘opstanding van de doden’ zal plaatsvinden. Een van de grootste misverstanden onder christenen is het idee dat de doden dan fysiek opstaan. Nergens in de Bijbel wordt echter gezegd dat de opstanding lichamelijk zou zijn. Steeds is er sprake van een geestelijke opstanding... Als wij sterven, gaan wij niet meer naar een dodenrijk, maar we stappen eenvoudig uit ons aardse lichaam en leven verder in ons geestelijke lichaam.’

Geen lichamelijke opstanding dus meer, 'opstanding' betekent doorleven in een 'geestelijk lichaam' in een 'geestelijke werkelijkheid'. Nu is de term 'geestelijk lichaam' al een innerlijke tegenspraak, immers geesten hebben helemaal geen lichaam. Maar we laten de Bijbel voor zich spreken: ‘Thomas, breng je vinger hier en zie mijn handen en breng je hand en steek die in mijn zijde' (Joh.20:27). Ik kan u verzekeren: wie dit bij een geest probeert, tast in de lucht. 'Zij nu kwamen naar Hem toe, grepen zijn voeten en huldigden Hem' (Matth.28:9). En Lukas vertelt: 'Zij werden echter angstig en erg bang en meenden een geest te zien. En Hij zei: betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb... en Hij zei tot hen: hebt u hier iets te eten? Zij nu gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. En Hij nam het en at het voor hun ogen'. Hoe Sorensen kan ontkennen dat de Bijbel hier spreekt van een fysiek lichaam is mij een raadsel. Iemand die vlees en beenderen heeft en die vis eet, heeft toch een lichaam? Geestelijk voortleven na het sterven is niet hetzelfde als een leer van de opstanding. Als Jezus zegt 'Ik zal hem opwekken op de laatste dag' (Joh.6:54), waar is de overledene dan volgens Sorensen tussen de dag van zijn heengaan en de laatste dag? Even duidelijk als de Schrift is over de opstanding van Christus, is zij over de onze: 'God nu heeft de Heer opgewekt en zal ook ons opwekken door zijn kracht (1Kor.6:14), 'En als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maker door zijn Geest die in u woont' (Rom.8:11). Een sterfelijk lichaam levend maken is toch echt iets anders dan een geestelijk voortbestaan.

Ons lichaam wordt in de Schrift wel vergeleken met een tent waarin wij wonen. Sterven wij, dan worden wij ontkleed: onze geest leeft voort zonder lichaam. Maar worden wij opgewekt, dan ontvangen wij een nieuw en eeuwig lichaam (2Kor.5:1-10). Dit idee staat haaks op de Griekse levensbeschouwing in Jezus' dagen: zij beschouwden het afleggen van het lichaam als een bevrijding en de idee dat men opnieuw in een lichaam zou worden opgewekt was hun dwaasheid. De Sadduceeën hadden deze idee van de Grieken overgenomen. En het is om deze reden dat zij botsten, niet alleen met de Farizeeën, maar ook met de Heer zelf: 'U dwaalt wel zeer, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God' (Matth.22:29). De opstanding van de doden was een kern van het evangelie dat de discipelen verkondigden: 'Die God heeft opgewekt uit de doden, van wie wij getuigen zijn (Hand.3:15; zie ook 4:10, 5:30, 10:40, 13:37, 17:3, 17:18). 'Over de hoop en de opstanding van doden sta ik terecht' (Hand. 2 3:6).

Dat Sorensen zijn eigen theorie heeft over de terugkeer van Christus, is nog tot daaraan toe. Maar dat hij omwille van die theorie ook de lichamelijke opstanding uit de doden ontkent, doet op jammerlijke wijze afbreuk aan de boodschap van het evangelie: 'Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd,... dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften, en dat Hij is begraven en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften'! (lKor.15:1-4).

Het aangebroken koninkrijk

Tenslotte wil ik iets zeggen over de conclusies die uit het preterisme volgen voor onze tijd. Aangezien volgens Sorensen alle profetieën uit de Schrift reeds in vervulling zijn gegaan, er geen nieuwe eeuw, en zelfs geen nieuwe hemel en aarde meer zullen volgen, is het aan de gelovigen in onze tijd om alle beloften aangaande het koninkrijk te verwerkelijken. Dit legt een niet reële verwachting en druk op de bediening van gaven, genezingen en wonderen in deze tijd. Let wel: ik geloof in de onverminderde werkzaamheid van de gaven van de Geest in onze tijd — bijvoorbeeld zoals vermeld in 1 Kor. 12 - en ik geloof dat God de prediking van zijn woord bevestigt door tekenen en wonderen — bijvoorbeeld zoals vermeld in Markus 16:18. Ik ben dus geen cessationist of ultra-dispensationalist die beweert dat (bepaalde) gaven, tekenen en wonderen niet meer voorkomen in onze dagen. Maar we moeten ons wel baseren op een goede Bijbelse basis en verantwoording van deze manifestaties, en ik geloof dat het preterisme die niet biedt. Dit houdt namelijk in dat Gód alles al gedaan en gegeven heeft, en dat de gelovigen, door eenvoudig te doen wat God van hen vraagt, de vervulling van alle beloften zullen zien. De dwingende conclusie is dat als een zieke niet geneest na de bediening van de genezingsgave, wellicht het geloof van de genezer of — nog erger — van de zieke tekortschiet. Deze leer gaat voorbij aan de soevereiniteit van God in de bediening van de gaven. Ze onderscheidt niet het doel waarvoor de gaven primair zijn gegeven, nl. — in een notendop - manifestaties die de Geest geeft wanneer Hij dat wil tot opbouwing van de gemeente c.q. tekenen en wonderen die de Heer werkt om de prediking van het evangelie te bekrachtigen. We houden daarbij altijd rekening met het karakter van de tijd of de bedeling waarin wij leven, nl. dat het koninkrijk van God in onze dagen nog niet de uiteindelijke vorm aanneemt zoals beschreven in de profetieën, omdat de vervulling van die profetieën wacht op de komst van Christus. Wij leven in de tijd van het onvolmaakte en de hoop op Gods beloften. Deze wetenschap maakt dat ik met steeds toenemende toewijding en geloof mij hier op aarde wil inzetten voor de zaak van het koninkrijk van mijn Heer, wetende dat Hij Zelf eenmaal totale verlossing, vrede en gerechtigheid zal brengen op deze aarde.

Literatuur

Eusebius, the Ecclesiastical History of, 1993 (reprint), Baker Book House, Grand Rapids
Josephus F., The complete works of, 1960 (reprint), Kregel, Grand Rapids
Ouweneel W.J., De toekomst van God, 2012, Medema, Heerenveen
Pentecost J.D., Things to Come, 1958, Academic Books, Grand Rapids
Schürer E., A history of the Jewish people in the time of Jesus Christ, 2010 reprint), Hendrickson, Peabody
Walvoord J., Major Bible Prophecies, 2000, Zondervan, Grand Rapids

Noten:
(1) Teksten uit het Oude Testament worden geciteerd uit de Statenvertaling, teksten uit het Nieuwe Testament worden geciteerd uit de Telosvertaling.

(2) Voor wie het verder na wil gaan: de tijdlijn is in het evangelie van Lukas nog duidelijker dan in Mattheus: vs. 20-24 ziet op de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. 'Alles' in vs. 22 betekent dus niet 'alle profetieën' maar 'alles wat geschreven staat over het begin van de weeën'. Het gedeelte vervolgt immers met de tijden van de volken (vs.24-26) – dat is de tijd dat Jeruzalem vertrapt wordt door de volken en die hield niet op in 70 n.Chr. Pas daarna beschrijft hij de wederkomst van de Zoon des mensen (vs.26-28). Dit sluit hij af met te zeggen (vs.28) 'als nu deze dingen beginnen te gebeuren...'. Dus eerst de val van Jeruzalem, dan de tijden van de volken, en daarna de wederkomst van Christus en het koninkrijk.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

The Great Reset

 

 

 

 

Het boek wat op de laatste tijd grote aandacht in de pers trekt is ‘The Great Reset’ van de auteur Klaus Schwab met als subtitel: ‘The Fourth Industrial Revolution’. Het geeft een blik op de toekomst en de grote veranderingen die in 2030 mogelijk zullen moeten plaatsvinden.

Naar aanleiding van dat boek kunt u een preek van Ds. P.J. Visser op YouTube vinden met als titel '’The Great Reset’ en 'het beest' naar aanleiding van Openbaring 13. Voor velen een ‘eyeopener!’ Het is een streven van veel economen en politici dat na de coronacrisis The Great Reset er zou moeten komen. Zowel in de Nederlandse als de internationale politiek duikt de term, net als ‘Build Back Better’, steeds vaker op. Nee, wees niet bang, het is geen complottheorie zegt men, of toch wel? Maar wat is het dan wel en wat wil men dan met ‘The Great Reset’ bereiken?

(1) Waar dook de term voor het eerst op?

The Great Reset is de naam van de 50ste jaarlijkse meeting van het World Economic Forum (WEF) in juni 2020. Het slaat op een voorstel dat werd gepresenteerd door het WEF om de wereldeconomie na de coronapandemie opnieuw duurzaam op te bouwen. Het voorstel werd gepresenteerd door de Britse prins Charles en WEF-directeur Klaus Schwab onder de titel The Great Reset, Transforming Our World and Building Back Better en verscheen ook in boekvorm. Het is echter nog wachten op een Nederlandse editie. Het belangrijkste doel van The Great Reset is de coronacrisis aangrijpen om belangrijke veranderingen op wereldschaal door te voeren op het gebied van economie, klimaat, gelijkheid, technologie en politiek. Het is overigens niet voor het eerst dat het WEF een grootse spreuk gebruikt als thema voor een bijeenkomst. Zo kwamen eerder Shaping the Post-Crisis World (2009), Rethink, Redesign, Rebuild (2010), The Great Transformation (2012) en Creating a Shared Future in a Fractured World (2018) voorbij.

(2) Op welke thema’s heeft The Great Reset betrekking?

De grote herstart (The Great Reset) gaat om vernieuwing van verscheidene systemen. Het WEF grijpt de coronacrisis naar eigen zeggen aan om te kunnen werken aan veerkrachtige, inclusieve en duurzame economieën. Behalve in de financiële wereld, moeten er ook grote veranderingen worden doorgevoerd in andere systemen zoals de gezondheidszorg, het onderwijs en de energievoorziening en de aanpak van klimaatverandering. De zeventien Sustainable Development Goals (SDGs) of Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties dienen hiervoor als richtlijn. Deze doelstellingen van de Verenigde Naties zijn in 2015 opgesteld en moeten ervoor zorgen dat de wereld in 2030 vrediger, duurzamer en gelijkwaardiger is. Onder deze doelstellingen vallen onder meer het uitbannen van alle vormen van armoede, einde aan honger en de aanpak van klimaatverandering.

(3) Wie refereren aan The Great Reset?

Klaus Schwab en prins Charles hebben inmiddels bijval gekregen van een flink rijtje internationale leiders en invloedrijke figuren. De kreet ‘Build Back Better’ –  uit de slogan van het WEF – is inmiddels in de mond genomen door de Britse voormalige premier Tony Blair, klimaatactivist Greta Thunberg, de Franse president Emmanuel Macron, de Clintons, voorzitter van het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten Nancy Pelosi, de Canadese premier Justin Trudeau, de Britse premier Boris Johnson, de Democraat Elizabeth Warren, voormalig president van de Verenigde Staten Barack Obama, de Amerikaanse president Joe Biden, techmiljardair Bill Gates, hoofd van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) Kristalina Ivanova Georgieva, de Amerikaanse vicepresident Kamala Harris, de Britse prins Harry, de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, secretaris-generaal van de Verenigd Naties António Guterres, de voorzitter van de Europese Comissie Ursula von der Leyen, de Belgische premier Alexander De Croo en niet te vergeten premier Mark Rutte (VVD).

De Nederlandse Forum Voor Democratie-lijsttrekker Thierry Baudet deelde dinsdag 26 januari een bericht op Twitter waarin hij zijn verbazing uit over de term ‘Build Back Better’ in een toespraak van premier Rutte in september vorig jaar. Die speech hield Rutte ter ere van de opening van een regionaal kantoor in Bangladesh van een organisatie die zich bezighoudt met klimaatadaptatie. ‘Waar komt die slogan vandaan, waarom gebruiken ze die ineens allemaal?’ schrijft Baudet. Rutte is overigens niet de enige Nederlandse politicus die ‘Build Back Better’ aanhaalde. Ook minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag (D66), minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok (VVD), staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Stientje van Veldhoven (D66) en minister van Infrastructuur en Waterstaat Cora van Nieuwenhuizen (VVD) gebruikten de term eerder in speeches of beleidsstukken. Het Nederlands kabinet kan in ieder geval rekenen op steun van de bestuurlijke elite van Nederland. In een groot onderzoek onder 200 Nederlanders uit deze elite door de Volkskrant blijkt dat een meerderheid van zeven op de tien voorstander is van een herstart, een Reset. Zoals Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): ‘We moeten onze crisisbestrijding meteen koppelen aan langetermijndoelen, bijvoorbeeld steunmaatregelen aan duurzaamheid en inclusiviteit. Er komen zeker meer pandemieën, dus we moeten schokbestendiger worden.’

(4) Betekent Build Back Better hetzelfde als The Great Reset?

Het is niet duidelijk of alle politici dezelfde politieke inhoudelijke waarde toedichten aan de woorden Build Back Better als de auteur Klaus Schwab. Het kan simpelweg ook duiden op economisch herstel na de coronacrisis, zoals premier Rutte uitlegde in de Tweede Kamer na een vraag van Henk Krol over zijn uitspraak Build Back Better. Rutte refereerde hierbij niet naar het WEF. De term Build Back Better bestaat al langer. In 2015, tijdens de derde conferentie van de Verenigde Naties over het verminderen van risico’s van natuurrampen, gebruikte de Japanse premier Shinzo Abe hem ook.  ‘De woorden Build Back Better klinken als een nieuw concept, maar dit is voor het Japanse volk gezond verstand, voortkomend uit onze historische ervaringen bij het herstellen van een ramp en het voorbereiden op de toekomst, en het is een belangrijk onderdeel geworden van de cultuur van Japan,’ zei Abe.

Tot zover en kijk aansluitend eens naar de preek op YouTube van Ds. P.J. Visser over Openbaring 13 ‘The Great Reset en het beest'. Voor velen is het een ‘eyeopener geweest!’

(5) De preek van ds. Visser

In de christelijke media werd de afgelopen weken veel geschreven over de preek van Paul Visser over Openbaring 13, die door meer dan 200.000 mensen via YouTube is bekeken.Met interesse en toenemende geboeidheid luisterde ik naar de preek van ds. Paul Visser over ‘The Great Reset’. Op een wat aarzelende, voorzichtige, maar overtuigende wijze wist hij tijdens de preek interesse te wekken voor de dingen die in Openbaring 13 beschreven staan in vergelijking met de ontwikkelingen rond The Great Reset van dr. Klaus Schwab.Zelf zei hij, dat er binnen zijn eigen kerk erg weinig aandacht geschonken wordt aan zaken, zoals beschreven in Openbaring 13. Des te meer is het dapper van ds. Visser om na lang stilzwijgen van zijn kerk op deze wijze hier nu wel aandacht aan te schenken, en hoe!

Wat is de Great Reset? Het IMF (Internationaal Monetair Fonds) en het WEF (World Economical Forum) hebben een routekaart ontwikkeld die antwoord moet geven op de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen die in 2030 bereikt moeten worden. Over negen jaar moeten de doelstellingen gerealiseerd zijn en is onze wereld gereset! De pandemie rond corona blijkt de springplank te worden om het doel te bereiken. De trans-gehumaniseerde mens is afhankelijk van de digitale wereld en is overal traceerbaar, controleerbaar en beheersbaar. Hiermee creëren we de mens voor de nieuwe wereldorde.

Ds. Visser somt vier punten op vanuit dit rapport:

1e. Trans-humanisering

Over de trans-humanisering van onze samenleving liet hij zien dat de mens steeds meer een onderdeel wordt van de vierde industrialisatie, waarin de mens steeds meer een mechanisch wezen wordt, gestuurd door kunstmatig intelligentie, data mining, cloud computing en robotics. Mens en computertechnologie zullen moeten samensmelten tot een nieuwe supermens door chipimplementatie in het menselijk brein met behulp van de neurolink-technologie. Voor velen is de mobiele telefoon nu al een verlengstuk van het menselijk lichaam. Onze telefoon is ons extern geheugen, onze navigatie, en heeft onze sociale vermogens van ons grotendeels overgenomen. De trans-gehumaniseerde mens is dan volkomen afhankelijk van de digitale wereld en is overal traceerbaar, controleerbaar en beheersbaar. Hiermee creëren we de mens van de toekomst, de mens voor de nieuwe wereldorde.

2e. Economische hervorming

Over de hervorming van de economie schrijft Klaus Schwab, dat er een rechtvaardige verdeling moet komen van al het geld en bezittingen op aarde. Door de enorme staatschulden die de landen inmiddels opgebouwd hebben, die nooit meer afgelost kunnen worden, zal binnenkort de wereldeconomie ineenstorten en het wereldkapitaal door één Wereldbank beheerd moeten worden. De wereldmunt zal dan niet meer geleid worden door de Amerikaanse dollar, maar door een digitale munt, zoals de Bitcoin. China is daar al veel verder mee dan de rest van de wereld. Zij die volgens de trans-humanitaire regels leven, ontvangen hun geld vanuit deze Wereldbank. Wanneer je niet mee doet, ben je uitgeplugd en heb je niets om te kopen of te verkopen. Velen weten niet meer wie ze zijn en in deze onzekerheid is het erg eenvoudig de mensen te beïnvloeden en klaar te maken voor de nieuwe wereldorde.

3e. Vrijheid, gelijkheid en solidariteit

Het derde punt over vrijheid, gelijkheid en solidariteit zien we vandaag in volle snelheid en ontwikkeling plaatsvinden. Het is een variant op de Franse Revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. De gendermainstream heeft als een storm in onze samenleving huisgehouden en heeft velen, vooral jongeren aan het twijfelen gebracht over hun identiteit. Christelijke normen en waarden tellen vandaag niet meer mee. Hoewel de Bijbel ons vertelt dat de Here God de mens als man en als vrouw geschapen heeft, bevinden zich vandaag tussen man en vrouw nog vele tussenvormen. Velen weten niet meer wie ze zijn en in deze onzekerheid is het erg eenvoudig de mensen te beïnvloeden en klaar te maken voor de nieuwe wereldorde.

4e. Oplossing van de klimaatcrisis

Als vierde punt werd de oplossing voor de klimaatcrisis genoemd. Natuurlijk is het Godgeklaagd, hoe we als mensen omgegaan zijn met Zijn schepping. Niemand zal er toch op tegen zijn om naar een oplossing voor het de opwarming van de aarde te zoeken? In dit probleem slaan de meeste landen de handen in een om dit probleem op te lossen. Iedereen doet hieraan mee. Maar waar ligt de eigenlijke oorzaak van het ‘zuchten van de schepping’ zoals Romeinen 8:20s-22 het zegt? Is het niet de zondeval, waardoor de schepping aan de vruchteloosheid onderworpen is? Moeten we het antwoord niet vinden in de Bijbel, bij God? De Bijbel leert ons dat de enige hoop voor onze schepping de wederkomst van Christus is, die deze vervallen schepping zal veranderen in de ‘Hof van Eden’! Elke menselijk poging om deze schepping te verbeteren is gedoemd om te mislukken! Het is de mens, los van God, die zijn eigen problemen op denkt te lossen, maar het zal hem buiten God om niet lukken!

Een satanische drie-eenheid: satan, de antichrist en de valse profeet

In Openbaring 12 en 13 wordt over een satanische drie-eenheid gesproken. In Openbaring 12 gaat het over de draak (satan), die de vrouw met twaalf sterren (Israël) vervolgt. De draak, de oude slang (vers 9) wordt op de aarde geworpen, waarna een beest uit de zee opkomt (13:1). Dit beest lijkt sprekend op de draak en heeft, net zoals de draak, ook zeven koppen en tien horens. Het beest (de antichrist) ontvangt van de draak zijn kracht, zijn troon en grote macht (vers 2), waarmee hij de mogelijkheid krijgt om de grote wereldleider te worden. Eens had satan dezelfde macht de Here Jezus aangeboden, wanneer Hij voor satan zou buigen, maar de Here Jezus deed het niet (Lucas 4:5-8). De antichrist kennelijk wel, waarmee hij een satanist is!

The Great Reset maakt de samenleving klaar voor de wereldheerschappij van de antichrist.

In Openbaring 13:1-10 zien we de antichrist zich tot een wereldleider van formaat ontwikkelen. In vers 7 en 8 lezen we dat alle volkeren der aarde hem zullen erkennen en aanbidden. In het tweede gedeelte van Openbaring 13 lezen we over een ‘ander beest’ dat uit de aarde opkomt, de valse profeet, die de mensen op aarde zal verleiden, de antichrist te volgen en te aanbidden. Deze satanische drie-eenheid lijkt erg veel op de Goddelijke drie-eenheid. Net zoals de antichrist op de satan lijkt, zo was de Here Jezus het beeld van God: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader’! Het ander beest, lijkt op ‘de ander Trooster’, de Heilige Geest die gekomen is om geloof te bewerken, zodat we in de Here Jezus gaan geloven, dienen en Hem aanbidden, net zoals de valse profeet de mensen met tekenen en wonderen verleidt om in de antichrist te geloven te dienen en te aanbidden. Openbaring 13 vertelt ons over een samenleving onder de heerschappij van één wereldleider. Iedereen moet meedoen, anders word je uitgeplugd en kun je niet meer kopen of verkopen. Het getal 666 op voorhoofd en rechterhand is het hoogste dat de mens kan bereiken. Zowel hun gedachten als hun handelen zijn in overeenstemming met de antichrist.

The Great Reset pas ná The Great Rapture

The Great Reset maakt de samenleving klaar voor de wereldheerschappij van de antichrist. Zonder dat we het weten, veranderen we mee, op weg naar The Great Reset. Deze periode wordt in de Bijbel ook wel ‘De Grote Verdrukking’ genoemd, waarna de Here Jezus zichtbaar op aarde weder zal komen. Vóór deze Grote Verdrukking zal de Here Jezus zijn Gemeente evacueren (Op.3:10; 1Thes.4:13-18; Joh.14:1-3). Voor de Gemeente is er een geweldig hoop maar voor de ongelovigen, zonder Christus, vreselijk veel ellende. Wat een opdracht om juist nu het evangelie duidelijk te laten klinken!

_____________________________________________________________