Kerkgeschiedenis Kerken

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

De Paulicianen

De Bogomils

De Katharen

De Waldenzen

De Hugenoten

De Mennonieten of Doopsgezinden

De Herrnhutters

De Methodisten

De Baptisten

De Vergadering van gelovigen

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Paulicianen

 

 

 

Deze christenen verschijnen al in het midden van de zevende eeuw op het toneel, en wel in het gebied van Mesopotamië, en worden daar bekend onder de naam ‘Paulicianen’. Het is niet bekend waarom deze naam aan hen gegeven is, of het moest zijn vanwege hun ontzag voor de apostel Paulus en zijn geschriften. Algemeen wordt erkend dat de Paulicianen het gezag van de Bijbel hoog hielden; zij stonden een leven voor van eenvoud, ware toegewijding en ernst.

Uit een Armeens boek uit die dagen, genoemd ‘Sleutel der waarheid’ vinden we een verslag van hun geloof en levenspraktijk in die eeuwen. Twee zaken worden daarin bijzonder beklemtoond: (1) het lezen van de Schriften en het gebed, en (2) een heilig leven dat overeenstemt met Gods Woord.

De ‘Sleutel der waarheid’ verwerpt de praktijk van de zuigelingendoop, en stellen dat de doop slechts bediend kon worden aan hen die daarom vragen, als een getuigenis van hun bekering en geloof. Tegen het midden van de negende eeuw brak een grote vervolging onder hen uit onder keizerin Theodora. Met een onbeschrijfelijke terreur werden binnen een tijdspanne van vijf jaar honderdduizenden mensen ter dood gebracht. Velen vluchten naar veiligere gebieden, waaronder Constantinopel om van daaruit het evangelie te verkondigen, vooral in de zgn. Balkanlanden.

Een jammer, maar begrijpelijk gevolg van deze vervolgingen was dat de Paulicianen, getergd als zij waren, naar de wapens gingen grijpen, en daarbij maakten zij zich zelf tot de bondgenoten van de Mohammedanen die in opmars waren tegen de afgodische beeldendienst van de katholieke wereld. Daarin faalden de Paulicianen jammerlijk, want ‘allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Bogomils

 

 

 

 

We schrijven het jaar 1000 en in deze tijd leefde er een groep gelovigen in de Balkan landen onder de naam ‘de Bogomils, vooral in het huidige Bosnië. Het woord ‘Bogomil’ betekent ‘Vriend van God’. Deze groepering is ontstaan door het evangelisatiewerk van de ‘Paulicianen’.

Een aantal van die Paulicianen waren uitgeweken in het midden van de achtste eeuw uit Mesopotamië, kwamen in Constantinopel – het huidige Istanbul - en predikten het evangelie in de Balkan landen, waardoor er overal gemeenten ontstonden. Dit gebeurde in een tijd dat de Roomse Kerk oppermachtig was, en omdat de Bogomils zich niet wilden onderwerpen aan die Kerk werden zij het mikpunt van de meest wilde beschuldigingen. Het motto dat toen de ronde deed was: ‘Zorg dat je er nooit bijkomt en zorg dat je van ze afkomt!’ Wat was het dat men zich zo afzette tegen deze groep gelovigen?

Ten eerste ontkenden zij de unieke machtspositie van de Katholieke Kerk en hechten geen waarde aan haar sacramenten en inzettingen. Ten tweede gaven zij aan Maria geen speciale eer, evenmin aan kruisbeelden en relikwieën. Tenslotte konden zij de Eucharistie van de kerk en ook de priester-hiërarchie niet rijmen met de leer van de Bijbel.

Wie zulke dingen stellen konden rekenen op geduchte tegenstand en veel leidende Bogomils werden beschuldigd het gezag te ondermijnen en allerlei kwalijke morele praktijken uit te oefenen en uit te dragen.

Ondanks alles breidde hun werk zich jarenlang uit en bereikte zijn hoogtepunt tegen het einde van de twaalfde eeuw in Bosnië. De Bogomils kwamen samen in eenvoudige gebouwen of huizen. De Bijbelse waarheid van het priesterschap van alle gelovigen werd hersteld en de gemeenten werden geleid door meerdere oudsten. Vervolgingen bleven echter niet uit en onder invloed van paus Innocentius III viel de koning van Hongarije Bosnië binnen, zodat het land verwoest werd. Gedurende de hele veertiende eeuw duurden deze vervolgingen voort, totdat de Turken (lees: moslims) hieraan een einde maakten en in 1463 het land in bezit namen waardoor het vierhonderd jaar lang onder Mohammedaans bewind kwam te staan. Constantinopel, het laatste christelijke bolwerk in het huidige Turkije, was gevallen in 1453 door de Mohammedanen. U zult begrijpen dat de Bogomils de Turken dan ook eerder als bevrijders zagen dan als overwinnaars.

Doordat de Bogomils zwaar vervolgd werden (denk aan de Inquisitie ingevoerd in 1291) weken sommigen uit naar andere landen en ontmoeten daar gelovigen die net zo leefden als zij, buiten de gemeenschap van de Roomse Kerk en met alleen de Bijbel als grondslag voor hun handelen. Op deze manier kwamen een aantal van het in contact met de ‘Katharen‘ in Zuid-Frankrijk. Maar daarover een volgende keer meer.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

De Katharen

 

 

 

 

 

 

 

 

We verplaatsen ons van de Balkanlanden en de Bogomils naar Zuid-Frankrijk, de omgeving van Carcasonne en Béziers, waar we in de elfde eeuw gelovigen ontmoeten die door de Roomse kerk ‘Katharen’ werden genoemd, waarvan het woord ‘ketter’ afgeleid is. Deze naam betekend hetzelfde als ‘Puriteinen’ namelijk: ‘zij die zich vasthouden aan een zuivere leer en praktijk’. De leer was waarschijnlijk niet het grootste probleem voor de paus in Rome. Erger was dat de Katharen de autoriteit van Rome niet erkenden en weigerden geld te geven aan de Kerk.

De eerste poging om de ontwikkeling van het nieuwe geloof in te dammen was nog tamelijk zachtzinnig. In 1145 werd een preker, Bernard de Clairvaux, ingezet om al die mensen weer bij de moederkerk te krijgen. Zonder succes! De paus kreeg uiteindelijk de medewerking van de Franse koning en riep in 1209 op tot de kruistocht tegen de Katharen. Een gezelschap bestaande uit priesters, ridders, avonturiers, burgers en boeren uit Noord-Frankrijk trok onder leiding van Simon de Montfort op naar Zuid-Frankrijk met als doel geloof en rust te herstellen in het graafschap Toulouse en zijn omgeving. De kruistocht liep uit in een echte veroveringsoorlog. De noordelijke overmacht was groot. De ketterse landheren werden bloedig verdreven en hun land door de kruisridders overgenomen. Negen jaar stond de Languedoc in brand en werd er overal bloed vergoten. Omdat de gelovige katholieken na hun dood toch wel in de hemel zouden komen, hoefde men niet zo nauwkeurig te werken bij het vinden van bewijs voor ketterij. Zo werd injuli 1209 de stad Béziers, ingenomen en werd daarbij de hele bevolking, ook de katholieken, gedood onder het motto: "Maak ze allen af, God zal de Zijne herkennen..."De zwaarste strijd werden geleverd in de huidige departementen Aude, Haute Garonne, Tarn en Ariège. Het tij leek te keren toen in 1213 de koning van Aragon, Peter II, de graaf van Toulouse en zijn vazallen bij Muret (vlakbij Toulouse), waar Simon de Montfort zich op dat moment bevond, te hulp schoot. Onverwacht wist Simon de Montfort toch de overwinning te behalen. De graaf van Toulouse ontvluchtte en kwam in 1217 terug om Montfort aan te vallen. De Montfort werd daarbij door een steen dodelijk getroffen (juni 1218). De bevrijding van de Languedoc kon beginnen. In 1226 riep koning Lodewijk VIII echter op tot een nieuwe kruistocht. Omdat ze genoeg hadden van de oorlog, gaven de meeste zuidelijke steden zich snel over aan de overmacht van het koninklijke legers. In 1229 moest zelfs de graaf van Toulouse het opgeven en tekende hij het Verdrag van Meaux. Maar de dwaalleer was toch niet definitief gebroken: in afgelegen streken vonden de Katharen nog schuilplaatsen en toevluchtsoorden, onder andere het kasteel van Montségur. De Inquisitie werd in Toulouse in 1233 gesticht, en die gebruikte alle mogelijke middelen om een einde aan de dwaalleer te maken. Na 1252 werd de ondervragingsmethode uitgebreid met lichamelijke folteringen. De ketters werden op de brandstapel gezet en als ze dood waren, werden hun lijken opgegraven en alsnog verbrand. De meeste Katharen verdwenen in de gevangenis, en de laatste Kathaarse "prefect" werd in 1321 in het dorpje Villerouge Termenès vlakbij Carcassonne verbrand. Daarmee was het katharisme verdwenen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

De Waldenzen

 

 

 

 

 

 

 

In de Alpendalen van Piemonte, het zuiden van Zwitserland en in het noorden van Italië kwamen al eeuwenlang gelovigen voor die zich eenvoudig ‘broeders’ noemden, en die later ‘Waldenzen’ werden genoemd. Deze naam is afkomstig van Petrus Waldo uit Lyon, die in de eerste helft van de twaalfde eeuw geboren werd. Het is heel goed mogelijk dat zij nakomelingen zijn van Christenen die tijdens de eerste Romeinse vervolgingen naar het noorden zijn uitgeweken, tegen het einde van het apostolisch tijdperk. Evenals de Paulicianen, Bogomils en de Katharen hebben zij nimmer de kerkelijke leer aanvaard. Als eenvoudige broeders vormden zij gemeenten naar Nieuwtestamentisch model, in eenvoud en oprechtheid zonder het ritueel en de inzettingen die de Roomse kerk kenmerkten. Waldo werd ‘gegrepen’ door het evangelie en verkocht zijn bezittingen en verdeelde het onder de armen en wijdde zich vanaf die tijd, we schrijven 1180, geheel aan het bestuderen en verkondigen van de boodschap van de Bijbel. Hij vroegen nog wel een preekvergunning aan, maar paus Alexander III vond dat hij dit als niet-onderlegde leek niet nodig had en ook niet mocht doen. Maar Waldo en de zijnen weigerden om hun mond te houden en de woorden Gods voor zich te houden. Hun ijver voor het evangelie leidde ertoe dat hij in 1184 door de Kerk werd geëxcommuniceerd. Door zijn vele reizen raakte Waldo ook in contact met de gelovigen, die later naar hem genoemd werden. Hij stierf in 1217 in Bohemen, en dat geeft blijk van de afstanden die hij aflegde.

De Bijbel was voor de Waldenzen dé instantie waarbij men in beroep ging en waarvan de uitspraken als bindend werden aanvaard. Het concilie van Toulouse in 1229 viel de Waldenzen aan op de bron waaruit zij putten: de Bijbel. De Roomse geestelijkheid zag heel goed in dat de Bijbel de basis vormde van hun verzet tegen de kerk van Rome, en daarom werd besloten om deze ‘gevaarlijke lectuur’ voortaan weg te nemen uit handen van de leken. Ook werd bepaald dat er geen gedeelten van de Schrift meer mochten worden vertaald in de taal van het gewone volk. Drie eeuwen later, tijdens het concilie van Trente dat van 1543 tot 1564 werd gehouden, werden deze decreten voor absoluut geldend verklaard en gold alleen nog maar de Vulgata als de enige gezaghebbende versie van de Bijbel. Bovendien moest iedere katholiek zich neerleggen bij de uitleg die de Kerk van de Schrift geeft.

De Waldenzen en soortgelijke groepen broeders hebben een grote en duurzame invloed uitgeoefend; als gevolg daarvan werd de waarheid van de Schrift snel verbreid en nam het aantal plaatse gemeente aanmerkelijk toe. In de eerste heldt van de dertiende eeuw reikte de invloed van hun geestelijk onderricht tot ver buiten hun eigen gemeenten. Lange tijd waren de steden als Straatsburg en Keulen de centra van hun bediening.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Albigenzen 

 

 

 

 

De naam Albigenzen duikt op in het midden van de twaalfde eeuw; ze zijn vernoemd naar de plaats Albi. Tijdens een concilie gehouden in Albi werden mensen voorgeleid die niet erg afweken van wat een Rooms-Katholiek zou zeggen. Maar het punt waarom het ging was dat zij voor hun geweten geen eed konden en wilden afleggen, en daarom werden zij veroordeeld. Hun leefwijze was een voorbeeld voor allen. Onder het volk werden ze daarom ook wel ‘goede mannen’ genoemd. De gemeenten die ontstonden, stonden in nauw contact met de broeders, of zij nu Waldenzen werden genoemd of Bogomils. Deze gemeenten, die buiten de Katholieke Kerk bijeenkwamen groeiden dermate in aantal dat de paus Innocentius III in 1299 een kruistocht tegen de graaf van Toulouse, Raymond VI, uitriep, omdat hij de Kerk daarin niet volgde en voorzag dat het gevolg van het wegsturen van deze mensen grote nadelige gevolgen zou hebben voor zijn land. Aan de ‘kruisvaarders’ werden aflaten voor hun zonden beloofd en mochten zij de behaalde buit houden. Geleid door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en onder het militair leiderschap van Simon van Montfort, werd in het mooiste deel van Europa van die dagen een onherstelbare schade aangericht. Twintig jaar lang werd dit gebied het toneel van grenzenloze wreedheid en geweld. Bekend is uit die tijd de belegering van de stad Béziers waar dan ook niemand werd gespaard en tienduizenden omkwamen. Ook de katholieken die in de stad woonden werden niet gespaard omdat ze weigerden de poorten van de stad voor de plunderaars te openen. Bij het innemen van een andere stad La Minerve, vond men 140 gelovigen, de mannen in het ene huis en de vrouwen in het andere, die in afwachting van hun lot in gebed verenigd waren; De Montfort liet een grote brandstapel oprichten en vertelde hun dat zij zich tot het katholieke geloof konden bekeren of anders de brandstapel moesten beklimmen. Hun antwoord was dat zij geen paaps of priesterlijk gezag erkenden, alleen dat van Christus en zijn Woord. Waarop het vuur werd aangestoken en alle belijders, zonder uitzondering, de vlammen ingingen.

Dicht bij deze plaats, in de omgeving van Narbonne, werd in 1210 de Inquisitie ingesteld, onder toezicht van Dominicus die de orde der Dominicanen heeft gesticht. Deze inquisitie heeft datgene afgemaakt wat de kruistocht had overgelaten. Vele broeders vluchtten daarop naar de Balkanlanden (terug), anderen werden in de naburige landen verstrooid. Toen was de beschaving van de Provence, de tuin van Europa, verdwenen. De tactiek van de verschroeide aarde werd zo grondig toegepast dat het nog vandaag de dag een relatief verlaten gebied is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Hugenoten

 

 

 

 

In het midden van de 16e. eeuw kwamen in verschillende delen van Frankrijk gelovigen samen bij elkaar om de Bijbel te lezen en te bidden, maar zij hadden verder geen organisatie. Er werden echter kinderen geboren en zo rees het probleem van de kinderdoop: men wilde niet naar de Roomse Kerk gaan om het kind te dopen, maar tegelijkertijd vond men dat een ‘bijbelkring’ niet tot de doophandeling kon overgaan. Zo kwam men, door de omstandigheden gedreven, tot een concept dat het midden houdt tussen ‘Kerk’ en ‘Gemeente’, namelijk het presbyteriaanse stelsel, waarbij elke plaatselijke gemeente zelf haar voorganger en oudsten kiest. De leden van de gemeenten droegen verschillende namen zoals ‘evangelischen’ of ‘godsdienstigen’, maar later kwam de naam Hugenoten in zwang, waarvan de oorsprong niet vaststaat. Zij waren bijzonder talrijk in het zuidoosten van Frankrijk, maar ook in andere delen van het land nam hun aantal toe, zo zelfs dat er spanningen ontstonden tussen de Katholieken en Hugenoten. Officieel was er vrijheid van godsdienst en algemeen hoopte men op hervorming en tolerantie van de zijden van de kerk en Staat. Deze hoop werd onder meer ingegeven door een brief van de koninging-moeder, Catharina de Medici, aan de paus schreef en waarin zij een pleidooi voorde voor hervormingen binnen de Rooms-Katholieke Kerk en tolerantie v oor de Hugenoten. Maar de paus beschikte in ongunstige zin, wat ertoe leidde dat beide partijen zich gingen bewapenen, de katholieke partij onder leiding van de hertog de Guise en de Hugenoten onder admiraal de Coligny (!). Een oorlog was het gevolg die duurde tot 1572 omdat de koning van Navarra (die de zaak van de Hugenoten was toegedaan) met de dochter van Catharina de Medici, de zuster van de koning van Frankrijk. Iedereen was in feeststemming vanwege de onverwachte wending die de zaak had genomen en tal van Hugenoten dromden naar Parijs waar in de Notre-Dame het huwelijk werd gesloten in de verwachting dat het nú eindelijk vrede zou zijn. Binnen een week nadat het huwelijk had plaatsgevonden werd het signaal gegeven voor de uitvoering van een goed bewaard plan: de katholieke leiders overvielen de niets-vermoedende en ongewapende Hugenoten en richten wat genoemd wordt ‘De slachtpartij van Bartholomeüs’ aan. Aan ontsnappen viel niet te denken, want alle huizen van Hugenoten waren tevoren gemerkt, en na vier dagen waren de straten van Parijs en het water van de Seine gevuld met de verminkte lijken van mannen, vrouwen en kinderen. Wat in Parijs gebeurde vond ook plaats in heel het land. Naar schatting hebben 20.000 Hugenoten de dood gevonden. Onder Hendrik van Navarra organiseerden de Hugenoten zich wat leidde tot een burgeroorlog die in 1594 eindigde, nadat de koning van Navraa tot koning van Frankrijk was gekroond. Maar in 1610 werd de koning vermoord en brak de strijd opnieuw uit. De Hugenoten werden vervolgd en onderworpen en tijdens de regering van Lodewijk XIII braken opnieuw zware vervolgingen uit. De Hugenoten werden gedwongen zich tot de Roomse Kerk te bekeren, anders werden ze door de befaamde ‘Dragonades’ opgejaagd of uitgemoord. Deze ‘dragonders’ waren militairen die bij de Protestanten werden ingekwartierd en toestemming kregen om de ‘ketters’ te mishandelen en te plunderen. De kinderen van de Hugenoten werden hun ontnomen om in kloosters te worden opgevoed, hun vrouwen werden verkracht. De rampspoed van de Hugenoten bereikt in 1685, toe het edict van Nantes werd herroepen, een dieptepunt. In een paar weken tijd werden 800 plaatsen van samenkomst vernield. Wie zich niet wilde bekeren kwam zonder werk en de kinderen werden gedwongen katholiek opgevoed. Daardoor kwam een ware exodus tot stand en vele Hugenoten verlieten het land. Hierdoor verarmde het land en raakte het jaren achterop, terwijl de landen die deze ballingen opnamen met hen een bron van welvaart binnenhaalden. Want door deze stoere, nijvere en betrouwbare Calvinisten bloeide het geestelijke en maatschappelijke leven op in landen als Zwitserland, Holland, Brandenburg en Schotland.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Mennonieten of Doopsgezinden

 

 

 

De geschiedenis van de Mennonieten, genoemd naar hun voorganger Menno Simons, wordt vaak in verband gebracht met de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in Münster (Duitsland) omstreeks het jaar 1534. In die tijd preekten een aantal ‘profeten’ dat het duizend jarig vrederijk was aangebroken en dat gebeuren zou plaatsvinden in de stad Münster. Deze stad was door Philips, de vorst van Münster protestant verklaart, waardoor het tot een toevluchtsoord werd voor een grote menigte vluchtelingen, en onder hen bevonden zich ook gevaarlijke fanaten. Een zekere Matthijsz van Leiden maakten misbruik van deze situatie en het duurde niet lang of zij kregen zoveel invloed dat ze het stadsbestuur afzetten en zelf de macht grepen. Al snel voerde hij en anderen zuiveringen door ongelovigen voor de keuze te stellen: gedoopt te worden, de stad verlaten of te sterven. De absolute gemeenschap van goederen werd ingevoerd en tevens de polygamie. Na de dood van Matthijsz kwam Jan van Leiden aan het bewind en huwde de weduwe van Matthijsz. Ze lieten zich kronen tot koning en koningin van Münster. Kort daarna werd de stad ingenomen, waarop een grote slachtpartij volgde. ‘Koning en koningin’ werden op dezelfde plaats terechtgesteld waar zij zich hadden laten kronen.

Door deze gebeurtenissen kwam er een grote smaad op hen die Christus in oprechtheid wilden volgen. Daardoor bleef voor velen van ‘de broeders’ de lang verbeide vrijheid van geweten en eredienst uit. Zij werden verstrooid en vervolgd, dikwijls in kleine groepen, maar God gebruikte een oprecht man, Menno Simons, om zijn verstrooide schapen te weiden.

Menno werd in 1496 in Witmarsum (Nederland) geboren en op zijn vierentwintigste tot priester gewijd in de Roomse kerk. In zijn biografie schrijft hij over die tijd: ‘Wat betreft de Schriften, die had ik heel mijn leven nooit aangeraakt, want ik was bang dat wanneer ik daarin zou gaan lezen, ik misleid zou worden.’ Toen hij later toch de Bijbel ging lezen raakte hij in gewetensnood. In die periode werd er in Leeuwarden een zekere Sicke Snijder, onthoofd omdat hij zich opnieuw had laten dopen. Dat er een andere doop kon bestaan dan de kinderdoop zetten Menno aan het denken en zoeken, totdat hij in Bijbel het antwoord vond. Dit was de aanleiding van zijn bekering en doopt, die plaatsvond in 1535. Toen de invloed van de ‘sekte van Münster’ naar Nederland kwam bestreed hij die met kracht. Ongeveer een jaar later kreeg Menno Simons, na een ontmoeting met enkele godvrezende mannen, de nood op zijn hart van de vele verstrooide schapen die – afgescheiden van de wereld en van de valse sekten – bijeenkwamen en handelden naar het licht dat zij uit Gods Woord hadden ontvangen. In 1537 verliet hij de Roomse kerk om zijn verdere jaren als reizend leraar de Gemeente in de verstrooiing op te bouwen. De groepen van gelovigen die daardoor ontstonden werden al gauwe ‘Mennonieten’ genoemd. De rol die de Mennonieten hebben vervuld is erg groot en wereldwijd. Zij werden vervolgd van Friesland tot Pruisen en daarna tot in Oekraïne; vandaar vertrokken zij naar Amerika en Canada en naar tal van andere landen zoals Bolivia en via Nederland naar Suriname. We besluiten met een citaat uit de biografie van Menno Simons: ‘Voorts hoop ik, en daartoe helpe ons de Here, dat niemand mij in de hele wereld ooit met reden kan beschuldigen van hebzucht of weelde. Goud en rijkdom bezit ik niet, het hoeft zelfs niet voor mij, ook al zijn er sommigen die uit nijd zeggen dat ik meer gebraden vlees eet dan zij gehakt, of meer wijn drinkt dan zij bier… Hij die mij gekocht en tot zijn dienst geroepen heeft kent mij en weet dat ik geen geld of goed zoek, geen plezier of gemak op aarde, maar alleen de gunst des Heren, mijn eigen behoud en dat van velen.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Herrnhutters

 

 

 

Omstreeks het midden van de 18e. eeuw was het protestantisme verdeeld in ontelbare fracties en daarmee een toneel van bittere ‘broederstrijd’. Toch waren er in alle kerken mensen die verlangden naar de gemeenschap met God, en de eenvoud van een christelijke gemeente. Het verlangen naar God en levensheiliging en de visie op een Bijbelse gemeente leidden er toe dat veel gelovigen elkaar vonden in eenvoudige huissamenkomsten. De mensen braken niet met de officiële kerk, maar bouwden elkaar op in de eenheid van het geloof en de bemoediging van de Schriften, dwars over alle muren van confessies en denominaties heen.

Het was de aanleiding en het begin van het ‘Reveil’, een opwekking van een kerk ‘dat de naam had te leven, maar dood was en dreigde te sterven’. (Op3:1-2)

De grondlegger van de Herrnhutters, was graaf von Zinzendorf (1700-1760). De naam Hernhutters is afgeleid van het landgoed waar ze zich hadden gevestigd: ‘onder ’s Heren hoede’. Ze zijn ook bekend onder andere namen, zoals: de Evangelische Broedergemeente of Moravische broeders en zijn verspreid in een groot aantal landen.

Von Zinzendorf had een groot verlangen om het evangelie aan anderen bekend te maken en toen hij in Kopenhagen de kroning bijwoonde van koning Christiaan VI kwam hij in contact met mensen uit de toenmalige Deense koloniën in West-Indië en Groenland. Toen hij van hen hoorde hoe de mensen daar leefden werd in hem het zendingsvuur ontstoken om aan deze heidenen het Evangelie te brengen.

Daarna werd Herrnhut gereorganiseerd tot een zendingsbasis en in 1732 werd het eerste zendingsteam uitgezonden naar West-Indië, een jaar gevolgd door een team dat naar Groenland ging. Later vertrokken ook teams naar India, Afrika en de beide Amerika’s, waardoor Herrnhut een centrum werd dat met tal van plaatsen en gebieden op aarde was verbonden.

Van West-Indië is uit Nederland vooral het werk van de Herrnhutters, ook wel Evangelische Broedergemeente geheten, in Suriname bekend. Men begon in 1738 onder de Indianen (aan de kust) te werken, maar deze arbeid moest in 1808 worden opgeheven. In 1765 vestigden zich de eerste zendelingen onder de Bosnegers, maar vanwege het hete klimaat waren er de eerste tijd veel graven van zendelingen, soms leek het erop dat het aantal graven groter was dan het aantal bekeerden. Daarom is men vrij snel over gegaan tot het aanstellen van inlandse evangelisten en ging de zending zich meer concentreren op het onderwijs en, de verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders van de plantages. Daarbij had men vooral tegenstand te overwinnen van de slavenhouders, die ervoor beducht waren dat ‘bekeerde slaven’ minder goed bruikbaar waren dan heidense slaven! Maar na verloop van tijd bleek hun vrees ongegrond en werd aan de Broedergemeenten niets meer in de weg gelegd.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd er gewerkt ook onder de Indiase en Javaanse koelies, die door de overheid waren geïmporteerd om na de afschaffing van de slavernij (in Suriname op 1 juli 1863)op te plantages te werken. Als gevolg hiervan ontstond in Suriname een veelkleurige gemeente, bestaande uit Creolen, Indianen, Javanen, Hindoestaan en blanken.

In 2003 hadden de Broedergemeenten wereldwijd 762.000 leden in 30 landen, waarvan een dergelijk 480.000 in Afrika. De Hernhutters zijn in Europa verdeeld over drie kerkprovincies: Tsjechië, Groot-Brittannië en Continentaal Europa (Duitsland, Nederland, Zwitserland, Denemarken, Zweden, Estland en Letland). De grootste gemeenschappen zijn te vinden in Nederland en Duitsland.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

De Methodisten

 

 

 

 

 

 

John Wesley werd in 1703 als negentiende kind geboren. Zijn moeder werd geboren uit een gezin met vijfentwintig kinderen, waarvan zij de jongste was. Ondanks dat stak ze veel tijd in de ontwikkeling van haar kinderen, maar hield ook tijd over om zelf bijeenkomsten te leiden in haar huis. John Wesley wordt samen met zijn broer Charles gezien als de stichter van de Methodisten. Over John Wesley zelf hoop ik volgend jaar het een en ander te schrijven, nu gaan we ons bezig houden met het ‘Methodisme’.

Beide broers waren benoemd tot predikant in de Anglicaanse kerk. Al op de universiteit richtte John een club op die ‘nuttige boeken’ las en religieuze oefeningen deed zoals vasten en regelmatige communie. Omdat ze in hun geestelijk leven een bepaald patroon volgden (methode) ontstond al gauw de naam ‘Methodisten’. In 1735 werden de broers John en Charles als zendelingen uitgezonden naar Georgia, VS., maar dat werd een volslagen fiasco. Ze waren wel ijverig en zochten het goede voor de kerk van Christus, maar de weg tot behoud kenden ze niet, zoals zoveel van hun collega’s in die tijd. Dat leerden ze kennen na een ontmoeting met een volgeling van de Herrnhutters.

Terug in Engeland vertrokken zij op uitnodiging van de evangelist George Whitefield naar Bristol om aan mijnwerkers het evangelie te brengen, en dit met grote zegen. Deze bediening bracht hun overal op de Britse eilanden. Men heeft berekend dat daarbij 400.000 kilometer te paard werd afgelegd. Menigten van tienduizenden hoorden hem het evangelie verkondigen, en vaak bekeerden zich duizenden van hen. De samenwerking van George Whitefield zou vijftig jaar standhouden.

Nu werd Wesley geconfronteerd met probleem van alle evangelisten: wat te doen met de duizenden nieuwe gelovigen? Hij bracht ze in gezelschappen bijeen en hoopte dat de Kerk van Engeland ze verder zou opvangen. De vitaliteit van de Methodisten en de starheid van de Kerk van Engeland maakte dat helaas niet mogelijk. Toen besloot Wesley, zelf voorgangers aan te stellen, en dat maakte de breuk met de Staatskerk compleet, waardoor de Methodisten een aparte denominatie werden.

De kracht van de Wesleys lag in de geest van opwekking. Bij John kwam dat tot uiting in een krachtige evangelieprediking waardoor duizenden, wellicht miljoenen, met God verzoend de eeuwigheid zijn ingegaan. Bij Charles uitte de geest van opwekking zich in vele prachtige liederen, waarvan hij er honderden, ja duizenden componeerde, en die tot op de dag van vandaag gezonden worden.

Enkele bekende Methodisten zijn: William Booth, de oprichter van het Leger des Heils, Hillary Clinton, Georg Bush.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Baptisten

 

 

 

 

Ik zou niet het ontstaan en de geschiedenis van de Baptisten kerken in Amerika willen behandelen – die is wellicht voldoende bekend - maar die van Duitsland en hun uitstraling naar het toenmalige Russische rijk, van Siberië tot aan de Kaspische Zee. De persoon van Johann Gerhard Oncken (1800-1884) speelt daarin een centrale rol. De gemeente in Hamburg waar Oncken diende, ook heeft bijgedragen aan het ontstaan van het Baptisme in Nederland in Gasselternijveen, waar op 15 mei 1845 ene Johannes Elias Feisser zich liet dopen en het Baptisme in Nederland een aanvang nam. Feisser raakte goed bevriend met ds. Jan de Liefde, doopsgezind predikant te Zutphen. Ook kwam hij in contact met baptisten uit Duitsland. In Hamburg stichtte de predikant Johann Gerhard Oncken in 1834 de eerste baptistengemeente op het Europese vasteland. Oncken was in Engeland met het baptisme in aanraking gekomen. Deze Oncken stuurde Köbner en Remmers als afgevaardigden van zijn gemeente op pad om met Feisser en diens opvattingen kennis te maken. Begin mei 1845 trok Feisser naar Hamburg en maakte er kennis met Oncken en de zijnen.

Wat onderscheid de Baptisten eigenlijk van andere denominaties? De Baptisten verwerpen de kinderdoop en leren de doop van gelovigen (niet volwassenen!). Mensen die tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen en daarvan in het openbaar getuigenis geven kunnen worden gedoopt door onderdompeling.

Oncken was van Lutherse komaf, een kerk die helemaal onder de invloed was geraakt van rationalisme van die tijd. Oncken bezat geen Bijbel, ‘maar dat deed ook niets, want hij was al geconformeerd.’ Tijdens een bezoek aan Schotland kreeg hij echter een Bijbel in zijn bezit en zo begon zijn geestelijke ontwikkeling. In 1823 keerde hij terug naar Hamburg waar hij als zendeling van ‘The Continental Society’ ging werken. Als begaafd prediker trok hij grote aantallen mensen, waarvan er zich velen tot Christus bekeerden. In 1828 werd hij vertegenwoordiger van het Schotse Bijbelgenootschap; men schat dat hij wel twee miljoen Bijbels heeft verspreid.

In 1838 liet hij zich, met enkele anderen, als gelovige dopen door onderdompeling. Zo’n nieuwe sekte konden de burgerlijke autoriteiten echter niet toestaan, en gevangenschap en ballingschap volgden. Eerst in 1866 werden alle denominaties in Hamburg gelijkberechtigd.

Door het groot aantal Duitsers in Rusland breidde de Baptistenbeweging zich snel uit. Daar kwamen ze in aanraking met ‘de Stundisten’, gelovigen die de Russische staatskerk hadden verlaten en zich de Bijbel lieten voorlezen, want de meesten van hen konden lezen noch schrijven. De ‘voorlezingen’ duurden één uur (het duitse woord Stunde betekend: uur), vandaar hun naam ‘Stundisten’.

Andere leden van het Schotse Bijbelgenootschap kregen een onderhoud met de toenmalige Tsaar Alexander I, die vertelde dat hij pas op veertigjarige leeftijd voor het eerst een Bijbel had gezien, maar die had hij dan ook verslonden omdat hij in dit boek ‘de spiegel van zijn ziel’ vond. Daardoor ging Rusland open voor Gods Woord, en er zijn weinig landen waar dat Woord meer is gewaardeerd en meer heeft uitgewerkt dan in dat immense rijk.

Maar het evangelisatiewerk bereikte alle lagen van de bevolking. Wanneer er in een district een Nieuw Testament arriveerde was dat dikwijls het middel waardoor tal van mensen werden bekeerd, en dat leidde vervolgens tot een plaatselijke gemeente van gelovigen. Zo kwam het tot tal van gemeenten door het hele Russische Rijk, van Siberië tot aan de Kaspische Zee.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Vergadering van Gelovigen

 

 

 

 

 

 

Het begin van de Vergadering van de gelovigen (ook ‘Broeders’ of ‘Plymouth Brethren’) genoemd, is gelegen in het 19e-eeuwse West-Europese Réveil. Ongeveer in 1830 ontstonden de eerste ‘vergaderingen’ in Ierland en Groot-Brittanië, ca. 1840 in Zwitserland en Frankrijk, ca. 1850 In Duitsland, Nederland en Noord-Amerika, nog later in de rest van Europa (inclusief Rusland), Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland, nog later in Zuid-Amerika en Azië. In de tweede helft van de negentiende eeuw omvatte de beweging al vele duizenden ‘vergaderingen’ in de hele westerse wereld. De ‘roots’ van de ECV-gemeenten liggen in deze beweging.

Door de verregaande verwereldlijking, niet alleen in de Engelse kerk, maar ook in verschil-lende Afgescheiden kerken, vond God op verschillende plaatsen in Dublin bereidwillige gelovigen, die de toestand onderkenden en zochten naar een grondslag waarop zij brood konden breken. Omstreeks 1825 waren er in Dublin drie vrienden die van harte dezelfde Heer dienden en de hele week samen waren, maar, omdat ze tot verschillende denominaties behoorden, op zondagen steeds een verschillende weg gingen. Daardoor zochten ze naar een groep waar ze samen konden komen om avondmaal vieren zonder elkaars geweten geweld aan te doen en begonnen daarmee met z’n drieën buiten menselijke en kerkgenootschappen en predikambten om; gewoon als ‘broeders’.

Een van de meeste bekende broeders is zonder twijfel John Nelson Darby (1800-1888), die de grondbeginselen van de ‘broeders’ op schrift gesteld heeft. In 1818 was hij tot bekering gekomen en maakte deel uit van de broederbeweging, nadat hij in 1833 de banden met de Engelse kerk verbrak. De broederbeweging heeft een omvangrijke literatuur opgeleverd. Een bibliotheek in de Verenigde Staten die zich op deze literatuur heeft toegelegd sprak van zo’n tienduizend titels, waarvan een groot gedeelte zich toelegde op ecclesiologisch terrein.

Naast de grote nadruk die gelegd werd op het onderwijs betreffende de Gemeente, werd er ook grote aandacht besteed aan het profetische woord. De leer van de wederkomst van Christus vóór het duizendjarig vrederijk was een van die zaken. Daarvoor was een fundamenteel onderscheid tussen Israël en de Gemeente nodig. Een bedelingenleer waarin elke bedeling, of periode werd gekenmerkt door een voortgaand verval, was een andere leer.

De prechiliastische eschatologie – d.w.z. de van de wederkomst van Christus vóór hert duizendjarig vrederijk - waarvan Darby de instignator is, wordt tot op heden door het grootste deel van de internationale beweging omhelsd.

Vanaf het begin van haar bestaan heeft de ‘broederbeweging’ twee idealen gekoesterd die nauwelijks met elkaar te verenigen waren. Het ene ideaal was een volstrekt anti-sektarische openheid naar alle medegelovigen toe, en het andere ideaal was het vormen van een getrouw, geheiligd overblijfsel temidden van een vervallen en verdorven christenheid.

In 1848 haakte een groot gedeelte van de beweging af en vormde de zgn. ‘Open Broeders’ waardoor de anderen ‘Gesloten Broeders’ werden genoemd. De ‘Open Broeders’ ontplooiden een enorme evangelische activiteit, de ‘Gesloten Broeders’ legden zich meer toe op bijbelonderzoek en schriftelijke arbeid.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX