Profetische Boeken 3

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Inleiding en Indeling van het boek Obadja

Inleiding en Indeling van het boek Jona

Jona, een mislukte zendeling

Inleiding en Indeling van het boek Micha

Inleiding en Indeling van het boek Nahum

Inleiding en Indeling van het boek Habakuk

Micha 4-5 -Gods beloften

Habakuk - Al zou de vijgenboom niet bloeien

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding van het boek Obadja

 

 

 

De profeet

We weten heel weinig van de profeet Obadja, alleen dat hij de profetie schreef die zijn naam draagt (het kortste boek van het Oude Testament) en dat zijn naam ‘knecht van God’ betekent, of ‘iemand die God vereert’. Op z’n minst dragen twaalf andere mannen die in het Oude Testament vermeld worden, die naam. Vier van hen waren op de een of andere manier verbonden met de dienst in de tempel (1Kron.9:16; 2Kron.34:12; Neh.10:5; 12:25). Men is het er niet altijd over eens wanneer de gebeurtenissen zich voordeden, beschreven in Obadja 10-14. Het traditionele standpunt is dat Obadja schreef over de Babylonische invasie in Juda en de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.Chr. De psalmist vermeldt dat de Edomieten de Babyloniërs aanmoedigden toen de legers de stad binnenvielen (Ps.137:7), maar er is geen bewijs dat de Edomieten werkelijk Jeruzalem binnengingen in die tijd of probeerden de Joden tegen te houden toen die probeerden te vluchten. Sommige oudtestamentici menen dat Obadja verwijst naar een eerdere invasie van Jeruzalem door de Filistijnen en Arabieren en waarin de Edomieten hen hielpen en de controle die ze zich door Juda moesten ondergaan, verbroken (2Kron.21:8-10, 16-17). Dat zou dan tijdens de regeringsperiode van koning Jerobeam (855-841) hebben plaatsgevonden. Deze Jerobeam was getrouwd met de dochter van koning Achab, die Juda in zonde heeft geleid. God liet deze invasie en de daarbij gehouden plundering van Jeruzalem toe als tuchtiging vanwege de zonden van de koning.

Obadja’s onderwerpen waren: (1) de langdurige familievetes Esau en Jakob, (2) de overtuiging dat mensen het lijden dat ze moeten ondergaan voortkomt uit het gegeven dat ze anderen ook zo behandeld hebben (wat men zaait, zal men oogsten), (3) de overtuiging dat Israëls vijanden verslagen zullen worden en dat het koninkrijk in het land zal worden opgericht.

Obadja’s tijd

De tijd 586 v.Chr. De plaats: Jeruzalem. De gebeurtenis: de verwoesting van Jeruzalem door de Babylonische legers. We zien de boze soldaten voor ons terwijl ze de muren slopen, het volk doden en de stad in brand steken. Maar we zien ook nog iets anders. We zie het Edomitische buurvolk van Israël die aan de kant staat om de Babylonische soldaten aan te vuren om de stad te verwoesten. ‘Verwoest het! Verwoest!’, roepen ze. ‘Sla de kleine kinderen tegen de rotsen en verdelg de Joden’ (Ps.137:7-9). Wie zijn toch deze mensen die verlangen dat deze verschrikkelijke dingen hun buren toegedaan worden? Ze zijn broeders van de Joden. De Edomieten waren de nakomelingen van Ezau, de oudere broer van Jakob (Gen.25:21-26). Ezau was uiterlijk een veel beter mens dan de sluwe Jakob, toch verkoos God Jakob en verwierp Ezau. Ezau ging in het zuiden wonen in de bergen en zo ontstond het Edomitisch koninkrijk (Idumea), maar ze bleven vijanden. Dit boekje Obadja gaat over deze twee broers, Ezau en Jakob – Edom en Israël.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Obadja 

I. Gods boodschap aan de buren van Edom (vs.1)

Een oproep om zich te bewapenen tegen hun oude medestrijders. 

II. Gods boodschap voor Edom (vs.2-16) 

1. Goddelijk oordeel aangekondigd (2-9)

(1) Edoms trots vernedert (2-4)

(2) Edoms rijkdom geplunderd (5-6)

(3) Edoms verbonden verbroken (7)

(4) Edoms wijsheid vernietigd (8)

(5) Edoms leger verslagen (9) 

2. Goddelijk oordeel verdedigd (10-16)

(1) Geweld tegen de Joden (10-11)

(2) Blijdschap over de Joodse lotgevallen (12)

(3) Bijstand verlenen aan de vijand (13-14)

(4) Ontkennen van Gods toorn (15-16)

III. Gods boodschap voor het Joodse volk (vs.17-21) 

1. God zal ze uitleveren (17-18)

2. God zal hun vijanden verslaan (19-20)

3. God zal hun koninkrijk oprichten (21)

______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op het boek Jona

 

 

 

De persoon

Dat Jona een werkelijke historische persoon is geweest wordt bevestigd door 2 Koningen 14:25, waar Jona’s profetie over koning Jerobeam II vermeld staat, waarin hij zegt dat diens koninkrijk zich zal uitbreiden. Deze boodschap kan hem tot een populaire prediker gemaakt hebben. Maar toen God Jona riep om tegen de stad Nineve te prediken, de hoofdstad van het Assyrische rijk, spartelde de profeet tegen. Jona was een Joodse profeet van Gat- Hachefer in Zebulon en werkte in het noordelijk rijk van Israël tijdens de regering van Jerobeam II (793-753 v.Chr.). De Heer Jezus aanvaardde Jona ook als een historisch persoon en zag in hem een type van Zijn dood, begrafenis en opstanding (Mat.12:42; Luk.11:32).

Zijn tijd

De regering van Jerobeam II was tevens een periode van grote voorspoed voor het volk Israël; het herwon vroeger verloren gegaan gebied en breidde zijn territorium en invloed uit. Maar het was ook een tijd van morele en geestelijk verval en het volk verwijderde zich snel van God en weken af in afgoderij. Jona’s tijdgenoten Hosea en Amos, beiden profeten veroordeelden moedig de slechtheid van de heersers, priesters en het volk. Het is het vermelden waard om te laten zien dat Gods zorg ook uitging naar andere volken (Ps.67), wat het hoofdthema van het boek Jona is. De geschiedenis vertelt ons dat de Assyriërs een wreed en harteloos volk waren die er geen problemen mee hadden om hun vijanden levend te begraven, of hen te villen, of hen te spietsen op scherpe palen en daarna in de hete zon te plaatsen. ‘Als de stad Nineve verwoest zal worden, laat het dan maar verwoest worden!’ zal Jona wel gedacht hebben. ‘Ik ben liever aan God ongehoorzaam dan dat ik mijn vijanden gered zie worden van het oordeel.’ In de vier hoofdstukken die dit boek telt zien we Jona’s ervaringen en de lessen die hij had kunnen leren.

Zijn dienst

Jona had een opdracht voor het volk Nineve, maar ook voor Israël. Hij ontdekte Gods genade voor andere volken, zelfs volken die vijandig waren. God had het volk Israël geroepen om een zegen voor de andere volken te zijn (Gen.12:1-3), maar zoals Jona, weigerde het volk aan die opdracht te gehoorzamen. En zoals Jona, werden ze daarvoor getuchtigd; want Assyrië zou Israël verslaan en Babel zou Juda in ballingschap voeren. Jona’s boek verheerlijkt Gods soevereiniteit maar ook zijn liefde en genade. Jehova is de God van de ‘tweede kans’, zelfs voor een tegenstribbelende profeet.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Jona 

I. Gods geduld met Jona (1:1-17) 

1. Jonas ongehoorzaamheid (1:1-3)

2. Jonas onverschilligheid (1:4-10)

3. Jonas halsstarrigheid (1:11-17) 

II. Gods genade voor Jona (2:1-10) 

1. God hoort zijn gebed (2:1-2)

2. God tuchtigt hem (2:3)

3. God beloont zijn trouw ((2:4-7)

4. God aanvaardt zijn belijdenis (2:8-9)

5. God herstelt hem in zijn dienst (2:10) 

III. Gods kracht door Jona (3:1-10) 

1. God is genadig (3:1-2)

2. De gehoorzame dienstknecht (3:3-4)

3. Het berouwvol volk (3:5-9)

4. Het uitgesteld oordeel (3:10) 

IV. Gods dienst door Jona (4:1-11) 

1. God hoort Jona (4:1-4)

2. God vertroost Jona (4:5-8)

3. God onderwijst Jona (4:9-11)

____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Jona, een mislukte evangelist 

Hoofdstuk 1 – 2

 

 

Inleiding

Het zal je maar gebeuren dat je op een goede dag door God geroepen wordt voor een speciale opdracht! Een groot voorrecht, toch? Jona kende de stem van God want hij had al eens eerder een opdracht mogen uitvoeren en een profetie mogen uitspreken, die nog uitgekomen was ook! (Zie 2Kon.14.24).

God spreekt niet alleen tot Jona maar hij spreekt in deze tijd ook tot ons, verstaan wij zijn stem en gehoorzamen wij als Hij ons roept? Zijn wij bereid om te gaan waar de Heer ons vraagt te gaan? Wij worden geacht het licht van de wereld te zijn dan steken we de lamp toch niet aan om die onder de korenmaat te plaatsen? (Mat.5:14). ‘Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten’ (Amos 3:7). ‘Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?’ (Gen.18:17). Het boek Jona is geen profetie, maar een verslag van de missie van de profeet naar Nineve. En als het al een profetie is dan komt die nog niet uit ook! Het bevat hoofdzakelijk Jona’s persoonlijke gevoelens en geschiedenis in verbinding met deze opdracht.

Wie was Jona?

Zijn naam betekend ‘duif’ wat wellicht uitdrukt wie hij was. Zijn vader was Amittai van wie wij verder niets weten; alle grote mannen komen niet van grote ouders! (Bunuyan). De Here Jezus noemt Jona een profeet (Mat.12:39). Het boek is een autobiografie, want Jona is zelf de schrijver. En wat een openbaring ontvangen we over hem, al zijn fouten en dwaasheden worden vermeld! Zouden wij een boek over ons leven op dezelfde manier schrijven? (Farao’s vermelden wel hun overwinningen maar niet hun nederlagen!). Maar doordat hij dat gedaan heeft geeft Jona duidelijk te kennen dat hij niet zijn eer zoekt maar de eer van God! Het is heel treffend dat in het NT nooit zonden worden vermeld van gelovigen uit het OT! Wij kunnen ze nog wel boven water halen maar bij God is er geen gedachtenis meer aan (Heb.10:18)!

Zijn opdracht

Deze opdracht was zeker niet wat hij had verwacht; hij moest prediken tegen de grote stad Nineve (Gen.10:12). Zeker geen gemakkelijke opgave want Nineve was in die tijd een heel belangrijke en grote stad. Sommige onderzoekers gaan ervanuit dat er wel 600.000 inwoners waren. (Zie 3:4 en 4:11). Haar muren waren zo hoog en breed dat er drie wagens naast elkaar op konden rijden. Maar groot was ze vooral in haar boosheid, want die was opgestegen tot voor Gods aangezicht (Gen.6:5)! In deze wereld is er enorm veel lawaai door verkeer, vliegtuigen e.d. maar de zonden van deze wereld bereiken God bovenal. En daartegen moest Jona getuigen en zo ook wij (Mat.14:5)! En niet alleen een opdracht voor een stad als Nineve, maar aan de gehele schepping! Hebben wij daartoe de moed?

Zijn ongehoorzaamheid

De opdracht om naar Nineve te gaan wilde Jona niet vervullen. In hoofdstuk 4:1 lezen we wat daaraan ten grondslag lag nl. zijn nationale gevoelens en trots. De barmhartigheid en genade van God ook t.o.v. Nineve strookte niet met zijn gedachten daarover; Nineve was een nota bene een vijand van Israël! De geschiedenis leert ons dat de Assyriërs een wreed volk waren, ze begroeven hun vijanden levend, trokken hun huid af, staken ze op een paal en plaatsten die in de brandende zon. En Jona had er geen behoefte aan om aan deze mensen een boodschap van genade te brengen. Liever ongehoorzaam aan God, dan dat... En omdat hij aanvoelde dat ten gevolge van zijn prediking, God die mensen genade zou willen bewijzen, wilde hij niet gaan want dan zou zijn profetie nog uitkomen ook, nl. dat Nineve verwoest zou worden. Wat een blamage zou dat voor hem zijn! Het is gemakkelijker te weigeren dan het hoofd te bieden aan een moeilijke opdracht. Ongehoorzaamheid aan God leidt altijd tot geestelijk verval! Jona had een verkeerd idee van Gods wil; hij dacht dat het iets moeilijk en gevaarlijk was wat hij moest doen. Hij had een verkeerd beeld over getuige zijn. Hij had een verkeerde houding t.o.v. zijn vijanden; hij wilde hun redding niet. Dus vluchtte hij naar Tarsis, weg van het aangezicht des Heren. Zijn weg moet hem wel voorspoedig zijn geleken, want hij vond er nog een schip ook dat naar Tarsis zou gaan! Een profeet wiens taak het was om te staan voor het aangezicht van God ten behoeve van mensen vluchtte daarvan weg!

Vanaf dit moment gaat het bergafwaarts met Jona, in geestelijk opzicht. Het is altijd gemakkelijker een berg af te dalen dan om er een te beklimmen (Luk.10:30). Hij vluchtte maar betaalde de prijs! Hij daalde af van Gat-Hachefer (Nazareth) naar Jafo, een schip, daarna in het ruim van het schip, vervolgens in de zee en tenslotte daalde hij af in een vis. Jona ‘betaalde’ want het was verloren tijd, hij was niet bruikbaar, hij was een struikelblok voor anderen en raakte in grote problemen. Hij had tot een zegen moeten zijn omdat hij door God gezegend was (Gen.12:3).

De zeereis

En zo vinden we Jona op weg naar Tarsis, Hij dacht zo God te kunnen ontlopen (Ps.139). Ondanks het gegeven dat hij de Psalmen kende (hfdst.2) was hij toch vergeten dat God overal is en dat Hij alles zou doen om zijn knecht weer op het rechte pad te krijgen. Als je van de weg bent afgeraakt moet je wel weten waar dat is gebeurd om er weer op te geraken! Hij hoorde Gods stem nu niet meer rechtstreeks, zoals in vs.1, maar we vinden dat God dat deed door (1) een zware storm, (2) een grote vis, (3) een wonderboom, (4) een worm en (5) tenslotte door een oostenwind. De bemanning probeerde zichzelf te redden in die storm door de lading overboord te gooien en tot hun goden te bidden. Alles wat een mens maar kan doen! Jona echter was in diepe slaap en had geen weet van de dingen rondom hem heen! De kapitein moest hem zelfs aansporen om te bidden. Een slapende christen is niet alleen hulpeloos en onbruikbaar, maar kan tevens een hindernis zijn voor anderen. Simson in de kracht van de Geest was machtiger dan een grote legermacht dan de Filistijnen, maar als vluchteling werd er met hem gelachen. Onze kracht ligt in het gegeven hoe dicht wij bij God leven. Hoe kwam het dat het schip dreigde te vergaan, dan door de schuld van Jona! Wat een veel beter voorbeeld vinden wij in Paulus, ook aan boord van een schip, op weg naar Rome (Hand.28).

De schuldige gevonden

Zoals Achan’s zonde een hindernis was voor het hele volk Israël (Joz.7:8-18), zo was Jona de oorzaak voor hetgeen de zeelieden overkwam (1:10). Het gezegde ‘Je zonden zullen je vinden’, is hier wel erg op zijn plaats. De mannen wisten dat Jona op de vlucht was en toen ze ondanks hun eigen inspanningen geen verandering in hun situatie ervoeren, vroegen ze zich wellicht af of Jona daar iets mee te maken had (1:12). Jona meldde zich niet spontaan als de schuldige, maar door het werpen van het lot kwam zijn schuldigheid aan het licht. En nadat ze hem enige pijnlijke vragen hadden gesteld, beleed hij dan ook: ‘want ik weet dat door mijn schuld deze zware storm tegen u is ontstoken.’ Maar ook dan nog probeert de bemanning door eigen inspanningen zich uit de nesten te werken. Dat leert ons dat de mens onverbeterlijk is in zijn pogingen om hun leven zelf zeker te willen stellen, en van nature niets van Gods genade in Christus wil weten.

Jona overboord

Voordat ze Jona overboord willen zetten worden hem eerst een paar pijnlijke vragen gesteld.

1. ‘Wat is je bedrijf of beroep?’ Van Petrus (en ook Johannes) lezen we dat de mensen hen herkenden dat ze met Jezus waren geweest (Joh.18:26; Hand.4:13). En ook van Mozes weten we dat het zichtbaar was als hij een ontmoeting met God had gehad, dan straalde zijn aangezicht (Ex.33:11). Is het van ons bekend wie we zijn als we gedurende twee of drie dagen met ongelovigen omgang hebben? Jona zegt: ‘ik ben een Hebreeër en vrees de Here.’ Maar waarom riep hij die Here dan niet aan als hun goden het lieten afweten? Door zijn zonde was er geen plaats meer voor gebed in het leven van Jona.

2. ‘Wat hebt gij toch gedaan?’, is de volgende vraag die hem gesteld wordt. Jona was sprakeloos en zouden wij dat ook niet zijn in zo’n situatie? We kunnen altijd goede redenen aanhalen waarom we tot God gevlucht zijn, maar wie kan goede redenen vinden om te zeggen dat wij van Hem weggevlucht zijn? Wat zullen we zeggen als de Heer voor ons zou staan en deze vraag zou stellen? Laten we het antwoord zoeken in de geschiedenis van Petrus tijdens zijn ontmoeting met de Heer aan het meer van Galilea, toen hij zei: ‘Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houdt’ (Joh.21:17).

3. ‘Wat zullen wij met u doen?’ Dat is de volgende vraag. Wat wisten deze mannen van de leer der plaatsvervanging? Vanwaar wisten zij van het brengen van een zoenoffer? Juist in onze dagen wil men daarvan in de zgn. christelijke kerk niet meer van weten (2Kor.5:21). Jona’s antwoord is duidelijk: ‘Neemt mij op en werpt mij in de zee, want ik weet dat door mijn schuld deze zware storm tegen u is opgestoken.’ Hoewel Jona in zijn dood en opstanding een type was van de Heer Jezus is hij dat hier duidelijk niet. De Heer Jezus is wel in onze plaats geofferd, maar niet Hij maar wij waren schuldig. Hij de Rechtvaardige voor ons onrechtvaardigen (1Petr.3:18). Toen Jona dan ook in de zee terechtkwam hield de storm onmiddellijk op; een teken dat de zonde verzoend was.

Jona in de vis

Jona daalde nog dieper af. Opstand tegen God vraagt om moeilijkheden. Hij wist ook niet van tevoren wat er ging gebeuren. Hij dacht te verdrinken maar stond op een wonderbare manier weer op! Wij staan achter de feiten en weten hoe het afgelopen is! En in die vis komt hij tot verbrokenheid en tot gebed, wat hij voordien niet kon, leert hij hier in de diepte. In geloof vraagt hij God om vergeving, zijn gebed komt tot in de tempel. Jona dacht hier mogelijk aan 2Kron.6:36-39, wat zegt, dat als iemand ver van zijn land was en gezondigd had, zij zich moesten keren in de richting van het land en de stad. In dit alles is Jona een beeld van Christus die drie dagen en nachten in het hart van de aarde was; Jona was drie dagen in de vis. De Joden begeren een teken (1Kor.1:22), Jezus zei hen dat Jona hun tot een teken zou zijn (Mat.12). Jona maakte vrede door zijn offer, Jezus eveneens. De zonde was in Jona, de zonde was op Jezus. Jona was een beeld van Christus ook in zijn opstanding. Jona moest zijn reis betalen, maar het was een enkele reis, de terugreis was gratis. Het is altijd zo dat als je van God wegvlucht je moet betalen, maar als je tot God je toevlucht neemt, kost je dat niets.

Jona’s opdracht vervult

Jona krijgt een tweede kans en neemt die aan. Hoeveel kansen heeft u gehad? De gehele mensheid heeft een tweede kans. Het woord des Heren kwam ten tweede male. We moeten eerst van God ontvangen voordat we iets kunnen doorgeven (1Kor.11:23). Als er geen visioen of openbaring is geweest is er ook geen boodschap! We moeten dan ook alleen dat spreken wat God ons gebiedt, niet meer maar ook niet minder. Deze lange reis was gemakkelijker dan zijn zeereis. Het is gemakkelijker grote dingen voor God te doen dan kleine dingen voor de duivel. Uiterlijk gezien stelde Jona niet veel voor, maar hij was een door God gezondene met een goddelijke boodschap. Lukas 11 zegt dat Jona een teken voor de Ninevieten was. Waarschijnlijk was het gerucht van Jona’s ervaringen hem vooruit gegaan, doordat het schip was teruggekeerd om nieuwe lading te halen en hebben de zeelieden verteld wat er gebeurd was. Het kan ook zijn dat Jona’s uiterlijk veranderd was door zijn verblijf in de vis. Maar in ieder geval toont het ons wat God kan doen door een zwak mens die in gehoorzaamheid Gods evangelie predikt. De Ninevieten hoorden een boodschap van een door God gezonden prediker, en de boodschap was er een van oordeel, zij geloofden de boodschap, bekeerden zich en ontvingen vergeving. De Joden hoorden de Zoon van God gedurende drie jaar een boodschap van liefde prediken en ze weigerden zich te bekeren. Jaren later zou Paulus zeggen: ‘ik schaam mij het evangelie niet want het is een kracht Gods tot behoud voor eenieder die gelooft! (Rom.1:16)’ Er staat ook niet dat ze Jona geloofden, maar God. In Mattheüs staat dat ze zich bekeerden op de prediking van Jona (Mat.12:41), daar geeft de Here Jezus zijn knecht de eer.

Jona’s ongenoegen

Nu hadden we wellicht gedacht, om na deze opwekking in Nineve, een juichende profeet te vinden die ijverig Bijbelstudie zou gaan geven om hen te helpen in het maken van beslissingen als ‘nieuwe’ mensen, maar we zien Jona na zijn prediking totaal anders dan we hadden mogen verwachten! We zien een gelovige die handelt als een ongelovige, een volwassene die zich gedraagt als een kind. Een reden voor God om hem daarop aan te spreken zoals we dat vinden in hoofdstuk 4, en waaruit we mogen leren dat God liefde is en niet wil dat er iemand verloren gaat. Dit is het hoofdonderwerp van dit boekje: Gods liefde voor het verlorene. Jona had met zichzelf te doen, en met de plant waaronder hij zat, maar hij had geen hart voor de mensen in Nineve. Het is mogelijk God te dienen en toch geen liefde te hebben voor de verlorenen. Jezus was geheel anders, hij weende over de stad. God had controle over de storm en de golven, de vis, de boom en de worm, maar hij had kon geen controle uitoefenen over Jona zonder dat hij zich overgaf. Alles in deze schepping gehoorzaamd de Schepper behalve de mens, terwijl de mens de grootste redenen heeft om dat wel te doen. Het boek eindigt met een vraagteken. De mens is nooit klaar met God!

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op het boek Micha

 

 

 

De profeet

Micha’s naam is afgeleid van ‘Michajahu’ en betekent ‘Wie is als Jehova?’ (7:18). Hij kwam van het dorp Moreset nabij Gath, ongeveer dertig kilometer van Jeruzalem. Hij profeteerde tijdens de laatste helft van de achtste eeuw voor Christus, tijdens de regering van koning Jotam (750-735), Achaz (735-715) en Hizkia (715-686). Hij was een tijdgenoot van Jesaja en Juda en Amos en Hosea in Israël.

De namen van de koningen die vermeld zijn in Micha 1:1 vertellen ons dat de profeet diende in dezelfde tijd als Jesaja (Jes.1:1). Het is niet moeilijk om je voor stellen dat het best mogelijk is geweest dat deze twee profeten elkaar hebben bemoedigd in hun dienst voor God om zijn woord te verspreiden. Van de heersers waren Jotam en Hizkia goede koningen voor het volk, maar Achaz was een slechte koning die het volk in de afgoderij leidde. Dit klein boekje is samengesteld uit drie boodschappen die Micha tot het volk sprak, en elke boodschap begint met het woord ‘Hoor!’. Hij behandelt drie praktische en belangrijke onderwerpen.

Zijn tijd

Tijdens de regering van koning Jotam, namen de Assyriërs toe in macht. Toen Achaz de troon besteeg probeerden Israël en Syrië hem te bewegen tegen Assyrië in opstand te komen (Jes.7). Jeremia 26:18 vertelt ons dat door de steun van de profeet Micha de grote reformatie in Juda, onder leiderschap van koning Hizkia plaatsvond (2Kon.18-20).

De samenleving in Juda veranderde snel van een landelijk naar een stedelijk gebied. Men hield geen rekening met de wet en machtige investeerders kochten kleine boeren op, wat grote problemen voor de armen met zich meebracht. Komende van een boerengemeenschap, verdedigde Micha de onderdrukte armen en wees de ‘rijken’ terecht voor hun egoïstische handelswijze. Amos herhaalde zijn boodschap.

Micha heeft het komend oordeel van Israël door Assyrië (722) meegemaakt en ook de val van Jeruzalem en Juda door de Babyloniërs (606-596). Hij heeft geprobeerd de Joden terug te leiden tot de dienst van God en gehoorzaam te zijn aan zijn geboden, maar ze weigerden te luisteren. Hij pleitte voor sociale gerechtigheid en had zorg voor de behoeftigen, maar het volk wilde zich niet bekeren.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Micha

 

I. Een waarschuwing: Het oordeel komt (1:1-2:13)

1. De rechter verschijnt (1:1-5)

2. De volken worden geoordeeld (1:6-16)

(1) Oordeel over Samaria (1:6-9)

(2) Oordeel over Juda (1:10-16)

3. Waarom het oordeel komt (2:1-11)

(1) Vanwege hebzucht (2:1-5)

(2) Vanwege de valse profeten (2:6-11)

4. Hoop voor het overblijfsel (2:12-13)

II. Een belofte: De Verlosser komt (3:1-5:15)

1. De zonden van de leiders (3:1-12)

2. De toekomst van het volk (4:1-13)

3. De komst van de Messias (5:1-5)

4. De nederlaag van de vijand (5:6-15)

III. Een uitdaging: Vertrouw op God (6:1-7:20)

1. Ondanks de aanklacht (6:1-8)

2. Ondanks de mening (6:9-7:6)

3. Ondanks Gods genade (7:7-20)

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Gods beloften’

Micha 4-5

 

 

 

 

‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (1Kor. 1:20). 

Inleiding

De profetie van Micha beperkt zich niet tot zijn eigen tijd, maar strekt zich uit tot ‘in het laatste der dagen’ (Mi.4:1). Het ‘laatst der dagen’ begint toen de Heer Jezus op aarde kwam en duurt voort tot aan Zijn komst in heerlijkheid. ‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatste van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon’, aldus Hebreeën 1:1.

Het boek Micha kun je vrij gemakkelijk indelen. Het begint met hoofdstuk 1 tot 2:13 met de aankondiging van het komende oordeel vanwege ‘Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls’ (Mi.1:5). Daarmee is het niet gedaan, want vanaf hoofdstuk 3:1 tot 5:15 wordt een Verlosser aangekondigd ‘wiens oorsprong is vanouds’ (Mi.5:1). Ten slotte doet Micha, vanaf hoofdstuk 6, een beroep op het volk om op God te vertrouwen.

De profeet Micha

Micha zelf helpt ons een eind op weg om te weten wie hij was, in welke tijd hij leefde en wat zijn boodschap was. ‘Het woord des HEREN, dat tot Micha, de Morastiet, kwam in de dagen van Jotam, Achaz, Jechizkia, koningen van Juda, hetwelk hij geschouwd heeft over Samaria en Jeruzalem’ (Mi.1:1). Zijn naam betekent ‘Wie is als de Here’. Hij profeteerde in de laatste helft van de achtste eeuw voor Christus. Micha voorzag de val van Israël door de Assyriërs in 722 en van Jeruzalem en Juda door de Babyloniërs van 606-596. Hij probeerde het volk terug te brengen tot de Here, maar helaas weigerden ze te gehoorzamen.

Bekend is het boek Micha vanwege zijn profetie over de komende Verlosser: ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:1-4).

De vervulling van deze profetie van een toekomstige Messias ligt nog in de toekomst, want  bij zijn eerste komst hebben ze Hem verworpen maar bij zijn tweede komst zullen ze hem aanvaarden (Mat.17:12; Hand.13:27). Dit patroon van verwerping en daarna  de aanvaarding vinden we typologisch terug bij Jozef en Mozes. Micha spreekt in hoofdstuk 4 en 5 van meerdere beloften:

1. Een beloofd Koninkrijk (4:1-8)

Het boek Micha begint met de aankondiging van Gods oordeel over Samaria en Juda (Mi.1:1-16) en in het daaropvolgende hoofdstuk 2 worden we ingelicht wat de reden van dit oordeel is, namelijk de hebzucht, de valse profeten en de zonden van de leiders van het volk.

Vanaf hoofdstuk 4 worden we ingelicht over de toekomst van het volk, een voortzetting en uitweiding van de ‘heilsverkondiging’ in hoofdstuk 2:12-13. Nee, God heeft zijn volk niet verstoten (Rom.11:1), er wacht hen nog een geweldige toekomst ‘in het laatst der dagen’, en hoofdstuk 4 begint met een beschrijving van die tijd. Deze profetie moet een geweldige bemoediging zijn geweest voor de profeet op het moment dat de vijand voor de deur stond en het volk in ballingschap zou sturen. Het tegenovergestelde zal in de toekomst gebeuren, namelijk niet dat de volken als vijanden tegen Jeruzalem ten strijde zullen trekken, maar ‘in die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23). Nu wij de vijgenboom en al de bomen zien uitlopen, weten wij dat de zomer reeds nabij is. Het Koninkrijk Gods is op komst en Gods beloften met betrekking tot Israël staan op het punt in vervulling te gaan (Luk.21:29-33).

2. Een beloofde verlossing (4:9-10)

Maar voordat het overblijfsel zal kunnen genieten van het zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom (4:4), zullen ze moeten verlost en teruggekeerd zijn in het land. Na tweeduizend jaar is er in 1948 weer een staat Israël uitgeroepen en wat wij vandaag zien is een voorbode van de heerlijkheid die nog moet komen. Ze zullen bevrijd worden en terugkeren naar het land, niet alleen uit de macht van de koning van Babel maar uit alle volken waarheen ze verstrooid zijn. ‘Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren’ (Jer.29:11-14). Dit was de verlossing die Anna en alle anderen, o.a. Jozef van Arimathéa, verwachtten (Luk.1:68; Mark.15:43), en waarover de profetie van Zacharia sprak (Luk.2:38).

3. Een beloofde overwinning (4:11-18)

We mogen nog eens een kijkje nemen in ‘het laatste der dagen’ en zien dat de rollen zijn omgekeerd ten gunste van het volk Israël. De volkeren ‘kennen de gedachten des HEREN niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Mi.4:12). De wereldleiders van vandaag weten niets van de plannen van God met betrekking tot het volk Israël. De profeet Zacharia spreekt over de positie van Israël en de volkeren in de eindtijd duidelijke taal: ‘Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond; ja ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem. Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen’ (Zach.12:1, 9). ‘Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. Dan zal de HERE uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de HERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem. En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving; ja, het zal één dag zijn – die is bij de HERE bekend – geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen. Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige. Het gehele land zal worden als de Vlakte van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem; maar dit zal verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan, van de Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen; men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn’ (Zach.14:1-11).

4. Een beloofde Koning (5:1-5)

Voordat de hierboven vermelde beloften hun volle vervulling kunnen krijgen, zal eerst de Messias moeten komen en daarvan spreken de eerste verzen van hoofdstuk 5. In hoofdstuk 4 wordt de vraag gesteld: ‘Is er geen koning bij u?’ (4:9), in de eerste verzen van hoofdstuk 5 vinden we het antwoord. We vinden hier de aankondiging van de plaats van herkomst van de Messias, wat bevestigd wordt in het Nieuwe Testament door de aanhaling van deze passage  door de overpriesters en de schriftgeleerden in antwoord op de vraag van Herodes waar de Christus geboren zou worden (Mat.2:6). De joden wisten waar de Christus vandaan zou moeten komen: ‘Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was?’(Joh.7:42). Wij zouden hebben verwacht dat de koning van de joden in de stad Jeruzalem geboren zou worden maar hij kwam ter wereld in alle nederigheid, geboren in een stal en in het dorpje Bethlehem. De kerkvader Tertullianus (ca. 160 - ca. 230) argumenteerde in zijn gesprekken met de joden, dat als Jezus niet de beloofde Messias was, deze profetie nooit meer vervuld kon worden omdat er geen nakomelingen van David meer in Bethlehem waren en de afstamming niet meer achterhaald kon worden.

‘Wie is toch deze, dat Hij ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?’ (Luk.8:25).  Het antwoord op deze vraag vinden we hier al voor een stuk geopenbaard want: ‘uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’. Hier wordt duidelijk gesproken over Hem die kon zeggen: ‘vóór Abraham werd ben Ik’ (Joh.8:58). Hier wordt Christus’ mensheid en Godheid geopenbaard, Hij is God en Mens in één Persoon. ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen’ (Jes.6:5-6).

De verzen 2 en 3 wachten nog op hun vervulling. Eerst zal hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft, hetgeen duidt op Christus’ eerste maar ook op zijn tweede komst. Het volk zal terugkeren, waarvan we al een begin zien toen in 1948 Israël weer een staat werd. ‘Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:3). ‘Zo zegt de Here HERE: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat’ (Ez.37:21-28).

Besluit

Wat zou Micha van zijn ‘eigen’ profetie begrepen hebben? Ook wij verkeren in een situatie dat alles nog niet ten volle geopenbaard is van de dingen die gebeuren moeten, sommige zaken zullen pas ten volle duidelijk worden bij hun vervulling. Ik zou daarom dit artikel willen besluiten met een gedeelte uit de eerste brief van Petrus: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan’ (1Petr.1:10-12).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op het boek Nahum

 

 

 

De profeet

Er is weinig of niets bekend van de profeet Nahum, behalve dan dat hij afkomstig was van de stad Elkos, en daarvan is de ligging niet zeker. Hij vermeld de inname van de Egyptische stad Thebe (3:8), wat in 663 v.Chr. plaatsvond, en hij voorzegde de val van Nineve dat in 612 v.Chr. plaatsvond. Deze jaartallen plaatsen hem in de tijd van koning Manasse (695-642) en Josia (640-609). Zijn tijdgenoten zouden dan Jeremia, Sefanja en Habakkuk geweest kunnen zijn.

Zijn tijd

Stel je eens voor hoe blij het volk van Juda geweest moet zijn toen ze hoorden: ‘Nineve is gevallen! De macht van Assyrië is verdwenen!’ (1:15). Assyrië was een meedogenloze vijand, dat op een brute wijze mannen, vrouwen en kinderen mishandelde. Hun legers vernietigden en plunderden: ze begroeven hun vijanden levend en vilde hen levend; ze spietsten mensen op palen en plaatste ze in de brandende zon. Assyrië werd door God gebruikt om het noordelijk rijk van Israël te tuchtigen; dat gebeurde in 721 v.Chr. In 701 v.Chr. probeerden de Assyriërs Juda te verslaan, maar God kwam tussenbeide en vernietigde hun leger (Jes.36-37). Toch bleef Assyrië altijd nog de gesel van de volken; elk volk probeerde bij haar in de gunst te komen om haar voordeel ermee te doen. Uiteindelijk werd in 612 v.Chr. Nineve vernietigd door de Meden en de Babyloniërs; en haar verwoesting was zo grondig dat het duurde tot 1842 n.Chr. (!) voordat de ruïnes van de stad weer ontdekt werden.

Zijn boodschap

Vanwege die toekomstige verwoesting was het dat Nahum schreef. Hij schreef dit boekje op het moment dat Assyrië op het hoogtepunt van haar macht was. Niemand zou ervan gedroomd hebben dat Nineve zou vallen, maar God kent de toekomst en gaf Nahum de opdracht deze boodschap te schrijven voor de angstige mensen in Juda. Het was geen waarschuwing voor de stad Nineve; die waren ongeveer honderdvijftig jaar eerder al gewaarschuwd door de profeet Jona. Nee, er was geen hoop voor Nineve; Gods geduld met haar was over en het oordeel stond vast. Anders gezegd, het was een boodschap van hoop voor Juda, om op God te vertrouwen in een tijd van groot gevaar. Alle drie hoofdstukken vertellen iets over God en ook over de stad Nineve.

--------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Nahum

I. God is jaloers – Nineve zal vallen (1:1-15)

1. God verklaart zijn woede (1:1-8)

2. God spreekt tot Nineve (1:9-11, 14)

3. God bemoedigd Juda (1:12-13, 15) 

II. God is rechter – Hoe Nineve zal vallen (2:1-13)

1. De aanvallers verschijnen en beginnen (2:1-4)

2. De stad is ingenomen (2:5-10)

3. De overwinnaars beschimpen hun gevangenen (2:11-13) 

III. God is rechtvaardig – Waarom Nineve zal vallen (3:1-19)

1. Haar meedogenloos bloedvergieten (3:1-3)

2. Haar afgoderij (3:4-7)

3. Haar trots en zelfvertrouwen (3:8-19)

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op het boek Habakuk

 

 

 

De profeet

Habakuk, was een tijdgenoot van de profeet Nahum, Sefanja en Jeremia, tijdens de regeerperiode van koning Josia (640-609 v.Chr.). Zijn naam betekent ‘omhelzen’ of ‘worstelaar’, en in zijn boek doet hij beide. Hij worstelt met God omdat hij niet kan begrijpen hoe een heilig God een goddeloos volk zoals Babel, gebruikt om het volk van Juda te tuchtigen, en dan door geloof, omarmt hij God en houdt zich vast aan diens beloften.

Habakuks klein boekje geeft aan dat hij goed op de hoogte van de Schrift was, hij was een begaafd theoloog, en had een groot geloof in God. Gelet op het lied in hoofdstuk 3 denken sommigen dat hij een priester was die de zang leidde in de tempel. Als dat juist is, was hij net zoals Jeremia en Ezechiël, een priester die tot profeet werd geroepen. 

Zijn tijd

Assyrië was verdwenen, Babel (de Chaldeeën) waren aan de macht. Nebukadnezar had Egypte verslagen in 605 v.Chr. en stond op het punt om Juda aan te vallen, Jeruzalem en de tempel te verwoesten en om het volk dan in ballingschap te voeren. Dit gebeurde in 606-586.

Zijn boodschap

Habakuk worstelde met het geestelijk verval van het land en volk en waarom God daar niets aan deed. Habakuk wilde dat zijn volk zou herleven (3:2), maar beantwoordde zijn gebeden niet. De uitspraak van de profeet: ‘De rechtvaardige zal door geloof leven’ (2:4) wordt drie keer vermeld in het Nieuwe Testament (Rom.1:17; Gal.3:11; Heb.10:38). De nadruk in de brief aan de Romeinen ligt op gerechtigheid, in de brief aan de Galaten op hoe men dient te leven, en in de brief aan de Hebreeën op geloof. Er zijn drie boeken voor nodig om dit vers te verklaren!

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Habakuk

I. De profeet is verwonderd en bezorgd (1)

1. God is onverschillig (1:2-4)

Gods antwoord: Ik ben aan het werk!

2. God is tegenstrijdig (1:12-17)

II. De profeet kijkt uit en wacht (2)

1. Beschrijft Gods visie (2:1-3)

2. Vertrouw Gods wereld (2:4-5)

‘De rechtvaardige zal door geloof leven’ (2:41)

3. Gods oordeel aankondigen (2:6-20)

(1) Wee, voor de zelfzuchtigen (2:6-8)

(2) Wee, voor de hebzuchtigen (2:9-11)

(3) Wee, voor de uitbuiters (2:12-14)

‘Gods heerlijkheid zal de aarde vervullen’ (2:14)

4. Wee, voor de beschonkenen (2:15-17)

5. Wee, voor de afgodendienaars (2:18-20)

‘God zit op zijn troon’ (2:20)

III. De profeet aanbidt en getuigd (3)

1. Hij bidt tot God (3:1-2)

2. Hij overdenkt Gods handelen (3:3-15)

3. Hij prijst God (3:16-19)

______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Al zou de vijgenboom niet bloeien…

Lessen uit het boek Habakuk

 

 

Inleiding

De tekst uit Habakuk 3:17-19 is een veel geciteerd gedeelte en is voor veel gelovigen, in alle tijden, een bron van troost en bemoediging geweest. Maar theorie en praktijk kunnen vaak ver uit elkaar liggen, toch? Het is ook niet zo dat Habakuk, als hij om zich heen keek, onmiddellijk stond te juichen. Neen, hij had vragen, veel vragen en zocht naar antwoorden. De betekenis van Habakuk’s naam kan ‘omarming’ betekenen, anderen denken dat het meer aan ‘worsteling’. Habakuk ’worstelde’ met levensvragen waarmee ook wij kunnen worstelen! Hij worstelde zoals Jakob ‘worstelde’ en ‘omarmde’ een man om een zegen (Gen.32:22-32). Pas toen Habakuk de antwoorden op zijn vragen kreeg was hij in staat om te zeggen ‘nochtans zal ik juichen in de Heer!’ Ik denk dat iedereen zich wel met Habakuk kan identificeren; hebben we niet allemaal die gevoelens van onbegrip en vragen die om antwoorden roepen, ook in ons leven en tijd? Dus laten we maar eens nagaan wie Habakuk was en in welk tijd we hem moeten plaatsen.

Wie was Habakuk en wanneer leefde hij?

Habakuk was een tijdgenoot van Nahum, Sefanja en Jeremia en leefde rond 640-609 tijdens  de regering van koning Josia en Jojakim. Dat was in de tijd toen Nebukadnezar (Babel) aan de macht was, die in 605 Egypte had verslagen. Jeremiah had voorzegd dat Babel, Juda zou binnen vallen, wat plaatsvond van 606-586. Jeruzalem en de tempel werden vernietigd worden en het volk werd in ballingschap gevoerd. Aan de hand van deze gegevens kunnen we de beter begrijpen waarom Habakuk zijn vragen stelde, en de antwoorden die hij kreeg en wat dat met hem deed.

Vragen

Habakuk begint zijn boek met het stellen van twee eeuwenoude vragen: ‘hoelang en waarom’ (Hab.1:2,3)? Waarom overkomen ons bepaalde zaken en waarom duurt het zolang voordat er een eind aan komt? Stormen komen vaak plotseling, duren een tijd en verdwijnen net zoals ze gekomen zijn. In de Bijbel is er sprake van twee soorten stormen, ik bedoel dan ‘stormen’ in overdrachtelijke zin, die we ‘levensstormen’ noemen. Dat soort stormen dienen ervoor om ons te corrigeren, of om ons geloof te versterken en te groeien in onze relatie met God en de Heer Jezus. In zo’n situatie bij ons die vragen naar boven zoals dat ook bij Habakuk het geval was. Waarom en hoelang? Vragen die wij stellen als we God niet meer kunnen volgen in zijn handelen in ons leven, of onze wereld. De situatie waarin Habakuk en het volk Israël zich bevonden, gaven zeker aanleiding tot deze vragen, want ze bevonden zich in een moeilijk situatie, zoals ook wij in deze tijden van de corona pandemie.

Hoelang? (1:2)

De andere vraag de Habakuk stelde is ‘hoelang’? Stormen komen vaak en onverwacht en kunnen heftig zijn, ook stormen in ons leven zijn vaak onvoorspelbaar, onverklaarbaar en duren soms lang. ‘Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heer-ser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen?’ was de vraag van de zielen van hen die geslacht waren om het Woord van God en om het getuigenis dat zij hadden (Op.6:10). Het woordje hoelang verwijst naar een tijdsduur of periode. In Psalm 13 stelde David die vraag zelfs vier keer. Aan David was de troon beloofd van Israël beloofd, maar de dag van zijn kroning leek nog ver af. Saul wandelde niet naar Gods gedachten, maar God greep niet in, waardoor David zich afvroeg hoelang het nog duurde voordat Saul afgezet werd en hij zijn plaats kon innemen? Dat bracht hem tot de volgende vragen: ‘Hoelang, Here? Zult Gij mij voordurend vergeten? Hoelang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen? Hoelang zal ik plannen koesteren in mijn ziel, kommer hebben in mijn hart, dag aan dag? Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verheffen’ (Ps.13:1-3). David’s geduld werd op de proef gesteld; hij moest wachten op Gods tijd. ‘Mijn broeders, neem tot een voorbeeld van het lijden en van het geduld de profeten, die in de naam van de Heere gesproken hebben. Zie, wij prijzen hen gelukzalig die volharden. U hebt gehoord van de volharding van Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en barmhartig’ (Jak.5:10-11 HSV).

Het eerste waarom? (1:3)

Het antwoord op het eerste ‘waarom’ – ‘Waarom doet Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt Gij ellende?’ - is tamelijk gemakkelijk te beantwoorden en het mag ons misschien verbazen dat Habakuk dat niet begreep. In Deuteronomium 28 lezen we dat Gods zegen voorwaardelijk en afhankelijk was van het al dan niet onderhouden van zijn geboden. Als we Habakuk mogen plaatsen in de tijd van de opkomst van de Chaldeeën - ook wel Babyloniërs genoemd - dan weten we dat er voor het volk geen herstel meer mogelijk was vanwege hun houding ten opzichte van Gods profeten (2Kon.36:15-17). Ze zouden oogsten wat ze hadden gezaaid en vielen nu onder Gods tuchtigende hand, want ze hadden te maken met een heilige God ‘die te rein van ogen is om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab.1:12,13). Dat was de reden dat God door de Chaldeeën het volk Israël tuchtigde. ’Want tot een oordeel hebt Gij hem (Babel) gesteld, en, o Rots! om te tuchtigen hebt Gij hem (Babel) bestemd’ (Hab.1:12; vgl. Jes.44:28, 45:1). Vandaar de tekst: ‘Ziet onder de heidenen en let op, en verbaast u, ontzet u, want Ik doe een werk in uw dagen, dat gij niet zoudt geloven, wanneer het verteld wordt’ (Hab.1:5). God was wel degelijk aan het werk, een werk dat gericht was om het het volk Israël te tuchtiginen. Want ‘wie de Heer liefheeft, tuchtigt Hij’ (Hab.3:13, Hebr.12:6). Ja, ‘Gods oordelen zijn ondoorgrondelijk en onnaspeurlijk zijn wegen!’ (Rom.11:33) en dat moest Habakuk leren, en wellicht wij ook!

Het tweede ‘waarom’ (1:13)

Het tweede ‘waarom’ in het eerste hoofdstuk, ligt in het verlengde van het eerste. We worden geconfronteerd met de vraag ‘waarom God de trouwelozen aanschouwt en zwijgt, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij’ (Hab.1:13). God, u die te rein van ogen zijt om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kunt aanschouwen, waarom doet u niets? Naar onze tijd overgebracht vragen we ons misschien ook wel eens af: Waarom doet God niets aan al het kwaad dat in deze wereld gebeurt, waarom grijpt God niet in? Dan mogen we denken aan de woorden in de tweede brief van de apostel Petrus, waar staat: ‘En houdt de lankmoedigheid (geduld) van onze Heer voor behoudenis’ (3:15). En in 2Petrus 3:9

We: ‘De Heer vertraagd de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat’. De Heer Jezus zegt tot de Joden: ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’ (Joh.5:17) en toch heeft de komst van de Verlosser geduurd ‘totdat de volheid van de tijd gekomen was’ (Gal.4:4).

Uitzien (2:1)

In het tweede hoofdstuk zien we Habakuk op zijn wachttoren staan en uitkijken naar wat de Heer tot hem spreken zal: ‘Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht. Toen antwoordde de HERE mij: Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen. Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet’ (Hab.2:1-3). In het vervolg van dit hoofdstuk krijgt Habakuk de voor hem zo belangrijke antwoorden op zijn vragen, het zijn er maar liefst drie.

Antwoorden (2:4-20)

Gods eerste antwoord (2:4)

‘De rechtvaardige door geloof zal leven’ (Hab.2:4), was het eerste antwoord dat Habakuk te horen kreeg. Drie keer komen we deze belangrijke tekst in het Nieuwe Testament in een verschillende context. Twee keer ligt de nadruk op de rechtvaardiging van de zondaar (Rom.1:17; Gal.3:11). De mens kan door een persoonlijk geloof in het volbrachte werk van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha rechtvaardig verklaard worden. In de brief aan de Hebreeën 10:38 ligt de nadruk meer op het volharden in het geloof in tijden van vervolging. Hier, in Habakuk 2:4, gaat het erom dat Habakuk moet leren te vertrouwen op God ook al begrijpt hij Hem niet en kan hij Hem niet kan volgen in zijn handelen. ‘Vragend moet ik hier vaak gaan, boven zal ik het eens verstaan’! Echt geloof betekent op God te vertrouwen ongeacht onze gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!

Gods tweede antwoord (2:14)

Uit het tweede antwoord moest Habakuk leren dat er hoop is voor de toekomst: ‘want de aarde zal vol worden van de kennis des Heren heerlijkheid’ (Hab.2:14). Uiteindelijk is er hoop voor Israël, ook al heeft het alle schijn tegen. ‘Uw koninkrijk kome’, zal eenmaal in vervulling gaan. ‘De volkeren vermoeien zich, en de natiën matten zich af voor niets, want zij kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzameld als schoven op de dorsvloer’ (Hab.2:13; Mi.4:12). Maar eenmaal zal die tijd aanbreken waaraan de profeten van het Oude testament zo vaak herinnerd hebben. Maar dat is nog een lange weg, Israël is op weg naar zijn rust (Jer.31:2). ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Daarop is het wachten en wij – en Israël – zien er naar uit!

Gods derde antwoord (2:20)

Ten derde moest hij leren dat God alles onder controle heeft want ‘de Here is in zijn heilige tempel’ (Hab.2:20, vgl. Ps.2:4). Dit doet ons herinneren aan Jesaja 6:1-4 waar we de profeet Jesaja in een soortgelijke situatie vinden als Habakuk. ‘In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook’. Als Jesaja om zich heen keek was de situatie volkomen onhoudbaar en stevende het volk af op een catastrofe, maar hij moest leren naar boven te kijken waar de Heer was, de Schepper van hemel en aarde, die alles in de hand heeft. Dat gold ook voor Habakuk. ‘De HERE verbreekt de raad der volken, Hij verijdelt de gedachten der natiën; de raad des HEREN houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht’ (Ps.33:10-11). ‘God regeert over de volken, God is gezeten op zijn heilige troon’ (Ps.47:9; Spr.8:15), en éénmaal zal dat zichtbaar worden (Op.19:6).

Het gebed van Habakuk (3:1-19)

Nu Habakuk antwoord heeft gekregen op zijn vragen (Hab.3:2), kan hij de toekomst in rust en met vertrouwen tegemoet zien (Hab.3:16). Hij is veranderd in zijn denken en gedenkt Gods majesteit en grootheid en ziet uit naar de vervulling van Gods plannen in het oordeel over de volkeren, maar ook in het herstel van het volk Israël (Hab.3:16, 13). Hij gedenkt Gods verschijning op de Sinaï (Hab.3:3-7) en Gods machtige daden voor zijn volk (Hab.3:8-15). God was niet veranderd, Gods was is zijn handelen niet veranderd, maar Habakuk was veranderd! Habakuk’s visie op God was veranderd en dat bracht een omkeer teweeg in zijn leven. Nu kon hij juichen: ‘Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil. De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten’ (3:17-19).

_____________________________________________________________