Brieven van de apostel Paulus (2)

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn volgende artikelen geplaatst:

 

 

 

De eerste brief aan de Thessalonicenzen - Hoofdstuk 1

2 Timotheüs 4 – Afscheidswoorden

Titus 2 - De genade van God is verschenen

Hebreeën 11 - Betere Offers

Hebreeën 11 - Mozes - Als geloof nee zegt

Hebreeën 12 - De wedloop

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Wat zegt de Bijbel?

 

De eerste brief aan de Thessalonicenzen

 

 

 Hoofdstuk 1

 

Inleiding

Het ontstaan van de gemeente te Thessalonika vinden we beschreven in het boek Handelingen vanaf hoofdstuk 16. Nadat de deuren in west-Anatolië, het huidige Turkije, gesloten werden kreeg de apostel Paulus de oproep: ‘Kom over naar Macedonië en help ons’ (Hand.16:9). De deur naar Europa ging open en dat was niet de enige maar meerdere ‘deuren’ gingen open. De eerste deur was dat de Heer het hart opende van Lydia, de purperverkoopster en op haar beurt opende zij de deur van haar huis. (16:14,15) Maar er was niet alleen voorspoed er kwam ook tegenstand en de deur van de gevangenis opende zich voor Paulus en Silas (16:23). Enige tijd later ging die deur weer open nu om ze vrij te laten waarna ze richting Thessalonika gingen (16:37).

Handelingen 17:1-15 verhaalt de stichting van de gemeente in Thessalonika. Paulus heeft daar korte tijd gediend, mogelijk slechts een maand, maar de Heer deed er een groot werk en het getuigenis van de gemeente was wijd en zijd bekend. Door tegenstand van de Joden moest Paulus de stad verlaten en toen hij via Berea in Athene kwam zond hij Timotheüs terug naar Thessalonika om te zien hoe de zaken er bij stonden (Hand.17:15). Paulus zelf reisde door naar de stad Korinthe vanwaar hij, nadat Timotheüs was teruggekeerd om verslag uit te brengen (3:6), de eerste brief aan de Thessalonikers schreef.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen is geschreven omstreeks het jaar 50 n.Chr. De tweede brief enige maanden later. De eerste brief handelt onder meer over de opname, de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente in de lucht, terwijl de tweede brief de zichtbare komst van Christus op aarde behandeld, om zijn vijanden te onderwerpen en het koninkrijk op te richten. ‘De Dag van de Heer’ vermeld in 2 Thessalonicenzen is die periode van verdrukking die over het aardrijk zal komen nadat de gemeente is weggenomen. De eerste brief aan de Thessalonicenzen onderwijst ons duidelijk dat de Gemeente niet door die grote verdrukking zal heengaan (1:10, 5:9).

Het zal je maar gebeuren dat een apostel zo’n prachtige en bemoedigende brief aan jouw gemeente zou schrijven. Het kan natuurlijk niet, maar mocht het kunnen dan zou je geneigd zijn om vol trots naast je schoenen te gaan lopen! Maar wat ook een bemoediging voor de apostel Paulus om zulke goede berichten te ontvangen via Timotheüs die daar op bezoek was geweest (3:6). ‘Goede tijding uit verre lande is koel water voor een dorstige ziel’ (Spr.25:25). In het boek Nehemia lezen we dat tijdens Nehemia’s afwezigheid in Jeruzalem: ‘het huis Gods aan zijn lot was overgelaten’ (Neh.13:6-14). Maar in Thessalonika was dat niet het geval! Deze gemeente in mag dan ook zeker model staan voor de gemeente waar u en ik aan verbonden zijn! Van de gelovigen in Thessalonika kon de apostel Paulus zeggen dat ze…

…uitverkoren mensen waren (1:4)

‘Wij weten immers, geliefde broeders, van uw verkiezing door God’ schrijft Paulus. Verkiezing tot het heil begint bij God. ‘Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren’ (Joh.15:16). ‘Hij heeft ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren’ (Ef.1:4). Hoe wist Paulus dat de gelovigen van de gemeente in Thessalonika uitverkoren[i] waren? Paulus noemt daarvoor drie redenen: het werk van hun geloof, de inspanning van hun liefde en de volharding van hun hoop op onze Here Jezus Christus. Geloof, hoop en liefde zijn de drie voornaamste kenmerken van het christelijke leven, en de drie grootste bewijzen van de uitverkiezing. Geloof, hoop en liefde zijn kenmerken van echt geloof (Kol.1:4-5; Rom.5:1-4).

Het negende en tiende  vers van hoofdstuk 1 loopt parallel met de drie genoemde kenmerken: het werk van geloof: (hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt); de arbeid van de liefde (om de levende en waarachtige God te dienen); volharding van de hoop (en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten);

Werk van het geloof – hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt

De boodschap van de apostel Paulus was dat alle mensen ‘met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming’ (Hand.26:19-20; 17:30). Dit geloof vond Paulus bij de Thessalonicensen. Want, schrijft hij: ‘toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, hebt u het ook aangenomen, niet als een mensenwoord, maar zoals het werkelijk is als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft’ (1 Thes.2:13). Echt geloof moet resulteren in een veranderd leven (Jak.2:14-26). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

Arbeid van de liefde – om de levende en waarachtige God te dienen

Ongelovigen leven voor zichzelf (Ef.2:1-3) maar gelovigen leven voor de ander! ‘Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten liefhebben’ en ‘Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven’ (1 Joh.3:11,16). De gelovige heeft een nieuw motief in zijn leven: ‘hij heeft Christus lief en de ander.

Volharding van de hoop – en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten

De ongelovigen hebben geen hoop. Gelovigen houden vol ook in tijden van moeiten omdat zij geloven dat de Heer Jezus eens zal komen om een einde te maken aan het lijden wat het leven in deze wereld met zich mee brengt (1 Petr.1:1-9; 4:12-16). De komst van de Heer is het steeds terugkerend onderwerp in de twee brieven van Paulus gericht aan de Thessalonicenzen. In de eerste brief gaat het over de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente, een verborgen komst die elk moment kan gebeuren. In de tweede brief gaat het over de komst van Christus op aarde nadat er meerdere gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die aan zijn komst voorafgaan.

…een voorbeeldige gemeente vormden (1:7)

‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23).

Van ‘navolgers waren ze ‘voorbeelden’ geworden. Paulus was dankbaar voor hun geloof, hoop en liefde, en voor het feit dat deze christelijke eigenschappen zich openbaarden in hun werk, door volharding en geduld. Kunnen andere gelovigen aan ons zien dat we God toebehoren? Van de eerste gelovigen lezen we dat ze: ‘dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkwamen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk’ (Hand.2:46-47). Zijn wij c.q. onze gemeente een voorbeeld voor anderen? Het getuigenis van de gemeente te Thessalonika strekte zich uit tot alle gelovigen in Macedonië en Achaje. Ze waren navolgers van Paulus geworden zoals hij het was van Christus (1 Kor.11:1).

…ze enthousiaste gelovigen waren (1:8)

Is Gods kracht zichtbaar in mijn leven? Dat zal het geval zijn als u het Woord van God door het geloof aanneemt en de Geest van God laat werken in uw hart. Ze hadden het Woord ‘aangenomen niet als een woord van mensen, maar wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft’ (1 Thes.2:13). De gelovigen in Berea staat vermeld dat ze zich: ‘gunstig onderscheidden ten opzicht van die te Thessalonika, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren’ (Hand.17:11). Het onderzoeken en lezen van de Bijbel moet er toe dienen dat u een groot hart krijgt, geen groot hoofd! ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?’ (Luk.24:32). ‘De bijbel is ons niet alleen gegeven om ons te informeren, maar om ons te transformeren’ Deze gelovigen waren nog maar een korte tijd christen en toch gaven ze een geweldig getuigenis door het woord te verkondigen (1:8). Ze hoefden de apostel daar niet eens over in te lichten want die andere gelovigen vertelden zelf welk een ingang Paulus en zijn medewerkers bij hen hadden gehad.

…ze een verwachtingsvolle gemeente waren (1:9)

De komst van Christus hield de gelovigen in Thessalonika nogal bezig, dat blijkt wel als we de inhoud van de twee brieven aan hen gericht bestuderen. Hun houding was als van waakzame slaven die hun lendenen omgord en hun lampen brandende hadden. Ze waren gelijk aan mensen die op hun heer wachten (Luk.12:35-36). Als de wederkomst van de Heer Jezus hen zo bezig hield hoeveel te meer zou het bij ons moeten zijn, wij die zoveel dichter bij de komst van de Heer Jezus staan? ‘Want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen’ (Rom.13:11)? Een levend geloof in de komst van de Heer Jezus brengt altijd praktische consequenties met zich mee. ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3). En op de laatste bladzijde van de Bijbel lezen we: ‘De tijd is nabij. Wie onrecht doet, hij doet nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’ (Op.22:11). ‘De waarde van profetie is niet speculatie maar motivatie.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

[i] Enkele belangrijke bijbelteksten i.v.m. uitverkiezing zijn: Romeinen 8:28 - 11:36; Efeze 1:3-11; 1 Thessalonicenzen 1:4; 2 Thessalonicenzen 2:13; 1 Petrus 5:13;  2 Petrus 1:10.

De stelling van Arminius (de ‘rekkelijken’)

Door een eeuwig, onveranderlijk raadsbesluit in Christus vóór de grondlegging der wereld, besloot God uit het gevallen en zondige mensengeslacht diegenen te bestemmen tot eeuwig leven, die door zijn genade in Jezus Christus geloven, en volharden in geloof en gehoorzaamheid.

Christus de Heiland der wereld stierf voor ieder mens, zodat hij door zijn dood aan het kruis verzoening en vergeving verwierf voor allen, op zodanige wijze echter dat alleen de gelovigen dit voorrecht werkelijk genieten.

De stelling van Gomarus (de ‘preciezen’)

Gomarus volgt de visie van Calvijn en diens leerling opvolger Beza in de predestinatieleer zoals vermeld in de Institutie van Calvijn als ‘de eeuwige raad van God, waardoor Hij bepaalde wat Hij met ieder mens van plan was. Want Hij schept niet ieder in dezelfde staat, maar stelt voor sommigen eeuwig heil vast, voor anderen eeuwige verwerping.’

De vijf belangrijkste punten van het Calvinisme zijn: (1) de totale verdorvenheid van de mens, (2) onvoorwaardelijke uitverkiezing, of een mens is uitverkoren heeft niets te maken met verdienste, kwaliteit of prestatie, (3) Christus is alleen voor uitverkorenen gestorven, (4) onweerstaanbare genade roept en verlost feilloos alle uitverkorenen, en (5) de volharding van de heiligen houdt in dat allen die werkelijk door God zijn uitverkoren niet verloren zullen gaan, maar zeker tot hun dood in het geloof zullen volharden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Afscheidswoorden’

 

 

2 Timotheüs 4:6-8

 

 

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

Inleiding

Laatste woorden van mensen, uitgesproken op hun sterfbedden, maken vaak indruk omdat daarin vaak hun ware aard naar voren komt. Ze willen vaak nog iets doorgeven aan de achterblijvers. We weten dat Beethoven stierf met een vuist naar de hemel opgeheven hij was teleurgesteld in het leven en vooral in Napoleon van wie hij zulke grote verwachtingen had. Ook in de Bijbel vinden we van verschillende personen ‘afscheidswoorden’ we denken maar aan Jakob, Mozes en Samuël. Van de apostel Paulus kennen we ook zijn afscheidswoorden gericht aan zijn kind Timotheüs, geschreven vanuit een Romeinse gevangenis, zoals hierboven aangehaald.

Toen Paulus zijn afscheidsbrief schreef aan zijn geliefde vriend en broeder Timotheüs schreef hij niet met angst en zorg maar met vrede in zijn hart. Hij weet dat hij zijn dood tegemoet gaat, maar het maakt hem niet bang. Hij weet dat zijn taak er bijna op zit, maar dat ontmoedigd hem niet. Zijn woorden spreken van moed en berusting in zijn situatie, en in deze houding van geloof, kijkt Paulus in drie richtingen en geeft getuigenis van zijn geloof en vertrouwen op God.

Paulus keek om zich heen

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.’

Paulus keek om zich heen en gaf te kennen dat hij er klaar voor was. Hij zag zichzelf niet als een gevangene die ter dood gebracht zou worden, maar als een offer ter heerlijkheid van God. Zijn leven wordt hem niet afgenomen; hij offert het voor de Heer. De Heer Jezus had zijn leven voor Paulus afgelegd, en nu mag de grote apostel zijn leven afleggen voor zijn Heer en Heiland. De woorden gericht tot Petrus door de Heer Jezus kunnen we zonder meer ook toepassen op Paulus: ‘Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou’ (Joh.21:18-19).

In zijn afscheidstekst vermijd Paulus het woordje ‘dood.’ Het is niet uit vrees voor de dood of uit vrees om te sterven om het woordje ‘dood’ te vermijden. Het is eenvoudig zo dat er voor een gelovige niet zo iets is als de dood. Het woord dat Paulus hier gebruikt is ‘vertrek’, en dat heeft in het Grieks meerdere betekenissen. Eén betekenis is, je tent inpakken en verder trekken, de manier waarop een soldaat dat zou doen als het leger verder trekt. Paulus zag zichzelf als een van Gods soldaten, levend in een tent – zijn sterfelijk lichaam. Hij wist dat de dood zijn tent zou wegnemen en dat hij in Gods heerlijkheid zou komen. Onze lichamen zijn tijdelijke woonplaatsen (Pred.12:7). Als de Heer ons naar huis roept, zullen we verheerlijkte lichamen ontvangen, permanente woonplaatsen, en die zullen we voor altijd houden.

Een andere betekenis is de meertouwen van een boot losmaken ter voorbereiding van het zee kiezen. Dat is wat er gebeurt als een gelovige sterft – hij verlaat de ligplaats van dit leven en deze wereld, en zet zeil naar de hemel en zijn eeuwige stranden. Paulus wist dat zijn dood een bevrijding was. De gevangenis was niet zijn permanente verblijfplaats. Zijn kleine ‘boot’ zou worden losgemaakt en hij zou aankomen aan de eeuwige kusten om de Heer Jezus te ontmoeten.

Kunt jij ook met evenveel vertrouwen om je heen kijken zoals Paulus, als je zou weten dat ook jij ‘geofferd’ zou worden?  Als je gelooft in de Heer Jezus, ben je daarvoor klaar, en is er niets te vrezen.

Paulus keek achterom

‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.’

Paulus keek niet alleen om zich heen toen hij aan het einde van zijn leven kwam; hij keek ook achterom. Omdat hij geloofde in de Heer Jezus, kon Paulus rondom zich kijken zonder vrees, en hij kon ook achterom kijken zonder spijt. Veel mensen vermijden terug te kijken op hun leven. En laten we wel zijn, er is ook een verkeerde manier om terug te kijken; het is niet goed om terug te kijken op zonden begaan in het verleden of misstappen en nederlagen. Dat maakt het mogelijk dat je vandaag ook faalt. Maar het is goed terug te kijken om te zien wat de Heer in ons en door ons heeft gewerkt. Toen Paulus terug keek, zag hij dat zijn leven niet altijd gemakkelijk was geweest. Er waren momenten van strijd geweest, er waren wedlopen gelopen, en er was een taak volbracht. Hij had tegen de wereld, het vlees en de duivel gestreden, stad na stad, en nu stond hij voor zijn laatste strijd in Rome. (Zie voor een overzicht van Paulus’ leven 2 Korinthiërs 11:23-28) Er waren tijden geweest dat hij dacht te zullen falen, maar de Heer had hem er altijd doorheen geholpen. Hij kon schrijven, ‘Ik heb de goede strijd gestreden’, en ook: ‘Ik heb mijn loop beëindigd.’ Dat was altijd Paulus’ grootste verlangen geweest: ‘Opdat ik mijn loop volbreng en de bediening, die ik van de Heer Jezus heb ontvangen…’ (Hand.20:24). Ieder van ons heeft een loop te volbrengen. God heeft aan een ieder een plaats gegeven en een taak om te doen. Onze tijden zijn in zijn hand. Sommigen is een korte tijd gegeven voor hun taak; anderen kregen meer tijd. Stefanus stierf als een jonge man; Paulus was het gegeven een langer leven te mogen hebben. Maar het is niet de lengte van je leven dat telt - het is de diepte en doel van je leven. Paulus had zijn loop beëindigd. Hij kon de Heer Jezus ontmoeten, hij wist dat zijn taak volbracht was hij had het geloof behouden. Zelfs in Paulus’ dagen waren er belijdende gelovigen die het geloof opgaven. Paulus waarschuwt Timotheüs met de woorden  dat: ‘De Geest nu uitdrukkelijk zegt, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen...’ (1 Tim.4:1). Het geloof hier betekent: ‘het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Judas vs.3) de inhoud van de christelijke leer dat lichaam van reddende waarheden waarvoor de Heer Jezus zijn leven heeft gegeven en dat we in de Bijbel, het Woord van God kunnen lezen. Als een goed dienaar, heeft Paulus dat geloof op vele manieren verdedigd, verkondigd en geleefd. Nu stond hij op het punt van het ‘podium’ te verdwijnen; het doek zou spoedig vallen!

Neem tijd om terug te kijken. Heb je de goede strijd gestreden? Ben je een overwinnaar of een slachtoffer? Ben je als een strijder op het slagveld, of een slachtoffer? Heb je jouw loop beëindigd? Heb je de wil van God gedaan vanuit je hart? En heb je het geloof behouden? Ben je trouw geweest aan het Woord van God en in het doorgeven ervan? Paulus kon zonder vrees om zich heen kijken maar ook zonder spijt achterom kijken. Ik hoop dat u en ik dat ook kunnen doen.

Paulus keek vooruit

‘Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

Paulus keek niet slechts rondom zich en achter zich, maar hij keek ook vooruit. Veel mensen zijn bang als het einde van hun leven zich aankondigt om vooruit te kijken. De Bijbel waarschuwt ons, ‘Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Heb.9:27). Maar Paulus had niets te vrezen als hij vooruit keek. Hij wist precies wat er zou gaan gebeuren: hij zou de Heer Jezus ontmoeten en van Hem de kroon der gerechtigheid ontvangen. Er is geen vrede te vergelijken met de vrede die wij in onze harten hebben wanneer we weten dat de toekomst veilig is. Paulus geloof berustte niet op de Romeinse wet, hoe goed die ook wel mocht zijn. Zijn geloof berustte niet op zijn vele vrienden, of op zichzelf en wat hij had gepresteerd. Zijn geloof was in God. Hij keek achterom zonder spijt; Hij keek om zich heen zonder angst; en hij keek vooruit zonder twijfel of vrees voor de dood  want hij vertrouwde op de Heer Jezus. Rome zou Paulus vermelden als een crimineel, maar in het boek van het leven van het Lam stond hij vermeldt als een kind van God. En hij zou uit de mond van zijn Heiland horen: ‘Goed gedaan, gij goede en getrouwe slaaf…’ (Math.25:21).

Op één of andere dag zal het leven van u en mij ook beëindigd worden. Niemand van ons kent de dag of het uur, en voor sommigen komt het misschien eerder dan verwacht. Ons ‘thuiskomen’ kan plotseling zijn; misschien hebben we iets meer tijd en kunnen we het leven de revue te laten passeren zoals Paulus dat deed in die Romeinse gevangenis. Of op een ziekbed afscheid nemen van onze geliefden. Ik hoop dat een ieder van ons in alle drie de richtingen kan kijken en daarna met hetzelfde klinkende getuigenis kan komen zoals Paulus dat in zijn laatste brief heeft geschreven. Wijdt je hart en leven aan de Heer Jezus. Wees Hem trouw, wat er ook gebeuren mag of mensen je aandoen. Het belangrijkste is niet de gunst van de mensen; het is goedkeuring van God.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Wat zegt de Bijbel?

 

 

'De genade van God is verschenen'

 

 

Titus 2:9-15  

 

 

‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

 

 

Inleiding

Enige jaren geleden ben ik op het eiland Kreta geweest en heb ik de plaats mogen bezoeken waar vermoedelijk een christelijke gemeente is geweest. Er zijn twee theorieën betreffende het ontstaan van de christelijke gemeente aldaar. De eerste is dat zij is ontstaan doordat Kretenzers, die aanwezig waren tijdens het pinksterfeest in Jeruzalem en daar het evangelie hebben gehoord, tot geloof zijn gekomen en bij hun terugkeer een gemeente zijn gaan vormen (Hand.2:10-11). De tweede theorie is dat de apostel Paulus tijdens zijn bezoek aan Kreta daar een gemeente heeft gesticht. In Titus 1:5 schrijft de apostel immers, in zijn brief gericht aan Titus, dat hij hem - Titus - op Kreta heeft achtergelaten.

Je zou je kunnen afvragen of zo’n oude brief ons nog iets te zeggen heeft. Een antwoord vinden we bij Paulus, in wat hij in zijn brief aan Timotheüs - een ander geestelijk kind – heeft geschreven: ‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2Tim.3:16). Die volkomenheid ontbrak bij de gelovigen op Kreta, en misschien ook wel bij ons? Vandaar dat Paulus Titus de opdracht gaf om in orde te brengen hetgeen nog verbetering behoefde (Tit.1:5).

Vanwege de invloed van Judaïsten (1:10, 13), maar ook door de laksheid van de Kretenzers (1:12), is deze brief geschreven en werd de gehele gemeente (oude en jonge mannen, oude en jonge vrouwen en de slaven – Titus 2:1-9) aangemaand ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’ (Tit.2:10). Waarom? Omdat de genade van God verschenen was!

‘De genade van God is verschenen…’

Petrus noemt God: ‘de God van alle genade’ (1Petr.5:10), maar je zou kunnen zeggen dat Gods genade min of meer bedekt was. Daarmee bedoel ik te zeggen dat men toen nog niet wist wat de grondslag was waarop de mensen Gods genade ontvingen. De eerste mens waarvan wij weten dat hij deel kreeg aan Gods genade was Noach (Gen.6:8). Een andere persoon was Mozes, we lezen: ‘Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te stellen? En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons van hier niet optrekken. Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn. En de HERE zeide tot Mozes: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.’ (Ex. 33:14-17).

De genade van God is verschenen, wil zeggen, het is geopenbaard in de Persoon van zijn Zoon, de Heer Jezus. ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14). Daarom kon de apostel Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijven: ‘Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden’ (2Kor.8:9). En zoals de Heer Jezus ‘woorden van genade sprak, die van zijn lippen kwamen’ (Luk.4:22). zo mochten de apostelen en mogen ook wij op onze beurt het ‘evangelie van de genade van God’ (Hand.20:24) in deze wereld verkondigen aan alle mensen, want, zegt het vervolg van dit Bijbelgedeelte, het is:

‘… heilbrengend voor alle mensen…’

Een ander woord voor heil is verlossing of redding, dat is wat de genade brengt. De Heer Jezus wordt dan ook vaak in het nieuwe testament als Heiland vermeld. De Wet was voor Israël, de genade voor alle mensen, dat wil zeggen ze strekt zich uit tot alle mensen. Nog duidelijker verwoorden de Herziene Statenvertaling en de Telosvertaling het: ‘Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de wet en de profeten is getuigd: namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid’ (Rom.3:21-22). De Bijbel leert geen alverzoening (de foute leer dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden), maar ook geen beperking van een aantal uitverkorenen. Nee, wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17). ‘Want de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mat.20:28).

‘… om ons op te voeden…’

De Herziene Statenvertaling zegt: ‘En leert ons (onderwijst ons - Telos-vert.) de goddeloos-heid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen (ingetogen - Telos-vert.), rechtvaardig en godvruchtig te leven’ (Tit.2:12). Dus Gods genade brengt ons niet alleen het heil, maar vraagt ook om een veranderde levenshouding, want: ‘vrijgemaakt van de zonde bent u slaven van de gerechtigheid geworden’ (Rom.6:18).

Door onze wedergeboorte zijn wij in een nieuwe positie gekomen – in Christus zijn we een nieuwe schepping geworden – maar met veel dingen uit het verleden moeten we nog afrekenen. Dit betekent dus een actief handelen van onszelf. We zijn kinderen die opgevoed moeten worden naar de principes van onze hemelse Vader.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld’ (1Joh.2:15-16). Met drie gebieden van ons leven dienen we rekening te houden. Ten eerste: ‘de begeerte van het vlees’, wat kan duiden op (verkeerde) natuurlijke verlangens. Ten tweede: ‘de begeerte van de ogen’, wat een zucht kan zijn naar allerlei materiele verlangens, en ten slotte de begeerte van de menselijke geest, ‘een hovaardig leven’ of hoogmoed.

We moeten niet alleen dingen afleren maar ook aanleren: bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig leven. Ten eerste, een naar binnen gerichte actie: bezonnen leven. Het gaat er niet alleen om dat ons hart vernieuwd is, maar ook ons denken zal vernieuwd moeten worden; een verandering van binnenuit (Rom.12:1). Ten tweede, een naar buiten gerichte actie: rechtvaardig leven. Wanneer we trachten goed te doen aan alle mensen, is dat een blijk van een leven in gerechtigheid (Gal.6:9-10). En ten derde, een naar ‘boven’ gerichte actie: godvruchtig leven. We zijn niet meer van onszelf maar behoren aan Christus toe, opdat wij voor God vrucht zouden dragen (Rom.7:4; 1Kor.6:19-20).

‘… in de verwachting van de gelukzalige hoop…’

Van de gelovigen in Thessaloniki staat geschreven ‘hoe zij zich van de afgoden tot God bekeerd hadden, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1Thes.1:9-10). Zij hadden begrepen dat het één niet zonder het andere kan! We worden niet behouden door werken, maar door een geloof dat werkt! Het is een totaalpakket, niet alleen de voorrechten maar ook de verplichtingen!

En wij dienen God in het vooruitzicht van de komst van Jezus Christus, want dan zal alles wat we voor Hem hier op aarde hebben gedaan voor zijn rechterstoel geopenbaard worden en zullen we onze beloning ontvangen (2Kor.5:10). ‘En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen (Op.19:6-8). ‘Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen’ (2Tim.2:15). ‘Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen (Luk.9:26).

Mogelijke kennis van de belangrijkste zaken van het christelijk geloof ontslaat ons er niet van de nederigste taken van het christelijk leven te doen.

‘…Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

Gods genade is geopenbaard in de Heer Jezus, en opdat wij daaraan deel zouden kunnen krijgen was het nodig dat Hij voor ons aan het kruis van Golgotha zou lijden en sterven. De Heer Jezus heeft zich overgegeven voor de Gemeente (Ef5:25), voor mij (Gal.2:20) en voor onze zonden (Gal.1:4). Twee redenen worden ons hier gegeven waarvoor de Heer Jezus Zich heeft gegeven. Om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en om een eigen volk te hebben, volijverig in goede werken. De reiniging komt tot stand door het Woord van God. ‘Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord’ (Ef.5:29). Dat betekent niet alleen Gods Woord lezen, hoe goed dat ook is, maar het toepassen in ons leven. Het Woord van God was werkzaam in de gelovigen te Thessaloniki omdat ze het Woord hadden aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als het woord van God (1Thes.2:13-14). ‘Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2Tim.3:16 - HSV). Dat brengt ons bij het laatste onderwerp: goede werken.

De brief van Titus legt grote nadruk op goede werken (1:16; 2:7, 14; 3:1, 8, 14). We zijn niet behouden door goede werken (3:5) maar door een geloof dát werkt!. De apostel Petrus zegt het met andere woorden: ‘Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1Petr.2:9). Zoals al eerder gezegd, we worden opgeroepen ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’, want de genade van God is verschenen! (Tit.2:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Een beter offer'

 

 

Hebreeën 11:4

 

‘Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is’ (Hebreeën 11:4).

 

 

Inleiding

Kaïn en Abel hadden dezelfde afkomst, groeiden op in dezelfde omgeving, oefenden beiden een beroep uit en waren beiden religieus. Toch was Kaïn een moordenaar. Het grote verschil tussen Abel en Kaïn was geloof. Door zijn geloof werd Abel een martelaar en Kaïns ongeloof maakte van hem een moordenaar. Kaïn was religieus maar niet rechtvaardig. We moeten leren dat het geloof in Jezus Christus waard is om voor te sterven, en dat de wedloop uitlopen ons iets kost! (Hebreeën 12:1-3).

1. Abel was een gelovige

Wat is echt geloof? Er is wel gezegd: ‘echt geloof is God gehoorzamen ongeacht gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons of consequenties voor ons.’ Of Abel verwacht had dat hij voor zijn geloof in God zou moeten sterven weten we niet, maar in zijn geval was het wel de uiterste consequentie. De bijbel is eensluidend over het geloof van Abel, hij werd door de Heer Jezus een rechtvaardige genoemd (Mattheüs 23:35; Hebreeën 11:4) maar ook zijn werken waren rechtvaardig (1 Johannes 3:12).

Hoe was Abel een rechtvaardige geworden? Abel en Kaïn waren kinderen van Adam en Eva en evenals hun ouders zondaars. ‘Komt ooit een reine uit een onreine – niet één’ (Job 14:4).

‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12). Omdat daarom ieder mens schuldig voor God staat kon God genade bewijzen aan de mensheid, want ‘evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden’ (1 Korinthiërs 15:22).

Van wie had Abel zijn geloof? Hadden zijn ouders hem verteld hoe zij van God waren afgeweken en waarom een engel de ingang tot het paradijs bewaakte? Hadden ze hem onderwezen in de wijze waarom een mens tot God moet naderen? Het eerste offer dat gebracht geworden in de bijbel is het dier dat geslacht werd om Adam en Eva te bekleden (Genesis 3:21). Dit spreekt natuurlijk van Christus, Gods grootste offer. ‘Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld’ (Jesaja 61:10). Abel bracht God een offer van een dier want hij had begrepen dat er ‘zonder bloedstorting geen vergeving is’ (Hebreeën 9:22). Zó zal hij dat van zijn ouders geleerd hebben mogen we geloven.

2. Abel groeide in zijn geloof

Abel was niet alleen een rechtvaardige maar ook een aanbidder; een aanbidder die tot het altaar komt. Wanneer we, door het lezen van de bijbel, verstaan wie God is en wat Hij heeft gedaan om ons te kunnen redden dan zullen we tot aanbidding komen. Groei resulteert in aanbidding. Bij aanbidding gaat het om de Persoon van God niet om ons of onze redding.

Aanbidding dient niet alleen te bestaan uit woorden, maar woorden dienen gevolgd te worden door daden. Abel bracht ‘een van de eerstelingen zijner schapen’, hij gaf het beste van wat hij had aan God, en wat doen wij? Nee, we hebben vandaag geen tempels, altaren en dieren om te offeren, maar dat wil niet zeggen dat wij geen offers kunnen brengen! Het nieuwe testament onderwijst dat wij onze lichamen als een offer aan God kunnen toewijden (Romeinen 12:1). We kunnen God met onze mond loven en prijzen en goede werken doen (Hebreeën 13:15,16). Ons geld en andere materiële zaken kunnen een offer zijn (Filippi 4:10-18). Ook onze gebeden kunnen een offer voor Hem zijn (Psalm 141:2) maar een gebroken hart kan eveneens een offer zijn (Psalm 51:19). In elke geval willen wij, evenals David, de Here geen brandoffers brengen, die ons niets kosten (2 Samuël 24:24).

3. Abel was bereid om voor zijn geloof te lijden

‘Opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar’ (Mattheüs 23:35). Abel was de eerste in de rij van martelaren die vanwege hun geloof het leven lieten of lijden ondergingen. In Hebreeën 11 vinden we een opgave van mensen die om hun geloof in God vervolgd zijn geworden (Hebreeën 11:36v.). In dit hoofdstuk vinden we de namen van drie ongelovigen: Caïn (11:4), Esau (11:20; zie ook 12:14-17), en de Farao (11:23-29). Deze drie staan voor de drie vijanden die gelovigen hebben. Ten eerste de wereld (Farao, want Egypte is een beeld van de wereld). Jakobus zegt dat vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God (Jakobus 4:4). Ten tweede de begeerten van het vlees (Esau) ‘want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees’. Ten slotte de duivel (Caïn, want hij was uit de boze, volgens 1 Johannes 3:12) die zich kan vertonen als een engel van het licht of als een brullende leeuw.

Ook wij dienen hiermee rekening te houden want op een of andere manier zal ons geloof beproefd worden en de vraag is of wij bereid zijn de (ultieme) prijs te betalen. ‘Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden’ (Filippi 1:29).

4. Van Abels geloof ging een getuigenis uit

In de bijbel zijn geen woorden te vinden die Abel heeft uitgesproken en toch ‘spreekt’ hij tot ons (Hebreeën 11:4). We lezen hetzelfde van de schepping: ‘De hemelen vertellen Gods eer,

en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld’ (Psalm 19:1-5). De Here zei tot Kaïn, na de moord op zijn broeder Abel, ‘Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem’ (Genesis 4:10).

In de brief aan de Hebreeën wordt het bloed van de Heer Jezus vergeleken met het bloed van Abel: ‘tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel’ (Hebreeën 12:24). Abels bloed sprak vanuit de aarde, terwijl het bloed van Christus getuigenis droeg van de hemel. Abels bloed schreeuwde om wraak, terwijl het bloed van Christus spreekt van verzoening en genade. Vanwege het vergieten van het bloed van zijn broer werd Kaïn van Gods aanwezigheid verwijderd (Genesis 4:14) het bloed van Jezus Christus opent ons de weg om in Gods tegenwoordigheid te komen (Hebreeën 10:19-25). Het bloed van Abel spreekt ons van de dood, terwijl het bloed van Christus spreekt van eeuwig leven. Abel is dood, maar Jezus leeft! Abels bloed kon geen zonden wegwassen, maar Christus bloed reinigt ons van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9). Welk getuigenis gaat van ons geloof uit!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Wat zegt de Bijbel?

 

 Mozes

 

 

‘Als geloof nee zegt!’ 

 

 

 

(Hebreeën 11:23-29)  

 

 ‘Maar indien het kwaad is in uw ogen, de HERE te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!’ (Jozua 24:15).

 

Inleiding

‘Wanneer het geloof ja zegt tegen God, moet het vanzelfsprekend nee tegen iets anders zeggen, anders maak je een compromis. Je maakt dan eigenlijk een overeenkomst tussen twee personen of zaken waarbij ieder iets toegeeft; dat is water bij de wijn doen! God vraagt totale toewijding of overgave aan Hem; we kunnen geen twee meesters dienen (Math. 6:24). Omdat Abraham God geloofde, verliet hij Ur der Chaldeeën en ging naar Kanaän. Hij vroeg geen garanties en deed geen pogingen om bepaalde gunsten te verkrijgen. Hij gehoorzaamde eenvoudig. Hij zei ja tegen God en nee tegen Ur der Chaldeeën. Beide beslissingen maakten hem tot een geloofsheld en is daarom opgenomen in het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën. Het is relatief gemakkelijk om ja tegen God te zeggen, maar moeilijker om nee tegen de wereld, het vlees of de duivel te zeggen. Lot zei ja tegen God maar heeft nooit nee tegen de wereld gezegd, en het einde van Lot was een grot waar donkerheid, dronkenschap en sexuele misstanden waren. Demas heeft de tegen-woordige wereld lief gekregen, en mij verlaten’ schrijft Paulus, in een tijd waarin hij dringend hulp nodig had. (2 Tim. 4:10). In zijn boek ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ schets de schrijver Bunyan ons dat velen onderweg op de weg bezweken omdat ze niet geleerd hadden om nee tegen de andere dingen te zeggen. In deze studie over het leven van Mozes gaan we na wanneer ‘nee’ gezegd werd door Mozes maar ook door zijn ouders, en daar beginnen we mee.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd’ (Hebr. 11:23).

1. Nee, tegen het gezag.

Wat een voorrecht om gelovige ouders te hebben! De ouders van Mozes leefden in een zeer moeilijke tijd, waarin de farao ‘listig met het volk handelde’ (Hand. 7:19vv). Hij behandelde het volk slecht en had bevolen dat ze hun jonge kinderen te vondeling moesten leggen, en dat alle jongetjes gedood moesten worden. ‘Werpt alle jongens die geboren worden, in de Nijl, maar alle meisjes moogt gij laten leven’ was wat de farao had geboden (Ex. 1:22). In die tijd werd Mozes geboren, als derde kind in het gezin van Amran en Jochebed, bepaald geen tijd waarin je uitzag naar nóg een kind, en als het dan ook nog een jongetje is… (Ex. 2:1; 6:19). Amran en Jochebed wisten dat Mozes niet zomaar een jongetje was want: ‘hij was mooi voor God’; het was een speciaal kind, dus verborgen zij het kind en na drie maanden legden zij het te vondeling (Hand. 7:20v; Hebr. 11:23v;   Ex. 2:2). God had een speciale bedoeling met Mozes; hij zou het volk uit Egypte leiden op weg naar het beloofde land.

Amran en Jochebed gingen dus in tegen het gebod van de farao om het kind te doden en terecht! Het is normaal dat een gelovige aan het gezag dat boven hem gesteld is gehoorzaamd, maar er kunnen zich situaties voordoen in het leven waarin burgelijke ongehoorzaamheid vereist is, dat je nee moet zeggen, zoals hier (Rom. 13:1-7; Tit. 3:1; 1 Petr. 2:13-17). Farao’s gebod geen immers regelrecht tegen Gods gebod in! Ze stonden in deze ‘ongehoorzaamheid’ niet alleen, ze volgden daarin de vroedvrouwen, want: ‘De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte haar gezegd had, maar lieten de jongens in leven’ (Ex. 1:17). Door het nee tegen farao’s gebod werd Mozes leven gered; wees blij wanneer je gelovige ouders hebt die resoluut in hun geloof zijn!

Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen’ (Hand. 5:29)

+++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding’ (Hebr. 11:24-26).

2. Nee, tegen de zonde.

Is het u al opgevallen dat de uitdrukking ‘door het geloof’ veel voorkomt in Hebreeën 11:23-29? ‘Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn’ (Hebr. 11:6) en dat is wat Mozes wilde, voor God welgevallig, aangenaam zijn. Daarom weigerde Mozes! Door het geloof had Mozes de kracht te weigeren om door te gaan als een zoon van Farao’s dochter; om te genieten van de zonde, de zonde, die ons zo licht in de weg staat, waardoor een groei in het geloof belemmerd wordt (Hebr. 12:1).

Zouden wij ooit van Mozes hebben gehoord als hij niet geweigerd had, als hij niet nee gezegd had? Misschien zou ergens op een tempelmuur, obelisk of pyramide een inscriptie gevonden zijn met zijn naam erop, en dat zou alles zijn. Maar vandaag hebben de meeste mensen wel eens van Mozes gehoord en is hij opgenomen in de lijst van geloofshelden in Gods Woord (Hebr. 11). Misschien zijn we geneigd om te denken: ‘Mozes had beter in Egypte kunnen blijven dat had hij veel meer voor het volk Israël  kunnen betekenen. Hij had immers door zijn positie invloed kunnen aanwenden ten gunste van het volk!’ Maar God had andere plannen met Mozes, Hij wilde door hem het volk uit Egypte verlossen. Hij handelde met Mozes anders dan met bijvoorbeeld, Jozef, Esther of Daniël die in eenzelfde positie waren en aan het hof moesten blijven. God gaat met een ieder van ons een eigen weg.

Mozes had een langetermijnvisie, hij zag de tijdelijkheid en betrekkelijkheid in van de genietingen van de zonde en van de schatten van Egypte en dat wilde hij niet, hij wilde iets beters, de smaad van Christus en de beloning van God.

Stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God’ (Rom. 6:13)

++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke’ (Hebr. 11:27).

3. Nee, tegen de wereld.

Het was de tweede keer dat Mozes Egypte verliet. De eerste keer op de vlucht vanwege de doodslag op een Egyptenaar en uit angst (Ex. 2:11-15). De tweede keer in de volle kracht van het geloof en ziende op de Onzienlijke! Mozes had geen vrees voor de toorn van de Farao want: ‘er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit’ (1 Joh. 4:18). Evenals Jozef is Mozes hier een prachtig beeld van de Heer Jezus. Beide mannen, Jozef en Mozes, wilden hun broeders redden maar werden ze afgewezen. Bij hun tweede ‘komst’ werden ze aanvaard (Hand. 7:12-13). Zo ook de Heer Jezus. Bij zijn eerste komst werd hij door het volk afgewezen, ze schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer’ (Joh. 19:15). Bij zijn tweede komst zal Hij door hen worden aangenomen (Zach. 12:10; Math. 24:30).

Egypte is een gekend beeld van de wereld, de wereld met al zijn geneugten en gemakken. Zo’n wereld kan een grote aantrekkingskracht hebben ook op het hart van een gelovige die niet wandelt in de kracht van Gods Geest. Lot is het klassiek voorbeeld van een gelovige die wel Egypte had verlaten, maar in zijn hart was ‘Egypte’ nog volop aanwezig. Van Demas moest de apostel helaas zeggen: ‘hij heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’ (2 Tim. 4:9). In de gelijkenis van de zaaier lezen we ‘dat wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht (Luk. 8:14).

Mozes, op weg naar het beloofde land, keerde zijn rug naar Egypte, de wereld, en had definitief afscheid genomen. Maar zo gemakkelijk was dat niet, Farao wilde hem en de Israëlieten terughalen om ze weer in zijn dienst te hebben. En die strijd zullen ook wij ervaren, de satan wil ons terug in zijn dienst, laten wij dan ook evenals Mozes ‘standvastig, bliujven als ziende de Onzienlijke’.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem’ (1 Joh. 2:15).

+++++++++++++++++++++++++

Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken’ (Hebr. 11:28).

4. Nee, tegen de farao.

De HERE, de God van Israël had tot Mozes en Aaron gezegd, zeg tegen de Farao: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren. Maar Farao zeide: Wie is de HERE, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan. Later kwam Farao daar schoorvoetend op terug, hij wilde ze laten gaan mits ze niet te ver weggingen, de mannen alleen zouden gaan en tenslotte wilde hij ze laten gaan maar ze mochten hun vee net meenemen. (8:28, 10:11, 10:24). Maar met al die voorstellen ging Mozes niet akkoord, hij luisterde niet naar de Farao, hij zei nee tegen de Farao en ja tegen de Here.

Nadat Farao zijn hart herhaaldelijk had verhard, verhardde de Here tenslotte zijn hart, zoals God had voorzien en voorzegd  (Ex. 4:21, 10:20, 11:10) De laatste plaag ging komen over Egypte, de dood van de eerstgeborenen van zowel van de Egyptenaren alsmede van de Israëlieten!  Maar de Here gaf een middel waardoor de eerstgeborene gespaard kon worden voor het oordeel, alleen die huizen zouden gespaard worden waar het bloed aan de deurposten gestreken was. Er was geloof voor nodig om te aanvaarden dat het bloed van een lam hen zou kunnen beschermen voor de dood van de eerstgeborenen. Ze hadden niets anders dan de belofte van God die had gezegd: ‘wanneer ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij!’ (Ex. 12:13). Die nacht moesten ze een keuze maken geloven in het gezag van de Farao’s woord of het gezag van Gods Woord. Mozes en vele anderen had dat geloof, hij vierde het Pascha, streek het bloed van het lam aan de deurpost en maakte zich op om te gaan naar het beloofde land. Heeft u ook dat geloof dat het bloed van hét Lam u kan redden en kan brengen in de hemel?

‘Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed’ (Openb. 1:5).

++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden’ (Hebr. 11:29)

5. Nee, in beproevingen.

U kent de geschiedenis. Mozes en het volk verkeerden in een uitzichtloze situatie ze stonden voor de Rode zee, en wat nu? Ze waren uit Egypte vertrokken en de reis naar het beloofde land was begonnen. Hun geloof zou tijdens die reis vele malen op de proef gesteld worden, en het begon al onmiddellijk na hun vertrek. Farao kwam namelijk tot de ontdekking dat hij een verkeerd besluit genomen had. ‘Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël uit onze dienst hebben ontslagen? Daarop spande hij zijn wagen aan en nam zijn volk met zich. Hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, alle volledig bemand’ (Ex. 14:6-7). Het zag er niet goed uit voor Mozes en het volk, de wildernis rondom hen, de Rode zee vóór hen en de Farao achter hen! Het volk werd bevreesd en er werd een oplossing voorgesteld: ‘laten we maar terugkeren naar Egypte, Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven’. Mozes zei: ‘houdt stand ‘, blijf waar je bent. Maar God zei: ‘Ga voorwaarts!’, God opende de zee en het volk trok er door  (Ex. 14:12-14).

Iemand heeft eens gezegd: ‘Je hebt nog nooit geleerd volledig op God te vertrouwen, dan wanneer je Hem hebt vertrouwd in onmogelijke situaties!’ Hoe vaak overkomt het ons dat wij in een situatie verkeren waarin, menselijkerwijs, geen uitkomst is, en wat doen we dan? Keren we terug, blijven we staan of gaan we door in het geloof dat God in staat onze ‘storm’ te veranderen in een ‘zachte koelte’?

‘Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ (Hebr. 13:5-6).

++++++++++++++++++++++++++++

Besluit

We hebben verschillende momenten in het leven van Mozes onderzocht en besproken en gezien dat een volledige toewijding en vertrouwen op God de beste manier is om van je leven als gelovige een succes te maken. Maar dan moeten we soms in geloof nee durven zeggen in diverse situaties om te ervaren dat een ja tegen God  de beste weg is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Wedloop!

 

Hebreeën 12

 

Inleiding

‘Het is veel gemakkelijker naar de kerk te gaan, dan ‘kerk’ te zijn! Ik bedoel, om een levende steen te zijn in het huis van God, de Gemeente. Het leven van de eerste christenen was niet zonder moeite, zoals de Heer Jezus uit de synagoge werd gegooid (Luk.4:1-30), zo werden ook de apostelen en de gelovigen uit de synagoge gezet (Joh.9:34-38; Hand.13:46-52; 14:1-6; 17:1-9). Ook in de brief aan de Hebreeën lezen we ervan (10:32-34) en daarom hebben we volharding nodig, opdat u na de wil van God gedaan te hebben, de belofte ontvangt (10:36). In hoofdstuk 12 wordt daarom ook gesproken van een wedloop die vóór ons ligt (12:1), en zoals bij elke wedloop worden de prijzen aan de meet uitgereikt. Veel gelovigen geven op en dat hoeft niet, volharding is mogelijk ook in moeilijke omstandigheden. ‘Wij roemen in de verdrukking, daar wij weten dat verdrukking volharding werkt, en volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop’ (Rom.5:3-4). Het woord volharding wordt in de brief aan de Hebreeën twee keer op de Heer Jezus toegepast (Heb.12:2, 3) en eenmaal op de lijdende gelovige (12:7). De brief aan de Kolossenzen onderwijst ons ‘dat wij met alle kracht bekrachtigd zijn, naar de sterkte van zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld, met blijdschap’ (Kol.1:11). We hebben geduld nodig met moeilijke mensen en volharding in moeilijke omstandigheden. Opgevers zijn geen overwinnaars, en de gelovigen vermeld in hoofdstuk 11 hebben niet opgegeven! Echt geloof is gehoorzaamheid aan Gods Woord, ongeacht de gevoelens in ons, of de omstandigheden rondom ons, of consequenties voor ons.

Het voorbeeld van de Zoon van God (12:1-4)

Kijk om je heen!

Het eerste waar de schrijver onze aandacht op wil vestigen is die grote wolk van getuigen waarover het vorige hoofdstuk ging! Door ‘geloof’ lezen we, hebben ze het einde van hun loop volbracht. Het woordje ‘getuigen’ wil niet zeggen dat ze als het ware in de hemel zitten en naar beneden kijken hoe wij het doen, nee, zij dragen het getuigenis van het geloof in zichzelf! Wij mogen naar hen kijken om te leren hoe zij hun weg hebben uitgelopen. Je zult tot ontdekking komen dat zij, evenals wij, niet volmaakt waren, maar ze bleven volharden op de eenmaal ingeslagen weg. Vandaar dat de apostel spreekt van ‘de zonde die ons licht omstrikt’ en ‘met volharding de wedloop lopen’. Wat zij hebben ervaren in hun tijd en hun wedloop kunnen ook wij ervaren.

Let op jezelf!

Uiteraard kan het zien naar de overwinnaars een stimulans zijn, maar we moeten ook acht geven op onszelf (1Tim4:16). Paulus ziet de gelovige hier als atleten, zoals hij vaker doet (1Kor.9:24-27). Een atleet nu dient zich te onthouden van alles wat zijn prestaties kan beïnvloeden; hij moet zijn lichaam onderwerpen om het beste eruit te halen. Hij moet zo, als een getraind deelnemer, de wedloop lopen opdat hij de prijs ontvangt! Vandaar dat melding gemaakt wordt van ‘de zonde’ die ons licht omstrikt en ons volledig kan vangen zodat we tot niets meer in staat zijn.

Zie op Jezus!

Je kan teleurgesteld zijn in mede-gelovigen, in je gemeente waar je deel van uitmaakt, in jezelf, maar je kan nooit teleurgesteld zijn of worden in de Heer Jezus! Hij is het perfecte voorbeeld, de overste leidsman en voleinder van het geloof! Dus als we de wedloop lopen en het moeilijk krijgen dan worden we opgeroepen onze aandacht te vestigen op de Heer Jezus, Die, om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Van de apostel lezen we, toen hij op weg was naar Rome, en het moeilijk had moed vatte toen hij de broeders zag die hem tegemoet waren gekomen (Hand.28:15). We hebben allemaal de neiging de moed te laten zakken als de tegenstand groot is, of moe worden wanneer beproevingen te lang duren. Het gevaar bestaat dat we bezwijken in ons geloofswandel. De remedie is te zien op Jezus die om de vreugde die voor Hem lag alles heeft verdragen! Daarom mogen we zeggen dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden (Rom.8:18).

De garantie van Gods liefde (12:5-13)

Gods Woord

Werden we in vers 1 gewaarschuwd ‘voor de zonde die ons licht omstrikt’ hier worden we er nogmaals op gewezen, maar nu zegt de apostel dat er een strijd tegen de zonde is! We hebben tegenstand van buiten, maar ook een macht in ons midden, de zonde (Rom.7:16). We weten dat de gelovigen die Paulus op het oog heeft, veel tegenstand hebben gekend (10:32-34) en het is mogelijk dat ze moe werden en op het punt stonden te bezwijken omdat ze niet inzagen dat God men hen bezig was; ze waren wellicht vergeten dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die gelovigen! (Rom.8:28). Vervolging kan dan ook meer betekenen dan dat alleen! In de tijd dat Stéfanus gestenigd werd, ontstond er een grote vervolging tegen de gemeente, maar zij die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord (Hand.8:1, 4). Is het niet vaak zo, dat wij in onze wereld waarin de verzorgingsstaat alles regelt, tegenslagen alleen als iets negatiefs ervaren worden in plaats van het positieve daarin te gaan ontdekken. Vaak wordt tuchtiging verkeerd begrepen en men denkt dat het straf is op de ongehoorzaamheid van een gelovige. Maar God zal nooit een gelovigen straffen, wel tuchtigen, tot de orde roepen en dat altijd met het doel van goede gelovige een betere gelovige te maken. Dat doel is o.a. persoonlijke geestelijke groei (Joh.15:1-3).

Persoonlijke ervaringen

Verdragen wij de tuchtiging van God nog wel, of wijzen we ze af? God laat het toe dat zijn kinderen soms een moeilijke weg moeten gaan. U vindt dat moeilijk te begrijpen, maar want denkt u dan van bijvoorbeeld Jozef en Job en zoveel anderen? (Heb.11:32-38). Vergeet niet dat God met u bezig is wanneer u getuchtigd wordt, en dat maakt duidelijk dat u geen bastaard, maar een echt kind van God bent en dat God u geestelijk zó wil maken dat u meer op zijn Zoon gaat lijken en opdat Hij gestalte in mag krijgen! (Rom.8:29; Gal.4:20). Denk eraan dat we als kind ook een vader hadden die ons tuchtigde en waarvoor we ontzag hadden, zullen wij dan niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven? (12:9).

De resultaten

Onze vaders naar het vlees tuchtigden ons wel zoals goed dachten, maar God tot ons nut, opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen (12:10). Daarin zit het verschil, God bezorgt ons nooit onnodig leed, maar Hij heeft altijd een positief doel op het oog, ofwel ten goede voor onszelf of opdat hij ons in situaties brengt waarin we iets belangrijks voor Hem kunnen betekenen. Paulus, die om Christus wil in de gevangenis was geraakt, kon getuigen dat zijn gevangenschap veeleer tot bevordering van het evangelie had gediend (Fil.1:12). Jozef kon getuigen dat God hem naar Egypte had laten gaan om een groot volk in leven te behouden (Gen.50:20; 45:5, 7). Zou u geen ‘Paulus’ of ‘Jozef’ willen zijn? Nee, God tuchtigt ons tot ons nut opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen. Het is inderdaad zo dat alle tuchtiging op het ogenblijk dat ons het overkomt geen reden voor vreugde is maar voor droefheid, maar daarna geeft zij aan hen, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid! Behoort u bij de geoefenden?

Aansporingen (12:12-17)

De verzen 12-17 wordt door het woordje ‘daarom’ verbonden met de voorgaande verzen en de rest van dit hoofdstuk. Het is één van de vijf aansporingen in de brief aan de Hebreeën. De andere aansporingen of vermaningen in de brief zijn 2:1-4 (niet afdrijven van de behoudenis), 3-7-4:13 (een hard hart); 5:11-6:20 (niet traag worden); 10:26-39 (eigenzinnigheid) en de laatste mogelijke weigering om te luisteren. De bedoeling van deze aansporingen zijn om de aandacht van de gelovigen te vragen rekening te houden met Gods Woord, niet als een dreigement maar als een aansporing om te volharden, en opdat er geen verbittering optreedt vanwege de doorgemaakte tuchtigingen en beproevingen.

De aanwezigheid van Gods genade (12:17-29)

Kijk eens achterom (15-17

Aansporingen zijn nodig want kijkt u maar eens achterom en zie hoe het met Ezau is gegaan die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht. Het was een daad van onverschilligheid die hem daartoe dreef en hij mistte daarom de zegen die hij achteraf met tranen zocht, maar het was te laat! (Gen.25:27-34; 27:30-45). De verzen 14-17 spreken van geestelijke ijver, bitterheid ten opzichte van anderen (Deut.29:18), seksuele onreinheid, en een ongeestelijk leven. Je kunt denken dat Ezau een godslasterlijk en een moreel onrein persoon was, maar hij toonde zich eerder als een sympathieke man en een goede jager, en een man die zijn vader liefhad. Hij zou een fijne buurman kunnen zijn, maar hij had weinig of geen interesse in dingen van God. Ezau mag voor ons een waarschuwing hoe we niet moeten leven.

Kijk eens naar boven (18-24)

Wat een verschil met de openbaring van God in het oude en het nieuwe verbond; de Wet en de Genade! Wat een verschil tussen de berg Sinaï en de berg Sion. Dit was de stad waar de aartsvaders naar hadden uitgekeken (11:10, 16). ‘Want wij zijn niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, maar we zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen en tot Jezus!’ Geen vrees of angst, maar een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen. De engelen zijn daar, de gelovigen, maar heerlijkst is daar zien we Jezus! Vandaar de oproep: Kijkt u uit dat u Hem die spreekt niet afwijst! Dat wil je toch niet missen!

Kijk eens naar voren (25-29)

Het Jeruzalem hierbeneden is vernietigd door de Romeinen en wat er nu nog van te zien is is slechts een schaduw van haar vroegere glorie. Het Jeruzalem dat boven is eeuwig en zal voor altijd blijven bestaan; het is onwankelbaar! Met die heerlijkheid die voor ons ligt (Rom.8:18) moet het ons niet moeilijk vallen die genade vast te houden en, zolang we hier nog zijn, God te dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, vandaar de woorden ‘God is een verterend vuur’ waarmee dit hoofdstuk wordt afgesloten. Eerder is er al op gewezen dat het ‘vreselijk te vallen is in de handen van de levende God (10:31)! Door het offer van de Heer Jezus zijn wij, die veraf waren dichtbij gebracht (Ef.2:13) en de liefde bant alle vrees uit, maar we mogen nooit vergeten dat er een oneindige afstand is tussen de Schepper en zijn schepselen. ‘God is in de hemel, en wij zijn op aarde! (Pred.5:1). We mogen daarom dan ook respect, ontzag en eerbied vertonen door middel van onze wandel als zijn kinderen hier op aarde in het vooruitzicht eenmaal bij Hem te zijn. Ziet u er naar uit? Loopt u de wedloop uit om de prijs te ontvangen, dan ligt die heerlijkheid op u te wachten!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX