Vragen Algemeen 2

 

In deze rubriek zijn de volgende vragen opgenomen:

 

 

 

Wat met de opstandingen in Mattheüs 27?

Heeft Mozes God gezien?

Kan God berouw hebben?

Wie doodde Goliath?

Wat met het huwelijk van Abraham en Ketura?

Boet iedereen voor zijn eigen zonden?

Wat hoorden Paulus' reisgenoten?

Met hoeveel personen trok Jakob naar Egypte?

Waarom is Matthias als apostel aangesteld?

Was Judas aanwezig bij de instelling van het Avondmaal?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Opstanding van ontslapen heiligen

 

 

 

 

Vraag: Om welke heiligen gaat het in Mattheüs 27:52-53?

‘En de graven werden geopend en vele lichamen van ontslapen heiligen werden opgewekt; en gingen uit de graven na zijn opwekking en kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen’.

Antwoord

Deze vraag kunnen we ook niet rechtstreeks vanuit Gods Woord beantwoorden. We moeten door afleiding trachten een antwoord te vinden.

Denken we er aan, dat de opstanding van deze mensen als een bevestiging van de opstanding van Christus bedoeld is, dan is het aannemelijk te veronderstellen dat het gaat om gelovigen, die de inwoners van Jeruzalem aan wie ze verschenen bekend moeten zijn geweest. Natuurlijk kunnen het ook heiligen uit de oude dag zijn geweest, waarbij God dan – net als op de berg der verheerlijking – door innerlijke verlichting duidelijk maakte wie ze waren. Dan echter is het tekenend karakter minder duidelijk.

Door de uiterste kortheid van deze passage en het gebrek aan parallelle voorvallen blijven we met meer vragen dan antwoorden zitten.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

Heeft Mozes God gezien?

 

 

 

 

 

 

Vraag: Spreekt de Bijbel zich niet tegen wanneer het de ene keer zegt dat Mozes sprak met de Here van aangezicht tot aangezicht terwijl iets verderop de Here zegt dat niemand zijn aangezicht kan zien?

Bedoeld zijn de volgende Bijbelteksten:

‘En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend; dan keerde’ (Ex.33:11)

en

‘Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.’ (Ex.33:20)

Antwoord:

Dit is niet de enige plaats in de Bijbel waar men een contradictie tussen verschillende Bijbelteksten meent te vinden en ook is Mozes ook niet de enige die Here van aangezicht tot aangezicht heeft gezien want ook Jakob spreekt van zo’n ontmoeting. ‘En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’ (Gen.32:30).

Daar staan een aantal andere Bijbelteksten tegenover die zeggen dat ‘niemand God kan zien’.  ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard’ (Joh.1:18). ‘Hij die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan’ (1Tim.6:16). ‘Niemand heeft ooit God aanschoud. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en Zijn liefde is in ons volmaakt’ (1Joh.4:12).

 

Er is echter geen sprake van een contradictie. Twee van deze zogenaamd tegenstrijdige teksten staan namelijk vlak achter elkaar, in hetzelfde verhaal: Exodus 33:11 en 33:20. Kennelijk vond de auteur van deze passage het niet vreemd om in vers 11 te schijven dat Mozes met God sprak ‘van aangezicht tot aangezicht’, om vervolgens Gods uitspraak te citeren dat niemand ooit Gods gezicht kan zien. In Exodus 33:11-23 verdient vers 18 onze speciale aandacht, want daar vinden we de verklaring waarom God in vers 20 zegt dat Mozes zijn aangezicht niet kan zien. In vers 18 vraagt Mozes God immers om zijn heerlijkheid (of glorie) te mogen zien. We mogen zulke teksten natuurlijk nooit tegen elkaar uitspelen, maar moeten ze beide tot hun recht laten komen.

 

Wat heeft Mozes en ook anderen dan gezien wanneer we lezen: ‘En zij zagen de God van Israël’ en zij aanschouwden God en zij aten en zij dronken’ (Ex.24:10,11). We moeten beseffen, dat het bij zulke uitdrukkingen gaat om standaarduitdrukkingen.’ Van aangezicht tot aangezicht’ betekent: direct, zonder tussenkomst van een ander. Daarom hoeven deze uitspraken in Ex.33 niet inhouden dat ze Gods aangezicht aanschouwden of God werkelijk zagen. Ook Deut.4:12,15 maakt duidelijk dat de Israëlieten niet God zelf hebben gezien, maar slechts de verschijning van Zijn heerlijkheid, Zijn afstraling. Johannes 14:9 geeft wellicht de oplossing voor dit probleem want in de toekomst zal de heerlijkheid van God in de Heer Jezus geopenbaard zijn. ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’. ‘Opdat ze mijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was’ (Joh.17:24,5). Als er met het oog op de toekomst sprake is van het zien van God dan kunnen we ons voorstellen dat het betekend dat we Hem zien en Zijn heerlijkheid in de persoon van de Jezus Christus. Christus is immers ‘de uitstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr.1:3).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

 

 

Kan God berouw hebben?

 

 

 

Vraag: Kan God berouw hebben?

Nadat Saul had gefaald om de Amalekieten uit te roeien, was het God die tegen Samuël zei: ‘Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld’ (1Sam.15:11). Maar in 1Sam.15:29 zegt Samuël tegen Saul: ‘Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben’. Hoe kan in de ene passage God zeggen dat Hij berouw heeft terwijl een paar verzen verderop vermeld staat dat Hij geen berouw kent? Is de Bijbel hier niet met zichzelf in tegenspraak? Kan God berouw hebben of niet?

Antwoord

De verklaring die God aan Samuël gaf, betekent nog niet dat God toegaf of van gedachten veranderde, maar dat God diep emotioneel verdriet uitte over Sauls falen en de moeite die het Israël zou toebrengen. God koos Saul uit om koning te worden in Israël om bepaalde opdrachten uit te voeren waarvoor Saul geschikt was. Spijt hebben van een actie die moest worden genomen, is een ervaring die we allemaal wel eens hebben gehad. God verandert eigenlijk niet van gedachten, maar Hij ervaart wel diep emotioneel verdriet over de dingen die mensen (verkeerd) doen. Als we aannemen dat de Bijbel Gods Woord is, is het niet aannemelijk dat het zichzelf zou tegenspreken. Zelfs in een niet-geïnspireerd geschrift zou het vreemd zijn als iemand zich op eenzelfde bladzijde zou tegenspreken. Er moet met deze verzen dus iets anders aan de hand zijn. Welnu vers 11 bevat een reactie van God over het optreden van Saul, waarbij God als het ware op zijn beslissing zou terugkomen en de verkiezing van Saul zou willen ‘terugdraaien’. Maar in dat opzicht kent God geen berouw. Hij hoeft nooit terug te komen op Zijn beslissingen. Met vers 35 moet dus wat anders bedoeld zijn dan dat God op menselijke wijze berouw zou hebben, omdat het zo verkeerd afgelopen was met Saul. Berouw hebben betekent in dit geval dat iets je niet onbewogen laat, maar dat het je aan je hart gaat. Dat moet met vers 11 bedoeld zijn.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Wie doodde Goliath?

 

 

 

 

Vraag: 1 Samuël 17:50 zegt dat David Goliat doodde maar in 2 Samuël 21:19 staat dat Elchanan de zoon van de Betlehemiet Jaär-Oregim dat heeft gedaan. Wie is het nu?

Teksten:

‘Toen de Filistijn tot de aanval overging en al nader kwam, David tegemoet, haastte David zich en snelde op de slagorde toe, de Filistijn tegemoet, stak zijn hand in de tas, nam er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong, en hij voorover ter aarde viel. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij versloeg de Filistijn en doodde hem; en David had geen zwaard in zijn hand. David snelde toe, bleef bij de Filistijn staan, greep diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Hij hieuw hem het hoofd ermee af’ (1Sam.17:48-51).

‘Opnieuw was er strijd met de Filistijnen te Gob; en Elchanan, de zoon van de Betlehemiet Jaäre-Oregim, versloeg de Gatiet Goliat, die een speer had met een schacht als een weversboom’ (2Sam.21:19).

‘Opnieuw was er strijd met de Filistijnen, en Elchanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broeder van de Gatiet Goliat, die een spies had met een schacht als een weversboom’ (1Kron.20:5).

Antwoord:

1 Samuël 17:50 zegt dat David Goliath’s hoofd afsloeg met zijn eigen zwaard, nadat hij hem geveld had met een slinger en een steen. Maar 2Sam.21:19 zegt in de Masoretische tekst dat ‘Elchanan de Gatiet Goliath versloeg. Zoals deze de tekst weergeeft is het duidelijk in tegenspraak met 1Sam.17. Gelukkig hebben we 1Kron.20:5 die uitkomst biedt door te zeggen dat Elchanan de broer van de Gatiet Goliath versloeg. Het is heel waarschijnlijk dat de Masoretische vertaling van 2Sam19 het gevolg is van een fout van de overschrijver. Met andere woorden, in de passage in 2Sam.21 is een aantoonbare fout van de overschrijver waar te nemen. Het voert te ver om in het kader van dit artikel daarop in te gaan Het Oude Testament dat in de tijd van Ezra en Nehemia gereedkwam werd samengesteld door de Sopherim, die het Oude Testament nauwkeurig bestudeerden en met de uiterste zorg kopieerden. Masoreten waren joodse geleerden wiens taak het was de heilige tekst te voorzien van leestekens en klinkers.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het huwelijk van Abraham en Ketura

 

 

 

 

 

‘En Abraham nam wederom een vrouw, Ketura geheten. En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. En Joksan verwekte Seba en Dedan. En de zonen van Dedan waren de Assurieten, de Letusieten en de Leümieten. En de zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaä. Deze allen waren de zonen van Ketura. Abraham nu gaf alles wat hij had aan Isaak, maar aan de zonen van de bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken, en hij zond hen, nog bij zijn leven, weg van zijn zoon Isaak, oostwaarts, naar het Oosterland’ (25:1-6). Het mag ons vreemd voorkomen dat Abraham nog kinderen kon verwekken omdat de Schrift ons leert dat zijn eigen lichaam al afgestorven was (Rom.4:19; Heb.11:12). Elders wordt Ketura Abrahams bijvrouw genoemd (1Kron1:32) en zo’n vermelding is alleen maar zinvol wanneer Sara nog in leven was. De vermelding dat Abraham ‘wederom’ een vrouw nam kan ook vertaald worden als ‘weer’ een vrouw, of ‘nog’ een vrouw.

Waarom wordt dan deze vermelding van Ketura dan toch vermeld na de dood van Sara? Ik geloof dat het gedaan is om de typologische uitleg in het boek Genesis in stand te houden. We zien in Genesis 21 de geboorte van Isaak als type van de Heer Jezus. In hoofdstuk 22 het lijden, sterven en de opstanding van Isaak als type van de Heer Jezus. In hoofdstuk 23 het sterven van Sara als type van de terzijdestelling van het volk Israël. In hoofdstuk 24 de uitzending van de knecht Eliëzer als type van de Heilige Geest; de roeping van de bruid; als type van de Gemeente; het gaan naar de bruidegom; als type van de opname van de Gemeente. En tenslotte in hoofdstuk 25 het tweede ‘huwelijk’ van Abraham als type van het herstel van het volk Israël.

(Zie voor de typologische uitleg ook mijn artikel: ‘Zo gingen die beiden tezamen’ deel 8 in de rubriek: Leven van Abraham)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Boet iedereen voor zijn eigen zonden?

 

 

 

‘Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen?’

(Genesis 18:23)

 

 

Vraag: Is er geen onrechtvaardigheid bij God wanneer onschuldigen worden gedood om de zonde van iemand anders? Ieder zal toch om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden? Ik denk hierbij aan de dood van Korach en de anderen.

Aangehaalde Bijbelteksten:

‘Toen trokken zij weg uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram, en Datan en Abiram traden naar buiten en stonden aan de ingang van hun tenten met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen. Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden. Maar, indien de Here iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Here gesmaad hebben. Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have. Zo daalden zij, met al de hunnen, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen’ (Deut.16:27-33).

‘De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood gebracht worden; ook zullen de kinderen niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden’ (Deut.24:16).

Voorbeelden van uitzonderingen op de regel dat een ieder voor zijn eigen zonden zal geoordeeld worden:

(1) De dood van het kind dat uit David en Batseba geboren was (2Sam.12:15-23).

(2) De dood van Achan en zijn familie en bezittingen (Joz.7:25-26).

(3) Het oordeel over Korach, Datan en Abiram hun familie en de helpers (Num.16:20-35).

(4) De Gibeonieten en het huis van Saul (2Sam.21:1-14)

(5) De volkstelling door David (2Sam.241:17 en 1Kron21:1-17).

(6) De grootste uitzondering is wel de Heer Jezus Christus die om uw en mijn zonden is gestorven.

Antwoord:

De normale gang van zaken (sorry voor deze wijze van uitdrukken!) wordt verwoord in Deut.24:16: ‘Een ieder zal voor zijn eigen zonde ter dood worden gebracht’ zoals ook uit onderstaande teksten blijkt.

‘In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden. Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden’ (Jer.31:29-30; Ez.18:1-20).

‘Zodra hij het koningschap vast in handen had, doodde hij de dienaren die zijn vader, de koning, hadden gedood. Maar de kinderen van de moordenaars bracht hij niet ter dood, overeenkomstig hetgeen geschreven staat in het wetboek van Mozes, waar de Here geboden heeft: De vaders zullen niet om de kinderen ter dood gebracht worden, ook zullen de kinderen niet om de vaders ter dood gebracht worden; maar ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden (2Kon.14:5-6).

Hoewel dit geldige principe van handelen met een persoon ten opzichte van zijn of haar eigen daden norm is, komt in de Schrift duidelijk naar voren dat God altijd nog het recht behoudt in bijzondere omstandigheden daarop uitzonderingen te maken.  

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Wat hoorden Paulus’ reisgenoten?

 

 

Vraag: Wat hebben de reisgenoten van de apostel gehoord? De ene tekst zegt dat ‘zij wel de stem hoorden’, maar een andere tekst zegt ‘maar de stem die hoorden zij niet’!

‘De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen’ (Hand.9:7).

‘Zij nu die met mij waren, zagen wel het licht, , maar de stem van Hem die tot mij sprak, hoorden zij niet’ (Hand.22:9).

Antwoord:

In de twee verslagen die de apostel Paulus geeft van zijn bekering op de weg naar Damascus schijnen er tegenstrijdigheden te zijn. In het Grieks is er echter geen sprake van tegenstrijdigheden omdat het Grieks verschil kent tussen een geluid horen als een geluid en een stem verstaan als gesproken woorden.

Wanneer we dan de twee uitdrukkingen samenvoegen, zien we dat Paulus’ reisgenoten de stem hoorden als een geluid, maar ze konden de boodschap niet verstaan zoals Paulus dat wel kon.

Dit kan men vergelijken met wat we vinden bij Jezus’ rede over zijn dood in het Johannes evangelie: ‘Er kwam dan een stem uit de hemel: Ik heb Hem verheerlijkt én Ik zal Hem opnieuw verheerlijken. De menigte dan die daar stond en dit had gehoord, zei dat er een donderslag was geweest. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Jezus antwoordde en zei: Niet om Mij is deze stem er geweest, maar om u’ (Joh.12:28-30).

We zien een parallel met wat de reisgenoten zagen. In de ene tekst ‘zagen ze niemand’ en in de andere tekst ‘zagen ze wel het licht’.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Met hoeveel zielen trok Jakob naar Egypte?

 

 

 

Vraag: Hoe groot was het aantal zielen dat met Jakob naar Egypte trok? In Genesis staat zeventig maar in Handelingen vijfenzeventig?

Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig’ (Gen.46:27; Deut.10:22).

‘En Jozef zond hen weg en riep zijn vader Jakob bij zich en al zijn verwanten, totaal vijfenzeventig zielen’ (Hand.7:14).

Antwoord:

Dit verschil in aantallen heeft alles te maken met welke vertaling gebruikt wordt, de Masoretische Hebreeuwse tekst of de Septuaginta de Griekse vertaling van het Oude Testament, en welke telling men aanhoudt. In elke geval betekent het niet dat de Bijbel zich tegenspreekt.

Stefanus maakt gebruik van Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, omdat het Grieks bij zijn joods publiek in gebruik was. De Septuaginta geeft in Exodus 1:5 dan ook het getal van vijfenzeventig personen aan in tegenstelling tot de Hebreeuwse tekst die zeventig personen vermeld. De Dode Zee rollen, die in het Hebreeuws zijn opgesteld, komen overeen met de Septuaginta.

De Masoretische tekst geeft in Genesis 46:26-27 het getal van zesenzestig personen aan maar rekent de vrouwen van de zonen van Jakob niet mee. Met de twee zonen van Jozef die in Egypte waren geboren kwam het totaal op zeventig.

De Septuaginta zegt dan weer dat er zesenzestig personen naar Egypte trokken. De zonen van Jozef Manasse en Efraïm kregen negen zonen, waarmee het totaal op vijfenzeventig kwam. De vijf kinderen van Efraïm en Manasse worden vermeld in 1Kron.7:14vv.

Beide getallen, zeventig of vijfenzeventig zijn correct het hangt ervan af of Jozefs kleinkinderen in de telling zijn begrepen of niet.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De aanstelling van Matthias als apostel.

 

 

 

 

Vraag: Een vraag regelmatig aan de orde komt bij de bespreking van het boek Handelingenstaat in verband met de aanstelling van de twaalfde apostel Matthias, die Judas moest vervangen nadat hij was afgeweken en naar zijn eigen plaats was gegaan.

De kern van de vraag zouden we als volgt kunnen omschrijven: ‘Was deze keuze en aanstelling mensenwerk of was het Gods werk?’ en nog: ‘Had niet Paulus aangewezen moeten worden in plaats van Matthias?’

Om maar met het laatste te beginnen, want die is het meest gemakkelijk te beantwoorden.

1e. Paulus was toen nog niet bekeerd.

2e. Paulus voldeed niet aan de voorwaarden vermeld in Handelingen 1:21-22.

3e. Paulus is persoonlijk door de Heer Jezus geroepen en aangesteld (Hand.9:1-19; 26:16-18; 1Kor.1:1)

4e. Paulus was door God aangewezen als apostel van de heidenen (volkeren) de onbesnedenen (Gal.2:7-9), deze aanstelling was dus niet met het oog op het  volk Israël.

5e. In 1Kor.15:5 spreekt Paulus over het feit dat de Heer Jezus aan de twaalvenverschenen is, dit sluit hem zelf uit. Het moet dan wel Matthias zijn geweest want Judas heeft nooit de opgestane Heer gezien want hij was al gestorven.

De tweede vraag: ‘Was de aanstelling en de procedure tot die aanstelling mensenwerk of Gods werk?’ moeten we leren zien in licht van het koninkrijk voor Israël dat toen nog hersteld zou kunnen worden (Hand.3:17-21). Aan de apostelen was beloofd dat ze op twaalf tronen zouden zitten (Mat.19:27-28; Lk22:30).  Daarom was het (toen) nodig dat er na de dood van Judas een ander moest komen. Dit was geen verzinsel van Petrus en de andere broeders (1:15) maar op grond van duidelijke profetieën, zoals Psalm 41:10 en 69:26. Na raadpleging van het Woord God, gebed en het werpen van het lot wees God Matthias aan.

Na de dood van Jacobus, in Handelingen 12, was een plaatsvervanger niet meer nodig omdat de terzijdestelling van Israël toen definitief was.

De redenering dat er later van Matthias niets meer vernomen is niet doorslaggevend als onderbouw voor de visie dat zijn aanstelling slechts mensenwerk was, want behalve van Petrus en Paulus vinden we ook van de overigen van de oorspronkelijke twaalf apostelen niets meer terug in het NT.

Met betrekking tot het werpen van het lot moeten we niet denken aan ‘strootjes trekken’ of iets dergelijks, maar het gebruik van de Urim en Tummim zoals voorgeschreven in het oude testament (Lv8:8; 1Kron.26:13; Ezra 2:63; Neh.7:65; Ex.28:15; 1Sam.28:6). Spreuken 16:33 zegt daarvan: ‘Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing daarvan is van de Here.’ Dus geen mensenwerk! (Vgl. Jona 1:7)

1 De vermelding van ‘de twaalven’ wordt sommige uitleggers gezien als een technische term (zie ook Joh.20:24). Hoewel dit mogelijk kan zijn, is ook bovenstaande visie mogelijk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX