Kerkgeschiedenis Personen

 

 

In deze rubriek bevinden zich de volgende artikelen:

 

 

John Wyclif

Johannes Hus

Geert Groote

William Tyndale

Maarten Luther

Uhlrich Zwingli

Johannes Calvijn

Graaf von Zinzendorf

Gebroeders Wesley

George Whitefield

Dwight L. Moody

William Carey

Hudson Taylor

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

John   Wyclif

 (1330 - 1384)

 

 

 

Handelingen van de Gemeente 

In deze serie artikelen worden een tiental personen voorgesteld die van grote betekenis zijn geweest voor de christelijke kerk van de dertiende tot de twintigste eeuw.

 

John Wyclif werd geboren in het Engeland van koning Hendrik IV, door wie de brandstapel ingevoerd om de RK-kerk een genoegen te doen. De vermenging van politiek en religie had daar ook geleid tot een geestelijk verval van de kerk maar ook tot een moeilijke positie van de gelovigen van de christelijke gemeenten aan wiens groei Hendrik IV een einde probeerde te maken.

Wyclif was een uitnemende geleerde, geboren nabij Richmond in Yorkshire. Als jonge man was hij door het evangelie gegrepen en wilde die boodschap ook verder uitdragen, waarvoor hij ruimschoots de gelegenheid kreeg op de universiteit van Oxford waar hij docent in de theologie was. Onbevreesd wees hij erop dat de Roomse geestelijkheid het Woord van God had uitgebannen, en hij drong erop aan dat dit Woord zijn juiste plaats in de Kerk terug zou krijgen.

De bron van geloof, zo leerde hij, is het Evangelie van Jezus Christus. De paus kan maar niet willekeurig gezag opeisen, maar net als ieder ander is hij onderworpen aan Gods Woord. Drie jaar later stelde de kerk hem in staat van beschuldiging, want een dergelijke lering kon zij natuurlijk niet verdragen. Maar Wyclif stond bij de regering in hoog aanzien, en omdat hij ook bij het volk populair was, kon de Kerk die aanklacht niet doorzetten.

Na een tijd wierp Wyclif op wat hij als zijn taak zag: de Bijbel in de landstaal beschikbaar maken. Deze vertaling kwam klaar tussen 1382-1384 en vond een warm onthaal. Toen John Wyclif aan het Engelse volk de Bijbel in hun eigen taal gaf, legde daarmee de basis voor een herboren gemeente, waarmee het getuigenis uit apostolische tijden werd hersteld.

Uit de rooms katholieke hoek kwam er groot verzet tegen het uitgeven van een Bijbel in de volkstaal, want tijdens het concilie van Trente van 1543 was met namelijk tot de volgende besluiten gekomen: (1) Vaststelling van de canon van de Bijbel, de lijst van gewijde boeken (= Heilige Schrift; Oude en Nieuwe Testament) Later is zijn daar nog de apocriefe geschriften van het OT aan toegevoegd). (2)De openbaring bestaat enkel uit de Heilige Schrift en de kerkelijke traditie. (3)De Vulgata, de Latijnse Bijbelvertaling, wordt voor de rooms-katholieken tot standaardtekst van de Heilige Schrift verklaard.

Door het vertalen van de Bijbel kreeg Wyclif ook inzicht in tal van omstreden zaken die door de Kerk geleerd werden. Het belangrijkste dat hij hier ontdekte is het absoluut gezag van de Bijbel alleen. De Bijbel mag niet alleen door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders op gezag van hun organisatie. Integendeel, het verstaan van Gods Woord is het voorrecht van ieder mens die zich voor Christus buigt en Gods Woord nederig en met ontzag leest. Dan zal de heilige Geest hem zelf onderwijzen en de Schrift aan hem uitleggen.

Hoewel Wyclif tot aan zijn dood priester bleef van de Roomse kerk, had hij een duidelijk beeld van Christus’ gemeente, waartoe allen behoren die in Hem uitverkoren zijn, en die dan ook ‘alleen priesters van God’ zijn.

Deze boodschap van Wyclif werd door de anderen tot in de verste hoeken van Engeland uitgedragen. Deze ‘arme predikers’ hadden een eenvoudige levensstijl en werden later spottend ‘Lollarden’ genoemd wat babbelaars of wauwelaars betekent, omdat zij slechts ongeletterde leken waren.

Ook keerde Wyclif zich tegen de kerkorganisatie, tegen de religieuze orden en tegen de positie van de paus als hoofd van de kerk. Ook bestreed hij de pretentie van de paus dat deze alle wereldlijke macht bezat en dat de vorsten aan hem ondergeschikt waren. Ook op de aflatenhandel had hij, net als later Luther scherpe kritiek.

Deze opvattingen riepen een felle reactie op van de kerkelijke leiders. Wyclif werd uit Oxford verbannen en op een synode in 1382 te Londen werd hij ter dood veroordeeld. Machtige vrienden voorkwamen de uitvoering van het vonnis. Maar de arm van de kerk reikte ver. Postuum werd zijn lichaam toch nog opgedolven en verbrand, ter uitvoering van een veroordeling van Wyclifs opvattingen door het concilie van Konstanz (1414-1418).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Johannes Huss

 

 

 

Door koningsbanden verbonden, ontstond aan het eind van de veertiende eeuw een culturele uitwisseling tussen Engeland en Bohemen. Onder de Boheemse studenten die in Oxford gingen studeren bevond zich ook een zekere Hiëronymus van Praag. Deze kwam onder de indruk van het onderwijs van Wycliffe en keerde terug naar zijn land waar hij de “nieuwe leer” met grote vrijmoedigheid begon uit te dragen. Zijn moedig getuigenis van de kracht van het Evangelie was het middel waardoor het Johan Huss ging dagen wat en Wie de bron van alle leven is. Johannes (Jan) Huss was een gewone boerenzoon die zoveel talenten had en ontwikkelde dat hij later rector van de universiteit van Praag werd, een van de meest vooraanstaande universiteiten van Europa. Zijn oprecht geloof werd gesteund door zijn natuurlijke talenten, waardoor hij machtig sprak tot de mensen waarvan er al velen door de Waldenzen waren toebereid. Hij sprak daarbij ook tot de natie, waar hij gevoelens van vaderlandsliefde opwekte die hun uitdrukking vonden in het versterken van de eeuwenoude wedijver tussen Duitsers en Tsjechen. Dat gaf aan zijn beweging een belangrijk politiek aspect, waardoor een van oorsprong geestelijke stroming later toch leidde tot betreurenswaardige ontwikkelingen. Natuurlijk ging het effect van zo’n prediking niet voorbij aan de Roomse geestelijkheid, die ervoor zorgde dat Huss door de paus werd geëxcommuniceerd. Zijn geschriften, die aan de Tsjechische “ketterij” haar basis gaven, werden openlijk verbrand, maar daarmee werd Huss tot een levende martelaar gemaakt die de sympathie won van de koning van Bohemen en de grote meerderheid van het volk: verwarring alom! Tijdens het concilie van Constanz, dat van 1414 tot 1417 duurde, werd veel aandacht besteed aan deze geestelijke ontwikkeling, die de positie van de Kerk in MiddenEuropa bedreigde en ook grote staatkundige gevolgen kon hebben. Het belangrijkste agendapunt, waarvoor dit Concilie was belegd, was echter het bestaan van twee of zelfs drie pausen naast elkaar. Daardoor ontstond grote verwarring en dreigde er een scheuring binnen het Roomse kamp. In 1378 was namelijk het “grote westerse schisma” ontstaan dat zou duren tot 1415: naast de paus van Rome regeerde in Avignon een tegenpaus; beide pausen deden hun tegenstanders in de ban, zodat dus in feite de hele Katholieke Kerk onder de banvloek lag! Men kon zich dus niet nog meer verwarring permitteren en zo werd Huss uitgenodigd om op het Concilie te verschijnen. Dit betekende het hol van de leeuw binnengaan, om daar getuigenis af te leggen van zijn geloof en om de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en vorsten Gods Woord voor te houden. Vertrouwend op de persoonlijke belofte van vrijgeleide door de keizer van het “Heilige Roomse Rijk”, Sigismund, toog Huss naar Constanz om daar te ontdekken dat hij bedrogen was. Zijn “vrijgeleide” hield op in een smerige kerker aan dit wonderschone meer, omdat de raad inmiddels een “openbaring van de Heilige Geest” had ontvangen dat de Kerk niet gebonden is aan een belofte jegens een ketter. De behandeling van Huss, om hem ertoe te brengen zich te reinigen van de “melaatsheid van de Waldenzen” en de “leer van Wycliffe” was gruwelijk en wreed. Maar niets kon hem afbrengen van wat hij zelf had onderwezen, naar het Woord van God, en standvastig en heldhaftig bleef hij getrouw aan zijn Heer. Direct nadat het Concilie was afgelopen, in 1415, werd er een dienst gehouden waarin Huss op schandelijke wijze in het openbaar werd gedegradeerd, waarna hij op de brandstapel de martelaarsdood stierf, evenals Hiëronymus van Praag, die Huss tot Christus had geleid. Veertig dagen tevoren schreef Huss het volgende op: Ik ben ten zeerste vertroost door wat Christus zei: “Gezegend zijt gij wanneer de mensen u haten” … een goede, nee de beste groet die men ooit kan geven. Maar ook erg moeilijk, niet om te begrijpen, maar om ernaar te leven, want ons wordt gezegd dat wij ons in deze vervolgingen moeten verheugen ... Zelfs de dapperste Soldaat was na het Avondmaal terneergedrukt in zijn geest, ofschoon Hij wist dat Hij op de derde dag zou verrijzen ... Zo hebben dan ook de soldaten van Christus een zware strijd te voeren, ook als zij opzien naar hun leider, de Koning der heerlijkheid. Zij gaan door vuur en water, maar niet ten verderve, want zij ontvangen de kroon des levens. En die kroon der heerlijkheid zal de Heer, naar ik vast geloof, ook aan mij geven. En ook aan u, gij die er ernst mee maakt om de waarheid te verdedigen en die vasthoudt aan de liefde van Christus ... O heiligste Christus, trek mij, ook al ben ik zwak, naar U toe, want als U ons niet trekt kunnen wij U niet volgen. Versterk mijn geest dat deze gewillig mag zijn. Wanneer het vlees zwak is, moge dan uw genade onze val voorkomen; kom tussenbeide, want zonder U kunnen wij niet voor uw zaak een wrede dood tegemoet zien. Geef mij een hart zonder vrees, een oprecht geloof, een vaste hoop, een volmaakte liefde, zodat ik mijn leven voor uw zaak rustig en met blijdschap kan neerleggen. Amen. Geschreven in de gevangenis, in ketenen, aan de vooravond van St. Jan de Doper. De wijze waarop Huss en Hiëronymus behandeld werden zweepte de emoties in Bohemen op, wat leidde tot verschillende reacties. Zij die de leer van Huss aanhingen werden verdeeld in verschillende partijen, waarvan de grootste wel waren de Ultraquisten en de Taborieten. Bij beide trad een vermenging op van geestelijke principes en het vertrouwen op menselijke middelen, maar allebei deden zij dit op een heel verschillende wijze. De Ultraquisten neigden naar een compromis met Rome en uiteindelijk erkende de paus hen dan ook als de nationale Kerk. Daarbij werden wederzijdse concessies gedaan, maar toch trok de Kerk van Rome aan het langste eind. De Taborieten ontleenden hun naam aan het stadje Tabor, dat hun centrum was. Op het marktplein ziet men nog de resten van de stenen tafels waar duizenden mensen hebben deelgenomen aan het Avondmaal, door brood en wijn te ontvangen, wat Gij Rome slechts aan de “geestelijkheid” was voorbehouden. Zo werd dan de beker tot het symbool van de Taborieten, evenals het meertje onderaan de heuvel, dat “Jordaan” werd genoemd en waarin duizenden mensen werden gedoopt op belijdenis van hun geloof. De Taborieten hielden onbevreesd vast aan hun bijbelse leer en praktijk en waren niet bereid tot enig compromis met Rome. Toen dat conflict door de Kerk op de spits werd gedreven, namen zij het zwaard op en dreven onder leiding van hun generaal Jan Zizka het pauselijke leger terug. Maar die overwinning was van korte duur, want in 1434 werden zij verslagen door een leger van Ultraquisten die het midden hadden gezocht tussen beide extremen. Los van deze situaties van conflict en militair geweld waren er ook die de weg van het lijden verkozen en weigerden hun geestelijke strijd met vleselijke wapenen uit te vechten. Deze mensen kwamen zowel van de Ultraquisten als van de Taborieten, waarbij zich ook de Waldenzen schaarden. Onder het leiderschap van Petrus Chelchicky keerden velen terug naar de ongecompliceerde praktijk van de dagen der apostelen, toen de gelovigen bijeen waren zuiver op grond van hun verhouding tot Christus. Hij schreef in 1440 een belangwekkend boek, getiteld “Het net des geloofs”, waarin hij zijn onderwijs uiteenzette. Het gevolg hiervan was onderlinge bemoediging en versterking, maar niet alleen dat: onder hen leefde ook het sterke verlangen om Christus in deze wereld uit te dragen en als “Unitas Fratrum” (broeders in eenheid) erkenden zij allen die in Christus zijn, in welk land zij zich ook bevinden. Zij stonden buiten de Kerk van Rome maar wezen iedere sekte- of partijgeest af. Dat gaf hun getuigenis een grote en duurzame kracht. Uit deze kringen komt ook Jan Amos Comenius voort, en weer een eeuw later de zendingsman Graaf von Zinzendorf. Beiden worden in het volgende hoofdstuk besproken; Comenius bij de “nadere reformatie” en Nikolaus Ludwig von Zinzendorf als een van de zendingspioniers.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Geert Groote

 

 

 

 

 

 

 

De Unitas Fratrum kunnen worden beschouwd als vroege evangelische gemeenten, die ook stonden in de “traditie” (in de goede zin van het woord) van de gemeenten die tijdens de donkere eeuwen Gods fakkel hadden hooggehouden. Zij kwamen niet alleen in geestelijk opzicht, maar ook in andere opzichten tot bloei. Als voorbeeld noemen wij het netwerk van onderwijs dat een van hun groepen, de “broeders des gemenen levens”, legden over de Nederlanden en Noordwest-Duitsland. Hun stichter was Geert Groote uit Deventer, die samen met jan van Ruysbroeck de broederschap vormde en de eerste school in Deventer vestigde. De grondslag werd als volgt verwoord: “De wortel van de studie en de spiegel van het leven moet in eerste instantie het Evangelie van Christus zijn.” Kennis zonder vroomheid werd meer als een vloek dan als een zegen beschouwd. Hun” moderne devotie” is geen mystiek die vreemd gaat, omdat zij zich gebonden weet aan de leer der Kerk en geen eigen wegen gaat die los staan van Gods openbaring. Het was een uitstekende school, waaraan onder leiding van de beroemde Alexander Hegius tweeduizend leerlingen studeerden. Bekende mannen die hun vorming daar gekregen hebben zijn Thomas a Kempis (die later “de Navolging van Christus” schreef) en Erasmus (die er leerde wat onafhankelijk denken is). Behalve aan onderwijs en aan praktische vroomheid werd ook veel aandacht besteed aan muziek, er werd zelfs een evangelisch liedboek samengesteld, in het Latijn! Verder werd veel gedaan aan praktische communicatie, met name het doorgeven van Gods Woord in de taal en de denkwereld van de gewone man, wat tegenwoordig “transculturele communicatie” heet. Daarmee ging men in Deventer dus duidelijk verder op de lijn die de vroegste zendelingen uit Iona hadden gevolgd, toen de christelijke jaartelling nog maar op de helft was van de tijd waarin de Deventer school haar grote bloei beleefde: in de vijftiende en zestiende eeuw. En hiermee werd dus de grondslag voor praktische bijbelse vroomheid verbreed, die het bolwerk van Izebel heeft doen schudden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

William Tyndale

 

 

 

Aan het begin van de zestiende eeuw, gebruikte God in Engeland een man die de grondslag heeft gelegd voor een zelfstandig algemeen bijbelgebruik. Eigenlijk heeft William Tyndale in zijn levenswerk het goede van Wycliffe en van Erasmus verenigd, want hij was zowel een geleerde als een vurig Godsman. In Oxford, waar Erasmus zo goed bekend was, besefte Tyndale hoe overweldigend de kracht van Gods Woord op zijn leven was. Daarnaar richtte hij dan ook zijn verdere leven in en hij heeft daarmee een solide grondslag gelegd voor de Reformatie in Engeland. Al spoedig had hij een kring van vrienden die samen het Nieuwe Testament gingen bestuderen, en toen Tyndale wegens kerkelijke druk Oxford moest verlaten en naar Cambridge ging, herhaalde zich ook daar hetzelfde: mensen werden aangeraakt door de kracht van de Schriften, zodat ook daar het getuigenis ging stralen. Het verhaal begint eentonig te worden, want ook in Cambridge zette de geestelijkheid zich in om de invloed van Tyndale’s werk teniet te doen. Daarin werden zij gesteund door de ambitieuze kardinaal Wolsey, die zijn zinnen had gezet op de “stoel van Petrus” en in Engeland al zijn invloed en macht gebruikte om de Kerk te verdedigen tegen de “verderfelijke ketterij van de Bijbel”. Zo werd Tyndale gedwongen om ook Cambridge te verlaten. Ongeveer achttien maanden lang verkeerde Tyndale in het huishouden van Sir John Walsh te Sodbury Hall als privé-onderwijzer van diens kinderen. John Walsh was zeer geïnteresseerd in de wereld der wetenschap en tevens erg vriendelijk en gastvrij. Van tijd tot tijd waren er dan ook edelen en geleerden uit het hele land bij hem te gast. Op een keer kwam het gesprek op de brandende vragen van die dagen, namelijk de Reformatie en de plaats van de Bijbel. Aan dit gesprek nam Tyndale van harte deel, waarbij hij zijn beweringen staafde met citaten uit het Nieuwe Testament, dat hij bij zich droeg. Toen gebeurde er iets waarop Tyndale noch zijn gastheer waren voorbereid, want wat bleek nu: de geleerden en edelen, kortom de leidslieden van het land, waren bij lange na niet opgewassen tegen de kennis en waarheid die Tyndale putte uit Gods Woord. Tyndale was diep geschokt toen hij merkte hoe groot de onwetendheid was van de mensen die het volk van Engeland leidden, maar dezen waren op hun beurt niet minder onthutst! Deze schok inspireerde Tyndale tot de volgende uitspraak: Wanneer God mijn leven spaart, zal het niet lang meer duren voordat ik ervoor heb gezorgd dat een ploegknecht meer van de Schriften afweet dan de godgeleerden die hen daarvan afhouden! Maar de schok van deze “godgeleerden” en hun wereldse tegenhangers maakte dat Tyndale uit zijn land moest wegvluchten toen hij nog maar dertig jaar oud was. De rest van zijn leven bracht hij in ballingschap door, maar hij ging onverdroten door om zijn doel te bereiken, ondanks ongelooflijke moeilijkheden en teleurstellingen. Als een opgejaagd stuk wild leefde hij, vluchtend van plaats tot plaats om maar niet ontdekt te worden en zijn kostbare manuscripten en boeken niet te verliezen. In 1526 verscheen de eerste druk van zijn Engelse Nieuwe Testament, waarna de boeken Engeland werden binnengesmokkeld om door zijn vrienden verspreid te worden. Dezen riskeerden daarmee hun leven en velen betaalden dan ook de hoogste prijs voor de vervulling van hun wens: dat God door Zijn Woord tot hun volk mocht spreken. De bisschop van Londen, Tunstall, verbood het bezit van deze Engelse Nieuwe Testamenten en waarschuwde zijn mensen tegen “dat verpestende en verderfelijke vergif”. De grote geleerde en staatsman, Thomas More, auteur van het belangwekkende werk “De optimo statu reipublicae deque nova insula Utopia” (1516) werd door de bisschop in de arm genomen. Daaruit blijkt dat de arm van deze staatsman, die in bijzondere dienst stond van koning Hendrik VIII, heel ver reikte, tot in Frankrijk en de Nederlanden. Deze noemde het werk van Tyndale “vol fouten”, maar toen men hem vroeg om deze fouten aan te wijzen, pareerde hij dit met het antwoord: “Zoeken naar fouten is ondoenlijk, want dat staat gelijk met het zoeken naar water in de zee.” Toch bleek later dat Tyndale’s versie van het Nieuwe Testament uit het Grieks en zijn Oude Testament uit het Hebreeuws, iedere toets der literaire kritiek glansrijk kon doorstaan. Tyndale zelf kwam tenslotte door verraad aan zijn einde. Veroordeeld wegens ketterij werd hij in 1536 in Vilvoorde bij Brussel van zijn gevangenis naar de plaats van terechtstelling gevoerd. Geketend aan een massief houten kruis met een lus om zijn hals, werden de takkebossen rondom zijn lichaam opgestapeld. Toen het teken gegeven werd trok de beul het touw aan waarop William Tyndale zijn hemelse beloning tegemoet trad. Het droge hout voedde de vlammen die het tengere lichaam dat zo’n grote ziel had gehuisvest tot as verbrandde.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Maarten Luther

 

 

 

Maarten Luther werd in 1483 geboren als zoon van een mijnwerker. Hoewel zijn ouders arm waren, gaven zij hem goed onderwijs, waardoor hij in 1501 aan de universiteit van Erfurt kon gaan studeren. Reeds als kind had Luther een diep besef van zonde en een innig verlangen naar vrede, en dat werd versterkt toen hij in de universiteitsbibliotheek een complete Bijbel las. Met name de geschiedenis van Hanna en Samuël maakte een diepe indruk op hem, waardoor hij ging nadenken over de vraag “Waar ga ik heen als ik sterf?” Een blikseminslag en de gewelddadige dood van een van zijn vrienden waren de directe aanleiding tot het opgeven van zijn studie. Zijn gelofte aan God kwam hij na door in het klooster te gaan waar hij zijn lichaam, zijn ziel en zijn geest pijnigde in het zoeken naar “een genadig God”. Een overste van de orde der Duitse Augustinianen, Johannes von Staupitz, hoorde op een rondreis van de zoekende monnik en diens zielestrijd. Door hem werd Luther opnieuw bepaald bij de Bijbel en gewezen op Christus: “Alléén door Hem is er redding en wordt de vrede met God verkregen”. Luther volgde dit advies op en bij het lezen van de Romeinenbrief (in het bijzonder 1:17 en 3:21) brak het licht door in zijn hart en vond hij de lang-gezochte vrede voor zijn ziel: rechtvaardiging door het geloof alleen. Hierop volgde een diepgaande Bijbelstudie waardoor Luther werd gebracht tot een prediking die velen overtuigde van de eenvoudige waarheid uit Gods Woord, tegen alle poespas van religieuze en kerkelijke praktijken in, die de mensen altijd weer om Gods doel met hen in Christus en in de Gemeente (Ef. 3:21) heeft heengeleid. Deze verbale confrontatie bereikte een hoogtepunt in het vrijmoedig optreden van Luther tegen de infame praktijken van een Dominicaner monnik, Tetzel genaamd. Deze was een gewiekst zakenman die de mensen geld uit de zakken klopte, omdat zijn hoogste baas, paus Leo X, veel geld nodig had om zijn Sint Pieter in Rome te kunnen bouwen, en ook voor zijn eigen buitensporige levensstijl. Daartoe verkocht Tetzel zogenaamde aflaten, waardoor men geliefden direct uit het vagevuur kon vrijkopen, onder het uitroepen van het rijmpje: Als ‘t muntje in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt. Deze praktijk maakte het Luther wel erg gemakkelijk om het hele stelsel als een gigantisch bedrog te ontmaskeren. Luthers geest, vervuld van zijn ervaring van Gods genade, ontstak in hevige woede over zo’n godslasterlijke aanmatiging, maar deze was slechts een logisch gevolg van de leer der Kerk die Aquino had ontwikkeld (en die beschreven is in IV.3.1). Met het vasttimmeren van zijn vijfennegentig stellingen aan de slotkapel van Wittenberg gaf hij uiting aan de opgekropte gevoelens van velen die generaties lang onder paapse onderwerping hadden geleefd. Waarachtige vergeving en genade Gods, zo leerde Luther, wordt niet verkregen door aflaten of door de leer der Kerk, maar door bekering van de zondaar tot God. Enkele van deze stellingen luiden, kort en bondig: no. 27. Zij die voorgeven dat zodra het geld in de buidel klinkt, de ziel uit het vagevuur vaart, bazelen. no. 32. Eeuwig zullen met hun leraars ten verderve gaan, die menen door aflaatbrieven van hun zieleheil verzekerd te zijn. Als een lopend vuurtje ging deze mare, gesteund door gedrukte afschriften van deze stellingen, heel Duitsland door. Daardoor kwamen vriend en vijand in beroering. In 1518 ontbood de paus Luther naar Rome, maar op advies van zijn vrienden ging hij daar niet heen, want dat zou zeker zijn ondergang hebben betekend. Dit is een les die hij van Huss had geleerd: “De Kerk is tegenover ketters niet aan haar woord gehouden”. Daarop ging Luther zich verder verdiepen in het roomse systeem, waarbij hij onder meer tot de ontdekking kwam dat het hele pausschap historisch gezien op zeer zwakke gronden berustte en dat het historisch “bewijs” dat het pausschap reeds vanaf de vierde eeuw zou hebben bestaan niet méér was dan een handige vervalsing. In die tijd werd Luther bijgestaan door zijn vriend Philippus Melanchthon, die professor in Wittenberg was. Deze was een bekwaam geleerde en qua karakter wel het andere uiterste van Luther. Deze Melanchton ging met hem mee toen in 1519 in Leipzig een groot openbaar debat werd belegd, waar Johann Eck op zeer bekwame wijze de katholieke zaak verdedigde en daarbij ook probeerde de felle Luther-aanhanger Karlstadt in een hoek te drijven. Het ging er ongeveer zo toe: Ontkende Luther het absolute gezag van de paus? Ja. Kon hij zich dan ook vinden in de lering van Johannes Huss die door het Concilie van Constanz als ketter veroordeeld en terechtgesteld was? Ja. Had dit Concilie derhalve gefaald in haar zaak tegen Huss en zijn dus de concilies van de Kerk feilbaar? Nu kon Luther niet anders doen dan ook hierop met “Ja” antwoorden, want anders zou hij wel heel erg inconsequent en ongeloofwaardig zijn geworden. Maar daarmee brak hij ook feitelijk met de Katholieke Kerk. Nu brak een drukke tijd aan. Van katholieke zijde werd hard gewerkt aan de Ban waarmee Luther in 1520 werd geëxcommuniceerd. Van zijn kant bracht Luther zijn inzichten en overleggingen onder woorden in enkele geschriften die Europa op zijn grondvesten zouden doen schudden zoals: “Aan de christelijke adel van Duitsland over de verbetering van de christelijke stand”, en “Van de Babylonische gevangenschap der Kerk”. Daarin sprak hij nog veel duidelijker zijn veroordeling uit over de Roomse Kerk en haar praktijken dan in verreweg de meeste geschied- en leerboeken ooit is vermeld: nergens spaarde hij de Kerk waaruit hij was voortgekomen, een Kerk die hem zelfs de weg tot God en Christus had gewezen, maar die voor ontelbare anderen mogelijk voor eeuwig de weg tot het heil had toegesloten. Een heel ander waardevol geschrift van zijn hand is voorts: “Van de vrijheid eens christen-mens”. Toen dan ook de pauselijke oordeelsbul kwam, waarin Luther als ketter werd veroordeeld, werd in Wittenberg een groot vuur ontstoken. Maar niet Luther werd daar verbrand, ook zijn geschriften niet, maar te midden van een grote schare sympathisanten werden hierin achtereenvolgens geworpen: de pauselijke banbul, de valse decreten en de canonieke wet. En met deze gebeurtenis werd het tijdstip van de Hervorming feitelijk ingeluid. Intussen was Karel V gekozen als keizer van het Heilige Roomse Rijk. Weinig andere vorsten hebben zo’n grote wereldse macht gehad als hij, maar in Duitsland werd zijn macht beperkt door de vorsten van de deelstaten, en een van hen, Frederik de Wijze van Saksen, trad als beschermheer van Luther op en wist met zijn argumenten zelfs de (toen nog zeer jonge) keizer in verlegenheid te brengen. Als gevolg van dit politieke steekspel werd Luther in 1521 voor de Rijksdag van Worms gedaagd, onder vrijgeleide van de Duitse vorst. Deze keer ging Luther wel, “al waren de duivelen zo talrijk als de dakpannen op het dak”. Hij ging erheen om de goede zaak te verdedigen tegenover mensen die grote pressie op hem uitoefenden om alles te herroepen wat hij had geleerd. Zijn antwoord was dat hij dit alleen zou doen wanneer hem vanuit Gods Woord werd aangetoond waar hij fout was geweest, maar daarop ging de Kerk natuurlijk niet in. Op de terugweg werd Luther door zijn vrienden “gearresteerd” en naar de Wartburg gevoerd om hem tegen sluipmoordenaars te beschermen. Hier bracht hij zijn vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits tot stand, het Oude Testament zou later volgen. De periode die nu volgde was er een van grote strijd, waardoor aan de zaak van de Reformatie veel schade werd berokkend en waarin Luthers medestrijder Andreas Karlstadt een grote politieke rol heeft gespeeld. Als reactie op de dictatuur van Rome werd alles wat ook maar enigszins naar “Rome” riekte te vuur en te zwaard uitgeroeid en daarmee kwam dezelfde tirannieke geest van Rome weer de gelederen van de Reformatie binnen. De grote aanhang die Luther in latere jaren kreeg was dan ook beslist niet vanwege zijn geestelijke principes, maar veel meer vanwege de gevoelens van wrok jegens een Kerk die tegenover vorsten het volgende beleid had gevoerd met betrekking tot de massa van het volk: “Houdt u ze maar arm, dan houd ik ze wel dom”. Waar Luther zich in het begin van de Reformatie nauw verwant had gevoeld met “de broeders” (de gemeenten buiten de Kerk), werd dit later onder druk van de politieke en zelfs militaire omstandigheden zeer gewijzigd. Een belangrijke factor hierbij was zijn houding ten opzichte van de doop: tegenover de doop der gelovigen zoals de broeders die kenden koos Luther tenslotte toch weer voor de “doop” of het besprenkelen van zuigelingen, zoals de Roomse Kerk die eeuwenlang had geleerd. Al snel verloor Luther zijn nederigheid, die plaatsmaakte voor een onstuimig dogmatisme en waarin hij het evenbeeld werd van de Kerk die hij zo bestreed. Maar wat erger was: hierdoor werd zijn beweging opnieuw een Kerk die in veel opzichten leek op de Roomse Kerk van vóór 1526, als een erkenning van wat hem eerst voor ogen had gestaan maar wat hem toch niet was gelukt: Wel een zuiverder leer, maar niet een zuiver leven. Wel een goede theologie, maar de kwalijke praktijken bleven. Met krachtige hand baande Luther zich een pad dwars door alle privileges en misbruiken heen. Daardoor kon de Hervorming doorzetten. Aan talloze zondaars maakte hij Christus als Heiland bekend en hij nodigde iedereen uit om tot Hem te komen, zonder tussenkomst van priester of heilige of kerk of sacrament. Daarbij gaat het niet om wat wij aan goede werken kunnen inbrengen (van onszelf of van anderen), maar om het geloof alleen, als een zondaar die het heil aanneemt dat zijn oorsprong vindt in het volbrachte werk van Christus. Daarom is het des te verdrietiger dat Luther niet verder ging met wat de Bijbel leert aangaande de Gemeente, maar dat hij toch weer een nieuw kerkelijk systeem heeft gebracht. Hij was wel Gods instrument voor duizenden, direct of indirect, om de deur tot God, waarvan de Rooms-Katholieke het monopolie had opgeëist krachtens haar uitleg van Mat. 16:18-19, weer “hemelwijd” open te gooien. Maar hij faalde jammerlijk waar het ging om het bijbels onderwijs wat betreft de Gemeente. In 1526 schreef hij: De juiste evangelische orde (inzake de gemeente) is niet geschikt voor alle soorten mensen. Zij die oprecht Christen willen zijn en het Evangelie met hart en mond belijden moeten zich ieder laten inschrijven en afzonderlijk bijeenkomen in een huis: voor gebed, voor Schriftlezing, om te dopen, om het Sacrament te ontvangen en om allerlei christelijk werk te doen. Deze orde is noodzakelijk opdat zij die zich niet christelijk gedragen bekend worden en vermaand, hersteld of uitgesloten, overeenkomstig de regel van Christus in Mat.18:15. Hier zouden zij ook samen aalmoezen kunnen geven die vrijwillig gebracht worden om naar het voorbeeld van Paulus (2 Kor. 9:1-2) aan de armen te worden uitgedeeld. Het is dan ook helemaal niet nodig om zo prachtig te zingen: op korte en simpele wijze kan hier de doop en het Sacrament (Heilig Avondmaal) worden bediend, zoals dat in het Woord gegeven is, en in liefde. Maar ik kan nog niet zo’n gemeente opzetten omdat ik er nog niet de juiste mensen voor heb. Wanneer het echter zover zou komen ben ik bereid om mijn deel hierin bij te dragen. In die tussentijd zal ik dit model net zolang prediken, bevorderen en voorhouden totdat de Christenen het Woord zo ernstig nemen dat zij zelf gaan inzien hoe zij het moeten doen, en daarin ook verdergaan. Hieruit blijkt dat Luther een veel dieper inzicht had in het wezen van de Gemeente dan hij eigenlijk in de praktijk voor mogelijk hield. Bij weinigen komt zó duidelijk het verschil tussen Gemeente en Kerk naar voren als bij Luther, die beide kende, maar toch doorging met de Kerk die hij kennelijk “praktischer” vond voor onvolkomen mensen dan de bijbelse Gemeente!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Ulrich Zwingli

 

 

 

Hoewel Zwitserland nominaal deel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk, was het toch vanwege zijn geografische ligging een van de meest vrije delen van Europa, en praktisch onafhankelijk. Dat was een van de redenen waarom de Reformatie in dat land kon bloeien en een belangrijk aandeel kreeg in Europa als geheel. Eén jaar na Luther werd Ulrich Zwingli in Wildhaus geboren. Zijn carrière verliep voorspoediger dan die van Luther, want hij doorliep de universiteiten van Wenen en Bazel, waarna hij parochiepriester werd, eerst in Glarus en later in de kathedraal van Zürich. In die periode kwam hij in contact met de gemeenten Gods, of “wederdopers” zoals ze op misleidende wijze werden genoemd. Een van hun leiders was Konrad Grebel, die in Zürich belangrijk werk deed, en daar raakten de beide mannen met elkaar bevriend. Op die manier werd ook Zwingli geconfronteerd met het verschil tussen “Kerk” (toen nog alleen Roomse Kerk) en “Gemeente”, en daarmee groeide de overtuiging dat wie de Schrift als grondslag van zijn leven neemt ook gehouden is om “alles te onderhouden wat Ik u geboden heb”, Mat. 28:19. Daardoor hield hij zich een tijdlang ernstig bezig met de bijbelse Doop, die hij uiteindelijk toch afwees, en met het bijbels Avondmaal, waarvan hij beter dan Luther begreep dat het woordje “is” in “dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed” als beeldspraak is bedoeld en niet letterlijk genomen moet worden zoals algemeen werd geleerd. De Zwitserse Hervorming begon in 1522 vanuit Zürich en heeft twee verschillende kanten, net als haar voorloper een eeuw geleden in Tsjecho-Slowakije. Aan de ene kant is Zwingli “evangelischer” dan Luther in zijn houding ten opzichte van de Bijbel, zijn opvattingen van Doop en Avondmaal, en de nadruk op de persoonlijke bekering. Maar aan de andere kant was Zwingli een vurig patriot, die al spoedig de belangen van de Gemeente vermengde met die van de Staat, en deze vermenging van theologie en politiek maakte dat hij als ideaal “de christelijke maatschappij of communiteit” nastreefde. Als gevolg daarvan deden wereldse overwegingen hun intree, zodat “de regels van het huis van Christus en God” volgens 1 Tim. 3:15 en Hebr. 2:3 en 6 nu werden geïntegreerd met staatkundige en politieke regels, wat in de periode die wij “Handelingen der Gemeente” noemen ongewenst en onmogelijk is. Nog sneller dan bij Luther greep de Reformatie van Zwingli terug naar de periode van “Pergamum”. Vanuit zijn gezagspositie in het kanton en de stad Zürich voerde hij al in 1523 de Staatskerk in met een kerkeraad die macht had om beslissingen te nemen en door te voeren die gingen over de Kerk en de Leer. De eerste botsing kwam met de broeders die in Zürich buiten de Kerk hun gemeenten hadden en die nu door de Kerk onder vuur genomen werden. Een zekere gelovige, Müller genaamd, sprak toen hij voor de kerkeraad werd gebracht de volgende woorden: Onderdruk mijn geweten niet, want geloof is een vrije gave van Gods genade waarin niemand mag ingrijpen. Het geheimenis Gods is een verborgenheid, het is als een schat in de akker die niemand vinden kan tenzij de Geest van God hem die toont. Dus smeek ik u, dienaren van God, laat mijn geloof vrij. Maar dit mocht niet zo zijn: de nieuwe Staatskerk handelde vanuit het principe van de oude Katholieke Kerk dat het haar plicht is om tegen de “ketters” op te treden en hen gevangen te nemen of zelfs te doden. Dat gebeurde dan ook, en nu herhaalde zich de geschiedenis. Zoals eerder de Roomse Kerk was opgetreden tegen Huss en een eeuw later tegen Luther, zo trad nu de “Evangelische Kerk” van Zwingli op tegen leiders van de gemeente zoals dr. Balthazar Hubmeyer die als theoloog achter de “wederdopers” stond, en plaatselijke leiders zoals Grebel, Manz en Blaurock. Zij toonden aan dat Zwingli in korte tijd was omgedraaid van een man der waarheid die aan Rome “de hele Schrift” voorhield, naar een man die nu zelf niet meer op deze Schrift aanspreekbaar was. Blaurock waagde het zelfs om tegen Zwingli te zeggen: “U hebt, beste Zwingli, altijd de papisten voorgehouden dat een stelling die niet in Gods Woord is gegrond, geen waarde heeft. Maar nu beweert u dat er veel is dat niet staat in Gods Woord en dat toch in gemeenschap met God werd verricht. Waar is nu het krachtige woord waarmee u eenmaal bisschop Faber en alle monniken hebt weerstaan?” Het mocht niet baten en de drie predikers werden, samen met negen mannen en zes vrouwen, veroordeeld tot de gevangenis, op water en brood en stro, om daar weg te teren en te sterven. Allen die gelovigen doopten of zelf als gelovige gedoopt waren werden gestraft met verdrinking in rivieren, net als in Oostenrijk en Duitsland. En zo bracht de Reformatie opnieuw vervolging teweeg, zij het nu bitterder, namelijk door de broeders die eerst met hen voor de waarheid getuigden. Opnieuw werd het getuigenis van de Christenen die de vrijheid zochten om God te eren tegengestaan. Zij wilden eenvoudig van Hem getuigen, zoals het Woord dat leert, maar dat verdroeg zich niet met de opvatting van hen die kerkelijk bleven denken.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Johannes Calvijn

 

 

 

Calvijn werd in 1509 geboren in Noyon, Picardië, een zoon uit een invloedrijk gezin. Evenals de andere hervormers was ook Calvijn bestemd om priester te worden, waartoe hij aan de universiteit van Parijs ging studeren. Daar veranderde hij van gedachten en ging naar Orleans om rechten te studeren, en de combinatie van deze twee studies maakte het hem mogelijk de grote talenten te ontwikkelen die hij later zo intensief zou benutten. Tussen 1532-1533 vond, als gevolg van het bestuderen van de Schriften, een bekering plaats die Calvijns hele leven zou veranderen. Zijn geest werd ten diepste gegrepen door wat hij daarin las en weldra maakte hij deel uit van een gemeenschap van gelovigen in Parijs die bijeenkwamen voor Bijbelstudie en gebed. Bij deze groep hoorden ook enkele mannen van naam die al eerder gegrepen waren door de geleerde Jacques Lefèvre, die omstreeks de eeuwwisseling aan de Sorbonne theologie doceerde. Ook deze had het nieuwe leven in Christus leren kennen als gevolg van Schriftstudie en had daarna anderen in dat Woord onderwezen. Om voor eeuwig behouden te worden diende men Gods verkondiging van het heil in Christus aan te nemen: niet meer, maar ook niet minder was de boodschap van de Schrift. Daarmee trad Lefèvre nog eerder op dan Luther en Zwingli, en zijn leerling Guillaume Farel was de schakel die in 1636 Calvijn ertoe bracht om in Genève te blijven. Toen in Duitsland en Zwitserland de Reformatie doorbrak, was in Frankrijk de stad Meaux de plaats waar Lefèvre en Farel zich hadden gevestigd en waar voor het eerst het Nieuwe Testament en de Psalmen in het Frans het licht zagen. Calvijn was dus niet de eerste hervormer in het Franse taalgebied, maar wel de grootste. Ook bij hem zien we hoe subtiel in het begin de lijnen lopen tussen de christelijke gemeente die vanuit Meaux krachtig werd gestimuleerd en de protestantse kerk die vanuit Neuchâtel en vooral vanuit Genève haar vorm kreeg. Door het werk van Farel werden vooral de reeds bestaande christelijke gemeenten versterkt, zoals de gemeenten in Wallis en het Aosta-dal (een van oorsprong Franstalig gebied in het noordwesten van Italië), en dat gebeurde ook met de restanten van het christelijk getuigenis in de Provence. In 1536 publiceerde Calvijn zijn magistrale werk “De Institutie van de Christelijke Religie”. Hij was hiertoe gekomen omdat de “dissidente Christenen” (zij die niet meer bogen voor de macht van Rome) ervan werden beschuldigd anarchistisch te zijn. Dat was een gemene stelling die door Calvijn op kundige wijze werd weerlegd, want de Christenen zijn juist gezagsgetrouw en daarmee loyale staatsburgers, behalve wanneer de Overheid hen prest om dingen te doen die tegen hun geweten ingaan, zoals het knielen voor een Mariabeeld tijdens de verplichte Mis in de militaire dienst. Dat was echter het gevolg van de koppeling van Kerk en Staat: het is niet zozeer de Overheid die de Christenen niet zouden eerbiedigen, dan wel het kerkelijke ritueel en haar ordinanties die in het leven van de overheid en haar wetgeving waren opgenomen. Gedurende tientallen jaren heeft Calvijn aan deze Institutie gewerkt: in 1536 kwam een gedeelte uit, dat verder werd uitgewerkt totdat zijn meesterwerk in 1559 was voltooid. De Reformatie kent geen enkel werk van zo’n formaat als dit, en vooral hierdoor is Calvijn tot de meest bekende persoon van de Reformatie geworden. De periode in Genève heeft een forse stempel gedrukt op de Franse Reformatie en daarmee werd ook het vroege Calvinisme bepaald; een latere ontwikkeling zou volgen vanuit de leerstrijd in de Nederlanden. Genève was formeel protestant geworden, maar meer om politieke redenen dan vanuit een geestelijke honger van de mensen die bekend stonden om hun losbandige leven. Het doel van Calvijn was om een Kerk te hervormen die reeds verbonden was met het openbaar bestuur. Hij was van mening dat de burgerlijke overheid door God was ingesteld, maar ook dat de Kerk hiervan los moest staan. Zij die ongedisciplineerd leefden moesten door die Kerk worden uitgebannen, maar om dat gedaan te krijgen was toch weer de sterke hand van de overheid nodig! Daarop maakte Calvijn een geloofsbelijdenis die iedere burger van de stad diende te ondertekenen, maar dat veroorzaakte veel verzet, waarop zowel Farel als Calvijn de stad moesten verlaten. Zijn opvolger werd de bekwame Theodorus Beza. De volgende drie jaar bracht Calvijn in Straatsburg door, maar toen was de situatie in Genève zodanig verslechterd dat men hem verzocht weer terug te keren, wat hij slechts met tegenzin deed. Maar toen hij eenmaal in een machtspositie was gesteld, trad hij met harde hand op: zo werden in 1541 de “kerkelijke ordinantiën” aangenomen, waarin de zaken van de Kerk werden geregeld. Centraal in zijn systeem staan de ouderlingen die door het stadsbestuur worden benoemd als vertegenwoordigers van de samenleving en die in feite in de Kerk de dienst uitmaken. Telkens wanneer dit nodig was konden zij de hulp van de wereldlijke macht inroepen om hun maatregelen kracht bij te zetten en om de kerkelijke overtreders te bestraffen. Ongetwijfeld had Calvijn dit niet allemaal zo bedoeld en stellig had hij niet voorzien waartoe dit nieuwe “Pergamum” in Genève zou leiden. Maar feit is dat hij in een ontwikkeling betrokken was geraakt die hij moeilijk meer kon keren. Het is moeilijk om iemand voor alle dwalingen aansprakelijk te stellen waarvan hij het gevolg niet kon voorzien, maar wel is een mens verantwoordelijk voor de koers die hij uitzet, en dit geldt des te meer wanneer hij ook een andere keus heeft kunnen maken. Dit geldt voor ieder mens, of hij nu Franciscus van Assisi heet of Ulrich Zwingli of Johannes Calvijn. Een voorbeeld dat tekenend is voor deze ontwikkeling is de wreedheid waarmee tegen Servet werd opgetreden. Deze man, een Spanjaard, was een arts die er een andere leer op nahield dan Calvijn, een leer die ook in bepaalde opzichten onjuist was. In 1553 werd hij in Genève gearresteerd en zijn proces werd tot een prestigeslag tussen twee sterke mannen: hijzelf en Calvijn. Dit leidde tot zijn vonnis, waarop Servet als ketter werd verbrand. Daaruit blijkt overduidelijk dat Calvijn geen genoegen nam met het excommuniceren van ketters uit de Kerk, want zijn geweten preste hem ertoe om hen bij de Overheid aan te geven. Dat leidde ertoe dat allen - Christen zowel als niet-Christen die zich niet aan Calvijns “ene ware leer” wensten te onderwerpen, werden getiranniseerd en vervolgd: dit is een wrang resultaat van het uitvlakken van de grens tussen Kerk en Staat, waarmee de Hervorming ten dele opnieuw een stap terug deed naar de machtsvisie van Karel de Vijfde en “katholiek” van aard zou worden. Veel van wat Calvijn leerde moet positief worden gewaardeerd, en zijn leer verbreidde zich dan ook in vele landen: behalve in Zwitserland en Frankrijk ook in de Nederlanden en in Schotland. Een man als John Knox, die in Genève een toevluchtsoord vond, was al evenzeer een geestelijke reus als Calvijn en heeft door zijn sterke karakter de geest van een hele natie zoals Schotland voor eeuwen gevormd. Geënt op het getuigenis van de oude Keltische gemeenten en het werk dat door Wycliffe was voorbereid, werd het zuivere Woord van God in Schotland verbreid en werd de macht van een verdorven katholicisme tenietgedaan. Ook voerde Knox in Schotland een stelsel van onderwijs in waardoor de Schotse boerenstand het beste onderricht ontving van heel Europa, waardoor in dat land het effect van het optreden van Geert Groote in Noord-Duitsland en de Nederlanden nog werd overtroffen. De theologie van Calvijn legt sterke nadruk op het functioneren van Gods inzettingen en verordeningen in de levens van de gelovige, en de wijze waarop hij dit onder woorden bracht geeft aan zijn theologie het karakter van een juridische verhandeling. Natuurlijk wordt een mens behouden door geloof alleen, en niet door werken zoals Rome leert, want door dat geloof ontvangt de gelovige het leven van Christus. En als gevolg daarvan is het geloof niet uit de werken, maar het uit zich wel in werken, namelijk de werken der dankbaarheid (een reformatorische interpretatie van Rom. 12:1-2). Het feit dat de gelovige de jure (rechtens) gerechtvaardigd is moet blijken uit een leven dat ook de facto (feitelijk) rechtvaardig is, en de norm daarvoor is de Wet van God vanuit de Schriften. Daarmee kreeg het Christendom een grote invloed op het karakter van een mens, als reactie op de losbandigheid die door Rome werd getolereerd mits men zich maar onderwierp aan de inzettingen en rituelen van de Kerk. De zwakte van het Calvinisme was de verbinding die gelegd werd tussen Kerk en Staat. Dit leidde ertoe dat de basis van de Kerk gemengd was en mede daardoor zijn tal van zaken die de Schrift onderscheidt dooreengemengd. Dit leidt tot problemen van Bijbeluitleg en vooral tot de noodzaak van een alsmaar voortdurende reformatie, waarvoor zelfs een theologisch motief wordt gebruikt! Dan worden Theocratie en Koninkrijk Gods vermengd met de Gemeente en het gevolg is een Kerk die ten dele wordt geregeerd door de Raad van koningen en hooggeplaatsten, waardoor de Raad van God verduisterd wordt. Voorbeelden van leerstukken die duister bleven zijn de positie van Israël, de leer van de toekomst en de verwachting van Jezus wederkomst. Het Woord bleef echter staan zodat Gods licht toch helder kon gaan stralen en er definitief een einde kwam aan de duistere Middeleeuwen. In de eeuwen die volgden wordt dan het accent verlegd naar de uitleg van dat Woord, waarbij de “namen” van de verschillende “denominaties” een grote rol gaan spelen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Graaf von Zinzendorf en de Herrnhutters

 

 

 

Graaf Ludwig von Zinzendorf werd in 1700 in Dresden geboren. Reeds als kind had hij de Here Jezus lief en die liefde werd verder ontwikkeld en gericht door zijn verblijf op de school van August Francke in Halle, waar hij ook de zendingsvisie indronk door het voorbeeld van Francke. Deze visie en gezindheid zou hij later overdragen op de “Moravische broeders”, in Nederland beter bekend als de Herrnhutters. De naam is afkomstig van een heuvel op zijn landgoed in Saksen, Hutberg geheten, waar in 1722 de timmerman-evangelist Christian David een toevlucht zocht voor de Moravische gelovigen die hij voor Christus had mogen winnen en waarom zij nu vervolgd werden. Eigenhandig kapten zij de bomen en bouwden het prachtige plaatsje Herrnhut, “onder ‘s Heren hoede”. Beide mannen waren aan elkaar gewaagd, maar ook heel verschillend, en vrij snel ontwikkelde zich een diepe controverse die nog werd gevoed door de stroom van vluchtelingen uit de wijde omgeving naar de veilige haven die Herrnhut en Berthelsdorf - het modeldorp van Zinzendorf - hun boden. Het duurde niet lang of het landgoed werd het toneel van een bittere woordenstrijd. Maar toen bleek pas goed de gezindheid en het leiderschap van de Graaf door de wijze waarop hij de ruzie beslechtte: Hoewel onze geliefde Christian David mij voor het Beest uitmaakt en pastor Rothe voor de Valse Profeet, zien wij toch dat zijn hart oprecht is en weten we dat we hem op het rechte pad terug kunnen brengen. Door zijn diplomatie en groot stuurmanschap wist Von Zinzendorf tal van conflicten op te lossen, zoals bijvoorbeeld de relatie tussen de Moravische broeders - die zelfstandig wilden blijven - en de Lutherse Kerk. De oplossing werd dat de Kerk Herrnhut erkende als een onafhankelijke gemeenschap binnen de Lutherse Kerk, waarbij een der broeders tot bisschop werd gewijd, zodat deze aan anderen de bevoegdheid kon verlenen om de sacramenten te bedienen. Maar ondanks dit vergaande compromis werd Von Zinzendorf later toch uit Saksen verdreven en kregen de Moraviërs hun zin door als een eigen denominatie erkend te worden. Op een dag werden de jeugddromen van Graaf von Zinzendorf werkelijkheid. Die had hij lang geleden opgeschreven toen hij op school de “Bond van de Vier Broeders” had gevormd: deze had ten doel om aan de wereld bekend te maken de “Universele Godsdienst van de Heiland en zijn Gezin van Discipelen, de Godsdienst van het Hart, waarin de Persoon van de Heiland het Centrum is”. Die dag kwam toen hij in Kopenhagen de kroning bijwoonde van koning Christiaan VI en daar in contact kwam met mensen uit de toenmalige Deense koloniën in West-Indië en Groenland. Toen hij van hen hoorde hoe de mensen daar leefden werd in hem het zendingsvuur ontstoken om aan deze heidenen het Evangelie te brengen. Daarna werd Herrnhut gereorganiseerd tot een zendingsbasis en in 1732 werd het eerste zendingsteam uitgezonden naar West-Indië, een jaar later gevolgd door een team dat naar Groenland ging. Later vertrokken ook teams naar India, Afrika en de beide Amerika’s, waardoor Herrnhut een centrum werd dat met tal van plaatsen en gebieden op de aarde was verbonden. Zo werd Herrnhut vele malen vermenigvuldigd en daarmee werd ook de kracht van haar vitaliteit en geestelijk leven wijd en zijd verbreid. Maar dat gold ook de andere zijde die haar zwakheid weergaf, omdat het systeem van communiteiten wél dienstbaar is aan idealisten, maar niet Gods model is om het leven van de Geest te bevatten. Dat is immers de Gemeente die niet te maken heeft met kerkprovincies, bisschoppen en synodes, maar met plaatselijke gemeenten en een open hemel, met daartussen slechts de geestelijke banden die geen grafelijke inventiviteit ooit kan verbeteren. Van West-Indië is uit Nederland vooral het werk van de Herrnhutters, ook wel Evangelische Broedergemeente geheten, in Suriname bekend. Men begon in 1738 onder de Indianen (aan de kust) te werken, maar deze arbeid moest in 1808 worden opgeheven. In 1765 vestigden zich de eerste zendelingen onder de Bosnegers, maar vanwege het hete klimaat waren er de eerste tijd veel graven van zendelingen, soms leek het erop alsof het aantal graven groter was dan het aantal bekeerden. Daarom is men vrij snel daarna overgegaan tot het aanstellen van inlandse evangelisten en ging de zending zich meer concentreren op het onderwijs en de verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders van de plantages. Daarbij had men vooral de tegenstand te overwinnen van de slavenhouders, die ervoor beducht waren dat “bekeerde slaven” minder goed bruikbaar waren dan heidense slaven! Maar na verloop van tijd bleek hun vrees ongegrond en werd aan de Broedergemeenten niets meer in de weg gelegd. Sedert het begin van de twintigste eeuw werd ook gewerkt onder de Indiase en Javaanse koelies, die door de overheid waren geïmporteerd om na de afschaffing van de slavernij op de plantages te werken. Als gevolg hiervan ontstond in Suriname een veelkleurige gemeente, bestaande uit Creolen, Indianen, Javanen, Hindoestani en blanken. De Stadskerk in Paramaribo was een prachtig voorbeeld waar de vele rassen die zich onder de Ene naam hadden verenigd, elkaar vonden, en vele zijn de prachtige liederen die door hen werden gezongen en uitdrukking gaven aan de grootheid van Christus’ verlossingswerk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De gebroeders Wesley en de Methodisten

 

 

 

Evenals in Duitsland was ook de situatie in de Engelse Kerk van de achttiende eeuw weinig verheffend. In de hogere klassen was het mode geworden om niet meer aan godsdienst te doen, en van hoog tot laag verwilderden de zeden, want men wilde niet de geboden houden van Iemand die niet bestaat. De “geestelijkheid” van de officiële kerk was - enkele uitzonderingen daar gelaten - weinig beter dan het volk als geheel en dat maakte dat degenen die als pelgrims op “de smalle weg” bleven wandelen met hoon en spot werden bejegend. In die situatie verwekte God iets nieuws door een tweetal instrumenten die Hij zich verkoos, de gebroeders Wesley. Hun invloed op Engeland zou zó groot worden, dat thans algemeen wordt erkend dat het slechts aan hun arbeid te danken is dat Engeland niet ten prooi is gevallen aan de geest der Revolutie die aan het einde van de achttiende eeuw over Frankrijk en Europa raasde. John Wesley was een man die zijn eigen behoud zocht te verdienen door veel religieuze oefeningen, maar dat bracht hem alleen maar verder van huis. Op een schip naar Amerika maakte hij kennis met het eenvoudige geloof en geestelijk leven van een groep Herrnhutters die als team van zendelingen naar de Nieuwe Wereld overstaken; bij hen vergeleken voelde John zich een buitenstaander. Dat leven met God was precies waarnaar hij verlangde, maar waar hij zelf, zoon van een stoere Anglicaanse predikant, buiten stond. Hierdoor raakte hij in een geloofscrisis, wat ertoe leidde dat hij tenslotte de begeerde vrede met God vond. John en Charles Wesley hadden een godvruchtige moeder, Susanna Wesley, die negentien kinderen gebaard had waarvan er acht als baby waren gestorven. Zij had de gewoonte haar kinderen en dienaren geregeld bijeen te roepen om met hen de Schrift te lezen en te bidden. Dat werd ook naar buiten bekend, waarop anderen werden aangetrokken, totdat er tenslotte zóvelen kwamen dat het huis te klein werd en de mensen moesten worden weggezonden. Maar toch kenden John en Charles in hun jeugd nog niet de persoonlijke omgang met God zoals hun moeder hun voorleefde en die John herkende in de Herrnhutters op het schip. Beide broeders onderscheidden zich in hun studie en werden benoemd tot predikant in de Anglicaanse Kerk. A1 op de universiteit richtte Charles een club op die “nuttige boeken” las en religieuze oefeningen deed zoals vasten en regelmatige communie. Maar zelfs daarmee konden zij hun ziel niet redden, ook al dreven anderen de spot met hen door hun namen te geven als “Heilige Club” en “Methodisten”. In 1735 werden John en Charles als zendelingen uitgezonden naar Georgia, V.S., en hun geschiedenis tot dan toe is typerend voor veel predikanten en zendelingen die wél ijverig zijn voor de Kerk en ook het goede zoeken en God willen behagen, maar die nooit de wedergeboorte en het nieuwe leven ervaren en gekend hebben. De zending werd een volslagen fiasco en beiden keerden gedesillusioneerd naar Engeland terug. Daar ontmoetten zij weer een Herrnhutter, Peter Boehler geheten, die hun de weg tot behoud duidelijk uitlegde: een zondaar kan vergeving en redding ontvangen door simpel geloof in het volbrachte werk van Christus. Binnen enkele dagen vonden zowel Charles als John, door een diepe zielenood heen, de zo begeerde vrede met God die John zo treffend beschrijft: Ik voelde op een wonderlijke wijze mijn hart warm worden. Ik merkte dat ik echt mijn vertrouwen op Christus mocht stellen en dat Hij ook mijn Heiland was; er kwam een zekerheid in mij dat Hij ook mijn zonden weggenomen en mij gered had van de wet der zonde en des doods. Zoals gezegd was de situatie in Engeland verre van rooskleurig. De oorlogen en strijd van vorige eeuwen hadden een nasleep van goddeloosheid en verwildering van zeden. De wijze waarop de wet gehandhaafd werd was barbaars, de situatie in de gevangenissen tartte elke beschrijving. Een groot deel van Engeland was onchristelijk geworden: de elite beschouwde de godsdienst als een afgedane zaak, iets uit het verleden, en de armen leefden in verschrikkelijke omstandigheden, zonder onderwijs en zedeloos; dronkenschap en grofheid heersten alom. Engelse filosofen verzonnen tal van godloze systemen, zoals het Deïsme dat Voltaire naar Frankrijk overbracht, of het scepticisme, de voorloper van het evolutionisme dat zichzelf superieur verheven acht boven alle anderen. In het religieuze denken had het rationalisme van de Verlichting zijn intrede gedaan, waardoor de prediking van haar kracht werd beroofd en het geestelijk leven tot het nulpunt was gedaald. Kortom, het land had dringend iets nieuws nodig, mogelijk een grote revolutie, maar God gaf een opwekking. Typerend voor de krachteloosheid van de godsdienst is het verhaal van de predikant die nog laat in de avond aan het studeren is, als een meisje bij hem aanklopt: “Bent u dominee?” “Ja”, is het antwoord. “Laat u dan mijn moeder binnen!” Denkend dat op straat een dronken vrouw ligt, wil de man de politie roepen, maar het meisje zegt: “Ze ligt thuis en is stervende, maar ze kan de hemel niet binnengaan, helpt u haar alstublieft”. De predikant gaat met haar mee en begint aan de vrouw prachtige dingen te vertellen, hoe we de edele Jezus als voorbeeld moeten nemen in het leven. Ongeduldig en in doodsnood wijst de vrouw hem af: “Ik heb mijn leven achter me, dominee, en ik heb er niets van terechtgebracht, ik heb als zondaar geleefd. Maar nu kan ik de hemel niet binnengaan. O, help me toch!” De predikant ziet in dat hij de vrouw, met al zijn humanistisch en verheven denken, niet kan helpen. Ten einde raad gaat hij in gedachten terug naar de tijd dat hij bij zijn moeder op schoot de oude verhalen over Jezus hoorde en hij vertelt haar van het offer dat Christus heeft gebracht door zijn leven en zijn bloed voor ons te geven. “Daardoor is de verzoening voor onze zonden teweeggebracht, geloof dat toch, het geldt óók voor u!” Met een zucht aanvaardt de vrouw Gods genade en ontslaapt in vrede, maar ook de predikant ervaart de vrede van God op grond van het aloude Evangelie, en wordt bekeerd. Dit is de boodschap die de gebroeders Wesley in Engeland brachten. Helemaal geen schittering van geleerde woorden, maar de kracht van het Evangelie dat hun moeder hun voorhield en dat ze in de Herrnhutters zagen werken. Toen de kerken zagen waar het echt om ging, sloten zij hun deuren voor de Wesleys, want voor hun “enthousiasme” was geen plaats in de theologie van de kerken. Op uitnodiging van George Whitefield vertrokken zij naar Bristol om aan mijnwerkers de Boodschap te brengen. Dat ging eerst wat aarzelend, want spreken in de open lucht gold in die tijd als “onfatsoenlijk”, maar toen zij zagen wat God deed, smolt hun vrees en vooroordeel weg, en zo begonnen zij aan “het echte werk” waarin zij de komende vijftig jaar zouden mogen staan. Deze bediening bracht John Wesley samen met George Whitefield overal op de Britse eilanden. Men heeft berekend dat daarbij 400.000 kilometer te paard werd afgelegd. Dat werk was niet zonder gevaar, want zowel rovers, menigten als kerkelijke leiders vormden een bedreiging voor hun leven, elk op z’n eigen wijze. Maar Wesley was onbevreesd en God was met hem, zodat menigten van tienduizenden hem hoorden, waarvan er vaak duizenden zich bekeerden. Zelfs de meest ruwe en verstokte zondaars vonden in tranen vrede aan de voet van het kruis. Velen werden door Gods Geest overtuigd en vonden onder luid geroep van berouw hun weg tot Christus. Nu werd Wesley geconfronteerd met hetzelfde probleem dat alle evangelisten onder ogen moeten zien: wat te doen met die duizenden nieuwe gelovigen? Hij bracht ze allereerst in gezelschappen bijeen, zowel in Bristol als in Londen, en als aanhanger van de Kerk van Engeland hoopte hij dat deze groepen konden blijven functioneren onder de paraplu van de Kerk. In dat oprechte en naïeve verlangen verschilde hij in niets van de Graaf von Zinzendorf, maar desondanks kwam toch weldra de onvermijdelijke scheiding. De starheid van de Anglicanen en de vitaliteit van de Methodisten verdroegen elkaar eenvoudig niet en dat dreef hen uit elkaar. Predikanten die door de Kerk waren aangesteld waren er toen niet en daarmee werd de vraag urgent wie dan de sacramenten mocht bedienen. Toen besloot Wesley, mede op grond van de ontwikkeling in Amerika, zelf voorgangers aan te stellen met volledige bevoegdheid, en dat maakte de breuk met de Staatskerk compleet, waardoor de Methodisten een aparte denominatie werden. A1 gauw ontwikkelde het Methodisme zich tot een kerkgenootschap, met een jaarlijks predikantenconvent dat de beweging leidde. Ook al werden de kerkelijke termen zoals synodes, bisschoppen en classes vermeden, men koos voor hetzelfde patroon, maar gaf er andere namen aan. Daardoor slopen de gebreken van de Kerk die men verlaten had ook weer bij de Methodisten binnen. Wanneer John Wesley vandaag de dag in een Methodistenkerk zou spreken, zouden velen er dan ook grote moeite mee hebben en hem “te enthousiast” vinden. De kracht van de Wesleys lag dan ook niet in het oprichten van bijbelse gemeenten, maar in de geest van opwekking. Bij John kwam die tot uiting in een krachtige evangelieprediking waardoor duizenden, wellicht miljoenen, met God verzoend de eeuwigheid zijn ingegaan. Bij Charles uitte de geest van opwekking zich in vele prachtige liederen, waarvan hij er honderden, ja duizenden componeerde, en die tot op de dag van vandaag gezongen worden. Deze gezangen vertolken de diepste emoties van de ziel die God aanbidt, maar daarnaast zetten zij de rijkdom van de belangrijkste bijbelse leerstellingen duidelijk uiteen: een standaardvoorbeeld van “culturele communicatie”. Toen Charles en John Wesley op hoge leeftijd stierven was de achttiende eeuw al bijna ten einde en had Engeland de geestelijke kracht opgebracht om de golven van de godloze revolutie te kunnen weerstaan.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

George Whitefield en de Opwekking in Amerika

 

 

De metgezel van John Wesley was George Whitefield, die in 1714 in Gloucester was geboren. Zijn leven bracht hem in nauw contact met de grote Engelse opwekkingsprediker, en dat was hijzelf ook; toch waren beide mannen heel verschillend. Whitefield maakte een radicale bekering mee toen hij nog maar tweeëntwintig jaar oud was nadat hij, evenals de Wesleys, God op alle mogelijke manieren die de Kerk aangaf, had gezocht. Op krachtige wijze begon hij als geordend predikant van de kansels te prediken: de zonde noemde hij bij de naam en ook wees hij valse kerkelijke leerstellingen, zoals de wedergeboorte door de doop, op bijbelse gronden af. Dat had het bekende tweevoudige effect: de mensen stroomden naar hem toe en velen werden krachtdadig bekeerd, maar de theologen moesten er niets van hebben, zodat de kerken hun kansels voor hem sloten. Hoewel Whitefield evenals Wesley Anglicaan was, betekende de Kerk niet alles voor hem, zodat hij volkomen vrij was om overal waar God hem de deuren opende, het Evangelie van de verlossing te prediken. Dat bracht hem ook in Bristol, waar zijn weg die van de Wesleys zou kruisen. Voor een grote menigte predikte hij daar “Over de menselijke natuur en de noodzaak van onze wedergeboorte in Christus Jezus”. Behalve voor grote menigten sprak hij ook voor kleine huisgemeenschappen, door van huis tot huis te gaan en overal waar men hem binnenliet de Schrift uit te leggen. Na voor een groep arme mijnwerkers gesproken te hebben, vertelde hij eens: Toen ik bemerkte dat de kansels mij ontzegd worden terwijl de arme mijnwerkers op het punt staan verloren te gaan door gebrek aan kennis, ging ik naar hen toe en predikte vanaf een heuvel voor tweehonderd van hen. Ik dank God dat het ijs nu gebroken is en ik mijn arbeidsveld gevonden heb... Het leek wel op de dienst van mijn Schepper die een berg als preekstoel had en de hemelen als zijn klankbord en die, toen het Evangelie door de joden verworpen werd, zijn dienaren uitzond om te gaan naar de heggen en de steggen. Hoewel Wesley Arminiaan was en Whitefield Calvinist, schaadde dat de persoonlijke vriendschap tussen de beide evangelisten nooit, en God gebruikte beide mannen om de verlorenen tot de Goede Herder te brengen. Whitefield was welbespraakt, vurig van geest en dikwijls sprak hij zó beeldend dat de mensen als het ware de tonelen waarover hij sprak voor zich zagen. Soms brak hij zelf in geween uit als hij zag hoe groot de nood was van de zielen onder zijn gehoor. Maar God deed de wegen van beide evangelisten uiteengaan, en wel in geografische zin, wat ook de reden is voor deze afzonderlijke paragraaf. Whitefield werd namelijk niet alleen gebruikt voor een opwekking in Engeland, maar was ook Gods instrument voor een grote opwekking in Amerika: “ The Great Awakening”. In totaal bezocht hij zesmaal de Verenigde Staten, waar hij in 1770 stierf. Deze “Great Awakening” in Amerika heeft een geweldig en dubbel effect gehad. De Geest van God bezocht de Staten aan de Oostkust zodat in Nieuw-Engeland en het berggebied van de Alleghenies hele dalen geestelijk in vuur en vlam raakten door middel van een geweldige overtuiging van een heilig God en de zondige mens. Als gevolg daarvan zochten tal van dorpen en steden verlichting van hun zondelast die hen werd verkondigd door mannen die in de kracht van de Heilige Geest Christus als Heiland en Heer predikten, net zoals dit in Engeland werd gedaan. Whitefield fungeerde daarbij als “brug” tussen de beide landen en onderhield een levenslange vriendschap met jonathan Edwards, die in het bijzonder Gods werktuig voor Amerika was. “Honderdduizenden mensen werden gered en aan de kerk toegevoegd, en dat ging jarenlang dag aan dag door”, zo luidt een van de verslagen uit die tijd. Ook in sociaal opzicht was de invloed van Revival en Awakening zeer groot. Over Amerika vertelt jonathan Edwards dat dit machtige werk van God hem doet denken aan “de dageraad, of tenminste het voorspel, van dat glorierijke werk van God dat zoals de Schrift ons voorhoudt tenslotte zal leiden tot de vernieuwing van de wereld der mensen”. Hier zien we een vreemde conclusie waarbij het machtige werk van Gods Geest om zondaren te behouden wordt uitgelegd als een prelude tot het “Duizendjarig Rijk”. Deze gedachte is op zich vreemd aan de periode van “ Filadelfia”, zoals we in de volgende sectie zullen zien, en is mede de aanleiding geweest voor de “big American dream” die komen zou. Het is dezelfde geest van profetie die ook Martin Luther King in Alabama zijn droom deed dromen, een geest van verlangen die de bergtoppen van het Vrederijk al schouwt, maar voorbijgaat aan de “tekenen der tijden” die ons moeten voorbereiden op andere gebeurtenissen die volgens de Schrift nog eerst moeten passeren.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Dwight Moody en de grote predikers

 

 

 

Met Dwight L. Moody breekt in de tweede helft van de negentiende eeuw een nieuwe fase aan in het tijdperk van “Filadelfia”, namelijk de verbreiding en verdieping van de boodschap. Zoals te verwachten valt, ligt haar oorsprong in Amerika, een land dat nu eenmaal is ingesteld op “bigness” en graag alles in het groot doet. Gods Geest heeft in die tijd opmerkelijke mannen opgewekt om kanaal van Hem te zijn, en Moody is een van de meest bekende, naast anderen zoals Charles Haddon Spurgeon en Andrew Murray. Dwight Lyman Moody werd in 1837 in Northfield, Massachusetts, geboren. Zijn voorvaders behoorden tot de Puriteinen, maar dat was aan zijn ouders niet meer te merken: hij kreeg een ouderwetse, christelijke opvoeding, naar Christendom en Kerk betekenden weinig meer voor hem dan routine. Niets wees erop dat hij eenmaal een groot evangelist zou worden, zijn opleiding was maar gering en in 1854 werd hij bediende in de schoenenzaak van zijn oom Holton in Boston. Maar God had anders beslist en zou deze jongeman gebruiken om datgene te doen waarover later, in 1872, iemand hem na een nachtelijke bidstond als volgt zou aanspreken: “Moody, de wereld zal zien wat God kan doen met een man die Hem ten volle is toegewijd”. Na korte tijd zocht en vond de jonge Dwight een andere baan die hem naar Chicago zou brengen. Zijn succes in zaken ging gepaard met liefde tot God, die hij in Christus had leren kennen. Al gauw huurde hij in de Plymouthkerk die hij bezocht (dit waren géén Plymouthbroeders!) een hele kerkbank af, die iedere zondag weer vol zat met jongelui die hij uit zijn kosthuis of van de straat meebracht. Dat was hem echter niet voldoende. En in 1858 begon hij - na enige ervaring opgedaan te hebben in de kerk die hij bezocht - in een ander stadsdeel een eigen zondagsschool, de bekende Noordermarkt-zondagsschool, waar hij vijf- tot zeshonderd jongelui bijeenbracht, meestal uit de onderste lagen van de samenleving. Financieel kon hij zich dat wel permitteren, maar het probleem was de schaarse tijd die hij als succesvol zakenman had. En daarom trok hij zich twee jaar later uit het zakenleven terug. Van een groot en vast inkomen bleef toen nog geen vijf procent over voor een onzeker bestaan. Maar Moody rekende niet met geld, maar met God, en het “leven uit het geloof” stelde hem niet teleur. De zondagsschool groeide uit tot een gemeente en Moody’s sociale werk (“om de jongeren van de straat te houden”) werd tot een krachtige evangelisatie die honderden jongelui ertoe bracht om Jezus Christus als Heiland en Heer van hun leven te kronen. In 1864 werd een eigen gebouw in gebruik genomen, waarin de gemeente tot bloei kwam en die door haar predikant Moody - die nooit een theologische opleiding had ontvangen - vurig en nauwgezet vanuit de Schriften werd onderwezen. Nimmer ontbrak hier het zendingsvuur dat door Gods Geest als zondaarsliefde ontstoken wordt. Deze gemeente ontwikkelde zich tot het prototype van de moderne Bijbelscholen, waar jonge mensen zich voorbereiden voor hun dienst in evangelisatie en zending. En zo staat thans in Lasalle Street in Chicago de grote Moody Memorial kerk met vijfduizend zitplaatsen naast het complex van het Moody Bible Institute. Nu studeren en wonen hier vele honderden studenten in torenhoge gebouwen, die oprijzen tot in de vaak laaghangende wolken van Illinois. Maar Moody zelf was te groot voor één plaats en één gemeente. Hij was ook niet primair een pastor, maar een evangelist die Chicago, het oosten van de Verenigde Staten en zelfs Engeland tot zijn werkterrein maakte. In een van zijn brieven schrijft hij over een evangelisatieweek in een plattelandsdistrict, waar meer dan duizend mensen uit de verre omtrek waren samengekomen. In twee dagen kwamen ruim tweehonderdvijftig mensen bij Moody om te spreken over -de nood van hun ziel. “Wij werken in groepen van twintig tot tweehonderd mensen”, schrijft hij, “en houden openlucht-samenkomsten in verschillende delen van de stad. Later brengen wij de mensen in de kerk. Enkele van de rijkste en meest behoudende kerken hebben hun deuren opengezet om de scharen binnen te laten die wij in onze openlucht-samenkomsten bereikt hebben, en van alle kanten komt men met de vraag: wat moeten wij doen om behouden te worden? Ik hoop dat gij voor ons zult bidden dat God ons echt nederig zal maken en ons dicht bij Hem zal houden”. De boodschap van Moody was eenvoudig de liefde van God, die zondaars zó liefhad dat Hij zijn eniggeboren Zoon voor ons heeft gegeven. Joh. 3:16 was een geliefde tekst, die hij met grote kracht en ernst kon brengen. Maar Moody sprak niet alleen over de verzoening en de vergeving aan het kruis van Golgotha, hij was ook diep onder de indruk van de macht der zonde en van de gevolgen die de zonde heeft, voor tijd en eeuwigheid. “Wat de mens zaait zal hij ook maaien”, was het thema van een van zijn preken, die hij meer dan honderdmaal gehouden heeft. Er is vergeving voor iedere zondaar, zo groot is het werk dat Christus heeft volbracht, maar God eist dat de zondaar breekt met de zonde die hem van God scheidt. In dit licht schilderde Moody ook de eeuwige straf die de zondaar wacht indien hij zich niet bekeert. Moody geloofde in een eeuwig oordeel en wist dat helder te schilderen, maar het was niet de angst voor het hellevuur waarmee hij zijn hoorders tot inkeer trachtte te brengen: het was de liefde van God die hen trekken moet, en die straalde door deze man heen, waar hij ook kwam. Moody had niet alleen de Bijbel, hij had nog iets meer. Dat klinkt gevaarlijk, maar is het niet: naast de Bijbel had het lied een grote plaats in de samenkomsten, waar naar schatting in totaal twintig miljoen mensen zijn boodschap hebben gehoord, in Amerika en Europa, tot zelfs Jeruzalem toe. Een van zijn naaste en duurzame medewerkers was Ira Sankey, wiens liederen velen van ons heden nog zingen. Zijn liederen waren dikwijls door actuele gebeurtenissen ingegeven, die echter na verloop van tijd weer werden vergeten. Maar andere liederen hebben de tand des tijds glansrijk doorstaan en worden nog steeds gezongen: ook nu nog worden zielen gebracht aan de voeten van de Gekruisigde en Opgestane Heer en de roep: De Bruidegom komt!, wordt steeds dringender naarmate die Dag nadert. Over het leven en het werk van Moody zijn vele boeken geschreven; van zijn vele werk noemen wij slechts in vogelvlucht de drie grote Engelse reizen, het besef van de sociale verantwoordelijkheid (“maar het heeft geen zin om de pomp wit te schilderen als het water vervuild is”), de opleiding van een volgende generatie door zijn Bijbelscholen, en vooral de grote conferenties waar Moody sprak en waar velen niet alleen nieuw leven ontvingen maar ook Gods roeping leerden verstaan. Daarmee werd het zendingsvuur weer verder gedragen en vermenigvuldigd, zodat nieuwe werkers in Gods Koninkrijk konden uitgaan, zoals de bekende John. R. Mott, bekend van de Christen-Studenten Verenigingen en van de Internationale Zendings Organisatie. Van de vele grote predikers uit die dagen noemen wij verder slechts Andrew Murray en Charles Haddon Spurgeon, “de prins onder de predikers”. De eerste is een van Gods instrumenten geweest voor de opwekking in Zuid-Afrika: hij kon zelfs nuchtere Boeren van Hollandse afkomst tot tranen toe bewegen. Spurgeon was een Baptist die later brak met deze denominatie, niet omdat hij de volwassendoop verwierp, maar omdat hij de doop niet kon zien als sacrament waardoor iemand wordt wedergeboren; voor hem was de doop niets meer of minder dan een symbolische belijdenis van iemand die al wedergeboren is, namelijk een getuigenis van zijn identificatie (eenwording) met Christus in dood en opstanding. Dat kostte hem, die via zijn Metropolitan Tabernacle zesduizend mensen per avond bereikte, heel wat vrienden, maar het versterkte en verdiepte nog zijn boodschap die met grote geestelijke kracht gegeven werd. De preken van deze mannen zijn verzameld en vormen voor ieder die zelf Gods Woord zoekt door te geven een belangrijke bron van studie en inspiratie.


XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

William Carey, zendingspionier van India

 

 

 

Het is een feit dat na zeventien eeuwen Christendom het zendingsbevel van de Heer: “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping”, nog nauwelijks was volbracht. Miljoenen mensen hadden nog nooit zelfs maar de kans gehad het Evangelie te horen, en dat woog bij tijden zwaar op het geweten van de Christenen die begrepen hoe wijd-omvattend de liefde van God is, maar ook hoe uitermate ernstig het is om als onverzoende zondaar te verschijnen voor een heilig God. Daarom zijn er steeds mensen bereid geweest om hun leven in te zetten om hen die veraf zijn met het Evangelie te bereiken. Reeds vroeg in de geschiedenis was er sprake van zendingsarbeid, een voorbeeld daarvan was het werk in Engeland en de Lage Landen, zie III.4.5. Belangrijk was ook het werk van de Nestorianen (zie IV.6.3.), maar daarnaast kreeg de zending van de Katholieke Kerk het karakter van kerkelijk en wereldlijk imperialisme, juist vanwege de koppeling van Kerk en Staat en de gezindheid voor “onze lieve vrouwe” in de Roomse Kerk. Een groot werk was ook begonnen met Von Zinzendorf en de Herrnhutters (VI.2.1.), maar overigens “deed de kerk weinig of niets aan zending”, ook niet in het tijdperk van de Reformatie. Hoe dat kwam zou William Carey leren en wij met hem. William Carey was dorpsschoenmaker en tegelijk pastor van een onafhankelijke Baptistengemeente te Moulton in Engeland. Met moeite kon hij in het levensonderhoud van zijn gezin voorzien, maar toch studeerde hij talen en verzamelde hij gegevens over de wijze waarop de heidenen leefden. In zijn studeerkamer hing een wereldkaart, samengesteld uit een aantal vellen papier die aan elkaar waren geplakt en waarop ieder land ter wereld was ingetekend. Daar schreef hij alles op wat hij over dat land wist, en zo werd deze kaart zijn gebedenboek en tegelijk zijn horizont: hierover sprak hij met anderen, binnen en buiten de gemeente. Op een keer kwamen alle predikanten in Northampton bijeen en daar kregen de jongere broeders de gelegenheid een onderwerp voor discussie te noemen. Die kans werd door Carey aangegrepen en hij stelde het volgende thema voor: “Geldt het bevel dat de apostelen ontvingen om alle volken te onderwijzen niet evenzeer alle dienaren van Christus die na hen zouden komen, totdat de voleinding der wereld gekomen zal zijn, gezien het feit dat de belofte die Jezus hierbij geeft 0’ok tot de voleinding geldt?” Maar dat thema was onaanvaardbaar voor deze Calvinistische predikanten, aangezien de extreme leer van Calvijn die in deze kringen werd aangehangen absoluut de noodzaak niet kent om zelf actief dit bevel van Christus te gehoorzamen. Een van hen drukte zich zelfs zo tegenover Carey uit: “Wanneer de Heer de heidenen wenst te bekeren, kan Hij dat ook wel doen zonder jouw hulp”. Daarmee kon Carey het doen, en deze gedachtengang, die vrij algemeen was, is er dan ook de oorzaak van dat ook de Reformatie aanvankelijk in de eerste drie eeuwen geen nadruk op het zendingsbevel heeft gelegd. Dat werd te “Arminiaans” bevonden en daarom redeneerde men dat weg naar “de tijd van toen”; zo kwam het dat de zending van die tijd grotendeels werd “bedreven” door de onafhankelijken en de mensen met een piëtistische achtergrond. Door de preken van Andrew Fuller leerde Carey hoe hij deze grote hindernis vanuit de Schrift moest overwinnen. Dit theologisch en historisch onderzoek leidde tot een goed resultaat, dat hij publiceerde onder de lange titel: “Een onderzoek naar de verplichting die Christenen hebben om zich in te zetten voor de bekering van de heidenen, waarbij de religieuze staat van de verschillende landen van de wereld, het succes van eerdere ondernemingen, en de praktische uitvoerbaarheid van verdere ondernemingen, worden beschouwd door William Carey”. De inhoud van dit geschrift wordt goed door de titel weergegeven, en dan komt hij tot een behandeling van de vele bezwaren die tegen zulk een onderneming worden ingebracht. Een van de bezwaren die vaak genoemd werden (we leven immers in de tijd van de “Verlichting!”) was de “onbeschaafde en barbaarse leefwijze” van de heidenen. Maar dit kon nooit een bezwaar zijn, aldus redeneerde Carey, behalve voor degenen wier liefde voor comfort hen niet bereid maakt zichzelf bloot te stellen aan het ongemak van de heidenen. Immers, voor de apostelen golden deze bezwaren niet en ook niet voor hun navolgers die naar de barbaarse Germanen en Galliërs gingen, zelfs naar de nog barbaarser Britten! Zij wachtten niet totdat de mensen “beschaafd waren” om hen daarna te kerstenen, maar gingen eenvoudig met de boodschap van het kruis. En wanneer mensen het Evangelie van harte aanvaarden brengt dit een grote verandering teweeg, die zelfs niet wordt bereikt of geëvenaard door een zeer lang contact met Europeanen! In 1792 werd een Genootschap gevormd om het Evangelie in vreemde landen te verbreiden. Nadat de formaliteiten waren vervuld ging Carey op weg naar India, terwijl Fuller zich ertoe zette de Christenen van Groot-Brittannië op te roepen zich bewust te zijn van hun verantwoordelijkheid om het Evangelie in de gehele wereld bekend te maken. Moeilijkheden werden hun niet bespaard, maar deze werden gedeeltelijk tot een oplossing gebracht en tenslotte werd de onderneming bekroond met de zegen die hiervan zowel in India als in Engeland uitging. Het kostte zeven jaar van zwoegen en bidden eer .de eerstelingen onder de Indiërs werden begroet: een man genaamd Krishna Pal beleed Christus, samen met zijn hele gezin en werd een door God gebruikte prediker van het Evangelie in zijn land, terwijl hij ook tal van liederen schreef.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Hudson Taylor en de China Inland Mission

 

 

Als vader van de geloofszendingen wordt gewoonlijk Hudson Taylor genoemd. Hij was goed bekend met de kerkelijke zending, waarvoor hij eerst naar China was uitgegaan en die sinds haar ontstaan de eigenschappen had ontwikkeld die in de vorige paragraaf beschreven zijn. In 1860 keerde Taylor dan ook na een eerste werkperiode in China onbevredigd naar Engeland terug: de zending was hem te statisch en te veel op de kuststeden gericht; haar arbeid werd moeizaam gefinancierd en schoten de financiën te kort, dan werd met geleend geld gewerkt. Dit alles deed meer denken aan een multinationale onderneming, een groot kerkelijk bedrijf, dan aan een werk van God waartoe Hudson zich geroepen wist. Aan dit kritische moment in Taylors leven was heel wat voorafgegaan en er zou ook heel wat op volgen. De basis van de China Inland Mission, waarin zijn levenswerk zou worden volbracht, lag namelijk niet in een teleurstelling over de kerkelijke zending, maar in een diep werk van God in zijn leven. Dit zou de latere zendingspionier scherp tekenen, waarmee ook het patroon werd bepaald van de China Inland Mission én van de andere geloofszendingen die zouden volgen. De geloofsbasis van de jonge Hudson Taylor lag in niet meer of minder dan een persoonlijke ontmoeting met de Here God. Later beschrijft hij die ervaring als volgt: Een paar maanden na mijn bekering trok ik mij op een vrije middag terug in mijn eigen kamer, om de tijd in gemeenschap met God door te brengen. Ik kan mij die gelegenheid nog duidelijk herinneren: ik was vol blijdschap en stortte mijn hart voor Hem uit. Telkens weer beleed ik Hem mijn dankbare liefde omdat Hij alles voor mij gedaan had. Toen ik alle hoop, ja zelfs het verlangen om gered te worden had opgegeven, had Hij mij behouden. Ik smeekte Hem of Hij mij iets te doen wilde geven waarmee ik Hem mijn liefde en dankbaarheid kon tonen: een of ander onbeduidend werk, wat dan ook, hoe moeilijk of hoe gering ook, maar iets dat Hem behagen zou en dat ik mocht doen voor Hem die zoveel voor mij had gedaan! Ik herinner mij nog duidelijk hoe er, toen ik mijn leven, mijn vriendschappen, ja alles van mijzelf in onvoorwaardelijke overgave op het altaar had gelegd, een diepe, serene rust over mij kwam met de innerlijke zekerheid dat mijn aanbod was aanvaard. Ik ervoer de tegenwoordigheid van God op een onzegbare, heerlijke wijze en hoewel ik nog maar amper achttien jaar was herinner ik mij hoe ik mij languit op de grond uitstrekte en zo maar stil bleef liggen voor zijn aangezicht, in onuitsprekelijke eerbied en vreugde. Voor welk werk ik aangenomen was wist ik niet, maar er kwam een diep besef over mij dat ik niet aan mijzelf toebehoorde. Dit besef is mij sedertdien altijd bijgebleven en het is wel gebleken dat hieraan heel praktische consequenties verbonden zijn. Dit diepe geloofsleven werd niet lang daarna gevolgd door een overweldigende zekerheid van goddelijke roeping. Het was alsof hij in het binnenste van zijn ziel Gods eigen stem hoorde zeggen: “Ga dan voor Mij naar China”. Op deze gewichtige ervaring zinspeelde hij kort toen hij in een brief aan een vriend in Londen schreef: Nooit zal ik het gevoel vergeten dat toen over mij kwam. Het is met geen woorden te beschrijven. Ik voelde dat ik in de persoonlijke tegenwoordigheid van God was en een verbond sloot met de Almachtige. Ik kreeg de neiging mijn gelofte weer in te trekken, maar ik kon het niet. Er was iets dat scheen te zeggen: “Je gebed is verhoord, je voorwaarden zijn aanvaard”, en van dat ogenblik af heeft de overtuiging dat ik geroepen was om naar China te gaan mij nooit meer verlaten. Deze woorden komen voor op de eerste pagina’s van het standaardboek over Hudson Taylor, “De man die God geloofde”. De geschiedenis van deze man en zijn werk is een bewijs van wat God kan doen door het leven van één man die Hem waarachtig op zijn Woord geloofde en zichzelf ten volle aan Hem had toegewijd. Het is wars van enige dweperij, maar heel erg praktisch en met beide benen op de grond, in het volle besef van “de duizend zielen die elk uur de eeuwigheid ingaan zonder de Redder der wereld te kennen”, maar ook “staande op de beloften van een God die zich specialiseert in het onmogelijke”. Hudson Taylor ging niet alleen (terug) naar China: al vanaf het begin bad hij om een team van mensen die met hem zouden staan in de vervulling van het goddelijk bevel. Zijn gebed om de eerste zeventig kandidaten werd verhoord en de eerste zendelingen van de “China Inland Mission” (nu: Overzeese Zendings Gemeenschap) gingen uit. Zij vertrouwden op Gods beloften alleen en kenden de kracht van gelovig gebed, het “bidden naar zijn wil”. Toen Hudson Taylor in 1905 overleed, bestond de CIM uit 828 zendelingen die tot in alle provincies van het onmetelijke China waren doorgedrongen. Miljoenen heeft deze zending ontvangen voor het werken onder “China’s miljoenen”, toch voerde men geen propaganda-acties en schulden werden principieel niet gemaakt. Er werd geen salaris gegarandeerd en dit werd ook niet verwacht. Wat op het gebed binnenkwam werd evenredig verdeeld en daardoor kon het werk worden voortgezet in diepe afhankelijkheid van de Heer der zending. In grote gevaren en verlegenheid heeft Taylor ervaren wat wij tegenwoordig zo graag zingen: “Groot is uw trouw, o Heer, mijn God en Vader, er is geen schaduw van omkeer bij U”. Dikwijls bleken de tranen die vergoten werden het gietwater te zijn waardoor geestelijke groei ontstond. Tegenslagen door de natuur, door mensen en zelfs door broeders misvormden zijn karakter niet, maar droegen ertoe bij dat het beeld van de Heiland beter zichtbaar werd, zodat de onbereikte miljoenen van het binnenland van China erover hoorden, al was het alleen maar van horen zeggen. Hij die begon in het geloof heeft zichzelf daarmee tot “levenslang” veroordeeld: zijn hele leven lang heeft hij ervaren dat hij op God kon rekenen, en zijn hele leven lang werd dit geloof beproefd en verdiept. Zou hij dit principe hebben verlaten, dan was het hele werk ingestort, want als geloofszending berustte het hierop. Taylor was niet iemand die plannen maakte en daarop dan Gods zegen vroeg, maar het geheim van zijn leven was precies andersom: in diepe afhankelijkheid van de Heer leerde hij verstaan wat Gods plannen zijn, dikwijls dwars door de moeilijkheden heen, en die plannen maakte hij tot de zijne in de zekerheid dat God over zijn wegen waakte: “Een werk van God dat gedaan wordt op de wijze van God zal het nimmer ontbreken aan de middelen die dit mogelijk maken”.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX