Brieven van de apostel Paulus 2

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn volgende artikelen geplaatst:

 

 

 

 

Inleiding en Indeling op de brief aan de Galaten

Inleiding en Indeling op de brief aan Efeze

Zitten - Wandelen - Standhouden : Efeze 1-3

Zitten - Wandelen - Standhouden - Efeze 4-5

Zitten - Wandelen - Standhouden - Efeze 6

Inleiding brief aan de Filippiërs

Paulus' omstandigheden in Filippi

Nieuws uit Rome

Vier voorbeelden om na te volgen

Om Hem te kennen!

Christus onze kracht

Inleiding en Indeling brief aan Kolosse

Inleiding en Indeling 1 Thessalonicenzen

De eerste brief aan de Thessalonicenzen - Hoofdstuk 1

Inleiding en Indeling 2 Thessalonicenzen

 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de brief aan de Galaten

 

 

 

I. Achtergrond

Galliërs uit het oude Europa, oorlogszuchtige stammen, waren eeuwen voor het christelijk tijdperk Klein-Azië binnengedrongen. Zij stichting een natie die ze Galatië noemden dat ‘het land van de Galliërs’ betekend. Ongeveer vijfentwintig jaar voor de geboorte van Jezus, maakten de Romeinen Galatië tot een van haar grootste provincies en noemde de hele regio ‘Galatië’. Met andere woorden, wanneer je spreekt over Galatië in Paulus’ dagen, moest je duidelijk maken of je de natie bedoelde of de regio, de Romeinse provincie. Het probleem dient zich elders in de wereld ook wel voor, als iemand zegt: ‘ik ga naar New York’ bedoelt hij de stad op de staat?

Dit probleem komt ook aan de orde wanneer we de brief aan de Galaten bestuderen. Schreef Paulus de brief aan de gemeenten in streek Galatië of naar de gemeenten in de Romeinse provincie Galatië? Sla maar eens een Bijbelse atlas op dat kun je zien wat bedoeld is. De meeste voorkeur gaat uit naar de visie dat Paulus schreef aan de gemeenten in de Romeinse provincie, die hij tijdens zijn eerste reis gesticht had (zie Hand.13:1-14:28). Met andere woorden hij schreef aan de gelovigen in Iconium, Lustra en Derbe. Als dit juist is, betekent het dat de brief aan de Galatiërs de eerste brief van Paulus is, waaruit duidelijk blijkt dat het Evangelie van de genade van God door Paulus verkondigd werd, zowel aan het begin tot aan het einde van zijn bediening.

II. Onderwerp

Het is nuttig wanneer je de inleiding van het boek Handelingen zou raadplegen en in het bijzonder hoofdstuk 15. In de eerste vijf hoofdstukken van het boek Handelingen werd de boodschap van het koninkrijk voorgesteld en aangeboden aan de Joden door de apostel Petrus en de rest van de twaalf discipelen. Hun antwoord was de steniging van Stéfanus (Hand.7). Toen werd de boodschap en het koninkrijk aan de Samaritanen voorgesteld (Hand.8) en vervolgens aan de heidenen (Hand.10-11). Tussen deze twee gebeurtenissen in, had de bekering van de apostel Paulus plaats (Hand.9). Door God werd aan Paulus het geheimenis geopenbaard dat de boodschap van het koninkrijk (tijdelijk) overging naar de Gemeente. Hoe dan ook, sommige gelovigen (die volhielden aan de Joodse religie) realiseerden zich niet dat het Evangelie van genade daarvoor in de plaats kwam, voor Jood en heiden.

De zaak kwam uiteindelijk in Jeruzalem aan de orde (Hand.15). De gelovigen kwamen, onder leiding van de heilige Geest, tot de conclusie: (1) Hoe God in het eerst erop had toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn Naam (15:14); (2) Paulus was de apostel voor de heidenen, met een speciale opdracht voor het Lichaam, de Gemeente; (3) Dat het Koninkrijk weer aan de orde kwam nadat het Lichaam compleet was. Er waren echter Joden die niet zover wilden gaan en die probeerden Wet en Genade met elkaar te vermengen door de boodschap van het koninkrijk met de boodschap voor de Gemeente met elkaar te verbinden. We noemen deze gelovigen Judaïsten, want hun doel was om de gelovigen in het Joodse systeem te krijgen. Zij gingen ervanuit dat iemand gered zou worden door geloof en door het houden van de Wet, en dat de gelovige was geheiligd en in staat om een heilig leven te leiden. Deze leraars hadden de heidengemeenten in Galatië bezocht en brachten de gelovigen in verwarring (Gal.1:6-9; 3:1; 4:8-11; 5:7-9; 5:12; 6:12-13). Zij wilden dat de gelovigen de Joodse Wet zouden volgen en daarbij behorende rituelen zoals de feestdagen en de besnijdenis, enz. Dit was wat Paulus ‘het andere evangelie’ noemde dat hij veroordeelde (Gal.1:6-9). Het enige Evangelie dat God voor geldig verklaard is het Evangelie van de genade van God, rechtvaardiging door geloof in Jezus alleen. We worden niet behouden door middel van beloften aan God te doen maar door geloof in Gods beloften.

III. De waarde voor nu

De brief aan de Galaten is de sterkte weerlegging van het houden van de Wet. Het vlees houdt ervan om allerlei religieuze rituelen te doen, zoals heilige feestdagen, praktische rituelen en proberen goede werken voor God te doen. Veel religieuze systemen vermengen Wet en genade en presenteren een verwarrend weg tot redding dat eigenlijk een weg naar wetticisme is (Gal.2:4: 4:9; 5:1). Het houden van de sabbat, voedingswetten, een aards priesterschap, speciale heilige dagen, het houden van regels – wordt in de brief aan de Galaten weggevaagd en daarvoor in de plaats daarvan wordt onze vrijheid in Christus op de voorgrond geplaatst die we ontvangen hebben door geloof in Hem!

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de Galaten

I. Persoonlijk: Genade en het Evangelie (1-2)

A. Genade bekendgemaakt door Paulus’ prediking (1:1-10)

B. Genade gedemonstreerd in Paulus’ leven (1:11-24)

C. Genade verdedigd in Paulus’ dienst (2:1-21)

1. Voor de gemeenschappelijke leiders van de gemeenten (2:1-10)

2. Voor Petrus apart verdedigd (2:11-21)

II. Leerstellig: Genade en de Wet (3-4)

A. Persoonlijke argumenten van Paulus’ ervaringen (3:1-5)

B. Schriftuurlijke argumenten – Abrahams geloof (3:6-14)

C. Logische argumenten (3:15-29)

D. Bedelingsargumenten (4:1-11)

E. Gevoelsargumenten (4:12-18)

F. Typologische argumenten (4:19-31)

III. Praktijk: Genade en het Christelijk leven (5-6)

A. Vrijheid, geen gebondenheid (5:1-5)

B. De Geest, niet het vlees (5:16-26)

C. Anderen, niet jezelf (6:1-10)

D. Gods eer, niet de menselijke eer (6:11-18)

__________________________________________________________________

W at zegt de Bijbel?

 

Inleiding op de brief aan de Gemeente te Efeze

 

 

 

I. De stad

Efeze was één van de grootste steden in Klein-Azië; een Romeinse hoofdstad, een centrum voor de verering van de godin Diana en een grote handelsstad gelegen aan een ruime haven dat de handel aantrok. De tempel van Diana was een van de zeven wereldwonderen van de antieke wereld, en de verering van de godin was nauwgezet gewaarborgd (Hand.19:33vv.). Efeze was de leidende stad in die streek, daarom is het geen wonder dat Pauluser drie jaar verbleef (Hand.20:31) en dat van die stad uit het evangelie zich door heel Klein-Azië verspreidde (Hand.19:10)

II De Gemeente

Paulus bracht een kort bezoek aan Efeze op zijn tweede reis, en liet zijn metgezellen Aquila en Priscilla daar (Hand.18:18-28). Tijdens zijn derde reis keerde hij naar Efeze terug en bleef daar voor drie jaar (Hand.20:31). Hij begon zijn taak in de joodse synagoge; toen zijn landgenoten zijn boodschap verwierpen, ging hij naar de school van een leraar genaamd Tyrannus (Hand.19:9) en predikte en leerde daar twee jaar. Zijn dienst had een grote uitwerking in de stad; zijn die aan toverij deden bekeerden zich tot Christus en verbranden hun boeken met magische bezweringen; veel mensen werden gewonnen tot de verering van de ware God; de opbrengsten van de zilversmeden (die beeltenissen van Diana verkochten) werden daardoor minder. Paulus duidelijke prediking en onderwijs van het Woord van God bracht een opstand onder de vijanden tot stand dat resulteerde dat Paulus de stad moest verlaten (Hand.20) hij ontmoette de oudsten nog voordat hij vertrok naar Jeruzalem.

III. De brief

Paulus was een Romeinse gevangene toe hij deze brief schreef (Ef.3:1; 4:1). Hoe hij tot gevangene was gemaakt kun je lezen in Hand.21:15vv. Toen hij in Jeruzalem verbleef, ging Paulus naar de tempel waar hij op grond van valse beschuldigingen werd gearresteerd. Zijn ‘zaak’ was onzeker, maar hij werd twee jaar in Ceaserea gevangengehouden voor hij naar Rome werd gezonden (Hand.27-28). Daar was Paulus een gevangene is zijn eigen gehuurde woning, hij was in staat om bezoekers te ontvangen, en in deze tijd schrijf hij de brief aan de Efeziërs. De brief werd door Tychicus overgebracht (6:21), die vermoedelijk ook de brief aan Kolosse meenam, samen met Onesimus (Kol.4:7-9). Ook al is de brief aan de Gemeente van Efeze gericht is er reden om aan te nemen dat hij overal in Klein-Azië gelezen is. U zult opmerken dat de brief gaat over de waarheid betreffende Gemeente van Christus, maar niet over problemen zoals in 1 en 2 Korinthe of 1 Thessalonicenzen. Hoe dan ook, het is Paulus’ grootste uitweiding over de Gemeente, leert ons wat de Gemeente is in Gods oog, en hoe ze zich behoort te gedragen in deze wereld. Paulus’ onderwerp is Christus en de Gemeente en het plan van God om alles onder één hoofd samen te brengen in Christus. De brief begint in eeuwigheid van voor de schepping van de wereld en voert ons naar de eeuwige toekomst! We zien de gelovigen gezeten in de hemelse gewesten, maar ook wandelen met Christus in deze wereld in strijd met de satan. Omdat de brief aan Efeze ons niet alles verteld wat over de Gemeente is er geen andere brief in het Nieuwe Testament dat ons uitvoeriger inlicht over de Gemeente dan deze brief en de praktische wandel. Het is interessant de beschrijving van Paulus’ dienst in Efeze in Handelingen 20 te vergelijken met het onderwijs vermeld in de brief aan de Gemeente te Efeze.

IV De Gemeente in Efeze

In de zgn. ‘gevangenisbrieven (Efeze, Flippi en Kolosse), behandeld Paulus de wereldwijde Gemeente als het lichaam van Christus, de bruid en als tempel. In de pastorale brieven (zoals Timotheüs en Titus), handelt hij met de dienst van de Gemeente als loyale uitdrukking van het lichaam van Christus. Beide zaken zijn belangrijk voor een evenwichtige dienst. Natuurlijk God ziet de hele Gemeente met Christus als Hoofd ervan; Maar voor zover het om de dienst gaat, werkt God door de plaatselijke Gemeenten in verschillende plaatsen. De ‘universele Gemeente’ (Lichaam van Christus) tot wat de gelovige is gedoopt in de heilige Geest is een geldig concept; maar het concept van de ‘universele Gemeente’ is geen vervanging voor de activiteit die een plaatselijke Gemeente dient te doen. De ‘universele Gemeente’ zendt geen evangelisten uit, bouwt een ziekenhuis, of helpt armen. Het is de plaatselijke Gemeente waar in het Nieuwe Testament de nadruk op ligt; deze dienst van de plaatselijke gemeente zal sterker zijn wanneer de gelovigen hun positie in Christus goed begrijpen.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de Galaten

I. Persoonlijk: Genade en het Evangelie (1-2)

A. Genade bekendgemaakt door Paulus’ prediking (1:1-10)

B. Genade gedemonstreerd in Paulus’ leven (1:11-24)

C. Genade verdedigd in Paulus’ dienst (2:1-21)

1. Voor de gemeenschappelijke leiders van de gemeenten (2:1-10)

2. Voor Petrus apart verdedigd (2:11-21)

II. Leerstellig: Genade en de Wet (3-4)

A. Persoonlijke argumenten van Paulus’ ervaringen (3:1-5)

B. Schriftuurlijke argumenten – Abrahams geloof (3:6-14)

C. Logische argumenten (3:15-29)

D. Bedelingsargumenten (4:1-11)

E. Gevoelsargumenten (4:12-18)

F. Typologische argumenten (4:19-31)

III. Praktijk: Genade en het Christelijk leven (5-6)

A. Vrijheid, geen gebondenheid (5:1-5)

B. De Geest, niet het vlees (5:16-26)

C. Anderen, niet jezelf (6:1-10)

D. Gods eer, niet de menselijke eer (6:11-18)

__________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding brief aan de Efeziërs

 

Watchman Nee of Ni Tuosheng (1903-1972) was een Chinees prediker die vanwege zijn geloof twintig jaar in zijn geboorteland China gevangen heeft gezeten, en ook in gevangenschap stierf. Het bekendste boek van Watchman Nee is ‘Het normale christelijke leven’. Watchman Nee weet de inhoud van de brief aan de Epheziërs samen te vatten in drie woorden: zitten, wandelen, en standhouden. Aan de hand van deze kernwoorden wordt het christelijk leven inzichtelijk gemaakt: Zitten: Onze positie in Christus. Wandelen: Ons leven in de wereld. Standhouden: Onze houding tegenover de vijand. De lezer ontdekt dat hij mag leven vanuit een nieuwe positie in Christus, wat iets anders is dan proberen een christelijk leven te leiden. In mijn studies volg ik die indeling. Ik hoop later, in andere artikelen, de brief aan de Efeziërs uitvoeriger te bespreken dan in deze drie artikelen het geval is.

 

Zitten - Wandelen – Standhouden

Efeze 1-2

Inleiding:

Zoals in zijn brieven geeft de apostel Paulus ons eerst een theoretische inleiding, waarna hij overgaat naar het praktische gedeelte van de brief. Onze praktijk moet gebaseerd zijn op een theoretische kennis van Gods Woord. Ook in de brief aan de Efeziërs volgt Paulus dit stramien. In hoofdstuk 1 ligt de nadruk op onze bezittingen in Christus. In hoofdstuk 2 ligt de nadruk op onze positie in Christus; We zijn met Hem gezeten in de ‘hemelse gewesten’. En in hoofdstuk 3 belicht Paulus zijn bediening voor de volken.

Gezegend door de Vader (1:1-7)

Rekening houdend met dat in Efeze 2 staat dat wij ‘van nature kinderen van de toorn waren’ en dat we nu in Christus Jezus gezeten zijn in de hemelse gewesten (2:6), dan moet daar iets aan vooraf zijn gegaan zodat we die positie in Christus mogen bezitten. Dat heeft alles te maken met de barmhartigheid van God die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. En Hij heeft ons uitverkoren in Christus en als zonen aangenomen. We hebben deel gekregen aan zijn genade, die in Christus tot ons is gekomen (1:1-6). Door het bloed van Christus zijn we verlost van zonde en dood en hebben vergeving van onze zonden ontvangen. De Heer Jezus heeft ons de verborgenheid van Gods wil bekend gemaakt en ons tot erfgenamen gemaakt (1:7-11). We hebben toen we tot geloof zijn gekomen de Heilige Geest als onderpand ontvangen en zijn erdoor verzegeld. De Heilige Geest is het onderpand van onze erfenis met het oog op onze verlossing (1:12-14). De rest van hoofdstuk 1 zegt ons dat we kennis hebben gekregen van de verborgenheid van Gods wil, d.w.z. dat God ‘alles aan Jezus’ voeten heeft onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven heeft aan de gemeente, die zijn lichaam is (1:10, 23).

Alles uit genade (2:1-6)

Het onderwerp dat we voor ogen hebben is, dat God ons met Christus heeft doen zitten in de hemelse gewesten, maar voordat dat mogelijk was moest er heel wat gebeuren. Wij waren namelijk dood in zonden in misdaden. We werden gekenmerkt als zonen van de ongehoorzaamheid en waren van nature kinderen van de toorn. ‘Maar… God die rijk is aan barmhartigheid heeft ons vanwege zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, toen ook wij dood waren in de overtredingen levend gemaakt met Christus; uit genade zijn wij behouden’. God heeft ons mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus. Dit voorgaande overziende maakt alle menselijke roem uitgesloten.

Gods doel (2:7-10)

In de bespreking van de voorgaande verzen hebben we kunnen vaststellen wat God vóór ons gedaan heeft. In de volgende verzen zien we dat Gods werk aan ons niet gedaan is, Hij wil ook dóór ons en ín ons werken. Hij wil ook in de rest van onze tijd de uitnemende rijkdom van zijn genade blijven betonen aan ons, want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot het doen van goede werken, die Hij tevoren heeft bereid opdat wij daarin zouden wandlenen.

We zijn gezegend door de Vader, Zoon en Geest en erfgenamen geworden, medeerfgenamen in Christus, uit de dood levend gemaakt en niet slechts gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, maar ons ook mee doen zitten in Christus Jezus in die hemelse gewesten.

Hemelse gewesten (2:6)

Sommige uitleggers hebben gemeend, op grond van Mat.19:28 en Luk.22:30 dat het gezeten zijn met Christus in de hemelse gewesten, iets toekomstig zou zijn. De brief aan de Efeziërs maakt echter duidelijk dat deze positie, gezeten zijn met Christus in de hemelse gewesten, op het heden slaat, zoals we nu ook al delen in Zijn overwinning. De realiteit van onze huidige positie zou ons moeten helpen ons werk en beproevingen met grotere geestelijke kracht onder ogen te zien. Gelovigen, als erfgenamen van Christus, zijn geestelijk op een hoger niveau gekomen. We hebben deel aan een nieuwe burgerschap in de hemel, niet langer alleen maar op aarde. (Fil.3:20).

___________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

Zitten – Wandelen - Standhouden

 Efeze 4 - 6

 

Inleiding

Het woord ‘wandel’ of ‘wandelen’ komt in de brief aan de Efeziërs acht keer voor, wat de belangrijkheid aangeeft. (2:2; 2:10; 4:1, 17, 22; 5:2, 8, 15). Wandelen in de betekenis die de Bijbel eraan geeft is het geheel van de activiteiten van het leven van de gelovige. Dit wordt het mooist weergegeven in de brief aan de Romeinen met de woorden van de apostel Paulus wanneer hij spreekt over de nieuwe gelovige: ‘Zoals ook Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen’ (Rom.6:4). Samenvattend vinden we dan dat de gelovige dient te wandelen in nieuwheid van het leven (Rom.6:4), door de Geest (Rom.8:4), welvoeglijk of eerbaar (Rom.13:13), door geloof (2Kor.5:7), in goede werken (Ef.2:10), in liefde (Ef.5:2), in goede werken (Ef.2:10), in liefde (Ef.5:2), in wijsheid (Kol.4:5, in waarheid (2Joh. 4) en naar het gebod van de Heer (2 Joh. 6). Dat is uiteraard het ideaalbeeld, maar we zien helaas dat veel gelovigen wandelen in de duisternis, niet meer naar de liefde, naar de mens, wandelen zoals de heidenen, als dwazen, ongeregeld wandelen om maar een paar negatieve voorbeelden te noemen. U begrijpt wel dat wanneer de gelovige zó wandelt hij of zij onmogelijk tot eer van God wandelt; eerder het tegendeel (Jak.4:4).

Wij zijn geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen (Ef.2:10). Goed om daar eens over na te denken! Dat wil zeggen dat wij geen verontschuldigen kunnen aanvoeren om niets te doen, want God heeft die goede werken waarin wij worden geacht te wandelen, van tevoren toebereid. Deze werken liggen klaar, u hoeft ze alleen maar op te zoeken en te ontdekken. Daar komt bij dat eenieder van ons over talenten en gaven beschikt. ‘Want het is als een mens die buitenlands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. En de een gaf hij vijf talenten, de andere twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:14-15). De werken van tevoren bereid en de gaven en talenten ook.

Goed we gaan ‘wandelen’ stap voor stap en we doen dat in eenheid, in reinheid, in liefde, in het licht, zorgvuldig en in harmonie.

Wandelen in Eenheid (4:1-16)

Elke Gemeente bestaat uit een bonte mengeling van gelovigen met allemaal verschillende achtergronden, culturen en tradities, probeer daar maar eens een eenheid van te maken zonder dat dat ten koste gaat van de individualiteit van de gelovige! En toch zijn we allen door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt (1Kor.12:13). Dat vraagt om een bewust voornemen om de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede (Ef.4:3). Dat vereist veel verdraagzaamheid. Het gaat hier wel om de geestelijke eenheid en niet de praktische! In de loop van de tijd is de Gemeente, opgesplitst in allerlei denominaties en is er van een praktische eenheid niets maar te zien. Maar in overeenstemming met het gebed van de Heer Jezus tot de Vader, ‘opdat zij één zijn zoals Wij één zijn’, moeten we denken aan de geestelijke eenheid van de Gemeente. Die eenheid wordt gevormd door de som van alle wederom geboren gelovigen, waar ook ter wereld. Één lichaam  en één Geest, zoals u geroepen bent in één hoop van uw roeping; één Heer, één geloof, één doop; één God en Vader van allen’ (Ef.4:4-5), dat is de grondslag van onze eenheid.

De gaven die God, ná de hemelvaart en met de komst van Heilige Geest aan de Gemeente gegeven heeft zijn bedoeld tot de opbouw van het lichaam van Christus. ‘En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars ten dienste van het geheel van de Gemeente van Christus, en hun werkterrein is niet beperkt tot een of andere plaatselijke gemeente.

Wandelen in Reinheid (4:17-32)

We zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld (Joh.17) en dat moet blijken in ons leven. We dienen ons ‘onbesmet van de wereld te bewaren’ (Jak.1:27), ‘de wereld niet lief te hebben, noch wat in de wereld is (1Joh.2:15) en ook in ons denken mag niet gelijkvormig aan de wereld worden (Rom.12:2). Dat betekent een totale transformatie, die van binnen – in ons hart begint – en van daaruit in het praktische leven zichtbaar moet worden. ‘Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen, dat wil zeggen niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij!’ (Gal.2:20; Ef.4:21 NBG). Dat een verandering nodig is blijkt wel uit het woordje ‘meer’, dus wat men vroeger deed en wellicht normaal vond dienen we achter ons te laten. Petrus zegt dat we ‘de overige tijd in het vlees niet meer moeten leven naar de begeerte van de mensen maar naar de wil van God’ (1Petr.4:2-3). Die ommekeer is niet gemakkelijk en heeft zijn tijd nodig. In Christus zijn we een nieuwe schepping (2Kor.5:17) en dat moet ook blijken in de praktijk van ons leven.  In dat verband spreekt de apostel Paulus in de brief aan de Kolossers over ‘de oude mens uitdoen’ en ‘de nieuwe mens aandoen’ (Kol.3:9; Ef.4:24).

Wandelen in Liefde (5:1-7)

Als we alles bezaten of zouden doen, maar we hadden de liefde niet dan waren we gelijk aan klinkend koper of een schelle cymbaal (1Kor.13). Liefde dient het kenmerk van iedereen te zijn die zich een volgeling van de Heer Jezus noemt. ‘Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, dat u ook elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt’ (Joh.13:34-35). We spreken dan wel over de goddelijke liefde, die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest (Rom.5:5). Ons voorbeeld is uiteraard de Heer Jezus die zijn leven voor ons heeft afgelegd (1Joh.3:16). Maar ook God, de Vader die zijn Zoon naar deze wereld heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden (1Joh.4:10), en zegt Johannes verder, dat Zoals Hij is, ook wij (zouden) zijn in deze wereld’ (1Joh.4:17).

Wandelen in het Licht (5:8-14)

‘Welke gemeenschap heeft licht met duisternis?’ (2Kor.6:14). Wij zijn kinderen van het licht en dienen te wandelen in het licht. Het licht kan niet samengaan met de duisternis; het licht kan de duisternis alleen maar openbaren (John.3:19-21; 1Joh.1:5-10). Johannes begint zijn eerste brief met het geheim te openbaren om te kunnen wandelen in het licht, en dat is de gemeenschap met Christus (1Joh.1:3). Dat maken de volgende verzen duidelijk, die zeggen: ‘Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij wandelen in de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet.’ Maar als wij wel in het licht wandelen, dan zal dat duidelijk worden aan de vruchten die wij voortbrengen. ‘De vrucht van het licht bestaat in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid, terwijl u beproefd wat de Heer welbehaaglijk is’ (Ef.5:9-10). Gemeenschap met Christus en een daaruit voortvloeiende wandel in het licht stelt de duisternis aan de kaak, want het is het licht dat alles openbaar maakt. ‘Daarom zegt Hij: Ontwaakt u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten’.

Wandelen in Wijsheid (5:15-18)

Ook wij behoorden voor onze bekering bij die mensen die verduisterd waren in het verstand’ (4:18). We hebben dus wijsheid van Boven nodig om in deze duisternis als gelovige te wandelen. Vandaar Paulus’ gebed om voor de gelovigen te bidden en te vragen, dat ze vervuld mogen worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht om de Heer waardig te wandelen’ (Kol.1:9). Wijsheid is de gave om kennis en inzicht te benutten voor de juiste woorden en de juiste handelingen op de juiste tijd.  ‘Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die dan aan God vragen’ (Jak.1:5). Daarom is een leven in gemeenschap met de Heer Jezus een vereiste, want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben’ (Joh.8:12). De apostel Paulus moest van de gelovigen te Korinthe getuigen: ‘Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één?’ (1Kor.6:5). Dit gedeelte wordt afgesloten met de oproep om niet onverstandig te zijn maar, om te verstaan wat de wil van de Heer is

Wandelen in Harmonie (5:19-6:9)

Harmonie komt vanuit het Grieks en betekent samenvoeging. Het woord kent meerdere betekenissen, waarbij het neerkomt op de juiste verhouding van delen of momenten van een geheel, ofwel de samenwerking van deze delen tot een schoon en goed geheel. Deze harmonie mag op verschillende terreinen zichtbaar worden.

(1) In de Gemeente (5:19-21)

De opdracht is: ‘Wordt vervuld van de Geest!’ (5:18). Dat is geen vraag maar een opdracht, waardoor we met elkaar een harmonieus geheel vormen in het zingen van geestelijke liederen tot lof van de Heer. Weest dankbaar aan God en Vader en weest elkaar onderdanig. Een harmonieus samenkomen als Gemeente kan alleen als er verdraagzaamheid is. Bepaalde visies of meningen doordrukken getuigt niet van de Geest van Christus. Was het: ‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’ wat meer in de praktijk gebracht dat had de geschiedenis van de Kerk van Christus er in de loop van de tijd er waarschijnlijk heel anders uitgezien dan zoals ze nu is. Ik weet dat is een moeilijke oefening bijzaken van hoofdzaken te onderscheiden, maar toch, weet u een andere weg waardoor een harmonieus samenkomen als gelovigen mogelijk is? (Vgl. Romeinen 14).

(2) In het huwelijk (5:22-33)

Het huwelijk tussen man en vrouw dient een afspiegeling te van Christus en de Gemeente (5:32-33). Helaas zien we de laatste decennia een totaal niet-harmonieus beeld van het huwelijk! Scheidingen zijn aan de orde van de dag, ook binnen de Gemeente! Waar de gezagsstructuren die God heeft vastgesteld in zijn Woord niet meer worden aanvaard, gaat het gegarandeerd mis. Onderdanigheid van de vrouw aan de man, past niet meer in onze geëmancipeerde wereld. Mannen hebt u vrouwen lief al evenmin; overspel is aan de orde van de dag. We zien dat veel gelovigen meegesleurd worden in het denken en handelen van deze wereld en beslissingen nemen die tegen de principes van Gods Woord ingaan.

(3) In de verhouding tussen ouders en kinderen (6:1-4)

Gebroken relaties tussen man en vrouw, veroorzaken ook gebroken relaties tussen ouders en kinderen. De kinderen zijn vaak de dupe, de echte slachtoffers, vaak voor de rest van hun leven. Hoe kan een kind respect voor zijn vader of moeder opbrengen als die dat in hun eigen relaties niet konden. Hoe kan een kind zijn ouders gehoorzaam zijn als die er niet meer zijn, en in het ergste geval met elkaar overhoopliggen? Wat komt er dan van het opvoeden terecht? Wat voor beeld krijgt een kind daardoor van het huwelijk? Zal het kind later zelf nog in het huwelijksbootje stappen? Het gezin dat tot de belangrijkste hoeksteen van de onze maatschappij werd gerekend, is dat allang niet meer. Waar eindigt dan de maatschappij? En tenslotte, wat te denken van kinderen die opgroeien in een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht, waar de vader- of in het ander geval de moederfiguur ontbreekt?

(4) In de verhouding tussen slaven en meesters (6:5-9)

Niet meer van deze tijd zou u zeggen, gelukkig wel, althans in onze westerse maatschappij. Maar het principe blijft staan, zowel voor de werknemer als de werkgever. Ook al zijn de uiterlijke omstandigheden verandert, de innerlijke behoord dezelfde te zijn en blijven. Het gaat mijn inziens hier om gelovige slaven en meesters, die aangesproken mogen worden op hun verhouding tot Christus. Voor beiden geldt ‘Wat u ook doet, doet het van harte, als voor de Heer en niet voor mensen’ (Kol.3:23, 17). Zie voor de relatie slaven en meesters, of werknemers t.o.v. werkgevers o.a. de volgende teksten: Kol.3:22-4:1; de brief aan Filémon; Tit.2:9; Jak.5:4.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Zitten – Wandelen – Standhouden 

De geestelijke wapenrusting (Efeze 6:10-20)

 

 

 

Ik, een soldaat van Christus?

De idee dat christenen vergeleken kunnen worden met soldaten is niet erg geliefd. Toch gebruikt de Bijbel deze metafoor regelmatig. Paulus bemoedigt Timotheüs ‘om verdrukking te lijden als een goed soldaat’ (2Tim.2:2). Andere Schriftplaatsen, die ons daarover onderwijzen zijn 2Tim.2:3 ‘Niemand die als soldaat dient, wikkelt zich in de zorgen van het leven’ en 1Tim.6:12 ‘strijd de goede strijd’. Verder wordt gesproken over een wapenrusting (Ef.6) en een tegenstander (Ef.6:11, 12).

De Heer Jezus spreekt ook in ‘militaire’ termen als Hij zegt ‘dat de poorten van de hades de gemeente niet zullen overweldigen’ (Mat.16:18). In vroegere tijden was een veel gebruikte manier om een vijand te overwinnen, de inname van de poort van een stad. Eenmaal binnen, kon men gemakkelijk de vijand overwinnen. De Heer Jezus onderwijst ons dat satan en zijn machten nooit in staat zullen zijn om de voortgang van het christelijk geloof te stoppen. De Gemeente zal de ‘oorlog’ winnen! En is ook Lukas 11:21, 22 geen duidelijke aanwijzing voor een geestelijke oorlogvoering?

De hierboven vermelde begrippen - soldaat, strijd en wapenrusting - houden in dat er ook een vijand moet zijn. Paulus maakt ons duidelijk in de brief aan de Efeziërs dat ‘onze strijd niet is tegen bloed en vlees, maar tegen de geestelijke machten’. Hieruit kunnen we drie conclusies trekken, namelijk dat we onze vijand moeten kennen, ons dienen te bewapenen en voorbereid moeten zijn ‘om weerstand te kunnen bieden in de boze dag (Ef.6:13).

Weet ik wie de vijand is?

We hebben maar liefst drie (geestelijke) vijanden - de wereld, het vlees en de duivel (Ef.2:2-3; Jak.4:1-7). Ten opzichte van de wereld worden we gewaarschuwd ‘de wereld niet lief te hebben, noch wat in de wereld is’ (1Joh.1:15), en om niet ‘gelijkvormig te worden aan deze wereld’ en ‘zichzelf onbesmet van deze wereld te bewaren’ (Rom.12:2; Jak.1:27). Dat we deze waarschuwingen serieus moeten nemen blijkt wel uit het leven van Lot, die zich hieraan niet stoorde en wiens leven geen voorbeeld is voor een gelovige! Hoeveel anders het voorbeeld van Abraham, die ‘een vriend van God’ werd genoemd (Jak.2:23).

De tweede vijand is het vlees, onze oude natuur of ook wel ons ‘ik’ genoemd.

Dit is een ‘vijand’ die we niet definitief kunnen verslaan en waar we gedurende ons gehele leven als gelovige mee te maken hebben. Paulus omschrijft het zo ‘Want het vlees begeert tegen het de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt’ (Gal.5:17). Zoals de wereld de vijand van God is, zo is het vlees de vijand van de Heilige Geest. Het lichaam is niet zondig, maar neutraal. Het is de zonde die in ons woont, die in opstand is tegen God. Want, zegt de apostel Paulus: ‘ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees geen goed woont’ (Rom.7:18). Wat het vlees bedenkt is vijandschap tegen God, en zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen (Rom.8:6, 8).

De oplossing voor deze vijand? Een wandel in en door de Geest, want dan zullen we de begeerte van het vlees geenszins volbrengen (Gal.5:16).

De derde vijand is de duivel, de aanklager van de broeders, de leugenaar en de moordenaar van den beginne, zoals hij o.a. ook wordt omschreven. (Op.12:10; Joh.8:44) Een geduchte tegenstander, met veel ervaring! De onderlinge verhoudingen – vergeving, aanvaarding en liefde – in de gemeente van Korinthe waren voor Paulus zo belangrijk dat hij dat als een vereiste zag ‘opdat de satan op ons geen voordeel zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11). De Bijbel leert ons niet dat we de duivel moeten aanvallen, maar veeleer dat we stand moeten houden en hem weerstaan (Jak.4:7; Ef.6:12; 1Petr.5:8,9). De duivel is ‘sterk’, ‘wélbewapend’, ‘bewaakt zijn hofstede’ en heeft zijn ‘hele wapenrusting aan’ dus onderschat deze vijand niet! (Luk.11:21,22) Maar in 1Johannes 4:4 lezen we ook dat ‘Hij die in u is, groter is dan hij die in de wereld is’ en alleen in de kracht van de Heilige Geest zullen we weerstand kunnen bieden in ‘de boze dag’ (Ef.6:13).

Ben ik voorbereid?

Ondanks alle waarschuwingen van de militaire attaché in Berlijn aan de Nederlandse regering aan de vooravond van de tweede wereldoorlog in mei 1940, dat de Duitse legers klaar stonden om Nederland binnen te vallen, achtte deze het niet nodig de bevolking tot waakzaamheid op te roepen. ‘Gaat u maar rustig slapen’ was het advies. Enkele uren later trokken de Duitse soldaten de Nederlandse grens over, trokken het land binnen en verrasten de inwoners in hun slaap.

Tegenwoordig wil men niet meer weten van het bestaan van een duivel, dat is middeleeuwse bangmakerij zegt men. De Bijbel spreekt heel andere taal en is heel duidelijk over het bestaan van de duivel en dat wij als gelovigen daar rekening mee hebben te houden. ‘Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden’ (1Petr.5:8). Paulus beschrijft de duivel ook in een andere hoedanigheid, namelijk als een ‘engel van het licht’ (2Kor.11:14), en is wel zeker dat de duivel in deze ‘verschijning’ in onze tijd de meeste slachtoffers heeft gemaakt door de liberale theologie die na de Verlichting is opgekomen in de christelijke theologie.

Heb ik mijn wapenrusting aan?

Van koning David lezen we in 2Samuël 11 hoe hij zijn legeraanvoerder Joab in de strijd zond, en zelf thuis in Jeruzalem bleef. In militaire termen zou je kunnen zeggen dat hij zijn wapenrusting aflegde. Zonder wapenrusting was hij kwetsbaar en dat bleek al vrij gauw toen hij zich vergreep aan Batseba de vrouw van Uria. Vanaf het moment dat David de strijd opgaf, ging het mis in zijn leven; hij tuimelde van de ene zonde in de andere. Hij was niet waakzaam en niet voorbereid op de listen van de satan. Tijd om je af te vragen: heb ik mijn wapenrusting aan?

a. Lendenen omgord met de waarheid (Ef.6:14)

De gordel waar Paulus op doelt werd door Romeinse soldaten gedragen, is eigenlijk een leren schort dat er ook voor diende het onderste gedeelte van het lichaam te beschermen. Het diende ook als een foedraal of schede voor het zwaard. Wat illustreert de gordel in het leven van een gelovige? In de Bijbel heeft een gordel de taak om de kleding bij elkaar te houden. In de cultuur van die tijd droegen zowel mannen als vrouwen, inclusief soldaten, loszittende kleding. Als ze zich snel wensten te verplaatsen stopten ze die kledingstukken onder de gordel zodat ze zich vrij konden bewegen. Op eenzelfde manier dienen de gelovigen hun hart en geest voor te bereiden op de strijd, en alles wegdoen wat hun zou kunnen hinderen in hun wandel met de Heer. Petrus kan daaraan hebben gedacht toen hij schreef: ‘Omgordt daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13). De gordel van de waarheid spreekt dus van een leven en geest dat bij elkaar is gebracht en gereed is om God te dienen. ‘Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn’ (Luk.12:35).

b. Bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid (Ef.6:14)

Satan is een leugenaar en een aanklager. Hij is er op uit ons christelijk getuigenis te niet te doen door beschuldigingen tegen Gods kinderen in te brengen. Hij probeert onze geest en geweten te bezwaren door ons de zonden, die mogelijk in het verleden gedaan zijn, in herinnering te brengen. Ook doet hij ons misschien zien op onze tekortkomingen in onze dienst aan God. Wanneer we ons daardoor laten beïnvloeden vergeten we de vergeving die we hebben ontvangen of zien we op onszelf en vergeten we ‘dat we in Christus meer dan overwinnaars zijn.’ (Rom.8:37)

c. Voeten geschoeid met de toerusting van het evangelie van de vrede. (Ef.6:15)

Satan heeft het niet graag dat het Evangelie van Gods genade verkondigd wordt, en hij zal er alles aan doen om het tegen te gaan, of na te bootsen. Hij is in staat, als de mensen slapen, dolik te zaaien tussen de tarwe, een gewas dat sprekend lijkt op tarwe. (Mat. 13:25) Hij is er op uit opdat ‘de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, de mensen niet zou bestralen.’ (2 Kor. 4:4) In onze tijd is meer dan ooit nodig een duidelijk evangelie te prediken, de vraag is of wij daartoe bereid zijn? Wat is het evangelie waarnaar Paulus verwijst? In 1Korinthiêrs 15:1-5 definieert Paulus het als volgt: ‘Ik maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat, waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd. Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften, en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften, en dat Hij aan Kefas is verschenen, daarna aan de twaalf’.

d. Schild van het geloof opgenomen (Ef. 6:16)

De vijand heeft een groot arsenaal van pijlen in zijn koker die hij op ons af kan vuren. Die pijlen hebben als doel om ons te kwetsen, wonden te slagen, ons te ontmoedigen of teleur te stellen, om maar enige zaken te noemen. Maar we kunnen ook denken aan angst, twijfel, depressiviteit of misschien wel zelfmedelijden. Maar om te voorkomen dat die pijlen hun doel zouden bereiken heeft God ons een schild, ons geloof in Gods voorzienigheid en Christus voorbede, gegeven om deze brandende pijlen af te weren. Maar het schild verenigt de soldaten ook, in die zin dat in de antieke tijd de soldaten hun schilden aan elkaar konden haken om zoals het ware een verdedigingsmuur te vormen, een zogenaamd falanx. Door het geloof in de Heer Jezus zijn we verenigt, hebben wij elkaar lief, wandelen we samen, houden we samen stand en strijden samen.

e. Neem de helm van de behoudenis (Ef.6:17)

Na het hart is het hoofd het meest belangrijkste en kwetsbaarste lichaamsdeel. Als een soldaat daar geraakt wordt zal hij snel definitief uitgeschakeld zijn. De betekenis van de helm van behoudenis is dat het je denken kan beschermen tegen de aanvallen van de vijand. Hoeveel mensen zijn er niet gevallen voor het modernistisch denken van onze tijd, en de liberale theologie die zijn duizenden heeft verslagen! Gelovigen dienen in hun denken veranderd te worden, zodat ze het denken van Christus bezitten. (Rom.12:2; Fil.2:5) De val van de mens werd veroorzaakt door beïnvloeding van het denken van Eva. Paulus zegt in 2Kor.11:3 ‘Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven en afgeweken zijn van de eenvoudigheid en de reinheid jegens Christus’. Hoe verleidde satan Eva? Ten eerste, hij stelde Gods Woord in vraag door te zeggen: ‘God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?’ (Gen.3:1). Daarna loochende hij Gods Woord: ‘De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven’ (Gen.3:4). Tenslotte stelde de slang zijn eigen leugen in de plaats van Gods Woord door te zeggen: ‘God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad’ (Gen.3:5). Dus plaats uw denken onder de gehoorzaamheid van Christus (2Kor.10:5).

f. Het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God (Ef.6:17)

Tot zover hebben we gesproken over die delen van de wapenrustig die nodig waren voor de bescherming van het lichaam, het zwaard daarentegen is zowel bruikbaar voor de aanval als voor bescherming. We mogen het zwaard niet los zien van de Heilige Geest. Efeze 6:17 spreekt dan ook over het Woord als ‘het zwaard van de Geest.’ Gods Woord is geïnspireerd door de Heilige Geest. (2Petr.1:21) De Heilige Geest onderwijst ons in Gods Woord (Joh.14:26) en leidt ons in de gehele waarheid. (Joh.16:13) Zoals we het zwaard niet los kunnen zien van de Heilige Geest, zo kunnen we het niet scheiden van de rest van de wapenrusting. Zonder de bescherming van de wapenrusting of het zwaard zijn we in een gevaarlijke positie. Maar ook is het zwaard niet te scheiden van het gebed, zoals vers 17 en 18 ons laten zien: ‘terwijl u ten allen tijde bidt’. De apostelen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord (Hand.6:4).

g. Terwijl u te allen tijde bidt (Ef.6:18)

Volledige kennis van de vijand, goede voorbereiding, en de beste wapenrusting zijn zonder waarde als de soldaat niet beschikt over de juiste energie om de vijand te weerstaan en de wapenrusting te gebruiken. Toen men de vroegere prediker Spurgeon eens vroeg naar het succes van zijn prediking, verwees hij naar het gebed! Het gebed geeft de gelovige de energie, kracht en sterkte om vol vertrouwen de strijd aan te gaan. Elke ervaren soldaat zal de belangrijkheid onderschrijven van een wapenrusting die goed onderhouden is. Zijn wapens dienen altijd klaar voor de strijd te zijn, want je weet nooit wanneer de vijand aanvalt. Het gebed neemt als onderdeel van de wapenrusting een belangrijke, zo niet de belangrijkste plaats in! Is het daarom niet verwonderlijk dat het persoonlijke, alsook het gemeentelijk gebed, zo verwaarloosd wordt? Is de tegenstander er misschien op uit om het meest vitale onderdeel van de wapenrusting uit te schakelen, opdat de rest ook niet meer optimaal kan functioneren? ‘Zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11).

Tenslotte.

Nog een afsluitende opmerking is misschien wenselijk om de gelovige te zien als een soldaat, af te sluiten, en dat gaat over zijn levensonderhoud. Paulus schrijft daarvan in 2 Timotheüs 2:4 ‘Niemand die als soldaat dient wikkelt zich in de zorgen van het leven, opdat hij hem behaagt die hem in dienst genomen heeft’. De Heer Jezus omschrijft het zo: ‘Zoekt echter eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden’ (Mat.6:33).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de brief aan de Filippiërs

 

 

Korte inhoud

De brief aan de gemeente te Filippi gaat over blijdschap. De gemeente in die Macedonische stad was voor Paulus een geweldige bemoediging geweest. De gelovigen in Filippi hadden een bijzondere band met Paulus en andersom, daarom schreef hij hen persoonlijk, als teken van zijn liefde en genegenheid. Ze hadden hem veel vreugde gegeven (4:1). De brief aan de Filippenzen is een blij boek, omdat het de nadruk legt op de echte blijdschap van het christenleven. Het begrip ‘blijdschap’ of ‘blij zijn’ komt 16 keer voor en de bladzijden van deze brief stralen deze positieve boodschap uit. Het hoogtepunt is de oproep: ‘Wees blij in de Here; ik zeg nog eens: Verheug u in Hem!’ (4:4).

Paulus had zijn leven toegewijd aan het dienen van Christus. Daarbij had hij verschrikkelijke armoede en grote rijkdom ervaren en alles wat daartussen ligt. Hij kon zelfs vanuit een gevangenis deze brief vol blijdschap schrijven. Wat de omstandigheden ook waren, Paulus had geleerd tevreden te zijn (4:11,12) en werkelijk blij, omdat hij al zijn aandacht en energie richtte op het kennen (3:8) en gehoorzamen van Christus (3:12,13).

Zijn wens om boven alles Christus te kennen, komt op een prachtige manier tot uitdrukking in de volgende woorden: ‘Echt, ik beschouw zelfs alles waardeloos, omdat niets méér waarde heeft dan het kennen van Christus Jezus. Ik heb alles als vuilnis weggegooid om Christus te kunnen ontvangen en één met Hem te zijn… Het enige wat ik wil, is Christus kennen en ervaren hoe groot de kracht is, waardoor Hij uit de dood is opgestaan. Ik wil ervaren wat het betekent om met Hem te lijden en te sterven om uiteindelijk te komen tot de opstanding uit de dood’ (3:8-10). Laten wij Paulus volgen in dat streven om Jezus Christus meer en meer te leren kennen. Dat is het geheim van een christenleven vol blijdschap.

De stad

De vroegere naam van Filippi was Krenides, naar het gelijknamige riviertje, maar kreeg de naam Filippi na de verovering van de stad op de Traciërs door de koning Filippus II van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. In 168 v.Chr. kwam het land onder Romeins bestuur en was vanaf 42 v.Chr. een Romeinse kolonie te midden van de Griekse cultuur, zoals de kerk een ‘kolonie van de hemel’ is hier op aarde (Fil.3:20). In datzelfde jaar vond in de omgeving van Filippi de slag plaats tussen Brutus en Cassius tegen de toen nog verbonden Antonius en Octavianus (de latere keizer Augustus) welke door de laatsten werd gewonnen en maakte daardoor de alleenheerschappij van de keizer over het Romeinse rijk mogelijk. Er bleven dan ook veel oud-militairen wonen. In 27 v.Chr. werd het een autonoom gouvernement. De stad lag aan de Via Egnatia en was daardoor verbonden met de stad Rome. Filippi en de omgeving waren in de oudheid bekend voor het goud dat er gevonden werd, maar het was ook een vruchtbaar landbouwgebied en bosgebied.

De Gemeente

De eerste gemeente ontstaan door de verkondiging van het evangelie door de apostel Paulus in Europa (Hand.16) tijdens zijn tweede zendingsreis. Nadat Paulus vertrok naar Thessalonika werd hij ondersteund door de gemeente in Filippi (Fil.4:15; 2 Kor.11:9). Vijf jaar later, tijdens zijn derde zendingsreis, bezocht Paulus Filippi nogmaals terwijl hij onderweg was naar Korinthe, en tevens tijdens de retourreis (Hand.20:1-6). Er was een grote verbondenheid tussen de gemeente van Filippi en de apostel Paulus. De gemeente bezorgde de apostel alleen maar vreugde! Geen wonder dat hij genoot van hun gemeenschap!

De brief

De brief is geschreven door Paulus in het jaar 62/63 tijdens zijn eerste gevangenschap in Rome (Hand.28:30) aan de gemeente in Filippi in Macedonië. Twee andere plaatsen van herkomst zijn Efeze en Antiochie maar door de meeste leraars wordt aan Rome de voorkeur gegeven (vgl.Fil.1:12; 4:22). De reden voor het schrijven van deze brief door Paulus was om de gelovigen in Filippi te bedanken voor de gift die hij had ontvangen via de dienst van Apafroditus. Deze bleef een tijd bij Paulus in Rome en diende daar in het evangelie, maar werd ziek, de dood nabij (Fil.2:25-27). Dat was de tweede reden voor Paulus om de gemeente in Filippi te schrijven. Toen de gemeente in Filippi daarover hun bezorgdheid uitdrukte stuurde Paulus hem terug zo spoedig als mogelijk was. Verder schreef hij hun trouw te zijn in hun wandel met de Heer en bemoedigde hen om de eenheid te handhaven in de gemeente.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de gemeente te Fillipi

I. Christus ons leven

A. De gemeenschap met het Evangelie (1:1-11)

B. De voortgang van het Evangelie (1:12-26)

C. Het geloof van het Evangelie (1:27-30)

II. Christus ons voorbeeld

A. Het voorbeeld van Christus (2:1-11)

B. Het voorbeeld van Paulus (2:12-18)

C. Het voorbeeld van Timotheüs (2:19-24)

D. Het voorbeeld van Epafroditus 2:25-30)

III. Christus ons doel

A. Het verleden van een gelovige: heil (3:1-11)

B. Het heden van een gelovige: heiliging (3:12-16)

C. De toekomst van een gelovige: verheerlijking (3:17-21)

IV. Christus onze kracht

A. Gods aanwezigheid (4:1-5)

B. Gods vrede (4:6-9)

C. Gods kracht (4:10-13)

D. Gods voorzienigheid (4:14-23°

___________________________________________________________________________________-

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Paulus’ omstandigheden tijdens zijn verblijf in Filippi

 

 

 

 

Brief aan de Filippiërs

 Paulus omstandigheden waren allesbehalve vreugdevol op het moment dat hij de brief aan de gemeente te Filippi schreef. (1) Hij was gearresteerd in Jeruzalem, naar Rome weggevoerd, en wachtte nu op zijn rechtszaak, (2) tevens had Paulus had vernomen dat er in de gemeente van Filippi mensen bezig waren die de Wet weer wilden invoeren (hfdst.3) en dat er verdeeldheid was onder de gelovigen (4:2), (3) dan waren er broeders die de gevangenschap van Paulus nog verzwaarden (1:17) en tenslotte (4) was Epafroditus erg ziek geweest, ‘de dood nabij’ (2:27). Paulus spreekt dan ook over ‘droefheid op droefheid’ in 2:27. En toch kan Paulus in elk hoofdstuk spreken over ‘blijdschap!’ Hoe was dat mogelijk in deze moeilijke omstandigheden? Nehemia geeft ons de oplossing als hij tegen het volk zegt: ‘weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de Here, die is uw toevlucht.’ (Neh.8:11). Hij bezat het ‘kinderlijk’ geloof dat God voor hem zou zorgen, vandaar dat zijn bezorgdheid niet uit ging naar zichzelf en zijn omstandigheden maar naar Christus en het evangelie. Vijf keer vermeldt hij in dit hoofdstuk het woord ‘evangelie’ (vs. 5,7,12,17, 27), en Christus’ naam wordt zeventien keer vermeld!

Paulus kon deze omstandigheden niet veranderen, nam ze aan vanuit Gods hand (vs. 13) met het doel om Christus te verheerlijken (vs. 20). Hij had geleerd ‘tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij was’ (4:11). Als Paulus niet zo op Christus was gericht, zou hij geklaagd hebben over de omstandigheden waarin hij als gelovige moest leven. Maar hij schrijft over geheel andere zaken aan de gelovigen in Filippi zoals we nog zullen zien…

Maar laten we eerst eens zien hoe Paulus in Filippi terechtgekomen was. Daarvoor moeten we naar Handelingen 16:6-10. Paulus komen in Europa was niet zonder (geestelijke) voorbereiding gegaan! Het was voor de apostel Paulus allemaal niet zo gemakkelijk gebleken om te weten wat hij moest doen. En wat hij gedacht had te doen ging niet door, en waar hij niet aan gedacht had gebeurde! Al was hij een apostel, hij wist toch niet altijd in welke richting God hem wilde hebben. Hij ging op weg, maar God sloot deuren, dus wachtte hij; en toen wees God hem de weg.

Wat hier gebeurt, is juist voor Europa heel essentieel. Dit is namelijk de intrede van het evangelie in Europa; of waren er in Rome in die tijd toch al christenen? De manier waarop dit gebeurt, is verbazingwekkend, zo niet schokkend te noemen. De Heilige Geest ‘duwt’ Paulus en de zijnen de goede kant op. Ondanks dat moeten zij (en wij eveneens) toch zelf handelen en nadenken over mogelijkheden om God te dienen en daarbij ook uitvoeren wat God van hen en ons vraagt. In deze geschiedenis zochten de apostelen ‘zelf’ naar de mogelijkheid om daadwerkelijk te kunnen vertrekken. Als wij net zoveel opofferen voor God als deze apostelen deden, zullen we heel veel van Gods leiding gaan ervaren in ons leven. Dit kan zelfs betekenen dat God in onze plannen, hoe goed die ook zijn, moet ingrijpen.

Laten we vervolgens een gaan kijken hoe de apostel in Rome terecht kwam. Het was altijd een groot verlangen van de apostel Paulus geweest om de gelovigen in Rome te bezoeken. (Rom. 1:8; 15:23). En zijn bedoeling was dat als hij naar Spanje zou reizen onderweg Rome zou bezoeken, en dat verlangen had Paulus (daar mogen we vanuit gaan) bij God bekend gemaakt (Fip. 4:6). Evenals u en ik had ook de apostel Paulus meerdere verlangens. Verlangen om andere gelovigen weer te zien, om naar huis te gaan, en verlangens om andere gelovigen te dienen met het evangelie. Daarin was de apostel niet anders dan wij, maar hij wist zich in zijn handelen afhankelijk van God, en kon niet, en wilde ook niet, datgene doen waar hij zin in had. ‘Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij!’, was zijn motief. Maar wat Paulus moest leren was, en wij ook, is: ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten” (Jes. 55:8-9).

Toch ging zijn verlangen om naar Rome te gaan ging in vervulling, maar zeker niet zoals Paulus het gedacht had…

Een voorbeeld van ‘Gods gedachten en wegen’ vinden we in het leven van Jozef, die later tegen zijn broers kon zeggen: ‘Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden heeft, maar God.’ (Gen.45:7).

Gods wegen zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan de onze (Jes.55:9), dat heeft evenals Paulus ook Jozef in zijn leven ervaren en hopelijk wordt onze ervaring dan ook dat ‘Gods weg volmaakt is.!’ (Psalm18:31). Al begrijpen wij veel dingen niet die gebeuren, toch mogen we weten dat God er een bedoeling mee heeft. ‘Vragend moet ik hier dikwijls gaan, boven zal ik het eens verstaan.’ Een gegeven waarin we niet alleen staan maar die alle gelovigen ondergaan. Al in Psalm 37 en 73 vinden we deze gedachte terug totdat de psalmist zegt: ‘Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging.’ En hoezeer moet dat het geval geweest zijn in het leven van Jozef en Paulus.

Wat lag ten grondslag aan zijn groot verlangen om naar Rome te gaan? In Handelingen 18 lezen we dat Paulus tijdens zijn verblijf in Korinthe, Aquila en Priscilla ontmoette die vanwege het bevel van Claudius dat alle Joden uit Rome moesten vertrekken, daar terecht waren gekomen. En van hun hoorde hij wellicht wat er zich in de gemeenten in Rome afspeelde en wat de problemen waren (Rom.14). Dat wekte bij Paulus niet alleen zijn interesse maar ook zijn bezorgdheid, maar hij zag ook kansen om de gelovigen aldaar te dienen met het evangelie (Rom.1:11-13). Dat er onder de gelovigen in Rome spanningen waren tussen de joden-christenen en de heiden-christenen over allerlei praktische zaken blijkt wel uit zijn brief aan de Romeinen (hoofdstuk 12 – 14). In ieder geval waren het zuivere motieven die hem bezighielden. Al jaren voordat hij in Rome aankwam had hij al de wens openlijk uitgesproken: ‘Nadat ik daar (Jeruzalem) ben geweest, moet ik ook Rome zien.’ (Hand. 19:21). Maar dat ging niet zomaar, want hij moest eerst de bijdrage voor de behoeftige gelovigen (die hij had ingezameld in Macedonië en Achaje) naar Jeruzalem brengen, om daarna naar Spanje te gaan. Hoe anders zou het verlopen! Jeruzalem heeft Paulus bereikt en Rome ook, maar we weten niet of hij Spanje ooit heeft kunnen bezoeken. In Jeruzalem aangekomen werd hij korte tijd daarna gearresteerd, waardoor ‘zijn’ plannen in duigen vielen. Maar in de gevangenis kreeg hij bezoek van de Heer die hem kwam zeggen: ‘Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.’ (Hand. 23:11). Later, toen hij terechtstond voor Festus, beriep hij zich op de keizer, waarop Festus hem antwoordde: ‘Op de keizer hebt u zich beroepen, naar de keizer zult u gaan.’ (Hand.  25:12). Paulus wens was geweest dat hij de gelovigen in Rome mocht bezoeken, maar hier is een uitbreiding van zijn wens in die zin dat hij ook het evangelie mocht gaan brengen tot in het huis van de keizer (Fil.1:12; 4:22).

Welke les kunnen wij hieruit leren? Wanneer je voortdurend bidt voor iets wat je erg bezighoudt, let dan op de manier waarop God je gebed verhoort. Paulus bad dat hij Rome mocht bezoeken om de christenen daar te onderwijzen. Toen hij tenslotte in Rome aankwam, was dat als gevangene (Hand. 28:16). Paulus bad om een veilige reis en kwam ook behouden aan, nadat hij gearresteerd en geslagen was, schipbreuk had geleden en was gebeten door een giftige slang. Vaak verhoort God ons gebed heel anders dan wij verwachten. Reken erop dat God je hoort wanneer je bidt; hoewel Hij de verhoring soms op onverwachte manieren doet. Daarom kon Paulus getuigen dat: ‘zijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het evangelie hebben gediend, zodat in het hele pretorium en aan alle overigen duidelijk is geworden dat ik in gevangenschap ben om Christus wil, en dat de meeste van de broeders in de Heer vertrouwen hebben gekregen door mijn gevangenschap, om des te overvloediger het woord van God zonder vrees te durven spreken’ (Fil. 1:12-14).

De lessen die wij uit dit gedeelte kunnen leren zijn: dat vanwege Paulus’ ketenen, Christus bekend werd (1:13), en dat vanwege Paulus’ critici, Christus gepredikt werd (1:18), en dat vanwege Paulus’ crisis, Christus grootgemaakt werd! (1:20).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

‘Nieuws uit Rome’

 

De brief aan de Fillipenzen

Hoofdstuk 1

 

 

 

 

 

Inleiding

Stel je voor dat de apostel Paulus in zijn tijd de beschikking zou hebben gehad over de media waarover wij nu de beschikking hebben zoals bijvoorbeeld e-mail dan zouden wij de brief aan de gemeente te Filippi waarschijnlijk nooit hebben gekend. Of dat de gemeente in Filippi middels electronisch betalingsverkeer een gift had kunnen overmaken naar Paulus in Rome dan hadden we nooit van Epafroditus gehoord en van zijn belevenissen in Rome. Maar gelukkig was dat niet zo en bezitten wij nu de brief die de apostel Paulus vanuit Rome aan de gemeente te Filippi heeft geschreven en kunnen wij er ons voordeel mee doen en genieten van de inhoud.

1. Paulus’ blijdschap (1-11)

Ik heb geen grotere blijdschap dan hierover dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen’ (3 Joh.:4)

Uit de eerste verzen van dit hoofdstuk blijkt dat de apostel Paulus vaak terug dacht aan zijn verblijf in Filippi zoveel jaren geleden (Hand.16:11-40). Hoe Lydia de purperverkoopster tot geloof in haar Heer en Heiland was gekomen en de waarzegster uit wie hij een geest had uitgedreven en de bekering van de cipier die hem in de gevangenis bewaakte. Zij waren nu die ‘heiligen in Christus Jezus’ die deel van de gemeente aldaar uitmaakten (vs.1). Maar de apostel dacht niet alleen aan de Filippiërs hij droeg ze ook op zijn hart en Paulus bad voor hen (vs.3,4,7). Die liefde was wederzijds en dat bleek mede door de financiële ondersteuning die de apostel uit Filippi mocht ontvangen. Al enige gemeente steunden zij Paulus en eerder had hij in Thessalonika een- en andermaal iets ontvangen voor wat hij nodig had (4:15-16). Het stemde Paulus tot grote blijdschap te horen en te ervaren dat de gemeente in Filippi gemeenschap had aan het evangelie.

De apostel was door God geroepen en aangesteld ‘als dienaar en getuige zowel van de dingen die u gezien hebt als van die waarin Ik nog aan u verschijnen zal’ (Hand.26:16-18, 20). In die hoedanigheid had hij eerst aan hen die in Damascus en in Jeruzalem en in heel het land van Judea woonden, en later aan de heidenen verkondigd dat zij tot inkeer moesten komen, zich tot God bekeren en werken doen die in overeenstemming zijn met de bekering (Hand.26:20). Die opdracht had hem dan uiteindelijk ook in Filippi gebracht. Maar hij was niet alleen geroepen om het Evangelie te verkondigen maar ook te verdediging en te bevestigen (vs.7,17). Paulus was een apostel die streed ‘voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ (Jd:3).

2. Paulus’ omstandigheden (12-13)

En ik wil dat u weet, broeders, dat wat er met mij is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend’ (1:12)

Dat de apostel Paulus altijd al de wens en het voornemen had gehad om Rome te bezoeken is bekend. Daarover sprak hij al toen hij nog naar Macedonië en Achaje moest vertrekken om dan naar Jeruzalem te reizen (Hand.19:21) maar hij was telkens verhinderd geweest (Rom.1:10,13,15, 15:23). Over de gebeurtenissen in Jeruzalem die tot zijn arrestatie leiden tot aan zijn aankomst in Rome, met een tussenstop van twee jaar als gevangene in Caesarea, kunt u lezen in het boek Handelingen vanaf hoofdstuk 21. Paulus’ wens om Rome te bezoeken ging in vervulling maar of de apostel het op deze manier had gedacht zal wel niet het geval geweest zijn. Maar ‘wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede’ (Rom.8:28). De vervulling van deze tekst zien we vaak pas achteraf maar Paulus kon zeggen: ‘dat wat er met mij is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend’ (vs.12) en daar ging het de apostel om! Zijn omstandigheden hadden er voor gezorgd dat ‘in het hele gerechtsgebouw en aan alle overigen bekend was geworden dat hij een gevangene was om Christus' wil, en dat het merendeel van de broeders in de Heere door zijn gevangenschap vertrouwen had gekregen om het Woord nog overvloediger onbevreesd te durven spreken’ Hij stelde de gelovigen in Filippi in kennis van zijn omstandigheden, niet om te klagen maar om hen duidelijk te maken dat: ‘het Woord van God niet gebonden is’ (2 Tim.2:9).

3. Paulus’ tegenstanders (14-18)

‘De eersten verkondigen Christus wel uit eigenbelang, niet zuiver, met de bedoeling aan mijn gevangenschap verdrukking toe te voegen’ (1:17)

Tegenstand of vervolging van de kant van ongelovigen is vervelend maar is gemakkelijker te verdragen dan zulke dingen te ondervinden van gelovigen. Van de Joden heeft Paulus veel tegenstand ervaren zoals hij de gelovigen in Thessalonika liet weten: 'Joden, die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1Thes.2:15-16). In zijn afscheidstoespraak aan de oudsten van de gemeente te Efeze haalt Paulus dit ook aan: ‘U weet hoe ik, van de eerste dag af dat ik in Asia aankwam, heel de tijd in uw midden geweest ben en de Heere gediend heb met alle nederigheid en veel tranen, en onder verzoekingen die mij overkomen zijn door de aanslagen van de Joden’ (Hand.20:18-19).

Hier, in de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus over broeders die Christus wel verkondigen uit eigenbelang, niet zuiver, maar met bijbedoelingen namelijk om aan Paulus’ gevangenschap verdrukking toe te voegen. De kerkgeschiedenis leert dat gelovigen vaak tegenover elkaar stonden in plaats van naast elkaar. Het ‘ik ben van Paulus, ík van Apollos, ík van Kefas, en ík van Christus’ vinden we helaas de eeuwen door in de praktijk gebracht (1Kor.1:12). Gelukkig waren er ook andere gelovigen die de apostel steunden uit liefde, omdat zij wisten dat hij tot verdediging van het Evangelie aangesteld was’ (vs.17). Gelukkig is het niet altijd negatief en het is dan ook een verademing te lezen dat er broeders Paulus tegemoet kwamen in Italië en was aangekomen bij de Appiusmarkt en de Drie Tabernen. We lezen dan deze reactie van Paulus: ‘Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed’ (Hand.28:15).

4. Paulus’ toewijding (19-24)

Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst’ (1:21)

Sommige mensen hebben uitgerekend dat de apostel Paulus voor de verspreiding van het evangelie tijdens zijn leven om en nabij 9000 km te voet heeft afgelegd en 6000 km op zee heeft doorgebracht. Over toewijding gesproken! Paulus was bereid zijn leven af te leggen voor het Evangelie. Op weg naar Jeruzalem verbleef Paulus vele dagen in Caesarea in het huis van Filippus de evangelist toen er een zekere profeet uit Judea kwam, van wie de naam Agabus was. En hij kwam naar hem toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: 'Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren. Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan. Maar Paulus antwoordde: Wat doet u nu dat u huilt en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus' (Hand.21:13). Paulus was bereid de uiterste consequentie op zich te nemen en zijn leven te geven; hij telde zijn leven niet en achtte het niet kostbaar voor zichzelf (1Joh.3:17; Hand.20:24). Paulus leefde in de overtuiging dat zijn lichaam een tempel van de Heilige Geest was en dat zijn lichaam en geest van God was (1Kor.6:19-20). Zijn verlangen was dat Christus grootgemaakt zou worden in zijn lichaam (vs.20). Zoals Paulus zal elke gelovige ‘voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2Kor.5:10). 

5. Paulus’ verlangen (vs.23)

Want ik word door deze twee gedrongen: ik heb de begeerte of verlangen om heen te gaan en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste, maar in het vlees te blijven is noodzakelijker voor u. Ook hier zien we dat Paulus zijn eigen verlangen ondergeschikt maakte aan de noodzaak om de gelovigen te blijven dienen. Het kan zeer goed mogelijk zijn dat de gevangenschap waarin de apostel zich bevond hem zwaar viel en hij uitzag naar die dag dat hij bij de Heer Jezus zou zijn. Omdat deze brief geschreven is kort voor zijn terechtstelling onder Nero moet de apostel ook al op een respectabele leeftijd zijn gekomen en de moeiten die het ouder worden met zich mee brengen aan den lijve ondervond. Hij schrijft hiervan in de brief aan de Korinthiërs met de volgende woorden: ‘Wij weten immers dat, wanneer ons aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Want in deze tent zuchten wij ook, en verlangen wij er vurig naar met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden, als wij maar bekleed en niet naakt zullen bevonden worden. Want ook wij, die in deze tent zijn, zuchten omdat we het zwaar te verduren hebben; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere, want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing. Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen. Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor.5:1-10).

6. Paulus’  slotwoord (24-29)

En dit vertrouw en weet ik dat ik zal blijven leven en bij u allen zal blijven tot uw vordering en blijdschap van het geloof’ (1:25)

In het geloof dat hij nog bij hen mag blijven besluit Paulus zijn inleiding van de brief met de volgende woorden: ‘Alleen, wandel het Evangelie van Christus waardig, opdat ik, of ik nu kom en u zie of dat ik afwezig ben, van uw zaken mag horen dat u vaststaat in één geest, en dat u samen eensgezind strijdt door het geloof in het Evangelie, en dat u zich in geen enkel opzicht schrik laat aanjagen door de tegenstanders. Voor hen is dit een duidelijk teken van verderf, maar voor u van zaligheid, en dat van God uit. Want aan u is het uit genade gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, omdat u dezelfde strijd hebt als die u bij mij gezien hebt en nu van mij hoort' (1:27-30).

_____________________________________________________________

Wazt zegt de Bijbel?

 

 

‘Vier voorbeelden om na te volgen’

 Filippenzen 2

 

 

‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1Kor.11:1).

 

 

 

 

 

Inleiding

De brief aan de gelovigen te Filippi is geschreven door Paulus in het jaar 62/63 tijdens zijn eerste gevangenschap in Rome (Hand.28:30; vgl. Fil.1:12; 4:22). De reden voor het schrijven van deze brief door Paulus was om de gelovigen in Filippi te danken voor de gift die hij had ontvangen via de dienst van Epafras of Epafroditus die een tijd bij Paulus in Rome was geweest en daar diende in het evangelie; hij werd toen ziek, de dood nabij (Fil.2:25-27). Dat was de tweede reden voor Paulus om de gemeente in Filippi te schrijven want toen de gemeente in Filippi daarvan hoorde en hun bezorgdheid uitdrukte stuurde Paulus hem terug, zo spoedig als mogelijk was. Verder schreef hij de gemeente trouw te zijn in hun wandel met de Heer en bemoedigde hen om de eenheid te handhaven. De gemeente is ontstaan door de verkondiging van het evangelie door de apostel Paulus (Hand.16) tijdens zijn tweede zendingsreis. Na Paulus’ vertrek naar Thessalonika werd hij ondersteund door de gemeente in Filippi (Fil.4:15; 2 Kor.11:9). Vijf jaar later, tijdens zijn derde zendingsreis, bezocht Paulus Filippi nogmaals terwijl hij onderweg was naar Korinthe, en tevens tijdens de retourreis (Hand.20:1-6). Er was een grote verbondenheid tussen de gemeente van Filippi en de apostel Paulus. De gemeente bezorgde de apostel alleen maar vreugde! Geen wonder dat hij genoot van hun gemeenschap!

Het spreekwoord zegt: ‘een goed voorbeeld doet goed volgen’. Deze gedachte komt overeen met wat we in de bijbel vinden, Israël was een voorbeeld voor ons maar dan vaak in het nagatieve waarvoor we gewaarschuwd worden (1Kor.10:6, 11). Van de Heer Jezus lezen we ‘dat hij ons een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u zijn voetstappen navolgt’ (1Petr.2:21). In hoofdstuk drie van de brief aan de Filippenzen komen we vier voorbeelden tegen waarbij van elk een kenmerk naar voren komt die ook deel kan uitmaken van ons geloofsleven als we daarnaar streven.

De Heer Jezus (Nederigheid)

‘Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was’ (Fil.2:5)

Een voorbeeld van nederigheid vinden we in het evangelie naar Johannes, toen de Heer Jezus de voeten van de discipelen begon te wassen en af te drogen (Joh.13:1-19). Dat voorbeeld was bedoeld voor ons want als de Heer en Meester dat doet hoeveel temeer wij, zijn discipelen! Uiteraard vinden we alle aspecten van de hieronder genoemde personen bij de Heer Jezus terug, maar in dit gedeelte wordt specifiek zijn nederigheid op de voorgrond geplaatst. Het was de Heer Jezus die van zichzelf kon zeggen: ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Mat.11:29). In die hoedanigheid was de Messias in het Oude Testament door de profeet Zacharia al aangekondigd: ‘Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong’ (Zach.9:9; 2Kor.10:1). Nederigheid kan ook wel worden omschreven als een manier van denken of voelen en in de brief aan de Filippenzen worden we dan ook opgeroepen om Jezus’ voorbeeld te volgen: ‘Want laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood’ (Fil.2:5-8). Om deze eigenschap in jouw leven te implementeren is niet zo eenvoudig want wij zijn van nature vaak hoogmoedig. Iemand heeft een gezegd: ‘De enige weg naar boven, is naar beneden’ en hij bedoelde daarmee dat: ‘Wie zichzelf zal verhogen zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden’ (Mat.23:12; 2Kor.8:9).

De Heer Jezus is in alles een voorbeeld voor ons, in zijn ijver (Joh.13:14), trouw (1 Joh.2:6) en toewijding (1 Petr.2:21) om er maar een paar te noemen. Dus wat dat aangaat hebben we geen andere voorbeelden nodig dan alleen de Heer, maar ook in gelovigen kunnen die kwaliteiten zichtbaar worden en daaraan kunnen wij ook een voorbeeld nemen.

Paulus (IJver)

‘In arbeid zeer overvloedig’ (2Kor.11:23)’

Men heeft uitgerekend dat de apostel Paulus in zijn dienst voor de Heer ongeveer 7800 km te voet heeft afgelegd, en ter zee ongeveer 9000 km; samen dus 16.800 km! Over ijver gesproken! Paulus was voor zijn bekering wat zijn ijver betreft een vervolger van de Gemeente (Fil.3:6) maar dat veranderde totaal toen hij een volgeling van de Heer Jezus werd. Van de Heer Jezus lezen we in de Psalmen dat ‘de ijver voor Gods huis Hem verteerde’ (Ps.69:10; Joh.2:17). IJver is een vurig streven naar een bepaald doel. De apostel Paulus was geroepen tot de verkondiging van het evangelie zoals het in het boek Handelingen door hemzelf wordt verwoord: ‘Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel watje van Mij hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen, terwijl Ik uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij (Hand.26:16-17). Maar zijn dienst beperkte zich niet alleen tot de verkondiging van het evangelie hij had ook nog een taak naar de armen toe. ‘Alleen moesten wij de armen gedenken, wat ik mij daarom ook beijverd heb te doen’ (Gal.2:10). Wanneer u het boek Handelingen leest dan zult u tot de erkenning komen dat de apostel onvermoeibaar was in zijn dienst als apostel van Christus. ‘Zijn zíj dienaars van Christus? – ik spreek als een onzinnige – ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren. Van de Joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen, driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en dag heb ik in volle zee doorgebracht. Dikwijls op reis, in gevaren van rivieren, in gevaren van rovers, in gevaren van volksgenoten, in gevaren door de volken, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders, in arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid; behalve wat van buiten komt, overvalt mij dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten’ (2Kor.11:23-28). Daarom was het advies van Paulus aan Timotheüs: ‘beijver je, je aan God beproefd, voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen’ (2Tim.2:15) want ‘vervloekt, wie het werk des Heren met lauwheid verricht’ (Jer.48:10).

Timotheüs (Trouw)

‘Want ik heb niemand van gelijke gezindheid als hij, die zo trouw uw belangen zal behartigen’ (Fil.2:20).

‘Trouw is niet het deel van allen’ moest de apostel Paulus aan de gelovigen te Thessaloniki schrijven ‘maar de Heer is trouw’ (2Thes.3:2). Wat een verademing moet het voor Paulus geweest zijn dat Timotheüs trouw was. Die trouw was gebleken uit wat hij had meegemaakt in zijn dienst in het evangelie. In die dienst was zijn geloof op de proef gesteld geweest maar hij was trouw gebleven aan zijn roeping en opdracht (Fil.2:22). In het Nieuwe Testament worden Paulus en Timotheüs vaak samen vermeld, zoals dat in het Oude Testament geld voor Jozua en Kaleb. Trouwens de betekenis van Kaleb betekend ‘hond’ en wat is er trouwer dan een hond? Een uitspraak van de Griekse wiskundige Pythagoras luidde: ‘Je kunt op de trouw van een hond rekenen tot zijn laatste snik, en die van een vriend tot de eerste teleurstelling!’ Als dat zo is dan is dan nu niet bepaald een compliment voor de mens. Maar wat te denken van Polycarpus die oudste was van de gemeente te Smyrna, het huidige Izmir in Turkije. Hij behoort tot de apostolische vaders, mensen die leerlingen waren geweest van de apostelen. Hij stierf als martelaar op de brandstapel in het jaar 156 n.Chr. Hij werd voor de keus gesteld: ‘zweren bij de goden van de keizer en Christus vloeken’. Polycarpus echter antwoordde: ‘Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heer, Christus gediend, en Hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?’. Ondanks alle dreigingen hield hij vol en daarmee ging het Woord van de apostel Johannes over Smyrna in vervulling: ‘Ik weet uw verdrukking en uw armoede – maar u bent rijk -, en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees niets van wat u zult lijden. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. (...) Wie overwint, zal geenszins van de tweeden dood schade lijden’ (Op. 2:9,10 en 11b). Van rentmeesters wordt vereist dat ze trouw worden bevonden en dat was Polycarpus en dat mogen ook wij zijn (1Kor.4:2-17). Veel gelovigen in de tijd van Polycarpus werden ook vervolgd en gedood; ook zij bleven trouw tot in de dood’, de kerkgeschiedenis legt daarvan getuigenis af.

Epafras (Toewijding)

‘Houdt zulke mannen in ere, want om het werk van Christus is hij de dood nabij geweest’ (Fil.2:30)

Van Epafras vermeld de apostel Paulus dat hij een broeder, medearbeider en medestrijder was (Fil.2:25). In het jaar 62 verbleef de apostel Paulus als gevangene in Rome. Het was daar dat Epafras, een gelovige uit de stad Kolosse de apostel Paulus bezocht en inlichtte over de situatie in de gemeente. Paulus zelf had de stad nooit bezocht en waarschijnlijk is Epafras de stichter van de gemeente geweest (Kol.1:7, 4:12). Kolosse lag op enige afstand van Laodicea en Hierapolis die aan weerszijden van het Lycusdal lagen, vandaag de dag beter bekend door het natuurwonder van de kalkrotsen van Pamukkele. De vraag die gesteld mag worden is: Waarom Paulus het nodig achtte om de gelovigen in Filippi in te lichten over de gezondheidstoestand van Epafroditus, die toch uit Kolosse kwam en niet uit Filippi? De gemeente van Filippi had Epafras verzocht naar Rome te gaan om de apostel Paulus op te zoeken en hij had zich daartoe bereid verklaart om deze moeilijke opdracht te doen (Fil.4:18). Waarschijnlijk was Epafras op weg naar Rome via Filippi gereisd en had daar dan ook de bijdrage van de gemeente bestemd voor Paulus meegenomen. In Rome is Epafras ziek geworden, de dood nabij, misschien wel een gevolg van de lange reis die hij had gemaakt! We moeten niet vergeten wat zo’n reis van Kolosse betekende! De afstand van Kolosse naar Rome bedraagt ongeveer 2100 KM en de afstand die men dagelijks kon afleggen bedroeg 30 km. Het is namelijk zo dat dat de afstand was die lag tussen de verschillende caravan serails (herbergen) waar men kon overnachten. Dus de reis moet enkele maanden geduurd hebben. Wellicht was de situatie waarin Epafras verkeerde de gelovigen in Filippi ter ore gekomen en daarom zond Paulus hem terug naar Filippi om hen gerust te stellen. Hij heeft dan aan Epafras een brief voor de gemeente meegegeven, die wij nu kennen als de brief aan de Filippenzen. Uit wat wij van Epafras kunnen weten uit het Nieuwe Testament kunnen we de conclusie trekken dat Epafras een evenwichtige, enthousiaste gelovige was, die voor velen tot zegen is geweest. Hij was een enthousiaste gelovige. Hij was een toegewijde gelovige!

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Om Hem te kennen’

 

Filippenzen hoofdstuk 3

 

 

 

‘Want wij die leven, worden altijd aan de dood overgegeven om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees‘ (2Kor.4:11).

 

Inleiding

Nadat de apostel Paulus in hoofdstuk 1 heeft beschreven waaruit de gelovige leeft, namelijk door geloof dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben, gaat hij verder in het tweede hoofdstuk waarin hij duidelijk maakt dat Christus ons voorbeeld is en vermeld dan ook Paulus, Timotheüs en Epafras als zodanig. In dit hoofdstuk 3 bouwt hij daarop voort en wil ons duidelijk maken dat Christus ons doel moet zijn willen we standhouden en ons geloof verrijken. Het waren niet echt slechte dingen die Paulus van Christus afhielden maar hij moest er wel afstand van nemen. We krijgen in dit hoofdstuk drie beelden te zien waardoor de Heilige Geest wil duidelijk maken waar het werkelijk om gaat in het leven van een gelovige, dat van Paulus maar ook in ons leven, namelijk dat het leven van Christus in ons openbaar wordt (2Kor.411).

Er kan door allerlei oorzaken een stilstand in ons geestelijk leven ontstaan. In de gelijkenis van de zaaier en het zaad lezen we er een aantal: ‘de zorg van het leven’, ‘het bedrieglijke van de rijkdom’, ‘de begeerten naar de overige dingen’ en ‘genietingen van het leven’. En als het spreekwoord ‘stilstand is achteruitgang’ ergens waar is, dan is dat wel met het geestelijk leven van een gelovige, denkt u maar aan Jona, Abraham, David en veel anderen.

Voordat we iets voor de Heer kunnen en willen betekenen ‘in ons sterfelijk vlees’, zullen we moeten weten ‘Wie’ Hij is! De reden dat de Heer Jezus de twaalf apostelen riep was ‘opdat ze bij Hem zouden zijn’ en pas ná die ontmoeting kon Hij hen ‘uitzenden om te prediken en omdat ze macht (anderen: gezag) zouden hebben de demonen uit te drijven’ (Mark.3:14). De discipel moet worden als de Meester (Mat.10:25) en het is in die gezindheid die ook in Christus Jezus was (Fil.2:5) dat wij naar anderen toe kan gaan. We zullen bereid moeten zijn om alles achter ons te laten om Christus te winnen!

Paulus’ verleden (3:1-11)

‘Ik reken alles schade’

Religie is een meestal al eeuwenlang bestaand stelsel van rituelen en gedragsvoorschriften, gebaseerd op een geloof in een God. Paulus was religieus voordat hij tot geloof kwam, maar zijn religie kon hem niet redden. Hij moest zijn religie verliezen om het eeuwige leven te vinden. Geen religie, maar een relatie en dat was het waaraan het hem ontbrak! In dit hoofdstuk begint hij de gelovigen te waarschuwen voor een religie zonder Christus. Als we de werkelijke rijkdom zouden willen bezitten dan vinden we die in Christus, want ‘in Hem zijn al de schatten van wijsheid en kennis verborgen’ (Kol.2:3).

Paulus kon zich op veel dingen beroemen: Hij was besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër, wat ijver betreft een vervolger van de gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft die in de wet is, onberispelijk. Fil.3:5-7). Maar waar Paulus voordeel mee meende te hebben heeft hij om Christus' wil als schade beschouwd. Wat verloor Paulus en wat kreeg hij ervoor terug? Hij beschikte over de gerechtigheid die uit de wet is, die hem toegang tot de tempel verleende. Wat kreeg hij ervoor terug? De gerechtigheid die uit God is en die hem toegang tot de hemel – Christus - verleende! Ik denk daarbij aan de blindgeborene die van Jezus getuigde en door de farizeeën naar buiten werd gegooid, buiten het religieus centrum (Joh.9:34). Dat kan het gevolg zijn van het volgen van Jezus en met Hem in een relatie te treden, maar wat wordt je daardoor rijk!

Eeuwig leven betekent niet kennis hebben over Christus, maar Christus kennen (Joh.17:3). ‘En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen, en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwig leven’ (1Joh.5:20).

Paulus’ heden (3:12-17)

‘Ik jaag neer het doel’

Veel gelovigen kunnen het verleden niet achter zich laten en dat belemmert hun groei in het heden. Ze idealiseren het verleden soms en misschien komt dat doordat ze beschikken over een rijke fantasie en een slecht geheugen. Met andere woorden ze idealiseren het verleden. We kunnen de geschiedenis niet veranderen, maar er wel van leren. Anderen zijn te veel met de toekomstige dingen bezig en ‘vergeten’ het heden. Paulus wil het verleden vergeten en strekt zich uit naar wat voor hem ligt, en op weg daar naartoe is de verheerlijking van Christus zijn doel.

‘Een ding doe ik!’ Hoeveel gelovigen zijn er niet die zich met allerlei dingen bezighouden en daardoor nooit tot volle ontplooiing komen? ‘Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.2:3) ‘Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden’ (Mat.6:33). Wat zei de Heer tegen Petrus? ‘Ga weg, achter Mij, satan, je bent Mij een aanstoot, want bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.’ (Mat.16:23). Het doel van het leven als gelovige – tussen het verleden en de toekomst – is God te verheerlijken door te wandelen in goede werken die God tevoren heeft bereid (Ef.2:10).

Daar joeg Paulus naar, in de richting van het doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus. Maar er is een hele nieuwe generatie christenen opgestaan die gelooft dat het mogelijk is Christus ‘aan te nemen’ zonder de wereld vaarwel te zeggen (Tozer) maar dat is niet mogelijk. Tussen de gelovige en deze wereld staat het kruis van Golgotha! Weest samen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die zo wandelen als u ons tot voorbeeld hebt’ (3:17)

Paulus’ toekomst (3:18-21)

‘Totdat ik op het einde lette’

Niets houdt ons meer geestelijk actief dan de verwachting van de komst van de Heer. Paulus waarschuwt zijn lezers ‘niet te wandelen als vijanden van het kruis van Christus’. Hij drukt hier grote droefheid uit in een brief die overvloeit van blijdschap. Je relatie met Christus is bepalend voor je leven als gelovige, vroeg of laat wordt het duidelijk waar je ‘wortels’ zitten. Paulus is bedroefd over belijdende christenen die de vruchten produceren van een werelds persoon. Deze mensen bestempelt Paulus als vijanden van het kruis van Christus. Hij beschrijft ze als mensen die aardse dingen bedenken, wat betekend dat ze alleen denken aan wat de wereld hun te bieden heeft. Zij leven niet voor Christus maar voor het vlees, want ‘hun god is de buik’. En tenslotte is hun einde de ondergang. Hun heerlijkheid is in hun schande, zij bedenken aarde dingen. In de brief aan de gelovigen te Kolossen schrijft de apostel: ‘Als u met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn… bedenkt de de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.3:2-3). Het kruis verslaat de wereld en het vlees; het kruis spreekt van offers en lijden, en toch leven deze mensen voor de wereld en zoeken naar dingen voor hun eigen genoegen. Wat vreselijk, een vijand van het kruis van Christus te zijn, en toch een belijdend christen! Ons burgerschap is in de hemelen. ‘We zijn hemelburgers (geestelijke mensen) en geen hamburgers (vleselijke mensen)! Dit zegt Paulus met het oog op de komst van de Heer Jezus die het lichaam van onze vernedering zal verandering tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid. ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1Joh.3:3).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Christus onze kracht’

De brief aan de Filippenzen hoofdstuk 4

 

 

 

‘De vreugde in de Heer is uw toevlucht’ (Neh.8:11)

        

Inleiding

In de besprekingen van de voorgaande hoofdstukken hebben we gezien dat Christus de inhoud van ons leven is; Hij is ons leven (hfdst.1) en van dat leven heeft Hij in hoofdstuk 2 het voorbeeld gegeven, dat is voor de gelovige de motivatie om Hem te dienen (hfdst.3) en om dat aan te kunnen geeft Christus ons de kracht, en daarover gaat hoofdstuk 4 van de brief aan de gelovigen te Filippi. Hij schenkt eenheid als we onenigheid hebben met onze medegelovigen (vs.1-5), en vrede als we de neiging om bezorgd te zijn (vs.6-9). Als we bidden zoals het behoort, en denken zoals we behoren te denken, zal, de vrede van God ons beschermen, en zal de God van de vrede met ons zijn. Hij schenkt de kracht die we nodig hebben voor ons leven en onze dienst (vs.10-13) en zorgt ook voor de materiele dingen die we nodig hebben (vs.14-20). Paulus had geen rijke organisatie achter zich staan, maar hij had wel een grote God die gulle vrienden in staat stelde om in zijn behoeften te voorzien. Paulus zag hun gift als een reukoffer aan de Heer (vs.18), en hij verblijdde zich in de Heer om wat zij deden.

Het vorige hoofdstuk eindigde daarmee dat ‘velen wandelen als vijanden van het kruis van Christus, die aardse dingen bedenken’ (3:18). We hebben daar rekening mee te houden en vooral als we zien dat de komst van de Heer nabij is (3:20). Vandaar dat de apostel hoofdstuk vier begint met de ‘daarom’. Om die reden roept hij hen op om vast te staan in het geloof. Over de eeuwen heen komt die oproep ook tot ons ‘op wie de einden van de eeuw zijn gekomen’ (1Kor.10:11). Hou vol, hou vast, en weet dat God nabij is, ons zijn vrede kan geven en kracht en dat Hij voor ons zorgt! Dus ‘don’t worry, be happy!’. Verblijdt u altijd in de Heer!

Gods aanwezigheid (4:1-5)

‘De Heer is nabij’ in vers 5 betekend hier niet dat Hij spoedig komt, maar dat Hij altijd in de buurt is om ons te hulp te komen. ‘Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd’ (Heb.4:16). “Op bergen en op dalen, ja overal is God!' De verzen 7-12 van Psalm 139 geven prachtig weer waar we aan mogen denken als het gaat om Gods aanwezigheid; Hij is alomtegenwoordig! Hij was ook aanwezig in de gemeente te Filippi waar verdeeldheid dreigde onder de gelovigen, dat was mede één van de redenen waarom deze brief door Paulus is geschreven. Vandaar de vermaning van de apostel in de eerste verzen van dit hoofdstuk aan het adres van Euódia en Syntyché. We weten niet exact wat de oorzaak was, maar verdeeldheid is een grote zonde, en kan een krachtige werking van de Heilige Geest in de weg staan (Mat.5:23-24). Verdeeldheid kan als oorzaak een verschil van inzicht zijn over bepaalde praktische zaken of verschil van inzicht van Gods Woord en om daarin tot een oplossing te komen vergt dat we inschikkelijk, of gezeglijk, dienen te zijn (vs. 5).

De adviezen die Paulus geeft zijn: (1) ‘sta vast in de Heer’, (2) ‘wees eensgezind in de Heer’, (3) ‘verblijdt u’ en (4) ‘de Heer is nabij’. Dit is de praktische uitoefening van de aanwezigheid van de Heer in je dagelijks leven, Zijn aanwezigheid weten in elke situatie van het leven, zodat Hij zijn perfect werk kan voltooien.

Gods vrede (4:6-9)

Door het geloof hebben we vrede met God (Rom.5:1), maar dat betekent niet dat we die vrede van God ook dagelijks ervaren! Zorgen zijn het gevolg van spanningen tussen ons hoofd en hart. De apostel Paulus weet waarover hij spreekt: ‘Want toen wij in Macedonië kwamen, had ons vlees geen rust, maar waren wij in alles verdrukt: van buiten strijd, van binnen vrees’ (2Kor.7:5)

Het ontbreken van Gods vrede kan maken dat je ook niet meer weet hoe te bidden, en dat komt omdat wij alles wat er rondom ons gebeurt niet kunnen overzien. Gelukkig komt de Geest onze zwakheden te hulp, want als wij niet weten wat wij bidden zullen zoals het behoort, pleit de Geest voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen, want Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit’ (Rom.8:26-27). Het gemis van de ‘vrede van God’ in je leven kan te wijten zijn aan oorzaken van buitenaf, waar je geen invloed op hebt of aan verkeerde praktijken in ons leven.

Paulus geeft ons drie aanwijzingen om die vrede van God (weer) te ervaren: (1) Het gebed (vers.6-7). Ons gebed dient in overeenstemming met Gods gedachten. Gebed is niet dat onze wil in de hemel gebeurt, maar dat Gods wil op aarde gebeurt! Echt gebed komt uit het hart, niet van de lippen! (2) Reine gedachten (vs.8). Hoe is het met onze gedachtewereld; bedenken wij de dingen die boven zijn? (Kol.3:2; Mat.16:23). Zoals iemand denkt, zo is hij (Spr.23:7). (3) Een gezond christelijk leven (vs.9) Lees in dat verband eens de volgende verzen in de brief aan Titus: 1:9,13; 2:1,8. (4) Hoe is het gesteld met onze wandel, is die in overeenstemming met Gods waarheid? Lees zorgvuldig Jakobus 4:1-11 en dan valt het op dat (1) verkeerd bidden (vs.4:3), (2) een verkeerde levenshouding (vs.4:4), (3) en een verkeerd denken (vs.4:8) strijd tot gevolg hebben en geen vrede!

Gods kracht (4:10-13)

‘Ik vermag alles door Hem die mij kracht geeft’, staat tegenover ‘Zonder Mij kunt gij niet doen!’ (Joh.15:5). Wanneer we op onze eigen kracht vertrouwen, zullen we falen. Als we op zijn kracht vertrouwen, kunnen we ‘koninkrijken overwinnen, gerechtigheid in praktijk brengen, beloften verkrijgen, muilen van leeuwen sluiten, de kracht van het vuur blussen, aan de scherpte van het zwaard ontkomen, omdat we in zwakheid kracht ontvangen’ (Heb.11:33-34). Als we de verzen vermeld in 2:12-13 nog eens lezen, dan ontdekken we dat God alleen door ons kan werken, als Hij eerst in ons werkt. Hij werkt in ons door Zijn Woord (1Thes.2:13), door het gebed van de Geest (Ef.2:14vv.), en soms door ervaringen in tijden van lijden (1Petr.5:10). De apostel Paulus had geleerd alles wat hij was tegengekomen aan te kunnen door Hem die hem kracht gaf. Zelfs zijn doorn in het vlees, waarover hij de Heer driemaal gebeden had omdat God tot hem gezegd had: ‘Mijn genade is u genoeg: want de kracht wordt in zwakheid volbracht (2Kor.7:9). Paulus heeft geen gemakkelijk leven gekend, zoals we weten: ‘Van de Joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen, driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en dag heb ik in volle zee doorgebracht. Dikwijls op reis, in gevaren van rivieren, in gevaren van rovers, in gevaren door volksgenoten, in gevaren door de volken, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders; in arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid; behalve wat van buiten komt, overvalt mij dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten’ (2Kor.11:24-28). In al die omstandigheden heeft hij geleerd tevreden te zijn (411) en in dat alles was hij meer dan overwinnaar door Hem die ons heeft liefgehad (Rom.8:37).

Gods zorg (4:14-20)

‘Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien’ (vs.19). Wat kunnen wij ons zorgen maken, over dingen die nooit op komen dagen! (Mat.6:25-34). Paulus had geleerd tevreden zijn met de omstandigheden waarin hij was! Let wel: hij was een gevangene! Maar we zien in dit gedeelte dat God ook in de gevangenis voorziet in zijn behoefte en Hij gebruikt daarvoor de gelovigen uit Filippo. De Heer Jezus heeft gezegd bij monde van de apostel Paulus, dat het’ gelukkiger is te geven dan te ontvangen’ (Hand.20:35) en uit ervaring mag ik weten dat het waar is! Drieëndertig jaar lang hulpverleend aan de gelovigen in Roemenië heeft zijn positieve sporen nagelaten. De geestelijke betekenis van deze giften was voor Paulus dan ook veel belangrijker, en ook voor God, want het was voor God een welriekende reuk, een aangenaam offer (vs.18). De gemeente in Filippi was de enige gemeente die Paulus financieel ondersteunde (v.15). Paulus zegt daarover dat de ‘opbrengst’ de vrucht daarvan op hun rekening zal komen. De gelovigen waren niet alleen betrokken bij Paulus ‘wel en wee’ maar ook werkzaam in het koninkrijk van God door hem te ondersteunen. Hoe goed zou het zijn als gemeenten daarvan doordrongen waren! Het is vaak niet mogelijk er zelf op uit te gaan, waarom dan niet anderen ondersteunen? Zelfs toen Paulus in de gevangenis zat zorgde God voor Paulus en hij gebruikte daarvoor gelovigen, daarom kon de apostel zeggen dat God niet alleen in zijn behoeften voorzag, maar ook in die van de Filippiërs, en met die opmerking sluit zijn brief aan de Filippiërs af. We mogen weten dat God ook voor ons zorgt, Hij is met ons begaan, en we mogen al onze bezorgdheid op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (1Petr.5:7; Ps.55:23).

Tenslotte (4:21-23)

Tot slot groet Paulus de gelovigen in Filippi en brengt ook de groeten over van de gelovigen die bij hem zijn. Een speciale vermelding geeft aan de gelovigen die tot het huis van de keizer behoren (1:13), en draagt hen allen op aan de genade van de Heer Jezus.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de brief aan de Gemeente te Kolosse

 

 

I. De stad

Kolosse was een van de drie steden (Hiërapolis en Laodicea zijn de andere twee) die ongeveer 150 kilometer ten oosten van Efeze lagen. Het was een rijke streek zowel wat betreft in mineralen als in handel, met een grote bevolking, zowel joden als heidenen. Deze drie steden lagen in elkaars nabijheid.

II. De Gemeente

Paulus heeft Kolosse nooit bezocht (zie: 2:1). Gedurende zijn driejarig verblijf in Efeze: ‘hoorde heel Asia het Woord van God’ (Hand.19:10,26). Een van Paulus’ bekeerlingen was een man genaamd Epafras, die in Kolosse woonde. Epafras had de boodschap mee naar huis genomen, en door zijn getuigenis is de Gemeente in Kolosse ontstaan (1:4-7; 4:12-13). Het is waarschijnlijk dat de samenkomsten gehouden werden in het huis van Filemon, want die woonde ook in Kolosse (Kol.4:9 en Filemon).

III. De crisis

Paulus was een gevangene in Rome. Epafras had hem bezocht en vertelde hem dat er een nieuwe leer de Gemeente was binnengekomen die veel verwarring had veroorzaakt. Deze ketterij wordt algemeen ‘gnosticisme’ genoemd, van het Griekse woord ‘gnosis’ dat ‘weten’ betekend. Het weten bestond daarin dat men beweerde dat men een superieure kennis bezat met betrekking tot geestelijke zaken. Deze leer was een mix van christelijke waarheden, joodse wetten, Griekse filosofie en oosterse mysticisme.

En van de dingen die geleerd werden was dat alle materie zondig was, inclusief het lichaam; en om die reden kon God niet in contact komen met materie. Hoe, dan, was de wereld ontstaan? Bij een aantal van ‘uitstralingen’ zei men. En omdat Christus een menselijk lichaam had, was Hij slechts één van de uitstralingen en niet echt de Zoon van God. Deze gnostici kenden een reeks van ‘uitstralingen’, (ook de engelen) tussen de mensen en God en daarom loochenden ze de voorrang van Christus.

Hun systeem bestond daarin dat ingewijden een speciale diepere kennen hadden van geestelijke zaken, waarover anderen niet beschikten. De gnostici hielden ervan om het woord ‘volheid’ te gebruiken en daarom vind je dat Paulus het een aantal keren in deze brief gebruikt. Het was een leer dat vereiste dat men bepaalde regels volgde (2:16) en strikte onderwerping van het lichaam (ascetisme, 2:18-23). ‘Raak niet, smaak niet, en roer niet aan’ (2:21). Ze leerden dat sommige dagen heilig waren en bepaald voedsel zondig. Het gnostische systeem had een schijn van geestelijkheid maar had geen echte geestelijke waarde (2:21-23).

IV. De briefwisseling

Het schijnt dat Paulus, Onesimus en Epafroditus samen met Tychicus met de brieven aan de Gemeenten te Efeze en Kolosse had teruggezonden (Ef.6:21-22), en naar zijn vriend Filemon. Sommigen denken dat de brief aan Laodicéa (Kol.4:16) onze brief aan de Efeziërs is.

De brief aan Kolosse benadrukt de voorrang van Christus. Als je het leest zal je regelmatig de woorden ‘alle’, ‘volheid’ en ‘in Hem, Christus’ tegenkomen (1:9-11, 16-20, 28; 2:2-3, 9-10, 13,19; 3:8, 11, 14, 16-17, 20,22; 4:9,12). Pauls’ thema is ‘Christus is alles en in allen’ (3:11) en dat ‘wij in Hem voleindigt zijn’ (2:10). Omdat gelovigen in de volheid van Christus volmaakt zijn, is Christus alles wat ze nodig hebben! Wetticisme, filosofieën, het in acht nemen van heilige dagen, het onderwerpen van het vlees – verdwijnen allemaal wanneer Christus de eerste plaats inneemt. De brief aan Kolosse pleit voor christelijke geestelijke volwassenheid (zie het gebed in 1:9-12). Religieuze praktijken gedaan in het vlees mogen geestelijk lijken, maar zijn van geen betekenis voor het innerlijke leven van een persoon. Hoe gemakkelijk is het, zelfs voor een evangelisch christen om menselijke regels in te ruilen voor echte geestelijkheid.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de gemeente te Kolosse

I.       Onderwijs: Christus voorrang verkondigd: (1)

A.      In de boodschap van het Evangelie (1:1-12)

B.      In zijn lijden op het kruis (1:13-14)

C.      In de schepping (1:15-17)

D.      In de Gemeente (1:18-23)

E.       In de dienst van Paulus (1:24-29)

II.       Gevaren: Christus voorrang verdedigd: (2)

A.      Pas op voor nutteloze filosofieën (2:1-10)

B.      Pas op voor wetticisme (2:11-17)

C.      Pas op voor menselijke leefregels en ascetisme (2:18-23)

III.      Opdracht: Christus voorrang getoond: (3-4)

A.      In persoonlijke reinheid (3:1-11)

B.      In Christelijke gemeenschap (3:12-17)

C.      Thuis (3:18-21)

D.      In het dagelijks leven (3:22-4:1)

E.       In je getuigenis als Christen (4:2-6)

F.       In christelijke activiteiten (4:7-18)

________________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op de Eerste en Tweede Brief aan de Thessalonicenzen

 

 

I. De stad

Je kunt de stad Thessaloniki vinden op een landkaart en daar bevond zich ook het antieke Thessaloniki. Oorspronkelijk noemde het Therma, vanwege de hete bronnen in de omgeving; maar 100 jaar voor Christus, Koning Cassander van Macedonië gaf het een nieuwe naam ter ere van de zuster van Alexander de Grote. Het was een vrije stad, met een eigen bestuur, en het was ook de hoofdstad van Macedonië. Thessaloniki lag aan de belangrijke route, de Via Egnatika (Egnatische weg), die Rome verbond met zijn oostelijke provincies.

II. De Gemeente

De vermelding van Thessaloniki wordt gevonden in het boek Handelingen 17:1-15. Paulus, Silas en Timotheüs verlieten de stad Filippi en reisden vijfenveertig kilometer naar Amphipolis, daarna vijfenvijftig kilometer verder naar Apollonia. Het valt op dat er geen vermelding is van enige evangelische activiteit in die steden. Hun volgende stop was de stad Thessaloniki, zo’n zestig kilometer verderop, waar Paulus een drietal weken onderwijs heeft gegeven in de synagoge en waar een groot aantal mensen zich bekeerden. In deze stad waren een groot aantal godsdienstige Grieken ‘proselieten’ uit de volken in de synagoge (Hand.17:4), en zij reageerden vol enthousiasme samen met enkele joden. Dit succes ergerde de orthodoxe joden, en zij brachten een menigte samen om de Christenen te hinderen en Paulus’ dienst onmogelijk te maken. De gelovigen waren van mening dat het beste was dat Paulus en zijn gevolg weg zouden gaan, wat ze ook deden en ze gingen naar Berea. Paulus liet zijn metgezellen daar achter en ging alleen verder naar Athene. Timotheüs vergezelde Paulus maar werd dadelijk teruggestuurd naar Thessaloniki om de nieuwe gemeente daar te bemoedigen (1Thes.3:1-3). Uiteindelijk kwamen ze allemaal weer bij elkaar in Korinthe (Hand.18:5).

Timotheüs gaf verslag van de pas ontstane gemeente in Thessaloniki. Het was vanuit Korinthe, in het jaar 50, dat Paulus zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen schreef. De tweede brief volgde enige maanden later.

III. De briefwisseling

De eerste brief

De eerste brief bevatte meerder onderwerpen: (1) om de nieuwe gelovigen te bemoedigen en ze te onderwijzen in de dingen betreffende Christus; (2) om valse uitspraken te weerleggen die over Paulus en zijn dienst de ronde deden, 2:1-12; (3) uit te leggen dat de reeds gestorven gelovigen deel zouden hebben aan de tweede komst van Christus; (4) de gelovigen te waarschuwen voor heidense praktijken; (5) de gelovigen aan te sporen hun leiders te eren en te volgen, 5:12-13; en (6) de gelovigen te waarschuwen die hun werk hadden opgegeven omdat dat ze dachten dat Christus spoedig zou komen, 2:9.

---------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Eerste brief aan de gemeente te Thessalonika

I. Persoonlijk (Hfdst.1-3)

A. Hoe de gemeente ontstaan was (1)

1. Een uitverkoren gemeente (1:1-5)

2. Een voorbeeldige gemeente (1:6-7)

3. Een enthousiaste gemeente (1:8)

4. Een verwachtingsvolle gemeente (1:9-10)

B. Hoe de gemeente werd verzorgd (2)

1. Een trouwe dienstknecht (2:1-6)

2. Een vriendelijke moeder (2:7-8)

3. Een bezorgde vader (2:9-16)

4. Een liefhebbende broeder (2:14-20)

C. Hoe de gemeente was ontstaan (3)

1. Door het Woord (3:1-5)

2. Door gebed (3:6-13)

II. Praktisch (Hfdst.4-5)

A. Een wandel in heiligheid (4:1-8)

B. Een wandel in liefde (4:9-10)

C. Een wandel in oprechtheid (4:11-12)

D. Een wandel in hoop (4:13-18)

E. Een wandel in het licht (5:1-11)

F. Een wandel in dankbaarheid (5:12-13)

G. Een wandel in gehoorzaamheid (5:14-28)

____________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

De eerste brief aan de Thessalonicenzen

 

 

 Hoofdstuk 1

 

Inleiding

Het ontstaan van de gemeente te Thessalonika vinden we beschreven in het boek Handelingen vanaf hoofdstuk 16. Nadat de deuren in west-Anatolië, het huidige Turkije, gesloten werden kreeg de apostel Paulus de oproep: ‘Kom over naar Macedonië en help ons’ (Hand.16:9). De deur naar Europa ging open en dat was niet de enige maar meerdere ‘deuren’ gingen open. De eerste deur was dat de Heer het hart opende van Lydia, de purperverkoopster en op haar beurt opende zij de deur van haar huis. (16:14,15) Maar er was niet alleen voorspoed er kwam ook tegenstand en de deur van de gevangenis opende zich voor Paulus en Silas (16:23). Enige tijd later ging die deur weer open nu om ze vrij te laten waarna ze richting Thessalonika gingen (16:37).

Handelingen 17:1-15 verhaalt de stichting van de gemeente in Thessalonika. Paulus heeft daar korte tijd gediend, mogelijk slechts een maand, maar de Heer deed er een groot werk en het getuigenis van de gemeente was wijd en zijd bekend. Door tegenstand van de Joden moest Paulus de stad verlaten en toen hij via Berea in Athene kwam zond hij Timotheüs terug naar Thessalonika om te zien hoe de zaken er bij stonden (Hand.17:15). Paulus zelf reisde door naar de stad Korinthe vanwaar hij, nadat Timotheüs was teruggekeerd om verslag uit te brengen (3:6), de eerste brief aan de Thessalonikers schreef.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen is geschreven omstreeks het jaar 50 n.Chr. De tweede brief enige maanden later. De eerste brief handelt onder meer over de opname, de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente in de lucht, terwijl de tweede brief de zichtbare komst van Christus op aarde behandeld, om zijn vijanden te onderwerpen en het koninkrijk op te richten. ‘De Dag van de Heer’ vermeld in 2 Thessalonicenzen is die periode van verdrukking die over het aardrijk zal komen nadat de gemeente is weggenomen. De eerste brief aan de Thessalonicenzen onderwijst ons duidelijk dat de Gemeente niet door die grote verdrukking zal heengaan (1:10, 5:9).

Het zal je maar gebeuren dat een apostel zo’n prachtige en bemoedigende brief aan jouw gemeente zou schrijven. Het kan natuurlijk niet, maar mocht het kunnen dan zou je geneigd zijn om vol trots naast je schoenen te gaan lopen! Maar wat ook een bemoediging voor de apostel Paulus om zulke goede berichten te ontvangen via Timotheüs die daar op bezoek was geweest (3:6). ‘Goede tijding uit verre lande is koel water voor een dorstige ziel’ (Spr.25:25). In het boek Nehemia lezen we dat tijdens Nehemia’s afwezigheid in Jeruzalem: ‘het huis Gods aan zijn lot was overgelaten’ (Neh.13:6-14). Maar in Thessalonika was dat niet het geval! Deze gemeente in mag dan ook zeker model staan voor de gemeente waar u en ik aan verbonden zijn! Van de gelovigen in Thessalonika kon de apostel Paulus zeggen dat ze…

…uitverkoren mensen waren (1:4)

‘Wij weten immers, geliefde broeders, van uw verkiezing door God’ schrijft Paulus. Verkiezing tot het heil begint bij God. ‘Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren’ (Joh.15:16). ‘Hij heeft ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren’ (Ef.1:4). Hoe wist Paulus dat de gelovigen van de gemeente in Thessalonika uitverkoren[i] waren? Paulus noemt daarvoor drie redenen: het werk van hun geloof, de inspanning van hun liefde en de volharding van hun hoop op onze Here Jezus Christus. Geloof, hoop en liefde zijn de drie voornaamste kenmerken van het christelijke leven, en de drie grootste bewijzen van de uitverkiezing. Geloof, hoop en liefde zijn kenmerken van echt geloof (Kol.1:4-5; Rom.5:1-4).

Het negende en tiende  vers van hoofdstuk 1 loopt parallel met de drie genoemde kenmerken: het werk van geloof: (hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt); de arbeid van de liefde (om de levende en waarachtige God te dienen); volharding van de hoop (en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten);

Werk van het geloof – hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt

De boodschap van de apostel Paulus was dat alle mensen ‘met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming’ (Hand.26:19-20; 17:30). Dit geloof vond Paulus bij de Thessalonicensen. Want, schrijft hij: ‘toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, hebt u het ook aangenomen, niet als een mensenwoord, maar zoals het werkelijk is als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft’ (1 Thes.2:13). Echt geloof moet resulteren in een veranderd leven (Jak.2:14-26). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

Arbeid van de liefde – om de levende en waarachtige God te dienen

Ongelovigen leven voor zichzelf (Ef.2:1-3) maar gelovigen leven voor de ander! ‘Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten liefhebben’ en ‘Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven’ (1 Joh.3:11,16). De gelovige heeft een nieuw motief in zijn leven: ‘hij heeft Christus lief en de ander.

Volharding van de hoop – en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten

De ongelovigen hebben geen hoop. Gelovigen houden vol ook in tijden van moeiten omdat zij geloven dat de Heer Jezus eens zal komen om een einde te maken aan het lijden wat het leven in deze wereld met zich mee brengt (1 Petr.1:1-9; 4:12-16). De komst van de Heer is het steeds terugkerend onderwerp in de twee brieven van Paulus gericht aan de Thessalonicenzen. In de eerste brief gaat het over de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente, een verborgen komst die elk moment kan gebeuren. In de tweede brief gaat het over de komst van Christus op aarde nadat er meerdere gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die aan zijn komst voorafgaan.

…een voorbeeldige gemeente vormden (1:7)

‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23).

Van ‘navolgers waren ze ‘voorbeelden’ geworden. Paulus was dankbaar voor hun geloof, hoop en liefde, en voor het feit dat deze christelijke eigenschappen zich openbaarden in hun werk, door volharding en geduld. Kunnen andere gelovigen aan ons zien dat we God toebehoren? Van de eerste gelovigen lezen we dat ze: ‘dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkwamen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk’ (Hand.2:46-47). Zijn wij c.q. onze gemeente een voorbeeld voor anderen? Het getuigenis van de gemeente te Thessalonika strekte zich uit tot alle gelovigen in Macedonië en Achaje. Ze waren navolgers van Paulus geworden zoals hij het was van Christus (1 Kor.11:1).

…ze enthousiaste gelovigen waren (1:8)

Is Gods kracht zichtbaar in mijn leven? Dat zal het geval zijn als u het Woord van God door het geloof aanneemt en de Geest van God laat werken in uw hart. Ze hadden het Woord ‘aangenomen niet als een woord van mensen, maar wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft’ (1 Thes.2:13). De gelovigen in Berea staat vermeld dat ze zich: ‘gunstig onderscheidden ten opzicht van die te Thessalonika, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren’ (Hand.17:11). Het onderzoeken en lezen van de Bijbel moet er toe dienen dat u een groot hart krijgt, geen groot hoofd! ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?’ (Luk.24:32). ‘De bijbel is ons niet alleen gegeven om ons te informeren, maar om ons te transformeren’ Deze gelovigen waren nog maar een korte tijd christen en toch gaven ze een geweldig getuigenis door het woord te verkondigen (1:8). Ze hoefden de apostel daar niet eens over in te lichten want die andere gelovigen vertelden zelf welk een ingang Paulus en zijn medewerkers bij hen hadden gehad.

…ze een verwachtingsvolle gemeente waren (1:9)

De komst van Christus hield de gelovigen in Thessalonika nogal bezig, dat blijkt wel als we de inhoud van de twee brieven aan hen gericht bestuderen. Hun houding was als van waakzame slaven die hun lendenen omgord en hun lampen brandende hadden. Ze waren gelijk aan mensen die op hun heer wachten (Luk.12:35-36). Als de wederkomst van de Heer Jezus hen zo bezig hield hoeveel te meer zou het bij ons moeten zijn, wij die zoveel dichter bij de komst van de Heer Jezus staan? ‘Want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen’ (Rom.13:11)? Een levend geloof in de komst van de Heer Jezus brengt altijd praktische consequenties met zich mee. ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3). En op de laatste bladzijde van de Bijbel lezen we: ‘De tijd is nabij. Wie onrecht doet, hij doet nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’ (Op.22:11). ‘De waarde van profetie is niet speculatie maar motivatie.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

[i] Enkele belangrijke bijbelteksten i.v.m. uitverkiezing zijn: Romeinen 8:28 - 11:36; Efeze 1:3-11; 1 Thessalonicenzen 1:4; 2 Thessalonicenzen 2:13; 1 Petrus 5:13;  2 Petrus 1:10.

De stelling van Arminius (de ‘rekkelijken’)

Door een eeuwig, onveranderlijk raadsbesluit in Christus vóór de grondlegging der wereld, besloot God uit het gevallen en zondige mensengeslacht diegenen te bestemmen tot eeuwig leven, die door zijn genade in Jezus Christus geloven, en volharden in geloof en gehoorzaamheid.

Christus de Heiland der wereld stierf voor ieder mens, zodat hij door zijn dood aan het kruis verzoening en vergeving verwierf voor allen, op zodanige wijze echter dat alleen de gelovigen dit voorrecht werkelijk genieten.

De stelling van Gomarus (de ‘preciezen’)

Gomarus volgt de visie van Calvijn en diens leerling opvolger Beza in de predestinatieleer zoals vermeld in de Institutie van Calvijn als ‘de eeuwige raad van God, waardoor Hij bepaalde wat Hij met ieder mens van plan was. Want Hij schept niet ieder in dezelfde staat, maar stelt voor sommigen eeuwig heil vast, voor anderen eeuwige verwerping.’

De vijf belangrijkste punten van het Calvinisme zijn: (1) de totale verdorvenheid van de mens, (2) onvoorwaardelijke uitverkiezing, of een mens is uitverkoren heeft niets te maken met verdienste, kwaliteit of prestatie, (3) Christus is alleen voor uitverkorenen gestorven, (4) onweerstaanbare genade roept en verlost feilloos alle uitverkorenen, en (5) de volharding van de heiligen houdt in dat allen die werkelijk door God zijn uitverkoren niet verloren zullen gaan, maar zeker tot hun dood in het geloof zullen volharden.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding en Indeling tweede brief aan de Thessalonicenzen

 

 

De tweede brief

De tweede brief werd enige maanden later geschreven. De vervolging van de gemeente werd erger (2Thes.1:4-5) en de gelovigen dienden bemoedigd te worden. De ‘ongeregelden’ in de gemeente waren niet weer aan het werk gegaan (2Thes.3:6-12). Wat alles nog erger maakte was dat de gelovigen verward waren over de Dag van Heer (De Verdrukking), ze dachten dat deze al was begonnen. Het is mogelijk dat de gemeente een valse brief had ontvangen, zogezegd van de apostel Paulus (2:1-3) en leerden dat de Dag van de Heer al begonnen was.

(De woorden ‘de dag van Christus’ in 2 Thes.2:2 moet zijn ‘de Dag van de Heer’ die verwijst naar de periode van de Grote verdrukking op aarde die volgt op de Opname van de Gemeente).

Paulus schreef 2 Thessalonicenzen om: (1) om de gelovigen te bemoediging en vermanen vol te houden ondanks vervolging; (2) uit te leggen de gang van zaken voorafgaande aan de Dag van Heer; (3) de ‘ongeregelden’ terug aan het werk te gaan. In 2Thes.3:17-18, geeft Paulus zijn persoonlijk ‘handelsmerk’ opdat de gelovigen gemakkelijk een eventuele toekomstige brief van Paulus konden traceren.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen vermeld het onderwijs over de Opname, Christus’ komst in de lucht voor de Gemeente, terwijl de twee brief aan de Thessalonicenzen over de openbaring van Christus op aarde gaat, om zijn vijanden te verslaan en zijn koninkrijk op te richten. De ‘Dag van de Heer’ waarnaar gerefereerd wordt in 2 Thessalonicenzen in de periode van verdrukking die komt over deze aarde nadat de Gemeente is opgenomen. 1 Thessalonicenzen 1:10 en 5:9 leren duidelijk dat de Gemeente niet door de Verdrukking zal gaan.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Tweede brief aan de gemeente te Thessalonika

I. Bemoedigingen in het lijden (1)

A. Lijden helpt ons groeien (1:3-5)

B. Lijden bereid ons voor op heerlijkheid (1:6-10)

C. Lijden verheerlijkt Christus nú (1:11-12)

II. Klaarheid over de dag van de Heer (2)

A. De afval moet eerst plaatst vinden (2:1-3)

B. De tempel moet herbouwd zijn (2:4-5)

C. De mens van de zonde moet geopenbaard worden (2:6-12)

D. De Gemeente (Geest) moet voltooid zijn (2:13-17)

III. Stabiliteit in het christelijk leven (3)

A. Gebed en geduld (3:1-5)

B. Werken en eten (3:6-13)

C. Horen en doen (3:14-15)

D. Groeten (3:16-18)

______________________________________________________________