Inleiding Boeken NT

 

In deze rubiek kunt u korte inleidingen vinden op de boeken van het Nieuwe Testament

 

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op het evangelie naar Mattheüs 

I. Het Joodse karakter van het evangelie naar Mattheüs

A. Het evangelie is geschreven door een Joodse tollenaar genaamd Levi (Mat.9:9-13; Luk.5:27-32; Mark.2:13-17).

B. Gelet op zijn plaats in het Nieuwe Testament is het de ‘brug’ tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

C. In het evangelie wordt veel verwezen naar teksten uit het Oude Testament. Sommigen tellen 53 tekstvermeldingen uit het Oude Testament en 76 verwijzingen naar oudtestamentische gedeelten, een totaal van 129. Mattheüs verwijst naar 25 van de 39 oudtestamentische boeken. Het woord ‘opdat vervuld werd’ wordt 12 keer gebruikt (zie: 1:22; 2:15, 17, 23, enz.)

D. Christus wordt vaak aangesproken als ‘Zoon van David’ (1:1; 9:27; 12:23 enz.)

E. Er wordt overvloedig verwezen naar ‘het Koninkrijk der hemelen’, en daarom kan het evangelie worden gedefinieerd als ‘Het Evangelie van het Koninkrijk’.

F. Het Joods karakter van het evangelie komt duidelijk tot uitdrukking. Het begint met de vermelding van Christus genealogie tot op Abraham (1:11-17); de informatie over Jozef (1:18-25); de opdracht voor de discipelen om te gaan naar de ‘verloren schapen van het huis Israëls’ (hfdst.10); Christus verwerping door de Farizeeërs (hdst.23); en verschillen gelijkenissen in de hoofdstukken 20-23.

II. Het hoofdonderwerp van het evangelie naar Mattheüs

A. Mattheüs is niet chronologisch zoals Markus en Lukas.

Mattheüs heeft die gedeelten van Jezus’ leven zo geselecteerd om een speciaal doel te benadrukken. Christus is de Koning van de Joden, verworpen door zijn volk, gekruisigd voor de wereld, en opgenomen in heerlijkheid.

B. In de hoofdstukken 1-10 openbaard Christus zich als de langverwachte koning van de Joden.

Hij werd geboren zoals voorzegt, aangekondigd door de door God aangestelde boodschapper, en bevestigd door God door de werken die door de profeten waren aangekondigd. In de hoofdstukken 11-13 stonden de Joodse leiders tegen Christus op en beweerden dat zijn werken uit de duivel waren. Zij beriepen zich op hun zelfontworpen tradities en religieuze gebruiken in plaats van Gods principes. Hoewel Hij veel wonderen verrichtte, verwierp het volk Hem; het resultaat was dat Hij zich tot de volkeren wendde. ‘Kom tot Mij allen die vermoeid zijt’ (Mat.11:28) en gaf in hoofdstuk 13 de gelijkenissen van het koninkrijk der hemelen. Hij beschreef in deze gelijkenissen hoe het koninkrijk zich in deze wereld zou gaan ontwikkelen.

C. In de hoofdstukken 14-20 trekt Christus zich met zijn discipelen terug uit de openbaarheid om zich voor te bereiden op zijn lijden en sterven aan het kruis.

Natuurlijk, Hij blijft een openbare dienst uitoefenen, maar in die tijd geeft Hij speciaal onderwijs aan zijn discipelen over zijn aanstaande dood en opstanding. In deze hoofdstukken vinden we Petrus’ grote belijdenis van Christus, de eerste aankondiging van Jezus’ dood en de eerste vermelding van de Gemeente.

D. In de hoofdstukken 21-27 vinden de openlijke verwerping van de Koning.

Wat begon als een afwijzing wordt openlijke vijandschap dat tot zijn kruisiging leidt. In die tijd is de Heer in openlijke conflict met de religieuze leiders. Hij onderwijst zijn discipelen hoe de toekomst er uit zal zien (hfdst.26-27) en sterft op het kruis als de Koning van de Joden (27:29).

E. Het laatste hoofdstuk vermeld zijn opstanding en hemelvaart als de Koning die alle macht op hemel en aarde heeft.

III. Het Koninkrijk der hemelen

A. Het Koninkrijk des hemels verwijst naar Gods regering op aarde

Gods regering verschilt van vorm in verschillende tijdsgewrichten. In het begin, bestuurde God de aarde door de persoon van Adam, die hij stelde om de schepping te bewerken en te bewaren. Gedurende de dagen van Israël, had God het bestuur in handen van koningen en richters gegeven. Toen Israël in ballingschap gevoerd werd regeerde hij door andere volkeren (Dan.2:37). Christus stelde Zichzelf voor aan de Joden toen Hij op aarde kwam (Mat.4:17), maar ze aanvaarden hem niet. ‘Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen’ (Joh.1:11). De Joden verwierpen het koninkrijk toen zij de Koning verwierpen.

B. In Mattheüs 13 wordt het Koninkrijk der hemelen voor deze tijd beschreven. Het is een mix van goed en kwaad, waar en onwaar. Aan het einde van dat tijdperk wordt het kwade van het goede gescheiden, en het koninkrijk zal op aarde opgericht worden in heiligheid en gerechtigheid. De Gemeente maakt deel uit van het koninkrijk der hemelen, maar is niet het koninkrijk der hemelen. Door Mattheüs 13 op de Gemeente toe te passen ontstaat verwarring. Mogelijk is de beste omschrijving van ‘het koninkrijk der hemelen’ in het hedendaags taalgebruik ‘het Christendom’ de kerk in de praktijk in deze wereld, een mix van waarheid en vals.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op het evangelie naar Markus

I. De schrijver

Johannes Markus woonde met zijn moeder Maria (Hand.12:12) in Jeruzalem, en was een leider in de gemeente aldaar. Sommige bijbelleraars denken dat hij de man was die vluchtte in de tuin toen Jezus werd gearresteerd (Mark.14:51-52), maar dat is slechts een vermoeden. Johannes Markus vergezelde zijn neef Barnabas (Kol.4:10) en Paulus op hun ‘hulpactie reis’ (Hand.11:27-30) en hun eerste zendingsreis (Hand.13:5), maar liet hen achter in Perge en keerde terug naar huis (Hand.13:13). Dit veroorzaakte later een scheiding tussen Barnabas en Paulus en leidde er toe dat Barnabas zich ontfermde over Markus (Hand. 15:36-41). Evenwel, voordat hij stierf, erkende Paulus Markus’ dienst en sprak vol lof over hem (Kol. 4:10; 2 Tim. 4:11). Petrus noemde Markus ‘mijn zoon’ (1Petr.5:13), dat misschien een aanwijzing kan zijn dat Markus door de dienst van Petrus tot geloof is gekomen. De traditie noemt Markus de ‘tolk van Petrus’; hetgeen suggereert dat het Evangelie naar Markus, Petrus’ verslag is van de woorden en daden van de Here Jezus (Zie: 2Petr.1:15).

 II. Het onderwerp

Markus schreef hoofdzakelijk voor Romeinse lezers, en legt de nadruk op de Here Jezus als de Dienstknecht van God (Mark.10:44-45). Een van de sleutelwoorden is ‘terstond’, dat éénenveertig keer gebruikt wordt. Markus schildert de Here Jezus als de Dienstknecht van God die voortdurend onderweg is voor de noden van alle mensen. Het feit dat Markus Joodse gewoonten en Aramese woorden verklaart duidt erop dat hij heidense lezers op het oog heeft. Markus legt ook de nadruk op discipelschap en verdrukking. Het Markus evangelie was ongetwijfeld een grote bemoediging voor de lijdende gelovigen onder keizer Nero.

Zoals bij de nederige Dienstknecht past vinden we hier geen afstamming en geboorte, en ook veel minder woorden en toespraken dan bij Mattheus, maar meer zijn wérk, dat Hij als de van God gezondene aan Gods volk verricht. Tegelijk vinden we hier ook belangrijk onderwijs van de Dienstknecht aan hen die zíjn dienstknecht willen worden en in zijn voetspoor willen treden om zijn verwerping én beloning te delen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op het evangelie naar Lukas

Lukas was een arts en waarschijnlijk een Griek (Kol.4:14); hij vergezelde Paulus op sommige van zijn reizen (let u op de voornaamwoorden ‘wij’ en ‘ons’ in Hand.16:10; 20:5; 21:1; 27:1). Hij schreef het evangelie naar Lukas rond de jaren 55-60 mogelijk vanuit Caesarea en het boek Handelingen van de Apostelen (Luk.1:1-4; Hand.1:1-3) rond het jaar 63, ook vanuit Caesarea, die verslagen zijn van reizen: de reis van Christus naar Jeruzalem (Luk.9:51) en de reis van Paulus naar Rome.

Dokter Lukas schreef met de Grieken, dus de gehele niet-joodse mensheid, in gedachten en hij stelde Jezus Christus voor als de volmaakte Zoon des Mensen en de barmhartige Heiland (Luk.19:10). God heeft in de mens een welbehagen en in Christus heeft Hij heil bereid dat tot alle volken komt (2:14, 32v.). Voor de zondige mensheid betekent dat in Christus de genade van God te leren kennen, en dit staat dan ook eveneens hier op de voorgrond (4:22 en de gelijkenissen).

Door zijn ontroerende tekening van Jezus’ nederige mensheid en van de barmhartigheid van God die Hij ontvouwt (in het bijzonder aan de sociaal zwakkeren) is Lukas echt de ‘geliefde arts’. Hij noemt vrouwen, kinderen en de armen in zijn Evangelie, en blijdschap en vrolijkheid komen er vele malen in voor. Hij legt ook nadruk op het bidden en op Gods liefde voor de hele wereld. Lukas droeg beide boeken op aan Theófilus (‘vriend van God’), een Romeinse gelovige, mogelijk een ambtenaar, die onderlegd moest worden in het geloof.

Lukas’ benadering is ongecompliceerd. De genealogie van de Heer Jezus gaat terug op Adam (3:38). Lukas aandacht gaat uit naar zondaars, en gebruikt het woord zestien keer. Een dokter heeft altijd aandacht voor het individu en dat is dan ook te vinden in ‘zijn’ Evangelie. Zes wonderen en negentien gelijkenissen vinden we alleen in dit Evangelie. Lukas en Paulus leggen beiden de nadruk op geloof, bekering, genade en vergeving.

Dokter Lukas geeft het meest uitgebreide verslag van de geboorte van de Heer – geen wonder voor een arts. Hij boekstaaft de geboorte van onze Heer en zijn eerste jaren (hoofdstuk 1-2); zijn doop en verzoeking (3:1-4; 13); zijn dienst in Galilea (4:14-9:17); zijn dienst op weg naar Jeruzalem (9:18-19:27); en de laatste week van zijn dienst, in Jeruzalem (19:28-24:53).

Als u het Evangelie van Lukas leest, zult u de barmhartige Zoon des mensen gaan liefhebben; Hij bekommert Zich om hen die in nood zijn en wil dat zijn boodschap van redding wordt gebracht aan de hele wereld.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op het evangelie naar Johannes

I. Het onderwerp van het Evangelie

A. Sleutelvers: Johannes 20:30-31

Johannes’ onderwerp is Jezus Christus, de Zoon van God. Zijn evangelie gaat over de tekenen die de Heer Jezus tijdens zijn leven heeft gedaan, tekenen die zijn Godheid bevestigden. Deze tekenen werden gezien door betrouwbare getuigen (Zijn discipelen en anderen) en zijn daarom betrouwbaar. Johannes verlangen is dat mensen gaan geloven in Jezus Christus als hun Heer en door zijn Naam nieuwe leven ontvangen.

B. Vergelijking met de andere evangeliën

De eerste drie evangeliën worden wel de ‘synoptische evangeliën’ genoemd, afgeleid van het Griekse woord dat ‘tezamen zien’ betekend. Mattheüs, Markus en Lukas beschrijven het leven van de Heer Jezus in een gelijke manier, elk van hen met een eigen klemtoon:

- Mattheüs laat ons de Heer Jezus als de Koning van de Joden zien.

- Markus toont ons de Heer als de Dienstknecht, en ‘zijn’ evangelie richt zich tot de Romeinen.

- Lukas beschrijft Jezus als de ‘Zoon des Mensen’, en richt zich tot de Grieken.

- Johannes presenteert de Heer Jezus als de Zoon van God en schrijft voor de hele wereld.

Terwijl de eerste drie evangeliën hoofdzakelijk de gebeurtenissen in het leven van Jezus behandelen, beschrijft Johannes de geestelijke betekenissen van deze gebeurtenissen. Hij gaat verder en presenteert waarheden die in de andere evangeliën niet benadrukt worden. Bijvoorbeeld, alle vier de evangeliën vermelden de spijziging van de 5000, maar alleen Johannes geeft een uitvoerig relaas van het Brood van het leven (Joh.6) en verklaart de betekenis van het wonder. Daarom gebruikt Johannes het woord ‘teken’ in plaats van ‘wonder’, want een ‘teken’ is een wonder dat een boodschap in zich bergt.

C. Sleutelwoorden

Wanneer je het Johannes evangelie zal je opmerken hoe vaak dezelfde woorden herhaald worden: leven, geloof, licht en duisternis, waarheid, getuige, wereld, heerlijkheid, ontvangen, Vader, kom, eeuwig en eeuwigdurend. Deze kernwoorden vatten de boodschap van dit evangelie samen.

II. Christus in het Evangelie

Johannes legt de klemtoon op de persoon van Jezus Christus en ook op diens werken. Hij vermeld zeven boodschappen waarin Christus naar Zichzelf wijst en zijn dienst verklaard. Er zijn zeven ‘Ik ben’ in dit evangelie: 6:35,41,48,51; 8:12; 9:5; 10:7,9; 10:11,14; 11:25; 14:6; 15:1,5.

Deze zeven ‘Ik ben’ uitspraken spreken van zijn Godheid; want Gods naam is ‘Ik ben’ (Zie: Ex.3:14). Let ook op de andere gelegenheden waarop de Heer Jezus deze ‘Ik ben’ gebruikt en op Zichzelf toepast: 4:26; 8:28,58; 13:19; 18:5-6,8. Wanneer je dit evangelie leest kom je uiteraard tot de overtuiging dat Jezus de Zoon van God is!

III. Tekenen in het Evangelie

Van de vele wonderen die de Heer Jezus heeft verricht, heeft Johannes er zeen gebruikt om zijn Godheid aan te tonen. (De achtste in hoofdstuk 21 was uitsluitend gericht tot de discipelen en leiden de afsluiting van dit evangelie in.) Deze zeven tekenen waren in een speciale volgorde gegeven (Zie: 4:54, ‘Dit tweede teken’) en beelden de boodschap van het evangelie uit. De eerste drie laten ons zien hoe het evangelie de zondaar bereikt:

1. Water in wijn (2:1-11) – redding is door het Woord

2. Genezing van de zoon van de hoofdman (4:46-54) – redding is door geloof

3. Genezing van de verlamde (5:1-9) – redding is door genade

De laatste vier tekenen laten het resultaat zien van het heil in de zondaar:

4. Spijziging van de 5000 (6:1-14) – redding brengt voldoening

5. Bedaren van de storm (6:16-21) – redding brengt vrede

6. Genezing van de blinde (9:1-7) – redding brengt licht

7. Opwekking van Lazarus (11:38-45) – redding geeft leven

Natuurlijk laat ook elk wonder de Goddelijkheid van Christus zien (Zie: 5:20,36). Deze tekenen worden ook benut voor Christus’ toespraken en interviews. Nicodemus kwam tot Jezus door de tekenen die Hij had verricht (3:2); de genezing van de verlamde (5:1-9) leidde tot de toespraak in 5:10-47; de spijziging van de 5000 wat de basis voor de boodschap van het Brood van het leven in hoofdstuk 6; de uitsluiting van de genezen blinde man (9:34) bracht de boodschap van de Goede herder tot stand die niemand verwierp (hfdst.10).

IV. Geloof en ongeloof in het Evangelie

Een ander belangrijk onderwerp in het Johannes evangelie is het conflict tussen geloof en ongeloof. Johannes begint met de verwerping van Jezus door het volk (1:11), dat uiteindelijk leidde tot diens kruisiging. Door het hele evangelie zie je dat de meeste Joden weigeren om het bewijs te accepteren en werden harder en harder in hun afwijzing. Aan de andere kant zie je een kleine groep mensen bereid om Christus te aanvaarden – de discipelen, de overste en zijn familie, de Samaritaanse, een verlamde, een blinde, enz. Dat zie je ook vandaag de dag: de wereld wil niet in Christus geloven, maar hier en daar zie je mensen die overtuigd zijn en accepteren Jezus als de Zoon van God.

De Joden beginnen met hun twistgesprekken met Christus na het wonder in hoofdstuk 5, omdat Jezus iemand op de sabbat geneest. In de hoofdstukken 7-12 wordt het conflict ernstiger, en verschillende keren probeert men Christus te arresteren. Het hoogtepunt vinden we in de hoofdstukken 18-19 waarin ze Jezus arresteren en Hem kruisigden.

We vinden drie crisissen vermeld in het evangelie naar Johannes, (1) toen de menigte Hem verliet toen ze Hem koning wilden maken (6:66-71); (2) toen het volk weigerde Hem te gehoorzamen (12:12-50); en (3) toen ze Hem kruisigden (19:13-22). In die eerste crisis wilden ze Hem koning maken, maar verlieten Hem toch. In de tweede crisis huldigden ze Hem als koning, maar verwierpen Hem toch. In de derde crisis riepen ze ‘We hebben geen koning dat de keizer!’ (19:15). Hij is de Weg, maar wilden niet met Hem wandelen; Hij is de Waarheid, maar ze wilden Hem niet geloven; Hij is het Leven, maar ze doden Hem.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op het boek Handelingen

Het is al vaker gezegd: ‘het boek Handelingen is een overgangsboek’. Handelingen vormt de overgang van (1) het evangelie naar de brieven; (2) van het Jodendom naar het Christendom; (3) van de Wet naar de Genade; (4) van de Joden naar de heidenen en (5) van het Koninkrijk naar de Gemeente. We zien in dit boek de geleidelijke terzijdestelling van Israël en de uitbreiding van de verkondiging van het evangelie van de genade naar de volkeren. Het boek begint in Jeruzalem en eindigt in Rome. Handelingen 1–7 beschrijft de prediking van de boodschap van het koninkrijk voor de Joden. Drie moorden symboliseren de verwerping van Gods aanbod aan Israël. Door Johannes de Doper te doden verwierp de Joden God de Vader. Daarna kwam de Heer Jezus die ze eveneens verwierpen en doden en daarmee verwierpen ze God de Zoon. Toen Stéfanus werd gedood was dat de verwerping van God de Heilige Geest. De dood van Stéfanus sluit het aanbod van God aan de Joden af (vgl. Mat.21:33-46; Heb.1:1). Hoofdstuk 8-10 vormen een overgang. In hoofdstuk 8, gaat het evangelie van de Joden naar de Samaritanen. In hoofdstuk 9 wordt Saulus gered en verder voorbereid op zijn toekomstige dienst voor de Gemeente. Vanaf hoofdstuk 10 gaat het evangelie naar de volkeren, en Petrus verdedigd deze nieuwe start in hoofdstuk 11. In hoofdstuk 12 zien we Petrus voor de laatste keer als de leider onder de gelovigen. In hoofdstuk 13, neemt Paulus de leiding over tot aan het einde van het boek.

Schrijver

Lukas, de geliefde geneesheer, is de schrijver van het boek Handelingen. Op grond van handschriften en woordgebruik wordt aangenomen dat Lukas de schrijver van Handelingen is en ook op grond van de beginverzen van ‘zijn’ evangelie. In de oudheid is hij door de meeste kerkvaders genoemd als de schrijver, daarover is nooit twijfel geweest. Hij wordt in het NT vermeld in Kol.4:14; 2Tim.4:10 en Fm.:24. Het ‘eerste boek’ (Hand.1:1) is het evangelie naar Lukas (zie: Luk.1:1-4). Lukas was een arts (Kol.4:14) die deel uitmaakte van Paulus’ reisgezelschap (Hand.16:8-10); let op de verandering van ‘zij’ in ‘wij’ en reisde met de zendeling mee naar Filippi. Vermoedelijk bleef hij daar en vergezelde Paulus niet meer totdat hij terugkwam tijdens zijn derde reis (Hand.20:6). Het wordt algemeen aangenomen dat Lukas een niet-jood was.

Thema

Het is heel belangrijk dat we het hoofdthema van het boek Handelingen goed begrijpen, en daarvoor is het verwerven van een totaaloverzicht een vereiste. In dit boek zien we de boodschap van het Koninkrijk en de geleidelijke terzijdestelling van het volk Israël; we worden getuige van de uitbreiding van de Gemeente en de boodschap van de genade van God. In de hoofdstukken 1-7, bevinden we ons duidelijk op Joodse bodem. Als we in het oog houden dat Handelingen een voortzetting is van het Evangelie naar Lukas en terugdenken aan Lukas 24:46vv, dan zien we waarom de discipelen in Jeruzalem begonnen: Christus had hun het bevel gegeven om daar te blijven totdat de Heilige Geest zou komen. Hun dienst zou beginnen in Jeruzalem ‘eerst de Jood’ (Rom.1:16). Zelfs als we even vooruitkijken in Handelingen 8:1, dan zien we dat de apostelen in Jeruzalem bleven terwijl de andere gelovigen vluchtten. Ze waren niet ongehoorzaam aan de Heer, maar volgden de bevelen op die Hij hun had gegeven.

Hieronder volgen een aantal Schriftplaatsen vermeld in Handelingen 1-7, die duidelijk maken dat de toenmalige dienst van de apostelen gericht was naar het Joodse volk en dat de boodschap het evangelie van het koninkrijk betrof:

(1) De discipelen verwachten de oprichting van het Koninkrijk (1:6), en Christus bestrafte hun vraag niet. Hij had hun immers beloofd dat ze zouden zitten op twaalf tronen (Mat.19:28)?

(2) Het was nodig dat ze een twaalfde apostel verkozen (1:22) als vervanger van Judas, zodat Christus’ belofte (zie pt.1) in vervulling zou kunnen gaan. Paulus kon die nieuwe apostel niet zijn, omdat zijn dienst hoofdzakelijk gericht was naar de heiden volkeren, en omdat hij niet voldeed aan de genoemde voorwaarden (1:21). Paulus’ dienst had te maken met het ene Lichaam de Gemeente.

(3) Petrus sprak tot de mannen van Juda, Jeruzalem en Israël in zijn boodschap op Pinksteren (2:14, 22). Hij richtte zich in zijn boodschap niet aan de heidenen. Het was in de eerste plaats een Joodse boodschap aan een Joodse vergadering op een Joodse religieuze dag.

(4) De profetie van Joël (2:16vv) staat hoofdzakelijk in verband met Israël, niet met de Gemeente.

(5) Petrus schildert het kruis als een misdadig gebruik, niet als een middel van Gods genade voor de zonde (2:22-23). Vergelijk dit met Paulus’ boodschap in 2Kor.5.

(6) Petrus’ onderwerp op die Pinksterdag is de opstanding. Christus had het Joods volk een teken belooft – het teken van de profeet Jona – wat de dood, begrafenis en opstanding betekende (Mat.12:38vv). Over dit teken sprak Petrus. God gaf het volk Israël een nieuwe kans om de Messias te accepteren om gered te worden.

(7) De apostelen en de eerste bekeerlingen aanbaden in de tempel (2:46vv) en      onderhielden deze dienst van de tempel totdat ze er werden uitgezet.

(8) Petrus verkondigde dat de dagen van zegen die ze hadden ervaren, voorzegt waren door de oudtestamentische profeten (3:21, 24). De Gemeente was een geheimenis verborgen bij God en werd niet eerder ten volle bekend gemaakt dan door de dienst van de apostel Paulus (Ef.3). De profeten spraken over een joods koninkrijk, niet over de Gemeente. Dit te verwarren schept problemen.

(9) Jeruzalem was het centrum van de zegen; iedereen kwam er (5:16). Het was zeker koninkrijks grond; zie Jes.66:5vv.

(10) Petrus vertelde de Raad duidelijk dat de boodschap gericht was op de bekering van het volk Israël (5:31).

(11) In hoofdstuk 7 geeft Stefanus een overzicht van de geschiedenis van het volk en laat zien hoe het volk de jaren door het aanbod van God had afgewezen.

Het mag duidelijk zijn dat de eerste zeven hoofdstukken zich bijna uitsluitend richten tot het volk Israël, niet tot de Gemeente. De hoofdstukken 8-12 vormen een overgangsperiode. In hoofdstuk 8, gaat het Evangelie van de Joden naar de Samaritanen. In hoofdstuk 9 wordt de apostel Paulus op een wonderlijke manier gered, en bereid God de apostel voor op zijn bediening voor de Gemeente. In hoofdstuk 10 gaat het Evangelie naar de volkeren, en Petrus verdedigd deze nieuwe wending in hoofdstuk 11. In hoofdstuk 12 zien we Petrus voor de laatste keer als leider te midden van de gelovigen. In hoofdstuk 13 neemt de apostel Paulus de leiding tot aan het eind van het boek.

De Kerk in Handelingen

De eerste zeven hoofdstukken beschrijven de boodschap gericht aan het joodse volk. De vraag waar we in deze hoofdstukken de Gemeente, het Lichaam van Christus, plaatsen kan als volgt beantwoord worden. De Gemeente begon in Handelingen 2 met de uitstorting van de Heilige Geest maar werd niet eerder geopenbaard dan door de prediking en de geschriften van de apostel Paulus. De Heer Jezus had gezegd dat Hij zijn Gemeente zou bouwen (Mat.16:18); en gaf Hij Petrus ‘de sleutels van het koninkrijk der hemelen.’ (Mat.16:19) Petrus gebruikte deze ‘sleutels’ door de deur voor het geloof te openen voor de Joden op Pinksteren (Hand.2), voor de Samaritanen (Hand.8), en voor de volkeren (Hand.10). Met andere woorden, er is een overgang op te merken in deze eerste zeven hoofdstukken van Handelingen, door het verdwijnen van Israël en het koninkrijk van het podium, en het opkomen van de Gemeente en het Evangelie van Gods genade. De Heer Jezus beloofde de apostelen de doop van de Heilige Geest (Hand.1:5), en dit gebeurde op Pinksteren (Hand.2; 1Ko12:13) en in het huis van Cornelius (Hand.10:45; 11:15-17). Deze twee gebeurtenissen sluiten Joden en heidenen in, en zo kwam het Lichaam van Christus tot stand. De apostelen hadden geen voorkennis wanneer en of Israël het koninkrijk zou ontvangen (Hand.1:6-7), maar de Heer wist het. De Gemeente kwam dus (tijdelijk) in de plaats van Israël door de afwijzing van Gods heil (Rom.9-10).

Het is gemakkelijk te ontdekken in het boek Handelingen wanneer de Gemeente de plaats inneemt van Israël. In het laatste hoofdstuk (28:17vv.) kondigt Paulus Gods oordeel aan over het volk aan. Zoals Romeinen 9-11 duidelijk maakt, heeft God Israël (tijdelijk) terzijde gesteld opdat ‘de volheid van de heidenen’ zou kunnen worden gerealiseerd door de dienst van de Gemeente. (Rom.11:25)

De nadruk op het koninkrijk in de eerste zeven hoofdstukken van Handelingen moet voor ons duidelijk zijn, anders kunnen bepaalde praktijken toegepast worden op de Gemeente terwijl het daar eigenlijk niet thuishoort. Bijvoorbeeld, sommige goedbedoelde christenen willen terug naar Pinksteren als hun geestelijk ideaal; maar in het licht van de voorgaande analyse - Pinksteren een Joods feest - houdt dit in dat het een teken is voor de Joden die geen relevantie heeft voor de Gemeente vandaag.

Het ‘christelijke communistische’ idee, zoals wel gezegd wordt van Hand.4:31vv. is niet op ons van toepassing. Het was een tijdelijk bewijs van het werk van Gods Geest, een beeld van het koninkrijk dat zou gaan komen. Natuurlijk zijn de geestelijke principes van toepassing op de gelovigen van alle tijden, maar we dienen ervoor op te passen de waarheden van het koninkrijk voor Israël van het Oude Testament niet te verwarren of vermengen met de waarheden van de Gemeente en het evangelie van de genade van God in het Nieuwe Testament (Hand.20:24).

De Heilige Geest in Handelingen

Dit boek zou je ‘De Handelingen van de Heilige Geest’ kunnen noemen. Het is belangrijk de voortgang van de ervaringen van de gelovigen op te merken als het boek overgaat van Jodendom naar de Gemeente.

Handelingen 2:38 – Petrus roept de Joden op zich te bekeren, geloven en te dopen om de Heilige Geest te ontvangen.

Handelingen 8:14-15 – Petrus bidt voor de Samaritanen om de Geest te ontvangen, legt hun de handen op, en zij ontvangen de gave van de Heilige Geest.

Handelingen 10:44 – De Heilige Geest komt over de volkeren wanneer zij geloven, en Petrus staat in verbazing!

Handelingen 10:44 is Gods model voor vandaag: hoor het Woord, ontvang de Geest, en wordt gedoopt als bewijs van je geloof.

De doop in Handelingen

Toen Petrus het koninkrijk aan de Joden aanbood, was de doop essentieel voor het ontvangen van de Heilige Geest (Hand.2:38). Door zich te laten dopen in de naam van de verworpen Messias, identificeerden zij zich met Hem en scheidden zich daardoor af van de andere Joden die door Petrus ‘dit verkeerde geslacht’ worden genoemd (Hand.2:40). Maar de doop bij de Samaritanen hield niet automatisch het ontvangen van de Geest in. (Hand.8:12-17). Ze moesten beroep doen op Petrus en Johannes, twee Joden, die baden voor deze nieuwe gelovigen en hun de handen oplegden, waarna zij de Heilige Geest ontvingen. Dit was de tweede keer dat Petrus de ‘sleutels van het koninkrijk’ gebruikte. Maar het patroon voor deze tijd wordt gevonden in Handelingen 10:44-48 – deze gelovigen werden gedoopt nadat zij de gave van de Heilige Geest al hadden ontvangen;

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief aan de Romeinen

I. De belangrijkheid

Het is niet alleen vanwege het feit dat voor een aantal belangrijke mensen in het christendom de brief aan de Romeinen van grote betekenis en invloed is geweest, zoals Augustinus, Luther en Wesley, dat we ons met deze brief zullen bezighouden, maar ook vanwege drie volgende redenen:

(1) Het presenteert o.a. de volgende leerstellige onderwerpen - gerechtigheid, heiliging, aanneming, oordeel en eenwording met Christus.

(2) Het presenteert waarheden m.b.t. de verschillende bedelingen in hoofdstuk 9-11, en laat ons de relatie zien tussen Israël en de Gemeente in het eeuwige plan van God.

(3) Het presenteert praktische waarheden, en leert ons het geheim van de overwinning van de christen over het vlees, de dienst die gelovigen tot elkaar hebben en hun relatie om te besturen.

II. De achtergrond

Paulus was op zijn derde zendingsreis toen hij deze brief schreef, waarschijnlijk vanuit Korinthe in het jaar 57/58. Hij was al lang van plan geweest de gelovigen in Rome van wie hij velen kenden (hfdst.16) te bezoeken, en deze brief bereidde de weg. We weten niet hoe de gemeente is Rome is ontstaan, Paulus was er nooit geweest en ook de traditie dat Petrus de stichter is geweest vindt geen steun in de geschiedenis of de bijbel. Vermoedelijk hebben mensen die in Jeruzalem zijn geweest en het evangelie daar gehoord hebben het meegenomen (Hand.2:10). Uit hoofdstuk 16 blijkt dat er niet één maar meerdere gemeenten waren.

III. De reden voor Paulus om deze brief te schrijven

Paulus schrijft de brief aan de Romeinen om de volgende redenen:

(1)  Om de gelovigen in Rome voor te bereiden op zijn bezoek en om hen duidelijk te maken waarom hij niet eerder was gekomen (15:23-29).

(2) Om hen te onderwijzen in het basisonderwijs van het christelijk geloof.

(3) Om hen de relatie tussen Israël en de Gemeente uit te leggen, omdat joodse gelovigen hen dreigden te beïnvloeden (hfdst.9-11).

(4) Om hen te herinneren aan hun plichten als christenen ten opzichte van elkaar en de overheid ((hfdst.13).

(5) Hij geeft antwoord op valse beschuldigingen over hem (3:8; 6:1).

IV. Onderwerp

Wellicht is het meest belangrijke onderwerp wel de gerechtigheid van God. Het woord ‘gerechtigheid’ wordt in een of andere vorm meer dan veertig keer in deze brief gebruikt. In de hoofdstukken 1-3 vinden we de noodzakelijkheid voor gerechtigheid beschreven. In 4-8 de manier hoe God daarin voorziet. In 9-11 zien we hoe Israël God gerechtigheid verwerpt. In 12-16 hoe de ontvangen gerechtigheid in de praktijk moet worden gebracht.

‘Godsdiensten zijn het zoeken van de mens naar God; het evangelie is Gods zoeken naar de mens. Er zijn vele godsdiensten, maar slechts een evangelie.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de eerste brief aan de Korinthiërs

I. De stad

Zonder twijfel was Korinthe de belangrijkste stad van Griekenland. Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie en lag op een ideale plaats aan de meest belangrijkste weg van het Romeinse rijk die liep van oost naar west. Korinthe was de vierde grootste stad van het Romeinse rijk en was bekend voor zijn handel, cultuur en verdorvenheid. Iedereen wist was een ‘Korinthiës meisje’ was, en een ‘Korinthiës feest’ was het toppunt van luxe en vrijheid. Korinthe was het middelpunt van de verering van Venus en een aantal andere mysteriegodsdiensten uit Egypte en Asia.

II. De Gemeente

Paulus bezocht Korinthe tijdens zijn tweede reis, nadat hij, zonder resultaat, Athene had bezocht (Hand.18:1-17). Hij werd bevriend met twee joodse tentenmakers, Aquila en Pricilla, en verbleef anderhalf jaar in Korinthe. Hij discuteerde, week na week, met de Joden in de synagoge, en Silas en Timotheüs voegden zich bij hem nadat hun taak in Berea er op zat. De overste van de synagoge kwam tot geloof en werd gedoopt door Paulus (Hand.18:8; 1Kor.1:14-16). De Heer gaf Paulus een speciale bemoediging om in Korinthe te blijven (Hand.18:9); maar na anderhalf jaar, vertrok hij naar Efeze. Hij verliet een Gemeente die rijkelijk voorzien van was van geestelijke zegeningen (1Kor.1:4-7), maar zeer op de proef werd gesteld door wereldse wijsheid en de zondigheid van de stad.

III. De briefwisseling

Paulus verbleef drie jaar in Efeze (Hand.19:1vv.). Het is mogelijk dat hij een tweede bezoek aan Korinthe maakte (2Kor.13:1) om sommige problemen recht te zetten. Eenmaal terug in Efeze, schreef hij hun een krachtige brief over hoererij (1Kor.5:9), maar deze brief is verloren geraakt. Op hun beurt schreef de Gemeente van Korinthe een brief aan Paulus, mogelijk verstuurd met Stefanus, Fortunatus en Achaïcus, die leden van de gemeente waren (1Kor.16:17). Deze brief bevatte meerdere vragen over de leer en de praktijk, vragen die Paulus beantwoordde (maar bestrafte hen ook voor hun zonden) in 1 Korinthe (zie: 1Kor.7:1; 8:1; 11:17). Hij zond Timotheüs vooruit om de leiders te helpen de eenheid en reinheid in de gemeente te herstellen (Hand.19:22; 1Kor.4:17; 16:10-11). Het is mogelijk dat de drie Korinthische gelovigen vermeld in 1Kor.16:17 de eerste brief aan de Korinthiërs met zich mee hadden genomen.

Timotheüs keerde naar Paulus terug met het bericht dat de Gemeente de brief had ontvangen maar dat nog niet alles in orde was. Paulus zond daarop Titus naar Korinthe om te zien of de gelovigen zijn gezag als apostel gehoorzaamden (2Kor.7:13-15). Titus ontmoette Paulus (2Kor.7:6-17) met het goede nieuws dat de overtreder (1Kor.5) bestraft was geweest en dat de Gemeente Paulus’ bevel had opgevolgd. Daarop schreef Paulus, samen met Timotheüs (2Kor.1:1), om de gemeente te prijzen en ze te bemoedigen door te gaan en het tot een goed einde te brengen. Titus bracht deze brief naar Korinthe en verbleef daar om te helpen met het in orde brengen van de giften voor de arme gelovigen in Jeruzalem (2Kor.12:17-18; 8:6). Uiteindelijk bracht Paulus nog eenmaal een bezoek aan Korinthe (Hand.20:1-4).

Paulus had twee belangrijke motieven om de eerste brief aan de Korinthiërs te schrijven: (1) om ze terecht te wijzen voor de zonden die in de Gemeente werden toegelaten (1-6); en (2) om hun vragen over het christelijk onderwijs en praktijk te beantwoorden. Hij had van zonde gehoord via het huishouden van Chloë (1:11) en van Stefanas, Fortunatus en Achaïcus (16:17). Zijn eigen bezoek aan Korinthe bracht hem informatie over de verdeeldheid en discussies in de Gemeente op. Geen enkele andere brief in het Nieuwe Testament treedt zo krachtig op met problemen in een plaatselijke Gemeente als Korinthe en wellicht is er geen andere brief die zo genegeerd wordt!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Tweede brief aan de Korinthiërs

I. Achtergrond

Lees nog eens de inleiding van de eerste brief aan de Korinthiërs voor de achtergrond en de stichting van de Gemeente daar.

Paulus schreef de eerste brief aan de Korinthiërs vanuit Efeze, waar hij drie jaar was geweest. Hij verzond deze brief door Timotheüs (1Kor.4:17), maar de problemen in de Gemeente bleven toenemen. Wellicht was Timotheüs aangeboren verlegenheid mede de oorzaak dat de gelovigen niet gehoorzaamden aan Paulus’ opdrachten. Hoe dan ook, Paulus zond Titus naar Korinthe om zeker te zijn dat ze de apostolische bevelen van Paulus zouden gehoorzamen (2Kor.7:13-15). De discussie vermeld in Handelingen 19:23-41 dwong Paulus om Efeze te verlaten. Paulus had de Korintiërs beloofd hen te bezoeken (1Kor.16:1-7), maar door allerlei oorzaken werd het steeds maar uitgesteld. Paulus had gehoopt Titus te Troas te ontmoeten (2Kor.2:12-13), maar dat mislukte. Wanneer je 2Kor.1-2 leest, voel je de last en moeite van Paulus, zowel fysiek als geestelijk. Ondertussen predikte Paulus in Troas en maakte zich op om naar Macedonië te gaan. Hij ontmoette tenslotte Silas, wellicht in Filippi (2Kor.7:5-6), en Titus bracht Paulus het goede nieuws dat de meerderheid in Korinthe achter hem stond en zijn opdrachten gehoorzaamden. Het was die blijdschap dat Paulus ertoe aanzette om de tweede brief aan de Korinthiërs te schrijven.

II. Doel

Paulus had meerdere doelen op het oog toen hij deze brief schreef:

(1) De Gemeente te bevelen de overtreder te oordelen (1Kor.5), en hen aan te moedigen hem te vergeven en aan te nemen (2Kor.2:6-11).

(2) Waarom hij zijn eerdere plannen had moeten wijzigen en hen niet had bezocht zoals beloofd (1Kor.16:3-7; 2Kor.1:15-22).

(3) Om hen van antwoord te dienen die aan zijn apostelschap twijfelden (2Kor.10-12).

(4) Om hen van antwoord te dienen die hem oordeelden met verkeerde motieven (2Kor.4:1-2).

(5) Om de Gemeente te bemoedigen deel te nemen aan de collecte voor de gelovigen in Jeruzalem (2Kor.8-9).

(6) Hen voor te bereiden op zijn toekomstig bezoek (2Kor.13).

Deze brief staat in contrast met de toon van de eerste brief aan de Korinthiërs, het is veel persoonlijker en laat duidelijk de diepe emoties van de toegewijde apostel zien. In de eerste brief aan de Korinthiërs krijgen we een kijkje in de ‘keuken’ van de Gemeente, in twee Korinthiërs zien we het ‘open hart’ van de apostel en krijgen we zicht op zijn ijver en bezorgdheid voor het werk van de Heer. In de eerste brief is Paulus de leraar die antwoord geeft op vragen en zaken rechtzet; in deze tweede brief is hij de liefhebbende herder, de dienstknecht van Christus, die zijn leven toewijdde opdat zijn geestelijke kinderen zullen ijveren in hun christelijke wandel.

Geen enkele andere brief in het Nieuwe Testament toont ons het ware karakter van de christelijke dienst als deze. Geen enkele andere brief zegt ons meer over vrijgevigheid, lijden en geestelijke overwinning.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief aan de Galaten 

I. Achtergrond

Galliërs uit het oude Europa, oorlogszuchtige stammen, waren eeuwen voor het christelijk tijdperk Klein-Azië binnengedrongen. Zij stichting een natie die ze Galatië noemden dat ‘het land van de Galliërs’ betekend. Ongeveer vijfentwintig jaar voor de geboorte van Jezus, maakten de Romeinen Galatië tot een van haar grootste provincies en noemde de hele regio ‘Galatië’. Met andere woorden, wanneer je spreekt over Galatië in Paulus’ dagen, moest je duidelijk maken of je de natie bedoelde of de regio, de Romeinse provincie. Het probleem dient zich elders in de wereld ook wel voor, als iemand zegt: ‘ik ga naar New York’ bedoelt hij de stad op de staat?

Dit probleem komt ook aan de orde wanneer we de brief aan de Galaten bestuderen. Schreef Paulus de brief aan de gemeenten in streek Galatië of naar de gemeenten in de Romeinse provincie Galatië? Sla maar eens een Bijbelse atlas op dat kun je zien wat bedoeld is. De meeste voorkeur gaat uit naar de visie dat Paulus schreef aan de gemeenten in de Romeinse provincie, die hij tijdens zijn eerste reis gesticht had (zie Hand.13:1-14:28). Met andere woorden hij schreef aan de gelovigen in Iconium, Lustra en Derbe. Als dit juist is, betekent het dat de brief aan de Galatiërs de eerste brief van Paulus is, waaruit duidelijk blijkt dat het Evangelie van de genade van God door Paulus verkondigd werd, zowel aan het begin tot aan het einde van zijn bediening.

II. Onderwerp

Het is nuttig wanneer je de inleiding van het boek Handelingen zou raadplegen en in het bijzonder hoofdstuk 15. In de eerste vijf hoofdstukken van het boek Handelingen werd de boodschap van het koninkrijk voorgesteld en aangeboden aan de Joden door de apostel Petrus en de rest van de twaalf discipelen. Hun antwoord was de steniging van Stéfanus (Hand.7). Toen werd de boodschap en het koninkrijk aan de Samaritanen voorgesteld (Hand.8) en vervolgens aan de heidenen (Hand.10-11). Tussen deze twee gebeurtenissen in, had de bekering van de apostel Paulus plaats (Hand.9). Door God werd aan Paulus het geheimenis geopenbaard dat de boodschap van het koninkrijk (tijdelijk) overging naar de Gemeente. Hoe dan ook, sommige gelovigen (die volhielden aan de Joodse religie) realiseerden zich niet dat het Evangelie van genade daarvoor in de plaats kwam, voor Jood en heiden.

De zaak kwam uiteindelijk in Jeruzalem aan de orde (Hand.15). De gelovigen kwamen, onder leiding van de heilige Geest, tot de conclusie: (1) Hoe God in het eerst erop had toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn Naam (15:14); (2) Paulus was de apostel voor de heidenen, met een speciale opdracht voor het Lichaam, de Gemeente; (3) Dat het Koninkrijk weer aan de orde kwam nadat het Lichaam compleet was. Er waren echter Joden die niet zover wilden gaan en die probeerden Wet en Genade met elkaar te vermengen door de boodschap van het koninkrijk met de boodschap voor de Gemeente met elkaar te verbinden. We noemen deze gelovigen Judaïsten, want hun doel was om de gelovigen in het Joodse systeem te krijgen. Zij gingen ervanuit dat iemand gered zou worden door geloof en door het houden van de Wet, en dat de gelovige was geheiligd en in staat om een heilig leven te leiden. Deze leraars hadden de heidengemeenten in Galatië bezocht en brachten de gelovigen in verwarring (Gal.1:6-9; 3:1; 4:8-11; 5:7-9; 5:12; 6:12-13). Zij wilden dat de gelovigen de Joodse Wet zouden volgen en daarbij behorende rituelen zoals de feestdagen en de besnijdenis, enz. Dit was wat Paulus ‘het andere evangelie’ noemde dat hij veroordeelde (Gal.1:6-9). Het enige Evangelie dat God voor geldig verklaard is het Evangelie van de genade van God, rechtvaardiging door geloof in Jezus alleen. We worden niet behouden door middel van beloften aan God te doen maar door geloof in Gods beloften.

III. De waarde voor nu

De brief aan de Galaten is de sterkte weerlegging van het houden van de Wet. Het vlees houdt ervan om allerlei religieuze rituelen te doen, zoals heilige feestdagen, praktische rituelen en proberen goede werken voor God te doen. Veel religieuze systemen vermengen Wet en genade en presenteren een verwarrend weg tot redding dat eigenlijk een weg naar wetticisme is (Gal.2:4: 4:9; 5:1). Het houden van de sabbat, voedingswetten, een aards priesterschap, speciale heilige dagen, het houden van regels – wordt in de brief aan de Galaten weggevaagd en daarvoor in de plaats daarvan wordt onze vrijheid in Christus op de voorgrond geplaatst die we ontvangen hebben door geloof in Hem!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief aan de Gemeente te Efeze

I. De stad

Efeze was één van de grootste steden in Klein-Azië; een Romeinse hoofdstad, een centrum voor de verering van de godin Diana en een grote handelsstad gelegen aan een ruime haven dat de handel aantrok. De tempel van Diana was een van de zeven wereldwonderen van de antieke wereld, en de verering van de godin was nauwgezet gewaarborgd (Hand.19:33vv.). Efeze was de leidende stad in die streek, daarom is het geen wonder dat Pauluser drie jaar verbleef (Hand.20:31) en dat van die stad uit het evangelie zich door heel Klein-Azië verspreidde (Hand.19:10)

II De Gemeente

Paulus bracht een kort bezoek aan Efeze op zijn tweede reis, en liet zijn metgezellen Aquila en Priscilla daar (Hand.18:18-28). Tijdens zijn derde reis keerde hij naar Efeze terug en bleef daar voor drie jaar (Hand.20:31). Hij begon zijn taak in de joodse synagoge; toen zijn landgenoten zijn boodschap verwierpen, ging hij naar de school van een leraar genaamd Tyrannus (Hand.19:9) en predikte en leerde daar twee jaar. Zijn dienst had een grote uitwerking in de stad; zijn die aan toverij deden bekeerden zich tot Christus en verbranden hun boeken met magische bezweringen; veel mensen werden gewonnen tot de verering van de ware God; de opbrengsten van de zilversmeden (die beeltenissen van Diana verkochten) werden daardoor minder. Paulus duidelijke prediking en onderwijs van het Woord van God bracht een opstand onder de vijanden tot stand dat resulteerde dat Paulus de stad moest verlaten (Hand.20) hij ontmoette de oudsten nog voordat hij vertrok naar Jeruzalem.

III. De brief

Paulus was een Romeinse gevangene toe hij deze brief schreef (Ef.3:1; 4:1). Hoe hij tot gevangene was gemaakt kun je lezen in Hand.21:15vv. Toen hij in Jeruzalem verbleef, ging Paulus naar de tempel waar hij op grond van valse beschuldigingen werd gearresteerd. Zijn ‘zaak’ was onzeker, maar hij werd twee jaar in Ceaserea gevangengehouden voor hij naar Rome werd gezonden (Hand.27-28). Daar was Paulus een gevangene is zijn eigen gehuurde woning, hij was in staat om bezoekers te ontvangen, en in deze tijd schrijf hij de brief aan de Efeziërs. De brief werd door Tychicus overgebracht (6:21), die vermoedelijk ook de brief aan Kolosse meenam, samen met Onesimus (Kol.4:7-9). Ook al is de brief aan de Gemeente van Efeze gericht is er reden om aan te nemen dat hij overal in Klein-Azië gelezen is. U zult opmerken dat de brief gaat over de waarheid betreffende Gemeente van Christus, maar niet over problemen zoals in 1 en 2 Korinthe of 1 Thessalonicenzen. Hoe dan ook, het is Paulus’ grootste uitweiding over de Gemeente, leert ons wat de Gemeente is in Gods oog, en hoe ze zich behoort te gedragen in deze wereld. Paulus’ onderwerp is Christus en de Gemeente en het plan van God om alles onder één hoofd samen te brengen in Christus. De brief begint in eeuwigheid van voor de schepping van de wereld en voert ons naar de eeuwige toekomst! We zien de gelovigen gezeten in de hemelse gewesten, maar ook wandelen met Christus in deze wereld in strijd met de satan. Omdat de brief aan Efeze ons niet alles verteld wat over de Gemeente is er geen andere brief in het Nieuwe Testament dat ons uitvoeriger inlicht over de Gemeente dan deze brief en de praktische wandel. Het is interessant de beschrijving van Paulus’ dienst in Efeze in Handelingen 20 te vergelijken met het onderwijs vermeld in de brief aan de Gemeente te Efeze.

IV De Gemeente in Efeze

In de zgn. ‘gevangenisbrieven (Efeze, Flippi en Kolosse), behandeld Paulus de wereldwijde Gemeente als het lichaam van Christus, de bruid en als tempel. In de pastorale brieven (zoals Timotheüs en Titus), handelt hij met de dienst van de Gemeente als loyale uitdrukking van het lichaam van Christus. Beide zaken zijn belangrijk voor een evenwichtige dienst. Natuurlijk God ziet de hele Gemeente met Christus als Hoofd ervan; Maar voor zover het om de dienst gaat, werkt God door de plaatselijke Gemeenten in verschillende plaatsen. De ‘universele Gemeente’ (Lichaam van Christus) tot wat de gelovige is gedoopt in de heilige Geest is een geldig concept; maar het concept van de ‘universele Gemeente’ is geen vervanging voor de activiteit die een plaatselijke Gemeente dient te doen. De ‘universele Gemeente’ zendt geen evangelisten uit, bouwt een ziekenhuis, of helpt armen. Het is de plaatselijke Gemeente waar in het Nieuwe Testament de nadruk op ligt; deze dienst van de plaatselijke gemeente zal sterker zijn wanneer de gelovigen hun positie in Christus goed begrijpen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief aan de Filippiërs

I. Korte inhoud

De brief aan de gemeente te Filippi gaat over blijdschap. De gemeente in die Macedonische stad was voor Paulus een geweldige bemoediging geweest. De gelovigen in Filippi hadden een bijzondere band met Paulus en andersom, daarom schreef hij hen persoonlijk, als teken van zijn liefde en genegenheid. Ze hadden hem veel vreugde gegeven (4:1). De brief aan de Filippenzen is een blij boek, omdat het de nadruk legt op de echte blijdschap van het christenleven. Het begrip ‘blijdschap’ of ‘blij zijn’ komt 16 keer voor en de bladzijden van deze brief stralen deze positieve boodschap uit. Het hoogtepunt is de oproep: ‘Wees blij in de Here; ik zeg nog eens: Verheug u in Hem!’ (4:4).

Paulus had zijn leven toegewijd aan het dienen van Christus. Daarbij had hij verschrikkelijke armoede en grote rijkdom ervaren en alles wat daartussen ligt. Hij kon zelfs vanuit een gevangenis deze brief vol blijdschap schrijven. Wat de omstandigheden ook waren, Paulus had geleerd tevreden te zijn (4:11,12) en werkelijk blij, omdat hij al zijn aandacht en energie richtte op het kennen (3:8) en gehoorzamen van Christus (3:12,13).

Zijn wens om boven alles Christus te kennen, komt op een prachtige manier tot uitdrukking in de volgende woorden: ‘Echt, ik beschouw zelfs alles waardeloos, omdat niets méér waarde heeft dan het kennen van Christus Jezus. Ik heb alles als vuilnis weggegooid om Christus te kunnen ontvangen en één met Hem te zijn… Het enige wat ik wil, is Christus kennen en ervaren hoe groot de kracht is, waardoor Hij uit de dood is opgestaan. Ik wil ervaren wat het betekent om met Hem te lijden en te sterven om uiteindelijk te komen tot de opstanding uit de dood’ (3:8-10). Laten wij Paulus volgen in dat streven om Jezus Christus meer en meer te leren kennen. Dat is het geheim van een christenleven vol blijdschap.

II. De stad

De vroegere naam van Filippi was Krenides, naar het gelijknamige riviertje, maar kreeg de naam Filippi na de verovering van de stad op de Traciërs door de koning Filippus II van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. In 168 v.Chr. kwam het land onder Romeins bestuur en was vanaf 42 v.Chr. een Romeinse kolonie te midden van de Griekse cultuur, zoals de kerk een ‘kolonie van de hemel’ is hier op aarde (Fil.3:20). In datzelfde jaar vond in de omgeving van Filippi de slag plaats tussen Brutus en Cassius tegen de toen nog verbonden Antonius en Octavianus (de latere keizer Augustus) welke door de laatsten werd gewonnen en maakte daardoor de alleenheerschappij van de keizer over het Romeinse rijk mogelijk. Er bleven dan ook veel oud-militairen wonen. In 27 v.Chr. werd het een autonoom gouvernement. De stad lag aan de Via Egnatia en was daardoor verbonden met de stad Rome. Filippi en de omgeving waren in de oudheid bekend voor het goud dat er gevonden werd, maar het was ook een vruchtbaar landbouwgebied en bosgebied.

III. De Gemeente

De eerste gemeente ontstaan door de verkondiging van het evangelie door de apostel Paulus in Europa (Hand.16) tijdens zijn tweede zendingsreis. Nadat Paulus vertrok naar Thessalonika werd hij ondersteund door de gemeente in Filippi (Fil.4:15; 2Kor.11:9). Vijf jaar later, tijdens zijn derde zendingsreis, bezocht Paulus Filippi nogmaals terwijl hij onderweg was naar Korinthe, en tevens tijdens de retourreis (Hand.20:1-6). Er was een grote verbondenheid tussen de gemeente van Filippi en de apostel Paulus. De gemeente bezorgde de apostel alleen maar vreugde! Geen wonder dat hij genoot van hun gemeenschap!

IV. De brief

De brief is geschreven door Paulus in het jaar 62/63 tijdens zijn eerste gevangenschap in Rome (Hand.28:30) aan de gemeente in Filippi in Macedonië. Twee andere plaatsen van herkomst zijn Efeze en Antiochie maar door de meeste leraars wordt aan Rome de voorkeur gegeven (vgl.Fil.1:12; 4:22). De reden voor het schrijven van deze brief door Paulus was om de gelovigen in Filippi te bedanken voor de gift die hij had ontvangen via de dienst van Apafroditus. Deze bleef een tijd bij Paulus in Rome en diende daar in het evangelie, maar werd ziek, de dood nabij (Fil.2:25-27). Dat was de tweede reden voor Paulus om de gemeente in Filippi te schrijven. Toen de gemeente in Filippi daarover hun bezorgdheid uitdrukte stuurde Paulus hem terug zo spoedig als mogelijk was. Verder schreef hij hun trouw te zijn in hun wandel met de Heer en bemoedigde hen om de eenheid te handhaven in de gemeente.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief aan de Gemeente te Kolosse

I. De stad

Kolosse was een van de drie steden (Hiërapolis en Laodicea zijn de andere twee) die ongeveer 150 kilometer ten oosten van Efeze lagen. Het was een rijke streek zowel wat betreft in mineralen als in handel, met een grote bevolking, zowel joden als heidenen. Deze drie steden lagen in elkaars nabijheid.

II. De Gemeente

Paulus heeft Kolosse nooit bezocht (zie: 2:1). Gedurende zijn driejarig verblijf in Efeze: ‘hoorde heel Asia het Woord van God’ (Hand.19:10,26). Een van Paulus’ bekeerlingen was een man genaamd Epafras, die in Kolosse woonde. Epafras had de boodschap mee naar huis genomen, en door zijn getuigenis is de Gemeente in Kolosse ontstaan (1:4-7; 4:12-13). Het is waarschijnlijk dat de samenkomsten gehouden werden in het huis van Filemon, want die woonde ook in Kolosse (Kol.4:9 en Filemon).

III. De crisis

Paulus was een gevangene in Rome. Epafras had hem bezocht en vertelde hem dat er een nieuwe leer de Gemeente was binnengekomen die veel verwarring had veroorzaakt. Deze ketterij wordt algemeen ‘gnosticisme’ genoemd, van het Griekse woord ‘gnosis’ dat ‘weten’ betekend. Het weten bestond daarin dat men beweerde dat men een superieure kennis bezat met betrekking tot geestelijke zaken. Deze leer was een mix van christelijke waarheden, joodse wetten, Griekse filosofie en oosterse mysticisme.

En van de dingen die geleerd werden was dat alle materie zondig was, inclusief het lichaam; en om die reden kon God niet in contact komen met materie. Hoe, dan, was de wereld ontstaan? Bij een aantal van ‘uitstralingen’ zei men. En omdat Christus een menselijk lichaam had, was Hij slechts één van de uitstralingen en niet echt de Zoon van God. Deze gnostici kenden een reeks van ‘uitstralingen’, (ook de engelen) tussen de mensen en God en daarom loochenden ze de voorrang van Christus.

Hun systeem bestond daarin dat ingewijden een speciale diepere kennen hadden van geestelijke zaken, waarover anderen niet beschikten. De gnostici hielden ervan om het woord ‘volheid’ te gebruiken en daarom vind je dat Paulus het een aantal keren in deze brief gebruikt. Het was een leer dat vereiste dat men bepaalde regels volgde (2:16) en strikte onderwerping van het lichaam (ascetisme, 2:18-23). ‘Raak niet, smaak niet, en roer niet aan’ (2:21). Ze leerden dat sommige dagen heilig waren en bepaald voedsel zondig. Het gnostische systeem had een schijn van geestelijkheid maar had geen echte geestelijke waarde (2:21-23).

IV. De briefwisseling

Het schijnt dat Paulus, Onesimus en Epafroditus samen met Tychicus met de brieven aan de Gemeenten te Efeze en Kolosse had teruggezonden (Ef.6:21-22), en naar zijn vriend Filemon. Sommigen denken dat de brief aan Laodicéa (Kol.4:16) onze brief aan de Efeziërs is.

De brief aan Kolosse benadrukt de voorrang van Christus. Als je het leest zal je regelmatig de woorden ‘alle’, ‘volheid’ en ‘in Hem, Christus’ tegenkomen (1:9-11, 16-20, 28; 2:2-3, 9-10, 13,19; 3:8, 11, 14, 16-17, 20,22; 4:9,12). Pauls’ thema is ‘Christus is alles en in allen’ (3:11) en dat ‘wij in Hem voleindigt zijn’ (2:10). Omdat gelovigen in de volheid van Christus volmaakt zijn, is Christus alles wat ze nodig hebben! Wetticisme, filosofieën, het in acht nemen van heilige dagen, het onderwerpen van het vlees – verdwijnen allemaal wanneer Christus de eerste plaats inneemt. De brief aan Kolosse pleit voor christelijke geestelijke volwassenheid (zie het gebed in 1:9-12). Religieuze praktijken gedaan in het vlees mogen geestelijk lijken, maar zijn van geen betekenis voor het innerlijke leven van een persoon. Hoe gemakkelijk is het, zelfs voor een evangelisch christen om menselijke regels in te ruilen voor echte geestelijkheid.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Eerste en Tweede Brief aan de Thessalonicenzen

I. De stad

Je kunt de stad Thessaloniki vinden op een landkaart en daar bevond zich ook het antieke Thessaloniki. Oorspronkelijk noemde het Therma, vanwege de hete bronnen in de omgeving; maar 100 jaar voor Christus, Koning Cassander van Macedonië gaf het een nieuwe naam ter ere van de zuster van Alexander de Grote. Het was een vrije stad, met een eigen bestuur, en het was ook de hoofdstad van Macedonië. Thessaloniki lag aan de belangrijke route, de Via Egnatika (Egnatische weg), die Rome verbond met zijn oostelijke provincies.

II. De Gemeente

De vermelding van Thessaloniki wordt gevonden in het boek Handelingen 17:1-15. Paulus, Silas en Timotheüs verlieten de stad Filippi en reisden vijfenveertig kilometer naar Amphipolis, daarna vijfenvijftig kilometer verder naar Apollonia. Het valt op dat er geen vermelding is van enige evangelische activiteit in die steden. Hun volgende stop was de stad Thessaloniki, zo’n zestig kilometer verderop, waar Paulus een drietal weken onderwijs heeft gegeven in de synagoge en waar een groot aantal mensen zich bekeerden. In deze stad waren een groot aantal godsdienstige Grieken ‘proselieten’ uit de volken in de synagoge (Hand.17:4), en zij reageerden vol enthousiasme samen met enkele joden. Dit succes ergerde de orthodoxe joden, en zij brachten een menigte samen om de Christenen te hinderen en Paulus’ dienst onmogelijk te maken. De gelovigen waren van mening dat het beste was dat Paulus en zijn gevolg weg zouden gaan, wat ze ook deden en ze gingen naar Berea. Paulus liet zijn metgezellen daar achter en ging alleen verder naar Athene. Timotheüs vergezelde Paulus maar werd dadelijk teruggestuurd naar Thessaloniki om de nieuwe gemeente daar te bemoedigen (1Thes.3:1-3). Uiteindelijk kwamen ze allemaal weer bij elkaar in Korinthe (Hand.18:5).

Timotheüs gaf verslag van de pas ontstane gemeente in Thessaloniki. Het was vanuit Korinthe, in het jaar 50, dat Paulus zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen schreef. De tweede brief volgde enige maanden later.

III. De briefwisseling

De eerste brief

De eerste brief bevatte meerder onderwerpen: (1) om de nieuwe gelovigen te bemoedigen en ze te onderwijzen in de dingen betreffende Christus; (2) om valse uitspraken te weerleggen die over Paulus en zijn dienst de ronde deden, 2:1-12; (3) uit te leggen dat de reeds gestorven gelovigen deel zouden hebben aan de tweede komst van Christus; (4) de gelovigen te waarschuwen voor heidense praktijken; (5) de gelovigen aan te sporen hun leiders te eren en te volgen, 5:12-13; en (6) de gelovigen te waarschuwen die hun werk hadden opgegeven omdat dat ze dachten dat Christus spoedig zou komen, 2:9.

De tweede brief

De tweede brief werd enige maanden later geschreven. De vervolging van de gemeente werd erger (2Thes.1:4-5) en de gelovigen dienden bemoedigd te worden. De ‘ongeregelden’ in de gemeente waren niet weer aan het werk gegaan (2Thes.3:6-12). Wat alles nog erger maakte was dat de gelovigen verward waren over de Dag van Heer (De Verdrukking), ze dachten dat deze al was begonnen. Het is mogelijk dat de gemeente een valse brief had ontvangen, zogezegd van de apostel Paulus (2:1-3) en leerden dat de Dag van de Heer al begonnen was.

(De woorden ‘de dag van Christus’ in 2 Thes.2:2 moet zijn ‘de Dag van de Heer’ die verwijst naar de periode van de Grote verdrukking op aarde die volgt op de Opname van de Gemeente).

Paulus schreef 2 Thessalonicenzen om: (1) om de gelovigen te bemoediging en vermanen vol te houden ondanks vervolging; (2) uit te leggen de gang van zaken voorafgaande aan de Dag van Heer; (3) de ‘ongeregelden’ terug aan het werk te gaan. In 2Thes.3:17-18, geeft Paulus zijn persoonlijk ‘handelsmerk’ opdat de gelovigen gemakkelijk een eventuele toekomstige brief van Paulus konden traceren.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen vermeld het onderwijs over de Opname, Christus’ komst in de lucht voor de Gemeente, terwijl de twee brief aan de Thessalonicenzen over de openbaring van Christus op aarde gaat, om zijn vijanden te verslaan en zijn koninkrijk op te richten. De ‘Dag van de Heer’ waarnaar gerefereerd wordt in 2 Thessalonicenzen in de periode van verdrukking die komt over deze aarde nadat de Gemeente is opgenomen. 1 Thessalonicenzen 1:10 en 5:9 leren duidelijk dat de Gemeente niet door de Verdrukking zal gaan.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Eerste brief aan Timotheüs

I. De achtergond

Het boek Handeling wordt afgesloten met de apostel Paulus als gevangene in Rome (Hand.28:30-31). Het Nieuwe Testament geeft ons verder geen beschrijving van Paulus’ latere jaren. De nu volgende chronologie wordt door de meeste onderzoekers gevolgd: Paulus werd door Ceasar vrijgelaten en aangemaand Rome te verlaten na de twee jaar van gevangenschap. Het zou in de lente van het jaar 62 zijn geweest dat Paulus met Lukas en Timotheüs Efeze bezochten, waar hij tot de ontdekking kwam dat zijn profetie over de ‘wolven’ (Hand.20:29-30) was uitgekomen, was de kerk was geïnfiltreerd door valse leraars. De waarschuwingen in 1 Timotheüs geven de indruk dat de valse leer hetzelfde was als het gnosticisme dat ingang had gevonden in de gemeente te Kolosse. Paulus diende een tijdlang in Efeze, en ging daarna naar Filippi. Hij liet Timotheüs als zijn plaatsvervanger achter in Efeze om de valse leraars te verwijderen. Hun vertrek was bedroevend, volgens 2Timotheüs 1:4.

II. De brief

Het lijkt alsof Paulus in Kolosse was, om zijn belofte om Filemon te bezoeken, toen hij de eerste brief aan de jonge Timotheüs schreef (Fil.22). Paulus was van plan om op korte termijn terug te keren naar Efeze (1Tim.3:14) maar de gang van zaken in Efeze waren zo dringend dat hij zijn advies aan Timotheüs hoe te handelen, niet durfde uitstellen. De brief zit vol met bemoediging voor de jonge Christelijk dienstknecht die veel moeilijkheden in de gemeente in de ‘grote stad’ het hoofd moest bieden. We noteren de volgende moeilijkheden:

(1) Timotheüs was een jonge man de oudere gelovigen wilde begeleiden (4:12, 5:1-2), maar dat was niet zo gemakkelijk.

(2) Timotheüs mistte Paulus en wilde stoppen (1:3; 2Tim.1:4).

(3) Timotheüs was geneigd om zijn herderlijke taken en zijn persoonlijk geestelijk leven als leider van de gemeente te verwaarlozen (4:11-16).

(4) Timotheüs had enige haastige gemaakt, speciaal in verband met taken in de gemeente, wat moeilijkheden had veroorzaakt.

(5) Timotheüs had een neiging zich bezig te houden met ascetisme en lichamelijke oefeningen dat hem eigenlijk geestelijk niet goed deed.

(6) Timotheüs had Paulus toegegeven dat ‘de begeerten van de jeugd’ (2Tim.2:22) hem parten speelden; niet verwonderlijk in een zondige stad als Efeze!

(7) Er waren valse leraars die het zwijgen moesten worden opgelegd (1:3vv.).

(8) Timotheüs had advies nodig om de moeilijkheden in de gemeente aan te pakken, specials met de leidinggevenden en weduwen (3:1vv.).

Een van de sleutelwoorden in 1 Timotheüs is ‘bevelen’ of ‘bevel’ (1:3,5,18; 4:11; 5:7; 6:13,17). Dat was een militaire term die gebruikt werd om de grenzen aan te geven van wat toelaatbaar was. God had het evangelie toevertrouwd aan Paulus (1:11), die het op zijn beurt had toevertrouwd aan Timotheüs (1:18-19; 6:20). Timotheüs was opgedragen deze schat te bewaren (2Tim.1:13-14) en het toe te vertrouwen aan betrouwbare mensen die op hun beurt het mochten toevertrouwen aan anderen (2Tim.2:2). Militair woordgebruik vinden we doorheen beide brieven aan Timotheüs (1:18; 5:14; 2Tim.2:3; 3:6). Het thema van de eerste brief aan Timotheüs is samengevat In 3:15 – ‘Hoe men zich als leden van de lokale gemeente dient te gedragen in het huis van God’. Het is een ‘handboek’ voor jonge voorgangers en de leden van de gemeente. De lokale gemeente is ‘de grondslag en het fundament van de waarheid’, toch wordt door mensen genegeerd en misbruiken het door het Woord niet te gehoorzamen. Wanneer we 1 Timotheüs bestuderen mag het ons ertoe aanzetten om betere Christenen en leden van de lokale gemeente te worden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op Tweede brief aan Timotheüs

I. Achtergrond

We hebben geen informatie over Paulus’ reizen na zijn vrijlating uit de Romeinse gevangenschap. In Titus 3:12 vinden we een aanwijzing dat Paulus in Nikopolis (Griekenland) verblijft. Vandaar moet hij naar Troas zijn gegaan, waar hij, na een snel vertrek, zijn mantel, boeken en perkamenten heeft achtergelaten (2Tim.4:13), bij zijn gastheer Carpus. Hoe en waar hij opnieuw is gearresteerd weten we niet. Wat we wel weten is dat Nero een vervolging is begonnen tegen de Christenen, en dat Paulus’ tweede gevangenschap erg veel verschilde van zijn eerste (Hand.28). Nu was hij een gehate gevangene is een Romeinse gevangenis, niet een beschuldigd man in ‘zijn eigen gehuurde woning’ in afwachting van zijn proces. Wanneer we deze laatste brief van Paulus’ hart lezen, voelen we zijn eenzaamheid en hartzeer vanwege zijn proces en de zekere veroordeling en dood. ‘Alleen Lukas is bij mij’ schrijft hij en smeekt zijn zoon in het geloof, zo snel als mogelijk bij hem te komen.

Als de Alexander die in 2Timotheüs 4:14 vermeld wordt, dezelfde is als de man in Handelingen 19:33, dan is het mogelijk dat Paulus’ arrestatie plaatsvond in Efeze. Wanneer Paulus de oudsten van Efeze toespreekt, heeft hij het over ‘de aanslagen van de joden’ (Hand.20:19), en mogelijk heeft Alexander de kopersmid daar iets mee van doen. Sommige uitleggers denken dat Alexander verbonden was met de makers van de afgodsbeelden en dat hij niet gelukkig was met Paulus eerste ontsnapping uit Efeze.

Timotheüs was niet langer de leider in Efeze; Tychicus kwam in zijn plaats (4:12). Timotheüs was als evangelist werkzaam in de streken rond de stad Efeze. Paulus verwachtte dat Timotheüs naar Rome zou komen omdat hij wist dat hij in Troas verbleef (4:13) en Efeze (1:16-18). Deze steden lagen op de weg naar Rome.

II. Doel

De brief is erg persoonlijk van stijl. Paulus is alleen in Romer, wachtend op zijn proces en een zekere dood. Hij verlangt ernaar om zijn ‘zoon’ Timotheüs te zien om hem te bemoedigen en om zijn plaats in te nemen in de dienst van het Evangelie. Paulus’ heidendom en verval rondom hem. Hij vermeld in de eerste brief aan Timotheüs: ‘Sommigen zijn afgewezen’ (1:6) en ‘sommigen hebben schipbreuk geleden’ (1:19), ‘sommigen hebben zich afgewend’ (5:15), ‘sommige zijn afgedwaald’ (6:10, 6:21) – dit is het getuigenis in de eerste brief. Maar in de tweede brief aan Timotheüs lezen we niet sommigen maar allen ‘allen hebben zich van mij afgewend’ (1:15) en ‘allen hebben mij verlaten’ (4:16). De gemeente keerden zich van het geloof af, en Paulus dringt erbij Timotheüs op aan trouw te blijven en zijn dienst te vervullen. In deze brief zijn alle gevoelens en bezorgheden van de apostel verweven. Deze brief is geen zwanenzang van nederlaag; het is een lied van overwinning!

Wanneer we de hoofdstukindeling van deze brief volgen, zien we vier oproepen van Paulus voor Timotheüs om hem te bemoedigen en een trouw dienaar te blijven ondanks de teleurstellende situatie. Hoofdstuk 1 is het pastoraal beroep, waarin Paulus Timotheüs herinnerd aan zijn roeping en verantwoordelijkheden en voorrechten daarmee verbonden. Hoofdstuk 2 is een praktische oproep, waarin Paulus‘ ernaar zoekt om oplossingen aan te dragen voor sommige problemen waar Timotheüs mee kampt: zijn verdrukkingen voor de zaak van het Evangelie, valse leraars, en moeilijkheden in de gemeente. In hoofdstuk 3 doet Paulus een profetisch oproep, waarin hij de komende gebeurtenissen beschrijft en de benadrukt vast te houden aan het Woord. Tenslotte, in hoofdstuk 4 geeft hij persoonlijke raad van een bejaarde apostel en dringt er bij Timotheüs op aan trouw te blijven want hij (Paulus) zal binnenkort geëxecuteerd worden. Hij wilde niet dat Timotheüs ook zou eindigen als Demas (4:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Brief aan Titus

I. De persoon

Titus was een gelovige uit de Grieken (Gal.2:3), die door Paulus’ dienst voor Christus gewonnen was (Tit.1:4). We weten weinig over zijn afkomst; hij wordt in het boek Handelingen helemaal niet vermeld. Het schijnt dat hij een bekeerling uit de heidenen was en door Paulus’ in dienst genomen was. Hij assisteerde in de collecte voor de gelovigen te Jeruzalem (2Kor.2:12; 7:13,14; 8:12); en hij ontmoette Paulus in Troas met het verslag van de situatie in de gemeente te Korinthe (2Kor.2:12-13; 7:5-16). Titus nam de tweede brief aan de Korinthiërs van Paulus mee (2Kor.8:16-24). Titus was Paulus’ medewerker, die op Kreta was achtergelaten om de gemeente te besturen (Tit.1:5) totdat Paulus Thychicus en Artemas kon sturen om het werk van Titus over te nemen (Tit.3:12). Titus was in Rome tijdens Paulus’ tweede gevangenschap, en reisde vandaar naar Dalmatië voor een taak die de apostel hem had opgedragen (2Tim.4:10). Paulus waardering voor Titus is beschreven in 2Korinthiërs 8:23.

II. De brief

Paulus’ haast om Titus op Kreta achter te laten maakte het noodzakelijk om per brief zijn medewerker te bemoedigen en instructies te geven. De Kretenzen waren niet de gemakkelijkst mensen om mee om te gaan, zoals uit Titus 1:12-13 blijkt. We weten niet wie de gemeente in Kreta gesticht heeft, maar wat we wel weten is dat de organisatie van de gemeente en het geestelijk leven van de gelovigen ontregeld waren. Het schijnt dat de gemeente te lijden had van twee zaken: (1) bezoekende joden die wet en genade vermengden, en (2) onwetende gelovigen die de genade misbruikten. Paulus had meerdere doelen op het oog toen hij deze brief schreef: (1) Titus eraan herinneren de gemeente te ordenen en oudsten aan te stellen; (2) hem te waarschuwen voor valse leraars; (3) hem te bemoedigen in zijn pastorale taak onder de gelovigen van de gemeente; (4) duidelijk te maken hoe de genade van God in het leven van een gelovige een plaats dient te krijgen; (5) duidelijk te maken hoe hij met dwarsliggers in de gemeente moest omgaan.

III. De kern

Verschillende woorden in deze brief worden herhaald, dat maakt ons duidelijk welke last Paulus’ op zijn hart had. Er is een grote nadruk op ‘goede werken’ (1:16; 2:7,14; 3:1,5,8,14). Gered door genade betekent, gered om goede werken te doen. Het christelijk geloof en leven dienen zuiver te zijn (1:9,13; 2:1-2,8). Er dient een godvruchtig leven aanwezig te zijn (1:1; 2:12), geen werelds leven. Gods genade leidt een persoon tot een godvruchtig leven (1:4; 2:11vv.; 3:7,15). Een sleutelvers voor dit Bijbelboek kan zijn 3:8: ’Opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken’. We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Brief aan Filémon

I. De persoon

Filémon was een gelovige uit Kolosse (Fil.2; Kol.4:9, 16-17). Het is mogelijk dat zijn zoon Achippus, de gemeente in Ladicéa bestuurde (Kol.4:16-17); er was een gemeente in Filémons huis (vs.2). Filémon was tot geloof gekomen door Paulus’ dienst (vs.19), mogelijk te Efeze, omdat Paulus Kolosse persoonlijk nooit had bezocht.

II. De brief

Onésimus was een van Filémons slaven (vs.16) die zijn meester benadeeld had en naar Rome was gevlucht. Door de voorzienigheid van God, ontmoette deze weggelopen slaaf Paulus daar, die hem tot Christus leidde. Wettelijk, had Filémon deze slaaf ter dood kunnen laten brengen, maar Paulus trad voor hem tussenbeide en pleitte voor deze nieuwe gelovige en redde zijn leven.

Deze brief spreekt boekdelen omdat hij ons, op een levendige manier, het hart van de grote apostel toont. Zijn doelen met deze brief waren: (1) om Filémon te laten weten dat zijn slaaf het niet alleen goed maakte maar ook dat hij gered was; (2) om Filémon te vragen Onésimus te vergeven; (3) om Filémon te vragen een kamer voor hem in orde te maken omdat hij hem binnenkort hoopte te bezoeken.

Natuurlijk is hoofddoel van deze brief om Christus uit te beelden als de grote Redder van verloren zondaren. Net zoals Paulus bereid was de schulden van de weggelopen Onésimus te betalen, zo betaalde Christus de prijs voor zijn verloren kinderen. ‘Neem hem aan, als mijzelf’ (vs.17) schrijft de apostel Paulus, en herinnert aan het feit dat ‘wij aangenomen zijn in de Geliefde’ (Ef.1:6; 2Kor.5:21). De gelovige zal nooit in de hemel komen uit eigen verdienste. Als de gelovige voor de Vader staat, zal Christus zeggen: ‘Ontvang hem, als Mijzelf!’. Dank God dat wij bedekt zijn door Zijn gerechtigheid!

III. Slavernij

We moeten aanvaarden dat slavernij een geaccepteerd gebruik was in het Romeins rijk. Romeinen en Grieken brachten menigten van slaven (oud en jong) mee naar huis uit hun oorlogen, en het verhandelen van slaven maakte deel uit van het dagelijks leven. Paulus had een zwak voor slaven (1Kor.7:20-24; Kol.3:22-4:1; Ef.6:5-9) en bemoedigde hen om een goed christelijk getuigenis te tonen en indien mogelijk hun vrijheid te herkrijgen. We lezen niet dat Paulus de praktijk van slavernij aanviel; het Evangelie op zich, en hoe het geloof beleefd en geleefd werd in de vroege kerk, maakte dat het probleem geleidelijk aan oploste. Paulus’ brief aan Filémon is een klassiek voorbeeld hoe Christus huizen en de maatschappij kan veranderen door veranderede levens van haar onderdanen. Paulus ontweek het probleem van de slavernij niet, maar hij realiseerde zich dat de ware oplossing lag in mannen en vrouwen die hun hart aan Christus gaven.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Brief aan de Hebreeën

De brief aan de Hebreeën stelt de lezer voor enkele interessante problemen. Het is een boek dat begint als een preek, en eindigt als een brief (13:22-25). Er wordt geen auteur vermeld, maar het doel van de brief is duidelijk. Sommige gedeelten van deze brief hebben christenen ertoe aangezet om het verkeerd toe te passen omdat het niet de gemakkelijkst Bijbelboek van het Nieuwe Testament is. We moeten er rekening mee blijven houden dat de brief oorspronkelijk bedoeld was om Gods volk te vermanen en te bemoedigen. Het is belangrijk de brief aan de Hebreeën te bestuderen in het geheel van Gods Woord en niet als een geïsoleerd Bijbelboek.

I. De boodschap

Het centrale thema is samengevat in 6:1: ‘Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan tot het volkomene’. De mensen aan wie de brief was geadresseerd waren geestelijk niet gegroeid (5:11-14) en waren op het niveau van kinderen. God had gesproken door het Woord, maar ze waren niet trouw om Hem te gehoorzamen. Ze negeerden Gods raad en verwijderden zich van zijn zegeningen. De schrijver probeert hen te bemoedigen om verder te gaan met hun geestelijk leven door hen te laten zien dat ze in Christus in het bezit zijn gekomen van ‘betere’ zegeningen. Hij is de ‘overste Leidsman en Voleinder van het geloof (12:2). De brief presenteert het christelijk geloof als beter en volmaakter dan het Judaïsme of welk ander religieus systeem ook. Christus is de betere Persoon (1-6); Zijn priesterschap is beter dan dat van de Levitische (7-10); en het principe van geloof is beter dan de wet (11-13).

II. De schrijver

Omdat er in de brief geen naam van de auteur vermeld is, hebben bijbelonderzoekers al eeuwenlang gediscussieerd wie dat wel geweest zou zijn. De vroegste tradities verwijzen naar Paulus. Anderen suggereerden Apollos, Lukas, Filippus de evangelist, Markus en zelfs Pricilla en Aquila! De schrijver is hoogstwaarschijnlijk een jood, omdat hij zichzelf identificeert met zijn joodse lezers (1:2; 2:1,3; 3:1; 4:1 enz.). Hij identificeert zich ook met Timotheüs (13:23), wat voor Paulus mogelijk was. De afsluitende zegenbede is typisch voor Paulus (zie 2Thes.3:17-18). De schrijver was in de gevangenis geweest (10:34; 13:19). De zaak lijkt beslist te worden door Petrus die vermeld dat Paulus ook aan dezelfde mensen in de verstrooiing had geschreven zoals ook Petrus had gedaan (2Petr.3:15-18, 3:1; 1Petr.1:1). Verder noemt Petrus brief ‘Schrift’ (2Petr.3:17). De enige brief in de Schrift die geadresseerd is aan joden en niet toegeschreven is aan een andere auteur is de brief aan de Hebreeën. Paulus moet de brief aan de Hebreeën geschreven hebben. Hen die op grond van stijl en woordkeuze beweren dat het niet van Paulus is dienen er rekening mee te houden dat elke schrijver vrij was zijn stijl aan de lezers en hoorders aan te passen.

III. De ‘waarschuwingen’

Petrus informeert ons dat sommige mensen de brief aan de Hebreeën niet goed begrepen hadden en deze ‘moeilijke dingen’ hadden verdraaid tot hun eigen verderf (2Petr.316). Dat gebeurde omdat zij de Schriften uit hun context trokken, om de brief dingen te laten zeggen die niet zo bedoeld waren. We moeten met het interpreteren van de brief aan de Hebreeën, rekening houden met het geheel van Gods Woord. De vijf waarschuwingen (13:22) zijn opgenomen in de indeling zodat je gemakkelijk de ontwikkeling van de brief kunt volgen. We geloven dat deze waarschuwingen zijn gericht tot gelovigen, omdat de schrijver zichzelf identificeert met de geadresseerden: ‘Wij moeten acht geven…’; ‘Hoe zullen we ontkomen…’; ‘Laat ons daarom…’; enz. Door te beweren dat gelovigen op grond van 6:4-5 verloren kunnen gaan is niet juist. Het gaat in dat gedeelte over mensen die de genade van God verkeerd geïnterpreteerd hebben en het onderwijs van eeuwige behoudenis en zekerheid niet geloven. Ze waren vergeten dat God zijn kinderen tuchtigt wanneer ze gezondigd hebben. We dienen Hebreeën te benaderen vanuit de idee dat het geschreven is aan gelovigen die in het gevaar verkeerden te vervallen in een vleselijke geestelijke staat van onvolwassenheid vanwege hun verkeerde houding ten opzichte van Gods Woord. Voor zo’n houding van ongehoorzaamheid waarschuwt Paulus, want dat brengt hen onder de tuchtigende hand van God en het verlies van beloning voor de rechterstoel van Christus (10:35-36; 11:26). Hebreeën leert niet dat God de zonden van gelovigen niet zal oordelen; maar een ware gelovige kan nooit verloren gaan.

IV. Sleutelwoorden

De sleutelwoorden zijn ‘beter’ (1:4; 6:9; 7:7,19,22; 8:6; 9:23; 10:34; 11:16,35,40; 12:24) en ‘volmaakt’ (2:10; 5:9,14; 6:1; 7:11,19,28; 9:9,11; 10:1,14; 11:40; 12:2,23).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de brief van Jakobus

Sleuteltekst: ‘Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf dood’ (Jak.2:17)

Geschreven door de apostel Jakobus, de (half)broer van de Heer Jezus en lange tijd leider van de gemeente in Jeruzalem (zie o.a. Mark.6:3; 15:40; 16:1; Hand.12:17; 15:13; 21:18, 1Kor.15:7; Gal.1:19; 2:9,12; Jd:1), tussen de jaren 45 en 52, waarschijnlijk vanuit Jeruzalem, aan joodse christenen in Palestina en in de verstrooiing die nog verbonden schenen te zijn met de synagoge (2:2) en nog vasthielden aan de joodse wet (1:25; 2:8) en gebruiken (5:14). Het was hier nog niet de tijd dat God een eind maakte aan dit sterk judaïstisch gekleurde christendom en dit is van belang om Jakobus te begrijpen.

I. Inleiding

Het bijzondere aan deze brief is dat het geen brief is voor de begintijd, maar voor de eindtijd, namelijk de eindtijd van het handelen van God met en door het volk Israël (5:3; 5:8-9). Terwijl die overgangstijd enerzijds een begintijd voor het christendom was, was hij tegelijkertijd de eindtijd voor Israël. De mogelijkheid dat de Christus zou kunnen komen was manifest aanwezig (Hand.3:19), waardoor we hoofdstuk 5 ook beter kunnen verstaan waar Jakobus spreekt over: ‘de laatste dagen’, ‘de komst van de Heer’ en de Rechter staat voor de deur’ (Jak.5:3,7,8,9). Judas, Petrus en Johannes schrijven in termen van ‘het laatst van de tijd’, ‘het laatst van de dagen’ en ‘het laatste uur’, en dat vinden we ook in de Jakobusbrief. In hoofdstuk 5:3 spreekt Jakobus over ‘de laatste dagen’, ‘de komst van de Heer is nabij’ en ‘de Rechter staat voor de deur’. Daarmee kunnen we ook Jakobus rangschikken onder de zgn. ‘eindtijdbrieven’, en ze hebben daarom een grote praktische betekenis voor ons, die ook leven in een eindtijd. De toenmalige eindtijd is een beeld van de huidige tijd, en zoals toen de eindtijd met het oordeel van God beëindigd werd, zo zal ook onze eindtijd met oordeel eindigen. Jakobus stelt de gelovigen zo voor, dat ze kort voor het oordeel staan en dat de ware gelovigen in die tijd godvruchtig en vroom zijn en door praktisch christendom gekenmerkt worden, ‘want de Heer is nabij’ (5:8; vgl. Mal.3:18). Veel gelovigen hechten niet veel waarde aan de Jakobusbrief omdat hij weinig nieuwe elementen over de christelijke leer bevat. Men vergeet dan dat de brief van Jakobus zeer waarschijnlijk de eerst geschreven brief van het Nieuwe Testament is, dat deze brief een ‘overgangsbrief’ is en dat er nog joodse elementen in voorkomen en er weinig nieuwe christelijke onderwerpen worden behandeld. Maar is het niet gemakkelijker de leer van de Efeze- of Kolossebrief te begrijpen, dan de praktijk zoals vermeld in de Jakobusbrief te verwerkelijken?

II. Tijdsbeeld

Religie: Toen de Heer Jezus tijdens zijn leven in Jeruzalem wandelde, ontmoette hij een grote variëteit aan religieuze groepen. Toen er na de uitstorting van de Heilige Geest vele joden tot geloof kwamen, wekte dat veel ergernis bij die joden die trouw bleven aan het joodse geloof, en er begonnen vervolgingen, o.a. door Paulus. (Hand.6:8v; 8:3v.; 9:1-2). Er was een bestaande religie, zonder relatie. Vandaar dat Jakobus in deze brief sterk de nadruk legt op de praktijk van het geloofsleven.

Politiek: Judea maakte onderdeel uit van het Romeinse imperium. Herodes de Grote had Jeruzalem als zijn residentie gehad en de tempel gebouwd waaraan zesenveertig jaar gewerkt was (vgl. Joh.2:20). Totdat in het jaar 70 n.Chr. Titus de stad en de tempel verwoestte, was Juda (en Jeruzalem) een onrustige provincie van het grote Romeinse Rijk. Vandaar dat Jakobus regelmatig verwijst naar ‘moeilijke tijden’.

Economisch: Algemeen waren de joden en christenen arm, hoewel er natuurlijk uitzonderingen waren, zoals landeigenaren en religieuze leiders. Vooral toen er een hongersnood kwam, aangekondigd door Agabus (Hand.11:28vv.), zodat er zelfs opgeroepen werd om voor hen een inzameling te houden, waarmee de apostel Paulus zich heeft belast (1Kor.16:2). Redenen waarom Jakobus zich regelmatig tot de ‘rijken’ wendt.

III. Schrijver - Wie was Jakobus?

Deze brief is geschreven door de apostel Jakobus, de broer van de Heer Jezus en lange tijd leider van de gemeente in Jeruzalem, tussen de jaren 45 en 62, waarschijnlijk vanuit Jeruzalem, aan joodse christenen in Palestina en verstrooid in de gehele Romeinse wereld, die nog verbonden schenen te zijn met de synagoge en nog vasthielden aan de joodse wet en gebruiken. Het was nog niet de tijd dat God een eind maakte aan dit sterk judaïstisch gekleurde christendom, dat gebeurde pas in het jaar 70, en dit is van belang om deze brief te begrijpen (vgl. Hand.21:18-20).

Flavius Josephus schrijft, dat Jakobus, de oudste van de gemeente in Jeruzalem, vanwege zijn geloof door de joden gestenigd werd, en dat vanwege deze steniging Jeruzalem verwoest werd (Eusebius). Daarnaast zien we door het onderwijs in de Hebreeënbrief duidelijk dat de overgangsperiode beëindigd was.

IV. Geadresseerden – Aan wie schreef Jakobus?

Jakobus schrijft, evenals de apostel Petrus, aan de gelovige joden van ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’ (Hand.15:23; 1Petr.1:1). Is deze brief dan nog van betekenis voor ons? Wel, de apostel Paulus schrijft in zijn brief aan Timotheüs dat ‘alle Schrift door God is ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust’ (2Tim.3:16). De brief van Jakobus behoort tot de heilige geschriften die de mensen wijs kunnen maken tot behoudenis door het geloof dat in Christus Jezus is. Petrus schrijft: ‘Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’, en daartoe behoort ook de brief van Jakobus! (2Petr.1:21).

V. Doel – Waarom schreef Jakobus?

Gelet op het voorgaande tijdsbeeld, wordt het duidelijk waarom Jakobus onmiddellijk met de ‘deur’ in huis valt bij de opening van zijn brief, waar hij spreekt over verzoekingen en beproevingen. Er zijn twee onderwerpen verweven in deze brief: verdrukking van buiten en problemen binnen de broederschap. De gelovigen gingen door verzoekingen, en Jakobus probeerde hen te bemoedigen. Maar er was verdeeldheid en zonde in de gemeente, en Jakobus probeerde hen te helpen hun zonden te belijden en na te laten. Een van de sleutelgedachten is geestelijke ontwikkeling of groei naar volwassenheid. Deze gelovigen hadden het nodig op te groeien in de Heer, en als zij God zouden gehoorzamen konden zij groeien doorheen de verdrukkingen.

De brief van Jakobus is een praktisch geschrift dat het geloofsleven als onderwerp heeft. Dit is dan het tweede onderwerp van deze brief: verzoekingen van binnen. Het bevat echo’s van de Bergrede en het boek Spreuken, die beide praktisch zijn. Als we ons geloof echt in praktijk brengen, zal dat blijken uit de manier waarop we beproevingen tegemoet treden (hfdst.1), de wijze waarop we mensen behandelen (hfdst.2), datgene wat we zeggen (hfdst.3), de manier waarop we omgaan met de zonde in ons leven (hfdst.4) en ons gebedsleven (hfdst.5).

VI. Onderwijs - Wat kunnen wij van ‘Jakobus’ leren?

Zoals al vermeld bevat de brief van Jakobus geen grote theologische nieuwigheden, maar hij bevat veel praktische aanwijzingen voor een christen. Het is een brief voor ‘doers’, want ‘Gods zegen ontvang je niet door het bestuderen van Gods Woord, maar door het ontvangen Woord in daden om te zetten in je leven.’ Of je slaagt voor je examen als gelovige wordt duidelijk in de school van het leven, niet in een Bijbelstudiegroep of in de kerk.

Als titel heb ik gekozen voor: ‘Opgroeien tot geestelijke volwassenheid’. Niet iedereen die oud wordt, is volwassen. Er is een verschil tussen ouderdom en volwassenheid. Als u wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God, dan volgt de oproep: Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is (1Petr.1:23; 2:1-2).

‘We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Eerste en Tweede brief van Petrus

I. Inleiding

Eerste brief van Petrus

Lijden

Problemen van buiten

Gods regering voor gelovigen

Satan als een brullende leeuw

 

Tweede brief van Petrus

Heerlijkheid

Problemen van binnen

Gods regering voor ongelovigen

Satan als een engel van het licht

II. Schrijver

 De apostel Petrus is de schrijver van de twee brieven die zijn naam dragen. Door het schrijven van deze twee brieven gaf Petrus de vervulling aan de opdracht van Christus om de schapen en lammeren te weiden (Joh.21:15-17). Het ‘Babylon’ van 1 Petrus 5:13 is waarschijnlijk Rome (zie Op.17:5, 18), waar Petrus kort voor zijn dood naar toe was gegaan om de gemeenten te dienen. Er is geen Schriftuurlijk bewijs dat Petrus een gemeente gesticht heeft in Rome en als ‘bisschop’ vijfentwintig jaar daar heeft gediend, zoals de traditie zegt. Er waren meerdere gemeenten in Rome toen Paulus de Romeinenbrief schreef (zie speciaal Rom.16, waar verschillende huisgemeenten vermeld worden). Paulus zou nooit naar Rome zijn als Petrus daar geweest was. Paulus handelswijze was om naar die plaatsen te gaan waar geen andere apostelen waren geweest (Rom.15:20).

III. Tijdsbeeld

Nero begon een verschrikkelijke vervolging van de christenen in oktober van het jaar 64 n.Chr. Het was het hevigste in Rome zelf waar Nero zelfs Christenen verbrande om zijn tuinen te verlichten! Sommige bijbelleraars denken dat Paulus vrij werd gelaten in het voorjaar van 64 en naar Spanje reisde (Rom.15:28), en Petrus in de stad liet om te zorgen voor de gelovigen. Silas en Markus achter gelaten door Paulus, zijn ook in Rome (1Petr.5:12-13). Nero verbrandde Rome in juli en begon de vervolging in oktober van het jaar 64. Petrus wist dat ‘de vuurgloed’ (1Petr.4:12) vanuit Rome naar de andere provincies zou komen, en hij wilde de gelovigen bemoedigen. Deze gelovigen, in Klein-Azië, hadden al te lijden van vervolgingen maar Petrus waarschuwt dat deze nog zouden toenemen (1Petr.1:6-7; 3:13-17; 4:12; 5:9-10)

IV. Thema

Het hoofdthema van Petrus eerste brief is genade, en het woord wordt in elk hoofdstuk gebruikt. Na het schrijven van de eerste brief was Petrus gearresteerd en veroordeeld; en hij schreef de tweede brief toen hij op de uitvoering van zijn veroordeling wachtte (2Petr.1:13-21). Het thema van de tweede brief is zekerheid dat na kennis komt. Petrus zag het gevaar van valse leer in waarschuwde de gelovigen ervoor op te passen (2Petr.3:17). In andere woorden, de twee brieven samen benadrukken de gevaren die de gemeente bedreigden. Satan kan komen als een leeuw om te verslinden door vervolging (1Petrus) of als een slang om te verleiden door valse leer (2Petrus). Staat in de eerste brief het lijden op de voorgrond, in de tweede is het dan de heerlijkheid (vgl. Rom.8:18 en Luk.24:26).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Brieven van Johannes

I. De schrijver

De heilige Geest gebruikte de apostel Johannes om ons het evangelie naar Johannes, drie brieven en de Openbaring te geven. Deze drie werken vullen elkaar aan en geven ons een totaalbeeld van het christelijk leven.

A. Verleden

In het evangelie naar Johannes ligt de klemtoon op de redding, geschiedenis van het leven van Jezus, Christus die voor ons stierf; het Woord werd vlees.

B. Heden

In de brieven van Johannes ligt de klemtoon op heiliging, de hedendaagse ervaringen, Christus leeft in ons, het Woord woont in ons.

C. Toekomst

In de Openbaring naar Johannes ligt de nadruk op de heerlijkheid, de toekomstige hoop, Christus komt voor ons, het woord dat overwint.

III. Doel

Johannes geeft ons vijf redenen voor het schrijven van zijn eerste brief:

A.      Dat we gemeenschap hebben (1:3)

‘Gemeenschap’ is het hoofdthema van de eerste twee hoofdstukken (1:3, 6-7). Gemeenschap heeft te maken met onze persoonlijke gemeenschap met Christus, niet met onze eenheid met Hem wat zoonschap is. Onze dagelijkse gemeenschap kan wisselend zijn, ons zoonschap blijft altijd hetzelfde.

B.      Dat we vreugde mogen hebben (1:4)

Het woordje ‘vreugde’ wordt allen hier gebruikt, maar de zegen die de vreugde voortbrengt zien we doorheen heel de brief. Vreugde is het resultaat van een hechte gemeenschap met Christus.

C.      Dat we niet zouden zondigen (2:1-2)

De straf voor de zonde wordt geregeld als de zondaar op Christus vertrouwt, maar de macht die de zonde over het dagelijks leven van een gelovige kan uitoefenen is een andere zaak. De eerste brief van Johannes maakt duidelijk hoe we de zonde kunnen overwinnen en hoe vergeving kunnen ontvangen als we toch gezondigd hebben.

D.      Dat we de zonde zouden overwinnen (2:26)

Johannes werd in zijn dagen geconfronteerd met valse leer zoals wij in onze tijde met valse leraars geconfronteerd worden (2Petr.2). De valse leraars in Johannes dagen verkondigden: (1) dat materie zondig was en dat om die reden Christus niet in het vlees gekomen was; (2) dat Christus maar een gewoon mens was zoals wij; (3) dat kennis van de waarheid meer betekende dan de waarheid toe te passen in je leven; en (4) dat slecht een ‘klein aantal geestelijken’ geestelijke waarheden kon begrijpen. Wanneer je de eerste brief van Johannes leest, valt het op dat hij de nadruk legt op: () dat materie niet slechts is, maar de mens zondig is; (2) dat Jezus Christus een echt lichaam had en een werkelijke dood was gestorven; (3) dat het niet voldoende is te ‘zeggen’ dat we geloven, maar dat we het ook in de praktijk moeten brengen; en (4) dat alle gelovigen een zalving van God hebben en zijn waarheid kunnen begrijpen.

E.       Dat we zekerheid zouden hebben (5:13)

In het Evangelie naar Johannes wordt verhaald hoe we redding kunnen ontvangen (Joh.20:31), maar in de brief, schrijft hij hoe we zeker kunnen zijn van die redding. De brief is een reeks ‘proeven’ die gelovigen kunnen gebruiken om hun gemeenschap (hoofdstukken 1-2) en hun zoonschap (hoofdstukken 3-5) te verifiëren. Merk verder nog op dat in de hoofdstukken 3-5 de nadruk ligt op ‘geboren uit God’ (3:9; 4:7; 5:1,4,18).

IV. Analyse

Wanneer je de voorgesteld indeling leest zal je zien dat de brief in twee delen uiteenvalt: hoofdstukken 1-2 leggen de nadruk op gemeenschap, en de hoofdstukken 3-5 zoonschap. In beide delen geeft Johannes drie ‘testen’: gehoorzaamheid (wandelen in het licht), liefde (wandelen in liefde), en waarheid (wandelen in de waarheid). Met andere woorden, ik kan ervan overtuigd zijn van mijn gemeenschap met God door Christus wanneer er geen zonden in mijn leven aanwezig zijn, als ik liefde heb voor Hem en zijn volk, en wanneer ik het geloof praktiseer en vrij ben van valse leer. Ik kan geloven dat ik een zoon van God ben op dezelfde wijze: als ik zijn Woord gehoorzaam; als ik liefde heb voor Hem en zijn volk; en als ik de waarheid geloof en in de praktijk breng. Johannes daagt ons uit deze testen toe te passen zodat we het leven als gelovige ten volle zouden genieten.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding van de Brief van Judas

De auteur was een halfbroer an de Heer Jezus, genoemd 'Judas' in Markus 6:3. De opgestane Heer werd gezien door Jakobus, een andere halfbroer (1Kor.15:7), dus werden Jakobus en Juda ongetwijfeld op het zelfde moment gelovig. Jezus broers worden vermeld in Handelingen 1:13-14 waar ze deelnamen aan de gebedsdienst voorafgaand aan Pinksteren. Judas beroemd zich niet op zijn verwantschap met Jezus. Hij geeft er de voorkeur aan zichzelf een 'slaaf van Christus' te noemen en een broer van Jakobus. Hoewel Judas in zijn brief over oordeel spreekt, is hij wel op bedacht dat de gelovige veilig is in Jezus (vv.1,24). We kunnen ons zelf niet beveiligen, maar we dienen onszelf te bewaren in de liefde van God door zijn Woord te gebhoorzamen (v.21)

I. Het doel van de brief

Judas begon om over het 'heil' te schrijven, maar werd door de Geest geleid om dat onderwerp te laten voor wat het was, maar inplaats daarvan de gelovigen te waarschuwen voor valse leraars in de kerk. Het zal je opvallen dat meerdere verzen vergelijkbaar zijn met die in 2 Petrus 2 vermeld worden. De brief van Judas is later geschreven, omdat Petrus ervoor waarschuwt dat er later valse leraars zouden komen (2Petr.2:1; 3:3), en Judas schrijft dat ze nu aan het werk zijn. Hij herinnerd ons eraan dat Petrus ze al veroordeling als aangekondigd heeft. Hij identificeerd deze valse leraars als dezelfde mensen die Petrus beschrijft: 'Ze sluipen binnen, veranderen de genade van God in losbandigheid, en leven in zonde'. 'Veranderen van de genade van God in mosbandigheid' (vs.4) betekent dat ze de gelovigen leerden dat de genade hen toestond te leven zoals ze wilden. Zie Romeinen 6:1vv.

Hoe dienen Christenen met dit gevaar om te gaan? Judas vermaant ons om 'te strijden voor het geloof!' (vs.3). We worden opgeroepenom Gods Waarheid te verdedigen en de leer die het NT het 'geloof' noemt; d.w.z. de geloofsleer. We worden geacht als soldaten te zijn die tegen elke prijs het fort verdedigen.

II. De argumenten (vv.5-16)

Judas onderwerp in deze sectie is de veroordeling van deze als leraars. Hij geeft zeven voorbeelden uit het Oude Testament om dit duidelijk te maken. (1) Israël - vs.5, (2) de gevallen engelen (vs.6), (3) Sodom en Gomorra (vs.7), (4) Michaël en Mozes (vs.8-10), (5) Kaïn (vs.11), (6) Bileam (vs.11), (7) Korach (vs.11). In de verzen 12-13 beschrijft Judas deze vals leraren of een treffende wijze. Het zijn wolken zonder water, bomen zonder fruit, wilde golven van de zee en dwaalsterren. Hij besluit zijn argumenten met de vermelding van Henoch, die aan het begin van de geschiedenis, van hun ondergang heeft geprofeteerd.

III. Waarschuwing (vv.17-25)

Hoe dienen de gelovigen te handelen met valse leer? Vasthouden aan het geloof dat eenmaal aan de heilige is overgeleverd. De apostel Paulus waarschuwde de oudsten van de gemeente te Efeze voor 'wrede wolven die de kudde niet zouden sparen', maar ook dat eruit hun eigen midden mannen zouden opstaan die verdraaide dingen zouden spreken. Vandaar dat de apostel Paulus hen opdroeg aan God en aan het woord van zijn genade, die machtig is op te bouwen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Inleiding op de Openbaring naar Johannes

I. Achtergrond

De apostel Johannes nam het herderlijk werk in Efeze en de omliggende gemeenten, de ‘zeven gemeenten in Klein-Azië’ van hoofdstuk 2 en 3, op zich ongeveer in het jaar 70. De Romeinse keizer Nero had de gelovigen in Rome vervolgd, maar de ‘vuurgloed’ die Petrus voorzegt (1Petr.4:12vv.) was nog niet begonnen. Toen echter Domitianus keizer werd (AD 81-96), werd de vervolging heftiger. Domitianus was een brute moordenaar zoals je in de geschiedenis kunt opmerken. Hij promootte de ‘keizer verering’ en begon met de aanhef: Onze Heer en God Domitianus beveelt…’. Iedereen die voor hem verscheen moest hem aanspreken met: ‘Heer en God’. Hij was verbitterd in de behandeling van joden en christenen, en het was op zijn bevel dat Johannes naar Patmos verbannen werd, een rotsachtig eiland van vijftien kilometer lang en acht kilometer breed, in de Egeïsche zee. De Romeinen hadden er een strafkamp waar de gevangenen in de mijnen moesten werken. Het was op deze geïsoleerde plaats dat Johannes zijn visioenen kreeg en het boek Openbaring schreef. Hij schreef het ongeveer in jet jaar 95. Het is niet moeilijk om het boek Openbaring in te delen, want dat is al voor ons gedaan in hoofdstuk 1:19 want daar staat: ‘Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna gebeuren zal’.

II. Karakter

Openbaring is een uniek boek met kenmerken waar we acht op dienen te geven.

De tekst van Openbaring is:

A. Profetisch

Het is enige echte profetische boek van het Nieuwe Testament (1:3; 10:11; 129:10; 22:7,10,18-19)

B. Christus is het middelpunt

Het is de openbaring van Jezus Christus, niet een profetisch programma. In hoofdstuk 1 is Hij de Opgestane Priester-Koning; in de hoofdstukken 2-3 beoordeelt Hij de gemeenten; in hoofdstukken 4-5 ontvangt Hij eer en lof; in de hoofdstukken 6-19 oordeelt Hij de wereld en keert terug in heerlijkheid; en in de hoofdstukken 20-22 heerst Hij in heerlijkheid en kracht.

C. Open

Het woord ‘openbaring’ betekent letterlijk ‘onthulling’. Daniël werd gezegd zijn boek te verzegelen (Dan.12:4), maar Johannes ‘verzegel het niet’ (22:10). In plaats van een verzameling raadselachtige profetieën, is het boek Openbaring een redelijk, geordende onthulling van Christus en zijn uiteindelijke overwinning over satan, zonde en de wereldD. Symbolisch

‘Hij zond en openbaarde’ (1:1) suggereert dat het boek gebruik tekenen en symbolen om de boodschap over te brengen. Sommige worden verklaard (1:20; 4:5), andere blijven onverklaard (2:7,12,27-28). Deze geestelijke symboliek zou duidelijk worden voor de gelovige lezers die het boek zouden ontvangen, maar voor de Romeinse vervolgers bleef het gesloten. De symbolen spreken van een realiteit. Een vlag, bijvoorbeeld, staat voor de aanwezigheid van een natie. Het beeld van Christus in 1:12 is niet letterlijk te nemen, maar elk van deze symbolen onthullen een geestelijke waarheid van Hem.

E. De basis is het OT

Het is niet mogelijk het boek te begrijpen zonder te verwijzen naar het Oude Testament. Van de 404 verzen van Openbaring, verwijzen 278 naar het Oude Testament. Er is berekend dat er meer dan 500 referenties en toespelingen van het Oude Testament in het boek Openbaring te vinden zijn. De Psalmen, Daniël, Zacharia, Genesis, Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Joël worden het meest naar verwezen.

F. Getallen

Er zijn zeven reeksen van ‘zeven’ in het boek: zeven gemeenten, zegels, trompetten, schalen, kandelaren enz. Het getal drieënhalf verschijnt ook aantal keren (11:2-3; 12:6; 13:5). We vinden ook de 144.000 (een veelvoud van twaalf) verzegelde Israëlieten, twaalf sterren (12:1), twaalf poorten (21:12), en twaalf fundamenten (21:14).

G. Universeel

Openbaring gaat over de hele wereld. Johannes ziet naties, volkeren menigten (zie: 10:11; 11:9; 17:15 enz.). Dit boek beschrijft Gods oordeel over de wereld en de schepping van een nieuwe voor zijn volk.

H. Majestueus

Dit is het ‘boek van de troon’, want van hoofdstuk tot het einde, lezen we over de Koning en zijn heerschappij Het woord ‘troon’ wordt vierenveertig keer gebruikt; ‘koning’, ‘koninkrijk’ en ‘heerschappij’ ongeveer zevenendertig keer; ‘macht’ en ‘gezag’ zo’n veertig keer. We zien Christus als de soevereine Heerser, heersende vanuit zijn hemelse troon.

 I. Sympathiek

Doorheen het hele boek zien we het lijdende volk van Gods volk en het medelijden van de hemel voor het volk van God op aarde (1:9): Antipas is martelaar (2:13); de gemeente in Smyrna dreigt gevangenschap (2:10); de zielen onder Gods altaar roepen om Gods oordeel (6:9-10); het oordeels uur is gekomen (3:10); de grote hoer is dronken van het bloed van de heiligen (17:6; 18:24; 19:2). Toch zal Gods de wereld oordelen en zijn volk redden.

J.    Climax

Openbaring is het hoogtepunt, de climax van de Bijbel en toont de vervulling van Gods plan en doel met zijn schepping.

III. Interpretatie

Goede en gelovige studenten verschillen van mening over de details van het boek. Vier belangrijke interpretaties worden genoemd:

A. Preteristische visie

Deze visie beweert dat alles wat in Openbaring staat vervuld is in de eerste eeuw.

Johannes, zeggen de voorstanders, handelt met de oorlog van de kerk en Rome. Hij schrijft om de heiligen om ze te vertroosten en te bemoedigen. Maar Johannes schrijft zeven keer dat het ‘profetie’ is. Zeker heeft het boek een speciale waarde voor hen die vervolging van de Romeinen te verduren hadden, maar die waarde eindigt niet met het einde van de apostolische eeuw maar strekt zich uit over alle eeuwen totdat Jezus komt.

B. Historische visie

Hen die deze visie volgen geloven dat we in de symbolen van de Openbaring de vervulling van de kerk kunnen vinden. Ze geloven dat het boek een overzicht geeft van het verloop van de geschiedenis van de apostolische tijd tot aan het einde van de tijden. Ze zoeken in geschiedenisboeken naar paralellen met het boek Openbaring, maar de resultaten daarvan zijn soms desastreus. De ene uitlegger ziet in een symbool Luther en de Reformatie, maar een ander ziet in hetzelfde symbool de boekdrukkunst! Wat voor een waarde zou het boek Openbaring voor de gelovigen in Johannes dagen gehad hebben als alleen maar de geschiedenis van de wereld zou voorzeggen? En wat voor waarde heeft het boek dan voor ons?

C. Idealistische visie

De verdedigers van deze visie verlaten de idee van profetie totaal en gebruiken Openbaring als een presentatie van het conflict tussen Christus en satan, goed en kwaad. Ze verwerpen de idee dat Johannes schrijft over actuele gebeurtenissen; ze zeggen dat het boek alleen gaat over algemene geestelijke principes. Maar nogmaals, Johannes schrijft profetie! We erkennen dat Openbaring meerdere algemene geestelijke principes in symbolische vorm bevat, moeten we ook erkennen dat het boek ook gaat over echte gebeurtenissen die eenmaal zullen plaatsvinden in deze wereld.

D. Futuristische visie

De navolgers van deze visie benadrukken dat Openbaring profetie is; de hoofdstukken 6 tot 22 beschrijven een reeks gebeurtenissen die op aarde en in de hemel zullen gebeuren nadat de gemeente van de aarde is weggenomen. De navolgers van deze visie realiseren en erkennen dat er ook geestelijke lessen in het boek Openbaring aanwezig zijn, maar ook dat het gaat over werkelijke gebeurtenissen die eens zullen gebeuren. Als Openbaring niet uitgelegd wordt als profetie, dat heeft God de gemeente geen boek in het Nieuwe Testament gegeven dat de toekomstige gebeurtenissen van de wereld weergeeft, de overwinning van de gemeente, het oordeel over de zonde, en de vervulling van de beloften en profetieën die in het Oude Testament gevonden worden. Dit is niet mogelijk! Nee, Openbaring is een profetisch boek! Zij die dit boek onderzoeken als een profetisch boek die komende gebeurtenissen voorzegt nadat de gemeente is opgenomen, zullen beloond worden voor hun werken.

Openbaring geeft Gods programma weer voor de geschiedenis van de mensheid. Wat eeuwen geleden is begonnen bij de eerste schepping, zal in de schepping van een nieuwe hemel en aarde zijn vervulling vinden. Dit is het boek van de ‘zaligsprekingen’ (1:3; 14:13; 16:15; 20:6; 22:7,14). Het laat ons zijn dat de geschiedenis zijn geschiedenis is en dat menselijke geschiedenis in de handen zijn van de overwinnende Christus. Wanneer we dit boek bestuderen, worden we bemoedigd, bereid om te dienen, en zullen we in staat zijn om ons leven te reinigen, zodat we gereed zouden zijn als Hij komt!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX