De Gemeente van de Levende God

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Gemeente van de Levende God

 

 

Indeling

 

I. Haar ontstaan

 

II. De Gemeente als Lichaam van Christus

a. De eenheid van de Gemeente

b. Vele leden met elk een eigen functie

c. De uitoefening van de gaven

d. De afzonderlijke gaven

e. Het Hoofd van het Lichaam

 

III. De Gemeente als Huis van God

a. De bouw van het huis

b. De dienst in het huis van God

c. Orde en tucht

d. Verval en afzondering

e. De ambten

 

IV. De Gemeente als Bruid van het Lam

 

---------------------------------------------------------------------------------------

Haar ontstaan

Voorwoord

Deze reeks artikelen willen en kunnen niet het geheel van het onderwijs met betrekking tot de Gemeente behandelen, het is slechts een aanzet en mag aanleiding aan de lezer zijn om zich verder in het onderwerp te verdiepen. Mogelijk zullen er nog enkele afzonder studies over onderwerpen die gelinkt kunnen worden het onderwerp Gemeente worden toegevoegd.

Inleiding

Wie in het Oude Testament op zoek gaat naar vermeldingen over de Gemeente zoals wij dat in het Nieuwe Testament tegenkomen, zullen teleurgesteld worden. De Gemeente is immers een heel ander project in Gods heilsgeschiedenis dan Israël. Zie daarvoor de rubriek: Israël Theologisch op mijn website. De Gemeente was wel door God voorgekend, maar niet geopenbaard. In de Bijbel krijgen we niet eerder van de Gemeente te horen dan nadat Israël hun Messias verworpen heeft. Het verschil tussen Israël en de Gemeente is van groot belang en voorkomt veel misverstanden in de uitleg van de Bijbel.

De Gemeente voorgekend

In retroperspectief gezien weten we dat de verbinding van Adam en Eva, als man en vrouw een beeld is van de Gemeente. ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en de Gemeente’ (Ef.5:31-32). We zien dat de Gemeente in het Oude Testament latent aanwezig was. Dit is latent aanwezig zijn van de Gemeente is op te merken bij de bestudering van de typologie van de Bijbel.

In het evangelie naar Mattheüs vinden we drie keer een verwijzing naar een groep gelovigen die niets anders kunnen zijn dan leden van de Gemeente omdat ze naast Israël geplaatst worden. Ik doel op (1) ‘de velen die van oost en west zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk der hemelen’ (Mat.8:11) elders aangeduid als ‘de zonen van het koninkrijk (Mat.13:38). (2) ‘De Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen’ (Mat.20:28). De resultaten van het offer van Christus strekken zich uit tot alle mensen (1Tim.2:6) en niet alleen tot Israël. Het heil in Christus strekt zich dan wel uit tot alle mensen, maar is slechts toepasbaar voor mensen van de Gemeente die wederom geboren zijn. ‘Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd: namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid’ (Rom.3:21-22). En (3) ‘Dit is mijn bloed van het nieuwe verbond, dat door vele vergoten wordt tot vergeving van zonden’ (Mat.26:28). De teksten Mattheüs 20:28 en 26:28 verwijzen naar de ‘velen’ in Jesaja 53:11-12.

De Gemeente aangekondigd

Er zijn maar twee teksten in de Evangeliën te vermelden die over de Gemeente gaan en ons leren dat het iets is wat in Jezus’ tijd in de (nabije) toekomst lag. (1) ‘En ook Ik zeg je dat jij Petrus, bent, en op deze rots zal ik mijn Gemeente bouwen (Mat.16:18) en (2) ‘Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de Gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar’ (Mat.18:17). Maar ook hier vinden we weer meerdere zinspelingen in de Evangeliën op de Gemeente. Ook hier vermeld ik drie plaatsen: (1) ‘Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden’ (Joh.10:16). Hieruit blijkt dat er naast de gelovigen uit Israël, ook gelovigen zullen worden toegevoegd die niet van die stal zijn; dat kan niets anders betekenen dan dat de Gemeente, het collectief is van alle gelovigen uit Joden en heidenen. (2) ‘Dit nu zei hij (de hogepriester) niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk: en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen’ (Joh.11:51-52). Hieruit blijkt dat er ook buiten Israël gelovigen waren en nog zouden komen, die samen de Gemeente zouden gaan vormen (1Kor.12:13). En tenslotte (3) Hoewel het woord ‘gemeente’ hier niet genoemd wordt kunnen we hier toch een beeld van de Gemeente in zien, maar dan in de eenwording met de Heer Jezus, zoals we die zagen in de ‘éne kudde, en de éne herder’ (Joh.10:16). In Joh.15:1-8 voorgesteld in ‘Ik ben de wijnstok, u de ranken’. Deze geestelijke eenheid is iets nieuws en kan geen betrekking hebben op het volk Israël, maar is een kenmerk van de gelovigen van de Gemeente.

De Gemeente, haar ontstaan

Omdat de apostel Paulus leert dat het de Heilige Geest is die ons tot één lichaam heeft gedoopt (1Kor.12:13), kan het ook niet anders dat de Gemeente niet eerder kon ontstaan nadat de Geest was uitgestort. Dat gebeurde, zoals we weten op de Pinksterdag ná Jezus’ hemelvaart (Hand.2:1vv.). Het komen van de Heilige Geest was al eerder aangekondigd: ‘Maar Ik zeg u de waarheid: het is nuttig voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Voorspraak niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden’ (Joh.16:7, 13; 7:39; 15:26). In de brief aan Efeze zien we dat het doel van Jezus’ offer ook inhield: ‘dat Hij die twee – gelovigen uit de Joden en de volken - in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend, en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis’ (Ef.2:15). ‘Opdat wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader hebben’, zo vervolgd Paulus (Ef.2:18). Het is dus duidelijk dat de Gemeente pas is ontstaan nadat de Heilige Geest was uitgestort, Die ook niet eerder kon komen voordat de Heer Jezus was verheerlijkt (Joh.7:39). Er kan dus geen sprake zijn van de Gemeente in het Oude testament.

Het fundament van de Gemeente

Eén van de metaforen die in het Nieuwe Testament voor de Gemeente wordt gebruik is de Gemeente als ‘huis van God’ (bv. 1Tim.3:15) of als een ‘tempel’ (Ef.2:21). Een huis wordt gebouwd op fundamenten en zo is het ook met de Gemeente. ‘Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar bent u medeburgers van de heilige en huisgenoten van God, opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is, in Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in de Heer; in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in de Geest’ (Ef.2:19-22). In de eerste brief aan de Korinthiërs zegt de apostel Paulus: ‘Want Gods medearbeiders zijn wij, Gods akker, Gods gebouw bent u. Naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus’ (1Kor.3:9-11). Uit bovenvermelde Bijbelteksten mag duidelijk zijn dat er van een Gemeente geen sprake kon zijn in het Oude Testament. Paulus kon dan ook ná het ontstaan van de Gemeente spreken van drie verschillende groepen mensen, zoals hij dat doet in de brief aan de Korinthiërs: ‘Weest geen struikelblok voor (1) Joden en voor (2) Grieken en voor (3) de Gemeente van God’ (1Kor.10:32).

De gemeente geopenbaard door Paulus

Hoewel de Gemeente was ontstaan op de Pinksterdag (Hand.2:1v.) doordat toen de Heilige Geest werd uitgestort om ons tot één Lichaam te kunnen maken (1Kor.12:13), was het onderwijs met betrekking tot de Gemeente nog niet geopenbaard, dat was de taak en het voorrecht van de apostel Paulus. In de brief aan de Efeziërs schrijft hij in verband daarmee: ‘Daarmee ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, de volken… (waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven, dat mij door openbaring de verborgenheid is bekendgemaakt – zoals ik tevoren in het kort geschreven heb; daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus – die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten’ dat zij uit de volken mede-erfgenamen zijn en medeïngelijfden en mededeelgenoten van de beloften in Christus Jezus ziin’ (Ef.3:1-5). En vervolgt hij: ‘…wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God… opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de Gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt’ (Ef.3:9-10; Kol.1:26).

Zie voor de andere verborgenheden of geheimenissen ook die de apostel Paulus heeft geopenbaard: Rom.16:25; 1Kor.2:7; Ef.1:9-11 met betrekking tot de Heer Jezus als Middelpunt van Gods plannen. Ef.3:9; 5:32; Kol.1:26; 2:2 met betrekking tot de Gemeente. 1Kor.15:51-52; 1Thes.4:13-18 met betrekking tot Jezus’ komst, verschijning en eeuwige heerschappij. En tenslotte Rom.11:25 met betrekking tot het volk Israël.

Conclusie

We weten nu dat de Gemeente in het Oude testament niet bekend was, maar aangekondigd, en ‘geboren’ is nadat de Heilige Geest was uitgestort. Dat het een verborgenheid was die geopenbaard is door de dienst van de apostel Paulus. Dat het fundament van de Gemeente de Heer Jezus is waarop de apostelen hebben gebouwd. Gelovigen uit Joden en de volken vormen samen de Gemeente doordat de Heilige Geest ze tot één Lichaam heeft gedoopt.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Gemeente van de Levende God

 

 

Metaforen van de Gemeente

Er is een overvloed aan metaforen in de Bijbel die gebruikt worden voor de Gemeente. In dit artikel beperken we ons echter tot drie, namelijk: de Gemeente als Lichaam van Christus, de Gemeente als Huis van God en de Gemeente als Bruid van het lam. Een metafoor is een vorm van beeldspraak waarbij figuurlijk taalgebruik centraal staat. Door het gebruik van een metafoor wordt er een bepaald beeld geschapen. Dit beeld heeft een overeenkomst met wat er werkelijk bedoeld wordt. Bij een metafoor wordt altijd een vergelijking getrokken. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen iets wat men wel en wat men niet kent. Tussen deze twee delen is altijd een verband aanwezig waardoor men begrijpt wat er bedoeld wordt en er een goed beeld van kan schetsen. Metaforen verduidelijken abstracte waarheden. Met betrekking tot ons onderwerp ‘vertelt’ een metafoor dingen over de Gemeente die belangrijk kunnen zijn om leerstellige en/of praktische zaken beter te verstaan. Bijvoorbeeld de metafoor van het lichaam kan dienen om de onderlinge relaties van de leden binnen het Lichaam van Christus beter te begrijpen. Door de metafoor van bruid en bruidegom kunnen we de relaties van bruid en/of echtgenoot beter begrijpen. Ook de metafoor voor het gebruik van een huis met het oog op de Gemeente is duidelijk. Het kan dienen om een gezin, familie of een gebouw weer te geven. Denkt u maar eens aan de metafoor als Huis van God en let op de tekst in 1Timotheüs 3:15 waar staat: ‘Maar als ik uitblijf, schrijf ik, opdat je weet hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is de Gemeente van de levende God’. Deze drie metaforen van de Gemeente, Lichaam van Christus, Huis van God, Bruid van het Lam, zullen we hierna bespreken.

Wordt vervolgt...

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Gemeente van de levende God

 

 

 

Het Lichaam van Christus

 

Inleiding

Een menselijk lichaam is bij uitstek een prachtig metafoor om de Gemeente, leden en de gemeenschap tussen die leden met elkaar en met hun Heer, weer te geven. Het menselijk lichaam is één geheel maar wordt door het hoofd (de hersenen) bestuurd, heeft veel lichaamsdelen met meerdere functies. De brief aan de Efeziërs is bij uitstek die brief van Paulus waar dit beeld van de Gemeente het meest voorkomt.

Het Lichaam van Christus is één geheel van alle wedergeboren mensen

In tegenstelling tot de Gemeente gezien als het Huis van God, bestaat het Lichaam van Christus alleen uit wedergeboren mensen; gelovigen in de ware betekenis van het woord. ‘Wedergeboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad door Gods levend en blijvend woord’ (1Petr.2:23). Dat blijkt ook het volgende vers, waar we lezen van de vrede van Christus die in hun harten woont en deze behoort te beheersen: ‘En laat de vrede van Christus, waartoe u ook geroepen bent in één lichaam, in uw harten heersen; en weest dankbaar’ (Kol.3:15). Zoals al eerder vermeld zijn de gelovigen uit Joden en volken door één Geest, tot één lichaam gedoopt’ (1Kor.12:13). Daar spreekt ook de brief aan de Efeziërs van, waar het zegt: ‘Vrede makende, en beide (Jood en heiden) in één lichaam met God verzoenen door het kruis’ (Ef.2:16). Zo zijn wij, als gelovigen dan ook geroepen in één lichaam (Kol.3:15). Maar dat lichaam bestaat uit meerdere leden, die allen een plaats en taak in het lichaam hebben: ‘Zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden ten opzichte van elkaar’ (Rom.12:5). Van die geestelijke eenheid, waartoe wij gebracht zijn, geven wij ook uitdrukking en wel bij uitstek tijdens de viering van het avondmaal. ‘Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan één brood’ (1Kor.10:17).

Het Lichaam van Christus heeft één Hoofd en vele leden

Het lichaam als een metafoor voor de Gemeente komt alleen voor in het Nieuwe Testament, het Oude Testament kent dit niet. Het hoofd van het lichaam is uiteraard Christus. ‘Want de man is het hoofd van de vrouw, evenals ook Christus het hoofd van de Gemeente is’ (Ef.5:23; vgl. 1Kor.11:3). De lichaamsmetafoor komt alleen voor in de brief aan de Romeinen, met de nadruk op de onderlinge verhoudingen: ‘Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet allen dezelfde werking hebben, zo zijn wij de velen, één lichaam in Christus en elk afzonderlijk leden van elkaar’ (Rom.12:4-5). Hetzelfde, namelijk de onderlinge verhoudingen van de leden van de Gemeente, vinden we in 1Korinthiërs10:16v. en 12:12-27. In de brief aan Efeze en Kolosse gaat het meer om de verhouding van Christus en zijn Gemeente (Ef.5:23). ‘En Hij is het hoofd van het Lichaam, de gemeente’ (Kol.1:18; 2:19). De brief aan de Romeinen verbindt het beeld van het lichaam met de taken die de leden hebben. De leden hebben niet allemaal dezelfde werking maar hebben verschillende genadegaven, naar de genade die gegeven is’ (Rom.12:4-6).

Leden van het Lichaam van Christus hebben elk een eigen plaats en/of taak

Genadegaven horen bij het Lichaam van Christus, zoals orde hoort bij het Huis van God, en zijn alleen te vinden in de brief aan de Romeinen en in 1 Korinthiërs 12. In 1 Kor.12 wordt de eenheid benadrukt, in de brief aan de Romeinen de verscheidenheid. Ambten kent de Bijbel niet, maar uit de brief aan de Efeziërs kunnen we ontdekken dat God sommige gelovigen gegeven heeft ‘als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, met het doel om de heilige te volmaken’ (Ef.4:11-12). Nergens lezen we in de Bijbel over het ambt van dominee of predikant. Onder ambtsdragers wordt dan vaak verstaan iemand die een theologische opleiding, of Bijbelschool heeft gevolgd. Nu heb ik niets tegen Bijbels onderwijs, integendeel, maar door het verkrijgen van een diploma kan men zich niet het recht toe-eigenen zich een dominee of leraar te laten noemen, en zeker niet voor heel jonge mensen zonder enige levenservaring. De Bijbel stelt zulke eisen niet.

De genadegaven vermeld in de brief aan de Romeinen zijn de volgende: ‘Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, hetzij profetie, laat het zijn naar het gelang van het geloof, hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren; hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid’ (Rom.12:6-8). De andere genadegaven vinden we in de eerste brief aan de Korinthiërs: ‘Want aan de één wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; en aan een volgende een woord van kennis; aan een ander geloof en aan een volgende genadegaven van genezing, en aan een volgende werkingen van krachten, en aan een volgende profetie, onderscheiden van geesten, allerlei talen en uitlegging van talen, maar alles door de werking van de Heilige Geest (1Kor.12:8-11).

De uitleg van de verschillende genadegaven wil ik graag in een volgend artikel behandelen, om de grote lijn van het onderwerp niet te veel te onderbreken.

Wordt vervolgt...

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

De Gemeente van de Levende God

 

 

 

 

Huis van God

Inleiding

Ten opzichte van de Gemeente als het Lichaam van Christus is een andere metafoor, de Gemeente als Huis van God, misschien wel veel omvattender. Ging het bij het Lichaam erom dat het Hoofd alles bestuurt, dat er een geestelijke eenheid is, gevormd door de verschillende leden, met hun gaven en bedieningen, bij het Huis van God gaat het veel meer over de praktische, zichtbare openbaring van de Gemeente in deze wereld. Daarom wordt er onder andere de nadruk gelegd op orde en/of tucht. Maar dat is niet alles, het ‘Huis van God’ wordt gezien als een tempel, een plaats van aanbidding en daar horen priesters bij die offers brengen. De Gemeente is een woonplaats van God in de Geest (Ef.2:22) en daar hoort respect, ‘vreze des Heren’ te zijn. We zullen het dan in dit artikel hebben over de bouw van het huis, de dienst in het huis en de orde die daarbij behoort.

De bouw van het huis van God

Elk gebouw heeft een fundament nodig (vgl. Mat.7:24-27), ook de Gemeente als Huis van God. Dat fundament is Christus: ‘Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus’ (1Kor.3:11). Christus is de hoeksteen (1Petr.2:6; Jes.28:16; Rom.9:33). Op dat fundament wordt verder gebouwd opdat het een volwaardig huis wordt. ‘Want Gods medearbeiders zijn wij, Gods akker, Gods gebouw bent u. Naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd een ander bouwt erop’ (1Kor.3:9-17). ‘En een ander’, alle gelovigen bouwen erop. Maar hoe? ‘Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt. Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi stro, - ieders werk zal openbaar worden. Als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen, als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden’ (1Kor.3:10,12,14).

Let wel, het gaat hier dus om een geestelijk huis dat gebouwd wordt met geestelijke stenen: ‘Als u geproefd hebt dat de Heer goedertieren is, tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen maar bij God uitverkoren en kostbaar, en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis’(1Petr.2:4-5).

‘U bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is, in Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in de Heer; in Wie ook u mee opgebouwd wordt toe een woonplaats van God in de Geest’ (Ef.2:19-22).

De dienst in het huis van God

‘En u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren’ (1Petr.2:5).

Het priesterschap van gelovigen zoals dat in het Nieuwe Testament geleerd wordt blijkt in de Protestantse en Evangelische kerken en gemeenten, een grote ‘onbekende’ te zijn, zeker in de praktijk tijdens het samenkomen als gelovigen! Waar we daarvan nog iets zien is in de Orthodoxe en Rooms Katholieke kerken. Maar daar is de toepassing totaal misplaatst en gaat men terug naar het Oude Testament. In de vorm en opstelling van de kerkgebouwen ziet maar daar ook iets van terug. Men noemt het gebouw, de kerk waar men samenkomt dan ook van ‘het huis van God’ en ik ben zelf als de tekst tegen gekomen ‘Hier woont God’. Maar zegt Salomo: ‘Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb’ (1Kon.8:27). In het nieuwtestamentische ‘Huis van God’ is alles geestelijk te verstaan. Dat geldt voor de priesters (1Petr.5:9; Op1:6; 5:10; 20:6), de tempel (1Kor.3:16; 2Kor.6:16), het altaar (Heb.13:10) en de offers (1Petr.2:5). Trouwens het Nieuwe Testament kent niet zoiets als een speciale priesterklasse; alle gelovigen zijn priesters voor God. We lezen dat er in de samenkomst van de Gemeente ruimte is voor iedere gelovige om zich te uiten en deel te nemen aan de dienst: ‘Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging’ (1Kor.14:26-27).

De orde in het huis van God

‘Hoe men zich hoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God’ (1Tim.3:15)

Uit de woorden van de apostel Paulus betreffende de omschrijving van de taak van een oudste in de Gemeente, blijkt dat er orde, bestuur in de Gemeente moet zijn. Hij schrijft: ‘Iemand (een opziener) die zijn eigen huis goed bestuurt… want als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorgdragen voor de Gemeente van God? (1Tim.3:4-5). Ook uit de woorden van Paulus in de brief aan de Korinthiërs blijkt duidelijk dat er orde in het Huis van God dient te zijn. ‘Maar laat alles welgevoeglijk en met orde gebeuren’ (1Kor.14:40). Om die orde te waarborgen dienen er oudsten en diakenen te worden aangesteld, gelovigen met een gave om leiding te geven (Rom.12:8). Met het handhaven van de orde denk ik niet alleen aan de orde naar binnen, maar ook naar buiten. Ik denk dan aan de wettelijke maatregelen die een gemeente met zich mee kan brengen, zoals bijvoorbeeld bij aankoop van een gebouw, of het onderbrengen van een Gemeente in een stichting om ook aan de financiële verplichtingen te kunnen voldoen die daarmee gepaard gaat. Met het ‘eenvoudig’ samenkomen zoals enkele decennia geleden is het voorgoed gedaan, de overheid eist tegenwoordig veel meer van de maatschappij.

Zoals gezegd dienen oudsten en diaken te worden aangesteld; diakenen meer gericht op de praktische zaken in de Gemeente, oudsten meer voor het geestelijk aspect, onderwijs en pastoraat. Betreffende Bijbelgedeelten voor diakenen of dienaars zijn 1Timotheüs 3:8-13 met als praktisch voorbeeld Handelingen 6:1-7 waar we de aanstelling vinden van de eerste diakenen en de reden waarom. Voor wat betreft de oudsten verwijs ik naar 1Timotheüs 3:1-7 en Titus 1:6-9.

In deze tijd van vervlakking en gezagloosheid is het niet gemakkelijk gezag uit te oefenen in de Gemeenten. De cultuur waarin wij leven heeft ook zijn invloed op de gelovige in dat opzicht. Verder werkt de grote verdeeldheid en verscheidenheid in het Christendom ook het aanvaarden van het onderwijs van Gods Woord ook niet mee. Het ‘eenieder doet wat goed is in zijn eigen ogen’ vinden we alom in onze gemeenten terug. Het gezag van Gods Woord lijdt daaronder, maar ook zijn veel gelovigen verward in hun denken over tal van onderwerpen.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 De Gemeente van de Levende God

 

 

 

De Bruid van het Lam

Inleiding

Er zijn gelovigen die moeite hebben met de idee dat Christus twee bruiden zou hebben, en toch is het wat ik denk dat de Bijbel ons dat leert. Ik ga aan die discussie voorbij en stel vast dat het hemelse Jeruzalem de bruid van het Lam is (Op.21:9v.) en dat het aardse Jeruzalem de bruid van de Koning is. Dat er twee volken zouden zijn wordt duidelijk uit wat de Here tegen Abraham zegt: Toen riep de Engel des Heren ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: ‘Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt’ (Gen.22:15-18). Er is een zegen vóór Abraham, en dóór Abraham; een aards volk en een hemels volk.

In de typologie is in dit verband wel aan de twee vrouwen van Jakob gedacht als type van Israël en de Gemeente. Zoals Jakob voor Rachel koos, maar eerst Lea als vrouw verkreeg, om daarna toch ook Rachel als vrouw te verkrijgen, koos Christus eerst voor Israël (Rachel), verwierf daarna de Gemeente (Lea) om dan toch Israël (Rachel) te verkrijgen. Nog duidelijk zien we het in type bij Jozef, die op het hoogtepunt van zijn macht, Asnat (iemand uit de volken) tot vrouw verwierf, die dan een type van de Gemeente is, terwijl Jozefs broers Israël voorstellen. Maar de vraag is: heeft Christus twee bruiden, en waarom zou dat niet kunnen, het heeft immers niets te zien met een aardse seksuele relatie?

Israël als bruid

Een aantal teksten uit het Oude Testament geven aan dat Israël gezien wordt als dat volk dat God zich tot bruid wil verwerven, vooral in het boek Hosea, en ik laat die teksten maar voor zichzelf spreken. ‘En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des Heren, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. Ja, Ik zal de namen der Baäls verwijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden. Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen. Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Here kennen’ (Hosea 2:15-19). De relatie tussen God en het volk Israël is er een van man en vrouw, bijvoorbeeld in de volgende teksten. ‘Het woord des Heren nu kwam tot mij: Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem: Zo zegt de Here: Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; Israël was de Here geheiligd, de eersteling zijner opbrengst; allen die daarvan wilden eten, zouden schuld op zich laden, onheil zou over hen komen, luidt het woord des Heren’ (Jer.2:1-3). Het volk pleegde echter geestelijke overspel (Hos.2:1-4), maar zal in de eindtijd hersteld worden: ‘Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. Want uw man is uw Maker, Here der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God. Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Here’ (Jes.54:4-8). ‘En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des Heren, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl’ (Hos.2:15). En tot slot Jesaja 62:4-5 ‘Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Here heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden’.

De Gemeente als bruid

Dat Israël als vrouw en/of bruid wordt voorgesteld is nu wel duidelijk, maar hoe zit het met de Gemeente? Daarvoor hebben we heel wat minder Bijbelteksten die ons daarbij kunnen helpen. De belangrijkste is 2Kor.11:2-3, waar staat: ‘Want Ik ben naijverig over u met een naijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven en afgeweken zijn van de eenvoudigheid en de reinheid jegens Christus’. Zoals bij het volk Israël zien we hier ook dat de relatie van God met Israël, en hier met Christus en de Gemeente, vergeleken wordt met de relatie tussen een man en een vrouw. Dat komt sterker naar voren in de brief van Efeze in het gedeelte dat gaat over het huwelijk. ‘Vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig als aan de Heer, want de man is het hoofd van de vrouw, evenals Christus het hoofd is van de gemeente: Hij is de Behouder van het lichaam. Maar zoals de gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan hun mannen in alles. Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het woord, opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn. Zo behoren ook de mannen hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, evenals ook Christus de gemeente. Want wij zijn leden van zijn lichaam, van zijn vlees en van zijn gebeente. ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente. In elk geval, ook u, laat ieder van u zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man’ (Ef.5:22-32).

Christus de Bruidegom

Tot slot nog een paar passen tekstenteksten:Waarom vasten wij en de farizeeën dikwijls, maar uw discipelen vasten niet? En Jezus zei tot hen: ‘Kunnen de bruiloftsgasten soms treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Maar er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen wordt weggenomen, en dan zullen zij vasten’ (Mat.9:14-15). Vervolgens ‘Hij die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die daarbij staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Deze blijdschap van mij dan is vervuld geworden’ (Joh.3:29). En tot slot: ‘Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. En hij zei tot mij: Schrijf: gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam’ (Op.19-7-9).

Ik wil afsluiten met een type uit het Oude Testament en wel dat van Izaäk en Rebekka. We lezen uit het boek Genesis hoofdstuk 24. Abrahams knecht Eliëzer wordt uitgezonden naar een ver en vreemd land om een vrouw voor Abrahams zoon Izaäk te zoeken. Eliëzer vindt haar en brengt haar naar Izaäk. Zo heeft God de Heilige Geest vooruit gezonden om een bruid voor zijn Zoon te verwerven. Het is gemakkelijk in te zien dat Rebekka hier een beeld is van de Gemeente, die onder leiding van Eliëzer (de Heilige Geest) op weg gaat om haar bruidegom (Izaäk) te ontmoeten.

Met die gedachte, aan bruid en bruidegom, verlaten we ook het Nieuwe Testament, want op de laatste bladzijde van de Bijbel lezen we: ‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! Laat hij dorst heeft, komen: laat hij die wil het levenswater nemen om niet’ (Op.22:17).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Bedieningen en Gaven

 

 

 

 

 

Inleiding

Aan de Gemeente zijn vijf bijzondere bedieningen geschonken: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. Maar daarbij is het niet gebleven want naast deze bijzondere bedieningen spreekt de Schrift ook over verschillende andere genadegaven. Het beeld wat de apostel Paulus van de Gemeente schets in verband met bedieningen en gaven is dat van een lichaam met vele leden. Zoals bekend zijn door de uitstorting van de Heilige Geest, op die bewuste Pinksterdag nadat de Heer Jezus was opgestaan en ten hemel gevaren, gelovigen uit Joden en heidenen tot één lichaam gevormd: het Lichaam van Christus (Ef.1:21). Zoals bekend, zijn de andere metaforen van de Gemeente: Herder en kudde, Huis of tempel van God en Bruid van het Lam. Maar in dit artikel gaat het over bedieningen en gaven en die horen bij het Lichaam. Op seminars, studiedagen en voordrachten wordt meestal de nadruk gelegd op de vijf bedieningen, vermeld in Efeze 4, maar de Schrift beperkt zich daar niet toe en geeft ons een rijk scala van gaven waarover wij kunnen beschikken.

In de gelijkenis van de talenten (Mat.25:14-30) wordt ons duidelijk gemaakt dat de Heer aan ons talenten heeft gegeven, ‘en de één gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid. Dat wil dus zeggen dat God, maar ook wij, rekening moeten houden met onze natuurlijke bekwaamheden. Dus er is ‘voor elk wat wils’.

Al die gaven aan de Gemeente kunnen we samenvatten als ‘genadegaven’ en die hebben het volgende tot doel, volgens de apostel Petrus: ‘Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God. Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe, tot in alle eeuwigheid. Amen’ (1Petr.4:10, 11).

De vijf bedieningen

Wij beginnen met de bespreking van de vijf bedieningen. Het is niet mijn bedoeling deze vijf bedieningen uitputtend te bespreken, maar slechts de belangrijkste zaken aan te tippen. Voor meer uitleg verwijs ik u naar de Evangelische Dogmatische Reeks (EDR), ‘De Kerk van God’ de delen 7 en 8 van Dr. W.J. Ouweneel.

‘Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus. Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar de hoge, heeft Hij de gevangenschap gevangen genomen en de mensen gaven gegeven. Dit nu: ‘Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere delen van de aarde? Hij die is neergedaald, is ook Degene die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen. En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te volmaken, tot het werk van de bediening, tot de opbouwing van het lichaam van Christus, totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de volgroeidheid van de volheid van Christus, opdat wij niet meer onmondigen zijn, zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door hun sluwheid om door listen te doen dwalen, maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem die het hoofd is, Christus uit Wie het hele lichaam, samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning verleent naar de werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in liefde’ (Ef.4:7-16).

Het eerste dat opvalt bij de opsomming van de bedieningen is het woordje ‘sommigen’, iets wat je bij de gaven niet tegenkomt. Verder zijn de genoemde bedieningen niet beperkt tot, of verbonden aan één plaatselijke gemeente, maar hun dienst strekt zich uit tot de Gemeente wereldwijd. De gedachte dat alle vijf bedieningen ook nu nog bestaan, is een gevolgtrekking van Efeze 4:12 waar staat: ‘om de heiligen te volmaken, tot het werk van de bediening, tot de opbouwing van het lichaam van Christus’. Je zou kunnen zeggen tot de wederkomst van Christus.

Apostelen

Dat er twaalf apostelen zijn, die door de Heer Jezus aangesteld, betekent niet dat er nu geen apostelen meer zijn. Daar wijst 1 Korinthe 15:7 als op, dat zegt: ‘Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen’. Matthias werd aangesteld in plaats van Judas, en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd’ (Hand.1:26). De apostel Paulus had een aparte roeping (Hand.9) en bediening, namelijk als apostel van de heidenen (Gal.2:7). Al deze apostelen voldeden aan de voorwaarden vermeld in Handelingen 1:21 (zie ook: 1Kor.9:1; 15:4-8). Apostelen van nu behoren niet tot die categorie die de Heer gezien hebben, maar ze zijn wel apostelen in de betekenis van ‘gezondenen’. Trouwens, de visie dat er ook nu nog apostelen zijn, kan moeilijk ontkend worden door te zeggen dat de apostelen verder functioneren ‘door de leer van de apostelen’ (Hand.2:42), zoals wel beweerd wordt. Ook nu zijn er wel apostelen maar dan in de zin van ‘gezondenen’, niet ‘aangestelden’ zoals de twaalf. Barnabas en Andrónicus en Junias waren zulke profeten (Hand.14:14; Rom.16:7). De kwaliteiten van apostelen kunnen we misschien het best samenvatten met de idee van ‘leider’ of, ‘voorganger’ maar dan in de betekenis van Hebreeën 13:7.

Profeten

Je hebt ‘schrijvende’ – zoals bijvoorbeeld Mozes, Jozua, Jesaja en Jeremia - en ‘niet-schrijvende’ profeten zoals Elia en Elisa. Een profeet is niet zozeer een toekomstvoorspeller, maar iemand die spreekt namens God tot het volk, en zoals 1Korinthiërs 14:3 ons leert: ‘wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting’. Een voorbeeld daarvan vinden we in Handelingen 15:32 waar staat: ‘En Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, vertroostten de broeders met vele woorden en versterkte hen’. Dit wordt ook duidelijk door wat Petrus daarover zegt: ‘Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God’ (1Petr.4:11; 2Kron.18:13). Een profeet in Israël was iemand, die kon zeggen: ‘Zo spreekt de Here’. Daarom moest het woord dat de profeet sprak ook uitkomen (Deut.13:13; 18:15-22). Profeten en apostelen worden vaak samen genoemd, zoals bijvoorbeeld in Lukas 11:49 en Ef.2:20; 3:5; 2Petr.3:2; Op.18:20), wat de indruk geeft dat de bediening van apostelen en profeten vaak samenvallen.

Evangelisten

Getuigen zijn we allemaal (Hand.1:8), maar ‘sommigen’ zijn evangelisten! Op welke manier we kunt getuigen van ons geloof kunnen we leren van de blinde man, die tegen de leiders van de Farizeeën zei: ‘Of Hij (Jezus) een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie’. Een persoonlijk getuigenis hoe men met Christus in aanraking is gekomen, wat ertoe heeft geleid dat je je bekeerd hebt, is het sterkste middel in evangelisatie. Maar dat maakt je nog niet tot een evangelist. Zelfs Timotheüs was geen evangelist, maar hij werd aangespoord door de apostel Paulus om ‘het werk van een evangelist te doen’ (2Tim.4:5). Een voorbeeld van een evangelist vinden we in Filippus in zijn ontmoeting met de Ethiopische kamerling. In Handelingen 21:8 wordt Filippus een evangelist genoemd. Op Filippus’ vraag: ‘Begrijpt u wel wat u leest?’ zei de kamerling: ‘Hoe zou ik dat immers kunnen, als niet iemand mij begeleidt?’ Daarna opende Filippus zijn mond en te beginnen van die Schriftplaats (Jes.53) verkondigde hij hem Jezus (Hand.8:26-40). Een evangelist is een ‘brenger van goed nieuws’ (vgl. Luk.2:10). Het is vreemd dat we het woord ‘evangelist’ maar drie keer tegenkomen in het Nieuwe Testament (Hand.21:8; Ef.4:11; 2Tim.4:5). De schaarse gegevens samenvattend moeten we concluderen dat een evangelist ook in staat moet zijn om de Schrift uit te leggen. Niet alleen het ‘blijde nieuws’ te verkondigen, maar ook duidelijk kunnen maken wat de mens is, wie God is en wat God heeft gedaan voor de redding van de in zonde gevallen mens.

Herders

Apostelen en profeten worden soms samen vermeld, maar ook herders en leraars. Soms vloeien deze gaven in elkaar over, zo worden ze ook in Efeze 4:11 in één adem genoemd. De herder heeft een meer pastorale taak, de leraars hebben tot taak onderwijs te geven in de Schrift. Sommige uitleggers hebben dan ook gedacht bij de tekst in de eerste brief aan de Korinthiërs waar staat dat de één een woord van wijsheid en de ander een woord van kennis heeft (1Kor.12:8) aan het onderscheid tussen een herder en een leraar. De taak van een herder is om de ‘schapen’ te weiden, dat is geestelijke begeleiding of pastoraat toepassen, de zwakke ‘schapen’ te versterken, de zieke te genezen, de gewonde te verbinden, de afgedwaalde terug te halen, de verlorene te zoeken, de ‘schapen’ bij de kudde te houden (vgl. Ez.34:3v.). De Heer Jezus zag de mensen ‘als schapen die geen herder hebben’ (Mat.9:36) en was de Goede Herder die zijn leven voor de schapen heeft gegeven (Joh.10:1-18). In de eerste brief van Petrus lezen we: ‘De oudsten onder u vermaan ik dus, de mede-oudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, hoedt de kudde van God die bij u is en houdt toezicht, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig; ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden’ (1Petr.5:1-3).

Leraars

Een leraar dient inzicht te hebben in de Schrift en het vermogen dat inzicht over te brengen naar zijn publiek. In het Oude Testament waren dat de Levieten (Deut.33:10; vgl. 2Kron.17:7-9; Neh.8:8-10). De apostel Paulus was ‘prediker, apostel en leraar van de heidenen’ (2Tim.1:11). Uit de brief aan de Hebreeën weten we dat een leraar iemand was die het Woord van God onderwees. ‘Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer iemand nodig die u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God’ (Heb.5:12). Dat een leraar zich bewust moet zijn van zijn verantwoordelijkheid om het ‘Woord der waarheid recht te snijden’ (2Tim.2:15) leert ons Jakobus, die zegt: ‘Laten niet velen leraars worden, mijn broeders, daar u weet dat wij een des te strenger oordeel zullen ontvangen’ (Jak.3:1). Een gelovige is wedergeboren, niet uit vergankelijk maar onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend woord (1Petr.1:23) en dient ook op te groeien in dat woord (1Petr.2:2), daarvoor zijn leraars, onderwijzers nodig. In het bijzonder in de tijd waarin wij leven moeten we voorzichtig zijn omdat we, via internet, overspoeld worden met valse en/of verkeerde leer. We dienen daarom alles te toetsen aan de Schrift: ‘Uw Woord is de Waarheid’ (Joh.17:17).

Gaven

Het is niet mogelijk, en niet de bedoeling om in dit artikel alle gaven die in de Schrift vermeld zijn te bespreken. Trouwens er zijn veel meer gaven die niet in de Schrift vermeld zijn! Ik laat gewoon de teksten volgen die daarover gaan voor zichzelf spreken. De veel gebruikte term ‘De vijfvoudige bediening’ is misleidend en kan de gelovige op een verkeerd been zetten doordat deze ervan uitgaat dat deze vijf gaven uitsluitend zijn! Nee, er zijn nog veel meer gaven waarnaar je naar op zoek mag gaan om te ontdekken wat God voor jou heeft weggelegd en waarmee jij Hem kunt dienen. ‘En de één gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:15).

Romeinen 12:3-8

Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan ieder die onder u is, dat hij van zichzelf niet hoger moet denken dan het behoort, maar dat hij bescheiden moet, zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld. Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar. Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, hetzij profetie, laat het zijn naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren; hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid’.

1 Korinthiërs 12:1, 4-11

‘Wat nu de geestelijke uitingen betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent… Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde geest; en er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer, en er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God die alles in allen werkt. Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is. Want aan de één wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; en aan de volgende een woord van kennis volgens dezelfde Geest; en aan een volgende geloof door dezelfde Geest; en aan een volgende genadegaven van genezing door ene Geest; en aan een volgende werkingen van krachten; en aan een volgende profetie; en aan een onderscheidingen van geesten; aan een ander allerlei talen; en aan een volgende uitlegging van talen. Maar al deze dingen werkt één en dezelfde geest, die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil’.

Over de gaven van genezing en talen bestaat verschil van mening. Er zijn er die deze twee hier genoemde gaven tijdgebonden verklaren en menen dat deze alleen bestonden in de begintijd van de verspreiding van het christelijk geloof.

_____________________________________________________________