Saul, de koning die zijn kroon verloor!

Wat zegt de Bijbel?

 

‘De koning die zijn kroon verloor!’

 

Deel 1

Saul tot koning geroepen

1 Samuël 8 - 10 

 

 

Inleiding

Het is altijd droevig wanneer een gelovige niet meer met de Heer wandelt (Joh.6:66). Samuël was diep bedroefd over Saul omdat de Here hem verworpen had om nog langer koning over Israël te zijn. Is er ooit iemand geweest die uw hart gebroken heeft omdat hij of zij ongehoorzaam werd tegen de Here? Je hebt je best gedaan om zo iemand te waarschuwen, voor die persoon gebeden en hem of haar bemoedigd, en toch is die doorgegaan op de verkeerde weg en zo van de Heer afgeweken. Dat doet pijn, is het niet? Als u zo iets ervaren hebt, dan weet u hoe Samuël zich gevoeld moet hebben toen Saul ongehoorzaam handelde tegenover de Here. ‘Samuel begaf zich naar Rama, maar Saul ging naar zijn huis, naar Gibea Sauls. Samuel zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood, maar Samuel droeg leed over Saul. En de Here had berouw, dat Hij Saul tot koning over Israël aangesteld. De Here zeide tot Samuel: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul?’ (1Sam.15:34-35; 16:1). Het is altijd triest en een oorzaak van verdriet wanneer een gelovige zijn kroon verliest.

De biografieën van belangrijke mannen en vrouwen in de Bijbel zijn geschreven tot bemoediging en waarschuwing. ‘Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden’ (Rom.15:4). De eerste brief aan de Korinthiërs zegt ons dat het: ‘hun is overkomen tot een voorbeeld voor ons, en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is’ (1Kor.10:11). Het is niet nodig dat we wijs moeten worden uit eigen ervaring en fouten. We kunnen leren van de tekortkomingen van anderen, zoals van koning Saul, maar dan wel in het besef dat wij niet beter zijn en dat ‘wie meent te staan, toe ziet, dat hij niet valle’ (1Kor.10:12).

De roep om een koning

Het leven van Saul, de eerste koning van Israël, is een studie van contrasten. Saul begon zijn regering met een overwinning en hij eindigde het met een beschamende nederlaag. Hij verloor zijn karakter, kracht en tenslotte ook zijn kroon en leven. Koning Saul is een voorbeeld tot waarschuwing voor ons allemaal in die zin dat we beseffen dat we ons niet straffeloos tegen Gods wil kunnen verzetten, in welke situatie van het leven we ons ook bevinden. Openbaring 3:11 zegt het duidelijk: ‘Houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.’ Paulus waarschuwt ons in 1 Korinthe 10:12: ‘Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.’ Wat een drama wanneer een gelovige valt en zijn kroon verliest.

Sauls geschiedenis begint met Israëls roep om een koning: ‘Toen Samuël oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël… Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht. Daarom kwamen alle oudsten van Israël bijeen; zij gingen naar Samuël in Rama en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuël, en hij bad tot de Here. De Here zeide tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. (1Sam.8:1, 3-7).

Het volk verkeerde in een slechte geestelijke toestand: ze wilden een koning om gelijk te zijn aan de andere volken. Maar ze waren niet gelijk aan de andere volken! Had Bileam het niet gezegd dat ‘het volk afgezonderd woont en het zich onder de heidenvolken niet rekent?’ En Mozes zei tegen de Here: ‘Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn’ (Ex.33:16). Israëls kenmerk  was dat ze niet waren als de andere volken maar dat ze van hen afgezonderd waren. Toch kun je wel begrip opbrengen voor hun wens om een koning. Als je de toenmalige situatie in ogenschouw neemt, kun je begrijpen waarom het volk om een koning vroeg. Lees hoofdstuk acht in zijn geheel, en je kunt een aantal redenen ontdekken waarom ze om een koning vroegen. Ten eerste was er onderlinge verdeeldheid van het volk. We lezen in het boek Richteren: ‘In die dagen was er geen koning in Israël: ieder deed wat goed was in zijn ogen’ (Richteren 17:6; 21:25). Zoals beschreven in het boek Richteren was Israël niet echt een land maar meer een confederatie van stammen, een samenwerkingsverband zou je kunnen zeggen tussen de afzonderlijke stammen. Ten tweede was er gevaar van buitenaf. 1 Samuël 12:12 zegt: ‘Toen gij echter zaagt, dat Nachas, de koning der Ammonieten, tegen u optrok, zeidet gij tot mij: Neen, een koning zal over ons regeren – terwijl toch de Here, uw God, uw koning is.’ Met een vijand van buitenaf en verdeeldheid binnenin beseften de Israëlieten dat er een eenheid moest komen om aan de gevaren het hoofd te kunnen bieden. Een derde reden was het geestelijk verval. Evenals Eli’s zonen wandelden ook de zonen van Samuël niet in de voetstappen van hun vader (vs.8). Het is mogelijk dat de oudsten van het volk bang waren voor een familiedynastie en dat Samuëls zonen aan de macht zouden komen.  Nog een reden waarom God het toeliet dat het volk een koning kreeg zoals het vroeg is vanwege hun geestelijke achteruitgang. Ze wilden gelijk aan de andere volken zijn.

De keuze van het volk

In hun hardnekkige opstand tegen God vroegen de Israëlieten om een koning, en God gaf het hun. ‘Ik geef u een koning in mijn toorn, en Ik neem hem weg in mijn verbolgenheid’ (Hos.13:11). God gaf hen een koning niet alleen om aan hun noden tegemoet te komen maar ook om hen te tuchtigen. Hij wilde hun een aantal lessen leren betreffende zijn soevereiniteit en hun verantwoordelijkheid. In 1 Samuël 9 zien we de menselijke kant van Saul (wat en wie hij als mens was), terwijl we in hoofdstuk 10 zien wat God door Saul heen werkte (wat God deed voor hem). Het is belangrijk om die twee aspecten te zien.

De roeping van Saul verliep als volgt: ‘Er was een man uit Benjamin, Kis geheten, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet, een vermogend man’ (1Sam.9:1). Saul kwam uit een familie van leiders. De stam Benjamin was geen grote stam, eerder was het een van de kleinste. Zijn vader Kis schijnt een succesvol man te zijn geweest, en omdat Saul voor zijn vader werkte, genoot hij van de voordelen van dat succes. ‘Deze had een zoon, Saul geheten, jong en schoon; onder de Israëlieten was er niemand schoner dan hij: hij stak een hoofd uit boven al het volk’ (1Sam.9:2). Door zijn voorkomen maakte hij wellicht nogal indruk bij de mensen. Saul was fysiek sterk en attractief. Daar is op zich niets mis mee. Psalm 139 zegt dat God ons geschapen heeft en dat we daarom mogen zijn wie we zijn. God kan elke persoon in zijn dienst gebruiken, ongeacht iemands fysieke voorkomen.

Saul was gehoorzaam aan zijn vader. ‘Nu waren van Kis, de vader van Saul, de ezelinnen zoekgeraakt. Toen zeide Kis tot zijn zoon Saul: Neem toch een van de knechten mee en ga heen, zoek de ezelinnen’ (1Sam.9:3). Op zich lijkt dit een onbeduidende gebeurtenis. Enkele waardevolle dieren waren zoek en Saul probeert ze te vinden. Toch kan zo’n ‘kleine’ gebeurtenis tot grote dingen leiden. Saul zal nooit gedacht hebben dat hij Samuël zou ontmoeten, dat hij tot koning gezalfd zou worden en later de leider van het volk Israël zou worden. We weten nooit welke grote deuren geopend kunnen worden door kleine gebeurtenissen! (Openb.3:8). Hetzelfde gold voor David. Hij droeg zorg voor de schapen toen zijn vader hem opdroeg om zijn broers die in het leger van Saul dienden te voorzien van het nodige. Daar kwam hij in aanraking met Goliath en behaalde een grote overwinning. Wanneer je een kleine opdracht hebt ontvangen die op het eerste gezicht niet zoveel voorstelt, doe die toch maar, je weet nooit tot welke grote zaken het kan leiden!

Saul gehoorzaamde zijn vader. Hij zei niet: ‘Ik heb belangrijkere dingen te doen. Vraag me niet om een paar schapen te zoeken!’ Hij gehoorzaamde zijn vader en hij ging vol ijver op zoek. Hij en zijn knecht gingen door de heuvels van Efraïm en ook trok hij door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet. Daarna trokken zij door het land van Sahalim, maar ze waren er niet. Verder trok hij door het land van Benjamin, maar zij vonden ze niet. Ze konden ze niet vinden maar toch bleven ze zoeken. Uiteindelijk gaf Saul het op uit bezorgdheid voor zijn vader. ‘Kom, laten wij terugkeren. Anders Zal mijn vader niet meer aan de ezelinnen denken, maar zich over ons bezorgt over maken’ (1Sam.9:5). Saul was bezorgd om anderen en wilde niet de oorzaak zijn voor zijn vaders bezorgdheid. Hierin toonde zich toch een goede kant van zijn karakter. Saul was afkomstig van een belangrijke familie, hij was fysiek sterk, hij had een goed voorkomen, hij was gehoorzaam, hij was volhardend en ijverig in de taak die hem was opgedragen en hij had zorg voor anderen. Dat was niet alles, want hij was ook bereid om goede raad te aanvaarden. Zijn knecht raadde hem namelijk aan om de man Gods te zoeken: ‘Zie toch, er is in deze stad een man Gods; en die man is hoog in aanzien; al wat hij zegt, komt stellig uit. Laten wij daar terstond heen gaan, misschien kan hij ons inlichten over de tocht die wij ondernomen hebben’ (1Sam.9:6). Hieruit blijkt dat Saul Samuël niet kende en wist wie hij was, terwijl Samuël toch een grote bekendheid genoot. Hij was de profeet van God, een grote gebedsheld; en toch kende Saul hem niet. Saul en zijn knecht ontmoeten Samuël en in 1 Samuël 9 lezen we hoe die ontmoeting plaatsvond; ze werden uitgenodigd voor de maaltijd. Aan het einde daarvan nam Samuël – waaraan God had verteld dat hij de aanstaande koning zou zenden – Saul mee buiten de stad en zalfde hem tot koning.

Wat God voor Saul deed lezen we in hoofdstuk 10. Saul was Gods keuze. Hij was degene die God had aangewezen om koning te worden. ‘Toen nam Samuël de oliekruik, goot haar uit over zijn hoofd, kuste hem en zeide: 'Heeft de Here u niet tot vorst over zijn erfdeel gezalfd?’ (1Sam.10:1). God deed dat omdat het volk een koning had gevraagd en omdat hij hen een aantal geestelijke lessen wilde leren. In 1 Samuël 10:2 zien we dat God Saul verzekert dat zijn zoektocht ten einde was; de dieren waren gevonden. Als je in Gods weg en wil wandelt, mag je erop vertrouwen dat God je problemen zal oplossen. Na de zalving van Saul tot koning verzekerde God hem dat hem zou helpen in de dingen die hij nodig had, namelijk voedsel. ‘Als gij dan verder trekt en bij de terebint van Tabor komt, zullen u daar drie mannen ontmoeten op weg naar God in Betel; één van hen draagt drie bokjes, een ander drie broden en de derde een kruik wijn. Zij zullen u begroeten en u twee broden geven, die gij van hen zult aannemen’ (1Sam.10:3-4). De derde verzekering dat Saul op de hulp van God kon rekenen was de voorzegging van Samuël dat hij op de heuvel Gods profeten zou ontmoeten. ‘Dan zal de Geest des Heren u aangrijpen; gij zult met hen in geestvervoering geraken en tot een ander mens worden’ (vs.6). God veranderde Saul van een gewone landbouwer in een leider van het volk en Hij zou met hem zijn: ‘wanneer deze tekenen aan u geschieden, doe dan wat uw hand vindt, want God is met u’ (vs.6).

Een koning moet dienaren, assistenten en soldaten ter beschikking te hebben, ook daar zorgde God voor: ‘Saul ging naar zijn huis, naar Gibea, en de dapperen, aan wie God dit in het hart gegeven had, gingen met hem’ (vs.26). Wanneer je God dient, dan zal Hij je alles geven wat je nodig hebt. Hij lost problemen op, zorgt voor dat wat je nodig hebt, geeft je de kracht van de Heilige Geest en zal de juiste mensen op je weg brengen.

Toen Saul thuiskwam vertelde hij aan niemand wat er gebeurd was. Toen zijn oom hem ernaar vroeg vertelde hij hem niets. Hij beroemde zich er niet op dat hij door Samuël gezalfd was als de nieuwe koning van Israël. Hij bleef nederig. Zelfs toen hij door het lot was aangewezen, vonden ze hem niet. ‘Daarom stelde men nogmaals de Here een vraag: Is de man wel hier gekomen? De Here nu zeide: Zie, hij houdt zich ergens tussen het pakgoed schuil’ (1Sam.10:22).

Deel 2

Sauls oorlogen (1)

1 Samuël 11 en 13 

Inleiding

Saul keerde terug naar zijn vaders boerderij in Gibea en zei niemand iets over zijn koningschap. Het leven nam zijn normale loop tot de dag dat een vijand naderde en het volk Israël voor een crisissituatie kwam te staan. Dit was het moment waarop Saul op de proef gesteld  werd. Als de nieuwe koning werd van hem verwacht dat hij zijn volk te hulp zou komen.

Sauls overwinning

‘De Ammoniet Nachas trok op en sloeg het beleg voor Jabes in Gilead. Toen zeiden alle mannen van Jabes tot Nachas: Sluit een verbond met ons, dan zullen wij ons aan u onderwerpen. Maar de Ammoniet Nachas zeide tot hen: Op deze voorwaarde zal ik met u een verbond sluiten, dat ik bij ieder van u het rechteroog uitsteek; ik zal dit als een smaad op geheel Israël leggen. De oudsten van Jabes zeiden tot hem: Geef ons zeven dagen de tijd; dan willen wij boden zenden door het gehele gebied van Israël; en indien niemand ons te hulp komt, zullen wij ons aan u overgeven’ (1Sam.11:1-3). De reacties van het volk op deze dreiging waren verdeeld. De mannen van Jabes probeerden eerst aan te sturen op een verbond maar toen ze de vernederende voorwaarden hoorden die de Ammoniet Nahas stelde, was dat voor hen onaanvaardbaar. De oudsten van Jabes probeerden daarom hulp van buitenaf te krijgen. Saul had zich in die tijd nog niet bekendgemaakt als de gezalfde koning van Israël, dus stuurden ze naar alle gebieden boden om hulp. Toen de boden in Gibea kwamen, waar Saul woonde, en de situatie uitlegden waarin de bewoners van Jabes zich bevonden, begon heel het volk luid te huilen. En zie, Saul kwam van achter de runderen van de akker, en Saul zei: ‘Wat heeft het volk, dat het weent? Zij vertelden hem wat de mannen van Jabes gezegd hadden. Toen Saul deze woorden hoorde, greep de Geest Gods hem aan, en hij ontstak in hevige toorn’ (1Sam.11:5-6). Sauls eerste reactie was die van een heilige toorn die over hem kwam (Mark.3:5; Ef.4:26). Saul was niet langer de knappe landman. Nu was hij de koning, de leider van Gods volk, en het was tijd om te handelen. ‘De Geest van God greep Saul aan toen hij deze woorden hoorde’ (1 Sam.11:6). In hoofdstuk 10 hebben we gezien dat de Geest Gods Saul aangreep raakte in geestvervoering en profeteerde in hun midden en hij werd een andere man (1 Sam.10:9-10). We kunnen de oorlogen des Heren niet in eigen kracht strijden. De Geest van God kwam over Saul zoals Hij gekomen was op de richters – mannen zoals Gideon en Simson – en dat bracht de overwinning.

Saul ‘nam een span runderen, hieuw ze in stukken en zond deze met de boden door het gehele gebied van Israël, zeggende: Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuël – met diens runderen zal evenzo gehandeld worden. Toen viel de schrik des Heren op het volk, en zij trokken uit als één man’ (1Sam.11:7). Saul vermeldt Samuël, want je kunt de strijd niet alleen aan, je hebt de ander nodig. In dit geval Samuël, de man van gebed. De oproep resulteerde in een grote opkomst; uit Israël 30.000 man en uit Juda 30.000 (vs.8). Verenigd kwamen ze de bevolking van Jabes-Gilead te hulp. Saul gebruikte dezelfde tactiek als Gideon eerder had gebruikt: hij verdeelde het volk in drie delen en viel de vijand in de morgen aan. God gaf Israël een grote overwinning. De vijandelijke soldaten werden verspreid zodat er zelfs geen twee bij elkaar konden blijven (vs.11)!

Saul was uitgedaagd geweest door de aanval van de vijanden. Hoe antwoordde hij daarop? Hij antwoordde daarop door God toe te laten zijn werk in en door hem te doen. God, op zijn beurt, stelde Saul in staat om zijn taak te kunnen volvoeren. Dit zal een grote bemoediging voor Saul zijn geweest aan het begin van zijn taak als koning, God deed zijn beloften in vervulling gaan door Saul al het benodigde te geven. Dit zou ook een grote bemoediging voor ons moeten zijn. God beloonde Sauls geloof toen hij bereid was God te vertrouwen en de vijand te bestrijden, en God zal het geloof van ieder die in Hem zijn vertrouwen stelt niet beschamen.

Sauls nederlagen

Tot zover was Sauls reputatie er een van gehoorzaamheid en overwinning. Hij had de Ammonieten verslagen en zichzelf gepresenteerd als een held en koning van Israël. Het volk was naar Gilgal gegaan, waar een plechtige kroning van Saul als koning van Israël plaatsvond. Samuël sprak een grote toespraak uit om Saul te bemoedigen en het volk geloofde in de Here hun God.

Maar één overwinning maakt van een man nog geen overwinnaar. Sauls overwinning steekt schril af tegen zijn nederlagen; het waren er drie. De eerste nederlaag wordt vermeld in 1 Samuël 13, de tweede nederlaag in hoofdstuk 14 en de derde in hoofdstuk 15. Jammer genoeg, op dit moment in de geschiedenis merken we een verandering op bij Saul. We zien het begin van zijn geestelijke achteruitgang die uiteindelijk zou leiden tot nederlaag, schande en dood.

Sauls eerste nederlaag

‘De Filistijnen nu hadden zich verzameld om tegen Israël te strijden, drieduizend wagens, zesduizend ruiters en voetvolk even talrijk als het zand aan de oever der zee. Zij trokken op en legerden zich te Mikmas, oostelijk van Bet-Awen. Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in het nauw kwamen, dat het volk bedreigd werd, verborg het volk zich in de spelonken, spleten, rotsen, grotten en putten; ook gingen Hebreeën over de Jordaan naar het land van Gad en Gilead, terwijl Saul nog te Gilgal was en al het volk bevende in zijn gevolg bleef. Hij wachtte zeven dagen, tot de tijd die Samuël had bepaald. Maar toen Samuël niet naar Gilgal kwam, begon het volk van hem weg te lopen; daarom zeide Saul: Brengt mij het brandoffer en de vredeoffers. En hij offerde het brandoffer. Nauwelijks was hij gereed met het offeren van het brandoffer, of zie, daar kwam Samuël. Saul ging hem tegemoet om hem te begroeten. Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul antwoordde: Daar ik zag, dat het volk van mij wegliep en gij niet op de afgesproken tijd kwaamt, terwijl de Filistijnen te Mikmas verzameld waren,  dacht ik: nu zullen de Filistijnen op mij afkomen te Gilgal, en ik heb de gunst des Heren nog niet gezocht; toen heb ik mij verstout en heb het brandoffer geofferd. Samuël zeide tot Saul: Gij hebt dwaas gehandeld; gij hebt niet in acht genomen het gebod van de Here, uw God, dat Hij u geboden heeft, anders zou de Here uw koningschap over Israël voor altijd bevestigd hebben. Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. De Here heeft Zich een man uitgezocht naar zijn hart en de Here heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld, omdat gij niet in acht genomen hebt wat de Here u geboden had.’ (1 Sam.13:5-14).

Wat Saul had gedaan, mag in onze ogen misschien een kleinigheid lijken. Hij werd ongeduldig en offerde voordat Samuël was gekomen. Maar eigenlijk was wat hij deed een serieuze overtreding in Gods ogen – zo ernstig dat het Saul zijn koningschap kostte. Die dag nam Saul drie grote stappen weg van God en zo begon de neerwaartse geestelijke spiraal die tot zijn nederlaag leidde. Ook wij kunnen diezelfde drie stappen nemen op de weg naar onze nederlaag. Wat zijn die drie gevaarlijke stappen? Ongeloof, ongeduld en oneerlijkheid. Hoewel Sauls zonde niet zo groot lijkt, was dat het begin van zijn ondergang. Hij gehoorzaamde hij God niet.

Ongeloof

De eerste stap was ongeloof. Samuël zei: ‘Wat heb je gedaan?’ En Saul zei: ‘Omdat ik zag’ (1Sam.13:11). Saul begon te wandelen door wat hij zag, niet langer door geloof, en daardoor raakte hij in moeilijkheden. De vijand was bijeengekomen als het zand aan de oever van de zee. Toen Saul al de strijdwagens en de ruiters zag, wist hij dat het een groot leger was waar hij tegenover kwam te staan. Niet alleen dat, Sauls eigen manschappen deserteerden! Zijn leger was omsingeld en in gevaar. De mannen verborgen zich en staken de rivier over om weg te komen. Ze waren angstig en werden verstrooid. Waar Saul ook keek, hij zag de nabije nederlaag. Zijn leger deserteerde en bovendien beschikten ze niet over geschikte wapens (1Sam.13:19-22). Ook kwam Samuël maar niet, hoewel hij had gezegd: ‘Gij zult u voor mij uit naar Gilgal begeven, en zie, ik zal tot u komen om brandoffers te offeren en vredeoffers te slachten. Zeven dagen zult gij wachten, totdat ik bij u kom en u te kennen geef wat gij doen zult’ (1Sam.10:8). Saul wachtte en wachtte maar Samuël kwam niet. Saul werd het wachten moe en bracht de offers zonder dat Samuël aanwezig was. Ondanks de effectiviteit van Samuëls gebeden en de bemoediging die in het handelen van God met zijn volk lag, werd Saul bang en ongeloof nam bezit van zijn hart. Hij begon te wandelen door hetgeen hij zag en handelde niet langer door geloof. Samuël zei tegen hem: ‘Vrees de Heer’ (vs14, 24). Als je God vreest – ontzag voor Hem hebt – hoef je niets of niemand nog te vrezen. Saul begon bang te worden voor het volk, daarna voor Goliath en nog later voor David. In zijn laatste oorlog werd hij zo bang dat hij een dodenbezweerster raadpleegde.

Ongeduld

Sauls eerste stap op de neerwaartse weg was ongeloof. Zijn tweede stap was ongeduld. Saul was niet in staat om een week te wachten op de komst van Samuël. Geloof en geduld horen bij elkaar. In Hebreeën 6:12 lezen we: ‘Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven.’ Jesaja 28:16 zegt: ‘Hij die gelooft, haast niet.’ Ongeduld is een teken van onvolwassenheid. ‘Want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet’ (Jak.1:3-4). We hebben geen aanwijzingen dat Saul erg volwassen was met betrekking tot geestelijke zaken. We herinneren ons dat hij niet eens wist wie Samuël was. Hij had geen idee wat Samuël voor hem had kunnen betekenen. Saul werd ongeduldig en liep daarom voor de Heer uit en verloor zo zijn kroon als gevolg. Jakobus 1:12 zegt: ‘Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben’ In plaats van een hemelse kroon te ontvangen, verloor Saul zijn aardse kroon omdat hij ongeduldig werd.

Oneerlijkheid

De derde neerwaartse stap die Saul nam was onoprechtheid. Saul bracht de offers en toen kwam Samuël! Samuël zei: ‘Wat heb gij gedaan!’ (1Sam.13:11). Samuël had kunnen zeggen dat er iets niet klopte, maar deed dat niet. Onmiddellijk begon Saul zich te verontschuldigen. In 1 Samuël 13 verwijt hij Samuël en in hoofdstuk 14 verwijt hij Jonathan, en in hoofdstuk 15 verwijt hij het volk. Maar Saul verwijt zichzelf nooit iets! Hij was goed in het maken van excuses. Saul zei: ‘Daar ik zag, dat het volk van mij wegliep en gij niet op de afgesproken tijd kwaamt, terwijl de Filistijnen te Mikmas verzameld waren, dacht ik: nu zullen de Filistijnen op mij afkomen te Gilgal, en ik heb de gunst des Heren nog niet gezocht; toen heb ik mij verstout en heb het brandoffer geofferd’ (1Sam.13:11-12). Iemand die goed is in het zich verontschuldigen is zelden goed in iets anders. Als je ooit met iemand hebt samengewerkt die voortdurend met een excuus komt, weet je dat hij zijn taak niet goed doet. ‘Vreest slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart’ (1Sam.12:24). Saul diende God niet in waarheid. Hij handelde niet oprecht, had een bedrieglijk hart en was niet eerlijk. Hij verweet Samuël maar hij zou zichzelf moeten verwijten. Het heeft iets tragisch wanneer iemand zich van God verwijdert vanwege ongeloof, ongeduld en oneerlijkheid. Samuël zei: ‘U hebt dwaas gehandeld’ (1Sam.13:13). Het is dwaas de vijand te vrezen in plaats van God. Het is dwaas voortijdig te handelen en niet op Gods tijd te wachten. Het is dwaas om niet eerlijk te zijn en te liegen over je zonden. ‘Gij hebt niet in acht genomen het gebod van de Here, uw God, dat Hij u geboden heeft, anders zou de Here uw koningschap over Israël voor altijd bevestigd hebben. Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. De Here heeft Zich een man uitgezocht naar zijn hart en de Here heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld, omdat gij niet in acht genomen hebt wat de Here u geboden had’ (vs.13-14).

Saul verloor zijn koningschap, en later verloor hij zijn kroon en zijn leven. 

Deel 3

Sauls oorlogen (2)

1 Samuël 14 - 15 

Sauls oorlogen, vervolg

‘Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden’ (Ef.6:12-13). We hebben veel vijanden – de wereld, het vlees, de duivel en hen die in opstand zijn tegen God. De Heer Jezus heeft wel de overwinning behaald op Golgotha, de oorlog is gewonnen, maar u en ik hebben als gelovigen nog steeds onze strijd te strijden. Wat is uw relatie tot die strijd? Wat was Sauls relatie tot zijn strijd? Dat zien we in zijn tweede en derde oorlog.

Sauls tweede nederlaag (1 Sam.14)

Saul was niet op de hoogte van Jonathans strijd. Jonathan had tegen zijn wapendrager gezegd: ‘Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost der Filistijnen aan gindse zijde. Maar zijn vader deelde hij het niet mee’ (vs.1). Terwijl Jonathan streed deed Saul niets. We lezen in vers 2: ‘Saul nu zat aan de grens van Gibea onder de granaatappelboom te Migron. En het krijgsvolk dat bij hem was, telde ongeveer zeshonderd man.’ Het is interessant te zien dat, terwijl er een strijd aan de gang was, Saul en zijn zeshonderd man niets deden, ja, er zelfs niet van op de hoogte waren. Maar dat hield Jonathan niet tegen om toch de strijd aan te gaan nu de gelegenheid zich voordeed. ‘Jonathan nu zeide tot zijn wapendrager: Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen. Misschien zal de Here voor ons handelen, want de Here kan evengoed verlossen door weinigen als door velen’ (vs.6).

Wat Jonathan deed die dag was een bewijs van grote moed. Hij en zijn wapendrager stonden tegenover een groot leger, maar ze toonden dat ze moedig waren. Het was ook een daad van geloof. Jonathan vertrouwde op God. God is niet gebonden aan aantallen. Hun aanval was ook een daad van onbaatzuchtigheid. Jonathan wist dat hij zijn vader niet als koning zou opvolgen. God had Saul duidelijk gezegd dat niemand van zijn familie de kroon zou dragen. En toch vocht Jonathan de oorlogen van de Heer, ook al zou hij nooit koning worden. Saul was niet op de hoogte dat er een slag plaatsvond. De Filistijnen vielen door de hand van Jonathan en zijn wapendrager. ‘Er kwam schrik in de legerplaats, op het veld en onder al het volk’ (vs.15). Het is verbazingwekkend wat een of twee mannen kunnen bereiken wanneer ze op God vertrouwen. Dat geldt ook voor u en mij! Stel je vertrouwen op God en handel naar zijn wil, en Hij zal de overwinning geven. Een man kan grote dingen doen wanneer hij op God vertrouwt.In de verzen 16-23 kijkt Saul naar de strijd. Sauls uitkijk hield de Filistijnen in de gaten, en ze zagen dat de strijders vielen! Ze vertelden Saul dat de Filistijnen stierven, en Saul was verwonderd. Toen ontdekten ze dat Jonathan en zijn wapendrager er niet waren, dus vroeg Saul de priester om de ark te brengen. Wat daarvan de bedoeling was weten we niet. Wilde hij de ark mee in de strijd brengen of wilde hij een poging doen om naar de wil van God te vragen? Maar Saul veranderde van gedacht en besloot om te vechten. Het ene moment keek Saul naar de strijd, het andere moment dacht hij God te raadplegen en toen besloot hij om te vechten. Saul was een mens innerlijk verdeeld, en daarom ongestadig op al zijn wegen (Jak.1:8). Iemand heeft eens gezegd: ‘Er zijn in elke gemeente drie soorten mensen, zij die iets doen, zij die niets doen en zij die niet weten dat er iets te doen is’. Jonathan en zijn wapendrager hadden geloof in God en daarom gebeurden er dingen. Saul zag op een afstand toe wat er gebeurde. Bent u een toeschouwer of een deelnemer of bent u niet op de hoogte dat er strijd gaande is?

Het was niet zo dat Saul geen weet had van de strijd die gaande was en dat hij ‘slechts’ toeschouwer was, hij hinderde ook nog de strijd. Hij hinderde de strijd door zijn mannen te verbieden voedsel tot zich te nemen. ‘Toen de mannen van Israël op die dag bedreigd werden, had Saul het volk een vervloeking doen uitspreken: Vervloekt is de man, die spijs eet vóór de avond en voordat ik mij op mijn vijanden gewroken heb. Daarom gebruikte niemand van het volk enig voedsel’ (1 Sam.14:24). Doordat het volk geen voedsel tot zich nam, raakte het uitgeput (vs.28). Vandaar dat Jonathan zei: ‘Mijn vader heeft het land in het ongeluk gestort; ziet eens, hoe helder mijn ogen staan, nu ik een weinig van deze honig geproefd heb (vs.29). Met andere woorden, zonder dat dwaas besluit van mijn vader waren de mannen in staat geweest om te strijden maar nu is de slachting onder de Filistijnen niet groot.’ Uitgehongerd viel het volk op de buit aan. ‘Daarom viel het volk aan op de buit; zij namen kleinvee, runderen en kalveren, slachtten die op de grond, en het volk at ervan met bloed en al. Toen deelde men Saul mee: Zie, het volk zondigt tegen de Here door te eten met bloed en al’ (vs.32-33). Joden – beter gezegd alle mensen- werden geacht geen bloed te eten (Gen.9:4; Lev.3:17, 17:10-14; Hand.15:20,29).

Jonathan werd apart genomen en door het lot te werpen kwam zijn ‘schuld’ aan het licht, hoewel hij niet op de hoogte was van het besluit van Saul om het eten van enig voedsel te verbieden. Had het aan Saul gelegen, dan was Jonathan gedood maar het volk kwam tussenbeide. ‘Want het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote overwinning in Israël behaald heeft? Dat zij verre! Zo waar de Here leeft, er zal geen haar van zijn hoofd ter aarde vallen. Want met Gods hulp heeft hij heden dit verricht. Zo bevrijdde het volk Jonathan, en hij stierf niet’ (vs.45).

In Samuël 14:46 zien we dat Saul zich terugtrekt uit de strijd. ‘Saul keerde terug van de vervolging der Filistijnen, en de Filistijnen gingen naar hun eigen woonplaats.’ Een totale overwinning op de Filistijnen was door die terugtrekking niet meer mogelijk. Indien het volk voldoende gegeten had en zich onder het gezag van Jonathan had geplaatst, was een totale nederlaag van de Filistijnen mogelijk geweest. Wat een tegenstelling zien we tussen Jonathan en Saul! Jonathan was een man van actie en groot geloof, Saul was een man van verbroken beloften en dwaze eden.

Sauls derde nederlaag (1 Sam.15)

Nog maar eens geeft God Saul de gelegenheid om te laten zien wie hij is. In 1 Samuël 15:1-3 lezen we: ‘Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de Here gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des Heren. Zo zegt de Here der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich hem in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.’ God gaf Saul een goddelijke opdracht want de Here wilde een oude rekening vereffenen, Hij was niet vergeten wat de Amalekieten zijn volk aangedaan hadden na hun vertrek uit Egypte: ‘Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen gij uit Egypte getrokken waart; hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde.’ (Deut.25:17-19) ‘En de Here zeide tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen.’ (Ex.17:8,9,14). Zo deed Saul, hij versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt (vs.7). Maar: ‘Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en van de runderen, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Toen kwam het woord des Heren tot Samuël: Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd’ (vs.10-11). Wat was de reactie van Samuël? ‘Hierop ontroerde Samuël hevig en hij riep tot de Here de gehele nacht’ (vs.11). Samuël worstelde in gebed de hele nacht met God vanwege de ongehoorzaamheid van Saul. Hoeveel vrienden heeft u die hetzelfde zouden doen mocht u in een soortgelijke situatie terecht komen?

Ontweek Saul Samuël doordat hij naar Gilgal uitweek? In ieder geval, toen Samuël Saul gevonden had ontwikkelde zich dit gesprek: ‘Toen Samuël bij Saul kwam, zeide deze tot hem: Wees gezegend door de Here; ik heb het bevel des Heren uitgevoerd.’ Saul was niet oprecht met zijn verslag want hij had het bevel des Heren niet uitgevoerd! Wat was het gebod van de Here? ‘Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel’ (vs.3). Samuël zeide: Wat betekent dan dat geblaat van kleinvee, dat in mijn oren klinkt, en het geloei van runderen, dat ik hoor? Saul zeide: Die heeft men van de Amalekieten meegebracht, want het volk heeft het beste van het kleinvee en van de runderen gespaard om de Here, uw God, offers te brengen; maar de rest hebben wij met de ban geslagen’. Eerst een leugen en dan het volk de schuld geven: ‘het volk heeft het beste van het kleinvee en van de runderen gespaard.’ (1 Sam.15:13-16). Saul was goed in het bedenken van excuses! In hoofdstuk 13 gaf hij Samuël de schuld dat hij te laat was gekomen. In hoofdstuk 14 gaf hij Jonathan de schuld voor de nederlaag omdat hij gegeten had terwijl Saul dat verboden had. Hier in hoofdstuk 15 geeft hij het volk de schuld (vs.25, 21).

Vervolgens zei Saul: ‘Ik heb wel naar de Here geluisterd’ (vs.15). Hier gebruikt hij een uitvlucht: ‘het volk heeft genomen van het vee om de Here, uw God, offers te brengen in Gilgal’ (vs.21). ‘Maar Samuël zeide: Heeft de Here evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan horen naar des Heren stem? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen. Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim.’ (vs.22). God is niet geïnteresseerd in onze offers, hoe goed bedoeld ook, maar hij is geïnteresseerd in gehoorzaamheid aan zijn Woord. Op een aantal plaatsen in de Bijbel vinden we dit bevestigd. Bijvoorbeeld Psalm 51:18-19: ‘Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen. De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.’ (Ps.50:12-14; Hos.6:6; Micha 6:7-8). Saul had geen gebroken geest. 1 Samuël 15:23 zegt: ‘Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim.’ Door de hele Bijbel heen maakt God het duidelijk dat Hij gehoorzaamheid verkiest boven offers. Het niet doen van Gods gebod eiste een zware prijs van Saul. ‘Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn’ (vs.23). Niemand had grotere mogelijkheden om een succesvol koning te zijn dan Saul. Alles was in zijn voordeel. Hij had overwinning op overwinning kunnen behalen, maar in plaats daarvan faalde hij diverse keren en God had geen vertrouwen meer in Saul en verkoos David, die het hart op de juiste plaats had. ‘De Here heeft Zich een man uitgezocht naar zijn hart en de Here heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld, omdat gij niet in acht genomen hebt wat de Here u geboden had’ (1 Sam.13:14).

Deel 4

Saul en David (1) 

1 Samuël 15 - 23 

Inleiding

De verwerping van Saul door de Here was voor Samuël een groot verdriet. Samuel was hierdoor diep geschokt en ‘hij riep tot de Here de gehele nacht’ (1Sam.15:11). Ze gingen van toen af aan hun eigen weg. ‘Samuël begaf zich naar Rama, maar Saul ging naar zijn huis, naar Gibea Sauls. Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood, maar Samuël droeg leed over Saul. En de Here had berouw, dat Hij Saul tot koning over Israël had aangesteld’ (1Sam.15:34-35).

Wat een verdriet had Saul door zijn ongehoorzaamheid gebracht. Maar de ongehoorzaamheid van Saul verhinderde God niet om zijn plannen ten uitvoer te brengen. Ook al zijn wij niet trouw, God is trouw en zal zijn plannen volvoeren. Maar als wij falen, missen wij de zegen om te ervaren hoe God door ons heen had kunnen werken. Maar God weet wat Hij doet, hij heeft altijd een ‘vervanger’ achter de hand om zijn plannen ten uitvoer te brengen. In dit geval was de vervanger David.

1 Samuël 16:1 zegt: ‘De Here zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ík heb hem toch verworpen, dat hij geen koning over Israël meer zal zijn?’ Samuël rouwde over Saul en misschien had hij wel gebeden dat Saul zich zou bekeren van zijn verkeerde weg. Maar God had andere plannen waarvan Samuël toen nog niets wist. Toen zei de Here tegen hem: ‘Vul uw hoorn met olie en ga heen; Ik zend u naar Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij uitgezocht’ (vs.1). David was bezig de schapen te hoeden toen Samuël arriveerde met zijn hoorn met olie, dus stuurden ze een bode om hem te halen (vs.4-12). Samuël zalfde David, en ‘van die dag aan greep de Geest des Heren David aan’ (vs.13). David was gezalfd maar Saul was verworpen. ‘Maar van Saul was de Geest des Heren geweken, en een boze geest, die van de Here kwam, joeg hem angst aan’ (vs.14).

In de hoofdstukken 15-23 worden Saul en David door God tot elkaar gebracht. Dat deed God omdat Saul Davids hulp nodig zou hebben want ‘een boze geest van de Here joeg hem angst aan’ (vs.14). Saul werd door God getuchtigd vanwege zijn ongehoorzaamheid. De enige manier waarop Saul verlichting kreeg van zijn aanvallen was dat iemand muziek voor hem speelde die hem tot rust bracht. Toen Saul om een muzikant vroeg, zei een van zijn knechten: ‘Ik heb een zoon van de Bethlehemiet Isaï, die spelen kan; en hij is een dapper held, een krijgsman, wel ter tale, schoon van gestalte; en de Here is met hem’ (vs.18). Op die manier kwam David in het huis van Saul. Dat was het begin van het drama dat zich tussen Saul en David ging afspelen, een drama waarin de krachten van de duisternis het opnamen tegen Gods macht. Dat is geen antiek verhaal, maar die strijd speelt zich ook vandaag de dag nog af. Wanneer je iemand kent die door God is gezegend en die in contact komt met iemand die door God is verworpen, vind je dit conflict. Dit drama tussen Saul en David is beschreven in de hoofdstukken 16 tot 31 van het eerste boek Samuël, en het valt uiteen in drie delen: deel 1, Sauls liefde voor David (hfdst.16-17); deel 2, Sauls jaloersheid op David (hfdst.18-20); deel 3, Sauls verbanning van David (hfdst.21-31).

Sauls liefde voor David (1 Samuël 16-17)

Voor ons die het einde kennen van de relatie tussen Saul en David, klinkt de tekst in 1 Samuël 16:21 misschien wat vreemd in de oren: ‘Zo kwam David bij Saul en werd zijn dienaar. Deze hield veel van hem, en hij werd zijn wapendrager.’ Het is interessant deze liefdevolle relatie tussen Saul en David in het begin van hun kennismaking te ontdekken. Saul gaf David twee belangrijke taken. Ten eerste, David werd zijn wapendrager. Dat was een eervolle taak en ook een belangrijke plaats aan de zijde van de koning. Hij werd ook aangesteld als Sauls huismuzikant. Telkens wanneer Saul een van zijn aanvallen kreeg, speelde David op zijn harp, en werd Saul weer rustig. Vandaar dat Saul de opdracht gaf om David bij hem te brengen. ‘Daarna stuurde Saul een bode naar Isaï om te zeggen: ‘Laat David toch in mijn dienst blijven, want hij heeft genegenheid gewonnen.’ (vs.22). In het begin van Davids verblijf aan het hof van Saul was dat een tijdelijke functie, want in 1 Samuël 17:15 lezen we: ‘Maar David keerde telkens van Saul terug om te Bethlehem de schapen van zijn vader te weiden.’ Sommigen vertalen: ‘David reisde heen en weer tussen het huis van zijn vader en Saul.’ Nadat David Goliath had verslagen werd zijn positie aan het hof van Saul permanent. ‘Saul nam hem die dag met zich mee en stond hem niet toe naar zijns vaders huis terug te keren’ (18:2). Wat begon als een tijdelijke functie, werd een permanente toen David een plaats kreeg in de lijfwacht van Saul (18:5). De liefde van Saul voor David was echter niet permanent! ‘Kunnen er twee samen gaan zonder het eens te worden?’ (Amos 3:3). Wat heeft het licht gemeen met de duisternis? (2Kor.6:14). Welke gemeenschap heeft het vlees met de Geest? Saul leefde voor zichzelf, terwijl David voor anderen leefde. Saul was trots en opstandig, terwijl David nederig en gehoorzaam was.

 Sauls jaloersheid op David (1Samuël 18-20)

 ‘David was voorspoedig’ (1Sam.18:5,14,15). Hij wandelde naar Gods wil, versloeg zijn vijanden, en won de gunst van het volk, maar hij bleef er nederig onder. De vrouwen kwamen naar buiten wanneer David van de strijd terugkeerde en dansten en zongen: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!’ (vs.7,8). David bleef er nederig onder maar Saul ontstak in woede. De eer die David ontving bracht het beste in hem naar boven: zijn nederigheid. Maar de eer die David kreeg bracht het slechtste in Saul naar boven, hij trachtte David te doden. ‘De volgende morgen greep de boze geest Gods Saul aan, en hij gedroeg zich in het huis als een razende, terwijl David zoals elke dag de snaren tokkelde. Saul had zijn een in zijn hand’ (vs.10). Aan Davids verblijf in het huis van Saul kwam verandering want Saul verwijderde David als zijn wapendrager en huismuzikant en stelde hem aan tot bevelhebber over duizend en zond hem in de strijd. Hij hoopte dat David door de Filistijnen gedood zou worden.

Saul had David zijn oudste dochter, Merab, tot zijn vrouw beloofd. Maar hij bedroog David en gaf haar aan een ander. Toen vroeg David Michal tot zijn vrouw. Saul probeerde voortdurend een valstrik voor David te spannen. Hij beval zijn dienaren David te zeggen: ‘De koning begeert geen andere bruidsprijs dan honderd voorhuiden van Filistijnen als wraakneming op de vijanden van de koning. Sauls had de bedoeling David door de hand van de Filistijnen te doen vallen’ (vs.25). In plaats van honderd voorhuiden, doodde David tweehonderd Filistijnen en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. ‘En Saul nog vreesde David des te meer. Saul bleef een vijand van David zijn leven lang’ (vs.29). Het ging van kwaad tot erger met Saul. Eerst had hij David lief, toen werd hij jaloers en nu trachtte hij hem zelfs te doden. In zijn moordplannen betrok hij zelfs zijn zoon Jonathan (19:1). Saul zond mannen naar Davids huis om hem gevangen te nemen zodat hij hem kon doden. Michal bedroog Saul en daardoor kon David ontsnappen (vs.11-18). Toen ging Saul naar Rama, met het plan David te doden, maar hij faalde weer (vs.19-24). Jaloersheid is als een kanker, ze vreet aan je ziel en gaat je helemaal beheersen. David werd door God gebruikt en het volk zag dat hij oprecht met God wandelde. Omdat hij de goedkeuring van het volk kreeg, zag Saul hem als een serieuze bedreiging voor zijn positie. Saul werd zo jaloers op Davids populariteit dat het een obsessie werd om hem te doden.

Sauls verbanning van David

In 1 Samuël 21-31 is David op de vlucht. Hij werd voortdurend gedwongen om voor Saul te vluchten. Hij ging naar Abimelech, de priester, en daarna naar Achis, de koning van Gath, en daarna naar de grot van Adullam. Gedurende al deze jaren, was David een vluchteling in de wildernis van Judea. Zij die daar wel eens een bezoek hebben gebracht, weten dat dat geen geriefelijke plaats is. Dit alles bracht het slechtste in Saul naar boven. Hij was er voortdurend op uit om David te doden. Eigenlijk was dat een dwaas besluit, want David was Gods gezalfde en Hij waakte over hem. Maar deze beproevingen brachten bij David het beste naar boven. Hij schreef gedurende deze periode ongeveer twintig psalmen. Wanneer we een paar verzen daarvan onderzoeken, komen we te weten welke houding David in deze tijd aannam. Psalm 34:1,7 zegt: ‘Ik wil de Here te allen tijde prijzen, bestendig zij zijn lof in mijn mond. (…) Deze ellendige hier riep en de Here hoorde, Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.’ Ondanks zijn verbanning en verblijf in de wildernis, kon David toch de Here grootmaken. In Psalm 142:2, 3 zegt hij: ‘Met luider stem roep ik tot de Here, met luider stem smeek ik de Here. Ik stort mijn klacht voor zijn aangezicht uit, ik maak Hem mijn benauwdheid bekend.’ Psalm 31:2 zegt: ‘Bij U, Here, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden. Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid.’ En verder in Psalm 7:2 zegt hij: ‘Here mijn God, bij U schuil ik, verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.’ David vertrouwde op God, dat Hij hem zou beschermen tegen Saul. Zoals gezegd, wat David doormaakte bracht het beste in hem naar boven, maar bij Saul kwam het slechtste naar boven. Liefde kan veranderen in haat en zelfs tot moord leiden wanneer jaloezie ons hart vervult en ons leven controleert. Daarvoor waarschuwt ons Spreuken 4:23: ‘Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

Deel 5

Saul en David (2) 

1 Samuël 24, 26 

David en Saul

Twee keer kreeg David de gelegenheid om koning Saul te doden. Vanuit menselijk oogpunt zou de dood van Saul veel problemen opgelost hebben. Maar David bekeek het leven vanuit Gods standpunt, niet vanuit het menselijke. David kreeg gelegenheid om wraak te nemen maar deed dat niet en Saul kwam daardoor in een situatie waarin hij echt berouw had kunnen tonen, maar hij deed dat ook niet. In 1 Samuël 24 kreeg David de gelegenheid om Saul te doden in een grot, en in hoofdstuk 26 in het kamp van Saul.

Beproeving in een grot – 1 Samuël 24

David en zijn mannen waren in een grot in En-Gedi, een plaats waar veel grotten waren. Deze plaats is nog steeds te bezoeken, prachtig gelegen in de buurt van de Dode Zee. Een kleine oase in een verder desolaat gebied, waar de dieren water en voedsel vinden. Saul was daar met 3000 mannen, op zoek naar David. Hij kwam de grot binnen waar David en zijn mannen verborgen zaten, maar zag ze niet. Vermoedelijk hielden ze zich schuil achter in de grot. ‘Toen zeiden Davids mannen van David tot hem: Dit is de dag, waarvan de Here tot u gezegd heeft: zie, Ik geef uw vijand in uw macht; doe met hem wat gij wilt. David stond op en sneed ongemerkt de slip van Sauls mantel af. Daarna bonsde Davids hart, omdat hij Sauls had afgesneden; hij zeide tot zijn mannen: De Here beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer, aan de gezalfde des Heren, dit zou doen, dat ik mijn hand aan hem zou slaan; want hij is de gezalfde des Heren. En David weerhield zijn mannen door zijn woord; en hij liet hun niet toe Saul te overvallen’ (1Sam.24:5-8).

Nadat Saul de grot verlaten had, ging David naar buiten en riep: ‘Mijn heer de koning! Saul keek om en David knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer. Toen zeide David tot Saul: Waarom luistert gij naar de woorden van mensen, die zeggen: Zie, David beraamt kwaad tegen u? Zie, op deze dag aanschouwen uw eigen ogen, dat de Here u heden in de spelonk in mijn macht gegeven heeft; men sprak ervan u te doden, maar ik spaarde u en zeide: ik zal mijn hand niet slaan aan mijn heer, want hij is de gezalfde des Heren’ (1 Sam.24:9-11). David kreeg een gelegenheid om wraak te nemen. Hij werd door zijn mannen aangemoedigd om Saul te doden. In feite argumenteerden ze dat de Heer David het recht gaf om wraak te nemen. Tenslotte had Samuël gezegd dat God Saul had verworpen (15:26), en Jonatan had gezegd dat God de vijanden van David zou uitroeien (20:15). Beide argumenten gaf David het recht om de koning te doden – tenminste in de redenering van zijn vrienden. David realiseerde zich dat Saul niet zijn vijand was. David was misschien wel Sauls vijand, maar Saul was niet de vijand van David.

Psalm 18 was geschreven op het moment dat God David bevrijd had ‘uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul’ (vs.1). Het is interessant te zien dat Saul niet onder Davids vijanden gerekend werd. Ja, David had een gelegenheid om wraak te nemen, maar hij had ook de gelegenheid om ervan af te zien. David koos ervoor om af te zien van wraakneming en daardoor toont hij zich als een geestelijk gezind persoon. Spreuken 16:32 zegt: ‘Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest beheerst, hem die een stad inneemt.’ David liet zien dat hij werkelijk een koning was, omdat hij kon heersen over zijn eigen gevoelens en emoties. Als hij dat niet had gedaan, dan was de raad van zijn mannen in vervulling gegaan en had hij Saul gedood.

Wat hield David tegen om wraak te nemen op Saul? In elk geval, hij respecteerde Sauls gezag. Hij noemde hem 'mijn heer, bij de gezalfde des Heren’ (1Sam.24:7). Ook noemde hij hem ‘mijn heer de koning’ (vs.9) en ‘mijn vader’ (vs.12). (David was de schoonzoon van de koning). David respecteerde het feit dat Saul de gezalfde van God was en wilde  zijn hand niet tegen hem uitsteken, want hij is de gezalfde van de Here (vs.7). ‘Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad’ (Ps.105:15).

David had een gevoelig geweten, zijn hart bonsde toen hij een stuk van de mantel van Saul afsneed. ‘David stond op en sneed ongemerkt de slip van Sauls mantel af’ (1Sam.24:5). Davids geweten klaagde hem snel aan als hij iets verkeerds deed (vgl. Gen.4:7). Maar hij deed het toch om te kunnen bewijzen dat hij Saul in zijn macht had gehad en hem had kunnen doden.

David was ook nederig, wat blijkt uit wat hij zegt: ‘Wat is de koning van Israël achterna getrokken? Wie achtervolgt gij? Een dode hond. Eén enkele vlo!’ (1Sam.24:15). Maar de belangrijkste reden waarom David zichzelf in bedwang hield, was omdat hij ook in deze situatie op God vertrouwde: ‘Daarom moge de Here rechter zijn, en tussen mij en u oordelen. Hij moge toezien, mijn zaak beslechten en mij recht verschaffen tegenover u’ (1Sam.24:16). David had zichzelf overgegeven aan God, Die rechtvaardig zou oordelen, Diegene die alle dingen ten goede zou keren. David koos ervoor om zich terug te trekken. Voor Saul was het een gelegenheid om berouw te tonen en zich te bekeren van zijn verkeerde houding. Saul weende, maar ik denk niet dat zijn tranen oprecht waren. Hij zei tegen David: ‘Gij zijt rechtvaardiger dan ik, want gij hebt mij goed gedaan, terwijl ik u kwaad gedaan heb’ (vs.18). Hij voegde eraan toe: ‘Wanneer iemand zijn vijand aantreft, zal hij hem dan ongehinderd laten gaan? De Here moge u belonen voor wat gij mij heden gedaan hebt’ (vs.20). Sauls reactie op Davids handelwijze laat ons zien dat er drie verschillende mogelijkheden zijn om te reageren. Ten eerste is er de menselijke manier, kwaad met kwaad vergelden (vs.19). Als een man zijn vijand ontmoet, dan strijdt hij tegen hem. Er is ook een satanische manier van vergelding, waarin je kwaad voor goed vergeldt. Zo was Sauls houding: ‘ik heb u kwaad aangedaan’ (vs.18). Maar David leefde op een hoger, geestelijk niveau en vergold kwaad met goed. ‘Gij hebt mij goed gedaan’ (vs.18). Dat is het niveau zoals elke gelovige zou moeten leven.

Saul bekeerde zich niet, maar was alleen maar bezorgd voor zijn familie en zijn naam. ‘Zweer mij dan bij de Here, dat gij mijn nakomelingen niet zult uitroeien noch mijn naam uit mijn familie zult uitdelgen’ (vs.22). Saul was een trotse man, alleen bezorgd om zijn reputatie. Davids geestelijk leven stond gelijk aan wat de apostel Paulus omschrijft met de woorden: ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten, indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede’ (Rom.12:17-21).

Beproeving in het kamp – 1 Samuël 26

David had zijn spionnen uitgestuurd en die hadden ontdekt dat Sauls kamp in de nabijheid lag. David en zijn neef Abisai slopen daarop heimelijk het kamp binnen. God had een diepe slaap op Saul en zijn krijgers doen komen. Nog eens kreeg David een gelegenheid om wraak te nemen. Saul sliep en Abisaï zei tegen David: ‘Heden heeft God uw vijand aan u overgeleverd’ (vs.8). Sauls speer lag daar, dezelfde speer waarmee hij eerder had geprobeerd David te doden. Als David wraak had willen nemen, wat zou dan meer voor de hand liggen dan Saul te doden met die speer?

Maar David zei tegen Abisaï: ‘Breng hem niet om; want wie slaat ongestraft zijn hand aan de gezalfde des Heren?’ (vs.9). Abisaï had kunnen argumenteren: ‘God geeft je weer een kans om wraak te nemen! Hij heeft zelfs daarvoor een diepe slaap over iedereen doen komen! Maar David wist dat je Gods wil niet kunt te weten te komen alleen door omstandigheden. Je moet daarvoor ook het Woord van God kennen. David wist dat het verkeerd was de koning van Israël te doden, daarom nam hij Sauls kruik en speer. David en Abisai gingen weer het kamp uit. Daarna riep David Abner en zei: ‘Zijt gij dan geen man? Wie is in Israël u gelijk in? Waarom hebt gij dan uw heer, de koning, niet bewaakt? Want er is iemand van het volk gekomen om de koning, uw heer, om te brengen. Wat gij gedaan hebt, is niet goed. Zo waar de Here leeft, gij zijt kinderen des doods, omdat gij uw heer, de gezalfde des Heren, niet bewaakt hebt! Nu dan, zie eens, waar de speer van de koning is en de waterkruik, die aan zijn hoofdeinde stond’ (vs.15-16). David wilde Saul niet vernederen. Dat had hij eigenlijk al gedaan door een stuk van zijn mantel af te snijden. David vernederde Abner, Sauls lijfwacht.

Hier was een gelegenheid voor wraak, maar David weigerde die te accepteren. Hij koos ervoor om het niet te doen. David zei: ‘Zo waar de Here leeft, voorzeker, de Here zal hem slaan: hetzij, dat zijn sterfdag komt, hetzij, dat hij ten strijde trekt en weggevaagd wordt’ (vs.10). Hoezeer bleken deze woorden later bewaarheid te worden! (1Sam.28). David vertrouwde op God dat Die Saul zou straffen. Hij weigerde het recht in eigen hand te nemen.

Weer kreeg Saul een gelegenheid om alles goed te maken tussen hem en God en David. David zei tegen Saul: ‘Nu dan, mijn heer de koning luistere naar de woorden van zijn knecht. Indien de Here u tegen mij opzet, dan moge Hij een offer ruiken; maar indien het mensen zijn, vervloekt zijn zij voor het aangezicht des Heren, omdat zij mij thans verwijderd houden van de gemeenschap met het erfdeel des Heren, en zeggen: ga heen, dien andere goden’ (vs.19). David maakte duidelijk dat de mensen problemen veroorzaakten, niet hij, en dat de koning niet moest luisteren naar de roddel en leugens aan het hof. Wanneer je de twintig Psalmen leest die David in deze tijd geschreven heeft, lees je vaak vleiende lippen en mensen die lasterden over David en leugens over hem vertelden. Saul geloofde deze leugens, maar David waarschuwde: ‘God zal straffen, hen die leugens over mij vertellen. Als je tegen God gezondigd hebt, waarom belijd je jouw zonden niet? Als je dat doet, zal Hij je vergeven en herstellen.’

Saul had zijn kroon en koningschap verloren, maar hij zou zijn dagen nog beëindigd kunnen hebben op een goede manier en in vrede met David. Saul beleed geen schuld toen hij zei: ‘Ik heb gezondigd’ (vs.21). Ik geloof niet dat hij deze woorden vanuit een oprecht hart sprak. Ook meende hij het niet echt toen hij zei: ‘Ik heb dwaas gehandeld en zeer ernstig gedwaald’ (vs.21). Dit was de gelegenheid voor berouw en bekering, maar deze belijdenis was niet voldoende. Integendeel, Saul streed verder tegen God en David. Een man handelt dwaas wanneer hij zondigt en denkt dat maar straffeloos te kunnen doen. Hij is dwaas wanneer hij strijdt tegen God en zich niet onderwerpt aan Diens wil. Toen Saul zei: ‘Ik heb gezondigd… ik heb dwaas gehandeld’ (vs.21), vertelde hij de waarheid, maar van een werkelijke bekering en berouw was geen sprake. Dat bleek later ook wel.

Twee gelegenheden waren er voor David om wraak te nemen of het te laten, en Saul kreeg gelegenheid voor bekering. David koos ervoor God gehoorzaam te zijn en zich niet te wreken. Saul verwierp de gelegenheid om zich te bekeren en in plaats daarvan volgde hij zijn eigen verlangens. Saul gebruikte zijn speer en leger om tegen David te strijden. David verkoos de wapens van liefde en vergeving. David koos Gods wapens en behaalde de overwinning; Saul gebruikte vleselijke wapens en faalde.

Het ultieme wapen is liefde. Onze taak is het om God te gehoorzamen en de wraak aan Hem over te laten. Vecht niet tegen mensen – God zorgt wel voor de problemen die je met anderen mocht hebben. We dienen te strijden tegen de zonde en alles wat slecht is, we mogen onze persoonlijke wrok niet koesteren. De snelste manier om van een vijand af te komen, is bevriend met hem te worden.

David deed er alles aan om Sauls houding te veranderen. Hij was gehoorzaam aan Romeinen 12:18 : ‘Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’

Deel 6

Sauls einde (1)

1 Samuël 28 

Inleiding

Een goed begin garandeert geen goed einde. Koning Saul is daarvan helaas een voorbeeld.

Als er iemand is geweest die Gods wil had kunnen doen in zijn leven, dat was het Saul wel. Toch eindigde Saul bij een waarzegster en pleegde hij daarna zelfmoord op het slagveld. ‘In die dagen verzamelden de Filistijnen hun legers om een veldtocht tegen Israël te ondernemen’ (1Sam.28:1). Dit was de beslissende slag. De Filistijnen waren moe van de kleine schermutselingen, en ze waren vastbesloten om Saul en de Israëlieten eens en voor altijd een vernietigende nederlaag toe te brengen.

‘Samuël nu was gestorven. Geheel Israël had over hem rouw bedreven en men had hem begraven in zijn stad Rama. En Saul had de dodenbezweerders en de waarzeggers uit het land verwijderd. Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, werd hij bevreesd en zijn hart beefde zeer. En Saul vroeg de Here, maar de Here antwoordde hem niet, noch door dromen noch door de Urim noch door de profeten. Toen zeide Saul tot zijn dienaren: Zoekt mij een vrouw die de geesten van doden kan bezweren; dan wil ik naar haar toe kan gaan en haar raadplegen. Zijn dienaren antwoordden hem: Zie, er is een vrouw die geesten van doden kan bezweren, in Endor. Toen vermomde Saul zich, hij trok andere klederen aan en ging met twee mannen op weg.  Toen zij in de nacht bij die vrouw gekomen waren, zeide hij: Wil mij waarzeggen met behulp van de geest van een dode, en laat mij opkomen die ik u noemen zal’ (1Sam.28:3, 5-8).

De Bijbel zegt dat Saul zich vermomde. Misschien zou je beter kunnen zeggen: Saul liet zien wie hij werkelijk was! Het duistere van zijn hart kwam naar buiten. Van Gibea naar Endor is het zo’n vijftien kilometer en hij moest langs het vijandelijk kamp. Saul riskeerde zijn leven in zijn vermomming, maar hij was vastbesloten. God had hem verlaten.

Saul vertelde de waarzegster van Endor dat hij met Samuël wilde spreken, en God stond dat verzoek toe. De vrouw was verrast toen zij Samuël zag, ook al was zij niet verantwoordelijk voor zijn verschijning. Ze realiseerde zich dat God aan het werk was! Saul vertelde Samuël dat hij in grote nood verkeerde en niet wist wat hij moest doen. Samuël antwoordde hem: ‘Ik heb je gewaarschuwd, maar je hebt niet geluisterd. Je bent niet gehoorzaam geweest aan de wil van God. Je bent opstandig geweest tegen God, en nu is het oordeel gekomen.’ Samuël waarschuwde hem: ‘De Here zal ook Israël met u in de macht der Filistijnen geven, en morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn. Ook het leger van Israël zal de Here in de macht der Filistijnen geven. Op hetzelfde ogenblik viel Saul in zijn volle lengte op de grond, zeer bevreesd door de woorden van Samuël. Ook begaf hem zijn kracht, omdat hij de gehele dag en de gehele nacht niets gegeten had’ (1Sam.28:19-20).

Het is gevaarlijk om Gods wil te negeren. Als je het verschil ziet van Sauls begin en einde, begrijp je hoe belangrijk het is om de wil van God te doen. Laten we deze verschillen eens onder de loep nemen.

Licht tegenover Duisternis

In het begin was Saul in het licht; maar op het einde van zijn leven in de duisternis. Toen Saul als koning gezalfd werd, was het dageraad. ‘Zij stonden vroeg op, en toen het morgenrood begon te gloren, riep Samuël Saul, die op het dak was, en zeide: Sta op, dan zal ik u uitgeleide doen. Toen stond Saul op en zij beiden gingen naar buiten, hij en Samuël. Toen zij aan de grens van de stad gekomen waren, zeide Samuël tot Saul: Zegt de knecht, dat hij voor ons uitga – daarop ging deze weg – maar blijf gij nu staan, dan zal ik u het woord Gods doen horen’ (1Sam.9:26-27). Aan het begin van Sauls regering zien we hem in het licht. Saul werd gezalfd toen ‘het begon te gloren, de dageraad aanbrak’. Het was ook de ‘dageraad’ van een nieuw begin in zijn leven. God gaf Saul alles wat hij nodig had om dat nieuwe leven tot een succes te maken. Maar als je 1 Samuël 28 leest, zie je daar niet veel van terug. Je vindt duisternis! Saul vermomde zich en bezocht een waarzegster in de nacht. ‘Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen’ (Joh.3:20). In de Bijbel is duisternis een beeld van de zonde. ‘God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis’ (1Joh.1:5). Satan is de vorst der duisternis. Toen Saul en zijn twee vrienden naar Endor gingen, was het nacht. Saul begon zijn koningschap in het licht, maar hij beëindigde het in de duisternis. Waarom? Omdat hij opstandig was tegen God.

Moed tegenover Vrees

Aan het begin van zijn regering was Saul een krachtige leider. Toen de Ammonieten binnenvielen en Saul hoorde dat het volk weende, sneed Saul een os in stukken, verdeelde de stukken en zei: ‘Laat iedereen mij volgen!’ Met grote moed ging hij in de strijd en versloeg de vijand. Maar hier, aan het eind van zijn regering, beeft Saul voor de vijand en heeft angst wanneer hij het leger van de Filistijnen ziet. Het is interessant te zien dat Sauls angst steeds groter wordt in zijn leven. In 1 Samuël 12, toen het koningschap werd opgericht in Gilgal, vermaande Samuël Saul om God te vrezen: ’Vreest slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart’ (1Sam.12:24). Maar Saul bezat niet die volledige overgave aan de Here. Hem was gezegd alleen God te vrezen, maar in hoofdstuk 15 kreeg hij vrees voor mensen. Later, in hoofdstuk 18, vreesde hij David en werd jaloers en vervuld van haat. In hoofdstuk 28, toen Saul de legers van de Filistijnen zag, had hij grote vrees en zijn hart beefde.

Moed komt voort vanuit een rein hart. Als je een rein geweten voor God hebt, krijg je moed. Spreuken 28:1 zegt: ‘De goddeloze gaat op de vlucht zonder dat iemand vervolgt, maar de rechtvaardige voelt zich veilig als een jonge leeuw.’ David wist dat hij een overwinning kon behalen omdat zijn hart rein voor God was. Saul zag een nederlaag tegemoet omdat zijn hart niet rein voor God was.

Wijsheid tegenover Dwaasheid

In het begin toonde Saul blijken van wijsheid, maar aan het einde verviel hij tot dwaasheid. Saul begon zijn regering met het zoeken van Gods wijsheid. Hij ging naar Gilgal en luisterde naar Samuëls overzicht van Gods grote daden voor Israël. Hij luisterde naar het Woord van God. Samuël zei hem wat hij moest doen, en Saul deed het. Bij gelegenheid zocht hij de wijsheid van God, maar hij verviel langzamerhand tot dwaasheid. Gods volk zou moeten wandelen overeenkomstig Gods wil en niet naar de dwaasheid van de mensen. We bezitten de heilige Geest om ons te leiden opdat we in staat zijn om naar Gods wil te handelen. Het is een tragedie wanneer een gelovige probeert zijn eigen leven te leiden in overeenstemming met zijn eigen wil. Het Woord van God zegt in Efeze 5:17: ‘Wees daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan wat de wil des Heren is.’ Hoe leer je Gods wil te verstaan? Door vervuld tezijn met de heilige Geest.

De tragedie voor Saul was dat de heilige Geest van hem was weggegaan! Het resultaat was dat Saul handelde als een dwaas. Hij was aan Gods Woord ongehoorzaam, gebruikte uitvluchten en loog. Hij gaf anderen de schuld – Samuël, Jonathan en het volk – iedereen behalve hemzelf. Toen Saul hopeloos om wijsheid verlegen was, vroeg hij de Here, maar de Here antwoordde hem niet. De priester was niet bij machte om de Urim te raadplegen om de wil van God te weten te komen. De profeten hadden geen boodschap voor hem. Hij kreeg geen aanwijzingen van God, hij bleef dwaas. Het was alsof Saul zei: ‘Ik kom er niet achter wat God wil dat ik ga doen, ik zal naar een waarzegster gaan, misschien kan die mij helpen. Ik moet Samuël spreken!’ Is het niet jammer dat Saul zich zo laat herinnerde hoe erg hij Samuël nodig had? Hij negeerde Samuël toen hij er was om hem te helpen. Toen Samuël voor hem bad, interesseerde Saul dat niet. Toen Samuël aanwijzingen gaf wat Saul moest doen, luisterde hij niet. Nu hij zich realiseerde hoe belangrijk Samuël voor hem was, was hij niet meer in staat hem te raadplegen. Samuël was er niet meer om voor hem te bidden of leiding te geven, want hij was gestorven. Saul had zijn beste vriend verworpen. Heb je iemand die jou kan helpen, raad geven of voor je kan bidden? Wees wijs en luister naar hem of haar. Waardeer de mensen die je willen helpen.

Staan tegenover Vallen

Saul begon zijn carrière staande, maar viel op het einde ervan. Toen Saul koning werd, was hij niet slechts groot van postuur maar hij werd ook vereerd door het volk. Maar koning Saul werd opstandig tegen God, en God verwierp hem als koning. In het begin stond Saul; toen wandelde hij; maar toen hij God de rug toekeerde, begon hij te vallen. Saul begon zijn regering met grote vooruitzichten en geweldige mogelijkheden, maar hij viel zowel fysiek als geestelijk vanwege hoogmoed. ‘Toen viel Saul onmiddellijk op de grond, zo lang als hij was, en hij was zeer bevreesd… ook begaf hem zijn kracht’ (1Sam.28:20). De eenmaal zo trotse Koning viel uitgestrekt ter aarde. Hij viel nog eens op het slagveld (1Sam.31:4). Hij viel in zijn zwaard en pleegde zelfmoord. De koning die weigerde zich voor God te vernederen, eindigde zijn leven in vernedering, ontdaan van zijn trots.

Toen David de boodschap ontving dat Saul en Jonathan dood waren, zong hij een klaaglied (2Sam.1). Driemaal zei hij daarin: ‘Hoe zijn de helden gevallen!’ (vs.19, 25, 27). Hij verwees naar hun dood op het slagveld, maar ik geloof dat er ook een geestelijke boodschap in die woorden verborgen ligt, namelijk: Saul was geestelijk gezien al gevallen voordat hij viel op het slagveld.

Overwinning tegenover Nederlaag

Saul begon zijn koningschap met een overwinning, een overwinning op de vijand en op zijn eigen wil. Hij bleek in staat om zijn eigen temperament te beheersen en stelde niets uit. Maar aan het einde van zijn leven, zien we hem in een tragische nederlaag. Ik ben van mening dat van de in de Bijbel vermelde nederlagen, geen enkele schaamtevoller is dan die te Gilboa waar Saul, Jonathan en het leger verslagen werden door hun vijanden, de Filistijnen. Saul wist dat hij ging sterven. Hij wist dat hij de strijd ging verliezen; hij wist dat zijn zonen gingen sterven en toch ging hij met de moed der wanhoop de strijd in en deed wat hij moest doen, strijden. Maar het beste was niet goed genoeg. God had hem verlaten, en daarom kon hij slechts falen. Saul viel in zijn eigen zwaard en pleegde zelfmoord, liever dan in de handen van de Filistijnen te vallen.

Saul verloor zijn koningschap en zijn kroon, maar toch geloof ik dat God hem had kunnen vergeven mocht Saul zich oprecht tot God hebben bekeerd en berouw hebben getoond. Saul zou dan een meer eervolle dood gekend hebben, maar hij verwierp de wil van God en bleef ongehoorzaam aan Gods Woord. Zijn leven eindigde in een schaamtevolle dood op het slagveld.

Het is ook voor ons mogelijk te beginnen in het licht en te eindigen in de duisternis, ons leven als gelovige met grote inzet te beginnen en te eindigen in vrees, te starten met behulp van Gods wijsheid en te eindigen in menselijke dwaasheid, staande te beginnen en te vallen aan het einde. Het is mogelijk te beginnen met een overwinning en te eindigen met een nederlaag. Gelijk Saul, ondervond David hoe gemakkelijk het is om te vallen en hoe nodig wij Gods hulp  hebben! Geen wonder dat David zei, nadat hij had gezondigd met Batseba: ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest’ (Ps.51:12). 

Deel 7 

Sauls einde (2) 

1 Samuël 31 en 2 Samuël 1 

Inleiding

Het einde van Sauls leven kunnen we onderverdelen in vier kernwoorden: nederlaag, dood, schande en toewijding. Dit wordt gevonden in bovenvermelde hoofdstukken. Nederlaag, dood, schande en toewijding, deze vier woorden zouden ook in ons leven kunnen voorkomen. ‘Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle’ (1Kor.10:12).

Nederlaag

In 1 Samuël 31:1, 2 vinden we de vermelding van Sauls nederlaag: ‘Intussen streden  de Filistijnen tegen Israël. De mannen van Israël sloegen voor hen op de vlucht en er vielen doden op het gebergte Gilboa. De Filistijnen dan zaten Saul en zijn zonen op de hielen en de zij doodden Jonatan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul.’ Het leger is op de vlucht en gevallen, en de vijand is aan de winnende hand. Saul begon zijn leven met een grote overwinning, maar geleidelijk aan ging het naar beneden en uiteindelijk kwam de nederlaag. Hij is nu op de vlucht! Waarom vlucht hij? Omdat hij beseft dat voor die nederlaag niemand anders verantwoordelijk is dan alleen hij. Dit begon hij zich te realiseren de nacht tevoren toen hij met Samuël sprak, die God had toegestaan uit het dodenrijk terug te keren. Samuël herinnerde Saul aan zijn ongehoorzaamheid en zei hem: ‘morgen zult gij u met uw zonen bij mij zijn’, in de wereld van de doden (1Sam.28:15-19).

Het hele probleem met Saul was dat hij tegen de verkeerde vijand streed. Hij dacht dat David zijn vijand was, in werkelijkheid was Saul zelf zijn grootste vijand. David heeft Saul nooit behandeld als een vijand, maar Saul vervolgde David door de hele wildernis van Judea, om te proberen hem te doden. Saul had de echte vijand moeten bestrijden, de Filistijnen, maar in plaats daarvan streed hij tegen David. Samuël zei Saul: ‘Waarom raadpleegt gij míj; de Here is immers van u geweken en uw vijand geworden’ (1Sam.28:16). Saul streed tegen de verkeerde vijand, daarom moest God hem tuchtigen; ‘de gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God’ (Rom.8:7). Sauls grootste vijand was hij zelf omdat hij God ongehoorzaam was en weigerde Diens wil te doen.

Als je let op Sauls levenseinde, dan zie je een vluchtende en vallende man. Dat is erg jammer omdat God Saul grote beloften had gegeven en goede vooruitzichten. Saul had een goede vriend aan Samuël, een bekwame medestrijder in Jonatan en een trouwe helper aan David. Hij had een groep trouwe volgelingen. Hij was begiftigd met kracht van de heilige Geest, en hij had natuurlijke kwaliteiten die God kon gebruiken. En toch werd Saul verslagen op het slagveld nabij de berg Gilboa. Vanwaar die nederlaag? Nederlagen komen van de binnenkant, niet van de buitenkant. Het is altijd het probleem van het hart. ’Behoed uw hart boven alles wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens’ (Spr.4:23). Saul was verslagen in zijn geestelijk leven. Dat is de reden dat hij ook militair een nederlaag leed.

Dood

Het tweede beeld dat we van Saul krijgen heeft te maken met de dood. ‘Daarop werd de strijd voor Saul te zwaar: toen de boogschutters hem onder schot kregen, beefde hij zeer voor de schutters. En zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee opdat deze onbesnedenen niet komen en mij doorsteken en de spot met mij drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, omdat hij ervoor terugschrok. Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich erin. Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, stortte hij zich ook in zijn zwaard vallen en stierf hij met hem. Zo stierven op die dag Saul, zijn drie zonen en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, tegelijk’ (1Sam.31:3-6). 

Vers 6 betekent niet dat het hele leger het onderspit delfde. ‘Al zijn mannen’ duidt op de koninklijke garde. We herinneren ons dat David oorspronkelijk de wapendrager van Saul was. Als David niet door Saul verwijderd was geweest, dan zou ook David vermoedelijk in die strijd omgekomen zijn. Hoe onnaspeurlijk zijn Gods wegen! (Rom.11:33) David kon mogelijk niet begrijpen waarom hij door al deze moeilijkheden moest gaan, maar uiteindelijk werd daardoor zijn leven gespaard en kon hij koning van Israël worden.

Nederlaag leidt tot de dood. Hoe droevig is het om de eerste koning van Israël te zien sterven op het slagveld door middel van zelfmoord. Vanuit militair oogpunt mag dit op een moedige daad lijken. Saul wilde niet dat de vijand hem levend in handen zou krijgen om hem te martelen en te vernederen. Ze zouden met hem gedaan hebben wat ze ook met Simson hadden gedaan en Saul wilde dat voorkomen. Hij verkoos zelfmoord boven gevangenname, daarom pleegde hij zelfmoord. Daarna pleegde ook zijn wapendrager zelfmoord. 

Het was tragisch dat anderen met Saul moesten sterven! Jonatan werd gedood – een man van geloof en moed, een groot strijder en Davids vriend. David en Jonatan hebben elkaar liefgehad en elkaar bemoedigd. Alle zonen van Saul stierven met hun vader in de strijd. ‘Het loon, dat de zonde geeft, is de dood’ (Rom.6:23). ‘Er bestaat een zonde tot de dood’ (1 Joh.5:16). ‘Zo stierf Saul, omdat hij de Here ontrouw geweest was, omdat hij het woord des Heren niet in acht had genomen, ja, zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had, en niet de Here geraadpleegd. Daarom doodde Hij hem en deed het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï’ (1Kron.10:13-14).

Gedurende zijn carrière overtrad Saul Gods Woord en gehoorzaamde God niet. God had hem gezegd te wachten, maar hij deed het niet. God had hem gezegd te strijden, maar hij wachtte. God had hem gezegd de Amalekieten te vernietigen, maar hij spaarde Agag de koning en het beste van de buit. Deze daden mogen in onze ogen niet zo belangrijk lijken, maar ze werden gepleegd tegen de wil van God; en alles wat tegen Gods wil is, is zonde (Rom.14:23; Jak.4:17). Daarom stierf Saul. Onze God is geduldig. Hij oordeelt niet zomaar. Hij was met koning Saul, maar deze nam niet de gelegenheden die hij kreeg om zich te bekeren. Hij ging niet in op de gelegenheden waarin hij weer vrede met David kon sluiten en met God. Daarom stierf hij een schaamtevolle dood. Het is gevaarlijk om tegen Gods wil in te gaan.

Schande

‘Toen de Israëlieten aan de overzijde van de vlakte en aan de overzijde van de Jordaan bemerkten, dat de mannen van Israël de vlucht genomen hadden, en dat Saul en zijn zonen dood waren, verlieten zij de steden en vluchtten; daarna kwamen de Filistijnen en nestelden zich daarin. Toen nu de Filistijnen de volgende dag de gesneuvelden kwamen plunderen, vonden zij Saul en zijn drie zonen vonden liggen op het gebergte Gilboa. Zij hieuwen zijn hoofd af, roofden en zijn wapenrusting en zonden boden rond in het land der Filistijnen om de goede tijding te melden in de tempels hunner afgoden en aan het volk. En zij legden zijn wapenrusting neer in de tempel van Astarte, en zijn lijk hingen zij aan de muur van Bet-San’ (1Sam.31:7-10). Wat een schaamtevol einde voor de koning van Israël! Het volk was in paniek gevlucht. De lichamen van de koninklijke familie werden tentoongesteld en schandelijk behandeld. Kun je je voorstellen hoe de Filistijnen spotten en riepen: ‘Is dit de koning van Israël’? Maar meer dan dat, werd er met God gespot. De vijand bracht de wapenuitrusting van Saul naar het huis van zijn afgoden en gaf dank aan zijn goden voor de grote overwinning. Dat is het tragisch resultaat van ongehoorzaamheid: ze geeft oorzaak aan de vijand om God te bespotten en schande te brengen over het volk.

Toewijding

De geschiedenis van Saul eindigt niet op een negatieve manier. Het vierde onderwerp is toewijding. De mannen van Jabes-Gilead hadden gehoord wat er gebeurd was met Saul, en moedig gingen ze door vijandelijk gebied heen op weg naar Beth-San om de lichamen van Saul en zijn drie zoons te halen. Ooit had Saul de mensen van Jabes-Gilead gered (1Sam.11:1-11). Als tegenprestatie voor wat Saul toen had gedaan, kwamen zij om de lichamen van Saul en zijn zonen een waardige laatste eer en begrafenis te geven. 

We moeten wel beseffen dat Saul ook goede dingen had gedaan. Hoewel Saul geestelijk en fysiek ‘gevallen’ was, zeiden de mannen van Jabes-Gilead toch: ‘We zijn aan Saul verschuldigd en daarom behandelen we hem zoals hij ons toen behandeld heeft.’ Enige jaren later herbegroef David de lichamen in het land dat behoorde aan de stam Benjamin, opdat Saul weer bij zijn eigen volk was. Toen ‘ging David heen en haalde bij de burgers van Jabes in Gilead de beenderen van Saul en zijn zoon Jonatan vandaan, die zij heimelijk van het plein in Bet-San hadden weggenomen, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, toen de Filistijnen Saul op Gilboa verslagen hadden. Hij bracht de beenderen van Saul en zijn zoon Jonatan vandaar mee; en men verzamelde ook zij de beenderen van hen die opgehangen waren, en begroef de beenderen van Saul en zijn zoon Jonatan in het land van Benjamin in Sela, in het graf van zijn vader Kis. Men deed alles wat de koning had geboden, en hierna ontfermde God zich over het land’ (2Sam.21:12-14).

Niet alleen de mannen van Jabes-Gilead bewezen eer aan Saul, ook David deed dat. In 2 Samuël 1 kwam er een Amalekiet in Davids kamp en vertelde David hoe de strijd was verlopen. Hij vertelde dat de vijand had gewonnen en dat Saul en zijn zonen dood waren. Ook vertelde hij hoe hij geholpen had om Saul te doden. Het kan zijn dat deze Amalekiet dit vertelde omdat hij een beloning van David verwachtte. Hij zei dat Saul hem gevraagd had hem te doden omdat hij gefaald had in zijn poging tot zelfmoord. Deze Amalekiet zei: ‘Toen trad ik op hem toe en doodde hem, want ik begreep, dat hij, na eenmaal gevallen te zijn toch niet in leven zou blijven. Daarop nam ik de diadeem die om zijn hoofd en de armband, die om zijn arm was; en deze breng ik hier aan mijn heer’ (2Sam.1:10). Hij dacht dat hij daarom gunsten van David kon verwachten, maar hij vergat dat Saul geen vijand van David was.   David bewees op meerdere manieren respect aan Saul en Jonathan. David verdedigde Sauls eer door de Amalekiet te doden. Hij zei: ‘Hoe? Hebt gij u niet ontzien, uw hand uit te steken om de gezalfde des Heren om te brengen?’ (vs.14). Hij verdedigde Sauls eer en bedreef daarna rouw over zijn dood. David en zijn mannen besteedden de rest van de dag aan vasten en weenden over de dood van Saul en Jonathan.

David schreef een lied: het lied van de boog (vs.18-27). Driemaal komt het refrein ‘Hoe zijn de helden gevallen’ erin voor. In dit lied komt geen enkele negatieve vermelding met betrekking tot Saul voor. David noemde hem het ‘Sieraad van Israël’ (vs.19) en een ‘held’ (vs.21). ‘Saul en Jonatan, de beminden en lieflijken, waren in leven en sterven niet gescheiden. Zij waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen’ (vs.23). In dit lied gaf David eer aan God in wat hij voor Saul had gedaan. Hij voegde er ook een speciale vermelding aan zijn dierbare vriend Jonathan aan toe. ‘Het is mij bang om u, mijn broeder Jonatan, gij waart mij zeer lief’ (vs.25, 26).

David vergaf Saul en eerde hem. Hij stond niet op om te zeggen: ‘Nu ga ik eens een boekje opendoen over wat Saul allemaal heeft gedaan!’ Neen, David was een man naar Gods hart. God vergeeft en vergeet, en daarin volgde David Hem. David vermelde niet dat Saul hem had willen doden of sprak niet over zijn opstandigheid tegen God en zijn ongehoorzaamheid aan Diens wil. David eerde Saul als de koning van Israël, ook al had Saul zijn kroon en zijn leven verloren. De meest droevig vermelding vinden we in vers 10: ‘Ik nam de diadeem (kroon) die hij om zijn hoofd had’. Dit herinnert ons aan Openbaring 3:11 ‘Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen.’ Saul verloor zijn kroon. Laten wij trouw aan God blijven opdat ook wij onze kroon niet verliezen! 

‘Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen’ (Jak.1:12).

______________________________________________________________