Beknopte Dogmatiek

 

 

 

In de rubriek Beknopte Dogmatiek kunt u naast de dogmatische artikelen ook andere interessante Bijbelse onderwerpen vinden.

 

 

 

 

 

 

Opmerking:

Regelmatig zullen er nieuwe onderwerpern aan deze rubriek worden toegevoegd die in alfabetische volgorde geplaatst zullen worden. 

De artikelen zijn kort en bondig en kunnen dienen als basis voor zelfonderzoek.

 

Onderwerpen:

De doop

De Allegorische Bijbeluitleg

Allegorisch of Letterlijk?

Gods Eigenschappen

Sion

Vergeving

Zekerheid

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Doop

 

 

 

Inleiding

Dat iemand, die een christen is geworden door geloof in de Heer Jezus Christus, gedoopt moet worden, bestaat geen enkele twijfel, de Bijbel, Gods Woord is daar duidelijk over. Tot zover geen probleem, maar er bestaat heel wat verschil van mening in de christenheid over hoe en wanneer iemand gedoopt moet worden. En dat terwijl er gesproken wordt van één Heer, één geloof, één doop! (Ef.4:5). De verwarring is groot! Er zijn christenen die leren dat kinderen gedoopt moeten worden; de zgn. kinderdoop. Anderen leren dat men volwassen moet zijn om gedoopt te worden; de zgn. volwassendoop. De kinderdoop is gebaseerd op een bepaalde denktrent in theologie of kerkleer in plaats van op de Bijbel, zoals bijvoorbeeld de verbondstheologie van Calvijn. Weer anderen leren dat iemand pas gedoopt mag worden nadat hij tot geloof in Jezus Christus is gekomen; de zgn. doop van gelovigen. Deze laatste visie wordt in dit artikel verdedigd.

De kinderdoop

Het is vanuit de Bijbel niet te verdedigen noch aan te tonen dat de doop aan kinderen moet worden toegepast, zoals in de RK-kerk en Protestantse kerken gepraktiseerd wordt. Er is nergens in het Nieuwe Testament een vermelding van het gebruik om kinderen te dopen. Het beroep op enkele plaatsten in het Nieuwe Testament waar gesproken wordt over ‘u en uw huis’ kunnen niet worden aangehaald als bewijs voor de kinderdoop. Bij deze teksten gaat men er van uit dat er ook kleine kinderen bij de verkondiging van het evangelie aanwezig waren. Ze kunnen er best bij geweest zijn, maar er staat dat ze allen tot geloof waren gekomen, en ik neem aan dat daarbij geen kinderen bij waren. (Hand.10:2; 11:14; 16:15, 32,34; 18:8).

Ook de idee dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is vindt geen enkele grond in het Nieuwe Testament. Bij het Joodse volk werd de besnijdenis toegepast als teken van het verbond door God met Abraham gesloten. Trouwens de besnijdenis werd uiteraard enkel toegepast op jongetjes en dat maakt de geestelijke overdracht van dat gebruik naar de kinderdoop niet mogelijk, want dan zouden er geen meisjes als kind gedoopt mogen worden! Men zegt ter verdediging van de kinderdoop: ‘Nu dan de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen’, maar deze uitdrukking vinden we nergens steun in de Bijbel. Trouwens de Bijbeltekst – Kolossers 2:11 – waar men zich op beroept, laat zulk een toepassing ook niet toe.

Het gebruik van het opdragen van kinderen in de gemeente wil niet zeggen dat deze door die handeling behouden zijn. Met beroept zich op de brief aan de Korinthiërs: ‘Want de ongelovige man is geheiligd door zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door haar man. Anders waren immers uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig’. Het woordje ‘heilig’ hier slaat op ‘afgezonderd’ zijn, niet op de behouden. Het afgezonderd betekent mijns inziens dat deze kinderen het voorrecht hebben om in een gezin op te groeien waar het evangelie wordt beleden. Het is ook niet juist, hoe goed bedoeld ook - bijvoorbeeld als dank aan God voor het geschonken nieuwe leven - het opdragen van kleine kinderen in de gemeente te vervangen door de (mogelijke latere) doop. ‘Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen’ ook hier geen vermelding van kinderen. (Hand.8:12).

De doop van gelovigen

Zoals hierboven uiteengezet lezen we nergens in de Bijbel een voorbeeld waar een kind wordt gedoopt, wel dat de doop wordt toegepast op gelovigen. ‘Wie geloofd heeft en gedoopt is zal behouden worden’.  ‘En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat u dopen…’. Doorheen het hele Nieuwe Testament worden zondaars opgeroepen zich te bekeren en zich te laten dopen: ‘En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de heilige Geest ontvangen’. Verder: Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt’ (Hand.2:38,41). ‘Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16). De zendingsopdracht door de Heer Jezus gegeven aan de elf discipelen luidt: ‘Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen, hen dopend tot de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leer hen alles te bewaren wat Ik u heb geboden’ (Mat.28:19).Wanneer we dan ook zeggen dat we mensen dopen in antwoord op de verkondiging van het Evangelie de Heer Jezus hebben aangenomen, hebben we het getuigenis van Gods Woord aan onze kant. Maar ook het het Griekse woordje baptistès dat onderdompelen betekent.

De wijze van dopen

Er wordt door de voorstanders van de kinderdoop gezegd dat het niet mogelijk is geweest dat er drieduizend gelovigen op één dag konden worden gedoopt, zoals vermeld in het boek Handelingen (Hand.2:41). Iedereen die wel eens in Jeruzalem is geweest weet dat dat geen probleem geweest hoeft te zijn want wie de opgravingen van Bethesda heeft bezocht weet dat er water en ruimte genoeg was. Anderen zeggen dat de hier vermelde doopplechtigheid niet doelt op de waterdoop maar op de doop in de heilige Geest (Hand.2:1-4). Hoe het ook zij, wij geloven dat de doop dient te worden voltrokken door onderdompeling. Toen de Heer Jezus gedoopt werd lezen we: ‘Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water’ (Mat.3:16; Mark.1:10). Van de Ethiopische kamerling die door de evangelist Filippus werd onderwezen en gedoopt lezen we: ‘En zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hen’ (Hand.8:38). Lydia werd door de apostel Paulus gedoopt bij een rivier waar hij dacht dat er een gebedsplaats zou zijn. Dus ook hier een gelegenheid om te dopen door onderdompeling! (Hand.16:11-15). Meerdere keren wordt in de evangeliën vermeld dat Johannes de doper bij of in de rivier de Jordaan doopte (Mat.3:6,13; Mark.1:5; Joh.1:28).

Betekenis van de doop

Het is niet zo dat de doop zonden afwist of dat men door gedoopt te zijn behouden wordt. De apostel Petrus zegt over de betekenis van de doop dit: ‘Het tegenbeeld de doop, die niet is een afleggen van onreinheid van het vlees, maar een vraag voor God van een goed geweten, door de opstanding van Jezus Christus’ (1 Petr.4:21). Uit de beschrijving van de prediking van Filippus in Samaria leren dat de doop op zich genomen niet geen behoudenis inhoudt, dat is door het geloof! (Ef.2:8). Simon de tovenaar geloofde zelf ook en nadat hij gedoopt was, bleef hij voortdurend bij Filippus; en toen hij de tekenen en grote krachten zag die er gebeurden, stond hij versteld (Hand.8:13). Maar uit de rest van het verhaal moeten we toch vaststellen dat hij geen echte gelovige was! (8:18-24).

Je kan zeggen dat de doop een uiterlijk teken is van wat er vanbinnen, in het hart, is gebeurt! De doop wordt gezien als een begraven worden met Christus. ‘Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen’ (Rom.6:3-4). ‘Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan’ (Gal.3:27). ‘In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het vlees, in de besnijdenis van Christus, met Hem begraven in de doop. In Hem bent u ook mee opgewekt door het geloof in de werking van God, die Hem uit de doden heeft opgewekt’ (Kol.2:11-12).

Geloven, bekeren, dopen en onderhouden al wat Ik u geboden heb! De doop is een nieuw begin, je treedt toe tot het koninkrijk van Christus. Je komt in een bevoorrechte positie; Gered om te redden, was vroeger een slogan van het Leger des Heils. De brief aan de Efeziërs zegt het zo: ‘Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef.2:10). ‘Opdat wij in nieuwheid van leven zouden wandelen’ (Rom.6:4).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 De Allegorische Bijbeluitleg

 

Inleiding

De oudste methode van bijbeluitleg is de letterlijke, of grammatisch-historische. Algemeen is aanvaard dat het begin van de interpretatie begon bij de terugkeer van de Joden uit de Babylonische ballingschap in de tijd van Ezra. ‘Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de Here aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid van de mannen en de vrouwen en van hen die het konden begrijpen. Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. De schriftgeleerde Ezra stond op een houten verhoging, die men voor die gelegenheid gemaakt had. En naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja; en aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zekarja, Mesullam. Ezra opende dus het boek ten aanschouwen van het gehele volk, want hij stond hoger dan het gehele volk. En zodra hij het boek opende, stond het gehele volk op. Ezra loofde de Here, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de Here neder met het gelaat ter aarde. En Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten gaven het volk onderricht in de wet, terwijl het op zijn plaats bleef staan. Zij lazen namelijk uit het boek, uit de wet Gods, duidelijk voor en gaven uitlegging, zodat men het voorgelezene begreep.

Het rabbinisme, de joodse leer zoals die door de rabbijnen is voorgeschreven, paste ook de letterlijke methode toe. Hoewel ze soms tot verkeerde conclusies kwamen, was het niet de fout van de letterlijke methode, maar de verkeerde toepassing van die methode. In de tijd van de Heer Jezus was de letterlijke methode de methode van interpretatie. Misschien is een van de sterkste bewijzen voor de letterlijke methode wel het gebruik dat het Nieuwe Testament maakt van het Oude Testament. Wanneer het Oude Testament in het Nieuwe Testament wordt gebruikt, wordt het alleen in letterlijke zin gebruikt. Je hoeft alleen maar de profetieën te bestuderen die vervuld werden bij de eerste komst van Christus, in Zijn leven, Zijn bediening en Zijn dood, om dat feit vast te stellen. Geen enkele profetie die volledig is vervuld, is op enige andere manier vervuld dan letterlijk.

Allegorie

Allegorese is de vergeestelijking van de bijbeltekst, met miskenning van de letterlijke betekenis. De allegorische uitleg van de bijbel is van niet-christelijke oorsprong. Een allegorie is een zinnebeeldige voorstelling. De Griekse filosoof Heraclitus, ca 535 — ca 480BC, definieerde allegorie als ‘het ene zeggen maar het andere bedoelen’ Het woord allegorie komt van twee Griekse woorden: allos (ander) en agoreuein (in het openbaar spreken). Wie een allegorische uitlegmethode gebruikt, gaat ervan uit dat achter de letterlijke betekenis van een tekst de eigenlijke betekenis ligt en dat die letterlijke betekenis daarnaar verwijst. Anders gezegd: hij gaat ervan uit dat in de tekst een diepere waarheid dan de uiterlijke en letterlijke schuilt en dat het erom gaat die eigenlijke, wezenlijke waarheid op het spoor te komen.

Van allegorieën werd in de Griekse klassieke literatuur veel gebruik gemaakt om de verhalen en figuren uit de mythologie in overeenstemming te brengen met een meer verlicht denken. ‘Door de concrete wezens en hun lotgevallen uit de klassieke mythe op te vatten als symbolische uitdrukkingen van abstracte ideeën, konden zulke door de tijd dierbaar geworden elementen van traditie en volksgeloof begripsmatig gemaakt worden, waardoor het leek dat een algemene overeenstemming over waarzijn de meest geavanceerde intellectuele inzichten verbond met de wijsheid van het verleden’, (Hans Jonas, Het gnosticisme). Allegorieën dienden niet alleen om de diepe betekenis van mythen te onthullen, maar soms ook om aan eigentijdse ideeën het prestige van een eerbiedwaardige oudheid te verlenen.

In de eerste eeuw stelde de joodse schrijver Philo van Alexandrië, ca 30 BC — ca 45 AC, de allegorie in dienst van de godsdienst. Philo wilde een overeenkomst tussen het joodse geloof en zijn platoniserende filosofie aanwijzen. Hij was niet geïnteresseerd in de geschiedenis, maar in de tijdloze morele en filosofische betekenis die hij uit een schijnbaar gewoon verhaal kon halen. De vroege kerkvaders namen zijn systeem van allegorische schriftverklaring tot voorbeeld. Vooral Clemens, ca 150 — ca 215, en Origenes ca 185 - 254, die belang hechtten aan de toenadering tussen het christendom en de Griekse filosofie, volgden Philo. Beiden wilden de kern van de Bijbeltekst blootleggen. De letterlijke betekenis van de tekst was voor hen betrekkelijk beperkt en onbelangrijk. Ze legden de nadruk op ‘de verborgen, geestelijke betekenis’. Ging het bij de typologische uitleg om de samenhangen binnen de bijbel, bij de allegorische uitleg gaat het om de diepere zin en het gelijkenis-karakter van de Bijbelverhalen. De uitlegger wil in het toevallige van de vertelling de eeuwige zin erachter op het spoor komen.

Hoe ver men soms ging met de allegorie, zien we bij Origenes als hij stelt dat Jozua‘s verovering van het beloofde land verwijst naar Christus’ overwinning op de zonde aan het kruis. Ook wees de offerwetgeving uit Leviticus, volgens Origenes, vooruit naar de geestelijke offers van de christenen. Origenes geloofde ook dat hij alleen op deze ‘geestelijke’ wijze de bijbel in haar diepte en geheimzinnigheid kon doorgronden als geïnspireerd woord van God. Nog een voorbeeld van uitleg van een allegorisch uitleg is de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan en hoe die heeft ’geleden’ onder de handen van hen die alles vergeestelijken, en de context vergeten hebben. Ze interpreteren als volgt: Jeruzalem is de stad van God, een representatie van de hemel. Jericho is een vervloekte stad, dat representeert dan de hel. De weg van Jeruzalem naar Jericho gaat naar beneden, de weg naar de hel ook. Iedere persoon is op de weg naar Jericho en is in handen gevallen van de satan en beroofd en halfdood (fysiek levend, geestelijk dood). Religie kan hem niet redden – alleen de goede Samaritaan (Jezus) kan dat. De olie representeert de Heilige Geest en de wijn Christus’ vergoten bloed. De herberg is de kerk en de twee penningen staan voor de twee verordening geloof en doop. De Samaritaan beloofd om terug te komen, Jezus zal ook terugkomen.

Origenes betoogde dat in de ‘Heilige Schrift’ niet alles altijd een historische betekenis heeft, maar wel een ‘geestelijke’. In deze methode wordt de historische waarde geweigerd of genegeerd en wordt de nadruk volledig op een secundair zintuig gelegd, zodat de originele woorden of gebeurtenissen weinig of geen betekenis hebben. Het lijkt erop dat het doel van de allegorische methode niet is om de Schrift te interpreteren, maar om de ware betekenis van Schrift te verdraaien, zij het onder het mom van een diepere of meer spirituele betekenis te zoeken. Men lijkt door deze methode te gebruiken in de benadering van de Schrift te vervallen in eisegese (inlegkunde) in plaats van exegese (uitlegkunde), waarbij de uitlegger elke betekenis die hij of zij verkiest weet te vinden.

Bezwaren van de allegorische benadering van de Schrift

In tegenstelling tot de letterlijke uitleg van de Bijbel, is de allegorische uitleg niet te verifiëren. De basisautoriteit voor verificatie van de interpretatie is niet langer de Schrift, maar de geest van de tolk. De interpretatie kan dan worden verdraaid door de leerstellige standpunten van de tolk, de autoriteit van de kerk waaraan de tolk zich houdt, zijn sociale achtergrond of een reeks andere factoren, of zelfs door de fantasie van de tolk! Bij de letterlijke methode is verificatie wel mogelijk, namelijk door Schrift met Schrift te vergelijken; de Schrift kan niet gebroken worden! Het mag duidelijk zijn dat de allegorische interpretatie van de Schrift, om hierboven vermelde redenen afgewezen moet worden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Gebruik van de Allegorische en de Letterlijke methode in de Eschatologie

 

Voorwoord

In recente discussies die ik op de sociale media gevolgd heb over, onder andere het preterisme, kreeg ik steeds meer de indruk dat de partijen elkaar totaal niet begrepen en daardoor oeverloze discussies voerden die tot niets lijden. Een van de belangrijkste oorzaken was dat men verschillende interpretatie methodes gebruikte, te weten de allegorische en de grammatische-historisch ook wel de letterlijke methode genoemd. In dit artikel heb ik beide denksystemen naast elkaar beschreven. Aan de lezer te beoordelen of ik daarin geslaagd ben.

I. Inleiding

Geen enkele vraag waarmee de onderzoeker van eschatologie wordt geconfronteerd, is belangrijker dan de vraag welke methode moet worden toegepast bij de interpretatie van de profetische geschriften. De toepassing van verschillende interpretatiemethoden heeft geleid tot de meerdere uiteenlopende eschatologische posities en verklaart de uiteenlopende opvattingen binnen een systeem waarmee de onderzoeker van profetie confronteert wordt. De fundamentele verschillen, bijvoorbeeld tussen het premillennialisme en amillennialisme en tussen het pretribulationalisme en posttribulationalisme, zijn hermeneutisch, voortkomend uit de toepassing van uiteenlopende en onverzoenlijke interpretatiemethoden.

Een letterlijke interpretatie van de profetieën uit het Oude Testament verstrekken ons het beeld van een aardse heerschappij en koninkrijk van de Messias waarnaar ook de Joden ten tijde van de Heer Jezus naar uitzagen. Dat was het soort koninkrijk waar de Sadduceeën over spraken toen zij de idee van de opstanding van het lichaam belachelijk maakten. De Heer Jezus zei, in reactie daarop: Dat ze dwaalden omdat ze de Schriften niet kenden, noch de kracht van God (Mat.22:29). De Joden zochten naar precies zo'n koninkrijk als ook verwacht wordt door die Chiliasten die geloven dat de Joden een vooraanstaande plaats zullen innemen in een aards Joods koninkrijk dat door de Messias in de toekomst te Jeruzalem zal worden opgericht.

Het fundamentele verschil tussen een amillennialist en een premillennialist is niet of de Schrift een aards koninkrijk onderwijst, maar hoe de Schrift dat zo'n aards koninkrijk voorstelt, geïnterpreteerd moet worden. Het Oude Testament kan, als het letterlijk wordt geïnterpreteerd, niet worden beschouwd als zijnde vervuld of in staat van vervulling in deze huidige tijd. Daarom is de voorafgaande voorwaarde van elke discussie over de profetische geschriften en de doctrines van de eschatologie, het vaststellen van een basismethode voor interpretatie die overal toegepast moet worden.

De vraag of de profetieën van het Oude Testament, betreffende het volk van God in hun gewone betekenis moeten worden geïnterpreteerd, zoals andere Schriftplaatsen worden geïnterpreteerd, of correct kunnen worden toegepast op de christelijke kerk, wordt de kwestie van de vergeestelijking van de profetie genoemd. Dit is een van de grootste problemen van de Bijbelse interpretatie en confronteert iedereen die het Woord van God serieus bestudeert. Het is een van de belangrijkste sleutels die leiden tot verschil van mening tussen premillennialisten en de massa van christelijke leraars. De eerste verwerpen een dergelijke vergeestelijking, de laatsten passen het toe; en zolang er op dit punt geen overeenstemming bestaat, is het debat eindeloos en vruchteloos.

De primaire behoefte aan een systeem van hermeneutiek is het vaststellen van de betekenis van de wereld van God. Het is duidelijk dat dergelijke zeer uiteenlopende opvattingen als premillennialisme en amillennialisme en pretribulationisme en posttribulationisme niet allemaal juist kunnen zijn. Aangezien de uitlegger niet een boek van menselijke oorsprong behandelt, maar het woord van God, moet hij uitgerust zijn met een nauwkeurige interpretatiemethode of een verkeerde uitleg zal het noodzakelijke resultaat van zijn studie zijn. Het feit dat het Woord van God niet correct kan worden geïnterpreteerd los van een correcte methode van en deugdelijke regels voor interpretatie, geeft het onderzoek zijn hoogste belang. Hoewel er in de loop van de geschiedenis tegenwoordig veel verschillende interpretatiemethoden voor de Schrift zijn voorgesteld, zijn er maar twee interpretatiemethoden die een vitaal effect hebben op de eschatologie: de allegorische en de letterlijke of grammaticaal-historische methoden.

II. De allegorische methode 

A. De definitie van de allegorische methode

Allegorie is de methode van het interpreteren van een literaire tekst die de letterlijke betekenis beschouwt als het middel voor een secundaire, meer spirituele en diepere betekenis. In deze methode wordt de historische waarde geweigerd of genegeerd en wordt de nadruk volledig op een secundair zintuig gelegd, zodat de originele woorden of gebeurtenissen weinig of geen betekenis hebben. Het lijkt erop dat het doel van de allegorische methode niet is om de Schrift te interpreteren, maar om de ware betekenis van Schrift te verdraaien, zij het onder het mom van een diepere of meer spirituele betekenis te zoeken.

B. De gevaren van de allegorische methode

De allegorische methode is vol gevaren die het onaanvaardbaar maken voor de uitlegger van Gods Woord.

1. Het eerste grote gevaar van de allegorische methode is dat het de Schrift niet interpreteert.

2. Het tweede grote gevaar in de allegorische methode is: de basisautoriteit in interpretatie is niet langer de Schrift, maar de geest van de tolk. De interpretatie kan dan worden verdraaid door de leerstellige standpunten van de tolk, de autoriteit van de kerk waaraan de tolk zich houdt, zijn sociale achtergrond of een reeks andere factoren.

3. Een derde groot gevaar in de allegorische methode is dat men wordt achtergelaten zonder enige mogelijkheid waarmee de conclusies van de vertaler kunnen worden getest.

Dus, de grote gevaren die inherent zijn aan dit systeem zijn dat het de autoriteit van de Schrift wegneemt, en ons zonder enige basis laat waarop die interpretaties getest kunnen worden, en reduceert de Schrift in wat redelijk lijkt voor de uitlegger, en als gevolg daarvan maakt het echte interpretaties van de Schrift onmogelijk.

C. Het gebruik van de allegorische methode in het NT

Om het gebruik van de allegorische methode te rechtvaardigen, wordt vaak beweerd dat het Nieuwe Testament zelf deze methode gebruikt en daarom moet het een verdedigbare interpretatiemethode zijn.

1. In de eerste plaats wordt vaak verwezen naar Galaten 4:21-31, waar Paulus zelf de allegorische methode zou gebruiken. Er moet echter op worden gewezen dat Paulus in Galaten 4:21-31 geen allegorische methode gebruikte om het Oude Testament te interpreteren, maar een allegorie uitlegde. Dit zijn twee totaal verschillende dingen. De Schrift is rijk aan allegorieën, of het nu gaat om soorten, symbolen of parabels. Dit zijn geaccepteerde en legitieme middelen voor communicatie van gedachten. Ze pleiten niet voor een allegorische interpretatiemethode, die het letterlijke of historisch voorafgaande zou ontkennen en de allegorie zou gebruiken als springplank voor de verbeeldingskracht van de vertaler. Ze roepen wel op tot een speciaal type hermeneutiek, dat later zal worden besproken. Maar het gebruik van allegorieën is geen rechtvaardiging voor de allegorische methode van interpretatie. Er zou geconcludeerd kunnen worden dat het gebruik in Galaten van het Oude Testament een voorbeeld zou zijn van de interpretatie van een allegorie en de universele toepassing van de allegorische methode voor de hele Schrift niet zou rechtvaardigen.

2. Een tweede argument dat wordt gebruikt om de allegorische methode te rechtvaardigen, is het gebruik van typen in het Nieuwe Testament. Typologie is de leer van de voorafschaduwingen van latere geestelijke werkelijkheden. Het wordt erkend dat het Nieuwe Testament de typologische toepassing van het Oude Testament maakt. Op deze basis wordt betoogd dat het Nieuwe Testament de allegorische interpretatiemethode gebruikt, met het argument dat de interpretatie en toepassing van typen een allegorische interpretatiemethode is. In antwoord op de beschuldiging dat, omdat men typen interpreteert, de allegorische methode gebruikt wordt, moet worden benadrukt dat de interpretaties van typen niet hetzelfde is als allegorische interpretatie. De werkzaamheid van het type hangt af van de letterlijke interpretatie van het letterlijke voorafgaande term. Om waarheid over het spirituele rijk over te brengen, waar we niet mee vertrouwd zijn, moet er instructie zijn over een rijk waarmee we vertrouwd zijn, zodat we door een overdracht van wat letterlijk waar is in het ene, kunnen leren wat is waar in het andere rijk. Er moet een letterlijk parallellisme zijn tussen het type en het antitype wil het type van enige waarde zijn. De persoon die een type allegoriseren zal nooit tot een juiste interpretatie komen. De enige manier om de betekenis van het type te onderscheiden is door een overdracht van letterlijke ideeën van het natuurlijke naar het spirituele gebied. Er wordt geconcludeerd dat het Schriftuurlijk gebruik van typen geen sanctie geeft aan de allegorische interpretatiemethode.

III. De letterlijke methode (ook: grammatisch-historische exegese)

In directe tegenstelling tot de allegorische interpretatiemethode staat de letterlijke of grammaticaal-historische methode.

A. De definitie van de letterlijke methode

De letterlijke methode van interpretatie is die methode die aan elk woord dezelfde exacte basisbetekenis geeft die het zou hebben bij normaal, gewoon, gebruikelijk gebruik, of het nu gebruikt wordt bij het schrijven, spreken of denken. Het wordt de grammaticaal-historische methode genoemd om te benadrukken dat de betekenis bepaald moet worden door zowel grammaticale als historische overwegingen.

B. Het bewijs voor de letterlijke methode

Er kan krachtig bewijs worden geleverd om de letterlijke methode van interpretatie te ondersteunen. Voor zover God zijn Woord als een openbaring van Hemzelf aan de mensen gaf, zou mogen worden verwacht dat Zijn openbaring op zulke exacte en specifieke termen zou worden gegeven dat Zijn gedachten nauwkeurig zouden kunnen worden overgebracht en begrepen, wanneer ze worden geïnterpreteerd volgens de wetten van grammatica en spraak. Zulk vermoedelijk bewijsmateriaal pleit voor de letterlijke interpretatie, want een allegorische methode van interpretatie zou de betekenis van de door God aan mensen geleverde boodschap uiteraard vertroebelen.

Het feit dat de Schriften voortdurend verwijzen naar letterlijke interpretaties van wat eerder werd geschreven, voegt bewijs toe met betrekking tot de methode die moet worden toegepast bij de interpretatie van het Woord.

Misschien is een van de sterkste bewijzen voor de letterlijke methode het gebruik dat het Nieuwe Testament maakt van het Oude Testament. Wanneer het Oude Testament in het Nieuwe Testament wordt gebruikt, wordt het alleen in letterlijke zin gebruikt. Je hoeft alleen maar de profetieën te bestuderen die vervuld werden bij de eerste komst van Christus, in Zijn leven, Zijn bediening en Zijn dood, om dat feit vast te stellen. Geen enkele profetie die volledig is vervuld, is op enige andere manier vervuld dan letterlijk. Hoewel een profetie in het Nieuwe Testament kan worden aangehaald om aan te tonen dat een bepaalde gebeurtenis een gedeeltelijke vervulling van die profetie is (zoals gebeurde in Mattheüs 2:17-18), of om aan te tonen dat een gebeurtenis in overeenstemming is met Gods heilsprogramma (zoals in Handelingen 15 is gedaan), vereist het niet een niet-letterlijke vervulling of het ontkennen van een toekomstige volledige vervulling, want dergelijke toepassingen van profetie doen de vervulling ervan niet volledig uitputten. Daarom pleiten dergelijke verwijzingen naar profetieën niet voor een niet-letterlijke, allegorische methode.

Op basis van deze overwegingen kan worden geconcludeerd dat er bewijs is om de geldigheid van de letterlijke methode van interpretatie te ondersteunen.

C. De voordelen van de letterlijke methode

Deze methode heeft bepaalde voordelen boven de allegorische methode. Het geeft ons een basisautoriteit op grond waarvan interpretaties kunnen worden getest. De allegorische methode, die afhangt van een rationalistische benadering van de uitlegger, of conformiteit met een vooraf bepaald theologisch systeem, laat ons zonder een basis voor een gezaghebbende test. In de letterlijke methode kan de Schrift worden vergeleken met de Schrift, die, als het geïnspireerde Woord van God, gezaghebbend is en als standaard voor de uitleg van de waarheid moet worden getest. Hieraan gerelateerd kunnen we zien dat het ons bevrijdt van zowel de rede als de mystiek als vereisten voor interpretatie. Je hoeft niet afhankelijk te zijn van intellectuele training of vaardigheden, noch van de ontwikkeling van mystieke waarneming, maar eerder van het begrijpen van wat in zijn algemeen geaccepteerde zin is geschreven. Alleen op een dergelijke basis kan het gemiddelde individu de Schrift voor zichzelf begrijpen of interpreteren.

D. De letterlijke methode en figuurlijke taal

Het wordt door iedereen erkend dat de Bijbel rijk is aan figuratieve taal. Op deze basis wordt vaak beweerd dat het gebruik van figuratieve taal een figuratieve interpretatie vereist. Figuratieve taal wordt echter gebruikt als middel om de letterlijke waarheid te onthullen. Wat letterlijk waar is in één gebied, waarmee we vertrouwd zijn, wordt letterlijk overgebracht naar een ander gebied, waarmee we misschien niet vertrouwd zijn, om ons waarheden te leren over dat onbekende gebied. Het zal dus duidelijk zijn dat de letterkundige het bestaan van beeldtaal niet ontkent. De letterkundige ontkent echter dat dergelijke figuren zo moeten worden geïnterpreteerd dat ze de letterlijke waarheid te niet doen die door het gebruik van figuratieve taal wordt beoogd. Letterlijke waarheid is te leren door de symbolen.

E. Enkele bezwaren tegen de letterlijke methode

Men moet erkennen dat er gebruik is gemaakt van figuratieve taal. Zoals eerder werd benadrukt, kunnen cijfers worden gebruikt om letterlijke waarheid krachtiger te onderwijzen dan alleen door woorden zelf en niet pleiten voor allegorische interpretatie. Hoewel wordt erkend dat God spiritueel is, is de enige manier waarop God de waarheid kan openbaren in een gebied waarin we nog niet zijn ingegaan, door een parallel te trekken naar het gebied waarin we nu leven. Door de overdracht van wat letterlijk waar is in het bekende gebied naar het onbekende gebied, zal dat onbekende gebied aan ons worden onthuld. Het feit dat God spiritueel is, vereist geen allegorische interpretatie. Men moet onderscheid maken tussen wat geestelijk en wat vergeestelijkt is. En hoewel wordt erkend dat het Oude Testament anticiperend is, en het Nieuwe het Oude ontvouwt, wordt de volheid die in het Nieuwe is geopenbaard niet onthuld door allegorie van wat in het Oude wordt getypeerd, maar eerder door de letterlijke vervulling en de ontvouwing van de letterlijke waarheid van de typen. Soorten kunnen letterlijke waarheid onderwijzen en het gebruik van typen in het Oude Testament is geen ondersteuning voor de allegorische interpretatiemethode.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Gods Eigenschappen

 

 

 

Inleiding

Er zijn meer dan drie eigenschappen van God die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. Dat Gods ‘alwetendheid’, ‘alomtegenwoordigheid’ en ‘almacht’ hier besproken worden heeft te maken met het feit dat ik geloof dat deze drie eigenschappen tot uitdrukking komen in Psalm 139. De bespreking van deze Psalm kunt u vinden op deze website onder de Rubriek: Oude Testament – Dichterlijke boeken.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

Gods Alwetendheid 

‘De HERE immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst’ (1 Samuël 2:3) 

Er zijn meer dan de drie eigenschappen van God die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. God is oneindig in tijd, dat is: eeuwig; oneindig in ruimte, dat is: alomtegenwoordig; oneindig in wijsheid en kennis, dat is: alwetend; oneindig in macht, da tis: almachtig.

Het eerste kenmerk van God die we bespreken is ‘alwetendheid’ dat gewoonlijk verwijst naar het gegeven dat God op een onbeperkte mate altijd alles weet over alles wat waarneembaar is, in de werkelijkheid of mogelijkheid. Gods feitelijke kennis kan worden gespecificeerd in de volgende gedeelten van de Schrift (Ps.33:13-15; 139:2; 147:4; Jes.44:28; 46:9-10; Mal.3:16; Mat.6:8; 10:29-30; Hand.2:23; 15:8; Hebr.4:3).

Een aantal teksten suggereren dat God toch niet alles weet: (Gen.11:5; 18:21; Deut.8:2; 13:3; Ps.139:23). De Schrift leer duidelijk dat God zich soms beijvert om ergens ‘achter tekomen’, en tegelijk is het waar dat God alles weet en dat niet aan zijn kennis kan worden toegevoegd (Jes.40:13v.). De kennis van God is niet onderworpen aan vermeerdering of afname, noch voorwerp van discussie, en staat niet onder druk van spijt, herinnering of vooroordeel.

Gods kennis wordt volmaakt gezien in Jesaja 48:18 en Mattheüs 11:21. Zijn kennis is eeuwig (Hand.15:18), onbegrijpelijk (Ps.139:6), en vol van wijsheid (Ps.104:24; Ef.3:10).

Er zijn drie aspecten betreffende de Goddelijke kennis: (a) zelfkennis, die omvat alles, zelfs Hemzelf; (b) Alwetendheid, over alle dingen die de schepping omvat, in werkelijkheid of mogelijkheid; en (c) voorkennis, die betrekking heeft op dingen die goddelijk bepaald zijn of vooraf bedacht.

Alwetendheid kan gelinkt worden aan alomtegenwoordigheid. De praktische waarde is daarom belangrijk: (a) voor hen die beproefd worden in verzoeking, (b) voor hen die verzocht worden door een geheime zonde, die alleen door God gekend is, (c) voor hen die Gods wijsheid nodig hebben waaraan ze zelf tekort komen (Ps.19:12; 51:6;139:23-24; Jak.1:5).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Gods Alomtegenwoordigheid 

'Op bergen en in dalen en overal is God! Waar wij ook immer dwalen of toeven, daar is God! Waar mijn gedachten zweven of stijgen daar is God! Omlaag en hoog verheven ja, overal is God!'

Het woord ‘alomtegenwoordigheid’ geeft duidelijk weer hoe God persoonlijk overal zelf aanwezig is, niet alleen met zijn macht of kracht (1 Kon.8:27; 2 Kron.2:6; Ps.139:12; Jes.66:1; Hand.17:28). Dit bijzonder onderwijs geeft aan dat God geheel aanwezig is op elke plaats, daarom is het duidelijk dat het niet overeenkomt met het pantheïsme, dat een persoonlijke God loochent.

Er bestaat echter ook een plaatsgebonden aanwezigheid van God, zoals: ‘Onze Vader die in de hele isen is’, En Hij is gezeten aan de rechterhand van de troon van God’, ‘Een woonplaats van God door de Geest’ (Mat.6:9; Ef.2:22; Kol.3:1; Heb.12:2; Ps.113:5;123:1; Rom.10:6-7).

God was op een speciale manier in Christus (2 Kor.5:19), de Zoon woont in de gelovige (Joh.14:20; Kol.1:27); de Geest woont in de gelovige (1 Kor.6:19); de Vader, de Zoon en de Geest zijn allen in een onverminderde en onverdeelde wijze aanwezig in elke gelovige (Rom.8:9; Gal.2:20; Ef.4:6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Gods Almacht

‘Wat Gods liefde wil bewerken, ontzegd Hem zijn vermogen niet’

Almacht is een eigenschap die alleen God toebehoort. Het spreekt van zijn ongelimiteerde macht. (Gen.18:14; Ps.115:3; 135:6; Jes.43:13: Jer.32:17; Mat.19:26; Mark.10:27; Luk.1:37; 18:27).

Het woord ‘almacht’ vinden we tien keer in het Nieuwe Testament waar het weergegeven wordt door het woord Almachtige: Op.19:6; 2 Kor.6:18; Op.1:8; 4:8; 11:17;15:3; 16:7,14; 19:15; 21:22).

In het Oude Testament betekend het woord El Shaddai ‘de Almachtige God’ en wordt zeven keer vermeld (Gen.17:1). Gods oneindige macht wordt uitgeoefend onder de controle van zijn heilige wil. God is in staat alles te doen, en om morele oorzaken kan Hij het doen, alleen als het in samenspraak is met zijn heilig karakter. Hij zal niet verkeerd noch dwaas handelen (Gen.1:1-3; 18:14; Jes.44:24: Mat.3:9; 19:26; Rom.4:17; 2Kor.4:6; Ef.1:11, 19-21; 3:20; Heb.1:3). Let op alle gedeelten waar het woord ‘in staat is’ wordt vermeld, ‘God is in staat’ (2 Kor.9:8). ‘Macht’ is het bezit van controle, gezag of invloed over anderen. Sommige hebben enorme fysieke kracht en oefenen toch weinig macht over anderen uit, en vice versa. God is zowel ‘krachtig’ als ‘machtig’, oftewel: Hij heeft onbeperkte energie en vermogens, en Hij oefent onbeperkt gezag over het heelal. God kan alles doen om te verwerkelijken wat Hij wil, maar Hij zal niet alles willen wat Hij kan doen.

Toch zijn er wel degelijk dingen die God niet kan doen. Kunnen is niet altijd fysieke kracht en niet kunnen is niet altijd gebrek aan fysische kracht; soms gaat het om morele onmogelijkheid. Zo vertelt de Schrift dat God 'niet liegen kan', dat Hij zichzelf niet 'kan verloochenen', dat Hij geen berouw 'kan' hebben en dat Hij niet verzocht 'kan' worden door het kwaad; ja, Hij 'kan' het kwaad niet aanzien. In geen van deze voorbeelden van wat God niet 'kan' doen, gaat het om een gebrek aan wat we in creatuurlijke termen Gods 'kracht' noemen. Ze hebben te maken met God intrinsieke onmogelijkheden om te zondigen. Als God zou 'kunnen' zondigen, zou Hij niet God zijn. Dit is geen beperking van zijn fysische kracht, maar drukt slechts uit dat God niet kan doen wat in wezenlijke tegenspraak met zijn eigen wezen is. Gods almacht is intrinsiek gebonden aan zijn morele wezen, zijn deugden, zijn consistentie. God kan alles, behalve ophouden zichzelf te zijn.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXX 

 

 

 

Sion

 

 

 

 

De eerste niet-Bijbelse bronnen die de naam Jeruzalem vermelden, zijn te vinden in de kleitabletten van het archief van Ebla, zo rond 2250 v.Chr. Ebla was een oude stad in het noordwesten van Syrië, ongeveer 55 km ten zuidwesten van Aleppo. Een andere vermelding van Jeruzalem vinden we in de zgn. Amarna-brieven waar het geschreven staat als Uru-sa-lim. Amarna is de naam van de nieuwe hoofdstad die de Egyptische farao Amenhotep IV of Echnaton liet bouwen op de oostelijke oever van de rivier de Nijl. Tot de belangrijkste archeologische vondsten afkomstig uit Amarna behoren de zogenaamde Amarna-brieven, rond 1400 v.Chr. op kleitabletten geschreven in spijkerschrift, die gegevens bevatten over diplomatieke betrekkingen tussen het toenmalige Egypte en naburige rijken, waaronder ook Israël.

In de Bijbel vinden we waarschijnlijk de eerste vermelding van Jeruzalem in het boek Genesis. We lezen daar dat ‘Melchisedek, de koning van Salem’, Abraham tegemoet kwam met brood en wijn (Gen.14:18; vgl. Heb.7:1,2). Jeruzalem wordt in het Oude Testament met verschillende namen aangeduid, onder andere: Salem, Jebus, Moria en Sion. Wat later in Genesis lezen we van het offer van Abram: ‘Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal’ (Gen.22:1-2). Waarschijnlijk begon Salomo op die berg met de bouw van de tempel, waar de HERE aan zijn vader David verschenen was, op de dorsvloer die David had gekocht van de Jebusiet Ornan (2Kron.3:1; 1 Kron.21:22). Het vroegere Jeruzalem werd soms Sion genoemd want dat was de naam van de oude citadel in Jeruzalem en is ook vermeld als de stad van David (2Sam.5:6-12) en de stad van de grote koning (Mat.5:35). In de Bijbel heeft het een drievoudige betekenis:

1e. De stad Davids

In het Oude Testament wordt Israël en Jeruzalem vermeld onder de naam Sion dat is de stad van David: 1Kron.11:4-5; Ps.2:6; Jes.2:3.

2e. De hemelse stad Jeruzalem

Het Nieuwe Testament vermelde Sion niet alleen maar als verwijzing naar Jeruzalem (Rom.11:26-27) maar ook naar het Nieuwe Jeruzalem: Heb.12:22-24.

3e. De stad in het Vrederijk

De naam Sion wordt vermeld in de volgende Bijbelgedeelten die verwijzen naar Jeruzalem in het toekomstige Vrederijk: Jes.1:27; 2:3; 4:1-6; Joël 3:16; Zach.1:16-17; 8:3-8; Rom.11:26.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Vergeving

 

 

 

 

Inleiding

Het juiste begrip van het onderwijs van de Schrift over vergeving zal samen moeten gaan met het verduidelijken van een paar andere onderwerpen die we in de Bijbel vinden. Omdat dit onderwerp vaak verkeerd begrepen wordt, moet er wel meer aandacht aan worden besteed. Vergeving van de ene persoon ten opzichte van de andere is de minst moeilijke verplichting ten opzichte van elkaar, terwijl vergeving van de kant van God jegens de mens de meest gecompliceerde en kostbaarste onderneming is. Zoals we in de Bijbel zien, is er een overeenkomst tussen vergeving en schuld en, in het geval van die vergeving die God uitoefent, moet de schuld worden betaald - hoewel het zelf door Hemzelf wordt betaald - voordat vergeving kan worden verleend. Er wordt gezegd dat, hoewel bij menselijke vergeving alleen een straf is vereist of in rekening wordt gebracht, Goddelijke vergeving volledige voldoening vereist wegens de eisen van Gods geschonden heiligheid. Er moet een prijs betaald worden! Het onderwijs betreffende vergeving kan worden verdeeld in zeven belangrijke onderwerpen.

1. Vergeving in het Oude Testament

Het aspect van Goddelijke vergeving in het Oude Testament, dat ook rijk is in haar typische betekenis, is een volledige vergeving. Het allerbelangrijkste kenmerk is, dat Goddelijke vergeving namelijk de betaling van schuld vereist, dat is inbegrepen in het offeren van dieren.

Ten eerste werd het offer voldoende geacht door degene die het als vervanging aanbood, omdat daarop de rechtvaardige doodstraf viel. Er moest eerst een offer worden gebracht, voordat de zondaar vergeven kon worden. Op die manier vinden we het ook beschreven in Leviticus 4:20: ‘En met de stier zal hij doen, zoals hij met de stier van het zondoffer gedaan heeft, zó zal hij daarmee doen. Zo zal de priester over hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden’.

Maar omdat het offer slechts typisch en als een bedekking van de zonde diende tot het tijdstip waarop God uiteindelijk of rechtvaardig met zonde in de dood van Christus oordeelde, was de vergeving onvolledig. Goddelijke vergeving als zodanig werd echter wel op de overtreder toegepast. Twee passages uit het Nieuwe Testament werpen licht op de aard van deze tijdelijke Goddelijke omgang met zonde. In Romeinen 3:25 wordt met verwijzing naar het al dan niet toestaan, of voorbijgaan van zonden, dat wil zeggen vóór het kruis, gesteld: ‘Wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God’. Ook in Handelingen 17:30 wordt in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gezegd: ‘Met voorbijzien dan van de tijden van onwetendheid’ wordt verwezen naar het feit dat God in het verleden de zonde niet volledig oordeelde. Er moet echter aan worden herinnerd dat de enorme reeks Goddelijke beloften voor het volkomen en volmaakt omgaan met elke zonde die zijn begaan, allemaal in en door Christus op het kruis werden gedragen.

2. Vergeving voor de zondaars

In het onderwijs van vergeving is er behoefte aan nadruk te leggen of het gegeven dat vergeving van zonde wordt uitgebreid tot de ongelovigen omdat het onderdeel uitmaakt van Gods heilsplan. Daarom moet worden gezegd dat vergeving van zonde nooit door de onwedergeborenen kan worden opgeëist, het is genade. Vergeving wordt hen gegeven als een fase van Gods verlossingsplan in Christus. Hoewel te vaak verondersteld waarheid te zijn, is vergeving van zonde voor de niet-geredden niet hetzelfde als redding, want redding is een toevoeging op vergeving. Daarom staat er geschreven: 'En Ik geef hun eeuwig leven' (Joh.10:28), en in Romeinen 5:17 wordt bijvoorbeeld verwezen naar 'de gave van gerechtigheid'.

Vergeving voor gelovigen

Op het moment dat een gelovige Christus leerde kennen als zijn Heiland en hij werd gered, zijn al zijn overtredingen (het verleden, het heden en de toekomst) - voor zover veroordeling kan worden toegegeven - vergeven. Dit moet de betekenis zijn van het woord van de apostelen in de brief aan de Kolossers 2:13 - 'En u, toen u dood was in de overtredingen en in de onbesnedenheid van uw vlees, u heeft Hij mee levend gemaakt met Hem, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft'. Dit bewijst het volmaakte Goddelijke handelen met alle zonde zodat gezegd kan worden: 'Zo is er dan geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn' (Rom.8:1). De gelovige is niet veroordeeld (Joh.3:18) en zal daarom niet oordelen ('veroordeling' - Joh.5:24). Er hoeft alleen maar aan te worden herinnerd dat, aangezien Christus alle zonde heeft gedragen en de status van de gelovige compleet is in de opgestane Christus, hij voor altijd vervolmaakt wordt door in Christus te zijn. Als lid van de familie van God is de christen - als hij zondigt - natuurlijk, net als elk kind, onderworpen aan tuchtiging door de Vader, maar hij wordt nooit veroordeeld met de wereld (1Cor.11:31-32). De remedie voor de gevolgen van een zonde is de belijdenis ervan aan God. Hierdoor keert hij terug naar zijn gemeenschap met God en hopelijk met de wetenschap en respect voor het kwaadaardige karakter van alle zonde. Er staat geschreven: ' Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid' (1Joh.1:9). Deze daad van berouwvolle belijdenis resulteert met absolute Goddelijke zekerheid in de vergeving en reiniging van de zonde. De gelovige die over zijn slecht gedrag geoordeeld heeft, heeft het voorrecht om door geloof het herstel te aanvaarden dat God beloofd heeft en dat onmiddellijk op de belijdenis volgt. Hier kan aan worden toegevoegd dat, hoewel de belijdenis altijd tot God is gericht (vgl. Ps.51:4; Luk.15:18-19), er tijden en situaties zijn waarin een dergelijke erkenning moet worden verleend aan de persoon of personen die ook onrecht hebben aangedaan. Dit zal met name het geval zijn wanneer degenen die anderen onrecht hebben aangedaan zich bewust zijn van het kwaad. Er moet echter worden benadrukt dat belijdenis voornamelijk aan God wordt gedaan en in de overgrote meerderheid van de ervaringen niet verder moet gaan. Wat betreft het effect van de zonde van de gelovige tot God, kan worden opgemerkt dat, was het niet dat wat Christus heeft gedaan en wat Hij doet wanneer de christenen zondigen, de minste zonde de macht zou hebben om degene die zondigt uit de gemeenschap van God brengt. In Johannes 2:1 wordt gezegd dat Christus voor God voor de gelovige pleit op het moment dat hij zondigt. Zoveel wordt geopenbaard dat Hij een pleidooi voor God de Vader in de hemel voert omdat Hij diezelfde zonde droeg in Zijn lichaam op het kruis. Dit is zo volledig een antwoord op het vereiste Goddelijke oordeel dat anders op de gelovige moet vallen, dat Hij door zo’n pleitbezorger, die hier de verheven titel 'Jezus Christus de rechtvaardige' vergeven, gereinigd en in een herstelde relatie met God komt. Er was een specifieke en afzonderlijke handelwijze door Christus aan het kruis in verband met die zonden die de gelovige zou begaan. Daarom staat er geschreven: 'Hij is de verzoening voor onze zonden' (1Joh.2:2). Het is ook waar dat hij de verzoening is geworden 'voor de zonden van de hele wereld'. Dat wil niet zeggen dat iedereen dan ook met God verzoend is, maar het offer van Christus strekt zich uit tot alle mensen, maar deze dienen zich te bekeren. Bij een juist begrip van de leer van Goddelijke vergeving zal er echter een groot verschil worden waargenomen tussen de verzoening die Christus werd voor christenen en die welke hij werd voor de wereld van de niet-geredden tot stand heeft gebracht.

4. Vergeving in het koninkrijk

De Bergrede (Mat.5:1-7:27) geeft ons een specifieke aanduiding van de voorwaarden waarop goddelijke vergeving gedurende deze periode kon worden verkregen. Deze informatie wordt gevonden in het gebed (Mat.6:9-13) dat Christus Zijn discipelen liet bidden tijdens de periode van zijn koninkrijk toen Hij tot Israël predikte - een tijd waarin de bediening samenviel met de proclamatie van dat koninkrijk. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat, om enige schijn van een juiste interpretatie te behouden, dit gebed, met inbegrip van de openbaring en met respect voor Goddelijke vergeving, beperkt blijft in zijn leerstelling en toepassing tot het tijdperk waartoe het behoort. In dat tijdperk wordt gaat het over de relatie van de mens tot zijn medemens. Het is dan dat wat bekend staat als de Gouden Regel – ‘Alles dan wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hen ook zo; want dat is de wet en de profeten’ (Mat.7:12) - zijn juiste plaats krijgt. De specifieke zin in het gebed die de voorwaarden van goddelijke vergeving openbaart, luidt: 'En vergeef ons onze zonden, zoals wij onze schuldenaren vergeven' (Mat.6:11). Hier mag geen verkeerde interpretatie worden toegestaan, ongeacht het gevoel van gewoonte met betrekking tot deze gebedsformule. Deze passage anticipeert op de menselijke bereidwilligheid om te vergeven. Dit kan niet gelden voor iemand die als gelovige alle overtredingen al is vergeven - verleden, heden en toekomst: noch kon het van toepassing zijn op de christen die gezondigd heeft en die bijgevolg onderworpen is aan kastijding, want van hem staat geschreven dat als hij maar zijn zonde belijdt, hij vergeven en gereinigd zal worden.

De daden van belijdenis en van het vergeven van anderen hebben niets met elkaar te maken. Dit is de enige smeekbede in het gebed die Christus nadien opnam voor een speciale opmerking en interpretatie. Het is zoals gedacht dat Hij anticipeerde op het ongerechtvaardigde gebruik van het gebed in dit tijdperk en probeerde zijn karakter des te duidelijker te maken. De opmerking van Christus luidt: 'Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; als u de mensen hun overtredingen echter niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven' (Mat.6:14-15). Geen enkele onbevooroordeelde beschouwing van deze uitspraak of van Christus 'interpretatie’ ervan, heeft het ooit gered van het volledig oneens zijn met het feit van goddelijke vergeving in het genadetijdperk. Het is bijvoorbeeld geschreven in Efeziërs 4:32 'Maar weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft’. Hier zien w opnieuw een contrast tussen wet en genade. Vergevingsgezind zijn omdat iemand al door God is vergeven omwille van Christus, is volledig verwijderd van de toestand waarin iemand alleen zal worden vergeven in de mate waarin hij zelf vergeeft. De laatste behoort tot een verdienste zoals in het koninkrijk zal worden verkregen; de eerste is in harmonie met de huidige rijkdom van goddelijke genade.

5. Vergeving tussen mensen

Hoewel, zoals hierboven vermeld, de voorwaarden waarop goddelijke vergeving in het koninkrijk kan worden gewaarborgd, het vergeven van anderen is, is het motief om anderen in het koninkrijk te vergeven vergelijkbaar met die onder de huidige heerschappij van genade. Dit werkingsprincipe als in de koninkrijk vereisten wordt door Christus verklaard in Mattheüs 18: 21-25. Een zekere koning vergaf een schuld van tienduizend talenten - een enorme som geld, waarna degene die aldus was vergeven weigerde een schuld af te schaffen voor het schamele bedrag van honderd denaren. Dat zo'n situatie geen plaats zou kunnen hebben in het leven van allen die volmaakt zijn in Christus en daarom voor altijd veilig zijn, wordt geleerd uit de slotverzen van dit gedeelte, dat luidt: ‘En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben. Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u doen, als niet ieder van u van harte de misdaden van zijn broeder vergeeft’ (Mat.18:34-35). De gelovige die tot dit tijdperk van genade behoort, wordt bevolen vriendelijk te zijn voor andere gelovigen, zachtaardig en vergevend voor elkaar, net zoals God 'omwille van Christus u heeft vergeven'.

6. Vergeving van de onvergeeflijke zonde

Toen Christus op aarde diende in de kracht van de heilige Geest, was een bijzondere zonde mogelijk en zou deze kunnen zijn begaan, namelijk het toeschrijven aan satan van de aldus gemanifesteerde kracht van de Geest. Voor deze zonde kon er geen vergeving zijn in het tijdperk dat toen aanwezig was en in het tijdperk dat onmiddellijk volgt (Mat.12:22-32). Het is duidelijk dat zo'n situatie nu niet bestaat in de wereld. Het is geheel ongegrond om te veronderstellen dat elke menselijke houding ten opzichte van de heilige Geest een duplicatie van dit kwaad is en daarom even onvergeeflijk als de enige zonde waarvoor Christus waarschuwde. Een onvergeeflijke zonde en een 'wie wil' evangelie kan niet naast elkaar bestaan. Waar vandaag een onvergeeflijke zonde mogelijk is, zou elke evangelie-uitnodiging in het Nieuwe Testament specifiek degenen moeten uitsluiten die die zonde hadden begaan.

7. Vergeving betreffende de zonde tot de dood

De apostel Johannes schrijft over een zonde die resulteert in fysieke dood die gelovigen kunnen begaan. De passage luidt: 'Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden' (1Joh.5:16). Er zal aan worden herinnerd dat, volgens Johannes 15:2 en 1 Korinthiërs 11:30, God zich het recht voorbehoudt om uit dit leven een gelovige te verwijderen die niet langer een getuige in de wereld is. Een dergelijke verwijdering betekent niet dat de aldus verwijderde verloren is gegaan; het betekent alleen een vorm van drastische kastijding en dat tot het einde dat niet mag worden veroordeeld met de wereld (1 Cor.11:31-32).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Zekerheid

 

 

 

Zekerheid van de behoudenis is een deel van het onderwijs dat bestaat uit de voortzetting van die behoudenis van hen die gered zijn. We dienen zekerheid van de behoudenis te onderscheiden van de redding. Het heeft geen relatie met een niet wederom geboren persoon.

Velen maken het praktische geloofsleven als bewijs of voorwaarde van de onzekerheid van de behoudenis. Deze mening baseert zich ten onrechte op de volgende teksten:

1e. Bijbelgedeelten die gelden voor een andere bedeling: Ez.33:7-8; Mat.18:23-35; 24:13. (Bedeling is een periode binnen de heilsgeschiedenis die zich van andere onderscheidt door een eigensoortige relatie tussen God en de mens. Het is meer gekend onder de naam dispensationalisme):

2e. Bijbelgedeelten die verwijzen naar valse leraars die zich zullen openbaren in de laatste dagen van de Gemeente: 1Tim.4:1-3; 2Tim.4:3; 2Petr.2:1-22; Judas:17-19.

3e. Bijbelgedeelten die eigenlijk gaan over schijngelovigen: Luk.11:24-26, bijvoorbeeld.

4e. Bijbelgedeelten die handelen over een vergelijking maken tussen belijdenis en de vruchten: Joh.8:31; 15:6; 1Kor.15:1-2; Hebr.3:6; Jak.2:14-26; 2Petr.1:10: 1Joh.3:10.

5e. Bijbelgedeelten die verschillende soorten vermaning bevatten: Mat.25:1-13; Hebr.6:4-9; 10:26-31.

6e. Bijbelgedeelten waar het gaat over verlies van beloning, een wandel in de duisternis, en tucht: Joh.15:2; 1Kor.3:15;9:27; 11:27-32; Kol.1:21-33; 1Joh.1:5-9: 5:16.

7e. Bijbelgedeelten die verbonden zijn met afval van de genade: Gal.5:4 bijvoorbeeld.

De leer van zekerheid is gebaseerd op twaalf bevestigingen van God voor zijn volk, vier daarvan zijn gerelateerd aan de Vader, vier aan de Zoon en vier aan de Heilige Geest.

1. Bevestigingen gerelateerd aan de Vader

(a) Het doel van het verbond van God, dat onvoorwaardelijk is: Joh.3:16; 5:24; 6:37.

(b) De oneindige macht van God om mensen te bevrijden en redden; Joh.3:21; 2Tim.1:12; Hebr.7:25; Judas:24).

(c) De onbeperkte liefde van God: Rom.5:7-10; Ef.1:4.

(d) De invloed van het gebed van de Zoon van God op zijn Vader: Joh.17:9-12,15,20.

2. Bevestigingen gerelateerd aan de Zoon

(a) Zijn plaatsvervangende dood: Rom.8:1; 1Joh.2:2.

(b) Zijn opstanding als zekerheid voor de gelovigen: Joh.3:16; 10:28; Ef.2:6.

(c) Zijn voorspraak in de hemel: Rom.8:34; Hebr.9:24; 1Joh.2:1-2.

(d) Zijn herder zijn en bemiddeling: (Joh.17:1-26; Rom.8:34; Hebr.7;23-25.

3. Bevestigingen gerelateerd aan de Geest

(a) Wedergeboorte (deelkrijgen aan de goddelijke natuur geeft toegang tot wat niet meer weggenomen kan worden): (Joh.1:13:3:3-6; Tit.3:4-6; 1Petr.1:23; 2Petr.1:4: 1Joh.3:9.

(b) Inwoning (Hij is komen inwonen in de gelovige waardoor deze geborgen is): Joh.7:37-39; Rom.5:5; 8:9; 2Kor.2:12; 6:19; 1Joh.2:27.

(c) De doop (waardoor de gelovige bij Christus wordt gevoegd opdat hij deel krijgt aan de zegeningen van de nieuwe heerlijkheid en schepping): 1Kor.6:17; 12:13; Gal.3:27 en verzegeld wordt: Ef.1:13-14; 4:30.

Elk van deze bevestigingen zijn voldoende om eeuwige zekerheid te garanderen voor de gelovige.

Er is geen werkelijk onderscheid tussen zekerheid en bewaard blijven, want God doet geen aanbod in de tegenwoordige tijd die niet eeuwig is. Indien goed begrepen zal het verstaan van zekerheid van de gelovige leiden tot een heilig en toegewijd leven (1Joh.2:1).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX