Gelijkenissen deel 1

Wat zegt de Bijbel?

 

Gelijkenis van de zaaier

Mattheüs 13:1-9 en 18-23

 

 

Inleiding

Een studie van de gelijkenissen behoort eigenlijk altijd te beginnen met de gelijkenis van de zaaier want als die niet begrijpt, hoe kun je dan de andere verstaan? ‘En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet? En hoe zult u alle gelijkenissen weten?’ (Mark.4:13). Is deze gelijkenis dat de meest gemakkelijke, of het meest fundamentele? Ik denk beide, maar hoe dan ook, deze gelijkenis geeft antwoord op de vraag wat er met het zaad dat uitgestrooid is gebeurd is. U zult zich ongetwijfeld ook wel eens afvragen wat er van al die preken, studies, getuigenissen, bijeenkomst enzovoorts is terecht gekomen? Wel, deze gelijkenis zegt ons dat er vier soorten ‘ontvangers’ zijn met voor ieder een ander uitkomst. Maar voordat we aan de eigenlijke bespreking van deze gelijkenis beginnen moeten we, gelijk aan het begin, een paar zaken duidelijk maken, namelijk: Wie is de zaaier? Wat is zaad? Wat is de akker? Wat is de grond?

Wie is de zaaier?

De Heer Jezus en in navolging van Hem, in principe elke gelovige, want >Gods medearbeiders zijn wij, Gods akker (1Kor.3:5-9). En zegt Paulus in zijn tweede brief aan de gelovigen te Korinthe, dat God ‘ons de bediening van de verzoening gegeven heeft gegeven, namelijk Dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was’ (2Kor.5:18).

Wat is het zaad?

Het zaad is het Woord van God en is goed (Mat.13:24; Luk.8:11). Door dat Woord zijn wij tot wedergeboorte gekomen, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, Door Gods leven en blijvend Woord. Dat is ook het Woord waardoor wij opgroeien tot behoudenis (1Petr.1:23; 2:2).

Wat is de akker?

Door de gelijkenis van de dolik weten dat de akker de wereld is (Mat.13:38). Daarom dat de Heer Jezus de opdracht aan zijn discipelen heeft gegeven, ná zijn opstanding, om het evangelie te verspreiden in de hele wereld en de hele schepping (Mark.16:15). Paulus spreekt ervan ‘dat alle mensen zich overal moeten bekeren’ (Hand.17:30).

Wat is de grond?

De grond waarin het zaad moet vallen is het hart van de mens (Mat.13:18). Daarvan zien we een voorbeeld na de prediking van het evangelie door de apostel Petrus: ‘Toen zij nu dit hoorden werden zij in het hart getroffen…’ (Hand.2:37).

Wie of wat is de boze?

Markus noemt de boze, de satan (Mark.4:15). De satan, zijn naam betekent ‘tegenstander’ is de tegenstander van God en zijn volk (Zach.3:1-3). De duivel, geen fictief persoon, een idee, maar een werkelijkheid, een gevallen engel die ‘koning’ is over een leger demonen; zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond (Op.9:11; 12:9).

Vier soorten grond

Het zaad dat gezaaid wordt, het Evangelie, is goed, daar kunnen we zonder meer vanuit gaan. De vraag is of het Woord goed wordt uitgelegd en of ons getuigenis in overeenstemming is met het Woord van God. Daarvan dient de ‘zender’ overtuigd te zijn. Wat de ‘ontvanger’ met het Woord doet is een andere zaak, daarop kunnen we weinig of geen invloed uitoefenen, in die zin dat de ‘ontvanger’ daarin persoonlijke moet maken. Daarin mogen de macht van de duivel niet onderschatten! Van één ding mogen we overtuigd zijn, en dat is ‘dat Gods Woord nooit ledig terugkeert!’ (Jes.55:11). ‘Want wij zijn voor God een welriekende reuk van Christus in hen die behouden worden en in hen die verloren gaan, voor de laatsten wel een reuk uit de dood tot de dood, maar voor de eersten een reuk uit het leven tot het leven’ (1Kor.2:15-16). Deze gelijkenis is ook een soort ‘graadmeter, daarmee bedoel ik dat we aan de hand van de reactie op verkondiging van het evangelie, een conclusie kunnen trekken in de beoordeling van de mensen die het ontvangen. Daarmee dienen we met voorzichtigheid te werk te gaan, omdat wij niet in het hart kunnen kijken van de mensen en daardoor in het gevaar komen te vlug een oordeel te vellen. Wel worden we, door deze gelijkenis, misschien minder snel teleurgesteld in onze verwachtingen, want die komen helaas niet altijd overeen met het gewenste resultaat. Bij het brengen van het Woord moet men ook rekening brengen dat u wellicht één schakel bent in een lange ketting waardoor iemand tot geloof komt. Althans dat blijkt in de praktijk vaak zo te zijn.

Het is misschien goed nog eens eraan te herinneren wat de bedoeling van deze, en alle gelijkenissen is. Lees daarom het artikel ‘inleiding op de gelijkenissen’ er nog eens op na. In deze gelijkenis is het niet de bedoeling om uit te maken wie behouden is of niet, wie wedergeboren is of niet. Hier gaat het erom te weten wat de uitwerking van het uitgestrooide zaad is en daar geen verdere conclusies aan te verbinden.

1.    Bij de weg gezaaid

‘Dit nu zijn zij die bij de weg zijn, waar het woord wordt gezaaid: en wanneer zij horen, komt terstond de satan en neemt het woord weg dat in hen was gezaaid’ (Mark.4:15)

De vruchtbare velden in Israël zijn niet zo mooi afgebakend als in onze streken, vandaar dat er wat zaad naast het veld, op de weg kon terechtkomen. En wat gebeurt er met het zaad dat op de weg valt, het blijft liggen waar het valt wat er is geen aarde waar het zich kan ontwikkelen. Het gevolg is dat de vogels, of beter de satan, komen en het oppikken. Het woord was gehoord, het was in zijn hart geraakt maar het werd niet begrepen (Luk.13:18). Bij zulke personen is er ook vaak geen ernstig verlangen, of zondebesef zodat het woord ingang kan vinden. Want ‘wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden’ (Spr.8:17). U kent ze allemaal wel mensen die worden uitgenodigd voor bijvoorbeeld een Kerstsamenkomst bij te wonen. Ze komen, de koffie is goed en de broodjes zijn lekker, maar daar blijft het dan ook bij. Wil ik daarmee zeggen dat je geen mensen meer moet uitnodigen, natuurlijk niet maar je zal al gauw merken of er een verlangen naar geestelijke zaken. Het is in geestelijke nog altijd zo: ‘Laat hij die dorst heeft komen: laat hij die wil, het levenswater neme om niet! (Op.22:17).

2.    Rotsachtige bodem

‘En dit zijn zij die op de rotsachtige bodems worden gezaaid, die wanneer zij het woord horen, het terstond met vreugde aannemen; en zij hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn mensen van het ogenblik; als daarna verdrukking of vervolging komt om het woord, dan worden zij terstond ten val gebracht’ (Mark.4:16-17)

Mensen die aan bovenstaande beschrijving voldoen, zijn vaak emotioneel van aard. Ze zijn emotioneel, oppervlakkig en hebben weinig diepgang. De gelijkenis zegt dan ook dat ze geen diepe aarde hadden, waardoor ze geen goede wortels konden ontwikkelen, mensen van het ogenblik. De zon kwam op en wat normaal goed voor de plant zou zijn, blijkt hier een nefast. De zon blijkt hier een beeld van verdrukking te zijn. Verdrukkingen, of liever beproevingen, brengen aan het licht wie een persoon werkelijk is. ‘Gelukkig de man die verzoekingen verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen’ (Jak.1:12). Beproevingen bevorderen een geestelijke groei bij een geestelijke gelovige, maar als dat niet het geval is zal dat tot een val zijn voor zo iemand. Wat ontbrak bij de eerste groep was dat ze geen inzicht hadden in de ernst van de zaak, bij de tweede groep was er te weinig diepte.

3.    Tussen de dorens

‘En anderen zijn zij die tussen de dorens worden gezaaid; dit zijn zij die het woord hebben gehoord, en de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen komen binnen en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar’ (Mark.4:18-19)

Ik geloof dat we hier te maken hebben met een grote groep van mensen die het evangelie hebben gehoord en tot zich hebben genomen. Ook zij worden op de proef gesteld, zoals ook de tweede groep, maar op een totaal andere manier. Nu niet door vervolging of verdrukking (Mat.13:21), maar door de zorg van het leven, de bedrieglijkheid van de rijkdom en de begeerte naar de overige dingen. Dingen die van buiten en van binnen komen (de begeerte), die het woord verstikken, waardoor er geen vrucht kan komen. En de vrucht is toch datgene waaraan we iemand kunnen herkennen? (Mat.7:16). Hen die zich door de hierboven vermelde zaken laten beïnvloeden, zodat ze geen vrucht dragen, hebben nooit geleerd dat onze hemelse Vader voor ons zorgt en weet wat we nodig hebben. Veel gelovigen moeten nog leren ‘eerst (!) het koninkrijk van God te zoeken en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden (Mat.6:33). Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is, niet die op de aarde zijn! (Kol.3:2).µ

4.    In goede aarde

‘En dit zijn zij die in de goede aarde zijn gezaaid: zij die het woord horen en ontvangen en vrucht dragen, het ene deel dertig- het andere zestig- en het andere honderdvoudig’ (Mark.4:20)

Slechts een vierde van het uitgestrooide zaad komt tot volle wasdom! Hij die het Woord hoort en verstaat is het die dus vrucht draagt. De invloed van het Woord van God en de toepassing daarvan in ons leven is bepalend voor ons vrucht dragen! Door dat Woord zijn we tot wedergeboorte gekomen en kunnen daardoor opgroeien zodat zich vrucht kan ontwikkelen (1Petr.1:23; 2:2). Het verschil met de andere drie ontvangers van het woord maakt het verschil. De eersten - de bij de weg gezaaiden - waren oppervlakkige luisteraars. Het woord had bij de tweede groep - die van de rotsachtige bodem - geen diepgang. Bij de derde groep – waar het zaad tussen de dorens was gezaaid - werd het woord verstikt. Alleen bij de laatste groep – die van de goede aarde – werd het woord gehoord en verstaan. Om vrucht te dragen hoef je eigenlijk niet zoveel te doen, geen overdreven inspanningen zijn vereist. In de gelijkenis van de waren wijnstok vindt u het geheim van het vrucht dragen: ‘Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Joh.15:5).

Tenslotte

Er wordt in deze gelijkenis onder andere gesproken over ‘vrucht dragen’, maar wat mogen we daaronder verstaan? De gelijkenis zelf laat zich er niet over uit, evenals de gelijkenis van ‘de ware wijnstok’ in Johannes 15 niet. Je bent dan al gauw geneigd om aan ‘bekeerlingen’ te denken; het zaad dat tot ontwikkeling is gekomen, brengt weer zaad voort. Maar dat stuit op het probleem dat iemand die bekwaam is om het evangelie te verkondigen, een groot voordeel heeft, en dat zou niet rechtvaardig zijn ten opzichte van alle anderen. Persoonlijk geloof ik dat we bij ‘vrucht dragen’ meer moeten denken aan geestelijke ‘vruchten’. Zo lezen we in de brief aan de Galaten over de ‘werken van het vlees’ en de ‘vrucht van de Geest’ die is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing’ (Gal.5:22). Met andere woorden het doel is dat we meer en meer gaan gelijken op de Heer Jezus; dat Christus gestalte in ons mag krijgen (Gal.4:20; vgl. 1:16). ‘Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn’ (Rom.8:29).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘De gelijkenis van de verloren zoon’

 

Lukas 15:11-24

 

Inleiding

Dat de Heer Jezus vaak tot de mensen sprak door middel van gelijkenissen is bekend. In het bijzonder in het evangelie naar Lukas vinden we er een groot aantal. Op die manier probeerde de Heer Jezus het hart van de mensen te bereiken met geestelijke waarden. Iemand heeft eens gezegd: ‘Een gelijkenis is een aards verhaal met een hemelse boodschap’. (Zie mijn artikel ‘Inleiding in de gelijkenissen’) De mensen zeiden: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!’ (Joh. 7:46; Math.7:28-29; Luk.4:22)

Tot welke mensen sprak de Heer Jezus in gelijkenissen en in het bijzonder de gelijkenis van de verloren zoon? De eerste verzen van hoofdstuk vijftien geven ons het antwoord: ‘Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen’ (Luk.15:1-3). Twee soorten mensen: de tollenaars die een slechte reputatie hadden omdat ze de mensen vaak financieel benadeelden maar ook de zondaars dat wil zeggen hen die zich nog aan de wet hielden en ook niet deelnamen aan het joodse religieuze leven. In het kort gezegd ‘zondaars’. De tweede groep luisteraars bestond uit de Farizeeën en schriftgeleerden dat waren mensen die van zichzelf vertrouwden dat ze rechtvaardig waren (Luk.18:9). De personen vermeld in de gelijkenis van de verloren zonen hebben geen naam maar toch is het niet moeilijk om ze te identificeren. De vader representeert God in de persoon van Jezus. ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh14:9). De jongste zoon vertegenwoordigt de tollenaars en de zondaars die hun geestelijke erfenis hadden verloren en op zoek waren naar een nieuw begin. In de oudste zoon zien we de Farizeeën en de schriftgeleerden die van zichzelf vonden dat ze al rechtvaardig waren.

Drie gelijkenissen

In zijn toespraak tot hen vertelde de Heer Jezus drie gelijkenissen: de gelijkenis van het verloren schaap, de gelijkenis van de verloren munt en tenslotte de gelijkenis van de verloren zoon. Het schaap liep verloren omdat het geen herder had (Jes.53:6), de munt raakte verloren wegens onoplettendheid en de zoon raakte verloren vanwege zijn opstandigheid. Let erop dat één schaap van de honderd verloren raakte (1%), dat één munt van de tien zoek raakte (10%) en één van de twee zonen verloren ging (50%).

1. Een opstandige zoon

Toen de Heer Jezus de gelijkenis begon met de woorden: ‘Iemand had twee zonen’ zullen de luisteraars misschien wel gedacht hebben dat het zou gaan om Adam en zijn zonen Abel en Kain of Abraham en zijn zonen Izaäk en Ismaël of Izaäk en zijn zonen Jakob en Ezau maar er word geen naam vermeld. Dat de jongste zoon zijn aandeel van het bezit van zijn vader opvroeg was geen ‘slip of the tongue’ maar maakte deel uit van de plannen die hij in zijn hart meedroeg. Zijn hart was al in dat verre vreemde land lang voordat hij er kwam.  Hetzelfde kunnen we zeggen van Lot die wel uit Egypte was geraakt, maar in zijn hart had Egypte nog wel plaats, dat bleek toen hij de keuze moest maken en zich van Abram moest afscheiden. ‘Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte’ (Gen.13:10). Zo lang Lot in de nabijheid van Abram bleef ging het goed met hem maar toen hij op eigen benen in het leven moest staan ging het verkeerd. Het verdere verloop van zijn leven en einde is bekend. Een moeder kan haar kind niet het hele leven lang voeden; er komt een tijd dat het kind zelfstandig moet gaan functioneren (Gen. 21:8; 1 Sam.1:24).

Het is niet waar dat mensen geen keuzes maken, ze maken wel keuzes maar vaak de verkeerde. De jongste zoon maakte de keuze om naar zijn deel van de bezittingen van zijn vader te vragen, daardoor liet hij eigenlijk blijken dat hij zijn vader dood wenste. Zolang de jongste zoon thuis was bleek uit niets dat hij zondige neigingen had maar eenmaal op eigen benen in dat verre land openbaarde de zonde zich in een losbandig leven. ‘Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen’ (Mat.15:19). Wat de jongste zoon wilde was vrijheid – vrij van het gezag van zijn vader en van de kritische geest van zijn broer, maar hij wist niet wat werkelijke vrijheid was. Vrijheid betekent verantwoordelijkheid. Vrijheid is een leven in gehoorzaamheid aan de Waarheid en gemotiveerd door liefde. Jezus zei tot de Joden, die in Hem geloofden: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh.8:31-32).

2. Een verloren zoon

Eenmaal in het verre land aangekomen begon hij te genieten van zijn vermeende vrijheid, het feest kon beginnen, aan geld en vrienden geen gebrek. Spreuken zegt: ‘Wie wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader; maar wie met hoeren verkeert, brengt zijn vermogen door’ (Spr.29:3; Luk.15:30). Maar het ‘feest’ duurde niet lang want hij had zijn vermogen er snel doorgejaagd. Zware tijden doemden aan de horizon; er kwam een zware hongersnood in dat land. Was deze hongersnood door God beschikt zoals de storm die God beschikte bij Jona om de jongste zoon tot andere gedachten te brengen  (Jona 1:4,17, 4:6,7,8). ‘Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?’ (Rom.2:4). ‘Hij begon gebrek te lijden’ maar zat nog niet helemaal aan de grond want hij probeerde zichzelf nog te redden door voor een boer de varkens te hoeden. Op zich was het al een grote vernedering dat een jood op onreine dieren moest passen maar dat bracht hem nog niet tot nadenken. Pas toen hij nul op zijn verzoek kreeg om van de schillen te mogen eten die de varkens kregen, zag hij zijn hopeloze situatie in. Het proces van inkeer begon. Hoe vaak horen we van getuigenissen van gelovigen die helemaal vastgelopen waren in hun leven en toen tot God riepen. ‘Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet; hongerig waren zij, ja dorstig, hun ziel versmachtte in hen. Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid, en Hij redde hen uit hun angsten’ (Ps.107:4-6). ‘Toen kwam hij tot zichzelf’ en dacht aan het huis van zijn vader en alles wat hij daar kon krijgen. Het is altijd een voordeel dat kinderen een goede herinnering met zich meedragen aan hun huis waar ze als kind zijn opgegroeid. De jongste zoon besefte dat hij door iedereen verlaten was en zei tot zichzelf: ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners’ (Luk.15:17-19). ‘En hij stond op en ging naar zijn vader! Bij het voornemen voegde hij de daad (2 Kor.8:10-11). Na een duidelijke erkenning van zijn hopeloze situatie waarin hij geraakt was door zijn opstandigheid volgde een duidelijke belijdenis: ‘Ik heb gezondigd!’

3. Een liefdevolle vader

De vader was niet achter zijn zoon aangegaan om hem te zoeken maar hij bleef thuis en stond op de uitkijk en toen hij hem in de verte zag komen werd hij met ontferming bewogen en liep hij snel op hem af, viel hem om de hals en kuste hem innig. Het was niet gebruikelijk dat oudere mannen in het oosten snel liepen maar er was nog een andere reden dan alleen zijn terugkeer naar huis. Ik ken maar een Bijbels voorbeeld van een oude man die rende en dat was Abraham (Gen.18:6). Volgens de wet was de verloren zoon een weerspannige zoon, een doorbrenger en een drinker en zo iemand moest gestenigd worden. Wanneer een man een weerbarstige, weerspannige zoon heeft, die naar zijn vader en moeder niet wil luisteren, en hun niet gehoorzaamt, hoewel zij hem tuchtigen, dan zullen zijn vader en moeder hem grijpen en naar de oudsten van zijn stad brengen, in de poort van zijn woonplaats, en zij zullen tot de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is weerbarstig en weerspannig, hij wil naar ons niet luisteren, hij is een doorbrenger en een drinker. Dan zullen alle mannen van zijn stad hem stenigen, zodat hij sterft. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen; geheel Israël zal dit horen en vrezen (Deut.21:18-21). Als de buren of de inwoners hem hadden willen stenigen hadden ze de vader geraakt die hem omhelsde. Wat een prachtig beeld van wat de Heer Jezus voor ons deed op het kruis! We worden niet behouden door de liefde van God, want God heeft de wereld lief maar toch worden niet allemensen behouden, maar door zijn genade die zich heeft geopenbaard op het kruis van Golgotha (Ef.2:8; Tit.3:4-7).

4. Een troostende ‘moeder’

De Heer Jezus zei in de gelijkenis niets over de moeder maar in een ets van Rembrandt van de verloren zoon menen sommige kunstkenners toch een moeder te herkennen. Dit kenmerk van een moeder vinden we ook terug in het schilderij van Rembrandt over de terugkeer van de verloren zoon. In dat schilderij van Rembrandt zien we een geknielde jongeman, die omhelsd wordt door een oudere man, zijn vader. Rechts zijn drie mannen afgebeeld, die in stilte toekijken. Opvallend aan het schilderij zijn de handen van de vader: de ene hand ziet eruit als een krachtige vaderhand, die de zoon stevig tegen zich aandrukt. De andere hand is eerder een vrouwenhand, die de zoon eerder liefdevol en zorgzaam verwelkomt. De staande man rechts is de broer van de verloren zoon. De bijbel toont ons God altijd als een Vader of man, nooit als een moeder of vrouw. De Heer Jezus was de laatste Adam. Toch spreekt de Bijbel van de ‘moederlijke’ gevoelens van God, leest u maar: Maar Sion zegt: De HERE heeft mij verlaten en de HERE heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet’ (Jes.49:14-15). De apostel Paulus spreekt in de eerste brief aan de Thessalonicenzen van zijn gevoelens die hij had voor de gelovigen in de gemeente te Thessaloniki: ‘zoals een moeder haar eigen kinderen koestert’ en van ‘een vader die zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden, aanmoedigden, en betuigden te blijven wandelen, Gode waardig’ (1 Thes.2:7,11). 

Een verbitterde zoon

Het zou niet goed zijn de bespreking van de gelijkenis van de verloren zoon te beëindigen zonder iets te zeggen over de oudste zoon. Hij maakt ook deel uit van de gelijkenis. Zoals al aangegeven is hij een beeld van de Farizeeën en schriftgeleerden die de omgang met zondaars vermeden en kritiek uitoefenden dat de Heer Jezus met hen omging (Luk.15:2). Stel dat de jongste zoon niet naar huis was teruggekeerd dan hadden we nooit geweten wie de oudste werkelijk was.  Dan hadden we gedacht dat hij een hardwerkend en oppassend lid van de familie was geweest. Maar door de terugkeer van zijn broer krijgen we een blik in het hart van de oudste zoon. Zo werd ook duidelijk wat in het hart van Judas was toen Maria een pond echte, kostbare nardusmirre nam en de voeten zalfde van Jezus waarop Judas reageerde door te zeggen: ‘Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’ Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam (Joh.12:1-8). De bijzonder grote gift die Barnabas aan de voeten van de apostelen neerlegde bracht het bedrog van Ananias en Saffira aan het licht. (Hand.4:36 - 5:11). De jongste zoon zondigde in een ver land maar hij bekende zijn zondig gedrag. Maar zijn oudere broer zondigde thuis maar wist het goed te verbergen totdat zijn broer thuiskwam. Als de verloren zoon schuldig was aan de zonden van het vlees, dan was zijn oudere broer schuldig aan de zonde van geest (2 Kor.7:1). Het is waar dat van sommige mensen de zonden zo duidelijk zijn, dat zij voor hen uitgaan naar het gericht, bij anderen komen zij achteraan. Zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmede het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven’ (1 Tim.5:24-25).

Tenslotte.

Heb je jezelf in deze gelijkenis herkend? Ben jij een verloren zoon die zijn leven heeft vergooit maar verlangt om terug te keren naar huis, naar de Vader? Hij zal je tegemoet komen rennen om je te ontvangen, dus wacht niet!

Gelijk jij op de oudste broer, die een feest mist vanwege een onverzoenbare geest en een verhard hart? Belijd dan je zonden aan de Vader en ontdek de vreugde van verzoening en vergeving.

Jezus begroet zondaars en eet met hen. De Vader verwelkomt kritische mensen en geeft hen een nieuw hart zodat ze kunnen genieten van het feest en de gemeenschap.

Ook vandaag bied de Heer Jezus je een nieuw leven aan. Wacht dan niet, maar kom!

Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig’ (Ps.16:11)

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

'Gelijkenis van het grote avondmaal'

Lukas 14:1-24

 

Inleiding

Zou u willen dat Jezus eens bij u op bezoek kwam? U heeft wellicht ook wel eens het tekstbordje zien hangen in een woning met de tekst: 'Jezus Christus is het Hoofd van dit huis, de stille Toehoorder van elk gesprek en de ongeziene Gast bij elke maaltijd’. Dit zijn mooie gedachten en gewetensvol omgaan daarmee zouden het leven in elk gezin beter maken. Maar ik vraag me wel eens af hoeveel van ons werkelijk de Heer Jezus aan hun tafel zouden willen want Hij kan een ‘lastige’ Gast zijn! Een Farizeeër ontdekte dat toen Hij de Heer Jezus uitnodigde op een ontbijt op de Sabbat. Was het met bijbedoelingen dat hij Hem op de Sabbat uitnodigde? ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden’ (Luk.6:7; 14:1). In ieder geval ging het die morgen anders dan zij gedacht zouden hebben want die ‘tafelgesprekken’ waren allesbehalve vrijblijvend want de Heer Jezus gebruikte deze gelegenheid om een aantal gelijkenissen te vertellen en daarin onderwees hij vier belangrijke lessen, die ook voor ons hun nut kunnen hebben.

Een les in barmhartigheid. (14:1-6)

‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v)

Dat de sabbat een heilige dag was voor de Israëlieten mag duidelijk zijn. De straffen op het overtreden van de sabbat waren zwaar. ‘Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten’ (Ex.31:14). Dat het God serieus was kunnen we leren uit het voorbeeld van de Sabbatschender in Numeri 15:32-36. Mocht er dan niets gedaan worden op de sabbat? Het is interessant te zien dat er op de sabbat een extra offer gebracht moest worden boven het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer (Num.28:10). Wie ooit een bezoek aan Israël heeft gebracht zal weten dat er in de hotels een speciale ‘sabbatlift’ is, een lift die op de sabbat automatisch op de elke verdieping stopt zodat de mensen niet op de knoppen hoeven te drukken en daarmee het sabbatgebod zouden overtreden. Ik heb vaak meegemaakt dat wij pas na het einde van de sabbat het hotel in mochten en dan warm eten kregen dat de vrijdag, voor de sabbat al was klaargemaakt. En zo zijn  er nog veel meer zaken te noemen. De Farizeeën en schriftgeleerden gingen zover in hun ijver dat ze de Heer Jezus probeerden te doden na de genezing op de sabbat van de verlamde bij de vijver van Bethesda. ‘Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde’ (Joh. 5:18). Terugkerend naar ons Bijbelgedeelte in het evangelie naar Lukas zien we dat Jezus op de hoogte was van wat de Farizeeën en de schriftgeleerden dachten (o.a. Luk.6:8; 9:47; 11:47) en Hij pareerde dat met de vraag: ‘Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?’ (vs.3). Hierop konden of wilden ze geen antwoord geven. Een mooi voorbeeld op welke manier de Heer Jezus de sabbat onderschikt achtte aan bepaalde omstandigheden, vinden we in het Lukas evangelie toen Jezus met de discipelen al wandelende door de korenvelden aren plukten, stuk wreven en aten. Toen de Farizeeën Hem daarover aanspraken antwoordde de Heer hen naar de geschiedenis van David uit het Oude Testament (1Sam.21:1-6). ‘Hebt gij dan ook dit niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen?’ (Luk. 6:3) Uit deze en andere voorbeelden blijkt dat de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v).

Een les in nederigheid. (14:7-11)

‘Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (Mat.23:12)

Uit deze gelijkenis kunnen we een belangrijke les leren die niet alleen op de Farizeeën en schriftgeleerden van toepassing is maar ook op onszelf: een les in nederigheid! In de wereld is het de normaalste zaak om met list of geweld de eerste te willen worden. Maar ook in het Koninkrijk van God vinden we soortgelijke taferelen. ‘Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar’ (Mat.11:12). Dit is geen gemakkelijk vers om te duiden waar of over wie het hier gaat. De oppositie tegen de aankondiging van het koninkrijk der hemelen kwam van de Farizeeën, die het religieuze systeem vertegenwoordigden en één van de geweldenaars was Herodes Antipas die Johannes de doper gevangen nam. Vandaag de dag is het niet anders, ook nu zien we religieuze leiders die graag de eerste plaats innemen (Mat.23:1-11) en zien we dat de gelovigen in veel delen van de wereld vervolgd worden door de overheid.

De principes om in het koninkrijk der hemelen de eerste plaats te willen innemen verschillen echter fundamenteel van de wereldse principes en zijn veel moeilijker in de praktijk te brengen.  ‘Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar’, dat was het antwoord dat de Heer Jezus naar aanleiding van de discussie die de discipelen hadden gehad over ‘wie de grootste (of: de belangrijkste) was’ (Mark.9:35).

Om in te zien wat het betekend om jezelf te vernederen hebben we Iemand die ons is voorgegaan wiens voorbeeld we mogen volgen mogen volgen (1Petr.2:21). In de brief aan de Fillipenzen worden we opgeroepen om dezelfde gezindheid te tonen die ook de Heer Jezus heeft getoond: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader’ (Fil.2:5-11). Hieruit wordt duidelijk hoe we eerste plaats kunnen bereiken in het Koninkrijk der hemelen na vernederen volgt verhoging, of om het met de woorden van de apostel Petrus te zeggen: ‘Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd’ (1Petr.5:5-7).

Een les in weldadigheid. (14:12-14)

‘De woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen’  (Hand.20:35).

In het boek Zacharia roept God het volk op tot barmhartigheid: ‘Zo zegt de HERE der heerscharen: spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid’  (Zach.7:9). Barmhartigheid wordt wel eens met de volgende definitie omschreven: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren.’ Uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan weten we dat de priester en de Leviet daarin bepaal niet uitblonken. De Farizeeën stonden bekend als geldzuchtigen (Luk.16:14). God is ons voorgegaan in barmhartigheid, zo kunnen wij te weten komen uit het Oude Testament, en ook wij zijn gered ‘niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid’ (Tit.3:5). Jakobus is vrij sterk in zijn benadrukking van barmhartigheid wanneer hij spreekt over weldadigheid: ‘Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft’ (Jak.2:13).

Dat de Farizeeën en de schriftgeleerden uitermate gewiekst waren in het omzeilen van de wet blijkt wel uit Markus 7:6-13, waar de Heer Jezus tot hen zegt: ‘Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.’ Wat was hier het geval? Wel, door te zeggen dat een zaak waardoor ze hun ouders hadden kunnen helpen, een aan God gewijde offergave was, ontkwamen ze aan hun verplichtingen ten opzichte van hun ouders en stelden Gods wet buiten werking.

Wat was hier het geval? Ze nodigden mensen uit, vrienden, buren, bloedverwanten, voor een maaltijd met de bijbedoeling dat ze hun investering er wel weer uit zouden krijgen; met andere woorden dat het hun niets zou kosten. Ware barmhartigheid is zich ontfermen en schenken (Ps.37:21). En zij (en ook wij) hoeven niet bang te zijn dat het niet vergolden zal worden, want het zal ons vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen (Luk.14:14). Gezegde: ‘Je kunt je beloning geen twee keer ontvangen. Je krijgt het nú van mensen, of morgen van God.’ We zijn geroepen om wel te doen: ‘God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen’ (1Tim.6:18). Laten we dan geven zonder bijbedoelingen en we zullen Gods zegen ervaren en zullen er echt niet armer van worden! ‘Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden’ (Spr.11:24).

Een les in prioriteiten stellen. (14:15-24)

Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient’ (Luk.19:42)

‘First things first’ is een bekende Engelse gezegde, of in het Nederlands: ‘Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’. De gelijkenis van het grote avondmaal volgt naar aanleiding van de voorgaande verzen die iemand er toe bracht om op te merken dat ‘hij gelukkig is die brood zal eten in het koninkrijk van God’. We kunnen deze gelijkenis in drie hoofdpunten samenvatten: (1) de voorbereiding, (2) de uitnodiging en (3) de gevolgen.

1. De voorbereiding – Komt, want het is nu gereed’

‘Komt, want het is nu gereed’ moest de slaaf tot de genodigden zeggen. Alle voorbereidingen waren getroffen en het moment was gekomen om aan te schuiven. Zoveel eeuwen later mogen ook wij de mensen uitnodigen en zeggen: ‘Zie, nú is het de tijd des welbehagens zie, nú is het de dag des heils’ (2Kor.6:2). ‘Heden, indien gij zijn stem hoort’ en ‘En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet’ (Hebr.4:7; Op.22:17). Er is geen tweede kans.

2. De reacties – Houd mij voor verontschuldigd

De reacties op de uitnodiging zijn zonder meer teleurstellend te noemen en we begrijpen de toorn van de heer des huizes. Als het maar slechts een gelijkenis was konder we er wellicht nog mee leven, maar als we uit deze gelijkenis mogen leren dat de ‘uitnodiger’ God is die zijn Zoon gegeven heeft opdat wij ‘brood zouden kunnen eten in het koninkrijk van God’ dan begrijpen hoeveel pijn het God moet doen wanneer mensen zijn aanbod van liefde en genade afslaan.

Ook in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden vinden we een eenzelfde afwijzing. Maar we lezen daar wat meer over de verwachtingen van de heer des huizes had, want hij dacht ze zullen mijn zoon zullen zij ontzien. Leest u maar: ‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’ (Mat.21:33-39). Deze verwerping van het heil moet God in zijn hart geraakt hebben!

3. De gevolgen – Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is:

Hoe erg het ook is, de Bijbel leert ons heel duidelijk dat de verwerping van het heil wat we ontvangen kunnen in Christus oordeel inhoudt. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee en wijzen dat Gode en God van liefde is en dat nooit zal doen. De Bijbel leert ons het tegendeel en dat is de norm die we dienen te hanteren als we over zulke zaken spreken. Om een voorbeeld daarvan zien we bij de apostel Paulus wanneer hij in Athene het Evangelie verkondigd en spreekt hij in dergelijke bewoordingen: ‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’ (Hand.17:30-31) Dus: ‘Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

_______________________________________________________________