Gelijkenissen deel 1

Wat zegt de Bijbel?

 In de reeks 'Gelijkenissen' zijn tot dusver, behalve de inleiding, de volgende gelijkenissen geplaatst:

 

 

1. Inleiding in de gelijkenissen.

2. Gelijkenis van de zaaier - Mattheüs 13:1-9 en 18-23

3. Gelijkenis van de vijgenboom - Mattheüs 24:32-33

4. Gelijkenis van de goede en boze slaaf - Mattheüs 24:45-51

5. Gelijkenis van de tien maagden - Mattheüs 25:1-13

6. Gelijkenis van de talenten - Mattheüs 25:14-30

7. Gelijkenis van het grote avondmaal - Lukas 14:1-44

8. Gelijkenis van de verloren zoon - Lukas 15:11-32

9. Gelijkenis van de ponden - Lukas 19:11-27

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding in de Gelijkenissen 

 

 

 

 

‘En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ‘Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord’ (Mattheüs 13:10-17).

Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is (Mattheüs 34-35).

‘Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja. Hij zeide tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt’ (Mattheüs 13:51-52).

Waarom gelijkenissen?

Zelfs de discipelen waren verrast die dag in Kapernaüm, bij het meer van Galilea, toen de Heer Jezus de gelijkenissen vermeld in Mattheüs 13 vertelde. Zij leerden dat een gelijkenis meer dan een verhaal is. Het Engelse woord ‘parable’ is een vertaling van het Griekse parabole wat gewoon ‘er naast plaatsen’ betekent. Een gelijkenis is een verhaal dat de zaken met elkaar vergelijkt met het doel te onderwijzen. Het plaats het gekende naast het niet-gekende opdat we kunnen leren. Toen de Heer Jezus zei: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan…’ gebruikte Hij een vergelijking of een tegenstelling om een geestelijke les te onderwijzen. Sommige gelijkenissen zijn lang en gedetailleerd, zoals de gelijkenis van de Zaaier (Mat.13:3-9), terwijl andere erg kort zijn, zoals de gelijkenis van de heer des huizes (Mat.13:52) Het woord gelijkenis wordt 48 keer gebruikt in de eerste drie evangeliën, tweemaal in de brief aan de Hebreeën (9:9 en 11:19), en nergens anders in het Nieuwe Testament. De gebruikelijke definitie van een gelijkenis zoals ‘een aards verhaal met een hemelse betekenis’ zegt niet alles, maar toch genoeg om ons er aan te herinneren dat er een verbinding is tussen de zichtbare wereld van de schepping en de onzichtbare geestelijke wereld. God heeft de waarheid aangaande Hemzelf geopenbaard in de schepping en in de Bijbel. Het feit dat de Heer Jezus een zaadje kon gebruiken om het woord van God te verklaren, of een feest om de redding te omschrijven, is een bewijs dat alle waarheid van God komt en dat alle waarheid een eenheid is. Hoe beter we het boek van de natuur kennen, des te meer zullen we Gods Woord kennen, als we tenminste de Heer zijn toegewijd en openstaan voor zijn onderwijs.

Waarom onderwees de Heer Jezus door middel van gelijkenissen?

De Heer Jezus heeft de gelijkenis niet uitgevonden. Je komt ook gelijkenissen tegen in het Oude Testament (2 Sam.12:1-4) bijvoorbeeld, en de joodse rabbi’s gebruikten ze vaak. De Heer Jezus, was zondert twijfel de grootste vertolker die door middel van gelijkenissen onderwees. Toen de discipelen Hem vroegen naar de reden van zijn onderwijs door middel van gelijkenissen, antwoordde de Heer Jezus met een verwijzing naar een profetie in Jesaja 6:9-10. Dit is een van de belangrijke profetieën in het Oude Testament, en wordt vijf keer aangehaald in het Nieuwe Testament (Mat.13:14-15; Mark.4:12; Luk.8:10; Joh.12:39-40; Hand.28:26-27). De profetie verwijst naar de slechte geestelijke toestand van het volk Israël. Ze zouden het woord van God horen, maar niet verstaan, en ze zouden Gods kracht aan het werk zien, maar niet waarnemen wat Hij deed. Hun afgestompt hart maakte dat ze geestelijk dood en blind waren, en het resultaat was het oordeel. Uitleggers kunnen problemen hebben met de uitleg van deze verzen. Als Mattheüs het antwoord van de Heer citeert, Die gezegd had: ‘Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen: omdat zij ziende niet zien’ (vs.13) vinden we bij Markus en Lucas niet het woord ‘omdat’ maar ‘dat’ (zie Mark.4:11-12 en Lk8:10). Markus en Lucas vermelden dat de Heer Jezus gelijkenissen gebruikte dat de mensen niet zouden zien en horen enz. Betekent dit dat de Heer Jezus gelijkenissen vertelde opdat zijn luisteraars veroordeeld zouden worden? Dit lijkt in tegenspraak met het karakter en de dienst van de Heer Jezus.

Het schijnt mij dat beide waar zijn. Door gebruik te maken van gelijkenissen, zocht de Heer gelegenheid om de interesse op te wekken en hen wakker te schudden die geestelijk waren ingeslapen. In het algemeen was het joodse volk, en hun geestelijke leiders in het bijzonder, in een situatie waardoor ze geestelijk steeds minder bereikbaar waren voor geestelijke zaken. De tijd van het Griekse werkwoord in Mat.13:14 zegt het zo: ‘En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld…’ Het proces was nog niet ten einde, en de Heer wilde ze tegenhouden. Hij wilde hun interesse opwekken en hun gelegenheid geven om gered te worden. Maar het andere aspect van deze profetie is ook waar: dezelfde boodschap dat de een wakker schudt doet een ander verharden. Deze gelijkenissen zijn beide openbaar en verborgen. De onbezorgden en onverschilligen, die geen geestelijke honger hebben naar waarheid en redding, begrijpen Jezus’ onderwijs niet. Het is niet zo dat Jezus’ woord hun harten verhardde, net zo min dat hun harten verhard waren voor het Woord. Dezelfde zon die het ijs doet smelten, droogt de klei. Door gebruik te maken van gelijkenissen, liet de Heer Jezus zijn geduld en genade kennen, maar tezelfdertijd openbaarde hij hun droevige geestelijke situatie. De gelijkenissen waren woorden van de Meesterleraar, maar ze vormden ook het bewijs van een heilige rechter. Het zou goed zijn om Mark.4:21-25 en Luk.8:16-18 bij deze studie te betrekken, want veel bijbelleraars geloven dat de Heer Jezus' deze woorden sprak in verbinding met de gelijkenissen in Mattheüs 13. Hierbij de vermelding van het Markus evangelie:

‘En Hij zeide tot hen: De lamp komt toch niet om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden? Want er is niets verborgen, dan om geopenbaard te worden, of aan het oog onttrokken, dan om in het openbaar te komen. Indien iemand oren heeft om te horen, die hore. En Hij zeide tot hen: Ziet toe, wat gij hoort. Met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden, en u zal boven die maat gegeven worden. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden.’

Het lijkt erop dat de Heer Jezus hier leert dat Hij de waarheid in de gelijkenissen verborg, niet om ze te verbergen, maar om ze te openbaren. Diegene die geloof heeft zal de waarheid leren kennen en meer ontvangen terwijl diegene die het aan geloof ontbreekt zelfs zal verliezen wat hij heeft. Met andere woorden, als we het Woord van God horen, hebben we geen deel aan statische gebeurtenis, maar aan een dynamische. De Heer Jezus gebruikte de gelijkenissen om de waarheid te verbergen opdat Hij de waarheid kon openbaren. Een gelijkenis zou de geïnteresseerden opwekken en hen stimuleren om meer te leren. Maar het zou ook de onbezorgden blind maken, vanwege de conditie van hun nart, hun oordeel verhaasten.

Een tweede reden voor het gebruik van gelijkenissen is vermeld in Mattheüs 13:34-35: het was de vervulling van de profetie geschreven in Psalm 78:2. ‘Ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen.’ De profeet die deze woorden schreef was Asaf, de ziener (2Kron.29:30). Oorspronkelijk, werd het toegepast op de geestelijke betekenis van Israëls geschiedenis, die hij in deze Psalm beschrijft. Maar de uiteindelijke vervulling vinden we in Christus. In zijn gelijkenissen, openbaarde de Heer Jezus ons deze verborgenheden (verborgenheden of geheimenissen die allen verstaan konden worden door goddelijke openbaring – Mat.16:17). Een van de bedoelingen van het Mattheüs evangelie is om ons te laten zien hoe de Heer Jezus, in zijn leven en leer, de Oudtestamentische geschriften vervulde. ‘Opdat vervuld werd wat door de Heer Gesproken is door middel van de profeet’ (Mat.1:22; 2:15, 17, 23; 4:14).

We mogen Christus niet bekritiseren omdat zijn gelijkenissen oordeel brachten voor sommigen en redding voor anderen. Dit ‘winnen en verliezen’ is een levenswet (Luk.19:26). Als we gebruiken wat we hebben, ontvangen we meer; als we niet gebruiken wat we hebben, verliezen we het. Misschien is dit niet toepasbaar op elk gebied van het leven, in het algemeen is het juist. Zijn discipelen (behalve Judas) hadden werkelijk geloof, en daarom ontvingen zij meer door het verstaan van de gelijkenissen. Maar de ongelovigen, in het niet aanvaarden van de waarheid, verloren wat ze hadden en hun harten werden harder.

Waarom de gelijkenissen bestuderen?

De meest voor de hand liggende reden om de gelijkenissen te onderzoeken is het feit dat ze deel uitmaken van het Woord van God en we hebben het gebod om te leven bij ‘elk woord’ (Mat.4:4). Minstens een derde van het onderwijs van de Heer Jezus wordt gevonden in de gelijkenissen. Deze verhalen te verwaarlozen is onszelf beroven van veel zaken die Hij ons wil leren. Maar iets ander is ook waar. De gelijkenissen zijn ‘uit het leven gegrepen’ en bezitten daarom een manier van onderwijs die direct met de belangrijke en betekenisvolle zaken van het leven te maken hebben. Zelfs al wonen we niet in een landelijke omgeving, iets te weten over planten, zaad en grond is belangrijk voor ons. Hoe vaak zeggen we niet of gehoord: ‘Laat me jouw dit idee in je hoofd planten?’

Veel gelijkenissen zijn gegeven vanwege tegenstand of in geval van problemen. De farizeeërs bekritiseerden de Heer Jezus omdat Hij met zondaren at, daarom vertelde hij over het verloren schaap, een verloren munt en een verloren zoon. De discipelen dachten dat ze erg succesvol waren vanwege de grote menigte, daarom vertelde de Heer Jezus de gelijkenis van de zaaier die duidelijk maakte dat drie derde geen vrucht voortbracht. Hij werd beschuldigd dat Hij een verbond had met de duivel, daarom vertelde Hij over de sterke man die zijn huis bewaakte. Deze verhalen delen in de realiteit van het leven en om deze reden zijn ze ook voor ons belangrijk. De gelijkenissen zijn zowel spiegels als vensters. Als spiegels leren ze ons zelf te zien. Ze laten ons leven zien zoals het werkelijk is. Als vensters, leren ze ons het leven te zien en God. Het kan zijn dat je moeilijkheden hebt met Romeinen 7 of Efeze 2 om goddelijke waarheden te verstaan, maar met de gelijkenissen zul je waarschijnlijk veel minder moeite hebben om jezelf te ontdekken.

Hoe de gelijkenissen bestuderen?

Omdat er verschillende soorten van literatuur in de bijbel zijn te vinden, is het belangrijk te weten hoe daar mee om te gaan. Je benadert de Psalmen op een andere wijze dan bijbelse geschiedenis bijvoorbeeld in de boeken Koningen of de brieven van de apostelen. Het is een basisregel dat we elk bijbelgedeelte bestuderen in het licht van haar literaire genre. Met dit in gedachten, houden we rekening met onderstaande principes bij het bestuderen van de gelijkenissen.

1. Bestudeer elke gelijkenis in zijn context. Dit is waar voor elk bijbelgedeelte, maar speciaal waar voor de gelijkenissen. Geen rekening houden met de context betekend dat je alles kan gaan verklaren met een gelijkenis. Bijvoorbeeld, de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan heeft ’geleden’ onder de handen van hen die alles vergeestelijken, en de context vergeten hebben. Ze interpreteren als volgt: Jeruzalem is de stad van God, een representatie van de hemel. Jericho is een vervloekte stad, dat representeert dan de hel. De weg van Jeruzalem naar Jericho gaat naar beneden, de weg naar de hel ook. Iedere persoon is op de weg naar Jericho en is in handen gevallen van de satan en beroofd en halfdood (fysiek levend, geestelijk dood). Religie kan hem niet redden – alleen de goede Samaritaan (Jezus) kan dat. De olie representeert de Heilige Geest en de wijn Christus’ vergoten bloed. De herberg is de kerk en de twee penningen staan voor de twee verordening geloof en doop. De Samaritaan beloofd om terug te komen, Jezus zal ook terugkomen. (Denk aan de ‘grote’ vergeestelijker Origenes) Veel zaken zijn waar, en worden in de bijbel geleerd; maar ze worden niet expliciet in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan onderwezen. De context spreekt van een wetgeleerde die Jezus probeert te verzoeken, met de vraag: ’Wie is mijn naaste?’ Hoewel er zeker ook plaats is voor andere lessen, is de fundamentele les in deze gelijkenis dat we ‘een buurman dienen te zijn voor onze ‘buurman’ in nood.

2. Zoek de hoofdwaarheid die de gelijkenis leert. Dat betekent niet dat er geen andere lessen te leren zijn, maar die blijven onderworpen aan de hoofdgedachte van de gelijkenis. De hoofdgedachte in de gelijkenis van de verloren zoon is dat God zondaren ontvangt en vergeeft. Je kunt in deze prachtige gelijkenis veel geestelijke waarheden ontdekken, maar alle staan in onderlinge relatie tot de hoofdzaak.

3. Probeer de gelijkenis niet ‘te laten buikspreken’ Sommige gelijkenissen zijn erg gedetailleerd, zoals de zaaier en het zaad, terwijl andere weinig gedetailleerd zijn. Het is niet wenslijk alles te verklaren of de tekst zelf moet dan aangeven. De Heer Jezus verklaarde de gelijkenis van de zaaier in detail en ook andere gelijkenissen, dan is er geen probleem. Maar wat er gebeurt door alles een geestelijke betekenis te willen geven, zoals in het voorbeeld van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan mag duidelijk zijn. De symbolen die in verschillende gelijkenissen worden gebruikt hebben niet altijd dezelfde betekenis. In de gelijkenis van de Zaaier, representeert het zaad het Woord van God en de aarde representeert het menselijke hart. Maar in de gelijkenis van de dolik, representeert het zaad de kinderen van het koninkrijk, terwijl het veld de wereld is.

4. De gelijkenissen illustreren een bijbelse leer, ze verklaren ze niet. Met andere woorden, probeer niet een of andere leer op te bouwen vanuit een gelijkenis. De gelijkenissen zijn de ramen in het huis, niet het fundament. Het is gevaarlijk een leer van goede werken te distilleren uit de gelijkenis van de schapen en de bokken (Mat.23:31vv.). Door dat toch te doen gaat men voorbij aan de profetische context van de gelijkenis, en het ‘resultaat’ zal in tegenspraak zijn met duidelijke uitspraken elders in de bijbel.

5. Vraag God voor geestelijk inzicht. Dit is noodzakelijk voor elke vorm van bijbelstudie, maar zeker in verband met gelijkenissen. De discipelen kwamen naar de Heer Jezus om uitleg, en wij dienen dat ook te doen. Hij zal ons de wijsheid geven die we nodig hebben als we Hem erom vragen (Jak.1:5).

Hoe maken we het best gebruik van de gelijkenissen?

De gelijkenis van de heer des huizes (Mat.13:51v.) is hét voorbeeld hoe een gelijkenis te verklaren. De Heer Jezus vroeg de discipelen of ze alles hadden begrepen wat Hij ze had geleerd, en ze zeiden tot Hem ‘Ja.’ (Een verbazend antwoord trouwens!) Begrijpen houdt verantwoordelijkheid in. De discipelen hadden het voorrecht om de verborgenheden te begrijpen, maar hadden daardoor ook een grote verantwoordelijkheid om deze kennis in de praktijk om te zetten. “Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist” (Luk.12:48). De Heer Jezus zei: ‘Daarom is iedere schriftgeleerd die een discipel van het koninkrijk der hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt’ (Mt13:52). Met deze verklaring (die een korte gelijkenis is!) duidt de Heer Jezus drie verantwoordelijkheden aan die we hebben als Gods Waarheid ons bekend is.

1. De verantwoordelijkheid om de waarheid te zoeken. Het werk van een schriftgeleerde was om de wet te onderzoeken en de geboden te ontdekken. Het is goed te weten dat de schriftgeleerden begonnen als een groep van ernstige onderzoekers. Ze droegen zichzelf op aan de bescherming en onderhouding van de Wet. Maar het is jammer dat de schriftgeleerden degenereerden in een ongeestelijke groep en waren meer geïnteresseerd in dode traditie, dan in een levende waarheid. De Heer Jezus beschuldigde hen dat zij de mensen onder een geestelijk juk brachten, geen vrijheid (Luk.11:42-52). Ze namen het verleden zo serieus, dat ze Gods lessen voor het heden negeerden. In plaats van ‘open deuren’ te zijn waardoor zondaren binnen moesten gaan om gered te worden, sloten zij die. Ze werden blinde leidslieden voor blinden. Omdat ze geen discipelen geworden waren!

2. De verantwoordelijkheid om de waarheid te (be-) leven! Iedere schriftgeleerde moet een discipel worden, een persoon die de Heer volgt en daardoor zijn (bijbelse) theorie in de praktijk brengt. We leren de waarheid kennen door ze te praktiseren. De waarheid wordt levend voor ons als we ons leven ernaar richten, en in dat proces leren we meer waarheid! Er is grote nood aan een uitgebalanceerd geestelijke leven, een leven tussen theorie en praktijk, leren en leven, de schoolklas en de marktplaats. De Heer Jezus leerde zijn discipelen door middel van leer en praktijk. Er was een evenwicht tussen objectieve waarheid en subjectieve ervaring. Het is niet genoeg om alleen maar hoorders van het Woord te zijn – om te kunnen groeien moeten we ‘doeners’ zijn om God te kunnen verheerlijken.

3. De verantwoordelijkheid de Waarheid te delen met anderen. Ieder van ons heeft een ‘schatkist’ waarin hij geestelijke schatten verzameld die we hebben opgedaan in ons leven met de Heer. Deze ‘schatten’ zijn er niet om ze voor onszelf te houden, maar om te delen met anderen. Geld dat niet geïnvesteerd wordt brengt niets op. Op dezelfde wijze, moeten we oude en nieuwe dingen delen. Het ‘oude’ is dat wat we hebben geleerd als ‘schriftgeleerden’; het ‘nieuwe’ is wat we hebben opgedaan door een discipel van de Heer te zijn, in het uitoefenen van ons geloof. Zij die Gods Woord het meest gehoorzaam zijn leren het meeste en hebben het meeste te delen. We kunnen het niet alleen met het ‘oude’ doen, want uit het oude komt het nieuwe. Er zijn altijd nieuwe toepassing op het oude, nieuwe inzichten van oude principes, en nieuwe gedachten van oude relatie.

Ik eindig met het voorbeeld van Ezra uit het gelijknamige boek, de eerste schriftgeleerde, die een voorbeeld is van dit soort gebalanceerd leven.

‘Want Ezra had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen. (Ezra7:10)

Wat een voorbeeld om te volgen!’

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Gelijkenis van de zaaier

Mattheüs 13:1-9 en 18-23

 

 

Inleiding

Een studie van de gelijkenissen behoort eigenlijk altijd te beginnen met de gelijkenis van de zaaier want als die niet begrijpt, hoe kun je dan de andere verstaan? ‘En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet? En hoe zult u alle gelijkenissen weten?’ (Mark.4:13). Is deze gelijkenis dat de meest gemakkelijke, of het meest fundamentele? Ik denk beide, maar hoe dan ook, deze gelijkenis geeft antwoord op de vraag wat er met het zaad dat uitgestrooid is gebeurd is. U zult zich ongetwijfeld ook wel eens afvragen wat er van al die preken, studies, getuigenissen, bijeenkomst enzovoorts is terecht gekomen? Wel, deze gelijkenis zegt ons dat er vier soorten ‘ontvangers’ zijn met voor ieder een ander uitkomst. Maar voordat we aan de eigenlijke bespreking van deze gelijkenis beginnen moeten we, gelijk aan het begin, een paar zaken duidelijk maken, namelijk: Wie is de zaaier? Wat is zaad? Wat is de akker? Wat is de grond?

Wie is de zaaier?

De Heer Jezus en in navolging van Hem, in principe elke gelovige, want >Gods medearbeiders zijn wij, Gods akker (1Kor.3:5-9). En zegt Paulus in zijn tweede brief aan de gelovigen te Korinthe, dat God ‘ons de bediening van de verzoening gegeven heeft gegeven, namelijk Dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was’ (2Kor.5:18).

Wat is het zaad?

Het zaad is het Woord van God en is goed (Mat.13:24; Luk.8:11). Door dat Woord zijn wij tot wedergeboorte gekomen, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, Door Gods leven en blijvend Woord. Dat is ook het Woord waardoor wij opgroeien tot behoudenis (1Petr.1:23; 2:2).

Wat is de akker?

Door de gelijkenis van de dolik weten dat de akker de wereld is (Mat.13:38). Daarom dat de Heer Jezus de opdracht aan zijn discipelen heeft gegeven, ná zijn opstanding, om het evangelie te verspreiden in de hele wereld en de hele schepping (Mark.16:15). Paulus spreekt ervan ‘dat alle mensen zich overal moeten bekeren’ (Hand.17:30).

Wat is de grond?

De grond waarin het zaad moet vallen is het hart van de mens (Mat.13:18). Daarvan zien we een voorbeeld na de prediking van het evangelie door de apostel Petrus: ‘Toen zij nu dit hoorden werden zij in het hart getroffen…’ (Hand.2:37).

Wie of wat is de boze?

Markus noemt de boze, de satan (Mark.4:15). De satan, zijn naam betekent ‘tegenstander’ is de tegenstander van God en zijn volk (Zach.3:1-3). De duivel, geen fictief persoon, een idee, maar een werkelijkheid, een gevallen engel die ‘koning’ is over een leger demonen; zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond (Op.9:11; 12:9).

Vier soorten grond

Het zaad dat gezaaid wordt, het Evangelie, is goed, daar kunnen we zonder meer vanuit gaan. De vraag is of het Woord goed wordt uitgelegd en of ons getuigenis in overeenstemming is met het Woord van God. Daarvan dient de ‘zender’ overtuigd te zijn. Wat de ‘ontvanger’ met het Woord doet is een andere zaak, daarop kunnen we weinig of geen invloed uitoefenen, in die zin dat de ‘ontvanger’ daarin persoonlijke moet maken. Daarin mogen de macht van de duivel niet onderschatten! Van één ding mogen we overtuigd zijn, en dat is ‘dat Gods Woord nooit ledig terugkeert!’ (Jes.55:11). ‘Want wij zijn voor God een welriekende reuk van Christus in hen die behouden worden en in hen die verloren gaan, voor de laatsten wel een reuk uit de dood tot de dood, maar voor de eersten een reuk uit het leven tot het leven’ (1Kor.2:15-16). Deze gelijkenis is ook een soort ‘graadmeter, daarmee bedoel ik dat we aan de hand van de reactie op verkondiging van het evangelie, een conclusie kunnen trekken in de beoordeling van de mensen die het ontvangen. Daarmee dienen we met voorzichtigheid te werk te gaan, omdat wij niet in het hart kunnen kijken van de mensen en daardoor in het gevaar komen te vlug een oordeel te vellen. Wel worden we, door deze gelijkenis, misschien minder snel teleurgesteld in onze verwachtingen, want die komen helaas niet altijd overeen met het gewenste resultaat. Bij het brengen van het Woord moet men ook rekening brengen dat u wellicht één schakel bent in een lange ketting waardoor iemand tot geloof komt. Althans dat blijkt in de praktijk vaak zo te zijn.

Het is misschien goed nog eens eraan te herinneren wat de bedoeling van deze, en alle gelijkenissen is. Lees daarom het artikel ‘inleiding op de gelijkenissen’ er nog eens op na. In deze gelijkenis is het niet de bedoeling om uit te maken wie behouden is of niet, wie wedergeboren is of niet. Hier gaat het erom te weten wat de uitwerking van het uitgestrooide zaad is en daar geen verdere conclusies aan te verbinden.

1.    Bij de weg gezaaid

‘Dit nu zijn zij die bij de weg zijn, waar het woord wordt gezaaid: en wanneer zij horen, komt terstond de satan en neemt het woord weg dat in hen was gezaaid’ (Mark.4:15)

De vruchtbare velden in Israël zijn niet zo mooi afgebakend als in onze streken, vandaar dat er wat zaad naast het veld, op de weg kon terechtkomen. En wat gebeurt er met het zaad dat op de weg valt, het blijft liggen waar het valt wat er is geen aarde waar het zich kan ontwikkelen. Het gevolg is dat de vogels, of beter de satan, komen en het oppikken. Het woord was gehoord, het was in zijn hart geraakt maar het werd niet begrepen (Luk.13:18). Bij zulke personen is er ook vaak geen ernstig verlangen, of zondebesef zodat het woord ingang kan vinden. Want ‘wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden’ (Spr.8:17). U kent ze allemaal wel mensen die worden uitgenodigd voor bijvoorbeeld een Kerstsamenkomst bij te wonen. Ze komen, de koffie is goed en de broodjes zijn lekker, maar daar blijft het dan ook bij. Wil ik daarmee zeggen dat je geen mensen meer moet uitnodigen, natuurlijk niet maar je zal al gauw merken of er een verlangen naar geestelijke zaken. Het is in geestelijke nog altijd zo: ‘Laat hij die dorst heeft komen: laat hij die wil, het levenswater neme om niet! (Op.22:17).

2.    Rotsachtige bodem

‘En dit zijn zij die op de rotsachtige bodems worden gezaaid, die wanneer zij het woord horen, het terstond met vreugde aannemen; en zij hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn mensen van het ogenblik; als daarna verdrukking of vervolging komt om het woord, dan worden zij terstond ten val gebracht’ (Mark.4:16-17)

Mensen die aan bovenstaande beschrijving voldoen, zijn vaak emotioneel van aard. Ze zijn emotioneel, oppervlakkig en hebben weinig diepgang. De gelijkenis zegt dan ook dat ze geen diepe aarde hadden, waardoor ze geen goede wortels konden ontwikkelen, mensen van het ogenblik. De zon kwam op en wat normaal goed voor de plant zou zijn, blijkt hier een nefast. De zon blijkt hier een beeld van verdrukking te zijn. Verdrukkingen, of liever beproevingen, brengen aan het licht wie een persoon werkelijk is. ‘Gelukkig de man die verzoekingen verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen’ (Jak.1:12). Beproevingen bevorderen een geestelijke groei bij een geestelijke gelovige, maar als dat niet het geval is zal dat tot een val zijn voor zo iemand. Wat ontbrak bij de eerste groep was dat ze geen inzicht hadden in de ernst van de zaak, bij de tweede groep was er te weinig diepte.

3.    Tussen de dorens

‘En anderen zijn zij die tussen de dorens worden gezaaid; dit zijn zij die het woord hebben gehoord, en de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen komen binnen en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar’ (Mark.4:18-19)

Ik geloof dat we hier te maken hebben met een grote groep van mensen die het evangelie hebben gehoord en tot zich hebben genomen. Ook zij worden op de proef gesteld, zoals ook de tweede groep, maar op een totaal andere manier. Nu niet door vervolging of verdrukking (Mat.13:21), maar door de zorg van het leven, de bedrieglijkheid van de rijkdom en de begeerte naar de overige dingen. Dingen die van buiten en van binnen komen (de begeerte), die het woord verstikken, waardoor er geen vrucht kan komen. En de vrucht is toch datgene waaraan we iemand kunnen herkennen? (Mat.7:16). Hen die zich door de hierboven vermelde zaken laten beïnvloeden, zodat ze geen vrucht dragen, hebben nooit geleerd dat onze hemelse Vader voor ons zorgt en weet wat we nodig hebben. Veel gelovigen moeten nog leren ‘eerst (!) het koninkrijk van God te zoeken en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden (Mat.6:33). Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is, niet die op de aarde zijn! (Kol.3:2).µ

4.    In goede aarde

‘En dit zijn zij die in de goede aarde zijn gezaaid: zij die het woord horen en ontvangen en vrucht dragen, het ene deel dertig- het andere zestig- en het andere honderdvoudig’ (Mark.4:20)

Slechts een vierde van het uitgestrooide zaad komt tot volle wasdom! Hij die het Woord hoort en verstaat is het die dus vrucht draagt. De invloed van het Woord van God en de toepassing daarvan in ons leven is bepalend voor ons vrucht dragen! Door dat Woord zijn we tot wedergeboorte gekomen en kunnen daardoor opgroeien zodat zich vrucht kan ontwikkelen (1Petr.1:23; 2:2). Het verschil met de andere drie ontvangers van het woord maakt het verschil. De eersten - de bij de weg gezaaiden - waren oppervlakkige luisteraars. Het woord had bij de tweede groep - die van de rotsachtige bodem - geen diepgang. Bij de derde groep – waar het zaad tussen de dorens was gezaaid - werd het woord verstikt. Alleen bij de laatste groep – die van de goede aarde – werd het woord gehoord en verstaan. Om vrucht te dragen hoef je eigenlijk niet zoveel te doen, geen overdreven inspanningen zijn vereist. In de gelijkenis van de waren wijnstok vindt u het geheim van het vrucht dragen: ‘Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Joh.15:5).

Tenslotte

Er wordt in deze gelijkenis onder andere gesproken over ‘vrucht dragen’, maar wat mogen we daaronder verstaan? De gelijkenis zelf laat zich er niet over uit, evenals de gelijkenis van ‘de ware wijnstok’ in Johannes 15 niet. Je bent dan al gauw geneigd om aan ‘bekeerlingen’ te denken; het zaad dat tot ontwikkeling is gekomen, brengt weer zaad voort. Maar dat stuit op het probleem dat iemand die bekwaam is om het evangelie te verkondigen, een groot voordeel heeft, en dat zou niet rechtvaardig zijn ten opzichte van alle anderen. Persoonlijk geloof ik dat we bij ‘vrucht dragen’ meer moeten denken aan geestelijke ‘vruchten’. Zo lezen we in de brief aan de Galaten over de ‘werken van het vlees’ en de ‘vrucht van de Geest’ die is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing’ (Gal.5:22). Met andere woorden het doel is dat we meer en meer gaan gelijken op de Heer Jezus; dat Christus gestalte in ons mag krijgen (Gal.4:20; vgl. 1:16). ‘Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn’ (Rom.8:29).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Gelijkenis van de vijgenboom

 

Mattheüs 24:32-33

 

 

‘Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur’

Inleiding

De NBG-vertaling van de bijbel vertaald hier het Griekse woord parabole met ‘les’, maar hetzelfde woord in de parallelle versie in Lukas 21:29 met ‘gelijkenis’, zoals veel andere vertalingen. ‘En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is’ (Luk.21:29-31). Een gelijkenis is een aards verhaal met een hemelse betekenis. In deze gelijkenis wordt een periode van Gods geschiedenis op figuurlijke wijze afgeschilderd, te weten de tijd voorafgaand aan de wederkomst van Christus.

Deze gelijkenis is de eerste van vier gelijkenissen in Jezus’ rede over de laatste dingen. De andere zijn: (1) de gelijkenis van de goede en boze slaaf (24:45-51), (2) van de tien maagden (25:1-13) en (3) van de talenten (25:14-30). Deze vier gelijkenissen zijn de laatste in de reeks van zes zogenaamde eschatologische gelijkenissen in het evangelie naar Mattheüs. De andere zijn de dolik onder de tarwe en het sleepnet (Mat.13:24vv.,47vv.) Dat zijn alle gelijkenissen die uitlopen op ‘de voleinding van de eeuw’. De voleinding van de eeuw is de tijd die voorafgaat aan de komst van de Messias die dan het Vrederijk zal oprichten.

Beelden van het volk Israël

Naast de wijnstok is de vijgenboom wel het meest bekende beeld waarmee Israël vergeleken wordt. (Jer.8:11v.; Hos.9:10; Joel 1:7; Nah.3:12), zo ook in deze gelijkenis. Al eerder in het Mattheüs evangelie vinden dat beeld terug: ‘Des morgens vroeg, bij zijn terugkeer naar de stad, werd Hij hongerig. En daar Hij een vijgeboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom’ (Mat.21:18-19). Maar ook in het evangelie naar Lukas (13:6-9). Het was een van de weinige negatieve wonderen van de Heer Jezus die in het Nieuwe Testament vermeld. Het is vreemd dat veel theologen, die geen toekomst voor Israël meer zien (vergeestelijking- of vervangingstheologen), hier wel de verwerping (of liever: de terzijdestelling) van Israël in zien, maar dat ze in onze gelijkenis niet de ‘wederopstanding’ van het volk Israël kunnen of willen zien. Deze gelijkenis leert ons echter het tegendeel, Israël heeft nog een grote toekomst en het ontstaan van de huidige staat Israël in 1948 wijst al in die richting. Maar daarmee loop ik vooruit op het volgende onderwerp de verklaring van de gelijkenis.

De uitleg van de gelijkenis

Alvorens over te gaan tot de uitleg wijs ik de lezer op het artikel ‘Inleiding in de gelijkenissen’.

De hoofdgedachte van deze gelijkenis is de terugkeer en het herstel van het volk Israël als teken dat de komst van de Heer, de ‘zomer’ nabij is. Een begin van die terugkeer en herstel zien we vandaag al, maar de volle ontplooiing van deze profetie laat nog op zich wachten. Het Lukas evangelie spreekt niet alleen van de vijgenboom (Israël) maar ook van ‘al de bomen’ (Luk.21:29). Het is verbazend te zien hoe de Arabische wereld, in het bijzonder de landen rondom Israël, zich de laatste decennia aan het ontwikkelen is, hoewel die ‘Arabische lente’ steeds meer op een ‘Arabische winter’ gaat lijken. Maar misschien moeten we het ‘uitlopen’ van al de bomen in een breder perspectief zien en het toepassen op het ontstaan van vele ‘nieuwe’ landen na de tweede wereldoorlog, toen het kolonialisme verlaten werd. Hoe dan ook het is ook een teken dat ‘wanneer deze dingen beginnen te geschieden’ de ‘zomer’, het koninkrijk Gods nabij  is.

Vermaningen

De zekerheid van de komst van de Heer die deze gelijkenis voorzegt, staat in contrast met de onzekerheid van de tijd van zijn komst. De komst van Christus voor de Gemeente kan elk moment plaatsvinden. Aan de komst van Christus voor Israël gaan allerlei tekenen vooraf en komt als een dief in de nacht. De verwijzing naar Noach’s dagen gaat niet zo zeer over de losbandigheid van de mensen in zijn tijd, maar over het onverwachte: ‘zij bemerkten niets’. Het onverwachte komen van de Heer wordt benadrukt in de vermelding van de twee in het veld zijn, waarvan één zal aangenomen worden en één achtergelaten; en de twee vrouwen die aan het malen zijn met de molen, waarvan één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. Deze verzen gaan niet over de opname van de Gemeente zoals weleens wordt gezegd. Maar ook in de gelijkenis van de goede en boze slaaf vinden we die gedachte. De oproep om te waken, gereed te zijn mogen ook hun geldigheid hebben voor ons christenen. Want als wij nu al de gebeurtenissen zien ontwikkelen die voorafgaan aan de komst van Christus voor Israël, dan mogen ook wij die vermaningen vermeld in het evangelie naar Lukas ter harte nemen. ‘Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik. Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen’ (Luk.21:34-36).

______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Gelijkenis van de goede en boze slaaf.

 

Mattheüs 24:45-51

 

 

 

Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen. Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.’

Inleiding

Dit is de tweede gelijkenis in Jezus’ rede over de laatste dingen. Vaak bezondigd men zich eraan deze, maar ook andere gelijkenissen, te verklaren zonder rekening te houden met de context waarin ze staan. (Zie het onderwerp: Inleiding in de gelijkenissen.) Geen rekening houden met de context en het feit dat deze rede uit meerdere hoofdstukken bestaat en één geheel vormt (24:1-26:1), gebeurt ook vaak bij de uitleg van de zogenaamde Bergrede (Mat.5:1-8:1). In het evangelie naar Mattheüs wordt het woord ‘gelijkenis’ niet gebruikt maar in het paralelle gedeelte in het evangelie naar Lukas wel: ‘En Petrus zeide: Heer, zegt Gij met het oog op ons deze gelijkenis, of ook met het oog op allen?’ (Luk.12:41).

De toepassing

Bij de verklaring van de gelijkenis van de vijgenboom konden we duidelijk aantonen op wie het van toepassing was, namelijk het joodse volk. Bij deze gelijkenis ligt dat moeilijker. Er zijn namelijk twee visies (1) het heeft betrekking op Israël of (2) op het christendom. Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste visie. Marc Verhoeven zegt hier het volgende over: ‘In de volgende gelijkenissen staat enerzijds de afwezigheid van de Heer en anderzijds Zijn de komst voor de Gemeente centraal. Ze handelen over verantwoordelijkheid, waakzaamheid, beloning en oordeel. Dit is de ingeschoven periode van de Gemeente, en de belijdende Christenheid in het algemeen. We lezen niets over de verdrukkingstijd, Judea, Jeruzalem of tempel. Het gaat hier niet over een dienst die met Israël en de heilige plaats in verbinding staat, maar over de dienst in het geestelijke huis van God (1 Petrus 2) waarvan alle christenen deelnemen. We zien in de beloning van de trouwe slaaf dat dit niet op Israël kan slaan, want Israël wordt niet gesteld over al Jezus’ bezittingen maar christenen zijn mede-erfgenamen.’ (www.verhoevenmarc.be)

Als de visie dat deze gelijkenis juist is en op het christendom slaat dan hebben we een interessante trits van betrokkenen in Jezus’ rede over de laatste dingen. In Mattheüs 24:1-44 staat Israël centraal, in 24:45-25:30 het christendom en tenslotte in 25:31-46 de volkeren. Dit komt overeen met de drievoudige verdeling in 1 Kor.10:32 - ‘Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot’. Raymond Hausoul geeft als antwoord op de vraag: op wie deze gelijkenis betrekking heeft: ‘Deze vraag heeft te maken met een diepere vraag: representeren de discipelen het Israël of de gemeente? In hoeverre zijn beiden van elkaar te onderscheiden? Consequentie is hierin gevraagd. Uitleggers die Mat.25 enkel betrekken op Israël, omdat de discipelen de representanten hiervan zijn doen dat niet bij andere teksten, zoals bijvoorbeeld Mat.10. De keuze van de uitleg is zodoende niet kort te beschrijven in een tabel. De vraag is dus of er overlap is tussen Israël en de gemeente en zo ja, in hoeverre.’

De uitleg

We vinden drie gelijkenissen waarin het belijdende christendom worden uitgebeeld, de gelijkenis van de goede en boze slaaf, de tien maagden en de talenten. In de eerste gelijkenis kunnen we het christendom als één geheel ontdekken en in de gelijkenis van de tien maagden en de talenten de individuele (belijdende) gelovigen in het christendom. Twee zaken trekken onze aandacht bij het lezen van deze gelijkenis, (1) dat die ene slaaf zowel goed als boos word genoemd en (2) dat de veranderde houding van die slaaf in verband met (het uitblijven van) de komst van de Heer. De eerste driehonderd jaar van de kerkgeschiedenis was de verwachting naar de wederkomst aanwezig (Eusebius), maar nadat in 312 n.Chr. keizer Constantijn de Grote symphatie voor het christelijk geloof begon te krijgen veranderde dat snel. (zie mijn artikel: ‘de Constantinische omwenteling’ in de rubriek Kerkgeschiedenis). In hoeverre Constantijn christen was laat ik maar in het midden maar de schrijver van ‘De geschiedenis van de neergang en val van het Romeinse Rijk’ Edward Gibbon is daarover nogal kritisch. Als spoedig werd het christendom tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk (380 n.Chr.).

De verwachting van een spoedige terugkeer van Christus werd de kop ingedrukt door de idee dat de Kerk de plaats van het Israël had ingenomen en dat het messiaans rijk  gerealiseerd was. Een spoedige komst van Christus werd daardoor op de achtergrond gedrongen, of nog beter: in de heel verre toekomst geplaatst. Het substitutionalisme (vervangingstheologie; de leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen) had zijn intrede gedaan. Hoe de RK-kerk zich later  gedragen heeft tegenover andersdenkende en volkeren laten ik graag over aan de geschiedschrijvers maar het is niet bepaald iets om trots over te zijn (zie mijn artikelen in de reeks ‘Handelingen’ in de rubriek Kerkgeschiedenis). De houding die de Kerk van Rome innam was er een van: ‘Ik ben het en niemand anders’ (Jes.47:10). Door te zeggen: ‘Mijn heer blijft uit’ begon ook haar houding te veranderen. De gelijkenis spreekt van: ‘hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken.’ Uit deze gelijkenis kunnen we leren hoe belangrijk het is de nabije terugkeer elk moment te verwachten! ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3). De visie die de komst van Christus voor de Gemeente in het midden van de Grote Verdrukking plaatst, loopt hetzelfde gevaar doordat ze (1) aan de terugkeer van Christus bepaalde voorwaarden stellen en (2) zijn komst ook vooruitschuiven door te stellen dat Hij nu nog niet kan komen (en had kunnen komen) omdat de eerste drie-en-een-half jaar van de Grote Verdrukking voorbij moet zijn.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Gelijkenis van de tien maagden.

 

Mattheüs 25:1-13

 

 

Inleiding

Dat een gelijkenis ergens toe dient is duidelijk, maar je vraagt je wel eens af: ‘Wat zouden de discipelen ervan begrepen hebben?’ Persoonlijk geloof ik dat ze er toen weinig of niets van hebben begrepen. Ik geloof dat er een aantal redenen te noemen zijn die dat bevestigen. Ten eerste lezen we in het evangelie naar Lukas dat Jezus na zijn opstanding hun het verstand opende, opdat zij de Schriften konden verstaan (Luk.24:45). Ten tweede is de Heer Jezus na zijn opstanding en voor de hemelvaart veertig dagen door hen gezien en heeft met hen gesproken over de dingen van het koninkrijk van God (Hand.1:3). Ten derde waren ook toen nog veel zaken niet onthuld die later door de apostel Paulus zijn bekend gemaakt. Paulus spreekt over geheimenissen of verborgenheden die van alle eeuwen en geslachten verborgen waren geweest, maar die door hem geopenbaard waren aan de heiligen (Kol.1:26; 1 Kor.15:51; Rom.16:25-27; Ef.5:32). Ten vierde was de heilige Geest nog niet uitgestort, de Geest die hen in de hele waarheid zou leiden en de toekomstige dingen zou verkondigen (Joh.14:26; 16:13 -14). Ten vijfde was de bijbel, zoals wij die nu kennen, nog niet beschikbaar. Wij mogen ons dan ook gelukkig prijzen dat wij de gehele geopenbaarde waarheid in de bijbel, Gods Woord, mogen bezitten.

Opmerkingen

Zoals eerder gezegd worden in de vier gelijkenissen onze aandacht gericht op de komst van Christus. Lag die komst in de eerste geklijkenis nog in een verre toekomst, in de gelijkenis van de goede en boze slaaf horen we: ‘Mijn heer blijft uit’ maar hier, in de derde gelijkenis horen we: ‘Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet!’

Deze gelijkenis begint met de woorden: ‘Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met…’ De vraag die we ons moeten stellen is: wat is ‘het koninkrijk der hemelen’ voorsteld? Het koninkrijk der hemelen komt alleen in het evangelie naar Mattheüs voor, en het is de verborgen (tijdelijke) vorm van het koninkrijk van God. In het Oude Testament wordt alleen maar gesproken over een toekomstig messiaans rijk die haar begin zal kennen wanneer de Messias komt. Nu is het de tijd dat de Koning ‘in het buitenland’ is (Mat.21:33; 25:14; vgl.Luk.19:12). Hij is ‘verborgen’ en zit aan Gods rechterhand, daarom is ook zijn regeren over het koninkrijk ‘verborgen’ en eveneens ‘verborgen’ is het koninkrijk in deze wereld zoals dat wordt voorgesteld in de gelijkenissen van de schat in de akker en de parel van grote waarde (Mat.13:44, 46). Deze gelijkenis krijgt dan ook eerst werkelijk betekenis wanneer het toegepast wordt op het christendom.

Profetische toepassing

Het eerste begin van de Gemeente werd gekenmerkt door een sterke verwachting in de komst van de Heer (bv. 1 Thes.5:15; Rom.13:11), maar langzamerhand doofde die verwachting, niet in het minst door de veranderingen in het Romeinse rijk met de komst van Constantijn de Grote (312 n.Chr.). Vanaf toen veranderde de visie op Israël en de kerk zodat er van een toekomstig herstel van Israël en een spoedige verwachting van de Heer Jezus geen sprake meer was (zie mijn artikel: de Constantinische wending). De komst van de bruidegom bleef dus uit maar ‘midden in de nacht klonk een geroep: de bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!’ (Mat.25:6). Pas aan het einde van de achttiende eeuw en vooral vanaf het midden van de negentiende eeuw ging men weer aandacht aan de profetiën geven en kwamen genoemde onderwerpen weer op de agenda. Het ontstaan van de staat Israël in 1948 en de inname van stad Jeruzalem in 1967 versterkte de gedachte aan een spoedige komst van Christus.

Praktische toepassing

Oppassen dat we met deze gelijkenis geen theologie bouwen in de trend van dat gelovigen verloren kunnen gaan, daar gaat het hier niet over. De leer hoe een mens behouden kan worden vinden we niet in een of andere gelijkenis maar in de brief aan de Romeinen. Een bruiloft in die dagen bestond uit twee delen. Ten eerste gingen de bruidegom en zijn vrienden naar het huis van de bruid om haar te halen en toestemming te vragen aan haar ouders. Daarna keerden bruid en bruidegom terug naar het huis van de bruidegom om het bruiloftsmaal te vieren. Hier wordt gesuggereerd dat de bruidegom zijn bruid al bezat en op weg naar huis was voor het feest. De olie voor de lampen doet ons denken aan de speciale olie voor de lampen in de tabernakel (Ex.27:20-21). Olie is meestal een beeld van de heilige Geest maar hier zou het wel eens kunnen gaan om het licht dat het Woord van God geeft (Ps.119:105). Wij, als gelovigen in de eindtijd worden opgeroepen onberispelijk en onbesmet te zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder wij dienen te  schijnen als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus’ (Fil.2:15-16). De tien maagden waren allen in slaap gevallen maar werden (helaas) ook allemaal wakker. Vanaf het midden van de negentiende eeuw hebben zijn sekten ontstaan die vaak (dwaze) gedachten hebben gehad over het profetische woord en daar een eigen uitlegging aan zijn gaan geven (2 Petr.1:20). Ze hadden weinig of geen licht over deze zaken, hun lampen gingen uit. (Mat.25:10). Toen dan de bruidegom kwam, gingen met hem de bruiloftszaal binnen zij die gereed waren (Mat.25:10). In de dwaze maagden moeten we dan ook geen zwakke christenen zien maar naambelijders. Dat blijkt wel wanneer de Heer zegt: ‘ik ken u niet!’ Jezus eindigt deze gelijkenis met de oproep ‘Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur’ (Mat.25:13; 24:42). Dat betekent niet dat we naar boven staren en inactief zijn maar in de betekenis zoals Lukas het in zijn evangelie beschrijft: ‘Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende. En gij, weest gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen. Zalig die slaven, die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen. Voorwaar, Ik zeg u, hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen. En wanneer hij in de tweede of in de derde nachtwake komt en hen zó aantreft, zalig zijn zij.’ (Luk.12:35-38).

_______________________________________________________________

 

 

Gelijkenis van de talenten

 

Mattheüs 25:14-30

 

 

 

 

Inleiding

Deze gelijkenis is de laatste van de vier zogenaamde eschatologische gelijkenissen in Jezus’ rede over de laatste dingen (Mat.24-25). Eschatologische gelijkenissen wil zeggen dat ze alle vier uitlopen en betrekking hebben op de komst van de Heer. De vier gelijkenissen zijn: (1) de vijgenboom, (2) de goede en boze slaaf, (3) de tien maagden en (4) de talenten. In de laatste gelijkenis gaat het er over wat wij met de ons toevertrouwde ‘talenten’ doen tijdens de afwezigheid van de Heer. In deze gelijkenis is het niet zo belangrijk te weten wie hier worden aangesproken het volk Israël (het gelovig overblijfsel) of de christenen. Het geheel van de hoofdstukken 25-26 van het evangelie naar Mattheüs overziende neig ik ernaar ook deze op het christendom toe te passen. Praktisch gezien echter geldt voor iedere gelovige dat hij of zij :geacht wordt te doen wat de Meester hem of haar heeft opgedragen. ‘Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen’ (Luk.17:10). Van iedereen wordt verwacht met de ontvangen talenten handel drijven totdat Hij komt (Luk.19:14). Ging het er in de gelijkenis van de goede en boze slaaf om dat ‘de heer uitblijft’ en in de gelijkenis van de tien maagden horen wij ‘dat de bruidegom komt’. In de gelijkenis van de talenten gaat het er om dat de Heer na lange tijd in het ‘buitenland’ te zijn geweest terugkeert en afrekening houdt.

1. De talenten

Veel gelovigen verwarren het woord talent met wat wij vandaag verstaan onder een speciale begaafdheid (gave) en lopen daardoor gevaar de gelijkenis verkeerd te interpreteren. In deze gelijkenis is een talent echter een bepaald geldbedrag. Je kunt beter lezen dat onze  natuurlijke bekwaamheden een gave zijn. Bovenop dat natuurlijk vermogen (gave) ontvangt elke slaaf een geestelijke verantwoordelijkheid die hij voor de Heer mag uitoefenen.

2. De beloning

De heer van de slaven gaat voor geruime tijd naar het buitenland en vertrouwd zijn bezittingen toe aan zijn slaven. Er gaat een geruime periode voorbij waarin de slaven hun mogelijkheden om de heer te dienen konden uitbuiten. Vergelijk de gelijkenis van de ponden waar de man van hoge geboorte (!) tegen zijn slaven zei: ‘Drijft handel, totdat ik terugkom’  (Luk.19:13; 20:9). Wij kunnen ons heil niet verdienen maar we krijgen wel loon naar werken. Deze gedachte vinden we vaak in het Nieuwe Testament. ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is’ (Openb.22:12) en ‘Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here.’ (1 Kor.15:51; Hebr.6:10). De beloning voor de twee goede slaven is gelijk, ook al heeft de een meer dan talenten dan de andere ontvangen, voor beide geldt: ‘ga in tot het feest van uw heer’ (25:21, 23). Wat onze beloning zal zijn en hoe die er uit zal zien daar laat het Nieuwe Testament zich niet over uit maar het zal ons voorstellingsvermogen zeker te boven gaan.

3. Verantwoording

De beloning hangt samen met de trouw waarmee ze hun heer hebben gediend, niet met de opbrengst. De heer noemt hen zelf trouwens ook ‘trouwe slaaf‘. Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar (of: trouw) te blijken’ (1 Kor.4:2, 7). Er is hier geen sprake van ongelijkheid want de heer deelt aan ieder uit naar de mate van zijn bekwaamheid om de ‘talenten’ te besteden. De ‘beloning’ voor de boze en luie slaaf ziet er totaal  anders uit, als je al van beloning kunt spreken. ’Zijn einde was ‘de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.’ Twee zaken kenmerken deze slaaf, hij was boos en lui en tevens wordt hij ook een ‘nutteloze slaaf’ genoemd (vs.30). Ik kan het niet vaak genoeg zeggen dat een gelijkenis, en ook deze, niet gebruikt mag worden om te leren dat gelovigen kunnen afvallen van hun geloof en alsnog verloren kunnen gaan. Dat staat hier helemaal niet ter discussie. De boze slaaf kan worden verweten dat hij niet veel inzicht had want de heer verwijt hem dat hij zijn talent beter op de bank had kunnen zetten dat had hij nog rente kunnen ontvangen. Ook had hij geen notie van wie zijn heer was wanneer hij zegt: ‘ik wist dat gij een hard mens zijt’. Wanneer we dit laatste op de Heer Jezus toepassen dan kun je zeggen: ‘Hij was zachtmoedig en nederig van hart!’ (Mat.11:29). Daaruit kunnen we veststellen dat het hier ook niet om een echte discipel gaat. Paulus schrijft in de brief aan de gelovigen in Korinthe en dus ook aan ons: ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor.5:10).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘De gelijkenis van de verloren zoon’

 

Lukas 15:11-24

 

Inleiding

Dat de Heer Jezus vaak tot de mensen sprak door middel van gelijkenissen is bekend. In het bijzonder in het evangelie naar Lukas vinden we er een groot aantal. Op die manier probeerde de Heer Jezus het hart van de mensen te bereiken met geestelijke waarden. Iemand heeft eens gezegd: ‘Een gelijkenis is een aards verhaal met een hemelse boodschap’. (Zie mijn artikel ‘Inleiding in de gelijkenissen’) De mensen zeiden: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!’ (Joh. 7:46; Math.7:28-29; Luk.4:22)

Tot welke mensen sprak de Heer Jezus in gelijkenissen en in het bijzonder de gelijkenis van de verloren zoon? De eerste verzen van hoofdstuk vijftien geven ons het antwoord: ‘Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen’ (Luk.15:1-3). Twee soorten mensen: de tollenaars die een slechte reputatie hadden omdat ze de mensen vaak financieel benadeelden maar ook de zondaars dat wil zeggen hen die zich nog aan de wet hielden en ook niet deelnamen aan het joodse religieuze leven. In het kort gezegd ‘zondaars’. De tweede groep luisteraars bestond uit de Farizeeën en schriftgeleerden dat waren mensen die van zichzelf vertrouwden dat ze rechtvaardig waren (Luk.18:9). De personen vermeld in de gelijkenis van de verloren zonen hebben geen naam maar toch is het niet moeilijk om ze te identificeren. De vader representeert God in de persoon van Jezus. ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh14:9). De jongste zoon vertegenwoordigt de tollenaars en de zondaars die hun geestelijke erfenis hadden verloren en op zoek waren naar een nieuw begin. In de oudste zoon zien we de Farizeeën en de schriftgeleerden die van zichzelf vonden dat ze al rechtvaardig waren.

Drie gelijkenissen

In zijn toespraak tot hen vertelde de Heer Jezus drie gelijkenissen: de gelijkenis van het verloren schaap, de gelijkenis van de verloren munt en tenslotte de gelijkenis van de verloren zoon. Het schaap liep verloren omdat het geen herder had (Jes.53:6), de munt raakte verloren wegens onoplettendheid en de zoon raakte verloren vanwege zijn opstandigheid. Let erop dat één schaap van de honderd verloren raakte (1%), dat één munt van de tien zoek raakte (10%) en één van de twee zonen verloren ging (50%).

1. Een opstandige zoon

Toen de Heer Jezus de gelijkenis begon met de woorden: ‘Iemand had twee zonen’ zullen de luisteraars misschien wel gedacht hebben dat het zou gaan om Adam en zijn zonen Abel en Kain of Abraham en zijn zonen Izaäk en Ismaël of Izaäk en zijn zonen Jakob en Ezau maar er word geen naam vermeld. Dat de jongste zoon zijn aandeel van het bezit van zijn vader opvroeg was geen ‘slip of the tongue’ maar maakte deel uit van de plannen die hij in zijn hart meedroeg. Zijn hart was al in dat verre vreemde land lang voordat hij er kwam.  Hetzelfde kunnen we zeggen van Lot die wel uit Egypte was geraakt, maar in zijn hart had Egypte nog wel plaats, dat bleek toen hij de keuze moest maken en zich van Abram moest afscheiden. ‘Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte’ (Gen.13:10). Zo lang Lot in de nabijheid van Abram bleef ging het goed met hem maar toen hij op eigen benen in het leven moest staan ging het verkeerd. Het verdere verloop van zijn leven en einde is bekend. Een moeder kan haar kind niet het hele leven lang voeden; er komt een tijd dat het kind zelfstandig moet gaan functioneren (Gen. 21:8; 1 Sam.1:24).

Het is niet waar dat mensen geen keuzes maken, ze maken wel keuzes maar vaak de verkeerde. De jongste zoon maakte de keuze om naar zijn deel van de bezittingen van zijn vader te vragen, daardoor liet hij eigenlijk blijken dat hij zijn vader dood wenste. Zolang de jongste zoon thuis was bleek uit niets dat hij zondige neigingen had maar eenmaal op eigen benen in dat verre land openbaarde de zonde zich in een losbandig leven. ‘Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen’ (Mat.15:19). Wat de jongste zoon wilde was vrijheid – vrij van het gezag van zijn vader en van de kritische geest van zijn broer, maar hij wist niet wat werkelijke vrijheid was. Vrijheid betekent verantwoordelijkheid. Vrijheid is een leven in gehoorzaamheid aan de Waarheid en gemotiveerd door liefde. Jezus zei tot de Joden, die in Hem geloofden: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh.8:31-32).

2. Een verloren zoon

Eenmaal in het verre land aangekomen begon hij te genieten van zijn vermeende vrijheid, het feest kon beginnen, aan geld en vrienden geen gebrek. Spreuken zegt: ‘Wie wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader; maar wie met hoeren verkeert, brengt zijn vermogen door’ (Spr.29:3; Luk.15:30). Maar het ‘feest’ duurde niet lang want hij had zijn vermogen er snel doorgejaagd. Zware tijden doemden aan de horizon; er kwam een zware hongersnood in dat land. Was deze hongersnood door God beschikt zoals de storm die God beschikte bij Jona om de jongste zoon tot andere gedachten te brengen  (Jona 1:4,17, 4:6,7,8). ‘Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?’ (Rom.2:4). ‘Hij begon gebrek te lijden’ maar zat nog niet helemaal aan de grond want hij probeerde zichzelf nog te redden door voor een boer de varkens te hoeden. Op zich was het al een grote vernedering dat een jood op onreine dieren moest passen maar dat bracht hem nog niet tot nadenken. Pas toen hij nul op zijn verzoek kreeg om van de schillen te mogen eten die de varkens kregen, zag hij zijn hopeloze situatie in. Het proces van inkeer begon. Hoe vaak horen we van getuigenissen van gelovigen die helemaal vastgelopen waren in hun leven en toen tot God riepen. ‘Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet; hongerig waren zij, ja dorstig, hun ziel versmachtte in hen. Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid, en Hij redde hen uit hun angsten’ (Ps.107:4-6). ‘Toen kwam hij tot zichzelf’ en dacht aan het huis van zijn vader en alles wat hij daar kon krijgen. Het is altijd een voordeel dat kinderen een goede herinnering met zich meedragen aan hun huis waar ze als kind zijn opgegroeid. De jongste zoon besefte dat hij door iedereen verlaten was en zei tot zichzelf: ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners’ (Luk.15:17-19). ‘En hij stond op en ging naar zijn vader! Bij het voornemen voegde hij de daad (2 Kor.8:10-11). Na een duidelijke erkenning van zijn hopeloze situatie waarin hij geraakt was door zijn opstandigheid volgde een duidelijke belijdenis: ‘Ik heb gezondigd!’

3. Een liefdevolle vader

De vader was niet achter zijn zoon aangegaan om hem te zoeken maar hij bleef thuis en stond op de uitkijk en toen hij hem in de verte zag komen werd hij met ontferming bewogen en liep hij snel op hem af, viel hem om de hals en kuste hem innig. Het was niet gebruikelijk dat oudere mannen in het oosten snel liepen maar er was nog een andere reden dan alleen zijn terugkeer naar huis. Ik ken maar een Bijbels voorbeeld van een oude man die rende en dat was Abraham (Gen.18:6). Volgens de wet was de verloren zoon een weerspannige zoon, een doorbrenger en een drinker en zo iemand moest gestenigd worden. Wanneer een man een weerbarstige, weerspannige zoon heeft, die naar zijn vader en moeder niet wil luisteren, en hun niet gehoorzaamt, hoewel zij hem tuchtigen, dan zullen zijn vader en moeder hem grijpen en naar de oudsten van zijn stad brengen, in de poort van zijn woonplaats, en zij zullen tot de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is weerbarstig en weerspannig, hij wil naar ons niet luisteren, hij is een doorbrenger en een drinker. Dan zullen alle mannen van zijn stad hem stenigen, zodat hij sterft. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen; geheel Israël zal dit horen en vrezen (Deut.21:18-21). Als de buren of de inwoners hem hadden willen stenigen hadden ze de vader geraakt die hem omhelsde. Wat een prachtig beeld van wat de Heer Jezus voor ons deed op het kruis! We worden niet behouden door de liefde van God, want God heeft de wereld lief maar toch worden niet allemensen behouden, maar door zijn genade die zich heeft geopenbaard op het kruis van Golgotha (Ef.2:8; Tit.3:4-7).

4. Een troostende ‘moeder’

De Heer Jezus zei in de gelijkenis niets over de moeder maar in een ets van Rembrandt van de verloren zoon menen sommige kunstkenners toch een moeder te herkennen. Dit kenmerk van een moeder vinden we ook terug in het schilderij van Rembrandt over de terugkeer van de verloren zoon. In dat schilderij van Rembrandt zien we een geknielde jongeman, die omhelsd wordt door een oudere man, zijn vader. Rechts zijn drie mannen afgebeeld, die in stilte toekijken. Opvallend aan het schilderij zijn de handen van de vader: de ene hand ziet eruit als een krachtige vaderhand, die de zoon stevig tegen zich aandrukt. De andere hand is eerder een vrouwenhand, die de zoon eerder liefdevol en zorgzaam verwelkomt. De staande man rechts is de broer van de verloren zoon. De bijbel toont ons God altijd als een Vader of man, nooit als een moeder of vrouw. De Heer Jezus was de laatste Adam. Toch spreekt de Bijbel van de ‘moederlijke’ gevoelens van God, leest u maar: Maar Sion zegt: De HERE heeft mij verlaten en de HERE heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet’ (Jes.49:14-15). De apostel Paulus spreekt in de eerste brief aan de Thessalonicenzen van zijn gevoelens die hij had voor de gelovigen in de gemeente te Thessaloniki: ‘zoals een moeder haar eigen kinderen koestert’ en van ‘een vader die zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden, aanmoedigden, en betuigden te blijven wandelen, Gode waardig’ (1 Thes.2:7,11). 

Een verbitterde zoon

Het zou niet goed zijn de bespreking van de gelijkenis van de verloren zoon te beëindigen zonder iets te zeggen over de oudste zoon. Hij maakt ook deel uit van de gelijkenis. Zoals al aangegeven is hij een beeld van de Farizeeën en schriftgeleerden die de omgang met zondaars vermeden en kritiek uitoefenden dat de Heer Jezus met hen omging (Luk.15:2). Stel dat de jongste zoon niet naar huis was teruggekeerd dan hadden we nooit geweten wie de oudste werkelijk was.  Dan hadden we gedacht dat hij een hardwerkend en oppassend lid van de familie was geweest. Maar door de terugkeer van zijn broer krijgen we een blik in het hart van de oudste zoon. Zo werd ook duidelijk wat in het hart van Judas was toen Maria een pond echte, kostbare nardusmirre nam en de voeten zalfde van Jezus waarop Judas reageerde door te zeggen: ‘Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’ Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam (Joh.12:1-8). De bijzonder grote gift die Barnabas aan de voeten van de apostelen neerlegde bracht het bedrog van Ananias en Saffira aan het licht. (Hand.4:36 - 5:11). De jongste zoon zondigde in een ver land maar hij bekende zijn zondig gedrag. Maar zijn oudere broer zondigde thuis maar wist het goed te verbergen totdat zijn broer thuiskwam. Als de verloren zoon schuldig was aan de zonden van het vlees, dan was zijn oudere broer schuldig aan de zonde van geest (2 Kor.7:1). Het is waar dat van sommige mensen de zonden zo duidelijk zijn, dat zij voor hen uitgaan naar het gericht, bij anderen komen zij achteraan. Zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmede het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven’ (1 Tim.5:24-25).

Tenslotte.

Heb je jezelf in deze gelijkenis herkend? Ben jij een verloren zoon die zijn leven heeft vergooit maar verlangt om terug te keren naar huis, naar de Vader? Hij zal je tegemoet komen rennen om je te ontvangen, dus wacht niet!

Gelijk jij op de oudste broer, die een feest mist vanwege een onverzoenbare geest en een verhard hart? Belijd dan je zonden aan de Vader en ontdek de vreugde van verzoening en vergeving.

Jezus begroet zondaars en eet met hen. De Vader verwelkomt kritische mensen en geeft hen een nieuw hart zodat ze kunnen genieten van het feest en de gemeenschap.

Ook vandaag bied de Heer Jezus je een nieuw leven aan. Wacht dan niet, maar kom!

Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig’ (Ps.16:11)

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

'Gelijkenis van het grote avondmaal'

Lukas 14:1-24

 

Inleiding

Zou u willen dat Jezus eens bij u op bezoek kwam? U heeft wellicht ook wel eens het tekstbordje zien hangen in een woning met de tekst: 'Jezus Christus is het Hoofd van dit huis, de stille Toehoorder van elk gesprek en de ongeziene Gast bij elke maaltijd’. Dit zijn mooie gedachten en gewetensvol omgaan daarmee zouden het leven in elk gezin beter maken. Maar ik vraag me wel eens af hoeveel van ons werkelijk de Heer Jezus aan hun tafel zouden willen want Hij kan een ‘lastige’ Gast zijn! Een Farizeeër ontdekte dat toen Hij de Heer Jezus uitnodigde op een ontbijt op de Sabbat. Was het met bijbedoelingen dat hij Hem op de Sabbat uitnodigde? ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden’ (Luk.6:7; 14:1). In ieder geval ging het die morgen anders dan zij gedacht zouden hebben want die ‘tafelgesprekken’ waren allesbehalve vrijblijvend want de Heer Jezus gebruikte deze gelegenheid om een aantal gelijkenissen te vertellen en daarin onderwees hij vier belangrijke lessen, die ook voor ons hun nut kunnen hebben.

Een les in barmhartigheid. (14:1-6)

‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v)

Dat de sabbat een heilige dag was voor de Israëlieten mag duidelijk zijn. De straffen op het overtreden van de sabbat waren zwaar. ‘Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten’ (Ex.31:14). Dat het God serieus was kunnen we leren uit het voorbeeld van de Sabbatschender in Numeri 15:32-36. Mocht er dan niets gedaan worden op de sabbat? Het is interessant te zien dat er op de sabbat een extra offer gebracht moest worden boven het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer (Num.28:10). Wie ooit een bezoek aan Israël heeft gebracht zal weten dat er in de hotels een speciale ‘sabbatlift’ is, een lift die op de sabbat automatisch op de elke verdieping stopt zodat de mensen niet op de knoppen hoeven te drukken en daarmee het sabbatgebod zouden overtreden. Ik heb vaak meegemaakt dat wij pas na het einde van de sabbat het hotel in mochten en dan warm eten kregen dat de vrijdag, voor de sabbat al was klaargemaakt. En zo zijn  er nog veel meer zaken te noemen. De Farizeeën en schriftgeleerden gingen zover in hun ijver dat ze de Heer Jezus probeerden te doden na de genezing op de sabbat van de verlamde bij de vijver van Bethesda. ‘Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde’ (Joh. 5:18). Terugkerend naar ons Bijbelgedeelte in het evangelie naar Lukas zien we dat Jezus op de hoogte was van wat de Farizeeën en de schriftgeleerden dachten (o.a. Luk.6:8; 9:47; 11:47) en Hij pareerde dat met de vraag: ‘Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?’ (vs.3). Hierop konden of wilden ze geen antwoord geven. Een mooi voorbeeld op welke manier de Heer Jezus de sabbat onderschikt achtte aan bepaalde omstandigheden, vinden we in het Lukas evangelie toen Jezus met de discipelen al wandelende door de korenvelden aren plukten, stuk wreven en aten. Toen de Farizeeën Hem daarover aanspraken antwoordde de Heer hen naar de geschiedenis van David uit het Oude Testament (1Sam.21:1-6). ‘Hebt gij dan ook dit niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen?’ (Luk. 6:3) Uit deze en andere voorbeelden blijkt dat de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v).

Een les in nederigheid. (14:7-11)

‘Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (Mat.23:12)

Uit deze gelijkenis kunnen we een belangrijke les leren die niet alleen op de Farizeeën en schriftgeleerden van toepassing is maar ook op onszelf: een les in nederigheid! In de wereld is het de normaalste zaak om met list of geweld de eerste te willen worden. Maar ook in het Koninkrijk van God vinden we soortgelijke taferelen. ‘Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar’ (Mat.11:12). Dit is geen gemakkelijk vers om te duiden waar of over wie het hier gaat. De oppositie tegen de aankondiging van het koninkrijk der hemelen kwam van de Farizeeën, die het religieuze systeem vertegenwoordigden en één van de geweldenaars was Herodes Antipas die Johannes de doper gevangen nam. Vandaag de dag is het niet anders, ook nu zien we religieuze leiders die graag de eerste plaats innemen (Mat.23:1-11) en zien we dat de gelovigen in veel delen van de wereld vervolgd worden door de overheid.

De principes om in het koninkrijk der hemelen de eerste plaats te willen innemen verschillen echter fundamenteel van de wereldse principes en zijn veel moeilijker in de praktijk te brengen.  ‘Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar’, dat was het antwoord dat de Heer Jezus naar aanleiding van de discussie die de discipelen hadden gehad over ‘wie de grootste (of: de belangrijkste) was’ (Mark.9:35).

Om in te zien wat het betekend om jezelf te vernederen hebben we Iemand die ons is voorgegaan wiens voorbeeld we mogen volgen mogen volgen (1Petr.2:21). In de brief aan de Fillipenzen worden we opgeroepen om dezelfde gezindheid te tonen die ook de Heer Jezus heeft getoond: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader’ (Fil.2:5-11). Hieruit wordt duidelijk hoe we eerste plaats kunnen bereiken in het Koninkrijk der hemelen na vernederen volgt verhoging, of om het met de woorden van de apostel Petrus te zeggen: ‘Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd’ (1Petr.5:5-7).

Een les in weldadigheid. (14:12-14)

‘De woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen’  (Hand.20:35).

In het boek Zacharia roept God het volk op tot barmhartigheid: ‘Zo zegt de HERE der heerscharen: spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid’  (Zach.7:9). Barmhartigheid wordt wel eens met de volgende definitie omschreven: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren.’ Uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan weten we dat de priester en de Leviet daarin bepaal niet uitblonken. De Farizeeën stonden bekend als geldzuchtigen (Luk.16:14). God is ons voorgegaan in barmhartigheid, zo kunnen wij te weten komen uit het Oude Testament, en ook wij zijn gered ‘niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid’ (Tit.3:5). Jakobus is vrij sterk in zijn benadrukking van barmhartigheid wanneer hij spreekt over weldadigheid: ‘Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft’ (Jak.2:13).

Dat de Farizeeën en de schriftgeleerden uitermate gewiekst waren in het omzeilen van de wet blijkt wel uit Markus 7:6-13, waar de Heer Jezus tot hen zegt: ‘Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.’ Wat was hier het geval? Wel, door te zeggen dat een zaak waardoor ze hun ouders hadden kunnen helpen, een aan God gewijde offergave was, ontkwamen ze aan hun verplichtingen ten opzichte van hun ouders en stelden Gods wet buiten werking.

Wat was hier het geval? Ze nodigden mensen uit, vrienden, buren, bloedverwanten, voor een maaltijd met de bijbedoeling dat ze hun investering er wel weer uit zouden krijgen; met andere woorden dat het hun niets zou kosten. Ware barmhartigheid is zich ontfermen en schenken (Ps.37:21). En zij (en ook wij) hoeven niet bang te zijn dat het niet vergolden zal worden, want het zal ons vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen (Luk.14:14). Gezegde: ‘Je kunt je beloning geen twee keer ontvangen. Je krijgt het nú van mensen, of morgen van God.’ We zijn geroepen om wel te doen: ‘God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen’ (1Tim.6:18). Laten we dan geven zonder bijbedoelingen en we zullen Gods zegen ervaren en zullen er echt niet armer van worden! ‘Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden’ (Spr.11:24).

Een les in prioriteiten stellen. (14:15-24)

Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient’ (Luk.19:42)

‘First things first’ is een bekende Engelse gezegde, of in het Nederlands: ‘Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’. De gelijkenis van het grote avondmaal volgt naar aanleiding van de voorgaande verzen die iemand er toe bracht om op te merken dat ‘hij gelukkig is die brood zal eten in het koninkrijk van God’. We kunnen deze gelijkenis in drie hoofdpunten samenvatten: (1) de voorbereiding, (2) de uitnodiging en (3) de gevolgen.

1. De voorbereiding – Komt, want het is nu gereed’

‘Komt, want het is nu gereed’ moest de slaaf tot de genodigden zeggen. Alle voorbereidingen waren getroffen en het moment was gekomen om aan te schuiven. Zoveel eeuwen later mogen ook wij de mensen uitnodigen en zeggen: ‘Zie, nú is het de tijd des welbehagens zie, nú is het de dag des heils’ (2Kor.6:2). ‘Heden, indien gij zijn stem hoort’ en ‘En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet’ (Hebr.4:7; Op.22:17). Er is geen tweede kans.

2. De reacties – Houd mij voor verontschuldigd

De reacties op de uitnodiging zijn zonder meer teleurstellend te noemen en we begrijpen de toorn van de heer des huizes. Als het maar slechts een gelijkenis was konder we er wellicht nog mee leven, maar als we uit deze gelijkenis mogen leren dat de ‘uitnodiger’ God is die zijn Zoon gegeven heeft opdat wij ‘brood zouden kunnen eten in het koninkrijk van God’ dan begrijpen hoeveel pijn het God moet doen wanneer mensen zijn aanbod van liefde en genade afslaan.

Ook in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden vinden we een eenzelfde afwijzing. Maar we lezen daar wat meer over de verwachtingen van de heer des huizes had, want hij dacht ze zullen mijn zoon zullen zij ontzien. Leest u maar: ‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’ (Mat.21:33-39). Deze verwerping van het heil moet God in zijn hart geraakt hebben!

3. De gevolgen – Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is:

Hoe erg het ook is, de Bijbel leert ons heel duidelijk dat de verwerping van het heil wat we ontvangen kunnen in Christus oordeel inhoudt. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee en wijzen dat Gode en God van liefde is en dat nooit zal doen. De Bijbel leert ons het tegendeel en dat is de norm die we dienen te hanteren als we over zulke zaken spreken. Om een voorbeeld daarvan zien we bij de apostel Paulus wanneer hij in Athene het Evangelie verkondigd en spreekt hij in dergelijke bewoordingen: ‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’ (Hand.17:30-31) Dus: ‘Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

De gelijkenis van de ponden

 

Lukas 19:11-27

 

 

 

 

 

Inleiding

Het is mogelijk dat een eerdere gebeurtenis in de Joodse geschiedenis model heeft gestaan voor de gelijkenis van de ponden. Het verhaal van de ‘man van hoge geboorte’ was niet nieuw voor de luisteraars want enige jaren eerder hadden ze iets dergelijks gezien bij een van de zonen van Herodes, Archeleüs (Mat.2:22). Dat zou dan te maken hebben met de aanstelling van Archelaüs als opvolger van koning Herodes. Deze Archelaüs was bij Herodes' dood de oudste nog in leven zijnde zoon en hoopte dan ook het koningschap over heel het rijk van zijn vader te ontvangen. Weliswaar had Herodes in de laatste versie van zijn testament het rijk verdeeld onder drie van zijn zonen, maar in de maanden voor zijn dood had Herodes zijn testament zo vaak gewijzigd dat niemand goed wist hoeveel waarde hier nog aan gehecht moest worden. Herodes' leger steunde Archelaüs en riep hem uit tot koning over de Joden. Archelaüs wilde keizer Augustus echter niet voor het hoofd stoten en wees de titel af zolang Augustus nog geen uitspraken had gedaan over de opvolging.

Zodra de situatie in Judea dat toeliet, reisde Archelaüs naar Rome om van Augustus het koningschap te ontvangen. Hij ontmoette daar echter felle tegenstand van zijn broer Herodes Antipas en van een delegatie van vooraanstaande Joodse families, die wilden dat geen van Herodes' zonen de impopulaire vorst zou opvolgen. Keizer Augustus besloot daarop toch de laatste versie van Herodes' testament te volgen. Daarin was bepaald dat Filippus zou heersen over de noordoostelijke gebieden, Herodes Antipas over Galilea en Perea en Herodes Archelaüs over Judea (met inbegrip van Samaria en Idumea). Archelaüs ontving de titel ethnarch, die een lagere status aangaf dan koning. In het Nieuwe Testament wordt Archelaüs genoemd in het evangelie naar Mattheüs (2:22) als de opvolger van Herodes. Hij was ethnarch van 4 v.Chr. tot 6 n.Chr. over Judea en Samaria (zie: Flavius Josefus), en ging daarna in ballingschap in Vienna in Gallië, daarna is niets meer over hem bekend.

Toen de Heer Jezus en zijn discipelen, na hun doortocht van Jericho, Jeruzalem naderden, begonnen allerlei geruchten de ronde te doen. ‘Zal Hij de macht van Rome omverwerpen!’ ‘Zal Hij de troon van David herstellen!’ ‘Is het koninkrijk van God is aangebroken?’ Men dacht dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken. Er waren veel Joden opgetrokken naar Jeruzalem vanwege het naderende Paasfeest, de herdenking van de bevrijding van het volk Israël uit Egypte. Zou misschien dit Paasfeest de bevrijding van het Romeinse juk worden? Was het wellicht om deze geruchten de kop in te drukken dat de Heer Jezus de gelijkenis van de ponden gaf? Natuurlijk vertelde de Heer Jezus deze gelijkenis niet uit politieke overwegingen, hij is niet te vergelijken met die wrede heerser (Mat.11:29). De Heer Jezus is de man ‘van hoge geboorte’. Hij heeft zijn koninkrijk niet verkregen door kracht of bedrog zoals Herodes. Hij verkreeg het omdat Hij de zoon van David, de Zoon van God was. Toen Hij zijn werk op aarde had volbracht ging Hij terug naar de hemel om zijn koninkrijk te ontvangen. Op een dag zal Hij terugkomen om dat koninkrijk op te richten en te heersen als de Koning der koningen. U en ik leven in de tijd tussen zijn hemelvaart en terugkeer, en Hij heeft ons een taak gegeven. We weten niet wanneer Hij terugkomt, maar we weten wel, dat Hij verantwoording komt vragen over wat wij (de drie personen in de gelijkenis) in die tussentijd voor Hem hebben gedaan.

Verklaring van enkele woorden

(1) Wat is het doel van de gelijkenis?

We dienen het doel van deze gelijkenis goed in het oog te houden bij de verdere uitleg ervan. Dat wil tevens zeggen dat in een gelijkenis niet alles een betekenis gegeven hoeft te worden. Het gaat hier niet om hoe je behouden kan worden maar over dienstbaarheid! ‘Doet zaken totdat ik kom’ is de opdracht tijdens de afwezigheid van de Koning. In tegenstelling tot de ontrouwe slaaf kenden de trouwe slaven hun verantwoording. Na de hemelvaart van de Heer Jezus wordt deze opdracht ten volle van kracht wanneer de Heilige Geest wordt uitgestort die de gelovigen ten volle in staat stelt die opdracht uit te voeren. Wat een verantwoording maar ook wat een voorrecht onze Koning te mogen dienen!

(2) Wat is de betekenis van het pond?

Omdat iedere slaaf hetzelfde heeft ontvangen, een pond - dit in tegenstelling tot de gelijkenis van de talenten (Mat.25:14vv.) waar er maar drie dienstknechten worden vermeld en waar aan elk van hen verschillende talenten gegeven maar dezelfde beloning kregen – denken sommige uitleggers dat het pond staat voor ons gemeenschappelijke behoudenis of het geloof (Judas:3), terwijl volgens anderen het om het Evangelie gaat, de ‘schat in aarden vaten’ (2 Kor.4:7; 1Tim.1:11, 6:20) of het ‘ingeplante Woord’ (Jak.1:21) waar iedereen de beschikking over heeft.

(3) Wat is de betekenis van de ‘steden’ in deze gelijkenis?

Heeft het te maken met besturen, dienen in de toekomst (1Kor.6:3)? In elk geval is de grootte van de beloning in de toekomst, verbonden met onze dienst nu. Er werd hun geen beloning in het vooruitzicht gesteld en er werd ook geen tijdstip aangegeven wanneer de koning zou terugkeren.

(4) Wie ontvangt een beloning?

Iedereen die de Heer trouw dient in zijn leven. Ze werden voor hun trouw beloond; beloning is verbonden met trouw (1Ko4:2). ‘Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus; opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad’ (2Kor.5:10; Luk.16:2; Rom.14:12). In ieder geval: ‘Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien’ (2Kor.9:6).

(5) Waaruit bestaat de opdracht?

Dat hoeft niet uitsluitend het uitdragen van het evangelie te zijn aan ongelovigen, dat kunnen alle denkbare activiteiten zijn die bijdragen aan de uitbreiding en instandhouding van het koninkrijk van God.

De trouwe slaven (19:15-19)

De eerste van de trouwe slaven had van zijn ene pond tien kunnen maken, de andere vijf. Dit doet ons denken aan de gelijkenis van de zaaier en het zaad, waar we lezen dat er zijn zullen die dertig- zestig- anderen honderdvoudig vrucht zullen dragen (Mark.4:20). De oproep van de koning om ‘handel te drijven’ werd in het boek Handelingen aangegeven met de woorden: ‘U zult mijn getuigen zijn’ (Hand.1:8). In de loop van de kerkgeschiedenis hebben veel gelovigen die oproep gevolgd en zijn voor Zijn Naam uitgegaan in deze wereld. Elke gelovige wordt geroepen ‘om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef2:10). Er is geen excuus om niets te doen! Deze trouwe slaven kenden hun verantwoordelijkheid en namen het serieus op. Ze zullen dan ook voor hun trouw beloond worden. ‘Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor zijn naam’ (Heb.6:10; 1Kor15:58). Eenmaal, wanneer de koning terugkomt zal de beloning worden verkregen worden: ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan’ (2Kor.5:10vv.). ‘Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij’ (Op.22:12).

De ontrouwe slaaf (19:20-26)

Deze slaaf kende zijn taak maar deed ze niet. Hij had een verkeerd beeld van Christus wat blijkt uit zijn woorden: ‘Ik was bang voor u, omdat u een streng mens bent’. Deze belijdenis is genoeg om te stellen dat het geen echte discipel van de Heer Jezus was. Hij kende Hem niet want de Heer Jezus was zachtmoedig en nederig van hart (Mat.11:29; 1Joh.5:3). Wat je wel uit de woorden van de koning in vers 22-23 kunt opmaken dat het rentmeesterschap wat wij hebben ontvangen serieus genomen moet worden en dat we over ons handelen eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen. Deze slaaf had zijn pond voor de zekerheid maar begraven dan was hij in elk geval zeker dat er niet verloren geen. Dat kostte hem de gelegenheid, zijn pond en beloning. Het was eerder een excuus, dan een echte reden. Omdat hij met zijn pond niets had gedaan werd het van hem afgenomen en aan die slaaf gegeven die al tien ponden had. Zo was de ‘man van hoge geboorte’ zeker dat het alsnog zou opbrengen.

De opstandige burgers (19:14, 27)

‘Wij willen niet dat deze over ons regeert’ hadden zijn burgers, zijn vijanden (19:14) hem via een gezantschap laten weten. Woorden die bijna letterlijk werden vervuld, toen de Joden tegen Pilatus zeiden: ‘Wij hebben geen koning dan de keizer’, en daarmee Jezus afwezen (Joh.19:16). De geestelijke leiders toonden zich vanaf het begin van het openbaar optreden als zijn tegenstander. Ze stonden, op enkele uitzonderingen na zoals Nicodemus e.a., niet open voor Jezus’ boodschap. De Heer Jezus maakte hun het verwijt met de woorden: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeen verzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeen verzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild! (Mat.23:37). In de brief aan de Romeinen zegt de apostel Paulus: ‘Met het oog op Israël zegt Hij echter: Heel de dag heb Ik Mijn handen uitgebreid naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk’ (Rom.10:21).

Hebreeën 1:1 Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon’ (Heb.1:1). Maar zelfs na Jezus’ dood en opstanding hielden de pogingen niet op om het volk op andere gedachten te brengen en dat gebeurde door de toespraak van Stéfanus. Maar ook hij moest vaststellen dat zij hardnekkig en onbesneden van hart en oren waren en de Heilige Geest altijd weerstonden (Hand.7:52). Zij gingen verloren omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben (2Thes.2:10).

______________________________________________________________