Historische Boeken 3

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Inleiding en Indelingen Ezra en Nehemia

Ezra 7-8 - De hand van God

Ezra, de priester-schriftgeleerde

Nehemia - Lessen voor leiders

Inleiding en Indeling van het boek Ester

Ester - Hoofdpersonen in het boek Ester

______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding en Indelingen van de boeken Ezra en Nehemia

 

I. Achtergrond

Ezra en Nehemia vormen één boek in de Hebreeuwse Bijbel omdat ze ook één verhaal vertellen, de terugkeer van het overblijfsel naar Jeruzalem en de herbouw van de stad en tempel. De Babylonische ballingschap begon in 606 v.Chr.; Jeruzalem viel in handen van de vijand in 587 v.Chr. De Babyloniërs deporteerden velen van het volk tussen 606 en 586, inclusief Daniël en Ezechiël. Jeremia had een 70-jarige ballingschap voorspelt (Jer.25:12-14; 29:10-14). Het zou zich uitstrekken van het begin van de invasie in 606 tot de terugkeer van het overblijfsel in 536, de tijd waarin het altaar werd opgericht en de dierenoffers op nieuw werden gebracht.

Dus, Ezra en Nehemia vertellen het verhaal van de terugkeer naar het land en de stad, de herbouw van de tempel, en de herstelling van de muren van de stad. Het boek Esther speelt zich ook af in die tijd, en ook de profeten Haggaï en Zacharia (zie: Ezra 5:1vv.).

II. Chronologie

Hieronder een overzicht van die periode:

600-605 – Babylon valt het land binnen en begint met de deportatie

587 Jeruzalem ingenomen

539 Babylon door Kores onderworpen en het Medisch-Perzisch rijk begint

538 Kores staat de Joden toe terug te keren; ongeveer 50.000 keren terug

535 De Joden beginnen de tempel te herbouwen, maar het werk stopt

520 Na vijftien jaar beginnen de werkzaamheden weer

515 De tempel is voltooid en ingewijd

476 Esther wordt koningin van Perzië

458 Ezra reist naar Jeruzalem (zie Ezra 7-10)

445 Nehemia landvoogd

III. De leiders

Ezra wordt ons voorgesteld als een geestelijke en vaderlandslievende Jood; hij was een priester en Schriftgeleerde (Ezra 7:1-6). Hij was een toegewijde onderzoeker van de Schrift en hielp om het volk terug tot de Wet te brengen.

Hij was ook een man van gebed (8:21-23) en een man die erop gebrand was om het geestelijk welzijn voor zijn volk (9:3-4). Zijn naam betekent ‘hulp’. Ezra’s geloof in God wordt gezien in zijn bereidheid om de gevaarlijke reis van Babylon naar Jeruzalem te ondernemen zonder de hulp van een militaire escorte. Ezra leidde niet de eerste groep terug naar Jeruzalem, dat werd gedaan door Zerubbabel en Jozua. Ezra komt niet eerder in beeld dat in hoofdstuk 7 van zijn boek, wanneer hij de tweede groep (een kleinere) naar het beloofde land leidt. Ezra blijft daar om te werken, samen met Nehemia (Neh.8:9; 12:26). Nehemia was een ambtenaar aan het hof van de koning toen God hem riep om terig te keren naar Jeruzalem en de muren van de stad te herbouwen. Hij is, wat wij zouden noemen een leek, omdat hij geen officieel niet van een priesterlijk geslacht afstamde. Hij was opgeklommen van schenker tot gouverneur. Zerubbabel was een van de leiders onder Ezra (2:2; 3:8); hij werd ook Sesbassar genoemd (Ezra 1:8, 11; 5:16). 1 Kronieken 3:17-19 geeft aan dat Zerubbabel in de geslachtslijn van David opgenomen was. Hij diende als een politieke leider van het herstelde volk en land. Jozua was de hogepriester in die tijd (Ezra 3:2; Hag.1:1,12,14; Zach.3:1-10). Zoals we hebben vermeld de twee profeten waren Hagaï en Zacharia.

IV. Lessen

God had voor ballingschap gewaarschuwd als het volk tegen Hem zou zondigen, en Hij hield zich aan zijn belofte. Hij beloofde ook dat een overblijfsel zou terugkeren (Zie Jer.25:12-14; 29:10-14). Het was de profetie van Jeremia dat Daniël las in Babylon en dat voor hem een aanleiding was om te bidden voor de terugkeer van het volk (Dan.9-1vv.). God liet een ‘lamp branden’ in Jeruzalem opdat zijn Zoon uit het Joodse volk geboren zou kunnen worden om te sterven voor de zonden van de wereld. De ballingschap genas de Joden van hun afgoderij en er ontstond bij hen een verlangen om het Woord te horen en te gehoorzamen. Helaas vergaten ze hun voornemen vrij snel!

---------------------------------------------------------------------------------------

Het boek Ezra

I. Nationaal herstel onder Ezra (1-6)

A. Terugkeer naar het land (1-2)

1. De oproep van koning Kores (1)

2. De telling van het volk (2)

B. Herbouw van de tempel (3)

1. Het oprichten van het altaar (3:1-6)

2. Het leggen van de fundamenten (3:7-13)

C. Tegenstand tegen de vijand (4-6)

1. De bouw stagneert (4)

2. De profeten begin met hun dienst (5)

3. De bouw is voltooid (6)

II. Geestelijk herstel tijdens Ezra (7-10) 

A. Ezra komt naar Jeruzalem (7-10) 

B. Ezra belijdt de zonden van het volk (9) 

C. Ezra reinigt het volk (10)

---------------------------------------------------------------------------------------

 Indeling van het boek Nehemia

I. Herstel van de muren (1-6)

A. Voorbereidingen (1-2)

1. Een betrokken leider (1)

2. Een samenwerkende koning (2:1-8)

3. Een betrokken volk (2:9-20)

B. Samenwerking – het volk aan het werk (3)

C. De tegenstand (4:1-6:19)

1. Bespotting (4:1-6)

2. Geweld ((4:7-9)

3. Ontmoediging (4:10)

4. Angst (4:11-23)

5. Zelfzucht (5)

6. List (6:1-4)

7. Laster (6:5-9)

8. Bedreigingen (6:10-19)

II. Het volk herleeft (7-13)

A. De inwoners geregistreerd (7)

B. Het Woord van God verkondigd (8)

C. De zonden van het volk beleden (9)

D. Het heilig verbond ondertekend (10-12

E. Het volk gereinigd van zonden (13) 

___________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘De hand van God’

 

Ezra 7 – 8

 

 

Inleiding

Waarom kon Ezra er herhaaldelijk van getuigen dat ‘de goede hand van God over hem was’ terwijl Naomi uit - het boek Ruth - moest zeggen: ‘de hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’ (Ruth 1:13,20,21)? Is het niet dat Ezra een weg van gehoorzaamheid ging en Noômi niet? We zien in het boek Ruth dat Elkana en zijn vrouw Noömi een weg gingen die niet naar de gedachten van God was. Ze voelden zich genoodzaakt vanwege een hongersnood in Bethlehem om naar Moab te gaan, een volk waarvan God had gezegd dat ze niet in de gemeente des Heren mochten komen (Deut.23:3; Ezra 9:1-3). Was het niet beter geweest om in deze nood God om raad te hebben gevraagd dan een eigen weg te gaan? De vraag is niet of God ons wil zegenen, maar of Hij ons kan zegenen! Ezra ging op goddelijk bevel naar Jeruzalem. Misschien ligt de sleutel van het verstaan van de zegen die Ezra mocht ervaren in zijn leven in wat hij later zegt: ‘De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten’ (8:22). Een man Gods die in opdracht van de Here tot Eli kwam zei: ‘Want wie Mij eren, zal Ik eren’ (1 Sam.2:30). En in het boek Kronieken lezen we dat ene profeet Azaria, de zoon van Oded, in een ontmoeting met koning Asa tegen hem zei: ‘Luister naar mij, Asa, heel Juda en Benjamin! De HEERE is met u, zolang u met Hem bent. Als u Hem zoekt, zal Hij door u gevonden worden, maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten’ (2 Kron.15:1-2). Het is niet voldoende om een goede reis af te smeken van God, op die reis moest God ook mee kunnen gaan! Ezra had zich volkomen toegewijd aan de Here (Ezra 7:10). Wanneer u die gezindheid hebt zoals Ezra dan mag u ook rekenen op ‘de goede hand van God’ over uw leven.

Wat er aan voorafging

In 606-605 v.Chr. begonnen de Babyloniërs aan hun verovering van Jeruzalem; ze voerden velen van het volk weg en verwoestten uiteindelijk de stad en de tempel in 587-586 v.Chr. In 538 vervaardigde Kores een proclamatie uit die de Joden toestemming gaf om naar hun land terug te keren en hun tempel te herbouwen, en bijna vijftigduizend man keerden terug onder leiding van Zerubbabel (Ezra 1-6). De zeventig jaren van ballingschap waren ten einde.  Ondanks moeilijkheden en oponthoud werd de tempel voltooid in 515.

De tweede terugkeer gebeurde onder leiding van de priester-schriftgeleerde Ezra. Hij richtte het altaar op en ging in 458 naar Jeruzalem met ongeveer tweeduizend Joden onder wie enkele Levieten om te helpen bij de tempeldienst (Ezra 7-10).

De derde terugkeer, in 444, gebeurde onder leiding van Nehemia. Hij kwam naar Jeruzalem om de muren weer op te bouwen (Neh.1-6) en het volk opnieuw te wijden (Neh.7-10).

Nadat het land hersteld was, ondervond het Joodse volk tijden van beproeving en schande, maar de Here bracht hen er doorheen. Ezra en Nehemia benadrukten het vertrouwen op God als er een nieuw begin moet worden gemaakt en zijn werk moet worden gedaan – welke obstakels en tegenstand er ook worden ontmoet. Al zijn de dagen donker, God is er voor om voor ons te zorgen, te leiden, te bemoedigen en te beschermen.

Zoals gezegd ging Ezra op goddelijk bevel naar Jeruzalem. Hij was een man ‘die zijn hart erop gezet had om de wet des Heren te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzing en hij was geleerd was in de woorden van de geboden en voorschriften des Heren voor Israël’ (Ezr7:10-11). Maar die goede kwaliteiten en voornemens waren geen garantie dat alles goed zou gaan, ook hij moest de zegen van God afsmeken. Laten we daarom de plaatsen waar over ‘de goede hand van God’ word gesproken eens onder de loep nemen:

Een hand die voorziet (7:6)

‘Deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem was’ Ezra 7:6)

Door Gods hand, kreeg Ezra van de koning alles wat hij had verlangd waaruit we mogen concluderen dat hij zijn verlangens bekend gemaakt had! Ook wij hebben onze verlangens en mogen ze bekend maken. ‘Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God’ (Fil.4:6). We moeten oppassen dat we niet de fout maken en denken dat we alles wat we verlangen ook daadwerkelijk zullen ontvangen. De brief van Jakobus en Johannes maken dat wel duidelijk. De eerste maakt ons duidelijk dat we moeten uitkijken dat we niet moeten bidden om het ontvangene in onze hartstochten door te brengen. Dat is verkeerd bidden! (Jak.4:2). De tweede zegt dat bidden ook te maken heeft met Gods wil. ‘En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil. En als wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij het gevraagde, dat wij van Hem hebben gebeden, ontvangen.’ (1 Joh.5:14-15). Soms verkeren we in situaties dat we gewoon niet weten wat we zullen bidden. ‘En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit’ (Rom.8:26-27). Ondanks de complexiteit van gebed en verhoring leert de Heer Jezus ons ‘dat men altijd moet bidden en niet de moed verliezen’. Want zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij hen soms lang laat wachten? (Luk.18:1,7).                                           

Een hand die leidt (7:9) 

‘Op de eerste van de eerste maand was namelijk het begin van zijn tocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, omdat de goede hand van zijn God over hem was’ (Ezra 7:9)

Het was geen gemakkelijke reis die Ezra voor zich had! Een reis van ongeveer 1900 Km door een droog, dor en onbekend gebied. Er waren gevaren van vijanden en struikrovers! (8:31) Ezra verkeerde in een soortgelijke situatie als eens Mozes, toen deze met het volk moest optrekken naar het beloofde land. Beide mannen, Mozes en Ezra, waren zich ervan bewust dat het geen gemakkelijke reis zou worden. Beide mannen wisten ook dat ze de aanwezigheid van God nodig hadden om de reis tot een goed einde te brengen. Mozes antwoordde op het voorstel van de Here om Zelf mee te gaan met de woorden: ‘Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken’ (Ex.33:14). Ezra riep een vasten uit en smeekte God om zijn zegen voor de reis. Ook wij zijn op reis, en ook al is het niet naar het Beloofde Land van Mozes, noch naar het Jeruzalem van Ezra, wij zijn op reis naar het hemels Jeruzalem. Ook wij hebben de aanwezigheid, leiding en de zegen van God nodig om ‘onze reis’ tot een goed einde te brengen, want gevaren zijn er niet weinig! Om het met de woorden van Ezra te zeggen: ‘we hebben de goede hand van God nodig!’

Een hand die bemoedigd (7:28)

‘Hij heeft mij goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed omdat de hand van de HEERE, mijn God, over mij was en ik riep uit Israël familiehoofden bijeen om met mij mee te trekken’ (Ezra 7:27-28)

Ezra concludeerde uit de inhoud van de brief van koning Artachsasta die hij meekreeg dat het God was die de koning die bereidheid in het hart had gegeven om het huis van de Here luisterrijk te maken (Spr.21:1). Dat gaf hem moed! Het lijkt er op dat Ezra toch wel enigszins opzag tegen de reis die hij moest maken ook al wist hij dat het Gods bedoeling was. Het is niet goed dat iemand in zijn dienst aan God zichzelf isoleert van de rest van Gods volk. De Heer Jezus zond zijn discipelen twee aan twee uit in de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk (Mark.6:7). Ook de apostelen hadden altijd gezelschap van een of meerdere gelovigen. Daarom deed Ezra een oproep uitgaan en achttien familiehoofden gaven daaraan gehoor; een totaal van 1515 mannen plus de  vrouwen en kinderen. We hebben allemaal wel eens een bemoediging nodig en dat niet alleen Ezra. Ook de apostel Paulus had momenten dat hij moedeloos was. Wanneer hij, na een moeilijke reis in Italië aankomt op weg naar Rome lezen we: ‘En daarvandaan kwamen de broeders, die van onze zaken gehoord hadden, ons tegemoet, tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed’ (Hand.28:15). Door Gods hand kreeg Ezra mannen uit Israël om met hem op te trekken. Ook wij hebben andere gelovigen nodig dat bemoedigd!

Een hand die zorgt (8:18)       

‘En zij brachten ons, omdat de goede hand van onze God over ons was, een verstandig man, uit de nakomelingen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en zijn broers: achttien man’ (Ezra 8:18)

‘Afgezien van wat van buitenaf komt, overvalt mij dagelijks de zorg voor alle gemeenten’ schreef de apostel Paulus aan de Korinthiërs (2 Kor.11:28). Toen Ezra de groep van medereizigers overzag kwam hij tot de ontdekking dat er geen Levieten waren hoewel de koning Artachsasta hen daarvoor wel toestemming had verleend (7:13). Hieruit blijkt Ezra’s zorg voor het huis van God in Jeruzalem. Levieten waren gekwalificeerde mensen bestemd voor de speciale taken verbonden aan dienst van de tempel (Num.1:50-53). Hadden de Levieten de oproep niet gehoord? In elk geval stelde Ezra een aantal familiehoofden aan die inzicht hadden om naar de plaats Casifja te gaan met het verzoek om dienaren voor het huis van God beschikbaar te stellen. Het resultaat was dat er in totaal 38 man en van de tempeldienaren, die David en de vorsten aan de Levieten hadden gegeven voor de dienst: tweehonderdtwintig tempeldienaren (8:15-20). Daarmee waren de voorbereidingen voor de reis naar Jeruzalem ten einde en konden ze vertrekken. ‘Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God en om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen’ (8:21). Heeft het huis van God – de Gemeente – ook onze aandacht en hebben wij er ook zorg voor dan mogen ook wij ons inzetten om aan gebreken tegemoet te komen en de goede hand van God daarin ervaren. Wij willen het huis van God toch niet aan zijn lot overlaten? (Neh.10:39). We mogen al onze zorgen op Hem werpen en de Heer van de oogst om arbeiders smeken (1 Petr.5:17; Matt.9:38).

Een hand die beschermd (8:22,31)

‘Want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten’ (Ezra 8:22)

Hoewel vermoedelijk wel aanspraak had kunnen maken om een escorte van de koning te vragen zag Ezra daar vanaf omdat hij tegen de koning had gezegd: ‘De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten’ (8:22). Ezra ging dan ook de Here zoeken door middel van vasten gebed en Hij liet zich door hen verbidden. Een verre reis maken is tegenwoordig niets bijzonders meer en ik denk dat veel christenen er niet eens bij stilstaan om God daarin te betrekken. ‘En nu dan u die zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken, u, die niet weet wat er morgen gebeuren zal, want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt. In plaats daarvan zou u moeten zeggen: Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen’ (Jak.4:13-15). Ons hele leven als christen kun je zien als een reis door vijandelijk gebied en eerlijkheid gebeid om te erkennen dat vele in handen zijn gevallen ‘vijanden en struikrovers’. Op de eerste van de eerste maand vertrok Ezra naar Jeruzalem en kwam daar vier maanden later aan. Hij kon getuigen dat de hand van God over was geweest en hen had gered uit de hand van de vijand en van de struikrover op de weg. Ook wij hebben bescherming nodig om gered te worden uit de macht van vijanden en struikrovers. Hij zal ons geenszins begeven of verlaten want de hand des Heren is niet te kort om te verlossen’ (Hebr.13:5; Jes.59:1).

________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Ezra, de priester-schriftgeleerde

 

 

 

 

‘Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen’ (Ezra 7:10).

 

Inleiding

Ezra stond voor een heel nieuwe uitdaging. Hij behoorde tot de ballingen die naar Babel waren gevoerd. En nu had God hem opgedragen de dienst in de tempel in Jeruzalem te herstellen, daarom wordt Ezra door de joodse leraars weleens de tweede Mozes genoemd. Ook zeggen ze dat Ezra het Oude Testament heeft samengesteld en zijn er die beweren dat hij de eerste synagoge heeft gesticht. ‘Hierna, onder de regering van Artachsasta, de koning van Perzië, trok Ezra op uit Babel. Hij was een (priester) schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had’ (Ezra 7:1-2, 11).

Ezra werd door koning Artachsasta gemachtigd om de zaken in orde te stellen betreffende de tempeldienst (Ezra 7:12-26). Ezra komt voor het eerst in hoofdstuk zeven in beeld. Zijn opdracht werd door de koning als volgt omschreven: ‘Gij nu, Ezra, stel naar de wijsheid van uw God, die gij bezit, regeerders en rechters aan, opdat zij rechtspreken over het gehele volk dat in het gebied over de Rivier woont, over allen die de wetten van uw God kennen; en hem die ze niet kent, zult gij ze bekendmaken’ (Ezra 7:25).

Ezra had grote gaven en God riep hem om een opdracht voor Hem te vervullen, en dat was geen gemakkelijke! Wat was het geheim van Ezra, dat hij de zware taak waarvoor hij geroepen was kon volbrengen? Was dat niet zijn gebedsleven en zijn gehoorzaamheid aan Gods Woord? Dit dienen twee elementaire zaken in het leven van elke gelovige te zijn als men tot een volwassen en evenwichtig geloofsleven wil komen. ‘Maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord’ (Hand. 6:4; Ex. 33:7-11; 1 Sam. 12:23; Joh. 15:87; 2 Thes. 3:1; Efeze 6:17-18; Kol. 4:2). Laten we maar eens zien welke plaats het Woord van God in het leven van Ezra innam.

Geestelijke groei is nooit het gevolg van ouderdom, maar van groeiende gehoorzaamheid aan Gods Woord.

1. Het Woord van God

Ezra was bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had. De Bijbel is niet zomaar een boek, het is Gods Woord, waarvan de Heer Jezus heeft gezegd: ‘Uw Woord is de waarheid!’ (Joh. 17:17). We dienen er dan ook met respect en eerbied mee om te gaan. De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen in de gemeente te Thessaloniki: ‘En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God’ (1 Thes. 2:13). De in het boek Ezra genoemde wet van Mozes betrof niet alleen maar de Tien Geboden, maar ook de andere inzettingen en verordeningen die God had gegeven (Deut. 4:1-6).Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2 Tim. 3:16).

Ezra had zijn hart erop gezet om Gods Woord te onderzoeken. David heeft vele keren zijn liefde betuigd voor Gods Woord: ‘Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag’ (Psalm 119:97,113,119,127,140,163,167). Het onderzoeken van Gods Woord dient een zaak van het hart te zijn. ‘De Emmaüsgangers zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?’ (Luk. 24:33). Hoe zien wij Gods Woord en hebben wij het ook lief zoals David, en heeft het ook een grote plaats in ons leven?

2. Het Woord onderzoeken

De gelovigen in Berea namen het woord met alle bereidwilligheid aan en dagelijks onderzochten zij de Schriften en gingen na, of deze dingen zo waren.’ En wat was het resultaat? ‘Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen’ (Hand. 17:11-12). De Schriftgeleerden waren ook ernstige onderzoekers van Gods Woord, maar bij hen zien wij een ander resultaat: ‘Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben’ (Joh. 5:39). Bij het lezen van de Schrift gaat het erom een ontmoeting met Hem te hebben over Wie de Schriften spreken, de Heer Jezus. ‘Hij zeide tot hen (de Emmaüsgangers): Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden. Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen. En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem’ (Luk. 24:44-47).

‘Alléén door het lezen van de Bijbel worden we niet behouden!’

3. Het Woord doen

De gelovigen in Thessaloniki aanvaardden het Woord niet alleen maar als het Woord van God, maar het was ook werkzaam in hen (1 Thes. 2:13). ‘En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden’ (Jak. 1:22). Bent u een wijze of een dwaze man of vrouw? (Math. 7:24-27).

Het Woord ‘doen’ houdt onderwerping in aan het Woord. Zijn u en ik daartoe bereid? David beschrijft in Psalm 19 eerst de heerlijkheid van God die wij in de schepping kunnen waarnemen. Vanaf vers 8 beschrijft hij wat de wet van de Heer is, volmaakt, betrouwbaar, waarachtig, en waartoe dat Woord in staat is: het verkwikt, schenkt wijsheid, verheugt het hart, het verlicht de ogen. Daarna lezen we: ‘Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning’ (Psalm 19:12). Hier zien we dat David zich onderwerpt aan Gods Woord. Ook wij worden opgeroepen in het Nieuwe Testament om ons te onderwerpen aan Gods Woord (Rom. 8:7) en dat niet alleen, God vraagt ons ook om ons te onderwerpen aan Hemzelf, de voorgangers, de oudsten van de gemeente en de overheid (Hebr. 13:7; Jak. 4:7; 1 Petr. 5:5, 2:13). Als we dat in praktijk zouden brengen zal Gods zegen niet lang op zich laten wachten!

‘Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?’

4. Het Woord onderwijzen

Nee, niet iedereen is in staat het Woord te onderwijzen, daarvoor heeft God leraars gegeven die daarvoor een gave ontvangen hebben. Mensen zoals Ezra, die bekwaam zijn in het Woord (Ezra 7:6). Het is een grote miskenning van wat Gods Woord daarover leert door geen leraars te willen aanvaarden en daarmee geen rekening te houden en te handelen naar eigen inzicht. ‘En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars’ (1 Kor.12:28; Efeze 4:11). Door onafhankelijk te handelen zijn er al veel sekten en dwaalleringen ontstaan in de loop van de geschiedenis. Mensen die zich niet laten corrigeren terwijl Gods Woord zegt dat ‘de geesten der profeten aan de profeten onderworpen zijn’ (1 Kor. 14:32). Wel wordt elke gelovige opgeroepen om een getuige van Christus te zijn in woord en in daad (Hand. 1:8). Het kan misschien zijn dat u niets meer kunt zeggen dan wat de blindgeborene getuigde: ‘één ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan’ (Joh. 9:25), maar dat kan al veel betekenen.

Maar er is meer dan een getuige zijn. We moeten ook (op)gevoed worden door het Woord; groeien in de kennis en in de genade van onze Heer en Heiland, Jezus Christus (2 Petr. 3:18). En dat was de taak die Ezra op zich had genomen, door te geven van wat hij zelf had ontvangen, het volk te onderrichten in de Wet des Heren. In het boek Nehemia zien we Ezra op een indrukwekkende manier het volk toespreken (Neh. 8). Het is de moeite waard om een gedeelte van dat hoofdstuk hier te vermelden en dit artikel ermee te beëindigen.

‘Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid van de mannen en de vrouwen en van hen die het konden begrijpen. Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. De schriftgeleerde Ezra stond op een houten verhoging, die men voor die gelegenheid gemaakt had. En naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja; en aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zekarja, Mesullam. Ezra opende dus het boek ten aanschouwen van het gehele volk, want hij stond hoger dan het gehele volk. En zodra hij het boek opende, stond het gehele volk op. Ezra loofde de HERE, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de HERE neder met het gelaat ter aarde. En Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten gaven het volk onderricht in de wet, terwijl het op zijn plaats bleef staan. Zij lazen namelijk uit het boek, uit de wet Gods, duidelijk voor en gaven uitlegging, zodat men het voorgelezene begreep. En Nehemia – dat is de stadhouder – met de priester-schriftgeleerde Ezra en de Levieten, die het volk onderricht gaven, zeiden tot het gehele volk: Deze dag is voor de HERE, uw God, heilig; bedrijft geen rouw en weent niet. Want het gehele volk weende, toen het de woorden der wet hoorde. Voorts zeide hij tot hen: Gaat heen, eet lekkernijen en drinkt zoete dranken en zendt aan ieder voor wie niets bereid is, een deel, want deze dag is voor onze Here heilig: weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht. Ook de Levieten brachten het gehele volk tot kalmte door te zeggen: Weest stil, want deze dag is heilig, weest dus niet verdrietig. Toen ging het gehele volk heen, om te eten en te drinken, en een deel ervan te zenden en grote vreugde te bedrijven, want zij hadden begrepen wat men hun had bekendgemaakt’ (Neh. 8:1-13).

________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Nehemia - Lessen voor leiders

 

 

 

‘Er zijn in de hemel geen kroondragers die hier geen kruisdragers willen zijn!’ (Spurgeon)

 

 

 

Nehemia maakt geen deel uit van ‘de grote wolk van getuigen’ vermeld in Hebreeën 11, maar het is vanzelfsprekend dat ook zijn leven, evenals dat van hen die daar wel vermeld staan, voor ons als voorbeeld kan dienen (Rom. 15:4; 1Kor. 10:6).

Opvallend is zijn grote betrokkenheid met het volk, die zich toont in zijn vaderlandsliefde (Neh. 1:1-4, 2:3), gebedsleven (1:5-11, 4:4, 5, 9), geloof (2:20, 4:14), moed (4:20, 6:10-11), ijver (4:21-23, 6:3), leidinggevende capaciteiten (4:13-20), trouw aan het recht (13:11,17) en ten slotte zijn ernst met het werk (13:15-31). Hij was ‘maar’ een schenker en toch heeft hij een stad herbouwd en grootse daden verricht!

We mogen nooit onderschatten wat God door één man of vrouw kan doen en misschien bent u zo’n man of vrouw of wilt u er een zijn, maar voldoet u dan ook aan de volgende voorwaarden?

1. Ben ik een kruisdrager?

‘Het huis van onze God willen wij niet aan zijn lot overlaten’ (Neh. 10:39).

Het nieuws dat Nehemia hoorde, uit de mond van Chanani en enige anderen, over de ontkomenen van het volk Israël en van de stad Jeruzalem, brak zijn hart. De beschrijving van de situatie loog er dan ook niet om, ‘ze verkeerden in grote rampspoed en smaad, de muur van Jeruzalem was afgebroken, en de poorten waren met vuur verbrand’ (Neh. 1:3).

Het nieuws raakte Nehemia zozeer dat hij dagen lang weende, rouwde, vastte en in gebed ging voor het aangezicht van God. In zijn gebed beleed hij schuld, deed een beroep op Gods genade en stelde zich beschikbaar om een instrument te zijn waardoor God een keer zou kunnen brengen in het lot van het volk.

Nehemia had een goede positie aan het hof van de koning en was niet verplicht om die positie op te geven. Maar God had hem in het hart gegeven om wat voor Jeruzalem te gaan doen. Hij nam zijn last, zijn kruis, op; dat wilde zeggen dat hij het huis van God niet aan zijn lot wilde overlaten’ (Neh. 2:12). Een vergelijking met Mozes dringt zich op. Mozes weigerde een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden en gaf er de voorkeur aan om met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde (Heb. 11:24vv.). Mozes, en ook Nehemia, waren mannen met een langetermijnvisie, ‘want hij (Mozes) zag op de beloning’.

Hoe erg de situatie ook was en hoe weinig er van Jeruzalem nog was overgebleven, Nehemia achtte het huis van God niet gering (1Kor. 11:22). Evenals Elia was zijn hart vol zorg om het getuigenis van God (1Sam. 4:13), zoals we ook van de apostel Paulus lezen dat ‘de bezorgdheid over al de gemeenten hem dagelijks overviel’ (2Kor. 11:28).

2. Zie ik mogelijkheden of moeilijkheden?

‘Ik ben bezig een goed en groot werk te doen en kan niet komen’ (Neh. 6:3, 2:18)

Menselijk gesproken was het onbegonnen werk om de muren te herbouwen en er waren meer dan redenen genoeg om het te laten voor wat het was. Maar ondanks alle mogelijke bezwaren zag Nehemia meer mogelijkheden dan moeilijkheden.

Het verhaal van twee schoenverkopers die door hun firma naar Afrika waren uitgezonden om marktonderzoek te doen is misschien wel bekend. Het illustreert goed het verschil tussen mogelijkheden en moeilijkheden. De ene berichtte zijn firma: “Ik heb onderzoek gedaan, maar ik zie geen enkele mogelijkheid om schoenen te verkopen, want de mensen lopen hier allemaal op blote voeten!”. De andere verkoper berichtte zijn firma: “Ik heb marktonderzoek gedaan, en ik zie grote mogelijkheden om schoenen te verkopen, want de mensen lopen hier allemaal op blote voeten!”. Nehemia zag mogelijkheden, want zoals hierboven gezegd, hij had een visie, een droom. Nehemia lette niet op de wind en wolken (Spr. 11:4), maar deed wat hij kon doen en dat was bidden opdat God hem een deur opende bij de koning, en zo gebeurde het ook (Pred. 2:1-9). Voor Nehemia betekende de herbouw van de muren niet alleen een goed werk maar ook een groot werk. Echter, de vijand, onder aanvoering van Sanballat en Tobia, zag dat heel anders. Zij waren zeer ontstemd dat Nehemia gekomen was om het goede voor de Israëlieten te zoeken en ze begonnen hem tegen te werken. Sanballat spotte en zei: ‘Zullen zij de stenen uit de puinhopen, verbrand als ze zijn, weer tot leven wekken?’. Tobia deed er nog een schepje bovenop door te zeggen: ‘Al bouwen zij ook, als er maar een vos tegen de muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen’ (Neh. 4:2, 3; 2:19).

3. Vertrouw, geloof ik God?

‘De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen’ (Neh. 2:20).

Ontbreekt het ons ook niet vaak aan praktisch geloof zoals de vader van de maanzieke zoon dat erkende toen hij tegen de Heer Jezus zei: ‘ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (Mark. 9:24)? Nehemia zag niet op zichzelf, maar op God die het onmogelijke mogelijk kan maken. Daar is geloof voor nodig! Iemand heeft het eens zo omschreven: ‘Echt geloof is vertrouwen in God ongeacht de gevoelens binnen in ons, de omstandigheden rondom ons en de consequenties voor ons’!

Nehemia wist dat het niet zijn werk was, maar Gods werk en Gods werk is niet te stoppen of te keren! Of, om het met de woorden uit een lied te zeggen: ‘‘t Werk van God is niet te keren omdat Hij er over waakt’.

Dat betekende echter niet dat Nehemia en zijn landgenoten maar bleven afwachten, maar daarentegen ‘met krachtige hand vatten zij het goede werk aan’ (Neh. 2:18). En het ongelofelijke gebeurde, namelijk dat de muur in slechts tweeënvijftig dagen voltooid was. Zelfs hun vijanden waren daarvan behoorlijk onder de indruk en ‘erkenden dat dit werk met de hulp van God gedaan was’ (Neh. 6:16)!

Door geloof in het woord van de Heer Jezus, Die tegen Petrus zei dat hij naar de diepte moest varen om zijn netten uit te werpen, ving Petrus een grote massa vissen (Luk. 5:5-6). De schrijver van de brief aan de Hebreeën schrijft over gelovigen ‘die door middel van het geloof koninkrijken onderwierpen’ (Heb. 11:33). Heeft u dit geloof?

4. En wat als er tegenstand komt?

‘Maar ik zeide: Zou een man als ik vluchten?’ (Neh. 6:11).

Het is een bekend gezegde: “Als God een kerk bouwt, dan plaatst de duivel er een kapelletje naast”. Het blijkt maar al te waar te zijn, zowel toen als ook nu.

Dat er een vijand is, maakt de Heer Jezus ons duidelijk in de gelijkenis van de zaaier en het zaad wanneer Hij zegt: ’Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide. Terwijl echter de mensen sliepen kwam zijn vijand en zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg’ (Math. 13:24). Paulus sluit zich daarbij aan in zijn toespraak tot de oudsten van de gemeente uit Efeze, wanneer hij spreekt over ‘wrede wolven die bij u zullen binnenkomen’ en ‘uit uzelf zullen mannen opstaan die verdraaide dingen spreken’ (Hand. 20:29). Deze ‘mannen’ worden verder in het Nieuwe Testament ‘valse apostelen, profeten en leraars’ genoemd (2Kor. 11:13; 1Petr. 2:1), mensen die een ‘vals evangelie’ verkondigen (Gal. 1:8).

We zien dan ook dat Nehemia heel voorzichtig te werk gaat als hij in Jeruzalem aankomt, want “hij had aan niemand verteld, wat mijn God mij in het hart gegeven had om voor Jeruzalem te doen’ (Neh. 2:12). Hij trok er ’s nachts op uit om onderzoek te doen naar de muren van Jeruzalem. Hij wilde niet “dat de satan voordeel zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend” (2Kor. 2:10).

Maar de satan zat niet stil en stuurde zijn dienaars, Sanballat en Tobia, eropuit om het werk van God teniet te doen. Eerst richtten zij hun aanvallen op het volk door te spotten en te honen (hfdst.4). Later zien we dat ze specifiek Nehemia onder vuur namen door brieven te schrijven om het werk te doen stoppen (hfdst. 6). Ook kreeg hij slechte raad van Semaja om zich te verstoppen in het huis van God, maar Nehemia weigerde want het gezag van Gods Woord was voor hem normatief en dat Woord verbood hem de tempel binnen te gaan (Neh. 6:13; Num. 18:7; vgl. 2Kron. 26:16vv.). Nehemia ging niet op de loop – zou een man als ik vluchten? – maar onderwierp zich aan God, opdat de duivel – en zijn helpers – zou vluchten (Neh. 6:14; Jak. 4:7-8).

5. Ben ik bereid offers te brengen?

‘Wat op één dag bereid werd … kwam op mijn kosten’ (Neh. 5:14-19).

Over de gelovigen van Macedonië kon de apostel Paulus getuigen ‘dat zij zichzelf eerst aan de Heer gaven, en daarna aan ons door de wil van de Heer’ (2 Kor. 8:5). Ze waren bereid om offers te brengen, ook in financieel opzicht, want Paulus schrijft verder: ‘ik getuig dat zij naar vermogen en boven vermogen, uit eigen beweging, ons met veel aandrang smeekten om deze gunst en de gemeenschap in de dienst van de heiligen’ (2 Kor. 8:3).

Nehemia’s bereidheid om offers te brengen blijkt uit het gegeven dat hij een mooie positie aan het hof van de koning opgaf. Maar daar bleef het niet bij, want toen Nehemia hoorde van de armoede en ellende van zijn volksgenoten sprong hij voor hen in de bres (hoofdstuk 5)!

Ook in zijn functie als landvoogd stak hij met kop en schouders uit boven zijn voorgangers, die zich verrijkten ten koste van de bevolking (zien we dit vandaag de dag ook niet?). Maar uit vrees voor God heeft Nehemia zich daar niet aan bezondigd (Neh. 6:15). De apostel Paulus zegt aan de oudsten van de gemeente van Efeze dat ze ‘in’ de gemeente zijn gesteld, niet ‘over’ (Hand. 20:28)! Petrus zegt van de oudsten dat ze zich niet moeten voordoen ‘als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudden worden’ (1 Petr. 5:3). Zo’n voorbeeld was Nehemia! Niet alleen werkte hij zelf ook mee aan de opbouw van de muren (vgl. Hand. 20:33-35), maar hij gaf ook ‘de Joden en de leiders, honderd vijftig man, en zij die tot ons uit de volken rondom ons gekomen waren, te eten’ (Neh. 5:17vv.). Wat op één dag werd bereid, kwam op zijn kosten! Daarin liep hij vooruit op het principe dat de Heer Jezus zelf gezegd heeft: ‘Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen’ (Hand. 20:35).

Ten slotte

Het boek Nehemia begint met ‘grote rampspoed’ (1:3), maar eindigt met ‘grote vreugde’ omdat God het mogelijk had gemaakt het werk in tweeënvijftig dagen te doen. ‘De vreugde van Jeruzalem werd van verre gehoord’ (Neh. 12:43).

Het begon ermee dat één man een last voelde voor het volk van God en Jeruzalem.

Wat kan één man betekenen? Lees Ezra en Nehemia.

Wat kan één vrouw betekenen? Lees over Debora, Ruth en Esther.

Wat kan één kind betekenen? Lees 2 Kon.5:1-7 en Joh. 6:8-14.

Wat kan ú betekenen? Als u ergens een last voor hebt, spreek er met de Heer over. Wellicht kan hij de last die u ervaart in een zegen veranderen voor u en voor anderen.

________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding en Indeling van het boek Esther

 

 

I. Het boek

De gebeurtenissen vermeld in het boek Esther vonden plaats tussen de hoofdstukken 6 en 7 van het boek Ezra. Het ‘derde jaar van Ahasveros’ (1:3) is het jaar 483 v. Chr. ‘Ahasveros’ is de titel van de Perzische heerser, net zoals Farao de titel van de Egyptische heerser was. Het boek Esther vermeldt nergens de naam van God, terwijl de naam van de koning maar liefst achtentwintig keer voorkomt! Hoewel Jehova’s naam niet vermeld is, zien we zijn handelen duidelijk in elk hoofdstuk van het boek. Esther betekend ‘ster’; Hadassah, haar Joodse naam betekent ‘mirre’ (2:7).

II. Het onderwerp

Esther toont ons hoe het Joodse volk voor vernietiging bewaard bleef. Het verklaart de oorsprong van een van de meest belangrijkste Joodse feestdagen, het Poerimfeest. Het woord ‘Purim’ betekent ‘lot’, en verwijst naar het werpen van het lot door Haman om de dag waarop de uitroeiing van de Joden zou moeten plaatsvinden (9:26-31; 3:7). Het Poerimfeest wordt gehouden op de veertiende en vijftiende dag van de laatste maand van de Joodse kalender (bij ons februari-maart), daaraan voorafgaand door een dag van vasten ter herinnering aan Esthers vasten (4:16). Die avond wordt het boek Esther in elke synagoge voorgelezen. Elke keer wanneer de naam van Haman gelezen wordt, stampen de Joden op de vloer, fluiten en schreeuwen: ‘Laat zijn naam worden uitgewist!’ De volgende dag, gaat men weer naar de synagoge om te bidden en de Wet te lezen. De rest van de dag en de dag daarna zijn feestdagen waarop men elkaar geschenken geeft. Er is geen vermelding van een verplichting in het Oude Testament om deze gebeurtenis te gedenken, maar de Joden hebben het in de achter ons liggende eeuwen altijd gevierd.

III. De geestelijke lessen

In het boek Esther zien we opnieuw satans haat tegen de Joden. Wanneer Haman geslaagd was in zijn complot, dat zou de Joodse natie zijn uitgeroeid! Wat zou er dan van God verbond met Abraham zijn terechtgekomen? Ieder man en elk land die hebben getracht het Joodse volk uit te roeien hebben gefaald, ook Haman (Zie: Gen.12:1-3). Omdat God de oorlog aan satan heeft verklaard (Gen.3:15), heeft satan en zijn ‘zaad’ gestreden tegen Christus en zijn ‘zaad’: Kaïn doodde Abel; Farao wilde de Joden doden; Haman probeerde Israël te vernietigen; Herodes trachtte de Heer Jezus – de Christus - te doden. We zien in deze gebeurtenis ook een illustratie van de strijd van de geest tegen het vlees (Gal.5:16-23). Haman was een nakomeling van de Amalek, de aartsvijand van de Joden (vergelijk Ezra 3:1 met Deut.25:17-19; Ex.17:8-16 en 1 Sam.15). Amalek symboliseert het vlees, en Haman, verwant aan de Amalekieten, is een beeld van de vijandschap van het vlees tegen de Geest, maar ook de kinderen van satan tegen de kinderen van God.

IV. Gods voorzorg

Zoals gezegd, Gods naam wordt niet vermeld in dit boek, maar zijn hand zien we duidelijk in de gebeurtenissen. Hij is ‘ergens’ op de achtergrond, heersend en overheersend! Een nauwkeurige studie van het boek leidt tot de ontdekking van bewijzen van Gods voorzorg: (1) Esther werd uit vele andere kandidaten tot koningin verkozen, (2:15-18); (2) Mordechai ontdekt het plan om de koning te doden (2:21-23); (3) Het werpen van het lot, om de dag te bepalen waarop de Joden zouden moeten worden uitgeroeid, werd tot later in het jaar uitgesteld, waardoor Mordechai en Esther tijd kregen om te handelen (3:7-15); (4) De aanvaarding van Ester door de koning na een maand (5:2); (5) Het geduld van de koning om Ester toe te staan nog een banket te houden (5:8); (6) De slapeloosheid van de koning dat hem de daad van Mordechai in herinnering bracht (6:1vv.); (7) Het kennelijk gebrek aan herinnering in 6:10, dat ertoe leidde om een Jood te eren waarin hij eerder had toegestaan deze uit te roeien. (8) De bezorgdheid van de koning voor Esters welzijn, terwijl hij een harem had waaruit hij kon kiezen (7:5vv.).

V. De datering

De koning in het boek Esther is Xerxes, de zoon van Darius I, Darius de Grote. Hij heerste over het Perzische rijk van 486 tot 465 v.Chr. Vasthi werd onttroond in het jaar van zijn regering (1:3), dat zou dan in het jaar 483 zijn. De geschiedenis vertelt ons dat Darius een groot feest hield voor zijn koningin ter voorbereiding van zijn invasie van Griekenland. Deze invasie duurde tot 479 en was een ramp. Het is mogelijk dat door schaamte over deze tegenslag voor Xerxes aanleiding was om Vasthi af te zetten. Esther werd koningin in het zevende jaar van zijn regering (2:16), het jaar 479. In het twaalfde jaar van zijn regering werd het plan van Haman ontdekt (3:7), het jaar 474; dus Esther was al vijf jaar koningin toen Haman zijn plan ten uitvoer wilde brengen. Xerxes werd vermoord in 465.

VI. Esther en het boek Spreuken

Er is een interessante parallel tussen sommige verzen in het boek Spreuken en de gebeurtenissen in het boek Esther. Let op deze referenties: Spr.16:32 met Est.3:7; Spr.16:18 met Est.5:9-14; Spr.11:8 met Est.7:10; Spr.21:2 met Est.5:1-4.

VII. Haman en de antichrist

Veel bijbelleraars zien in de boze Haman een beeld van de toekomstige antichrist die de Joden zal verdrukken om hen te vernietigen. De uitdrukking ‘de boze Haman’ in 7:6 in het Hebreeuws geeft het getal 666 weer, wat het nummer van het beest is (Op.13:18). Haman heeft zijn moordplannen opgezet maar deed zich vriendelijk voor ten opzichte van de Joden; de antichrist zal een zevenjarig verbond met de Joden maken (Dan.9:27), maar zal die halverwege verbreken. Haman bezat veel macht, hem door de koning verleend; het beest zal grote macht bezitten, door de satan verstrekt. Haman’s trots was zichtbaar, want hij wilde dat iedereen voor hem zou knielen; het beest zal ervoor zorgen dat iedereen hem zal eren en zijn beeld (Op.13:12). Haman haatte de Joden, en de antichrist zal dan evenzo doen. Haman was verdoemd ook al bezat hij voor een tijd macht en gezag. Satans meesterwerk, de antichrist, leek onverwoestbaar, maar Christus zal hem en zijn volgers vernietigen bij zijn komst.

VIII. Esther’s moedige houding

Sommigen hebben kritiek geuit voor wat betreft Esthers gebrek aan zorg voor het volk. Het is waar dat Mordechai als eerste met vasten en treuren begon. Esther probeerde hem op andere gedachten te brengen (4:1-4). We moeten wel beseffen dat Esther nogal geïsoleerd was van wat er aan het hof gebeurde en was al een maand niet in de nabijheid van de koning geweest. Eens toen ze van het gevaar hoorde, was ze onmiddellijk bereid om met Mordechai samen te werken. Het is zeker dat ze haar leven in de waagschaal stelde, was Xerxes was iemand die aan stemmingen leed, en hij zou Ester net zo gemakkelijk kunnen doden zoals hij eerder Vasthi had afgezet! In het begin legde Ester niet zo’n groot vertrouwen aan de dag als Mordechai deed maar als de gebeurtenissen haar beloop nemen, zien we een moedige vrouw met een sterk geloof in God. Het is interessant te zien dat toen Esther geen contact had met Mordechai, het slecht met de Joden ging, maar toen ze luisterde naar Mordechai, keerde alles ten goede voor de Joden.

---------------------------------------------------------------------------------------

 Indeling van het boek Esther

I. De verkiezing van Esther (1-2)

A. De koning verwerpt Vasti (1)

B. De koning verkiest Esther (2)

II. De opsporing van Haman (3-7)

A. Haman’s boos complot (3)

B. Mordechai’s grote zorg (4)

C. Esthers moedige tussenkomst (5-7)

III. De bescherming van Israël (8-10)

A. Het besluit van de koning (8)

B. De overwinning van de Joden (9)

C. De eer voor Mordechai (10)

 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 ‘Kom ik om, dan kom ik om!’

Studies over het boek Ester 

Hoofdpersonen in het boek Ester

 

 

 

Inleiding

De gebeurtenissen vermeld in het boek Ester vonden plaats tussen de hoofdstukken 6 en 7 van het boek Ezra. Het ‘derde jaar van Ahasveros’ (1:3) is het jaar 483 v.Chr. ‘Ahasveros’ is de titel van de Perzische heerser, net zoals Farao de titel van de Egyptische heerser was. In het Grieks is zijn naam Xerxes (hoogste heerser). Het boek Esther vermeld nergens de naam van God, terwijl de naam van de koning maar liefst achtentwintig keer vermeld wordt! Joodse rabbijnen menen de naam ‘Jehova’ op een verborgen manier in vijf verschillende verzen in het originele Hebreeuws te hebben ontdekt (1:20; 5:4, 13; 7:5, 7). Hoewel Gods naam niet vermeld is, zien we zijn handelen duidelijk in elk hoofdstuk van het boek. Ester betekend ‘ster’; Hadassah, haar Joodse naam betekend ‘mirre’ (2:7).

Het boek Ester toont ons hoe het Joodse volk van vernietiging gespaard bleef. Het verklaart de oorsprong van één van de meest belangrijke Joodse feestdagen, het Poerimfeest. Het woord ‘Purim’ betekend ‘lot’, en verwijst naar het werpen van het lot door Haman om het besluit om de Joden te vernietigen en uit te roeien vast te stellen (9:26-31; 3:7). Het Poerimfeest wordt gehouden op de veertiende en vijftiende dag van de laatste maand van de Joods kalender (bij ons februari-maart). Daaraan voorafgaand is er een dag van vasten ter herinnering aan het vasten dat door Ester voorgesteld had (4:16). Op die avond wordt het boek Ester in elke synagoge voorgelezen. Elke keer wanneer de naam van Haman gelezen wordt, stampen de Joden op de vloer, fluiten en schreeuwen: ‘Laat zijn naam worden uitgewist!’ De volgende dag, gaat men weer naar de synagoge om te bidden en de Wet te lezen. De rest van de dag en de dag daarop zijn feestdagen waarop men elkaar geschenken geeft. Er is geen vermelding van een verplichting in het Oude Testament om deze gebeurtenis te gedenken, maar de Joden hebben het in de achter ons liggende eeuwen wel gevierd.

Ahasveros de koning

De koning in het boek Ester is Ahasveros, ook bekend onder de Griekse naam Xerxes, de zoon van Darius I, Darius de Grote. Hij heerste over het Perzische rijk van 486 tot 465 v.Chr. De profetie van Daniël dat de Meden en Perzen aan de macht waren bleek juist (Dan.2:26vv.). De geschiedenis vertelt ons dat Ahasveros een groot feest, dat honderdtachtig dagen duurde, hield ter voorbereiding van zijn veldtocht tegen Griekenland. Eerder had hij een opstand in Egypte neergeslagen en mogelijk voelde hij zich sterk genoeg voor een veldtocht tegen Griekenland. Deze invasie duurde van 483-480 v.Chr., en volgens de geschiedschrijver Herodotus is het op een ramp uitgelopen. De laatste drie boeken van Herodotus’ Geschiedenissen bevatten de beschrijving van deze oorlog tussen Ahasveros en de Grieken. Koningin Wasti werd van haar waardigheid als koningin ontslagen in het derde jaar van zijn regering (1:3), dat zou dan in het jaar 483 zijn. De reden dat Wasti weigerde voor de koning te verschijnen kan als mogelijke oorzaak hebben dat zij niet wilde verschijnen daar waar de wijn al enkele dagen rijkelijk gevloeid had... Zij organiseerde dan ook een eigen feest voor de vrouwen (1:9vv.). Ester, die de plaats van Wasti innam werd koningin in het zevende jaar van zijn regering (2:16), het jaar 479. In het twaalfde jaar van zijn regering werd het plan van Haman ontdekt (3:7), het jaar 474; dus was Esther al vijf jaar koningin toen Haman zijn plan ten uitvoer wilde brengen. Ahasveros werd vermoord in 465. De gegevens die we in het boek vinden over Ahasveros geeft de indruk dat hij een impulsief karakter had. Hij stuurde zijn vrouw Wasti zonder dralen weg, waarvan hij later spijt had (1:19; 2:1). Hij gaf onmiddellijk aan Haman groot gezag zonder onderzoek te doen naar de ware gang van zaken en gaf direct toestemming aan het voorstel van Haman, de booswicht en Jodenhater, om maatregelen tegen de Joden te nemen, zonder te onderzoeken wat zijn motieven waren. Historici zien Xerxes als een ‘puppet on a string’ waaraan veel onderdanen aan trokken.

Ester

De hoofdpersoon in dit boek is uiteraard koningin Ester en in haar verkiezing door Ahasveros als koningin is duidelijk de hand van God op te merken, Die, zoals eerder gezegd in het boek niet met zijn naam vermeld wordt! Ahasveros had Wasti afgezet als koningin, op advies van zijn raadgevers, maar terugkerend van zijn oorlog tegen de Grieken, die hij had verloren, mistte hij haar toch. Zijn hovelingen adviseerden hem dan ook om aan een andere, een betere koningin dan Wasti te zoeken (1:29; 2:2). Ze adviseerden hem niet om Wasti terug te nemen want dan liep hun leven gevaar omdat Wasti in die positie in de gelegenheid zou zijn om wraak tegen hen te nemen, vanwege het eerder gegeven advies van de wijzen om haar af te zetten. Vanaf het moment dat Ahasveros op zoek ging naar een andere koningin gebeuren er allerlei ‘toevalligheden’ die wij, de gelovigen, mogen zien als voorzienigheid van God! De eerste ‘toevalligheid’ was dat Ester uit vele kandidaten tot koningin gekozen werd (2:15-18). Bij de dood van Esters vader en moeder had Mordechai haar als dochter aangenomen (2:7) en haar in alles adviseerde hoe te handelen. Zo had hij haar aangeraden haar afkomst niet bekend te maken (2:10). Ester werd dan uitgekozen om opgenomen te worden in het koninklijk paleis onder opzicht van Hegai, de bewaker van de vrouwen (2:8). Dat leidde ertoe dat ze op een bepaald moment aan de beurt was om voor de koning te verschijnen en hij verhief haar tot koningin in de plaats van Wasti (2:17). Ondertussen had Haman plannen ontwikkeld om de Joden in het hele rijk uit te roeien. Mordechai die van die plannen hoorde stelde Ester hiervan op de hoogte via Hatak een hoveling van de koning. (4:1, 4, 5). Deze Hatak ging met een afschrift van de wet die uitgevaardigd was om de Joden te verdelgen naar Ester met de wens van Mordechai dat ze naar de koning zou gaan om bij hem genade af te smeken en bij hem voorbede te doen voor haar volk. Na een aanvankelijke weigering van Ester spreekt Mordechai haar aan op haar verantwoordelijkheid en zegt tegen haar: ‘Beeld u niet in, dat gij alleen van al de Joden ontkomen zult, omdat gij in het paleis des konings zijt. Want, als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen, en wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt (4:13-14). Ester roept hierna een vasten uit en toont zich bereid naar de koning te gaan, ondanks het gevaar dat het met zich mee kon brengen, met de woorden: ‘Kom ik om, dan kom ik om!’ (4:16). Ze slaagt in haar opzet en de koning gaf bevel dat hij de Joden in alle steden toestond zich te verzamelen en hun leven te verdedigen (8:11).

Mordechai

Speelde Mordechai in eerste instantie min of meer op de achtergrond, toen hij hoorde van het plan van Haman om alle Joden uit te moorden trad hij in de openbaarheid op door rouw te bedrijven. Mordechai was iemand van de stam van Benjamin die onder koning Jechonja in ballingschap was weggevoerd en in de burcht Susan terecht was gekomen, hij was de pleegvader van Ester (2:5-7). Hij bleek een zeer belangrijke plaats in Gods handelen met het Joodse volk in te gaan nemen, waarvan hij van tevoren waarschijnlijk geen vermoeden van had, zoals Jozef dat in eerste instantie ook niet had. En misschien krijgt u ook nog een taak te vervullen voor God waarvan u nu nog geen idee heeft! ‘In die dagen dan, toen Mordechai in de poort des konings zat, werden Bigtan en Teres, twee hovelingen des konings, behorende tot de dorpelwachters, zeer verbitterd en zij trachtten aan koning Ahasveros de hand te slaan. Mordechai kwam dit echter te weten en hij vertelde het aan koningin Ester en Ester zeide het de koning namens Mordechai. De zaak werd toen onderzocht en juist bevonden, en die twee werden op een paal gespietst. En het werd in de kronieken opgeschreven in tegenwoordigheid des konings’. Hoe Mordechai achter het plan kwam om de koning te doden weten we niet (2:21-23) maar later bleek het van groot belang te zijn voor de Joodse gemeenschap wiens ondergang aanstaande was. We lezen niet dat Mordechai daarvoor beloond werd maar het was weer één van die ‘toevalligheden waardoor de zaak na een tijd weer aan belangrijkheid won en Mordechai zijn ‘uitgestelde’ beloning ontving. Het was de slapeloosheid van de koning dat hem, door het lezen van het gedenkboek, de daad van Mordechai in herinnering bracht (6:1vv.). Een andere ‘toevalligheid’ was dat het werpen van het lot om de dag te bepalen waarop de Joden zouden moeten worden uitgeroeid met een jaar werd uitgesteld, waardoor Mordechai en Ester voldoende tijd kregen om te handelen en brieven konden uitsturen naar de Joden in alle steden zich te verzamelen en hun leven te verdedigen (3:9-15).

Haman

Een verdrukker, een vijand, die booswicht zo wordt Haman genoemd (7:6), de Jodenhater (3:10). Hij was één van de velen die in de loop van de geschiedenis zich vijandig tegen de Joden gedragen hebben. Omdat God de oorlog aan satan heeft verklaard (Gen.3:15), heeft satan en zijn ‘zaad’ gestreden tegen Christus en zijn ‘zaad’: Kaïn doodde Abel; Farao wilde de Joden doden; Haman probeerde Israël te vernietigen; Herodes trachtte de Heer Jezus – de Christus - te doden. En wat te denken van Hitler in de tweede wereldoorlog? En zo kunnen we doorgaan, want ook vandaag zien we de haat van bijvoorbeeld Iran en de Palestijnen ten opzichte van Israël regelmatig in het nieuws. Veel bijbelleraars zien in de boze Haman een beeld van de toekomstige antichrist die de Joden zal verdrukken om hen te vernietigen. Haman heeft zijn moordplannen opgezet maar deed alsof hij vriendelijk tegen de Joden deed; de antichrist zal een zevenjarig verbond met de Joden maken, maar zal die halverwege verbreken. Haman bezat veel macht, hem door de koning verleend; het beest zal grote macht bezitten, door de satan verstrekt. Haman’s trots was zichtbaar, want hij wilde dat iedereen voor hem zou knielen; het beest zal ervoor zorgen dat iedereen hem zal eren en zijn beeld. Haman haatte de Joden, en de antichrist zal dan evenzo doen. Haman was verdoemd ook al bezat hij voor een tijd macht en gezag. Satans meesterwerk, de antichrist, leek onverwoestbaar, maar Christus zal hem en zijn volgers vernietigen bij zijn komst.

Tenslotte

Zoals eerder gezegd komt de naam van God in dit bijbelboek niet voor, maar toch zien we door alle gebeurtenissen en personen heen dat God aanwezig is en handelt! Een nauwkeurige studie van de boek leidt tot de ontdekking van volgende aanwijzingen van Gods voorzorg: (1) Ester werd uit vele andere kandidaten tot koningin verkozen (2:15-18); (2) Mordechai ontdekt het plan om de koning te doden (2:21-23); (3) Het werpen van het lot voor de dag te bepalen waarop de Joden zouden moeten worden uitgeroeid werd tot later in het jaar uitgesteld, waardoor Mordechai en Esther tijd kregen om te handelen (3:7-15); (4) De aanvaarding van Ester door de koning na een maand (5:2); (5) Het geduld van de koning om Ester toe te staan nog een banket te houden (5:8); (6) De slapeloosheid van de koning dat hem de daad van Mordechai in herinnering bracht (6:1vv.); (7) Het kennelijk gebrek aan herinnering in 6:10, dat ertoe leidde om een Jood te eren waarin hij eerder had toegestaan deze uit te roeien. (8) De bezorgdheid van de koning voor Esters welzijn, terwijl hij een harem had waaruit hij kon kiezen (7:5vv.). Bij Mordechai was het besef dat God deel had in de gebeurtenissen heel sterk aanwezig, wat duidelijk blijkt toen hij, ná de aanvankelijke bezwaren van Ester om naar de koning te gaan, haar antwoordde: ‘Beeld u niet in, dat gij alleen van al de Joden ontkomen zult, omdat gij in het paleis des konings zijt. Want, als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen, en wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt’ (4:13-14; vgl. Gen.45:5). Wat bedoelde Mordechai anders dan dat God op een andere manier zou ingrijpen, toen hij zei: ‘Dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen’?

________________________________________________________________