Diverse Onderwerpen 4

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende onderwerpen opgenomen:

 

 

 

Gods heerlijkheid

Die moeilijke Hebreeënbrief!

Zij zullen de leugen geloven

Offers in het Vrederijk?

Dertig dagen zonder klagen

Achter de schermen van het wereldgebeuren

De Sabbat

Genesis, Exodus en Leviticus in vogelvlucht

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Gods heerlijkheid

 

 

De eerste vermelding van een ontmoeting met God en de mensen vond plaats kort na de zondeval. ‘Toen zij het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. En de Here God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij’ (Gen.3-8-10). Het was een zintuigelijke waarneming waardoor Adam en Eva de aanwezigheid van God bemerkten. Wanneer we spreken over de heerlijkheid van God zouden we dat kunnen definiëren als: ‘Gods heerlijkheid is de waarneembare aanwezigheid van Hemzelf’. Na Adam en Eva heeft God zich noch vaker gemanifesteerd aan andere mensen, zoals o.a. bij Abraham en anderen door de Engel des Heren. Aan Mozes verscheen de Here als de Engel des Heren in een braamstruik die in brand stond (Ex.3:2). Bij de uittocht van het volk Israël is er sprake van een wolk- en vuurkolom (Ex.13:21-22). Dat was de wijze waarop God zich aan de mensen openbaarde. Mozes wenste Gods heerlijkheid te zien (Ex.33:18), maar ‘Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven’. Maar in Christus zien wij de heerlijkheid van God, want ‘Deze is, die de uitstraling is van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ (Heb.1:3). ‘Christus, die het beeld van de onzichtbare God is’ (2Kor.4:4; Kol.1:15). We gaan een aantal Schriftplaatsen na waar gesproken wordt over die heerlijkheid van God.

De heerlijkheid op Sinaï (Ex.19:16-20; 24:15-17)

‘En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in de legerplaats was, beefde. Toen leidde Mozes het volk uit de legerplaats God tegemoet en zij stelden zich op onder aan de berg. En de berg Sinaï stond geheel in rook, omdat de Here daarop nederdaalde in vuur; de rook daarvan steeg op als de rook van een oven, en de gehele berg beefde zeer. Het geluid van de bazuin werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak, en God antwoordde hem in de donder. Toen daalde de Here neder op de berg Sinaï, op de bergtop, en de Here riep Mozes naar de bergtop, en Mozes klom naar boven’

Om alle toekomstige voorwendsels te voorkomen door te zeggen dat de wet die Mozes op het punt stond aan Israël geven te geven zelf had bedacht, verleende God Mozes de hoogst mogelijke eer en eerbied die ooit aan stervelingen was gegeven. De 'jij' in vers 9 is enkelvoudig, maar de gebeurtenis van de komst of komst van God in een dichte, donkere wolk was openbaar. Gewoonlijk woonde God met zijn volk in een wolk- en vuurkolom; maar hier werd het dik en pikzwart, misschien met een donderslag en een bliksemflits waarmee Gods stem zijn schepping doorboorde. De stem van God die tot Mozes sprak (Deut.4:32-33) zou in het kamp hoorbaar zijn, zodat Israël en al haar ware afstammelingen zowel toen als voor altijd op Mozes 'woorden zouden vertrouwen.

De heerlijkheid in de tabernakel (Ex.40:34-38)

‘En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heren vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rustte daarop, en de heerlijkheid des Heren vervulde de tabernakel. Wanneer de wolk zich verhief van boven de tabernakel, braken de Israëlieten op, op al hun tochten. Maar indien de wolk zich niet verhief, dan braken zij niet op tot de dag, dat zij zich verhief. Want op de tabernakel rustte des daags de wolk des Heren, en des nachts was er een vuur in voor de ogen van het gehele huis Israël, op al zijn tochten.’

Zoals God had opgedragen was de tabernakel opgericht, maar er ontbrak nog iets, namelijk de heerlijkheid van God, om het ‘gebouw’ ook werkelijk betekenis te kunnen geven. Door de komst van de heerlijkheid van God, was het volk Israël klaar om te vertrekken. De belofte van een geestelijke leider was vervuld (23:20, 23; 32:34; 33:2). De Here woonde nu te midden van zijn volk als haar Koning, en Hij ging hun voor al die jaren door de woestijn. Het signaal om telkens hun reis verder te zetten was: ‘telkens wanneer de wolk zich verhief’ (13:21; 17:1; 25:22).

De heerlijkheid in Salomo’s tempel (1Kon.8:10-11)

‘Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des Heren, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des Heren had het huis des Heren vervuld.’

Toen de priesters de ark in het Heilige der Heiligen hadden geplaats en zich hadden teruggetrokken, verscheen de heerlijkheid van God en vulde de tempel, zoals dat al eerder gebeurd was bij de oprichting van de tabernakel (Ex.40:34-35). God erkende daardoor genadig Salomo's handwerk en gaf aan dat hij van plan was bij zijn volk te gaan wonen. De heerlijkheidswolk was de zichtbare manifestatie van de aanwezigheid van God. Het concept van de gemanifesteerde glorie van God (ook wel zijn Sjechina genoemd) is een doordringend en belangrijk thema in het OT en gaat door in het NT (Joël 3:20-21).

De heerlijkheid van God in het boek Ezechiël (Ez.1:4-28)

Dit gedeelte van de Schrift vereist iets meer uitleg omdat hierover nogal veel gefantaseerd wordt, er zijn er zelfs die denken een beschrijving van een UFO. De Schrift verklaart zich ook hier zelf door van dit visioen te zeggen in 1:28 - ‘Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren.’ Ik geloof dat we hier meer moeten denken aan een symbolische beschrijving.

(1) De heerlijkheid geopenbaard in een stormwind (1:4). Dit symboliseert Gods oordeel over Jeruzalem. Babel komt uit het noorden. De wolk van flikkerend vuur zou de verwoesting van Jeruzalem kunnen betekenen.

(2) De heerlijkheid geopenbaard door cherubs (1:5-14). De cherubs, verschillen van engelen maar worden daarmee gelijkgesteld. Deze wezens symboliseren de heerlijkheid en de kracht van God. Ze kunnen alle kanten opkijken en bewegen zonder te draaien. De vier gezichten spreken van hun eigenschappen: de kennis van de mens; de kracht en vrijmoedigheid van de leeuw; de trouw en dienst van een os; en het hemelse van de arend. Sommigen uitleggers zien in die vier gezichten de vier evangeliën: Mattheüs de leeuw – de koning; Markus de os – dienstknecht; Lukas de mens - Zoon des mensen en Johannes de adelaar – Zoon van God. Deze wezens konden zich snel bewegen om de wil van God ten uitvoer te brengen.

(3) De heerlijkheid geopenbaard door wielen (1:15-21). Elk wezen is verbonden met een reeks wielen, twee wielen per rad. De wielen draaiden voortduren in alle richtingen. Ze waren ‘vol ogen’ (vs.18) een mogelijk symbool voor de alwetendheid van God (Spr.15:3). Dit mag spreken van Gods voortdurende bezig zijn met zijn schepping, zijn macht en heerlijkheid, zijn alomtegenwoordigheid, zijn plan met de mens, zijn voorzorg. De wereld is vol geweld en verandering, maar God is Dezelfde en volvoert zijn plan.

(4) De heerlijkheid geopenbaard in het uitspansel of firmament (1:22-27).

Het is een mooi platvorm, het uitspansel, boven de wielen en de cherubs, die de troon van God bevat. God zit nog steeds op zijn troon, en zijn wil wordt nog steeds in deze wereld ten uitvoer gebracht ook al doorgronden wij het niet. De complexe bewegingen van de cherubs en de wielen symboliseren de onnaspeurlijkheid van Gods handelen, welk Hijzelf alleen kan verstaan en beheersen (Rom.11:33-36). Er is een perfecte harmonie en orde.

(5) De heerlijkheid geopenbaard in een regenboog (1:28). In de storm verscheen er een regenboog waaruit we mogen concluderen dat God trouw is aan zijn belofte (Gen.9:11-17; Op.4:3, 10:1). Noach zag een boog ná de storm, Ezechiël tijdens de storm en Johannes vóór de storm.

(6) De heerlijkheid verwijderd (8-11). De heerlijkheid van God verschijnt opnieuw maar nu in de zondige stad Jeruzalem waarvan het oordeel steeds naderbij komt. Natuurlijk kon Gods heerlijkheid op zo’n plaats niet aanwezig blijven. In 8:4 verschijnt de heerlijkheid, maar in 9:3 stond die heerlijkheid op de drempel van de tempel op het punt om te vertrekken. De tempel was nu leeg. Dan in 10:4 verhief Gods heerlijkheid zich en in 10:18 ging de heerlijkheid van de drempel naar de Oostpoort van de tempel en uiteindelijk in 11:22-23 ging de heerlijkheid uit de tempel naar de Olijfberg. Ikabod: ‘Gods heerlijkheid’ was weg! (1Sam.4:21).

(7) De terugkeer van de heerlijkheid in de nieuwe tempel. De heerlijkheid hersteld (43:1-12). In de hoofdstukken 40-48 ziet de profeet een hersteld volk Israël en de heerlijkheid van het koninkrijk. Hij beschrijft de herstelde stad en tempel, groter dan Israël ooit heeft gekend. In 43:1-6 ziet hij de terugkeer van Gods heerlijkheid, die op dezelfde berg terugkeert zoals hij was weggegaan. Natuurlijk de Heer Jezus is de heerlijkheid van God en Hij zal in die heerlijkheid terugkeren tot het volk van God, Israël. Deze terugkeer van Gods heerlijkheid is niet gebeurd toen de Joden terugkeerden na hun ballingschap naar het land, dus moet die vervulling van die profetie nog toekomstig zijn.

De aarde zal vol zijn van de heerlijkheid van God (Hab.2:14)

‘Want de aarde zal vol worden van de kennis van des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken’ (Hab.2:14).

Het is Gods blijvende bedoeling dat zijn 'heerlijkheid' de hele aarde zal vullen zoals ze ook zijn huis vervulde, en dat de mensheid die kennis ten volle zou moeten beseffen, die zo wijd als de zee zal zijn in zijn lengte, breedte en diepte. Dit houdt in dat alles wordt verwijderd dat zulke 'kennis' afwijst, waarvan het Babylonische karakter en de aspiraties een beeld zijn. De zinsnede 'de heerlijkheid van de Heer' wordt gebruikt voor de zichtbare aanwezigheid van God, waardoor bij uitstek de grootsheid van zijn karakter en handelingen worden onthuld. Het wordt het meest duidelijk verbonden met de tabernakel en de tempel, en vooral met de cherubs boven de ark waar de Heer verscheen en over Israël heerste, waarbij zijn soevereine majesteit de kern is van zijn 'heerlijkheid'. De Heer in zo'n 'heerlijkheid' te kennen, betekent daarom dat de trotse autonomie van de Babyloniërs – en alle andere volken en machthebbers – hun positie opgeven en hem als Heer eren.

‘Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des Heren de ganse aarde vervullen zal’ (Num.14:2).

‘En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol’ (Jes.6:3).

‘En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde. Amen, ja, amen’ (Ps.72:19).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Die moeilijke Hebreeënbrief!

 

Hebreeën 6:4-6

 

 

 

Inleiding

Deze verzen, samen met Hebreeën 10:29-39, hebben bij veel bijbellezers de indruk gewekt dat een gelovige alsnog verloren kan gaan, dat komt omdat ze mogelijk verkeerd begrepen en toegepast worden. Ik geloof niet dat hier het onderwerp ‘Kan een gelovige verloren gaan?’ aan de orde is. Dat het geen gemakkelijke passage is om uit te leggen mag blijken uit de verschillende interpretaties die u hieronder kunt vinden.

De eerste visie is dat de schrijver (Paulus?) van de brief ons waarschuwt tegen de zonde van afgoderij, willens en wetens Jezus de rug toekeren en terugkeren naar het oude leven. Volgens deze visie, zou zulk een persoon voor altijd verloren zijn, maar er zijn vragen verbonden aan deze visie.

a) Om te beginnen dient gezegd te worden dat het Griekse woord apostasia (geloofsafval) in dit gedeelte niet gebruikt wordt. Het werkwoord voor ‘afvallen’ (Heb.6:6) is parapipto, dat kan worden vertaald als: ‘afvallen van de realiteiten en feiten van het geloof.’

b) Ten tweede, we interpreteren bijna altijd eerst het onduidelijke dan het voor de hand liggende. Er zijn veel Bijbelverzen die ons verzekeren dat een echte gelovige nooit verloren kan gaan. In werkelijkheid is een van de sterkste argumenten voor de zekerheid van behoudenis, het laatste gedeelte van dit hoofdstuk (Heb.6:13-20; zie ook Joh.5:24; 10:26-30; Rom.8:28-39). Hen die beweren dat een gelovige toch nog verloren kan gaan, leren bijna altijd dat een dergelijke persoon ook weer hersteld kan worden. Maar dit gedeelte (Heb.6:4-6) leert ons precies het tegenovergestelde: ‘want het is onmogelijk… weder opnieuw tot bekering te brengen!’ Is er dan geen vergeving mogelijk??

2. Anderen beweren dat de mensen aan wie de brief geschreven werd geen ware gelovigen waren. Ze hadden wel deelgehad (wat dat ook mag inhouden!) aan de Heilige Geest, maar waren niet werkelijk wederom geboren! Laten we de beschrijving van deze mensen eens onderzoeken om te zien of ze werkelijk behouden waren.

a) Ze waren ‘eens verlicht geweest’ (Heb.6:4) Het ‘eens’ betekent ‘verlicht eens en voor altijd.’ De wijze waarop ditzelfde werkwoord wordt gebruikt in Hebreeën 10:32 geeft een ervaring van werkelijk geloof aan (zie 2Kor.4:4-6).

Ze hadden ‘geproefd van de hemelse gave’ (Heb.6:4b), en ‘het goede woord van God en de krachten van de toekomstige eeuw’ (Heb.6:5). Om te zeggen dat deze mensen hebben ‘geproefd maar niet gegeten’ is moeilijk te geloven.

b) ‘Geproefd’ heeft de idee van ‘ervaren’ in zich. Deze Hebreeuwse gelovigen hadden de gave van het heil ervaren, het woord van God, en de kracht van God. Duidt dit op werkelijk geloof?

c) Ze waren ‘deelgenoten van de Heilige geest’ (Heb.6:4c). Proberen te verklaren dat ze tot op zekere hoogte deel hadden gekregen aan de Heilige Geest, gaat voorbij aan de betekenis van het werkwoord ‘deelhebben aan’. Ze waren niet slechts ‘deelgenoten van de Heilige Geest,’ maar ook ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ (Heb.3:1) en ‘deelgenoten van Christus’ (Heb.3:14).

Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat deze mensen werkelijke gelovigen waren, en niet slechts belijders. Bovendien, hoe kunnen ongelovige mensen de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken?

3. Een derde visie is dat deze zonde alleen gedaan kon worden door Hebreeuwse gelovigen in de eerste eeuw, omdat de tempeldienst nog bestond. Als dit zo zou zijn, waarom verbindt de schrijver deze aansporing dan met het ‘hemelse’ priesterschap van onze Heer en de betekenis van geestelijke volwassenheid? Het schijnt mij vruchteloos als we deze verzen begrenzen tot christenen uit de eerste eeuw.

4. Wat wil de schrijver ons dan proberen te zeggen? Het is mogelijk dat hij een hypothetische zaak beschrijft om te bewijzen dat een ware gelovige nooit verloren kan gaan. Zijn standpunt in Heb.6:9 lijkt deze mening te ondersteunen. ‘Maar, geliefden, wij zijn wat u betreft overtuigd van de betere en met de behoudenis verbonden dingen, ook al spreken wij zo.’ Zijn argumentatie gaat zo: ‘Laten we aannemen dat je niet groeit in het volwassen worden in het geloof. Betekent dat dan dat je terugkeert tot het niveau van een veroordeelde, dat je je behoudenis verliest? Onmogelijk! Als je al je behoudenis zou kunnen verliezen, dan zou het onmogelijk zijn om nog een te vernieuwen tot bekering; en dit zou oneer toebrengen aan Christus. Hij zou voor jou weer gekruisigd moeten worden, en dat kan nooit gebeuren.’ In Heb.6:4, verandert de schrijver de persoonlijke voornaamwoorden ‘wij’ en ‘ons’ in ‘hen’. Deze verandering geeft ook aan dat hij een hypothetische zaak op het oog had.

5. Hoe dan ook, er is nog een ander mogelijke interpretatie die geen hypothetische achtergrond vereist. Men dient acht te geven dat de woorden ‘kruisigen’ en ‘maken’ in Hebreeën 6:6 in het Grieks geschreven zijn in de tegenwoordige tijd: ‘terwijl zij hem kruisigen… en terwijl zij Hem openlijk te schande maken.’ De schrijver zegt niet dat deze mensen nooit tot bekering kunnen komen. Hij zegt dat ze niet tot bekering konden komen zolang zij Jezus Christus behandelden op een schaamtevolle manier. Eenmaal dat ze daarmee stopten, zouden ze tot bekering kunnen komen en hun gemeenschap met God vernieuwen.

Tenslotte

Welke mogelijkheid je ook voorstaat, houd er rekening mee dat het doel van de schrijver was om de mensen te bemoedigen en niet om ze bang te maken. Als hij ze had willen bang maken, dan zou hij om het even welke zonden genoemd kunnen hebben die Jezus Christus zou onteren; maar dat deed hij niet. In feite, vermeed hij het woord afgoderij en gebruikte daarvoor in de plaats ‘ernaast vallen’ (Zie Gal.6:1 voor een gelijkaardig woord). Christenen kunnen ‘zondigen tot de dood’ (1Kor.11:30-32; 1Joh.5:16-17). Dit staat in verband met Gods tucht, een onderwerp dat de schrijver van de Hebreeën in hoofdstuk 12 behandelt. Voor hen die toch geloven dat een gelovige nog verloren kan gaan, moet men wel bedenken dat men bij de uitleg van veel andere Bijbelteksten de grootste moeilijkheden zal ontmoeten. We denken maar aan Johannes 10:28-29, 6:39; 17:12, 18:9; Rom.8:31-39. We geloven niet dat de bijbel met zichzelf in tegenspraak is.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Zij zullen de leugen geloven…’

2 Thessalonicenzen 2:8

 

 

 

 

 

Inleiding

Het onderwijs met betrekking tot de Opname van de gelovigen c.q. de Gemeente, had Paulus al in zijn eerste brief aan de gelovigen te Thessaloniki uiteengezet. In deze brief, en in het bijzonder in dit hoofdstuk, legt hij aan hen uit dat de ‘dag des Heren’ nog niet gekomen was en dat deze niet eerder zou komen voordat er een aantal zaken moesten gebeuren. Waarom dachten de gelovigen in Thessaloniki dat de ‘dag des Heren’ al gekomen was? Ze hadden namelijk een brief ontvangen, als van Paulus geschreven, dat die dag al aangebroken zou zijn. Hij vraagt hen dat ze rustig blijven, en vertrouwen bij het onderwijs te blijven dat hij eerder had gegeven betreffende de ‘bijeenvergadering tot Christus’, en zich niet zo snel van de wijs te laten brengen. Mogelijk hadden ze niet goed opgelet, of waren bepaalde onderdelen van Paulus’ onderwijs op de achtergrond geraakt, want Paulus verwijst naar het onderwijs over het onderwerp toen hij bij hen was geweest (2:5).

De Dag des Heren

Het onderwijs van de eerste brief aan de Thessalonicenzen gaat over de Opname waardoor de gelovigen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Dit kan elk moment gebeuren en er hoeven geen gebeurtenissen aan vooraf te gaan. Het onderwijs in Paulus’ tweede brief aan de Thessalonicenzen gaat over Christus zichtbare komst op aarde voor Israël en de volken en daaraan gaat de zgn. ‘dag des Heren’ aan vooraf. De ‘dag des Heren’ is duidelijk een dag van oordeel en verschilt in ernstige mate van de bijeenvergadering van de gelovigen tot Hem. De ‘dag van de Heer’ is een dag van oordelen die aan het Messiaaanse rijk voorafgaan en is synoniem met: ‘de tijd van benauwdheid’ – ‘het uur van de verzoeking’ – ‘de dag van de verbolgenheid des Heren’ – ‘gramschap’ – ‘toorn’ – ‘de grimmigheid’. Voor de ‘dag des Heren’ zie: Jes.2:12, 13:6, 9; Ez.13:5, 30:3; Joel1:15, 2:1, 11, 31, 3:14; Am.5:18, 20; Ob.vs.15; Zef.1:7, 14; Zach.14:1; Mal.4:5; Hand.2:20; 1Thes.5:2; 2Thes.2:2; 2Petr.3:10. En daarover was verwarring ontstaan: had God zijn programma veranderd? Had Paulus niet gezegd dat ze gered zouden worden voor de komende toorn (1Thes.1:10: 5:9)? Paulus geeft daarop als antwoord dat de ‘dag des Heren’ niet eerder komt dan dat eerst een aantal gebeurtenissen plaatsvinden.

Overzicht van de gebeurtenissen

Ten eerste, de afval moet eerst plaatst vinden (2:1-3).

Hier wordt niet gesproken over ‘verval’ van het bijbels geloof, maar over de ‘afval’ daarvan! Verval van de Bijbelse leer, normen en waarden is er altijd geweest, maar de afval daarvan gaat verder. Er is een kenmerkend verschil met de begintijd van het christendom en de eindtijd! ‘Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof’ (1Tim.4:1). En: ‘Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: 2want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, 4verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, 5die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben’ (2Tim.3:1-5). De symptomen van de eindtijd zijn nu al duidelijk zichtbaar in het christendom. In één generatie, van ná de tweede-wereldoorlog tot op vandaag zijn de veranderingen groot. De kerken lopen al decennialang leeg en het Woord van God is schaars geworden (1Sam.3:1), en dat vooral in Europa.

Ten tweede, de tempel moet herbouwd zijn (2:4-5).

Het is heel bijzonder dat in 1948 de staat Israël ontstaan is als een voorvervulling van de bijbels profetieën die een herstel daarvan aankondigen. Wie de laatste jaren Jeruzalem bezocht heeft weet dat er plannen zijn om de tempel te herbouwen. In de oude stad Jeruzalem is er zelfs een pand waarin een organisatie huist, The Temple Institute’, die de bouw van een nieuwe tempel actief promoot en voorbereid.

Ik heb dat Instituut een paar jaar geleden mogen bezoeken en me van de voorbereiding kunnen overtuigen. Hoe dit zich verder zal ontwikkelen is af te wachten maar de plannen zijn er. Deze tempel zal er in elk geval zijn wanneer de mens van de zonde zich openbaart en zich daarin gaat plaatsnemen.

Ten derde, de mens van de zonde moet geopenbaard worden (2:6-12).

Wie is die ‘mens van de zonde’ of ‘de zoon van het verderf’? Algemeen wordt aangenomen dat dit de, elders in het Nieuwe Testament, aangekondigde antichrist is. Dat voert ons naar het boek Openbaring waarin we daarover nog meer bijzonderheden vermeld vinden. Daar wordt in hoofdstuk 13 gesproken over twee beesten, waarvan de ene, die uit de zee opstijgt, het Hoofd van het herstelde Romeinse Rijk is, en de ander, die uit de aarde opstijgt, de zgn. valse profeet, die twee horens had gelijk een lam en hij sprak als de draak. Deze zal ervoor zorgen dat er voor het beest een beeld gemakt zal worden, en we denken dan aan de ‘gruwel der verwoesting’ waarvan gesproken is door de profeet Daniël (Mat.24:15). We kunnen hierin een valse drie-eenheid ontwaren: het beest uit de zee, het beest uit de aarde en het beest, de satan (Op.20:10).

Ten vierde, de tegenhouder moet weggenomen zijn (2:13-17).

De tegenhouder is de heilige Geest die zal worden ‘weggenomen’ van de aarde met de Opname van de gelovigen’. Dat wil echt niet zeggen, zoals sommigen menen dat Gods Geest daarna niet meer kan werken. De Geest werkte voordat Hij op aarde kwam wonen en zal dat daarna ook nog kunnen. Het boek Openbaring spreekt over een grote schare uit de grote verdrukking die voor het Lam staan (Op.7:9-12) en dat is toch zonder tekort te doen aan menselijke activiteit, een werk van Gods Geest! Over dit vierde punt is heel wat discussie gevoerd. Zie daarvoor mijn artikel in de rubriek Eschatologie: De weerhouder.

Ze zullen de leugen geloven

Wat moeten we daaronder verstaan? Wat is dan die leugen, waaruit bestaat ze? De Heer Jezus had daar al eerder naar verwezen toen Hij zei: ‘Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen’ (Joh.5:43).

Maar laten we eerst eens kijken wanneer en in welke tijd de mensen met deze leugen zullen geconfronteerd worden? Het zal een tumultueuze tijd zijn, vol van unieke gebeurtenissen, om het met de woorden van Lukas te zeggen: ‘Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van de zee en watergolven (dit zijn de volkeren), terwijl de mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk zullen komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen’ (Luk.21:25-26). Elders heeft de Heer Jezus aangekondigd: ‘Vele valse profeten zullen opstaan en zij zullen velen misleiden. En omdat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van de velen verkoelen’ (Mat.24:11-12). Het centrum van de toekomstige gebeurtenissen zal liggen in Israël, in Jeruzalem beter gezegd. Verder zal het herstelde Romeinse Rijk, dan bestaande uit tien landen, geregeerd worden door een dictator, het beest uit de zee (Op.13:1) wat gepaard zal gaan met grote politieke spanningen vooral in Europa. Het Midden-Oosten zal gekenmerkt worden door militair geweld en zal gericht zijn op het land Israël. De onverklaarbare verdwijning wereldwijd van een groot aantal mensen – de Opname – zal dan juist achter de rug zijn. En dan, in die wereld zal er iemand opstaan en zeggen dat hij de messias is die vrede en orde zal brengen, de Antichrist, en dat is het moment en de man waarop veel mensen hebben gewacht! Iemand die orde zal brengen in een wanordelijke wereld! De komst van die valse messias zal gepaard gaan ‘met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei bedrog van de ongerechtigheid’ (2Thes.2:9). Het zal een indrukwekkend gebeuren zijn! Er zal zelfs een beeld voor hem gemaakt worden, die men dient te aanbidden. De mensen zullen een merkteken krijgen op hun rechterhand of hun voorhoofd, waardoor men wel of niet deel kan blijven uitmaken van de maatschappij. Onvoorstelbaar? Misschien vijftig jaar geleden, maar nu toch niet meer?

Ja, zij zullen de leugen geloven. Wie? Wel de mensen ‘die de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden’ (2Thes.2:10). En wat doet God? Geeft Hij ze een tweede kans? Neen, Hij zendt hun een werking van de dwaling om de leugen te geloven; ze zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden (2Tim.4:4). Ze zullen hem aannemen die komt in zijn eigen naam, de antichrist, de vader van de leugen, de mensenmoordenaar van de beginnen.

Verblind God de mensen voor de waarheid?

God heeft toch de mensen lief en wil toch dat allen tot de kennis van de waarheid komen? (1Tim.2:4). Maar er is ook zoiets al verharding, die God toepast als een mens voortdurend ongehoorzaam is (Ex.4:21). Of als iemand alle zegeningen die hij ontvangen heeft als normaal aanvaard en het verkrijgen daarvan aan zichzelf toeschrijft (Deut.8:11-20). Of in opstand tegen God komt vanwege tegenslag en lijden en daarbij een houding ontwikkeld die God de schuld geeft (Ps.95:7-9). Verwerping van een verdiende tuchtiging door God (Spr.29:1). Weigeren om te luisteren dat tot het verlies van onderscheid lijdt (Zach.7:11-14). Weigeren om te luisteren met het voornemen niet te gehoorzamen (Mat.13:11-16).

Verblind God de mensen? Om dat te kunnen begrijpen moeten we weten Wie God is. (1) God is rechtvaardig (Ps.11:7). (2) God schiep een wereld die goed was maar door de val van de mens in zonde in gevallen (Rom.5:12). Er komt een moment waarop God herstel voor deze wereld komt brengen ((Op.21:1). (4) God is sterker dan de boze en het kwaad (Mat.13:41-43; Op19:11-21). (5) God laat het kwaad zijn gang gaan maar heeft er controle over. God heeft het kwade niet geschapen, en geeft kracht aan iedereen die erover wil heersen (Mat.11:28-30). (6) God gebruikt het goede en het kwade om tot zijn doel te komen (Gen.50:20; Rom.8:28).

De Bijbel toont ons dat er een dag komt waarop God, die het kwade haat, dat voor eens en altijd zal wegdoen (Op.20:11-15). God verleidt niemand tot het kwade. Zij die zich echter toeleggen om het kwade te doen, kunnen van kwaad tot erger vervallen om onder het oordeel van God te vallen (Ex.11:10). Het is niet nodig dat wij alles te weten komen hoe God deze wereld bestuurd om een volmaakt vertrouwen te hebben in Hem die absolute macht en gezag heeft over het kwade en zijn totale liefde voor ons (Rom.11:33-36). En vergeet niet, wij hebben te maken met een heilige God, die te rein van ogen is om het kwaad te zien, en die het onrecht niet straffeloos kan aanschouwen! (Hab.1:13).

Een oproep

‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij. Wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt’ (Openbaring 3:20-22)

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

 

 

 

Offers in het Vrederijk?

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Zullen er in het Vrederijk weer offers gebracht worden zoals dat in het Oude Testament het geval was? Of is de beschrijving van de bouw van de tempel zoals in Ezechiël 40-48 beschreven geestelijk te verstaan en gaat het niet om een nieuw te bouwen tempel in Jeruzalem? Voor hen die de Bijbel letterlijk nemen zoals ik, is het zeker geen gemakkelijke taak om deze vraag te beantwoorden. Er zijn er ook die deze vraag behandelen door de inhoud te vergeestelijken, allegoriseren. Maar dan moet men namelijk, de vraag niet beantwoorden, maar wat met de negen hoofdstukken van het slot van het boek Ezechiël, waar het gedeelte over de offers staat, hoe ga je dat uitleggen of toepassen! Een hele opgave, waarbij dan de vraag als vanzelf naar boven komt, waarom God zoveel aandacht aan een te bouwen tempel schenkt als het geestelijk verklaard dient te worden…? En als je het ene gedeelte van de Bijbel vergeestelijkt dan moet je, wil je consequent zijn, dat met de andere gedeelten ook doen. Maar daar zit juist het probleem! Neem bijvoorbeeld Jesaja 9, het gedeelte over de geboorte van de Messias. Het vijfde vers, wat gaat over Jezus’ eerste komst, neemt men letterlijk, het daaropvolgende volgende vers 6, wat gaat over de troon van David en zijn toekomstig koninkrijk, wordt dan weer vergeestelijkt! Wie dat kan begrijpen, mag het zeggen. Trouwens er is geen enkele oudtestamentische profetie die door de Heer Jezus vergeestelijkt wordt, Hij neemt ze allemaal letterlijk en dat moet ons toch iets te zeggen hebben!

Dan zijn er mensen die om andere redenen met offers in een toekomstig vrederijk (of niet), moeilijk hebben, om reden van dierenliefde. Maar je moet dat ook weer niet overdrijven want er zijn maar weinig mensen die vinden, dat wanneer men een maaltijd gaat gebruiken, een stukje vlees mag ontbreken. Let wel, vlees eten is geoorloofd want: ‘Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid. Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’ (Gen.9:3-4). Petrus spreekt zelfs van redeloze dieren die van nature voortgebracht zijn om gevangen en omgebracht te worden’ (2Petr.2:12).

Anderen moeten niets weten van een God die door bloedige offers gediend moet worden. Een ‘bloedloze theologie’ is het gevolg. Een God die gediend, tevredengesteld of verzoend moet worden met bloedige offers is voor hen ondenkbaar. Die visie gaat niet alleen uit van foute vooronderstellingen, en staat daarom ver van het Bijbels getuigenis, zodat we daar verder geen aandacht aan hoeven te schenken. Trouwens het was de Heer Jezus Zelf die het offerlam was en ons van onze zonden verlost heeft door zijn bloed? (Op.1:6)

Doel van de offers

Offers gebracht in het Oude Testament wil men eventueel nog wel aannemen, maar in de toekomst, in het Vrederijk - als men daar al in gelooft - nee, toch! Maar laten we eerst eens zien wat de bedoeling van de offers waren in het Oude Testament? We stellen dan vast dat het onmogelijk is dat het bloed van stieren en bokken zonden konden wegnemen. ‘Want daar de wet een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet het beeld van de dingen zelf, kan zij met dezelfde slachtoffers die men voortdurend elk jaar offert, hen die naderen nooit volmaken. Zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, omdat zij die de dienst verrichtten, eenmaal gereinigd geen enkel geweten van zonder meer zouden hebben gehad? Maar in deze offers is elk jaar een in herinnering brengen van zonden. Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden wegneemt’ (Heb.10:1-4). Dat is duidelijke taal: de offers konden geen zonden wegnemen, maar dienden om zonden in herinnering te brengen. Hoe konden de zonden dan wel worden weggenomen, juist door bloed, maar zoals gezegd niet door het bloed van stieren en bokken, maar door het bloed van Christus! ‘Zonder bloedstorting is er geen vergeving!’ en ‘het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde’ (Heb.9:22; 1Joh.1:7). Het eerste offer dat wij tegenkomen in de Bijbel is het offer dat gediend heeft om Adam en Eva te bekleden. ‘En de Here God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede (Gen.3:21). Die vellen of huiden waarmee ze bekleed werden wijzen er al op dat er een dier gedood is geworden. Dat is al een duidelijke verwijzing naar de Heer Jezus, het Lam van God, Hij heeft ons bekleed met klederen des heils! (Jes.61:10). Zo is het ook met alle andere offers, ze wijzen heen naar de Heer Jezus. Het is dan ook niet moeilijk te zien dat de offers die in het vrederijk gebracht gaan worden, verwijzing naar het offer van de Heer Jezus in het verleden. We kunnen er daarom zeker van zijn dat de offers die worden genoemd in Ezechiël 43 niets te maken hebben met verzoening voor zonden. Hun functie zal parallel lopen aan die van het Avondmaal, dat de Heer Jezus heeft vastgesteld als een gemeenschapsverordening tijdens ons huidige gemeente-tijdperk. Het avondmaal van brood en wijn is echter alleen voor deze huidige bedeling bedoeld. Jezus zei: 'Dit doet ter herinnering aan Mij ... want zo vaak als je dit brood eet en de beker drinkt, verkondig je de dood van de Heer totdat Hij komt' (1Cor.11: 24-26). Maar in de tijd van het duizendjarig vrederijk, wanneer de Heer Jezus Christus terug zal komen om de heerschappij van God over de hele aarde op te richten, welk type van gemeenschap zal dan ons huidig Avondmaal van brood en wijn vervangen? Blijkbaar zal het weer in de vorm van offers zijn, maar zonder enige verzoenende functie.

De nieuwe tempel

Maar liefst negen hoofdstukken worden gewijd aan de beschrijving van de tempel, niet alleen in het boek Ezechiël ook op andere plaatsen vinden we van die tempel een vermelding (Ez.20:40-41; 43:18-46:24; Zach.14:16; Jes.58:6-8, 66:21; Jer.33:15-18). Ezechiël 44-46 handelen dan over een hersteld priesterschap en de dienst die daarmee verbonden is. Er zal een altaar zijn maar de ark niet, want de heerlijkheid van Christus zal de tempel vervullen (Jer.3:16; Hag.2:8-10). Men gaat er terecht van uit dat de tempelprofetie in Ezechiël verwijst naar een toekomstige tijd, omdat deze tot op heden nooit is vervuld. Hoewel het waar is dat er in 516 v.Chr. een Joodse tempel voltooid was, na de voorspelling van Ezechiël (gemaakt rond 580 voor Christus), waren er toch veel verschillen tussen de lay-out van de tweede tempel en de specificaties van deze tempel met zijn terrein. De renovatie van Herodes, hoe groots ook, voldeed niet aan de vereisten van de blauwdruk van Ezechiël. Geen enkele tempel heeft op deze plek gestaan (afgezien van islamitische moskeeën) sinds de totale vernietiging van de tweede tempel in 70 n.Chr. Het is niet mogelijk om deze vijf hoofdstukken (met zelfs meer gedetailleerde bijzonderheden dan de beschrijving van de eerste tempel in 1 koningen) te construeren als een symbool van de nieuwtestamentische kerk, als de geestelijke tempel van Christus. Trouwens de heerlijkheid des Heren, die in de tempel van Salomo aanwezig was maar daaruit weg is gegaan is nog steeds niet weergekeerd, ook niet in de tweede tempel (Ez.1:28; 3:23; 8:4; 10:4, 18; 11:23) en is dus nog toekomstig, geheel in overeenstemming met de Schrift (Ez.43:4-8; Zach.14:4).

Samenvatting

Sommigen verwerpen deze interpretatie, omdat zo'n systeem retrogressie is. Als wordt beweerd dat het instellen van een dergelijk systeem achteruitgang is, laat ons dan opmerken dat Ezechiël dit systeem (43:1-6) ziet als de grootste manifestatie van de heerlijkheid van God die de aarde heeft gezien, afgezien van de glorie van God in het aangezicht van Jezus Christus. Als het systeem door God wordt gepland als een gedenkteken van Jezus Christus, kan het niet meer als een terugval van de 'zwakke en armzalige elementen' worden beschouwd dan dat het brood en de wijn als zwakke en armoedige gedenktekens van het gebroken lichaam kunnen worden beschouwd en vergoten bloed van Christus, zo redeneert men. Deze hele discussie roept de vraag op van verlossing in het millennium. Een dergelijk beeld zoals het wordt gepresenteerd, wordt door sommigen gedeeld om het kruis te minimaliseren en om de waarde van het kruis tot het huidige tijdperk te beperken. Zo'n bewering kan niet juist zijn. Het nieuwe verbond (Jer.31:31) garandeert aan allen die het Vrederijk zullen binnengaan en aan allen die in het millennium geboren worden en die aldus verlossing nodig hebben (1) een nieuw hart (Jer.31:33), (2) de vergeving van zonden (Jer.31:34), en (3) de volheid van de Geest (Joël 2:28-29). Het Nieuwe Testament maakt heel duidelijk dat het nieuwe verbond gebaseerd is op het bloed van de Heer Jezus Christus (Heb.8:6; 10:2-18; Mat.26:28). Dat bevestigd dat de zaligheid in het millennium gebaseerd zal zijn op de waarde van de dood van Christus en toegeëigend zal worden door geloof (Heb.11:6) net zoals Abraham zich aan Gods belofte had gehouden en gerechtvaardigd was (Rom.4:3). De uitdrukking van dat reddende geloof zal verschillen van de uitdrukkingen die tegenwoordig nodig zijn, maar de offers moeten worden gezien als louter uitingen van geloof en niet als middel tot verlossing. De glorieuze visie van Ezechiël onthult dat het onmogelijk is om zijn vervulling te vinden in een tempel van het verleden die Israël heeft gekend, maar het moet wachten op een toekomstige vervulling na de tweede komst van Christus wanneer het millennium is ingesteld. Het offersysteem is geen opnieuw ingesteld Judaïsme, maar de vestiging van een nieuwe orde die zijn doel heeft het werk van Christus in herinnering te brengen waarop onze redding is gebaseerd. De letterlijke vervulling van de profetie van Ezechiël zal een middel zijn tot Gods verheerlijking en tot zegen van de mens in dat Vrederijk.

____________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Dertig dagen zonder klagen’

 

 

 

Inleiding

In Vlaanderen startte begin 2018 een nieuwe actie: ‘30 dagen zonder klagen’. In de drukte van de overgang naar het nieuwe jaar hebt u de aankondiging van deze actie misschien gemist, maar vanaf maandag 15 januari 2018 kon u deze actie uitproberen, waarbij deelnemers op een positieve instelling moesten focussen. Een actie die bovendien de steun kreeg van Vlaams minister van Welzijn, Jo Vandeurzen (CD&V).

‘Onze vrij negatieve standaardinstelling kunnen we met een actie van dertig dagen veranderen in een meer positieve instelling’, zegt initiatiefneemster Greet Van Hecke. ‘Sinds er 15 jaar geleden een nieuwe wind door de psychologie begon te waaien, namelijk die van de positieve psychologie, is er heel veel onderzoek rond positiviteit gedaan’, zegt Van Hecke. ‘Daaruit blijkt dat we ervoor kunnen zorgen dat bepaalde linken in ons brein anders gelegd worden, zodat we niet automatisch het negatieve maar wel het positieve zouden zien. Ook Martin Seligman, voortrekker van de positieve psychologie, heeft daar al veel onderzoek naar gedaan: zo zou het goed zijn voor ons succes, onze gezondheid en onze relaties.’ Als we geloven dat we in de eindtijd leven, weten we dat ‘de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedigen, lasteraars, de ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, ruw, zonder liefde tot het goede, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God’ (2Tim.3:1-3). Hoe staan wij, als christenen, in deze wereld? Zij wij anders dan de mensen zoals door Paulus beschreven? Zijn wij geheel anders (Ef.4:20)? Het is goed daarover eens na te denken. Klagen wij ook? En zo ja, zou het dan voor ons ook niet beter zijn om meer naar de positieve dingen te zien dan naar de negatieve, en in plaats van te klagen God te danken voor alles wat we in Christus Jezus hebben ontvangen?

Graaicultuur

‘Wie geld liefheeft, wordt van geld niet verzadigd, noch wie rijkdom liefheeft, van inkomsten’ (Pred.5:9). 

Met ‘graaicultuur’ wordt een cultuur bedoeld waarin inhaligheid en hebzucht een belangrijke rol spelen. Door de graaicultuur bij de grote banken is de kredietcrisis ontstaan. Het ligt in de aard van de mens om steeds meer te willen bezitten en niet het minst geld! Een bekende Vlaamse politicus heeft gezegd: ‘Geld is voor mij heel belangrijk!’. Dat geldt echter niet alleen voor hem maar ook voor veel andere mensen. Ook de christen is daarvoor niet immuun; het is van alle tijden. Het is opmerkelijk hoe veel en hoe vaak de Bijbel ons voor de invloed van geld waarschuwt. In de gelijkenis van de zaaier verwijst de Heer Jezus naar ’het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerte’ (Mark.4:19). De apostel Paulus volgt de Heer daarin, want, schreef hij aan Timotheüs: ‘Wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord’ (1Tim.6:10). En wij, gelovigen, worden opgeroepen om deze dingen te ontvluchten (vs.11). Hebzucht wordt omschreven als een sterke drang om veel voor jezelf te willen hebben en die drang geldt zeker voor geld! Paulus noemt de hebzucht ‘afgodendienst’ en dat is toch wel ernstig! ‘Met geld kan je veel dingen kopen, maar je moet oppassen dat je de dingen die je niet met geld kan kopen niet verliest! In de brief aan de Hebreeën worden we dan ook ertoe opgeroepen dat onze wandel zonder geldzucht zou zijn en dat we tevreden zouden zijn met wat we hebben, want Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten (Hebr.13:5). ‘Daarom moeten we niet bezorgd zijn, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen zoeken de volken; want uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt. Zoekt echter eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden. Weest dan niet bezorgd voor morgen; want morgen zal voor zichzelf bezorgd zijn; voor elke dag is zijn eigen kwaad genoeg’ (Mat.6:31-34). En dat brengt ons bij ons volgende onderwerp: tevredenheid.

Wees tevreden

‘Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn’ (1Tim.6:8).

Tevredenheid wordt wel gedefinieerd als een gevoel dat je hebt als alles is zoals je het wenst. Daar zou de apostel Paulus het niet mee eens zijn geweest toen hij in Rome in de gevangenis zat. Dat was geen verblijf dat hij had gewenst, maar hij had geleerd tevreden te zijn in en met de omstandigheden waarin hij toen verkeerde en had zelfs het voordeel ervan ontdekt, namelijk dat het tot bevordering van het evangelie had gediend’ (Fil.1:12vv.). Tijdens mijn vele reizen in het buitenland heb ik veel gelovigen ontmoet die in grote armoede verkeerden, en terwijl ze in mijn ogen alle aanleiding hadden om te klagen, heb ik daar nooit iets van vernomen. Ze hadden geleerd tevreden te zijn! Daarin zijn zij tot voorbeelden voor ons, want hoe anders is dat in onze wereld, waar ondanks alle overvloed enorm geklaagd wordt en de mensen vaak ontevreden zijn. Een andere definitie van tevredenheid is dat het een gemoedstoestand is waarbij het individu niet méér verlangt dan er reeds aanwezig is. Deze definitie past meer op de situatie van een christen.

Voedsel en kleding, is het wel het minimum waarmee een gelovige tevreden mee moet zijn? Overdrijft de apostel daarmee niet? Ik geloof het niet, want als u zich een klein beetje verdiept in de tijd waarin hij dat geschreven heeft, zult u het wel begrijpen. De eerste brief aan Timotheüs is geschreven ongeveer tussen de jaren 61 - 66, dus in de tijd dat keizer Nero de gelovigen onbarmhartig vervolgde. Ook de brief aan de Hebreeën werd vermoedelijk in diezelfde periode geschreven, waarin de vervolgde gelovigen ‘de roof van hun bezittingen met blijdschap aanvaarden’ (Hebr.10:34). De brief die Paulus aan de gelovigen in Rome schreef, zal voor hen dan ook wel van grote betekenis zijn geweest tijdens de vervolgingen onder Nero. ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, of zwaard? - zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. - Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen, noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer’ (Rom.8:35-39). Met dat in gedachten kunnen we ons afvragen: Hoe zouden wij nog durven te klagen?

Niet graaien, maar zaaien!

‘Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden’ (Spr.11:24).

In zijn toespraak tot de oudsten van de gemeente te Efeze, heeft de apostel Paulus de woorden van de Here Jezus aangehaald die we niet in de Evangeliën vinden en die we volgens hem in herinnering moeten houden, namelijk: ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen’ (Hand.20:35). Dat is precies het tegenovergestelde van graaien! ‘Hij die rijk was, is arm geworden’ (2Kor.8:9).

Het gaat niet over onze geestelijke zegeningen, daarin zijn we allemaal gelijkelijk rijk, maar over de financiële welvaart, daarin kunnen we verschillen. Geld op zich is neutraal en naast de vele nadelen zijn er ook voordelen, ook voor gelovigen. ‘Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw, niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te houden op de onzekerheid van de rijkdom, maar op God die ons rijkelijk geeft om te genieten, om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam, om voor zichzelf een goed fundament te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen’ (1Tim.9:17).

Hier komt het rentmeesterschap om de hoek kijken. Hoe gaan we om met de goederen, geestelijke (Mat.25:14-30) en materiële, die God u en mij heeft toevertrouwd? Stoppen wij ze in de grond of investeren wij ze in Gods koninkrijk? Paulus noemt het geven voor de behoeften van de heiligen een ‘dienst aan de heiligen’. En in verband daarmee schrijft hij: ‘Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien. Laat ieder geven naardat  hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief’ (2Kor.9:6-7). De mogelijkheden om te investeren zijn te veel om op te noemen. Zo kun je financieel bijdragen in de ondersteuning van hen die uitgaan voor Gods Woord (1Kor.9:14; Fil.4:15), van de behoeftigen (2Kor.9:12), of van de gemeente, die het weer op haar beurt kan besteden aan bijvoorbeeld de weduwen (1Tim.5:14-16). Om kort te gaan: ‘Laten wij niet moedeloos worden in goeddoen, want te gelegener tijd zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. Laten wij dus, wanneer wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof’ en God zal u rijkelijk zegenen! (Gal.6:9-10). We kunnen niet God dienen en de Mammon (een Aramees woord voor rijkdom, geld), maar we kunnen God wel dienen met de Mammon!

Tel uw zegeningen

‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus’ (Ef.1:3).

Klagen komt voort uit een vermeend gemis, maar wanneer we werkelijk beseffen hoe rijk wij in Christus zijn, zullen we nooit meer klagen, wat we ook missen en wat de omstandigheden ook zijn. Mozes moet wel een groot inzicht hebben gehad in Wie de Christus zou zijn. Toen hij een keuze moest maken tussen de schatten van Egypte en de smaad van Christus, gaf hij aan deze laatste de voorkeur omdat hij de smaad van Christus grotere rijkdom achtte (Hebr.11:26). Veel gelovigen weten niet hoe rijk ze zijn, omdat ze niet op de hoogte zijn van de rijkdom die in Christus te vinden is. Zou dat komen doordat we niet bezig zijn met de dingen die Boven zijn? Want: ‘In Christus immers, zijn al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen’ (Kol.2:3). Wij die arm waren, zijn rijk geworden door Hem die ons liefheeft (2Kor.8:9).

Waaruit bestaat onze rijkdom dan? Nee, niet zozeer uit materiële zaken, hoewel we daar ook dankbaar voor mogen zijn, maar meer specifiek uit geestelijke zegeningen. Bijvoorbeeld onze uitverkiezing van vóór de grondlegging der wereld, het zoonschap waartoe we bestemd zijn, de begenadiging in de Geliefde, de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen naar de rijkdom van zijn genade, dat we erfgenamen in Christus zijn geworden, dat we zijn verzegeld met de heilige Geest tot het moment van onze verlossing en, ten slotte, dat we het eeuwige leven dat ons beloofd is door Christus, zullen beërven (Ef.1). Dat alles overziende, is alles wat deze wereld te bieden heeft niets in vergelijking met wat ons te wachten staat. Dan begrijpen we ook de vermaning van de Heer Jezus ‘geen schatten op de aarde te verzamelen, maar schatten in de hemel’ (Mat.6:19).

Ten slotte

Het is mij niet bekend of de actie ‘Dertig dagen zonder klagen’ succes heeft gehad; ik denk het niet, want ik hoor de mensen nog steeds klagen. En dat was ook wel te verwachten, want tevredenheid is een zaak van het hart en zolang dat niet veranderd is, komt er geen verbetering in de houding van de mensen. Maar hoe is het met ons? Hopelijk bent u na het lezen van dit artikel tot het besef gekomen dat u geen reden hebt om te klagen, maar eerder reden tot dankbaarheid. Dan heb ik (of beter God) met het schrijven van dit artikel mijn doel bereikt! Daarom: ‘laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent; en wees dankbaar’ (Kol.3:15). Dus geen: ‘Dertig dagen zonder klagen’ maar ‘Alle dagen zonder klagen!’

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Achter de schermen van het Wereldgebeuren

 

 

 

Inleiding

Eén definitie van ‘achter de schermen’ is: ‘daar waar men het niet ziet’, en daarover gaat dit artikel, wat zien we niet en is er toch? Mensen die zich bezighouden met allerlei komplottheoriën, stellen zich deze vraag om te weten te komen wat zit erachter, is er een verborgen agenda of is er een plan? Ze proberen dan een blik achter de schermen te krijgen om duidelijkheid te vinden. Ook wij hebben ons wellicht weleens afgevraagd: Is er een plan en wat zit achter het wereldgebeuren? Zo ja, waaruit bestaat dan het plan, wie of wat zit erachter, wat is het doel en hoe kunnen we daarover meer te weten komen?

In de geschiedfilosofie omschrijft men dat als metahistorie, dat is een ‘geschiedenis’ achter de gewone zichtbare geschiedenis en die deze beïnvloedt. Geschiedfilosofie, ofwel wijsbegeerte der geschiedenis, is een tak van de filosofie die zich enerzijds bezighoudt met de betekenis die mogelijk kan worden toegekend aan de menselijke geschiedenis en anderzijds de praktijk van geschiedschrijving analyseert. De klassieke variant speculeert ook over een mogelijk achterliggend teleologisch principe in deze ontwikkeling, waarbij typische vragen worden gesteld als: is er een ontwerp, een doel, een richtinggevend beginsel dat de geschiedenis beheerst? Teleologie is in de filosofie de zoektocht naar het doeleinde achter de dingen.

Historische samenhang?

Is er in het historisch wereldgebeuren een samenhang te herkennen? Met andere woorden: is er een structuur in te ontdekken die duidelijk kan maken dat er een doel is, of staan de lotgevallen van de verschillende culturen en volken los van elkaar? Als bekend verschijnsel zijn de gebeurtenissen die zich voordeden aan het begin van de zesde eeuw vóór Christus, toen de denkers een mythische denkwijze deze vervingen voor een rationele. Eigenlijk lag daar het begin van de filosofie. Filosofen waren onder andere Thales, Anaximander en Heraclitus, die zochten naar het oerbeginsel van de werkelijkheid. In diezelfde periode van de mensheid trad er een opmerkelijke verandering plaats in de geestesgeschiedenis van de mensheid, de zogenaamde ‘Spilperiode’. Onafhankelijk van elkaar ontstonden in China het Confusionisme, in India het Jainisme, Boedisme en in Iran het Zoroastrisme en in Israël leefden, tijdens de ballingschap van het volk Israël, de grote profeten Jeremia, Ezechiël en Daniël. Toeval of bestaat er een onderling verband in het gelijktijdig voorkomen van dit fenomeen?

Twee benaderingen

We kunnen de geschiedenis op twee manieren benaderen een lineaire en een cyclische. De teleologische theorie of lineaire theorie is het idee van een (goddelijk) plan, waarin de gebeurtenissen - hoe vreselijk ze ook mogen zijn - zin zouden hebben. Beroemd is de mijmering van Augustinus van Hippo in zijn De Civitate Dei, (Over de stad Gods) hoe het kwam dat het heidense Romeinse Rijk zo succesvol was terwijl het in de christelijke tijd in verval geraakte.

 

De cyclische benadering is de theorie van de voortdurende herhaling van gebeurtenissen. Zo sprak Plato bijvoorbeeld over 'Het Grote Jaar', waarbij na een periode van ca. 10.000 jaar (afhankelijk van de bronnen) zon, maan en planeten eerst vernietigd zouden worden, terug verschijnen op de oorspronkelijke positie en de geschiedenis zich vervolgens op dezelfde manier zou herhalen.

In de ontwikkeling van Gods plan met deze aarde zien we in de Bijbel de lineaire benadering. Teksten in het boek Jesaja ondersteunen die gedachte: ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is’ (Jes.46:10; 45:11; 41:22,23). God werkt toe naar een doel en dat is wanneer de Heer Jezus ‘het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht te niet gedaan heeft’ (1Kor.15:24).

Twee machten

We onderscheiden twee machten die elkaar aanvullen: (1) Onzichtbare machten in de hemelse sferen; transcendente (boven-wereldlijke) en (2) zichtbare machten op aarde; immanente (binnen-wereldlijke). Dit vinden we duidelijk terug in het boek Daniël, waar we lezen over de vorsten van de rijken Perzen en Griekenland waartegen Michaël te strijden had (Daniël 11). Het is duidelijk dat het hier gaat om transcendente, boven-wereldse machten terwijl de strijd zich afspeelt op de aarde, met zichtbare machten. Met andere woorden de transcendente onzichtbare machten in het boven-wereldlijke hebben invloed of besturen de immanente binnen-wereldlijke machten. We gaan daar in op dit uitermate boeiend onderwerp in dit artikel niet verder op in, maar voor hen die zich hierin graag verder willen verdiepen verwijs ik naar de geraadpleegde lectuur zoals onderaan dit artikel vermeld.

Openbaring

Slecht vanuit het ‘boven-wereldlijke’ (God of de Bijbel) kan er licht komen over het ‘binnen-wereldlijke’. De Bijbel, Gods woord leert ons dat ‘onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). We hebben te maken met de grote tegenstander van de God de satan of de duivel. Die is niet alomtegenwoordig maar wordt geassisteerd door demonen (engelen) die meegetrokken zijn in zijn val. ‘De duivel en zijn engelen’ (Mat.25:41; Op.12:3-7). De werkzaamheden van de geestelijke machten is helaas sterk miskend. Maar daar waar zij wel onderkend werden, ging dat soms ten koste van het besef van de menselijke verantwoordelijkheid. Om een voorbeeld te gebruiken: de zondeval is in de wereld gekomen doordat Eva verleid werd door de slang als ‘onzichtbare macht’ (2Kor.11:3) maar dat ontzegt de mens (Adam en Eva), als zichtbare macht’ haar verantwoordelijkheid niet.

In dit artikel willen we aandacht besteden – hoe onaantrekkelijk dat ook mag lijken - aan deze onzichtbare macht die zich terdege manifesteert in onze leefwereld en waarmee wij als gelovigen rekening mee hebben te houden: ‘Opdat de satan geen voordeel op ons zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor2:11).

Oorsprong

We moeten helaas vaststellen dat we over het ontstaan van de duivel en zijn komen op aarde geen directe Bijbelse gegevens hebben. Toch hebben wij de beschikking over twee gedeelten uit het Oude Testament die toch wel een tip van de sluier kunnen oplichten. Het eerste is een gedeelte van de profetie over Babel in Jesaja 14:12-17. De tweede is een gedeelte uit de profetie over de vorst van Tyrus in Ezechiël 28:16-19. Iedereen die deze twee gedeelten leest en overdenkt zal toch moeten instemmen met de gedachte dat deze profetieën de directe betekenis en toepassing ver overstijgt. Vooral vers 13 van Ezechiël 28 waar staat: ‘In Eden waart gij, Gods hof’ maakt dat wel duidelijk, maar ook de volgende teksten: ‘Gij waart een beschuttende cherubs met uitgespreide vleugels’ (vs.14), ‘Van de berg der goden verbande Ik u’ (vs.16) en ‘Ter aarde wierp Ik u neer’ (vs.17). Dit allemaal toe te passen op de vorst van Tyrus is niet mogelijk. Dat geldt ook voor wat we in Jesaja 14 vinden, ook die profetie is niet volledig toepasbaar op Babel. ‘Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken!’ (Jes.14:12-14).

Naar de betekenis van zijn naam is satan de tegenstander van God en zo manifesteren de duivel en zijn demonen zich ook op aarde, als Gods tegenstander. Maar wanneer is hij dan in deze wereld gekomen? Omdat daarover Schriftgegevens ontbreken plaatsen de voorstanders van de zgn. ‘Gap-theorie’ de val van satan tussen Genesis 1:1 en 2. De Gap Theory – ook als restitutieleer bekend - houdt in dat er tussen Genesis 1:1 en 1:2 een lange periode wordt verondersteld, een kloof (Eng. gap) van miljoenen of zelfs miljarden jaren. Tijdens deze periode zou dan de val van satan geplaatst kunnen worden. Het laatste woord hierover zal nog wel niet gezegd zijn. Maar hoe dan ook de satan wordt in de Bijbel de ‘overste van de wereld’ en ook de ‘overste van de lucht’ genoemd (Joh.14:30; Luk.4:6; Ef.2:2).

Organisatie

De tekst: ‘Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; in het Hebreeuws is zijn naam Abaddon (verderver); en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon’ (Op.9:11). Een koning beschikt over een land en onderdanen. Dat de duivel over een georganiseerd geheel beschikt kunnen we concluderen uit Efeze 6:12, waar gesproken wordt van: ‘overheden, machten, wereldbeheersers en geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’. De Heer Jezus noemt de duivel de overste van de demonen (Mat.12:24) en spreekt verder over: ‘het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid’ (Mat.25:41). Demonen zijn gevallen engelen, door de satan meegetrokken in zijn val (Op.12:3-4). Het zijn engelen die gezondigd hebben (2Petr.2:4). Van demonen kunnen we verder nog zeggen dat ze onrein zijn (Mat.10:1), boos (Mat.13:19; 12:45; Mark.5:1-20), ‘gelovig’ (Jak.2:19; Luk.8:28, 31) en ze geloven in het oordeel dat over hen gaat komen (Luk.8:31). In het boek Daniël zien we dat de satan speciale engelen ter beschikking heeft die hem terzijde staan (Dan.10:13).

Werkwijze

Gelijk in het begin, kort na de schepping van de mens, treedt de duivel op in de gedaante van een slang; hij wordt daarom ook de ‘oude slang’ genoemd (Gen.3:1; Op.20:2). Zó verleidde hij Eva door haar sluwheid (2Kor.11:3) en stortte de mensheid in het verderf. De Heer Jezus zegt later in zijn gesprek met de Joden dat de duivel ‘een mensenmoordenaar van het begin af aan was’. Let erop dat de Heer Jezus het bestaan van de duivel niet ontkend, zoals veel mensen en zelfs ‘christenen’ in onze tijd doen, maar duidt hem aan als de ‘mensenmoordenaar van het begin’ en ‘vader (d.i. oorsprong) van de leugen’ (Joh.8:44). Hij wordt ook de ‘aanklager’ genoemd (Op.12:10) en in die hoedanigheid zien we hem in het boek Job. ‘Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. En de Here zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb’ (Job 1:6-7). Verder waarschuwt de apostel ons voor de duivel als een tekeer gaat als ‘brullende leeuw’, en ik denk dat Petrus de duivel zo typeert omdat hij leefde in de tijd van keizer Nero toen er grote vervolgingen tegen de christenen ontstonden, waarvan Petrus zelf ook het slachtoffer is geworden (1Petr.4:12; 5:8). Als u mij zou vragen hoe manifesteert de duivel zich in onze tijd dan denk ik meer als de duivel als een ‘engel van het licht’ (2Kor.11:4). Hij is in staat de ongelovigen zo verblinden dat ‘de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen’ (2Kor.4:4). Is het dan ook geen wonder dat er in onze tijd en plaats nog maar zo weinig mensen tot geloof komen? Op allerlei manieren worden ze ‘verblind’!

Slagveld

Daar zouden we toch niet aan gedacht hebben dat er ‘in de synagoge een mens was die de geest van een onreine demon had’ (Luk.4) en toch was het zo. We zouden er toch niet aan gedacht hebben dat in de kerk de duivel ook bezig kan zijn, maar dan als een engel van het licht. Paulus werd er in zijn dagen al mee geconfronteerd, en spreek over ‘valse leer, broeders en apostelen’ (2Kor11:13, 26) en het is in onze tijd niet anders. Het is verbijsterend vast te moeten stellen dat in één generatie, van ná de Tweede Wereldoorlog tot nu, veel kerken leegstaan, valse leer overal aanwezig is en de misstanden op seksueel gebied in de kerk volop aanwezig zijn! Maar niet alleen in de kerk ook in het gezin is de vijand volop aanwezig en bezig. Het aantal echtscheidingen zijn in de laatste decennia explosief gestegen en daardoor worden de sociale instanties overstelpt met hulpvragen. De visies die men tegenwoordig over morele zaken heeft komen niet meer overeen met wat de Bijbel leert. ‘Zie het woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben? (Jer.8:9). Dat is m.i. de oorzaak van de verloedering van onze maatschappij. ‘De vrome is verdwenen uit het land en een oprechte is er onder de mensen niet’ (Mi.7:2). Wat kunnen wij dan doen om ook niet mee onder te gaan in deze wereld? Geef de duivel geen plaats! (Ef4:27).

Tenslotte

Zoals al opgemerkt hebben de demonen kennis van een toekomstig oordeel (Luk.8:28; Mat.8:28). Ook de duivel zelf heeft daar kennis van, want hij weet dat hij weinig tijd (over-) heeft (Op.12:12). Al aan het begin van de Bijbel is zijn definitieve val aangeduid. Want God zegt daar tegen de slang: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). Het zaad van de vrouw is uiteraard Christus die op het terrein van de sterke kwam en hem versloeg (Mat.12:29). ‘Zou een machtig man zijn buit ontnomen kunnen worden, of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen? Maar zo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen van een machtig man zullen hem ontnomen worden, en de buit van een geweldpleger zal ontkomen’ (Jes.49:24-25). ‘Christus heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd’ (Kol.2:15). Eenmaal zal dat moment aanbreken dat de God van de vrede de satan zal verpletteren (Rom.16:20). In het laatste boek van de Bijbel de Openbaring vinden we de beschrijving van het einde van de duivel: ‘Een de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid’ (Op.20:1-3). Daar zien we naar uit wanneer Christus zal heersen van eeuwigheid tot eeuwigheid en wij voor eeuwig in zijn nabijheid mogen zijn!

Geraadpleegde literatuur

De Civitate Dei (Over de stad Gods), Augustinus van Hippo

Oriëntatie in de filosofie, Dr. G. van den Brink

Als goden sterven, Dr. F. de Graaff

Het geheim van de wereldgeschiedenis, Dr. F. de Graaff

Ambrosius van Milaan en de geschiedenis, Dr. G.H. Kramer

De Negende Koning, Willem J. Ouweneel

De zesde kanteling, Willem, J. Ouweneel

Wijsheid voor denkers, Willem J. Ouweneel

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

De Sabbat

 

 

 

 

 

 

 Judas, de broer van de Heer Jezus had het voornemen om de gelovigen te schrijven over het gemeenschappelijke heil. Maar hij zag zich helaas genoodzaakt om de gelovigen te waarschuwen en aan te sporen om tot het uiterste te strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen is overgeleverd, Judas vs.3. Judas was een tijdgenoot van de apostel Petrus die de gelovigen in zijn tweede brief waarschuwde dat, zoals er vroeger valse profeten onder het volk geweest waren, er ook onder hen valse leraars zullen zijn die verderfelijke afwijkingen in de leer zullen doen binnensluipen (2Petr.2:1). Jammer genoeg is het vandaag de dag niet anders. Internet, Facebook, e.d. bieden een gemakkelijk platvorm waardoor allerlei verderfelijke afwijkingen in de leer verspreid kunnen worden. Daarom dienen wij voortdurend alert te zijn op gebeurtenissen die plaatsvinden op het christelijke erf, deze te evalueren en indien nodig te veroordelen en de gelovigen te waarschuwen, zodat de gezonde leer bewaard blijft. Dit artikel, die als onderwerp de Sabbat heeft, wil een middel zijn om u enerzijds te waarschuwen voor hen die u weer onder het juk van de Wet proberen te brengen door te beweren dat wij ons allemaal aan de sabbat moeten houden; anderzijds om u een gedegen antwoord op die gedachte te geven zodat u gewapend bent.

‘Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid; maar wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid’ (2Petr.3:17,18)

1. Waar komt de sabbat vandaan?

In Gen.2:2-3 lezen we: ‘Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken’. Na alles in zes dagen te hebben gemaakt rustte God op de zevende dag en Hij zegende en Hij heiligde die dag. Deze rustdag van God wordt vaak gezien als de eerste sabbat, hoewel het woord sabbat zelf ontbreekt. Hier in Gen.2:2-3 wordt dan ook slechts vermeld wat God doet, zonder dat hier al sprake is van een opdracht voor de mens. Het is in de eerste plaats een dag waarop God rustte van al Zijn scheppingswerk. Dit rusten van God is trouwens geen uitrusten maar het is een ophouden met scheppen. Ook op de zevende dag blijft het ingrijpen van God immers nodig om de schepping in stand te houden en te laten functioneren. Als God nog maar één seconde zou rusten in de zin zoals wij rusten verstaan, dan zou het leven ogenblikkelijk ophouden te bestaan. Pas veel later, bij de instelling van de sabbat voor het volk Israël, wordt er naar deze rustdag van God terugverwezen. Een belangrijke vraag die vandaag de dag onder veel christenen leeft is of dit rusten van God op de zevende dag als voorbeeld en norm gegeven is aan de gehele mensheid? Hieronder vindt u alvast een uiteenzetting waarom het de overtuiging van de oudsten is dat dit NIET zo is. 

2. De sabbat is gegeven aan Israël

Vooreerst moet gewezen worden op de volgende twee observaties: (1) De verzen uit Gen.2:2-3 bevatten geen enkele opdracht voor de mens om voortaan ook op elke zevende dag te moeten rusten en dus hetzelfde te doen als wat God gedaan heeft. Deze verzen vertellen ons gewoon (beschrijvend en dus niet voorschrijvend) dat God rustte. Er staat op geen enkele wijze vermeld dat God de mens oplegde om voortaan ook elke zevende dag te rusten. Als dit zo belangrijk was zoals vaak beweerd wordt; zou je dit hier wellicht mogen verwachten. (2) Er zijn ook geen aanwijzingen in de Bijbel dat mensen als Adam, Eva, Kaïn, Abel, Henoch, Noach, Abraham, Job, e.a. de sabbat zouden hebben gekend, laat staan gehouden. Zelfs van een mogelijk vrijwillig rusten op deze zevende dag is er helemaal niets terug te vinden. Vanaf Adam tot Mozes kun je nergens ook maar één gebod of aanwijzing terugvinden dat God ook maar één iemand zou hebben geboden om de sabbat te onderhouden. Als het rusten van God op de zevende dag als voorbeeld en norm gegeven zou zijn aan de gehele mensheid is het op zich al een vreemde vaststelling dat daar voor de komst van Mozes en de bevrijding van Israël uit Egypte helemaal niets over vermeld wordt in de Schrift. De periode van Adam tot Mozes omspant toch een periode van niet minder dan 26 generaties. Op zich is deze vaststelling alleen al een sterke aanwijzing dat de sabbat niet bedoeld kan zijn als norm voor de hele mensheid.

Pas in Ex.16:23-30 vermeldt de Bijbel voor het eerst de zevende dag als volkomen rustdag. De functie ervan is een heilige (apart gezette) dag voor de HERE. Op de zesde dag verzamelden de Israëlieten in overeenstemming met het gebod van Mozes een dubbele hoeveelheid manna (16:5,22). En dan blijkt ook dat de leiders van de gemeenschap dit houden van de sabbat helemaal niet kenden en dat het voor hen iets volkomen nieuw was. Er staat immers geschreven dat deze leiders Mozes vertelden dat het volk op die zesde dag een dubbele hoeveelheid manna verzamelden, mocht dit wel? We lezen dan ook in vers 23 dat Mozes hen moest uitleggen wat de Heer daarover tegen hem gesproken had en dat het dus goed was dat het volk een dubbele hoeveelheid verzamelde. De opdracht in Ex.16 om op de zesde dag een dubbel deel manna te verzamelen kan gezien worden als een voorbereiding op het gebod dat er weldra zou komen bij de sluiting van het verbond bij de berg Sinaï. Over dit gebod lezen we een beetje verder in Ex.20:8-11. ‘Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt. Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die’ Pas hier In Ex.20:10 is voor het eerst te lezen hoe de Heer deze dag als verplichte rustdag aan de Israëlieten heeft opgelegd. Het is van belang om op te merken dat dit gebeurd is bij de sluiting van het verbond bij de Sinaï. Dit wordt ook bevestigd door Nehemia 9:13-14.

Het verbond bij de Sinaï is geen verbond dat gesloten is met de hele mensheid, maar het is enkel gesloten met het volk Israël dat God op wonderlijke wijze uit Egypte had geleid. Verderop in de Schrift wordt dan ook duidelijk dat de opdracht om de sabbat te onderhouden alleen gegeven is aan Israël. Er wordt zelfs meerdere keren vermeld dat de sabbat een speciaal teken is tussen de Heer en Israël:

-Ex.31:13 U dan, spreek tot de Israëlieten en zeg: U moet zeker Mijn sabbatten in acht nemen, want dat is een teken tussen Mij en u, al uw generaties door, zodat men weet dat Ik de HEERE ben, Die u heiligt.

-Ex.31:16-17 Laat de Israëlieten dan de sabbat in acht nemen, door de sabbat te houden, al hun generaties door, als een eeuwig verbond. Hij zal tussen Mij en de Israëlieten voor eeuwig een teken zijn.

-Lev.23:2-3 Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen: Zes dagen mag er werk verricht worden, maar op de zevende dag is het sabbat, een dag van volledige rust, een heilige samenkomst. Geen enkel werk mag u doen. Het is in al uw woongebieden een sabbat voor de HEERE.

-Ez.20:12 Ook heb Ik hun Mijn sabbatten gegeven, om een teken te zijn tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben Die hen heiligt.

-Neh.9:13 Op de berg Sinai zijt Gij nedergedaald en hebt met hen gesproken uit de hemel, en hun rechtvaardige verordeningen, betrouwbare wetten, goede inzettingen en geboden gegeven.

-Ps.147:19-20 Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja.

Al deze teksten vertellen heel duidelijk dat de sabbat gegeven is aan ISRAËL; en nergens staat er te lezen dat ze (ook) gegeven is aan andere volken. Nergens kunnen we in Gods Woord lezen hoe er een ander volk wordt opgeroepen om de sabbat te houden. Deuteronomium 5:13-15 koppelt de gave van de sabbat zelfs aan de slavernij in Egypte: ‘Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw rund, noch uw ezel, noch enig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uw poorten is, opdat uw dienaar en uw dienares rusten zoals u. Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. DAAROM heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden’.

Het is God zelf die Israël verlost heeft uit hun lichamelijke slavernij en DAAROM heeft de Heere hen geboden om de sabbat te houden. God gaf de sabbat aan Israël zodat zij hun slavernij in Egypte en de bevrijding door de HEER zouden gedenken, niet de schepping. Het moet toch duidelijk zijn dat dit alles enkel en alleen gezegd kan worden van Israël. In Lev.23 wordt het sabbatsgebod dan ook genoemd tezamen met de andere Bijbels-Joodse feesten die God eveneens aan het volk Israël gegeven heeft: Pascha, vs.5-8 en Loofhutten, vs.34-43.

CONCLUSIE:

Ruim tweeduizend jaar na de schepping en het rusten van God op de zevende dag, werd de sabbat aan de Israëlieten als instelling gegeven na de uittocht uit Egypte. Er is geen enkele aanwijzing dat de generaties vóór Mozes de sabbat zouden hebben gekend laat staan gehouden. Pas meer dan tweeduizend jaar na de schepping van Adam is te lezen hoe de sabbat aan Israël gegeven werd als onderdeel van het verbond dat gesloten werd bij de Sinaï. De sabbat fungeert als een teken van dat verbond. Zoals de regenboog het teken is van het verbond met Noach -Gen.9:12- en zoals de besnijdenis het teken is van het verbond met Abraham -Gen.17:11- zo is de sabbat het teken van het verbond met Israël. De wekelijkse onderhouding van de sabbat moest het volk er telkens aan herinneren dat God hen uit Egypte heeft geleid en ze een door God geheiligd (apart gezet) volk waren. Nergens in het OT worden de volken opgeroepen om de sabbat te onderhouden. Ook worden ze nergens veroordeeld omdat ze het niet doen; iets wat heel vreemd zou zijn als de sabbat bedoeld zou zijn als een universeel gebod voor alle volken.

3. Christenen zijn niet gebonden aan het sabbatsgebod

Vanuit het Oude Testament lijkt het voldoende duidelijk dat de sabbat door God gegeven is aan het volk Israël. Maar hoe zit het dan met de gemeente sinds Pinksteren; de gemeente die bestaat uit Joden en heidenen, 1Kor.12:13? Welk houding moeten volgelingen van de Heer Jezus aannemen tegenover de sabbat? Jezus hield tenslotte ook de sabbat. Hieronder vindt u zeven argumenten waarom christenen zich niet moeten houden aan de sabbat.

3.1 Christenen zijn niet onder der Wet van Mozes

Het verbond bij de berg Sinaï is met het volk Israël gesloten, niet met de gemeente. Het Nieuwe Testament leert dan ook heel duidelijk dat wij niet onder deze Wet staan. Romeinen 6:14 vermeld ‘U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade’, en verder ‘Christus is het einde der Wet’ (Rom.10:4.) Dit betekent echter niet dat een christen zonder wet is of wetteloos is. Een christen staat onder een andere wet. Paulus noemt dat in 1Kor.9:21 en Gal.6:2 ‘de wet van Christus’. Hij schrijft: ‘Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn” en ook “Draag elkaars lasten, en vervul zo de wet van Christus’.

De wet van Christus heeft niets te maken met onze rechtvaardiging. Wij worden gerechtvaardigd door het geloof, buiten de wet om, Ef.2:8-9; Rom.3:21,5:1. In die zin zijn wij niet onder de wet, maar onder de genade. De wet van Christus is dus geen methode om rechtvaardig te worden, maar het is een leefregel die bestaat uit de geboden van Jezus zoals we die terugvinden in de evangeliën en in de brieven van het Nieuwe Testament. Daar staan allerlei opdrachten, voorschriften, geboden en aansporingen in. Dat zijn de regels waar wij ons als christenen moeten aan houden. Een algemeen bekend stukje is bijvoorbeeld Jezus’ onderwijs in de Bergrede (Mat.5,6,7). Het is opvallend dat in Mat.28:19 de Heer Jezus de opdracht aan Zijn leerlingen heeft nagelaten om anderen te leren wat HIJ (niet Mozes!) hun geboden heeft. Wat onderwezen moet worden is dus Christus en niet in de eerste plaats Mozes. We staan nu eenmaal niet onder de wet van Mozes, maar onder de wet van Christus.

3.2 Geen sabbatsgebod in het Nieuwe Testament

Een christen staat dus niet onder de wet van Mozes maar onder de wet van Christus. Uit het Nieuwe Testament blijkt nergens dat het sabbatsgebod deel uitmaakt van de wet van Christus. Nergens in het Nieuwe Testament is te lezen dat het onderhouden van de sabbat opgelegd is aan christenen uit de heidenen. De vraag kan trouwens gesteld worden dat als christenen de sabbat zouden moeten houden, ze dan ook niet de andere Joodse feestdagen zouden moeten houden? In Lev.23 wordt het sabbatsgebod (vs.2-3) immers genoemd tezamen met andere feestdagen, zoals een gedenkdag (vs.23-25), de verzoendag (vs.26-32), en het Loofhuttenfeest (vs.33-36). Dit zijn toch ook allemaal ‘feestdagen van de Heere’ zoals Lev.23:37-38 zegt en niet enkel de sabbat. In het Nieuwe Testament komen we echter nergens het idee tegen dat niet-Joodse gelovigen zich aan deze dagen zouden moeten houden. Als dit echt zo belangrijk zou zijn zou je dit toch mogen verwachten! Het is opvallend dat we overal in het Nieuwe Testament waarschuwingen tegenkomen aan het adres van christenen, waarschuwingen voor allerlei zonden; maar nergens vinden we een waarschuwing voor het breken van de sabbat. De enige logische verklaring voor het ontbreken van zo’n waarschuwing is de verklaring dat het niet nodig was om daarvoor te waarschuwen om het eenvoudige feit dat niet-Joodse gelovigen zich niet aan de sabbat moesten houden. Het kon dus ook nooit een zonde zijn als ze dit niet zouden doen.

3.3 De beslissing in Jeruzalem

Reeds van bij het ontstaan van de gemeente waren er Joodse stemmen die eisten dat gelovigen uit de heidenen zich aan de Wet zouden houden. Maar deze Joodse stemmen vertolkten niet de gedachten van de Heer. De gedachten van onze Heer over hoe heidenen die tot geloof gekomen zijn moeten omgaan met de Wet en de sabbat vinden we in de volgende Schriftgedeelten:

•Hand.15:28-29 ‘Want het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen. Vaarwel’.

•Hand.21:25 ‘Maar wat de heidenen betreft die geloven, hebben wij geschreven en goedgevonden dat zij niets dergelijks in acht hoeven te nemen, behalve dat zij zich moeten wachten voor afgodenoffers, voor bloed, voor het verstikte en voor ontucht’.

Uit deze verzen blijkt dat heidenen die tot geloof gekomen zijn zich niet moeten houden aan de Wet (die Joden trouwens zelf ook niet konden dragen, (Hand.15:10); maar zich enkel moesten houden aan die geboden die eerder ook al aan Noach waren gegeven (Gen.9:1-7). De Heilige Geest en de apostelen vonden het blijkbaar niet nodig om de sabbat op te leggen aan christenen uit de heidenen. Sterker nog: het Nieuwe Testament waarschuwt zelfs tegen het verplicht opleggen van de sabbat (Kol.2:16-17).

3.4 Een waarschuwing tegen het verplicht opleggen van de sabbat

Paulus schrijft in Kol.2:16-17 ‘Laat dus niemand u veroordelen inzake eten of drinken (spijswetten), of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan of de sabbatten. Deze zaken zijn een schaduw van de toekomstige dingen, maar het lichaam is van Christus’. Al in de gemeente van Kolosse waren er Joodse christenen die leerden dat de sabbat verplicht was. Als je de sabbat niet hield, dan werd je door hen veroordeeld. Paulus schrijft dan ook: ‘Laat dus niemand u veroordelen inzake eten of drinken, of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan of de sabbatten’. De Kolossenzen moesten zich dus niet laten verontrusten door mensen die beweerden dat je geen varkensvlees mocht eten en het Loofhuttenfeest moest vieren en de sabbat moest houden, en …  want deze zaken zijn nooit geboden geweest aan gelovigen uit de heidenen waartoe ook de Kolossenzen behoorden, maar alleen aan de Israëlieten.

Als niet-Joodse gelovige moet je je dus niet laten veroordelen als je als christen de sabbat niet onderhoudt of de andere door Mozes voorgeschreven feestdagen (Lev.23), of de wetten over rein en onrein voedsel (Lev.20:25).

Ook in Rom.14:1-6 verbiedt Paulus trouwens degenen die zich aan de sabbat houden (ongetwijfeld Joodse gelovigen) om hen te veroordelen die dit niet doen (gelovigen uit de heidenen). In deze verzen spreekt hij over zwakken en sterken. De zwakken onderscheiden zich van de sterken in hun standpunt aangaande het eten van vlees, maar ook in hun standpunt over het houden van de Joodse sabbat. Paulus wil niet dat Joodse gelovigen het houden van de sabbat als een wet gaan opleggen aan hun broeders uit de heidenen. Tegelijk moeten ook de heidense gelovigen hun joodse broeders de vrijheid geven om de sabbat te onderhouden. Men mag elkaar daar niet om minachten of veroordelen, vs.4,10,13, maar elk moet in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn.

Wat Paulus in Kol.2:16 en Rm.14:1-6 schrijft gaat rechtstreeks in tegen de wet van Mozes! Want in de wet van Mozes staat: ‘Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt …’ (Ex.20:8) en ‘ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden’ (Ex.31:15); maar Paulus lijkt dit dus helemaal af te zwakken. Er lijkt een tegenspraak te zijn tussen Mozes en Paulus, maar dat is het niet, als je begrijpt dat: (1) De opdracht om de sabbat te houden gericht was tot het volk Israël en (2) de waarschuwing tegen het verplicht opleggen van de sabbat gericht is tot christenen die niet onder de wet van Mozes staan

Alsof bovenstaande nog niet genoeg is, lezen we daarnaast ook nog eens in Gal.4:10-11 hoe Paulus zijn grote bezorgdheid uitspreekt over de Galaten die zich houden aan dagen (sabbat), maanden (nieuwemaansdagen, Num.28:11-15), tijden (feesten, Lev.23) en jaren (jubeljaar, Lev.25). Hij vreest dat hij zich misschien tevergeefs voor hen heeft ingespannen. ‘U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren. Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen’.

3.5 Alle dagen zijn gelijk

Paulus zegt in de Romeinenbrief dat voor de ‘sterken’ alle dagen gelijk zijn. Het zijn in Rom.14:5 de zwakken die de ene dag boven de andere stellen maar voor de sterken zijn alle dagen gelijk. Op de website www.toetsalles.nl staat hierover het volgende te lezen: ‘Er waren in de gemeente van Rome twee groepen gelovigen. De ene groep bestond uit christenen met joodse achtergrond, de andere uit christenen met heidense achtergrond. Dit leidde tot spanningen over het onderhouden van het ceremoniële gedeelte van de wet van Mozes. Tot spanningen over bijvoorbeeld het houden van de sabbat en de joodse feesten en over het toepassen van de voedselwetten. Sommige christenen uit Joodse achtergrond bleven, ook nadat ze tot geloof in Jezus waren gekomen, leven naar de wet van Mozes, inclusief voedselwetten en speciale dagen. Ze begrepen niet dat ze in Christus vrij van deze inzettingen waren. Vandaar dat Paulus ze ‘zwak in het geloof’ (Rom.14:1,2) noemt. Ze legden zichzelf ten onrechte nog steeds de wet van Mozes op. De anderen wisten dat ze in Christus vrijgemaakt waren van de wet van Mozes. Daarom onderhielden ze de voedselwetten en de feestdagen niet meer. Zij waren sterk in hun geloof. Paulus roept op tot wederzijdse verdraagzaamheid, maar intussen geeft hij wel aan welke groep gelijk had. Degenen die nog steeds de ene dag boven de andere stellen en die denken dat ze bepaald voedsel niet mogen eten, worden zwak in het geloof genoemd. Belangrijk is dat we in alles de Heere dienen, vs.8. En de Heer moet niet enkel gediend worden op zaterdag of zondag, maar elke dag moeten we Hem aanbidden.

3.6 De eerste christenen kwamen bijeen op de eerste dag van de week

Reeds van bij het ontstaan van de gemeente kwamen de gelovigen samen op de eerste dag van de week. De brief van Barnabas uit de 1e eeuw spreekt in dit verband over ‘de achtste dag die in vreugde werd doorgebracht; het is de dag waarop Jezus opstond van tussen de doden’.  Ignatius (rond 110 n.C.) zegt van de christenen dat zij ‘de sabbat niet meer vieren maar de dag des Heren in acht nemen waarop ons leven is opgebloeid door Hem en zijn dood’.  Justinus de Martelaar die van 110 tot 165 n.Chr. leefde schreef in zijn Eerste Geloofsverdediging, hoofdstuk 67 dat de christenen hun bijeenkomsten hielden op de ‘dag van de zon’, omdat het de dag was van Jezus’ opstanding uit de dood. De ‘dag van de zon’ was in die tijd de gebruikelijke terminologie voor onze zondag. Verder: ‘En op de dag genoemd zondag, allen die in steden of op het land wonen, vergaderen op één plaats. ... Zondag is de dag waarop wij allen onze algemene bijeenkomst houden, want die is de eerste dag waarop God, toen hij de duisternis en de stof veranderde, de wereld schiep, en Jezus Christus onze Heiland verrees op diezelfde dag uit de doden.’ Justinus vermeldt ook dat de maaltijd des Heren op die dag werd gevierd.

De reden dat de christenen van het eerste uur ervoor kozen om op zondag samen te komen lijkt vooral te maken te hebben met:

•De opstanding van Jezus. Op de sabbat lag Jezus nog in het graf; maar toen die voorbij was, vroeg op de eerste dag van de week vond men dat zijn graf leeg was, Mat.28:1-7; Mark.16:1-8; Luk.24:1. Die dag was de opstandingsdag. We zien hiervan reeds de schaduw in Lev.23:7-11, 34-39. Interessant is dat reeds daar gesproken wordt over een heilige samenkomst op de eerste dag van de week daags na de sabbat, vgl. 1Kor.15:20.

•Op die dag verscheen de Heer ook voor het eerst aan zijn discipelen, en precies een week later herhaalde Hij dit Joh.20:19-29.

•Het was ook zeven weken later op de Pinksterdag, dus opnieuw op de eerste dag van de week dat Hij de HG uitstortte, Hand.2. En vs.1-2 vertelt ons dat zij allen tezamen bijeen waren.

•Het was op de eerste dag van de week dat de gelovigen van Troas bijeenkwamen. Het lijkt erop dat Paulus, die blijkbaar op een maandag was aangekomen in Troas zeven dagen wachtte, Hand.20:6, tot de eerste dag van de week omdat hij wist dat de gelovigen op zondagen samenkwamen. Handelingen 20:7 vertelt dat zij op de eerste dag van de week bijeengekomen waren om brood te breken. Op deze eerste dag was er dus een samenkomst waarop er avondmaal gevierd werd. De voorstanders van de sabbatsviering wijzen er dan weer op dat uit deze vermelding in Hand.20:7 niet kan worden afgeleid dat deze eerste dag hun dag van samenkomst was. Maar we kunnen er toch moeilijk omheen dat de broodbreking hier in elk geval het uitdrukkelijke doel was waartoe men was samengekomen; de discipelen waren bijeengekomen ‘om brood te breken’. Deze vermelding is dan ook een belangrijke aanwijzing dat de vroege kerk geregeld op de eerste dag van de week bij elkaar kwam tot eredienst.

•Het was ook op de eerste dag van de week dat de Korintiërs wekelijks geld apart moesten leggen voor Paulus’ collecte zodat er een aanzienlijk bedrag gereed zou liggen wanneer hij komt, 1Kor.16:2. Paulus noemt hier de ‘eerste (dag) van de week’ (de zondag) als de dag om iets opzij te leggen. De reden hiervoor zal zijn dat dit ook de dag is waarop de gemeente bijeenkomt, onder meer om het Avondmaal te vieren, Hand.20:7.

Dat zowel de dag van de opstanding alsook de dag van de uitstorting van de HG heeft plaatsgevonden op de eerste dag van de week; dat zijn reeds van oudsher belangrijke redenen geweest om op deze dag als christenen samen te komen.

3.7 Een christen is de rust ingegaan

Als Christus in je leven gekomen is, dan ben je in Zijn rust ingegaan. De sabbat die God gegeven heeft aan de Joden was niet de goddelijke rust die Hij hen wilde geven. Integendeel: ze kwamen onder de slavernij van de wet die hen wel elke zevende dag liet uitrusten van hun werk, maar de werkelijke Rust hadden ze daarmee niet ontvangen (Heb.3:10-11). Het houden van het sabbatsgebod biedt ook geen enkel uitzicht op die werkelijke rust. Alleen als Christus in je leven komt kun je in Zijn Rust binnengaan. Hebreeën 4:3-7 zegt ‘Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen, zoals Hij gezegd heeft: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! En dat terwijl Zijn werken al sinds de grondlegging van de wereld voltooid zijn. Want Hij heeft ergens over de zevende dag als volgt gesproken: En God heeft op de zevende dag van al Zijn werken gerust. En op deze plaats opnieuw: Zij zullen Mijn rust niet binnengaan! Omdat dus het feit blijft dat sommigen deze rust binnengaan, en dat zij aan wie het Evangelie eerst verkondigd was, niet binnengegaan zijn vanwege hun ongehoorzaamheid bepaalt Hij opnieuw een zekere dag, namelijk heden…‘ Het gedeelte gaat als volgt verder ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet. Want als Jozua hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag. Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God, want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne’. De rust die God geeft betekent: voorgoed tot rust komen van de eigen werken; blijvende vrede met God; ingaan in de innerlijke rust die blijft tot in eeuwigheid. Zij die uit de Geest geboren zijn, zijn deze werkelijke rust binnengegaan. Nergens in het NT staat dan ook te lezen hoe gelovigen uit de heidenen geroepen worden om op de zevende dag de sabbat te houden, integendeel … onze rust wordt gevonden in een Persoon en niet in een dag. Heeft Jezus niet gezegd: ‘Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel’ (Mat.11:28-29).

De sabbat was, net als alle andere onderdelen van de ceremoniële wet, een schaduw van wat we als christenen nu al beleven in Christus. Wij rusten in het volbrachte werk van Christus, daar leven we uit. We zijn de ware sabbatsrust ingegaan en blijven ook in die rust, ‘want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne’ (Heb.4:10). Het was dan ook niet nodig dat de Heer ons daarnaast ook nog eens een bepaalde dag van rust (sabbat) zou geven. De geestelijke Rust in het hart van de gelovige, is door een waarachtige bekering in plaats van de lichamelijke sabbatsrust gekomen. Waarom zouden wij dan teruggaan naar een afschaduwing hiervan terwijl wij de werkelijkheid kennen in Christus?

CONCLUSIE:

Er is helemaal geen sabbatsgebod voor de christen, omdat een christen niet onder de wet van Mozes maar onder de wet van Christus staat. Het sabbatsgebod is niet overgenomen in de wet van Christus. In het onderwijs van de apostelen wordt het sabbatsgebod dan ook niet herhaald; het wordt zelfs niet eens vernoemd door de apostelen die in Jeruzalem bijeengekomen waren om te debatteren over de verhouding van de heidenen tot de Wet. Sterker nog; in het Nieuwe Testament staat er juist een ernstige waarschuwing tegen het verplicht opleggen van de sabbat. Voor een sterke christen, die begrijpt dat hij niet onder de wet van Mozes staat, zijn alle dagen gelijk. Een christen vindt zijn rust immers niet in het houden van de sabbat maar in Christus; Hij is onze Rust. Sinds het ontstaan van de kerk hebben christenen er dan ook van meet af aan voor gekozen om samen te komen op de dag van de opstanding van Christus. Op deze eerste dag van de week komen we samen om te herdenken dat we tot rust gekomen zijn in Hem. 

4. Tegenargumenten

Zoals hierboven voldoende aangetoond kan noch vanuit het Oude noch vanuit het Nieuwe Testament worden aangetoond dat christenen de sabbat moeten houden. Het Oude Testament laat duidelijk zien dat het sabbatsgebod gegeven is aan Israël als teken van het verbond dat met hen bij de Sinaï gesloten is. Dat dit verbond niet gesloten is met de andere volken wordt alleen maar bevestigd door het Nieuwe Testament. Op geen enkele wijze worden gemeenten uit de heidenen aangespoord om de sabbat te gaan houden, integendeel. En hoewel er heel wat vermaningen gegeven worden voor allerlei zonden, ontbreekt elke vermaning voor het niet houden van de sabbat. Toch worden door de sabbatvierders heel wat tegenargumenten aangevoerd. De belangrijkste hiervan willen we hieronder kort weergeven. Deze tegenargumenten zijn (met schriftelijke toestemming van de auteur) vooral ontleend aan www.toetsalles.nl.

4.1 Geen enkele jota of tittel van de Wet zal vergaan zei Jezus, dus ook de sabbat niet

Voorstanders van de sabbat beroepen zich nogal vaak op Mat.5:17-19 waar Jezus zegt ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen’. In deze verzen lezen we inderdaad hoe Jezus heeft gezegd dat Hij niet gekomen is om de Wet te ontbinden en dat wie ‘een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, de geringste genoemd zal worden in het Koninkrijk der hemelen’. Hier zou je dus kunnen uit afleiden dat zelfs het kleinste gebod van de Wet van Mozes niet ontbonden mag worden en dus ook voor ons nog steeds geldig is; inclusief de sabbat. In een Bijbelstudie in de Evangelische Kerk Bourgoyen gehouden in 2016 legt Guido Dekegel uit waarom deze afleiding in strijd is met de rest van de Schrift en een aantal ernstige problemen schept:

•Als Jezus inderdaad heeft willen leren dat de Wet onverminderd van kracht blijft, dan betekent dit dat dit niet enkel geldt voor de sabbat maar voor alle geboden van de Wet: de besnijdenis, de spijswetten, de reinheidswetten, etc. Het is dan niet aan ons om daar een selectie uit te maken maar dan moet je ook echt consequent alle geboden naleven. Want vs.19 zegt dat zelfs het kleinste gebod niet ontbonden mag worden. In de praktijk betekent dit dat je dan ook echt als Jood moet gaan leven. 

•Als Jezus inderdaad heeft willen leren dat de Wet onverminderd van kracht blijft, dan betekent dit dat Hij Zichzelf tegenspreekt, want in Mark.7:14-23 lezen we dat Hij alle spijzen rein verklaarde. En in Hand.10 lezen we hoe Petrus het bevel krijgt om onreine dieren te slachten en te eten. Uitspraken als deze druisen regelrecht in tegen de spijswetten uit de Wet, Lev.11, Lev.20:25.

•Als Jezus inderdaad heeft willen leren dat de Wet onverminderd van kracht blijft, dan betekent dit dat Paulus de Bergrede verkeerd begrepen heeft; want in Ef.2:15 staat geschreven dat Christus de Wet van de geboden die uit bepalingen bestond tenietgedaan heeft, buiten werking gesteld heeft; ze moet dus niet meer worden toegepast. Ook op andere plaatsen schrijft Paulus herhaaldelijk dat wij niet onder de Wet zijn: Rom.6:14,15; Gal.5:18.

•Als Jezus inderdaad heeft willen leren dat de Wet onverminderd van kracht blijft, dan betekent dit dat de H.G. en de apostelen in Jeruzalem een foute beslissing hebben genomen. In Hand.15:28-29 staat immers het volgende te lezen: ‘Want het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen. Vaarwel’.

Hoe moeten we de woorden van Jezus in Mat.5:17-20 dan wel begrijpen? ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen’ Jezus is niet gekomen om de Wet af te schaffen of te ontbinden, te ontmantelen, te vernietigen; maar Hij is gekomen om deze te vervullen. Maar wat betekent vervullen? Het is interessant om te zien hoe het woord vervullen keer op keer gebruikt wordt in het Mattheüs-evangelie: 1:20-23, 2:13-18,23, 4:13-15, 8:16-17, 26:53-56; het komt maar liefst 13 keer op deze manier voor.  Vervullen betekent dat wat eerder geschreven is in de Wet, plaats zal vinden in de Persoon, het werk en het leven van Christus. Het oude verbond staat tot het nieuwe verbond zoals een belofte staat tot een vervulling. Het oude testament bevatte types en schaduwen, die hun volledige betekenis en essentie in Christus vinden. Jezus, in Zijn komst naar de aarde, is de belichaming van die vervulling. Christus heeft de wet niet ontbonden, maar juist op een volkomen wijze naar haar ware bedoeling gehoorzaamd en Hij heeft de boeken van de profeten niet ongeldig verklaard, maar profetieën waarover zij spraken werkelijkheid laten worden. En zo zal Jezus het volledige oude testament vervullen. Alle beloften van God zijn opgenomen in het leven en wezen van Christus. In Hem wordt het ganse oude testament vervuld zonder dat het wordt vernietigd. Het oude testament blijft totdat de hemel en de aarde verdwijnen en ‘totdat alles gebeurd zal zijn’. ‘Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is’

Alle teksten uit de Wet die betrekking hebben op de Heer Jezus moeten allemaal tot vervulling komen, en dat zullen ze! Het is bijzonder dat reeds in de Wet gesproken is met het oog op Christus. Zo lezen we bijvoorbeeld in Deut.18:15 hoe er gesproken wordt over een profeet als Mozes; zeg maar van het niveau van Mozes; en ‘naar Hem zullen ze luisteren’. Mozes was de eerste Wetgever, maar reeds in Deut.18:15 zien we de aankondiging van de komende nieuwe Wetgever naar wie ze zullen luisteren. Christus is deze nieuwe Wetgever en de Bergrede vormt een belangrijk onderdeel van de Wet van Christus. Dat Christus die nieuwe Wetgever is blijkt wel uit het verdere onderwijs in Mat.5:21,27,31 waar de Heer Jezus zegt “Gij hebt gehoord dat er gezegd is (= oude Wet), maar Ik zeg u (= nieuwe Wet), vgl. ook Mark.1:27 (nieuwe leer). Dat Christus die nieuwe Wetgever is blijkt ook uit de hemelse bevestiging; twee keer heeft God zelf gesproken: hoort naar Hem!  De Heer Jezus benadrukt heel krachtig dat de Wet onverkort tot in de kleinste details van kracht blijft; maar dit zal niet altijd zo blijven; er is wel degelijk een vervaldatum: ‘totdat hemel en aarde voorbijgaan’, d.w.z. tot het einde van deze wereld, Op.20:11, 21:1, 2Petr.3:10, Heb.12:27. Wanneer de huidige hemel en aarde zullen verdwijnen zal ook de Wet verdwijnen. We moeten ons echter wel realiseren dat de woorden van Jezus Christus zullen blijven bestaan zelfs nadat het heelal verdwijnt: ‘Hemel en de aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen’ (Mat.24:35). Dit betekent dat de woorden van Jezus Christus de woorden van het oude testament vervangen, toen, nu en in de toekomst. De Wet zal verdwijnen, maar de woorden van Jezus zullen blijven bestaan. De Wet zal verdwijnen wanneer alles geschied zal zijn. Wanneer alles wat in de Schrift staat zijn vervulling zal hebben gevonden in Christus zal de Wet daarmee ook Zijn relevantie verloren hebben; ze zal dan ook niet langer geldig zijn. Op dit moment is nog niet alles vervuld. De profetieën die betrekking hebben op Christus tweede komst, op het Vrederijk, op de nieuwe hemel en aarde moeten nog allemaal tot vervulling komen. Maar Christus laat zien dat geen enkel deel van de wet of van de Schrift onvervuld zal blijven. ‘Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen’. Belangrijk om deze tekst goed te begrijpen is het voor ogen houden van de tijd waarin Jezus deze woorden gesproken heeft, nl. aan het begin van Zijn driejarige bediening. Deze periode moet gezien worden als een overgangsperiode tussen oud en nieuw. Tijdens de driejarige bediening van Christus zou de Wet tot vervulling gebracht worden met als absolute climax: Golgotha. Daar werd de ganse offerdienst vervuld. Tegelijk heeft de Heer Jezus aan het einde van Zijn bediening het nieuwe verbond geïntroduceerd. En dit nieuwe verbond is van kracht geworden na Jezus’ dood en opstanding. Door Zijn dood en opstanding is er een verandering van Wet gekomen (Heb.7:12). Deze driejarige periode moet dus gezien worden als een overgangsperiode van oud naar nieuw, maar tijdens deze driejarige periode moet het oude verbond wel degelijk nog volop worden toegepast; vandaar vers 19. Op het moment dat Jezus deze woorden sprak was de Wet nog in al Zijn aspecten volop geldig, want Hij was toen nog niet gestorven en opgewekt. De wet van het oude verbond moest dan ook nog volledig worden toegepast tot het zijn vervulling gevonden zou hebben in Christus. Maar daarna komt wel de wet van het nieuwe verbond; en onder deze wet van het nieuwe verbond, deze wet van Christus, leven wij. En het belangrijkste artikel van deze nieuwe wet is: LIEFDE.

Hoe het nieuwe verbond zich verhoudt tot het oude verbond is niet zo makkelijk te begrijpen. James M. Arlandson verduidelijkt de relatie tussen beiden met de volgende illustratie: ‘Laten we veronderstellen dat een oud huis het oude verbond vertegenwoordigt, en een nieuw huis het nieuwe verbond van Christus’ openbare optreden en het nieuwe testament. Christus breekt het oude huis niet af, maar houdt het intact. In plaats daarvan bouwt hij Zijn nieuwe huis ernaast en verbindt het er zelfs mee, en zij delen dezelfde goddelijke fundering. Christenen leven in het nieuwe huis dat indrukwekkender en groter is en dat nieuw meubilair heeft. Zij mogen het oude huis binnentreden. Dat wil zeggen zij mogen de Psalmen, Spreuken, Profeten, de geschiedenis, de Thora etc. lezen. Zij kunnen leren van de verhalen en de principes daarin, net zoals een bezoeker aan het oude huis kan leren en genieten van het oude meubilair en de oude architectuur. Maar dit oude huis is niet hun thuis, zij wonen in het nieuwe huis’.

Deze analogie helpt ons om te begrijpen dat het oude huis niet afgebroken maar bewaard moet worden, terwijl het nieuwe huis ernaast kan staan of er zelfs mee verbonden kan zijn. Wanneer christenen naar het oude huis teruggaan (het oude testament), mogen zij geen voorwerpen breken. Zij mogen geen oud bord oppakken (een gebod) en het op de vloer kapot gooien. In plaats daarvan, moeten zij dingen laten zoals zij het vonden wanneer zij naar het nieuwe huis (het nieuwe testament) terugkeren. Dingen zo laten als ze zijn is niet hetzelfde als het te breken. Bovenal moeten christenen als zij leraren worden van het woord, anderen niet leren dingen te breken in het oude huis. Zij moeten hun medechristenen onderwijzen om het oude huis als geheel te respecteren en het oude huis en alle dingen daarin in ere te laten. Als wij het oude huis binnengaan, bekijken wij het door de visie van Jezus en de wijze waarop Hij het vervuld heeft. Hij is bij wijze van spreken onze betrouwbare reisgids. Zoals gezegd spreekt Jezus in Mat.5 de Bergrede uit tot de leerlingen die nog onder het oude verbond leven. Na de preek openbaart Hij geleidelijk aan een nieuwe richting. Hij maakt een overgang van het oude naar het nieuwe en bouwt het nieuwe huis zonder het oude af te breken. Wanneer het evangelie culmineert in het laatste hoofdstuk, draagt Jezus zijn discipelen op om alle volkeren alles te onderwijzen wat ‘Hij’ geboden heeft (Mat.28:20). Als de vervuller van Gods beloften, moet Hij prioriteit krijgen.

Betekend dit dan dat het volledige oude testament afgeschaft is? Niet ‘zolang hemel en de aarde bestaan’ en niet ‘totdat alles gebeurd zal zijn’. Het oude huis staat nog steeds zonder dat er één stuk ontbreekt of vervreemd is. Alle voorwerpen en meubilair zijn er nog steeds. Jezus richt onze blik echter op het nieuwe huis en roept ons daar naar binnen. Elk gebod in het oude testament kan nog gelezen, onderwezen en in praktijk worden gebracht voor opbouw en zegen. Maar zij moeten nu worden gelezen door de vervulling van het werk van Jezus Christus. Wanneer christenen bijvoorbeeld over dierlijke offers lezen in Leviticus, richten zij zich op Christus’ offer, zich realiserend dat het oude offersysteem op Hem gericht was. Zij praktiseren het, door God een dankoffer aan te bieden: ‘Laten we met Jezus’ tussenkomst een dankoffer brengen aan God’ (Heb.13:15). Paulus zegt ook dat wij onze lichamen moeten aanbieden als levende offers: ‘heilig en welgevallig voor God – want dat is de ware eredienst voor u’ (Rom.12:1). Jezus Christus inspireert alle gelovigen om hun visie voorbij het letterlijke dierenoffer te verheffen en naar Hem te kijken, het letterlijke en unieke offer voor ééns en voor altijd en voor alle tijden. Dan brengen zij hun eigen geestelijk offer. Daarom is het oude testament hierin vervuld.

De wet was gericht op Jezus en Zijn onderwijs; dus wordt er juist aan gehoorzaamd door naar Zijn woord te leven. Het uitoefenen van de geboden van de wet moet worden bekeken in het licht van de vervulling door Jezus. Het is de wet zoals die vervuld is door Jezus die moet worden nageleefd, niet de wet in de originele vorm. Als christenen dienen wij het oude testament te interpreteren in Jezus Christus. Hoewel er dus geen sprake is van een ontbinden van het gezag van het OT, is het wel zo dat de wet en de wil van God nu in een nieuwe gedaante verschijnen, een nieuw huis, en dat de beloften en eisen van het Koninkrijk van God die van het oude verbond overtreffen, vgl.Mat.5:21-48. De wet behoudt dus zijn geldigheid, echter niet in zichzelf, maar in de vervulling. Of zoals Rom.10:4 stelt: Christus is het einddoel van de Wet.

4.2 Jezus hield zelf ook de sabbat

Jezus hield zelf ook de sabbat, maar we mogen natuurlijk niet over het hoofd zien dat Jezus geen gelovige uit de heidenen was, maar dat Hij een Jood was. Hij was geboren onder de Wet en leefde dan ook naar de Wet en hield Zich volledig aan de Wet van Mozes. Jezus sprak dan ook als een Jood, en ging gekleed als Jood met kwasten aan Zijn kleed, ging op sabbat naar de synagoge, onderhield de Bijbelse feesten, …maar met Zijn dood en opstanding is er een verandering van Wet gekomen (Heb.7:12). Hij heeft in Zijn vlees (dat wil zeggen, in zijn lichaam) de wet die bestaat in geboden en inzettingen (dat is de wet van Mozes) buiten werking gesteld. Zo staat het in Efeze 2:15: ‘doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft’. En precies omdat die verandering van Wet er gekomen is kan Paulus zeggen dat voor een christen alle dagen gelijk zijn (Rom.14:5). Als je echter toch vindt dat je de Wet moet houden omdat ook Jezus dit heeft gedaan; dan moet je natuurlijk consequent zijn en Christus navolgen in de volledige onderhouding van de Wet van Mozes. In de praktijk betekent dit dat je dan ook zelf als Jood moet gaan leven. 

4.3 Ook Paulus hield de sabbat

Dat Paulus de sabbat hield zou blijken uit Hand.18:4. Maar uit datzelfde vers blijkt vooral waarom hij besprekingen hield in de synagoge op de sabbat; nl. om Joden en Grieken te overtuigen. De dag van de sabbat was voor Paulus gewoon de beste gelegenheid om Christus te brengen, dan waren de Joden immers vergaderd. Paulus ging dus niet zozeer omwille van de sabbat, maar vooral omwille van de gelegenheid om er te prediken.

4.4 In de eindtijd is er nog steeds de sabbat

In Mat.24:20 zegt Jezus ‘Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat’. Deze tekst wordt soms gebruikt door christenen die vinden dat we nog steeds de sabbat moeten houden. Men zegt dat als de sabbat nog gehouden zal worden vlak voor de wederkomst van Christus deze dus niet afgeschaft kan zijn. Anders was het immers niet nodig geweest om te bidden dat het moment om te vluchten niet op een sabbat valt. Dit ene vers mogen we echter niet losmaken van de bredere context waarin het geschreven staat en de context is de grote verdrukking die Christus wederkomst zal voorafgaan, een verdrukking die in hoofdzaak gericht zal zijn tot de Joden; het is de tijd van grote benauwdheid voor Jakob waar Jer.30:7 over spreekt. Mat.24:16 spreekt dan ook over de bergen van Judea. De context waarin Mat.24:20 staat is dus deze van grote verdrukking voor het volk van Israël. In Mat.24:15 wordt gezegd wat het teken is dat deze grote verdrukking op het punt staat om te beginnen. Als de Joden die op dat moment in het land Israël zijn dat teken zien, dan moeten ze onmiddellijk met grote haast vluchten. En in verband met die plotselinge vlucht van het Joodse volk uit Judea zegt Jezus: ‘Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat’. Deze aansporing om alzo te bidden is niet gericht aan gelovigen in België of Nederland; maar is gericht tot de Joden die op dat moment in het land Israël zullen wonen. Mat.24:16 zegt ‘laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen’. Deze Joden zullen op een bepaald moment overhaast moeten vluchten en daarom moeten ze bidden dat de situatie gunstig zal zijn om die vlucht mogelijk te maken. Vluchten in de winter is zwaarder en ook het vluchten op sabbat is moeilijker; al was het maar omdat het openbaar vervoer dan (gedeeltelijk) stilligt. Gezien hier gesproken wordt over Judea en over de sabbat moeten we hier dan ook niet denken aan gelovigen waar ook ter wereld; maar moeten we vooral denken aan het Joodse volk. Het Joodse volk is een volk dat in meerderheid de Heer Jezus verwerpt en nog steeds (gedeeltelijk, cultureel) vasthoudt aan de wet van Mozes en dus ook de sabbat nog steeds houdt. Op de sabbat zijn er geen treinen, geen bussen en geen openbaar vervoer. Ook de winkels zijn dan gesloten. Als de vlucht op zo’n dag zou moeten plaatsvinden, zou dit dus nog rampzaliger zijn. De oproep om te bidden dat de vlucht niet zal vallen op sabbat is dan ook begrijpelijk. Mat.24:20 mag dan ook niet ‘gebruikt’ worden om te beargumenteren dat gelovigen wereldwijd de sabbat moeten houden.

4.5 Het sabbatsgebod is altoosdurend

Zo lezen we het bijvoorbeeld in Ex.31:16 ‘De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond’. De volgende vraag dient dan ook gesteld te worden: als de Schrift zegt dat de sabbat een eeuwig verbond is; hoe is het dan mogelijk dat deze niet meer geldig zou zijn? Als we de Schrift onderzoeken, dan stellen we inderdaad vast dat het Gods bedoeling was dat het sabbatsgebod een eeuwig gebod zou zijn. En zo zou het ook gegaan zijn; als tenminste het volk Israël het verbond met Mozes niet had verbroken! Maar het volk heeft het verbond -waarvan het sabbatsgebod een onderdeel was- verbroken. Het gevolg is dat God dit verbond terzijde heeft geschoven. En zo is er een verandering van Wet gekomen (Heb.7:12). De Wet van Mozes werd vervangen door de Wet van Christus. Vele geboden en voorschriften zijn in beide Wetten terug te vinden; maar dit geldt niet voor alle geboden en voorschriften. Sommige voorschriften die zijn opgenomen in de Wet van Mozes zijn niet opgenomen in de Wet van Christus; denk aan de besnijdenis van het vlees, spijswetten, rituele offers, sabbat, e.a. Het is trouwens zo dat niet enkel van de sabbat geschreven staat dat het een eeuwige verordening is; dit wordt wel van meerdere zaken gezegd. Ook van het priesterschap van de zonen van Aaron staat geschreven dat het gaat om een ‘eeuwig priesterschap, al hun generaties door’, Ex.40:15. Toch is ook dat priesterschap opzij geschoven door een verandering van wet (Heb.7:12). Ook van heffingen waar de priesters recht op hadden, wordt gezegd dat ze altoosdurend zijn (Num.18:19). En toch is het Aäronitische priesterschap afgeschaft en daarmee ook de heffingen. We moeten voor ogen houden dat de eeuwig blijvende geldigheid van deze inzettingen gekoppeld was aan het verbond; maar het verbond is verbroken. En omdat dit verbond niet langer van kracht is, zijn ook deze eeuwige instellingen niet langer van kracht. Door de dood en opstanding van Jezus is de wet veranderd, en daarmee is ook het priesterschap van de zonen van Aaron alsook het sabbatsgebod opgeheven. En als je desondanks toch wil staande houden dat het sabbatsgebod eeuwig is, dan is het nog altijd zo dat dit dan toch voor de Israëlieten is en niet voor de gelovigen uit de heidenen. De tekst zegt nu eenmaal “De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond.” En wie is zo gek om te beweren dat alle mensen Israëlieten zijn?

4.6 Ook in het duizend jarig rijk zal de sabbat worden gehouden

Het klopt inderdaad dat in het duizendjarig rijk de sabbat weer zal worden gehouden; dit blijkt uit gedeelten als Ez.44:24, 45:17, 46:1,3,4,12; Jes.56:1-8, 66:23. Maar die tijd is helemaal anders dan onze tijd. Het gaat daar om een andere periode, een andere bedeling, met gedeeltelijk andere regels. Jezus zal bij zijn wederkomst het duizendjarig rijk oprichten. Hij zal vanuit Jeruzalem de gehele wereld gaan besturen. En er zullen ook een aantal nieuwe regels worden ingevoerd waaronder de opdracht om de sabbat weer te gaan houden. Maar ook regels zoals het brengen van brandoffers, graanoffers, plengoffers, het houden van de feesten (Ez.45:17, 46:1-7). Maar deze dingen slaan dus niet op de huidige tijd maar op de tijd dat de Heer Jezus Koning zal zijn over de gehele aarde. Ook het woord uit Zach.14:16 zal dan tot vervulling komen ‘Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren’. Laat ons ervoor waken de tijden niet allemaal op een en dezelfde hoop te gaan gooien alsof God altijd op elk moment op dezelfde manier werkzaam is.

4.7 Terug naar de Joodse wortels en het authentieke christendom

Christenen die zich plots geroepen weten om de sabbat en andere Mozaïsche voorschriften te gaan houden doen dit vaak omdat ze onder invloed zijn geraakt van de Hebrew Roots beweging. Deze beweging leert dat wij als christenen losgeraakt zijn van onze Joods-Hebreeuwse wortels en dat we in onze theologie en in onze gebruiken ‘vergriekst’ zijn. Ze hebben dan ook de overtuiging dat we moeten terugkeren naar de Joodse wortels van het christelijk geloof. Dit is de basistheorie van de Hebrew Roots beweging. Een belangrijk onderdeel van deze ‘terugkeer’ naar de joodse wortels is het herstel van de sabbat (op zaterdag); want alleen dan beleef je het echte authentieke originele christelijke geloof uit de tijd van de apostelen; zo gelooft men. Maar deze theorie klopt niet. Er is geen enkel historisch bewijs dat in de eerste eeuwen van het christendom de christenen de sabbat en de joodse feesten nog hielden. Meer nog, uit de Bijbel blijkt dat de christenen uit de joodse synagogen werden geworpen. Zo was het ook door Jezus aangekondigd (Joh.16:2). De eerste christenen werden door de Joden tegengewerkt en vervolgd (1Thes.2:15, Op.2:9. Daarom begonnen zij met eigen samenkomsten (Hand.19:9). In het boek Handelingen wordt beschreven hoe op deze manier overal eigen christelijke gemeenten ontstonden. De christelijke gemeenten die op die manier ontstonden, werden onderwezen door Paulus en de andere apostelen. We weten welk onderwijs die eerste gemeenten kregen, want we hebben documenten uit die tijd in de vorm van de brieven van het Nieuwe Testament. Wat daarin staat, werd de christenen onderwezen. In de brieven staat het onderwijs over de verandering van de wet van Mozes naar de wet van Christus. Een verandering die het gevolg was van de dood van Christus. De apostelen sporen in hun brieven de christenen nergens aan tot het houden van de sabbat, integendeel. Paulus zegt dat we nu leven in een realiteit waar de sabbat niet meer dan een schaduw is van de toekomstige dingen (Kol.2:17, Heb.10:1). Dus niet wat de Hebrew Roots beweging leert, namelijk hun onbewezen stelling dat de eerste christenen de sabbat bleven vieren, maar wat Paulus leert is het werkelijke authentieke christendom. In zijn onderwijs haalt Paulus elke religieuze motivatie om de sabbat te houden onderuit. Vaak zie je trouwens dat mensen die onder de invloed geraakt zijn van de ‘terug-naar-de-Joodse-wortels-gedachte’ (Hebrew Roots) zich niet beperken tot het houden van de sabbat maar er in de praktijk nog vele andere zaken bijnemen: Het vieren van de Joodse feesten. Het zich verdiepen in de Talmoed en andere buiten-Bijbelse Joodse tradities. Ze beginnen over Jeshua te spreken, in plaats van over Jezus. Ze raken het onderscheid tussen Israël en de gemeente kwijt. Ze vermengen de Wet en de genade, net zoals de Judaïsten uit Paulus dagen die leerden dat een mens wel behouden wordt door het geloof in Jezus, maar dat hij daarnaast ook verplicht is om de wet van Mozes te houden (Hand.15:5). De volledige Galatenbrief is tegen hen geschreven.

4.8 Het is toch niet verboden

Soms hoor je wel eens de gedachte dat de Bijbel ook niet verbiedt om de sabbat te houden, je mag daar zelf in kiezen. Ook Paulus heeft dit vrij gelaten. Rom.14:5 zegt ‘Deze [immers] stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd’. Maar ook hier weer is het van groot belang om te letten op de context waarin Paulus dit heeft geschreven. In de gemeente van Rome waren twee groepen christenen. Een groep gelovigen uit Joodse achtergrond en een groep christenen uit heidense achtergrond. Velen van de gelovigen met Joodse achtergrond waren nog niet los van de wet van Mozes en daarom bleven ze de sabbat houden, de voedselwetten toepassen en de andere feesten houden. Paulus zegt dat de andere christenen geduld met deze groep moesten hebben. Maar hij noemt die groep wel zwak in het geloof (Rom.4:1,2). Zij hadden nog niet begrepen dat de dood van Christus hen vrijgemaakt had van de wet van Mozes. Christenen uit de heidenen kun je natuurlijk niet vergelijken met deze christenen uit de Joden. Niet-Joodse christenen zijn nu eenmaal niet opgevoed met de Wet van Mozes en hebben niet het excuus dat ze daar nog niet los van zijn zoals dat het geval was met de gelovigen met een Joodse achtergrond in de gemeente van Rome. Hier gaat het om evangelische christenen die vrijwillig terugkeren naar deze inzetting van de wet van Mozes. Ze keren terug naar de wet, naar de dingen die van de aarde zijn, naar de schaduwen (Kol.2:17-3:3). En dat doen ze omdat ze geloven dat ze door het gaan houden van de sabbat (op zaterdag) terugkeren naar het authentieke christendom wat helemaal niet het geval is.

Dat er meer en meer christenen zijn die de sabbat beginnen te houden en/of de feesten beginnen te vieren is een zorgelijke en on-Bijbelse ontwikkeling en wel om verschillende redenen:

•Het richt je op uiterlijke dingen en niet op wat je in de Here Jezus bent en hoe je uit Hem moet leven in de kracht van God (Kol.2:16-3:17). We moeten ons niet concentreren op de schaduwen en ceremonieën van de Wet van Mozes; maar we moeten ons concentreren op het nieuwe leven van Christus dat in ons is; dat moeten we uitleven en uitwerken. Als je gericht blijft op de oudtestamentische ceremonieën, dan richt je jezelf op de dingen die op aarde zijn en blijf je leven op Oudtestamentisch niveau, vgl.Kol.2:16-17 en Kol.3:1-2. Niet wat op de aarde is moeten we bedenken (sabbatten, feestdagen, voedselwetten, …; maar de dingen die boven zijn moeten we zoeken (wie je bent in Christus, leiding van de HG, …). Het gaat dus om de juiste gerichtheid. We moeten ons niet richten op het vieren van de sabbat of op joodse feesten. Daar moet onze aandacht niet naar uitgaan, daar moeten we onze tijd en energie niet aan besteden. Die dingen moeten we niet in het centrum van ons christelijke leven plaatsen. Die dingen maken ons geen geestelijke overwinnende christenen. Je hebt niets aan sabbat houden in de geestelijke strijd tegen de boze machten waar iedere christen mee te maken heeft (Ef.6:10-18). 

Vaak erkennen sabbatvierders dat het niet verplicht is om de sabbat te houden, maar tegelijk wordt er dan ook vaak bij gezegd dat je dan wel een bijzondere zegen mist als je het niet doet; en dan is het dus eigenlijk toch wel nodig om de sabbat te houden. Deze argumentatie hoor je ook i.v.m. de feesten. Vastheid zoeken in een ritueel in plaats van in de genade. Heb.13:9 spreekt over het zoeken van vastheid in spijzen. Bijvoorbeeld in de voedselwetten van de wet van Mozes. Mensen kunnen vastheid zoeken voor hun hart in dit soort wetten en ceremonieën. Dat kun je doen met de voedselwetten van de wet van Mozes, maar ook met de sabbatviering. Daar steun je dan op, in plaats van op de genade, in plaats van op het werk van Christus en op het werk van de Heilige Geest in je. Ze richten zich op de Thora in plaats van op het evangelie en de brieven van het Nieuwe Testament. Ze richten zich op Mozes in plaats van op Jezus. Ze richten zich op de wet in plaats van op de waarheid en de genade. Ze richten zich op de schaduw, op het ritueel, in plaats van op de werkelijkheid. Ze richten zich op uiterlijkheden in plaats van op innerlijke realiteit. Ze richten zich op aardse dingen in plaats van op de hemelse.

CONCLUSIE:

De argumenten waarmee wordt geprobeerd om te bewijzen dat wij als christenen nog steeds de sabbat moeten houden, zijn verre van overtuigend en kunnen allemaal weerlegd worden. De verwarring onder christenen die denken dat ze de sabbat moeten houden heeft te maken met het gebrekkig onderscheiden van: (1) Israël en de gemeente. De inzettingen die God heeft opgelegd aan Israël in het verbond van Mozes zijn niet automatisch toe te passen op de gemeente van het NT. (2) De verschillende perioden of bedelingen waarin God handelt. Zo is er met de dood van Christus een verandering van Wet gekomen (Heb.7:12). Christus is het einddoel van de Wet (Rom.10:4).

5. Is de zondag gekomen in plaats van de sabbat?

Tot slot willen we graag nog even ingaan op de vraag of de zondag er gekomen is in plaats van de sabbat. Het enige juiste antwoord daarop is NEE. Nergens kun je in de Bijbel terugvinden dat de zaterdag vervangen werd door de zondag. Beide dagen hebben dan ook hun eigen onderscheiden betekenis. Zaterdag -de zevende dag- is duidelijk verbonden met het beëindigen van de oude schepping (Gen.2:1-3). Zondag -de eerste dag- viert de opstanding en de nieuwe schepping in Christus. Christenen zijn een nieuwe schepping (2Kor.5:17). De sabbatdag was ook een gedenkdag van wat de Heer gedaan had onder het oude verbond, de verlossing uit de slavernij van Egypte. De eerste dag van de week is een gedenkdag van wat God gedaan heeft onder het nieuwe verbond, de verlossing uit de slavernij van de zonde door Zijn volbrachte werk op het kruis en de opstanding uit de dood. De zondag is dan ook geen sabbat, het is ook geen verplichte feestdag, en het is ook geen specifieke rustdag. Soms wordt wel eens ten onrechte beweerd dat een paus of keizer Constantijn in zijn Zondagswet van 321 n.C. de sabbat voor de christenen gewijzigd zou hebben in de zondag. In 321 heeft Constantijn de christenen inderdaad de zondagswet gegeven, maar zij hielden zich toen al meerdere eeuwen aan deze eerste dag. Reeds omstreeks het begin van de tweede eeuw werd de viering van de zondag als dag van eredienst alom gepraktiseerd buiten het land Israël. Deze eerste dag was immers de dag van de opstanding. Wat werkelijk veranderde door Constantijn is dat deze dag nu ook echt een verplichte rustdag werd. Het werd dus voor de christenen alleen maar makkelijker om -zoals toen al eeuwen gebruikelijk was- op deze dag samen te komen. Omdat ze nu niet langer meer moesten werken op zondag konden ze voortaan ook gewoon overdag samenkomen i.p.v. ’s-avonds. Wij kunnen alleen maar dankbaar zijn voor de zegen dat we op zondag kunnen samenkomen en dat het voor ons geen werkdag is; maar de eerste christenen moesten wel gewoon werken. In de Bijbel is de eerste dag van de week een gewone werkdag. Er is geen enkele reden om de zondag als een heiliger dag te beschouwen dan een andere. Dat de christenen van het eerste uur op de eerste dag van de week zijn gaan samenkomen is een gewoonte geworden, maar het is geen voorschrift of gebod. In het samenkomen op zondag volgen evangelische christenen simpelweg de gewoonte van de eerste christenen, zonder dat ze dit samenkomen verbinden met de sabbat. Het zijn in Rom.14:5 de zwakken die de ene dag boven de andere stellen, voor de sterken zijn alle dagen gelijk. De zondagswet was dus geen anti-Joods initiatief zoals door sabbatvierders vaak beweerd wordt. Al ver voor Constantijn de Grote toen het Romeinse rijk nog heidens was, is aan te tonen dat christenen op de eerste dag bijeenkwamen. Dat er ook Joodse christenen waren die ook de sabbat hielden was vooral om duidelijk te maken dat ze de band met hun volk niet wilden doorsnijden. Paulus zegt zelf ook dat hij niets heeft gedaan tegen zijn volk of de voorvaderlijke gewoonte (Hand.28:17). Op de sabbat ging hij dan ook naar de synagoge, maar op de eerste dag naar de christenen uit de heidenen. Deze heidenen wisten dat de Joden de sabbat hielden, maar onderhielden de sabbat zelf niet. De sabbat is nog steeds de sabbat en zondag is gewoon een andere dag; het is de dag dat Jezus is opgestaan uit de dood. De zondag is dus geen christelijke versie van de sabbat of zo. De Heer Jezus heeft geen wetten ingesteld voor Zijn volgelingen dat ze voortaan sabbat moesten houden op zondag. De sabbat is een dag van volkomen rust, maar de zondag is dit niet. Het enige wat de Bijbel ons laat zien is dat de zondag de dag is waarop de gelovigen van oudsher samenkomen om de dood en opstanding van de Heer Jezus te herdenken. Woorden als zondagsrust of zondagsheiliging komen in de Bijbel dan ook niet voor. Er zijn geen verplichtingen op zondag voor christenen zoals dat wel het geval is voor Joden op sabbat.

P.S.:  Ik zou er nog iets aan willen toevoegen. Er worden in de Nieuwtestamentische brieven tenminste zeven lijsten van zonden gegeven, en niet eenmaal, ik herhaal, niet eenmaal wordt sabbatschending vernoemd, hetgeen toch heel wonderlijk is. In het O.T. werden sabbatschenders gestenigd. Voor die lijsten zie: Rom.1:28-32; 1Kor.5:9-11; Gal.5:19-21; Ef.4:25-32; Col.3:5-10; 1Tim.1:8-10 en 2Tim.3:1-5.

Bronnenlijst:

•Koekkoek, H.G. (2013), Moeten christenen de sabbat houden? Alphen aan den Rijn: Stichting Het Licht des Levens

•Brown, M.L. (2007), Zestig vragen van christenen over opvattingen, gebruiken & tradities binnen het Jodendom. AB Doorn: Het Zoeklicht

•Ouweneel, W.J. (2011), De Kerk van God II, ontwerp van een historische en praktische ecclesiologie. Heerenveen: Medema

•Ouweneel, W.J. (2001), Hoe lief heb ik uw Wet, de eeuwige Torah tussen Oude en Nieuwe Verbond. Vaassen: Medema

•Moeten Christenen de Sabbatsdag in ere houden? Geraadpleegd 03 juli 2017, van https://www.gotquestions.org/Nederlands/Sabbatsdag.html

•De zondagsdwaling? Geraadpleegd 03 juli 2017, van  http://www.eo.nl/magazines/visie/artikel-detail/de-zondagsdwaling/

•Are the Sabbath laws binding on Christians today? Geraadpleegd 03 juli 2017, van https://www.gty.org/library/questions/QA135/are-the-sabbath-laws-binding-on-christians-today

•Why do Christians worship on Sunday instead of Saturday, the Sabbath? Geraadpleegd 03 juli 2017, van https://www.gty.org/library/questions/QA32/why-do-christians-worship-on-sunday-instead-of-saturday-the-sabbath

•Fischer, R. Gelovigen worden betoverd door de Hebreeuwse Wortels Beweging. Geraadpleegd 03 juli 2017, van http://www.verhoevenmarc.be/PDF/Hebrew-Roots.pdf

•Geelhoed, A. Wat zegt de Bijbel over de sabbat? Geraadpleegd 03 juli 2017, van http://www.toetsalles.nl/htmldoc/sabbat.ha.htm

•Arlandson, J. Hoe Jezus Christus het oude testament vervult. Een analyse van Matteüs 5:17-20. Geraadpleegd 03 juli 2017, van http://www.answering-islam.org/Dutch/arlandson/jezusoudetestamentvervult.htm

•Moet een christen de zondag of de sabbat houden? Geraadpleegd 03 juli 2017, van http://www.deboodschap.org/websiteIII_bestanden/sabbat.htm

•Bijbel getoetste kritiek op 119 ministries, Geraadpleegd 03 juli 2017, van http://www.rejoicenow.nl/page/119-ministries

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Genesis, Exodus en Leviticus in vogelvlucht

 

 

Inleiding

‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’ (Joh.5:17). Ik ga ervan uit dat, de Heer Jezus door dit te zeggen, doelt op het verlossingsplan dat God voor de in zonde gevallen mens voorzien had. Dat ‘werk’ is begonnen onmiddellijk ná de zondeval en is tot een einde gekomen toen de Heer Jezus aan het kruis uitriep: ‘Het is volbracht!’ (Joh.19:30). In het zgn. Hogepriesterlijk gebed heeft de Heer Jezus het gezegd met de woorden: ‘Het werk wat U Mij te doen hebt gegeven Ik voleindigt’ (Joh.17:4).

In de eerste drie boeken van de Bijbel, Genesis, Exodus en Leviticus kunnen we, van dat plan van God met betrekking tot de mens, al de contouren zien. In het boek Genesis lezen we over de schepping van de mens en diens val en daarmee onmiddellijk verbonden de aankondiging van een toekomstige Verlosser (Gen.3:15). God verlaat zijn handelingen met het mensdom door uit alle volken Abraham te roepen met wie Hij grote plannen heeft en waardoor Hij het volk Israël uit liet voortkomen. De geschiedenis van Jozef verklaard hoe het volk in Egypte is terechtgekomen. We bevinden ons dan in het boek Exodus en lezen over Mozes die het volk bevrijdde uit de macht van de farao en ze op weg bracht naar het beloofde land. Ook in Exodus lezen we over de oprichting van de tabernakel, want God kwam in het midden van het volk wonen. Maar hoe kon een zondig volk met Hem gemeenschap hebben? Daarover lezen we in Leviticus over de beschrijving van de offers. Het probleem van de zonde kon niet opgelost worden tenzij door het bloed van de offers, dat heen wijst naar het Lam van God, de Heer Jezus. Leviticus spreekt ook over het priesterschap en de zegen die klaar ligt voor hen die God willen gehoorzamen en dienen.

Genesis

De geschiedenis van de mensheid en van Israël

Wanneer we beginnen met het lezen van het boek Genesis zullen we ontdekken dat de eerste elf hoofdstukken erg beknopt zijn in de beschrijving van de gebeurtenissen, terwijl de rest van het boek uitvoerig en gedetailleerd ingaat op de gebeurtenissen van de vier hoofdpersonen: Abraham, Jakob, Isaak en Jozef. Het eerste gedeelte van Genesis (1-11) gaat over de algemene geschiedenis van de mensheid en de intrede van de zonde, terwijl het tweede gedeelte in het bijzonder gaat over het ontstaan van het volk Israël. Dit geeft aan dat het de bedoeling van het boek Genesis is om het begin van het ontstaan van de mens en de intrede van de zonde te verklaren, en tevens Gods heilsplan met betrekking tot de gevallen mens en het volk Israël. Eigenlijk is een van de hoofdthema’s van het boek Genesis de goddelijke verkiezing.

We beginnen met ‘de hemel en de aarde’ maar dan gaat het verder over de aarde en niet over de hemel; vanaf dan is het onderwerp Gods plan met betrekking tot de aarde. Omdat Gods keuze naar de aarde uitgaat, gaat Hij voorbij om het ontstaan van de engelen (ook de gevallen) te beschrijven en kiest ervoor om met de mens te handelen. Van Adams vele zonen, kiest God Set (4:25). Van Sets nakomelingen (Gen.5) kiest God Noah (6:8), en van Noachs nakomelingen Sem (11:10), Tenach (11:27) en tenslotte Abraham (12:1). De verkiezing van Abraham brengt een verandering in Gods handelen teweeg, namelijk: van toen af ‘liet God de volkeren op hun eigen wegen gaan (Hand.14:16, 17:30; Rom.1:24, 26, 28) en kiest hij uit die volken Abraham met wie Hij verder gaat in het ontsluiten van zijn heilsplan. Abraham had veel kinderen, maar Isaak is de uitverkorene (21:12). Isaak had twee zonen, Jakob en Esau, en God kiest Jakob om de ontvanger van zijn zegen te zijn. Dit laat ons Gods uitverkiezing zien. Geen een van de vermelde personen verdiende deze eer; zoals het ook is voor alle gelovigen, want ook hun verkiezing is door Gods genade tot stand gekomen. Samen met Gods uitverkiezing laat Genesis ons verder Gods kracht en uitzonderlijke voorzienigheid zien. De mens is ongehoorzaam aan God en twijfelen aan Hem, toch zegeviert Gods plan en komt Hij tot zijn doel met de mens. Was dit plan van God gefaald in het boek Genesis, dan zou eeuwen later geen Messias in Bethlehem geboren geweest zijn.

Exodus

Gods macht en verlossing – Gods gerechtigheid en heiligheid - Gods genade en herstel

Genesis is het boek waar alles mee begon; Exodus is het boek van de verlossing. Het boek vermeld hoe het volk geleidelijk aan in de macht is gekomen van de farao die hen slecht behandelde en onderdrukte. Niet moeilijk om in te zien dat de gevallen mens geleidelijk aan steeds meer een slaaf van de zonde wordt. Uit die macht van de farao kon het volk Israël zichzelf niet redden en er moest dan ook een Verlosser komen. Ook de in zonde gevallen mens kan zichzelf niet redden, vandaar dat Heer Jezus in deze wereld is gekomen om de satan (de farao) te verslaan en ons uit zijn macht te verlossen (Kol.1:13; 2:15). Zo is Mozes dan als verlosser voor Israël gekomen. Naast de verlossing van het volk uit Egypte, vinden we in Exodus het ontvangen van de Wet en de daarbij behorende handelingen. Deze zaken geven ons een beeld van de verlossing die Christus aan het kruis heeft verworven. Er zijn veel typen en symbolen van Christus en de gelovige in Exodus, speciaal in de dienst en ceremonies behorende bij de dienst aan de tabernakel. Het is moeilijk allerlei nieuwtestamentische onderwerpen te begrijpen zonder het boek Exodus te raadplegen.

Zoals gezegd, God bevrijdde het volk van de slavernij, maar die verkregen vrijheid moet leiden tot gehoorzaamheid, die op haar beurt zal resulteren in verheerlijking van God. Gescheiden van aanbidding, glijdt vrijheid af naar wetteloosheid en gehoorzaamheid wordt onderdrukking. ‘Als de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn’ (Joh.8:36). Maar ook de vrijheid in Christus moet leiden tot dienstbaarheid, niet tot anarchie. We zijn wel vrijgemaakt van de Wet van Mozes, maar we mogen die vrijheid niet gebruiken als een aanleiding voor het vlees (Gal.5:13). We zijn dan wel vrij van de Wet van Mozes, maar onderworpen aan de Wet van Christus (Gal.6:2).

Leviticus

Gods oplossing voor de zonde - Het Priesterschap - Gods beloften voor zegen

Genesis beschrijft de zondige mens en zijn veroordeling, terwijl Exodus het boek van de verlossing is. Leviticus handelt met betrekking tot afzondering en gemeenschap. Exodus beschrijft hoe het volk uit Egypte was geleid en in de Sinaï was gekomen, maar in Leviticus spreekt God van de tabernakel (Lev.1:1) en legt uit hoe een zondige mens in gemeenschap met God kan wandelen. Het woord ‘heilig’ en ‘heiligheid’ komen we meer dan tachtig keer tegen in dit boek. Het eerste gedeelte van het boek behandelt de offers, omdat we niet tot God kunnen naderen dan door bloed. Het woord ‘bloed’ vinden we achtentachtig keer in het boek Leviticus.

Het tweede gedeelte van Leviticus gaat over de wet op reinheid, en geeft aan hoe het volk in heiligheid dient te leven om God te behagen. God had het volk bevrijd van de slavernij; nu wenste Hij het volk te zien wandelen tot zijn eer in reinheid en heiligheid. Wanneer we gered zijn door het bloed van het Lam en bevrijd zijn van de slavernij van de wereld, dan behoren we te wandelen in gemeenschap met God (1Joh.1:5-10). We hebben het bloed van Chrishtus nodig, het Volmaakte Offer, om ons te reinigen van de zonden, en we dienen ons te onderwerpen aan Gods Woord en in reinheid en heiligheid te wandelen in deze tegenwoordige boze wereld. Dit alles wordt weergegeven in typen en beelden in Leviticus.

_______________________________________________________________