Beknopte Dogmatiek

 

 

 

In de rubriek Beknopte Dogmatiek kunt u naast de dogmatische artikelen ook andere interessante Bijbelse onderwerpen vinden.

 

 

 

 

 

 

Opmerking:

Regelmatig zullen er nieuwe onderwerpern aan deze rubriek worden toegevoegd die in alfabetische volgorde geplaatst zullen worden. 

De artikelen zijn kort en bondig en kunnen dienen als basis voor zelfonderzoek.

Onderwerpen:

Gods Eigenschappen

Sion

Zekerheid

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Gods Eigenschappen

 

 

 

Inleiding

Er zijn meer dan drie eigenschappen van God die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. Dat Gods ‘alwetendheid’, ‘alomtegenwoordigheid’ en ‘almacht’ hier besproken worden heeft te maken met het feit dat ik geloof dat deze drie eigenschappen tot uitdrukking komen in Psalm 139. De bespreking van deze Psalm kunt u vinden op deze website onder de Rubriek: Oude Testament – Dichterlijke boeken.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

Gods Alwetendheid 

‘De HERE immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst’ (1 Samuël 2:3) 

Er zijn meer dan de drie eigenschappen van God die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. God is oneindig in tijd, dat is: eeuwig; oneindig in ruimte, dat is: alomtegenwoordig; oneindig in wijsheid en kennis, dat is: alwetend; oneindig in macht, da tis: almachtig.

Het eerste kenmerk van God die we bespreken is ‘alwetendheid’ dat gewoonlijk verwijst naar het gegeven dat God op een onbeperkte mate altijd alles weet over alles wat waarneembaar is, in de werkelijkheid of mogelijkheid. Gods feitelijke kennis kan worden gespecificeerd in de volgende gedeelten van de Schrift (Ps.33:13-15; 139:2; 147:4; Jes.44:28; 46:9-10; Mal.3:16; Mat.6:8; 10:29-30; Hand.2:23; 15:8; Hebr.4:3).

Een aantal teksten suggereren dat God toch niet alles weet: (Gen.11:5; 18:21; Deut.8:2; 13:3; Ps.139:23). De Schrift leer duidelijk dat God zich soms beijvert om ergens ‘achter tekomen’, en tegelijk is het waar dat God alles weet en dat niet aan zijn kennis kan worden toegevoegd (Jes.40:13v.). De kennis van God is niet onderworpen aan vermeerdering of afname, noch voorwerp van discussie, en staat niet onder druk van spijt, herinnering of vooroordeel.

Gods kennis wordt volmaakt gezien in Jesaja 48:18 en Mattheüs 11:21. Zijn kennis is eeuwig (Hand.15:18), onbegrijpelijk (Ps.139:6), en vol van wijsheid (Ps.104:24; Ef.3:10).

Er zijn drie aspecten betreffende de Goddelijke kennis: (a) zelfkennis, die omvat alles, zelfs Hemzelf; (b) Alwetendheid, over alle dingen die de schepping omvat, in werkelijkheid of mogelijkheid; en (c) voorkennis, die betrekking heeft op dingen die goddelijk bepaald zijn of vooraf bedacht.

Alwetendheid kan gelinkt worden aan alomtegenwoordigheid. De praktische waarde is daarom belangrijk: (a) voor hen die beproefd worden in verzoeking, (b) voor hen die verzocht worden door een geheime zonde, die alleen door God gekend is, (c) voor hen die Gods wijsheid nodig hebben waaraan ze zelf tekort komen (Ps.19:12; 51:6;139:23-24; Jak.1:5).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Gods Alomtegenwoordigheid 

'Op bergen en in dalen en overal is God! Waar wij ook immer dwalen of toeven, daar is God! Waar mijn gedachten zweven of stijgen daar is God! Omlaag en hoog verheven ja, overal is God!'

Het woord ‘alomtegenwoordigheid’ geeft duidelijk weer hoe God persoonlijk overal zelf aanwezig is, niet alleen met zijn macht of kracht (1 Kon.8:27; 2 Kron.2:6; Ps.139:12; Jes.66:1; Hand.17:28). Dit bijzonder onderwijs geeft aan dat God geheel aanwezig is op elke plaats, daarom is het duidelijk dat het niet overeenkomt met het pantheïsme, dat een persoonlijke God loochent.

Er bestaat echter ook een plaatsgebonden aanwezigheid van God, zoals: ‘Onze Vader die in de hele isen is’, En Hij is gezeten aan de rechterhand van de troon van God’, ‘Een woonplaats van God door de Geest’ (Mat.6:9; Ef.2:22; Kol.3:1; Heb.12:2; Ps.113:5;123:1; Rom.10:6-7).

God was op een speciale manier in Christus (2 Kor.5:19), de Zoon woont in de gelovige (Joh.14:20; Kol.1:27); de Geest woont in de gelovige (1 Kor.6:19); de Vader, de Zoon en de Geest zijn allen in een onverminderde en onverdeelde wijze aanwezig in elke gelovige (Rom.8:9; Gal.2:20; Ef.4:6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Gods Almacht

‘Wat Gods liefde wil bewerken, ontzegd Hem zijn vermogen niet’

Almacht is een eigenschap die alleen God toebehoort. Het spreekt van zijn ongelimiteerde macht. (Gen.18:14; Ps.115:3; 135:6; Jes.43:13: Jer.32:17; Mat.19:26; Mark.10:27; Luk.1:37; 18:27).

Het woord ‘almacht’ vinden we tien keer in het Nieuwe Testament waar het weergegeven wordt door het woord Almachtige: Op.19:6; 2 Kor.6:18; Op.1:8; 4:8; 11:17;15:3; 16:7,14; 19:15; 21:22).

In het Oude Testament betekend het woord El Shaddai ‘de Almachtige God’ en wordt zeven keer vermeld (Gen.17:1). Gods oneindige macht wordt uitgeoefend onder de controle van zijn heilige wil. God is in staat alles te doen, en om morele oorzaken kan Hij het doen, alleen als het in samenspraak is met zijn heilig karakter. Hij zal niet verkeerd noch dwaas handelen (Gen.1:1-3; 18:14; Jes.44:24: Mat.3:9; 19:26; Rom.4:17; 2Kor.4:6; Ef.1:11, 19-21; 3:20; Heb.1:3). Let op alle gedeelten waar het woord ‘in staat is’ wordt vermeld, ‘God is in staat’ (2 Kor.9:8). ‘Macht’ is het bezit van controle, gezag of invloed over anderen. Sommige hebben enorme fysieke kracht en oefenen toch weinig macht over anderen uit, en vice versa. God is zowel ‘krachtig’ als ‘machtig’, oftewel: Hij heeft onbeperkte energie en vermogens, en Hij oefent onbeperkt gezag over het heelal. God kan alles doen om te verwerkelijken wat Hij wil, maar Hij zal niet alles willen wat Hij kan doen.

Toch zijn er wel degelijk dingen die God niet kan doen. Kunnen is niet altijd fysieke kracht en niet kunnen is niet altijd gebrek aan fysische kracht; soms gaat het om morele onmogelijkheid. Zo vertelt de Schrift dat God 'niet liegen kan', dat Hij zichzelf niet 'kan verloochenen', dat Hij geen berouw 'kan' hebben en dat Hij niet verzocht 'kan' worden door het kwaad; ja, Hij 'kan' het kwaad niet aanzien. In geen van deze voorbeelden van wat God niet 'kan' doen, gaat het om een gebrek aan wat we in creatuurlijke termen Gods 'kracht' noemen. Ze hebben te maken met God intrinsieke onmogelijkheden om te zondigen. Als God zou 'kunnen' zondigen, zou Hij niet God zijn. Dit is geen beperking van zijn fysische kracht, maar drukt slechts uit dat God niet kan doen wat in wezenlijke tegenspraak met zijn eigen wezen is. Gods almacht is intrinsiek gebonden aan zijn morele wezen, zijn deugden, zijn consistentie. God kan alles, behalve ophouden zichzelf te zijn.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXX 

 

 

 

Sion

 

 

 

 

De eerste niet-Bijbelse bronnen die de naam Jeruzalem vermelden, zijn te vinden in de kleitabletten van het archief van Ebla, zo rond 2250 v.Chr. Ebla was een oude stad in het noordwesten van Syrië, ongeveer 55 km ten zuidwesten van Aleppo. Een andere vermelding van Jeruzalem vinden we in de zgn. Amarna-brieven waar het geschreven staat als Uru-sa-lim. Amarna is de naam van de nieuwe hoofdstad die de Egyptische farao Amenhotep IV of Echnaton liet bouwen op de oostelijke oever van de rivier de Nijl. Tot de belangrijkste archeologische vondsten afkomstig uit Amarna behoren de zogenaamde Amarna-brieven, rond 1400 v.Chr. op kleitabletten geschreven in spijkerschrift, die gegevens bevatten over diplomatieke betrekkingen tussen het toenmalige Egypte en naburige rijken, waaronder ook Israël.

In de Bijbel vinden we waarschijnlijk de eerste vermelding van Jeruzalem in het boek Genesis. We lezen daar dat ‘Melchisedek, de koning van Salem’, Abraham tegemoet kwam met brood en wijn (Gen.14:18; vgl. Heb.7:1,2). Jeruzalem wordt in het Oude Testament met verschillende namen aangeduid, onder andere: Salem, Jebus, Moria en Sion. Wat later in Genesis lezen we van het offer van Abram: ‘Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal’ (Gen.22:1-2). Waarschijnlijk begon Salomo op die berg met de bouw van de tempel, waar de HERE aan zijn vader David verschenen was, op de dorsvloer die David had gekocht van de Jebusiet Ornan (2Kron.3:1; 1 Kron.21:22). Het vroegere Jeruzalem werd soms Sion genoemd want dat was de naam van de oude citadel in Jeruzalem en is ook vermeld als de stad van David (2Sam.5:6-12) en de stad van de grote koning (Mat.5:35). In de Bijbel heeft het een drievoudige betekenis:

1e. De stad Davids

In het Oude Testament wordt Israël en Jeruzalem vermeld onder de naam Sion dat is de stad van David: 1Kron.11:4-5; Ps.2:6; Jes.2:3.

2e. De hemelse stad Jeruzalem

Het Nieuwe Testament vermelde Sion niet alleen maar als verwijzing naar Jeruzalem (Rom.11:26-27) maar ook naar het Nieuwe Jeruzalem: Heb.12:22-24.

3e. De stad in het Vrederijk

De naam Sion wordt vermeld in de volgende Bijbelgedeelten die verwijzen naar Jeruzalem in het toekomstige Vrederijk: Jes.1:27; 2:3; 4:1-6; Joël 3:16; Zach.1:16-17; 8:3-8; Rom.11:26.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Zekerheid

 

 

 

Zekerheid van de behoudenis is een deel van het onderwijs dat bestaat uit de voortzetting van die behoudenis van hen die gered zijn. We dienen zekerheid van de behoudenis te onderscheiden van de redding. Het heeft geen relatie met een niet wederom geboren persoon.

Velen maken het praktische geloofsleven als bewijs of voorwaarde van de onzekerheid van de behoudenis. Deze mening baseert zich ten onrechte op de volgende teksten:

1e. Bijbelgedeelten die gelden voor een andere bedeling: Ez.33:7-8; Mat.18:23-35; 24:13. (Bedeling is een periode binnen de heilsgeschiedenis die zich van andere onderscheidt door een eigensoortige relatie tussen God en de mens. Het is meer gekend onder de naam dispensationalisme):

2e. Bijbelgedeelten die verwijzen naar valse leraars die zich zullen openbaren in de laatste dagen van de Gemeente: 1Tim.4:1-3; 2Tim.4:3; 2Petr.2:1-22; Judas:17-19.

3e. Bijbelgedeelten die eigenlijk gaan over schijngelovigen: Luk.11:24-26, bijvoorbeeld.

4e. Bijbelgedeelten die handelen over een vergelijking maken tussen belijdenis en de vruchten: Joh.8:31; 15:6; 1Kor.15:1-2; Hebr.3:6; Jak.2:14-26; 2Petr.1:10: 1Joh.3:10.

5e. Bijbelgedeelten die verschillende soorten vermaning bevatten: Mat.25:1-13; Hebr.6:4-9; 10:26-31.

6e. Bijbelgedeelten waar het gaat over verlies van beloning, een wandel in de duisternis, en tucht: Joh.15:2; 1Kor.3:15;9:27; 11:27-32; Kol.1:21-33; 1Joh.1:5-9: 5:16.

7e. Bijbelgedeelten die verbonden zijn met afval van de genade: Gal.5:4 bijvoorbeeld.

De leer van zekerheid is gebaseerd op twaalf bevestigingen van God voor zijn volk, vier daarvan zijn gerelateerd aan de Vader, vier aan de Zoon en vier aan de Heilige Geest.

1. Bevestigingen gerelateerd aan de Vader

(a) Het doel van het verbond van God, dat onvoorwaardelijk is: Joh.3:16; 5:24; 6:37.

(b) De oneindige macht van God om mensen te bevrijden en redden; Joh.3:21; 2Tim.1:12; Hebr.7:25; Judas:24).

(c) De onbeperkte liefde van God: Rom.5:7-10; Ef.1:4.

(d) De invloed van het gebed van de Zoon van God op zijn Vader: Joh.17:9-12,15,20.

2. Bevestigingen gerelateerd aan de Zoon

(a) Zijn plaatsvervangende dood: Rom.8:1; 1Joh.2:2.

(b) Zijn opstanding als zekerheid voor de gelovigen: Joh.3:16; 10:28; Ef.2:6.

(c) Zijn voorspraak in de hemel: Rom.8:34; Hebr.9:24; 1Joh.2:1-2.

(d) Zijn herder zijn en bemiddeling: (Joh.17:1-26; Rom.8:34; Hebr.7;23-25.

3. Bevestigingen gerelateerd aan de Geest

(a) Wedergeboorte (deelkrijgen aan de goddelijke natuur geeft toegang tot wat niet meer weggenomen kan worden): (Joh.1:13:3:3-6; Tit.3:4-6; 1Petr.1:23; 2Petr.1:4: 1Joh.3:9.

(b) Inwoning (Hij is komen inwonen in de gelovige waardoor deze geborgen is): Joh.7:37-39; Rom.5:5; 8:9; 2Kor.2:12; 6:19; 1Joh.2:27.

(c) De doop (waardoor de gelovige bij Christus wordt gevoegd opdat hij deel krijgt aan de zegeningen van de nieuwe heerlijkheid en schepping): 1Kor.6:17; 12:13; Gal.3:27 en verzegeld wordt: Ef.1:13-14; 4:30.

Elk van deze bevestigingen zijn voldoende om eeuwige zekerheid te garanderen voor de gelovige.

Er is geen werkelijk onderscheid tussen zekerheid en bewaard blijven, want God doet geen aanbod in de tegenwoordige tijd die niet eeuwig is. Indien goed begrepen zal het verstaan van zekerheid van de gelovige leiden tot een heilig en toegewijd leven (1Joh.2:1).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX