Biografieën Nieuwe Testament

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Aquila en Priscilla - Een reisverslag

Apollos uit Alexandrië

Petrus - Tussen twee vuren

Stefanus - De eerste martelaar

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

'De lotgevallen van Aquila en Priscilla’

Een reisverslag

 

Inleiding

Als we de lotgevallen van Aquila en Priscilla in dit artikel nagaan, komen we tot de ontdekking dat echtparen veel voor het evangelie kunnen betekenen, ook al denken veel mensen dat het niet zo is. Ze vergissen zich en dat blijkt wel uit het leven van Aquila en Priscilla!

In de brieven van Paulus vinden we steeds Prisca (Rom.16:3; 1Kor.16:19; 2Tim.4:19) in plaats van de verkleinvorm Priscilla, zoals we die in het boek Handelingen vinden (Hand.18:2,18,26). Het valt ook op dat Priscilla vaak vóór Aquila wordt genoemd, hetzij omdat zij eerder tot geloof kwam, hetzij omdat zij meer ijver betoonde of, zoals sommigen denken, dat ze van voorname afkomst was. Aquila is volgens Handelingen 18:2 een Jood uit Pontus, een provincie in het noordoosten van Klein-Azië, ten zuiden van de Zwarte Zee. De afkomst van Priscilla is onbekend. Herhaaldelijk ‘duiken’ ze in verschillende Bijbelboeken en plaatsen op in het Nieuwe Testament en in dit artikel willen we hun ‘lotgevallen’ nagaan. We zullen ontdekken dat het echte ‘globetrotters’ waren, waaruit we de conclusie mogen trekken dat er in die tijden veel gereisd werd. Maar ook dat zij de gelovigen en de gemeente van God veel diensten hebben bewezen en veel mensen tot groot nut zijn geweest.

Ballingschap

De voorvaderen van Aquila en Priscilla behoorden tot die Joden die ooit in ballingschap zijn weggevoerd; wanneer en welke weten we niet. De eerste deportatie was in 597 v.Chr. (Jer.52:30; 2Kon.24; 25), een tweede in 586 v.Chr. en een derde in 581 v.Chr., steeds in opdracht van Nebukadnezar. Een aantal jaren daarvoor, in 732 v.Chr., hadden de Assyriërs het tienstammenrijk Israël in ballingschap doen gaan. De Chaldeeën deden hetzelfde met de inwoners van Juda. In 2Koningen 15:29 lezen we dat Tiglatpileser en na hem Sargon II de bewoners van het tienstammenrijk in ballingschap hadden weggevoerd. In zijn annalen noemt Sargon II een getal van 27.290 inwoners van Samaria die hij gevangen maakte. In de loop van de tijd hebben Joden zich over de toenmalige wereld verspreid. Op zijn zendingsreizen gaat de apostel Paulus dan ook altijd eerst naar de synagoge om het evangelie te verkondigen: ‘Eerst de Jood, dan de Griek’ (Rom.1:16). We komen de Joden en hun synagogen dan ook overal tegen in het verslag van het Nieuwe Testament, uiteraard in het land Israël maar ook ver daarbuiten, zoals in Damascus, Salamis, Thessalonika, Berea, Efeze, Korinthe enz. Het was voor Paulus één van de voordelen in de verkondiging van het evangelie! Andere voordelen waren de Pax Romana, de infrastructuur waardoor snel reizen mogelijk was en er goede verbindingen waren met de grote steden, en de eenheid van taal. God had als het ware zijn weg voorbereid. 

Pontus

Aquila kwam uit Pontus (Hand.18:2) en dat is ook de naam waarnaar de apostel Petrus verwijst in zijn eerste brief: ‘Petrus, apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen in de verstrooiing in Pontus’ (1Petr.1:1). In de tijd van de apostelen woonden er ook christenen in Pontus, dat behoorde tot de Romeinse provincie Galatië-Kappadocië en aan de zuidkust van de Zwarte Zee lag. Of Aquila en Priscilla toen reeds christenen waren is niet bekend. Op een bepaald moment is Aquila (en Priscilla?) naar Rome vertrokken, waarom en wanneer weten we niet. Waren ze al een echtpaar of hebben ze elkaar in Rome leren kennen? Waren ze al christenen of zijn ze dat in Rome of Korinthe geworden? Dat Aquila een Jood genoemd wordt, zegt niet of hij Christus al dan niet kende, het geeft alleen zijn afkomst weer, zoals we dat ook bij Apollos zien, die ook een Jood genoemd wordt (Hand.18:24). Hebben ze de apostel Petrus nog gekend of ontmoet tijdens hun tweede verblijf in Rome (Rom.16:3-5) na hun vertrek uit Efeze (zie hieronder)? Zoals bekend is Petrus vermoedelijk ook in die tijd in Rome geweest. Volgens de overlevering is hij daar in 64 als martelaar gestorven. Vragen waarop we het antwoord schuldig moeten blijven, omdat we niet voldoende gegevens hebben om daar iets met zekerheid over te kunnen zeggen.

Rome

Aquila en Priscilla moesten Rome verlaten vanwege het edict van Claudius, die regeerde van 41–50, en ze vertrokken naar Korinthe. Dit moet omstreeks het jaar 49 of 50 n.Chr. zijn geweest. Suetonius Gaius Suetonius Tranquillus (70-125), een Romeins biograaf, cultuurhistoricus, jurist en hoge ambtenaar uit de keizertijd, schreef een biografie van de Romeinse keizers. Hij beschrijft in zijn ‘Over de levens van de keizers’ het leven van Claudius en vermeldt daar wat mogelijk de oorzaak was van dit edict om de Joden uit Rome uit te wijzen. Hij verwijst naar de constante rellen van de Joden op instignatie van ene Chrestos. Mogelijk is de naam Chrestos een verwijzing naar Christus. Mogen we dit vertrek van Aquila en Priscilla vanuit Rome naar Korinthe zien als ‘voorzienigheid’ van God? Want als Paulus later in Korinthe aankomt, vindt hij daar logies bij hen, die hetzelfde beroep uitoefenden als hij!

Korinthe

Priscilla en Aquila zijn in het jaar 49 of 50 in de stad Korinthe aangekomen, waar ze onderdak verleenden aan de apostel Paulus tijdens diens tweede zendingsreis; beide mannen waren tentenmakers van beroep (Hand.18:3). Het is niet duidelijk of de apostel Paulus bij hen onderdak genoot omdat zij christenen waren; meer voor de hand ligt dat hij naar hen toe ging omdat zij van hetzelfde beroep waren. Mochten Aquila en zijn vrouw nog geen christenen geweest zijn, dan is het zeer aannemelijk dat ze het door de dienst van Paulus geworden zijn. Door Paulus onderdak te geven, gaven Aquila en Priscilla blijk van gastvrijheid, een belangrijke gave! (Hebr.13:1). Anderhalf jaar hebben ze geen engel gehuisvest (Heb.13:1), maar een apostel van de Heer. En waar zullen ze in die tijd met elkaar over gesproken hebben? Over Paulus zijn dagelijkse verkondiging in en buiten de synagoge, over de tegenstand van de Joden, over de doop van Crispus - de overste van de synagoge - en veel andere Korinthiërs? En hadden Aquila en Priscilla ook niet het grote voorrecht dat ze met al hun vragen rechtstreeks toegang hadden tot Paulus? In ieder geval kwam dit hen goed van pas toen ze Korinthe verlieten omdat Paulus na een verblijf van een jaar en zes maanden naar Efeze wilde gaan; Aquila en Priscilla vergezelden hem naar deze stad. Dit moet ongeveer in het jaar 52 zijn geweest. Onderweg, in Kenchrea, liet Paulus zich het hoofd scheren vanwege een gelofte en hij kwam in Efeze, waar hij Aquila en Priscilla achterliet en na enige tijd afscheid nam en naar Caesaréa en Antiochië ging.

Efeze

Zij trekken dus met Paulus naar Efeze, de stad vanwaar zij met Paulus groeten naar Korinthe zenden (1Kor.16:19). Priscilla en Aquila zijn een echtpaar dat niet alleen een belangrijke plaats en rol in het leven van de apostel Paulus heeft gehad, en omgekeerd, maar ook in dat van Apollos. Want het echtpaar komt met hem in aanraking tijdens een bezoek aan de synagoge (Hand.18:26). Apollos, die uit Alexandrië kwam, is waarschijnlijk in aanraking geweest met de leer van Johannes de Doper en gedoopt geweest. Hij wist dat Jezus de Messias was en was op de hoogte van diens leven hier op aarde en de wonderen die hij had gedaan. Maar van Jezus’ dood en opstanding wist hij niets en ook had hij geen kennis van de heilige Geest. Gelukkig ontmoette hij in Efeze Aquila en Priscilla die, dankzij het genoten onderwijs van de apostel Paulus tijdens hun verblijf in Korinthe, in staat waren hem de weg van God nauwkeuriger uit te leggen. Dat deden ze niet in het publiek, maar bij hen thuis. Dat getuigt van wijsheid en tact; ze wilden hem niet openlijk aanvallen of verbeteren. Het is opmerkelijk en het strekt hem tot eer dat hij, een geleerd man, zich door hen liet onderwijzen. ‘Toen hij nu naar Achaje wilde doorreizen, moedigden de broeders hem aan en schreven aan de discipelen aldaar hem te ontvangen’ (18:27). Aan de opbouw van het lichaam van Christus heeft Apollos een grote bijdrage geleverd (Ef.4:11). Want als we het opgegeven Schriftgedeelte overlopen, dan zien we dat hij zijn gaven en talenten rijkelijk heeft gebruikt in Efeze en Korinthe (19:1), maar ook in Kreta (Tit.3:13). In de gemeente te Korinthe wordt er zelfs een zekere voorkeur aan Apollos gegeven boven anderen (1Kor.1:12), hoewel dat niet tot verdeeldheid leidde. De apostel Paulus suggereert zelfs een samenwerking wanneer hij zegt: ‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven’ (1Kor.3:6). Toch moet Apollos geliefd en invloedrijk zijn geweest in de gemeente te Korinthe omdat Paulus hem later vraagt naar Korinthe te gaan, wat hij echter niet onmiddellijk doet (1Kor.16:12).

Wanneer Paulus, na zijn reis door Galatië en Frygië, weer in Efeze komt, hebben Priscilla en Aquila een gemeente bij hen aan huis (1Kor.16:19). In de drie jaar dat Paulus te Efeze blijft, staan ze hem bij. Zowel Paulus als de niet-joodse gemeenten zijn hen zeer dankbaar (Rom.16:3; 1Kor.16:19).

Rome

Na hun verblijf in Efeze zijn Aquila en Priscilla weer teruggekeerd naar Rome. In het jaar 54 wordt Claudius I door zijn vrouw vermoord en haar zoon Nero bestijgt de troon. Nero was de vijfde Romeinse keizer, van 54 tot 68. Hij was de zoon van Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Agrippina de jongere en via haar verwant aan Gaius Julius Caesar Octavianus. Hij beriep zich erop een bet-achterkleinzoon van keizer Augustus te zijn. Kennelijk kunnen de Joden dan weer naar Rome terugkeren, want Aquila en Priscilla moeten dan weer te Rome zijn geweest, omdat Paulus in 57 de brief aan de Romeinen schrijft en hij laat Priscilla en Aquila en de gemeente bij hen aan huis hartelijk groeten (Rom.16:3-4). Paulus schrijft nog dat zij ‘voor zijn leven hun hals gewaagd hebben’ (Rom.16:4). Waar, wanneer en op welke manier dat is gebeurd weten we niet.

Ze moeten deze stad ook weer hebben verlaten, omdat Paulus hen – volgens 2Tim.4:19 – uit Rome groet. Dit tweede vertrek uit Rome moet gebeurd zijn omstreeks de tijd dat keizer Nero regeerde. Een grote brand in 64 verwoestte een groot deel van Rome. Hoewel de keizer niet in de stad was en veel deed om het leed te verzachten en de wederopbouw ter hand te nemen, deden (waarschijnlijk valse) geruchten de ronde dat hij zelf tot de brand opdracht had gegeven - vanwege het mooie schouwspel, of om plaats te maken voor een groot paleis. Hij wentelde de verdenking van zichzelf af door de christenen de schuld te geven van de grote brand. Moesten Aquila en Priscilla tijdens hun eerste verblijf Rome verlaten omdat ze Joden waren, tijdens hun tweede verblijf zijn ze vermoedelijk Rome ontvlucht omdat ze christenen waren.

Efeze

Maar ook Rome heeft het echtpaar weer verlaten, want als Paulus zijn tweede brief aan Timotheüs schrijft laat hij hem de groeten overbrengen aan ‘Prisca en Aquila en het huis van Onesífores’ te Efeze (2Tim.4:19). Hier stopt de verslaggeving van het Nieuwe Testament met betrekking tot de lotgevallen van Aquila en Priscilla. Hun laatste reis was naar de stad die God voor hen bereid had, het hemelse Jeruzalem (Heb.11:16), waar ze met Paulus eeuwig mogen genieten van de aanwezigheid van de Heer die ze zo veel jaren trouw hebben gediend. In hun dienst aan God konden Aquila en Priscilla terugzien op een gezegende dienst. Ze hadden gastvrijheid getoond, gemeenten in hun huis gehad, voor Paulus hun hals gewaagd, Apollos onderwezen en verder geholpen, bereidheid getoond om voor de Heer te reizen. Naar schatting hebben ze tijdens hun leven in totaal 8877 kilometer afgelegd, waarvan 1164 op zee, en een groot gedeelte daarvan voor de zaak van de Heer. Een voorbeeld dat navolging mag kennen!

‘Want zo zal u in rijke mate de toegang worden verleend tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus’ (2Petr.1:11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

 Apollos uit Alexandrië

Handelingen 18:23-28

 

 

‘En een Jood nu genaamd Apollos, van geboorte een Alexandrijn, een welsprekend man, kwam in Efeze; hij was machtig in de Schriften. Deze was onderwezen in de weg van de Heer, en vurig van geest sprak en leerde hij nauwkeurig de dingen betreffende Jezus, hoewel hij alleen de doop van Johannes kende. En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. Toen Priscilla en Aquila hem hadden gehoord, namen zij hem met zich mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. Toen hij nu naar Achaje wilde doorreizen, moedigden de broeders hem aan en schreven aan de discipelen hem te ontvangen. Daar aangekomen, was deze door de genade de gelovigen tot grote steun, want krachtig weerlegde hij de Joden in het openbaar door uit de Schriften te bewijzen dat Jezus de Christus is.

Inleiding

Van Apollos is niet meer bekend dan dat hij een jood was afkomstig uit Alexandrië. Hij moet op een ons niet bekende manier met het onderwijs van Johannes de doper via diens discipelen in aanraking zijn gekomen en werd een vurig verkondiger van, en predikte hij ook Jezus. We weten ook niet hoe en waarom Apollos de stad Efeze bezocht. Maar wat we wel van hem weten is voldoende om daar enige aandacht aan te besteden. Het is opvallend dat er weinig biografieën over Apollos zijn, hierbij dan een poging aan die leemte een einde te maken. Toch is Apollos een groot werktuig in Gods hand geweest om de gelovigen te bemoedigen en te versterken. Ook al was zijn kennis beperkt omdat hij niet op de hoogte was van de dood van Jezus en de opstanding, was dat toch geen belemmering om vol overtuiging Gods Woord te verkondigen. Hij handelde naar hetgeen hij wist en daarin is hij ook voor ons een voorbeeld. Gelukkig kwam hij in Efeze in aanraking met Aquila en Priscilla en werd het tekort aan kennis aangevuld.

Naast Handelingen 18:23-28 wordt zijn naam verder nog vermeld in de volgende teksten: Hand.19:1; 1Kor.1:12; 3:4,5,6,11,22; 4:6; 16:12 Tit.3:13.

Priscilla en Aquila

Dit echtpaar heeft niet alleen een belangrijke plaats en rol in het leven van de apostel Paulus gehad, maar ook in dat van Apollos. Het waren joden die afkomstig waren uit Pontus een plaats die ook de apostel Petrus vermeld in zijn eerste brief. In de tijd van de apostelen woonden er ook christenen in Pontus dat behoorde tot de Romeinse provincie Galatië-Kapadocië aan de zuidkust van de Zwarte Zee lag. Hoe het echtpaar in Rome terecht was gekomen weten we niet, in elk geval moesten zij Rome verlaten op bevel van keizer Claudius vermoedelijk in het jaar 49 (18:2). Claudius was na Augustus de vierde keizer van het oude Rome van 41 tot 54. Priscilla en Aquila zijn dan terecht gekomen in de stad Korinthe waar ze onderdak verleenden aan de apostel Paulus; beiden waren tentenmakers van beroep (Hand.18:3). In 52 maken Priscilla en Aquila samen met Paulus de oversteek van Korinthe naar Efeze (Hand.18:18). Paulus gaat vanuit Efeze eerst op reis naar Jeruzalem, terwijl Priscilla en Aquila te Efeze blijven. Daar ontmoeten ze Apollos die nader onderricht in het onderwijs van het christelijk geloof krijgt van hen. Als Paulus weer in Efeze komt, hebben Priscilla en Aquila een gemeente bij hen aan huis (1Kor.16:19). In de drie jaar dat Paulus te Efeze blijft staan ze hem bij, en zetten zelfs hun leven voor hem in de waagschaal. Zowel Paulus als de niet-joodse gemeenten zijn hen zeer dankbaar (Rom.16:3; 1Kor.16:19; 2Tim.4:19). In het jaar 54 wordt Claudius I door zijn vrouw vermoord, haar zoon Nero bestijgt de troon. Kennelijk kunnen de joden dan weer naar Rome terugkeren, want als Paulus in 57 de brief aan de Romeinen schrijft, laat hij Priscilla en Aquila en de gemeente bij hen aan huis hartelijk groeten (Rom.16:3-4).

Apollos – de persoon

Er is uiteraard geen betere prediker van het evangelie geweest dan de Heer Jezus, want de mensen hingen aan zijn lippen wanneer Hij tot hen sprak (Luk.19:48). De grote menigte hoorde Hem graag wanneer woorden van genade uit zijn mond kwamen (Mark.12:37; Luk.4:22). De apostel Paulus werd door de Korinthiërs beschuldigd dat zijn spreken verachtelijk was (2Kor.10:10). Paulus zelf zegt, ironisch bedoeld geloof ik, ‘ik ben een onkundige in het spreken’ (2Kor.11:6). Om de heiligen toe te rusten en de gemeente op te bouwen heeft God sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars en aan die opbouw van het lichaam van Christus heeft Apollos een grote bijdrage geleverd (Ef.4:11). Want als we het opgegeven Schriftgedeelte overlopen dan zien we dat hij zijn gaven en talenten rijkelijk heeft gebruikt in Efeze en Korinthe (19:1) maar ook in Kreta (Tit.3:13). In de gemeente te Korinthe wordt er zelfs een zekere voorkeur aan Apollos gegeven boven anderen (1Kor.1:12) hoewel dat niet tot verdeeldheid leidde. De apostel Paulus suggereert zelfs een samenwerking wanneer hij zegt: ‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven’ (1Kor.3:6). Toch moet Apollos geliefd en invloedrijk zijn geweest in de gemeente te Korinthe omdat Paulus hem later vraagt naar Korinthe te gaan, wat hij echter niet onmiddellijk doet (1Kor.16:12).

Apollos die uit Alexandrië kwam, is mogelijk met de leer van Philo in aanraking gekomen, die leefde van 20 v.Chr. – 40 n.chr. Deze introduceerde het platonisme in het judaïsme. We weten niet of Apollos door Philo is beïnvloed, wel is waarschijnlijker dat hij in aanraking is geweest met discipelen en de leer van Johannes de doper en gedoopt is geweest. Hij wist dat Jezus de Messias was en was op de hoogte van diens leven hier op aarde en de wonderen die hij had gedaan. Maar van Jezus’ dood en opstanding wist hij niets en ook had hij geen kennis van de heilige Geest. Gelukkig ontmoette hij in Efeze Aquila en Priscilla die hem de weg van God nauwkeuriger uitlegden, dat deden ze niet in het publiek, maar bij hen thuis. Dat toont van wijsheid en tact; ze wilden hem niet openlijk aanvallen of verbeteren. Het is opmerkelijk en het strekt hem tot eer dat hij, een geleerd man, zich door hen liet onderwijzen. De weergave van de (Herziene) Statenvertaling dat Apollos ‘nauwkeurig de zaken van de Heere’ onderwees, dient gelezen te worden als: dat hij ‘nauwkeurig leerde de dingen betreffende Jezus’ (18:25). ‘Toen hij nu naar Achaje wilde doorreizen, moedigden de broeders hem aan en schreven aan de discipelen aldaar hem te ontvangen’ (18:27). Hier vinden we een bevestiging van het gebruik van zogenaamde ‘aanbevelingsbrieven’ (2Kor.3:1; Rom.16:1).

Apollos – zijn dienst

In Mattheüs 25:14-15 spreekt de Heer Jezus over talenten en bekwaamheid. ‘Want het is als een mens die buitenlands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. En de één gaf hij vijf talenten, de andere twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid, en hij ging terstond buitenlands.’ Onze tekst geeft voldoende gegevens om meer te weten te komen over Apollos’ zijn persoon en werk; dus laten we maar eens zien over welke bekwaamheid en talenten hij de beschikking had.

Apollos was welsprekend of geleerd man

We mogen ervan uitgaan dat Apollos een natuurlijke bekwaamheid had om zich gemakkelijk te uiten, zijn gedachten te formuleren en over te brengen. Sommige vertalingen spreken van een ‘geleerd’ man in plaats van een welsprekend iemand en dat duidt erop dat hij geschoold was; tenslotte kwam hij uit de stad Alexandrië in Egypte waar tussen ca. 300 v.Chr. en 117 n.Chr. een vrij grote joodse gemeenschap was. Deze concentreerde zich vooral in het Deltakwartier en nog een andere wijk, hoewel ook daarbuiten synagogen stonden en dus Joden woonden. Denken we maar aan de Septuagint of Septuaginta, vaak afgekort tot LXX (70 in Romeinse cijfers), de Griekse vertaling van de Tenach of Hebreeuwse bijbel, die tussen circa 250 en 50 v.Chr. hoogstwaarschijnlijk door joden uit Alexandrië werd vertaald.

Apollos was machtig in de Schriften

Maar Apollos had niet alleen zijn natuurlijke bekwaamheid maar ook talenten en één daarvan was zijn kennis van het Oude Testament. Hij was machtig in de Schriften gelijk Mozes die ook ‘machtig was in woorden werken’ (Hand.7:22). Met andere woorden hij had niet alleen een grote bijbelkennis maar ook inzicht in het Oude Testament. Het Woord van God woonde rijkelijk in hem (Kol.3:16); hoe is dat met ons, zijn wij ook machtig in de Schriften en neemt het Woord ook ons hart in beslag? Apollos vertoonde dezelfde gezindheid als vroeger Ezra van wie vermeld wordt ‘dat hij zijn hart had gericht, om de wet des Heren te onderzoeken en te volbrengen’ (Ezr.7:10).

De kennis van het Oude Testament en de Heer Jezus had Apollos heel waarschijnlijk van discipelen van Johannes de doper gekregen (Mat.14:12; Luk.11:1) die in Alexandrië terecht waren gekomen, want ‘hij was onderwezen in de weg van de Heer en leerde nauwkeurig de dingen betreffende Jezus’ (18:25). Het is duidelijk dat het voor Apollos boven alla twijfel verheven was dat de Heer Jezus de beloofde Messias was en dat zijn kennis van het Oude Testament hem daartoe op weg hebben geholpen. Apollos onderzocht de Schriften; want die waren het, die van Jezus getuigden (Joh.5:39) en kan dat niet gezegd worden van het hele Oude Testament? (Luk.24:25-27, 45).

Apollos was vurig van geest en vrijmoedig

Van de apostel Paulus lezen we dat hij vrijmoedig sprak en de mensen overreedde betreffende het koninkrijk van God (19:8). Paulus was wellicht wat meer dwingend in zijn benadering naar de mensen toe dan Apollos, maar beiden waren ze gedrongen om het Woord van God te verkondigen. ‘Wee mij als ik het evangelie niet verkondig!’ (1Kor.9:16). Het is wel zeker dat het in die tijd niet altijd gemakkelijk was om Gods Woord te verkondigen in de synagogen vaak was er grote tegenstand, dat had de Heer Jezus al ervaren (Luk.4:28-30; 2Kor.11:24; 1Thes.2:14-16). Vandaar dat de apostel Paulus oproept tot gebed: ‘Bid ook voor mij, opdat mij het woord gegeven wordt bij het openen van mijn mond, om met vrijmoedigheid het geheimenis van het Evangelie bekend te maken’ (Ef.6:19). Naast vrijmoedigheid dienen we ook ‘vurig van geest’ te zijn of enthousiast zoals sommigen het vertalen. Enthousiasme is aanstekelijk en kan dienen om de mensen te overtuigen van de echtheid van onze boodschap. Zijn wij nog enthousiast in de verkondiging van het evangelie?

Apollos leerde nauwkeurig de dingen betreffende Jezus

De derde zendingsreis van de apostel Paulus moet plaats hebben gevonden van 54-58 n.Chr. In deze tijd komt Paulus te Korinthe in aanraking met Apollos. Het moet dus al ruim twintig jaar geleden zijn dat de Heer Jezus was gekruisigd en opgestaan en dat de heilige Geest was uitgestort, en toch was Apollos, toen hij in Efeze verbleef, daarvan niet op de hoogte. Was hij nooit eerder in aanraking met christenen gekomen en waren Priscilla en Aquila de eersten? Apollos’ onderwijs was niet onnauwkeurig of onoprecht maar onvolledig. Het is maar goed dat Priscilla en Aquila in de synagoge aanwezig waren en goed hebben geluisterd naar wat Apollos te vertellen had en tot de ontdekking kwamen dat er aan zijn onderwijs het een en ander ontbrak. Het ‘en laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen’ leverde zijn vruchten op (1Kor.14:29). Ze liepen niet boos uit die samenkomst weg maar ‘namen hem met zich mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit’. Wellicht namen ze hem mee om hem ook onderdak te verschaffen, zoals ze dat eerder ook met Paulus hadden gedaan (18:3). Als dat zo is dan kunnen we daaruit leren hoe belangrijk het kan zijn om gastvrijheid te verlenen, ‘want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest’ (Hebr.13:2). Priscilla en Aquila konden Apollos zijn gebrek aan onderwijs verhelpen omdat ze, daar mogen we wel van uitgaan, zelf door de apostel Paulus waren onderwezen tijdens zijn verblijf in Korinthe (18:4).

Apollos in Achaje

Ik kan mij zo voorstellen dat Apollos nu, met de nieuwe opgedane kennis, nog meer gemotiveerd was dan voorheen om Gods boodschap te verkondigen. Het Woord was ‘brandende’ in hem (Luk.24:32) en hij maakte zijn voornemen bekend om naar Achaje te gaan, waar hij de gelovigen in Korinthe tot grote steun was. Door zijn grote kennis van Gods Woord was hij in staat om de joden te weerleggen door te bewijzen dat Jezus de Christus is, iets waartoe de andere gelovigen vermoedelijk niet toe in staat waren (9:22; 17:3; 18:5). Daarom kunnen we hem een apologeet noemen, een verdediger van het christelijke geloof.

We hebben daarover geen verdere gegevens, maar we mogen ervan uitgaan dat Apollos ook Kreta nog heeft bezocht, omdat Paulus Titus verzoekt om Apollos verder te helpen (Tit.3:13).

Tenslotte

Zoals we gezien hebben was Apollos een veelzijdig en ijverig man en mag hij een voorbeeld voor ons zijn in wat hij heeft gedaan en hoe hij heeft geleefd als discipel van de Heer Jezus. Nee, we hebben misschien niet die bekwaamheid en talenten waarover Apollos de beschikking had, daarin verschillen we, maar wat betreft zijn toewijding, enthousiasme, vrijmoedigheid en behulpzaamheid? Daarin hoeven we niet voor hem onder te doen. Om het met de woorden van de apostel Paulus te zeggen: ‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1Kor.11:1).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Tussen twee vuren’

 

Petrus

 

Johannes 18:18 en 21:9

 

 

Inleiding

De persoon van de apostel Petrus spreekt tot ieders verbeelding, zou dat komen omdat we van hem zoveel in onszelf terugvinden? Is het zijn enthousiasme, zijn vaak krachtdadige uitspraken, of is het meer de tragische gebeurtenissen die plaatsvonden in Petrus’ leven die ons aanspreken? Hij had niet alleen zijn hart op de tong, maar ook op de juiste plaats; je wist wat je aan hem had! In zijn toewijding aan de Heer wilde hij zijn leven voor de Heer afleggen (Joh.13:38) en was zelfs bereid met Hem te sterven en Hem niet te verloochenen (Mat.26:35). In zijn ijver voor de Heer overschatte hij zichzelf toen hij tegen de Heer zei: ‘Al zullen allen over U ten val komen, Ik zal nooit ten val komen’ (Mat.26:33). Toch zou Petrus de Heer tot driemaal toe verloochenen (Mark.14:72) en ontkennen dat hij een discipel van de Heer was (Mark.14:71). Hij ging soms onbezonnen te werk toen hij met een zwaard het rechteroor af van de slaaf van de hogepriester afsloeg tijdens de arrestatie van Jezus (Joh.18:10-11). Hij bedacht niet altijd de dingen van God en reageerde daarom soms niet juist (Mat.16:23; Kol.3:1-2). Maar naast die tragische momenten die gebeurden in Petrus’ leven zijn er ook heel mooie uitspraken van hem in de Schrift vermeld die getuigen van zijn grote liefde voor de Heer Jezus. Waren die er niet geweest dan zouden we een vertekend van hem hebben kunnen overhouden. Op de ‘uitnodiging’ van de Heer Jezus om mee te gaan met hen die niet meer met Hem wilden wandelen, reageerde Petrus met de onvergetelijke woorden: ‘Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwige leven. (Joh.6:68). En op de vraag van de Heer: Wie zegt u dat Ik ben? antwoordde Simon Petrus: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mat.16:16). Redenen genoeg om ons te verdiepen in de persoon van de apostel Petrus wat er gebeurde ‘tussen die twee vuren’.

Petrus’ roeping - Lukas 5

‘Bekering is een beslissing die een proces inleidt’

Petrus’ bekering had plaats gevonden doordat zijn broer Andreas hem tot Heer Jezus leidde (Joh.1:42). Deze ontmoeting betekende voor Petrus om vanaf dat moment niet meer te leven naar de begeerten van de mensen, maar de overige tijd in het vlees te leven naar de wil van God (1Petr.4:2). Dat nieuwe leven naar de wil van God kreeg gestalte toen hij geroepen werd tot een fulltime dienst tijdens die wonderbaarlijke visvangst op het meer van Gennézareth (Luk.5:10-11).

Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes hadden de Heer Jezus al een jaar eerder ontmoet (Joh.1:35-42), hadden Hem voor een korte tijd gevolgd, en waren daarna teruggegaan naar hun oude beroep. In Lukas 5:11 roept de Heer Jezus zijn discipelen op om alles te verlaten en Hem te volgen. Het is mogelijk dat zeven van de discipelen vissers waren (Joh.21:2) en wellicht is dat niet zonder reden. Vissers weten hoe ze samen moeten werken, ze geven niet gemakkelijk op, ze zijn moedig en harde werkers. Dat zijn uitmuntende en noodzakelijke kwaliteiten voor discipelen van de Heer zoals later zou blijken tijdens de verspreiding van het Evangelie na de hemelvaart van de Heer want dat ging niet altijd zo gemakkelijk. We lezen dat de discipelen de netten aan het wassen waren voor een volgende vangst, nadat ze de hele nacht dóór zich hadden ingespannen en niets gevangen hadden (Luk.5:5). Door dat te doen toonden ze hun volharding die ze nodig zouden hebben in hun latere dienst als ‘vissers van mensen’!

Ook hier vinden we Petrus weer als woordvoerder van de andere discipelen. Op het voorstel van de Heer Jezus om naar de diepte te varen en daar hun netten uit te werpen antwoordde Petrus: ‘Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen’. Zo geschiedde en zij vingen een grote massa vissen zodat de beide schepen bijna zonken. Hier toonde Petrus zich op zijn best door aan de knieën van de Heer Jezus te vallen te erkennen dat hij een zondig mens was en daardoor Jezus de eer gaf voor deze grote vangst. Als succes je nederig maakt, dan beurt een nederlaag je op. Als succes je ‘opblaast’, dan zal een nederlaag je onderuithalen.

Dat was het begin van Petrus’ loopbaan als apostel voor de besnedenen (Gal.2:7) die begon aan het meer van Gennézareth en eindigde in Rome zoals de profane geschiedenis het wil. Door geloof liet Petrus alles achter en volgde de Heer. De latere belofte van Petrus dat hij bereid was vóór en mét de Heer te willen sterven kwam tot vervulling. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jonger was, gordde jij jezelf en wandelde heen waar jij wilde; maar wanneer je oud zult zijn, zult je je handen uitstrekken en een ander zal je gorden en je brengen waarheen je niet wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor een dood hij God zou verheerlijken aan het einde van zijn loopbaan. En nadat Hij dit had gezegd, zei Hij tot hem: Volg Mij!’ (Joh.21:18-19). Tot dusver had Petrus levende vissen gevangen die dienden als voedsel en stierven, nu zouden ze dode vissen - zondaars - vangen, die zouden leven!

Petrus’ verwijdering

‘Om met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven’ (Hand.11:23).

Petrus die eens aan de knieën van de Heer Jezus had gelegen verwijderde zich steeds meer van Hem. Was hij zich dat bewust? Zoals reeds hiervoor vermeld is de bekering een daad dat leidt tot een proces; namelijk het proces van geestelijke groei. Christus moet gestalte in u en mij krijgen Hij moet meer en ik minder worden; niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij! En dat proces verloopt meestal niet zo gemakkelijk, we hoeven maar te denken aan de gelijkenis van de zaaier en het zaad (Mark.4:1-20). Petrus heeft dat goed begrepen want hij maant de gelovigen om ‘op te groeien in de genade en kennis van de Heer Jezus’ (2Petr.3:18). Waarom zegt hij dat? Tegen planten hoef je niet te zeggen dat ze moeten groeien, dat doen ze gewoon. Bij mensen moet dat echter wel omdat wijzelf de groei kunnen bevorderen of vertragen afhankelijk van onze geestelijke houding. Daardoor kan het door onze foute houding gebeuren dat we de gemeenschap met de Heer Jezus verstoren.

Maar toch, Petrus die ooit tegen de Heer Jezus de woorden gesproken had ‘Ook al moest ik met u sterven, ik zal U geenszins verloochenen’ en ‘Al zullen allen over u ten val komen, ik zal nooit ten val komen’ moest al erg snel ervaren dat hij deze woorden niet waar kon maken. Petrus verwijderde zich geleidelijk aan steeds meer van de Heer Jezus. Toen Petrus door de Heer Jezus geroepen werd had Hij gezegd: ‘Komt achter Mij en Ik zal U vissers van mensen maken’ (Mat.4:19). Maar het duurde niet lang of Petrus liep vooraan; beter gezegd hij liep de Heer Jezus vóór de voeten. De Heer moest tegen hem zeggen: ‘Ga weg, achter Mij!’ (Mat.16:23). Ziet u de verwijdering aankomen? Petrus liep eerst vóór de Heer (Mat.16:23) daarna achter de Heer (Mat.4:19) en tot slot volgde hij de Heer vanuit de verte (Mat.26:58) waarna de verloochening volgt.

Hoe is het met onze relatie met de Heer gesteld? Allerlei zaken kunnen aanleiding zijn of worden tot verwijdering tussen ons en de Heer waardoor we ons zelf en de Heer te kort doen. Dat is de les van Petrus verwijderingen laten we hem ter harte nemen.

Petrus’ verloochening - Het eerste kolenvuur

‘En Petrus zat samen met de dienaren zich te warmen bij het vuur’ (Mark.14:54).

Wanneer je zit in de kring van spotters (Ps.1:1) mag je ervan uitgaan dat je meegesleept wordt in het verkeerde. Door bemiddeling van Johannes verkreeg Petrus toegang tot het voorhof waar de Heer Jezus naar toe was gebracht (Joh.18:15-18) en daar vervoegde hij zich niet bij de Heer maar bij de anderen. Het onvermijdelijke gebeurde, te midden van de slaven en de dienaars verloochende Petrus de Heer driemaal (Luk.22:17,25,26). Hoe was het zover gekomen? Jakobus leert ons dat de zonde niet zomaar uit de lucht komt vallen maar dat er trappen van verval zijn. ‘Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt. Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood’ (Jak.1:14-15).

Er zijn een aantal gebeurtenissen aan te wijzen die hebben geleid tot Petrus’ verloochening van de Heer. Toen de Heer Jezus had gebeden in de hof van Gethsemane: ‘Vader niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde’ had Petrus geslapen (Mark.14:37). Hij was dus niet op de hoogte van de naderende gebeurtenissen. Petrus had eerder op een belangrijk moment in zijn leven geslapen namelijk op de berg der verheerlijking (Luk.9:32) en in het boek Handelingen vinden we hem slapende in de gevangenis; maar daar als een heel andere Petrus en als bewijs van zijn Godsvertrouwen. Verder had hij te veel zelfvertrouwen. ‘Heer, ik ben bereid met u zelfs in de gevangenis en in de dood te gaan’ had hij gezegd (Luk.22:33). Petrus had nog niet geleerd dat hij ‘zonder de Heer niets kon doen’ (Joh.15:5) en kende zijn eigen zwakheid niet. Hij kreeg vrees voor mensen op het moment dat hij zijn eerdere uitspraak, dat hij bereid was met de Heer in de gevangenis te gaan, had kunnen waar maken. ‘Vrees voor mensen spant een strik’ (Spr.29:25).

In Lukas 22:54-62 lezen we het aangrijpend relaas hoe Petrus zijn Heer verloochende. Daar te midden van zijn tegenstanders en spotters, op één van de moeilijkste momenten in het leven van de Heer Jezus, liet Petrus Hem letterlijk en figuurlijk in de kou staan want ‘de slaven en dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen; en ook Petrus stond zich bij hen te warmen’ (Joh.18:18). Aangrijpend is echter de reactie van de Heer Jezus op zijn verloochening: ‘De Heer keerde Zich om en keek Petrus aan’ (Luk.22:61); en Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En toen de haan kraaide herinnerde Petrus zich het woord van de Heer’ Eén blik van de Heer Jezus was voldoende om Petrus tot berouw te brengen, want ‘hij ging naar buiten en weende bitter’ (Luk.22:62).

Petrus’ herstel – het tweede kolenvuur

‘Toen zij dan aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur’ (Joh.21:9).

Hoofdstuk 20:30-31 vormt de eigenlijke afsluiting van het Johannes evangelie, en velen vinden het daarom vreemd dat Johannes het eenentwintigste hoofdstuk er nog aan toevoegt. Er zijn daarvoor drie redenen. Ten eerste er waren geruchten dat de discipel Johannes niet sterven zou en door deze ‘toevoeging’ werden deze geruchten ontkracht. Ten tweede laat het ons zien dat de Here Jezus meerdere keren verscheen aan de discipelen om hen voor te bereiden op de komst van de heilige Geest (zie: Hand.1:2-3). Ten derde moest er een openlijk herstel plaatsvinden van Petrus, die de Heer Jezus verloochend had, waarvan iedereen op de hoogte was, omdat hij daarna zo’n belangrijke plaats zou gaan innemen waarvan kunnen lezen in het boek Handelingen.

Persoonlijk en Openbaar herstel

De roeping van Petrus vond plaats bij het meer, maar ook zijn herstel. Petrus had de Heer Jezus verloochend bij een kolenvuur en hier aan het meer van Gennézareth wordt hij hersteld, ook bij een kolenvuur! Is het niet vreemd dat Petrus zonder enig voorbehoud naar de Heer Jezus gaat, alsof er niets gebeurd was!? (Joh.21:7). Er zijn goede redenen om aan te nemen dat, op grond van een aantal Schriftplaatsen, er al een eerdere ontmoeting tussen de Heer Jezus en Petrus had plaatsgevonden waarbij de dingen die verkeerd waren gegaan uitgesproken zijn geweest. We lezen immers dat de Heer Jezus eerst aan Petrus was verschenen (Luk.24:34; Mark.16:7; 1Kor.15:5). Als dat juist is dan had er vergeving plaatsgevonden en wandelde Petrus terug in het licht; de verbroken gemeenschap was hersteld.

Maar er moest nog iets worden rechtgezet, want de andere discipelen wisten natuurlijk wat er voorgevallen was en zouden zich de vraag hebben kunnen stellen of het nog mogelijk was Petrus zo’n belangrijke taak te geven als apostel van de Heer Jezus naar de besnedenen?

Vandaar dat we in het verdere gedeelte van hoofdstuk 21 het openbaar herstel van Petrus vinden. De Heer hersteld Petrus daar in het openbaar en ter bevestiging geeft hij hem de opdracht de lammeren te weiden en de schapen te hoeden.

Tenslotte

Eén zaak moeten we natuurlijk ook niet mogen vergeten is dat de Heer voor Petrus gebeden heeft! ‘Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden!’ (Luk.22:32). Dat gebed heeft zeker aan Petrus’ herstel bijgedragen. Dat mag elke gelovige die in een soortgelijke situatie komt tot troost en bemoediging zijn. ‘Christus Jezus is het die gestorven is, ja nog meer, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt’ (Rom.8:34).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Stéfanus 

De eerste martelaar

 

 

 

 

 

 

 

‘Er zijn in de hemel geen kroondragers, die hier geen kruisdrager willen zijn.’ (Spurgeon)

 

Inleiding.

Er zijn in het nieuwe testament twee woorden voor kroon: diadema, dat ‘koninklijke kroon, betekend en waarvan het woord diadeem afkomstig is; en stephanos, de ‘overwinnaars- kroon of krans’, waarvan de naam Stefanus afkomstig is. Een kroon (diadema) kun je krijgen of erven, maar de enige manier waardoor je een overwinnaarskroon of krans (stephanos) kunt krijgen is om het te verdienen.

Handelingen 6 en 7 vormen het centrum van de dienst van Stéfanus, een door de Geest vervulde gelovige die door de Heer gekroond zou worden (Openb. 2:10). Hij was trouw tot in de dood en is daarom een goed voorbeeld om te volgen. ‘Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens’ (Openb. 2:10).

Uit het niets komt Stéfanus het Bijbelboek Handelingen binnen lopen zonder dat wij te weten komen vanwaar. Vermoedelijk behoorde hij tot de Grieks spekende joden en men meent dat hij afkomstig zou zijn van Alexandrië, maar daarover zwijgt de Bijbel. Zijn naam wordt slechts zeven keer vermeld in de Bijbel en alle komen ze voor in het boek Handelingen, maar dat betekend niet dat zijn leven zonder betekenis is geweest. Hij was een man vol van de Geest en wijsheid (Hand. 6:3, 10), vol van geloof (6:5) en vol van genade en kracht (6:8). Deze kenmerken vertoonden zich in diverse situaties gedurende zijn korte leven (men zegt dat hij 35 jaar geworden is) als discipel van de Heer Jezus. Je kunt in zijn leven als gelovige een voortschrijding of opklimming opmerken, beginnende van dienaar tot verkondiger en verdediger en tenslotte als voorbidder.

1. Stéfanus de nederige dienstknecht. (Hand. 6:1-7)

De groei van de gemeente in Jeruzalem veroorzaakte ongewild onvoorziene problemen in de verdeling van voedsel en/of financiële ondersteuning, omdat de weduwen van de Grieks-sprekende (Joodse) gelovigen over het hoofd werden gezien. De prediking van het Woord kwam daardoor zelfs in de verdrukking en de apostelen besloten om deze taak over te dragen aan zeven bekwame discipelen, waaronder Stéfanus, omdat hij ook Griekssprekend was. Het was een dienende taak (vs. 2).

Hoewel uit het vervolg van de beschrijving van Stéfanus’ leven blijkt dat hij grote geestelijke gaven bezat, was hij niet onwillig om de laagste plaats in te nemen en andere gelovigen te dienen. Daarin toonde hij zich een waardige navolger van de Heer Jezus, die ook niet gekomen was om Zich te laten dienen, maar om te dienen (Mark. 10:45). Vermoedelijk was het aanbod om de tafels te dienen groter dan dat er behoefte was, in die richting wijzen de woorden ‘en zij kozen’. In de huidige tijd lijkt het er mijn inziens meer op dat er arbeiders te weinig zijn (vgl. Math. 9:37).

Wil men in het koninkrijk van God iets betekenen dan zal men bereid moeten zijn te beginnen met het werk van een dienstknecht te doen. ‘Zijn heer zeide tot hem: Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer’ (Math. 25:23). Ook hier geldt het principe van ‘wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd’ (Math. 23:12). Dat het niet gemakkelijk is om een positie van dienaar in te nemen bleek al toen de discipelen zich onder elkaar afvroegen wie van hen als eerste moest gelden, een vraag die tot op vandaag beantwoord moet worden want de mens is vaak nog niet voldoende veranderd in zijn denken daaromtrent.  De Heer Jezus beantwoordde hen met de volgende woorden: ‘De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar’ (Luk. 22:25-27).

2. Stéfanus de moedige verkondiger. (Hand. 6:8-15)

Stéfanus behoorde tot die kring van mensen die niet kunnen nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben (Hand. 4:20). Prachtige dingen worden hier over Stéfanus gezegd, wie hij was en wat hij deed: vol van genade en kracht, en wonderen en grote tekenen doende. Wat die wonderen en tekenen waren wordt ons niet vermeld, maar er ging van zijn verkondiging zoveel kracht van uit dat het de tegenstand van de religieuze joden opriep. Ze probeerden hem het zwijgen op te leggen maar waren daartoe niet in staat, want zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan (vs. 10). De Heer Jezus had voorzegd dat de discipelen tegenstand en vervolging zouden ondervinden, maar ook: ‘Ik zal u mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan’ (Luk. 21 :15). Hier zien we daarvan het bewijs en dat heeft zich in de loop van de (kerk-) geschiedenis herhaald, telkens wanneer gelovigen in gevangenissen werden overgeleverd en voor koningen en stadhouders ter verantwoording werden geroepen.

Deze joden waren echter nog niet ‘uitgepraat’ want ze stookten, mannen op, ze brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding en brachten valse getuigen ten tonele (vss. 11-13). Waneer we de apostel Paulus volgen op zijn reizen vermeld in het boek Handelingen dan komen we tot de ontdekking dat hij van de joden veel tegenstand heeft gehad in de verkondiging van het Woord (Hand. 13:45; 14:2, 19; 17:5, 13) In de tweede brief aan de Korinthiërs getuigd Paulus daarvan: ‘van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen ontvangen, driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd’ (2 Kor. 11:24). Ze hebben hem, en ook Stéfanus, werkelijk niet gespaard!

Zo kwam het dat Stéfanus voor de joodse Raad werd gesteld, die hem aanstaarden en zijn gezicht zagen als het gezicht van een engel. Wat mogen we daaronder verstaan: ‘het gezicht van een engel’? De vrouw van Manoach zegt dat het gezicht van een engel zeer vreselijk was, maar dat helpt ons niet veel verder (Richt. 13:6). Moeten we misschien meer aan de heerlijkheid van God denken die zich openbaarde zoals bij Mozes, en wilde God misschien zeggen: Stéfanus is niet tegen Mozes, hij  is als Mozes, hij is mijn dienaar (Ex. 34:29-30, 35).

Prediker (Salomo) zegt: ‘De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten’ (Pred. 8:1), Stéfanus had immers gesproken met wijsheid (vs. 10) 

3. Stéfanus de wijze verdediger. (Hand. 7:1-53)

Waar had Stéfanus die grote bijbelkennis opgedaan? In één adem bespreekt hij de geschiedenis van het joodse volk van de roeping van Abraham tot Salomo. Hoe staat het met onze kennis van Gods Woord, zouden wij ook op zo’n manier een overzicht van Gods handelen kunnen geven? Stéfanus’ overzicht begint en eindigt met heerlijkheid (Hand. 7:2, 55).

Wij zien hier Stéfanus in de verdediging voor de joodse Raad. Later zou Judas de gelovigen aansporen ‘om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Jud. vs.3). Drie personen staan in hoofdstuk 7 centraal: de aartsvader  Abraham, Jozef en Mozes. Stéfanus begon met hun aan te spreken over hun eigen afkomst en geschiedenis. Dit hoofdstuk kunnen we in vier thema’s onder verdelen:

Ze begrepen hun eigen geschiedenis niet (7:1-8).

‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is’ (Jes. 46:10). Gods Woord is niet zomaar een bundel verhalen van personen en gebeurtenissen. Neen, het is Gods geschiedenis en het werkt ergens naar toe. Stéfanus begint zijn overzicht met de roeping van Abraham en eindigt met ‘de komst van de Rechtvaardige’ (vs.52). Er zit meer achter die geschiedenissen dan je oppervlakkig zou denken, maar je moet het zien! Dat inzicht ontbrak bij de leiders van het joodse volk. De apostel Paulus wijst hun op deze tekortkoming wanneer hij spreekt over de toepassing van de wet als het gaat over de vrouwen van Abraham, Sara en Hagar. ‘Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen’ (Gal. 4:21-24).

God werkte toe naar de komst van Messias. ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna’ (1 Petr. 1:10-11).

Ze verwierpen door God gezonden profeten (7:9-36).

‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn’ (Math. 23:37). ‘De HERE, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des HEREN zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was’ (2 Kron. 37:15-16). Terecht dat Stéfanus van hen spreekt als ‘hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren’ (Hand. 7:51).

Het is niet zonder reden dat Stéfanus in zijn toespraak tot de joodse Raad spreekt van Jozef en Mozes. Want was deze beide mannen overkomen? Jozef werd door zijn broers verworpen en verkocht naar Egypte. Bij hun eerste komst herkenden zij hem niet, maar bij hun tweede komst maakte Jozef zich aan hen bekend (Hand. 7:13). Mozes overkwam hetzelfde. Bij zijn eerste poging om het volk te bevrijden uit Egypte werd hij afgewezen en vluchtte. Bij zijn tweede komst, veertig jaar later, werd hij wel aanvaard (Hand. 7:34v.). Ook de Heer Jezus werd bij zijn eerste komst verworpen, maar bij de tweede komst (in heerlijkheid) zullen ze Hem aanvaarden en zien Wie ze doorstoken hebben (Zach. 12:10; Math. 24:30; Joh. 19:37). Zels bij de richter Jefta zien we eenzelfde stramien (Richt. 11:1-11). Stéfanus had begrepen dat er nog een toekomst voor het volk Israël in het verschiet lag en kende waarschijnlijk de belofte van een hersteld Israël (Hand. 1:6).

Ze gehoorzaamden de wet niet (7:37-43).

Met de woorden: ‘gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden’ besloot Stéfanus zijn toespraak. (Hand.7:53; Rom. 2:17-23). De Heer Jezus had al eerder zulke woorden tot hen gesproken waarop Hij met de dood werd bedreigt, toen Hij zei: ‘Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet’ (Joh. 7:19). Hetzelfde lot stond nu Stéfanus te wachten.

Ze weerstonden hun God (7:51-53).

‘Gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij’ (vs.51). Uit dit vers krijgen we de bevestiging van de werkzaamheid van de heilige Geest in het Oude Testament.

Van dat verzet (weerspannigheid) tegen de heilige Geest vinden we op twee plaatsen in het oude testament: ‘Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand’ (Jes. 63:10). En: ‘Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba; het verging Mozes kwalijk om hunnentwil, want zij waren tegen zijn Geest weerspannig, en hij sprak onbezonnen met zijn lippen’ (Ps. 106:32).

Dat de heilige Geest nog niet permanent op aarde woonde blijkt wel uit twee teksten in het Johannes evangelie (Joh. 7:39; 16:7) De uitstorting van de heilige Geest in Handelingen 2 zou zonder betekenis zijn geweest als de situatie in het oude testament hetzelfde zou zijn geweest.

Sommige uitleggers hebben het zo gezien dat het volk Israël in het oude testament weerspannig tegen God was, in de evangeliën tegen de Heer Jezus en in het boek Handelingen tegen de heilige Geest. Zo waren ze weerspannig tegen de drie-enige God!

4. Stéfanus de genadige voorbidder / bemiddelaar. (Hand. 7:54-60)

Hoe waar is de uitspraak hier gebleken: ‘Het bloed der martelaren, is het zaad der Kerk’! Stéfanus werd gestenigd maar zijn opvolger stond erbij: Saulus! Saulus, de latere Paulus, is tot grote zegen voor velen van zijn tijdgenoten geweest en door zijn geschriften die in de Bijbel zijn opgenomen ook voor ons.

Wat een groots einde van Stéfanus dat hij toch nog voor zijn vijanden kan bidden: ‘Heer eken hun deze zonde niet toe’. Hierin volgde hij zijn Meester na die gezegd heeft: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luk. 23:34). Zijn taak zat er op en hij ging de heerlijkheid in waar Christus is en ontving de kroon van het leven (Op. 2:10; Jak. 1:12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX