Pre-Wrath Rapture of the Church

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Korte inhoud van de Pre-Wrath doctrine

 

Deel 1

 

 

 

 

 

Om een goed beeld te krijgen van wat de Pre-Wrath Rapture of the Church (Opname van de Gemeente vóór de Toorn van God) geef ik eerst een kort overzicht zoals het volgens Marvin J. Rosenthal voor het eerst gepresenteerd werd in 1990. Deze visie is niet zo gemakkelijk uit te leggen en het vergt enige inspanning om de inhoud, betekenis en consequenties van deze leer te begrijpen. Niet voor ‘dummies’ zou ik zeggen!

De Pre-Wrath Rapture zoals het gepresenteerd wordt in het boek van Marvin J. Rosenthal gaat ervan uit dat de laatste zeven jaar van de zeventigste jaarweek van Daniël 9 uit drie delen bestaat (blz.233).

Het eerste gedeelte bevat de weeën (Mat.24:4-8), of de eerste vier zegels (Op.6:1-8). Het bestrijkt de eerste helft van de zeventigste jaarweek (de eerste drie-en-half jaar).

Het tweede gedeelte bestaat uit de Grote Verdrukking (Mat.24:21). Deze begint in het midden van de zeventigste jaarweek bij het openen van het vijfde zegel (Op.6:9-11) en zal worden ingekort of eindigt met de kosmische gebeurtenissen van het zesde zegel (Op.6:12-14) ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste week. Dus, de Grote Verdrukking duurt niet de gehele tweede helft van de laatste jaarweek.

Volgens de Pre-Wrath leer, is het zesde zegel, met zijn grote kosmische gebeurtenissen en een grote aardbeving (Op.6:12-17), een waarschuwing, liever een ‘wake up call’ voor de ongelovigen dat het derde gedeelte (namelijk de Dag van de Heer) op het punt staat aan te breken bij het openen van het zevende zegel (Op.8:1).

De Gemeente (d.w.z. de grote schare van Op.7:9-17) zal van de aarde worden weggenomen tussen het zesde en zevende zegel, wanneer Christus uit de hemel zal verschijnen bij zijn tweede komst in heerlijkheid. Omdat Christus de Gemeente zal opnemen ná de Grote Verdrukking en vóórdat de Dag van de Heer begint, is de Opname tegelijkertijd met de Tweede komst van Christus. Anders gezegd, het is de eerste gebeurtenis van een reeks dat deel uit gaat maken van de gebeurtenissen van Christus tweede komst.

Het derde gedeelte van de zeventigste jaarweek zal voor het grootste gedeelte bestaan uit de Dag van de Heer. Deze begint met het openen van het zevende zegel (Op.8:1) op hetzelfde moment dat de tweede komst en de Opname plaatsvinden. Dus de Dag des Heren zal niet eerder beginnen dan ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste jaarweek. De Dag van de Heer zal voortduren tot aan het einde van de zeventigste week en een toevoeging van dertig dagen inkorting van deze periode.

De Dag van de Heer zal gekenmerkt worden door de uitstorting van Gods toorn op de aarde. Gods toorn zal niet eerder beginnen dan de Dag van de Heer die begint met het openen van het zevende zegel (8:1).

Het begin van de weeën (zegels 1 tot 4) en de Grote Verdrukking (zegel 5) bestaat niet uit de toorn van God. Ze worden in het geheel gekenmerkt door satanische en menselijke wraak. Dus er is geen Goddelijke toorn tijdens de eerste helft van de laatste jaarweek en een belangrijk deel van de tweede helft van de laatste jaarweek. Volgens de Pre-Wrath doctrine zal de Gemeente op aarde zijn tijdens de eerste helft van de laatste jaarweek en ook tijdens de Grote Verdrukking. Dat betekend dat ze blootgesteld zullen zijn aan satanische en menselijke toorn, incluis dat van de Antichrist, tijdens de weeën en de Grote verdrukking. De Gemeente zal niet worden blootgesteld aan de toorn van God. Het zal worden opgenomen van de aarde vóórdat de Dag van de Heer begint met het uitstorten van Gods toorn. Dus de Gemeente zal een Pre-Wrath opname ervaren.

Hieronder, zonder commentaar, de korte inhoud van de beginselen van de Pre-Wrath doctrine (blz.293-295). ‘De Bijbel’ leert, wil in dit verband zeggen ‘de Pre-Wrath doctrine’ leert!

1. De Bijbel leert dat er nog een periode van zeven jaar in de toekomst zal plaatsvinden. Binnen die periode zal de Antichrist geopenbaard worden, de Grote Verdrukking zal plaatsvinden, de Gemeente zal worden opgenomen en de Dag des Heren, de dag van Gods toorn zal beginnen. Die periode wordt de zeventigste week van Daniël genoemd, nooit de Verdrukking.

2. De Bijbel leert dat er drie grote delen zijn in de zeventigste week: het begin van weeën (Mat.24:8), de Grote Verdrukking (Mat.24:21), en de Dag des Heren (Mat.24:30-31).

3. De Bijbel leert dat de Grote Verdrukking (‘de tijd van Jakobs benauwdheid’) begint in het midden van die periode van zeven jaar, maar niet voortduurt tot het einde ervan. De Grote Verdrukking wordt verkort en gevolgd door kosmische gebeurtenissen (Mat.24:22; Mark.13:24-25).

4. De Bijbel leert dat Elia (of iemand zoals hij, indien gewenst) moet verschijnen voordat de Dag des Heren begint. Als hij vóór de zeventigste week verschijnt, dan kan er geen pretribulationele leer betreffende de imminentie zijn. Als hij verschijnt nadat het is begonnen, kan de Dag des Heren niet starten aan het begin van de zeventigste week, zoals het pre-tribulationisme normaal stelt. (Imminentie wil zeggen verwachting dat het Rijk Gods nabij is).

5. De Bijbel leert dat de afval en de openbaring van de mens der zonde vooraf moet gaan aan de Dag des Heren (2Thes.2:1-4). De afval en de openbaring van de mens der zonde vinden plaats binnen de zeventigste week. Daarom kan de Dag des Heren niet beginnen voordat de eerste vijf zegels zijn verbroken of aan het begin van de zeventigste week.

6. De Bijbel leert dat een kosmische gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaan aan de Dag des Heren (Joël 2:31). Die kosmische gebeurtenissen beginnen met de opening van het zesde zegel. Dat gebeurt ergens in de tweede helft van de zeventigste week.

7. De Bijbel maakt duidelijk wanneer de Dag des Heren begint. Er is geen giswerk. Het zal beginnen met de opening van het zevende zegel, Johannes schreef, 'Want de grote dag van zijn toorn is gekomen' (Op.6:17).

8. De Bijbel leert dat de Dag des Heren een tijd is van ongekend oordeel over de hele aarde. Het zal ook een tijd zijn om Israël te zuiveren.

9. De Bijbel leert dat er slechts één tweede komst van Christus is – niet één komst voor de opname van de Gemeente aan het begin van de zeventigste week en daarna nog één zeven jaar later aan het einde van de zeventigste jaarweek, zoals het pre-tribulationisme soms beweert.

10. De Bijbel leert dat de tweede komst van Christus (parousia) spreekt van een komende en voortdurende aanwezigheid om een ​​aantal goddelijke doelen te bereiken. Het zal beginnen met de Opname en gevolgd worden door de Dag des Heren wraak en de letterlijke terugkeer van de Heer naar de aarde.

11. De Bijbel leert dat het einde of het einde van de eeuw de tijd is van de laatste oogst (Mat.13:39). Door de laatste oogst is de tijd aangebroken van de scheiding tussen de rechtvaardigen (tarwe) en de onrechtvaardigen (onkruid of dolik).

12. De Bijbel leert dat de kerk tot het einde op aarde zal blijven (Mat.28:20). Het einde is altijd een verwijzing naar het einde van de eeuw (Mat.13:39-40). Het einde vindt plaats in de zeventigste week, niet direct aan het begin.

13. De Bijbel leert dat het einde ('dan zal het einde komen') (Mat.24:14) begint met de opening van het zevende zegel. De rechtvaardigen (de tarwe) worden opgenomen (geoogst en gebracht in Gods schuur), en dan de onrechtvaardigen (het onkruid, of dolik) worden geoordeeld (geoogst en verbrand) tijdens de Dag des Heren, eindigend met Christus' fysieke terugkeer naar de aarde (Mat.13:30).

14. De Bijbel leert dat bij de wederkomst van Christus een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Gods verbondsbelofte aan Abraham, Izaäk en Jakob zal letterlijk worden vervuld (Mat.24:31; Rom.11:25-26).

15. De Bijbel leert dat in verband met Christus' wederkomst, de volkeren geoordeeld zullen worden (Mat.25:32) en Christus' duizendjarige koninkrijk gevestigd.

Let wel: dit alles wordt geleerd wordt door Rosenthal in zijn boek: The Pre-Wrath Rapture of the Church!

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church – Inleiding

 

Deel 2

 

 

 

 

Voorwoord

Begin 1990 kreeg ik van een vriend het boek ‘The Sign’ van Robert van Kampen geschenk. Naast de vele boeken die ik al bezat over eschatologie kon die er ook nog wel bij! Ik heb toen vluchtig kennisgenomen van de inhoud en gelaten voor wat het was. Totdat ik voor enige tijd geleden met de inhoud, dat wil zeggen met de ‘Pre-Wrath’ visie geconfronteerd werd. Al die jaren, van het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw tot heden, heb ik nooit gelovigen ontmoet die deze leer aanhingen. Zelfs, na twintig jaar als beheerder in een christelijke boekhandel gewerkt te hebben, en op de hoogte was en moest zijn wat er op de evangelische boekenmarkt te verkrijgen was, kan ik mij niet herinneren dat deze visie ooit een ‘hot item’ is geweest. Ik heb op internet gezocht naar Nederlandstalige kritieken op deze visie maar dat bracht maar een schamele oogst op, vandaar dat ik dan maar de koe ‘bij de horens’ pak en zelf zal proberen daarover wat duidelijkheid te scheppen. Hoewel ik besef dat elke visie zijn sterke en zwakke kanten heeft volg ik zelf de futuristisch-pretribulationistisch-prechialistische uitleg, zoals de meerderheid van de gelovigen. Futuristisch is op de toekomst betrekkend hebbend; de dingen vanuit de toekomst verklarend. Pretribulationistisch is de leer dat de Gemeente wordt opgenomen vóór de grote verdrukking. Prechiliasme of millennialisme is de leer dat de parousie (de zichtbare wederkomst van Christus) vóór het millennium, het duizendjarig messiaanse vrederijk zal plaatsvinden. Dankbaar maak ik gebruik van de vele kritieken die op de ‘Pre-Wrath’ visie in de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw in de VS verschenen, toen het boek van Marvin Rosenthal ‘The Pre-Wrath Rapture of the Church’ op de markt kwam. Helaas zijn praktisch alle kritieken in het Engels geschreven en afkomstig uit de VS. U kunt ze met een beetje inspanning vinden op het internet.

Inleiding

De studie van de eschatologie is er een die veel mensen ofwel vermijden vanwege alle verschillen in uitleg, of ze zien het niet als relevant in hun leven van vandaag. Interessant genoeg lijkt onze cultuur gefascineerd te zijn door filmscenario's van mogelijke catastrofale gebeurtenissen die het einde van de wereld inluiden. En dat is niet denkbeeldig, want in augustus 2021 is door de IPCC, het klimaatpanel van de VN een nieuw rapport uitgebracht waarin aan alarmbel getrokken wordt, wordt de gedachte aan een eventueel catastrofaal einde van de aarde weer onder de aandacht gebracht. Zouden bijbelgetrouwe christenen deze fascinatie niet willen delen en in de Bijbel onderzoeken wat God zegt over het einde van de wereld, omdat Hij het einde al vanaf het begin heeft geschreven (Jes.46:10) en ook een antwoord te kunnen geven wanneer ongelovigen vragen hoe zij daarover denken? Nog belangrijker is dat profetie ongeveer een derde van alle Bijbelse tekst uitmaakt. Zouden deze zelfde christenen niet gemotiveerd moeten zijn om de ‘hele raad van God’ (Hand.20:27) te kennen of zijn ze tevreden met twee derde van de Bijbelse inhoud? Dit gebrek aan verlangen om zich het onderwijs over de eindtijd eigen te maken is ongelukkig en door de studie ervan helemaal te vermijden. De apostel Paulus en Johannes leren ons dat de christen dan een speciaal soort troost en zegen misloopt (1Thes.4:18; Op.1:3). Een van de onderwerpen is de komst van Christus voor de Gemeente, de zgn. Opname. De Opname-gebeurtenis als realiteit wordt niet fel bediscussieerd. De timing van de Opname echter wel. Er zijn vier hoofdvisies met betrekking tot de timing van de Opname: ten eerste het Pretribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen voor de laatste jaarweek van Daniël. Ten tweede, vanaf 1950 het zgn. Mid-tribulationisme, de leer dat de Gemeente wordt opgenomen halverwege de laatste zeventigste jaarweek van Daniël, dat is aan het begin van de laatste helft van de zeventigste jaarweek van Daniël. En tenslotte het posttribulationisme, de opvatting dat de Gemeente wordt opgenomen na de laatste, zeventigste jaarweek. In de jaren negentig van de vorige eeuw is er dan nog een andere visie bij gekomen die de ‘Pre-Wrath Rapture of the Church’ wordt genoemd, beter bekend als ‘Pre-Wrath’. Voor wat betreft de jaarweken zie Daniël 9:24-27; een jaarweek is een periode van zeven jaar.Elk van deze visies hebben hun argumenten naar voren gebracht en elk is ervan overtuigd dat zij de juiste uitleg van de Bijbelse gegevens hebben. Je zou pagina’s vol kunnen schrijven om tijd te besteden aan het bekritiseren van elke weergave, want elke weergave is niet zonder problemen. In dit artikel zal ik echter specifiek de laatstverschenen opname-visie, de Pre-Wrath-visie onderzoeken. De belangrijkste mannen van deze visie zijn Marvin J. Rosenthal en Robert van Kampen. Ze bedachten de uitdrukking ‘Prewrath Rapture’ om hun visie te verduidelijken. In een aantal artikelen hoop ik enkele van de belangrijkste aspecten van deze doctrine te behandelen om te onderzoeken en te zien of ze in overeenstemming zijn met de Schrift. Nu al kan ik zeggen dat de Pre-Wrath-opname-visie te veel problemen in zich heeft om als haalbare visie te worden beschouwd. Wat ik hoop is, dat Bijbelgetrouwe christenen zich niet laten afschrikken door de complexiteit van het onderwerp en spreek het verlangen uit dat er een verlangen ontstaat kennis te nemen van het profetisch Woord. (Hand.17:11; 2Petr.1:19; Op.1:3).

Kort overzicht

De kern van het boek van Rosenthal is de mening dat de Gemeente zal worden opgenomen net voor het vierde kwartaal van de zeventigste jaarweek van Daniël. Rosenthal verdeelt Daniëls zeventigste week in drie verschillende perioden: (1) ‘Het begin van smarten’, die drie en half jaar duurt, daarna de zgn. (2) Grote Verdrukking", waarbij de eerste helft van de laatste drieënhalf jaar of 21 maanden betrokken is, gevolgd door (3) de Dag des Heren, verspreid over de tweede helft van de drieënhalf jaar of de laatste 21 maanden. Rosenthal benadrukt dat de opname zal plaatsvinden ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren, de tijd van Gods toorn, die, volgens de auteur begint met de opening van het zevende zegel (Op.8:1, blz.60, 61). In Rosenthals visie moet de Gemeente de Antichrist en de Grote Verdrukking, doormaken ​​en na vierenzestig maanden in de zeventigste jaarweek zal ze worden opgenomen. Dit vernietigt volledig de doctrine van imminentie, die Rosenthal 'onhoudbaar' noemt. (Imminent is wat (altijd) kan gebeuren; op handen zijnde; naderend; onmiddellijk dreigend; boven het hoofd hangend. Voorbeeld: een imminent gevaar). Zo schrijft hij Walvoords boek The Rapture Question, af als zijnde totaal nutteloos in het debat omdat ‘er simpelweg geen exegetisch bewijs is voor pretribulationeel rapturisme’. We zullen zien.

Heilige huisjes…

Als u, zoals het merendeel van de gelovigen, het pretribulationistisch standpunt volgt, zult u ervaren dat de Pre-Wrath doctrine tegen veel ‘heilige huisjes’ schopt. Hieronder een voorlopige en voorwaardelijke opsomming waaraan u zich mag verwachten. Voorlopig en voorwaardelijk, omdat ik in de nog te verschijnen artikelen dat verder hoop uit te werken.

1. De Gemeente zal door de Grote Verdrukking moeten en het optreden van de Antichrist mee moeten maken.

2. Het moment van de ‘Opname’ is vrij nauwkeurig te verwachten en te berekenen, dus de opdracht om te waken is nutteloos. ‘Waakt dan, want u kent de dag of het uur niet’ (Mat.25:13).

3. De zeventig jaarweken zijn voor Israël, ook het laatste jaar, maar in Rosenthals boek wordt aan Israël amper aandacht besteed.

4. Op blz.34 schrijft Rosenthal, ‘tussen neus en lippen door’ dat hij van mening is dat Openbaring 2 en 3 geen profetische geschiedenis schrijft van de christenheid doorheen de eeuwen. M.i. is het hele boek Openbaring echter profetie (Op.1:3) ook de hoofdstukken 2 en 3.

5. Er is maar één wederkomst van Christus, geen twee. Niet één komst voor de Gemeente en een tweede voor Israël en de volken.

6. De imminentie wordt verworpen. ‘Perhaps Today’ is daardoor een misplaatste opmerking in deze visie.

7. De Heer Jezus kon gisteren, maar kan ook vandaag niet komen, ten hoogste over zo’n 6 jaar vanaf de tijd dat de laatste jaarweek begint…

8. De zeventigste jaarweek wordt op grond van de Schrift gesplitst in twee delen (Dan.9:27). Door Rosenthal echter in drie delen.

9. De Opname. De vraag blijft echter wat daar onder verstaan wordt in Rosenthals visie en wanneer vindt die plaats en waar vinden we daar een vermelding van in het boek Openbaring?

10. De Opname wordt, m.i. onterecht, verklaard door gebruik te maken van Mat.24:40. Dit kan niet juist zijn want de Opname was een verborgenheid en voor het eerst door de apostel Paulus bekendgemaakt.

11. Mattheüs 24 wordt onterecht toegepast op de Gemeente. M.i. gaat het daar over het toekomstige volk Israël, zoals uit de tekst zelf duidelijk blijkt.

12. De vraag is of Rosenthal wel voldoende onderscheid gemaakt tussen gelovigen uit Israël en de Gemeente en of het dispensationalisme wordt verworpen.

Tot zover voorlopig. Zoals gezegd in volgende artikel hoop ik wat verder op de doctrine van Rosenthal in te gaan.

____________________________________________________________

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church - Voorlopige vaststellingen

 

Deel 3

 

 

 

Voorwoord

Het ligt niet in mijn bedoeling om elk onderdeel van de doctrine van Rosenthals boek te bespreken, trouwens daarvoor ontbreekt mij de tijd. Daar komt bij dat men deze visie hier te lande weinig of helemaal niet tegenkomt en de interesse niet groot zal zijn om zich met deze toch zeer afwijkende visie bezig te houden. Naast veel andere critici heeft Dr. Renald E. Showers, een oude vriend van Van Kampen en Rosenthal, sinds het begin van het bekend worden van Rosenthals visie uitgebreid interactie gehad met de Pre-Wrath Rapture theorie en biedt in een gezaghebbend boek met de titel ‘The Pre-Wrath Rapture view’ een uitgebreide Bijbelse kritiek op deze toevoeging aan het profetische landschap. Het doel van deze conclusie is een overzicht te geven van zowel de correcte als de niet-correcte standpunten. Showers komt tot maar liefst vierenveertig (!) punten waarop hij deze visie afwijst en twaalf waar hij mee kan instemmen en besluit zijn boek met deze conclusie: ‘De Pre-Wrath Opname geeft verschillende leringen correct weer. Maar veel van zijn leringen, inclusief de leringen die fundamenteel zijn voor de hele visie, hebben problemen vanuit een bijbels perspectief. Deze feiten leiden tot de conclusie dat het beeld van de Opname vóór de toorn een gebrekkige basis heeft en in strijd is met de Schrift’. (Iets om rekening mee te houden!)

Enkele persoonlijke (voorlopige) waarnemingen

Zoals gezegd het zijn voorlopige conclusies, waarop ik in latere artikelen hoop terug te komen.

1e. Het eerste wat opvalt is dat Rosenthal geen indeling geeft van het boek Openbaring, dat mag opvallend genoemd worden omdat men bij het bespreken van zo’n belangrijk onderwerp een vereiste genoemd mag worden.

2e. Rosenthal schrijft in zijn boek (blz.34) over de hoofdstukken 2 en 3 van de Openbaring, dat hij niet gelooft dat deze een beschrijving zijn van de verschillende periodes van de kerkgeschiedenis, maar dat ze dienen tot waarschuwing voor het gehele Christendom om zich voor te bereiden op de tijden die gaan komen in de laatste jaarweek.

3e. Rosenthal bestrijdt het profetisch karakter van de hoofdstukken 2 en 3 van de Openbaring (blz.288) maar erkent vreemd genoeg wel dat de rest van Openbaring wel profetisch verstaan moet worden. Dit is tegen het getuigenis van de Schrift in die zegt dat de heel Openbaring profetisch is; ook hoofdstuk 2 en 3!

4e. Later wordt in het boek duidelijk waarom Rosenthal in hoofdstuk 2 en 3 niet de geschiedenis wil zien en aansluitend de Opname, in hoofdstuk 4:1 verondersteld, omdat dit in zijn visie een onmogelijkheid is omdat de Gemeente volgens hem door de Grote Verdrukking moet.

5e. Je voor bereiden op de grote Verdrukking… Ik vraag me af wat je dan moet doen!? Moet een echte gelovige niet altijd bereid zijn om rekenschap af te leggen (1Petr.3:15) en niet alleen maar voor de Grote Verdrukking? Als we ons al moeten voor bereiden dan is het voor de komst van de Heer Jezus (1Joh.3:2).

6e. Door te stellen dat de gelovigen van de Gemeente door de Grote Verdrukking moeten en zullen worden weggenomen vóór de daaropvolgende Dag van de Heer, is het tijdstip van de Opname vrij nauwkeurig te berekenen en is de oproep om Hem te verwachten krachteloos.

7e. M.i. gooit Rosenthal alle gelovigen op één hoop en maakt hij geen onderscheid tussen de gelovigen van de Gemeente en Israël en honoreert daarom ook geen twee komsten van de Heer Jezus, één (onzichtbare) voor de Gemeente en één (zichtbare) voor Israël en de volken. Zie echter 1Kor.10:32 voor wat betreft het onderscheid dat de apostel Paulus maakt: Joden, volken en Gemeente!

8e. De Opname die Rosenthal voorstaat wijkt af van wat algemeen wordt aanvaard of gedacht. Omdat een beschrijving van de Opname in het boek Openbaring ontbreekt, neemt hij zijn toevlucht tot Mattheüs 24 wat niet mogelijk is want de verborgenheid van de Opname is eerst door Paulus geopenbaard.

9e. De zeventig jaarweken van Daniël zijn bestemd voor Israël: ‘uw volk en uw heilige stad’. In zijn boek komt Israël echter sporadisch ter sprake.

10e. Rosenthal verwerpt de imminente komst van Christus, dat wil zeggen een komst van Christus voor de Gemeente die elk moment kan plaatsvinden. Dit is tegen het getuigenis van de Schrift in en van veel kerkleiders uit het verleden. Dus de Heer kan vandaag niet komen!?

11e. Wordt vervolgd

 

Over veel onderwerpen van de eschatologie heb ik al diverse artikelen het licht doen zien en ik verwijs u daar graag naar, zo voorkom ik om in herhaling te vallen. Het zijn met name de rubrieken Eschatologie 1 en 2, Israël Theologisch, Oude Testament en Nieuwe Testament.

 

 

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture   Dispensationalisme

 

Deel 4

 

 

 

 

 

De definitie van het dispensationalisme of bedelingenleer is het onderwijs dat Gods handelen met de mens verschillend is in verschillende periodes in de tijd. Deze dispensaties worden ook ‘bedelingen’ genoemd. In het boek The Pre-Wrath Rapture of the Church heeft de auteur nooit een definitie gegeven van de Gemeente. Geen definitie geven van de Gemeente is onvergeeflijk in een werk dat beweert de betekenis van de opname van de Gemeente te willen verklaren. Het dispensationalisme of de leer van de bedelingen is een theologisch systeem dat onderscheid aanbrengt tussen Israël en de Gemeente. 1Korinthiërs10:32 stelt duidelijk dat er drie categorieën van mensen zijn in de wereld van vandaag: ‘Wees geen struikelblok voor (1) de Joden en voor (2) de Grieken en voor (3) de Gemeente van God’. De Gemeente en Israël zijn heilshistorisch twee afzonderlijke ‘volken van God’, elk met een eigen karakter, roeping en bestemming. Het is dus duidelijk dat Israël niet hetzelfde is als de Gemeente. Voor elke serieuze Bijbelonderzoeker is dat een heel belangrijke zaak om rekening mee te houden. Sommige van de meest voorkomende fouten in de theologie hebben te maken met het verwarren van de Gemeente met Israël. Alle niet-dispensationalisten vervagen tot op zekere hoogte het onderscheid tussen Israël en de Gemeente. Zo'n vervaging mislukt om het contrast te herkennen dat in de Schrift wordt gehandhaafd tussen Israël, de heidenen en de Gemeente. In het Nieuwe Testament staan het natuurlijk Israël en de heidenen ​​tegenover elkaar. Israël wordt aangesproken als een natie in tegenstelling tot de heidenen nadat de Gemeente werd opgericht met Pinksteren (Handelingen 3:12; 4:8, 10; 5:21, 31, 35; 21:28). In het gebed van Paulus voor het natuurlijke Israël (Rom. 10:1) is er een duidelijke verwijzing naar Israël als een nationaal volk te onderscheiden van en buiten de Gemeente.

De Gemeente is op twee gebieden te onderscheiden van Israël. In het Oude Testament handelde God overwegend met en door het volk Israël, dat uit de lijfelijke nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob bestond. De Gemeente aan de andere kant bestaat uit wedergeboren gelovige Joden en gelovige heidenen, die tot één Lichaam gedoopt zijn (1Kor.12:13) waarin de Heilige Geest woont (1Kor.3:16). Maar er is ook een verschil in tijd en plaats tussen Israël en de Gemeente. Zoals gezegd staat het volk Israël centraal in het Oude Testament. De periode van de Gemeente begon na de opstanding van de Heer Jezus (Ef.1:20-23) en zijn hemelvaart (Ef.4:7-12). Daaruit volgt dat alle gelovigen, Jood en niet-Jood, die in het tijdvak ná de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag (Hand.2:11, 15-16) tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen tot één Lichaam gedoopt zijn (1Kor.12:13).

De Gemeente was een verborgenheid, dat in vorige geslachten niet bekend was, maar aan de apostel Paulus is geopenbaard (Ef.3:3-5, 9; Kol.1:26-27).

In het boek Pre-Wrath of the Church verward de auteur impliciet of expliciet diverse keren de Gemeente met Israël. Het onvermogen van de auteur om onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente is bijzonder verontrustend in zijn behandeling van de rede op de Olijfberg. Rosenthal bouwt voort op hermeneutische zand door een uitzonderlijke betekenis toe te kennen aan de Olijfbergrede. Het is de stelling van de auteur dat de Olijfbergrede Joods van karakter is, sequentieel in progressie, logisch in argumentatie, parallel aan de zegels van Openbaring 6, beslaat de zeventigste week van Daniël in omvang, beantwoordt de dubbele vraag met betrekking tot de komst van de Heer en het einde van het tijdperk, en omvat zowel de Opname en de wederkomst van Christus binnen zijn grenzen. De auteur verward opzettelijk of onopzettelijk Israël en de Kerk door zijn hele boek heen. (Een van de meer prominente voorbeelden van Rosenthal's uitleg is de afval, waar Paulus naar verwijst (2Thess.2:3-4). Deze zou dan betrekking hebben op Israël, niet op de Gemeente. Het is bevreemdend maar ook niet moeilijk te begrijpen dat de auteur aan het volk Israël in zijn uitleg van de Openbaring weinig of geen aandacht wordt besteed. Dat is op zijn zachts gezegd vreemd want alle zeventig jaarweken – dus ook de zeventigste (!) - hebben betrekking op ‘uw volk en uw heilige stad’ Dat zijn de Joden en Jeruzalem. (Dan.9:24).

Een kritieke tekortkoming in Rosenthals uitleg is dat de auteur toegeeft dat de Gemeente niet aanwezig was tijdens de eerste 69 jaarweken, daarom rust de bewijslast bij hem om precies uit te leggen waarom de Gemeente dan wel een rol heeft in de zeventigste week. Alleen maar stellen dat de Gemeente theoretisch aanwezig kan zijn in de zeventigste week van Daniël omdat het vóór de zeventigste week tot stand kwam, in tegenstelling tot de eerste 69 weken die voor Pinksteren verstreken, bewijst op zich niets.

Het is erg belangrijk de fout hiervan te begrijpen. Gods beloften aan Israël hebben beslist niet gefaald. Israël zondigde wel en werd gestraft, net zoals God had gewaarschuwd in Deuteronomium 28:15-68, maar God heeft ook beloofd dat Hij Israël zou herstellen. Haar verbonden met God (andere dan het Mozaïsche verbond) zijn onvoorwaardelijk, eeuwig en onveranderlijk. Beschouw bijvoorbeeld het Davidische verbond in 2Samuël 7. Dit is een uitbreiding van Gods verbond met Abraham. In Zijn verbond met David (1) herbevestigde God het onvoorwaardelijke Abrahamitische verbond via Davids familie (2Sam.7:10); (2) Beloofde Hij dat Hij de troon van David voor altijd zou bevestigen (2Sam.7:12-13); (3) Beloofde straf voor zonde maar nooit een annulering van de belofte (2Sam.14-15); (4) Beloofde de bestendigheid van Davids huis en koninkrijk voor altijd (2Sam.7:16). Dit alles is vervuld in Davids Zoon, Jezus Christus, die de troon geërfd heeft van David (Mat.1:1) en die het Davidische koninkrijk zal bevestigen bij Zijn wederkomst naar de aarde (Jes.9:5-6). Het Nieuwe Testament zegt ons hetzelfde. In Romeinen 11:25-29, bijvoorbeeld, wordt ons voluit gezegd dat God Israël tijdelijk aan de kant heeft gezet, maar dat Hij hen zal herstellen en Zijn beloften aan hen zal vervullen. Dit betekent dat al Gods beloften aan Israël, in het Oude Testament, letterlijk zullen vervuld worden.

1e. Israël zal hersteld worden in hun land (Zach.10:6-12).

2e. Israël zal in een zwaar oordeel gebracht worden maar een derde deel zal Gods Naam aanroepen en in het land overblijven (Zach.13:8-9).

3e. Israël zal verlost worden (Zach.12:10-13:1).

4e. De Messias zal terugkeren en al Israëls vijanden verslaan en Hij zal regeren vanuit Jeruzalem (Zach.14:1-21).

Het is dan ook cruciaal om de Bijbelse profetieën letterlijk te interpreteren, en te begrijpen dat er een verschil is tussen Israël en de Gemeente.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

  

Pre-Wrath Rapture - Kritieken

 

Deel 5

 

 

Inleiding

De studie van eschatologie is er een die veel mensen ofwel vermijden vanwege alle controverses, of ze zien het niet als relevant in hun leven van vandaag. Interessant genoeg lijkt de cultuur gefascineerd te zijn door scenario's van het einde van de wereld, zoals te zien is in de recente films die worden geproduceerd. Zouden bijbelgetrouwe christenen met deze fascinatie niet willen weten wat God zegt over het einde, aangezien Hij het einde al vanaf het begin heeft geschreven (Jes.46:10), om een ​​antwoord te geven wanneer ongelovigen vragen of er over nadenken? Nog belangrijker is dat profetie ongeveer een derde van alle Bijbelse tekst uitmaakt. Zouden dezelfde christenen niet gemotiveerd moeten zijn om de ‘hele raad van God’ te kennen of zijn ze tevreden met twee derde ervan? Dit gebrek aan verlangen om meer over de Eindtijd te weten is jammer en door de studie ervan helemaal te vermijden. De apostel Paulus en Johannes beweren dat de christen daardoor een speciaal soort troost en zegen misloopt (1Thes.4:18; Op.1:3). Een van deze studies is de komst van de Opname. De Opname-gebeurtenis als realiteit wordt niet fel bediscussieerd. De timing van de Opname echter des te meer. Er zijn vier hoofdvisies met betrekking tot de timing van de Opname: pretribulationisme, midtribulationisme, Pre-Wrath en posttribulationisme. Elk van deze heeft argumenten naar voren gebracht en elk is ervan overtuigd dat men de juiste kennis van de Bijbelse gegevens heeft. Je zou pagina's en pagina's tekst kunnen besteden aan het bekritiseren van elke weergave, want elke weergave is niet zonder problemen. In dit artikel zal ik echter specifiek de nieuwste opname-visie, de pre-toorn-visie, onderzoeken. De belangrijkste mannen van deze visie zijn Robert Van Kampen en Marvin Rosenthal. Ze bedachten de uitdrukking ‘Prewrath Rapture’ (PW) voor hun positie. Buiten deze mannen is er niet al te veel geschreven, daarom zal ik in dit artikel voornamelijk beantwoorden om enkele van de belangrijkste aspecten van hun theorie te onderzoeken door te zien of ze in overeenstemming zijn met de Schrift. Aan het einde zal ik laten zien dat de PW opname-visie te veel problemen heeft om als haalbare visie te worden beschouwd, omdat ze een eenvoudig onderzoek niet kunnen doorstaan. De schrijvers die ik heb gelezen, houden van de Heer, zijn evangelisch en lijken heel oprecht, ik beschouw ze niet als ketters. Ik ben erg onder de indruk van de ambitie, schrijfvaardigheid, eerbied voor Gods Woord en vrijgevigheid van de mannen van PW View. Wat ik verlang (evenals zij) is te geloven wat de Bijbelse gegevens presenteren en het is mijn hoop dat de volgende observaties iedereen zullen helpen om betere studenten van de profetie te worden (Hand.17:11).

Pre-Wrath Opname in het algemeen

De Pre-Wrath Rapture (Afgekort tot ‘PW’) visie werd voor het eerst uiteengezet in 1990 in het boek, The Pre-Wrath Rapture of the Church door Marvin Rosenthal. Volgens Rosenthal is de opname van de Gemeente geen op handen zijnde gebeurtenis en daarom is het onmogelijk voor Jezus om vandaag of op enig moment in de volgende week, maand of jaar voor Zijn Gemeente te komen. De reden hiervoor is dat de PW Opname onmiddellijk voor de Dag des Heren zal plaatsvinden en de Dag des Heren zal beginnen met de opening van het zevende zegel in de Grote Verdrukking. Dus de PW Opname zal plaatsvinden op de dag dat de PW-visie zegt dat de Dag des Heren begint. Voor de PW-weergave is Daniëls 70e week de 7-jarige Verdrukking die drie verschillende tijdsperioden bevat: (a) het ‘begin van weeën’, dat is de eerste 3½ jaar; (b) de ‘Grote Verdrukking’ die begint in het midden van de 70e week (aan het begin van de laatste 3½ jaar). Het wordt ook wel ‘de tijd van Jakobs benauwdheid’ genoemd omdat deze "Grote Verdrukking" de toorn van de mens tegen de mens is (niet Gods toorn). De Grote Verdrukking is bovendien ‘ingekort’ en zal minder dan 3½ jaar duren; (c) de Dag des Heren, de tijd van Gods toorn. Nogmaals, die begint met de opening van het 7e zegel. Volgens PW moet de Dag des Heren duidelijk onderscheiden worden van de Grote Verdrukking. Deze twee tijdsperioden zijn verschillend en gescheiden en mogen elkaar nooit overlappen. Ze vinden allebei plaats gedurende de laatste 3½ jaar, beginnend met de Grote Verdrukking en onmiddellijk gevolgd door de Dag des Heren. Het is onzeker wanneer de Grote Verdrukking eindigt en wanneer de Dag des Heren begint, omdat niemand de dag of het uur kent (Mat.24:36). De Dag des Heren zal ergens in de tweede helft van de 70e. week beginnen en zal eindigen aan het einde van die 70e. week. De onzekerheid heeft betrekking op wanneer het zal beginnen. Rosenthal stelt dat de Dag des Heren zal beginnen ‘lang voor het einde van de 70e. week... [en] een aanzienlijke periode voordat de 70e. week eindigt.’ PW maakt duidelijk dat de Dag des Heren langer moet zijn dan vijf maanden, omdat alleen al het oordeel verbonden met de 5e. bazuin vijf maanden duurt (Op.9:1, 5) en alle bazuin oordelen vinden plaats tijdens de Dag des Heren. De Dag des Heren zal onmiddellijk volgen op de Opname van de Gemeente, die volgens PW beschreven wordt in Mattheüs 24:31. Dit alles leidt tot de PW-visie dat de Gemeente op aarde is wanneer de Antichrist een verdrag met Israël sluit dat het begin van de 70e. week markeert. De Gemeente moet dan de 70e. week ingaan, moet de eerste 3½ jaar doorlopen en zal gedurende een aanzienlijk deel van de tweede helft van de 70e. week op aarde zijn. De Gemeente zal pas worden opgenomen nadat de Grote Verdrukking (het eerste deel van de tweede helft van de Verdrukking) voorbij is, maar onmiddellijk voorafgaand aan de Dag des Heren. Dus de Gemeente moet op aarde zijn om te beslissen of ze het merkteken van de Antichrist zal accepteren of niet, moet bereid zijn om te lijden en te sterven voor Christus, indien nodig, onder de vervolging van de Antichrist en moet op aarde zijn wanneer de Antichrist persoonlijk aanwezig is, bekrachtigd door Satan (Op.13:4), die eist dat de wereld neerbuigt en hem aanbidt, (pag. 137). Voor PW is de aanwezigheid van de Gemeente op aarde ‘gedurende een aanzienlijk deel van de 70e week van Daniël’ belangrijk en wordt beschreven als de grote schare uit elke natie in Openbaring 7. Wat betreft de specifieke oordelen in de periode van de verdrukking, ziet de PW de eerste vier zegeloordelen (Op.6) plaatsvinden tijdens het ‘begin van de weeën’ en het 5e. zegel vindt plaats tijdens de Grote Verdrukking. Tijdens de Dag des Heren vinden de bazuinoordelen plaats, maar niet de schaaloordelen. De schaaloordelen worden pas na de 70e. week van Daniël uitgegoten gedurende de 30 extra dagen die in Daniël 12:11 worden genoemd. De zegeloordelen hebben betrekking op de toorn van ongelovige mensen, terwijl de bazuin- en schaaloordelen de toorn van God inhouden. (24) De Dag des Heren is niet de tijd van Gods toorn in zijn totaliteit omdat de Dag des Heren de bazuin oordelen omvat maar niet de schaal oordelen. De schaaloordelen vinden plaats na de Dag des Heren gedurende de 30 dagen die volgen op Daniëls 70e week. Dus de zegeloordelen en de schaaloordelen maken geen deel uit van de Dag des Heren; alleen de bazuinoordelen vinden plaats in deze tijd.

Vergelijking met andere Opname visies

Om duidelijk te zijn, de PW-weergave verwerpt elke andere vorm van de opname. PW is geen pretribulationistische visie omdat PW erop staat dat de Kerk gedurende het grootste deel van de zeven jaar van Daniëls 70e. week (allemaal behalve de laatste fase die PW de Dag des Heren noemt) op aarde aanwezig zal zijn. De PW-visie is geen midtribulationistische visie omdat het erop staat dat de Opname zal plaatsvinden na het midden van de laatste zeven jaar, ergens rond het midden van de laatste 3½ jaar. De PW-visie is een type van een posttribulationele visie in de zin dat het leert dat de Opname zal plaatsvinden na de Grote Verdrukking. Deze visie herdefinieert echter de periode van de Grote Verdrukking op een manier die ongebruikelijk is. In plaats van te zeggen dat de Grote Verdrukking eindigt op hetzelfde moment dat Daniëls 70e. week eindigt aan het einde van deze periode van 7 jaar, zegt PW dat de Grote Verdrukking eindigt juist voor de Dag des Heren, waarvan ze zeggen dat deze plaats zal vinden op een aanzienlijke tijd vóór het einde van Daniëls 70e. week. Deze visie is dus posttribulationeel, maar niet post-‘Daniel's 70e. week’ (zoals posttrib zou zeggen). De PW-visie is een pre-toorn-, pre-‘Dag des Heren’-visie omdat het leert dat de Opname zal plaatsvinden onmiddellijk voorafgaand aan de Dag des Heren, de tijd dat God Zijn toorn over de aarde uitstort.

Samengevat: deze visie verwerpt de pretribulationele visie omdat het zegt dat de Opname niet zal plaatsvinden vóór Daniëls 70e. week; het verwerpt het midden van de verdrukking omdat het zegt dat de Opname zal plaatsvinden in een significante maar onbekende tijdsperiode na het midden van Daniëls 70e. week; en deze visie verwerpt de posttribulationele visie omdat het de opname niet aan het einde van Daniëls 70e. week plaatst, maar in een significante tijdsperiode voor het einde (= Dag des Heren).

Terreinen van overeenkomst

Persoonlijk houd ik me aan de pretibulationale kijk op de Opname. Met dit gezegd te hebben, ben ik van plan objectief en behulpzaam te zijn door te wijzen op wat volgens mij een paar fatale tekortkomingen zijn van de PW-opname. Ik wil ook duidelijk zijn, zoals ik eerder heb gezegd, dat degenen die de PW-visie volgen, broeders en zusters in Christus zijn met wie ik veel gemeen heb. Pretrib en PW zijn het eens over premillennialisme, een letterlijke hermeneutiek, een zevenjarige verdrukking, de tweede helft van de verdrukking gedomineerd door de antichrist, het merkteken van het beest, ongekende vervolging van de uitverkorenen en Israël, het tijdstip van de slag van Armageddon, en dat de Gemeente de toorn van God niet zal meemaken.

Waarom is het bij al deze overeenkomsten toch belangrijk om de PW-visie te analyseren? Net als elke andere leerstelling, zou de Bijbelgelovige christen de Schrift zo goed mogelijk moeten willen kennen, zelfs als het onderwerpen zoals de Opname betreft. Bovendien ‘werd de leer van de opname niet gegeven om een ​​strijdlustige geest onder de heiligen tot stand te brengen, maar ... om troost en bemoediging te brengen. Hoewel het waar is dat geen enkele visie probleemloos is, ben ik gaan inzien dat elke visie buiten de pretrib-visie problemen heeft die zo fundamenteel zijn dat ‘echte twijfel wordt geworpen op hun geldigheid’ en dat is de reden waarom het geëvalueerd moet worden.

Problemen met de Pre-Wrath-weergave

Zoals ik al eerder aangaf, is de PW-weergave een soort hybride weergave van pretrib en posttrib (hoewel meer post dan pre). Van Kampen bevestigt dit in zijn beweringen dat hij werd verscheurd tussen de pretribulationistische en postribulationistische opvattingen van de opname. Hij is het met zijn vrienden eens dat de Gemeente de toorn van God niet zal zien (1Thes:10; 5:9; Op:10). Toch is hij het ook eens met zijn postribulationistische vrienden dat de uitverkorenen op een dag het doelwit zullen worden van de vervolging van de Antichrist (Mat.4:21-22; 29-31; 2Thes.2:1-8; Op.3:3-10; 14:9-12). Van Kampen was van mening dat er ergens in de Schrift een gemeenschappelijke noemer moest zijn om deze leringen in evenwicht te brengen. Toen hij de tekenen in Mattheüs 24:29-31 overwoog, meende hij een gemeenschappelijk element te hebben ontdekt. Mattheüs 24:29-31 luidt: ‘Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeen verzamelen uit de vier windstreken, van de uitersten van de hemelen tot de andere uitersten daarvan’. Van Kampen zegt dat de kernwaarheid van PW deze is: De vervolging door de Antichrist tijdens de grote verdrukking zal de toorn van Satan zijn (Op.12:12), niet de toorn van God. Wanneer het teken van de zon, maan en sterren aan de hemel wordt gegeven, zal de toorn van Satan tegen de uitverkorenen eindigen, de getrouwen van God zullen worden opgenomen, en dan zal de toorn van God beginnen tegen de goddelozen die overblijven, eindigend met de slag bij Armageddon.

Na een zorgvuldige bestudering van beide boeken van Van Kampen (The Sign, and The Rapture Question Answered), geeft de verklaring van de ‘kernwaarheid" van de PW-visie goed de belangrijkste verschillen weer tussen de PW-opname en de positie vóór de verdrukking. Het identificeert verschillende twijfelachtige elementen van hun theologie. Deze discutabele veronderstellingen zijn: (1) Antichrist zal de Gemeente vervolgen. (2) Satans toorn eindigt bij de Opname en dan begint Gods toorn, en (3) de Opname vindt plaats wanneer Christus terugkeert in grote heerlijkheid.

Probleem #1: De Antichrist zal de kerk vervolgen.

De PW-positie erkent het afzonderlijke bestaan ​​van Israël en de speciale behandeling door God tijdens de Verdrukking wanneer ze de woestijn in wordt gedreven (Op.12), maar het gaat ervan uit dat ze niet eerder worden gered dan aan het einde, wanneer ze denken dat de 144.000 zijn verzegeld. Het grote probleem hier is de aanname van de PW dat de ‘uitverkorenen’, die ook ‘heiligen’ zijn van de periode van de verdrukking, in wezen hetzelfde zijn als van de Gemeente. Er zijn twee belangrijke problemen met deze opvatting. Ten eerste ontbreekt de Gemeente in de Schriftteksten over de Verdrukking. Ten tweede, even belangrijk, deze zevenjarige verdrukkingsperiode is beslist de laatste ‘week’ van Daniël 9:27, en is het als zodanig het laatste deel van de geschiedenis van Israël (bijv. het land Israël, de Tempel, Jeruzalem, de Twee Getuigen, en de 144.000 van de twaalf stammen van Israël) vóór het Duizendjarige Koninkrijk. Dus PW faalt op twee gebieden, (1) ze slagen er niet in om onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente en (2) ze slagen er niet in om onderscheid te maken tussen de Gemeente en de ‘heiligen’ van de verdrukking.

Geen onderscheid kunnen maken tussen Israël en de kerk

Het feit is dat toen Jezus Zijn uitleg gaf van toekomstige gebeurtenissen in de rede op de Olijfberg (Mat.24-25), de Gemeente juist een paar hoofdstukken eerder was aangekondigd (Mat.16:13-18), maar haar samenstelling en bestemming, inclusief de Opname, was nog een mysterie. Historisch gezien ontstond de kerk op de Pinksterdag (Hand.2), en beetje bij beetje kreeg het gestalte. Alle vroege gelovigen waren Joods en de nieuwe Gemeente werd gezien als een voortzetting van hun oudtestamentische overtuigingen. Als Christus het verloop van het tijdperk van de Gemeente en de Opname had besproken, zou het in die tijd erg verwarrend zijn geweest voor de discipelen. Het ‘mysterie’ van de Gemeente werd aan de apostel Paulus geopenbaard en door Hem in meerdere passages in de Schrift beschreven. In Romeinen 11:25 gebruikte hij het woord ‘Verborgenheid’ om de tijdelijke ‘verharding’ van Israël te beschrijven: ‘Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen oog, dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan’ (Rom.11:25). Het woord ‘mysterie’ (Grieks μυστήριον) betekend een ‘geheim’, of iets dat voorheen verborgen was, maar nu onthuld. Paulus gebruikte het op verschillende plaatsen om verschillende aspecten van de Gemeente en haar opdracht te beschrijven (Rom.16:25; Ef.1:9-10). De Opname zelf wordt in 1Korintiërs 15:51-58 een verborgenheid genoemd. In Efeziërs 3 legde de apostel Paulus meer in detail uit dat het geheimenis van de Gemeente al die tijd deel uitmaakte van Gods doel om heidenen samen met Israël tot erfgenamen te maken. Hij schreef: ‘…waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven, dat mij door openbaring de verborgenheid is bekend gemaakt – zoals ik tevoren in het kort geschreven heb; daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus – die in andere geslachten van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten; dat zij uit de volken medeërfgenamen zijn en medeïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar ben geworden naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is naar de werking van zijn kracht. Mij, de allergeringste van alle heiligen is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen, en voor allen in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, die alle dingen geschapen heeft; opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt, naar het eeuwig voornemen dat Hij heeft opgevat in Christus Jezus onze Heer’ (Ef.3:2-11).

Van Kampen klaagt dat wanneer de pretribulationisten de gebeurtenissen van de rede op de Olijfberg aan Israël toeschrijven, ze er niet in slagen om de hele evangelieboodschap te verkondigen. Ik ben het ermee eens dat studenten van het Woord moeten accepteren dat de hele Schrift nuttig is en dat er bij elke passage rekening mee moet worden gehouden. De juiste hermeneutiek stelt echter ook dat context de sleutel is tot elke passage (PW is het daarmee eens). Dat gezegd hebbende, zijn niet alle secties van toepassing op alle mensen. Alles in de evangeliën is belangrijk en leerzaam voor de Gemeente, maar sommige gedeelten gaan over de geschiedenis van Israël, voor het tijdperk van de Gemeente. Als u dat onderscheid niet maakt, maakt je een groot misbruik aan Bijbelvertaling en uitleg. PW slaagt er hier niet in om dit hermeneutische principe hier van toepassing te laten zijn, zonder opgaaf van redenen. Falen om onderscheid te maken tussen de Gemeente en de ‘heiligen’ van de verdrukking. De PW-theorie stelt de Gemeente gelijk aan de ‘uitverkorenen’ van Mattheüs 24:31, die door engelen worden vergaderd wanneer Christus terugkeert in macht en heerlijkheid. Er zijn serieuze problemen met deze visie, zoals (1) de glorieuze zichtbare wederkomst van Christus als Koning der Koningen is heel anders dan de beloofde Opname van de Gemeente (meer hierover hieronder) en (2) plots overgaan naar het boek Openbaring, waar de Gemeente niet één keer wordt genoemd in het hele verslag van de verdrukkingsperiode in de hoofdstukken 4-19. De beste verklaring voor Mattheüs 24:31 is drieledig en beide zijn contextueel: (1) de context van Jezus' preek wordt in Mattheüs 24-25 beantwoordt vragen over de toekomst van Israël en het toekomstige koninkrijk, niet de Gemeente omdat de Gemeente, hoewel aangekondigd, nog steeds een mysterie voor de discipelen was. Verder, zoals hierboven vermeld, de ‘heiligen’ gaat over de Joden (24:16) en hun vervolging. Halverwege (‘de gruwel der verwoesting’) zal de vervolging van de Joden erger zijn dan alles wat ze ooit in het verleden hebben geleden, en zal nooit meer zoiets als dit ondergaan. Het is zo erg dat God er een einde aan moet maken, anders zouden geen Jood overleven (24:21-22). Daarom is het lastig om de Gemeente in deze sectie te identificeren en moet de validiteit worden bewezen (PW probeert en is niet overtuigend). Ten slotte (3) identificeert Jezus hoelang deze vervolging duurt voordat Hij er een eind aan maakt. Het is niet een paar maanden of halverwege, zoals PW denkt. (41) Het is eerder drie en een half jaar. ‘Dit wordt tweemaal vermeld in Daniël 9:27; 12:5-7, en het is Daniël die het beginpunt van de vervolging aangaf als de gruwel der verwoesting. Het is precies dit punt dat Jezus oppikte... en als teken gaf aan de Joden om het land te ontvluchten’. Openbaring gaat verder met het verder openen van de timing door 1260 dagen te specificeren (Op.12:6, 13-14).

Een oneerlijke test (Opname of Armageddon?)

Van Kampen stelt een test voor die hij heeft gegeven tijdens lessen over de profetie die hij in de loop der jaren heeft gegeven. Eerst leest hij Mattheüs 24:27-40. Van Kampen vraagt ​​dan: ‘Bepaal nu welke gebeurtenis Christus in gedachten had toen Hij deze specifieke instructie aan Zijn discipelen gaf. Verwijst deze passage naar de slag van Armageddon zoals opgetekend in Openbaring 19:11-21, of verwijst het naar de opname van de heiligen zoals opgetekend in 1Thessalonicenzen 4:15-17?’ Hij stelt dan dat iedereen in zijn klas altijd heeft gedacht dat het over de Opname ging. Het probleem met dit voorbeeld van Van Kampen is dat de vraag zelf erg misplaatst is. Van Kampen maakt van deze twee de enige twee opties. In deze verzen wordt echter niet naar een veldslag verwezen, laat staan ​​naar de specifieke strijd van Armageddon. Als de vraag eerlijk zou worden gesteld, zou deze moeten zijn: ‘Verwijst deze passage naar de glorieuze wederkomst van Christus zoals opgetekend in Openbaring 19:11-21, of verwijst het naar de opname van de heiligen zoals opgetekend in 1Thessalonicenzen 4:15- 17?’ In dat geval twijfel ik er niet aan dat de goed geïnformeerde studenten van hem zeer waarschijnlijk de terugkomst in heerlijkheid zouden kiezen. Ik vermoed dat Van Kampen de vraag niet zo zou formuleren als ik zojuist heb gedaan, omdat hij kennelijk niet gelooft dat er twee afzonderlijke gebeurtenissen (komsten) zijn. In feite maakt hij de opvatting van de Opname vóór de verdrukking belachelijk, omdat deze leert dat de Gemeente naar de tweede komst moet uitkijken, maar dat Israël moet wachten op de derde komst. Natuurlijk is dit niet wat wordt onderwezen door leraren vóór de verdrukking. Het is gemakkelijk te bewijzen dat er twee verschillende gebeurtenissen zijn - de Opname en de Komst in heerlijkheid.

Probleem #2: Satans toorn eindigt bij de Opname en dan begint Gods toorn.

Met behulp van Openbaring 12:12 en 13:4-7 zegt Van Kampen dat Satans toorn de vervolging van Gods uitverkorenen is. De natuurlijke lezing van deze passage toont echter duidelijk aan dat Satans toorn een reactie is op Gods toorn. God straft Satan door hem op de aarde te werpen, wat Satan van nature boos maakt. In dit geval, door Gods soevereine wil, krijgt hij de macht om gelovigen (‘de heiligen’) te vervolgen tijdens de laatste helft van de Grote Verdrukking (42 maanden). De juiste manier om de Grote Verdrukking te zien is dat het de tijd is van zowel Gods toorn als Satans toorn terwijl hij strijdt tegen de soevereiniteit van God. Dit zou geen enkele Bijbelstudent vreemd moeten zijn, want zelfs in deze huidige tijd, maar in mindere mate, is de duivel als een brullende leeuw, zoekend wie hij verslindt, en vervolging van gelovigen veroorzakend (1Petr.5:8-9) terwijl God gebruikt Satans toorn om zijn lichaam op te bouwen.

Kunstmatige verschuiving van Satans toorn naar Gods toorn

Gebruikmakend van de illustraties van de dagen van Noach en de dagen van Lot in Lukas 17:22-30, concludeert Van Kampen dat de Opname zal plaatsvinden op de dag dat Gods toorn begint, waarmee een einde komt aan de toorn van Satan. Zoals ik echter eerder heb aangetoond, verwijst de passage niet naar de Opname, maar naar de Komst in heerlijkheid van Christus. De ergste uitdrukking van Gods toorn zal op dat moment worden geleverd, omdat de strijd van Armageddon wordt gestreden. Maar dat wil niet zeggen dat het eerdere deel van de Verdrukking niet ook het resultaat is van Gods toorn.

Aanname dat Gods toorn niet begint voordat Christus terugkeert.

De veronderstelling van de PW dat Gods toorn pas begint vlak voor de slag van Armageddon past niet bij de feiten die in het boek Openbaring worden onthuld. Zelfs in het allereerste hoofdstuk van Openbaring, zien we Christus als Rechter, met ogen van laaiend vuur, gloeiende bronzen voeten, een stem die klinkt als stromend water, een zwaard dat uit zijn mond komt en een gezicht dat gloeit als de zon in al zijn schittering. (Op.1:13-18). In Openbaring 3:10 kreeg de Gemeente van Filadelfia de belofte dat ze zouden worden bewaard ‘voor het uur van beproeving dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op aarde wonen’ op de proef te stellen’. De implicatie is duidelijk dat Gods toorn over de hele boze wereld zou worden uitgestort zoals Hij had gedaan ten tijde van de zondvloed. In de hoofdstukken 4 en 5 worden toekomstige gebeurtenissen gezien als afkomstig van Gods soevereine troon. Jezus Christus, als de Leeuw van de stam van Juda en het Lam dat werd geslacht, is de enige die waardig is de zegels van de boekrol te openen. Vanaf hoofdstuk 6 opent Jezus de zegels, één voor één, en telkens gebeuren er dingen die Gods toorn en oordeel over de hele aarde weergeven door middel van verschillende natuur- en menselijke rampen. In hoofdstuk 7 houdt God de sterke engelen tegen die de macht hebben om de aarde schade toe te brengen totdat de 144.000 Joden verzegeld kunnen worden. In hoofdstuk 12 wordt, zoals eerder vermeld, Satans toorn getoond, maar het is het resultaat van Gods toorn die tegen hem is geuit. Halverwege de Verdrukking, wanneer mensen moeten beslissen of ze het ‘merkteken van het beest’ willen ontvangen of niet, wordt gezegd dat Gods oordeel is gekomen (Op.14:6-11). Het gaat maar door, om te laten zien dat alle zeven jaren de toorn van God is, in verschillende vormen en door verschillende middelen.

Probleem #3: De Opname vindt plaats wanneer Christus in grote glorie terugkeert.

In deze sectie zijn er een paar problemen met de visie van de PW: (1) men faalt om onderscheid te maken tussen de opname-gebeurtenis en de wederkomst, (2) een onvermogen om te begrijpen wie het Duizendjarige Koninkrijk bevolkt, en (3) een mislukking om goed om te gaan met oordeelsteksten over de schapen en de geiten en de tarwe de dolik. Het nalaten om onderscheid te maken tussen de opname en de glorieuze terugkeer van Christus.

Hoewel ik dit hierboven een beetje heb aangeroerd, wil ik terugkomen op deze kwestie van PW's visie op de rede op de Olijfberg (Mat.24-25), omdat het hun belangrijkste passage is. Voor de PW-positie is er slechts één terugkeer van Christus in zicht en dat is aan het einde van de reeks gebeurtenissen die de Grote Verdrukking beschrijven. Mattheüs 24:30 zegt: ‘Zij zullen de Zoon des Mensen zien op de wolken van de hemel, met kracht en grote heerlijkheid’. PW zegt dat dit de Opname is. Er zijn echter veel verschillen tussen de Opname en de komst van Christus in heerlijkheid.

Interessant is dat PW toegeeft dat de opname niet in de tekst van Mattheüs 24-25, staat, wat betekent dat om het te vinden ‘men moet zoeken naar intertekstuele verbindingen tussen de correspondentie van Thessalonicenzen en de rede op de Olijfberg.’ Hoewel ik bevestig dat men de Bijbel moet gebruiken om de Bijbel te interpreteren, is het van groot belang om ook de context van een bepaalde passage te behouden. PW die alleen op 1Thessalonicenzen 4 vertrouwt om zijn opnamepunt in Mattheüs 24-25 te bewijzen, negeert volledig de intertekstuele verbanden tussen 1Thessalonicenzen 5 en de Dag des Heren en daardoor krijgt hun systeem een ​​enorme klap.

Wie blijft er over om het Duizendjarige Koninkrijk te bevolken?

Als de Opname zou plaatsvinden net voor de slag van Armageddon, en alle gelovigen zouden worden meegenomen net voor de laatste gebeurtenissen van de Verdrukking en geen van hen keert terug, welke mensen zouden dan op het allerlaatste moment gelovigen worden zodat er godvrezende mensen zouden zijn om het Duizendjarige Koninkrijk bevolken? PW's gedachte is dat dit is waar de 144.000 op de voorgrond komen. Ze zijn verzegeld vóór PW's Dag des Heren en zijn daarom onaangeroerd gedurende de hele tijd, totdat Christus terugkeert met Zijn engelen om te oordelen (Mat.25:31 e.v.).

Ik ben het ermee eens dat er veel Joodse mensen zullen zijn die aan het einde geloven als ze de Heer zien die ze hebben doorstoken en om Hem treuren (Jes.53; Zach.12:10), en ze zullen ook behoed worden voor vernietiging (Op.12; vgl. Mat.25:34-46). Ik ben het er ook mee eens dat de 144.000 Joden deel zullen uitmaken van de bevolking van het Duizendjarige Koninkrijk. De visie van de PW is echter gebaseerd op een verkeerd begrip van wie met Christus terugkeert bij Zijn wederkomst, het einde van de periode van de verdrukking. PW leest dat wanneer Jezus terugkeert, in Openbaring 19, alleen engelen Hem vergezellen om de toorn tot rust te brengen. Met andere woorden, als de toorn eenmaal voorbij is en het millennium begint, zullen alleen de 144.000 daarin eindigen. Dit is om een ​​paar redenen erg problematisch. Ten eerste hebben de ‘legers’ geen wapens om mee te vechten, d.w.z. ze zijn ‘niet-strijdende aanhangers van de Messias’, waardoor ze laten zien dat ze niet plaatsvinden tijdens de toorn van de Messias. Ten tweede, omdat dit echte legers zijn, creëren de paarden een probleem, aangezien oordeelsengelen door de hele Schrift nog nooit op paarden zijn gezien. Ten derde is de kleding die wordt gedragen zeer overtuigend om te concluderen dat dit verloste volkeren zijn (vgl. Op.17:14), vooral omdat in context (19:8) de verlosten dezelfde kleding dragen. En ten vierde, de belofte aan de overwinnaar is om te ‘heersen met een ijzeren staf’ (2:27), wat precies is wat er gebeurt in vers 15. Tot besluit: ‘Openbaring 19:14 ontkent niet de aanwezigheid van engelen in deze gelegenheid, maar concludeert eenvoudig dat de engelen hier niet worden genoemd. De heiligen zullen een rol spelen in het oordeel tijdens deze belangrijke episode’. Dit leidt tot het begrip dat in ieder geval de 144.000 en het verloste Israël van de Verdrukking en de verheerlijkte verlosten (die zullen regeren met een ijzeren staf) aanwezig zullen zijn in het Millennium. PW faalt in dit fundamentele exegetische werk. Toch is er in dezelfde lijn een ander probleem in de PW-theologie met de wederkomst van Jezus. Dat wil zeggen, het oordeel van de schapen en de bokken en de tarwe en de dolik.

Het oordeel van de schapen en bokken

Volgens Mattheüs 25:31-46 zal er een oordeel zijn over ‘schapen en bokken’, gebaseerd op hoe mensen Israël behandelden. In de context van Mattheüs 25 zijn de overlevende gelovigen die voor Israël zorgen tijdens de periode van de verdrukking gekwalificeerd als de ‘schapen’. In de visie van PW zouden alle gelovigen bij de Opname zijn meegenomen en zou alleen een overblijfsel uit Israël zelf aan het einde gelovigen worden. Het probleem hier is dat het moeilijk voor te stellen is hoe PW enige ‘schapen’ zou kunnen hebben die vriendelijk handelden jegens Israël, aangezien ze allemaal vertrokken zijn bij de opname.

Van Kampen geeft een zeer onorthodoxe verklaring voor dit dilemma. Aangezien het duidelijk is dat deze heidense overlevenden Christus nog niet hebben aanvaard (omdat ze niet in de opname zijn vertrokken), zegt hij dat ze Christus zullen vertrouwen wanneer ze Hem van aangezicht tot aangezicht zien bij Zijn wederkomst, ‘wanneer de Zoon des Mensen komt in Zijn heerlijkheid’ (Mat.23:31). Het probleem met deze opvatting is dat alle kampen het erover eens zijn dat wanneer Christus komt, Hij komt in oordeel, niet in redding. Die tijd is verstreken. Het is dan tijd om de schapen en de bokken te scheiden, niet om meer te zoeken om schapen te maken.

De gelijkenis van de tarwe en de dolik

De gelijkenis van het tarwe en het dolik is een ander probleem voor de PW-positie omdat deze gelijkenis in Mattheüs 13 ook verwijst naar de scheiding van gelovigen van ongelovigen aan het einde van dat tijdperk (13:24-30, 36-43). Deze gelijkenis lijkt erg op het oordeel over schapen en bokken in die beide gevallen, zijn er veel gelovigen en veel ongelovigen; (2) het vindt plaats aan ‘het einde der tijden’ en (3) de maaiers zijn engelen. Het is moeilijk voor de PW-positie omdat, zoals hierboven vermeld, de PW-visie geen rekening houdt met een groot aantal gelovigen op het einde van de eindtijd. Van Kampen gaat niet in op deze gelijkenis in The Rapture Question Answered. Hoe dan ook, hij vermeldde het teken minstens 15 keer in de Schriftenindex van dat boek. Van Kampen gebruikt deze gelijkenis om over de Opname te spreken en zegt: ‘Als we doorgaan, zullen we zien dat wanneer gelovigen door Christus in de wolken worden ontvangen bij de Opname van de Gemeente, en de engelen van God zullen zijn het die de tarwe in Mijn schuur brengen' (Mat.13:30) en die 'Zijn uitverkorenen verzamelt uit de vier windstreken, van het ene einde van de hemel tot het andere' (Mat.24:31), en dat 'wij die leven en overblijven zullen worden opgenomen [door Gods engelen] samen met hen in de wolken, om de Heer in de lucht te ontmoeten' (1Thes.4:17). Let op de vermenging van uitdrukkingen uit deze gelijkenis met de klassieke passage over de Opname. Het probleem hier is dat deze passage eenvoudigweg niet kan verwijzen naar de Opname, omdat er staat dat deze plaatsvindt ‘aan het einde van de tijd’, wat een verwijzing is naar het Millenniumoordeel (vgl. Mat.24:3; 28:20; 25 :31-46; Op.19:11-21). Om dit te beantwoorden, legt de auteur Hadidian in zijn ‘Prewrath Chart’ uit dat het ‘einde der tijden’ gebeurt in twee fasen: bij de opname (Mat.13 – tarwe/dolik) en net voor het millennium (Mat.25 – schapen/bokken). Deze interpretatie is gewoon te moeilijk om vol te houden omdat (1) geen enkele commentator op deze passage het eens is met de opvatting van PW, het zegt me dat het een geforceerde interpretatie is om op zijn best te passen bij een vooronderstelling, en (2) nog belangrijker, het onkruid, of dolik, wordt eerst verzameld, gebundeld om te worden verbrand, en dan wordt de tarwe in de schuren verzameld. Om de PW-positie juist te laten zijn, zou eerst de tarwe moeten worden geoogst (bij de Opname) en enige tijd later het onkruid verzameld en verbrand (bij het laatste oordeel). Dit past gewoon niet in de context en door dit misverstand heeft PW nog een groot hiaat in haar doctrine.

Gevolgtrekking

Door blogs te lezen en het internet te volgen, heb ik gemerkt dat een aantal predikanten de laatste tijd (bedoeld is 2013) de PW-positie hebben aangenomen, veel van hen jonge mannen. Een mogelijke reden hiervoor is de normale wens van elke generatie om ‘verder te gaan’ dan de vorige, dat kan ik aanbevelen, zolang het Schriftuurlijk nauwkeurig is. Een andere mogelijke reden komt van het feit dat ik een pretribulationist ben en de Bijbelse basis voor de pretrib-visie is evangelisatie en een heilig leven. Godvrezende PW-gelovigen kunnen net zo evangelisch zijn als hun pretrib-broeders en zusters. De PW-visie mist echter de naderende komst van Jezus. PW zoekt naar tekenen of vervullingen van profetische gebeurtenissen. Daarentegen zegt de Bijbel tegen alle christenen dat ze naar Jezus Christus Zelf moeten zoeken. Gerald Stanton concludeert: ‘Zijn komst is het volgende in het geopenbaarde programma van God, en het kan nabij zijn. Daarom kijken we, en kijken we en wachten we op onze Heer uit de hemel. Dit is onze zalige en gezegende hoop, veel hoger en meer in overeenstemming met de Schrift dan het zoeken naar de Antichrist en de tragische jaren van de komende Verdrukking. De volgende stem die we uit de hemel zullen horen, zal ons naar huis roepen!’

Bron: (PDF) A PROPER TIMING: Understanding and Evaluating the Pre-Wrath View of the Rapture | Greg Peterson - Academia.edu

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Nationaal herstel van Israël

 Deel 6

 

 

 

 

 

Inleiding

Marvin Rosenthal, de auteur van het boek ‘The Pre-Wrath Rapture’ is uiterst vaag over de positie van het volk Israël in de eindtijd. Naast de vele andere gedeelten in de Bijbel die spreken over een nationaal herstel van Israël in de toekomst is Ezechiël 37 wel een van de belangrijkste, maar dat wordt zelfs niet één keer vermeld! Dat mag op zijn minst merkwaardig worden genoemd. Zo ook bij de bespreking van de opname een belangrijke tekst als Johannes 14:1-3 niet aangehaald wordt! Er wordt nergens gesproken van een nationaal en geestelijk hersteld Israël in de eindtijd, specifieker in de laatste jaarweek, wel een vage aanduiding dat een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Dat is nog meer bevreemdend omdat de hele laatste jaarweek bestemd is voor het volk Israël en vooral de Grote Verdrukking in die laatste jaarweek! ‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad’ – kan het nog duidelijker? (Dan.9:24).

Rosenthal leert: De Bijbel leert dat bij de wederkomst van Christus een overlevend overblijfsel van Joden tot Israël zal worden verzameld en gered. Gods verbondsbelofte aan Abraham, Izaäk en Jakob zal letterlijk worden vervuld (Mat.24:31) Rom.11:25-26).

Showers, één van de vele opponenten van Rosenthal omschrijft dat standpunt als volgt: De tweede komst van Christus zal binnen de grens van de ene Wederkomst plaatsvinden onmiddellijk na het einde van de zeventigste week en aan het begin van een dertig dagen durende periode. Het doel van die komst zal de geestelijke redding van Israël zijn als vervulling van Zacharia 12:10.

Ik ga hier niet in op de ‘verlenging’ van de laatste jaarweek zoals door Rosenthal geleerd wordt met resp. 30 en 45 dagen zoals beschreven in Daniël 12:11-12, omdat een bespreking daarvan buiten het bestek van dit artikel valt; misschien later meer daarover.

Het niet honoreren van een nationaal en geestelijk herstel van het volk Israël houdt in dat de enige keuze die dan overblijft is om het te vergeestelijken, zoals we dat vinden bij de preteristen en bij de aanhangers van de vervangingstheologie, hoofdzakelijk in de RK-kerk en veel Protestantse kerken. Ook hoofdstuk 24 van het evangelie naar Mattheus toepassen op de Gemeente, tegen alle duidelijke gegevens dat het daar over Israël gaat, geeft aanleiding tot het vermoeden van vergeestelijken. Deze ‘verklaringswijze’ wijs ik pertinent af: Christus, de ware David zal éénmaal Heerser zijn over de ganse aarde, als de Gezalfde Koning van Israël (Ps.2).

Hoe zal Israël nationaal hersteld worden?

Een Schriftgedeelte dat ons inzicht geeft hoe een nationaal herstel van het volk Israël tot stand kan komen is bij uitstek Ezechiël 37. De profeet ziet daar een dal vol zeer dorre beenderen, die volgens vers 11 het gehele huis Israëls voorstellen. Dat het hier om personen gaat blijkt uit het vervolg: ‘Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here Here: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Here, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des Heren (vs.11-14). In dit hoofdstuk zien we dat het niet in één keer zal gebeuren. Eerst zien we dat de beenderen overtrokken worden met spieren en vlees en huid, maar nog geen geest. ‘Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; 8ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen’ (vs.7-9). Sinds 1948 is er weer een staat Israël en tot op de dag van vandaag mogen we constateren dat veel Joden teruggekeerd zijn zodat momenteel het aantal inwoners op 9,2 miljoen staat. Wie had zoiets kunnen bedenken, rekening houdend met de Holocaust waar zo’n zes miljoen Joden ter dood gebracht zijn? Op de vraag: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? En ik zeide: Here Here, Gij weet het. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord des Heren. Zo spreekt de Here Here tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de Here ben (vs.3-6).

Het gaat hier in Ezechiël 37 niet over de terugkeer uit de ballingschap van Babel, toen er maar zo’n 43.000 Joden terugkeerden. (1) Hier wordt het gehele volk gezien wat niet kan slaan op de terugkeer uit Babel (zie Maleachi). (2) Er wordt gesproken over de hereniging van de twee en tien stammen, Juda en Israël. ‘Zo zegt de Here Here: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef – dat aan Efraïm toebehoort – en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in mijn hand. Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn, zeg dan tot hen: Zo zegt de Here Here: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken’ (vs.19-22). (3) En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn’ en nog ‘mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn’ (vs.24, 25).

Hoe werden en worden de Joden terug naar het land gebracht?

Daarvoor moeten we Jeremia 16 raadplegen. Nadat God hen eerst om hun zonden verdreven heeft, zal hij hen terugbrengen. Hij zal vissers en jagers gebruiken. (Zie voor een uitvoerige behandeling daarvan mijn website in de rubriek: OT Profetische boeken 1). Zoals wel eens gesuggereerd is: Als er geen holocaust was gebeurd, zoals in de Tweede Wereldoorlog, zou er nu nog geen staat Israël zijn geweest! Maar zoals gezegd er is nog geen ‘geest in hen’ Het volk Israël, zoals wij dat vandaag kennen is nog niet teruggekeerd tot God, men rekent op de steun van machtige landen, zoals de Verenigde Staten van Amerika.

Hoe zal het Israël vergaan tot aan de komst van de Messias?

Nu is Israël nog op weg naar zijn rust (Jer.31:2). De gevoelens en beleving van het volk Israël in de huidige ballingschap onder alle volken’ wordt al heel vroeg in Gods Woord beschreven: De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen. Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel. Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen – vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien. De Here zal u op schepen naar Egypte terugbrengen langs de weg, waarvan Ik u gezegd had: Gij zult die nooit weerzien; gij zult daar aan uw vijanden als slaven en slavinnen te koop aangeboden worden, maar er zal geen koper zijn’ (Deut.28:64-68). Maar ook daar een belofte van terugkeer.

Wanneer komen de tien stammen in het land?

De verzen 15-28 spreken over de terugkeer van de twee stammen (Juda) en de tien stammen (Efraïm) in het land zullen terugkeren en verenigd zullen worden. In Daniël 9 gaat het over de twee stammen, die teruggekeerd zijn uit de ballingschap van Babel. Die twee stammen hebben de tempel herbouwd onder Ezra en Nehemia en waren het die in hoofdzaak aanwezig waren toen de Heer Jezus zijn dienst in Israël vervulde. Zij zijn het die in het land zullen zijn in de laatste jaarweek en de ‘benauwdheid van Jakob’ (Jer.30:7) zullen moeten ondergaan, kort voordat de Heer Jezus zal komen op de Olijfberg, waarvan gesproken is door de profeet Zacharia (Zach.13:8v.; 14:4). De tien stammen zijn nooit teruggekeerd maar over de hele wereld verstrooid geworden en zullen daar geoordeeld worden (Ez.20:34vv.). Het zal dan vermoedelijk dan ook na de Grote Verdrukking c.q. de laatste jaarweek terug zullen keren naar het Beloofde Land.

Het koninkrijk opgericht

Na de komst van de Heer Jezus voor Israël en de volken zal Israël het hoofd van de naties zijn (Deut.28:1; Jer.21:7) met als hoofdstad Jeruzalem; de stad van de Grote Koning (Mat.5:35). Het land zal zich uitstrekken van de Nijl tot aan de Eufraat (Gen.15:18; Ps.72:8) en iedere stam zal daarin zijn erfdeel hebben (Ez.48). Ze zullen een vorst hebben uit het geslacht van David, dat is de Messias die ook zijn eigen erfdeel zal bezitten (Ez.48:11). De tempel zal in Jeruzalem herbouwd zijn (Ez.40-42) en de heerlijkheid des Heren, het teken van de tegenwoordigheid van de Heer, zal haar vervullen (Ez.43:1-5; 44:4). Er zullen opnieuw offers gebracht worden, terugziende op het offer dat Christus gebracht heeft op het kruis van Golgotha. Het gehele, dan aanwezige, volk zal behouden worden (Rom.11:29), want God Zelf zal zijn wet in hun binnenste geven en in hun harten schrijven. ‘Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’ (Jer.31:33-34). Zij zullen de Here in zijn tempel dienen en alle volken zullen jaarlijks naar Jeruzalem komen om de Here te aanbidden en het Loofhuttenfeest vieren (Zach.14).

Tenslotte

Op de vraag of Israël een nationaal en geestelijk herstel zal kennen en als volk onder heerschappij van de Messias nog een toekomst heeft kunnen vrijmoedig met een ‘ja’ beantwoorden. ‘Eeuwige zal de Heerschappij zijn op de troon van David’. De gedachte dat de Gemeente het ‘geestelijk Israël’ is wijdverbreid maar niet juist. Ook is de Kerk niet bij Israël ingelijfd, het beide verschillende entiteiten (1Kor.10:32). De vaagheid die we vaker tegenkomen bij Rosenthal geeft aanleiding tot speculaties en verwarring; het ontbreekt aan duidelijkheid.

Er is een overvloed aan teksten die blijk geven van een toekomst voor een nationaal en hersteld volk Israël. Mogelijk kunnen andere artikelen op mijn website u verder helpen. U kunt diverse artikelen vinden in de rubrieken: Israël Theologisch en Eschatologie.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Pre-Wrath Rapture - Mattheüs 24

 Deel 7

 

 

 

 

 

Inleiding

Het is bedroevend te merken hoe weinig christenen de ‘rede over de laatste dingen’ van de Heer Jezus vermeld in Mattheüs 24 en 25 goed begrijpen. Vooral de dingen die onmiskenbaar op Israël slaan, worden dikwijls geldig geacht voor de Gemeente. De beschreven eindtijdervaringen voor Israël in de verdrukking, worden dan toegekend aan de Gemeente in háár eindtijd, vlak vóór de opname. Het is echter belangrijk dat wij een goed inzicht hebben in het wezen en de aard van de verschillen tussen enerzijds die van Israël en anderzijds die van de Gemeente. Als we dan het profetische Schriftwoord in wijsheid en nederigheid naspeuren, dan krijgen deze profetieën een geheel ander aanzien. De ‘laatste dagen’ voor de Gemeente zijn namelijk niet die van Israël, en anderzijds liggen de ‘laatste dagen’ van Israël in het tijdvak van de zevenjarige verdrukking en hebben op hun beurt helemaal niets met de Gemeente te maken!

De context

Om een juiste uitleg van hoofdstuk 24 te kunnen garanderen is het noodzakelijk ten opzichte van de andere Evangeliën na te gaan welke de plaats van het Evangelie naar Mattheüs inneemt in het Nieuwe Testament. Met andere woorden volgens de ‘regels van de kunst’ moeten we rekening houden in welke context (omstandigheden, ervaringshorizon, heersende opvattingen e.d.) het Evangelie van Mattheüs is geplaatst en dus ook de context van hoofdstuk 24.

Chafer schrijft: ‘The address is to Jerusalem’s children, which, in this instance is a representation of the nation Israel. … the entire discourse from Matthew 24:4 on, … immediately spoken to His disciples who are still classed as Jews and represented a people who will pass through the experiences described in this address, is directed toward the entire nation and especially to those who will endure the trials depicted therein. The phrase, ‘I would have gathered thy children together‘,… not only discloses that He speaks to Israel, but refers to the fulfillment of much prophecy respecting the final regathering of Israel into their own land. … ‘Your house’ is a reference to the house of Israel which became centered in the kingly line of David. … The term ‘desolate’ is one of several words used to describe Israel’s situation in the world throughout this age. … ‘Ye shall not see me’ is an assertion which anticipates His total absence, respecting His peculiar relation to Israel ‘till’ He returns, at which time ‘every eye shall see him’ (Rev.1:7), ‘and they shall see the Son of man coming in the clouds of heaven with power and great glory’ (Matt.24:30) (See: Things to Come page 275).

Wiersbe zegt hierover: ‘We must keep in mind that the “atmosphere” of this discourse is Jewish. Jesus talked about Judea (Matt.24:16), the Sabbath (Matt.24:20), and the prophecies of Daniël concerning the Jewish people (Matt.24:15). The full truth about the Rapture of the church (1 Cor.15:51ff. 1 Thes.4:13-18) had not yet been revealed, for it was a mystery (Eph.3:1-12). (The Bible Exposition Commentary NT)

Niet alleen de opname was een geheimenis dat pas later door Paulus geopenbaard is maar ook de Gemeente was nog niet ontstaan. Dit gebeurde in Handelingen 2 met de uitstorting van de heilige Geest waardoor alleen, gelovige jood en Griek, tot één lichaam werden gedoopt (1Kor.12:13).

Door het vermelden van het geslachtregister van de Heer Jezus aan het begin van het Evangelie zien we dat Mattheüs het erom te doen geweest is om de Heer Jezus voor te stellen als de beloofde Messias, de Zoon van Abraham en Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk aankondigt.

De andere Evangeliën benadrukken een ander kenmerk van de Heer Jezus. Markus laat ons de Heer Jezus zien als de ‘dienstknecht’, Lukas als ‘de Zoon des mensen’ en Johannes tenslotte als ‘Zoon van God’.

Een overzicht van het Evangelie naar Mattheüs maakt dat duidelijk:

1. De afkomst van de Messias van David (1:1)

2. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

3. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

4. Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)

5. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5), en de stad van de grote Koning (5:35)

6. De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (hfdst.5-7.)

7. Uitzending van de discipelen gepaard gaande met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)

8. Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)

9. Verwerping van de Koning. (11:2; 14:1) (In principe is dit al gebeurd door de arrestatie en moord op Johannes de Doper)

10. De verwerping van Koning Jezus definitief (12:22-32, 46; 13:2)

11. Koninkrijk is verborgen vorm word aangekondigd (13)

12. Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (16:18)

13. Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)

14. Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijde stelling van Israël (21:43)

15. Weeklacht over Jeruzalem (23:37)

16. Rede over de laatste dingen waarin het oordeel over Israël, Christenheid en de volkeren (24-25)

17. Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

18. De opstanding, hemelvaart en de opdracht en uitzending van Jezus’ discipelen (28)

We kunnen het evangelie naar Mattheüs dan ook als volgt indelen:

Hoofdstuk 1-10   - De aankondiging en openbaring van de Koning.

Hoofdstuk 11-13 - De tegenstand van de Koning.

Hoofdstuk 14-20 - De terugtrekking van de Koning.

Hoofdstuk 21-27 - De verwerping van de Koning.

Hoofdstuk 28      -  De opstanding van de Koning.

De sleutel tot begrip

Een eerste maar beperkte vervulling van de ‘profetie over de laatste dingen’ kwam tot stand in 70 n.Chr., toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden over de hele wereld werden verspreid (diaspora). In die tijd werd echter het gedeelte van Mat.24:29-31 (Mark.13:24-27; Luk.21:25-27) niet vervuld, namelijk: de wederkomst van de Heer.

Wij die vlak voor de wederkomst leven moeten deze profetische schriftplaatsen nu bezien in de grotere dimensie die ze hebben, namelijk de uiteindelijke en algehele vervulling. Ze hebben nu een relevante betekenis voor enerzijds de Gemeente, die door haar Heer vóór de zevenjarige verdrukking in de lucht zal opgenomen worden naar het vaderhuis, en anderzijds de Joden die tijdensdeze verdrukking tot bekering zullen komen en daarna hun Messias op aarde zullen zien verschijnen. Nu is het beslist zo dat de periode van de Gemeente niets van doen heeft met het Joodse tijdperk, en omgekeerd. In de verdrukkingstijd neemt God de draad met Israël terug op en dan is het gemeente- of genadetijdperk afgesloten. Israël en Gemeente staan op totaal verschillende verbondsgronden. Christenen verwachten hun Heer altijd: de Heer komt voor de belijdende kerk op een uur dat niemand kent. Christenen moeten beslist geen tekenen afwachten en zij zullen de komende Antichrist en de verdrukking geenszins meemaken. Joden echter krijgen tekenen waarnaar zij in de verdrukkingstijd zullen uitkijken als bakens van waarschuwing, attentie en bemoediging.

Joden, Christenen en Volken (Vgl. 1Kor.10:32)

In deze bespreking volgen wij ‘de rede over de laatste dingen’ in de versie volgens Mattheüs. Mattheüs 24-25 laat zich opsplitsen in drie thematische delen die toepasselijk zijn voor Joden, Christenen en de Volken:

1e. Joden: in Mat.24:1-35 zijn alle kenmerken Joods en van toepassing op de Joden.

2e. Christenen: in Mat.24:36 tot Mat.25:30 gaat het over waakzaamheid voor ‘de dag des Heren’ en de voorafgaande komst van de Heer tot zijn bruid, de Gemeente.

3e. Volken: in Mat.25:31-46 gaat het over het oordeel over de Volken, aan het begin van het vrederijk.

De vraag over de laatste dingen

Als we naar Mattheüs 24 kijken, dan zien we in de eerste drie verzen de behandelde onderwerpen van de profetie, overeenkomstig de vragen van Jezus’ discipelen, en dat zijn:

1e. Het tijdstip waarop de tempel zal afgebroken worden.

2e. Het teken van Christus’ komst (Gr. parousia, tegenwoordigheid, aankomst)

3e. Het teken van de voleinding van de “eeuw” (Gr. aionos, tijdperk).

Nu zijn de tempel en de vraag naar tekenen eigen aan de Joden (1Kor1:22; Mat12:38; Joh4:48). We hebben hier te doen met een vraag van de Joden en voorde Joden. Dit heeft niets met de Gemeente te maken, maar alles met Israël. De Gemeente kan er wel wat uit leren, zoals uit de gehele Schrift trouwens (Rom.15:4), maar dat is wat anders dan de profetie rechtstreeks op haar toepassen!

In 70 n.Chr. werd de profetie betreffende de tempel vervuld. Deel II en III van de profetie echter werden toen niet vervuld. Dit komt omdat het gemeentetijdperk nog tussen de Israëltijdperken in geschoven moest worden, als een ent op de edele olijfboom, waarvan tijdelijk takken waren afgebroken. Maar dat was op het moment van de profetie nog een ‘verborgenheid’ (Rom.11:16-25; Ef.3:3-6; Kol.1:24-27). Het begin van de weeën: de eerste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek. Dit gedeelte is niet voor de Gemeente bedoeld want zij moet geen tekenen afwachten maar hun Heer altijd verwachten. Ook de uitdrukking ‘wie zal volharden tot het einde zal behouden worden’ (Mt24:13) kan niet op de Gemeente slaan, want voor hen is behoud geen zaak van eigen volharding. Nergens in het Nieuwe Testament wordt tot christen-gelovigen gezegd dat zij voor hun behoud moeten volharden. Gód is hun volharding (Rom.15:5; 1Kor.1:11)! De kerk, gezien als christelijk getuigenis op aarde (met daarin ware en naamchristenen), wordt gevraagd te waken. De Gemeente wordt ook niet misleid door het optreden van valse christussen. De Gemeente verwacht geen op aarde verschijnende Christus, maar een opname, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes.4:17), naar het Vaderhuis (Joh.14:3). Het gaat hier over Israëlieten die zullen leven ná de opname van de Gemeente. Zij zullen dan pas tot bekering komen en gaan uitkijken naar de (weder)komst van hun Messias. Zij krijgen waarschuwingen te horen opdat zij - in de verdrukkingstijd die dan is losgebarsten - zouden ‘volharden tot het einde’. Zij krijgen o.a. te horen dat dit nog maar een ‘begin van de weeën is’ die over de aarde komen. Deze periode is de eerste halve jaarweek, naar analogie met de tweede helft van deze profetische ‘week’ in Dn9:27. Daarna moet de verschrikkelijke ‘grote verdrukking’ komen. Wat hier wordt beschreven komt overeen met Openbaring 6: de verbreking van de eerste zes zegels. In die tijd wordt niet meer het evangelie van de genade gepredikt, maar ‘het evangelie van het koninkrijk’ (Mat.24:14), en door de Joden (zie de ‘twee getuigen’ in Op11).

De grote verdrukking: de laatste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek

Bemerk goed de Joodse kenmerken: ‘heilige plaats’ (de herbouwde tempel!), ‘Jeruzalem’, ‘zij die in Judea zijn’ en ‘sabbat’. Deze passage heeft geheel niets met de Gemeente van doen, maar alles met de Joden, die in hun land zijn teruggekeerd. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt: de Gemeente wordt niet misleid door valse christussen. Zij ziet niet uit naar een op aarde verschijnende Christus, maar zij verwacht een plotselinge, hemelse opname die zij altijd moet verwachten, onafgezien gebeurtenissen of tijden.

Hier begint de ‘grote verdrukking’. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de ‘week’ in Dan.9:27. Deze is 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), 42 maanden (Op.11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op.12:7-9).

In Dan.12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een ‘gruwel’ zal worden opgericht (Dan.9:27 en 12:11; Mat.24:15; Mark.13:14). Dit is het zichtbare begin van de ‘grote verdrukking’ (Mat.24:21; Mark.13:19; Op.7:14). Dit is de ‘tijd van benauwdheid voor Jakob’ (Jer.30:7; zie ook Dan.12:1).

De wederkomst van Christus op aarde: terstond ná de grote verdrukking

De Heer verschijnt nu zichtbaar voor iedereen die op aarde leeft. Dit is niet bedoeld voor de Gemeente, want hun opname is reeds achter de rug. Bij de opname verschijnt de Heer voor de Gemeente alléén, zijn bruid, wanneer ze wordt opgenomen, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes.4:17). Hier in Mat.24:30 komt de Heer fysisch terug op aarde, op dezelfde wijze als dat hij van zijn discipelen was vertrokken, bij de hemelvaart: ‘En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren’ (Hand.1:10-11). ‘Degenen die Hem doorstoken hebben’ - zie in Op.1:7 - slaat op de Joden, zoals uit Zach.12:10-14 blijkt. Maar bij ‘al de geslachten der aarde’, zoals we hier lezen, kan men naast Israël ook denken aan alle volken van de aarde. Was het immers niet een Romeinse soldaat die Hem feitelijk doorstak? En heeft niet elke bewuste ongelovige Hem eigenlijk doorstoken?

De tijdslijn maakt nu een sprong en loopt verder in Mat.25:31, waar het oordeel over de volken begint. Eerst echter zijn er nog een paar excursies die betekenis hebben voor Israël én de Gemeente.

De gelijkenis van de vijgenboom

‘Wanneer gij al deze dingen zult zien’ (vs.33): zoals betoogd moet de Gemeente geen tekenen afwachten, maar in alle tijden en omstandigheden haar Heer verwachten (Tit2:13; 1Thes.1:10; Fil.3:20). De Schriftplaatsen over de Opname spreken nooit over voorafgaande tekenen: Mat.24:36-44; Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-55; 1Thes.1:9, 10. Deze gelijkenis heeft daarom weer niets van doen met de Gemeente.

De vijgenboom is Israël (vgl. Luk.13:6-9). Uit de vijgenboom-gelijkenis mag Israël leren, dat wanneer zij ‘al deze dingen’ zullen zien gebeuren, de zomer nabij is, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs.33). Het uitlopen van de vijgenboom is in de eerste plaats een beeld van ‘deze dingen’, namelijk de ontwikkelingen die precies gebeuren zoals de Heer ze in zijn rede heeft voorzegd.

Zoals gezegd is de vijgenboom een beeld van Israël. Als de takken van de vijgenboom zacht worden en de bladeren uitlopen, dan betekent dit dat Israël aan een geestelijk ontwaken is begonnen. Dat zal niet gebeuren vóór maar wel ná de opname van de Gemeente. Het gaat hierover niets anders dan ontwikkelingen vlak ná het Gemeentetijdperk, wanneer God de draad met Israël weer opneemt en zij ‘ontwaken’ zullen als een vijgenboom in de lente.

In Luk.21:29-31 spreekt de Heer niet enkel over de vijgenboom maar ook over alle bomen: ook de naties van de eindtijd komen tot ontwaken. Wij zien in onze tijd dat Israël aan een nationale heropstanding bezig is, sinds 1948, maar dat is niet de eigenlijke vervulling van Jezus’ woorden. De woorden van de Heer betreffen het Israël van de eindtijd, ná het Gemeentetijdperk, in de zeventigste jaarweek. In Jezus’ rede van de laatste dingen is eerder een geestelijk ontwaken bedoeld. Wij kunnen in de huidige nationale ontwikkelingen wel een voorbode zien, namelijk dat ook de geestelijke heropstanding niet meer veraf kan zijn, maar de tempel is nog niet herbouwd, de eredienst is nog niet hersteld en de Joden zijn nog steeds ‘verhard’ (Rom.11:25). Als echter (een deel van) Israël geestelijk zal ontwaken dàn is de zomer nabij, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs.33).

Dit geslacht 

‘Dit geslacht’ (vs.34) is het Joodse volk, zowel de tijdgenoten van Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer (vs.30).

‘Dit geslacht’ is niet een periode van één generatie, zoals sommige christenen denken (en ook sekten, zoals de Jehovah-getuigen). De Heer Jezus bedoelt hiermee de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, doorheen de eeuwen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat ‘Al deze dingen zullen geschied zijn’ (vs.34). Dit is de hele periode van de verwerping van Israël en gelijk ook de tussenvoeging van de Gemeente (Rom.11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren: ‘Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ (Rom.11:32-33).

Vergelijk voor de betekenis van ‘dit geslacht’ ook Deut.32:5, 20; Ps.12:8. Zie ook de Appendix, om te zien dat er in de context van Jezus’ woorden geen periode wordt bedoeld maar een ‘verkeerd geslacht, een ongelovig volk.

Geen berekeningen maken 

Een belangrijk argument hierbij is hetgeen staat in M24:36: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.’ Deze Schriftplaats mogen we niet uithollen door te gaan beweren dat één geslacht gelijk staat aan één generatie, of nog erger: één geslacht = 40 jaar. Nu ishet wel zo dat de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. binnen zo’n tijdvak is te plaatsen, achteraf bekeken, maar dat betekent niet dat wij zo mogen berekenen. Trouwens, in 70 n.Chr. werd de profetie niet vervuld want ‘die dag’, of ‘de dag des Heren’, en ‘de wederkomst des Heren’ is toen niet gebeurd.

Trouwens, wáár zouden wij de berekening van ‘één geslacht’ in de eindtijd moeten starten? 1948, 1967, 1973, 1980 ...? En ten aanzien van wie? De Joden? Maar die worden pas geestelijk hersteld in de verdrukking en dan pas geldt de gelijkenis van de vijgenboom. De Gemeente? Die hoort niet naar tekenen te zien maar moet de Heer altijd verwachten. Er als we dan al ergens een startdatum (eigenmachtig) zouden gevonden hebben, dan laat het woord van de Heer in Mat.24:36 zeker niet toe van 30 of 40 jaar af te tellen tot alles zou zijn geschied. Neen, berekeningen maken is voor ons uit den boze! Slechts in de verdrukkingstijd zullen de Joden twee keer 3,5 jaar of 1260 dagen kunnen aftellen, daarnaast geholpen door zichtbare tekenen. Tekenen en berekenen is voor de Joden, en de Joods bedelingen, maar de Gemeente heeft daar helemaal niets mee te maken.

De Zoon des mensen komt op een onbekend tijdstip

Dit gedeelte kan onmogelijk op Israël van toepassing zijn. Hier is geen sprake meer van uitkijken naar tekenen, maar van een onbekend tijdstip waarop de Heer komt. Dit is de komst voor de Gemeente. Daarachter ligt er nog een bekend tijdstip waarop de Heer komt, voor Israël en de overblijvende volken, aan het eind van de grote verdrukking. Daartussen liggen de zeven jaren van de 70e. jaarweek of de ‘Dag des Heren’.

Van die onbekende dag waarop de Heer zijn Gemeente ophaalt en aanstonds de ‘Dag des Heren’ begint, staat er: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen’ (Mat.24:36). Dit is niet Jezus’ zichtbare komst op het einde van de grote verdrukking, want dat is een bekende dag. Men kan na de opname zeven jaren op de kalender uitzetten. En als men dat toch nog te riskant vindt: als de ‘gruwel der verwoesting’ (Mat.24:15) in de tempel komt te staan, dan kan men beslist 3,5 jaar (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14), of 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), of 42 maanden (Op.11:2; 13:5) op de kalender uitzetten om precies te weten wanneer de Heer komt.

Het onbekende tijdstip van Jezus’ komst (Mat.24:36), is niet alleen onbekend voor ongelovigen maar ook voor gelovigen, ja zelfs voor de Zoon des mensen. Dit moeten we goed onderscheiden van Jezus’ komen ‘als een dief’ (1Thes.5:2; 2Petr.3:10; Op.3:3; 16:15), namelijk voor degenen die niet waakzaam zouden zijn of in ongeloof vertoeven. Voor dezen komt de Heer altijd als een dief, maar gelovigen zijn altijd waakzaam: zij houden er altijd rekening mee dat de Heer vandaag nog kan komen, en zij leven er helemaal naar toe, ook al weten zij ‘dag nog uur’.

De wereld zal erg verrast worden door de plotselinge opname van de Gemeente. In die tijd zullen zij hun gewone gangetje gaan en eten, drinken, huwen … alsof er niets aan de hand is. Er is in de passage geen sprake van een grote verdrukking maar eerder van een relatieve vrede! Niemand had ermee gerekend dat er zo’n ingrijpende gebeurtenis zou plaatsvinden. Als gevolg daarvan worden zij nu verrast door de plotselinge wegname (opname) van vele mensen, waarbij zelfs familieleden. Daarop komt de hele wereld in beroering en de verdrukkingstijd begint.

De tekst van Mat.24:37-41 luidt volgens een aantal Bijbelvertaling 'de één zal aangenomen worden en de ander zal verlaten worden'. NBG en HSV hebben: 'aangenomen' en 'achtergelaten' De TELOS-vertaling (Voorhoeve) heeft hier terecht ‘meegenomen’ en ‘achtergelaten’. Omdat het hier om een eindoordeel en het begin van het vrederijk gaat, betekent ‘meenemen’ hier: wegrukken door het oordeel; en ‘achterlaten: op aarde laten, opdat de betreffende gelovigen het vrederijk kunnen binnengaan.

Ouweneel schrijft in zijn ‘Jeruzalem, de stad van de grote Koning’ over dit gedeelte: ‘Zo zien we dus dat bij de wederkomst van de Heer het overblijfsel zal worden verlost, maar het goddeloze volk zal worden verdelgd. Deze tegenstelling winden we ook in de woorden van de Heer in Mat.24:37-41. Daar wordt het volk vergeleken met mensen in de tijd van Noach. Ook toen was de grote massa ongelovig; zij vierden feest zonder zich iets van God aan te trekken. Alleen Noach wandelde met God. Toen kwam het oordeel dat de goddelozen verdelgde, maar de rechtvaardigen werden behouden in de ark, dat is Christus (1Petr.3:20v.). Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Het volk zal uiteenvallen in twee groepen: zij die worden weggenomen door het oordeel (de vertaling ‘aangenomen’ is hier onjuist) en zij die zullen achterblijven om het koninkrijk te beërven. Overal worden de goddelozen door het oordeel weggejaagd, het ware volk van God dat het land zal bezitten in zijn volle uitgestrektheid van Gen.15:18 (zie Ps.37:9-11,20,28v.,34).’

Pentecost zijn visie sluit daarbij aan want we lezen in Things to Come pag.162 het volgende:

‘Again, this passage is in that discourse in which the Lord outlines His program for Israël, who is already in the tribulation period. The one is taken is taken to judgment and the one left is left for the millennial blessing. Such is not the prospect for the church.’

De dag des Heren begint dus wanneer Hij Zijn gemeente onverwachts opneemt (1Kor.15:51-52), vóór alle oordelen die over de wereld komen. De opname op zich is reeds een oordeel, voor de naamchristenen en ongelovigen die achtergelaten worden. De Heer redt zijn Gemeente echter van de komende toorn (1Thes.1:10; 5:9), de grote verzoeking (Op.3:10,11). In Op 4 en 5 zien we de opgenomen Gemeente vertegenwoordigd in de 24 oudsten. Wanneer in Op 6 de verdrukkingstijd losbarst is er geen sprake meer van de Gemeente. In Op 1 tot 3 komt de naam ‘Gemeente’ 19 maal voor; daarna niet meer, dan is alles terug kenmerkend Joods: het Gemeentetijdperk is voorbij.

Deze komende ‘toorn’ is niet de hel. Van de hel waren de Thessalonikers reeds gered; daartoe hadden zij zich bekeerd (Joh.5:24; Rom.8:1). De ‘toorn’ is hetgeen beschreven staat in Jes.61:2; Rom.2:5; 1:18, 24-28; 5:9; Op.6:17;11:18; 15:1. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (zie Op.5) vanaf Op.6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn. Het verschijnen van de Antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dan.9:27; 2Thes.2:9-12; Op.6:1, 2). Deze toorn duurt de volle zeven jaar, de zeventigste jaarweek. Dit alles is de “Dag des Heren” (2Thes.2) en dat wordt de Gemeente bespaard.

De opname van de Gemeente (2Thes.2), de tempel van de Heilige Geest, geeft aanleiding tot het uitbreken van de verdrukkingstijd die overeenkomt met de laatste jaarweek in Daniël 9. God neemt dan de draad weer op met Israël (Rom.11). Israël zal geestelijk opstaan en alle gebeurtenissen voltrekken zich zoals de Heer die heeft voorzegd. Uit die vervullingen kan Israël opmaken dat de Messias en Zijn vrederijk nabij is, voor de deur. Met het boek Daniël of Openbaring kunnen zij dan zelfs precies berekenen wanneer hun Heer komt.

Drie gelijkenissen over de periode van de Christenheid

In de volgende gelijkenissen staat enerzijds deafwezigheid van de Heer en anderzijds Zijn komst voor de Gemeente centraal. Ze handelen over verantwoordelijkheid, waakzaamheid, beloning en oordeel. Dit is de ingeschoven periode van de Gemeente, en de belijdende Christenheid in het algemeen. We lezen niets over de verdrukkingstijd, Judea, Jeruzalem of tempel. Het gaat hier niet over een dienst die met Israël en de heilige plaats in verbinding staat, maar over de dienst in het geestelijke huis van God (1Petr.2) waarvan alle christenen deelnemen. We zien in de beloning van de trouwe slaaf dat dit niet op Israël kan slaan, want Israël wordt niet gesteld over al Jezus’ bezittingen, maar christenen zijn mede-erfgenamen. De verklaring van de gelijkenissen laat ik voorlopig achterwege want dit valt buiten de huidige scope.

Het oordeel over de volken

Dit gedeelte vindt rechtstreeks aansluiting bij Mat.24:31 alwaar sprake is van het bijeen vergaderen van de uitverkorenen, de getrouwe Joden. Hier echter worden de volken verzameld en gescheiden als schapen en bokken. De troon die we hier zien is deze van bij het begin van het duizendjarig vrederijk. Alle nog levende volken worden ervoor verzameld. Zij worden beoordeeld over de manier waarop zij de predikers van het Koninkrijk hebben behandeld (Mat.24:14). Dit mogen we niet verwarren met de ‘grote witte troon’ uit Op.20:11, die helemaal aan het eind van het duizendjarig vrederijk komt, en dan zullen ook de doden geoordeeld worden.

Appendix: Uitverkorenen

In Mattheüs 24:22 vinden we de uitdrukking ‘de uitverkorenen’ in het Grieks ‘eklek’tos’ wat je zou kunnen vertalen als ‘uitverkoren door God’. Sommigen uitleggers passen dit toe op christen-gelovigen om zo hun uitleg dat het in Mattheüs 24 over christenen gaat te onderbouwen. Het woordje ‘uitverkorenen’ c.q. uitverkoren’ wordt in Gods Woord op vele plaatsen gebruikt bijvoorbeeld voor de Messias (Jes.42:1) en het volk Israël (Jes.43:20). Om op grond van dit woordje te beweren dat het in Mattheüs 24 om christenen gaat is ongegrond.

Appendix: De uitdrukking geslacht

Volledige opzoeking in het Nieuwe Testament van de Statenvertaling 1977. Uit de opzoeking volgt dat de uitdrukking ‘dit geslacht’, in Mat.24:34, Mark.13:30 en Luk.21:32, enkel refereert naar het Joodse volk als zodanig, niet een periode van één generatie. Zelfs Heb.3:10 heeft het niet over één generatie, maar over de weerspannige Joden.

Zie hierna de context van de uitdrukking ‘dit geslacht:

1. De uitdrukking ‘dit ... geslacht’

Mat.11:16 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 12:41,42,45 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:21 (demonen); 23:36 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Mt24:34 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Mark.8:12 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 9:29 (demonen); Mar.k13:30 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Luk.7:31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 11:29 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 30 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 32 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 50-51 (ongelovige Joodse volk); 17:25 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Luk.21:32 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Hand.2:40 (ongelovige Joden in de tijd van Pinksteren)

Heb.3:10 (ongelovige Joden in de woestijn)

Maar ook de uitdrukking ‘geslacht’, zonder aanwijzend voornaamwoord (die/dat) wordt gebruikt. Merk dan op dat enkel Mat.1:17 van ‘generaties’ spreekt, als voortplantingsreeks binnen een familie, met name binnen het geslachtsregister van Jezus Christus. Dit staat echter geheel buiten elke betekenis van ‘geslacht’ in de rest van het Nieuwe Testament, en kan dan ook niet gelieerd worden aan de betekenis van ‘dit geslacht’.

Zie hierna de betekenis van de uitdrukking ‘geslacht’:

2. De uitdrukking ‘geslacht...’

Mat.1:1 (familie); Mat.1:17 (voortplantingsreeks binnen een familie); 12:39 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:4 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:17 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 19:28 (stammen van Israël); 24:30 (volken)

Mark.8:38 (zondige mensheid); 9:19 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Luk.1:48,50 (alle mensen van alle tijden); 1:61 (familie); 2:4 (familie); 9:41 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:8 (groep van de gelovigen); 22:30 (stammen van Israël)

Hand.3:25 (mensen van alle tijden); 4:6 (familie); 7:13,14,19 (familie); 8:33 (afkomst); 13:26 (familie); 17:26,28,29 (genus); 26:7 (stammen van Israël)

Gal.1:14 (mensen van eenzelfde leeftijdsgroep)

Ef.3:15 (familie); 3:21 (alle mensen van alle tijden)

Fil.2:15 (zondige mensheid); 3:5 (volk Israël)

Kol.1:26 (mensen van alle tijden)

1Tim.1:4 (afkomst)

Tit3:9 (afkomst)

Heb.7:3,6 (afkomst)

1Pt2:9 (groep, volk)

Op.1:7 (alle mensen in de tijd van de wederkomst); 5:9 (mensen van alle tijden); 7:4-8 (volk Israël); 7:9 (mensen van alle volken); 11:9 (mensen van alle volken); 13:7 (mensen van alle volken); 14:6 (mensen van alle volken); 21:12 (stammen van Israël); 22:16 (familie)

Conclusie

De Schriftuurlijke conclusie kan niet anders zijn dan dat de uitdrukking ‘dit geslacht’ (Mat.24:34, Mark.13:30 en Luk.21:32), enkel te maken heeft met het Joodse volk als zodanig en niet een bepaald tijdperk van één generatie. Pas ná het Gemeentetijdperk, en niet ervóór, zal God de draad met Israël terug opnemen: in de verdrukking. Dan pas wordt Israël geestelijk hersteld en komen zij tot bekering. Vóór deze verdrukking moeten wij niet ‘één generatie’ van Israël afmeten. Pas in de verdrukking zullen de tekenen der tijden duidelijk worden.

Vóór de verdrukking is er slechts één belangrijke gebeurtenis, en gelijk ook een teken voor Israël en de wereld: de opname van de Gemeente. Dit zal als een totale verassing komen en aanleiding geven tot de verdrukking.

Wel is het waar dat het ‘wereldtoneel’ voor de aanstaande gebeurtenissen in onze tijden wordt opgezet, zowel met betrekking tot de volken, de (moslim)vijanden van Israël, de oprichting van de staat Israël, de terugkeer van Joden, het gedeeltelijke bezit van Jeruzalem, enz. Maar dit is niet het ‘begin van de weeën’ (‘beginsel der smarten’ - Statenvertaling) van Mat.24:8, waarbij de tekenen der tijden duidelijk worden voor de Joden, en die hen ook tot bekering zullen leiden.

Vóór de verdrukking is er beslist geen tijdperk van ‘één generatie’ van Joden waarop ook maar iets van de rede der laatste dingen van de Heer van toepassing is. De Gemeente heeft die tekenen niet nodig, en Israël zou ze in haar onbekeerde toestand niet kunnen zien. Er zijn wel twee perioden met tekenen over de laatste dingen: 1e. de periode 33-70 n. Chr. en 2e. de ‘zeventigste jaarweek’ (de verdrukking).

Zoals reeds betoogd moeten wij vóór de Opname geen tekenen der tijden verwachten, noch voor de Gemeente, noch voor Israël. De Schrift wijst eerder op het tegendeel: het leven gaat zijn gewone gangetje totdat plots de Gemeente wordt opgenomen (Mat.24:38). Daarna zal het Joodse volk de tekenen zien die haar toebehoren, en tot bekering komen.

Nagekomen opmerking

1e. Als we ervan uit gaan dat het in Mattheüs wel over christenen zou gaan dan moeten we ons afvragen hoe het zal gaan op het moment dat de Heer Jezus komt. Is er dan een opname? Gaat jood en christenen het Vrederijk binnen? Wat blijft over van de bijzondere roeping en positie van de gelovigen van de Gemeente?

2e. Op grond van welke tekst uit Mattheüs 24 baseren zich hen die leren dat het hier om christenen gaat?

3e. Is het voldoende om op grond van één woordje (de uitverkorenen’ vs.22) de visie te baseren dat daarmee christenen bedoeld worden?

4e. Als geen ‘opname’ is en maar één (weder)komst van Christus dan is een verdere openbaring van het geheimenis van de komst van Christus door Paulus totaal overbodig want Jezus’ zichtbare komst op de Olijfberg is voldoende omschreven in het Oude Testament.

Enkele aangehaalde werken:

The Bible Exposition Commentary NT

Things to Come, Pentacost, J.D..

De openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Verder nog de website van Marc Verhoeven

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Pre-Wrath Rapture - ‘Mijn heer blijft uit!’

Deel 8

 

 

 

 

Voorwoord

Voor zover ik weet is de boze slaaf de enige die niet gelooft in de nabije wederkomst van de Heer Jezus omdat hij in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft uit…’. Dat tekent ook zijn houding, want ‘hij begint zijn medeslaven te slaan en eet en drinkt met de dronkaards…’ (Mat.24:49). Alle andere getuigen verwachten de aanstaande komst van de Heer Jezus; ze zien er zelfs naar uit! Deze gedachte meen ik terug te vinden in de leer van Rosenthal, waar voor de imminente komst van de Heer Jezus geen plaats is. Erger nog, hij weet bijna exact wanneer de Heer komt! Wat een voorrecht te geloven in de belofte van de Heer Jezus die ons de belofte heeft gegeven dat Hij ons zal redden van de komende toorn, omdat God ons niet heeft bestemd tot toorn’ (1Thes.1:10; 5:9). De leer van Rosenthal is funest voor veel gelovigen die belast worden met de idee dat ze alle oordelen van de eerste helft van de laatste laatste jaarweek moeten doormaken en als ‘kers op de taart’ ook nog door de Grote Verdrukking moeten. Wat een vooruitzicht! Logisch dat je dan zou wensen dat de Heer uitblijft…!

Inleiding

Wat verstaan we in de eschatologie (leer van de laatste dingen) onder imminentie? De meest gangbare verklaring van het woord is: boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. In de eschatologie wordt het gebruikt door hen die het pretribulationisme aanhangen en geloven dat de wederkomst van Christus voor de Gemeente (de zgn. Opname) spoedig kan gebeuren en wel zonder voorafgaande tekenen. ‘Perhaps Today!’

De doctrine van de imminentie

Aan Israël zijn tekenen gegeven die aan de (tweede zichtbare komst van Christus zouden voorafgaan opdat ze in de verwachting van zijn komst zouden leven als die tekenen in vervulling gaan. Dag en uur blijven wel voor het volk Israël verborgen, maar door de tekenen die geschieden kunnen ze toch een redelijk vermoeden hebben van de tijd van de komst van de Messias.

Aan de Gemeente zijn geen tekenen gegeven. De Gemeente leefde en leeft in de verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus om hen te brengen in zijn heerlijkheid (Joh.14:2-3; 17:24; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 2Petr.3:3-4). Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:6, Titus 2:13 en Openbaring 3:3 roepen de gelovigen op om uit te zien naar de komst van de Heer Jezus en niet uit te zien naar bepaalde tekenen. Het is natuurlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die voorafgaan aan de laatste jaarweek, zoals beschreven in Daniël 9, en waarvan de vervulling beschreven is in het boek Openbaring vanaf hoofdstuk 4-19, hun schaduw vooruitwerpen, maar nergens worden de gelovigen opgeroepen om op deze gebeurtenissen te letten, wel om hun aandacht te vestigen op de altijd aanwezige mogelijkheid van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus.

Enkele Nieuwtestamentische teksten

1 Korinthe 1:7 zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heer Jezus Christus verwacht.

1 Korinthe 4:5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen, aan het licht zal brengen, en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.

1 Korinthe 15:51 Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

1 Korinthe 15:52. in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden.

1 Korinthe 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha!

1 Thessalonicenzen 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Titus 2:13 in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.

Jakobus 5:7 Heb dan geduld, broeders, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht de op de kostelijke vrucht van het land en heeft er geduld mee, totdat deze de vroege en late regen ontvangt.

Jakobus 5:8. Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij.

Jakobus 5:9. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.

1Johannes 2:28 En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst.

Openbaring 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Openbaring 22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Openbaring 22:12 Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is.

Openbaring 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Heer Jezus!

Stemmen uit het verleden

Hoewel de eschatologie in het vroege Christendom nog niet op alle punten duidelijk was, was de onmiddellijke wederkomst van Christus voor de gelovigen geen punt van discussie. De vroege kerkvaders, o.a. Eusebius, maar ook de hervormers Luther, Calvijn, John Knox en Latimer waren die mening toegedaan.

Luther: ‘Laten we niet denken dat de komst van de Heer veraf is. Laten we de hoofden opheffen en laten we onze Verlosser met verlangen verwachten’.

Calvijn: ‘De schrift is eenduidig in het verlangen naar de komst van de Heer’.

Knox: ‘De Heer zal terugkeren en dat met spoed’.

Latimer: ‘Misschien kan Hij komen in mijn dagen, zo oud als ik ook ben, of in de dagen van mijn kinderen’.

Cyprian, die leefde rond het jaar 200, zegt: ‘We zouden onszelf tegenspreken en ongeloofwaardig zijn wanneer we zouden bidden: dat Uw koninkrijk spoedig mag komen, en tegelijk verlangen naar een lang leven hier op aarde!’

Doorheen de achter ons liggende eeuwen is het getuigenis van de apostolische kerk, talloze kerkleiders en andere Christenen duidelijk, ze geloofden in een imminente onmiddellijke komst van Christus. Hieronder een beknopte opgave.

-Tussen de tijd van de apostelen en het concilie van Nicea (325 n.Chr.) zijn het Papias, Irenaeus, Justin Martyr, Tertullian, Hippolytus, Methodus, Commodianus en Lactantius.

-In de zestiende eeuw Johannes Calvijn en William Tyndale.

-In de zeventiende eeuw de Puriteinen, de Covenanters en de Westminster Confession.

- In de achttiende eeuw George Whitefield, John Wesley en Thomas Coke.

-In de negentiende eeuw de Plymouth Brethern (Darby e.v.a.) en Charles H. Spurgeon.

Het getuigenis van Charles Haddon Spurgeon (De prins der Predikers)

Spurgeon schrijft in zijn ‘Twelve Sermons on the Second Coming of Christ, pag.137-38 het volgende: ‘Broeders, op dit punt wil ik oprecht zijn, want het idee van het uitstel van de komst van Christus is altijd schadelijk, hoe u er ook uitkomt door profetie te bestuderen, of op een andere manier ... Denk daarom niet dat de Heer zijn komst uitstelt, en dat hij nog niet wil of kan komen. Veel beter zou het voor u zijn om op de uitkijk te staan, en teleurgesteld te zijn te denken dat hij niet komt ... Hij zal op zijn eigen tijd komen, en we moeten altijd uitkijken naar Zijn verschijning' En verder vanaf pagina 140 nog het volgende: ‘O, geliefden, laten we elke ochtend proberen op te staan alsof dat de ochtend is waarop Christus zou komen; en als we 's avonds naar bed gaan, mogen we dan gaan liggen met de gedachte: 'Misschien word ik gewekt door het geluid van de zilveren trompetten die zijn komst aankondigen. Voordat de zon opkomt, kan ik uit mijn dromen worden opgeschrikt door de grootste van alle kreten: 'De Heer is gekomen! De Heer is gekomen!' Wat een uitzicht, wat een aansporing, wat een teugel, wat een aansporing, zulke gedachten zouden bij ons aanwezig moeten zijn! Neem dit als leidraad je hele leven. Doe alsof Jezus zou komen tijdens de handeling waarmee je bezig bent; en als u niet in die handeling betrapt wilt worden door de komst van de Heer, laat het dan niet uw handeling zijn’. Tenslotte nog op blz.140 het volgende: ‘Mensen van de Tabernakel, u bent klaar om vanavond te kijken zoals zij deden in de dappere dagen van weleer! De mannen van Whitefield en Wesley waren toeschouwers; en degenen die vóór hen waren, in de dagen van Luther en Calvijn, en zelfs terug tot in de dagen van onze Heer. Ze hielden de wacht in de nacht, en jij moet hetzelfde doen, totdat 'Beginnend met de middernachtelijke roep: 'Zie je hemelse Bruidegom is nabij' ga je eropuit om je terugkerende Heer te verwelkomen'

Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen. Er is altijd een verwachting geweest op een spoedige komst van de Heer ook in hun tijd.

Tegenwerpingen

Tegenstanders van het geloof in een onmiddellijke en spoedige komst van de Heer voeren daarvoor o.a. de volgende argumenten aan. De aankondiging van de verwoesting van de tempel (Luk.21:20), de zendingsopdracht om het Evangelie te prediken in de gehele wereld (Matth.28:19-20), het sterven van de apostel Petrus zoals vermeld in Johannes 21:19, dat zou moeten voorafgaan aan de terugkeer van de Heer, de belofte die de Heer Jezus gaf aan Johannes dat hij zou blijven totdat Hij zou komen (Joh.21:22), de opdracht die aan de apostel Paulus gegeven was om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18). De geschiedenis van de Kerk zoals die zich zou ontwikkelen volgens Openbaring 2 en 3, maakten volgens tegenstanders het geloof in een onmiddellijke en spoedige terugkeer van de Heer onmogelijk. Eerst moesten deze dingen gebeuren, anders kon de Heer Jezus niet terugkeren, zo stelden zij.

Antwoord

De hierboven vermelde argumenten falen hierin, dat de personen over wie het gaat zelf geloofden dat de normale gang van zaken zou kunnen worden onderbroken door de komst van de Heer.

Petrus: tot wie de Heer had gezegd dat hij door zijn dood Christus zou verheerlijken (Joh.21:18-19) en toch moedigt hij zijn lezers aan met de woorden: ‘Omgord daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13).

Paulus: had de taak ontvangen om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en toch roept hij de gelovigen voortdurend op, met het oog op de komst van de Heer een heilig leven te leiden (Tit.2:11-13; 1Kor.15:51; Fil.3:20; 1Thes.1:9-10, 4:17-18).

Johannes:tot wie de Heer had gezegd dat‘hij zou blijven tot de komst van de Heer’ (Joh.21:22), getuigt toch in zijn eerste brief: ‘Kinderen, het is het laatste uur en zoals u gehoord hebt dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18).

De apostelen: hadden de grote opdracht te horen gekregen om het evangelie wereldwijd uit te dragen (Matth.28:19) en toch lieten ze niet na de gelovigen te vertellen over de nabije komst van de Heer.

De vroege kerk riep de gelovigen toch op de Heer te verwachten (Openb.22:7, 12, 20). En in Eusebius’ kerkgeschiedenis vinden we veel vermeldingen van gelovigen die in zijn tijd leefden en getuigenis gaven van de spoedige komst van de Heer Jezus. Dat is des te opmerkelijker omdat Eusebius, die leefde van 260-340, een tegenstander van het chiliasme was

Nogmaals: Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen.

Zoals gezegd houden de tegenwerpingen er geen rekening mee dat God de vrijheid heeft en bij machte is om een aangekondigd ‘programma’ te wijzigen. Nemen we als voorbeeld de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden in Mattheüs 21:33-46, waar het oorspronkelijke plan van God was dat zijn Zoon koning zou worden, maar teniet gedaan werd doordat landlieden de erfgenaam verwierpen en doodden. De verwachting van de heer des huizes was dat ze zijn zoon zouden ontzien en hem zouden aanvaarden. ‘Maar toen de landlieden echter zijn zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hebben doden. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’. Op dat moment gaat het oorspronkelijke plan van God een andere richting op, want: ‘het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.’ Hier zien we dat een definitieve verandering plaats heeft gevonden. Een ander voorbeeld waarin een mogelijke verandering wordt aangekondigd is Handelingen 3:19-21, waar Petrus het volgende zegt: ‘Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van de verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher.’ We zien dus dat een verandering in het eerdere plan van God erin zou hebben geresulteerd dat, als het Israëlische volk massaal de Messias zou hebben aangenomen, het Vrederijk zou zijn aangebroken en er geen sprake zou zijn geweest van een Gemeente uit de volken. De hierboven vermelde tegenargumenten, zoals de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld, de verwoesting van de tempel en het aangekondigd sterven van de apostel Petrus, zouden dan ook niet doorgegaan zijn.

Samenvatting

Hoewel de argumenten die door de tegenstanders zijn aangevoerd, op het eerste gezicht overtuigend lijken, blijkt bij nader onderzoek dat ze de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan en daarom dienen te worden afgewezen. Rosenthal moet de imminente terugkeer van de Heer Jezus wel wegredeneren vanwege zijn visie van de ‘opname’ ná de Grote Verdrukking en vóór de dag des Heren c.q. de toorn van God.

_________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture – De Opname vóór de Toorn van God?

 

Deel 9

 

 

 

Kort overzicht

Voordat we in dit artikel ingaan op een aantal bezwaren tegen de Pre-Wrath doctrine geven we hieronder nog eens een kort overzicht van de inhoud van die visie, zoals dat door Rosenthal is ontwikkeld en beschreven in zijn gelijknamig boek.

De stelling dat de Opname zal plaatsvinden vóór de Dag des Heren, houdt in dat de zeventigste Jaarweek vermeld in Daniël 9, uit drie delen bestaat.

(1) Het eerste deel van de laatste (zeventigste) jaarweek bestaat uit het ‘begin van de weeën’ (Mat.24:4-8), of ook wel de eerste vier zegels (Op.6:1-8).

(2) Het tweede deel bestaat uit de Grote Verdrukking (Mat.24:21) respectievelijk het vijfde zegel (Op.6:9-11). De Grote Verdrukking begint in het midden van de laatste jaarweek en zal ergens tussen het midden en het einde ervan eindigen. Het zesde zegel gaat gepaard met grote kosmische gebeurtenissen en een grote aardbeving en is bedoeld als een ‘wake up call’ voor de ongelovigen, dat hen duidelijk moet maken dat de derde afdeling, de Dag des Heren, spoedig zal beginnen (Op.6:12-17). De Gemeente, de grote schare uit Openbaring 7:9-17, zal tussen het zesde en zevende zegel van de aarde weggenomen worden (ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren), wanneer Christus bij zijn tweede komst in heerlijkheid van de hemel neerdaalt. Daarom zal de Opname samenvallen met Jezus’ tweede komst.

(3) Het derde gedeelte van de zeventigste jaarweek bestaat uit de Dag des Heren. Deze dag begint met het verbreken van het zevende zegel (Op.8:1) en duurt tot aan het einde van de zeventigste jaarweek. Maar de Dag des Heren zal niet beginnen voordat het zevende zegel verbroken wordt ergens tussen het midden en het einde van de zeventigste jaarweek. Het begin van de weeën (zegels 1-4) en de Grote Verdrukking (vijfde zegel) zijn geen uitingen van Gods toorn. Ze zijn volledig gekenmerkt door menselijke toorn en handelen. Zo zal er tijdens de eerste helft en een deel van de tweede helft van de zeventigste jaarweek geen toorn vanwege God zijn. De toorn van God zal niet eerder beginnen dan tussen het midden en het einde van de laatste jaarweek met het openen van het zevende zegel waarmee de Dag des Heren begint. De Gemeente zal op aarde door de gehele eerste helft van de zeventigste jaarweek en door de Grote Verdrukking heen moeten gaan. Dat betekent dat zij bloot zal staan aan de menselijke toorn, maar ook aan de activiteiten van de Antichrist, wiens macht zich in het begin van de weeën (de eerste vier zegels) en in de Grote Verdrukking zal openbaren. De Gemeente zal de toorn van God niet meemaken. Ze zal van de aarde worden weggenomen, voordat de Dag de Heren begint. Daardoor zal de Gemeente een Opname vóór Gods toorn ervaren.

Tot zover, in het kort, de visie van Rosenthal over het tijdstip van de Opname. Wat Rosenthal onder de Opname verstaat, daarvoor veerwijs ik u naar eerdere artikelen in deze reeks.

Problemen met Rosenthals standpunt

Het uitgangspunt dat de Opname van de Gemeente zal plaatsvinden vóór de toorn van God roept echter een aantal problemen op:

1. De Grote Verdrukking en de Dag van de Heer

Dat standpunt, dat de Gemeente door de Grote Verdrukking moet en vóór de Dag des Heren wordt opgenomen, vereist een fundamenteel onderscheid tussen, én de Grote Verdrukking én de Dag des Heren. Het vereist dat er geen overlapping is tussen deze twee gebeurtenissen, en dat de Grote Verdrukking uitsluitend uit menselijke toorn bestaat, want de toorn van God wordt pas onthuld ná de Grote Verdrukking en vóór de Dag des Heren en dat de Bijbel op geen enkel moment de Grote Verdrukking met de toorn van God in verbinding brengt.

De vraag is of dit standpunt juist is? Om dat te kunnen vaststellen dienen we, op grond van Gods Woord, op drie vragen antwoord geven:

(1) De Bijbel laat ons zien dat zowel de Dag des Heren (Joël 2:1-2) en ook de Grote Verdrukking (Dan.12:1; Mat.24:21) een ongeëvenaarde periode van oordeel is. Dat er maar één zo’n uitzonderlijke periode kan zijn, geeft aanleiding tot de conclusie, dat de Grote Verdrukking niet volledig van de Dag des Heren gescheiden kan en mag worden.

(2) Het is volkomen duidelijk dat de toorn van God veel erger is dan toorn van menselijke kant. Hoe kan dan de Grote Verdrukking met het oog daarop, een ongeëvenaarde periode van Verdrukking zijn, als ze uitdrukkelijk aan de menselijke toorn gereserveerd is?

(3) De Schrift verbindt de Grote Verdrukking met de Dag van Gods toorn, de Dag des Heren. Hetzelfde Hebreeuwse woord, dat de Verdrukking of benauwdheid uitdrukt, wordt gebruikt voor de Grote Verdrukking (Dan.12:1) alsook voor de Dag des Heren (Zef.1:14-15). Paulus verbindt de Verdrukking met de Dag van de toorn en de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God (Rom.2:5-9)

2. Het zesde zegel

De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden vóór de toorn van God, neemt aan dat het zesde zegel een voorbode en waarschuwing is voor de ongelovigen en dat de Dag des Heren spoedig beginnen zal. Maar Paulus leert ons, dat de Dag des Heren zal komen als een dief in de nacht (1Thes.5:2). Precies zoals een dief zijn slachtoffer geen waarschuwing vooraf geeft, zo zullen ook de ongelovigen geen waarschuwing krijgen, als de Dag van de Heer begint.

3. De grote schare

De opvatting, dat de Opname zal plaatsvinden voor de toorn van God, laat zien dat de grote schare die bestaat uit mensen uit elke natie en alle geslachten en volken en talen de Gemeente voorstelt (Op.7:9). Kort voordat de toorn van God uitbreekt én met het oog op de tweede komst van Christus, zal in de tijd tussen het zesde en het zevende zegel de Gemeente worden weggenomen. Dit stelt ons voor twee problemen:

(1) Eén van de vierentwintig oudsten geeft aan, op de vraag wie deze mensen zijn, als antwoord, dat die mensen, die deel uitmaken van die grote schare, uit de Grote Verdrukking komen (Op.7:13-14). Dat wil zeggen, dat deze mensen, die deel uitmaken van de grote schare, tijdens de Grote Verdrukking op de aarde zullen zijn. Dat zou dan betekenen dat deze groep slechts een deel van de Gemeente kan zijn, namelijk die tijdens de Grote Verdrukking op aarde leefden. Deze groep bestaat niet uit gelovigen die vóór de Grote Verdrukking leefden en stierven en die dan ook niet binnenkomen. In tegenstelling tot deze visie leert de Bijbel ons, dat alle gelovigen die deel uitmaken van de Gemeente samen als één lichaam tegelijk opgenomen zullen worden om voor altijd bij de Heer te zijn (1Thes.4:15-18).

(2) Het Griekse geeft aan, zoals de oudsten het vaststelden, dat de mensen, die deze grote menigte vormen, niet allemaal tegelijk op een bepaald moment als een groep uit de Grote Verdrukking komen, maar ieder afzonderlijk in de loop van de tijd uit de Grote Verdrukking komen, mogelijk door de dood. Dat is ook in tegenspraak van wat de Schrift zegt hoe de Gemeente van de aarde zal worden opgenomen.

4. De Opname en Christus’ tweede komst

Het standpunt, dat de Opname plaatsvindt voor de toorn van God, zegt dat de Gemeente in verbinding met de tweede komst van Christus weggenomen zal worden. Om die reden zal de opname van de Gemeente geen afzonderlijke gebeurtenis zijn voorafgaand aan de zichtbare komst van de Heer Jezus. Met andere woorden en is slechts één komst van Christus, niet één voor de Gemeente en één voor Israël. In tegenspraak met deze visie leert de Schrift ons dat het verloop van de gebeurtenissen bij zijn tweede komst precies tegenovergesteld zullen zijn, als het verloop bij de Opname. Bij de Opname worden alle gelovigen van de aarde weggenomen om de Heer tegemoet te gaan in de lucht, en alle ongelovigen blijven achter, om daarna de volgende gebeurtenissen op aarde mee te maken. Bij de tweede komst van Christus worden alle levende ongelovigen door het oordeel van de aarde weggevaagd, en alle gelovigen blijven op de aarde, om de volgende gebeurtenis, het duizendjarig Vrederijk, binnen te gaan. Dat is de betekenis van Mattheüs 24:40-41, dat niets met de Opname te maken heeft zoals Paulus dat beschrijft in 1Thessalonicenzen 4:15-17). De Heer Jezus heeft meerdere keren verslag gegeven van het verloop en afloop van de gebeurtenissen van zijn tweede komst. In de gelijkenissen van de dolik (Mat.13:24-30, 36-43) en van het sleepnet (Mat.13:47-50) geeft de Heer aan dat in deze tijd Hij zijn engelen zal uitzenden, om alle dolik (sommigen lezen: onkruid) en de bedorven vissen (de ongelovigen) van de aarde zal wegnemen en ze op een oordeelsplaats, de vuuroven, zal werpen. Maar het tarwe en de goede vissen (de verlosten) worden op aarde gelaten om het Vrederijk binnen te gaan. In Jezus’ rede op de Olijfberg leerde Hij dat het verloop van de gebeurtenissen die onmiddellijk ná de Grote Verdrukking zouden plaatsvinden (Mat.24:21, 29-30), zouden zijn als de dagen van Noach (Mat.24:37-39). Op dezelfde wijze zoals in de dagen van Noach de zondvloed als een goddelijk oordeel alle ongelovigen wegvaagde en de verlosten (Noach en zijn gezin) op de aarde liet, zodat zij een nieuwe periode van Gods handelen konden binnentreden, zo zal het ook bij de tweede komst van de Heer Jezus gaan. De Heer Jezus illustreert dit met twee voorbeelden. Van de twee mensen die op het veld zijn, wordt de ongelovige in het oordeel van de aarde weggenomen, terwijl de andere op de aarde wordt achtergelaten. Van de twee die de molensteen malen, wordt de ongelovige in het oordeel weggenomen, maar de gelovige wordt bij de molensteen achtergelaten (Mat.24:40-41; Luk.17:34-36). Degene die weggenomen worden zullen daarheen gebracht worden, waar de gieren zich verzamelen (Luk.17:37).

5. De nabije komst van de Heer

De opvatting, dat Opname zal plaatsvinden voor Gods toorn, loochent de nabije wederkomst van de Heer Jezus. De imminente komst van de Heer Jezus. In tegenstelling daarmee zijn talrijke bijbelleraars van mening dat hoewel ze zelf niet de mening zijn toegedaan dat de Gemeente vóór de oordelen zal worden weggenomen, toch geloven dat het Nieuwe Testament leert, dat de Heer Jezus elk moment kan weerkomen, ze menen ook dat God ons dat geleerd heeft, opdat wij een Godvruchtig leven zouden leven dat ons dan zou aansporen om strijdvaardig te zijn. In het Nieuwe Testament vinden wij op z’n minst zestien Schriftgedeelten, die ons de onmiddellijke komst van de Heer Jezus leren. (Zie daarvoor deel 9 van deze reeks: ‘Mijn Heer blijft uit’). Eén daarvan is 1 Thessalonicenzen 1:10 dat ons leert dat de gelovigen in Thessaloniki voortdurend in de verwachting leefden van Jezus’ komst en dat dit op elk moment kon gebeuren (vs.9).

6. Het zegel en de heiligen

De opvatting, dat de Opname gebeurt voor de goddelijke toorn, beweert dat de zegels van Openbaring 6 als functie hebben, de gelovigen van de Gemeente die dan op aarde zijn zekerheid of veiligheid te geven. Het is waar, dat zegels die functie hebben, iets te verzegelen, maar we moeten hier op twee dingen letten: (1) Zegels verzegelen alleen die dingen in veiligheid en voorkomen toegang alleen daar, waar ze aangebracht zijn. De zegels waren op het boek aangebracht, die God in zijn hand hield (Op.5:1-9), en ze waren niet aangebracht op mensen. Zo verzegelden de zegels van Openbaring 6 het boek en niet de gelovigen van de Gemeente. (2) Zegels verzegelen alleen maar voor de duur zolang ze intact blijven. Maar Christus verbreekt of opent het zegel en beëindigd daarmee hun functie (Op.6:1).

7. De zegels en de toorn van God

De opvatting, dat de Opname vóór de toorn van God plaatsvindt, betekent dat de dag van Gods toorn niet voor het openen van het zevende zegel kan beginnen (Op.8:1). Daarom is er geen verband met of tussen de toorn van God en de eerste zes zegels, die plaatsvinden in het eerste gedeelte van de zeventigste week. Maar er is ook geen verband met de Grote Verdrukking dan alleen dat de Dag des Heren erop volgt. Met deze eerste zes zegels worden de uitwerkingen van de menselijke toorn beschreven.

(1) Het grootste probleem van deze opvatting bestaat erin, dat het Christus is die de zegels verbreekt en daarmee ruimte geeft aan de gebeurtenissen, die er tot dat moment daar achter schuilgingen. De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden voordat de toorn van God losbreekt, vat dit bezwaar op tweeërlei wijze samen. In eerste instantie wordt beweerd, dat het breken van de eerste zegels (Op.6:1-2) de weg vrijmaakt voor de openbaring van de Antichrist in deze wereld. Maar dan wordt beweerd, dat de Antichrist zeker niet door Christus, maar door Gods grote vijand, Satan, aangedreven en gestuurd zal worden. Zo beweerd met dat zo’n manier van handelen God tegen Zichzelf zou inwerken (vgl. Mat.12:25-28). Zou echter zo’n handelswijze door Christus tot stand worden gebracht, zou het niet tegen de bedoeling en plannen van God zijn, omdat het dan Gods doel zou dienen. Handelde God niet op gelijke manier tegenover Farao vanuit zijn soevereiniteit, toen Hij hem ‘verwekte’ waardoor de Farao het volk Israël in verdrukking bracht (Ex.9:16; Rom.9:17)? Net zoals Hij Farao’s hart verhardde, zodat de Farao weigerde Gods bevel op te volgen om het volk te laten gaan (Ex.9:1,12: 10:1)? Ook verkondigde God (Zach.11:15-17), dat Hij de dwaze, nietswaardige herder (de Antichrist) in de wereld zou brengen, die het volk Israël vanwege haar eigen egoïstische keuzes verwoesten zou (vgl. Dan.9:27: Mat.24:15-23). Bovendien omvat het vijfde zegel (Op.6:9-11) het martelaarschap van de gelovigen. De opvatting dat de Opname zal plaatsvinden vóór de toorn van God aanbreekt, betoogd dat Christus zeker niet de dood van zijn eigen volgelingen zal veroorzaken. Maar toen Christus het vijfde zegel verbrak, zag Johannes niet de aan de martelaarsdood onderworpen gelovigen, maar de ontlichaamde zielen van de gelovigen, de gedood waren, voordat het vijfde zegel verbroken was. De uitdrukking ‘waren geslacht geworden’ geeft aan dat deze groep van gelovigen al gedood waren, voordat Johannes hun zielen onder het altaar zag. Toen Christus het vijfde zegel verbrak zette Hij niet het martelaarschap van zijn eigen volgelingen in gang.

(2) Er is nog een ander probleem in verband met de opvatting dat de Opname gebeurt voordat Gods toorn wordt geopenbaard. Men beweert toch dat de toorn van God tijdens de eerste zes zegels geen invloed heeft. Meerdere Bijbelse gegevens laten ons echter zien, dat deze zegels wel zeker een uitgieting van Gods toorn inhouden en dat begint al bij het eerste zegel. De apostel Paulus leerde dat de Dag des Heren plotseling komen zou - juist op het moment dat de ongelovigen zouden zeggen: ‘Vrede en veiligheid’ (1Thes.5:2-3). De dag des Heren zal ondubbelzinnig op een tijd beginnen, wanneer men er in de wereld van overtuigd is, dat er geen oorlog meer zal zijn. Het vertrouwen van de wereld, dat de tijd van oorlogen voorbij is, wordt door het verbreken van het zesde zegel, ondermijnd. Het zesde zegel maakt echter de weg vrij voor een machtige strijder, die gekenmerkt wordt door – ‘overwinnend en om te overwinnen’ (Op.6:1-2). Het verbreken van het tweede zegel zal de vrede van de aarde wegnemen en de mensen zullen elkaar ombrengen (Op.6:3-4). Verder wordt uit de Schrift duidelijk, dat de oorlogen die de volkeren geregeld voeren vaak als een instrument van Gods toorn gezien worden (Jes.10:5-6; Jer.50:9-13, 25), en dat gebeurt, als de zegels eenmaal verbroken zullen worden (Op.6-20). Het zal voor de wereld geen vrede en veiligheid geven, voordat Christus na zijn tweede komst op aarde het duizendjarig Vrederijk zal hebben opgericht. Rekening houdend met die gebeurtenissen, zal de aanvang van de dag des Heren dan ook samenvallen met de verbreking van het eerste zegel.

Ten tweede zal de verbreking van het derde zegel leiden tot een hongersnood in de wereld leiden (Op.6:5-6). Het is belangrijk te bedenken, dat of God of Christus (één die van de troon temidden van de levende wezens spreekt; vgl. Op.4:6-5:6) deze hongersnood bevolen heeft en de prijs voor de levensmiddelen en de mate van de hongersnood bepaald. De Bijbel leert ons dat hongersnoden ook een uitdrukking kunnen zijn van Gods toorn (Jer.42:17-18; 44:8, 11-13; Ez.5:11-17; 7:14-15).

Ten derde zal een vierde van de wereldbevolking door het zwaard, honger en dood of wilde dieren sterven, wanneer Christus het vierde zegel opent (Op.6:7-8). Door de profeet Ezechiël laat God zeggen, dat Hij als uiting van zijn grimmigheid en zijn boosheid, honger, wilde dieren, pest en het zwaard zenden zal (Ez.5:15-17), en Hij noemt dit een instrument van de dood; ‘Mijn vier kwade gerichten’ (Ez.14:21).

Ten vierde zullen door het verbreken van het vijfde zegel de zielen van de gestorven gelovigen die de martelaarsdood gestorven zijn onder het altaar verschijnen (Op.6:9-11). Op die manier openbaart de verbreking van deze zegels een nieuwe reden waarom de werktuigen van de satan het ‘verdiend’ hebben, dat met de nog overblijvende zegels, bazuinen en schalen nog meer goddelijke toorn over hen zal worden uitgegoten.

Ten vijfde vinden er door het verbreken van het zesde zegel grote beroeringen plaats in het heelal en een grote aardbeving zal plaats hebben (Op.6:12-17). Uit de zwaarte en omvang van die gebeurtenissen kunnen we concluderen, dat het hierbij om een verschrikkelijke uitdrukking van Gods toorn gaat en dat het niet om gebeurtenissen gaat bewerkt door mensenhanden. De reactie van de ongelovigen op deze gebeurtenissen laat ons zien dat ze daarin de uitdrukking van de toorn van God herkennen. Bovendien heeft Jesaja van het zesde zegel geprofeteerd (Jes.2:10-22) en met de Dag des Heren in verbinding gebracht (vs.12). Daarmee brengt hij het zesde zegel met de Dag des Heren in verband. De Heer Jezus heeft die situatie beschreven (Mat.24), die in de wereld vóór de gruwel der verwoesting in het midden van de zeventigste jaarweek gebeuren zal, en Hij noemde die gebeurtenis het ‘begin van de weeën’ (Mat.24:4-8). Het feit, dat de Heer Jezus op deze geboorteweeën vóór de weeën die vóór de gruwel van verwoesting in het midden van de laatste jaarweek plaatsvinden, de aandacht vestigt, laat ons zien dat het begin van de weeën in de eerste helft van de zeventigste jaarweek zullen plaatsvinden. Een vergelijking van het begin van de weeën met de eerste vier zegels in Openbaring 6 laat ons zien, dat het om dezelfde gebeurtenissen gaat. Als dus het begin van de weeën in de eerste helft van de zeventigste jaarweek plaatsvindt moet dat ook gelden voor de eerste vier zegels (Op.6:1-8).

Mal Couch – Lexikon zur Endzeit

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

De Profetische uitleg van Openbaring 2 en 3

Deel 10

 

 

 

Voorwoord

In zijn boek The Pre-Wrath Rapture of the Church beweert de auteur dat de zeven gemeenten vermeld in Openbaring 2 en 3 geen beschrijving zijn van de verschillende perioden van de kerkgeschiedenis of kenmerken van de kerk gedurende alle perioden van haar geschiedenis (blz.34). Ik probeer hieronder een antwoord te geven. De reden dat de auteur (Rosenthal) dat stelt heeft te maken zijn verder onderwijs van de Openbaring waarin blijkt dat hij in de schare vermeld in Openbaring 7 de Gemeente meent te herkennen. Dat deze redenering niet opgaat blijkt wel uit de tekst zelf van Openbaring 7, want daar worden alleen die gelovigen gezien die uit de Grote Verdrukking komen. En dat kan niet de Gemeente zijn, die is groter dan alleen hen die ‘uit de Grote Verdrukking komen’!

Inleiding

Op de vraag of de hoofdstukken 2 en 3 van het Bijbelboek Openbaring een overzicht geven van de kerkgeschiedenis vanaf het ontstaan van de Gemeente (Hand.2) tot aan de Opname kan worden verklaard aan de hand van onderstaande argumentatie. In de meeste Protestantse c.q. Reformatorische theologie wordt voorbijgegaan aan de profetische uitleg en laat met het profetische slechts slaan van hoofdstuk 4 en verder. De hoofdstukken 2 en 3 verklaart men in de traditionele uitleg slechts als een tijdelijke (historische) én praktische uitleg. Dat heeft alles te maken met hun visie op de (vermeende) verbondsleer, visie op Israël en de Gemeente. Binnen de Evangelische traditie is men het er unaniem over eens dat Openbaring 2 en 3 naast de historische en praktische uitleg ook een profetische uitleg mogelijk is. Ik zou geen serieuze bijbelleraar binnen de Evangelische traditie kennen die hieraan voorbijgaat in zijn of haar uitleg over dit Bijbelboek. Men voert daarvoor onderstaande argumenten aan.

Profetische verwijzing naar zeven opmerkelijke toestanden in de kerkgeschiedenis

‘Wat is’ duidt op de hoofdstukken 2 en 3, wat voor Johannes op dat moment tegenwoordige tijd was: de toenmalige zeven gemeenten in Asia. Maar in ruimere, profetische zin omvat ‘hetgeen is’ de hele huidige genadebedeling, die begonnen is op de Pinksterdag en voortduurt tot aan de opname van de ware Gemeente van wedergeboren mensen. De profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3 houdt in dat de zeven brieven een profetische verwijzing vormen naar zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk, vanaf het eind van de eerste eeuw tot aan de opname van de Gemeente, die in Op 4:1 verondersteld is.

Aanwijzingen voor de profetisch-eschatologische uitleg van Op 2 en 3

1e. De woorden in 1:3 “Zalig is hij die leest, en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die bewaren wat daarin geschreven staat”. Door deze woorden wordt het gehele boek Openbaring, en dus ook de zeven brieven, als profetie gekenmerkt. Dit profetische karakter kan niet enkel vanaf Op 4 gelden, maar het geldt ook voor Op 1, waar Christus ons wordt voorgesteld in de profetische gestalte van Dan.7 en 10: de gestalte van de Zoon des mensen die gereed staat om het oordeel uit te oefenen. Evenzo dus moet dit profetisch karakter voor Openbaring 2 en 3 gelden.

De zeven brieven onderscheiden zich daarmee principieel van de andere nieuwtestamentische brieven: deze hebben elke gelovige, in welke tijd hij ook leeft, iets te zeggen. De zeven brieven hebben dat ook wel maar ze geven in het bijzonder profetie! Profetie in de betekenis van apokalupsis, onthulling om ‘om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden’ (1:1). Zoals de rest van Openbaring een schets geeft van de gebeurtenissen die achtereenvolgens in de wereld moeten plaatsvinden, tot aan de zichtbare wederkomst van de Heer, zo schetsen de zeven brieven de ontwikkeling die de Kerk (als getuigenis van God op aarde) doormaakt vóórdat de Heer de zijnen tot Zich neemt (Joh.14:1-3; 1Thes.4:15-18).

2e. Het begrip ‘profetie’ heeft in Openbaring een duidelijk eschatologisch karakter, d.w.z. het heeft betrekking op de toekomstige dingen: ‘om Zijn dienstknechten te tonen wat weldra moet geschieden’ in 1:1 (zie ook 22:6!).

3e. Johannes richt zijn gehele schrijven in één boekrol (Gr. biblion) tot de zeven gemeenten (1:4, 11). Het gehele boek Openbaring is daarom voor hem een ondeelbaar profetisch geheel. Dit onderstreept de opmerking onder Op 1:3, namelijk dat de gehele Openbaring toekomst-onthullende profetie is.

4e. Het is opvallend dat juist deze gemeenten gekozen zijn en dat hun getal tot zeven is beperkt. Er waren in Asia méér gemeenten (Hiërapolis, Kolosse, enz.), maar deze zeven zijn genomen en de andere weggelaten, omdat deze zich in toestanden bevonden die de Heilige Geest nodig had, om ons een volkomen (zeven) afbeelding van de geschiedenis van de christelijke Kerk op aarde te kunnen geven. Het getal zeven speelt een rol: het geeft een volheid, volkomenheid, en een totaalbeeld aan.

5e. Er is in de zeven brieven een morele volgorde. Men kan zien dat de Heer een vast plan voor ogen had. Het kwaad begint klein, alleen zichtbaar voor het oog van de Heer (Efeze), maar het neemt langzamerhand toe totdat de Gemeente uit de mond van de Heer wordt uitgespuwd (Laodicéa - Op.3:16). We kunnen moeilijk anders dan aan de op elkaar volgende toestanden in de christelijke Kerk denken. De Gemeente op aarde, als voor God verantwoordelijk, wordt van het begin tot haar einde profetisch beschreven in de verschillende toestanden waarin zij achtereenvolgens komen zou. Het gaat dus om zeven opmerkelijke, elkaar opvolgende toestanden in de geschiedenis van de belijdende Kerk. De morele volgorde is er een van toenemende ontrouw en degeneratie van de Kerk. Dit komt overeen met wat de Heer Jezus had voorzegt (Mat.13:24-33). Paulus had ervoor gewaarschuwd: Hand.20:29; 2Thes.2; 2Tim.3; 2Tim.4:3,4; Rom.11:22. Ook Johannes: 1Joh.2 (de geest van de Antichrist). En Petrus: 2Petr.2 en 3. En Judas niet te vergeten. Deze morele volgorde van de brieven, wordt anderzijds door de geschiedenis duidelijk bevestigd. Het ‘Wat is’, is een profetische schildering van de kerkgeschiedenis.

6e. Na het tweede en derde hoofdstuk wordt geen melding meer gemaakt van de Gemeente op aarde. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt ons getoond wat er in de hemel zal gebeuren, en in de volgende hoofdstukken is er nog slechts sprake van de volken, Israël en de grote hoer Babylon.

7e. In de brieven wordt gesproken van de persoonlijke wederkomst van de Heer voor de gemeenten Thyatira (2:25), Sardis (3:3, vgl. 16:15) en Filadelfia (3:11). Hieruit blijkt wel zeer duidelijk dat de inhoud profetisch is. Voor de plaatselijke gemeenten Thyatira, Sardis en Filadelfia kan de Heer niet wederkomen, want deze gemeenten zijn reeds lang verdwenen. Deze gemeenten moeten dus de éne Kerk voorstellen, in zeven toestanden c.q. gedaanten, vanaf het begin tot aan de komst van Jezus Christus voor Zijn Gemeente.

De duur van de periode ‘wat is’

Het lijkt wat vreemd dat de periode van ‘wat is’ nu al bijna 20 eeuwen duurt. In Openbaring vinden we echter meer van zulke aanduidingen. Zo wordt God genoemd: ‘Die is, en Die was, en Die komt’ (1:8). Met ‘is’ wordt hier niet één ogenblik bedoeld, maar een tijdsperiode. Zo ook met het beest: ‘Het beest dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal omhoogkomen uit de afgrond’ (17:8): hier betekent ‘is niet’ een bepaalde tijd waarin dit ‘beest’ niet zal bestaan. Met ‘wat is’ in Op 1:19 is de hele periode bedoeld waarin God lankmoedig wacht. God grijpt niet openlijk in. Dat zal echter wèl gebeuren in de periode van ‘wat hierna zal geschieden’. In Johannes 4 verliet de Heer Jeruzalem en Judéa en ging naar Galiléa. Op weg daarheen moest Hij door Samaria gaan en verbleef aldaar twee dagen (Joh.4:40). Na die twee dagen ging Hij heen naar Galiléa, en kwam in Kana (Joh.4:43, 46; Hos.6:2). Hij kwam op de derde dag (Hos.6:2) terug in zijn eigen land. Deze geschiedenis van Jezus’ wandel van Jeruzalem en Juda naar Galilea is profetisch voor 1e. de verwerping van Jeruzalem en Juda, 2e. het tijdperk van de Gemeente, 3e. het herstel van Israël.

Twee gedeelten: 7 = 3 + 4

De zeven brieven aan de gemeenten zijn in twee gedeelten te verdelen: drie gemeenten vormen het eerste gedeelte en de overige vier het tweede. Dit is een erg belangrijk punt. In de brieven aan de eerste drie gemeenten wordt de Gemeente als zodanig aangesproken. Zij worden nog gezien als mensen die allen deel uitmaken van het geheel. In de laatste vier brieven wordt de kleine groep getrouwen als een aparte groep aangesproken: ‘de anderen’ in Thyatira (2:24); ‘weinige namen’ in Sardis (3:4); ‘indien iemand Mijn stem zal horen’ in Laodicéa (3:20). In de eerste drie brieven wordt de Gemeente gewezen op haar oorspronkelijke positie en toestand. God wilde zeggen: als je je bekeert kun je in die toestand hersteld worden: ‘bekeer’ u (Efeze in 2:5; Pergamus in 2:16). Maar in de (vierde) brief aan Thyatira wordt het anders. Dan is gebleken dat de Kerk in haar geheel zich in een verwerpelijke toestand bevindt. Dan wordt het accent gelegd op de hoop die er nog is voor iedere individuele gelovige. De Geest richt zich dan speciaal tot hen die overwinnen en houdt hen de komst van de Heer voor om hen te bemoedigen: ‘Houd vast aan wat u hebt totdat Ik zal komen’ t.a.v. de getrouwe ‘overigen’ in Thyatira (2:24 -25); ‘Ik kom spoedig. Houd wat u hebt’ t.a.v. Filadelfia (3:11).

In de brieven aan de eerste drie gemeenten gaat de vermaning ‘Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ vooraf aan de belofte voor de individuele overwinnaars: 2:7 (Efeze); 2:11 (Smyrna); 2:17 (Pergamus). Hier wordt van de hele Gemeente verwacht dat ze haar oren open heeft, en pas daarna wordt opgeroepen om te overwinnen. In de laatste vier gemeenten echter wordt die vermaning pas gegeven na de belofte voor de overwinnaars: 2:29 (Thyatira); 3:6 (Sardis); 3:13 (Filadelfia); 3:22 (Laodicéa). Hier staat de vermaning niet langer in verbinding met de brief aan de Gemeente als geheel. Het trouwe groepje gelovigen - een minderheid - wordt hier apart gezien van de Gemeente als geheel (behalve bij Filadelfia).

In de eerste drie brieven betekent de komst van de Heer het berechten van de aangeschreven Gemeente, tijdens of aan het eind van hun tijdperk. Het is binnen deze context een voorwaardelijk komen: ‘Maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u’ (Efeze, 2:5); ‘Zo niet, dan kom Ik spoedig tot u’ (Pergamus, 2:16). Pas vanaf de vierde brief wordt de aandacht gevestigd op dé komst van Christus: Thyatira (2:25); Sardis (3:3, vgl. 16:15); Filadelfia (3:11). Dat er in Sardis niet meer over de komst van de Heer gesproken wordt, betekent dat nu alles moreel verdorven is en gereed voor het oordeel. In Laodicéa staat de Heer buiten de Gemeente (3:20).

Toepasbaarheid

Een vaak gehoord bezwaar is de toepasbaarheid van de profetische kenmerken van de zeven gemeenten vermeld Openbaring 2 en 3 en dat heeft dan vooral te maken met de laatste gemeente Laodicéa. Die gemeente heeft het kenmerk van een totaal verval waar de Heer buiten de deur staat en geen rekening meer wordt gehouden met het gezag van Gods Woord. Het is wáár Laodicéa is de voorloper van het Babylon van de eindtijd! Nu is dat in de wereld niet overal het geval, want in sommige werelddelen groeit de kerk. (Ik spreek uit ervaring). In Europa zou je dat kunnen zeggen, want daar is van een Bijbelgetrouwe gemeente nog maar weinig te bespeuren. Maar ik geloof dat we, naarmate de tijd vordert de kenmerken van Laodicéa meer en meer en ook wereldwijd zullen gaan zien.

Anderen menen een oplossing te hebben gevonden en zeggen dat de zeven gemeenten een beeld waren van de kerk aan het begin van Romeinse Rijk en dat deze kenmerken ook zichtbaar zullen zijn aan het eind van het Hersteld Romeins Rijk, waar velen de EU als voorloper of vervuller zien. We zullen zien.

Hoe dan ook, de profetische betekenis van de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 kunnen we niet negeren.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Pre-Wrath Rapture of the Church

Deel 11

‘Case closed!’

 

 

 

 

 

Tenslotte

Het voert mij te ver om de leer van Rosenthal met betrekking tot zijn uitleg van het boek Openbaring en de eindtijd tot in elk detail te bespreken. Ik wil deze reeks artikelen dan ook wil afsluiten, dit mede gelet op de beperktheid van deze doctrine in het Nederlands taalgebied. Ik meen dat ik in tien artikelen voldoende heb aangetoond dat ik niet achter de uitleg van Rosenthal kan staan, het roept te veel vragen op! Ik had nog kunnen ingaan op veel andere onderwerpen, zoals ‘De dag des Heren’, het belangrijke hoofdstuk 2Thesslaonicenzen 2 en andere, maar ik houd hierbij en wil mij weer met meer constructievere onderwerpen op mijn website bezig houden en sluit dit onderwerp af.

Naarmate de eindtijd (waarin we m.i. al verkeren) vordert, des te meer zullen we acht moeten geven op wat verkondigd wordt. ‘Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen, en zij zullen het oor van de waarheid afkeren’ (2Tim.4:3-4). Die waarschuwing geldt niet alleen voor de eschatologie maar voor elke vorm van Bijbels onderwijs.

Voor hen die zich toch nog meer in willen verdiepen in de Pre-Wrath Rapture of the Chruch verwijs ik gemakshalve naar het Internet, waar meer info te vinden is. Een goede kritiek heb ik gevonden in het boek van Renald E. Showers ‘The Pre-Wrath Rapture view’, isbn: 978-0-8254-3698-7, uitgegeven door ‘Kregel Publications’. Van harte aanbevolen.

Showers kwam na uitvoerig onderzoek tot de eindconclusie dat de Pre-Wrath Rapture visie verschillende standpunten heeft die correct zijn. Maar veel van de standpunten van Rosenthal, inclusief de standpunten die fundamenteel zijn voor de hele visie, hebben problemen gezien vanuit een bijbels perspectief. Dit leidt tot de conclusie dat de Pre-Wrath Rapture een gebrekkige basis heeft en in strijd is met de Schrift. Aldus Showers.

Graag verwijs ik u ook naar de voordrachten van Wim Grandia over het boek Openbaring die u kunt vinden op YouTube. Dit zijn geen voordrachten ter bestrijding van de Pre-Wrath Doctrine maar een systematische, chronologische uitleg van het boek Openbaring. Elk hoofdstuk wordt besproken en de uitleg is op een zeer begrijpelijke wijze gegeven. Het is qua duidelijkheid een tegenhanger van de verwarrende uitleg van de Pre-Wrath Doctrine. Enige voorkennis is wenselijk. Graag aanbevolen!

Mocht u toch nog vragen hebben over dit onderwerp dan kunt u die altijd aan mij richten via mijn emailadres dat u kunt vinden in de rubriek ‘Welkom’, onderaan de pagina.

_____________________________________________________________