Dogmatiek 2

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

De Almacht van God

De Alomtegenwoordigheid van God

De Alwetendheid van God

Evangelische Dogmatiek - Een overzicht

Evangelische Dogmatiek - Ouweneel

___________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Almacht van God

 

 

 

 

De almacht van God behoort tot de niet-deelbare eigenschappen van God. Niemand anders dan God is almachtig. Gods almacht spreekt van een onbegrensde macht (Gen.18:14; Ps.115:3; 135:6; Jes.43:13; Jer.32:17; Mat.19:26; Mark.10:27; Luk.1:37; 18:27). Het Griekse woord pantokratoor dat vertaald kan worden door almachtig, wordt tien keer gebruikt (Op.1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22).

In het Oude Testament betekent het woord El Shaddai de Almachtige God en wordt zevenenveertig keer gebruikt (Gen.17:1). Gods onbegrensde macht staat onder de controle van zijn Heilige wil. Van hem mag worden verwacht dat hij doet, alleen dat wat in harmonie is met zijn karakter. Hij zal niet verkeerd doen, noch dwaas handelen (Gen1:1-3; 17:1; 18:14; Jes.44:24; Mat.3:9; 19:26; Rom.4:17; 2Kor.4:6; Ef.1:11, 19-21; 3:20; Heb.1:1-3). Let op alle passages waarin het woord ‘in staat zijn’ verschijnt, bijvoorbeeld, ‘God is in staat’ of ‘bij machte’ zoals in 2Korinthiërs 9:8.

God kan dus niets doen wat logisch onmogelijk is, of niet strookt met zijn Goddelijke natuur. God kan alles doen wat Hij wil uitvoeren, Maar Hij wil niet alles wat Hij kan doen.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

De Alomtegenwoordigheid van God

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Hoewel het woord ‘alomtegenwoordig’ geen Bijbels woord is, geeft het heel goed weer hoe God in persoon overal aanwezig is, en niet alleen Zijn macht of autoriteit (1Kon.8:27; 2Kron.2:6; Ps.139:12; Jes.66:1; Hand.17:27-28). Dat God overal is, heeft niets te zien met pantheïsme, dat de persoonlijke aanwezigheid van God loochent. Pantheïsme is de leer dat God en de kosmos in wezen identiek zijn.

Er is ook een meer gelokaliseerde opvatting van de Godheid, bijvoorbeeld, ‘Onze Vader die in de hemelen bent’. Of: ‘Een woonplaats van God in de Geest’ En: ‘Die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God’. (Mat.6:9; Rom.10:6-7; Ef.2:22, Kol.3:1; Heb.12:2; Ps.113:5; 123:1;).

We lezen ook dat ‘God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was’ (2Kor.5:19). De Zoon woont in de gelovige (Joh.14:20; Kol.1:27); de Geest woont in de gelovige (1Kor.6:19). De Vader, de Zoon en de Geest wonen allemaal in een onverminderde en onverdeelde betekenis bij elke gelovige (Rom.8:9; Gal.2:20; Ef.4:6).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Alwetendheid van God

 

 

 

Inleiding

God is alwetend dat zegt 1Samuël 2:3 ‘De Here is immers een alwetend God’, en veel andere Bijbelteksten sluiten daarbij aan. Alwetendheid is één van de niet-deelbare eigenschappen van God. De duivel is een schepsel door God geschapen en is niet Alomtegenwoordig, Almachtig of Alwetend, dat is alleen God!

De alwetendheid van God

Het woord alwetend wordt maar éénmaal in de Bijbel vermeld en dat is, zoals hierboven aangehaald, in 1 Samuël 2:3. Alwetendheid is geen Bijbels woord, hoewel het gewoonlijk verwijst naar het feit dat God alles weet. Tozer heeft het zo omschreven: ‘God kent ogenblikkelijk en zonder enige inspanning alles wat er is en elke aangelegenheid, alle gedachten en elk verstand, alles wat bestaat en elk wezen, alle complexiteiten en elke menigte, alle wetten, alle relaties, alle oorzaken, alle gedachten, alle mysteries, alle raadsels, alle gevoelens, alle onuitgesproken geheimen, alle koningen en wereldheersers, alle persoonlijkheden, alle zichtbare en onzichtbare dingen in de hemel en op aarde, beweging, ruimte, tijd, leven, dood, goed, kwaad, hemel en hel... Omdat God alle dingen perfect weet, weet Hij niets beter dan enig ander iets, maar Hij weet alle dingen even goed. Hij ontdekt nooit iets. Hij is nooit verrast, nooit verbaasd. Hij vraagt Zich nooit iets af, Hij is nooit op zoek naar informatie en stelt nooit vragen (behalve wanneer Hij iets aan mensen wil ontlokken voor hun eigen goed)’. Gods feitelijke kennis kunnen we vinden o.a. in de volgende passages van de Schrift: Ps.33:13-15; 139:2-5; 147:4-5; 46:9-10; Mal.3:16; Mat.6:8; 10:29-30; Hand.2:23; 15:8; Heb.4:3. Gods kennis van dingen die mogelijk zijn, is te zien in Jesaja 48:18 en Mattheüs 11:21. Zijn alwetendheid is eeuwig (Hand.15:18), onbegrijpelijk (Ps.139:6), en volmaakt wijs (Ps.104:24; Ef.3:10).

Er zijn drie aspecten van de Goddelijke alwetendheidvoorkennis, (a) zelfkennis, dat alles omvat, inclusief God Zelf; (b) alwetendheid, dat alles van de schepping omvat en (c) voorkennis, wat te maken heeft met van tevoren goddelijke bepalingen van Gods raad of voorzienigheid.

Is de duivel ook alwetend?

De duivel is een engel, een door God geschapen wezen, maar een gevallen engel. Vaak wordt daarvoor verwezen naar de volgende Bijbelteksten: ‘Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen. Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve’ (Jes.14:12-15). En nog: ‘Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht; toen gij geschapen werdt, waren zij gereed. Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt, totdat er onrecht in u werd gevonden: door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen. Trots was uw hart op uw schoonheid – met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan. Ter aarde wierp Ik u neer, en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak naar u te zien. Door uw vele ongerechtigheden door het onrecht bij uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontwijd. Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden – dat verteerde u! Ik maakte u tot as op de grond voor de ogen van allen die u zagen. Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij – voor altijd!’ (Ez.28:12-19).

De duivel is niet Almachtig, Alomtegenwoordig en ook niet Alwetend. Alwetendheid behoort in de geloofsleer bij de ‘onmededeelbare eigenschappen’ van God, dat wil zeggen die eigenschappen die Hij niet aan schepselen mededeelt. Wijsheid en verstand en dus ook kennis zijn mededeelbare eigenschappen. Daar kunnen wij dus ook iets van krijgen. Alwetendheid is dat niet. Omdat de duivel een schepsel en geen God is en hij van een andere schepping is dan wij, doet daar niets aan af. Alwetend is dus de duivel niet. De goede engelen evenmin. Binnen door God gestelde perken heeft de duivel grote macht en zal hij dus ook kunnen inspelen op wat wij bidden. Je ziet dat in het boek Job. Het is de Here die satan op zijn knecht Job wijst. Satan is van Job op de hoogte, zo blijkt. Satan meent echter te weten waarom Job zo godvruchtig is. Het zou enkel om meer bezit en welvaart gaan. Daarin is hij echter wel abuis. Hij verliest het geding met de Here dan ook glansloos.

Wat we verder lezen over het kennen van onze gedachten, is het volgende: God zegt dat alleen Hij onze gedachten kent, ons hart kent. Denk aan de volgende teksten. In I Koningen 8 vers 39 bidt Salomo: ‘Hoort Gij dan in de hemel, de vaste plaats van Uwer woning, en vergeef, grijp in, en vergeld ieder naar al zijn wegen, daar Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle mensenkinderen’. Verder lezen we (Jer.17:9): ‘Arglistig is het hart, boven alles, ja, verderfelijk is het’. En in een adem volgt de vraag: ‘Wie kan het kennen?’ Nu, het antwoord op die vraag is niet: de duivel kent het. Maar (vers 10): ‘Ik, de HERE, doorgrond het hart’. Misschien kunnen we ook hieruit de gevolgtrekking maken dat alleen de HERE onze gedachten kent.

De duivel de aanklager van de broeders

Het is uit Gods Woord bekend dat satan de gelovigen aanklaagt bij God en dat hij ook er niet te goed voor is om dat in het hart en het geweten van de gelovigen te doen (Op.12:10). Hij kent in ieder geval onze zwakke plekken en beproeft ons daarin onder het ziende oog van God. Ik houd het erop, dat de Here hem daartoe de ruimte kan geven, zonder dat dit impliceert dat satan alles weet en alles hoort en ziet. Dus ik zou zeggen: alleen als de Heere hem daartoe om enige bij Hem bekende reden de gelegenheid geeft.

Kent de duivel onze gedachten? Wat weet de duivel? Weet hij wat wij denken, of weet hij alleen wat wij openbaren, bekend maken? En in het tweede geval kun je denken aan daden en woorden, maar ook aan gelaatsuitdrukkingen en gebaren. Een voorbeeld: u staat voor de etalage te kijken naar mooie... De duivel weet nu dat u daarvan houdt, niet omdat hij uw gedachten kan lezen, maar omdat uw gedrag uw gedachten en begeerten verraadt. De Bijbel zegt ons niet direct wat de duivel wel en niet weet. Wel weten we dat de duivel op onderzoek uit is. Dat lezen we in Job 1:6-7: ‘Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. En de Here zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb’. Hetzelfde lezen we ook in 1Petr.5:8, waar de apostel zijn lezers oproept: ‘Weest nuchter, waakt’. En de reden voegt hij er meteen bij: ‘Want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoeken,- wie hij zou kunnen verslinden’.

Ook de gelijkenis van Mattheüs 13:24-30 lijkt dit te bevestigen: ‘Een andere gelijkenis hield Hij hun voor en zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens, die goed zaad in zijn akker zaaide. Terwijl echter de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg’. De uitleg lezen we in vers 36-39: ‘En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het dolik op de akker. Hij n antwoordde en zei: ‘Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen, de akker is de wereld, het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk, de dolik zijn de zonen van de boze, de vijand die het gezaaid heeft, is de duivel’.

Nog een ding is: als de duivel de gedachten van één mens kent, dan is het niet onaannemelijk te veronderstellen dat hij van alle mensen hun gedachten kent, en moeten we dan aan de duivel niet de Goddelijke eigenschap van alwetendheid toeschrijven? Het lijkt mij dat we mogen zeggen: de duivel kent onze gedachten niet. Maar niettemin weet hij heel wat van ons, genoeg om ons steeds weer te slim af te zijn, op onze zwakke kanten aan te vallen, en tot onze boezemzonden te verleiden.

Nog wat: wat maakt het voor verschil of de duivel onze gedachten wel kent of niet? Ik weet in ieder geval wel dat mijn God mijn gedachten kent. En dat is een troostrijke wetenschap. Daar spreekt David over in Psalm 139:1: ‘HERE, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, Here, Gij kent het volkomen’. Dat is voor iemand die wat voor God wil verbergen, angstaanjagend en bedreigend, maar voor Gods kinderen die hun hemelse Vader ten volle vertrouwen, troostrijk en bevrijdend.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

 

 

Evangelische Dogmatiek

 

Een overzicht

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Wie tot voor enkele jaren geleden op zoek ging naar een Evangelische Dogmatiek kwam bedrogen uit, want die was er gewoonweg niet. Een mogelijke verklaring daarvoor is, dat de Evangelische beweging nog niet zolang bestaat, laten we zeggen vanaf het midden van de negentiende eeuw. Een ander ‘excuus’ van het gebrek van een Evangelische dogmatiek, is de enorme verdeeldheid en verspintering van die Evangelische wereld, die het tot stand brengen van een Evangelische Dogmatiek in de weg heeft gestaan. Dat heeft tot gevolg gehad dat men maar een beetje ‘aanrommelt’ op het Evangelisch erf; ‘ieder doet wat goed is in zijn eigen ogen’. Als je de gemiddelde evangelische gelovige naar zijn geloofsleer, of dat van zijn kerk of Gemeente vraagt, staat hij of zij dan ook met de mond vol tanden. De verschillende denominaties hebben hoogstens een vorm van een geloofsbelijdenis, maar een echte dogmatiek ontbreekt.

Overzicht

De eerste keer dat we kunnen spreken van een dogmatiek in de Protestantse wereld was de Institutie van de hand van Johannes Calvijn die in 1536 verscheen. Het beperkte zich echter (1) ‘tot de kennis van God de Schepper, (2) de kennis van God de verlosser in Christus, (3) van de manier, waarop de genade van Christus verkregen wordt, met haar vruchten en werkingen en (4) de uiterlijke hulpmiddelen, door welke God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in dezelve houdt’.

Natuurlijk zijn er boeken over elk denkbaar onderwerp en vanuit elke denkbare evangelische hoek in de loop van de tijd verschenen, maar van een echte systematische theologie was geen sprake. Het is daarom ook de grote verdienste van Prof. Dr. W.J. Ouweneel dat hij enige jaren geleden de dertiendelige Evangelische-Dogmatische reeks (EDR) het licht heeft doen zien. Vóór de verschijning van de dogmatiek van Ouweneel was men aangewezen op dogmatische werken van Amerikaanse oorsprong, zoals van Lewis Sperry Chafer (27 februari 1871 – 22 augustus 1952) een Amerikaans theoloog, stichter en eerste president van Dallas theologisch seminarie. Hij was een invloedrijke voorstander van christelijk dispensationalisme in het begin van de 20e eeuw. Chafer zegt in de inleiding van zijn achtdelige ‘Systematic Theology’ dat systematische theologie, de grootste van de wetenschappen is.

Kenmerken

Dogmatiek, soms gelijkgesteld aan de systematische theologie, is de systematische doordenking van het heil dat volgens de christelijke kerk in Christus gegeven wordt. Het woord dogma is een Grieks woord. Het betekent datgene wat iemand als juist voorkomt. In de Kerk ging het dogma al snel "de ware leer" betekenen. In de vroege Kerk werden uitspraken gedaan die de ware leer tegen dwalingen vastlegden. Het woord dogmatiek wordt gebruikt om de denkactiviteit te omschrijven die de leer van de Bijbel probeert door te lichten. Er zijn verschillende definities voor dogmatiek. Enkele belangrijke ervan zijn de volgende: Thomas van Aquino (1225-1274) omschreef dogmatiek als ‘de leer aangaande God, en aangaande de schepselen voor zover zij betrokken worden op God als op hun begin of doel’. Herman Bavinck (1854-1921) omschreef dogmatiek als: ‘de kennisse Gods ... welke Hij aangaande zichzelf en aangaande alle schepselen als staande in relatie tot Hem in Zijn Woord aan de Kerk heeft geopenbaard’. Hendrikus Berkhof (1914-1995) omschreef dogmatiek als ‘de systematische doordenking van de inhoud der relatie die God in Christus met ons heeft gelegd’.

Beknopte geschiedenis van de dogmatiek

Dogmatiek is die tak van de theologie die de overtuigingen en doctrines (dogma's) van het christelijk geloof probeert uit te drukken - om 'de hele raad van God' (Handelingen 20:27) op een georganiseerde en systematische manier uiteen te zetten. Aangezien geen enkele dogmatische theoloog zich alleen bezighoudt met de 'dogma's' van de kerk, wordt die discipline nu vaker 'systematische theologie' of simpelweg 'theologie' genoemd. De termen 'dogmatiek' en 'systematische theologie' worden zowel in brede als in enge zin gebruikt. In brede zin duiden de termen een van de vier takken van theologie aan uit de bijbelse, historische en praktische theologie. In engere zin worden de termen binnen die ene tak van de theologie gebruikt om de discipline te onderscheiden van de geschiedenis van de doctrine, symboliek (de studie van geloofsbelijdenissen en belijdenissen), apologetiek en ethiek. Dit artikel, dat u voor zicht heeft, concentreert zich op de enge betekenis van dogmatiek (systematiek).

Dogmatiek of systematische theologie gaat over het algemeen over de leerstellingen van openbaring (prolegomena), God (eigenlijke theologie), de mens (antropologie), de persoon en het werk van Jezus Christus (christologie), de Heilige Geest en de toepassing van verlossing (pneumatologie en soteriologie), en de tussenliggende toestand en de wederkomst van Christus (eschatologie). Zelfs wanneer verschillende termen en organisatorische arrangementen worden gebruikt, behandelen alle systematische of dogmatische theologen deze onderwerpen. Dogmatische of systematische theologen houden zich over het algemeen bezig met de bijbelse bronnen en ondersteuning van de leerstellingen van het geloof, met de geschiedenis van de ontwikkeling van dergelijke leerstellingen, met contrasterende dogma's uit andere geloofsgemeenschappen en met de opvattingen van andere theologen die zich met deze leerstellingen bezighouden. Omdat deze discipline zich zowel bezighoudt met het geheel als met specifieke doctrines, weerspiegelt systematische theologie altijd een bepaalde geloofsgemeenschap - rooms-katholiek, oosters-orthodox, luthers, gereformeerd, liberaal, neo-orthodox, existentialisten, enz. De term 'dogmatiek' ontstond na het midden van de zeventiende eeuw en werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt in 1659 als titel van een boek van L. Reinhardt. Voordien gebruikten theologen bij het schrijven van theologie die een beroep deed op de Schrift termen als 'heilige bladzijde' of 'heilige leer'. De beroemdste systematische theologen in de patristische periode waren Origenes, Augustinus en Johannes van Damascus, de laatste vertegenwoordigde de Grieks-orthodoxe traditie. In de Middeleeuwen werd de scholastieke theologie vertegenwoordigd door Peter Lombard en vooral Thomas van Aquino. Philip Melanchthon weerspiegelde het protestantse lutheranisme in de Loci Communes, terwijl Johannes Calvijn de gereformeerde theologie tot uitdrukking bracht in zijn ‘Institutie’. In de daaropvolgende twee eeuwen vermenigvuldigden zich dogmatische werken in de protestantse traditie.

Tenslotte

Hoe dan ook, ik geloof dat een uitgewerkte geloofsleer in de vorm van een Evangelische dogmatiek, niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk is in onze huidige tijd. Meer dan ooit is de christenheid verdeeld tot op het bod en de huidige mens, ook de gelovige, hecht meer waarde aan het gevoel dan aan rationeel geestelijke kennis van Gods Woord en de daarop gebaseerde geloofsleer. Niet dat een dogmatiek ‘heilig’ is, dat is de Bijbel, maar het is goed dat het onderwijs van de Bijbel in een doordachte, systematische en op een begrijpelijke manier op het Evangelisch erf zijn plaats mag vinden.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Ouweneel voltooit evangelische dogmatiek

 

 

 

 

In je eentje een complete dogmatiek schrijven. Het is voor weinigen weggelegd. Gestadig werkte prof. dr. Willem J. Ouweneel sinds 2007 aan zijn ontwerp van een ”evangelische dogmatiek”. Morgen wordt het laatste deel gepresenteerd, over ”de glorie van God”. „Ik ben voortdurend aan het studeren en schrijven. Zo’n dogmatiek schrijf je maar één keer in je leven.”

Eigenlijk was het niet direct de opzet om een serie te schrijven, vertelt de fit ogende, helder en snel formulerende Ouweneel (69). Ontspannen vertelt hij in zijn woning in Huis ter Heide hoe een en ander is ontstaan, min of meer onverwachts. „Ik begon met het deel over de Geest van God, niet bepaald een deel om een dogmatiek mee te beginnen. Toen ik daarmee klaar was, rijpte in mij het plan om een reeks te schrijven. Daarom begon ik in het tweede deel direct met de moeilijkste en belangrijkste klus, de christologie. Ik kreeg de smaak te pakken. Een dogmatiek moet je niet op een te jonge leeftijd schrijven omdat je denken nog in ontwikkeling is, en je moet niet te oud zijn, want je geest moet helder zijn. Het tijdstip in mijn leven was daarvoor gunstig. En je doet het maar één keer in je leven. Toen ik eenmaal bezig was, was het moedig voorwaarts.”

Oorspronkelijk was de opzet een vijfdelige serie, waarin alle klassieke thema’s van de christelijke leer achtereenvolgens aan de orde zouden komen, zoals de leer van God, christologie, verzoening, kerk, de laatste dingen, het Woord van God. Inmiddels dijde het oorspronkelijke plan flink uit – geen vijf maar twaalf delen met in totaal 6030 pagina’s zijn het resultaat.

Uitgevers en theologen roepen dat er geen markt is voor dikke boeken. U publiceert rustig elk jaar een boek van enkele honderden pagina’s. Bewust tegendraads?

„Er is een markt voor als je ziet hoeveel lezers erdoorheen ploeteren, vaak voorgangers in evangelische gemeenten. In evangelische kring is weinig besef van theologische traditie. Er bestaat nauwelijks een eigen evangelische dogmatiek. Wat er is, is uit het Amerikaans vertaald. Dat wil niet zeggen dat ik bewust voor een bepaalde doelgroep heb geschreven. Ik ben niet zo berekenbaar of commercieel bezig. Ik constateerde wel dat in evangelische kring ieder zijn eigen mening over de Bijbel heeft maar dat er weinig systematische reflectie daarop was. De belangstelling voor theologie is in evangelische kring wel toegenomen. Mijn dogmatiek is vooral interessant voor degenen die betrokken zijn bij de Woordverkondiging en theologische vorming.”

U laat in uw werk nagenoeg geen Bijbeltekst ongenoemd. Wat is de relatie tussen Bijbel en dogmatiek?

„Ik baseer mijn geloofsleer vooral op exegetische commentaren. Dat heb ik meegenomen van mijn achtergrond in de Vergadering van Gelovigen. Die insteek is bij veel dogmatici ongebruikelijk. De meeste dogmatieken zijn niet of nauwelijks op analyse van Bijbelteksten gebaseerd. Het zijn literair mooi verwoorde bouwwerken, maar ze staan in het teken van de persoonlijke opvattingen van de schrijver. Ze zweven boven de Bijbel en gaan voorbij aan wat er in de tekst staat. Ze zeggen meer over de gedachteconstructies van de theoloog, waarin hij gevangen blijft, dan over de Bijbel. Iedere dogmaticus zegt dat zijn dogmatiek een Bijbelse is, maar in de praktijk is het vaak voortbouwen op elkaars opvattingen los van de Bijbel. Koert van Bekkum noemde mij eens een Bijbelleraar. Ik vind dat een eretitel. Het gaat erom wat de Schrift zegt, niet wat de groten in de geestesgeschiedenis beweren. Daarnaast is theologie noeste arbeid, er moet hard gewerkt worden. Mijn dogmatische delen zijn niet uit de losse pols voortgekomen, er zit veel systematische en filosofische analyse in.”

U wilt als evangelicaal sympathetisch-kritisch met de reformatorischen in gesprek gaan, hebt u eens gezegd. Wat zijn voor u de belangrijkste overeenstemmingen en verschillen in uw onderzoek geweest?

„Ik heb de reformatorische traditie beter kunnen waarderen. Zij heeft over alle mogelijke thema’s uitstekend denkwerk verricht. Maar niet alles heb ik kunnen waarderen. De christenwijsgeer D. H. Th. van Vollenhoven heeft het meest kenmerkende van het calvinisme de leer van het verbond en de dubbele predestinatie genoemd. Nou, dan ben ik bepaald geen calvinist. Wat betreft de dubbele predestinatie: er zijn niet veel orthodoxe theologen, ook in Nederland niet, die daar nog achter staan; wel achter de verkiezing. Wat de leer van het verbond betreft: ik heb ervan geleerd dat het verbond in de Bijbel, ook in het Nieuwe Testament, toch belangrijker is dan ik had gedacht. Maar dat is wat anders dan het verbond als een hermeneutische sleutel te gebruiken, zoals Abraham Kuyper dat bijvoorbeeld doet.

Wezenlijk voor de Bijbel is niet het verbond, maar het Koninkrijk van God, de navolging van en het gaan lijken op Christus. Mijn ogen zijn tijdens het schrijven van de reeks steeds meer opengegaan voor de oosters-orthodoxe theologie, met name de gedachte van de theoosis, de vergoddelijking van de mens, beter gezegd: het gelijkvormig worden van de mens aan het beeld van God. Ik heb daarom steeds meer afstand genomen van wat ik noem het keurslijf van het augustijnse model van zonde/schuld en genade.”

Begint de Bijbel daar niet mee en krijgt genade juist geen betekenis tegen deze achtergrond?

„Ik nodig mensen uit om niet in Genesis 3 te beginnen maar in Genesis 1, de schepping van de mens naar het beeld van God. Het gaat in de Bijbel om de verwerkelijking van het beeld van God. En dan komen we uit bij de zonde, de noodzaak van het werk van de Heilige Geest in de wedergeboorte; maar dat alles is middel, niet doel. Doel is het zichtbaar maken van het beeld van God. In de hele Bijbel gaat het om de komst van het Messiaanse Rijk, het duizendjarige rijk na de wederkomst.

Reformatorischen bekijken de Bijbel vaak te beperkt, bijvoorbeeld vanuit het perspectief van de rechtvaardiging door het geloof, maar dat is hoogstens aanwezig in de brief aan de Romeinen en Galaten. Belangrijker in het Nieuwe Testament is bijvoorbeeld het Zoonschap van God, het eeuwige leven, het Koninkrijk van God, de navolging van Christus. Natuurlijk is er het zondeprobleem. Iemand die Christus navolgt, stuit daarop, en daarom praten we ook over de Heilige Geest. Maar ik wil het werk van de Geest positief benaderen in plaats van negatief, in de zin van het voortdurend tegen de zonde strijden. Het gaat er in de Bijbel niet om hoe ik in de hemel kom, maar: hoe word ik het beeld van Christus gelijkvormig? Bovendien is de zonde niet de vraag van de moderne mens. Het woord zonde kent hij niet of schrikt hem af, maar wel leeft voor hem de vraag: als er een God is, hoe kan ik Hem dan ervaren? In die zoektocht komt hij vanzelf wel de zonde tegen.”

Uw naam staat garant voor voortdurende ontwikkeling en verandering van standpunten, zoals ten aanzien van creationisme, gebedsgenezing, pinksterbeweging, deelname aan de politiek. Voor de een bent u een dwaallicht dat voortdurend aan het schuiven is, voor de ander een leraar die voortdurend in de Bijbel graaft en van daaruit deze tijd bekijkt. Wie is de echte Ouweneel?

„Iemand die nooit verandert, is niet geloofwaardig. Augustinus schreef aan het eind van zijn leven zijn ”Retractationes” waarin hij opvattingen uit zijn jonge jaren herriep. Daarvoor hoef je je niet te schamen. Je beziet in het verloop van je leven de dingen steeds genuanceerder. Je plaatst kanttekeningen bij al te stellige opvattingen in het verleden, zoals in mijn geval de schepping in zes letterlijke dagen, of de tongentaal als zou dat iets demonisch zijn, zoals ik in het ”Domein van de slang” heb beweerd. Het is volkomen onzin dat hier sprake is van een zigzagkoers. Vergeet niet dat ik in een heel nauwe kring van de Vergadering van gelovigen ben opgegroeid. Ik ben er dankbaar voor dat ik daar ongelooflijk veel Bijbelkennis heb opgedaan. Maar gaandeweg verbreed je je horizon. Met name jongeren zijn poreuzer en nemen kennis van andere opvattingen. Dat kan onzekerheid oproepen, maar mensen ook meer doen wortelen in de orthodoxe christelijke traditie.”

Hoe breed kan breed zijn?

„Als je christenen kunt ontmoeten op basis van de concilies van Nicea en Chalcedon, dan heb je elkaar in de meest wezenlijke noties erkend. Dan praat je over de Godheid van Christus, Zijn verzoeningswerk, Zijn opstanding, Zijn koningschap. In mijn dogmatisch deel over de kerk heb ik betoogd dat wanneer leerstellingen alleen in bepaalde kerkverbanden in de wereld zijn te vinden, ze daarom gegarandeerd fout zijn en soms sektarische trekken dragen. Dat geldt bijvoorbeeld bij calvinisten voor de dubbele predestinatie of het verbond, bij pinksterchristenen de second blessing, bij rooms-katholieken de onbevlekte ontvangenis van Maria en bij baptisten de noodzakelijkheid van de doop voor het lidmaatschap van de kerk. Het is vooral kwalijk als dergelijke opvattingen als sjibbolets gaan functioneren om er elkaars rechtzinnigheid aan af te meten.”

Na 6000 bladzijden productie tijd voor ontspanning? Hébt u nog wel vrije tijd?

Hij lacht. „Ik heb altijd vrij. Momenteel ben ik alleen nog gasthoogleraar in Leuven, maar dat wil ik de komende tijd ook afbouwen. Ik zit soms de hele dag achter mijn computer en dan wil ik ’s avonds graag weg om ergens te preken. Ik preek zo’n vijf keer per week. Ik ben voortdurend aan het studeren, lezen en schrijven. Een van mijn leermeesters zei eens: Wil je je in een onderwerp verdiepen, dan moet je er een boek over schrijven. Dan gaat het mij niet om het boek als zodanig, maar je wilt iets daarover aan anderen meedelen. Noem dat mij maar een drive in mij. Zolang er lezers zijn die daarvan kennis willen nemen, ga ik er gewoon mee door.”

Willem Johannes Ouweneel (Zaandam, 1944) is afgestudeerd en gepromoveerd in de biologie (1970), de filosofie (1986) en de theologie (1993). Vanaf 1975 was hij freelancemedewerker bij de Evangelische Omroep. Ouweneel stond aan de wieg van de Evangelische Hogeschool, waaraan hij van 1977 tot 2009 lesgaf, naast professoraten en docentschappen aan academische instellingen in Zuid-Afrika, België, Zwitserland en Nederland. Sinds 1995 is hij hoogleraar dogmatologische vakken aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven (België). Ouweneel heeft meer dan 150 boeken op natuurwetenschappelijk, filosofisch, theologisch, cultuurhistorisch en Bijbels gebied op zijn naam staan. Hij woont in Huis ter Heide en is getrouwd met Gerdien Terwel. Zij hebben vier kinderen en elf kleinkinderen.

Bron: Reformatorisch Dagblad - Klaas van der Zwaag

7 juni 2013

_____________________________________________________________