Studies over de brief van Jakobus

 Indeling van de brief van Jakobus

Onderwerp:

‘Opgroeien tot geestelijke volwassenheid'

 

Sleutelvers: Jakobus 2:17

'Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft,op zichzelf dood'

 

 

We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!  

I. Inleidingsvragen

1. Wie was Jakobus?

2. Aan wie schreef Jakobus?

3. Waarom schreef Jakobus?

4. Wat kunnen wij van ‘Jakobus’ leren?

De kenmerken van een volwassen christen zijn, dat hij/zij…
II …geduldig is in tijd van beproeving (1:1-15)

1. Beproevingen van buitenaf – 1:1-12

2. Verzoekingen van binnenuit – 1:13-18

III.  …de waarheid in praktijk probeert te brengen(1:16-27–2:26)

1. Weest daders! – 1:19-27

2. Geloof en liefde – 2:1-13

3. Geloof en werken – 2:14-26

IV. …zijn tong in bedwang tracht te houden (Hfdst.3)

1. Aansporingen – 3:1-2

2. Illustraties – 3:3-12

3. Toepassingen – 3:13-18

V. …een vredestichter probeert te zijn (Hfdst.4)

1. Drie oorlogen – 4:1-3

2. Drie vijanden – 4:4-7

3. Drie waarschuwingen – 4:8-17

VI. …staande blijft in moeilijke tijden (hfdst.5)

1. Economische moeilijkheden – 5:1-9

2. Lichamelijke moeilijkheden – 5:10-16

3. Nationale moeilijkheden – 5:17-18

4. Gemeentelijke moeilijkheden – 5:19-20

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 Inleiding

Sleuteltekst: Jakobus 2:17

‘Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf dood’

Geschreven door de apostel Jakobus, de (half)broer van de Heer Jezus en lange tijd leider van de gemeente in Jeruzalem (zie o.a. Mark.6:3; 15:40; 16:1; Hand.12:17; 15:13; 21:18, 1Kor.15:7; Gal.1:19; 2:9,12; Jd:1), tussen de jaren 45 en 52, waarschijnlijk vanuit Jeruzalem, aan joodse christenen in Palestina en in de verstrooiing die nog verbonden schenen te zijn met de synagoge (2:2) en nog vasthielden aan de joodse wet (1:25; 2:8) en gebruiken (5:14). Het was hier nog niet de tijd dat God een eind maakte aan dit sterk judaïstisch gekleurde christendom en dit is van belang om Jakobus te begrijpen.

Inleiding

Het bijzondere aan deze brief is dat het geen brief is voor de begintijd, maar voor de eindtijd, namelijk de eindtijd van het handelen van God met en door het volk Israël (5:3; 5:8-9). Terwijl die overgangstijd enerzijds een begintijd voor het christendom was, was hij tegelijkertijd de eindtijd voor Israël. De mogelijkheid dat de Christus zou kunnen komen was manifest aanwezig (Hand.3:19), waardoor we hoofdstuk 5 ook beter kunnen verstaan waar Jakobus spreekt over: ‘de laatste dagen’, ‘de komst van de Heer’ en de Rechter staat voor de deur’ (Jak.5:3,7,8,9). Judas, Petrus en Johannes schrijven in termen van ‘het laatst van de tijd’, ‘het laatst van de dagen’ en ‘het laatste uur’, en dat vinden we ook in de Jakobusbrief. In hoofdstuk 5:3 spreekt Jakobus over ‘de laatste dagen’, ‘de komst van de Heer is nabij’ en ‘de Rechter staat voor de deur’. Daarmee kunnen we ook Jakobus rangschikken onder de zgn. ‘eindtijdbrieven’, en ze hebben daarom een grote praktische betekenis voor ons, die ook leven in een eindtijd. De toenmalige eindtijd is een beeld van de huidige tijd, en zoals toen de eindtijd met het oordeel van God beëindigd werd, zo zal ook onze eindtijd met oordeel eindigen. Jakobus stelt de gelovigen zo voor, dat ze kort voor het oordeel staan en dat de ware gelovigen in die tijd godvruchtig en vroom zijn en door praktisch christendom gekenmerkt worden, ‘want de Heer is nabij’ (5:8; vgl. Mal.3:18). Veel gelovigen hechten niet veel waarde aan de Jakobusbrief omdat hij weinig nieuwe elementen over de christelijke leer bevat. Men vergeet dan dat de brief van Jakobus zeer waarschijnlijk de eerst geschreven brief van het Nieuwe Testament is, dat deze brief een ‘overgangsbrief’ is en dat er nog joodse elementen in voorkomen en er weinig nieuwe christelijke onderwerpen worden behandeld. Maar is het niet gemakkelijker de leer van de Efeze- of Kolossebrief te begrijpen, dan de praktijk zoals vermeld in de Jakobusbrief te verwerkelijken?

Tijdsbeeld

Religie: Toen de Heer Jezus tijdens zijn leven in Jeruzalem wandelde, ontmoette hij een grote variëteit aan religieuze groepen. Toen er na de uitstorting van de Heilige Geest vele joden tot geloof kwamen, wekte dat veel ergernis bij die joden die trouw bleven aan het joodse geloof, en er begonnen vervolgingen, o.a. door Paulus. (Hand.6:8v; 8:3v.; 9:1-2). Er was een bestaande religie, zonder relatie. Vandaar dat Jakobus in deze brief sterk de nadruk legt op de praktijk van het geloofsleven.

Politiek: Judea maakte onderdeel uit van het Romeinse imperium. Herodes de Grote had Jeruzalem als zijn residentie gehad en de tempel gebouwd waaraan zesenveertig jaar gewerkt was (vgl. Joh.2:20). Totdat in het jaar 70 n.Chr. Titus de stad en de tempel verwoestte, was Juda (en Jeruzalem) een onrustige provincie van het grote Romeinse Rijk. Vandaar dat Jakobus regelmatig verwijst naar ‘moeilijke tijden’.

Economisch: Algemeen waren de joden en christenen arm, hoewel er natuurlijk uitzonderingen waren, zoals landeigenaren en religieuze leiders. Vooral toen er een hongersnood kwam, aangekondigd door Agabus (Hand.11:28vv.), zodat er zelfs opgeroepen werd om voor hen een inzameling te houden, waarmee de apostel Paulus zich heeft belast (1Kor.16:2). Redenen waarom Jakobus zich regelmatig tot de ‘rijken’ wendt.

Schrijver - Wie was Jakobus?

Deze brief is geschreven door de apostel Jakobus, de broer van de Heer Jezus en lange tijd leider van de gemeente in Jeruzalem, tussen de jaren 45 en 62, waarschijnlijk vanuit Jeruzalem, aan joodse christenen in Palestina en verstrooid in de gehele Romeinse wereld, die nog verbonden schenen te zijn met de synagoge en nog vasthielden aan de joodse wet en gebruiken. Het was nog niet de tijd dat God een eind maakte aan dit sterk judaïstisch gekleurde christendom, dat gebeurde pas in het jaar 70, en dit is van belang om deze brief te begrijpen (vgl. Hand.21:18-20).

Flavius Josephus schrijft, dat Jakobus, de oudste van de gemeente in Jeruzalem, vanwege zijn geloof door de joden gestenigd werd, en dat vanwege deze steniging Jeruzalem verwoest werd (Eusebius). Daarnaast zien we door het onderwijs in de Hebreeënbrief duidelijk dat de overgangsperiode beëindigd was.

Geadresseerden – Aan wie schreef Jakobus?

Jakobus schrijft, evenals de apostel Petrus, aan de gelovige joden van ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’ (Hand.15:23; 1Petr.1:1). Is deze brief dan nog van betekenis voor ons? Wel, de apostel Paulus schrijft in zijn brief aan Timotheüs dat ‘alle Schrift door God is ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust’ (2Tim.3:16). De brief van Jakobus behoort tot de heilige geschriften die de mensen wijs kunnen maken tot behoudenis door het geloof dat in Christus Jezus is. Petrus schrijft: ‘Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’, en daartoe behoort ook de brief van Jakobus! (2Petr.1:21).

Doel – Waarom schreef Jakobus?

Gelet op het voorgaande tijdsbeeld, wordt het duidelijk waarom Jakobus onmiddellijk met de ‘deur’ in huis valt bij de opening van zijn brief, waar hij spreekt over verzoekingen en beproevingen. Er zijn twee onderwerpen verweven in deze brief: verdrukking van buiten en problemen binnen de broederschap. De gelovigen gingen door verzoekingen, en Jakobus probeerde hen te bemoedigen. Maar er was verdeeldheid en zonde in de gemeente, en Jakobus probeerde hen te helpen hun zonden te belijden en na te laten. Een van de sleutelgedachten is geestelijke ontwikkeling of groei naar volwassenheid. Deze gelovigen hadden het nodig op te groeien in de Heer, en als zij God zouden gehoorzamen konden zij groeien doorheen de verdrukkingen.

De brief van Jakobus is een praktisch geschrift dat het geloofsleven als onderwerp heeft. Dit is dan het tweede onderwerp van deze brief: verzoekingen van binnen. Het bevat echo’s van de Bergrede en het boek Spreuken, die beide praktisch zijn. Als we ons geloof echt in praktijk brengen, zal dat blijken uit de manier waarop we beproevingen tegemoet treden (hfdst.1), de wijze waarop we mensen behandelen (hfdst.2), datgene wat we zeggen (hfdst.3), de manier waarop we omgaan met de zonde in ons leven (hfdst.4) en ons gebedsleven (hfdst.5).

Onderwijs - Wat kunnen wij van ‘Jakobus’ leren?

Zoals al vermeld bevat de brief van Jakobus geen grote theologische nieuwigheden, maar hij bevat veel praktische aanwijzingen voor een christen. Het is een brief voor ‘doers’, want ‘Gods zegen ontvang je niet door het bestuderen van Gods Woord, maar door het ontvangen Woord in daden om te zetten in je leven.’ Of je slaagt voor je examen als gelovige wordt duidelijk in de school van het leven, niet in een Bijbelstudiegroep of in de kerk.

Als titel heb ik gekozen voor: ‘Opgroeien tot geestelijke volwassenheid’. Niet iedereen die oud wordt, is volwassen. Er is een verschil tussen ouderdom en volwassenheid. Als u wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God, dan volgt de oproep: Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is (1Petr.1:23; 2:1-2).

‘We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 Geduldig in tijd van moeiten’ 

Jakobus hoofdstuk 1

Inleiding: God beproeft ons om het beste in ons naar boven te halen, de duivel verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te brengen. Beproevingen moeten ons beter, niet bitter maken! Hoe moeilijk valt het ons vaak om Gods bestuur te doorgronden! Het leven kan op een onontwarbare knoop lijken als ons alles tegenzit (Pred.8:10-17; Ps.37; 73). Vragen komen op, maar antwoorden blijven vaak achterwege. Moet ik vragend hier soms gaan, boven zal ik het eens verstaan! Zo’n situatie kan een bedreiging vormen en ons geloofsleven verlammen. Jakobus wil ons helpen wanneer wij in allerlei beproevingen vallen. De twaalf stammen in de verstrooiing hadden zeker te lijden in die moeilijke tijden, voor velen betekende dit armoede. De in vers 1 en 2 genoemde verzoekingen zijn beproevingen die in de omstandigheden liggen, en wij worden daardoor beproefd, maar de verzoekingen van vers 13 en 14 zijn verzoekingen die uit onze oude boze natuur voorkomen. Aan de verzoekingen van vers 13 en 14 heeft de Here Jezus geen deel gehad, want Hij was immers zonder zonde (Heb.2:18)!

Jakobus valt meteen met de deur in huis wanneer hij schrijft: ‘Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt’ (1:2). De eerste christenen waren verblijd dat zij waardig geacht waren dat zij voor de Naam oneer mochten verdragen (Hand.5:41). In de brief aan de Hebreeën lezen we dat de gelovigen de roof van hun bezittingen met blijdschap aanvaarden (Hebr.10:34). Als je dat leest en erover nadenkt, dan geloof ik dat wij van zo’n houding ver verwijderd zijn. In onze westerse wereld, die ons zoveel materiële welvaart schenkt, is zoiets ondenkbaar. We zijn vaak zo gehecht aan alle dingen die ons omringen dat we wellicht in de overtuiging leven dat het mogelijk prijsgeven daarvan van ons niet gevraagd zullen worden.

Beproevingen van buitenaf (1:1-12)

De dingen die ons overkomen in dit leven als gelovigen hebben een bedoeling (Rom.8:28). Omdat wij Zijn kinderen zijn, gebruikt God deze momenten om aan ons te ‘werken’, opdat we volwassen en stabiele gelovigen zouden worden. Geen ‘thermometers’, maar thermostaten! Eigenschappen als geduld en volharding kunnen we niet leren op school, maar alleen in de ‘school’ van het leven. Hij tuchtigt ons tot ons nut, opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen (Heb.12:10). Wanneer we niet begrijpen dat God ons liefheeft en met ons betrokken en bezig is, zullen we geneigd zijn om tuchtiging gering te achten, eronder bezwijken of ze niet verdragen (Hebr.12:5-7). We zijn dus erg bevoorrecht, vandaar ook dat we ons ook zouden moeten verheugen wanneer ons geloof beproefd wordt! Tuchtiging, in de zin van een opvoedkundige maatregel, houdt in dat God Zich met ons bemoeit en dat moet ons genoeg zijn. Misschien begrijpen wij Hem niet in zijn handelen met ons, en lijkt het onredelijk. We denken maar aan Abraham die na zoveel jaren wachten zijn (beloofde) zoon moet offeren! In zulk een tijd van beproeving mogen we bidden om wijsheid, zodat we mogen weten hoe te handelen. We hebben wijsheid nodig in beproevingen, zodat ons lijden niet voor niets is en we de geestelijke groei die er het gevolg van behoort te zijn, niet mislopen. Wijsheid is het vermogen om de leer, de kennis van het Woord van God, praktisch toe te passen. Als u op God vertrouwt, werken beproevingen in uw voordeel en niet in uw nadeel; maar zorg ervoor dat uw hart geheel aan Hem is toegewijd. Als uw hart en geest verdeeld zijn, zullen verzoekingen u verscheuren.

In het bovenstaand voorbeeld van Abraham gaat het om een beproeving van Godswege. Ons geloof kan echter ook op de proef gesteld worden door omstandigheden die niet van God komen en waar we geen grip op hebben en die buiten ons toedoen ontstaan. We denken maar aan zaken als armoede, verliezen van een partner of kind, tegenslag in gezondheid, gevolgen na een natuurramp enz. Het is gemakkelijk te zeggen ‘al zou de vijgenboom niet bloeien en er geen opbrengst aan de wijnstok zijn… nochtans zal ik juichen in de Heer’, maar is dat ook werkelijkheid in ons leven als de hiervoor geschetste zaken ons overkomen? (Hab.3:17-18). De houding van Job kan ons helpen bij het onder ogen zien van rampen die ons overkomen. Toen zijn vrouw hem voorstelde om God vaarwel te zeggen antwoordde hij met de woorden: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?

Verzoekingen van binnenuit  (1:13) – Voorbeeld: David - Psalm 51

De duivel verzoekt ons om het slechte in ons naar boven te halen,

God beproeft ons om het beste in ons naar boven te halen!

Naast de dingen die van buitenaf op ons afkomen, hebben we ook ‘vijanden’ die ons op andere manieren proberen te verleiden tot zondigen. Naast een ‘innere Feind’, de zonde of het vlees die in ons woont, is er ook de duivel die de ene keer rondgaat als een brullende leeuw en de andere keer als een engel van het licht. En mogelijk zijn deze ‘vijanden’ moeilijker te bestrijden dan de beproevingen die op ons afkomen. Maar inspanning en volharding worden beloond, want ‘Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben’ (vs.12).

De zonde (1:1-15)

‘Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen’ (Gen.4:7).

We dienen zo lang wij leven rekening te houden met de zonde die in ons woont en die nog een grote invloed kan hebben op een gelovige. Het bijbels onderwijs betreffende zonde vinden we voor een groot gedeelte in de brief aan de Romeinen en daardoor leren we het onderscheid tussen de zonde en eventuele zonden die gedaan worden. God zij dank hoeft de zonde (en daarmee de gevolgen, de zonden) niet over een gelovige te heersen, we zijn vrijgemaakt van de zonde (Rom.6:14,18). Ik laat de apostel Paulus daarover zelf aan het woord: ‘Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is. Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont. Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont. Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij. Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God. Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere’ (Rom.7:14-25). Gelukkig er is een andere ‘macht’ die sterker dan de zonde is, en dat is de inwonende heilige Geest (1 Joh.4:4). Het is niet gewenst dat de zonde, die nog in ons woont, nog invloed heeft in ons leven als gelovige, maar dan behoren we wel te wandelen in de kracht van Gods Geest en daar zit de moeilijkheid. Hoe vaak leven wij nog als in het vlees in plaats van in de Geest. Dat is de strijd die we hebben te voeren tegen de zonde. ‘Maar ik zeg: Wandel door de Geest en u zult zeker de begeerte van het vlees niet volbrengen’ Want: ’Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen’ (Gal.5:25,16).  

Gods oordeel over de zonde (1:13-16)

De satan verzoekt ons tot het kwade en brengt dingen op onze weg waardoor hij hoopt dat wij (onze oude natuur) erop in zouden gaan, om ons te doen zondigen. We moeten leren te onderscheiden tussen ‘beproevingen’ en ‘verzoekingen’! God beproeft ons nooit door ons te verleiden tot het kwade, dat doet de satan! We moeten dan ook de hele wapenrusting van God op ons nemen, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden (Ef.6:13).

‘Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand. Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt’. Uit de verzen 14-15 kunnen we leren dat het zondigen nooit een plotse, onverklaarbare gebeurtenis is maar dat het een proces is. Voorbeelden daarvan zijn er voldoende. We denken aan Eva, Lot en David, om maar een paar voorbeelden te noemen. Eva zag, begeerde en nam van de vrucht van de boom (Gen.3:6, 1 Joh.2:16). Lot vestigde zich in de streken van Sodom en Gomorra en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom (13:12). Later woonde hij in Sodom (14:12) en in 19:1 lezen we dat hij in de poort van Sodom zat; hij had daarin een bepaalde positie verworven. Het einde van Lot is genoegzaam bekend, denk ik! David zag Batseba, liet haar halen en lag bij haar (2 Sam.11). In alle vermelde gevallen was het een proces. Er komt een verlangen dat, als het niet veroordeeld wordt, bevrucht wordt en in praktijk wordt gebracht. De duivel belooft alles, geeft alles en neemt daarna alles weer weg!

De gelovige en het Woord (1:17-27)

In Galaten 5:6 beschrijft Paulus het christen leven met de woorden: ‘geloof door liefde werkende’. Deze onderwerpen, geloof en werken, worden in dit hoofdstuk behandeld. De basis idee is dat werkelijk bijbels geloof niet dood is; het toont zich door liefde (vs.1-13) en het is werkzaam (vs.14-26). Veel mensen hebben een verstandelijk geloof in Christus, maar niet een gelovig hart. Ze hebben geloof in de historische feiten betreffende Christus, maar geen reddend, persoonlijk geloof.

De bijbel is ons niet slechts gegeven om ons te informeren, maar om ons te transformeren!

Daarom is het nodig om in tijden van beproevingen te volharden en in verzoekingen stand te houden en ons bezig te houden met Gods Woord. Het Woord is niet alleen de bron waardoor wij tot een nieuwe geboorte zijn gebracht, maar wil ons ook doen groeien, zodat we een stabiel geestelijk leven zullen krijgen die bestand is tegen alle vormen van beproeving (1 Petr. 1:23; 2:2). Is er bij ons een verlangen om Gods Woord te onderzoeken en door het lezen van Gods Woord de gemeenschap met Hem te onderhouden? Kunnen we zeggen met de schrijver van Psalm 42 “Mijn ziel dorst naar God naar de levende God?” (vgl. Neh.8:19 of Psalm 119). We moeten doen wat het Woord van God van ons vraagt, en het niet alleen maar lezen of bestuderen; de zegen is gelegen in het doen. Ook het verdere van dit bijbelgedeelte verwijst naar de praktijk van het christelijke geloof. Paulus schreef aan Titus op het eiland Kreta dat “zij belijden God te kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en voor alle goed werk ongeschikt.” (Tit.1:16) En hij schrijft aan Timotheus “Ogenschijnlijk bezitten zij godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij.” (2 Tim.3:5)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

‘De waarheid in praktijk brengen’

Jakobus hoofdstuk 2

Inleiding

In Galaten 5:6 beschrijft Paulus het christen leven met de woorden: ‘geloof door liefde werkende’. Deze onderwerpen, geloof en werken, worden in dit hoofdstuk behandeld. De basis idee is dat werkelijk bijbels geloof niet dood is; het toont zich door liefde (2:1-13) en het is werkzaam (2:14-26). Veel mensen hebben een verstandelijk geloof in Christus, maar niet een gelovig hart. Ze hebben geloof in de historische feiten betreffende Christus, maar geen reddend, persoonlijk geloof. Van de gelovigen in Thessalonika schrijft de apostel Paulus: ‘Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft’ (1Thes.2:13).

Geloof en liefde (2:1-13)

Met de woorden: ‘Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus zonder aanzien des persoons’ begint Jakobus dit hoofdstuk. Liefde is hét kenmerk van het christelijke geloof, liefde tot God en de naaste, en het is dan ook niet vreemd dat Jakobus het zo benadrukt. Zou hij aan de woorden uit Psalm 133 hebben gedacht toe hij vanaf vers 2 een situatie beschreef hoe het in de synagoge kon toegaan? ‘Ziet, hoe goed en liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’. Zo goed als Gods liefde ten opzichte van ons zichtbaar is geworden door de gave van zijn Zoon, en de liefde van de Heer Jezus in het afleggen van zijn leven op het kruis van Golgotha, behoren ook wij ‘de liefde die in ons harten is uitgestort door de Heilige Geest’ ruimte te geven om zich te openbaren naar onze naaste maar ook in de samenkomsten van de gelovigen, want: ‘Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.’ (Joh.13:35). De naaste liefhebben als uzelf is een onderdeel van de ‘koninklijke wet’, of de ‘wet van de vrijheid’ (1:25; 2:8,12). ‘En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet? Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten’ (Math.22:35-40).

Geloof en werken (2:14-26)                     

'We worden niet behouden door geloof en werken, maar door geloof dat werkt!’

Echt geloof wordt zichtbaar, een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. (Math.5:14). Werkelijk reddend geloof is dus te zien aan onze activiteiten. Het geloof is niet alleen maar iets waarover je praat; het is iets wat je leven aandrijft, zodat je aan anderen denkt en hen dient. We lezen in de gebeurtenis van de genezing van een verlamde, dat Jezus van die daad van die mannen zei, dat hij hun geloof zag! (Luk.5:20).

Drie soorten ‘geloof’

1e. Demonisch geloof (2:19)

2e. Dood geloof (2:17)

3e. Dynamisch geloof (2:21-26)

 (a) Abraham

(b) Rachab

Vers 24 vat het hele probleem samen met de woorden: geloof dat niet leid tot werken is geen reddend geloof. Jammer genoeg stellen we vast dat er heel veel mensen zijn die zich christen noemen meer een ‘dood’ geloof bezitten. Paulus beschrijft deze mensen met de woorden: ‘Zij belijden God te kennen, maar zij verloochenen hen met de werken’ (Tit.1:16). Werkelijke gelovigen zijn ‘ijverig in goede werken’ (Tit.2:14). Vandaar dat Paulus de Korinthiërs de raad geeft om te onderzoeken of ze wel in het geloof waren (2 Kor.13:5).

Het hele onderwerp van geloof en werken wordt samengevat in Efeze 2:8-10: (1) Het werk dat God voor ons doet (redding) –‘Want door genade zijt gij behouden… niet uit werken’;

(2) Het werk dat God in ons verricht (heiliging) – ‘Want zijn maaksel zijn wij’;

(3) Het werk dat God door ons heen doet (dienst) – ‘geschapen om goede werken te doen’.

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

‘Zijn tong in bedwang houden’

Hoofdstuk 3

Inleiding

We kunnen volwassen christenen herkennen in hun houding in tijden van beproeving en verzoeking (hfdst.1) en aan hun gehoorzaamheid aan het Woord van God (hfdst.2). In dit hoofdstuk 3 laat Jakobus ons een ander kenmerk zien van een volwassen gelovige, namelijk dat hij zijn tong onder controle heeft. We lezen en horen iedere dag woorden en vergeten wat een wonderlijk iets dat is! Het is het grote onderscheid tussen mensen en dieren. Toen God ons het gebruik gaf van de spraak, gaf Hij ons een middel zijn om op te bouwen, maar het kan ook een ontzagwekkend wapen zijn om af te breken! 

I. Waarschuwingen (3:1-2)

Vermoedelijk was er strijd in de gemeenten wie er leraar zou zijn, want Jakobus waarschuwt hen: ‘Laat niet zo velen uwer leraars zijn mijn broeders.’ De reden? Diegene die onderwijs geeft zullen strenger worden geoordeeld dan zij die dit niet zijn. Het is een droevig iets als onvolwassen gelovigen leraars proberen te worden voordat ze er bekwaam voor zijn. Ze denken dat ze een ereplaats hebben verkregen, terwijl ze eigenlijk hebben gevraagd voor een strenger oordeel van God.

Jakobus is bereid om te erkennen dat wij allen dikwijls struikelen, speciaal in wat we zeggen. In feite, de persoon die zijn tong onder controle heeft laat zien dat hij zijn hele lichaam kan beheersen. Laten we nog eens hoofdstuk 1:26 lezen en de vele aanhalingen van het gebruik van de tong in het boek Spreuken. Petrus is een goede illustratie van deze waarheid. In de Evangeliën, zien we hem als een onvolwassen gelovige, die vaak de controle over zijn tong verliest en wordt verbeterd en berispt door de Heer Jezus. Maar na Pinksteren werd zijn geestelijke houding bewezen door zijn gecontroleerde toespraak.     

Jakobus gebruikt drie illustraties om het gevaar van te tong te verduidelijken.

II. Illustraties (3:3-12)

(a) Een kracht om te sturen - het bit en het roer (vs.3-4)

De eerste illustratie is het ‘roer’ Het roer is in vergelijking met de grote van een schip een klein maar zeer belangrijke deel van het schip. We denken dat onze woorden vaak onbelangrijk zijn, maar een verkeerd woord kan een luisteraar op de verkeerde weg brengen. Een ijdel woord, een twijfelachtig verhaal, een halve waarheid of een leugen kan de levensloop van iemand zodanig veranderen dat het lijdt tot zijn of haar ondergang. Maar aan de andere kant, een recht woord, gebruikt door de Geest van God, kan een ziel redden van de dood naar het eeuwige leven. Zoals een paard een bestuurder nodig heeft, en het roer een stuurman, zo heeft de tong nodig dat de Heer, of de Geest het bestuurt.

(b) Een kracht om te vernielen - het vuur en het dier (vs.5-8)

De grootte van iets maakt niets uit voor wat betreft de kracht of waarde. De tong is een klein lid van het lichaam, maar het kan grote verwoestingen veroorzaken. Hoe wordt er, door gebruik te maken van de tong gepocht, geroemd of gelogen! Natuurlijk wat de tong zegt komt vanuit het hart (Mat.12:34-35). ‘Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt.’ (vs.5) Elk jaar, gaan duizenden hectares bos verloren door onachtzame kampeerders of moedwillige daders. De tong is een vlam: het kan, door te liegen en roddel of drift, een hele familie of gemeente in vuur zetten. (zie: Spr.16:237) En het ‘roet’ van het vuur kan iedereen vervuilen. Toen de heilige geest met Pinksteren werd uitgestort, kwamen er tongen van vuur die de gelovigen in staat stelden, te getuigen; maar het is ook mogelijk voor de tong ‘dat zij zelf in vlam gezet wordt door de hel’. Jakobus vergelijkt de tong als een krachtig giftig beest dat niet getemd kan worden. Niemand kan de tong temmen; alleen God kan het door de heilige Geest sturen. De tong is rusteloos, onbeheersbaar (dat is: het kan niet beheerst worden). Wat een vergif kan het verspreiden, maar een geestelijke tong is medicijn (Spr.12:18).

(c) Een kracht om te behagen - de bron en de boom (vs.9-12)

Het is niet mogelijk dat een bron tegelijk goed en slecht water voortbrengt, zoet en zout. Ook is het niet mogelijk dat de tong tegelijk zegen en vloek voortbrengt. Hoe vaak ‘zegenen we God’ in ons bidden en zingen, en dan ‘vloeken we mensen’ in onze boosheid en ongeduld! (zie: Spr.18:4) Gelovigen dienen de Heilige Geest de te toegang geven in hun leven zodat het ‘levend water’ van het Woord via hun tong in de wereld komt. Er is iets aan de hand met het hart als de tong niet eenduidig is, zoals een boom geen twee soorten vruchten kan dragen. (zie: Spr.13:2 en 18:20-21) De ‘vrucht van de lippen’ behoren altijd geestelijk te zijn. (Hebr.13:15)

Nadat we deze zes voorbeelden hebben besproken, dienen we ons te realiseren dat we niet kunnen toestaan dat de duivel van onze tong gebruik kan maken. Het verkeerde woord op de verkeerde plaats kan iemand hard breken of van de weg afbrengen. We dienen Psalm 141:1-4 als een voortdurend gebed te bidden!

III. Toepassingen (3:13-18)

Een van de sleutel onderwerpen in boek Jakobus is wijsheid, of praktische leven onder de leiding van het Woord van God. (1:5) Het is teleurstellend als gelovigen tekort hebben aan praktische wijsheid om hun zaken op te lossen, persoonlijk of in de gemeente. Veel te veel mensen hebben de idee dat ‘geestelijk zijn’ niet praktisch betekend – en niets is verder af van de waarheid. Als de Heilige geest ons leidt, gebruikt Hij onze geest, en verwacht Hij dat we de feiten overwegen in het licht van het Woord van God. Jakobus geeft aan dat er twee soorten wijsheid zijn en dat de gelovige dat dient te onderscheiden. De tong van de gelovige kan vervuld worden met wijsheid van boven of de verkeerde, valse wijsheid van beneden.

(a) Verkeerde wijsheid van beneden (vs.14-16)

Als we bitterheid en afgunst in ons hart hebben, dan zal door de tong naar buiten komen. Het doet er niet toe hoe geestelijk ons onderwijs ook mag zijn, want als de tong niet door de Geest wordt beheerst vanuit een liefdevol hart, dan delen we valse wijsheid mee. Tot hun grote schaamte, geloven christenen in deze valse wijsheid en roemen er in. Zij weten dat deze ‘wijsheid’ de Bijbel tegenspreekt, daardoor liegen ze tegen de waarheid van Gods Woord. Valse wijsheid behoort tot de wereld (aards), het vlees (zinnelijk), en de duivel (duivels) – de drie grote vijanden van de gelovige (Ef.2:1-3). Je kunt altijd zien wanneer een gemeente of familie valse wijsheid volgt: je zult er jalousie, verdeeldheid en verwarring vinden. In plaats van in nederigheid afhankelijk te zijn van de Geest en het Woord, kijken ze naar de wereld voor ideeën en naar het vlees voor kracht, en door dit te doen spelen ze de duivel in de kaart.

(b) Ware wijsheid van boven (vs.17-18)

Werkelijke verstandige gelovigen hoeven niet aan te geven dat ze wijs zijn: je zult het opmerken door hun dagelijkse wandel (hun taal en gedrag) en houding (nederigheid). Kennis blaast op (1 Kor.8:1), maar geestelijke wijsheid maakt ons nederig en weerhoudt ons ervan hoogmoedig te worden. Terwijl valse wijsheid zijn oorsprong in de wereld vindt, en de duivel, komt de ware wijsheid ‘van boven’ (zie 1:17). Het komt van God, door de Heilige Geest; het ontstaat niet door de inspanningen van de mens. De ware wijsheid is rein; er komt geen fout voor in het Woord van God. Het is vreedzaam: het brengt vrede en eenheid, geen tweedracht (zie 4:1-10). De menselijke manier om vrede te krijgen gaat ten koste van de reinheid voor de zaak van de eenheid, maar zo werkt God niet. Waar mensen zich onderwerpen aan de waarheid van Gods Woord, zal er altijd vrede zijn. De wijsheid van boven is vriendelijk; vriendelijkheid houdt gedulden voorzichtigheid in. Als het vlees de tong beheerst, komt er stroom van ongecontroleerde woorden los en geen bereidheid om naar anderen te luisteren. “De dwaas laat zijn ganse toorn de vrije loop.” (Spr.29:11) De wijze gebruikt vriendelijkheid en overtuiging met geduld; hij of zij dreigt noch veroordeeld. “Inschikkelijk” (vs.17) suggereert een bereidheid tot het prijs geven van eigen standpunten, of in ieder geval aanspreekbaar te zijn. Wijze mensen zijn vol genade, niet snel om te oordelen of iemand aan te klagen; hun leven in vol van goede vruchten. Er is geen twijfel; hoewel zij bereid zijn tot toegevingen, maar dat gaat nooit ten koste van de waarheid. Tenslotte, ware wijsheid zal niet leiden tot huichelachtigheid; de waarheid heeft gesproken en wordt gesteund door ware motieven.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

‘Zalig de vredestichters’

Hoofdstuk 4

Inleiding

H.G. Wells (een engelse schrijver 1866-1947) heeft eens gezegd: ‘Nu ben ik dan, vijfenzestig jaar, en nog altijd zoekende naar vrede.’ En Dr. Robert Oppenheimer, die hoofdverantwoordelijke was voor de eerste atoombom, verscheen ooit voor het Amerikaanse congres en de congresleden vroegen hem of er een verdedigingswapen was tegen de atoombom. ‘Zeker’, antwoordde de grote natuurkundige. ‘En dat is, vroegen ze?’ Dr. Oppenheimer keek de onthutste en nieuwsgierige toehoorders aan en zei zachtjes: ‘Vrede!’. Er wordt gezegd dat sinds het begin van de registratie van oorlogen er slechts acht procent van de tijd vrede is geweest. Jezus Christus is de Vredeskoning, Hij bad voor vrede en betaalde met zijn leven de prijs voor de vrede. Op het kruis van Golgotha beëindigde Hij de oorlog die er was tussen de mensen en God. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed van zijn kruis. Vrede op aarde! Maar ervaren wij die vrede ook altijd? Als u de Heer Jezus kent als uw Redder heeft u vrede met God (Rom. 5:1), maar kennen we ook de vrede van God die alle verstand te boven gaat (Fil .4:7)?

Drie oorlogen 
A. Oorlog met elkaar (4:1a, 11-12)

‘Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, als broeders ook tezamen wonen.’ (Ps.133). Het is waar dat broeders en zusters met elkaar in liefde zullen omgaan, maar vaak is het omgekeerde waar. Van de eerste gemeente werd gezegd: ‘Zie hoe lief ze elkaar hebben!’ Tegenwoordig zouden de mensen kunnen zeggen: ‘Zie hoe ze met elkaar ruziën!’ De Heer Jezus zegt in Joh. 13:35: ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt.’ (Zie ook: 15:12, 17) Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament vinden we voorbeelden van gelovigen die het met elkaar niet konden vinden, wat veel schade heeft toegebracht. Hoe zou het komen dat het soms zo moeilijk is voor Gods kinderen om goed met elkaar om te gaan? Wat is de reden dat we met elkaar in oorlog zijn? We hebben dezelfde Heer, dezelfde Geest woont in ons, we behoren tot dezelfde familie, en toch zijn we vaak in strijd met elkaar. Hoe komt dat? Jakobus verwijst ons naar drie gevolgen met als algemene oorzaak het vlees! 

B. Oorlog met jezelf (4:1b – 3)

Als er oorlog van binnen is, dan zal er uiteindelijk ook oorlog naar buiten toe zijn. Lot was wel uit Egypte, maar Egypte niet uit Lot! Paulus leert ons in de brief aan de Romeinen: “Want het goede dat ik wil, die ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik.” En gaat hij verder: “Ik zie in mijn leden een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn denken en mij gevangene maakt door de wet van de zonde die in mijn leden is.” (Rom.7:19, 23) “Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar.” (Gal.5:17)

C. Oorlog met God (4:4-12)

Door een vriend van de wereld te worden, betoon je je een vijand van God. Hoe ernstig is dat al we daar over nadenken! De duivel zit niet stil en zal alles in het werk zetten om ons van de Heer af te trekken. Het gaat hier niet over ongelovigen die door hun positie als zondaar principiële vijanden van God zijn, maar over gelovigen die door hun praktijken zich als een vijand van God gedragen. Dit lijkt tegenstrijdig, want een gelovige heeft juist door zijn geloof in Christus vrede met God gesloten, de strijdbijl is begraven, en toch…

‘Er is een hele nieuwe generatie christenen opgestaan die gelooft dat het mogelijk is Christus ‘aan te nemen’ zonder de wereld vaarwel te zeggen.’ (A.W. Tozer)

Drie vijanden

A. De vijand: het vlees (4:1-3)

Wat is het vlees? We kunnen het omschrijven als ‘onze oude ik’, ‘de zonde die in ons woont’ (Gal. 5:16-18; Rom. 7:15-26)

Wat er tegen te doen? De remedie tegen de werking van ons vlees is wat in Galaten 2:20 vermeld staat: ‘Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ (Gal. 5:16-17).‘Het vlees’ betekend de oude natuur dat we hebben overgekregen van Adam, en die is gevoelig voor de zonde. Het vlees is niet het lichaam. Het lichaam is niet zondig; het lichaam is neutraal. De Geest gebruikt het lichaam om daarin God te verheerlijken, of het vlees gebruikt het lichaam om de zonde te dienen. Als een zondaar zich overgeeft aan Christus, ontvangt hij een nieuwe natuur van binnen, maar de oude natuur wordt niet verwijderd noch vernieuwd. Om deze reden is er een innerlijke strijd: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt’ (Gal.5:17). Dat is wat Jakobus bedoeld met ‘uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren’ (Jak.4:1). Leven in het vlees bedroeft de Heilige Geest van God die in ons leeft. ‘Of meent u dat de Schrift tevergeefs spreekt? Begeert de Geest die in ons woont met afgunst?’ (Jak.4:5). Zoals de wereld de vijand van God de Vader is, zo is het vlees de vijand van God de Heilige Geest. Er is een heilige jalousie van een vrouw jegens haar man en andersom, en dat is goed. De Geest in ons waakt met

jalousie over onze relatie met God, en de geest raakt bedroefd als we zondigen tegen Gods liefde. Leven naar onze oude natuur betekend een oorlogsverklaring jegens God, ‘omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God’ (Rom.8:7vv.). Het laten toestaan dat het vlees ons leven beheerst, betekend dat de zegening gepaard gaande met een levende relatie met God teloor gaat. Lot had een vleselijke geest, hij hield geen rekening met God en geraakte in een oorlog. ‘Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede’ (Rom.8:6).

B. De vijand: de wereld (4:4-5)

Lot mag hier als voorbeeld dienen. (1) Hij had zich onbesmet van de wereld moeten bewaren (Jak.1:27) maar (2) hij sloot vriendschap met de wereld (Jak. 4:4), en (3) kreeg de wereld lief (1 Joh. 2:15) waardoor hij (4) gelijkvormig aan de wereld werd (Rom. 12:2) en tenslotte (5) onder het oordeel van de wereld viel (1 Kor. 11:31-32). Met de ‘wereld’ bedoelt Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt. (Ps.2) Hele gehele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Abraham was een vriend van God (Jak.2:23); Lot was een vriend van de wereld. Lot geraakte in een oorlog gevangen, en Abraham redde hem. (Gen.14)

Vriendschap met de wereld is gelijk aan overspel. De gelovige is gehuwd met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijke ‘overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea het gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn kan geen vriend van God zijn.

C. De vijand: de duivel  (4:6-7)

‘Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij kunnen verslinden.’ (1 Petr.5:8)

‘Want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.’ (2 Kor.11:15).

De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, opdat hij niet hoogmoedig wordt (1 Tim.3:6).

God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. Satan is de oorsprong van alle ‘doe-het-zelf’ ervaringen. Hij schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satan’s plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van!

Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er teveel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars. Christelijke werkers worden zo naar voren geschoven dat er weinig plaats blijft voor Gods heerlijkheid. De mens heeft niets in zichzelf waar hij trots op kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2 Tim.1:6,14).

Er zijn dus drie vijanden die ons van God willen wegtrekken: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zijn overgebleven van onze vroeger leven in de zonde (Ef.2:1-3). Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog steeds aan. Hoe kunnen we hen overwinnen? Hoe kunnen we vrienden van God zijn en vijanden van de wereld, het vlees en de duivel?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

 Diverse waarschuwingen

Jakobus 4:11-17

Onderwerping aan Gods wil (4:11-17)

De overgang is nogal abrupt. Gaat het in het voorgaande gedeelte over om God lief te hebben en je aan Hem te onderwerpen in deze verzen gaat het over onze verhouding t.o.v. onze naaste. ‘Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten’ (Mt22:37-39). Daardoor verstaan wij ook Jakobus’ ‘abrupte’ verwijzing naar de Wet in vers 12.

De verzen 1-10 werden afgerond met de woorden: ‘Onderwerpt u aan God’. In de daarop volgende verzen 11-17 ging het over onderwerping aan de Wet of Gods Woord. Als we ons daaraan onderwerpen geven we onze wil op en gaan we ons ook in de dagelijkse gang van zaken zoeken naar de wil van God in onze besluitvorming. Daarover handelen de laatste verzen van hoofdstuk 4.

Geen rekening houden met Gods wil (4:13-14, 16)

Uit hetgeen de personen bedoeld in vers 13 zeiden: ‘Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken’ blijkt duidelijk dat ze  geen rekening hielden met Gods wil. Ze gingen voorbij aan de complexheid van het leven want ze konden niet eens weten wat er de volgende dag kon gebeuren. Ze kozen een stad uit om naar toe te reizen waar ze het meeste profijt mochten verwachten. Ze hielden geen rekening met de kortheid van hun leven want, al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezit (Luk. 12:15; Spr. 27:1). Het leven is als een damp die snel verdwijnt (Job 7:6,9; 8:9; 9:25,26;14:1v.; Ps.90:12). Met de complexheid, onzekerheid, kortheid en broosheid van het menselijk bestaan hielden ze geen rekening. Neen, ze roemden in hun hoogmoed in plaats van te zeggen: ‘Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen (vs.15).

Ongehoorzaam aan Gods wil (4:17)

Het is een ernstige zaak de wil van God te kennen of op zijn minst ervan op de hoogte te kunnen zijn en er niet aan gehoorzamen. Met het oog op het volk Israël zegt God: ‘Heel de dag heb Ik Mijn handen uitgebreid naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk’ (Rom.10:21). Er zijn ook mensen die ‘belijden dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met hun werken, aangezien zij verfoeilijk zijn en ongehoorzaam en tot elk goed werk ongeschikt’ (Tit.1:16). ‘Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?’ (Luk.6:46). De Heer Jezus vergelijkt een ieder die zijn woorden hoort en ze doet, met een verstandig man, en een ieder die zijn woorden hoort en ze niet doet, met een dwaze man’ (Math.7:25-26). Een ernstige vermaning schrijft de apostel Petrus in zijn tweede brief wanneer hij zegt: ‘Het zou immers beter voor hen geweest zijn dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, nadat zij die hebben leren kennen, zich weer afkeren van het heilige gebod dat hun overgeleverd was’ (2 Petr.2:21).

Bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent onderscheiden we twee groepen: hen die God niet kennen, en hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.  Het oordeel is dat zij als straf het eeuwig verderf zullen ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht (2 Thes.1:8-9). In de eindtijd zullen mensen verloren gaan ‘omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden’ (2 Thes.2:10). Psalm spreekt over koningen en machthebbers die zich niet laten gezeggen en samenspannen tegen de Here en zijn Gezalfde. Maar eenmaal komt de tijd ‘dat in de Naam van Jezus zich zal buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn,en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader’ (Fil. 2:10-11). Naar die tijd zie ik naar uit en ik hoop u ook.

Gehoorzaam aan Gods wil (4:15)

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’ (Joh.3:16). Dit is de meest bekende tekst in de hele bijbel. Maar wat betekent ‘geloven’ hier? Het antwoord op die vraag vinden we in hetzelfde hoofdstuk. Volgens vs.36 staat het tegenover ‘ongehoorzaam’ zijn: ‘Wie in de zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem’! In de Zoon geloven houdt dus op z’n minst in: de Zoon gehoorzamen. ‘Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft’ (Joh.14:21). De apostel Paulus wilde heidenen tot gehoorzaamheid brengen door woord en daad’ (Rom.15:18). Veel bijbellezers hebben het moeilijk met de hardheid waarmee God optrad tegen Israëlieten die zondigden. Neem bijvoorbeeld de ‘sabbatschender’ in het boek Numeri die, omdat hij op de sabbat hout sprokkelde, ter dood gebracht moest worden (Num.15:32-39). Wij zouden ons daar wellicht niet zo druk over maken, maar God wel. Zondigen betekent aan Gods wet en wil ongehoorzaam zijn, op die manier is de zonde in de wereld gekomen! Het boek Numeri maakt wel onderscheid tussen opzettelijke zonden (met voorbedachten rade) en onopzettelijke zonden (Num.15:22-31). De sabbatschender behoorde op de hoogte te zijn van Gods wil betreffende de geboden in verband met de sabbat (Ex.20:8-11; 31:12-17) en kon zich niet beroepen op onwetendheid. Hij sprokkelde hout voor het maken van een vuur, maar dat was verboden want er staat geschreven: ‘Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken op de sabbatdag’ (Ex.35:3). Het ‘harde’ handelen van God staat hier niet ter discussie, maar wel de ongehoorzaamheid van de mens. Een kenmerk van een gelovige behoort er een te zijn van gehoorzaamheid aan Gods Woord. ‘Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is’ (Rom.6:17).

De bereidheid om Gods wil te doen als gelovige betekend wel dat je moet weten wat Gods wil is. ‘En hij zei: De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om Zijn wil te kennen en de Rechtvaardige te zien en de stem uit Zijn mond te horen’ (Hand.22:14). Maar Gods wil kennen wil nog niet zeggen dat je die begrijpt. ‘Wees daarom niet onverstandig, maar begrijp wat de wil van de Heere is’ (Ef.5:17). Kennen, begrijpen en dan beproeven. ‘En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is’ (Rom.12:2). Tenslotte dienen we God van harte te dienen. ‘Slaven, wees, evenals aan Christus, gehoorzaam aan uw heer naar het vlees, met vrees en beven, oprecht van hart, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus; doe zo van harte de wil van God (Ef.6:5-6).

Als u weet goed te doen

Paulus schrijft aan de gelovigen in Rome: ‘En alles wat niet uit geloof is, is zonde’ (Rom.14:23). We zijn geneigd te denken dat wanneer iets niet goed is, zonde is. Maar hier in de brief van Jakobus vinden we een andere visie over zonde en zondigen, namelijk dat wanneer je weet iets goed te doen, en het niet doet, het je tot zonde aangerekend zal worden (Jak.4:17). Twee voorbeelden uit het Oude-Testament mogen dit verduidelijken. Het eerste voorbeeld vinden we in 1 Samuël in zijn afscheidsrede tot het volk Israël en beloofd dat hij voor hen zou bidden. ‘En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden’ (1 Sam. 12:23).

Het tweede voorbeeld vinden we in 2 Koningen waar in een belegerde stad grote hongersnood heerstte en twee melaatsen die buiten de poort leefden ontdekten dat de vijand was vertrokken en drinken, voedsel en andere zaken vonden die deze hadden achter gelaten. Zij deden zich tegoed maar kwamen toch tot de overtuiging de mensen in de stad hierover in te lichten. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wij doen hier niet goed aan. Deze dag is een dag met een goede boodschap en wij zwijgen erover. Als wij wachten tot het morgenlicht, staan wij schuldig’. Met die boodschap gingen zij naar de stad waardoor zij vele inwoners het leven redden. (2 Kon.7).

Het is zonde te liegen, maar zonde kan ook zijn de waarheid kennen en ze niet vertellen. In het boek Ezechiël word dit treffend geïllustreerd in de verantwoordelijkheid van de wachter die op de hoogte is van het naderend onheil. ‘Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten, en zeg tegen hen: Wanneer Ik een zwaard over een land breng, en de bevolking van dat land neemt een man ergens uit hun omgeving en stelt die voor zichzelf tot wachter aan, en die ziet het zwaard over het land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk, als dan hij die het geluid van de bazuin hoort, die wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg, dan zal zijn bloed op zijn eigen hoofd rusten. Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord en zich niet laten waarschuwen. Zijn bloed zal op hem rusten. Hij echter, die zich laat waarschuwen, redt zijn leven. Als de wachter echter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt, en het zwaard komt en neemt een leven onder hen weg, dan is dat leven wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed eis Ik van de hand van de wachter’ (Ez.33:1-8). Kwaad spreken over iemand is zonde, maar iemand niet helpen die jou nodig heeft is ook zonde.

In de gelijkenis van de trouwe en de ontrouwe rentmeester vinden we eenzelfde gedachte in de persoon van de slaaf die de wil van zijn heer gekend heeft en geen voorbereidingen getroffen heeft en ook niet naar zijn wil gehandeld heeft, zal met veel slagen geslagen worden (Luk.12:47).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

‘Een gelovige in moeilijke tijden’

Hoofdstuk 5

Inleiding

In dit laatste hoofdstuk van de brief van Jakobus vinden we verschillende onderwerpen, maar de hoofdgedachte is toch wel de wederkomst van Jezus Christus (vs.7-9). Als een gelovige werkelijke uitziet en verlangt naar de wederkomst van Christus zal dat in zijn leven zichtbaar worden. Een vergelijking met Openbaring 22:11 dringt zich op. Welke dingen wil God, in deze laatste dagen vóór de komst van de Heer, in ons leven?

Prioriteiten  (5:1-6)

Hier worden de rijken aangesproken.Alleen leven om jezelf te verrijken is jezelf beroven van de ware rijkdom (1 Tim.6:6-10, 17-19). Er komt slechts ellende van (Mat.19:34). God weet wat u nodig hebt en Hij zal erin voorzien als u Mattheus 6:33 in praktijk brengt: ‘Zoekt echter eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.’ In Lukas 16:12-31 lezen we een geschiedenis van de zonden van een rijke man en het geduld van een arme Lazarus (zie ook Lukas 12:13-21). Het voorbeeld hoe om te gaan met rijkdom is de Heer Jezus die Zelf gezegd heeft: ‘Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen’ (Hand.20:35), Hij heeft Zichzelf gegeven, ‘want u kent de genade van Onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door zijn armoede rijk zou worden’ (2 Kor.8:9).

De zonden van de rijken:

(a) ‘oppotten’ van rijkdom (1-3)

(b) bestelen van de arbeiders (vs.4) ‘Het loon roept, en de werkers ook!’

(c) extravagant leven (vs.5)

(d) doen van onrechtbaardige daden (vs.6)

Geduld (5:7-12)

Als u het goede zaad hebt gezaaid, zult u uiteindelijk een rijke oogst aan zegeningen binnenhalen, dus heb geduld. Als anderen u uitbuiten, heb dan geduld: de Rechter staat voor de deur. Als u door beproevingen gaat, heb dan ook geduld: God zit nog steeds op de troon. ‘Maar laten wij niet moedeloos worden in goeddoen, want te gelegener tijd zullen zij oogsten, als wij niet verslappen’ (Gal.6:9).

Vier illustraties:

(a) de landman (vs.7-8)

(b) de Rechter (vs.9) ‘Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?’ (Gen.18:25). ‘Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt u en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonden?’ (Op.6:10 zie ook Ps.13).

(c) de profeten (vs.10-11) Welke kwaliteiten heb ik nodig voor zending in China, vroeg een beginnende zendeling aan Hudson Taylor. Zijn antwoord was: ‘geduld, geduld en geduld!’

De tong (5:12)

Het gaat er in dit vers niet om dat je niet zou mogen zweren, maar dat je niet mag zweren ter bekrachtiging van wat je al beaamt hebt heb. Laat uw ja, ja en uw nee, nee zijn. ‘Wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken. Geef uw mond geen gelegenheid om u te doen zondigen’’ (Pr.5:1-6; Psalm 141:3).

Gebed (5:13-18)

Allerlei soorten gebed worden hier opgenoemd: gebed voor een zieke, gebed om vergeving, gebed voor het volk, zelfs gebed voor het weer. Gebed kan voorzien in elke behoefte en elk probleem oplossen.

(a) gebed en beproevingen (5:13) – bidden om wijsheid (1:5)

(b) gebed en ziekte (5:14) bidden om genezing

(c) gebed en zonde (5:15-16) bidden om vergeving

(d) gebed een voorbeeld (5:17-18)

‘Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt,maar dat Gods wil op aarde geschiedt!’

‘God kan elke ziekte genezen behalve de laatste’

Verhaal: De leden van een kerk zeiden tegen een café-eigenaar dat zij baden om het terrein te kopen waarop zijn café stond om daar een grote kerk te bouwen. Lachend zeiden zij ‘we hopen en bidden dat de bliksem er een keer zal inslaan!’ Enkele weken daarop gebeurde dat inderdaad tijdens een grote storm die over de stad kwam. De café-eigenaar spande daarop een proces aan en zei tegen de rechter: ‘dat de kerkleden enkele weken geleden tegen hem gezegd hadden dat ze er voor zouden bidden dat zijn café zou afbranden.’ De kerk huurde een advocaat om zich te verdedigen en zeiden dat ze niet verantwoordelijk waren voor het gebeurde. De rechter vond het nogal verwarrend, maar hij was van een ding overtuigd: de café-eigenaar geloofde in het gebed, de kerkleden niet!

Zorg (5:19-20)

Opnieuw benadrukt Jakobus het belang van de persoonlijke zorg voor anderen (1:27; 2:1-4, 14-16). Bent u in staat te merken wanneer een medegelovige afdwaalt? Trekt u zich dat echt aan? Zult u dan proberen te helpen? Of wacht u er (te) lang mee?

(a) een broeder terugbrengen – pastoraat (Gal.6:1)

(b) een zondaar terugbrengen – evangelisatie

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Een mogelijke verklaring van het gebruik van het zalven van zieken en bidden voor de zieken.

(Jakobus 5:14-16)

‘Lijdt iemand onder u? Laat hij bidden. Is iemand welgemoed? Laat hij lofzingen. Is iemand onder u ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen en laten zij over hem bidden en hem zalven met olie in de naam van de Heer. En het gebed van het geloof zal de zieke behouden en de Heer zal hem oprichten; en als hij zonden gedaan heeft, zal het hem vergeven worden. Belijdt dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond mag worden’ (Vertaling Telos/Voorhoeve).

De laatste jaren wordt er steeds meer het ‘zalven met olie van gelovigen’ gepraktiseerd. Ik heb gehoord dat er zelfs voorgangers zijn die een flesje olie op zak hebben, in geval van… Het geeft de indruk dat het een ‘tovermiddel’ is, dat te pas en te onpas gebruikt wordt. Ik denk niet dat Jakobus ons een ‘blanco formule’ gegeven heeft om zieken te genezen. Uit mijn eigen ervaring is het toch zo geweest dat sommigen genezen werden en anderen ziek bleven of zelfs stierven. Er is namelijk ook: ‘zonde tot de dood’ waarvoor we niet hoeven te bidden (1 Joh.5:16; 1 Kor.11:30). Bidden, heeft iemand eens gezegd, is niet dat de wil van de gelovige in de hemel geschied, maar dat Gods wil op aarde geschied!

Ik ben van mening dat het hier in Jakobus 5 gaat om een lid van de gemeente die gezondigd heeft en onder tucht van de gemeente is geplaatst. Ik plaats dit gedeelte dan ook in die context, maar wil ook nog opmerken dat het boek Jakobus de gelovigen ziet als nog verbonden aan de Joodse wet en gebruiken. Laten we dit gedeelte wat nader bezien.

De persoon is ziek vanwege zonden (vss. 14-16).

De Griekse tekst luidt: ‘Als hij door blijft gaan met zondigen.’ Dit sluit aan bij 1 Korinthe 11:30 - ‘Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.’ Jakobus beschrijft een lid van de gemeente die ziek is en onder de tucht van God staat. Dat verklaart waarom de oudsten van de gemeente erbij geroepen worden: deze mens kan niet naar de gemeente komen om zijn zonde te belijden, en vraagt daarom om de komst van de leiders van de gemeente. De oudsten hebben de taak om toe te zien op de tucht van de gemeente (vgl. Math. 16:19; 18:15-20).

De betreffende persoon belijdt zijn zonden (vs. 16).

In de eerste gemeenten werd tucht in de gemeente uitgeoefend. 1 Korinthe 5 is daarvan een goed voorbeeld. Paulus deelde de gelovigen in de gemeente mee de zondaar uit hun midden weg te doen totdat hij/zij zich bekeerde van zijn/haar zonden. Het kleine woordje ‘daarom’ in vers 16 in enkele vertalingen verduidelijkt dit: ‘Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt (5:16). Sommige vertalingen spreken van ‘misdaden’ en niet van ‘zonden. Het Griekse woord ‘hamartia’ staat wel degelijk voor zonden. Hetzelfde woord wordt in Jakobus 1:15 gebruikt.

De betreffende persoon wordt genezen door het gebed van geloof (vs. 15).

Het is niet de zalving die geneest, maar God, middels het gebed. Het Griekse woord wat met zalving vertaald wordt, is een medische term; het zou ook vertaald kunnen worden met ‘massage’. Dit geeft misschien aan dat Jakobus een geneeskrachtige werking verondersteld die gepaard dient te gaan met gebed om genezing door God te verkrijgen. God kan genezen met of zonder oorzaak; in elk geval, het is God die geneest.

Maar wat is ‘het gebed van het geloof’ dat de zieke geneest? Het antwoord vinden we in 1 Johannes 5:14-15 ‘En dit is de vrijmoedigheid die wij jegens Hem hebben, dat als wij iets bidden naar zijn wil, Hij ons hoort. En als wij weten dat Hij ons hoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij de beden hebben die wij van Hem hebben gebeden.’ Het ‘gebed van het geloof’ is een gebed dat gedaan wordt als we de wil van de Heer kennen.’ De oudsten zoeken naar de wil van God in een zaak, en bidden in overstemming daarmee.

Bij zieken is het niet altijd duidelijk hoe we moeten bidden. Paulus had dat probleem ook; lees Rom. 8:26. Is het Gods wil om te genezen of is het Gods bedoeling zijn kind thuis te halen? Ik weet het niet; daarom dien ik te bidden, ‘als het uw wil is, genees uw kind.’ Hen die beweren dat God elke ziekte geneest, en dat het Gods bedoeling is dat er geen zieken kunnen zijn, ontkennen de Schrift en de praktijk. Dat wil niet zeggen dat God er onverschillig onder blijft, maar, zoals Jesaja 63:9 zegt: ‘In al hun benauwdheden was ook Hij benauwd.’ Maar als we de innerlijke overtuiging hebben door het Woord en de Geest dat het Gods wil is te genezen, dan kunnen we het ‘gebed van het geloof’ bidden en mogen we verwachten dat God zal genezen.

Let er op dat het niet de individuele persoon is die bidt – het zijn de oudsten van de gemeente – geestelijke mensen – die Gods wil zoeken en bidden. Jakobus leert ons niet om te bidden voor een genezer. De zaak ligt in de handen van de oudsten van de plaatselijke gemeente.

We vinden een aantal praktische lessen die we niet over het hoofd moeten zien. Ten eerste, ongehoorzaamheid aan God kan leiden tot ziekte. Dat was de ervaring die David had toen hij probeerde zijn zonde te verbergen (Ps.32). Ten tweede, zonde kan de hele gemeente verontreinigen. We zondigen nooit alleen, want zonde heeft in zich te groeien en te verontreinigen. Deze persoon moest zijn zonde aan de gemeente belijden omdat hij tegen de gemeente gezondigd had. Ten derde, er is genezing (fysiek en geestelijk) als met de zonde is afgerekend. ‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt, en nalaat, vindt ontferming’ (Spr. 28:13). Jakobus schreef: ‘Maak er een gebruik van de zonden aan elkaar te belijden’ (letterlijke vertaling). Verberg je zonden niet voor elkaar en stel belijdenis niet uit.

De ‘belijdenis’ waarover Jakobus schrijft werd in het midden van de gelovigen gedaan. Hij suggereert niet dat we onze zonden dienen te belijden aan een priester of voorganger. We belijden onze zonden ten eerste aan de Heer (1 Joh.1:9), maar we dienen ze ook te belijden aan hen die er ook door ‘geraakt’ zijn. Persoonlijke zonde dient persoonlijk beleden te worden. Publieke zonden dienen publiek beleden te worden.

Laat het ons duidelijk zijn dat we altijd met en vóór elkaar kunnen bidden als er noden zijn. Wil men toch de zalving in de praktijk brengen dan blijft de vraag op welke wijze dat dient te gebeuren, de Bijbel geeft ons daarover geen uitsluitsel.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX