Christologie

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende onderwerpen verschenen:

 

 

 

De pre-existentie van Jezus

De godheid van Jezus (In voorbereiding)

De maagdelijke geboorte van Jezus

De mensheid van Jezus (In voorbereiding)

De ontlediging van Jezus

De zondeloosheid van Jezus (in voorbereiding)

Kon Jezus zondigen?

Jezus' verzoeking in de woestijn (in voorbereiding)

 

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie 

 

De pre-existentie van Jezus

 

 

 Inleiding

We kunnen het leven van de Heer Jezus in drie perioden verdelen: (1) zijn pre-existentie; (2) Zijn vernedering – (incarnatie c.q. vleeswording) en (3) zijn verhoging. In dit artikel houden we ons bezig met de pre-existentie van de Heer Jezus. Pre-existentie wil zeggen vóórbestaan van de Zoon vóór diens incarnatie, eigenlijk van eeuwigheid af. Incarnatie wil zeggen de vleeswording van Christus. Een paar titels voor de pre-incarnate Christus zijn: (1) Het eeuwige Woord, de Logos (Joh.1:1-14); (2) de eeuwige Zoon van God (Joh.17:1-5); (3) God (Joh.1:1,18; Rom.9:5; Tit.2:13; 1Joh.5:20); (4) de wijsheid van God (Spr.8:22-31; 1Kor.1:24).

Jezus eeuwige herkomst volgens het OT

Een bekende tekst waarin gewezen wordt op de pre-existentie van de Heer Jezus vinden we in het Bijbelboek Micha. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (Mi.5:1). ‘Oorsprong’, ook wel gelezen als ‘uitgangen’, maar dan wel in het meervoud, zou kunnen wijzen op de aardse afstamming van David van de Heer Jezus, anderzijds op zijn eeuwige oorsprong.

De eeuwige Zoon van God

Hij eeuwig als Zoon van God, in de schoot van de Vader, zelfs vóór de grondlegging van de wereld? (Joh.1:8, 17:5, 24). Dat is de vraag die ik hieronder probeer te beantwoorden.

Het was door de Zoon dat alle dingen werden geschapen

‘Alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem’ (Kol.1:16-17).

Hier wordt gezegd dat het door de Zoon was dat alle dingen werden geschapen. Alle dingen werden geschapen door de Zoon van Zijn liefde! De Zoon van God moet daarom bestaan hebben als Zoon in de tijd van vóór de schepping, lang vóór Hij vlees werd.

‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft’ (Heb.1:1-2).

Dit vers identificeert de Schepper als de Zoon van God, net zoals de passage in Kolossenzen 1 dat doet. Het was door de Zoon dat God de wereld maakte en daarom mogen wij ook spreken van de Zoon als dat Hij bestond vóór de wereld’. Het woord ‘Zoon’ in Hebreeën 1:1-2 draagt niet de idee dat God tot ons gesproken heeft in diegene die zijn Zoon werd, maar dat Hij tot ons gesproken heeft in diegene wiens relatie tot Hem als Zoon vanouds bestond, vóór zowel de schepping als Zijn vleeswording. Niet enkel heeft God tot ons gesproken in Hem die Zijn Zoon is, maar door Hem maakte hij de wereld. De volle implicatie is dat Hij, door Wie God de wereld maakte, in een relatie stond met Hem als Zijn Zoon.

De eniggeborene van de Vader

‘En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader’ (Joh.1:14).

We stellen vast dat Johannes 1:14 moet verwijzen naar Christus’ zoonschap, dat wil zeggen: naar het feit dat Hij de Zoon van God is van alle eeuwigheid. Dit wordt aangegeven door de context (Joh.1:1 en 1:18) en door zulke passages als Johannes 3:16, 18, ‘de Zoon die in de schoot van de Vader is’, die bewijzen dat de Zoon reeds de eniggeborene was vóór Zijn vleeswording, het zoonschap dat hier wordt aangegeven was er al van eeuwigheid. We zouden de volgende retorische vraag kunnen stellen aan hen die leren dat Christus niet de Zoon van God was vóór de vleeswording: ‘Had de Vader geen schoot voordat de baby Jezus geboren werd in Bethlehem?’ Deze vraag kan als volgt beantwoord worden: ‘Inderdaad, ik ben ten volle zeker, zoals de vraagstelling al aangeeft, had Hij die van in alle eeuwigheid. De schoot van de Vader was een eeuwige bewoning, genoten door de Zoon, in de onuitsprekelijke vreugde van de Vader’.

God zond zijn Zoon

‘En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Zaligmaker van de wereld’ (1Joh.4:14). ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden’ (1Joh.4:10). ‘Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’ (Joh.20:21). ‘Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet’ (Gal.4:4).

Dit zijn maar een paar teksten van velen die gaan over het zenden van de Zoon door de Vader. Deze passages impliceren duidelijk dat Hij de Zoon was vóór Hij in de wereld werd gezonden. Als God ‘Zijn Zoon zond’ dan moet Hij de Zoon geweest zijn vóór zijn zending. Dit is op zijn minst de meest vanzelfsprekende betekenis van deze passages, en de betekenis die een gewone lezer daar zonder twijfel aan zou hechten. Zulke passages geven duidelijk aan dat God Hem uitzond die reeds zijn Zoon was. Deze verzen zeggen niet dat God Hem uitzond die Zijn Zoon werd in de tijd van zijn geboorte. De Heer Jezus beloofde dat de Vader ‘de Trooster, de Heilige Geest’ zou zenden (Joh.14:26); werd Hij de Heilige Geest toen Hij werd gezonden of was Hij al de Heilige Geest voordat Hij werd gezonden? Het antwoord is vanzelfsprekend. De Heilige Geest werd niet de Heilige Geest op Pinksteren (Hand.2), net zoals de Zoon van God niet de Zoon van God werd te Bethlehem. De Geest was de Geest en de Zoon was de Zoon vóór hun onderscheiden uitzendingen. De vele verzen die spreken van God Die Zijn Zoon zendt zijn pas zinnig als we begrijpen dat Hij de Zoon was voordat Hij werd gezonden.

God de Vader gaf zijn Zoon

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven’ (Joh.3:16).

Te zeggen dat Hij Zijn eniggeboren Zoon werd door de vleeswording zou dit vers beroven van zijn betekenis, kracht en kostbaarheid: ‘De waarde en grootheid van de gave ligt in het zoonschap van Hem die gegeven werd. Zijn zoonschap was niet het gevolg van Zijn gegeven zijn.’ Indien het zoonschap begon in de vleeswording, waarom lezen we dan niet dat God de Zoon des mensen gaf? Maar nee, de eniggeboren Zoon van God werd gegeven … Anders van Hem te denken dan als de Eeuwige Zoon is afbreuk doen van de persoonlijke heerlijkheid van Gods onvergelijkbare gave. Moest Hij niet bestaan hebben als Zijn Zoon voordat God Hem gaf? Als ik iemand een object geef, dan verandert dit niet de natuur van dit gegeven object, en dan is dat object niet anders dan wat het was voordat ik het gaf. Zo ook, indien God de wereld zo lief had dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, dan moet Hij zeker Zijn eniggeboren Zoon geweest zijn voordat Hij Hem gaf … Zijn geven van Hem kon Hem niet tot Zijn eniggeboren Zoon maken, omdat de wonderlijke liefde hierin bestaat dat alhoewel Hij Gods eniggeboren Zoon was, Hij Hem toch gaf. ‘Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?’ (Rom.8:32). Als we mediteren over Romeinen 8:32 worden we herinnerd aan de tijd dat Abraham zijn zoon Izaäk overgaf (Gen.22). De patriarch moest zijn zoon nemen, zijn enige zoon Izaäk die hij liefhad (Gen.22:2) en hem naar het offeraltaar brengen. Zeker was Izaäk, die een type van Christus was (Heb.11:19), Abrahams zoon lang voordat hij overgegeven werd op het altaar. Het was de liefhebbende vader-zoon relatie die reeds bestond die dit offer zo kostbaar maakte. God de Vader nam Zijn Zoon, Zijn unieke Zoon Jezus, Die Hij liefhad vóór de grondlegging van de wereld, en Hij gaf Hem over voor ons allen. Wat een verbazingwekkende liefde! Als God Zijn Zoon had gespaard, dan zou er geen Redder voor zondaars geweest zijn. We zouden dan zonder hoop zijn en zonder hulp. Als de Vader Zijn Zoon niet had gezonden en Hem niet had overgegeven, dan zou redding onmogelijk geweest zijn, maar Hij zou nog steeds de Zoon van God geweest zijn. Wat betreft Zijn menselijkheid was Hij een Kind dat geboren werd. Wat betreft Zijn goddelijkheid was Hij een Zoon die gegeven werd door de Vader (Johannes 3:16). Hij werd een Kind maar Hij werd niet een Zoon.

Een relatie met de Vader vóór de vleeswording

‘Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader’ (Joh6:28).

Hoe kon Hij ‘van de Vader uitgegaan’ zijn als Zijn bestaan als Zoon niet eerder begon dan bij de vleeswording? Dit vers impliceert duidelijk dat Hij bij de Vader was vóór Zijn komst in de wereld. Als Hij niet de Zoon werd dan bij de vleeswording, kunnen we verwachten dat dit vers zoiets zegt als dit: ‘Ik ben van God uitgegaan en daarna werd Ik de Zoon … Ik verlaat de wereld en ga heen naar God Die sinds mijn geboorte Mijn Vader is geweest’. Zoals het vers er staat geeft het echter aan dat er een Vader-Zoon relatie bestond vóór Zijn komst in de wereld: ‘Zijn heengaan naar de Vader was de omgekeerde procedure als die van Zijn komst. Hij kwam van de hemel naar de wereld; Hij ging terug van de wereld naar de hemel. Hij spreekt van Degene van Wie Hij uitgegaan was als zijnde ‘de Vader’, niet in de zin van dat Hij uitgegaan was van iemand die daarna de Vader werd bij Zijn geboorte, maar van Iemand die de Vader was wanneer Hij uitgegaan is.’

‘En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was’ (Joh7:5). ‘Vader … omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’ (Joh7:24). Deze verzen voeren ons terug naar de tijd vóór de schepping. Voordat de wereld er was, was de Vader daar en de Zoon was daar, in een intieme liefhebbende relatie. Dit is de gewone en normale betekenis van deze woorden.

De Zoon werd de Zoon van David

‘Ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is uit het geslacht van David. Wat de Geest van heiliging betreft, is Hij met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere’ (Rom:3-4).

Hij was Davids Zoon van Bethlehem; Hij was Gods Zoon van alle eeuwigheid af. Hij werd de Zoon van David door menselijke geboorte, maar Hij werd niet de Zoon van God. Benjamin Warfield heeft het goed gezegd: Hij Die altijd de Zoon van God was en blijft, werd aan mensen aanvankelijk geopenbaard als de Zoon van David, en daarna, na Zijn opstanding als de verheven Heer. Hij was altijd in de essentie van Zijn wezen de Zoon van God; deze Zoon van God werd het geslacht van David deelachtig en werd geïnstalleerd als de Zoon van God (Die Hij altijd was), maar nu in Zijn eigen macht, door de opstanding uit de doden. In Romeinen 1 wordt gezegd dat Hij Die de Zoon van God was de Zoon van David werd. Bij de vleeswording werd het eeuwige Woord vlees en de eeuwige Zoon werd een Mens. De eeuwige God werd niet de Zoon. In tegendeel, wij geloven dat de Heer Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, mens werd, zonder op te houden God te zijn.

De openbaring van de Zoon van God

‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ (1Joh:8).

Het is één ding te spreken over de openbaring van de Zoon van God. Dit is bijbels. Het is echter een ander ding te spreken over het ontstaan van de Zoon van God. Dit is ketters. Zijn zoonschap had geen begin. Het voltooid deelwoord ‘geopenbaard’ betekent iets zichtbaar maken of in het licht brengen, wat voorheen verborgen was. ‘Het idee van openbaring is nooit een overgang van een staat van niet-bestaan naar deze van bestaan! Overeenkomstig, als we de Zoon willen eren wat Hem verschuldigd is, dan moeten we erkennen dat Hij de Zoon van God was vóór zijn openbaring, zijnde de eeuwige Zoon van God werd Hij openlijk en zichtbaar geopenbaard in het vlees voor Zijn middelaarswerk.’ De wonderlijke manifestatie van de Zoon van God en Zijn komen in deze wereld wordt ook geleerd in Johannes 11:27 en 1 Johannes 5:20.

Melchizedek, een type van de Zoon van God

‘Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester’ (Heb:3).

Het sterke getuigenis dat dit vers presenteert voor het eeuwige zoonschap van Christus mag niet gemist worden. De Geest van God leidde de pen van Mozes op zo’n manier dat de biografie van Melchizedek niets zegt over zijn ouders of zijn geboorte of zijn dood. Deze weloverwogen weglatingen waren er om Melchizedek voor te stellen als een type van de Zoon van God: ‘Hij was ‘aan de Zoon van God gelijkgemaakt’ en de overeenkomst ligt hierin dat hij ‘geen begin van dagen en ook geen levenseinde’ heeft’. Overeenkomstig was het in de status van Zoon van God dat Christus zonder begin van dagen was. Zijn zoonschap was daarom zonder begin en eeuwig’. In zijn vleeswording was Hij niet ‘zonder moeder’. Als de ‘Zoon des Mensen’ was Hij ‘geboren uit een vrouw’ (Gal:4). Als de ‘Zoon van God’ was Hij ‘Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom en kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde’. Zijn zoonschap heeft niets te maken met menselijke ouders, menselijke afstamming, menselijke geboorte of aardse tijdsmeting. Hij is eeuwig.

____________________________________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

De godheid van Jezus

 

Inleiding

 

______________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

De maagdelijke verwekking van Jezus

 

 Inleiding

Je kunt je afvragen of het wel zo belangrijk is om aan de maagdelijke verwekking van de Heer Jezus aandacht te schenken; wat maakt dat nu uit? Wel, dat heeft alles te maken met Jezus’ pre-existentie, godheid, vleeswording en zondeloosheid, en als we één ‘schakel’ daaruit weglaten, komt het onderwijs over goddelijkheid van de Heer Jezus sterk onder druk te staan. Let wel: het gaat in dit artikel niet over Jezus’ maagdelijke geboorte – Hij is geboren uit de maagd Maria – maar over de maagdelijke verwekking! Die verwarring van verwekking en geboorte zien we duidelijk aan het licht komen doordat de Katholieke leer over die twee onderwerpen, niet alleen ernstig afwijkt van het onderwijs van de Schrift en steunt op de Traditie die daardoor boven de Schrift gesteld wordt, maar ook er iets anders mee bedoeld! In het kort komt het hierop neer: De maagdelijke geboorte van Jezus Christus is de Rooms-katholieke opvatting dat Jezus bij Maria is verwekt zonder toedoen van een man, tot zover akkoord, maar daar blijft het niet bij want zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de oosters-orthodoxe kerken heeft de maagdelijkheid van Maria ook betrekking op haar leven na de bevalling. Men verwart de maagdelijke geboorte vaak met de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Verwarrend is ook dat wanneer men spreekt over de Onbevlekte Ontvangenis het niet gaat over de Heer Jezus maar over Maria! De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is een dogma van de Rooms Katholieke Kerk dat leert dat Maria verwekt werd en ter wereld kwam zonder met de erfzonde te zijn bevlekt. Zij werd met een onbevlekte ziel ontvangen in de schoot van haar moeder, volgens de traditie Anna. Op haar ziel werd door God reeds tevoren de zuiverende werking van de toekomstige verlossing door haar Zoon Jezus Christus toegepast. Volgens de katholieke geloofsleer bracht de bijzondere uitverkiezing van Maria met zich mee dat zij de enige mens in heel de geschiedenis is wier ziel nooit met enige zonde bevlekt geweest is, zelfs niet met de erfzonde. In de Bijbel vinden we niets wat die leer van de Rooms Katholieke kerk kan ondersteunen en verwerpen we het. Sola Scriptura!

Om terug te komen op ons onderwerp, de maagdelijke verwekking van Jezus, Gregorius van Nazianze (329-389) heeft het zo onder woorden gebracht: ‘Hij werd geboren – maar Hij was verwekt; Hij werd geboren uit een vrouw – maar zij was maagd. Het eerste is menselijk, het tweede goddelijk. In zijn menselijke natuur had Hij geen vader, maar ook is zijn goddelijke natuur geen moeder.’ In de Bijbel lezen we meerdere keren dat een onvruchtbare vrouw door ingrijpen van God toch kinderen hebben gekregen. Dat ‘ingrijpen’ van God gebeurde echter, geheel anders dan bij Maria, gewoon door gemeenschap van man en vrouw. Bekende voorbeelden zijn: Abraham en Sara, Hanna en in het Nieuwe Testament Elisabeth. Bij Maria was dat totaal anders zij was niet onvruchtbaar! Ook is zij geen moeder geworden door tussenkomst van een man maar de Heilige Geest heeft die ‘rol’ overgenomen! Maria zelf zegt: ‘Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man?’ (Luk.1:34; Mat.1:25).

De verwekking was bovennatuurlijk, maar Jezus’ geboorte niet, dat is gegaan volgens de normale natuurlijk gang van zaken.

De aankondiging van de maagdelijke verwekking en geboorte vinden we al vermeld in het Oude Testament: ‘Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Jes.7:14) en ook de plaats waar de geboorte zou plaatsvinden, Bethlehem (Mi.5:1). Het zou een jongen zijn – ‘een zoon baren – en zijn naam zou Immanuël zijn: God met ons’!

‘De geboorte van Jezus Christus nu gebeurde zo: Toen zijn moeder Maria met Jozef ondertrouwd was, bleek zij, voordat zij waren samengekomen, zwanger te zijn uit de Heilige Geest. Daar nu Jozef, haar man, rechtvaardig was en haar niet openlijk te schande wilde maken, was hij van plan haar in het geheim te verstoten. Terwijl hij echter deze dingen overdacht, zie, een engel van de Heer verscheen hem in een droom en zei: Jozef, zoon van David, wees niet bang uw vrouw Maria tot u te nemen, want wat in haar is verwekt, is uit de Heilige Geest. Zij nu zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk behouden van hun zonden. Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat door de Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei: ‘Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuël geven, dat is vertaald: God met ons. Toen Jozef nu uit de slaap was ontwaakt, deed hij zoals de engel van de Heer hem had bevolen en nam zijn vrouw tot zich. En hij had geen gemeenschap met haar, totdat zij een Zoon gebaard had; en hij gaf Hem de naam Jezus’ (Mat.1:18-25). We vervolgen het getuigenis van het Nieuwe Testament met een paar verzen van het evangelie naar Lukas, hoofdstuk 2.

‘In de zesde maand nu werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galiléa, Nazareth genaamd, naar een maagd die ondertrouwd was met een man genaamd Jozef, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria… Een de engel zei tot haar: Wees niet bang Maria, want u hebt genade bij God gevonden; en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven… Maria echter zei tot de engel: Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man? En de engel antwoordde en zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd… (uit Luk.1:26-38)

En allen gingen om zich in te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad. Jozef nu ging ook op van Galiléa uit de stad Nazareth naar Judéa, naar de stad van David die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en de familie van David was, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was. Het gebeurde nu toe zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij zou baren, en zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg’ (Luk.2:4-7). De onbevooroordeelde lezer zal uiteraard tot de conclusie komen dat de het kind Jezus niet verwekt is door Jozef maar uit de Heilige Geest. ‘En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de godsvrucht: Hij die geopenbaard is in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien door de engelen, gepredikt onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid’ (1Tim.3:16).

Het mag dan ook duidelijk zijn waarom deze maagdelijke verwekking zo belangrijk is, omdat het te maken heeft en niet los staat van Jezus’ zondeloosheid en goddelijkheid, waarover de volgende onderwerpen gaan.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

De mensheid van de Jezus

 

Inleiding

 

________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

De ontlediging van Jezus

 

Inleiding

‘Christus Jezus, die in de gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. En uiterlijk als mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood’ (Fil.2:6-8). 

Hoe vaak horen we niet zeggen, of zingen dat de Heer Jezus zijn heerlijkheid heeft afgelegd? Ik begrijp dat er enige dichterlijke vrijheid in de geestelijke liederen mag zijn, maar die mogen de waarheid zoals die in de Schrift geopenbaard is geen geweld aandoen, want: ‘Ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen’ (1Kor.14:15). Ook wordt er wel eens gezongen: ‘Zijn lichaam gebroken of gebroken voor ons’, terwijl in de Bijbel staat dat ‘Geen been van Hem gebroken werd’ (Joh.19:32-33). Maar goed, door te zeggen dat Jezus zijn heerlijkheid heeft afgelegd, bedoeld met dan vaak dat Hij een mens was zoals wij, zonder enig verschil in wezen, en dat is niet geheel juist. Want is de Heer Jezus dan opgehouden God te zijn, en wanneer dan, bij zijn geboorte of op een later tijdstip in zijn leven? Dat is de kern van dit artikel, nadenken over welke betekenis we mogen geven aan de ‘ontleding’ van Christus. Het Griekse woord ‘kenôsis’ betekent (zelf)ontlediging en het daarmee voortschrijdend onderwijs is of deze (kenôsis) ontlediging, het afleggen van Christus goddelijke eigenschappen inhoud. Dus we gaan ons bezighouden met de vraag wat de vernedering van de Heer Jezus inhield.

De vernedering van Jezus

Van de Heer Jezus staat geschreven, dat ‘Hij die rijk was, arm is geworden’ (2Kor.8:9). Dat was een vernedering. Evengoed kun je zeggen: ‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14), ook dat is een vernedering. Jezus daalde van de hemel neer om in onze zondige wereld te leven; dat is een vernedering. Hij, die de Schepper was (Kol.1:15) kwam in zijn eigen schepping om daarvan deel uit te maken. Maar die vernedering was nog niet compleet en ging verder, want Hij heeft ook, nadat Hij mens werd, de gestalte van een slaaf aangenomen (Fil.1:7), dat gaat nog een stap verder. ‘Zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen’ (Mat.20:28). En dat dienen zal zijn kenmerk zijn, ook in de toekomst: ‘Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderhand komen om hen te dienen’ (Luk.12:37). Slavenwerk was ook het wassen van de voeten van anderen. Door dat te doen heeft de Heer Jezus zich in de gestalte van een slaaf getoond, ons als voorbeeld! (Joh.13:1-17). De Heer Jezus, de Zoon van God, Christus die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid (Rom.9:5) is mens geworden zelfs in zijn uiterlijke gedaante: ‘uiterlijk als mens bevonden!’. ‘Hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante dat wij hem zouden begeerd’ (Jes.53:2). Met andere woorden hij was compleet mens in zijn gestalte, verschijning, handel en wandel en viel niet op onder zijn volksgenoten.

De ontlediging van Jezus

De menswording en de gestalte van een slaaf aannemend wordt ‘ontlediging’ genoemd. ‘Die Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk worden’ (Fil.2:7). Die ‘ontlediging’ ging van de Heer zelf uit; die Zichzelf ontledigd heeft’. De ‘vernedering’ en de ‘ontlediging’ zijn twee verschillende zaken. Het eerste, de vernedering,

Verwijst naar zijn aards bestaan, vrijwillig onderworpen aan de wil van God, die Hem uiteindelijk naar het kruis bracht. Het tweede heeft te maken met het afzien van het aan God gelijk zijn. Betekent dat: ‘Jezus opgehouden is God te zijn’ en ‘opgehouden is aan God gelijk te zijn?’ Uit het geheel van de openbaring van Jezus’ leven in het Nieuwe testament vinden we geen basis om te concluderen dat Jezus daarvan afstand heeft gedaan! Ja, zeggen anderen maar Hij wist toch ook niet alles, en God is toch alwetend! Als onderdeel van de kenôsis functioneerde Jezus soms binnen de beperkingen van de mensheid (Joh.4:6, 19:28). Mattheüs 24:36 zegt: ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.’ We mogen ons afvragen hoe het komt dat Jezus niet alles wist zoals God alles weet, als Hij God was (Ps.139:1-6). Of was er toch iets anders aan de hand, want er waren momenten in Jezus’ leven waarin Hij wel dingen wist die onttrokken zijn aan het normale mens-zijn, het zelfs overstijgen. Laten we enkele voorbeelden uit het Nieuwe Testament nemen. Tegen de Samaritaanse vrouw zegt de Heer Jezus: ‘U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man; want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit hebt u naar waarheid gezegd. De vrouw tot Hem: Heer, ik zie dat u een profeet bent’ (Joh.4:18-19). De Heer Jezus kende de gedachten van de mensen met wie Hij in contact kwam (Mat.9:4, 12:25; Luk.11:17). Jezus was op de hoogte van bepaalde zaken, zie bijvoorbeeld Joh.13:3,6; 16:19; 18:4 enz.

Wanneer het over kenôsis gaat, richten wij ons vaak teveel op wat Jezus opgaf. Kenôsis gaat ook over wat Christus kreeg. Jezus was deel geworden van het mensengeslacht en vernederde Zichzelf tot slaaf. Jezus verliet de heerlijkheid van de hemel, werd een mens die stierf op het kruis. In de hoogst mogelijke uiting van nederigheid werd de God van het universum een mens en stierf voor Zijn schepselen. De kenôsis bestaat er daarom uit dat Christus mens was geworden, met uitzondering van de zonde.

Versluieren, onthullen

We zijn nu op het punt aangekomen waar we antwoord moeten geven op de vraag of de ontlediging het ophouden of afstand genomen hebben van het aan God gelijk zijn? Rekening houdend met het geheel van de openbaring van de Heer Jezus in het Nieuwe Testament is het niet hard te maken dat de Heer afstand zou hebben gedaan van de gestalte van God. We denken daarbij maar aan de verschijning van de heer Jezus in heerlijkheid op de gelijknamige berg (Mat.17:1-8). Petrus spreekt er jaren later nog van: ‘We zijn ooggetuigen van zijn majesteit geweest’ (2Petr.1:16). Verdere uitspraken bevestigen de blijvende goddelijkheid van de Heer Jezus: ‘Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem. Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen’ (Joh.10:17-18). Dat zijn geen uitspraken van iemand die afstand zou hebben genomen de goddelijke macht.

Er moet dus iets anders aan de hand zijn, en dat is de gedachte aan de ‘versluiering’ of ‘verhulling’ van Jezus’ heerlijkheid, dat een mogelijk aanvaardbaar antwoord geeft op het vraagstuk van de ontlediging van Jezus. Dat wil zeggen Jezus ten volste God ook in zijn menszijn, beschikte over alle goddelijke attributen en heerlijkheid, maar in zijn menszijn verhulde Hij die, juist omdat Hij mens was geworden de gestalte van een slaaf had aangenomen. Uiterlijk had de Heer Jezus de gestalte van een mens, ja, een slaaf aangenomen, waarin Hij zich aan de mensen vertoonde, maar innerlijk bleef hij God. Zijn ontlediging bestond daarin dat Hij de gestalte van een slaaf had aangenomen. Toch kunnen we momenten in Jezus’ leven aanwijzen waarin die heerlijkheid gestalte kreeg, bijvoorbeeld bij zijn arrestatie in de hof van Gethsemane. ‘Jezus dan, die alles wist wat over Hem zou komen, ging uit en zei tot hen: Wie zoekt u? Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem overleverde, stond ook bij hen. Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond…’ (Joh.18:4-6). Een tweede voorbeeld is al vermeld en dat betreft de Heer jezus met de discipelen op de berg van verheerlijking. Ena na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. En Hij werd in hun bijzijn van gedaante verander; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht’ (Mat.17:1-2).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

De zondeloosheid van Jezus

 

 

Inleiding

 

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Christologie

 

Kon de Heer Jezus zondigen?

 

Inleiding

Niet zo lang geleden kwam bij een bijbelbespreking de vraag bij sommigen op, of Christus kon zondigen. Deze vraag werd door mij kort beantwoord: Nee, Christus kon niet zondigen. Een antwoord waar ik persoonlijk van overtuigd ben, maar dat niet eenvoudig met één bijbelvers is te bewijzen. Nadere bestudering van dit onderwerp leerde dat de meningen hierover nogal uiteenlopen. Zo zijn er gelovigen die menen dat Christus wel kon zondigen, maar dat niet deed. Veelal noemen deze gelovigen als reden voor hun opvatting, dat Christus werd verzocht in de woestijn en daarom wel moest kunnen zondigen. Laten we al deze meningen eens opzijzetten en bestuderen wat de Bijbel, Gods onfeilbare Woord, over dit onderwerp leert. In de bestudering van dit onderwerp volg ik grotendeels de opbouw en argumentatie van Lehman Strauss.

De zondeloosheid van Christus

De beantwoording van de vraag of Christus kon zondigen, begint met het vaststellen van het feit dat Hij zonder zonde is. Hij kon alleen het volmaakte offer zijn voor de zonde, als Hijzelf volstrekt zonder zonde was. (a) Hij is volkomen God én volkomen mens Christus is God en Hij getuigt Zelf daarvan in o.a. Johannes 10:30; 14:9,10; 12:45. Voor de omstanders was het duidelijk dat Hij van Zichzelf zei dat Hij God was, want ze wilden Hem daarom stenigen (Joh.10:33). Christus ís God, en dat is zo belangrijk dat zij die niet Jezus Christus als in het vlees gekomen belijden 'valse profeten' worden genoemd (1Joh.4:1-3). Hij is ook volkomen mens en noemt Zichzelf de Zoon des mensen, o.a. in Lucas 19:10. De eeuwige God werd volkomen mens. In Genesis 3:15 werd Hij beloofd als het zaad van de vrouw, in Galaten 4:4 aangeduid als geboren uit een vrouw. Zelfs na Zijn opstanding getuigt Hij van Zijn mens-zijn in Lucas 24:39 (vlees en beenderen). Christus had honger (Mark11:12). Hij raakte vermoeid (Joh.4:6). Hij sliep (Mat.8:24), en Hij was met zwakheid omvangen (Heb.5:3). Christus is zowel volkomen God als volkomen mens, en velen vinden dat moeilijk te verenigen. Dit wonder is ook niet door ons menselijk verstand te begrijpen, het is een verborgenheid. Hij is geopenbaard in het vlees (1Tim.3:16). Het is aan ons om dit te geloven, we kunnen het niet begrijpen en we hoeven dit ook niet te proberen. God was in Christus (2Kor.5:19). De Bijbel geeft geen verklaring hoe deze beide naturen in één Persoon konden worden verenigd, maar stelt deze waarheid wel nadrukkelijk voor. (b) Hij is niet verbonden met de zonde van Adam Christus is geboren uit de maagd Maria (Luc.1:35). Dat betekent dat Hij op geen enkele manier verbonden was met de oorspronkelijke zonde van Adam die, zoals Romeinen 5:12 leert, in alle anderen van vader op kind doorgaat. Hij werd 'dat Heilige' genoemd, dat geboren zou worden, en 'Gods Zoon'. Op geen enkele wijze heeft Hij deelgehad aan de zonde die ook tot Maria was doorgegaan. Door het overschaduwen van de Heilige Geest is Hij hiervoor beschermd, en daarin zien we het wonder van de zondeloosheid van Christus. Hij is niet verbonden met de zonde van Adam, maar met de heiligheid van God. Soms wordt Hij de zoon van Jozef genoemd, maar dat is altijd uit onwetendheid of vijandigheid (zie bijv. Luk.4:22; Joh.1:46; 6:42). Hij is, doordat Hij niet verbonden was met de zonde van Adam, de enige Persoon die niet door zonde werd gekenmerkt. Verlossing van de zonde kon alleen plaatsvinden door Hem, die in alle opzichten vrij van zonde is.

Het getuigenis van de Schrift

Christus bidt nooit voor vergeving van Zijn eigen zonde, wel voor die van anderen (Luk.23:34). Hij bidt nooit: Vader, vergeef Mij. Hij daagt anderen zelfs uit Hem te overtuigen van zonde (Joh.8:46), een uitdaging die tot op de dag van vandaag nog staat. Hij zegt tegen Zijn discipelen dat de overste van de wereld helemaal niets in Hem heeft (Joh.14:30). Dit betekent dat Hij de Heilige is, in Wie de satan niets vindt waaraan hij met zijn listen zou kunnen aanknopen: hij vond geen enkele zwakheid in Hem. De duivel vond bij Eva wel 'de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven' (1Joh.2:16), maar bij Christus vond hij niets van zelfs het kleinste beginsel van kwaad. De Schrift, die van vele grote mannen Gods de zonden vermeldt, noemt er niet één die door Christus is gedaan. Verschillende teksten getuigen van Zijn zondeloosheid. Paulus, de man met veel kennis, zegt in 2Korintiërs 5:21 van Hem: 'Hij die geen zonde gekend heeft'. Petrus, de doener, getuigt in 1Petrus 2:22 over Hem: 'Hij die geen zonde heeft gedaan'. Johannes, die heel dicht bij Christus was, getuigt in 1Johannes 3:5 aangaande Hem: 'in Hem is geen zonde'. En de schrijver van de Hebreeënbrief getuigt van Zijn zondeloosheid in Hebreeën 4:15; 7:26; 9:14. Zelfs de vijanden van Christus getuigden van Zijn zondeloosheid! Zoals Judas in Mattheüs 27:4, de vrouw van Pilatus in Mattheüs 27:19, Pilatus zelf in Mattheüs 27:4, alsook de hoofdman die zei: 'Waarlijk, Deze was Gods Zoon' (Matt.27:54). Eén van de boosdoeners die met Hem gekruisigd waren, zei dat Hij niets onbehoorlijks had gedaan (Luk.23:41). Het getuigenis van Judas in deze is heel bijzonder, hij was een volgeling van Christus. Hij leefde in Zijn nabijheid en raakte zo overtuigd van zijn zondige daad: onschuldig bloed overleveren, dat hij zichzelf van het leven beroofde.

Het mens-zijn van Adam en dat van Christus

Verschilt het mens-zijn van Christus van dat van Adam? Was de zondeloosheid van Christus op aarde dezelfde als die van Adam vóór zijn val? Of had de zondeloosheid van Christus een kwaliteit die Adam niet bezat? Kon Christus verzocht worden zoals Adam verzocht werd? Met andere woorden: Kon Christus zondigen zoals Adam heeft gezondigd? Hoezeer Christus ook volkomen mens is geworden, wij kunnen Zijn mens-zijn niet reduceren tot het mens-zijn van Adam. Christus die Adam schiep, is eeuwig. Adam was waarlijk mens, maar Christus is waarlijk God en mens. Door de zonde van Adam is het hele menselijke geslacht in de zonde gevallen (Rom.5:8, 19). Was het dan mogelijk dat ook Christus in de zonde kon vallen, en ons allen in zonde en oordeel zou doen komen? De gedachte alleen al moet niet in ons opkomen! In 1Korintiërs 15:22 staat dan ook dat in Adam allen sterven, maar dat in Christus allen levend gemaakt worden. Adam werd geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, maar hij was niet 'God geopenbaard in het vlees'. De geboorte van Christus was de vleeswording van de Zoon, de tweede Persoon van het goddelijk Wezen (Joh.1:1, 14). Deze goddelijke Persoon nam de menselijke natuur aan, maar bleef Zijn goddelijke natuur behouden. Het is niet mogelijk de goddelijke natuur te vernietigen of te veranderen! De uitdrukking 'God in Christus' in 2 Korintiërs 5:19 betekent niet dat God Zichzelf in een mens veranderde, maar dat God in Christus het mens-zijn met Zich verenigde. Christus kon niet door het kwade verzocht worden (Jak.1:13). De vlekkeloosheid van Christus hangt niet alleen af van Zijn wil, maar ze is ook kenmerkend voor Zijn natuur op een manier zoals geen enkel mens hier op aarde vlekkeloos kan zijn. Elk schepsel, zelfs een engel, kan worden verzocht en in zonde vallen.

De eeuwige eenheid tussen God de Vader en God de Zoon

In Johannes 5:19 staat geschreven: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat Die doet, dat doet de Zoon evenzo'. Dit betekent dat er een heel intieme eeuwige relatie is tussen de Vader en de Zoon, die het onmogelijk maakt voor de Zoon om iets te doen dat de Vader niet kan doen. Ze zijn één in wezen, één in doel en één in doen. Christus zegt hier niet dat Hij minder macht heeft, en de Vader slechts kan imiteren. Nee, de relatie tussen de goddelijke Personen is zodanig dat het onmogelijk is dat de één onafhankelijk van de ander zou handelen. De drie personen van de Godheid zijn gelijk en eeuwig. Als Christus niet God zou zijn, zou de Vader dit niet zijn. Als Christus een lasteraar zou zijn, zoals Hij werd genoemd (Joh.10:33), dan zou ook de Vader een lasteraar zijn. Toen Christus in Johannes 10:30 zei: 'Ik en de Vader zijn één', begrepen de Joden precies wat Hij bedoelde, namelijk dat Hij God is. Als de Zoon kon zondigen, dan kon ook de Vader zondigen. Maar omdat God niet door het kwade kan worden verzocht (Jak.1:13), houdt dat in dat géén van de drie goddelijke Personen door het kwade kan worden verzocht.

Waarom zondigde Christus niet?

Johannes zegt: 'en in Hem is geen zonde' (1Joh.3:5). Wat betekent dit? Wij allen zijn van nature zondaars en wij zijn dus geen zondaars omdat wij zondigen, maar wij zondigen omdat wij zondaars zijn. Dat komt omdat het zonde-principe in ons woont (Rom.5:12). Als wij zeggen dat wij niet zondigen, misleiden wij onszelf (1Joh.1:8). In Christus is het zonde-principe, de zondige natuur, niet aanwezig. De zonde is nooit in het leven van Christus geweest. Wij hebben de zonde vanaf onze geboorte (Ps.51:7). Maar Christus is door Zijn bijzondere geboorte uit de maagd niet in zonde ontvangen (Mat.1:20; Luk.1:34-35). Hij was heilig bij Zijn geboorte, Adam wordt nooit heilig genoemd. Maar van de Heer wordt gezegd dat 'in Hem de hele volheid van de Godheid lichamelijk woont' (Kol.2:9). De nadruk in dit vers ligt op het woord 'lichamelijk'. De Griekse filosofie, die Kolosse was binnengedrongen, claimde dat Christus niet volledig God was. Maar dit vers maakt duidelijk dat toen Hij in deze wereld kwam, Hij als volledig God is gekomen. Alles wat Hij in de eeuwigheid was, bezat Hij in Zijn vlees. De hele volheid van de Godheid woonde – d.i. verbleef permanent – in Hem. Het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen (Kol.1:19). Te zeggen dat Christus kon zondigen, betekent dus zeggen dat God kon zondigen! Als we zeggen dat Christus kon zondigen, houdt dat in dat Hij bij Zijn komst in het vlees Zijn onberispelijkheid zou hebben afgelegd. Maar Hij legde geen eigenschappen af! Hij ontledigde Zichzelf (Fil.2:7). Dat betekent uiteraard niet dat Hij Zijn godheid heeft afgelegd. De betekenis van het 'ontledigen' lezen we in het vervolg van dit gedeelte. Hij, die God was, werd uiterlijk een mens bevonden. Hij vernederde Zichzelf en was gehoorzaam tot de kruisdood. Hij was onberispelijk in de eeuwigheid; en toen Hij de hemel verliet, bleef er niets achter en was Hij onberispelijk op aarde. En Hij blijft onberispelijk in het heden en in de toekomst. God is onveranderlijk (Heb.13:8). Als Christus gezondigd zou kunnen hebben, kon Hij dat voor de grondlegging van de wereld al doen en ook nu nog!

Nog enkele bijbelteksten

In Filippenzen 2:7 lezen we dat Christus Jezus uiterlijk een mens is bevonden. Aan de 'buitenkant' was Hij zoals alle mensen, Zijn mens-zijn was echt. Bij Zijn komen naar deze wereld nam Hij een menselijk lichaam aan, uitgezonderd de zonde. Hij legde geen goddelijke kenmerken af, hoewel die wel bedekt werden – zoals Zijn heerlijkheid die op de berg der verheerlijking ten dele en tijdelijk werd vertoond (zie o.a. Mat.17:2). Na Zijn opstanding ontving Hij weer Zijn heerlijkheid bij de Vader (Joh.17:4-5). Zijn heerlijkheid was op aarde bedekt, opdat Hij Zijn plaats zou kunnen innemen onder de mensen. Dit vrijwillig 'bedekken' betekent niet dat Hij ook maar één van Zijn goddelijke kenmerken zou hebben afgelegd.

 In Hebreeën 2:14 lezen we dat Christus op gelijke wijze heeft deelgenomen aan vlees en bloed. Deze uitdrukking vinden we vijf keer in het Nieuwe Testament, en ziet steeds op de betekenis van het mens-zijn (Mat.16:17; 1Kor.15:50; Gal.1:16; Ef.6:12). In Hebreeën 2:14 hebben de kinderen deel aan vlees en bloed. Het woord dat hier wordt gebruikt, is 'van nature deelnemen', er is geen enkele keuze. De kinderen hebben van nature de zondige natuur van Adam, doordat ze deelhebben aan vlees en bloed. Het woord dat voor Christus wordt gebruikt ('deelgenomen'), betekent echter van buitenaf deelnemen. Hij had wel een keuze, en nam een deel van het geheel aan. Wij hadden geen keuze en hebben deel in het geheel – inclusief de zonde. Het deel van Christus was vlees en bloed, maar niet de zonde. In Hebreeën 10:5 zegt de Heer: 'U hebt Mij een lichaam toebereid'. God bereidde Hem een bijzonder lichaam toe, niet volgens de wetten van de voortplanting, maar op bovennatuurlijke wijze. Want Hij werd verwekt door de Heilige Geest. In Hebreeën 4:15 staat dat Hij in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde. Dit laatste betekent: 'zonder zonde'. Hoe is de Heer dan verzocht? In 1Johannes 2:16 lezen we wat in de wereld is: 'de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven'. Christus is in al deze dingen verzocht (zie Mat.4:1-11; Luk.4:1-13), waarbij elke verzoeking echter van buitenaf kwam. Wij mensen worden verzocht door onze eigen begeerte, dat is van binnenuit (Jak.1:14). De duivel verzocht Christus, maar in Hem was geen eigen begeerte waardoor Hij kon zondigen. De verzoeking door de duivel kon bij Christus niet tot zonde leiden. Eva viel op alle drie de gebieden. Namelijk de begeerte van het vlees, toen ze zag dat de boom goed was om van te eten. En de begeerte van de ogen, toen ze zag dat de boom een lust was voor de ogen. En ook de hoogmoed van het leven, toen ze zag dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden (Gen.3:6). Christus viel op geen enkel gebied, hoewel dezelfde drie verzoekingen tot Hem kwamen. Er was de begeerte van het vlees, toen de duivel zei: 'Zeg dan dat deze stenen broden moeten worden'. Er was de begeerte van de ogen, toen hij Hem alle koninkrijken van de wereld toonde. En er was de hoogmoed van het leven, toen hij zei: 'Werp Uzelf dan naar beneden'. Christus weerstond elke verzoeking met het Woord van God.  In Hebreeën 6:18 staat dat God niet kan liegen. Als Christus had kunnen zondigen, zou Hij elke zonde hebben kunnen doen, bijvoorbeeld een veel voorkomende zonde als liegen. Toch is dat voor God onmogelijk; en omdat Christus God is, kon Hij niet liegen. Dus kon Hij niet zondigen. Hij is de Heilige, en zelfs de onreine demon moest erkennen dat Hij dit was (Luk.4:34).

De verzoeking van Christus in de woestijn

Was Christus in staat om niet te zondigen, of was Hij niet in staat om te zondigen? De eerste situatie is van toepassing op Adam voor de zondeval. Hij was geschapen met de mogelijkheid om niet te zondigen, toch deed hij het wel. Als Christus ook kon zondigen, zouden wij dan voor eeuwig zeker kunnen zijn van onze behoudenis? Zij die de mening hebben dat Christus wel kon zondigen, maar dat niet deed, verwijzen daarbij doorgaans naar de verzoeking in de woestijn. Zij denken dat de verzoeking zinloos was, als Christus niet had kunnen zondigen. En verder stellen zij dat iemand die niet kan zondigen ook niet verzocht kan worden. Wij moeten niet denken dat verzoeking altijd tot doel heeft iemand in zonde te laten vallen. Het woord betekent in het Nieuwe Testament eigenlijk 'testen'. God stelde Abraham op de proef, zegt Genesis 22:1. En het doel daarvan was tweeledig: ten eerste de test van Abrahams geloof en van zijn gehoorzaamheid, en ten tweede het versterken van Abrahams geloof door middel van de verzoeking. Hebreeën 11:17 zegt duidelijk dat Abraham 'beproefd' werd, er wordt niet het woord 'verzocht' gebruikt. Petrus schrijft in 1Petrus 1:6-7 dat de beproefdheid van het geloof blijkt te zijn tot lof en eer bij de openbaring van Jezus Christus. God verzoekt dan ook niet met het doel ons in zonde te laten vallen, maar Hij beproeft ons wel. Verzoeking is een innerlijke strijd met de in ons aanwezige begeerte, beproeving is een van buiten komende test. Christus had geen zondige natuur en kon daarom niet verzocht worden tot zonde, wel werd Hij door de satan aangevallen. Verzoeking komt van de duivel, en heeft als doel ons te laten vallen (Luk.8:13). En zo kwam de duivel ook naar Christus toe (Mat.4:1). Verzoeking is het wapen van de vijand, dat hij inzet tegen Gods kinderen. Christus kon niet verzocht worden door het kwade, en de verzoeking door de duivel bewijst dat Hij niet kon zondigen.

Bron: Oude Paden

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Christologie

 

Jezus' verzoeking in de woestijn

 

Inleiding