Het leven van aartsvader Abraham

 

 

‘De nieuwe wereld’

 

Deel 1

 

Genesis hoofdstuk 9, 10 en 11

 

 

 

Inleiding

Dit artikel is een inleiding op een reeks studies over aartsvader Abraham. Voordat we daar mee beginnen is het goed te weten hoe Abrahams wereld er uitzag en wat aan zijn roepîng voorafging. Maar eerst een korte indeling op het boek Genesis. In de tweede brief van Petrus zouden we een driedeling van de geschiedenis kunnen opmerken. We lezen namelijk dat Petrus spreekt van ‘de oude wereld’ of (NBG) ‘de wereld van de voortijd’, ‘de tegenwoordige wereld’ en tenslotte ‘de nieuwe aarde’. (2 Petr.2:5; 3:6,7,13). De eerste scheidslijn in de wereldgeschiedenis is de zondvloed en de tweede de geboorte van Christus. Je kan het boek Genesis ook op een andere manier indelen dan in de oude en de tegenwoordige wereld, bijvoorbeeld naar de verschillende families: Adam, Noach, Abraham enz. Een veel gebruikte indeling van het eerste bijbelboek is aan de hand van de elf ‘toledot’ formules: ‘dit is de geschiedenis van’ (2:4; 5:1; 6:9; 10:1; 11:10; 11:27; 25:12; 25:19; 36:1; 36:9; 27:2). Het boek Genesis begint met de woorden ‘In het begin’, zoals ook het evangelie en de eerste brief van Johannes. Anders dan in het evangelie en de brief van Johannes waar het ‘begin’ respectievelijk gaat over het begin van ‘de eeuwigheid’ of ‘het begin van Jezus handelen op aarde’ duidt in Genesis het ‘begin’ op de aanvang van de geschiedenis van deze wereld. En die geschiedenis is niet zo fraai! De eerste elf hoofdstukken van het boek Genesis gaan over het handelen van God met de volkeren in het algemeen en benadrukken vier grote gebeurtenissen: de schepping (1-2), de val van de mens en de daarmee gepaard gaande consequenties (3-5), de zondvloed (6-10) en tenslotte de torenbouw van Babel (11). Daarbij vinden we twee belangrijke personages vermeld nl. Adam en Noach. De rest van het boek Genesis richt de aandacht in het bijzonder op wat later het volk Israël genoemd zal worden (12-50) en verhaalt het leven van vier grote mannen: Abraham (21:1-25:18), Isaäk (25:19-27:46), Jacob (28-36) en Jozef (37-50).

Zoals gezegd gaan we dus een aanvang maken met de bespreking van de geschiedenis van Abraham. Voordat we dat gaan doen willen we ons eerst bezighouden met Noach, een man die nog deel had uit gemaakt van die ‘oude wereld’ en inging in de ‘tegenwoordige wereld’. Hij leefde als het ware in een overgangsperiode. Noach was een man die durfde ingaan tegen de meerderheid en ging daardoor als 'minderheid' in de ark, maar kwam er als 'meerderheid' weer uit! We gaan dus even terugblikken in die ‘oude of toenmalige’ wereld om een duidelijk begrip te krijgen van het handelen van God met betrekking tot de mens, maar ook om een beeld te krijgen van de wereld waarin Abraham leefde. Ook is het belangrijk te weten hoe het mogelijk was dat er al gesproken kon worden van het land Egypte als Abraham daar komt in 12:10. De eerste elf hoofdstukken vormen het fundament voor de geschiedenis van Abraham.

De zondvloed

Zoals gezegd werd de oude wereld beëindigd door de zondvloed die kwam vanwege de zondigheid van de mens (Gen.6). Aan Noach werd de opdracht gegeven een ark te bouwen. Ook het zgn. Gilgamesj verslag, geschreven rond 2600 v.Chr., verhaalt dit gebeuren, inclusief duif en ark! Na het oordeel (de zondvloed) zien we echter dat ook Noach faalde en zondigde. Er zijn paralellen te trekken tussen de val Adam en de val van Noach:

  1. De moederbelofte werd gegeven na de val van Adam (3:15), de belofte van Gen.9:25-27 volgde op de val van Noach.
  2. Elk van beiden was de voorvader van de hele navolgende mensheid.
  3. Elk van hen zondigde door een vrucht te nemen: Adam nam van de boom der kennis, Noach van de wijnstok. Als gevolg daarvan werden beiden naakt en daarna voorzien van een bedekking door iemand anders.
  4. In beide gevallen behelsde de profetie een vloek en een zegen, die beide de hele mensheid raakten.

Het verbond met Noach

We vinden hier, nadat de mens voor de tweede keer gefaald heeft, dat God een nieuw begin maakt met de mensheid. De instelling van het huwelijk vinden we in Genesis 1 en 2. In Genesis 9 lezen we van het verbond dat God met Noach (eigenlijk met de mensheid!) sluit. De universaliteit van dit verbond is van groot belang. Ze omvat:

(a)    Een natuurorde: de voortaan ononderbroken voortgang van zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht (Gen.8:22). 

(b)    Een heersersorde: de heerschappij van de mens over het dierenrijk maar met uitbreiding van het recht dieren te doden voor eigen gebruik (Gen.9:2; zie ook: Lev.3:17, Deut.12:23 en Hand.15:20, 28 en 21:25).

(c)    Een maatschappelijke orde: de impliciete instelling van de burgerlijke overheid met de zwaardmacht (Gen.6:6; vlg. Rom.13:1-6), dus geen anarchie!

(d)    Een heilsorde: God zal de mensenwereld voortaan aanzien op grond van de liefelijke geur van het brandoffer, een heenwijzing naar het volmaakte offer van Christus (Gen.8:20v; vgl. 1 Petr.1:19v.). Deze heilsorde heeft het primaat: de natuur- heersers- en maatschappelijke orde staat onder het beslag van deze heilsorde.

De universaliteit van het verbond laat zien dat, ook al laat God de volken ‘op hun eigen wegen gaan’ Hij hen niet loslaat. Er is een verbondstrouw van God, niet alleen jegens het zaad van Abraham, maar ook jegens alle volken. Het verslag van hoe het met de volken is gegaan vinden we terug in de brief aan de Romeinen 1:18-32) Hoewel God de volken op ‘hun eigen wegen heeft laten gaan toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’ (Hand.14:16-17).

De mens in de ‘nieuwe wereld’

Noach, met zijn familie, kwam op een gereinigde aarde, waarin hij met gezag kon gaan optreden, maar al gauw blijkt dat hij geen gezag over zichzelf  heeft en valt in dronkenschap. De zonde blijft ook in deze wereld problemen geven. De profetie over Cham en zijn jongste zoon Kanaan wijst allereerst heen naar het lot van de Kanaänieten met name in het boek Jozua, maar veel uitleggers hebben gemeend ook conclusies te mogen trekken ten aanzien van Cham als geheel.

De aarde wordt verdeeld

Dit voert tot de bespreking van een aantal teksten te beginnen met: Gen.10:25, Deut.32:8 en Hand.14:16. Wat dienen we te verstaan onder die ‘verdeling’? Er zijn daarvoor diverse mogelijkheden aangevoerd. (1) De verdeling van de aarde in continenten. (2) De verdeling van de aarde in taalgebieden. (3) De verdeling van de aarde in rassen: het blanke (kaukasische), het gele (mongoloïde) en het zwarte (negroïde) ras. (4) Veel uitleggers geven echter de voorkeur aan een bewuste verdeling verordonneerd door God, hetgeen dan heeft plaatsgevonden tijdens de Babylonische spraakverwarring en uitgevoerd door Peleg. Daarvoor moeten we teksten als Deut.4:19; 29:26 onderzoeken. Uit dit onderzoek heeft men geconcludeerd dat God de goden (elohim) aan de zeventig (zie Gen.46:27; Ex.1:5) volken heeft toebedeeld, dat wil zeggen: elk volk zijn eigen (god (elohim) heeft geschonken. Daarvoor wordt verwezen naar Deut.32:8; Dan.10:11-14; 12:1.

De volkenlijst

Jafet: de volkeren, ten noorden en westen van Kanaän: Klein-Azië en later Europa. Cham: Arabieren, ten het oosten van Kanaän (Mizraïm is Egypte). Sem: Joden, en de volkeren die hen onmiddellijk omringden. Deze ‘trits’ vinden we herhaaldelijk terug in de heilsgeschiedenis vermeld in de Bijbel: (1) De zeventig antieke volken in Gen.10 worden gegroepeerd volgens hun stamvaders: Jafeth (vs.14), Cham (vs.30) en Sem (vs.26). (2) Van Abrahams drie vrouwen was de eerste, Sara, een Semitische (Gen.20:12). De tweede Hagar, kwam uit Egypte en was dus Chamitisch. De derde, Ketura, was volgens de joodse traditie een Jafetitische. In het Nieuwe Testament kwamen de drie wereldgroepen om Jezus te zien: (1) de herders te Bethlehem waren natuurlijk Semieten, (2) de wijzen uit het oosten bijna zeker Chamieten, en natuurlijk (3) de Romeinen, dus Jafethieten. Toen na de pinksterdag van Hand.2 het evangelie uitging tot de volken, kwam het eerst tot de Joden, dus tot (1) Semieten (Hand.2), daarna tot de kamerling van Ethiopie, dus een (2) Chamiet (Hand.9), daarna tot de Romeinse Cornelius en de zijnen, dus (3) Jafethieten (Hand.10). Maar toch zijn we volgens Handelingen17:26 allemaal van één bloede.

De torenbouw van Babel

Hier vinden we de vierde scheiding teweeggebracht nadat de mens van God is gescheiden. De (1) eerste scheiding, de zondeval, bracht scheiding tussen mens en God maar God bekleedde hen, daarna (2) vinden we een breuk in de familie van Adam en Eva maar voor Abel kwam Set in de plaats, daarna (3) kregen we de vermenging van de mensen met ??? (Gen.6:4) en God bracht de zondvloed waarna er een nieuwe gereinigde aarde kwam, en dan (4) vinden we Babel waar de mens als God wil zijn. Maar hier geen oordeel zoals bij de zondvloed, maar een verwarring waardoor de mensen dat deden wat ze hadden moeten doen, nl. de aarde vervullen (Gen. 9:7). God kon de mensheid niet meer oordelen zoals gebeurd was met de zondvloed, maar Hij gaat met haar handelen op basis van een geheel nieuw en bijzonder belangrijk principe. Hij ‘oordeelt’, handelt met de mensen op een andere manier, en laat haar op haar eigen wegen gaan. Het oordeel zal zij onder Gods voorzienigheid veeleer over zichzelf afroepen (Rom.1:22-25,28,32). Onder deze omstandigheden gaat God nu zijn nieuwe plan in werking stellen. Hij maakt een nieuw begin, niet door een oordeel waarin Hij één enkele familie bewaart, zoals we zien bij Noach, maar door nu uit de volken één man met zijn vrouw te roepen en die van volken af te zonderen. Dat is inderdaad nieuw. God had tot dusver natuurlijk ook al wel bepaalde mensen uitverkoren. Hij had bijzondere bemoeienis gehad met Abel, met Henoch, met Noach, óók eenlingen temidden van mensen die van God waren afgeweken. Maar nooit waren zij formeel geroepen en afgezonderd uit het geheel van de mensen. Nooit eerder had God op dergelijke wijze met de mensheid gehandeld. God roept één man om Zichzelf aan hem te openbaren, hem boven alle volken te zegenen, maar ook dóór hem uiteindelijk alle volken te zegenen. Daarom is de roeping van Abraham zo buitengewoon belangrijk, omdat in Abraham en in zijn zaad alle geslachten van de aardbodem gezegend zullen worden. Sterker nog: sinds deze man is geen mens op aarde door God geestelijk gezegend buiten Abraham om. Vandaar dat de Bijbel dan ook de meeste nadruk legt in het vermelden van de geschiedenis van Abraham en zijn nakomelingen, zij vormden vanaf toen het middelpunt van Gods regering met deze aarde, en krijgen we weinig te horen over hetgeen gebeurde met de andere volkeren. Bij de spraakverwarring van Babel begonnen voor alle volken de tijden der onwetendheid (Hand.17:30; vgl.14:16). Er bleef hun geen andere kennis over dan het getuigenis van de schepping (Rom.1:20) en van het geweten (Rom.2:14,15) en de herinnering aan de zondvloed, d.i. aan een God die het kwade straft. Maar in plaats van deze God als Schepper en Rechter te vereren, ‘vervielen zij tot dwaasheid en werd hun onverstandig hart verduisterd’, zodat zij vele schepselen in plaats van de Ene Schepper begonnen te vereren (Rom.1:21-23). Die ‘tijden der onwetendheid’ bereikten hun einde bij de verkondiging van het evangelie van genade zoals we dat vinden in het Nieuwe Testament. Dat wil echter niet zeggen dat God in die ‘tijden van onwetendheid’ geen bemoeienis of plan meer heeft met die andere volkeren, lees maar eens Hand. 14:16-17. God is niet alleen de Schepper maar ook de Onderhouder van deze wereld (1 Tim. 4:10 Telosvert.). Uiteindelijk is het ook Gods bedoeling dat alle volken Hem zullen loven (Psalm 67), en om dat mogelijk te maken roept God aan het begin van Zijn verlossingswerk Abraham.

We kunnen ons voorstellen dat God, menselijk gesproken, vol spanning toe ziet hoe ‘de mens’ het er nu van gaat afbrengen, nadat hij in Eden in Adam gefaald heeft, maar ook daarna in Noach.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Abraham in Egypte’

 Deel 2

Genesis 12:10-20

 

 

Inleiding

Nee, we zijn niet allemaal als Job, van het gelijknamige Bijbelboek, die heeft gezegd: ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn. Mijn voet bleef vast in zijn spoor, ik hield zijn weg zonder af te buigen; het gebod zijner lippen deed ik niet wijken, in mijn binnenste verborg ik de woorden van zijn mond’ (Job.23:10-12). Als er iemand kan zeggen dat hij beproefd geweest is in zijn leven, dan is hij het wel! Maar ook wij zullen in ons leven als gelovige beproevingen en verzoekingen ontmoeten (Jak.1:2). Zonder heuvels, geen dalen! (Deut.11:11). Waarom? Omdat God door beproevingen ons geloof wil versterken en het beste in ons naar boven wil doen komen. God weet welk geloof wij hebben, maar wij weten het niet, en de enige manier om vooruitgang in Gods school te maken is om ‘examens’ te doen. ‘Gedenk dan heel de weg, waarop de Here, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden’ (Deut.8:2). God wil ons vormen, zodat in ons leven ‘Christus gestalte krijgt’ (Gal.4:20). We moeten wel degelijk onderscheid maken tussen beproevingen en verzoekingen, dat komt echter in de Nederlandse Bijbelvertalingen niet altijd zo duidelijk naar voren. ‘Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.’ (Jak.1:13-15). Iemand heeft eens gezegd: ‘God beproeft ons om het beste in ons naar boven te halen, de duivel verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te laten komen’. In tijden van beproeving is de vraag niet ‘Hoe kom ik hier uit?’, maar ‘Wat kan ik hiervan leren?’. Niet ‘Wat gebeurt er met mij?’, maar ‘Wat gebeurt er in mij?’. Ook wij ontkomen niet aan beproevingen, maar er is een groot verschil met ongelovigen! Ten eerste zijn we niet alleen in de beproeving, en ten tweede weten we dat God er een bedoeling mee heeft! In de brief aan de Hebreeën lezen we daar het een en ander over, onder andere dat God ons tuchtigt opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen. Maar het is waar, dat alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid is (Hebr. 12:5-11). Abraham heeft voor zover wij uit Gods Woord weten, zeven beproevingen gekend (12:10-20; 13:1-30; 14:1-24; 15:1-16:16; 17:17; 18:1-5; 18:16–19:38; 20:1-21; 21:1-7; 22:1-19).

Abraham naar Egypte

We lezen niet in Gods Woord dat Abraham een opdracht van God had gekregen om naar Egypte te trekken. Hij had vroeger wel de opdracht gekregen om uit zijn land te gaan naar het land dat God hem wijzen zou (Gen.12:1,7). Egypte is bij uitstek een beeld van de wereld met haar materiële zegeningen en mogelijkheden (Heb.11:26). Daarom waarschuwt Gods Woord de gelovige om zich onbesmet van de wereld te bewaren en haar niet lief te hebben, noch wat in haar is, om er niet gelijkvormig aan te worden en mogelijk met haar veroordeeld te worden (Jak.4:4; 1 Joh.2:15; Rom.12:1; 1 Kor.11:32). De omstandigheden, een hongersnood, dwongen Abraham om een beslissing te nemen om een oplossing te zoeken voor hemzelf en allen waarvoor hij verantwoordelijk was. Het is waar dat we de omstandigheden van het leven niet kunnen beheersen, maar we hebben wel controle over onze reactie op die omstandigheden. Beslissingen nemen is wijsheid vragen: ‘Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet (in tijden van verzoeking), dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden’ (Jak.1:5; vgl. Richt.9:14). Daarvan lezen we niets en we kunnen daarom concluderen dat Abraham op eigen inzicht dat heeft gedaan waarvan hij dacht dat het beste zou zijn. Een soortgelijke geschiedenis vinden we in het boek Ruth, waar Elimelek en zijn vrouw Naomi Betlehem verlaten om hun heil te zoeken in Moab (Ruth 1). ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt’ (1 Kor.10:13). Wat dat aangaat kunnen we veel van David leren die in tijden van hongersnood het aangezicht des Heren zocht (2 Sam.21:1). Was dat de reden dat hij later kon schrijven: ‘Here, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, leid mij in uw waarheid en leer mij?’ (Psalm 25:4). Dat echter elk nadeel ook een voordeel kan hebben, is ook hier van toepassing want we kunnen veel leren van de gevolgen van het verblijf van Abraham in Egypte (1 Kor.10:6, 11).

Abraham in Egypte

Geen altaar

Doordat Abraham Betel (huis van God) verliet om naar Egypte te gaan, kunnen we zeggen dat hij God als het ware de rug toekeerde, want we lezen niet dat Abraham in Egypte een altaar had waar hij God kon aanroepen. Een altaar spreekt van gemeenschap en aanbidding. De verbreking van de gemeenschap met God is het eerste wat er gebeurt wanneer we niet wandelen naar Zijn wil (1 Joh.1:7). Van daaruit gaat alles verkeerd en wat er verder volgt gedurende het verblijf in Egypte, daarvan strekken de gevolgen zich uit tot op vandaag. ‘Wie Mij volgt zal geenszins in de duisternis wandelen’. Als wij in het licht wandelen hebben wij gemeenschap met elkaar. Een dag zonder God, is een verloren dag! We moeten echter oppassen: onderbreking of verstoring van de gemeenschap met God houdt niet in dat iemand dan verloren zou zijn voor de eeuwigheid. Het voorbeeld van Lot is daarvan een voorbeeld, dus we moeten oppassen voor haastige en voorbarige conclusies! (2 Petr.2:7-8; 1 Kor.3:15)

Verloren getuigenis

‘Wat je vanuit je oude leven meeneemt in het nieuwe, schept vroeg of laat problemen.’

Reeds voor het vertrek uit Ur had Abraham met zijn vrouw de afspraak gemaakt dat zij zou zeggen dat zij zijn zuster was, om zijn hachje te redden. ‘Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder’ (Gen. 20:13). Daardoor bracht hij zichzelf en Farao in grote problemen. Later herhaalde deze onoprechtheid zich nog eens in de ontmoeting met Abimelek (20:3)! In Genesis 21:23 zien we dat Abimelek blijk geeft van een duidelijk wantrouwen tegenover Abraham als hij zegt: ‘…dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen’; hij had zo zijn ervaringen met Abraham. Maar niet alleen ten opzichte van farao en Abimelek, ook naar Saraï toe was dat een onoprechte houding want het ging om zijn eigen behoud: ‘opdat het mij om uwentwil welga’ (Gen.12:13). Zijn getuigenis heeft daardoor veel van zijn waarde verloren. Door deze onoprechtheid bracht hij Saraï ertoe om te liegen, of ten minste een niet volledig antwoord te geven. ‘Vrees voor mensen spant een strik!’ (Spr. 29:25) Abraham, die tot een zegen voor farao had moeten zijn (Gen.12:2), werd tot een struikelblok. In vers 18 wordt Abraham door de farao ter verantwoording geroepen, nadat hij te weten was gekomen wie Saraï werkelijk was. We kunnen gerust aannemen dat het voor Abraham een pijnlijke ontmoeting geweest moet zijn. Hoe zou farao over Abraham gedacht hebben? Gelukkig luisterde deze farao naar Gods ‘stem', wat bij de farao van Mozes niet het geval was (Ex.5-11).

Verkregen rijkdom

‘Je kunt met geld veel dingen kopen; zorg er echter voor dat je de dingen die niet met geld te koop zijn, niet verliest!

Farao (niet God!) maakte Abraham rijk aan vee, zilver en goud, een rijkdom die later tot grote problemen leidde! Eigenlijk alles wat Abraham in Egypte ontving veroorzaakte problemen. Bij terugkeer in Betel was het een oorzaak van de twist tussen Abraham en Lot, zodat ze uit elkaar gingen. Er zijn er die denken dat gelovigen niet rijk kunnen of mogen zijn, maar de Bijbel leert ons dat het gaat om hen die rijk willen zijn in de tegenwoordige tijd (1 Tim.6:9-11), dat betekent er hun zinnen op hebben gezet om zoveel mogelijk te bezitten. Maar we moeten ook onze ogen niet sluiten voor de gevaren van rijkdom, en ons afvragen welke de rijkdommen zijn die God aan ons heeft beloofd! Zijn dat niet veel meer de geestelijke rijkdommen (Ef.1:2)? De waarschuwing van Paulus gegeven aan Timotheüs kunnen we daarom wel ter harte nemen: ‘Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid’ (1 Tim.6:11). We lezen in het evangelie dat het zaad verdorde door de bedrieglijkheid van de rijkdom (Mat. 13:22). Met geld kun je allerlei dingen verwerven, maar je verliest die dingen die niet met geld te koop zijn. We hoeven maar te denken aan de rijke dwaas en hoe hij aan zijn einde kwam! En voor veel mensen is het een verhindering om het koninkrijk van God binnen te gaan (Mark.10:17-27).

Sara en Hagar

‘Één daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit.’

Tijdens zijn verblijf in Egypte kreeg Abraham veel bezittingen en werd tot een welvarend man! Vers 16 lijkt aan te geven dat farao hem een bruidsschat zond als genoegdoening. Naast die bezittingen kreeg hij ook veel slavinnen (16:1), waaronder waarschijnlijk ook Hagar. Deze vrouw werd zonder haar schuld een oorzaak van verdriet en veel problemen in de relatie van Abraham en Saraï maar ook in die van de beide kinderen Ismaël en Isaäk. Dat Abraham Hagar tot vrouw nam en Ismaël bij haar verwekte is te wijten aan Sara’s ongeloof: ‘Zie toch, de HERE heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abraham luisterde naar Sarai’ (Gen.16:2). Abraham had beter niet naar zijn vrouw kunnen luisteren, dan waren hem veel moeilijkheden bespaard gebleven. De verhouding tussen deze beide kinderen van Abraham (Joden en Arabieren) zijn een oorzaak van veel problemen geweest die voortduren tot op vandaag (Gen.16:12). In Genesis 25:18 vinden we de lijst van de nakomelingen van Ismaël. Mohammed beschouwde Ismaël als hun stamvader. Het waren Ismaëlieten die later Jozef kochten van de Midjanitische mannen en hem naar Egypte brachten (Gen.37:28).

Gevolgen voor Lot

‘Lot was wel uit Egypte, maar Egypte was niet uit Lot!’

Lot was met Abraham meegegaan naar Egypte en had daar al de schatten van Egypte gezien (Hebr.11:26). Abraham kon Lot wel meenemen uit Egypte, maar kon Egypte niet uit zijn hart halen. We zien dat als hij mag kiezen welk land hij zal nemen, dan komen zijn diepste verlangens aan de oppervlakte en zien we iets van innerlijke motieven. Er staat dat Lot de gehele streek van de Jordaan zag en ‘zij was als de hof des Heren, als het land Egypte’ (13:10). Lot had de wereld geproefd en verlangde naar meer. Hoe het verder gegaan is met Lot lezen we in de volgende hoofdstukken van het boek Genesis. Het is dat hij door Petrus in zijn tweede brief een rechtvaardige wordt genoemd, anders zouden we op grond van het Oude Testament serieuze twijfel over hem hebben.

Abraham uit Egypte

‘Het doel van tuchtiging is herstel, het doel van herstel is dienstbaarheid’

Gelukkig toch een ‘happy end’! Het is enkel door de genade van God dat een beschadigde relatie hersteld kan worden. Hij is getrouw, ook ondanks onze eventuele ontrouw (2 Tim.2:13). Maar de les mag duidelijk voor ons zijn: ‘Verlaat nooit je altaar!’. En heb je dat toch gedaan? Ga dan terug waar je het verlaten hebt en maak het in orde met de Heer. God is een God van vergeving, en het overwinnend leven van een christen is een leven van vele nieuwe starten! Er is wel eens gezegd dat een gelovige niet goedkoop zondigt, want de gevolgen blijven. In Genesis 13:1 lezen we gelukkig: ‘Abraham trok uit Egypte’ het was geen definitief verblijf en hij ging terug naar Betel, ‘huis Gods’, waar God weer die plaats in Abrahams leven kon innemen zodat hij Gods zegen kon ervaren en ook tot een zegen voor anderen kon zijn (Gen.12:2). Mag daarom God in uw leven de eerste en ook de enige plaats innemen, dan maakt het geen verschil wie de tweede plaats inneemt (Kol.1:18)!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Strijd en overwinning’

Deel 3

Genesis 14

 

‘Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ (1 Johannes 5:4)

 

Inleiding

De apostel Paulus getuigd tegen het einde van zijn leven: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden’ (2 Timotheüs 4:7). Veel christenen houden te weinig rekening met de gedachte dat het leven als een gelovige een strijd is. Dat dit kenmerk van het christelijk leven voor velen niet duidelijk is ligt zeker niet aan Gods Woord die is daar vrij duidelijk over, Paulus vermaant immers Timotheüs: ‘strijd de goede strijd van het geloof’ (1 Timotheüs 6:12). Gebrek aan kennis van Gods Woord is meestal de oorzaak van een verkeerd denken of handelen.

Als er strijd is dan zijn er ook vijanden. We kunnen in de Bijbel drie ‘vijanden’ onderscheiden (1) de duivel, (2) de wereld en (3) de zonde. De duivel kunnen we onderscheiden in twee gedaanten, die van ‘een brullende leeuw’ en van ‘een engel van het licht’ (2 Korinthiërs 11:14; 1 Petrus 5:8). Zo heeft de duivel zich in het verleden geopenbaard en zal dat blijven doen totdat hij geworpen zal worden in de poel van vuur en zwavel (Openbaring 20:10).

Van de wereld zegt de apostel Johannes: ‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is’ (1 Johannes 2:15). Deze ‘vijand’ zien we in het bijzonder een plek krijgen in het leven van Lot. Hij werd een vriend van de wereld (Jakobus 4:4), kreeg de wereld lief (1 Johannes 2:15-17), en werd gelijkvormig aan de wereld (Romeinen 12:1) en uiteindelijk viel hij onder het oordeel van de wereld (1 Korinthiërs 11:32). De derde ‘vijand’ is de zonde (of het vlees) waarvan Paulus zegt: ‘De zonde, die ons zo licht in de weg staat, om met volharding de wedloop kunnen lopen, die vóór ons ligt (Hebreeën 12:1) (cursivering van mij). In de brief aan de Galaten lezen we van de strijd van het vlees tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees (Galaten 5:17). Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel’ (1 Petrus 2:11).

We kunnen iedere vijand bestrijden met dezelfde’ wapens’ die de Heer Jezus ter beschikking had tijdens de verzoeking in de woestijn: gebed, Gods Woord en Gods aanwezigheid. Wanneer we daar gebruik van maken zullen we ‘meer dan overwinnaars zijn’ (Romeinen 8:37). In hoofdstuk 14 zien we dat Abraham drie overwinningen behaald:

Een overwinning op Lot

Help, een broeder in nood! Lot was gevangen genomen in Sodom (Genesis 14:12) een stad met een slechte reputatie (Genesis 13:13) en het was beter voor Lot geweest dat hij zich er ver van gehouden had, dat had hem voor veel moeilijkheden kunnen bewaren.

Het zou voor Abraham gemakkelijk geweest zijn om Lot de treurige gevolgen van zijn eigen onverstandige beslissing om in Sodom te gaan wonen te laten ondergaan. Maar een man van geloof is geroepen om ‘tot zegen’ te zijn, daarom kwam Abraham hem te hulp. Lot was geen toegewijde gelovige, en zonder de vermeldingen in tweede brief van Petrus, waarin hij een rechtvaardige wordt genoemd, zouden we twijfelen of hij wel een gelovige was (2 Petrus 2:7-8).

Hij was toch een gelovige en had hulp nodig. De apostel Paulus wijst ons er op ‘dat zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt’ (Galaten 6:1). De opdracht ‘draagt elkanders lasten’ (Galaten 6:2), wordt door Abraham hier in de praktijk gebracht. Hij liet Lot niet aan zijn lot over (eigen schuld, dikke bult) maar kwam in actie en bevrijdde Lot. ‘En hij bracht al de have terug, en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk’ (Genesis 14:16) Hier werd Lot bevrijd door gebruik te maken van het zwaard, in hoofdstuk 19 door gebed (Genesis 18:22; 19:29).

De echte oorzaak van Lots gevangenneming was hem echter ontgaan en we zien  dat hij rechtstreeks terugkeerde naar Sodom waar we hem later vinden in de poorten van de stad (Genesis 19) waar hij in nog grotere problemen raakt. De terugkeer van Lot naar Sodom was wellicht teleurstellend voor Abraham maar hij had gedaan wat van een geestelijke gelovige mag worden verwacht. Wat hij had gedaan deed hij voor de Heer en dat is wat telt. 

Een overwinning op een koning

Abraham, de pelgrim, zou zich nooit hebben ingelaten met deze oorlog als het niet nodig was geweest om Lot te redden. Abraham had geen groot leger, maar hij streed door het geloof, dat bracht hem de overwinning (1 Samuël 14:6; 1 Johannes 5:4-5). Abraham zocht geen oorlog maar was wel op de strijd voorbereid! Hij bracht immers zijn ‘geoefenden’ in de strijd (Genesis 14:14).  Hetzelfde zien we bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte: ‘Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte’ (Exodus 13:18). Als gelovigen moeten wij ons bewust zijn dat wij leven op vijandelijk gebied en we dienen ons te verdedigen opdat de satan geen voordeel op ons zou behalen. Zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Korinthiërs 2:10-11).

De mannen van Abrahams ‘leger’ waren geboren in zijn huis (14:14). Overdrachtelijk gesproken zouden we nu zeggen het waren gelovigen. Ze waren bewapend en getraind (14:14) in staat om de strijd aan te gaan en Lot te bevrijden. In het Nieuwe Testament worden gelovigen vergeleken met soldaten (2 Timotheüs 2:3-4) die in het bezit zijn van een wapenrusting (Efeze 6:11, 13). We hebben een geestelijke strijd te voeren en onze wapens zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken (2 Korinthiërs 10:3-5). Als wij de strijd verliezen ligt dat niet aan de uitrusting of de strategie van de leider, maar vaak aan de houding en inzet van de soldaten. Maar de mooiste en beste wapenuitrusting helpt niet als je niet hebt geleerd er mee om te gaan. Een goede kennis van Gods Woord maakt dat je beter de strijd kunt aangaan. (Mattheüs 4:4, 6, 7; 2 Timotheüs 3:16).

Abraham en zijn bondgenoten (Genesis 14:13) verdeelden zich, uit strategisch oogpunt, in meerdere groepen maar bleven gehoorzaam een één leider. De grote moeilijkheid die wij tegenwoordig als Kerk van Christus ervaren is ‘dat er teveel generaals zijn en onvoldoende soldaten’. De strijd strekte zich uit tot aan Damascus, zo’n 150 kilometer noordelijk van Sodom. Abraham gaf niet zo gemakkelijk op om zijn neef en broeder Lot te redden, hij de tweede mijl (Mattheüs 5:41). Hoe vaak geven wij niet te snel op als een broeder of zuster hulp nodig heeft? Die volharding bracht Abraham de overwinning. Abraham ‘bracht al de have terug, en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk’ (Genesis 14:16). ‘Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen’ (Galaten 6:9).

Een overwinning op zichzelf

‘Laten we na de overwinning even waakzaam zijn als voor de strijd’ heeft iemand eens gezegd. We zien dat gebrek aan waakzaamheid bij het volk Israël die onder leiding van Jozua de stad Jericho had ingenomen. Met overschatte zichzelf en onderschatte de kracht van de inwoners van Ai en leden een grote nederlaag bij hun poging om het stadje in te nemen (Jozua 7:3-5). Na zijn terugkeer ontmoette Abraham twee koningen, Bera, de koning van Sodom en Melchizedek, de koning van Jeruzalem. De koning van Sodom kwam Abraham tegemoet met een het aanbod hem de mensen te geven dan mocht hij de bezittingen behouden. De koning van Jeruzalem kwam Abraham tegemoet met brood en  wijn.

Abraham werd door de koning van Sodom in verleiding gebracht om de beloning van Gods overwinning (Genesis 14:20) te gebruiken voor zijn persoonlijk gewin, maar hij sloeg het aanbod van de koning van Sodom af. Zijn antwoord? ‘Ik zweer bij de HERE, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde: Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt’ (Genesis 14:22-23). De koning van Salem, een beeld van onze Heer Jezus Christus (Hebreeën 7:1-13) kwam met een beter voorstel, brood en wijn. Sodom mogen we zien als een beeld van de verdorven wereld, Jeruzalem als de stad van de vrede, de stad van de grote Koning (Mattheüs 5:35). Door het aanbod van de koning van Sodom te verwerpen en het brood en wijn van de koning van Jeruzalem te accepteren duidde Abraham dat hij de wereld vaarwel zei en

Geef na elke strijd God de eer, en wacht u voor aanlokkelijke voorstellen van de duivel. Als u niet oppast, wint u de oorlog maar verliest u de overwinning.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Vier steden in het leven van Abraham’

Deel 4

Genesis 12, 18, Handelingen 7 en Hebreeën 11

 

‘Vergeten wat achter je is, uitstrekken naar wat voor je ligt’ (Fil.3:13)

 

Inleiding

Als u het O.T. leest, dient u rekening te houden met wat de apostel Paulus daarover geschreven heeft, om de pointe niet te missen! Hij leert ons namelijk dat, en ik citeer enkele verzen uit het N.T.: ‘deze dingen (de gebeurtenissen vermeld in het O.T.) tot voorbeelden voor ons gebeurden’, ‘deze dingen hun zijn overkomen als voorbeelden, en tot waarschuwing voor ons’ en ten slotte: ‘alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering geschreven is, opdat wij door de volharding en de vertroosting van de Schriften de hoop zouden hebben.’ (1Kor.10:6,11 en Rom.15:4)

Het gaat echter niet slechts om de gebeurtenissen op zich, er is ook nog iets anders en dat vinden we bijvoorbeeld verklaard in de brief aan de Galaten. Ik citeer: ‘Zeg mij, u die onder de wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet? Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, een van de slavin, en een van de vrije. Maar hij die van de slavin was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de belofte. Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï, dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is Hagar’ (Gal.4:24). ‘Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis’ wil met andere woorden zeggen: er ligt een diepere betekenis in. Hier stellen Hagar en Sara twee verbonden voor. Voor meer voorbeelden zie: Joh.3:14; Heb.10:1; Rom.5:14; 1 Kor.5:7, 9:9, 10:4.

Nu we ons gaan bezighouden met de persoon van Abraham en diens leven, willen we hem volgen op zijn reis van de stad Ur naar het land dat God hem wijzen zou. Tijdens die reis komen vier steden voor: Ur, Haran, Sodom en de stad Gods. In hun geestelijke betekenis kunnen die steden voor ons een belangrijke betekenis hebben. Ur is de stad die Abraham diende te verlaten, Haran is de stad die hem ophield, Sodom was de stad die hij diende te mijden, en ten slotte was er de stad van God die hij voor ogen moest houden.

Evenals Abraham zijn ook wij vreemdelingen en bijwoners (1Petr.2:11) en zoeken we de toekomstige stad (Heb.13:14). Wij zijn op reis en dienen er rekening mee te houden dat we onderweg allerlei zaken (steden) kunnen tegenkomen die van invloed kunnen zijn op ons geestelijk leven. De genoemde vier steden geven ons daarvan een beeld.

Ur - de stad die Abraham achter zich moest laten

Had God zich niet bekendgemaakt aan Abraham, dan zou deze gestorven zijn als een ongelovige. ‘Er is niemand die God zoekt.’Maar ‘de God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham toen hij in Mesopotamië was’ (Hand.7:2). Ur was in die tijd een stad van ongeveer 300.000 inwoners en was van alle toenmalige luxe voorzien, maar ook verbonden met afgodendienst. In Jozua 24:2 lezen we: ‘aan de overzijde van de Rivier hebben oudtijds uw vaderen gewoond, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, en zij hebben andere goden gediend’.

‘Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou’ (Hebr.11:8). Toen Abraham vijfenzeventig jaar was, zei hij vaarwel aan Ur der Chaldeeën en ging op weg naar Kanaän (Gen.11:27-12:9). ‘Zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän’ (12:5). We zouden graag meer over die reis hebben gehoord, behalve zijn oponthoud in Haran, maar slechts een komma scheidt het vertrek van de aankomst. Er is nooit meer gereisd dan in onze huidige tijd. Je hebt ontelbare reisbureaus en bestemmingen in overvloed. De moderne techniek maakt reizen betrekkelijk eenvoudig en goedkoop. We worden overstelpt met informatie over de gekozen bestemming en voor de weg ernaartoe gebruiken we kaarten en sinds de laatste jaren de GPS. Maar Abraham wist niet waar hij naartoe ging, hij was aangewezen op Gods stem en leiding, maar ‘zij kwamen in het land Kanaän’!

Ook vandaag roept God mensen om de wereld op te geven en op reis te gaan naar de stad Gods. Bent u al vertrokken of al onderweg?

Haran – de stad waar Abraham werd opgehouden

Toen Abraham geroepen werd om zijn geboortestad te verlaten, werd hem ook gezegd zijn familie achter te laten (Gen.12:1), maar hij nam zijn vader, zijn vrouw en zijn neef Lot met hem mee. Dat bracht nadeel met zich mee. Abraham moest leren de familiebanden los te laten. God had Abraham geroepen en niet zijn familie. Het nadeel daarvan kwam al gauw aan het licht doordat ze een tijdlang in Haran verbleven. Was de vader van Abraham niet meer in staat de reis voort te zetten? In elk geval, eerst nadat Terach gestorven was, konden Abraham en Sara hun reis voortzetten. ‘Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën en ging in Haran wonen. En daarvandaan bracht Hij, nadat zijn vader gestorven was, hem over naar dit land, waar u nu in woont’ (Hand.7:4). Oponthoud, stagnatie in je geloofsleven is nooit goed. Familiebanden kunnen aanleiding geven tot een stilstand in je geestelijk leven. Je kunt je niet ten volle ontplooien als gelovige, vandaar dat de Heer Jezus wellicht gezegd heeft ‘Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard’ (Mat.10:37).

Naast familie zijn er ook andere zaken te noemen die een doorbraak in je geloofsleven in de weg staan. We denken maar aan dingen die de Heer Jezus noemt in de gelijkenis van de zaaier, zoals de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom, de begeerten naar de overige dingen en de genietingen van het leven (Mark.4:19; Luk.8:14).

We moeten ook de satan niet onderschatten, die ons geloofsleven nadelig wil beïnvloeden en tot stilstand wil brengen. Nemen we het voorbeeld van Nehemia, die bezig was de muur van Jeruzalem te herbouwen en op een goede (?) dag het verzoek van zijn vijanden kreeg om eens samen te komen. Wijs genoeg ging hij niet in op deze uitnodiging, maar liet hen de volgende boodschap toekomen: ‘Ik ben bezig een groot werk te doen en kan niet komen. Waarom zou het werk stil liggen, doordat ik het verliet en tot u kwam?’ (Neh.6:3).

Een ander voorbeeld is dat van Mirjam, de zus van Mozes, die tegen zijn gezag in opstand kwam, waardoor zelfs de voortgang van een heel volk in het gedrang kwam. ‘Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk brak niet op, totdat Mirjam weer in hun midden opgenomen was’ (Num.12:15). Bent u vrij van mogelijke belemmeringen voor uw geloofsleven?

Sodom - de stad die Abraham moest mijden

‘God heeft de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en tot de vernietiging veroordeeld en tot een voorbeeld gesteld voor hen die goddeloos zouden leven’ (2Petr.2:6). Geen stad waar je gauw naartoe zou willen gaan; een stad als voorbeeld voor goddelozen! Lot kon de aantrekkingskracht van Sodom niet weerstaan en vestigde zich in die stad. Hoe kwam het dat Lot daar terechtkwam? Lot was samen met Abraham naar Egypte geweest en toen hij in de buurt van Sodom kwam, wakkerde de herinnering aan Egypte op. Bij de scheiding van Abraham en Lot lezen we: ‘En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte’ (Gen.13:10). Lot was wel uit Egypte, maar Egypte was niet uit Lot! Gelovigen zijn wel uit de wereld, maar dat wil niet zeggen dat de wereld uit hen is!

Sodom is bij uitstek een beeld van de wereld en haar geneugten en die dienen we te mijden. Het is belangrijk ons niet met de wereld te verbinden of erdoor te laten beïnvloeden; we zouden voor deze wereld tot een zegen moeten zijn, zowel voor gelovigen als ongelovigen. Als gelovigen dienen we ons onbesmet van de wereld te bewaren, en geen vriend van de wereld te worden, zo niet zouden we die wereld lief krijgen en er gelijkvormig aan worden, zodat we uiteindelijk onder het oordeel over de wereld zouden vallen (Jak.1:27, 4:4; 1Joh.2:15; Rom.12:2 en 1Kor.11:32). Paulus schrijft dat sommigen, wat het geloof betreft, schipbreuk hebben geleden (1Tim.1:19) en hij vermeldt Hymeneüs, en Alexander, die hem veel kwaad heeft aangedaan (2Tim.4:14). Ook Demas had de tegenwoordige eeuw weer lief gekregen en de apostel Paulus verlaten (2Tim.4:9). We weten niet veel van Demas, maar één ding weten we wel en dat is dat hij de tegenwoordige wereld weer heeft lief gekregen, en dat zegt genoeg! U zult ook wel voorbeelden kennen van gelovigen die teruggevallen zijn in deze wereld. Lot koos voor Sodom en ging ten onder. Abraham koos voor God en werd door Hem gezegend en kon daarom voor velen tot zegen zijn (Gen.18:23-33). Wat een verschil, en toch waren ze beiden een gelovige.

De stad Gods - de stad die Abraham zocht

Wat hield Mozes gaande? De heerlijkheid van God! Wat hield Jozua gaande? De beloften van God! Wat hield de Heer Jezus gaande? De vreugde die voor Hem lag! Wat hield Abraham gaande? De stad Gods! Elk van hen had een kenmerkend iets wat hen de kracht en de moed gaf om door te gaan. Bij Abraham was dat, zoals gezegd, de ‘stad van God’ die hij voor ogen had. ‘Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet’ (Hebr.11:13). Abraham geloofde God en verliet Ur der Chaldeeën zonder te weten waar hij naartoe ging, zonder te weten op welke manier hij er moest komen, zonder te weten wanneer hij er zou komen en zonder dat hij wist waarom (Hebr.11:8-19). Het was zijn geloof in het Woord van God dat hem zijn huis deed verlaten om te leven als een pelgrim en te gaan waar God hem ook leidde en het was geen gemakkelijke reis, maar zijn geloof in God gaf hem de kracht om vol te houden. Als we ons met deze stad bezighouden, dan geven we niet op.

Heeft u zoals Abraham gehoor gegeven aan Gods oproep om de wereld vaarwel te zeggen en op weg te gaan naar de stad Gods? En als u dat gedaan heeft, wat houdt u gaande? Wat is er in uw leven wat u bezielt en doet doorgaan op de ingeslagen weg? Van Abraham lezen we dat hij zich erop verheugde dat hij de dag van Christus zou zien, en hij heeft die gezien en zich verblijd, zegt de Schrift (Joh.8:56). We lezen in het O.T. niet wanneer Abraham dat visioen heeft gehad, maar we kunnen ons voorstellen dat het gebeurd zou kunnen zijn toen hij Izaäk offerde op de berg Moria (Gen.22). Van Mozes lezen we dat hij ‘de smaad van Christus als grotere rijkdom achtte dan de schatten in Egypte, want hij had het loon voor ogen’ (Hebr.11:26).

‘Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo’n menigte van getuigen omringd worden, afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt,  terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God. Want let toch scherp op Hem Die zo'n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verzwakt en bezwijkt in uw zielen’ (Hebr.12:1-3).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX