Pre-Wrath Rapture of the Church

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Korte inhoud van de Pre-Wrath doctrine

 

Deel 1

 

 

 

Woord vooraf

Deze visie kan zich niet beroemen op een breed publiek en is in het Nederlandse taalgebied praktisch onbekend. Ik wijs deze visie ten zeerste af als niet in oveereenstemming met de Schrift. Deze reeks artikelen is geschreven voor hen die beroepshalve zich op de hoogte dienen te houden van wat erop het christelijk terrein verkondigd wordt en vooral op het gebeid van de eschatologie. Iedereen is uiteraard vrij om zich er in te verdiepen, maar kan die tijd beter besteden om zich met de inhoud van de rubriek Eschatologie bezig houden.

Om een goed beeld te krijgen van wat de Pre-Wrath Rapture of the Church (Opname van de Gemeente vóór de Toorn van God) leert, geef ik eerst een kort overzicht zoals het volgens Marvin J. Rosenthal voor het eerst gepresenteerd werd in 1990. Deze visie is niet zo gemakkelijk uit te leggen en het vergt enige inspanning om de inhoud, betekenis en consequenties van deze leer te begrijpen. Niet voor ‘dummies’ zou ik zeggen!

Bij voorbaat ga ik zeggen dat ik deze leer als onjuist verwerp! De redenen daarvoor zal ik een de komende artikelen aangeven. Ik zelf volg de futuristisch-pretribulationistisch-prechialistische uitleg, 

 

De Pre-Wrath Rapture zoals het gepresenteerd wordt in het boek van Marvin J. Rosenthal gaat ervan uit dat de laatste zeven jaar van de zeventigste jaarweek van Daniël 9 uit drie delen bestaat (blz.233).

Het eerste gedeelte bevat de weeën (Mat.24:4-8), of de eerste vier zegels (Op.6:1-8). Het bestrijkt de eerste helft van de zeventigste jaarweek (de eerste drie-en-half jaar).

Het tweede gedeelte bestaat uit de Grote Verdrukking (Mat.24:21). Deze begint in het midden van de zeventigste jaarweek bij het openen van het vijfde zegel (Op.6:9-11) en zal worden ingekort of eindigt met de kosmische gebeurtenissen van het zesde zegel (Op.6:12-14) ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste week. Dus, de Grote Verdrukking duurt niet de gehele tweede helft van de laatste jaarweek.

Volgens de Pre-Wrath leer, is het zesde zegel, met zijn grote kosmische gebeurtenissen en een grote aardbeving (Op.6:12-17), een waarschuwing, liever een ‘wake up call’ voor de ongelovigen dat het derde gedeelte (namelijk de Dag van de Heer) op het punt staat aan te breken bij het openen van het zevende zegel (Op.8:1).

De Gemeente (d.w.z. de grote schare van Op.7:9-17) zal van de aarde worden weggenomen tussen het zesde en zevende zegel, wanneer Christus uit de hemel zal verschijnen bij zijn tweede komst in heerlijkheid. Omdat Christus de Gemeente zal opnemen ná de Grote Verdrukking en vóórdat de Dag van de Heer begint, is de Opname tegelijkertijd en gelijkgesteld met de Tweede komst van Christus. Anders gezegd, het is de eerste gebeurtenis van een reeks dat deel uit gaat maken van de gebeurtenissen van Christus tweede komst.

Het derde gedeelte van de zeventigste jaarweek zal voor het grootste gedeelte bestaan uit de Dag van de Heer. Deze begint met het openen van het zevende zegel (Op.8:1) op hetzelfde moment dat de tweede komst en de Opname plaatsvinden. Dus de Dag des Heren zal niet eerder beginnen dan ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste jaarweek. De Dag van de Heer zal voortduren tot aan het einde van de zeventigste week en door een toevoeging van dertig dagen zal deze periode worden ingekort.

De Dag van de Heer zal gekenmerkt worden door de uitstorting van Gods toorn op de aarde. Gods toorn zal niet eerder beginnen dan de Dag van de Heer die begint met het openen van het zevende zegel (8:1).

Het begin van de weeën (zegels 1 tot 4) en de Grote Verdrukking (zegel 5) bestaat niet uit de toorn van God. Ze worden in het geheel gekenmerkt door satanische en menselijke wraak. Dus er is geen Goddelijke toorn tijdens de eerste helft van de laatste jaarweek en een belangrijk deel van de tweede helft van de laatste jaarweek. Volgens de Pre-Wrath doctrine zal de Gemeente op aarde zijn tijdens de eerste helft van de laatste jaarweek en ook tijdens de Grote Verdrukking. Dat betekend dat ze blootgesteld zullen zijn aan satanische en menselijke toorn, incluis dat van de Antichrist, tijdens de weeën en de Grote verdrukking. De Gemeente zal niet worden blootgesteld aan de toorn van God. Het zal worden opgenomen van de aarde vóórdat de Dag van de Heer begint met het uitstorten van Gods toorn. Dus de Gemeente zal een Pre-Wrath opname ervaren.

Hieronder, zonder commentaar, de korte inhoud van de beginselen van de Pre-Wrath doctrine (blz.293-295). ‘De Bijbel’ leert, wil in dit verband zeggen ‘de Pre-Wrath doctrine’ leert!

1. De Bijbel leert dat er nog een periode van zeven jaar in de toekomst zal plaatsvinden. Binnen die periode zal de Antichrist geopenbaard worden, de Grote Verdrukking zal plaatsvinden, de Gemeente zal worden opgenomen en de Dag des Heren, de dag van Gods toorn zal beginnen. Die periode wordt de zeventigste week van Daniël genoemd, nooit de Verdrukking.

2. De Bijbel leert dat er drie grote delen zijn in de zeventigste week: het begin van weeën (Mat.24:8), de Grote Verdrukking (Mat.24:21), en de Dag des Heren (Mat.24:30-31).

3. De Bijbel leert dat de Grote Verdrukking (‘de tijd van Jakobs benauwdheid’) begint in het midden van die periode van zeven jaar, maar niet voortduurt tot het einde ervan. De Grote Verdrukking wordt verkort en gevolgd door kosmische gebeurtenissen (Mat.24:22; Mark.13:24-25).

4. De Bijbel leert dat Elia (of iemand zoals hij, indien gewenst) moet verschijnen voordat de Dag des Heren begint. Als hij vóór de zeventigste week verschijnt, dan kan er geen pretribulationele leer betreffende de imminentie zijn. Als hij verschijnt nadat het is begonnen, kan de Dag des Heren niet starten aan het begin van de zeventigste week, zoals het pre-tribulationisme normaal stelt. (Imminentie wil zeggen verwachting dat het Rijk Gods nabij is).

5. De Bijbel leert dat de afval en de openbaring van de mens der zonde vooraf moet gaan aan de Dag des Heren (2Thes.2:1-4). De afval en de openbaring van de mens der zonde vinden plaats binnen de zeventigste week. Daarom kan de Dag des Heren niet beginnen voordat de eerste vijf zegels zijn verbroken of aan het begin van de zeventigste week.

6. De Bijbel leert dat een kosmische gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaan aan de Dag des Heren (Joël 2:31). Die kosmische gebeurtenissen beginnen met de opening van het zesde zegel. Dat gebeurt ergens in de tweede helft van de zeventigste week.

7. De Bijbel maakt duidelijk wanneer de Dag des Heren begint. Er is geen giswerk. Het zal beginnen met de opening van het zevende zegel, Johannes schreef, 'Want de grote dag van zijn toorn is gekomen' (Op.6:17).

8. De Bijbel leert dat de Dag des Heren een tijd is van ongekend oordeel over de hele aarde. Het zal ook een tijd zijn om Israël te zuiveren.

9. De Bijbel leert dat er slechts één tweede komst van Christus is – niet één komst voor de opname van de Gemeente aan het begin van de zeventigste week en daarna nog één zeven jaar later aan het einde van de zeventigste jaarweek, zoals het pre-tribulationisme soms beweert.

10. De Bijbel leert dat de tweede komst van Christus (parousia) spreekt van een komende en voortdurende aanwezigheid om een ​​aantal goddelijke doelen te bereiken. Het zal beginnen met de Opname en gevolgd worden door de Dag des Heren wraak en de letterlijke terugkeer van de Heer naar de aarde.

11. De Bijbel leert dat het einde of het einde van de eeuw de tijd is van de laatste oogst (Mat.13:39). Door de laatste oogst is de tijd aangebroken van de scheiding tussen de rechtvaardigen (tarwe) en de onrechtvaardigen (onkruid of dolik).

12. De Bijbel leert dat de kerk tot het einde op aarde zal blijven (Mat.28:20). Het einde is altijd een verwijzing naar het einde van de eeuw (Mat.13:39-40). Het einde vindt plaats in de zeventigste week, niet direct aan het begin.

13. De Bijbel leert dat het einde ('dan zal het einde komen') (Mat.24:14) begint met de opening van het zevende zegel. De rechtvaardigen (de tarwe) worden opgenomen (geoogst en gebracht in Gods schuur), en dan de onrechtvaardigen (het onkruid, of dolik) worden geoordeeld (geoogst en verbrand) tijdens de Dag des Heren, eindigend met Christus' fysieke terugkeer naar de aarde (Mat.13:30).

14. De Bijbel leert dat bij de wederkomst van Christus een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Gods verbondsbelofte aan Abraham, Izaäk en Jakob zal letterlijk worden vervuld (Mat.24:31; Rom.11:25-26).

15. De Bijbel leert dat in verband met Christus' wederkomst, de volkeren geoordeeld zullen worden (Mat.25:32) en Christus' duizendjarige koninkrijk gevestigd.

Let wel: dit alles wordt geleerd wordt door Rosenthal in zijn boek: The Pre-Wrath Rapture of the Church!

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church – Inleiding

 

Deel 2

 

 

 

 

Voorwoord

Begin 1990 kreeg ik van een vriend het boek ‘The Sign’ van Robert van Kampen geschenk. Naast de vele boeken die ik al bezat over eschatologie kon die er ook nog wel bij! Ik heb toen vluchtig kennisgenomen van de inhoud en gelaten voor wat het was. Totdat ik voor enige tijd geleden met de inhoud, dat wil zeggen met de ‘Pre-Wrath’ visie geconfronteerd werd. Al die jaren, van het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw tot heden, heb ik nooit gelovigen ontmoet die deze leer aanhingen. Zelfs, na twintig jaar als beheerder in een christelijke boekhandel gewerkt te hebben, en op de hoogte was en moest zijn wat er op de evangelische boekenmarkt te verkrijgen was, kan ik mij niet herinneren dat deze visie ooit een ‘hot item’ is geweest. De website ‘Christipedia’ zegt: ‘Een Nederlands equivalent bestaat er niet’. Ik heb op internet gezocht naar Nederlandstalige kritieken op deze visie maar dat bracht maar een schamele oogst op, vandaar dat ik dan maar de koe ‘bij de horens’ pak en zelf zal proberen daarover wat duidelijkheid te scheppen. Hoewel ik besef dat elke visie zijn sterke en zwakke kanten heeft volg ik zelf de futuristisch-pretribulationistisch-prechialistische uitleg, zoals de meerderheid van de gelovigen. Futuristisch is op de toekomst betrekkend hebbend; de dingen vanuit de toekomst verklarend. Pretribulationistisch is de leer dat de Gemeente wordt opgenomen vóór de grote verdrukking. Prechiliasme of millennialisme is de leer dat de parousie (de zichtbare wederkomst van Christus) vóór het millennium, het duizendjarig messiaanse vrederijk zal plaatsvinden. Dankbaar maak ik gebruik van de vele kritieken die op de ‘Pre-Wrath’ visie in de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw in de VS verschenen, toen het boek van Marvin Rosenthal ‘The Pre-Wrath Rapture of the Church’ op de markt kwam. Helaas zijn praktisch alle kritieken in het Engels geschreven en afkomstig uit de VS. U kunt ze met een beetje inspanning vinden op het internet.

Inleiding

De studie van de eschatologie is er een die veel mensen ofwel vermijden vanwege alle verschillen in uitleg, of ze zien het niet als relevant in hun leven van vandaag. Interessant genoeg lijkt onze cultuur gefascineerd te zijn door filmscenario's van mogelijke catastrofale gebeurtenissen die het einde van de wereld inluiden. En dat is niet denkbeeldig, want in augustus 2021 is door de IPCC, het klimaatpanel van de VN een nieuw rapport uitgebracht waarin aan alarmbel getrokken wordt, wordt de gedachte aan een eventueel catastrofaal einde van de aarde weer onder de aandacht gebracht. Zouden bijbelgetrouwe christenen deze fascinatie niet willen delen en in de Bijbel onderzoeken wat God zegt over het einde van de wereld, omdat Hij het einde al vanaf het begin heeft geschreven (Jes.46:10) en ook een antwoord te kunnen geven wanneer ongelovigen vragen hoe zij daarover denken? Nog belangrijker is dat profetie ongeveer een derde van alle Bijbelse tekst uitmaakt. Zouden deze zelfde christenen niet gemotiveerd moeten zijn om de ‘hele raad van God’ (Hand.20:27) te kennen of zijn ze tevreden met twee derde van de Bijbelse inhoud? Dit gebrek aan verlangen om zich het onderwijs over de eindtijd eigen te maken is ongelukkig en door de studie ervan helemaal te vermijden. De apostel Paulus en Johannes leren ons dat de christen dan een speciaal soort troost en zegen misloopt (1Thes.4:18; Op.1:3). Een van de onderwerpen is de komst van Christus voor de Gemeente, de zgn. Opname. De Opname-gebeurtenis als realiteit wordt niet fel bediscussieerd. De timing van de Opname echter wel. Er zijn vier hoofdvisies met betrekking tot de timing van de Opname: ten eerste het Pretribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen voor de laatste jaarweek van Daniël. Ten tweede, vanaf 1950 het zgn. Mid-tribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen halverwege de laatste zeventigste jaarweek van Daniël, dat is aan het begin van de laatste helft van de zeventigste jaarweek van Daniël. En tenslotte het posttribulationisme, de opvatting dat de Gemeente wordt opgenomen na de laatste, zeventigste jaarweek. In de jaren negentig van de vorige eeuw is er dan nog een andere visie bij gekomen die de ‘Pre-Wrath Rapture of the Church’ wordt genoemd, beter bekend als ‘Pre-Wrath’. Voor wat betreft de jaarweken zie Daniël 9:24-27; een jaarweek is een periode van zeven jaar.Elk van deze visies hebben hun argumenten naar voren gebracht en elk is ervan overtuigd dat zij de juiste uitleg van de Bijbelse gegevens hebben. Je zou pagina’s vol kunnen schrijven om tijd te besteden aan het bekritiseren van elke weergave, want elke weergave is niet zonder problemen. In dit artikel zal ik echter specifiek de laatstverschenen opname-visie, de Pre-Wrath-visie onderzoeken. De belangrijkste mannen van deze visie zijn Marvin J. Rosenthal en Robert van Kampen. Ze bedachten de uitdrukking ‘Prewrath Rapture’ om hun visie te verduidelijken. In een aantal artikelen hoop ik enkele van de belangrijkste aspecten van deze doctrine te behandelen om te onderzoeken en te zien of ze in overeenstemming zijn met de Schrift. Nu al kan ik zeggen dat de Pre-Wrath-opname-visie te veel problemen in zich heeft om als haalbare visie te worden beschouwd. Wat ik hoop is, dat Bijbelgetrouwe christenen zich niet laten afschrikken door de complexiteit van het onderwerp en spreek het verlangen uit dat er een verlangen ontstaat kennis te nemen van het profetisch Woord. (Hand.17:11; 2Petr.1:19; Op.1:3).

Kort overzicht

De kern van het boek van Rosenthal is de mening dat de Gemeente zal worden opgenomen net voor het vierde kwartaal van de zeventigste jaarweek van Daniël. Rosenthal verdeelt Daniëls zeventigste week in drie verschillende perioden: (1) ‘Het begin van smarten’, die drie en half jaar duurt, daarna de zgn. (2) Grote Verdrukking", waarbij de eerste helft van de laatste drieënhalf jaar of 21 maanden betrokken is, gevolgd door (3) de Dag des Heren, verspreid over de tweede helft van de drieënhalf jaar of de laatste 21 maanden. Rosenthal benadrukt dat de opname zal plaatsvinden ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren, de tijd van Gods toorn, die, volgens de auteur begint met de opening van het zevende zegel (Op.8:1, blz.60, 61). In Rosenthals visie moet de Gemeente de Antichrist en de Grote Verdrukking, doormaken ​​en na vierenzestig maanden in de zeventigste jaarweek zal ze worden opgenomen. Dit vernietigt volledig de doctrine van imminentie, die Rosenthal 'onhoudbaar' noemt. (Imminent is wat (altijd) kan gebeuren; op handen zijnde; naderend; onmiddellijk dreigend; boven het hoofd hangend. Voorbeeld: een imminent gevaar). Zo schrijft hij Walvoords boek The Rapture Question, af als zijnde totaal nutteloos in het debat omdat ‘er simpelweg geen exegetisch bewijs is voor pretribulationeel rapturisme’. We zullen zien.

Heilige huisjes…

Als u, zoals het merendeel van de gelovigen, het pretribulationistisch standpunt volgt, zult u ervaren dat de Pre-Wrath doctrine tegen veel ‘heilige huisjes’ schopt. Hieronder een voorlopige en voorwaardelijke opsomming waaraan u zich mag verwachten. Voorlopig en voorwaardelijk, omdat ik in de nog te verschijnen artikelen dat verder hoop uit te werken.

1. De Gemeente zal door de Grote Verdrukking moeten en het optreden van de Antichrist mee moeten maken.

2. Het moment van de ‘Opname’ is vrij nauwkeurig te verwachten en te berekenen, dus de opdracht om te waken is nutteloos. ‘Waakt dan, want u kent de dag of het uur niet’ (Mat.25:13).

3. De zeventig jaarweken zijn voor Israël, ook het laatste jaar, maar in Rosenthals boek wordt aan Israël amper aandacht besteed.

4. Op blz.34 schrijft Rosenthal, ‘tussen neus en lippen door’ dat hij van mening is dat Openbaring 2 en 3 geen profetische geschiedenis schrijft van de christenheid doorheen de eeuwen. M.i. is het hele boek Openbaring echter profetie (Op.1:3) ook de hoofdstukken 2 en 3.

5. Er is maar één wederkomst van Christus, geen twee. Niet één komst voor de Gemeente en een tweede voor Israël en de volken.

6. De imminentie wordt verworpen. ‘Perhaps Today’ is daardoor een misplaatste opmerking in deze visie.

7. De Heer Jezus kon gisteren, maar kan ook vandaag niet komen, ten hoogste over zo’n 6 jaar vanaf de tijd dat de laatste jaarweek begint…

8. De zeventigste jaarweek wordt op grond van de Schrift gesplitst in twee delen (Dan.9:27). Door Rosenthal echter in drie delen.

9. De Opname. De vraag blijft echter wat daar onder verstaan wordt in Rosenthals visie en wanneer vindt die plaats en waar vinden we daar een vermelding van in het boek Openbaring?

10. De Opname wordt, m.i. onterecht, verklaard door gebruik te maken van Mat.24:40. Dit kan niet juist zijn want de Opname was een verborgenheid en voor het eerst door de apostel Paulus bekendgemaakt.

11. Mattheüs 24 wordt onterecht toegepast op de Gemeente. M.i. gaat het daar over het toekomstige volk Israël, zoals uit de tekst zelf duidelijk blijkt.

12. De vraag is of Rosenthal wel voldoende onderscheid gemaakt tussen gelovigen uit Israël en de Gemeente en of het dispensationalisme wordt verworpen.

Tot zover voorlopig. Zoals gezegd in volgende artikel hoop ik wat verder op de doctrine van Rosenthal in te gaan.

____________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church - Voorlopige vaststellingen

 

Deel 3

 

 

 

Voorwoord

Het ligt niet in mijn bedoeling om elk onderdeel van de doctrine van Rosenthals boek te bespreken, trouwens daarvoor ontbreekt mij de tijd. Daar komt bij dat men deze visie hier te lande weinig of helemaal niet tegenkomt en de interesse niet groot zal zijn om zich met deze toch zeer afwijkende visie bezig te houden. Naast veel andere critici heeft Dr. Renald E. Showers, een oude vriend van Van Kampen en Rosenthal, sinds het begin van het bekend worden van Rosenthals visie uitgebreid interactie gehad met de Pre-Wrath Rapture theorie en biedt in een gezaghebbend boek met de titel ‘The Pre-Wrath Rapture view’ een uitgebreide Bijbelse kritiek op deze toevoeging aan het profetische landschap. Het doel van deze conclusie is een overzicht te geven van zowel de correcte als de niet-correcte standpunten. Showers komt tot maar liefst vierenveertig (!) punten waarop hij deze visie afwijst en twaalf waar hij mee kan instemmen en besluit zijn boek met deze conclusie: ‘De Pre-Wrath Opname geeft verschillende leringen correct weer. Maar veel van zijn leringen, inclusief de leringen die fundamenteel zijn voor de hele visie, hebben problemen vanuit een bijbels perspectief. Deze feiten leiden tot de conclusie dat het beeld van de Opname vóór de toorn een gebrekkige basis heeft en in strijd is met de Schrift’. (Iets om rekening mee te houden!)

Enkele persoonlijke (voorlopige) waarnemingen

Zoals gezegd het zijn voorlopige conclusies, waarop ik in latere artikelen hoop terug te komen.

1e. Het eerste wat opvalt is dat Rosenthal geen indeling geeft van het boek Openbaring, dat mag opvallend genoemd worden omdat men bij het bespreken van zo’n belangrijk onderwerp een vereiste genoemd mag worden.

2e. Rosenthal schrijft in zijn boek (blz.34) over de hoofdstukken 2 en 3 van de Openbaring, dat hij niet gelooft dat deze een beschrijving zijn van de verschillende periodes van de kerkgeschiedenis, maar dat ze dienen tot waarschuwing voor het gehele Christendom om zich voor te bereiden op de tijden die gaan komen in de laatste jaarweek.

3e. Rosenthal bestrijdt het profetisch karakter van de hoofdstukken 2 en 3 van de Openbaring (blz.288) maar erkent vreemd genoeg wel dat de rest van Openbaring wel profetisch verstaan moet worden. Dit is tegen het getuigenis van de Schrift in die zegt dat de heel Openbaring profetisch is; ook hoofdstuk 2 en 3!

4e. Later wordt in het boek duidelijk waarom Rosenthal in hoofdstuk 2 en 3 niet de geschiedenis wil zien en aansluitend de Opname, in hoofdstuk 4:1 verondersteld, omdat dit in zijn visie een onmogelijkheid is omdat de Gemeente volgens hem door de Grote Verdrukking moet.

5e. Je voor bereiden op de grote Verdrukking… Ik vraag me af wat je dan moet doen!? Moet een echte gelovige niet altijd bereid zijn om rekenschap af te leggen (1Petr.3:15) en niet alleen maar voor de Grote Verdrukking? Als we ons al moeten voor bereiden dan is het voor de komst van de Heer Jezus (1Joh.3:2).

6e. Door te stellen dat de gelovigen van de Gemeente door de Grote Verdrukking moeten en zullen worden weggenomen vóór de daaropvolgende Dag van de Heer, is het tijdstip van de Opname vrij nauwkeurig te berekenen en is de oproep om Hem te verwachten krachteloos.

7e. M.i. gooit Rosenthal alle gelovigen op één hoop en maakt hij geen onderscheid tussen de gelovigen van de Gemeente en Israël en honoreert daarom ook geen twee komsten van de Heer Jezus, één (onzichtbare) voor de Gemeente en één (zichtbare) voor Israël en de volken. Zie echter 1Kor.10:32 voor wat betreft het onderscheid dat de apostel Paulus maakt: Joden, volken en Gemeente!

8e. De Opname die Rosenthal voorstaat wijkt af van wat algemeen wordt aanvaard of gedacht. Omdat een beschrijving van de Opname in het boek Openbaring ontbreekt, neemt hij zijn toevlucht tot Mattheüs 24 wat niet mogelijk is want de verborgenheid van de Opname is eerst door Paulus geopenbaard.

9e. De zeventig jaarweken van Daniël zijn bestemd voor Israël: ‘uw volk en uw heilige stad’. In zijn boek komt Israël echter sporadisch ter sprake.

10e. Rosenthal verwerpt de imminente komst van Christus, dat wil zeggen een komst van Christus voor de Gemeente die elk moment kan plaatsvinden. Dit is tegen het getuigenis van de Schrift in en van veel kerkleiders uit het verleden. Dus de Heer kan vandaag niet komen!?

11e. Wordt vervolgd

 

Over veel onderwerpen van de eschatologie heb ik al diverse artikelen het licht doen zien en ik verwijs u daar graag naar, zo voorkom ik om in herhaling te vallen. Het zijn met name de rubrieken Eschatologie 1 en 2, Israël Theologisch, Oude Testament en Nieuwe Testament.

 

 

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture   Dispensationalisme

 

Deel 4

 

 

 

 

 

De definitie van het dispensationalisme of bedelingenleer is het onderwijs dat Gods handelen met de mens verschillend is in verschillende periodes in de tijd. Deze dispensaties worden ook ‘bedelingen’ genoemd. In het boek The Pre-Wrath Rapture of the Church heeft de auteur nooit een definitie gegeven van de Gemeente. Geen definitie geven van de Gemeente is onvergeeflijk in een werk dat beweert de betekenis van de opname van de Gemeente te willen verklaren. Het dispensationalisme of de leer van de bedelingen is een theologisch systeem dat onderscheid aanbrengt tussen Israël en de Gemeente. 1Korinthiërs10:32 stelt duidelijk dat er drie categorieën van mensen zijn in de wereld van vandaag: ‘Wees geen struikelblok voor (1) de Joden en voor (2) de Grieken en voor (3) de Gemeente van God’. De Gemeente en Israël zijn heilshistorisch twee afzonderlijke ‘volken van God’, elk met een eigen karakter, roeping en bestemming. Het is dus duidelijk dat Israël niet hetzelfde is als de Gemeente. Voor elke serieuze Bijbelonderzoeker is dat een heel belangrijke zaak om rekening mee te houden. Sommige van de meest voorkomende fouten in de theologie hebben te maken met het verwarren van de Gemeente met Israël. Alle niet-dispensationalisten vervagen tot op zekere hoogte het onderscheid tussen Israël en de Gemeente. Zo'n vervaging mislukt om het contrast te herkennen dat in de Schrift wordt gehandhaafd tussen Israël, de heidenen en de Gemeente. In het Nieuwe Testament staan het natuurlijk Israël en de heidenen ​​tegenover elkaar. Israël wordt aangesproken als een natie in tegenstelling tot de heidenen nadat de Gemeente werd opgericht met Pinksteren (Handelingen 3:12; 4:8, 10; 5:21, 31, 35; 21:28). In het gebed van Paulus voor het natuurlijke Israël (Rom. 10:1) is er een duidelijke verwijzing naar Israël als een nationaal volk te onderscheiden van en buiten de Gemeente.

De Gemeente is op twee gebieden te onderscheiden van Israël. In het Oude Testament handelde God overwegend met en door het volk Israël, dat uit de lijfelijke nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob bestond. De Gemeente aan de andere kant bestaat uit wedergeboren gelovige Joden en gelovige heidenen, die tot één Lichaam gedoopt zijn (1Kor.12:13) waarin de Heilige Geest woont (1Kor.3:16). Maar er is ook een verschil in tijd en plaats tussen Israël en de Gemeente. Zoals gezegd staat het volk Israël centraal in het Oude Testament. De periode van de Gemeente begon na de opstanding van de Heer Jezus (Ef.1:20-23) en zijn hemelvaart (Ef.4:7-12). Daaruit volgt dat alle gelovigen, Jood en niet-Jood, die in het tijdvak ná de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag (Hand.2:11, 15-16) tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen tot één Lichaam gedoopt zijn (1Kor.12:13).

De Gemeente was een verborgenheid, dat in vorige geslachten niet bekend was, maar aan de apostel Paulus is geopenbaard (Ef.3:3-5, 9; Kol.1:26-27).

In het boek Pre-Wrath of the Church verward de auteur impliciet of expliciet diverse keren de Gemeente met Israël. Het onvermogen van de auteur om onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente is bijzonder verontrustend in zijn behandeling van de rede op de Olijfberg. Rosenthal bouwt voort op hermeneutische zand door een uitzonderlijke betekenis toe te kennen aan de Olijfbergrede. Het is de stelling van de auteur dat de Olijfbergrede Joods van karakter is, sequentieel in progressie, logisch in argumentatie, parallel aan de zegels van Openbaring 6, beslaat de zeventigste week van Daniël in omvang, beantwoordt de dubbele vraag met betrekking tot de komst van de Heer en het einde van het tijdperk, en omvat zowel de Opname en de wederkomst van Christus binnen zijn grenzen. De auteur verward opzettelijk of onopzettelijk Israël en de Kerk door zijn hele boek heen. (Een van de meer prominente voorbeelden van Rosenthal's uitleg is de afval, waar Paulus naar verwijst (2Thess.2:3-4). Deze zou dan betrekking hebben op Israël, niet op de Gemeente. Het is bevreemdend maar ook niet moeilijk te begrijpen dat de auteur aan het volk Israël in zijn uitleg van de Openbaring weinig of geen aandacht wordt besteed. Dat is op zijn zachts gezegd vreemd want alle zeventig jaarweken – dus ook de zeventigste (!) - hebben betrekking op ‘uw volk en uw heilige stad’ Dat zijn de Joden en Jeruzalem. (Dan.9:24).

Een kritieke tekortkoming in Rosenthals uitleg is dat de auteur toegeeft dat de Gemeente niet aanwezig was tijdens de eerste 69 jaarweken, daarom rust de bewijslast bij hem om precies uit te leggen waarom de Gemeente dan wel een rol heeft in de zeventigste week. Alleen maar stellen dat de Gemeente theoretisch aanwezig kan zijn in de zeventigste week van Daniël omdat het vóór de zeventigste week tot stand kwam, in tegenstelling tot de eerste 69 weken die voor Pinksteren verstreken, bewijst op zich niets.

Het is erg belangrijk de fout hiervan te begrijpen. Gods beloften aan Israël hebben beslist niet gefaald. Israël zondigde wel en werd gestraft, net zoals God had gewaarschuwd in Deuteronomium 28:15-68, maar God heeft ook beloofd dat Hij Israël zou herstellen. Haar verbonden met God (andere dan het Mozaïsche verbond) zijn onvoorwaardelijk, eeuwig en onveranderlijk. Beschouw bijvoorbeeld het Davidische verbond in 2Samuël 7. Dit is een uitbreiding van Gods verbond met Abraham. In Zijn verbond met David (1) herbevestigde God het onvoorwaardelijke Abrahamitische verbond via Davids familie (2Sam.7:10); (2) Beloofde Hij dat Hij de troon van David voor altijd zou bevestigen (2Sam.7:12-13); (3) Beloofde straf voor zonde maar nooit een annulering van de belofte (2Sam.14-15); (4) Beloofde de bestendigheid van Davids huis en koninkrijk voor altijd (2Sam.7:16). Dit alles is vervuld in Davids Zoon, Jezus Christus, die de troon geërfd heeft van David (Mat.1:1) en die het Davidische koninkrijk zal bevestigen bij Zijn wederkomst naar de aarde (Jes.9:5-6). Het Nieuwe Testament zegt ons hetzelfde. In Romeinen 11:25-29, bijvoorbeeld, wordt ons voluit gezegd dat God Israël tijdelijk aan de kant heeft gezet, maar dat Hij hen zal herstellen en Zijn beloften aan hen zal vervullen. Dit betekent dat al Gods beloften aan Israël, in het Oude Testament, letterlijk zullen vervuld worden.

1e. Israël zal hersteld worden in hun land (Zach.10:6-12).

2e. Israël zal in een zwaar oordeel gebracht worden maar een derde deel zal Gods Naam aanroepen en in het land overblijven (Zach.13:8-9).

3e. Israël zal verlost worden (Zach.12:10-13:1).

4e. De Messias zal terugkeren en al Israëls vijanden verslaan en Hij zal regeren vanuit Jeruzalem (Zach.14:1-21).

Het is dan ook cruciaal om de Bijbelse profetieën letterlijk te interpreteren, en te begrijpen dat er een verschil is tussen Israël en de Gemeente.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

  

Pre-Wrath Rapture - Kritieken

 

Deel 5

 

 

 

 

Inleiding

De studie van eschatologie is er een die veel mensen ofwel vermijden vanwege alle controverses, of ze zien het niet als relevant in hun leven van vandaag. Interessant genoeg lijkt de cultuur gefascineerd te zijn door scenario's van het einde van de wereld, zoals te zien is in de recente films die worden geproduceerd. Zouden bijbelgetrouwe christenen met deze fascinatie niet willen weten wat God zegt over het einde, aangezien Hij het einde al vanaf het begin heeft geschreven (Jes.46:10), om een ​​antwoord te geven wanneer ongelovigen vragen of er over nadenken? Nog belangrijker is dat profetie ongeveer een derde van alle Bijbelse tekst uitmaakt. Zouden dezelfde christenen niet gemotiveerd moeten zijn om de ‘hele raad van God’ te kennen of zijn ze tevreden met twee derde ervan? Dit gebrek aan verlangen om meer over de Eindtijd te weten is jammer en door de studie ervan helemaal te vermijden. De apostel Paulus en Johannes beweren dat de christen daardoor een speciaal soort troost en zegen misloopt (1Thes.4:18; Op.1:3). Een van deze studies is de komst van de Opname. De Opname-gebeurtenis als realiteit wordt niet fel bediscussieerd. De timing van de Opname echter des te meer. Er zijn vier hoofdvisies met betrekking tot de timing van de Opname: pretribulationisme, midtribulationisme, Pre-Wrath en posttribulationisme. Elk van deze heeft argumenten naar voren gebracht en elk is ervan overtuigd dat men de juiste kennis van de Bijbelse gegevens heeft. Je zou pagina's en pagina's tekst kunnen besteden aan het bekritiseren van elke weergave, want elke weergave is niet zonder problemen. In dit artikel zal ik echter specifiek de nieuwste opname-visie, de pre-toorn-visie, onderzoeken. De belangrijkste mannen van deze visie zijn Robert Van Kampen en Marvin Rosenthal. Ze bedachten de uitdrukking ‘Prewrath Rapture’ (PW) voor hun positie. Buiten deze mannen is er niet al te veel geschreven, daarom zal ik in dit artikel voornamelijk beantwoorden om enkele van de belangrijkste aspecten van hun theorie te onderzoeken door te zien of ze in overeenstemming zijn met de Schrift. Aan het einde zal ik laten zien dat de PW opname-visie te veel problemen heeft om als haalbare visie te worden beschouwd, omdat ze een eenvoudig onderzoek niet kunnen doorstaan. De schrijvers die ik heb gelezen, houden van de Heer, zijn evangelisch en lijken heel oprecht, ik beschouw ze niet als ketters. Ik ben erg onder de indruk van de ambitie, schrijfvaardigheid, eerbied voor Gods Woord en vrijgevigheid van de mannen van PW View. Wat ik verlang (evenals zij) is te geloven wat de Bijbelse gegevens presenteren en het is mijn hoop dat de volgende observaties iedereen zullen helpen om betere studenten van de profetie te worden (Hand.17:11).

Pre-Wrath Opname in het algemeen

De Pre-Wrath Rapture (Afgekort tot ‘PW’) visie werd voor het eerst uiteengezet in 1990 in het boek, The Pre-Wrath Rapture of the Church door Marvin Rosenthal. Volgens Rosenthal is de opname van de Gemeente geen op handen zijnde gebeurtenis en daarom is het onmogelijk voor Jezus om vandaag of op enig moment in de volgende week, maand of jaar voor Zijn Gemeente te komen. De reden hiervoor is dat de PW Opname onmiddellijk voor de Dag des Heren zal plaatsvinden en de Dag des Heren zal beginnen met de opening van het zevende zegel in de Grote Verdrukking. Dus de PW Opname zal plaatsvinden op de dag dat de PW-visie zegt dat de Dag des Heren begint. Voor de PW-weergave is Daniëls 70e week de 7-jarige Verdrukking die drie verschillende tijdsperioden bevat: (a) het ‘begin van weeën’, dat is de eerste 3½ jaar; (b) de ‘Grote Verdrukking’ die begint in het midden van de 70e week (aan het begin van de laatste 3½ jaar). Het wordt ook wel ‘de tijd van Jakobs benauwdheid’ genoemd omdat deze "Grote Verdrukking" de toorn van de mens tegen de mens is (niet Gods toorn). De Grote Verdrukking is bovendien ‘ingekort’ en zal minder dan 3½ jaar duren; (c) de Dag des Heren, de tijd van Gods toorn. Nogmaals, die begint met de opening van het 7e zegel. Volgens PW moet de Dag des Heren duidelijk onderscheiden worden van de Grote Verdrukking. Deze twee tijdsperioden zijn verschillend en gescheiden en mogen elkaar nooit overlappen. Ze vinden allebei plaats gedurende de laatste 3½ jaar, beginnend met de Grote Verdrukking en onmiddellijk gevolgd door de Dag des Heren. Het is onzeker wanneer de Grote Verdrukking eindigt en wanneer de Dag des Heren begint, omdat niemand de dag of het uur kent (Mat.24:36). De Dag des Heren zal ergens in de tweede helft van de 70e. week beginnen en zal eindigen aan het einde van die 70e. week. De onzekerheid heeft betrekking op wanneer het zal beginnen. Rosenthal stelt dat de Dag des Heren zal beginnen ‘lang voor het einde van de 70e. week... [en] een aanzienlijke periode voordat de 70e. week eindigt.’ PW maakt duidelijk dat de Dag des Heren langer moet zijn dan vijf maanden, omdat alleen al het oordeel verbonden met de 5e. bazuin vijf maanden duurt (Op.9:1, 5) en alle bazuin oordelen vinden plaats tijdens de Dag des Heren. De Dag des Heren zal onmiddellijk volgen op de Opname van de Gemeente, die volgens PW beschreven wordt in Mattheüs 24:31. Dit alles leidt tot de PW-visie dat de Gemeente op aarde is wanneer de Antichrist een verdrag met Israël sluit dat het begin van de 70e. week markeert. De Gemeente moet dan de 70e. week ingaan, moet de eerste 3½ jaar doorlopen en zal gedurende een aanzienlijk deel van de tweede helft van de 70e. week op aarde zijn. De Gemeente zal pas worden opgenomen nadat de Grote Verdrukking (het eerste deel van de tweede helft van de Verdrukking) voorbij is, maar onmiddellijk voorafgaand aan de Dag des Heren. Dus de Gemeente moet op aarde zijn om te beslissen of ze het merkteken van de Antichrist zal accepteren of niet, moet bereid zijn om te lijden en te sterven voor Christus, indien nodig, onder de vervolging van de Antichrist en moet op aarde zijn wanneer de Antichrist persoonlijk aanwezig is, bekrachtigd door Satan (Op.13:4), die eist dat de wereld neerbuigt en hem aanbidt, (pag. 137). Voor PW is de aanwezigheid van de Gemeente op aarde ‘gedurende een aanzienlijk deel van de 70e week van Daniël’ belangrijk en wordt beschreven als de grote schare uit elke natie in Openbaring 7. Wat betreft de specifieke oordelen in de periode van de verdrukking, ziet de PW de eerste vier zegeloordelen (Op.6) plaatsvinden tijdens het ‘begin van de weeën’ en het 5e. zegel vindt plaats tijdens de Grote Verdrukking. Tijdens de Dag des Heren vinden de bazuinoordelen plaats, maar niet de schaaloordelen. De schaaloordelen worden pas na de 70e. week van Daniël uitgegoten gedurende de 30 extra dagen die in Daniël 12:11 worden genoemd. De zegeloordelen hebben betrekking op de toorn van ongelovige mensen, terwijl de bazuin- en schaaloordelen de toorn van God inhouden. (24) De Dag des Heren is niet de tijd van Gods toorn in zijn totaliteit omdat de Dag des Heren de bazuin oordelen omvat maar niet de schaal oordelen. De schaaloordelen vinden plaats na de Dag des Heren gedurende de 30 dagen die volgen op Daniëls 70e week. Dus de zegeloordelen en de schaaloordelen maken geen deel uit van de Dag des Heren; alleen de bazuinoordelen vinden plaats in deze tijd.

Vergelijking met andere Opname visies

Om duidelijk te zijn, de PW-weergave verwerpt elke andere vorm van de opname. PW is geen pretribulationistische visie omdat PW erop staat dat de Kerk gedurende het grootste deel van de zeven jaar van Daniëls 70e. week (allemaal behalve de laatste fase die PW de Dag des Heren noemt) op aarde aanwezig zal zijn. De PW-visie is geen midtribulationistische visie omdat het erop staat dat de Opname zal plaatsvinden na het midden van de laatste zeven jaar, ergens rond het midden van de laatste 3½ jaar. De PW-visie is een type van een posttribulationele visie in de zin dat het leert dat de Opname zal plaatsvinden na de Grote Verdrukking. Deze visie herdefinieert echter de periode van de Grote Verdrukking op een manier die ongebruikelijk is. In plaats van te zeggen dat de Grote Verdrukking eindigt op hetzelfde moment dat Daniëls 70e. week eindigt aan het einde van deze periode van 7 jaar, zegt PW dat de Grote Verdrukking eindigt juist voor de Dag des Heren, waarvan ze zeggen dat deze plaats zal vinden op een aanzienlijke tijd vóór het einde van Daniëls 70e. week. Deze visie is dus posttribulationeel, maar niet post-‘Daniel's 70e. week’ (zoals posttrib zou zeggen). De PW-visie is een pre-toorn-, pre-‘Dag des Heren’-visie omdat het leert dat de Opname zal plaatsvinden onmiddellijk voorafgaand aan de Dag des Heren, de tijd dat God Zijn toorn over de aarde uitstort.

Samengevat: deze visie verwerpt de pretribulationele visie omdat het zegt dat de Opname niet zal plaatsvinden vóór Daniëls 70e. week; het verwerpt het midden van de verdrukking omdat het zegt dat de Opname zal plaatsvinden in een significante maar onbekende tijdsperiode na het midden van Daniëls 70e. week; en deze visie verwerpt de posttribulationele visie omdat het de opname niet aan het einde van Daniëls 70e. week plaatst, maar in een significante tijdsperiode voor het einde (= Dag des Heren).

Terreinen van overeenkomst

Persoonlijk houd ik me aan de pretibulationale kijk op de Opname. Met dit gezegd te hebben, ben ik van plan objectief en behulpzaam te zijn door te wijzen op wat volgens mij een paar fatale tekortkomingen zijn van de PW-opname. Ik wil ook duidelijk zijn, zoals ik eerder heb gezegd, dat degenen die de PW-visie volgen, broeders en zusters in Christus zijn met wie ik veel gemeen heb. Pretrib en PW zijn het eens over premillennialisme, een letterlijke hermeneutiek, een zevenjarige verdrukking, de tweede helft van de verdrukking gedomineerd door de antichrist, het merkteken van het beest, ongekende vervolging van de uitverkorenen en Israël, het tijdstip van de slag van Armageddon, en dat de Gemeente de toorn van God niet zal meemaken.

Waarom is het bij al deze overeenkomsten toch belangrijk om de PW-visie te analyseren? Net als elke andere leerstelling, zou de Bijbelgelovige christen de Schrift zo goed mogelijk moeten willen kennen, zelfs als het onderwerpen zoals de Opname betreft. Bovendien ‘werd de leer van de opname niet gegeven om een ​​strijdlustige geest onder de heiligen tot stand te brengen, maar ... om troost en bemoediging te brengen. Hoewel het waar is dat geen enkele visie probleemloos is, ben ik gaan inzien dat elke visie buiten de pretrib-visie problemen heeft die zo fundamenteel zijn dat ‘echte twijfel wordt geworpen op hun geldigheid’ en dat is de reden waarom het geëvalueerd moet worden.

Problemen met de Pre-Wrath-weergave

Zoals ik al eerder aangaf, is de PW-weergave een soort hybride weergave van pretrib en posttrib (hoewel meer post dan pre). Van Kampen bevestigt dit in zijn beweringen dat hij werd verscheurd tussen de pretribulationistische en postribulationistische opvattingen van de opname. Hij is het met zijn vrienden eens dat de Gemeente de toorn van God niet zal zien (1Thes:10; 5:9; Op:10). Toch is hij het ook eens met zijn postribulationistische vrienden dat de uitverkorenen op een dag het doelwit zullen worden van de vervolging van de Antichrist (Mat.4:21-22; 29-31; 2Thes.2:1-8; Op.3:3-10; 14:9-12). Van Kampen was van mening dat er ergens in de Schrift een gemeenschappelijke noemer moest zijn om deze leringen in evenwicht te brengen. Toen hij de tekenen in Mattheüs 24:29-31 overwoog, meende hij een gemeenschappelijk element te hebben ontdekt. Mattheüs 24:29-31 luidt: ‘Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeen verzamelen uit de vier windstreken, van de uitersten van de hemelen tot de andere uitersten daarvan’. Van Kampen zegt dat de kernwaarheid van PW deze is: De vervolging door de Antichrist tijdens de grote verdrukking zal de toorn van Satan zijn (Op.12:12), niet de toorn van God. Wanneer het teken van de zon, maan en sterren aan de hemel wordt gegeven, zal de toorn van Satan tegen de uitverkorenen eindigen, de getrouwen van God zullen worden opgenomen, en dan zal de toorn van God beginnen tegen de goddelozen die overblijven, eindigend met de slag bij Armageddon.

Na een zorgvuldige bestudering van beide boeken van Van Kampen (The Sign, and The Rapture Question Answered), geeft de verklaring van de ‘kernwaarheid" van de PW-visie goed de belangrijkste verschillen weer tussen de PW-opname en de positie vóór de verdrukking. Het identificeert verschillende twijfelachtige elementen van hun theologie. Deze discutabele veronderstellingen zijn: (1) Antichrist zal de Gemeente vervolgen. (2) Satans toorn eindigt bij de Opname en dan begint Gods toorn, en (3) de Opname vindt plaats wanneer Christus terugkeert in grote heerlijkheid.

Probleem #1: De Antichrist zal de kerk vervolgen.

De PW-positie erkent het afzonderlijke bestaan ​​van Israël en de speciale behandeling door God tijdens de Verdrukking wanneer ze de woestijn in wordt gedreven (Op.12), maar het gaat ervan uit dat ze niet eerder worden gered dan aan het einde, wanneer ze denken dat de 144.000 zijn verzegeld. Het grote probleem hier is de aanname van de PW dat de ‘uitverkorenen’, die ook ‘heiligen’ zijn van de periode van de verdrukking, in wezen hetzelfde zijn als van de Gemeente. Er zijn twee belangrijke problemen met deze opvatting. Ten eerste ontbreekt de Gemeente in de Schriftteksten over de Verdrukking. Ten tweede, even belangrijk, deze zevenjarige verdrukkingsperiode is beslist de laatste ‘week’ van Daniël 9:27, en is het als zodanig het laatste deel van de geschiedenis van Israël (bijv. het land Israël, de Tempel, Jeruzalem, de Twee Getuigen, en de 144.000 van de twaalf stammen van Israël) vóór het Duizendjarige Koninkrijk. Dus PW faalt op twee gebieden, (1) ze slagen er niet in om onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente en (2) ze slagen er niet in om onderscheid te maken tussen de Gemeente en de ‘heiligen’ van de verdrukking.

Geen onderscheid kunnen maken tussen Israël en de kerk

Het feit is dat toen Jezus Zijn uitleg gaf van toekomstige gebeurtenissen in de rede op de Olijfberg (Mat.24-25), de Gemeente juist een paar hoofdstukken eerder was aangekondigd (Mat.16:13-18), maar haar samenstelling en bestemming, inclusief de Opname, was nog een mysterie. Historisch gezien ontstond de kerk op de Pinksterdag (Hand.2), en beetje bij beetje kreeg het gestalte. Alle vroege gelovigen waren Joods en de nieuwe Gemeente werd gezien als een voortzetting van hun oudtestamentische overtuigingen. Als Christus het verloop van het tijdperk van de Gemeente en de Opname had besproken, zou het in die tijd erg verwarrend zijn geweest voor de discipelen. Het ‘mysterie’ van de Gemeente werd aan de apostel Paulus geopenbaard en door Hem in meerdere passages in de Schrift beschreven. In Romeinen 11:25 gebruikte hij het woord ‘Verborgenheid’ om de tijdelijke ‘verharding’ van Israël te beschrijven: ‘Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen oog, dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan’ (Rom.11:25). Het woord ‘mysterie’ (Grieks μυστήριον) betekend een ‘geheim’, of iets dat voorheen verborgen was, maar nu onthuld. Paulus gebruikte het op verschillende plaatsen om verschillende aspecten van de Gemeente en haar opdracht te beschrijven (Rom.16:25; Ef.1:9-10). De Opname zelf wordt in 1Korintiërs 15:51-58 een verborgenheid genoemd. In Efeziërs 3 legde de apostel Paulus meer in detail uit dat het geheimenis van de Gemeente al die tijd deel uitmaakte van Gods doel om heidenen samen met Israël tot erfgenamen te maken. Hij schreef: ‘…waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven, dat mij door openbaring de verborgenheid is bekend gemaakt – zoals ik tevoren in het kort geschreven heb; daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus – die in andere geslachten van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten; dat zij uit de volken medeërfgenamen zijn en medeïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar ben geworden naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is naar de werking van zijn kracht. Mij, de allergeringste van alle heiligen is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen, en voor allen in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, die alle dingen geschapen heeft; opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt, naar het eeuwig voornemen dat Hij heeft opgevat in Christus Jezus onze Heer’ (Ef.3:2-11).

Van Kampen klaagt dat wanneer de pretribulationisten de gebeurtenissen van de rede op de Olijfberg aan Israël toeschrijven, ze er niet in slagen om de hele evangelieboodschap te verkondigen. Ik ben het ermee eens dat studenten van het Woord moeten accepteren dat de hele Schrift nuttig is en dat er bij elke passage rekening mee moet worden gehouden. De juiste hermeneutiek stelt echter ook dat context de sleutel is tot elke passage (PW is het daarmee eens). Dat gezegd hebbende, zijn niet alle secties van toepassing op alle mensen. Alles in de evangeliën is belangrijk en leerzaam voor de Gemeente, maar sommige gedeelten gaan over de geschiedenis van Israël, voor het tijdperk van de Gemeente. Als u dat onderscheid niet maakt, maakt je een groot misbruik aan Bijbelvertaling en uitleg. PW slaagt er hier niet in om dit hermeneutische principe hier van toepassing te laten zijn, zonder opgaaf van redenen. Falen om onderscheid te maken tussen de Gemeente en de ‘heiligen’ van de verdrukking. De PW-theorie stelt de Gemeente gelijk aan de ‘uitverkorenen’ van Mattheüs 24:31, die door engelen worden vergaderd wanneer Christus terugkeert in macht en heerlijkheid. Er zijn serieuze problemen met deze visie, zoals (1) de glorieuze zichtbare wederkomst van Christus als Koning der Koningen is heel anders dan de beloofde Opname van de Gemeente (meer hierover hieronder) en (2) plots overgaan naar het boek Openbaring, waar de Gemeente niet één keer wordt genoemd in het hele verslag van de verdrukkingsperiode in de hoofdstukken 4-19. De beste verklaring voor Mattheüs 24:31 is drieledig en beide zijn contextueel: (1) de context van Jezus' preek wordt in Mattheüs 24-25 beantwoordt vragen over de toekomst van Israël en het toekomstige koninkrijk, niet de Gemeente omdat de Gemeente, hoewel aangekondigd, nog steeds een mysterie voor de discipelen was. Verder, zoals hierboven vermeld, de ‘heiligen’ gaat over de Joden (24:16) en hun vervolging. Halverwege (‘de gruwel der verwoesting’) zal de vervolging van de Joden erger zijn dan alles wat ze ooit in het verleden hebben geleden, en zal nooit meer zoiets als dit ondergaan. Het is zo erg dat God er een einde aan moet maken, anders zouden geen Jood overleven (24:21-22). Daarom is het lastig om de Gemeente in deze sectie te identificeren en moet de validiteit worden bewezen (PW probeert en is niet overtuigend). Ten slotte (3) identificeert Jezus hoelang deze vervolging duurt voordat Hij er een eind aan maakt. Het is niet een paar maanden of halverwege, zoals PW denkt. (41) Het is eerder drie en een half jaar. ‘Dit wordt tweemaal vermeld in Daniël 9:27; 12:5-7, en het is Daniël die het beginpunt van de vervolging aangaf als de gruwel der verwoesting. Het is precies dit punt dat Jezus oppikte... en als teken gaf aan de Joden om het land te ontvluchten’. Openbaring gaat verder met het verder openen van de timing door 1260 dagen te specificeren (Op.12:6, 13-14).

Een oneerlijke test (Opname of Armageddon?)

Van Kampen stelt een test voor die hij heeft gegeven tijdens lessen over de profetie die hij in de loop der jaren heeft gegeven. Eerst leest hij Mattheüs 24:27-40. Van Kampen vraagt ​​dan: ‘Bepaal nu welke gebeurtenis Christus in gedachten had toen Hij deze specifieke instructie aan Zijn discipelen gaf. Verwijst deze passage naar de slag van Armageddon zoals opgetekend in Openbaring 19:11-21, of verwijst het naar de opname van de heiligen zoals opgetekend in 1Thessalonicenzen 4:15-17?’ Hij stelt dan dat iedereen in zijn klas altijd heeft gedacht dat het over de Opname ging. Het probleem met dit voorbeeld van Van Kampen is dat de vraag zelf erg misplaatst is. Van Kampen maakt van deze twee de enige twee opties. In deze verzen wordt echter niet naar een veldslag verwezen, laat staan ​​naar de specifieke strijd van Armageddon. Als de vraag eerlijk zou worden gesteld, zou deze moeten zijn: ‘Verwijst deze passage naar de glorieuze wederkomst van Christus zoals opgetekend in Openbaring 19:11-21, of verwijst het naar de opname van de heiligen zoals opgetekend in 1Thessalonicenzen 4:15- 17?’ In dat geval twijfel ik er niet aan dat de goed geïnformeerde studenten van hem zeer waarschijnlijk de terugkomst in heerlijkheid zouden kiezen. Ik vermoed dat Van Kampen de vraag niet zo zou formuleren als ik zojuist heb gedaan, omdat hij kennelijk niet gelooft dat er twee afzonderlijke gebeurtenissen (komsten) zijn. In feite maakt hij de opvatting van de Opname vóór de verdrukking belachelijk, omdat deze leert dat de Gemeente naar de tweede komst moet uitkijken, maar dat Israël moet wachten op de derde komst. Natuurlijk is dit niet wat wordt onderwezen door leraren vóór de verdrukking. Het is gemakkelijk te bewijzen dat er twee verschillende gebeurtenissen zijn - de Opname en de Komst in heerlijkheid.

Probleem #2: Satans toorn eindigt bij de Opname en dan begint Gods toorn.

Met behulp van Openbaring 12:12 en 13:4-7 zegt Van Kampen dat Satans toorn de vervolging van Gods uitverkorenen is. De natuurlijke lezing van deze passage toont echter duidelijk aan dat Satans toorn een reactie is op Gods toorn. God straft Satan door hem op de aarde te werpen, wat Satan van nature boos maakt. In dit geval, door Gods soevereine wil, krijgt hij de macht om gelovigen (‘de heiligen’) te vervolgen tijdens de laatste helft van de Grote Verdrukking (42 maanden). De juiste manier om de Grote Verdrukking te zien is dat het de tijd is van zowel Gods toorn als Satans toorn terwijl hij strijdt tegen de soevereiniteit van God. Dit zou geen enkele Bijbelstudent vreemd moeten zijn, want zelfs in deze huidige tijd, maar in mindere mate, is de duivel als een brullende leeuw, zoekend wie hij verslindt, en vervolging van gelovigen veroorzakend (1Petr.5:8-9) terwijl God gebruikt Satans toorn om zijn lichaam op te bouwen.

Kunstmatige verschuiving van Satans toorn naar Gods toorn

Gebruikmakend van de illustraties van de dagen van Noach en de dagen van Lot in Lukas 17:22-30, concludeert Van Kampen dat de Opname zal plaatsvinden op de dag dat Gods toorn begint, waarmee een einde komt aan de toorn van Satan. Zoals ik echter eerder heb aangetoond, verwijst de passage niet naar de Opname, maar naar de Komst in heerlijkheid van Christus. De ergste uitdrukking van Gods toorn zal op dat moment worden geleverd, omdat de strijd van Armageddon wordt gestreden. Maar dat wil niet zeggen dat het eerdere deel van de Verdrukking niet ook het resultaat is van Gods toorn.

Aanname dat Gods toorn niet begint voordat Christus terugkeert.

De veronderstelling van de PW dat Gods toorn pas begint vlak voor de slag van Armageddon past niet bij de feiten die in het boek Openbaring worden onthuld. Zelfs in het allereerste hoofdstuk van Openbaring, zien we Christus als Rechter, met ogen van laaiend vuur, gloeiende bronzen voeten, een stem die klinkt als stromend water, een zwaard dat uit zijn mond komt en een gezicht dat gloeit als de zon in al zijn schittering. (Op.1:13-18). In Openbaring 3:10 kreeg de Gemeente van Filadelfia de belofte dat ze zouden worden bewaard ‘voor het uur van beproeving dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op aarde wonen’ op de proef te stellen’. De implicatie is duidelijk dat Gods toorn over de hele boze wereld zou worden uitgestort zoals Hij had gedaan ten tijde van de zondvloed. In de hoofdstukken 4 en 5 worden toekomstige gebeurtenissen gezien als afkomstig van Gods soevereine troon. Jezus Christus, als de Leeuw van de stam van Juda en het Lam dat werd geslacht, is de enige die waardig is de zegels van de boekrol te openen. Vanaf hoofdstuk 6 opent Jezus de zegels, één voor één, en telkens gebeuren er dingen die Gods toorn en oordeel over de hele aarde weergeven door middel van verschillende natuur- en menselijke rampen. In hoofdstuk 7 houdt God de sterke engelen tegen die de macht hebben om de aarde schade toe te brengen totdat de 144.000 Joden verzegeld kunnen worden. In hoofdstuk 12 wordt, zoals eerder vermeld, Satans toorn getoond, maar het is het resultaat van Gods toorn die tegen hem is geuit. Halverwege de Verdrukking, wanneer mensen moeten beslissen of ze het ‘merkteken van het beest’ willen ontvangen of niet, wordt gezegd dat Gods oordeel is gekomen (Op.14:6-11). Het gaat maar door, om te laten zien dat alle zeven jaren de toorn van God is, in verschillende vormen en door verschillende middelen.

Probleem #3: De Opname vindt plaats wanneer Christus in grote glorie terugkeert.

In deze sectie zijn er een paar problemen met de visie van de PW: (1) men faalt om onderscheid te maken tussen de opname-gebeurtenis en de wederkomst, (2) een onvermogen om te begrijpen wie het Duizendjarige Koninkrijk bevolkt, en (3) een mislukking om goed om te gaan met oordeelsteksten over de schapen en de geiten en de tarwe de dolik. Het nalaten om onderscheid te maken tussen de opname en de glorieuze terugkeer van Christus.

Hoewel ik dit hierboven een beetje heb aangeroerd, wil ik terugkomen op deze kwestie van PW's visie op de rede op de Olijfberg (Mat.24-25), omdat het hun belangrijkste passage is. Voor de PW-positie is er slechts één terugkeer van Christus in zicht en dat is aan het einde van de reeks gebeurtenissen die de Grote Verdrukking beschrijven. Mattheüs 24:30 zegt: ‘Zij zullen de Zoon des Mensen zien op de wolken van de hemel, met kracht en grote heerlijkheid’. PW zegt dat dit de Opname is. Er zijn echter veel verschillen tussen de Opname en de komst van Christus in heerlijkheid.

Interessant is dat PW toegeeft dat de opname niet in de tekst van Mattheüs 24-25, staat, wat betekent dat om het te vinden ‘men moet zoeken naar intertekstuele verbindingen tussen de correspondentie van Thessalonicenzen en de rede op de Olijfberg.’ Hoewel ik bevestig dat men de Bijbel moet gebruiken om de Bijbel te interpreteren, is het van groot belang om ook de context van een bepaalde passage te behouden. PW die alleen op 1Thessalonicenzen 4 vertrouwt om zijn opnamepunt in Mattheüs 24-25 te bewijzen, negeert volledig de intertekstuele verbanden tussen 1Thessalonicenzen 5 en de Dag des Heren en daardoor krijgt hun systeem een ​​enorme klap.

Wie blijft er over om het Duizendjarige Koninkrijk te bevolken?

Als de Opname zou plaatsvinden net voor de slag van Armageddon, en alle gelovigen zouden worden meegenomen net voor de laatste gebeurtenissen van de Verdrukking en geen van hen keert terug, welke mensen zouden dan op het allerlaatste moment gelovigen worden zodat er godvrezende mensen zouden zijn om het Duizendjarige Koninkrijk bevolken? PW's gedachte is dat dit is waar de 144.000 op de voorgrond komen. Ze zijn verzegeld vóór PW's Dag des Heren en zijn daarom onaangeroerd gedurende de hele tijd, totdat Christus terugkeert met Zijn engelen om te oordelen (Mat.25:31 e.v.).

Ik ben het ermee eens dat er veel Joodse mensen zullen zijn die aan het einde geloven als ze de Heer zien die ze hebben doorstoken en om Hem treuren (Jes.53; Zach.12:10), en ze zullen ook behoed worden voor vernietiging (Op.12; vgl. Mat.25:34-46). Ik ben het er ook mee eens dat de 144.000 Joden deel zullen uitmaken van de bevolking van het Duizendjarige Koninkrijk. De visie van de PW is echter gebaseerd op een verkeerd begrip van wie met Christus terugkeert bij Zijn wederkomst, het einde van de periode van de verdrukking. PW leest dat wanneer Jezus terugkeert, in Openbaring 19, alleen engelen Hem vergezellen om de toorn tot rust te brengen. Met andere woorden, als de toorn eenmaal voorbij is en het millennium begint, zullen alleen de 144.000 daarin eindigen. Dit is om een ​​paar redenen erg problematisch. Ten eerste hebben de ‘legers’ geen wapens om mee te vechten, d.w.z. ze zijn ‘niet-strijdende aanhangers van de Messias’, waardoor ze laten zien dat ze niet plaatsvinden tijdens de toorn van de Messias. Ten tweede, omdat dit echte legers zijn, creëren de paarden een probleem, aangezien oordeelsengelen door de hele Schrift nog nooit op paarden zijn gezien. Ten derde is de kleding die wordt gedragen zeer overtuigend om te concluderen dat dit verloste volkeren zijn (vgl. Op.17:14), vooral omdat in context (19:8) de verlosten dezelfde kleding dragen. En ten vierde, de belofte aan de overwinnaar is om te ‘heersen met een ijzeren staf’ (2:27), wat precies is wat er gebeurt in vers 15. Tot besluit: ‘Openbaring 19:14 ontkent niet de aanwezigheid van engelen in deze gelegenheid, maar concludeert eenvoudig dat de engelen hier niet worden genoemd. De heiligen zullen een rol spelen in het oordeel tijdens deze belangrijke episode’. Dit leidt tot het begrip dat in ieder geval de 144.000 en het verloste Israël van de Verdrukking en de verheerlijkte verlosten (die zullen regeren met een ijzeren staf) aanwezig zullen zijn in het Millennium. PW faalt in dit fundamentele exegetische werk. Toch is er in dezelfde lijn een ander probleem in de PW-theologie met de wederkomst van Jezus. Dat wil zeggen, het oordeel van de schapen en de bokken en de tarwe en de dolik.

Het oordeel van de schapen en bokken

Volgens Mattheüs 25:31-46 zal er een oordeel zijn over ‘schapen en bokken’, gebaseerd op hoe mensen Israël behandelden. In de context van Mattheüs 25 zijn de overlevende gelovigen die voor Israël zorgen tijdens de periode van de verdrukking gekwalificeerd als de ‘schapen’. In de visie van PW zouden alle gelovigen bij de Opname zijn meegenomen en zou alleen een overblijfsel uit Israël zelf aan het einde gelovigen worden. Het probleem hier is dat het moeilijk voor te stellen is hoe PW enige ‘schapen’ zou kunnen hebben die vriendelijk handelden jegens Israël, aangezien ze allemaal vertrokken zijn bij de opname.

Van Kampen geeft een zeer onorthodoxe verklaring voor dit dilemma. Aangezien het duidelijk is dat deze heidense overlevenden Christus nog niet hebben aanvaard (omdat ze niet in de opname zijn vertrokken), zegt hij dat ze Christus zullen vertrouwen wanneer ze Hem van aangezicht tot aangezicht zien bij Zijn wederkomst, ‘wanneer de Zoon des Mensen komt in Zijn heerlijkheid’ (Mat.23:31). Het probleem met deze opvatting is dat alle kampen het erover eens zijn dat wanneer Christus komt, Hij komt in oordeel, niet in redding. Die tijd is verstreken. Het is dan tijd om de schapen en de bokken te scheiden, niet om meer te zoeken om schapen te maken.

De gelijkenis van de tarwe en de dolik

De gelijkenis van het tarwe en het dolik is een ander probleem voor de PW-positie omdat deze gelijkenis in Mattheüs 13 ook verwijst naar de scheiding van gelovigen van ongelovigen aan het einde van dat tijdperk (13:24-30, 36-43). Deze gelijkenis lijkt erg op het oordeel over schapen en bokken in die beide gevallen, zijn er veel gelovigen en veel ongelovigen; (2) het vindt plaats aan ‘het einde der tijden’ en (3) de maaiers zijn engelen. Het is moeilijk voor de PW-positie omdat, zoals hierboven vermeld, de PW-visie geen rekening houdt met een groot aantal gelovigen op het einde van de eindtijd. Van Kampen gaat niet in op deze gelijkenis in The Rapture Question Answered. Hoe dan ook, hij vermeldde het teken minstens 15 keer in de Schriftenindex van dat boek. Van Kampen gebruikt deze gelijkenis om over de Opname te spreken en zegt: ‘Als we doorgaan, zullen we zien dat wanneer gelovigen door Christus in de wolken worden ontvangen bij de Opname van de Gemeente, en de engelen van God zullen zijn het die de tarwe in Mijn schuur brengen' (Mat.13:30) en die 'Zijn uitverkorenen verzamelt uit de vier windstreken, van het ene einde van de hemel tot het andere' (Mat.24:31), en dat 'wij die leven en overblijven zullen worden opgenomen [door Gods engelen] samen met hen in de wolken, om de Heer in de lucht te ontmoeten' (1Thes.4:17). Let op de vermenging van uitdrukkingen uit deze gelijkenis met de klassieke passage over de Opname. Het probleem hier is dat deze passage eenvoudigweg niet kan verwijzen naar de Opname, omdat er staat dat deze plaatsvindt ‘aan het einde van de tijd’, wat een verwijzing is naar het Millenniumoordeel (vgl. Mat.24:3; 28:20; 25 :31-46; Op.19:11-21). Om dit te beantwoorden, legt de auteur Hadidian in zijn ‘Prewrath Chart’ uit dat het ‘einde der tijden’ gebeurt in twee fasen: bij de opname (Mat.13 – tarwe/dolik) en net voor het millennium (Mat.25 – schapen/bokken). Deze interpretatie is gewoon te moeilijk om vol te houden omdat (1) geen enkele commentator op deze passage het eens is met de opvatting van PW, het zegt me dat het een geforceerde interpretatie is om op zijn best te passen bij een vooronderstelling, en (2) nog belangrijker, het onkruid, of dolik, wordt eerst verzameld, gebundeld om te worden verbrand, en dan wordt de tarwe in de schuren verzameld. Om de PW-positie juist te laten zijn, zou eerst de tarwe moeten worden geoogst (bij de Opname) en enige tijd later het onkruid verzameld en verbrand (bij het laatste oordeel). Dit past gewoon niet in de context en door dit misverstand heeft PW nog een groot hiaat in haar doctrine.

Gevolgtrekking

Door blogs te lezen en het internet te volgen, heb ik gemerkt dat een aantal predikanten de laatste tijd (bedoeld is 2013) de PW-positie hebben aangenomen, veel van hen jonge mannen. Een mogelijke reden hiervoor is de normale wens van elke generatie om ‘verder te gaan’ dan de vorige, dat kan ik aanbevelen, zolang het Schriftuurlijk nauwkeurig is. Een andere mogelijke reden komt van het feit dat ik een pretribulationist ben en de Bijbelse basis voor de pretrib-visie is evangelisatie en een heilig leven. Godvrezende PW-gelovigen kunnen net zo evangelisch zijn als hun pretrib-broeders en zusters. De PW-visie mist echter de naderende komst van Jezus. PW zoekt naar tekenen of vervullingen van profetische gebeurtenissen. Daarentegen zegt de Bijbel tegen alle christenen dat ze naar Jezus Christus Zelf moeten zoeken. Gerald Stanton concludeert: ‘Zijn komst is het volgende in het geopenbaarde programma van God, en het kan nabij zijn. Daarom kijken we, en kijken we en wachten we op onze Heer uit de hemel. Dit is onze zalige en gezegende hoop, veel hoger en meer in overeenstemming met de Schrift dan het zoeken naar de Antichrist en de tragische jaren van de komende Verdrukking. De volgende stem die we uit de hemel zullen horen, zal ons naar huis roepen!’

Bron: (PDF) A PROPER TIMING: Understanding and Evaluating the Pre-Wrath View of the Rapture | Greg Peterson - Academia.edu

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Nationaal herstel van Israël

 Deel 6

 

 

 

 

 

Inleiding

Marvin Rosenthal, de auteur van het boek ‘The Pre-Wrath Rapture’ is uiterst vaag over de positie van het volk Israël in de eindtijd. Naast de vele andere gedeelten in de Bijbel die spreken over een nationaal herstel van Israël in de toekomst is Ezechiël 37 wel een van de belangrijkste, maar dat wordt zelfs niet één keer vermeld! Dat mag op zijn minst merkwaardig worden genoemd. Zo ook bij de bespreking van de opname een belangrijke tekst als Johannes 14:1-3 niet aangehaald wordt! Er wordt nergens gesproken van een nationaal en geestelijk hersteld Israël in de eindtijd, specifieker in de laatste jaarweek, wel een vage aanduiding dat een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Dat is nog meer bevreemdend omdat de hele laatste jaarweek bestemd is voor het volk Israël en vooral de Grote Verdrukking in die laatste jaarweek! ‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad’ – kan het nog duidelijker? (Dan.9:24).

Rosenthal leert: De Bijbel leert dat bij de wederkomst van Christus een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Gods verbondsbelofte aan Abraham, Izaäk en Jakob zal letterlijk worden vervuld (Mat.24:31) Rom.11:25-26).

Showers, één van de vele opponenten van Rosenthal omschrijft dat standpunt als volgt: De tweede komst van Christus zal binnen de grens van de ene Wederkomst plaatsvinden onmiddellijk na het einde van de zeventigste week en aan het begin van een dertig dagen durende periode. Het doel van die komst zal de geestelijke redding van Israël zijn als vervulling van Zacharia 12:10.

Ik ga hier niet in op de ‘verlenging’ van de laatste jaarweek zoals door Rosenthal geleerd wordt met resp. 30 en 45 dagen zoals beschreven in Daniël 12:11-12, omdat een bespreking daarvan buiten het bestek van dit artikel valt; misschien later meer daarover.

Het niet honoreren van een nationaal en geestelijk herstel van het volk Israël houdt in dat de enige keuze die dan overblijft is om het te vergeestelijken, zoals we dat vinden bij de preteristen en bij de aanhangers van de vervangingstheologie, hoofdzakelijk in de RK-kerk en veel Protestantse kerken. Ook hoofdstuk 24 van het evangelie naar Mattheus toepassen op de Gemeente, tegen alle duidelijke gegevens dat het daar over Israël gaat, geeft aanleiding tot het vermoeden van vergeestelijken. Deze ‘verklaringswijze’ wijs ik pertinent af: Christus, de ware David zal éénmaal Heerser zijn over de ganse aarde, als de Gezalfde Koning van Israël (Ps.2).

Hoe zal Israël nationaal hersteld worden?

Een Schriftgedeelte dat ons inzicht geeft hoe een nationaal herstel van het volk Israël tot stand kan komen is bij uitstek Ezechiël 37. De profeet ziet daar een dal vol zeer dorre beenderen, die volgens vers 11 het gehele huis Israëls voorstellen. Dat het hier om personen gaat blijkt uit het vervolg: ‘Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here Here: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Here, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des Heren (vs.11-14). In dit hoofdstuk zien we dat het niet in één keer zal gebeuren. Eerst zien we dat de beenderen overtrokken worden met spieren en vlees en huid, maar nog geen geest. ‘Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; 8ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen’ (vs.7-9). Sinds 1948 is er weer een staat Israël en tot op de dag van vandaag mogen we constateren dat veel Joden teruggekeerd zijn zodat momenteel het aantal inwoners op 9,2 miljoen staat. Wie had zoiets kunnen bedenken, rekening houdend met de Holocaust waar zo’n zes miljoen Joden ter dood gebracht zijn? Op de vraag: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? En ik zeide: Here Here, Gij weet het. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord des Heren. Zo spreekt de Here Here tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de Here ben (vs.3-6).

Het gaat hier in Ezechiël 37 niet over de terugkeer uit de ballingschap van Babel, toen er maar zo’n 43.000 Joden terugkeerden. (1) Hier wordt het gehele volk gezien wat niet kan slaan op de terugkeer uit Babel (zie Maleachi). (2) Er wordt gesproken over de hereniging van de twee en tien stammen, Juda en Israël. ‘Zo zegt de Here Here: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef – dat aan Efraïm toebehoort – en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in mijn hand. Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn, zeg dan tot hen: Zo zegt de Here Here: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken’ (vs.19-22). (3) En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn’ en nog ‘mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn’ (vs.24, 25).

Hoe werden en worden de Joden terug naar het land gebracht?

Daarvoor moeten we Jeremia 16 raadplegen. Nadat God hen eerst om hun zonden verdreven heeft, zal hij hen terugbrengen. Hij zal vissers en jagers gebruiken. (Zie voor een uitvoerige behandeling daarvan mijn website in de rubriek: OT Profetische boeken 1). Zoals wel eens gesuggereerd is: Als er geen holocaust was gebeurd, zoals in de Tweede Wereldoorlog, zou er nu nog geen staat Israël zijn geweest! Maar zoals gezegd er is nog geen ‘geest in hen’ Het volk Israël, zoals wij dat vandaag kennen is nog niet teruggekeerd tot God, men rekent op de steun van machtige landen, zoals de Verenigde Staten van Amerika.

Hoe zal het Israël vergaan tot aan de komst van de Messias?

Nu is Israël nog op weg naar zijn rust (Jer.31:2). De gevoelens en beleving van het volk Israël in de huidige ballingschap onder alle volken’ wordt al heel vroeg in Gods Woord beschreven: De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen. Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel. Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen – vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien. De Here zal u op schepen naar Egypte terugbrengen langs de weg, waarvan Ik u gezegd had: Gij zult die nooit weerzien; gij zult daar aan uw vijanden als slaven en slavinnen te koop aangeboden worden, maar er zal geen koper zijn’ (Deut.28:64-68). Maar ook daar een belofte van terugkeer.

Wanneer komen de tien stammen in het land?

De verzen 15-28 spreken over de terugkeer van de twee stammen (Juda) en de tien stammen (Efraïm) in het land zullen terugkeren en verenigd zullen worden. In Daniël 9 gaat het over de twee stammen, die teruggekeerd zijn uit de ballingschap van Babel. Die twee stammen hebben de tempel herbouwd onder Ezra en Nehemia en waren het die in hoofdzaak aanwezig waren toen de Heer Jezus zijn dienst in Israël vervulde. Zij zijn het die in het land zullen zijn in de laatste jaarweek en de ‘benauwdheid van Jakob’ (Jer.30:7) zullen moeten ondergaan, kort voordat de Heer Jezus zal komen op de Olijfberg, waarvan gesproken is door de profeet Zacharia (Zach.13:8v.; 14:4). De tien stammen zijn nooit teruggekeerd maar over de hele wereld verstrooid geworden en zullen daar geoordeeld worden (Ez.20:34vv.). Het zal dan vermoedelijk dan ook na de Grote Verdrukking c.q. de laatste jaarweek terug zullen keren naar het Beloofde Land.

Het koninkrijk opgericht

Na de komst van de Heer Jezus voor Israël en de volken zal Israël het hoofd van de naties zijn (Deut.28:1; Jer.21:7) met als hoofdstad Jeruzalem; de stad van de Grote Koning (Mat.5:35). Het land zal zich uitstrekken van de Nijl tot aan de Eufraat (Gen.15:18; Ps.72:8) en iedere stam zal daarin zijn erfdeel hebben (Ez.48). Ze zullen een vorst hebben uit het geslacht van David, dat is de Messias die ook zijn eigen erfdeel zal bezitten (Ez.48:11). De tempel zal in Jeruzalem herbouwd zijn (Ez.40-42) en de heerlijkheid des Heren, het teken van de tegenwoordigheid van de Heer, zal haar vervullen (Ez.43:1-5; 44:4). Er zullen opnieuw offers gebracht worden, terugziende op het offer dat Christus gebracht heeft op het kruis van Golgotha. Het gehele, dan aanwezige, volk zal behouden worden (Rom.11:29), want God Zelf zal zijn wet in hun binnenste geven en in hun harten schrijven. ‘Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’ (Jer.31:33-34). Zij zullen de Here in zijn tempel dienen en alle volken zullen jaarlijks naar Jeruzalem komen om de Here te aanbidden en het Loofhuttenfeest vieren (Zach.14).

Tenslotte

Op de vraag of Israël een nationaal en geestelijk herstel zal kennen en als volk onder heerschappij van de Messias nog een toekomst heeft kunnen vrijmoedig met een ‘ja’ beantwoorden. ‘Eeuwige zal de Heerschappij zijn op de troon van David’. De gedachte dat de Gemeente het ‘geestelijk Israël’ is wijdverbreid maar niet juist. Ook is de Kerk niet bij Israël ingelijfd, het beide verschillende entiteiten (1Kor.10:32). De vaagheid die we vaker tegenkomen bij Rosenthal geeft aanleiding tot speculaties en verwarring; het ontbreekt aan duidelijkheid.

Er is een overvloed aan teksten die blijk geven van een toekomst voor een nationaal en hersteld volk Israël we denken maar aan Romeinen 9-11. Mogelijk kunnen andere artikelen op mijn website u verder helpen. U kunt diverse artikelen vinden in de rubrieken: Israël Theologisch en Eschatologie.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Pre-Wrath Rapture - Mattheüs 24

 Deel 7

 

 

 

 

 

Inleiding

Het is bedroevend te merken hoe weinig christenen de ‘rede over de laatste dingen’ van de Heer Jezus vermeld in Mattheüs 24 en 25 goed begrijpen. Vooral de dingen die onmiskenbaar op Israël slaan, worden dikwijls geldig geacht voor de Gemeente. De beschreven eindtijdervaringen voor Israël in de verdrukking, worden dan toegekend aan de Gemeente in háár eindtijd, vlak vóór de opname. Het is echter belangrijk dat wij een goed inzicht hebben in het wezen en de aard van de verschillen tussen enerzijds die van Israël en anderzijds die van de Gemeente. Als we dan het profetische Schriftwoord in wijsheid en nederigheid naspeuren, dan krijgen deze profetieën een geheel ander aanzien. De ‘laatste dagen’ voor de Gemeente zijn namelijk niet die van Israël, en anderzijds liggen de ‘laatste dagen’ van Israël in het tijdvak van de zevenjarige verdrukking en hebben op hun beurt helemaal niets met de Gemeente te maken!

De context

Om een juiste uitleg van hoofdstuk 24 te kunnen garanderen is het noodzakelijk ten opzichte van de andere Evangeliën na te gaan welke de plaats van het Evangelie naar Mattheüs inneemt in het Nieuwe Testament. Met andere woorden volgens de ‘regels van de kunst’ moeten we rekening houden in welke context (omstandigheden, ervaringshorizon, heersende opvattingen e.d.) het Evangelie van Mattheüs is geplaatst en dus ook de context van hoofdstuk 24.

Chafer schrijft: ‘The address is to Jerusalem’s children, which, in this instance is a representation of the nation Israel. … the entire discourse from Matthew 24:4 on, … immediately spoken to His disciples who are still classed as Jews and represented a people who will pass through the experiences described in this address, is directed toward the entire nation and especially to those who will endure the trials depicted therein. The phrase, ‘I would have gathered thy children together‘,… not only discloses that He speaks to Israel, but refers to the fulfillment of much prophecy respecting the final regathering of Israel into their own land. … ‘Your house’ is a reference to the house of Israel which became centered in the kingly line of David. … The term ‘desolate’ is one of several words used to describe Israel’s situation in the world throughout this age. … ‘Ye shall not see me’ is an assertion which anticipates His total absence, respecting His peculiar relation to Israel ‘till’ He returns, at which time ‘every eye shall see him’ (Rev.1:7), ‘and they shall see the Son of man coming in the clouds of heaven with power and great glory’ (Matt.24:30) (See: Things to Come page 275).

Wiersbe zegt hierover: ‘We must keep in mind that the “atmosphere” of this discourse is Jewish. Jesus talked about Judea (Matt.24:16), the Sabbath (Matt.24:20), and the prophecies of Daniël concerning the Jewish people (Matt.24:15). The full truth about the Rapture of the church (1 Cor.15:51ff. 1 Thes.4:13-18) had not yet been revealed, for it was a mystery (Eph.3:1-12). (The Bible Exposition Commentary NT)

Niet alleen de opname was een geheimenis dat pas later door Paulus geopenbaard is maar ook de Gemeente was nog niet ontstaan. Dit gebeurde in Handelingen 2 met de uitstorting van de heilige Geest waardoor alleen, gelovige jood en Griek, tot één lichaam werden gedoopt (1Kor.12:13).

Door het vermelden van het geslachtregister van de Heer Jezus aan het begin van het Evangelie zien we dat Mattheüs het erom te doen geweest is om de Heer Jezus voor te stellen als de beloofde Messias, de Zoon van Abraham en Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk aankondigt.

De andere Evangeliën benadrukken een ander kenmerk van de Heer Jezus. Markus laat ons de Heer Jezus zien als de ‘dienstknecht’, Lukas als ‘de Zoon des mensen’ en Johannes tenslotte als ‘Zoon van God’.

Een overzicht van het Evangelie naar Mattheüs maakt dat duidelijk:

1. De afkomst van de Messias van David (1:1)

2. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

3. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

4. Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)

5. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5), en de stad van de grote Koning (5:35)

6. De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (hfdst.5-7.)

7. Uitzending van de discipelen gepaard gaande met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)

8. Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)

9. Verwerping van de Koning. (11:2; 14:1) (In principe is dit al gebeurd door de arrestatie en moord op Johannes de Doper)

10. De verwerping van Koning Jezus definitief (12:22-32, 46; 13:2)

11. Koninkrijk is verborgen vorm word aangekondigd (13)

12. Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (16:18)

13. Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)

14. Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijde stelling van Israël (21:43)

15. Weeklacht over Jeruzalem (23:37)

16. Rede over de laatste dingen waarin het oordeel over Israël, Christenheid en de volkeren (24-25)

17. Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

18. De opstanding, hemelvaart en de opdracht en uitzending van Jezus’ discipelen (28)

We kunnen het evangelie naar Mattheüs dan ook als volgt indelen:

Hoofdstuk 1-10   - De aankondiging en openbaring van de Koning.

Hoofdstuk 11-13 - De tegenstand van de Koning.

Hoofdstuk 14-20 - De terugtrekking van de Koning.

Hoofdstuk 21-27 - De verwerping van de Koning.

Hoofdstuk 28      -  De opstanding van de Koning.

De sleutel tot begrip

Een eerste maar beperkte vervulling van de ‘profetie over de laatste dingen’ kwam tot stand in 70 n.Chr., toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden over de hele wereld werden verspreid (diaspora). In die tijd werd echter het gedeelte van Mat.24:29-31 (Mark.13:24-27; Luk.21:25-27) niet vervuld, namelijk: de wederkomst van de Heer.

Wij die vlak voor de wederkomst leven moeten deze profetische schriftplaatsen nu bezien in de grotere dimensie die ze hebben, namelijk de uiteindelijke en algehele vervulling. Ze hebben nu een relevante betekenis voor enerzijds de Gemeente, die door haar Heer vóór de zevenjarige verdrukking in de lucht zal opgenomen worden naar het vaderhuis, en anderzijds de Joden die tijdensdeze verdrukking tot bekering zullen komen en daarna hun Messias op aarde zullen zien verschijnen. Nu is het beslist zo dat de periode van de Gemeente niets van doen heeft met het Joodse tijdperk, en omgekeerd. In de verdrukkingstijd neemt God de draad met Israël terug op en dan is het gemeente- of genadetijdperk afgesloten. Israël en Gemeente staan op totaal verschillende verbondsgronden. Christenen verwachten hun Heer altijd: de Heer komt voor de belijdende kerk op een uur dat niemand kent. Christenen moeten beslist geen tekenen afwachten en zij zullen de komende Antichrist en de verdrukking geenszins meemaken. Joden echter krijgen tekenen waarnaar zij in de verdrukkingstijd zullen uitkijken als bakens van waarschuwing, attentie en bemoediging.

Joden, Christenen en Volken (Vgl. 1Kor.10:32)

In deze bespreking volgen wij ‘de rede over de laatste dingen’ in de versie volgens Mattheüs. Mattheüs 24-25 laat zich opsplitsen in drie thematische delen die toepasselijk zijn voor Joden, Christenen en de Volken:

1e. Joden: in Mat.24:1-35 zijn alle kenmerken Joods en van toepassing op de Joden.

2e. Christenen: in Mat.24:36 tot Mat.25:30 gaat het over waakzaamheid voor ‘de dag des Heren’ en de voorafgaande komst van de Heer tot zijn bruid, de Gemeente.

3e. Volken: in Mat.25:31-46 gaat het over het oordeel over de Volken, aan het begin van het vrederijk.

De vraag over de laatste dingen

Als we naar Mattheüs 24 kijken, dan zien we in de eerste drie verzen de behandelde onderwerpen van de profetie, overeenkomstig de vragen van Jezus’ discipelen, en dat zijn:

1e. Het tijdstip waarop de tempel zal afgebroken worden.

2e. Het teken van Christus’ komst (Gr. parousia, tegenwoordigheid, aankomst)

3e. Het teken van de voleinding van de “eeuw” (Gr. aionos, tijdperk).

Nu zijn de tempel en de vraag naar tekenen eigen aan de Joden (1Kor1:22; Mat12:38; Joh4:48). We hebben hier te doen met een vraag van de Joden en voorde Joden. Dit heeft niets met de Gemeente te maken, maar alles met Israël. De Gemeente kan er wel wat uit leren, zoals uit de gehele Schrift trouwens (Rom.15:4), maar dat is wat anders dan de profetie rechtstreeks op haar toepassen!

In 70 n.Chr. werd de profetie betreffende de tempel vervuld. Deel II en III van de profetie echter werden toen niet vervuld. Dit komt omdat het gemeentetijdperk nog tussen de Israëltijdperken in geschoven moest worden, als een ent op de edele olijfboom, waarvan tijdelijk takken waren afgebroken. Maar dat was op het moment van de profetie nog een ‘verborgenheid’ (Rom.11:16-25; Ef.3:3-6; Kol.1:24-27). Het begin van de weeën: de eerste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek. Dit gedeelte is niet voor de Gemeente bedoeld want zij moet geen tekenen afwachten maar hun Heer altijd verwachten. Ook de uitdrukking ‘wie zal volharden tot het einde zal behouden worden’ (Mt24:13) kan niet op de Gemeente slaan, want voor hen is behoud geen zaak van eigen volharding. Nergens in het Nieuwe Testament wordt tot christen-gelovigen gezegd dat zij voor hun behoud moeten volharden. Gód is hun volharding (Rom.15:5; 1Kor.1:11)! De kerk, gezien als christelijk getuigenis op aarde (met daarin ware en naamchristenen), wordt gevraagd te waken. De Gemeente wordt ook niet misleid door het optreden van valse christussen. De Gemeente verwacht geen op aarde verschijnende Christus, maar een opname, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes.4:17), naar het Vaderhuis (Joh.14:3). Het gaat hier over Israëlieten die zullen leven ná de opname van de Gemeente. Zij zullen dan pas tot bekering komen en gaan uitkijken naar de (weder)komst van hun Messias. Zij krijgen waarschuwingen te horen opdat zij - in de verdrukkingstijd die dan is losgebarsten - zouden ‘volharden tot het einde’. Zij krijgen o.a. te horen dat dit nog maar een ‘begin van de weeën is’ die over de aarde komen. Deze periode is de eerste halve jaarweek, naar analogie met de tweede helft van deze profetische ‘week’ in Dn9:27. Daarna moet de verschrikkelijke ‘grote verdrukking’ komen. Wat hier wordt beschreven komt overeen met Openbaring 6: de verbreking van de eerste zes zegels. In die tijd wordt niet meer het evangelie van de genade gepredikt, maar ‘het evangelie van het koninkrijk’ (Mat.24:14), en door de Joden (zie de ‘twee getuigen’ in Op11).

De grote verdrukking: de laatste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek

Bemerk goed de Joodse kenmerken: ‘heilige plaats’ (de herbouwde tempel!), ‘Jeruzalem’, ‘zij die in Judea zijn’ en ‘sabbat’. Deze passage heeft geheel niets met de Gemeente van doen, maar alles met de Joden, die in hun land zijn teruggekeerd. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt: de Gemeente wordt niet misleid door valse christussen. Zij ziet niet uit naar een op aarde verschijnende Christus, maar zij verwacht een plotselinge, hemelse opname die zij altijd moet verwachten, onafgezien gebeurtenissen of tijden.

Hier begint de ‘grote verdrukking’. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de ‘week’ in Dan.9:27. Deze is 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), 42 maanden (Op.11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op.12:7-9).

In Dan.12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een ‘gruwel’ zal worden opgericht (Dan.9:27 en 12:11; Mat.24:15; Mark.13:14). Dit is het zichtbare begin van de ‘grote verdrukking’ (Mat.24:21; Mark.13:19; Op.7:14). Dit is de ‘tijd van benauwdheid voor Jakob’ (Jer.30:7; zie ook Dan.12:1).

De wederkomst van Christus op aarde: terstond ná de grote verdrukking

De Heer verschijnt nu zichtbaar voor iedereen die op aarde leeft. Dit is niet bedoeld voor de Gemeente, want hun opname is reeds achter de rug. Bij de opname verschijnt de Heer voor de Gemeente alléén, zijn bruid, wanneer ze wordt opgenomen, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes.4:17). Hier in Mat.24:30 komt de Heer fysisch terug op aarde, op dezelfde wijze als dat hij van zijn discipelen was vertrokken, bij de hemelvaart: ‘En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren’ (Hand.1:10-11). ‘Degenen die Hem doorstoken hebben’ - zie in Op.1:7 - slaat op de Joden, zoals uit Zach.12:10-14 blijkt. Maar bij ‘al de geslachten der aarde’, zoals we hier lezen, kan men naast Israël ook denken aan alle volken van de aarde. Was het immers niet een Romeinse soldaat die Hem feitelijk doorstak? En heeft niet elke bewuste ongelovige Hem eigenlijk doorstoken?

De tijdslijn maakt nu een sprong en loopt verder in Mat.25:31, waar het oordeel over de volken begint. Eerst echter zijn er nog een paar excursies die betekenis hebben voor Israël én de Gemeente.

De gelijkenis van de vijgenboom

‘Wanneer gij al deze dingen zult zien’ (vs.33): zoals betoogd moet de Gemeente geen tekenen afwachten, maar in alle tijden en omstandigheden haar Heer verwachten (Tit2:13; 1Thes.1:10; Fil.3:20). De Schriftplaatsen over de Opname spreken nooit over voorafgaande tekenen: Mat.24:36-44; Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-55; 1Thes.1:9, 10. Deze gelijkenis heeft daarom weer niets van doen met de Gemeente.

De vijgenboom is Israël (vgl. Luk.13:6-9). Uit de vijgenboom-gelijkenis mag Israël leren, dat wanneer zij ‘al deze dingen’ zullen zien gebeuren, de zomer nabij is, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs.33). Het uitlopen van de vijgenboom is in de eerste plaats een beeld van ‘deze dingen’, namelijk de ontwikkelingen die precies gebeuren zoals de Heer ze in zijn rede heeft voorzegd.

Zoals gezegd is de vijgenboom een beeld van Israël. Als de takken van de vijgenboom zacht worden en de bladeren uitlopen, dan betekent dit dat Israël aan een geestelijk ontwaken is begonnen. Dat zal niet gebeuren vóór maar wel ná de opname van de Gemeente. Het gaat hierover niets anders dan ontwikkelingen vlak ná het Gemeentetijdperk, wanneer God de draad met Israël weer opneemt en zij ‘ontwaken’ zullen als een vijgenboom in de lente.

In Luk.21:29-31 spreekt de Heer niet enkel over de vijgenboom maar ook over alle bomen: ook de naties van de eindtijd komen tot ontwaken. Wij zien in onze tijd dat Israël aan een nationale heropstanding bezig is, sinds 1948, maar dat is niet de eigenlijke vervulling van Jezus’ woorden. De woorden van de Heer betreffen het Israël van de eindtijd, ná het Gemeentetijdperk, in de zeventigste jaarweek. In Jezus’ rede van de laatste dingen is eerder een geestelijk ontwaken bedoeld. Wij kunnen in de huidige nationale ontwikkelingen wel een voorbode zien, namelijk dat ook de geestelijke heropstanding niet meer veraf kan zijn, maar de tempel is nog niet herbouwd, de eredienst is nog niet hersteld en de Joden zijn nog steeds ‘verhard’ (Rom.11:25). Als echter (een deel van) Israël geestelijk zal ontwaken dàn is de zomer nabij, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs.33).

Dit geslacht 

‘Dit geslacht’ (vs.34) is het Joodse volk, zowel de tijdgenoten van Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer (vs.30).

‘Dit geslacht’ is niet een periode van één generatie, zoals sommige christenen denken (en ook sekten, zoals de Jehovah-getuigen). De Heer Jezus bedoelt hiermee de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, doorheen de eeuwen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat ‘Al deze dingen zullen geschied zijn’ (vs.34). Dit is de hele periode van de verwerping van Israël en gelijk ook de tussenvoeging van de Gemeente (Rom.11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren: ‘Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ (Rom.11:32-33).

Vergelijk voor de betekenis van ‘dit geslacht’ ook Deut.32:5, 20; Ps.12:8. Zie ook de Appendix, om te zien dat er in de context van Jezus’ woorden geen periode wordt bedoeld maar een ‘verkeerd geslacht, een ongelovig volk.

Geen berekeningen maken 

Een belangrijk argument hierbij is hetgeen staat in M24:36: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.’ Deze Schriftplaats mogen we niet uithollen door te gaan beweren dat één geslacht gelijk staat aan één generatie, of nog erger: één geslacht = 40 jaar. Nu ishet wel zo dat de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. binnen zo’n tijdvak is te plaatsen, achteraf bekeken, maar dat betekent niet dat wij zo mogen berekenen. Trouwens, in 70 n.Chr. werd de profetie niet vervuld want ‘die dag’, of ‘de dag des Heren’, en ‘de wederkomst des Heren’ is toen niet gebeurd.

Trouwens, wáár zouden wij de berekening van ‘één geslacht’ in de eindtijd moeten starten? 1948, 1967, 1973, 1980 ...? En ten aanzien van wie? De Joden? Maar die worden pas geestelijk hersteld in de verdrukking en dan pas geldt de gelijkenis van de vijgenboom. De Gemeente? Die hoort niet naar tekenen te zien maar moet de Heer altijd verwachten. Er als we dan al ergens een startdatum (eigenmachtig) zouden gevonden hebben, dan laat het woord van de Heer in Mat.24:36 zeker niet toe van 30 of 40 jaar af te tellen tot alles zou zijn geschied. Neen, berekeningen maken is voor ons uit den boze! Slechts in de verdrukkingstijd zullen de Joden twee keer 3,5 jaar of 1260 dagen kunnen aftellen, daarnaast geholpen door zichtbare tekenen. Tekenen en berekenen is voor de Joden, en de Joods bedelingen, maar de Gemeente heeft daar helemaal niets mee te maken.

De Zoon des mensen komt op een onbekend tijdstip

Dit gedeelte kan onmogelijk op Israël van toepassing zijn. Hier is geen sprake meer van uitkijken naar tekenen, maar van een onbekend tijdstip waarop de Heer komt. Dit is de komst voor de Gemeente. Daarachter ligt er nog een bekend tijdstip waarop de Heer komt, voor Israël en de overblijvende volken, aan het eind van de grote verdrukking. Daartussen liggen de zeven jaren van de 70e. jaarweek of de ‘Dag des Heren’.

Van die onbekende dag waarop de Heer zijn Gemeente ophaalt en aanstonds de ‘Dag des Heren’ begint, staat er: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen’ (Mat.24:36). Dit is niet Jezus’ zichtbare komst op het einde van de grote verdrukking, want dat is een bekende dag. Men kan na de opname zeven jaren op de kalender uitzetten. En als men dat toch nog te riskant vindt: als de ‘gruwel der verwoesting’ (Mat.24:15) in de tempel komt te staan, dan kan men beslist 3,5 jaar (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14), of 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), of 42 maanden (Op.11:2; 13:5) op de kalender uitzetten om precies te weten wanneer de Heer komt.

Het onbekende tijdstip van Jezus’ komst (Mat.24:36), is niet alleen onbekend voor ongelovigen maar ook voor gelovigen, ja zelfs voor de Zoon des mensen. Dit moeten we goed onderscheiden van Jezus’ komen ‘als een dief’ (1Thes.5:2; 2Petr.3:10; Op.3:3; 16:15), namelijk voor degenen die niet waakzaam zouden zijn of in ongeloof vertoeven. Voor dezen komt de Heer altijd als een dief, maar gelovigen zijn altijd waakzaam: zij houden er altijd rekening mee dat de Heer vandaag nog kan komen, en zij leven er helemaal naar toe, ook al weten zij ‘dag nog uur’.

De wereld zal erg verrast worden door de plotselinge opname van de Gemeente. In die tijd zullen zij hun gewone gangetje gaan en eten, drinken, huwen … alsof er niets aan de hand is. Er is in de passage geen sprake van een grote verdrukking maar eerder van een relatieve vrede! Niemand had ermee gerekend dat er zo’n ingrijpende gebeurtenis zou plaatsvinden. Als gevolg daarvan worden zij nu verrast door de plotselinge wegname (opname) van vele mensen, waarbij zelfs familieleden. Daarop komt de hele wereld in beroering en de verdrukkingstijd begint.

De tekst van Mat.24:37-41 luidt volgens een aantal Bijbelvertaling 'de één zal aangenomen worden en de ander zal verlaten worden'. NBG en HSV hebben: 'aangenomen' en 'achtergelaten' De TELOS-vertaling (Voorhoeve) heeft hier terecht ‘meegenomen’ en ‘achtergelaten’. Omdat het hier om een eindoordeel en het begin van het vrederijk gaat, betekent ‘meenemen’ hier: wegrukken door het oordeel; en ‘achterlaten: op aarde laten, opdat de betreffende gelovigen het vrederijk kunnen binnengaan.

Ouweneel schrijft in zijn ‘Jeruzalem, de stad van de grote Koning’ over dit gedeelte: ‘Zo zien we dus dat bij de wederkomst van de Heer het overblijfsel zal worden verlost, maar het goddeloze volk zal worden verdelgd. Deze tegenstelling winden we ook in de woorden van de Heer in Mat.24:37-41. Daar wordt het volk vergeleken met mensen in de tijd van Noach. Ook toen was de grote massa ongelovig; zij vierden feest zonder zich iets van God aan te trekken. Alleen Noach wandelde met God. Toen kwam het oordeel dat de goddelozen verdelgde, maar de rechtvaardigen werden behouden in de ark, dat is Christus (1Petr.3:20v.). Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Het volk zal uiteenvallen in twee groepen: zij die worden weggenomen door het oordeel (de vertaling ‘aangenomen’ is hier onjuist) en zij die zullen achterblijven om het koninkrijk te beërven. Overal worden de goddelozen door het oordeel weggejaagd, het ware volk van God dat het land zal bezitten in zijn volle uitgestrektheid van Gen.15:18 (zie Ps.37:9-11,20,28v.,34).’

Pentecost zijn visie sluit daarbij aan want we lezen in Things to Come pag.162 het volgende:

‘Again, this passage is in that discourse in which the Lord outlines His program for Israël, who is already in the tribulation period. The one is taken is taken to judgment and the one left is left for the millennial blessing. Such is not the prospect for the church.’

De dag des Heren begint dus wanneer Hij Zijn gemeente onverwachts opneemt (1Kor.15:51-52), vóór alle oordelen die over de wereld komen. De opname op zich is reeds een oordeel, voor de naamchristenen en ongelovigen die achtergelaten worden. De Heer redt zijn Gemeente echter van de komende toorn (1Thes.1:10; 5:9), de grote verzoeking (Op.3:10,11). In Op 4 en 5 zien we de opgenomen Gemeente vertegenwoordigd in de 24 oudsten. Wanneer in Op 6 de verdrukkingstijd losbarst is er geen sprake meer van de Gemeente. In Op 1 tot 3 komt de naam ‘Gemeente’ 19 maal voor; daarna niet meer, dan is alles terug kenmerkend Joods: het Gemeentetijdperk is voorbij.

Deze komende ‘toorn’ is niet de hel. Van de hel waren de Thessalonikers reeds gered; daartoe hadden zij zich bekeerd (Joh.5:24; Rom.8:1). De ‘toorn’ is hetgeen beschreven staat in Jes.61:2; Rom.2:5; 1:18, 24-28; 5:9; Op.6:17;11:18; 15:1. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (zie Op.5) vanaf Op.6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn. Het verschijnen van de Antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dan.9:27; 2Thes.2:9-12; Op.6:1, 2). Deze toorn duurt de volle zeven jaar, de zeventigste jaarweek. Dit alles is de “Dag des Heren” (2Thes.2) en dat wordt de Gemeente bespaard.

De opname van de Gemeente (2Thes.2), de tempel van de Heilige Geest, geeft aanleiding tot het uitbreken van de verdrukkingstijd die overeenkomt met de laatste jaarweek in Daniël 9. God neemt dan de draad weer op met Israël (Rom.11). Israël zal geestelijk opstaan en alle gebeurtenissen voltrekken zich zoals de Heer die heeft voorzegd. Uit die vervullingen kan Israël opmaken dat de Messias en Zijn vrederijk nabij is, voor de deur. Met het boek Daniël of Openbaring kunnen zij dan zelfs precies berekenen wanneer hun Heer komt.

Drie gelijkenissen over de periode van de Christenheid

In de volgende gelijkenissen staat enerzijds deafwezigheid van de Heer en anderzijds Zijn komst voor de Gemeente centraal. Ze handelen over verantwoordelijkheid, waakzaamheid, beloning en oordeel. Dit is de ingeschoven periode van de Gemeente, en de belijdende Christenheid in het algemeen. We lezen niets over de verdrukkingstijd, Judea, Jeruzalem of tempel. Het gaat hier niet over een dienst die met Israël en de heilige plaats in verbinding staat, maar over de dienst in het geestelijke huis van God (1Petr.2) waarvan alle christenen deelnemen. We zien in de beloning van de trouwe slaaf dat dit niet op Israël kan slaan, want Israël wordt niet gesteld over al Jezus’ bezittingen, maar christenen zijn mede-erfgenamen. De verklaring van de gelijkenissen laat ik voorlopig achterwege want dit valt buiten de huidige scope.

Het oordeel over de volken

Dit gedeelte vindt rechtstreeks aansluiting bij Mat.24:31 alwaar sprake is van het bijeen vergaderen van de uitverkorenen, de getrouwe Joden. Hier echter worden de volken verzameld en gescheiden als schapen en bokken. De troon die we hier zien is deze van bij het begin van het duizendjarig vrederijk. Alle nog levende volken worden ervoor verzameld. Zij worden beoordeeld over de manier waarop zij de predikers van het Koninkrijk hebben behandeld (Mat.24:14). Dit mogen we niet verwarren met de ‘grote witte troon’ uit Op.20:11, die helemaal aan het eind van het duizendjarig vrederijk komt, en dan zullen ook de doden geoordeeld worden.

Appendix: Uitverkorenen

In Mattheüs 24:22 vinden we de uitdrukking ‘de uitverkorenen’ in het Grieks ‘eklek’tos’ wat je zou kunnen vertalen als ‘uitverkoren door God’. Sommigen uitleggers passen dit toe op christen-gelovigen om zo hun uitleg dat het in Mattheüs 24 over christenen gaat te onderbouwen. Het woordje ‘uitverkorenen’ c.q. uitverkoren’ wordt in Gods Woord op vele plaatsen gebruikt bijvoorbeeld voor de Messias (Jes.42:1) en het volk Israël (Jes.43:20). Om op grond van dit woordje te beweren dat het in Mattheüs 24 om christenen gaat is ongegrond.

Appendix: De uitdrukking geslacht

Volledige opzoeking in het Nieuwe Testament van de Statenvertaling 1977. Uit de opzoeking volgt dat de uitdrukking ‘dit geslacht’, in Mat.24:34, Mark.13:30 en Luk.21:32, enkel refereert naar het Joodse volk als zodanig, niet een periode van één generatie. Zelfs Heb.3:10 heeft het niet over één generatie, maar over de weerspannige Joden.

Zie hierna de context van de uitdrukking ‘dit geslacht:

1. De uitdrukking ‘dit ... geslacht’

Mat.11:16 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 12:41,42,45 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:21 (demonen); 23:36 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Mt24:34 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Mark.8:12 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 9:29 (demonen); Mar.k13:30 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Luk.7:31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 11:29 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 30 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 32 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 50-51 (ongelovige Joodse volk); 17:25 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Luk.21:32 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Hand.2:40 (ongelovige Joden in de tijd van Pinksteren)

Heb.3:10 (ongelovige Joden in de woestijn)

Maar ook de uitdrukking ‘geslacht’, zonder aanwijzend voornaamwoord (die/dat) wordt gebruikt. Merk dan op dat enkel Mat.1:17 van ‘generaties’ spreekt, als voortplantingsreeks binnen een familie, met name binnen het geslachtsregister van Jezus Christus. Dit staat echter geheel buiten elke betekenis van ‘geslacht’ in de rest van het Nieuwe Testament, en kan dan ook niet gelieerd worden aan de betekenis van ‘dit geslacht’.

Zie hierna de betekenis van de uitdrukking ‘geslacht’:

2. De uitdrukking ‘geslacht...’

Mat.1:1 (familie); Mat.1:17 (voortplantingsreeks binnen een familie); 12:39 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:4 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:17 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 19:28 (stammen van Israël); 24:30 (volken)

Mark.8:38 (zondige mensheid); 9:19 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Luk.1:48,50 (alle mensen van alle tijden); 1:61 (familie); 2:4 (familie); 9:41 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:8 (groep van de gelovigen); 22:30 (stammen van Israël)

Hand.3:25 (mensen van alle tijden); 4:6 (familie); 7:13,14,19 (familie); 8:33 (afkomst); 13:26 (familie); 17:26,28,29 (genus); 26:7 (stammen van Israël)

Gal.1:14 (mensen van eenzelfde leeftijdsgroep)

Ef.3:15 (familie); 3:21 (alle mensen van alle tijden)

Fil.2:15 (zondige mensheid); 3:5 (volk Israël)

Kol.1:26 (mensen van alle tijden)

1Tim.1:4 (afkomst)

Tit3:9 (afkomst)

Heb.7:3,6 (afkomst)

1Pt2:9 (groep, volk)

Op.1:7 (alle mensen in de tijd van de wederkomst); 5:9 (mensen van alle tijden); 7:4-8 (volk Israël); 7:9 (mensen van alle volken); 11:9 (mensen van alle volken); 13:7 (mensen van alle volken); 14:6 (mensen van alle volken); 21:12 (stammen van Israël); 22:16 (familie)

Conclusie

De Schriftuurlijke conclusie kan niet anders zijn dan dat de uitdrukking ‘dit geslacht’ (Mat.24:34, Mark.13:30 en Luk.21:32), enkel te maken heeft met het Joodse volk als zodanig en niet een bepaald tijdperk van één generatie. Pas ná het Gemeentetijdperk, en niet ervóór, zal God de draad met Israël terug opnemen: in de verdrukking. Dan pas wordt Israël geestelijk hersteld en komen zij tot bekering. Vóór deze verdrukking moeten wij niet ‘één generatie’ van Israël afmeten. Pas in de verdrukking zullen de tekenen der tijden duidelijk worden.

Vóór de verdrukking is er slechts één belangrijke gebeurtenis, en gelijk ook een teken voor Israël en de wereld: de opname van de Gemeente. Dit zal als een totale verassing komen en aanleiding geven tot de verdrukking.

Wel is het waar dat het ‘wereldtoneel’ voor de aanstaande gebeurtenissen in onze tijden wordt opgezet, zowel met betrekking tot de volken, de (moslim)vijanden van Israël, de oprichting van de staat Israël, de terugkeer van Joden, het gedeeltelijke bezit van Jeruzalem, enz. Maar dit is niet het ‘begin van de weeën’ (‘beginsel der smarten’ - Statenvertaling) van Mat.24:8, waarbij de tekenen der tijden duidelijk worden voor de Joden, en die hen ook tot bekering zullen leiden.

Vóór de verdrukking is er beslist geen tijdperk van ‘één generatie’ van Joden waarop ook maar iets van de rede der laatste dingen van de Heer van toepassing is. De Gemeente heeft die tekenen niet nodig, en Israël zou ze in haar onbekeerde toestand niet kunnen zien. Er zijn wel twee perioden met tekenen over de laatste dingen: 1e. de periode 33-70 n. Chr. en 2e. de ‘zeventigste jaarweek’ (de verdrukking).

Zoals reeds betoogd moeten wij vóór de Opname geen tekenen der tijden verwachten, noch voor de Gemeente, noch voor Israël. De Schrift wijst eerder op het tegendeel: het leven gaat zijn gewone gangetje totdat plots de Gemeente wordt opgenomen (Mat.24:38). Daarna zal het Joodse volk de tekenen zien die haar toebehoren, en tot bekering komen.

Nagekomen opmerking

1e. Als we ervan uit gaan dat het in Mattheüs wel over christenen zou gaan dan moeten we ons afvragen hoe het zal gaan op het moment dat de Heer Jezus komt. Is er dan een opname? Gaat jood en christenen het Vrederijk binnen? Wat blijft over van de bijzondere roeping en positie van de gelovigen van de Gemeente?

2e. Op grond van welke tekst uit Mattheüs 24 baseren zich hen die leren dat het hier om christenen gaat?

3e. Is het voldoende om op grond van één woordje (de uitverkorenen’ vs.22) de visie te baseren dat daarmee christenen bedoeld worden?

4e. Als geen ‘opname’ is en maar één (weder)komst van Christus dan is een verdere openbaring van het geheimenis van de komst van Christus door Paulus totaal overbodig want Jezus’ zichtbare komst op de Olijfberg is voldoende omschreven in het Oude Testament.

Enkele aangehaalde werken:

The Bible Exposition Commentary NT

Things to Come, Pentacost, J.D..

De openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Verder nog de website van Marc Verhoeven

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Pre-Wrath Rapture - ‘Mijn heer blijft uit!’

Deel 8

 

 

 

 

Voorwoord

Voor zover ik weet is de boze slaaf de enige die niet gelooft in de nabije wederkomst van de Heer Jezus omdat hij in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft uit…’. Dat tekent ook zijn houding, want ‘hij begint zijn medeslaven te slaan en eet en drinkt met de dronkaards…’ (Mat.24:49). Alle andere getuigen verwachten de aanstaande komst van de Heer Jezus; ze zien er zelfs naar uit! Deze gedachte meen ik terug te vinden in de leer van Rosenthal, waar voor de imminente komst van de Heer Jezus geen plaats is. Erger nog, hij weet bijna exact wanneer de Heer komt! Wat een voorrecht te geloven in de belofte van de Heer Jezus die ons de belofte heeft gegeven dat Hij ons zal redden van de komende toorn, omdat God ons niet heeft bestemd tot toorn’ (1Thes.1:10; 5:9). De leer van Rosenthal is funest voor veel gelovigen die belast worden met de idee dat ze alle oordelen van de eerste helft van de laatste laatste jaarweek moeten doormaken en als ‘kers op de taart’ ook nog door de Grote Verdrukking moeten. Wat een vooruitzicht! Logisch dat je dan zou wensen dat de Heer uitblijft…!

Inleiding

Wat verstaan we in de eschatologie (leer van de laatste dingen) onder imminentie? De meest gangbare verklaring van het woord is: boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. In de eschatologie wordt het gebruikt door hen die het pretribulationisme aanhangen en geloven dat de wederkomst van Christus voor de Gemeente (de zgn. Opname) spoedig kan gebeuren en wel zonder voorafgaande tekenen. ‘Perhaps Today!’

De doctrine van de imminentie

Aan Israël zijn tekenen gegeven die aan de (tweede zichtbare komst van Christus zouden voorafgaan opdat ze in de verwachting van zijn komst zouden leven als die tekenen in vervulling gaan. Dag en uur blijven wel voor het volk Israël verborgen, maar door de tekenen die geschieden kunnen ze toch een redelijk vermoeden hebben van de tijd van de komst van de Messias.

Aan de Gemeente zijn geen tekenen gegeven. De Gemeente leefde en leeft in de verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus om hen te brengen in zijn heerlijkheid (Joh.14:2-3; 17:24; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 2Petr.3:3-4). Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:6, Titus 2:13 en Openbaring 3:3 roepen de gelovigen op om uit te zien naar de komst van de Heer Jezus en niet uit te zien naar bepaalde tekenen. Het is natuurlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die voorafgaan aan de laatste jaarweek, zoals beschreven in Daniël 9, en waarvan de vervulling beschreven is in het boek Openbaring vanaf hoofdstuk 4-19, hun schaduw vooruitwerpen, maar nergens worden de gelovigen opgeroepen om op deze gebeurtenissen te letten, wel om hun aandacht te vestigen op de altijd aanwezige mogelijkheid van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus.

Enkele Nieuwtestamentische teksten

1 Korinthe 1:7 zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heer Jezus Christus verwacht.

1 Korinthe 4:5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen, aan het licht zal brengen, en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.

1 Korinthe 15:51 Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

1 Korinthe 15:52. in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden.

1 Korinthe 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha!

1 Thessalonicenzen 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Titus 2:13 in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.

Jakobus 5:7 Heb dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht de op de kostelijke vrucht van het land en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt.

Jakobus 5:8. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij.

Jakobus 5:9. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.

1Johannes 2:28 En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst.

Openbaring 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Openbaring 22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Openbaring 22:12 Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is.

Openbaring 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Heer Jezus!

Stemmen uit het verleden

Hoewel de eschatologie in het vroege Christendom nog niet op alle punten duidelijk was, was de onmiddellijke wederkomst van Christus voor de gelovigen geen punt van discussie. De vroege kerkvaders, o.a. Eusebius, maar ook de hervormers Luther, Calvijn, John Knox en Latimer waren die mening toegedaan.

Luther: ‘Laten we niet denken dat de komst van de Heer veraf is. Laten we de hoofden opheffen en laten we onze Verlosser met verlangen verwachten’.

Calvijn: ‘De schrift is eenduidig in het verlangen naar de komst van de Heer’.

Knox: ‘De Heer zal terugkeren en dat met spoed’.

Latimer: ‘Misschien kan Hij komen in mijn dagen, zo oud als ik ook ben, of in de dagen van mijn kinderen’.

Cyprian, die leefde rond het jaar 200, zegt: ‘We zouden onszelf tegenspreken en ongeloofwaardig zijn wanneer we zouden bidden: dat Uw koninkrijk spoedig mag komen, en tegelijk verlangen naar een lang leven hier op aarde!’

Doorheen de achter ons liggende eeuwen is het getuigenis van de apostolische kerk, talloze kerkleiders en andere Christenen duidelijk, ze geloofden in een imminente onmiddellijke komst van Christus. Hieronder een beknopte opgave.

-Tussen de tijd van de apostelen en het concilie van Nicea (325 n.Chr.) zijn het Papias, Irenaeus, Justin Martyr, Tertullian, Hippolytus, Methodus, Commodianus en Lactantius.

-In de zestiende eeuw Johannes Calvijn en William Tyndale.

-In de zeventiende eeuw de Puriteinen, de Covenanters en de Westminster Confession.

- In de achttiende eeuw George Whitefield, John Wesley en Thomas Coke.

-In de negentiende eeuw de Plymouth Brethern (Darby e.v.a.) en Charles H. Spurgeon.

Het getuigenis van Charles Haddon Spurgeon (De prins der Predikers)

Spurgeon schrijft in zijn ‘Twelve Sermons on the Second Coming of Christ, pag.137-38 het volgende: ‘Broeders, op dit punt wil ik oprecht zijn, want het idee van het uitstel van de komst van Christus is altijd schadelijk, hoe u er ook uitkomt door profetie te bestuderen, of op een andere manier ... Denk daarom niet dat de Heer zijn komst uitstelt, en dat hij nog niet wil of kan komen. Veel beter zou het voor u zijn om op de uitkijk te staan, en teleurgesteld te zijn te denken dat hij niet komt ... Hij zal op zijn eigen tijd komen, en we moeten altijd uitkijken naar Zijn verschijning' En verder vanaf pagina 140 nog het volgende: ‘O, geliefden, laten we elke ochtend proberen op te staan alsof dat de ochtend is waarop Christus zou komen; en als we 's avonds naar bed gaan, mogen we dan gaan liggen met de gedachte: 'Misschien word ik gewekt door het geluid van de zilveren trompetten die zijn komst aankondigen. Voordat de zon opkomt, kan ik uit mijn dromen worden opgeschrikt door de grootste van alle kreten: 'De Heer is gekomen! De Heer is gekomen!' Wat een uitzicht, wat een aansporing, wat een teugel, wat een aansporing, zulke gedachten zouden bij ons aanwezig moeten zijn! Neem dit als leidraad je hele leven. Doe alsof Jezus zou komen tijdens de handeling waarmee je bezig bent; en als u niet in die handeling betrapt wilt worden door de komst van de Heer, laat het dan niet uw handeling zijn’. Tenslotte nog op blz.140 het volgende: ‘Mensen van de Tabernakel, u bent klaar om vanavond te kijken zoals zij deden in de dappere dagen van weleer! De mannen van Whitefield en Wesley waren toeschouwers; en degenen die vóór hen waren, in de dagen van Luther en Calvijn, en zelfs terug tot in de dagen van onze Heer. Ze hielden de wacht in de nacht, en jij moet hetzelfde doen, totdat 'Beginnend met de middernachtelijke roep: 'Zie je hemelse Bruidegom is nabij' ga je eropuit om je terugkerende Heer te verwelkomen'

Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen. Er is altijd een verwachting geweest op een spoedige komst van de Heer ook in hun tijd.

Tegenwerpingen

Tegenstanders van het geloof in een onmiddellijke en spoedige komst van de Heer voeren daarvoor o.a. de volgende argumenten aan. De aankondiging van de verwoesting van de tempel (Luk.21:20), de zendingsopdracht om het Evangelie te prediken in de gehele wereld (Matth.28:19-20), het sterven van de apostel Petrus zoals vermeld in Johannes 21:19, dat zou moeten voorafgaan aan de terugkeer van de Heer, de belofte die de Heer Jezus gaf aan Johannes dat hij zou blijven totdat Hij zou komen (Joh.21:22), de opdracht die aan de apostel Paulus gegeven was om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18). De geschiedenis van de Kerk zoals die zich zou ontwikkelen volgens Openbaring 2 en 3, maakten volgens tegenstanders het geloof in een onmiddellijke en spoedige terugkeer van de Heer onmogelijk. Eerst moesten deze dingen gebeuren, anders kon de Heer Jezus niet terugkeren, zo stelden zij.

Antwoord

De hierboven vermelde argumenten falen hierin, dat de personen over wie het gaat zelf geloofden dat de normale gang van zaken zou kunnen worden onderbroken door de komst van de Heer.

Petrus: tot wie de Heer had gezegd dat hij door zijn dood Christus zou verheerlijken (Joh.21:18-19) en toch moedigt hij zijn lezers aan met de woorden: ‘Omgord daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13).

Paulus: had de taak ontvangen om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en toch roept hij de gelovigen voortdurend op, met het oog op de komst van de Heer een heilig leven te leiden (Tit.2:11-13; 1Kor.15:51; Fil.3:20; 1Thes.1:9-10, 4:17-18).

Johannes:tot wie de Heer had gezegd dat‘hij zou blijven tot de komst van de Heer’ (Joh.21:22), getuigt toch in zijn eerste brief: ‘Kinderen, het is het laatste uur en zoals u gehoord hebt dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18).

De apostelen: hadden de grote opdracht te horen gekregen om het evangelie wereldwijd uit te dragen (Matth.28:19) en toch lieten ze niet na de gelovigen te vertellen over de nabije komst van de Heer.

De vroege kerk riep de gelovigen toch op de Heer te verwachten (Openb.22:7, 12, 20). En in Eusebius’ kerkgeschiedenis vinden we veel vermeldingen van gelovigen die in zijn tijd leefden en getuigenis gaven van de spoedige komst van de Heer Jezus. Dat is des te opmerkelijker omdat Eusebius, die leefde van 260-340, een tegenstander van het chiliasme was

Nogmaals: Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen.

Zoals gezegd houden de tegenwerpingen er geen rekening mee dat God de vrijheid heeft en bij machte is om een aangekondigd ‘programma’ te wijzigen. Nemen we als voorbeeld de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden in Mattheüs 21:33-46, waar het oorspronkelijke plan van God was dat zijn Zoon koning zou worden, maar teniet gedaan werd doordat landlieden de erfgenaam verwierpen en doodden. De verwachting van de heer des huizes was dat ze zijn zoon zouden ontzien en hem zouden aanvaarden. ‘Maar toen de landlieden echter zijn zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hebben doden. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’. Op dat moment gaat het oorspronkelijke plan van God een andere richting op, want: ‘het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.’ Hier zien we dat een definitieve verandering plaats heeft gevonden. Een ander voorbeeld waarin een mogelijke verandering wordt aangekondigd is Handelingen 3:19-21, waar Petrus het volgende zegt: ‘Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van de verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher.’ We zien dus dat een verandering in het eerdere plan van God erin zou hebben geresulteerd dat, als het Israëlische volk massaal de Messias zou hebben aangenomen, het Vrederijk zou zijn aangebroken en er geen sprake zou zijn geweest van een Gemeente uit de volken. De hierboven vermelde tegenargumenten, zoals de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld, de verwoesting van de tempel en het aangekondigd sterven van de apostel Petrus, zouden dan ook niet doorgegaan zijn.

Samenvatting

Hoewel de argumenten die door de tegenstanders zijn aangevoerd, op het eerste gezicht overtuigend lijken, blijkt bij nader onderzoek dat ze de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan en daarom dienen te worden afgewezen. Rosenthal moet de imminente terugkeer van de Heer Jezus wel wegredeneren vanwege zijn visie van de ‘opname’ ná de Grote Verdrukking en vóór de dag des Heren c.q. de toorn van God.

_________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture – De Opname vóór de Toorn van God?

 

Deel 9

 

 

 

Kort overzicht

Voordat we in dit artikel ingaan op een aantal bezwaren tegen de Pre-Wrath doctrine geven we hieronder nog eens een kort overzicht van de inhoud van die visie, zoals dat door Rosenthal is ontwikkeld en beschreven in zijn gelijknamig boek.

De stelling dat de Opname zal plaatsvinden vóór de Dag des Heren, houdt in dat de zeventigste Jaarweek vermeld in Daniël 9, uit drie delen bestaat.

(1) Het eerste deel van de laatste (zeventigste) jaarweek bestaat uit het ‘begin van de weeën’ (Mat.24:4-8), of ook wel de eerste vier zegels (Op.6:1-8).

(2) Het tweede deel bestaat uit de Grote Verdrukking (Mat.24:21) respectievelijk het vijfde zegel (Op.6:9-11). De Grote Verdrukking begint in het midden van de laatste jaarweek en zal ergens tussen het midden en het einde ervan eindigen. Het zesde zegel gaat gepaard met grote kosmische gebeurtenissen en een grote aardbeving en is bedoeld als een ‘wake up call’ voor de ongelovigen, dat hen duidelijk moet maken dat de derde afdeling, de Dag des Heren, spoedig zal beginnen (Op.6:12-17). De Gemeente, de grote schare uit Openbaring 7:9-17, zal tussen het zesde en zevende zegel van de aarde weggenomen worden (ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren), wanneer Christus bij zijn tweede komst in heerlijkheid van de hemel neerdaalt. Daarom zal de Opname samenvallen met Jezus’ tweede komst.

(3) Het derde gedeelte van de zeventigste jaarweek bestaat uit de Dag des Heren. Deze dag begint met het verbreken van het zevende zegel (Op.8:1) en duurt tot aan het einde van de zeventigste jaarweek. Maar de Dag des Heren zal niet beginnen voordat het zevende zegel verbroken wordt ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste jaarweek. Het begin van de weeën (zegels 1-4) en de Grote Verdrukking (vijfde zegel) zijn geen uitingen van Gods toorn. Ze zijn volledig gekenmerkt door menselijke toorn en handelen. Zo zal er tijdens de eerste helft en een deel van de tweede helft van de zeventigste jaarweek geen toorn vanwege God zijn. De toorn van God zal niet eerder beginnen dan tussen het midden en het einde van de laatste jaarweek met het openen van het zevende zegel waarmee de Dag des Heren begint. De Gemeente zal op aarde door de gehele eerste helft van de zeventigste jaarweek en door de Grote Verdrukking heen moeten gaan. Dat betekent dat zij bloot zal staan aan de menselijke toorn, maar ook aan de activiteiten van de Antichrist, wiens macht zich in het begin van de weeën (de eerste vier zegels) en in de Grote Verdrukking zal openbaren. De Gemeente zal de toorn van God niet meemaken. Ze zal van de aarde worden weggenomen, voordat de Dag de Heren begint. Daardoor zal de Gemeente een Opname vóór Gods toorn ervaren.

Tot zover, in het kort, de visie van Rosenthal over het tijdstip van de Opname. Wat Rosenthal onder de Opname verstaat, daarvoor veerwijs ik u naar eerdere artikelen in deze reeks.

Problemen met Rosenthals standpunt

Het uitgangspunt dat de Opname van de Gemeente zal plaatsvinden vóór de toorn van God roept echter een aantal problemen op:

1. De Grote Verdrukking en de Dag van de Heer

Dat standpunt, dat de Gemeente door de Grote Verdrukking moet en vóór de Dag des Heren wordt opgenomen, vereist een fundamenteel onderscheid tussen, én de Grote Verdrukking én de Dag des Heren. Het vereist dat er geen overlapping is tussen deze twee gebeurtenissen, en dat de Grote Verdrukking uitsluitend uit menselijke toorn bestaat, want de toorn van God wordt pas onthuld ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren en dat de Bijbel op geen enkel moment de Grote Verdrukking met de toorn van God in verbinding brengt.

De vraag is of dit standpunt juist is? Om dat te kunnen vaststellen dienen we, op grond van Gods Woord, op drie vragen antwoord geven:

(1) De Bijbel laat ons zien dat zowel de Dag des Heren (Joël 2:1-2) en ook de Grote Verdrukking (Dan.12:1; Mat.24:21) een ongeëvenaarde periode van oordeel is. Dat er maar één zo’n uitzonderlijke periode kan zijn, geeft aanleiding tot de conclusie, dat de Grote Verdrukking niet volledig van de Dag des Heren gescheiden kan en mag worden.

(2) Het is volkomen duidelijk dat de toorn van God veel erger is dan toorn van menselijke kant. Hoe kan dan de Grote Verdrukking met het oog daarop, een ongeëvenaarde periode van Verdrukking zijn, als ze uitdrukkelijk aan de menselijke toorn gereserveerd is?

(3) De Schrift verbindt de Grote Verdrukking met de Dag van Gods toorn, de Dag des Heren. Hetzelfde Hebreeuwse woord, dat de Verdrukking of benauwdheid uitdrukt, wordt gebruikt voor de Grote Verdrukking (Dan.12:1) alsook voor de Dag des Heren (Zef.1:14-15). Paulus verbindt de Verdrukking met de Dag van de toorn en de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God (Rom.2:5-9)

2. Het zesde zegel

De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden vóór de toorn van God, neemt aan dat het zesde zegel een voorbode en waarschuwing is voor de ongelovigen en dat de Dag des Heren spoedig beginnen zal. Maar Paulus leert ons, dat de Dag des Heren zal komen als een dief in de nacht (1Thes.5:2). Precies zoals een dief zijn slachtoffer geen waarschuwing vooraf geeft, zo zullen ook de ongelovigen geen waarschuwing krijgen, als de Dag van de Heer begint.

3. De grote schare

De opvatting, dat de Opname zal plaatsvinden voor de toorn van God, laat zien dat de grote schare die bestaat uit mensen uit elke natie en alle geslachten en volken en talen de Gemeente voorstelt (Op.7:9). Kort voordat de toorn van God uitbreekt én met het oog op de tweede komst van Christus, zal in de tijd tussen het zesde en het zevende zegel de Gemeente worden weggenomen. Dit stelt ons voor twee problemen:

(1) Eén van de vierentwintig oudsten geeft aan, op de vraag wie deze mensen zijn, als antwoord, dat die mensen, die deel uitmaken van die grote schare, uit de Grote Verdrukking komen (Op.7:13-14). Dat wil zeggen, dat deze mensen, die deel uitmaken van de grote schare, tijdens de Grote Verdrukking op de aarde zullen zijn. Dat zou dan betekenen dat deze groep slechts een deel van de Gemeente kan zijn, namelijk die tijdens de Grote Verdrukking op aarde leefden. Deze groep bestaat niet uit gelovigen die vóór de Grote Verdrukking leefden en stierven en die dan ook niet binnenkomen. In tegenstelling tot deze visie leert de Bijbel ons, dat alle gelovigen die deel uitmaken van de Gemeente samen als één lichaam tegelijk opgenomen zullen worden om voor altijd bij de Heer te zijn (1Thes.4:15-18).

(2) Het Griekse geeft aan, zoals de oudsten het vaststelden, dat de mensen, die deze grote menigte vormen, niet allemaal tegelijk op een bepaald moment als een groep uit de Grote Verdrukking komen, maar ieder afzonderlijk in de loop van de tijd uit de Grote Verdrukking komen, mogelijk door de dood. Dat is ook in tegenspraak van wat de Schrift zegt hoe de Gemeente van de aarde zal worden opgenomen.

4. De Opname en Christus’ tweede komst

Het standpunt, dat de Opname plaatsvindt voor de toorn van God, zegt dat de Gemeente in verbinding met de tweede komst van Christus weggenomen zal worden. Om die reden zal de opname van de Gemeente geen afzonderlijke gebeurtenis zijn voorafgaand aan de zichtbare komst van de Heer Jezus. Met andere woorden en is slechts één komst van Christus, niet één voor de Gemeente en één voor Israël. In tegenspraak met deze visie leert de Schrift ons dat het verloop van de gebeurtenissen bij zijn tweede komst precies tegenovergesteld zullen zijn, als het verloop bij de Opname. Bij de Opname worden alle gelovigen van de aarde weggenomen om de Heer tegemoet te gaan in de lucht, en alle ongelovigen blijven achter, om daarna de volgende gebeurtenissen op aarde mee te maken. Bij de tweede komst van Christus worden alle levende ongelovigen door het oordeel van de aarde weggevaagd, en alle gelovigen blijven op de aarde, om de volgende gebeurtenis, het duizendjarig Vrederijk, binnen te gaan. Dat is de betekenis van Mattheüs 24:40-41, dat niets met de Opname te maken heeft zoals Paulus dat beschrijft in 1Thessalonicenzen 4:15-17). De Heer Jezus heeft meerdere keren verslag gegeven van het verloop en afloop van de gebeurtenissen van zijn tweede komst. In de gelijkenissen van de dolik (Mat.13:24-30, 36-43) en van het sleepnet (Mat.13:47-50) geeft de Heer aan dat in deze tijd Hij zijn engelen zal uitzenden, om alle dolik (sommigen lezen: onkruid) en de bedorven vissen (de ongelovigen) van de aarde zal wegnemen en ze op een oordeelsplaats, de vuuroven, zal werpen. Maar het tarwe en de goede vissen (de verlosten) worden op aarde gelaten om het Vrederijk binnen te gaan. In Jezus’ rede op de Olijfberg leerde Hij dat het verloop van de gebeurtenissen die onmiddellijk ná de Grote Verdrukking zouden plaatsvinden (Mat.24:21, 29-30), zouden zijn als de dagen van Noach (Mat.24:37-39). Op dezelfde wijze zoals in de dagen van Noach de zondvloed als een goddelijk oordeel alle ongelovigen wegvaagde en de verlosten (Noach en zijn gezin) op de aarde liet, zodat zij een nieuwe periode van Gods handelen konden binnentreden, zo zal het ook bij de tweede komst van de Heer Jezus gaan. De Heer Jezus illustreert dit met twee voorbeelden. Van de twee mensen die op het veld zijn, wordt de ongelovige in het oordeel van de aarde weggenomen, terwijl de andere op de aarde wordt achtergelaten. Van de twee die de molensteen malen, wordt de ongelovige in het oordeel weggenomen, maar de gelovige wordt bij de molensteen achtergelaten (Mat.24:40-41; Luk.17:34-36). Degene die weggenomen worden zullen daarheen gebracht worden, waar de gieren zich verzamelen (Luk.17:37).

5. De nabije komst van de Heer

De opvatting, dat Opname zal plaatsvinden voor Gods toorn, loochent de nabije wederkomst van de Heer Jezus. De imminente komst van de Heer Jezus. In tegenstelling daarmee zijn talrijke bijbelleraars van mening dat hoewel ze zelf niet de mening zijn toegedaan dat de Gemeente vóór de oordelen zal worden weggenomen, toch geloven dat het Nieuwe Testament leert, dat de Heer Jezus elk moment kan weerkomen, ze menen ook dat God ons dat geleerd heeft, opdat wij een Godvruchtig leven zouden leven dat ons dan zou aansporen om strijdvaardig te zijn. In het Nieuwe Testament vinden wij op z’n minst zestien Schriftgedeelten, die ons de onmiddellijke komst van de Heer Jezus leren. (Zie daarvoor deel 9 van deze reeks: ‘Mijn Heer blijft uit’). Eén daarvan is 1 Thessalonicenzen 1:10 dat ons leert dat de gelovigen in Thessaloniki voortdurend in de verwachting leefden van Jezus’ komst en dat dit op elk moment kon gebeuren (vs.9).

6. Het zegel en de heiligen

De opvatting, dat de Opname gebeurt voor de goddelijke toorn, beweert dat de zegels van Openbaring 6 als functie hebben, de gelovigen van de Gemeente die dan op aarde zijn zekerheid of veiligheid te geven. Het is waar, dat zegels die functie hebben, iets te verzegelen, maar we moeten hier op twee dingen letten: (1) Zegels verzegelen alleen die dingen in veiligheid en voorkomen toegang alleen daar, waar ze aangebracht zijn. De zegels waren op het boek aangebracht, die God in zijn hand hield (Op.5:1-9), en ze waren niet aangebracht op mensen. Zo verzegelden de zegels van Openbaring 6 het boek en niet de gelovigen van de Gemeente. (2) Zegels verzegelen alleen maar voor de duur zolang ze intact blijven. Maar Christus verbreekt of opent het zegel en beëindigd daarmee hun functie (Op.6:1).

7. De zegels en de toorn van God

De opvatting, dat de Opname vóór de toorn van God plaatsvindt, betekent dat de dag van Gods toorn niet voor het openen van het zevende zegel kan beginnen (Op.8:1). Daarom is er geen verband met of tussen de toorn van God en de eerste zes zegels, die plaatsvinden in het eerste gedeelte van de zeventigste week. Maar er is ook geen verband met de Grote Verdrukking dan alleen dat de Dag des Heren erop volgt. Met deze eerste zes zegels worden de uitwerkingen van de menselijke toorn beschreven.

(1) Het grootste probleem van deze opvatting bestaat erin, dat het Christus is die de zegels verbreekt en daarmee ruimte geeft aan de gebeurtenissen, die er tot dat moment daar achter schuilgingen. De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden voordat de toorn van God losbreekt, vat dit bezwaar op tweeërlei wijze samen. In eerste instantie wordt beweerd, dat het breken van de eerste zegels (Op.6:1-2) de weg vrijmaakt voor de openbaring van de Antichrist in deze wereld. Maar dan wordt beweerd, dat de Antichrist zeker niet door Christus, maar door Gods grote vijand, Satan, aangedreven en gestuurd zal worden. Zo beweerd met dat zo’n manier van handelen God tegen Zichzelf zou inwerken (vgl. Mat.12:25-28). Zou echter zo’n handelswijze door Christus tot stand worden gebracht, zou het niet tegen de bedoeling en plannen van God zijn, omdat het dan Gods doel zou dienen. Handelde God niet op gelijke manier tegenover Farao vanuit zijn soevereiniteit, toen Hij hem ‘verwekte’ waardoor de Farao het volk Israël in verdrukking bracht (Ex.9:16; Rom.9:17)? Net zoals Hij Farao’s hart verhardde, zodat de Farao weigerde Gods bevel op te volgen om het volk te laten gaan (Ex.9:1,12: 10:1)? Ook verkondigde God (Zach.11:15-17), dat Hij de dwaze, nietswaardige herder (de Antichrist) in de wereld zou brengen, die het volk Israël vanwege haar eigen egoïstische keuzes verwoesten zou (vgl. Dan.9:27: Mat.24:15-23). Bovendien omvat het vijfde zegel (Op.6:9-11) het martelaarschap van de gelovigen. De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden vóór de toorn van God aanbreekt, betoogd dat Christus zeker niet de dood van zijn eigen volgelingen zal veroorzaken. Maar toen Christus het vijfde zegel verbrak, zag Johannes niet de aan de martelaarsdood onderworpen gelovigen, maar de ontlichaamde zielen van de gelovigen, de gedood waren, voordat het vijfde zegel verbroken was. De uitdrukking ‘waren geslacht geworden’ geeft aan dat deze groep van gelovigen al gedood waren, voordat Johannes hun zielen onder het altaar zag. Toen Christus het vijfde zegel verbrak zette Hij niet het martelaarschap van zijn eigen volgelingen in gang.

(2) Er is nog een ander probleem in verband met de opvatting dat de Opname gebeurt voordat Gods toorn wordt geopenbaard. Men beweert toch dat de toorn van God tijdens de eerste zes zegels geen invloed heeft. Meerdere Bijbelse gegevens laten ons echter zien, dat deze zegels wel zeker een uitgieting van Gods toorn inhouden en dat begint al bij het eerste zegel. De apostel Paulus leerde dat de Dag des Heren plotseling komen zou - juist op het moment dat de ongelovigen zouden zeggen: ‘Vrede en veiligheid’ (1Thes.5:2-3). De dag des Heren zal ondubbelzinnig op een tijd beginnen, wanneer men er in de wereld van overtuigd is, dat er geen oorlog meer zal zijn. Het vertrouwen van de wereld, dat de tijd van oorlogen voorbij is, wordt door het verbreken van het zesde zegel, ondermijnd. Het zesde zegel maakt echter de weg vrij voor een machtige strijder, die gekenmerkt wordt door – ‘overwinnend en om te overwinnen’ (Op.6:1-2). Het verbreken van het tweede zegel zal de vrede van de aarde wegnemen en de mensen zullen elkaar ombrengen (Op.6:3-4). Verder wordt uit de Schrift duidelijk, dat de oorlogen die de volkeren geregeld voeren vaak als een instrument van Gods toorn gezien worden (Jes.10:5-6; Jer.50:9-13, 25), en dat gebeurt, als de zegels eenmaal verbroken zullen worden (Op.6-20). Het zal voor de wereld geen vrede en veiligheid geven, voordat Christus na zijn tweede komst op aarde het duizendjarig Vrederijk zal hebben opgericht. Rekening houdend met die gebeurtenissen, zal de aanvang van de dag des Heren dan ook samenvallen met de verbreking van het eerste zegel.

Ten tweede zal de verbreking van het derde zegel leiden tot een hongersnood in de wereld leiden (Op.6:5-6). Het is belangrijk te bedenken, dat of God of Christus (één die van de troon temidden van de levende wezens spreekt; vgl. Op.4:6-5:6) deze hongersnood bevolen heeft en de prijs voor de levensmiddelen en de mate van de hongersnood bepaald. De Bijbel leert ons dat hongersnoden ook een uitdrukking kunnen zijn van Gods toorn (Jer.42:17-18; 44:8, 11-13; Ez.5:11-17; 7:14-15).

Ten derde zal een vierde van de wereldbevolking door het zwaard, honger en dood of wilde dieren sterven, wanneer Christus het vierde zegel opent (Op.6:7-8). Door de profeet Ezechiël laat God zeggen, dat Hij als uiting van zijn grimmigheid en zijn boosheid, honger, wilde dieren, pest en het zwaard zenden zal (Ez.5:15-17), en Hij noemt dit een instrument van de dood; ‘Mijn vier kwade gerichten’ (Ez.14:21).

Ten vierde zullen door het verbreken van het vijfde zegel de zielen van de gestorven gelovigen die de martelaarsdood gestorven zijn onder het altaar verschijnen (Op.6:9-11). Op die manier openbaart de verbreking van deze zegels een nieuwe reden waarom de werktuigen van de satan het ‘verdiend’ hebben, dat met de nog overblijvende zegels, bazuinen en schalen nog meer goddelijke toorn over hen zal worden uitgegoten.

Ten vijfde vinden er door het verbreken van het zesde zegel grote beroeringen plaats in het heelal en een grote aardbeving zal plaats hebben (Op.6:12-17). Uit de zwaarte en omvang van die gebeurtenissen kunnen we concluderen, dat het hierbij om een verschrikkelijke uitdrukking van Gods toorn gaat en dat het niet om gebeurtenissen gaat bewerkt door mensenhanden. De reactie van de ongelovigen op deze gebeurtenissen laat ons zien dat ze daarin de uitdrukking van de toorn van God herkennen. Bovendien heeft Jesaja van het zesde zegel geprofeteerd (Jes.2:10-22) en met de Dag des Heren in verbinding gebracht (vs.12). Daarmee brengt hij het zesde zegel met de Dag des Heren in verband. De Heer Jezus heeft die situatie beschreven (Mat.24), die in de wereld vóór de gruwel der verwoesting in het midden van de zeventigste jaarweek gebeuren zal, en Hij noemde die gebeurtenis het ‘begin van de weeën’ (Mat.24:4-8). Het feit, dat de Heer Jezus op deze geboorteweeën vóór de weeën die vóór de gruwel van verwoesting in het midden van de laatste jaarweek plaatsvinden, de aandacht vestigt, laat ons zien dat het begin van de weeën in de eerste helft van de zeventigste jaarweek zullen plaatsvinden. Een vergelijking van het begin van de weeën met de eerste vier zegels in Openbaring 6 laat ons zien, dat het om dezelfde gebeurtenissen gaat. Als dus het begin van de weeën in de eerste helft van de zeventigste jaarweek plaatsvindt moet dat ook gelden voor de eerste vier zegels (Op.6:1-8).

Mal Couch – Lexikon zur Endzeit

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

De Profetische uitleg van Openbaring 2 en 3

Deel 10

 

 

 

Voorwoord

In het achtste deel in de evangelische dogmatische reeks met de titel ‘De kerk van God II' gaat de auteur W.J. Ouweneel in hoofdstuk 2 onder de titel ‘profetische uitleg van Op2 en 3', uitvoerig in op de profetische benadering van deze twee hoofdstukken. Aanbevolen voor hen die dieper willen ingaan op dit onderwerp.

Inleiding

In zijn boek The Pre-Wrath Rapture of the Church beweert de auteur dat de zeven gemeenten vermeld in Openbaring 2 en 3 geen beschrijving zijn van de verschillende perioden van de kerkgeschiedenis of kenmerken van de kerk gedurende alle perioden van haar geschiedenis (blz.34). Ik probeer hieronder een antwoord te geven. De reden dat de auteur (Rosenthal) dat stelt heeft te maken zijn verder onderwijs van de Openbaring waarin blijkt dat hij in de schare vermeld in Openbaring 7 de Gemeente meent te herkennen. Dat deze redenering niet opgaat blijkt wel uit de tekst zelf van Openbaring 7, want daar worden alleen die gelovigen gezien die uit de Grote Verdrukking komen. En dat kan niet de Gemeente zijn, die is groter dan alleen hen die ‘uit de Grote Verdrukking komen’!

Inleiding

Op de vraag of de hoofdstukken 2 en 3 van het Bijbelboek Openbaring een overzicht geven van de kerkgeschiedenis vanaf het ontstaan van de Gemeente (Hand.2) tot aan de Opname kan worden verklaard aan de hand van onderstaande argumentatie. In de meeste Protestantse c.q. Reformatorische theologie wordt voorbijgegaan aan de profetische uitleg en laat met het profetische slechts slaan van hoofdstuk 4 en verder. De hoofdstukken 2 en 3 verklaart men in de traditionele uitleg slechts als een tijdelijke (historische) én praktische uitleg. Dat heeft alles te maken met hun visie op de (vermeende) verbondsleer, visie op Israël en de Gemeente. Binnen de Evangelische traditie is men het er unaniem over eens dat Openbaring 2 en 3 naast de historische en praktische uitleg ook een profetische uitleg mogelijk is. Ik zou geen serieuze bijbelleraar binnen de Evangelische traditie kennen die hieraan voorbijgaat in zijn of haar uitleg over dit Bijbelboek. Men voert daarvoor onderstaande argumenten aan.

Profetische verwijzing naar zeven opmerkelijke toestanden in de kerkgeschiedenis

Het ‘Wat is’ in Op.1:19 duidt op de hoofdstukken 2 en 3, wat voor Johannes op dat moment tegenwoordige tijd was: de toenmalige zeven gemeenten in Asia. Maar in ruimere, profetische zin omvat ‘hetgeen is’ de hele huidige genadebedeling, die begonnen is op de Pinksterdag en voortduurt tot aan de opname van de ware Gemeente van wedergeboren mensen. De profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3 houdt in dat de zeven brieven een profetische verwijzing vormen naar zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk, vanaf het eind van de eerste eeuw tot aan de opname van de Gemeente, die in Op 4:1 verondersteld is.

Aanwijzingen voor de profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3

1e. De woorden in 1:3 'Zalig is hij die leest, en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die bewaren wat daarin geschreven staat'. Door deze woorden wordt het gehele boek Openbaring, en dus ook de zeven brieven, als profetie gekenmerkt. Dit profetische karakter kan niet enkel vanaf Op.4 gelden, maar het geldt ook voor Op.1, waar Christus ons wordt voorgesteld in de profetische gestalte van Dan.7 en 10 - de gestalte van de Zoon des mensen die gereed staat om het oordeel uit te oefenen. Evenzo dus moet dit profetisch karakter voor Openbaring 2 en 3 gelden.

De zeven brieven onderscheiden zich daarmee principieel van de andere nieuwtestamentische brieven: deze hebben elke gelovige, in welke tijd hij ook leeft, iets te zeggen. De zeven brieven hebben dat ook wel maar ze geven in het bijzonder profetie! Profetie in de betekenis van apokalupsis, onthulling om ‘om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden’ (1:1). Zoals de rest van Openbaring een schets geeft van de gebeurtenissen die achtereenvolgens in de wereld moeten plaatsvinden, tot aan de zichtbare wederkomst van de Heer, zo schetsen de zeven brieven de ontwikkeling die de Kerk (als getuigenis van God op aarde) doormaakt vóórdat de Heer de zijnen tot Zich neemt (Joh.14:1-3; 1Thes.4:15-18).

2e. Het begrip ‘profetie’ heeft in Openbaring een duidelijk eschatologisch karakter, d.w.z. het heeft betrekking op de toekomstige dingen: ‘om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden’ in 1:1 (zie ook 22:6!).

3e. Johannes richt zijn gehele schrijven in één boekrol (Gr. biblion) tot de zeven gemeenten (1:4, 11). Het gehele boek Openbaring is daarom voor hem een ondeelbaar profetisch geheel. Dit onderstreept de opmerking onder Op 1:3, namelijk dat de gehele Openbaring toekomst-onthullende profetie is.

4e. Het is opvallend dat juist deze gemeenten gekozen zijn en dat hun getal tot zeven is beperkt. Er waren in Asia méér gemeenten (Hiërapolis, Kolosse, enz.), maar deze zeven zijn genomen en de andere weggelaten, omdat deze zich in toestanden bevonden die de Heilige Geest nodig had, om ons een volkomen (zeven) afbeelding van de geschiedenis van de christelijke Kerk op aarde te kunnen geven. Het getal zeven speelt een rol: het geeft een volheid, volkomenheid, en een totaalbeeld aan.

5e. Er is in de zeven brieven een morele volgorde. Men kan zien dat de Heer een vast plan voor ogen had. Het kwaad begint klein, alleen zichtbaar voor het oog van de Heer (Efeze), maar het neemt langzamerhand toe totdat de Gemeente uit de mond van de Heer wordt uitgespuwd (Laodicéa - Op.3:16). We kunnen moeilijk anders dan aan de op elkaar volgende toestanden in de christelijke Kerk denken. De Gemeente op aarde, als voor God verantwoordelijk, wordt van het begin tot haar einde profetisch beschreven in de verschillende toestanden waarin zij achtereenvolgens komen zou. Het gaat dus om zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk. De morele volgorde is er een van toenemende ontrouw en degeneratie van de Kerk. Dit komt overeen met wat de Heer Jezus had voorzegt (Mat.13:24-33). Paulus had ervoor gewaarschuwd: Hand.20:29; 2Thes.2; 2Tim.3; 2Tim.4:3,4; Rom.11:22. Ook Johannes: 1Joh.2 (de geest van de Antichrist). En Petrus: 2Petr.2 en 3. En Judas niet te vergeten. Deze morele volgorde van de brieven, wordt anderzijds door de geschiedenis duidelijk bevestigd. Het ‘Wat is’, is een profetische schildering van de kerkgeschiedenis.

6e. Na het tweede en derde hoofdstuk wordt geen melding meer gemaakt van de Gemeente op aarde. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt ons getoond wat er in de hemel zal gebeuren, en in de volgende hoofdstukken is er nog slechts sprake van de volken, Israël en de grote hoer Babylon.

7e. In de brieven wordt gesproken van de persoonlijke wederkomst van de Heer voor de gemeenten Thyatira (2:25), Sardis (3:3, vgl. 16:15) en Filadelfia (3:11). Hieruit blijkt wel zeer duidelijk dat de inhoud profetisch is want de Heer is toen immers niet gekomeen! Voor de plaatselijke gemeenten Thyatira, Sardis en Filadelfia kan de Heer niet wederkomen, want deze gemeenten zijn reeds lang verdwenen. Deze gemeenten moeten dus de éne Kerk voorstellen, in zeven toestanden c.q. gedaanten, vanaf het begin tot aan de komst van Jezus Christus voor Zijn Gemeente.

De duur van de periode ‘wat is’

Het lijkt wat vreemd dat de periode van ‘wat is’ nu al bijna 20 eeuwen duurt. In Openbaring vinden we echter meer van zulke aanduidingen. Zo wordt God genoemd: ‘Die is, en Die was, en Die komt’ (1:8). Met ‘is’ wordt hier niet één ogenblik bedoeld, maar een tijdsperiode. Zo ook met het beest: ‘Het beest dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal omhoogkomen uit de afgrond’ (17:8): hier betekent ‘is niet’ een bepaalde tijd waarin dit ‘beest’ niet zal bestaan. Met ‘wat is’ in Op 1:19 is de hele periode bedoeld waarin God lankmoedig wacht. God grijpt niet openlijk in. Dat zal echter wèl gebeuren in de periode van ‘wat hierna zal geschieden’. In Johannes 4 verliet de Heer Jeruzalem en Judéa en ging naar Galiléa. Op weg daarheen moest Hij door Samaria gaan en verbleef aldaar twee dagen (Joh.4:40). Na die twee dagen ging Hij heen naar Galiléa, en kwam in Kana (Joh.4:43, 46; Hos.6:2). Hij kwam op de derde dag (Hos.6:2) terug in zijn eigen land. Deze geschiedenis van Jezus’ wandel van Jeruzalem en Juda naar Galilea is profetisch voor 1e. de verwerping van Jeruzalem en Juda, 2e. het tijdperk van de Gemeente, 3e. het herstel van Israël.

Twee gedeelten: 7 = 3 + 4

De zeven brieven aan de gemeenten zijn in twee gedeelten te verdelen: drie gemeenten vormen het eerste gedeelte en de overige vier het tweede. Dit is een erg belangrijk punt. In de brieven aan de eerste drie gemeenten wordt de Gemeente als zodanig aangesproken. Zij worden nog gezien als mensen die allen deel uitmaken van het geheel. In de laatste vier brieven wordt de kleine groep getrouwen als een aparte groep aangesproken: ‘de anderen’ in Thyatira (2:24); ‘weinige namen’ in Sardis (3:4); ‘indien iemand Mijn stem zal horen’ in Laodicéa (3:20). In de eerste drie brieven wordt de Gemeente gewezen op haar oorspronkelijke positie en toestand. God wilde zeggen: als je je bekeert kun je in die toestand hersteld worden: ‘bekeer’ u (Efeze in 2:5; Pergamus in 2:16). Maar in de (vierde) brief aan Thyatira wordt het anders. Dan is gebleken dat de Kerk in haar geheel zich in een verwerpelijke toestand bevindt. Dan wordt het accent gelegd op de hoop die er nog is voor iedere individuele gelovige. De Geest richt zich dan speciaal tot hen die overwinnen en houdt hen de komst van de Heer voor om hen te bemoedigen: ‘Houd vast aan wat u hebt totdat Ik zal komen’ t.a.v. de getrouwe ‘overigen’ in Thyatira (2:24 -25); ‘Ik kom spoedig. Houd wat u hebt’ t.a.v. Filadelfia (3:11).

In de brieven aan de eerste drie gemeenten gaat de vermaning ‘Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ vooraf aan de belofte voor de individuele overwinnaars: 2:7 (Efeze); 2:11 (Smyrna); 2:17 (Pergamus). Hier wordt van de hele Gemeente verwacht dat ze haar oren open heeft, en pas daarna wordt opgeroepen om te overwinnen. In de laatste vier gemeenten echter wordt die vermaning pas gegeven na de belofte voor de overwinnaars: 2:29 (Thyatira); 3:6 (Sardis); 3:13 (Filadelfia); 3:22 (Laodicéa). Hier staat de vermaning niet langer in verbinding met de brief aan de Gemeente als geheel. Het trouwe groepje gelovigen - een minderheid - wordt hier apart gezien van de Gemeente als geheel (behalve bij Filadelfia).

In de eerste drie brieven betekent de komst van de Heer het berechten van de aangeschreven Gemeente, tijdens of aan het eind van hun tijdperk. Het is binnen deze context een voorwaardelijk komen: ‘Maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u’ (Efeze, 2:5); ‘Zo niet, dan kom Ik spoedig tot u’ (Pergamus, 2:16). Pas vanaf de vierde brief wordt de aandacht gevestigd op dé komst van Christus: Thyatira (2:25); Sardis (3:3, vgl. 16:15); Filadelfia (3:11). Dat er in Sardis niet meer over de komst van de Heer gesproken wordt, betekent dat nu alles moreel verdorven is en gereed voor het oordeel. In Laodicéa staat de Heer buiten de Gemeente (3:20).

Toepasbaarheid

Een vaak gehoord bezwaar is de toepasbaarheid van de profetische kenmerken van de zeven gemeenten vermeld Openbaring 2 en 3 en dat heeft dan vooral te maken met de laatste gemeente Laodicéa. Die gemeente heeft het kenmerk van een totaal verval waar de Heer buiten de deur staat en geen rekening meer wordt gehouden met het gezag van Gods Woord. Het is wáár Laodicéa is de voorloper van het Babylon van de eindtijd! Nu is dat in de wereld niet overal het geval, want in sommige werelddelen groeit de kerk. (Ik spreek uit ervaring). In Europa zou je dat kunnen zeggen, want daar is van een Bijbelgetrouwe gemeente nog maar weinig te bespeuren. Maar ik geloof dat we, naarmate de tijd vordert de kenmerken van Laodicéa meer en meer en ook wereldwijd zullen gaan zien.

Anderen menen een oplossing te hebben gevonden en zeggen dat de zeven gemeenten een beeld waren van de kerk aan het begin van Romeinse Rijk en dat deze kenmerken ook zichtbaar zullen zijn aan het eind van het Hersteld Romeins Rijk, waar velen de EU als voorloper of vervuller zien. We zullen zien.

Hoe dan ook, de profetische betekenis van de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 kunnen we niet negeren.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

Deel 11

‘Case closed!’

 

 

 

 

 

Tenslotte

Het voert mij te ver om de leer van Rosenthal met betrekking tot zijn uitleg van het boek Openbaring en de eindtijd tot in elk detail te bespreken. Ik wil deze reeks artikelen dan ook afsluiten, dit mede gelet op de afwezigheid van deze doctrine in het Nederlands taalgebied. Ik meen dat ik in tien artikelen voldoende heb aangetoond dat ik niet achter de uitleg van Rosenthal kan staan, het roept te veel vragen op! Ik had nog kunnen ingaan op veel andere onderwerpen, zoals ‘De dag des Heren’, het belangrijke hoofdstuk 2Thessaonicenzen 2 en andere, maar ik houd hierbij en wil mij weer met meer constructievere onderwerpen op mijn website bezig houden en sluit dit onderwerp af.

Naarmate de eindtijd (waarin we m.i. al verkeren) vordert, des te meer zullen we acht moeten geven op wat verkondigd wordt. ‘Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen, en zij zullen het oor van de waarheid afkeren’ (2Tim.4:3-4). Die waarschuwing geldt niet alleen voor de eschatologie maar voor elke vorm van Bijbels onderwijs.

Voor hen die zich toch nog meer in willen verdiepen in de Pre-Wrath Rapture of the Chruch verwijs ik gemakshalve naar het Internet, waar meer info te vinden is. Een goede kritiek heb ik gevonden in het boek van Renald E. Showers ‘The Pre-Wrath Rapture view’, isbn: 978-0-8254-3698-7, uitgegeven door ‘Kregel Publications’. Van harte aanbevolen.

Showers kwam na uitvoerig onderzoek tot de eindconclusie dat de Pre-Wrath Rapture visie verschillende standpunten heeft die correct zijn. Maar veel van de standpunten van Rosenthal, inclusief de standpunten die fundamenteel zijn voor de hele visie, hebben problemen gezien vanuit een bijbels perspectief. Dit leidt tot de conclusie dat de Pre-Wrath Rapture een gebrekkige basis heeft en in strijd is met de Schrift. Aldus Showers.

Graag verwijs ik u ook naar de voordrachten van Wim Grandia over het boek Openbaring die u kunt vinden op YouTube. Dit zijn geen voordrachten ter bestrijding van de Pre-Wrath Doctrine maar een systematische, chronologische uitleg van het boek Openbaring. Elk hoofdstuk wordt besproken en de uitleg is op een zeer begrijpelijke wijze gegeven. Het is qua duidelijkheid een tegenhanger van de verwarrende uitleg van de Pre-Wrath Doctrine. Enige voorkennis is wenselijk. Graag aanbevolen!

Mocht u toch nog vragen hebben over dit onderwerp dan kunt u die altijd aan mij richten via mijn emailadres dat u kunt vinden in de rubriek ‘Welkom’, onderaan de pagina.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

Vroege kritieken I

 

 

 

 

Voorwoord

Hierna een kritiek op de Pre-Wrath Rapture doctrine. De Engelse uitgave vindt u ná de Nederlandse vertaling. De auteur van het boek, The Pre-Wrath Rapture of the Church, Marvin J. Rosenthal is onlangs, op 8 januari 2022 in Florida overleden.

 

Faith Baptist Theological Seminary

Ankeny, Iowa

april 1991

 

Heeft Rosenthal gelijk over de Opname?

Manfred Kober, Th.D.

 

Een lange tijd geleden meende Salomo dat "aan het maken van vele boeken geen einde komt" (Pred.12:12). Als dit waar was in de 10e eeuw voor Christus, is het nog meer waar in de 20e eeuw na Christus. Ingegeven door de onstabiele wereldsituatie is er vooral een wildgroei aan profetische publicaties. De meeste boeken hebben weinig impact. Niet zo een recent boek, The Pre-Wrath Rapture of the Church (Nashville: Thomas Nelson Publishers, 1990). Deze totale aanval op de positie van de opname vóór de verdrukking maakt een plons op het theologische toneel.

I. De betekenis van het boek

Het boek is in de eerste plaats belangrijk vanwege wie het heeft geschreven. Marvin Rosenthal was voorheen de uitvoerend directeur van Friends of Israel Gospel Ministry. Velen van ons zijn gezegend door zijn schrijven en onderwijzen. Al 35 jaar is hij een voorstander van de pretribulationele opname positie. Onder aansporing van een vriend begon hij zijn kijk op de opnamepositie opnieuw te onderzoeken. Nu verwerpt hij zijn vroegere positie in zijn 371 pagina's tellende boek.

Het boek is verder belangrijk omdat Rosenthal de volgende dogmatische voorspelling doet met betrekking tot zijn nieuwe positie: “Binnen twee jaar zullen veel mannen de Opname voor de toorn onderwijzen. Binnen vijf jaar is het een erkende functie. En, als het God wil, zal het binnen 15 jaar een belangrijke positie van de gelovige kerk worden –…” (p.293).

Men is geneigd het eens te zijn met Gerald Stanton die "de geldigheid van die ambitie in twijfel trekt en de noodzaak om een ​​vijfde positie toe te voegen aan een toch al overvol opname-debat" ("A Review of The Pre-Wrath Rapture of the Church", Bibliotheca Sacra, januari —maart 1991, p.90).

Rosenthal is een nieuwe geloofsmissie begonnen, Zion's Hope, met een eigen publicatie, Zion's Fire. Door middel van het boek, het nieuwe tijdschrift en profetische conferenties lijkt het standpunt van de “Pre-toorn Opname” te worden verspreid met een echte missionaire ijver onder voorgangers.

II. De geest van het boek

Toen het boek voor het eerst werd gepubliceerd, adverteerde Rosenthal op grote schaal in een flyer als een volume dat "ongefundeerde profetische veronderstellingen, versleten steriele clichés en blinde trouw aan een leraar, een studiebijbel of een interpretatiesysteem durft aan te vechten." De nieuwe functie zou voorkomen dat we 'het verleden napraten'. Deze niet al te subtiele kritiek richt zich, onnodig te zeggen, op de pretribulationele opname positie, de Scofield Reference Bible, en de mannen van het Dallas Theological Seminary, die veel over de opname hebben geschreven.

Vooral Walvoord, Ryrie en Pentecost worden uitgelicht. Erkennend dat hij veel van deze mannen heeft geprofiteerd, wordt Rosenthal gebruikt, die beweert "als een minnaar te schrijven vanuit het kamp voor de verdrukking", (p.33). De pretrib-positie wordt geteisterd door "onmogelijk op te lossen problemen" (p.197) en "onoverkomelijke exegetische" problemen (p.147). Erger nog, de pretribulationele leer leidt tot “calamitische” gevolgen en “een spirituele catastrofe” die in werkelijkheid “een satanisch geplande stiekeme aanval” is (p. 281-282). Met zulke vernietigende aanvallen lijkt Zion's Fire de toepasselijke naam te hebben.

Daarentegen stelt Rosenthal dat zijn standpunt “ongespannen en bijbels accuraat” is (p.194), zijn “bewijs is sterk en overtuigend, de reden duidelijk en logisch” (p.67). Zijn kijk op de opname karakteriseert hij als een van "eenvoud, duidelijkheid, logica ..., de vrucht van een ongedwongen, duidelijke, uniforme en normatieve interpretatie van het Woord van God." (blz. 31).

Geen wonder dat Stanton opmerkt dat het dit soort "dogmatisme is dat het boek een unieke plaats in de literatuur van het vervoeringsdebat bezorgt" (p.93).

III. De inhoud van het boek

De basisthese van het boek is dat de kerk door de opname net voor het vierde kwartaal van de 70e week van Daniël van de aarde zal worden verwijderd. Rosenthal verdeelt Daniëls 70e week in drie verschillende perioden: "Het begin van smarten", die 3 jaar duurt, de "Grote Verdrukking", die de eerste helft van de laatste 3 ½ jaar of 21 maanden omvat, gevolgd door de Dag des Heren , verspreid over de tweede helft van de 3 ½ jaar of de laatste 21 maanden. Rosenthal benadrukt het punt dat de opname zal zijn na de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren, de tijd van Gods toorn, die begint met de opening van het zevende zegel (Openb. 8:1, pp.60, 61).

In Rosenthals plan moet de Kerk de Antichrist, de Grote Verdrukking, doorstaan ​​en na 64 maanden in de 70e Week zal ze worden opgenomen. Dit vernietigt volledig de doctrine van imminentie, die Rosenthal 'onhoudbaar' noemt. Die dreiging is onwaar is een is “cruciale, duidelijke, onaantastbare waarheid die niet kan worden verworpen” (p.150 cursief in het origineel). Hij schrijft Walvoords boek The Rapture Question af als zijnde totaal nutteloos in het debat omdat “er simpelweg geen exegetisch bewijs is voor pretribulationeel rapturisme” (p.208).

IV. De tekortkomingen van het boek

Voor Rosenthal is de gezegende hoop deze de gelovige zou bereid moeten zijn om te lijden en te sterven onder de antichrist, maar als hij overleeft, zal hij verlost worden van Gods laatste toorn (p.34, 35). Pisani, die een doordachte weerlegging van Rosenthal schrijft, concludeert goed: "oordeel en dood kunnen de masochist motiveren, maar het vooruitzicht om zelfs maar een deel van de komende verdrukking te doorstaan, moedigt de meerderheid van Christus' heiligen weinig aan ("Pre-Wrath Rapture of Modified Postribulationaïsme?” Baptist Bulletin, december 1990, p.23).

Ertle betreurt in zijn nuttige recensie van Rosenthals boek terecht Rosenthals ontkenning van de dreiging: “We worden eerder verzocht de Antichrist en zijn ontheiliging van de Joodse tempel in het midden van de verdrukking te zoeken; dan mogen we onze witte gewaden van verwachting aandoen” (Baptist Bulletin, september 1990, p.40).

Daarentegen passages als 1Thes.5:6; 1Kor.1:7; mees. 2:13 en 1Joh.3:2–3 spreekt over de gezegende hoop als een ophanden zijnde gebeurtenis, en moedigt de gelovige aan om een ​​leven vol verwachting te leiden. Met irritant dogmatisme houdt Rosenthal vol dat de weerhouder van 2 Thessalonicenzen 2 de aartsengel Michaël is. Hierover is “de Bijbel expliciet” (p.257). Bewijs dat de weerhouder een menselijke regering zou kunnen zijn of dat de Heilige Geest “onder druk staat” (p.256).

Rosenthal heeft geen duidelijke verklaring waar de kerk zal zijn gedurende 21 maanden na de opname. Het zal zeker niet in de hemel zijn in zijn schema van gebeurtenissen. Zijn positie, net als die van de postribulationale visie, is duidelijk onhoudbaar in het licht van Johannes 14:1–4, een van de belangrijkste passages van de opname. Christus beloofde dat Hij de Zijnen op aarde zou achterlaten om hun eeuwige woning in de hemel, in het Vaderhuis, voor te bereiden. Dan zou Hij voor hen terugkeren en hen naar de voorbereide plaats brengen. De visie van Rosenthal en die van de postribulationalisten sluit uit dat de gelovigen ooit in de hemel zullen zijn. Met andere woorden, ze geloven de duidelijke verklaring van Christus niet. Geen wonder dat Rosenthal absoluut niets te zeggen heeft over Johannes 14:1-4. Hij citeert eenvoudig John A. Sproul, die Johannes 14 opsomt onder “discutabele geschriften” (p.55).

Rosenthal vergelijkt zijn positie met het huis dat op de rots is gebouwd, aangezien het gebaseerd is op "onweerlegbare logica" (p.107) en "zijn basishuurders nooit met succes zal zien aangevallen" (p.293). Kortom, zijn belangrijkste argumenten zijn 'ondoordringbaar' (p.155). Of zijn ze?

Rosenthal benadrukt dat “misschien wel de grootste fout” van de pretribulationele positie is dat de Dag des Heren en dus de periode van Gods toorn begint wanneer Daniëls 70e week begint (p.117).

Renald Showers schreef een belangrijke analyse van 47 pagina's van elk belangrijk probleem dat door Rosenthal naar voren werd gebracht. Showers laat zien dat alle zeven zegels, niet alleen de laatste twee, deel uitmaken van Gods toorn waarvan de Kerk is vrijgesteld (1 Thess. 1:10; 5:9; Rom. 5:9) (The Pretribulation Rapture, The Friends of Israel Gospel Ministry, Inc., PO Box 908, Bellmawr, NJ 08099).

Onder de onderzoekende analyse van Paul Karleen brokkelt de "onneembare" en "onweerlegbare" opname van vóór de toorn af. Zijn boek is een must voor diegenen die geïnteresseerd zijn in de vraagstukken die Rosenthal aan de orde stelt. Het is getiteld: De opname vóór de toorn van de kerk: is het bijbels? (BF Press, P.O. Box L-601, Langhorne, PA 19047, 102 pp). Karleen verdedigt niet in de eerste plaats de pretrib-positie, maar laat zien dat elk belangrijk punt dat Rosenthal maakt ernstig gebrekkig is. Hij weerlegt wat zogenaamd onweerlegbaar is door te wijzen op de fouten in “feiten, taal, context en logica” (p.11). Twee gevallen ter zake. Rosenthal beperkt de Dag des Heren tot 21 maanden, onder meer omdat de profeten over de Dag des Heren spraken met een bepaald lidwoord. In feite is niet één keer in de 18 OT-gebruiken van de Dag des Heren het bepaald lidwoord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt. Een nauwkeurige studie van het bijbelse gebruik van de Dag des Heren geeft aan dat het een tijd van oordeel omvat (de periode van de verdrukking) en een tijd van zegen, het millennium (Zef.3:8-13; Hag.2:6-23; Zach.14:1-10). Als kan worden aangetoond dat de Dag des Heren meer dan 42 maanden beslaat - en dat kan - valt de pretoornpositie weg.

Rosenthal beweert dat de tijd van toorn direct na de opname begint. Als bewijs gebruikt hij de illustratie van Noach. De dag dat Noach en zijn familie de ark binnengingen, viel “op dezelfde dag” Gods oordeel (p.196, 220). Het feit is dat de vloed niet begon op de dag dat Noach de ark binnenging, maar zeven dagen later (Genesis 7:10). Rosenthals boek bevat talloze van dergelijke fouten.

Stanton en Showers tonen de geldigheid van de pre-tribulationele opnamepositie aan. Karleen toont de fout en onlogica van de nieuwe theorie. Hij heeft zijn vernietigende kritiek samengevat in een artikel in Voice, Jan.—Feb. 1991, 'Evaluatie van de opname vóór de toorn van de kerk', pp. 9–13. De Kerk kan vol vertrouwen de terugkeer van de Bruidegom op elk moment verwachten, niet op een voorspelbare datum, nadat ze 63 maanden door de Antichrist is vervolgd.

_____________________________________________________________

 

Faith Pulpit

Faith Baptist Theological Seminary

Ankeny, Iowa

April 1991

 

Is Rosenthal Right About the Rapture?

Manfred Kober, Th.D.

 

A long time ago, Solomon opined that “of the making of many books there is no end” (Ecc. 12:12). If this was true in the 10 th century before Christ, it is even more true in the 20 th century after Christ. Prompted by the volatile world situation, there is especially a proliferation of prophetic publications. Most books have little impact. Not so one recent book, The Pre-Wrath Rapture of the Church (Nashville: Thomas Nelson Publishers, 1990). This all-out attack on the pretribulational rapture position is making a splash on the theological scene.

I. The Significance of the Book

The book is first of all significant because of who wrote it. Marvin Rosenthal formerly served as the executive director of Friends of Israel Gospel Ministry. Many of us have been blessed by his writing and teaching ministry. For 35 years he has been an advocate of the pretribulational rapture position. Under the prodding of a friend he began to re-examine his view of the rapture position. Now he repudiates his former position in his 371-page book.

The book is further significant in that Rosenthal makes the following dogmatic prediction concerning his novel position:

“Within two years many men will be teaching the pre-wrath Rapture. Within five years it will be a recognized position. And, if God pleases, within 15 years it will become a major position of the believing church—…” (p.293).

One is inclined to agree with Gerald Stanton who “questions the validity of that ambition and the necessity of adding a fifth position to an already overcrowded rapture debate” (“A Review of The Pre-Wrath Rapture of the Church,” Bibliotheca Sacra, January—March, 1991, p.90).

Rosenthal has started another faith mission, Zion ‘s Hope, with its own publication, Zion’s Fire. Through the book, the new magazine and prophetic conferences, the “Pre-wrath Rapture” position seems to be disseminated with a real missionary zeal among pastors.

II. The Spirit of the Book

When the book was first published, Rosenthal advertised widely in a flyer as a volume that “dares to challenge unsubstantiated prophetic assumptions, worn-out sterile clichés, and blind allegiance to a teacher, study Bible, or system of interpretation.” The new position would avoid “parroting the past.” These none-too-subtle criticisms focus, needless to say, on the pretribulational rapture position, the Scofield Reference Bible, and the men of Dallas Theological Seminary, who have written widely on the Rapture.

Walvoord, Ryrie, and Pentecost are especially singled out. Acknowledging that he has benefited much from these men, Rosenthal, who claims to “write as a lover from within the pretribulation camp,” (p.33) are used. The pretrib position is beset with “impossible-to-resolve problems” (p.197) and “insurmountable exegetical” difficulties (p.147). Even worse, the pretribulational teaching leads to “calamitous” consequences and “a spiritual catastrophe” which is in reality “a satanically planned sneak attack” (p. 281-282). With such scathing attacks, Zion’s Fire seems to be appropriately named.

In contrast, Rosenthal asserts that his position is “unstrained and biblically accurate” (p.194), his “evidence is strong and compelling, the reason clear and logical” (p.67). His view on the rapture he characterizes as one of “simplicity, clarity, logic…, the fruit of an unstrained, clear, unified and normative interpretation of the Word of God.” (p.31).

No wonder Stanton observes that it is this type of “dogmatism that earns the book a unique place in the literature of the rapture debate” (p.93).

III. The Substance of the Book

The basic thesis of the book is that the Church will be removed from the earth by the rapture just before the fourth quarter of the 70 th Week of Daniel. Rosenthal divides Daniel’s 70 th Week into three distinct periods: “The Beginning of Sorrows,” lasting 3 ½ years, the “Great Tribulation,” involving the first half of the last 3 ½ years or 21 months, followed by the Day of the Lord, spanning the second half of the 3 ½ years or final 21 months. Rosenthal belabors the point that the rapture will be after the Great Tribulation and before the Day of the Lord, the time of God’s wrath, which begins with the opening of the seventh seal (Rev. 8:1, pp.60, 61).

In Rosenthal’s scheme, the Church must endure Antichrist, the Great Tribulation, and after 64 months into the 70 th Week, it will be raptured. This destroys totally the doctrine of imminency, which Rosenthal calls “untenable.” That imminency is false is a

“crucial, clear, unassailable truth that cannot be dismissed” (p.150 italics in the original). He writes off Walvoord’s book The Rapture Question as being totally useless in the debate because “there simply is no exegetical evidence for pretribulational rapturism” (p.208).

IV. The Shortcomings of the Book

For Rosenthal, the blessed hope is that the believer should be willing to suffer and die under Antichrist, but if he survives, he will be delivered from God’s final wrath (p.34, 35). Pisani, writing a thoughtful refutation of Rosenthal, well concludes: “judgment and death may motivate the masochist, but the prospect of enduring even a portion of the coming tribulation does little to encourage the majority of Christ’s saints (“Pre-Wrath Rapture or Modified Postribulationaism?” Baptist Bulletin, December 1990, p.23).

Ertle, in his helpful review of Rosenthal’s book, rightly laments Rosenthal’s denial of imminency: “We are bidden rather to look for the Antichrist and his Midtribulational desecration of the Jewish Temple; then we may put on our white robes of expectancy” (Baptist Bulletin , September 1990, p.40).

In contrast, passages like 1 Thess. 5:6; 1 Cor. 1:7; Tit. 2:13 and 1 Jn. 3:2–3 speak of the blessed hope as an imminent event, encouraging the believer to live a life of eager expectancy. With annoying dogmatism, Rosenthal insists that the restrainer of 2 Thessalonians 2 is the archangel Michael. On this “the Bible is explicit” (p.257). Evidence that the restrainer could be human government or the Holy Spirit “is strained” (p.256).

Rosenthal has no clear explanation where the Church will be for 21 months after the rapture. It definitely will not be in heaven in his scheme of events. His position, like that of the postribulational view is obviously untenable in light of John 14:1–4, one of the key rapture passages. Christ promised that He would leave His own on earth to prepare their eternal habitation in heaven, in the Father’s House. Then He would return for them and take them to the prepared place. The view of Rosenthal and that of the postribulationalists preclude that the believers will ever be in heaven. In other words, they do not believe Christ’s clear statement. No wonder Rosenthal has absolutely nothing to say about John 14:1–4. He simply quotes John A. Sproul, who lists John 14 among “debatable Scriptures” (p.55).

Rosenthal compares his position to the house build on the rock, since it is established on “irrefutable logic” (p.107) and “will never see its basic tenants… successfully assaulted” (p.293). In short, his main arguments are “impregnable” (p.155). Or are they?

Rosenthal insists that “perhaps the single greatest error” of the pretribulational position is that the Day of the Lord and thus the period of God’s wrath commences when Daniel’s 70th week begins (p.117).

Renald Showers wrote an important 47-page analysis of every major issue raised by Rosenthal. Showers demonstrates that all seven seals, not just the last two, are part of God’s wrath from which the Church is exempt (1 Thess. 1:10 ; 5:9; Rom. 5:9) (The Pretribulation Rapture, The Friends of Israel Gospel Ministry, Inc., P.O. Box 908, Bellmawr, NJ 08099).

Under the searching analysis by Paul Karleen, the “impregnable” and “irrefutable” pre-wrath rapture position crumbles. His book is a must for those interested in the issues raised by Rosenthal. It is entitled, The Pre-Wrath Rapture of the Church: Is It Biblical? (BF Press, P.O. Box L-601, Langhorne , PA 19047, 102 pp). Karleen does not primarily defend the pretrib position but shows that every major point Rosenthal makes is seriously flawed. He refutes that which is supposedly irrefutable by pointing out the errors in “facts, language, context and logic” (p.11). Two cases in point. Rosenthal limits the Day of the Lord to 21 months, one reason being that the prophets spoke of the Day of the Lord, using a definite article. In fact, not once in the 18 OT usages of the Day of the Lord is the definite article used in the Hebrew. A close study of the biblical usage of the Day of the Lord indicates that it includes a time of judgment (the Tribulation period) and a time of blessing, the Millennium (Zeph. 3:8–13; Hag. 2:6–23; Zech. 14:1–10). If it can be demonstrated that the Day of the Lord covers more than 42 months——and it can———the pre-wrath position falls.

Rosenthal claims that the time of wrath starts immediately after the rapture. As proof he uses the illustration of Noah. The day Noah and his family entered the ark, “on the same day” God’s judgment fell (p.196, 220). The fact is, the flood did not start on the day that Noah entered the ark, but seven days later (Genesis 7:10). Rosenthal’s book contains numerous such errors.

Stanton and Showers show the validity of the pre-tribulational rapture position. Karleen shows the error and illogic of the new theory. He has summarized his devastating critique in an article in Voice, Jan.—Feb. 1991, “Evaluating The Pre-Wrath Rapture of the Church,” pp. 9–13. The Church may confidently expect the return of the Bridegroom at any moment, not at some predictable date after being persecuted by the Antichrist for 63 months.

 ____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

Vroege kritieken II

 

 

 

 

 

Calvary Baptist 1991

 

A Critique of a Pre-Wrath Rapture Position

Rocco Piserchia

 

"For thirty years a confirmed pretribulationalist, he now believes that the Church will have to endure the persecution of the Antichrist."' With such sensational claims, Marvin J. Rosenthal has charted new territory in the rapture debate with his book The PreWrath Rapture of the Church which sets forth his novel rapture position. Rosenthal is evidently quite committed to his rapture beliefs, so much so that he resigned as executive director of The Friends of Israel Gospel Ministry (hereafter referred to as F.O.I.) after having served as executive director for nearly sixteen years.' Rosenthal initially attempted to persuade the board of F.O.I. to broaden their interpretation of the mission's doctrinal statement to accommodate his new view.' However in May of 1989, the board refused to allow a de facto change in their doctrinal statement, therefore Rosenthal was unable to sign the doctrinal statement "in good conscience" and resigned as executive director. "This critique of Rosenthal's book will evaluate his position regarding the Day of the Lord, his concept of the church, and a few obvious inconsistencies in his development. The critique will also evaluate his procedure, making numerous observations regarding research and publication.

The Position of This New Presentation

Rosenthal's beliefs regarding the rapture and eschatology in general are confusing and, for the most part, erroneous. Approximately one year has elapsed since the publication of The PreWrath Rapture of the Church and already some critics have exposed major flaws in Rosenthal's system.' The most detailed critique of Rosenthal's position to date is The Pre· Wrath Rapture of the Church: Is It Biblical? by Paul S. Karleen. Dr. Karleen demonstrated that within four crucial components of sound hermeneutics: 1) correspondence to the facts; 2) accuracy concerning language; 3) attention to context; and 4) logical consistency, Rosenthal fails to prove his thesis• This section will survey some of the more prominent errors in The Pre-Wrath Rapture of the Church that further prove Rosenthal's position is not tenable.

Day of the LAird Disarray

In essence Rosenthal's entire position rests on his interpretation of the Day of the Lord (hereafter often referred to as DOL). "The objective of this volume is to demonstrate that the Day of the Lord is the time of divine wrath."' If Rosenthal's definition of the DOL is errant, his thesis will be proven false. Central to Rosenthal's concept of the DOL is God's wrath; much discussion in his book is devoted to the precise timing of the DOL, which is presented as a technical phrase for the eschatological manifestation of God's wrath. "The starting point of the Day of the Lord is a watershed issue in the Rapture debate, for the Rapture of the church is an integral part ... of the Day of the Lord."' In describing his understanding of the

DOL the author states: The (OT) prophets sometimes used a near specific period of divine

judgment as a basis for prophesying concerning the eschatological (last) great judgment, or Day of the Lord. In this instance, the two (the near and the far) almost appear to merge together (Isa. 13:6; Joel1:15; 2:1, 11). And sometimes the prophets spoke directly of the future eschatological Day of the Lord, the cataclysmic climax to man's sinful epochs of existence (Isa. 2: 12). Those passages which spoke of a near judgment always anticipated the eschatological or final Day of the Lord. The prophets, in their prophetic visions and  messages, often say as a comprehensive whole that which history unfolds as separate, chronological events.'

At lease three problems are found in this quotation. First, the DOL is not "the eschatological (last) great judgment." The Great White Throne is God's final eschatological judgment (Rev. 20:11-15). The Great White Throne Judgment occurs after the millennium, while Rosenthal's DOL occurs before the millennium. Rosenthal also wrote that "the Day of the Lord is the fulfillment of the end which God planned before the beginning (Isa. 46:10)." 10 Rosenthal asserts that said fulfillment occurs before the creation of the new heaven and the new earth (Rev. 21:1). After quoting 1 Cor. 15:24 ("Then comes the end, when He [Christ] deliven; the kingdom to God the Father, when He puts an end to all rule and all authority and power""), Rosenthal states, "The end to which Paul referred is the final Day of the Lord judgment. The church will be raptured, and then the end -- God's wrath -- will fall upon an unrepentant world."" The author's interpretation of 1 Cor. 15:24 ignores the immediate context and the content of the verne itself, which address Christ's activity after the millennial kingdom. Second, the author asserts that, "Those passages which spoke of a near judgment always anticipated the eschatological or final Day of the Lord."" His assertion is proven false in that at least two OT prophets restricted the DOL to times of near judgment. Amos 5:18-20 reads:

Woe to you who desire the day of the Lord! For what good is the day of the Lord to you? It will be darkness, and not light. It will be as though a man fled from a lion, And a bear met him; Or as though he went into the house, Leaned his hand on the wall, and a serpent bit him. Is not the day of the Lord darkness, and not light? Is it not very dark, with no brightness in it? Similar to most other DOL passages, the context must be carefully considered to determine if near judgment, eschatological judgment, or both are involved. Richard Mayhue wrote his Th.D. dissertation on the meaning of the DOL in the OT. Mayhue astutely observes,

"Many contrasts appear which at fin;t seem to be contradictory. In various DOL texts contemporary history is in view (Isa. 13:6, Joel 1:15), but in other texts there are predictions that clearly relate to the future (2 Thess. 2:2, 2 Pet. 3:10) ... this work will examine the biblical meaning of DOL in order to discern whether (1) DOL is always used to refer to the same event or if it is used of several events and whether (2) DOL has already occurred, or if it will occur in the future, or if DOL is used of both past and future events."" Mayhue concludes that Amos' use of the DOL was limited to near judgment. "The day Amos envisioned was the fall of Samaria in 722 B.C. (2 Kings 17). Amos stresses the inevitability of this destruction (5:19-20). In Amos, DOL is not used to portray the eschatological expression of God's judgment."" Mayhue concluded that Ezekiel's use of the DOL was also restricted to contemporary judgment."

Third, Rosenthal claims that some OT prophets used the phrase DOL to describe both times of judgment which were near to them and the eschatological DOL, "the prophets sometimes used a near specific period of divine judgment as a basis for prophesying concerning the eschatological (last) great judgment, or Day of the Lord ... Those passages which spoke of a near judgment always anticipated the eschatological or final Day of the Lord."" Rosenthal

also states, " ... the expressions the day of the Lord, coming, and appearance are tied together and used interchangeably in anticipation of the opening of the seventh seaL"" However in the author's attempt to refute Charles Ryrie's interpretation that the DOL  includes the millennium, he seriously contradicts himself by assigning a technical definition of the DOL limited to eschatology. "Ryrie equates the phrase 'in that day' in a millennial context with the Day of the Lord. However, the phrase 'in that day' is not a technical term

restricted to one period of time (italics added)." Rosenthal also stated, "The very character of God demands that He one day judge this sinful planet and bring man's rebellion to an end. The Bible refers to that still-future day of judgment as the Day of the Lord.""' Rosenthal also refers ". . . to the clear biblical teaching of a comprehensive, singular, eschatological Day of the Lord."" The author undeniably contradicts himself in defining the DOL and therefore nullifies his elaborate tribulation and DOL chronology." Rosenthal also contradicts himself concerning signs before the DOL In a summary statement pertaining to 2 Pet. 3:10, the author asserts, "The Day of the Lord will come as a thief in the night, and the heavens and the earth will be judged by fire."" However Rosenthal then includes two chapters (10 and 11) which detail why he believes both cosmic disturbances and the coming of Elijah must precede the DOL "The clear and repeated teaching of the Word of God is that there must be a cosmic disturbance of considerable magnitude before the Day of the Lord begins."" "Now the prophet Malachi proclaims that Elijah will appear before the Day of the Lord commences (Mal. 4:5)."" The author's position that the DOL will come as a thief in the night becomes even more tenuous when one realizes that he places both the first six seals of Revelation 5 and the sign of Christ's coming (Matt. 24:3) before the DOL"' 

Dispensational Distortion

Throughout The Pre-Wrath Rapture of the Church the author never provided a definition of the Church. Failure to provide a definition of the Church is inexcusable in a work that alleges to clarify the meaning of the rapture of the Church. Rosenthal further undermines his own credibility by claiming that his interpretation is dispensational, e.g., "Pretribulation rapturism is once again mortally wounded, this time by an unstrained, dispensational (italics added), premillennial, and literal interpretation of Paul's teaching in 2 Thessalonians 2. "11

"Rightly understood, neither dispensationalism nor premillennialism are infringed upon or injured by the church entering the seventieth week of Daniel to experience a prewrath rapture."" "In the first chapter, the author acknowledged that he writes as a lover from within the dispensational, premillennial camp, and not as an opponent from without. That attitude has not diminished."" Dispensationalism, as a hermeneutic and a theological system,

maintains that a distinction exists between Israel and the Church. Charles C. Ryrie wrote what is generally acknowledged as the finest dispensational apologetic, Dispensationalism Today, in which he clarified the distinct identities of the Church and Israel. The nature of the Church is a crucial point of difference between dispensationalism and other doctrinal viewpoints. Indeed, ecclesiology, or the doctrine of the Church, is the touchstone of dispensationalism. . . All nondispensationalists blur to some extent the distinction between Israel and the Church. Such blurring fails to recognize the contrast that is maintained in Scripture between Israel, the Gentiles, and the Church. In the New Testament natural Israel and the Gentiles are contrasted. Israel is addressed as a nation in contrast to Gentiles after the church was established at Pentecost (Acts 3:12; 4:8, 10; 5:21, 31, 35; 21:28). In Paul's prayer for natural Israel (Rom. 10:1) there is a clear reference to Israel as a national people as distinct from and outside the Church. Further, natural Israel and the Church are also contrasted in the New Testament Paul wrote: "Give none offense, neither to the Jews, not to the Gentiles, nor to the church of God" (1 Cor. 10:32) ... In addition, believing Jews and believing Gentiles, which together make up the Church in this age, continue to be distinguished in the New Testament, proving that the term Israel still means the physical

descendants of Abraham."

Robert P. Lightner concurs with Ryrie regarding the substance of dispensationalism.

Friends and foes of dispensationalism must agree that the all· determinative conviction without which one cannot be a dispensationalist is the distinction between God's program for Israel and His program for the church. This distinction is based solidly on the literal ... interpretation of Scripture. A consistently literal or normal hermeneutic brings one to see distinctions in God's program with Israel and His program with the church, and that underscores the theological rather than the soteriological nature of God's primary purpose in the world.n Rosenthal, implicitly or explicitly, confused the Church with Israel a minimum of seventeen times." The author's failure to distinguish between Israel and the Church was particularly disturbing in his treatment of the Olivet Discourse. Rosenthal builds on hermeneutical sand by granting exceptional significance to the Olivet Discourse, "The Olivet Discourse (Matt. 24-25) will be a central text (italics added). It is the author's contention that the Olivet Discourse is Jewish in character, sequential in progression, logical in argument, parallel to the seals of Revelation 6 in nature, covers the seventieth week of Daniel in scope, answers the dual question concerning the Lord's coming and the end of the age posed by the disciples (which was the catalyst for the Lord's teaching), and encompasses both the Rapture and the return of Christ within its borders."" Although the author claimed that the Olivet Discourse "is Jewish in character," he included the Church as part of Christ's audience." As previously stated, Rosenthal intentionally or unintentionally confused Israel and the Church throughout his entire book. (One of the more prominent examples of Rosenthal's nondispensational hermeneutic concerns 2 Thess. 2, "The apostasy, then to which Paul referred (2 Thess. 2:3-4), will involve Israel, not the church."") The author was extremely negligent in that he only devoted less that one and a half pages" to explain how his position blends the Church with Israel during the first 63 months of Daniel's seventieth week. The church did not exist before the outpouring of the Holy Spirit at Pentecost, so the church could not possibly be in the Old Testament. The church does exist now, however, so it can be in the seventieth week. That is precisely what the Word of God teaches [no Scripture texts are immediately referenced] ... The passing away of the old economy to establish the new necessitated a period of transition where, for a short time, righteous men of both economies coexisted. It may well be that God gave a biblical generation (forty years) for the transition-from Christ's death in AD. 30 to the destruction of the temple and cessation of the priesthood in AD. 70. During those years God had, no trouble keeping Israel and the church distinct That is precisely what will occur when God begins Israel's seventieth week. It will again be a transitional period, in reverse this time, from the church to IsraeL" There are at least two critical flaws in Rosenthal's "dispensationalism." 1) The author admits that the Church was not present during the first 69 weeks with Israel," therefore the burden of proof rests with him to explain precisely why the Church has a part in the seventieth week. Merely stating that the Church can theoretically be in the seventieth week of Daniel because it came into existence before the seventieth week, as opposed to the first 69 weeks which elapsed before Pentecost, in and of itself proves nothing. 2) Rosenthal's view of the transition from law to the Church is faulty. God did not respect any of the temple sacrifices immediately after Christ died as the world's propitiation; the rent veil in the tern pie (Matt. 27:51; Mark 15:38) and the book of Hebrews" (which in all probability was written before the temple was destroyed*) both confirm God's rejection of temple sacrifices after Jesus was crucified. Though not cited, it certainly appears that Rosenthal borrowed his transitional argument to permit the church to enter the tribulation from Robert H. Gundry. "The change in dispensations at the dawn of the Church age was gradual, extending over a period of years, rather than immediate and clean-cut may lead us to expect a similar transitional period in the twilight of the Church age. This future period of transition might well be the tribulation, during which God finishes His dealings with the Church and prepares Israel and the nations for the millennial kingdom of Christ."" The fact that Rosenthal follows Gundry does not strengthen Rosenthal's position, since he asserts, " ... I found an abundance of arguments which I believe devastate posttribulationism. [Although] I read with profit Robert Gundry's well-written posttribulational book, The Church and the Tribulation . . .""

Internal Inconsistencies

As with the DOL, Rosenthal employs a technical definition of wrath to support his system, however when it is not convenient the author proposes that certain other related terms can be used interchangeable. It is significant to note that not once is the word wrath used before

Revelation 6:16-17 or in describing the six seals. Only with the opening of the seventh seal and beyond is the word wrath mentioned in the book of Revelation. It can rightly be insisted, therefore, that the use of the word wrath is restricted to the events of the trumpets and bowels and, therefore, exempts the frrst six seals." On the page immediately preceding the author reasons in a different manner. In the phrase, 'the great day of his wrath is come; and who shall be able to stand?' [Rev. 6:17) John is undeniably alluding to Malachi 3:2. The prophet Malachi wrote, 'But who may abide the day of his coming? And who shall stand when he appeareth?' In Revelation 6:17 what John calls the 'great day of his wrath,' Malachi calls the 'day of his coming' and 'when he appeareth.' Therefore, the expressions the day of the Lord, coming, and appearance are tied together and used interchangeably in anticipation of the opening of the seventh seal." The differences between the two quotations above illustrate: 1) When it is to the advantage of the author's thesis, a technical definition for a term is contrived, as is the case with wrath in the book of Revelation. 2) When it is not to the advantage of the author's thesis, different terms cannot be limited to technical definitions and have to be used interchangeably. This is most injurious with DOL, as demonstrated under the previous section, "Day of the Lord Disarray."" 3) Since Rosenthal believes that Malachi 3:2 refers to the same event and time as Revelation 6:17, the word wrath should have been legitimately included in his list of interchangeable expressions with the day of the Lord, coming, and appearance. 4) If Rosenthal had been consistent and included wrath with his list of interchangeable expressions, the technical definition assigned to wrath in Revelation would appear even more artificial than it already does. Rosenthal's position is not internally consistent with regard to resurrection, which is an integral part ofthe rapture. After quoting 1 Corinthians 15:51-52, the author states, "the Rapture must occur at the opening of the seventh seal [Rev. 8:1] and immediately prior to the beginning of God's wrath. That interpretation is unstrained and biblically accurate."" However in discussing the tribulation martyrs of Revelation 6:10, Rosenthal declares, "They are given white robes and told to 'rest for a little season, until their fellow servants also and their brethren, that should be killed as they were, should be fulfilled' (Rev. 6:11). These martyrs are to be resurrected and given bodies on the first day of the Millennium (Rev. 20:4)"" (italics added). For no apparent reason Rosenthal does not include the tribulation martyrs (Rev. 6:11) in the resurrection of his pre-wrath rapture (Rev. 8:1), but believes they will have to wait 21 months (the time of his DOL) until the beginning of the millennium to be raised. The most detailed passage in the Bible regarding the rapture clearly teaches that the resurrection of those believers who are alive during the rapture will not precede the resurrection of those who died in Christ: But I do not want you to be ignorant, brethren, concerning those who have fallen asleep, lest you sorrow as others who have no hope.

For if we believe that Jesus died and rose again, even so God will bring with Him those who sleep in Jesus. For this we say to you by the word of the Lord, that we who are alive and remain until the coming of the Lord will by no means precede those who are asleep. For the Lord Himself will descend from heaven with a shout, with the voice of an archangel, and with the trumpet of God. And the dead in Christ will rise first Then we who are alive and remain shall be caught up together with them in the clouds to meet the Lord in the air. And thus we shall always be with the Lord (1 Thess. 4: 13-17). The author also failed to comprehend the doctrine of the eternal security of the believer in Jesus Christ. The book of Revelation teaches that all who accept the Beast will perish eternally in the Lake of Fire. He [the beast out of the earth) was granted power to give breath to the image of the frrst beast, that the image of the beast should both speak and cause as many as would not worship the image of the beast to be killed. And he causes all, both small and great, rich and poor, free and slave, to receive a mark on their right hand or on their foreheads, and that no one may buy or sell except one who has the mark or the name of the beast, or the number of his name" (Rev. 13: 15-17). " ... If anyone worships the beast and his image, and receives his mark on his forehead or on his hand, he himself shall also drink of the wine of the wrath of God, which is poured out full strength into the cup of his indignation. And he shall be tormented with fire and brimstone in the presence of the holy angels and in the presence of the Lamb. And the smoke of their torment ascends forever and ever; and they have no rest day or night, who worship the beast and his image, and whoever receives the mark of his name (Rev. 14:9-11). Rosenthal implied that church-age saints could potentially lose their

salvation in that he maintains that they could be deceived by the Antichrist. In the chapter "The Prewrath Rapture: Catalyst for Holy Living," the author declares: First, if the prewrath Rapture is correct, the church (italics added) will enter the seventieth week of Daniel to encounter the difficulties of that period and the Antichrist himself. If it does so, having been

taught and convinced of an imminent pretribulation Rapture, the consequences will be calamitous. The church will enter that period unprepared, spiritually naked, vulnerable, and ripe for the Antichrist's deception." Rosenthal did not explain how believers could be deceived by the Antichrist without accepting his mark. Furthermore the author's concern is inconsequential, since he admits that believers will be martyred by the Antichrist." Theoretically, even if church saints are permitted to enter Daniel's seventieth week, the fact that they believed in the prewrath rapture beforehand would not prevent them from being slaughtered. The author also appealed to Revelation 20:15 in an attempt to demonstrate that believers need the catalyst of the prewrath rapture as an incentive for holiness in life. Second, a prewrath rapture which acknowledges that one generation of the church will enter and face the challenge of the seventieth week becomes a catalyst for holy living. . . The Word of God is saturated with incentives and warnings-the promise of blessing for obedience or cursing for disobedience, crowns or judgments. Men do not naturally do their best The Bible is ftlled with incentives for righteous living (Gen. 12:3) and punishment for unrighteous living (Rev. 20:15)." However, Revelation 20:15 reads, "And anyone not found written in the Book of Life was cast in the lake of fire." Therefore hell cannot be construed as a negative incentive for the believer in Jesus Christ to avoid, unless eternal security is false."

The Procedure Which Produced This New Position Rosenthal stated, "I have written as simply as I can. In the technical sense, I am not a scholar, nor do I write primarily for scholars. But that is not to infer that the book is not scholarly" (p. 34). The author did not explain how he could produce a scholarly work without being a scholar. (This enigma was also noted by

Karleen, p. 92.) The following list will illustrate a variety of deficiencies in the scholarship of The Pre-Wrath Rapture of the Church. This section should not be construed as a personal attack upon the character of the author, but rather an evaluation of the veracity of the author's book. It should also be noted that the author is absolutely convinced of the truthfulness of his thesis in his own mind, "Men will scrutinize this book. They will search its pages, probing for weakness and vulnerability ... Flaws may be found ... but I am convinced that the basic tenets found within these pages will not be successfully assaulted. Its gates will not be breached" (pp. 292-293). At the outset of his book, Rosenthal made a point of stressing that he had done a substantial amount of study before he absolutely rejected the trustworthiness of pretribulationism. "I had been exposed to pretribulation thinking most of my life. Nonetheless, I went back and read from my heroes: John F. Walvoord, ... Charles

C. Ryrie, ... J. Dwight Pentecost, ... I also consulted numerous commentaries on Daniel, Matthew, the Gospel of John, 1 Corinthians, 1 and 2 Thessalonians, James, 1 and 2 Peter, 1 John, Revelation; books on the Rapture; books on the Millennium; an unpublished doctoral dissertation on 'The Day of the Lord;' articles that were recommended; and back to the earlier mentioned eighty-eight page refutation (pp. 20, 21]. I would read it again; perhaps I had missed something, anything that would allow me genuine reasonable doubt for the position toward which I was being increasingly drawn. I prayed for a way out. I wanted it so badly ... But I could not find the 'reasonable doubt' that I sought, though I searched with my whole heart" (pp. 25-26). Upon close examination, several observations concerning the procedure can be made: a) The book had no bibliography, subject index, nor author index,

merely endnotes and a Scripture index. b) The endnotes were rather sparse, only covering less than six and one half pages (pp. 301-307) for a 299 page book. c) The sum total of all references to Biblical commentaries was only 23 (not including study Bibles, i.e., Ryrie Study Bible, The Scofu!ld Reference Bible, The New Scofield Reference Bible, and The Annotated

Study Bible). Of the 23 citations, only 14 commentaries were used. Of the 14 commentaries, 8 were commentaries on the book of Revelation. Therefore excluding the book of Revelation, only 6 commentaries were referenced. However, Rosenthal did claim that 40 commentaries on Revelation were consulted in his study of Revelation 6:17 (p. 167). d) Although Rosenthal stated that he rejected the arguments presented in the 88 page "refutation" (pp. 20, 21, 25, 26), he never directly discussed any of the arguments, much less his reasons for dismissing them. e) In all fairness to the author, it needs to be noted that he did provide one line of reasoning which may help to explain the scarcity of references. "I write in gratitude to those pretribulational scholars from whom I have profited so much and I think they are wrong or inconsistent in their teaching on the Rapture. Consequently, I will sometimes use terms like 'pretribulationists say,' or 'many hold,' or 'some have suggested,' although I have in my files specific names, quotes, and sources. There will be some essential exceptions" (pp. 33, 34). First, the author appeals to evidence which cannot be verified by his readers. Second, the author's gracious intentions are irrelevant in an academic discussion; the fact that he wrote a book which details a non-pre-tribulational rapture position is an affront to all pretribulational scholars. Furthermore, the author wrote quite belligerently about pretribulationists in more than one instance, e.g., "I perceived then, and continue to believe, that the underlying problem is not the details of the position taken in this book. Rather, it is the pure shock that one's position on a significant area of prophecy is being threatened" (p. 30). "God expects His children to descend and dig deeply for the truth to be found in the inexhaustible treasure chest of His Word. It is the God-ordained method. But occasionally one wonders if rigidity in a position has not caused some interpreters to mine 'fool's gold,' which shines but has no value" (p. 60). "It is, above all else, for that reason that a logical, unforced, chronological unfolding of Revelation has evaded pretribulational, premillennial commentators and, in large measure, is the explanation for the fact thaHhe last book of the Bible has largely remained an unsolvable riddle for students of the Word to this very hour" (p. 112). "The suggestion [held by pretribulationists ] ... ought not to be taken seriously by those who honor God's Word" (p. 228). f) Rosenthal never referenced any type of Hebrew grammatical or lexical works. He also failed to reference any Greek grammar. The author did cite three different Greek lexical works for a total of six references. The Greek lexical works cited were: 1) Wuest's Word Studies in the Greek New Testament (cited twice) 2) {VU1e's] Expository Dictionary of the New Testament (cited three times) 3) The Greek New Testament by Henry Alford (cited once). 1) Rosenthal's lack of grammatical expertise was sorely evident in his discussion of Revelation 6:17, "For the great day of His wrath has come, and who is able to stand?" (NKJV). The author argued that the verb translated "has come" (eelthen, from erkomai) is properly understood as a dramatic aorist, which indicates that the action of the verb is future. (This is extremely important for Rosenthal, since he assigned a technical definition to "wrath" and believes that the rapture immediately precedes God's wrath.) The author appealed to works by John Sproule, Paul Feinberg, D.A Carson, and Gary Cohen, but it must be stressed that no reference was made to any Greek grammar. The quotation by Carson was inconsequential, since it merely addressed the fact that the aorist "simply refers to the action itself without specifying whether the action is unique, repeated, ingressive, instantaneous, past, or accomplished" (p. 165). Rosenthal misrepresented Feinberg by strongly implying that Feinberg only believed that the verb in question could be interpreted as either an ingressive aorist or a dramatic aorist which function like a future tense (p. 165). Rosenthal quoted p. 59 of Feinberg, however, he neglected to mention that Feinberg argued on the following page that the aorist verb in question " ... could just as well be constantive or complexive. This would mean that the wrath of God has come, not just in the  sixth seal, but in the six seals viewed as a whole" (Feinberg, p. 60). Rosenthal also neglected Feinberg's conclusion, "The activity of the whole period proceeds from the activity of the worthy Lamb; it is He who breaks the seals (Rev. 5:11-14; cf. Rev. 6:1, 3, 5, 7, 9, 11) - One cannot exegetically classify various kinds of wrath and distinguish their recipients, and thus avoid the conclusion that the whole seventieth week is a time of God's retributive wrath" (italics added) (Feinberg, p. 62). (Concerning Rosenthal's treatment of the aorist in Rev. 6:17, also see Mulholland, pp. 3-4 and Karleen, pp. 54-56.) 2) Rosenthal stated on p. 232, "In their [Greek scholars] scrutiny, they have exhausted the numerous grammars and lexicons, the Septuagint, classical Greek, and the Bible itself to arrive at an understanding of the phrase, 'I also will keep thee from the hour of temptation' (Rev. 3:10." The author never displayed any evidence that he interacted at any level with grammars, lexicons, the LXX, classical Greek, and N.T. Greek, however he presents himself as one whose interpretation of Revelation 3:10 is solely correct (PP- 233-241) - In essence Rosenthal seems to imply that since scholarship is not uniform regarding the interpretation of Revelation 3:10, scholarship was not necessary to properly understand the verse (P- 233). Rosenthal contradicts himself in his interpretation, since he claims the verse "refers to protection for the Great Tribulation, which occurs before the Rapture and the Day of the Lord begins" (P- 234), then states that, "Believers will be severely persecuted in that day. Some will be sent into captivity. Others will be slain" (p. 236). 3) The author repeatedly made assertions without providing any evidence, even when he stated what certain words mean, e.g., "To overcome is to vanquish the enemy, to be triumphant over difficulty" (p. 290). h) Rosenthal stated, "I read with profit Robert Gundry's wellwritten posttribulational book, The Church and the Tribulation, which identified and then did radical surgery on some areas of

pretribulationism, and John Sproule's excellent, if brief in some areas courageously concessionary, responses to Gundry" (P- 26). A few points should be noted: 1) Rosenthal did not specifically mention any of the areas in which Gundry allegedly did "radical surgery" on

pretribulationism. 2) Rosenthal also failed to specifically mention any of the areas in which Sproule was "courageously concessionary" to Gundry. 3) Throughout the entire book, the author never referenced John Walvoord's critique of Gundry, The Blessed Hope and the Tribulation (Grand Rapids, Michigan: Zondervan Publishing House, 1976). To the best of this author's knowledge, no one has yet refuted Walvoord's critique of Gundry. Rosenthal chose to cite Sproule against Gundry, and it was evident he sympathized with the latter (pp. 54, 55). i) Rosenthal closely identified his pre-wrath position with pretribulationism. "I will write as a love from within the pretribulational camp, not as an opponent from without, seeking to nudge others to a modification of their view with what I believe to be biblical" (p. 33). "This book will not initially be perceived by some as an ally to pretribulationism, but I believe that history will one day substantiate it as such" (p. 33). In actuality, the author's thesis has a far greater similarity to posttribulationism, since chronologically the pre-wrath rapture is supposed to occur merely 21 months before the end of the tribulation, which is 63 months after the beginning of Daniel's seventieth week (p. 112). j) In attempting to disprove the pretribulational argument that the church is not present in chapters 4-21 of Revelation, Rosenthal states this "not only is compatible with a pre-wrath Rapture but gives it essential support" (p. 245). However, the author never attempted to explain why no mention of the church (or churches) is made during the period of the first six seals (Rev. 6:1-17), in which he maintains the church is still present on the earth.

Summary

The position of the pre-wrath rapture of the Church has been demonstrated to be critically flawed. This paper has limited criticism to some of the most blatant errors which characterize Rosenthal's thesis. The pre-wrath rapture position can safely be rejected on any one of three grounds: 1) DOL Disarray; 2) Dispensational Distortion; or 3) Internal Inconsistencies; however, when the three areas of criticism are considered together, Rosenthal's thesis is demolished. The pre-wrath rapture, similar to post-tribulationism, renders the blessed hope of the church inconsequential" in that the vast majority of believers who enter the tribulation would be killed before the rapture. Rosenthal's view is further at variance with the Scriptures in that he collapses the rapture and Christ's return at the final Battle of Armageddon (Rev. 19:11-21) into one integrated series of events, explained as the coming (parousia) of Christ."

Notes:

Rosenthal, Marvin, ThB Pre-Wrath Rapture of the Church (Nashville, TN: Thomas Nelson Publishers, 1990) back-cover

• Rosenthal, 23

• Rosenthal, 28-29, and 32. In Rosenthal's mind such radical hermeneutical revision was not equivalent to simply changing the wording of the doctrinal statement to accommodate nonpretrlbulational rapture views. "Never was consideration given to chsnglng the doctrinal position to reflect my view. That would have been unfair to the entire Mission family" (p. 28). Duplicity regarding the plain meaning of"lmminsncs" and "Imminent, • similar to what Rosenthal desired for F.O.I., Is found In the Evangelical Free Church. "The EFCA appears to be allowing latHude in the understanding of the term imminent for both the faculty of TrinHy Evangelical Divinity School and ministerial candidates for ordination. This is in keeping wHh the ethos of the Free Church: 'For believers only, but all believers- (Archer, Gleason; at. al.; ThBRapture: Pre-, Mid·, orPost·Tribulational? (Grand Rapids, Ml: Zondervan Publishing House, 1984) 44.

• Rosenthal, 32

' The two most thorough critiques are by Paul S. Karieen, ThB Pre-Wralh Rapture of the Church: Is" Biblical? (Langhorne, PA: BF Press, 1991) and Gerald B. Stanton, • A Review of 'The Pre-Wrath Rapture of the Church, • BibSac (January-March 1991) 148:90-111.

• Karieen, 11

' Rosenthal, 35

' Rosenthal, 176

• Rosenthal, 125

•• Rosenthal, 124

" ThB Holy Bible, NIIW King James Version, (Nashville, TN: Thomas Nelson Publishers, 1982). All Scripture quotations are from the NKJV, except for those cHad In Rosenthal (which are from the KJV) and other works.

,. Rosenthal, 219

,. Rosenthal, 125

,. Mayhue, Richard L, "The Prophet's Watchword: Day of the Lord," GTJ(1985)

6:231-246. This article is a summary of his unpublished doctoral dissariation, which Rosenthal referenced three times (Rosenthal, 301, 302, 303).

" Mayhue, 238 

" Mayhue, 241-242; the texts under discussion are Ezekiel 13:5 and 30:3.

" Rosenthal, 125

" Rosenthal, 170

" Rosenthal, 129

" Rosenthal, 115

., Rosenthal, 159 22 For example, see Rosenthal pages 137-211. Richard Mayhue declares, 'The DOL Is a biblical phrase used by God's prophets to describe either the immediate future or the ultimate eschatological consummation. n is nota technical term in the sense that It always refers only to one event in God's ptan (Italics added) ... DOL is used to describe several events and Is limited only by Its mention In biblical revelation. Each appearance Of DOL must be interpreted in Its context to determine whether the prophet expected the Immediate historical act of God or Yahweh's ultimate eschatological visitation• ('The Prophet's Watchword: Day of the Lord, • p. 245). Walvoord comments, 'Mentioned frequently in the Old Testament, the Day of the Lord refers to any special period where God Intervenes

supernaturally, bringing judgment on the world. An outstanding illustration is the book of Joel which has as Its theme the Day of the Lord. The term Is properly used of the crisis that occurred in the time of Joel brought on by the Infestation of locusts which ruined their crops, bringing starvation and destruction• (John F. Walvoord, The Prophecy Knowledge Handbook (Wheaton, ILL: Scripture Press Publications, 1990) 486. See Joel 1: 15-20.

'" Rosenthal, 134. The author's belief that no sign will precede the DOL was stressed on page 131.

" Rosenthal, 148

" Rosenthal, 158. ct. the charts on pages 149 and 161.

• Rosenthal, 110, 111, 149. Ct. Stanton, 98.

" Rosenthal, 210

'" Rosenthal, 264

'" Rosenthal, 244

"' Ryrie, Charles C., Dispensetionalism Today (Chicago, IL: Moody Press,

1965) 132, 137, 138

., Ughtner, Robert P., 'Theonomy and Dlspensationalism,' BibSac (JanuaryMarch 1986) 34

"' Rosenthal, 61, 81, 105, 109, 137, 144, 170, 174, 175, 185, 196, 198, 205, 206,

210, 224, and 258.

"' Rosenthal, 60-61

" For example see Rosenthal page 144. 35 Rosenthal, 206. Cf. Stanton, 105-106.

'" Rosenthal, 263-264

" Rosenthal, 263

'" Rosenthal, 262

" See Hebrews 8-10.

" E. F. Harrison, Introduction to the New Testament (Grand Rapids, Ml: Wm. B. Eerdmans Publishing Co., 1971) 380, "Yet If the writer had been able to point to so decisive an event as the fall of Jerusalem and the destruction of the temple, it would fit so well with his general thesis of the outmoded character of the old order that ~ Is hard to see how he could have avoided using it. Therefore a date prior to AD. 70 Is likely.•

" Gundry, Robert H., The Church and the Tribulation (Grand Rapids, Ml: Zondervan Publishing House, 1973) 21. To Gundry's credit he devoted an entire chapter to confront dispensational issues (ch. 2, pp. 12-28), unlike Rosenthal, who as previously mentioned, attempted to deal with dispensational objections In less than one and a half pages (263-264).

"" Rosenthal, 26

"' Rosenthal, 171

"' Rosenthal, 170

... Rosenthal is also guiny of the same type of lexical revision pertaining to parous/a, which he arbitrarily defines as •coming and consequent presence• (229).

Also see pp. 216-221.

• Rosenthal, 194; see the chart on the same page.

" Rosenthal, 183

• Rosenthal, 281

• 'Believers will be severely persecuted In that day. Some will be sent into captivity. Others will be slain' (Rosenthal, 236).

,. Rosenthal, 284

" Two texts among many that prove the eternal security of believers are John 10:28 and Romans 8:35-39.

" Mayhue, Richard L, Snatched Before the Storm/ A Case for Pretribulationism (Winona Lake, IN: BMH Books, 1980) 9-10. Keith Pisani's one page article is also

insightful In pointing out the Rosenthal's position is very similar to posttrlbulatlonism. Pisani, Keith, 'Pre-Wrath Rapture or Modified

Posttribulationlsm'?" The Baptist Bulletin (December 1990) 23.

" Rosenthal was extremely silent concerning the nature of Christ's activity during the DOL: or the last 21 months of the tribulation, i.e. the period of time between the pre-wrath rapture and the Battle of Armageddon. 'This coming commences before the end of the seventieth week, and is consummated after the end of the seventieth week (Rev. 19:11)' (p. 110). 'First, the Rapture of the church will occur; that will then be followed by the Lord's judgment of the wicked as He begins His physical return to the sarttr (Italics added, p. 113). Rosenthal continues to complicate his position by attempting to show that, 'The coming (parous/d) of Christ will include his continuing presence to rapture the church and his Day of the Lord judgment of the wicked. The other words employed to describe His coming or revelation focus on one aspect of his coming, whereas parous/a is speaking of the totality of that glorious series of events' (p. 217). Karleen notes, 'The most crucial feature of the collapsing of the two comings [the rapture and Christ's return at the Battle of Armageddon] Is the lack of ability on the a4thor's part to portray what Jesus is doing while He is present. . . He gives no scripture for this. Where is Jesus and what is He doing? The silence on this is deafening! He can give no Information because there is no Scripture to support his position• (Karleen, p. 85; Also see his refutation of Rosenthal's definition of parous/a, pp. 81-84.)

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

Bespreking van boek 'The Sign' door Robert van Kampen

 

 

 

 

Eerste update - 030522

Tweede update - 130522

Derde update - 170522

 

Voorwoord

Marvin Rosenthal en Robert van Kampen zijn met elkaar verbonden door een eindtijdvisie die bekend geworden is onder de naam: ‘Pre-Wrath Rapture of the Church’. Rosenthal is de auteur van het gelijknamige boek, dat in 1990 het licht zag. Van van Kampen verscheen in 1992 een verdere uitwerking van deze nieuwe visie op de eindtijd onder de titel ‘The Sign’.

Beide auteurs zijn al overleden, van Kampen in oktober 1999 en Rosenthal op 8 januari 2022, en dat wil zeggen dat we niet meer kunnen raadplegen betreffende hun visie. Een Nederlandse vertaling van beide boeken bestaan, voor zover mij bekend bestaan niet en deze visie op de eindtijd is in het Nederlands taalgebied onbekend.

The Sign

Zonder meer is het boek ‘Amerikaans’ te noemen, ik bedoel door de nogal bombastische taal die erin te vinden is. Het is geen overzichtelijke bespreking van het boek Openbaring en het lijkt mij meer een afzetten tegen het Pretribulationisme, althans dat blijkt wel uit de inhoud.

De auteur

Robert D. Van Kampen (1938-1999) was zakenman en lid van verschillende organisatiebesturen in het bedrijfsleven en de christelijke bediening. Van Kampens zakelijke carrière bracht hem in de wereld van investeringsbanken en hij werd een van de rijkste mannen in de Verenigde Staten na de oprichting van investeringsbank Van Kampen Merritt in 1974. In de jaren negentig ontwikkelde Van Kampen wat vandaag de dag bekend is in de evangelische christelijke eschatologie als de ‘Pre-Wrath’ opname positie, auteur van drie boeken over het onderwerp.

Gepubliceerde werken

Het gepubliceerde werk van Van Kampen was voornamelijk gericht op de ontwikkeling van de positie van de "pre-toornopname" binnen de evangelisch-protestants-christelijke eschatologie.

Zijn drie gepubliceerde boeken waren:

(1) ‘The Sign’ - Een verhandeling over de "eindtijd", gericht op de ‘Pre-Wrath Opname’

(2) Het Vierde Rijk - Een roman over de "eindtijd": de geest van Adolf Hitler wordt uit de hel bevrijd en komt terecht in een embryo dat is gemaakt op basis van zijn gekloonde DNA. Hij wordt dan geboren in Rusland en groeit op tot dictator van dat land, en onthult uiteindelijk zijn ware identiteit aan de wereld voor de Algemene Vergadering van de VN. Van Kampen verklaarde ook dat Hitler "het beste voldoet aan alle vereisten om de Antichrist te zijn" in zijn vorige boek, The Sign.

(3) De Opname-vraag beantwoord. Dit boek is voor zover mij bekend, niet meer te verkrijgen.

Persoonlijk leven

In 1963 trouwde hij en hij en zijn vrouw kregen drie kinderen. Nadat hij aanvankelijk in Wheaton, Illinois had gewoond, vestigde Van Kampen zijn thuis in West Chicago, Illinois, Indiana en West Michigan. Van Kampen stierf in oktober 1999 op 60-jarige leeftijd in afwachting van een harttransplantatie.

Wat is het kenmerkende van deze visie, of waarin wijkt het af van de reeds bestaande?

Er zijn vier hoofdvisies met betrekking tot de timing van de Opname: ten eerste het Pretribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen voor de laatste jaarweek van Daniël. Ten tweede, vanaf 1950 het zgn. Midtribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen halverwege de laatste, zeventigste jaarweek van Daniël. En als derde het posttribulationisme, de opvatting dat Christus komt na de laatste, zeventigste jaarweek, maar of we dan nog kunnen spreken van een ‘Opname’ is de vraag. Het Midtribulationisme kreeg bekendheid in de jaren vijftig van de vorige eeuw, en in de jaren negentig van diezelfde eeuw is er dan nog een andere, een vierde visie bij gekomen die de ‘Pre-Wrath Rapture of the Church’ wordt genoemd, beter bekend als ‘Pre-Wrath’. Nogmaals, een onbekende visie gebleven in de Evangelische wereld. In deze visie vindt de Opname, of wat men daar ook onder verstaan mag, plaats na de Grote Verdrukking maar vóór de Dag des Heren. Niet veel verschillend van het Midtribulationisme zult u zeggen zij het dat na de Grote Verdrukking in de Pre-Wrath visie de Dag des Heren begint waarvoor de Gemeente wel gespaard wordt. Bij alle andere visies is sprake van de Opname van de Gemeente vóór of in de laatste jaarweek, bij de Pre-Wrath ligt dat wat ingewikkelder. Men gebruikt het woord Opname wel, maar bedoeld men wat anders. Zoals een voorstander van die visie eens heeft gezegd: ‘Ik geloof niet in een geheimzinnige wegneming!’ Ook de positie van Israël werpt meer vragen op dat dan het antwoorden geeft. Het is zoveel verschillend van andere visies dat het moeilijk is om te begrijpen wat deze leer inhoudt en welke complicaties dat met zich meebrengt. Zonder een goede kennis van de eschatologie is het moeilijk zo niet onmogelijk de Pre-Wrath doctrine te begrijpen. In deze visie wordt, om de mogelijkheid te scheppen dat de Gemeente wél door de Grote Verdrukking moet, maar gespaard wordt voor de Dag des Heren, de laatste jaarweek in plaats van in twee in drieën gedeeld, dat tegen het duidelijk getuigenis van de Schrift ingaat! (Zie Dan.9:27). In de rubriek ‘Pre-Wrath Doctrine’ heb ik deze visie besproken, dus om meer inzicht te krijgen verwijs ik u daarnaar. Ik heb het gevoel gekregen dat men zich niet zoveel aantrekt van de hermeneutische regels. Bijvoorbeeld gebruikt men Mattheüs 24 om de Opname van de Gemeente te verdedigen.

The Sign

Het boek ‘The Sign’ van Robert van Kampen geeft ons wat meer informatie dan wat we vinden in het boek van Marvin Rosenthal. Ik ga het boek The Sign niet integraal bespreken maar onderdelen ervan kort bespreken en becommentariëren.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw is er een boek verschenen met de titel: ‘De Bijbel is geen puzzelboek’, als een tegenreactie op de boeken van Hall Lindsay, die in die tijd een populair bijbels antwoord gaf op de eindtijd. Dat zou ik wel willen zeggen van The Sign; het is een puzzelboek! Het is bijzonder moeilijk om een goed overzicht te krijgen, door de complexiteit van de uitleg, of moet ik zeggen ‘inleg’? Bijzonder verwarrend en onoverzichtelijk. Om maar een voorbeeld te noemen, een inleiding op het boek Openbaring ontbreekt totaal. Zelfs een uitleg van een belangrijke sleuteltekst zoals Op.1:19, om tot een goede indeling van de Openbaring te komen ontbreekt geheel.

Wijze van onderzoek

In de behandeling van enkele thema’s uit The Sign, vermeld ik eerst de Engelse tekst zoals die in het boek voorkomt, daarna de Nederlandse vertaling en gevolgd door mijn commentaar, met verwijzing naar andere artikelen en/of boeken. Zoals bekend maak ik gebruik van de Telos c.q. de Voorhoeve vertaling van het Nieuwe Testament.

(1) Openbaring 2-3 niet profetisch (blz.40-41)

-The seven churches do not represent stages in church history, but rather depict historical New Testament churches that exemplify various characteristics found in churches during all periods of church history, as the language clearly states, wille particularly characterize the condition of the church in the final days.

*De zeven kerken vertegenwoordigen geen stadia in de kerkgeschiedenis, maar geven eerder historische Nieuwtestamentische kerken weer die een voorbeeld zijn van verschillende kenmerken die in kerken tijdens alle perioden van de kerkgeschiedenis worden aangetroffen, zoals de taal duidelijk aangeeft, in het bijzonder de toestand van de kerk in de uiteindelijke dagen.

Commentaar

Hoe van Kampen erbij komt dat de zeven Gemeenten van Openbaring 2 en 3 niet profetisch opgevat moeten worden, wordt ons niet meegedeeld. Iets wat vaker voorkomt in zijn boek en ook in dat van Rosenthal. Een woordje uitleg mag toch op zijn minst verwacht worden! Het is heel gemakkelijk te zeggen waarom iets wel of niet is, maar dan dien je dat te staven. Quod erat demonstrandum!Ik heb in een ander artikel verantwoording afgelegd waarom ik geloof dat ze wél profetisch zijn. Een reden voor de ontkenning dat deze hoofdstukken profetisch zijn kan ik wel bedenken, en dat is dat in de Pre-Wrath visie de Gemeente door de Grote Verdrukking moet en dan zou de aanvaarding dat deze hoofdstukken wel profetisch zijn en de kerkgeschiedenis zouden beschrijven, niet in die visie passen. De Gemeente zien we immers vanaf hoofdstuk 4:1 in de hemel waar we ze gesymboliseerd terugvinden als de vierentwintig oudsten. In de Pre-Wrath visie moet de Gemeente door de Grote Verdrukking dus dan moeten en kunnen de hoofdstukken 2 en 3 niet profetisch zijn.

(Rubriek website: Pre-Wrath Doctrine, zie artikel 10 - De Profetische uitleg van Openbaring 2 en 3).

(2) Gog is de Antichrist (blz.431, 440)

-Antichrist, also called the man of lawlesness (or sin), Gog the son of destruction…

*De Antichrist, ook genoemd de mens van de zonde, Gog de zoon van het verderf…

-A prophetic name of Antichrist, who will come from the land of Magog.

*Een profetische naam van de Antichrist, die uit het land Magog zal komen.

Commentaar:

Een mening die je niet veel tegenkomt in de eschatologie, namelijk de gedachte dat Gog de Antichrist zou zijn. Gog wordt ons in de hoofdstukken 38 en 39 van het boek Ezechiël geschilderd als een grote militaire macht. De Antichrist is echter veel meer een geestelijke macht. Dat blijkt alleen al uit de beschrijving en de drie kenmerken die de apostel Johannes ons geeft betreffende de Antichrist. (1) Hij loochent dat Jezus de Christus is; dat is de joodse Messias (1Joh.2:22a). (2) De Antichrist loochent de Vader en de Zoon (1Joh.2:22b). (3) De Antichrist loochent dat Jezus in het vlees gekomen is (1Joh.4:2v.; 2Joh:7). Verder wordt ons over de Antichrist verteld (1) Dat Hij ‘zich verzet en verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is’ (2Thes.2:4). (2) Hij gaat in de tempel van God zitten en vertoont zichzelf dat hij God is’ (2Thes.2:4). (3) ‘Zijn komst is naar de werking van de satan met allerlei krachten en tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei bedrog van de ongerechtigheid’ (2Thes.2:9). De Heer Jezus kondigt hem aan met de woorden: ‘Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen’ (Joh.5:43). De Antichrist had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als de draak. En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was’ (Op.13:11-12). De negen punten die van Kampen vermeld (blz.212-213) om aan te tonen dat Gog, de Antichrist is kunnen niet overtuigen; de Gog uit Ezechiël 38-39 wordt er bijgesleept, echt overtuigend bewijs is er niet!

(Rubriek: Profetische Boeken 2 – De beer is los dl.1 en 2)

(3) De weerhouder (blz.451)

-The restrainer can only be Michael the archangel…

-There is no scriptural basis for identifying the restrainer either as the Holy Spirit or as the church.

*De weerhouder kan alleen Michael de aartsengel zijn...

*Er is geen Schriftuurlijke basis om de weerhouder te identificeren als de Heilige Geest of als de kerk.

Commentaar

Ook hier weer een stellingname zonder deze te verantwoorden, de Weerhouder kan volgens ‘The Sign’ alleen maar de aarstengel Michaël zijn! Andere mogelijkheden, er zijn er zo’n zeven, komen niet in aanmerking maar worden echter niet weerlegd! Het enige ‘bewijs’ dat de weerhouder de aartsengel Michaël is ‘dat hij voor God staat’. Dit wordt door Showers in zijn boek ‘The Pre-Wrath rapture view’ uitvoerig besproken en weerlegd. Er wordt echter één uitzondering gemaakt en wordt gezegd dat het niet de Heilige Geest of de Gemeente kan zijn en dat is duidelijk waarom! Dat staat namelijk zijn visie in de weg, want de Dag des Heren kan immers niet eerder komen dan dat de weerhouder (lees: Heilige Geest of Gemeente) is weggenomen! (2Thes.2).

(Rubriek: Eschatologie 1, De Weerhouder. Een tweede artikel is in de maak)

(4) Zeven koppen de tien horens (blz.97-111)

In The Sign wordt het achtste rijk geïdentificeerd als Nazi Duitsland.

-‘The shocking reality is that only one nation in history fits these criteria – Nazi Germany, the Third Reich, under the absolute and demonic dictatorship of Adolf Hitler!’

*'De schokkende realiteit is dat slechts één natie in de geschiedenis aan deze criteria voldoet: Nazi-Duitsland, het Derde Rijk, onder de absolute en demonische dictatuur van Adolf Hitler!'-

Commentaar

Toegegeven, Openbaring 17 is niet het gemakkelijkste gedeelte van de Openbaring om te verklaren. De zeven koppen van het beest verwijzen naar de zeven vroegere wereldrijken: het Egyptische, Assyrische, Babylonisch, Meden en Perzische, Grieks en Romeins. Maar het beest zelf is het achtste rijk, dat volgt op de zeven voorgaande rijken. Het beest is hier zowel het rijk als het hoofd van het rijk. Het is ‘uit de zeven’ dat wil zeggen: het is een herleving van één van de voorgaande rijken, en wel het antieke Romeins rijk. Het achtste rijk begint als een democratische statenbond en eindigt als een centralistische dictatuur. De ‘tien koningen’ leggen hun macht in handen van het beest, dat is het hoofd van het herrezen Romeins rijk. Dit komt overeen met de twee vormen die het Romeins rijk zou aannemen: ‘Twee benen’ het Oost- en Westromeins rijk in het verleden en de ‘tien tenen’ in de toekomst (Dan.2:41v.). Christus komst zal aan alle koninkrijken een einde maken dus kan Nazi-Duitsland niet het achtste rijk zijn want dat rijk is allang verdwenen! Het gaat dus om een hersteld Romeins rijk, waarvan we in de EU een begin mogen zien.

(Zie mijn website: De negende koning – W.J. Ouweneel en ‘De acht koningen van de eindtijd’ en ‘De beer is los I en II’ in de rubriek: Eschatologie 2).

(5) De zevende bazuin

-The most critical event of the book of Revelation. Just prior to the sounding of the seventh trumpet the Lord will remove the spiritual blinders from the eyes of the surviving remnant of Israël en will bring them to faith in Himself completing the spiritual kingdom of God and fulfilling the final condition necessary for the return of earth's rule to God Almighty.

-De meest kritieke gebeurtenis van het boek Openbaring. Vlak voor het blazen van de zevende bazuin zal de Heer de geestelijke oogkleppen van de ogen van het overlevende overblijfsel van Israël verwijderen en hen tot geloof in Zichzelf brengen door het geestelijke koninkrijk van God te voltooien en de laatste voorwaarde te vervullen die nodig is voor de terugkeer van heerschappij over de aarde door God Almachtig.

Commentaar

De zevende bazuin vermeld in 1 Korinthiërs 15:52 is niet dezelfde als de zevende en laatste bazuin van de periode van de grote Verdrukking (Op.11:15-18). De eerste kondigt de opstanding en de beloning van de heiligen aan (zie ook Mat.24:29-31). De laatste bazuin in de brief aan de gemeente te Korinthe is de laatste bazuin voor de Gemeente. De laatste bazuin in Openbaring is de laatste bazuin voor de wereld.

(Zie: ‘De toekomst van God’ – W.J. Ouweneel blz.405 en 414-416)

(5) The Rapture (blz.289-304)

-Nowhere does the Bible even imply two seperate future comings of Christ. There will be only one Second Coming, but that one Second Coming wil consist of a series of events, including Christ’s coming four times. (Geciteerd uit het boek van Rosenthal, blz.235)

-Nergens suggereert de Bijbel zelfs maar twee afzonderlijke toekomstige komsten van Christus. Er zal maar één Wederkomst zijn, maar die ene Wederkomst zal bestaan uit een reeks gebeurtenissen, inclusief de komst van Christus vier keer.

Commentaar:

Geen onderscheid tussen de komst van Christus voor de Gemeente en Israël; er is maar één komst volgens van Kampen en Rosenthal! Johannes 14:1-3 een belangrijke ‘bewijstekst’ voor de Opname wordt niet eens aangehaald! De Opname wordt in de hoofdstukken 6-19 van de Openbaring nergens vermeld, dus zoekt men hulp bij Mattheüs 24 dat een onmogelijkheid is want de verborgenheid betreffende de Opname van de Gemeente zou pas later door de apostel Paulus geopenbaard worden! (Rom.16:25-27; Ef.3:8-11; Kol.1:24-26; 1Kor.15:51v.; 1Thes.4:16-18). De zichtbare komst van de Messias voor Israël is uitvoerig beschreven in het Oude Testament en in de Evangeliën, de komst van Christus voor de Gemeente is, zoals gezegd door Paulus geopenbaard. Het niet onderscheiden van de bijzondere positie van Israël en de Gemeente, het onderscheid tussen deze twee, leidt doorheen het boek tot voortdurende verwarring. De Opname, die in The Sign zo belangrijk blijkt te zijn, wordt in de Openbaring niet gevonden en dat is toch op zijn minst verdacht.

6. The imminency of Christ’s return (blz.291-292)

-The imminency of Christ’s return, the haert of the pretribulationalist position and thaught today by those who attempt toe keep the church out of the seventieth week, means that Christ could return at ‘any moment’ since His departure recorded in Acts 1:9-11.

-De ophanden zijnde wederkomst van Christus, het hart van de pretribulationistische positie en vandaag geleerd door degenen die proberen de kerk buiten de zeventigste week te houden, betekent dat Christus op 'elk moment' kon terugkeren sinds Zijn vertrek zoals beschreven in Handelingen 1:9-11.

-The Bible teaches that Elijah (or one like him, if preferred) must appear before the Day of the Lord commences. If he appear before the seventieth week, there can be no pretribulational doctrine of imminence. If he appears after it begins, the Day of the Lord cannot start at the beginning of the seventieth week, als pretribulationism insists.

- De Bijbel leert dat Elia (of iemand zoals hij, indien gewenst) moet verschijnen voordat de Dag des Heren begint. Als hij vóór de zeventigste week verschijnt, kan er geen pretribulationele mogelijkheid zijn van een onmiddellijke komst van Christus zijn. Als hij verschijnt nadat hij is begonnen, kan de Dag des Heren niet aan het begin van de zeventigste week beginnen, zoals het pretribulationisme benadrukt.

Commentaar

Een Nederlands woord voor het Engelse bestaat niet. Een Bijbelgedeelte waaruit een Naherwartung spreek is een verwachting dat het Rijk Gods nabij is.

(1) De Bijbel leert niet dat de wederkomst van Christus nabij is. Wat het leert, is verwachting - het concept dat elke generatie sinds de eerste eeuw degene zou kunnen zijn die de zeventigste week zou ingaan en, terwijl ze vijandige vervolging doorstaat, de verwachting zou hebben dat Christus zou komen om haar vóór het begin uit de wereld op te nemen van de Dag des Heren met zijn uitbarsting van Gods toorn. De Bijbel leert dus een aanstaande Opname, niet een op handen zijnde Opname. Het idee dat de vroege kerk vasthield aan een doctrine van op handen zijnde heeft geen geldige steun. (Showers)

(2) Imminentie: Boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. De spoedige komst van de Heer wijst ook op de imminentie van Zijn komst. Dit betekent dat Zijn komst niet voorafgegaan wordt door specifieke tekenen maar dat de Heer altijd, op elk moment, kan terugkomen (Mat.24:42, 44; 25:13; Fil.4:5; 1Thes.1:9-10; Tit.2:12-13; Jak:8-9). De Opname is imminent, en ze is altijd imminent geweest sinds de eerste eeuw toen de apostelen Paulus, Johannes en anderen geloofden dat ze kon plaatsvinden in hun tijd. Sinds de dood en opstanding van Jezus Christus, en daarna de geboorte van de kerk op de dag van Pinksteren, hebben wij geleefd in wat Gods Woord beschrijft als “de laatste dagen”

De profetische betekenis van Openbaring 2 en 3 werd pas duidelijk in het midden van de 19de eeuw, door toedoen van Darby en anderen. Daarvóór was het een mysterie, zoals het hele boek Openbaring trouwens. De Filadelfiatijd moest aanbreken om dit licht op Openbaring te werpen. Naarmate de eindtijd verderging zijn er goede verklaringen gepubliceerd over dit Boek. De imminentie van Jezus' komst blijkt in elk tijdperk overeind te blijven in relatie tot de geopenbaarde kennis. De Opname van de heiligen van de kerk is imminent (ze kan op elk tijdstip gebeuren) terwijl de Tweede Komst van de Heer naar de aarde voorafgaat door specifieke tekenen. Christus leerde dat de Opname imminent is (Mat4:42, 44; 25:13; Mark3:33). Paulus leerde dit (Fil.4:5; Tit:12-13). Jakobus leerde dit (Jak.5:8-9). En Petrus leerde dit (1Petr.4:7). De vroege christenen leefden in de constante verwachting van Christus’ wederkomst (1Thes.1:9-10). De apostel Paulus onderrichtte de kerk te Thessalonika dat zij niet moesten uitkijken naar tekenen en tijden, omdat de nieuwtestamentische gelovige bevrijding werd beloofd van de ‘dag van de duisternis’ die de hele wereld zal overvallen (1 Thessalonicenzen 5:1-9). (Marc Verhoeven)

(Zie: verder mijn Website – Rubriek: Eschatologie 1 – artikel: Imminentie en Rubriek: Eschatologie 2 – artikel: Geschiedenis van Imminentie – Rubriek Eschatologie 2 – het artikel: Imminentie en Waakzaam).

Doel van The Sign (blz.37-38)

-The primary purpose of this book, therefore, is to edify believers about the end times and, most especially, to help spiritually prepare those who will be called to live through those cataclysmic times. To be forewarned is to be forearmed. The significance of that statement will be seen time and again as we progress through this volume.

-Het primaire doel van dit boek is daarom om gelovigen op te bouwen in de kennis over de eindtijd en vooral om degenen die door die rampzalige tijden heen moeten geestelijk voor te bereiden. Vooraf gewaarschuwd zijn is voorbereid zijn. De betekenis van die verklaring zal keer op keer duidelijk worden naarmate we door dit boek vorderen.

Commentaar

Het doel van het boek ‘The Sign’ is om de gelovigen te waarschuwen en zich voor te bereiden op de komst van de Heer Jezus. Dat is een goed doel maar de wijze waarom van Kampen dat doet lijkt mij twijfelachtig. Mij is namelijk gebleken dat, juist bij veel gelovigen die van deze visie kennis hebben genomen of erin onderwezen zijn, het tegenovergestelde bereikt wordt, namelijk dat ze doodsbang zijn om die tijd door te moeten en er het liefst niet meer over willen horen. De blijde hoop op Jezus’ komst, die de Bijbel ons leert, wordt er ernstig door behoorlijk verstoort. Trouwens nergens worden wij (de gelovigen van de Gemeente) in de Schrift aangespoord dat soort van verwachting te hebben. Onze hoop en verwachting is de komst van Christus, niets meer en niets minder! Een bijkomende vraag is: wat met die gelovigen die geen kennis hebben van de gebeurtenissen die in de eindtijd zullen plaatsvinden? Gaan die verloren? Trouwens hoe moeten de gelovigen zich voorbereiden; hoe kunnen ze zich voor bereiden? De pretribulationisten – zij die geloven dat de Opname van de Gemeente vóór de Grote Verdrukking zal plaatsvinden – hebben ‘van Kampens’ waarschuwing niet nodig, want zij verwachten de Heer Jezus elke dag al. ‘Perhaps today!’ is hun motto! Ze zijn altijd voorbereid. Het is wat dubbel. Omdat de volgers van de Pre-Wrath visie bijna op de dag nauwkeurig weten wanneer hun ‘Opname’ (?) zal plaatsvinden, zullen ze de neiging hebben pas laat ‘wakker’ te worden. Ze zullen vreselijke dingen meemaken, de komst van de Antichrist, de Grote Verdrukking… en dan komt het! Een beetje geforceerd vind ik. Ik raad de lezer aan het artikel – hieronder vermeld – eens te lezen.

(Zie: verder mijn Website – Rubriek Eschatologie 2 – het artikel: Verwachting en Imminentie).

_____________________________________________________________

Tenslotte

Een boek waarvan je, door het te lezen, bang zal maken. De gelovigen en/of de Gemeente moeten door de meest verschrikkelijke tijd die er ooit is geweest van het begin van de wereld tot nu toe, om het maar met de woorden van de Heer Jezus te zeggen (Mat.24:21). Dat wil zeggen dat ze openbaring van de Antichrist zullen meemaken en de Grote Verdrukking en veel andere aardse rampen! Niet bepaald iets om blij van te worden! Ik kan mij voor stellen dat er zijn die zeggen: ‘Wat mij betreft mag de komst van Christus nog honderd jaar duren…!’

Wat ik heel erg gemist heb in dit boek is de blijde hoop van de gelovigen van de Gemeente. Waar zullen zij na de Opname de eeuwigheid doorbrengen? Geen woord over het Vaderhuis waar de Heer Jezus plaats bereid heeft. Johannes 14:1-3 wordt slechts éénmaal vermeld. Wat zegt dit vers: ‘Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga Heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, Kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook U zult zijn waar Ik ben’ (Joh14:1-3). Weinig wordt onze aandacht gericht op de komst en ontmoeting met de Heer Jezus in heerlijkheid, het is in The Sign alles aards. De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen’ (Joh.17:24). Paulus spreekt o.a. van: ‘…met Christus te zijn dat is verreweg het beste (Fil.1:23), en ‘…zó zullen wij altijd met de Heer zijn’ (1Thes.4:17). Een boek over de eindtijd moet erop gericht zijn op Christus te wijzen, ‘Want het getuigenis van Christus is de geest van de profetie’ (Op.19:10). Dat is wat ik het meest mis in dit boek. In plaats dat ons oog en hart op Christus gericht wordt, worden we overstelpt met grote, angstige gebeurtenissen. Onze verwachting dient niet de Antichrist of de Grote verdrukking te zijn maar de Heer Jezus. We worden opgeroepen zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1Thes.1:9; Tit.2:13), maar die verwachting wordt verduisterd door belichting van de gebeurtenissen die de eindtijd met zich mee zal brengen. En toch zijn er altijd christenen die door de Grote Verdrukking moeten, of moet ik zeggen willen. Waarom? Om zich te bewijzen hoe geestelijk ze wel zijn? Als ik om mij heen kijk dan vraag in mij zullen er in die tijd nog wel gelovigen zijn? De kerken zijn dood en leeg, althans in Europa…! Nu al, wat dan na de openbaring van de Antichrist en ná de Grote Verdrukking?

Van Kampen heeft zes jaar aan dit boek gewerkt en ik denk dat je hetzelfde aantal jaren nodig zult hebben om het te doorgronden.

__________________________________________________________

P.S. Hiermee heb ik begin gemaakt met een bespreking van The Sign en zal deze de komende tijd voortzetten. Dus kijk af en toe of er weer een onderwerp besproken, becommentarieerd en geplaatst is.

 

____________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

DE OPNAME

Ná de Antichrist... maar vóór Gods Toorn’

 

 

 

Het is er dan toch van gekomen een Nederlandse uitgave van het boek van Alan E. Kurschner met de titel: ‘DE OPNAME - Ná de Antichrist... maar vóór Gods Toorn’. In dit boek wordt het gedachtengoed van Marvin Rosenthal besproken die zijn visie op de eindtijd beschreven heeft in zijn boek ‘The Pre-Wrath Rapture of the Church’ dat in 1990 in de VS verschenen is. Twee jaar later gevolgd door ‘The Sign’ van de hand van Robert van Kampen, ook uit de VS. Beide boeken zijn nooit in het Nederlands verschenen met als mogelijke reden dat de belangstelling hiervoor gering was gelet op de afwijkende mening die erin weergegeven wordt over de toen bestaande eindtijdvisie die overal ter wereld, tot op vandaag, algemeen aanvaard waren en zijn.

Vreemd genoeg wordt het boek ‘van harte’ aanbevolen door de predikant van de Baptistengemeente in Emmen, de plaats waar in de jaren 70 en 80 het pre-tribulationisme tot zegen van veel hoorders met veel enthousiasme verkondigd geworden is. Ze zouden niet zo gelukkig zijn geweest met de aanbeveling van dit boek.

Op de inhoud van dit boek van Kurschner ga ik niet in, omdat dit het gedachtengoed is van Rosenthal die hij weergeeft, en dat heb ik al voldoende besproken in de artikelen op mijn website in de speciale rubriek ‘Pre-Wrath Doctrine’.

Waar ik mij aan stoor is de arrogantie waarmee men zich presenteert. Ik bedoel wat er in het voorwoord geschreven staat, ik citeer: ‘Sidney Wilson… Wat mij vooral trof is de nauwgezetheid waarmee hij de Bijbel liet spreken. Hij sprak niet vanuit een dogmatische leer, maar liet Gods Woord aan het woord’ en nog het volgende citaat: ‘En dat is precies wat Dr. Alan Kurschner ook doet. Hij gaat door op de ingeslagen weg van duidelijke en goede exegese van Gods Woord. En hij doet dat samen met meerdere goede uitleggers’. Door dit op deze wijze te zeggen, verwerpt met zo’n 170 jaar Bijbelonderzoek van talloze Bijbelleraars die honderden boeken en/of artikelen geschreven hebben die het pre-tribulationisme hebben besproken, verdedigt en verkondigt! Maar nu, in 1991 is er (eindelijk, na zo’n 1970 jaar, iemand opgestaan die het licht heeft gezien! Dat is pas hoogmoedig!

Verder blijkt dat men geen kennis heeft van de vele boeken die er in de loop van de tijd zijn verschenen over dit onderwerp. Maar die ene auteur, wijlen Rosenthal, die één boek heeft geschreven heeft het schijnbaar bij het rechte eind…!

Zonder er verder op in te gaan (Ik verwijs weer naar mijn website) blijft het mij verbazen hoe angstvallig men het volk Israël doodzwijgt in deze visie en dat is des te verwonderlijker omdat dat één van de grote thema’s is van de Bijbel, en zeker de weg die God met het volk zal gaan in de eindtijd. De belangrijke boeken in dat opzicht, Ezechiël, o.a. de hoofdstukken 37 en 38 en het boek Zacharia, hoofdstuk 12-14, worden sporadisch vermeld. En dan nog te durven beweren in het voorwoord dat men met nauwgezetheid de Bijbel laat spreken. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor de bespreking van de Opname waar Johannes 14:1-3 ‘vergeten’ wordt in de discussie te betrekken, terwijl dat juist een zeer belangrijke tekst is.

U begrijpt het al, ik kan dit boek niet aanbevelen en de redenen waarom kunt u vinden (nogmaals) door de rubriek ‘Pre-Wrath Doctrine’ op mijn website te bezoeken.

Noot:

1. Volgens Gary Stearman is de dag van Jahweh gelijk aan de zeven jaar durende laatste jaarweek van Daniël. Zie Gary Stearman: Elijah is coming Youtube.com: Prophecy Watchers, 20 april 2016.

2. Demolishing the Pre Wrath Rapture, Lee Brainard. Youtube.com: Prophecy Watchers, 31 mei 2022. Duur: 58 min. 33 sec. Lee Brainard gaat in de 2e helft van de video in op de Dag van Jahweh.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

De valse “pre-wrath” positie in de opnameleer

 

 

 

 

 

 

 

Een ontvangen reactie van Marc Verhoeven, waar ik mij graag bij aansluit. Voor meer waardevolle info zie zijn website.

Samengesteld door M.V. dd. 10-8-2022 Voornamelijk uit deze bronnen: http://www.verhoevenmarc.be/PDF/dispensaties-h2_ZV.pdf, http://www.verhoevenmarc.be/PDF/trends-posities.pdf, http://www.verhoevenmarc.be/PDF/Opname-voor-verdrukking.pdf

De valse pre-wrath (pre-toorn) positie De Bijbel leert duidelijk dat Christus voor Zijn Kerk zal terugkeren in de Opname VOOR de tijd van de verdrukking (Openbaring 3:10; etc.) en dat Zijn komst IMMINENT is (ze kan op elk ogenblik in de tijd gebeuren). Dit is de pre-trib opname positie; zie voor deze positie “De Opname vóór de 70ste jaarweek”, http://www.verhoevenmarc.be/PDF/Opname-MV.pdf en de rubriek “De Opname van de Gemeente”, http://www.verhoevenmarc.be/opname.htm.

In recentere tijden is er een nieuwe positie ontwikkeld, genaamd de “pre-toorn opname” (Eng. “prewrath rapture”). Deze zienswijze leert foutief dat de opname zal plaatsvinden na de Grote Verdrukking (midden 70ste jaarweek) en vóór de Dag des Heren (de dag van Gods toorn). Volgens deze kijk kan de opname niet plaatsvinden tenzij ten minste vijf jaar na het begin van Daniëls 70ste jaarweek. Deze zienswijze plaatst de opname ergens in het midden van de laatste 3½ jaar (ergens in het midden van de Grote Verdrukking).

Volgens deze zienswijze zal de opname van de Kerk niet eerder plaatsvinden dan wanneer ongeveer ¾ van Daniëls 70ste jaarweek is verstreken (Daniëls 70ste jaarweek bestaat uit de laatste 7 jaren vóór de tweede komst van Christus op de aarde).

Bron: http://www.verhoevenmarc.be/PDF/trends-posities.pdf (George Zeller).

Korte weerlegging van de pre-wrath positie Deze “pre-wrath” (pre-toorn) doctrine zegt dat de Opname na het midden van Daniëls 70ste jaarweek gebeurt (mid-tribulationisme). Dit is gebaseerd op de zienswijze dat de “kerk” bewaard wordt voor Gods toorn maar dat die toorn zich beperkt tot de laatste deel van de zevenjarige verdrukkingsperiode, te beginnen wanneer de Antichrist zichzelf in de joodse Tempel zet als God. Deze positie is fout om voornamelijk drie redenen.

1. De eerste reden is de bijbelse leer over de imminentie van Jezus’ komst (Mattheüs 24:44; 44; 25:13; Markus 13:33; Filippenzen 4:5; Jakobus 5:8-9; 1 Petrus 4:7). Als de gelovige niet eerder wordt weggenomen dan in het tweede deel van de Verdrukking, dan zou hij de tijd van de Opname precies kennen, omdat hij in de eerste helft van Daniëls 70ste Jaarweek de gebeurtenissen ziet ontvouwen zoals voorzegd in Openbaring.

2. Wij accepteren niet de leer dat enkel de laatste zeven oordelen de toorn van God vormen (Openbaring 15:1; 16:1). De toorn van God wordt genoemd in Openbaring 6:16-17, aan het begin van de Verdrukking. Het feit is dat de hele Verdrukking (70ste jaarweek) de toorn van God is, elk deel ervan groeiend in intensiteit. De zegeloordelen treffen een vierde deel van de wereld (Openbaring 6:8). De bazuinoordelen treffen een derde van de aarde (Openbaring 8:7-11; 9:15). De schaaloordelen treffen de hele wereld (Openbaring 16:2, 3, 4, 8, 10, 14, 20).

3. De hele periode van Daniëls 70ste Jaarweek heeft betrekking op Israël en niet de kerk. Zoals we hebben gezien wordt de kerk niet gezien op aarde na Openbaring 3. Alles wat beschreven wordt op aarde in Openbaring 6-18 betreft de heidense naties en Israël. De “pre-wrath” positie maakt geen goed en consistent onderscheid tussen Israël en de kerk.

____________________________________________________________