Handelingen

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Inleiding op het boek Handelingen

Handelingen 2 - Kracht van Boven!

Handelingen 6-7 - Stéfanus de eerste martelaar

Handelingen 13 - Paulus' rede voor de joden

Handelingen 15 - De vervallen hut van David

Handelingen 17 - Paulus' rede voor de heidenen

Handelingen 20 - Paulus' rede voor de Gemeente

Handelingen 21 - Moge de wil van de Heer gebeuren

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

Inleiding op het boek Handelingen 

 

 

Inleiding

Het is al vaker gezegd: ‘het boek Handelingen is een overgangsboek’. Handelingen vormt de overgang van (1) het evangelie naar de brieven; (2) van het Jodendom naar het christendom; (3) van de Wet naar de Genade; (4) van de Joden naar de heidenen en (5) van het Koninkrijk naar de Gemeente. We zien in dit boek de geleidelijke terzijdestelling van Israël en de uitbreiding van de verkondiging van het evangelie van de genade naar de volkeren. Het boek begint in Jeruzalem en eindigt in Rome. Handelingen 1–7 beschrijft de prediking van de boodschap van het koninkrijk voor de Joden. Drie moorden symboliseren de verwerping van Gods aanbod aan Israël. Door Johannes de Doper te doden verwierp de Joden God de Vader. Daarna kwam de Heer Jezus die ze eveneens verwierpen en doden en daarmee verwierpen ze God de Zoon. Toen Stéfanus werd gedood was dat de verwerping van God de Heilige Geest. De dood van Stéfanus sluit het aanbod van God aan de Joden af (vgl. Mat.21:33-46; Heb.1:1). Hoofdstuk 8-10 vormen een overgang. In hoofdstuk 8, gaat het evangelie van de Joden naar de Samaritanen. In hoofdstuk 9 wordt Saulus gered en verder voorbereid op zijn toekomstige dienst voor de Gemeente. Vanaf hoofdstuk 10 gaat het evangelie naar de volkeren, en Petrus verdedigd deze nieuwe start in hoofdstuk 11. In hoofdstuk 12 zien we Petrus voor de laatste keer als de leider onder de gelovigen. In hoofdstuk 13, neemt Paulus de leiding over tot aan het einde van het boek.

Schrijver

Lukas, de geliefde geneesheer, is de schrijver van het boek Handelingen. Op grond van handschriften en woordgebruik wordt aangenomen dat Lukas de schrijver van Handelingen is en ook op grond van de beginverzen van ‘zijn’ evangelie. In de oudheid is hij door de meeste kerkvaders genoemd als de schrijver, daarover is nooit twijfel geweest. Hij wordt in het NT vermeld in Kol.4:14; 2Tim.4:10 en Fm.:24. Het ‘eerste boek’ (Hand.1:1) is het evangelie naar Lukas (zie Luk.1:1-4). Lukas was een arts (Kol.4:14) die deel uitmaakte van Paulus’ reisgezelschap (Hand.16:8-10); let op de verandering van ‘zij’ in ‘wij’ en reisde met de zendeling mee naar Filippi. Vermoedelijk bleef hij daar en vergezelde Paulus niet meer totdat hij terugkwam tijdens zijn derde reis (Hand.20:6). Het wordt algemeen aangenomen dat Lukas een niet-jood was.

Thema

Het is heel belangrijk dat we het hoofdthema van het boek Handelingen goed begrijpen, en daarvoor is het verwerven van een totaaloverzicht een vereiste.

In dit boek zien we de boodschap van het Koninkrijk en de geleidelijke terzijdestelling van het volk Israël; we worden getuige van de uitbreiding van de Gemeente en de boodschap van de genade van God. In de hoofdstukken 1-7, bevinden we ons duidelijk op Joodse bodem. Als we in het oog houden dat Handelingen een voortzetting is van het Evangelie naar Lukas en terugdenken aan Lukas 24:46vv, dan zien we waarom de discipelen in Jeruzalem begonnen: Christus had hun het bevel gegeven om daar te blijven totdat de Heilige Geest zou komen. Hun dienst zou beginnen in Jeruzalem ‘eerst de Jood’ (Rom.1:16). Zelfs als we even vooruitkijken in Handelingen 8:1, dan zien we dat de apostelen in Jeruzalem bleven terwijl de andere gelovigen vluchtten. Ze waren niet ongehoorzaam aan de Heer, maar volgden de bevelen op die Hij hun had gegeven.

Hieronder volgen een aantal Schriftplaatsen vermeld in Handelingen 1-7, die duidelijk maken dat de toenmalige dienst van de apostelen gericht was naar het Joodse volk en dat de boodschap het evangelie van het koninkrijk betrof:

(1)  De discipelen verwachten de oprichting van het Koninkrijk (1:6), en Christus bestrafte hun vraag niet. Hij had hun immers beloofd dat ze zouden zitten op twaalf tronen (Mat.19:28)?

(2)  Het was nodig dat ze een twaalfde apostel verkozen (1:22) als vervanger van Judas, zodat Christus’ belofte (zie pt.1) in vervulling zou kunnen gaan. Paulus kon die nieuwe apostel niet zijn, omdat zijn dienst hoofdzakelijk gericht was naar de heiden volkeren, en omdat hij niet voldeed aan de genoemde voorwaarden (1:21). Paulus’ dienst had te maken met het ene Lichaam de Gemeente.

(3)  Petrus sprak tot de mannen van Juda, Jeruzalem en Israël in zijn boodschap op Pinksteren (2:14, 22). Hij richtte zich in zijn boodschap niet aan de heidenen. Het was in de eerste plaats een Joodse boodschap aan een Joodse vergadering op een Joodse religieuze dag.

(4)  De profetie van Joël (2:16vv) staat hoofdzakelijk in verband met Israël, niet met de Gemeente.

(5)  Petrus schildert het kruis als een misdadig gebruik, niet als een middel vaN Gods genade voor de zonde (2:22-23). Vergelijk dit met Paulus’ boodschap in 2Korinthe 5.

(6)  Petrus’ onderwerp op die Pinksterdag is de opstanding. Christus had het joods volk een teken belooft – het teken van de profeet Jona – wat de dood, begrafenis en opstanding betekende (Mat.12:38vv). Over dit teken sprak Petrus. God gaf het volk Israël een nieuwe kans om de Messias te accepteren om gered te worden.

(7) De apostelen en de eerste bekeerlingen aanbaden in de tempel (2:46vv) en onderhielden deze dienst van de tempel totdat ze er werden uitgezet.

(8) Petrus verkondigde dat de dagen van zegen die ze hadden ervaren, voorzegd waren door de oudtestamentische profeten (3:21,24). De Gemeente was een geheimenis verborgen bij God en werd niet eerder ten volle bekend gemaakt dan door de dienst van de apostel Paulus (Ef.3). De profeten spraken over een joods koninkrijk, niet over de Gemeente. Dit te verwarren schept problemen.

(9) Jeruzalem was het centrum van de zegen; iedereen kwam er (5:16). Het was zeker koninkrijks grond; zie Jes.66:5vv.

(10) Petrus vertelde de Raad duidelijk dat de boodschap gericht was op de bekering van het volk Israël (5:31).

(11) In hoofdstuk 7 geeft Stefanus een overzicht van de geschiedenis van het volk en laat zien hoe het volk de jaren door het aanbod van God had afgewezen.

Het mag duidelijk zijn dat de eerste zeven hoofdstukken zich bijna uitsluitend richten tot het volk Israël, niet tot de Gemeente. De hoofdstukken 8-12 vormen een overgangsperiode. In hoofdstuk 8, gaat het Evangelie van de Joden naar de Samaritanen. In hoofdstuk 9 wordt de apostel Paulus op een wonderlijke manier gered, en bereid God de apostel voor op zijn bediening voor de Gemeente. In hoofdstuk 10 gaat het Evangelie naar de volkeren, en Petrus verdedigd deze nieuwe wending in hoofdstuk 11. In hoofdstuk 12 zien we Petrus voor de laatste keer als leider te midden van de gelovigen. In hoofdstuk 13 neemt de apostel Paulus de leiding tot aan het eind van het boek.

De Kerk in Handelingen.

De eerste zeven hoofdstukken beschrijven de boodschap gericht aan het joodse volk. De vraag waar we in deze hoofdstukken de Gemeente, het Lichaam van Christus, plaatsen kan als volgt beantwoordt worden. De Gemeente begon in Handelingen 2 met de uitstorting van de Heilige Geest maar werd niet eerder geopenbaard dan door de prediking en de geschriften van de apostel Paulus. De Heer Jezus had gezegd dat Hij zijn Gemeente zou bouwen (Mat.16:18); en gaf Hij Petrus ‘de sleutels van het koninkrijk der hemelen.’ (Mat.16:19) Petrus gebruikte deze ‘sleutels’ door de deur voor het geloof te openen voor de Joden op Pinksteren (Hand.2), voor de Samaritanen (Hand.8), en voor de volkeren (Hand.10). Met andere woorden, er is een overgang op te merken in deze eerste zeven hoofdstukken van Handelingen, door het verdwijnen van Israël en het koninkrijk van het podium, en het opkomen van de Gemeente en het Evangelie van Gods genade. De Heer Jezus beloofde de apostelen de doop van de Heilige Geest (Hand.1:5), en dit gebeurde op Pinksteren (Hd2; 1Kor.12:13) en in het huis van Cornelius (Hand.10:45; 11:15-17). Deze twee gebeurtenissen sluiten Joden en heidenen in, en zo kwam het Lichaam van Christus tot stand. De apostelen hadden geen voorkennis wanneer en of Israël het koninkrijk zou ontvangen (Hand.1:6-7), maar de Heer wist het. De Gemeente kwam dus definitief in de plaats van Israël door de afwijzing van Gods heil (Rom.9-10).

Het is gemakkelijk te ontdekken in het boek Handelingen wanneer de Gemeente de plaats inneemt van Israël. In het laatste hoofdstuk (28:17vv.) kondigt Paulus Gods oordeel aan over het volk. Zoals Romeinen 9-11 duidelijk maakt, heeft God Israël (tijdelijk) terzijde gesteld opdat ‘de volheid van de heidenen’ zou kunnen worden gerealiseerd door de dienst van de Gemeente. (Rom.11:25)

De nadruk op het koninkrijk in de eerste zeven hoofdstukken van Handelingen moet voor ons duidelijk zijn, anders kunnen bepaalde praktijken toegepast worden op de Gemeente terwijl het daar eigenlijk niet thuis hoort. Bijvoorbeeld, sommige goedbedoelde christenen willen terug naar Pinksteren als hun geestelijk ideaal; maar in het licht van de voorgaande analyse - Pinksteren een Joods feest - houdt dit in dat het een teken is voor de Joden die geen relevantie heeft voor de Gemeente vandaag.

Het ‘christelijke communistische’ idee van Hand.4:31vv. is niet voor ons vandaag. Het was een tijdelijk bewijs van het werk van Gods Geest, een beeld van het koninkrijk dat zou gaan komen.

Natuurlijk zijn de geestelijke principes van toepassing op de gelovigen van alle tijden, maar we dienen er voor op te passen de waarheden van het koninkrijk voor Israël van het Oude testament niet te verwarren of vermengen met de waarheden van de Gemeente en het evangelie van de genade van God in het Nieuwe Testament (Hand.20:24).

De Heilige Geest in Handelingen.

Dit boek zou je ‘De Handelingen van de Heilige Geest’ kunnen noemen. Het is belangrijk de voortgang van de ervaringen van de gelovigen op te merken als het boek overgaat van Jodendom naar de Gemeente.

Handelingen 2:38 – Petrus roept de Joden op zich te bekeren, geloven en te dopen om de Heilige Geest te ontvangen.

Handelingen 8:14-15 – Petrus bidt voor de Samaritanen om de Geest te ontvangen, legt hun de handen op, en zij ontvangen de gave van de Heilige Geest.

Handelingen 10:44 – De Heilige Geest komt over de volkeren wanneer zij geloven, en Petrus staat in verbazing! Handelingen 10:44 is Gods model voor vandaag: hoor het Woord, ontvang de Geest, en wordt gedoopt als bewijs van je geloof.

De doop in Handelingen.

Toen Petrus het koninkrijk aan de Joden aanbood, was de doop essentieel voor het ontvangen van de Heilige Geest (Hand.2:38). Door zich te laten dopen in de naam van de verworpen Messias, identificeerden zij zich met Hem en scheidden zich daardoor af van de andere Joden die door Petrus ‘dit verkeerde geslacht’ worden genoemd (Hand.2:40). Maar de doop bij de Samaritanen hield niet automatisch het ontvangen van de Geest in. (Hand.8:12-17). Ze moesten beroep doen op Petrus en Johannes, twee joden, die baden voor deze nieuwe gelovigen en hun de handen oplegden, waarna zij de Heilige Geest ontvingen. Dit was de tweede keer dat Petrus de ‘sleutels van het koninkrijk’ gebruikte. Maar het patroon voor deze tijd wordt gevonden in Handelingen 10:44-48 – deze gelovigen werden gedoopt nadat zij de gave van de Heilige Geest al hadden ontvangen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

 

 

 

‘Kracht van boven!’

 

 

 

 

 

Wachten op de komst van de heilige Geest

 

Handelingen 2:1-13

 

 

Voorwoord

 

Voor een goed verstaan van de uitleg van de onderwerpen: doop van de heilige Geest en het spreken in talen is het raadzaam om onderstaande artikelen als een eenheid te lezen.

 

De doop met de heilige Geest – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

 

Is zuchten tongentaal? – Rubriek: Vraag & Antwoord

 

Profetie en Talen – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

 

Kracht van Boven! - Rubriek: Nieuwe Testament – Handelingen

 

Inleiding

De heilige Geest kwam niet omdat de gelovigen erom baden, maar omdat de Pinksterdag was aangebroken, de dag die was voorbestemd om de ‘geboortedag van de Gemeente’ te worden (Lev.23:15-21). De Geest doopte de gelovigen tot één lichaam (1Kor.12:13), zodat ze een levende verbinding hadden met hun verhoogde Hoofd in de hemel. Lukas beschrijft de geboorte van het fysieke lichaam van de Heer in ‘zijn’ Evangelie, en in Handelingen 2 die van zijn geestelijk lichaam, de Gemeente. Ook vervulde de heilige Geest de gelovigen en gaf hun kracht om te getuigen. Hij gaf Petrus inzicht in het Woord en het vermogen om aan de mensen Christus in het Woord te tonen. De heilige Geest gebruikte het getuigenis van de Gemeente om de zondaar te overtuigen, precies zoals de Heer Jezus het had gezegd (Joh.16:7-10). Maar diezelfde heilige Geest hielp de gelovigen ook bij hun gemeentelijke omgang met elkaar (vs.40-47). De oorspronkelijke groep werd in aantal overtroffen door de nieuwe gelovigen uit de volken, maar nog steeds was er eensgezindheid in de Gemeente. Ze hadden dagelijkse erediensten en getuigden dagelijks van hun geloof, en ‘de Heer voegde dagelijks bijeen die behouden werden’ (vs.47). Het pinksterfeest had plaats 50 dagen na het feest van de eerstelingen. Het woord ‘pentecost’ betekent vijftig. Dit feest wordt beschreven in Leviticus 23:15-21. Zoals het paasfeest een beeld is van de dood van Christus (1 Kor.5:7), en het feest van de eerstelingen een beeld is van de opstanding van Christus (1 Kor.15:20-23), zo beeldt Pinksteren de komst van de heilige Geest uit (1 Kor.12:13). De twee beweegbroden zijn een beeld van de Gemeente, samengesteld uit Joden en heidenen. In 1 Kor.10:17 wordt de Gemeente voorgesteld als een brood. Het zuurdeeg in het brood spreekt van zonde in de Gemeente. Er zijn in Handelingen twee gebeurtenissen in verband met de doop met de Heilige Geest: de doop van de gelovigen uit de joden in Hand.2 en die van de gelovige heidenen in Hand.10. De twee broden die op het Pinksterfeest werden gepresenteerd (Lev.23:17) zijn een voorafschaduwing van deze gebeurtenissen.

Pinksteren betekent ‘vijftig’, omdat dit feest vijftig dagen na het feest van de eerstelingen gehouden werd (Lev.23:15-22). De joodse feesten zoals die in het boek Leviticus beschreven worden, verwijzen naar het werk van Christus. Het Pascha is een beeld van zijn dood als het Lam van God (Joh1:29; 1Kor.5:7), en het feest van de eerstelingen is een beeld van zijn opstanding uit de doden (1Kor.15:20-23). Vijftig dagen na het feest van de eerstelingen is het pinksterfeest, dat de vorming van de Gemeente voorstelt. Tijdens het pinksterfeest vierden de joden het ontvangen van de Wet, maar voor christenen, die de Gemeente gingen vormen, is toen de Heilige Geest gekomen. 

Het feest van de eerstelingen vond plaats een dag na de sabbat die volgde op het Pascha, wat betekent dat het altijd op de eerste dag van de week plaatsvond. (De Sabbat is de zevende dag). De Heer Jezus stond op uit de doden op de eerste dag van de week als ‘eersteling van hen die ontslapen zijn’ (1Kor.15:20). Omdat het pinksterfeest vijftig dagen later was – zeven weken plus één dag – vond het dan ook plaats op de eerste dag van de week. Christenen komen ook samen op de eerste dag van de week, omdat dat de dag was waarop de Heer Jezus uit de doden opstond, maar het was ook de dag waarop de Heilige Geest aan de Gemeente gegeven werd. 

Op het feest van de eerstelingen, bewogen de priesters een garve voor het aangezicht van de Here, maar op Pinksteren twee beweegbroden. Waarom? Omdat met Pinksteren de gelovigen in de Heilige Geest gedoopt werden en de Geest hen – gelovige Jood en heiden – verenigde in één lichaam, de Gemeente. De joodse gelovigen ontvingen deze doop op Pinksteren (Hand.2) en de heidenen in het huis van Cornelius (Hand.10). Dit verklaart de aanwezigheid van de twee broden (zie 1Kor.10:17). Het feit dat er ook nog zuurdeeg in het brood aanwezig was, duidt op de aanwezigheid van zonde in de Gemeente op aarde. De Gemeente zal pas volmaakt zijn als ze wordt opgenomen in de hemel. 

We moeten niet denken dat het gevolg van de tiendaagse gebedsontmoeting (Hand.1:8, 14) tot gevolg had dat de heilige Geest kwam, of dat wij op dezelfde manier moeten bidden om nog een keer een ‘pinksterervaring’ te beleven. Nee, het was het wachten op de belofte van de Vader (Hand.1:4, 2:33; Luk.24:49). Zoals het sterven van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha een eenmalige gebeurtenis was, geldt dat ook voor de uitstorting van de heilige Geest. Dit was ook een eenmalige gebeurtenis die niet herhaald zou worden. De Gemeente zou wel herhaalde ‘vervullingen’ met de Geest ervaren, en gebed is zeker nodig voor geestelijke kracht, maar we moeten niet vragen naar een nieuw pinkstergebeuren, net zomin als we moeten vragen om een nieuw ‘Golgotha’. 

De Gemeente verheerlijkt God (Hand.2:2-13) 

Wanneer we de gebeurtenissen van Pinksteren overdenken, zien we dat de Geest kwam en dat de mensen een geluid van een geweldige, voortgedreven wind hoorden en dat ze tongen als van vuur zagen. De Geest doopte en vervulde de gelovigen, die spraken in verschillende talen. De gelovigen prezen God ‘in andere talen’, dat wil zeggen bekende talen die door de aanwezigen werden verstaan (Hand.2:6-11). De discipelen prezen God in talen (vs.11), maar predikten het evangelie in het Aramees, een taal die de Joden konden verstaan. Gedurende de tijd dat de bediening overging van de Joden naar de heidenen, speelde, telkens als Petrus de ‘sleutels’ gebruikte, de gave van de talen een rol: onder de Joden (2:1-4), de Samaritanen (8:14vv.) en de heidenen (10:44-48).  De Geest verleende Petrus te prediken, en hij overtuigde de luisteraars op zulk een manier dat er drieduizend tot geloof in de Heer Jezus kwamen en behouden werden. 

(zie ook mijn artikelen: ‘De doop met de heilige Geest’ en ‘Het spreken in tongen en/of talen’ in de Rubriek: Bijbelse Onderwerpen)  

De Heilige Geest komt (vs. 2-3) 

Vóór Pinksteren was de heilige Geest ook actief, want Hij was aanwezig bij de schepping (Gen.1:1-2), in de geschiedenis van het Oude Testament (Richt.6:34; 1Sam.16:13) en in het leven en de dienst van de Heer Jezus (Luk.1:10-37; 4:1; Hand.10:38), en er zijn nog andere plaatsen te noemen, zoals 2Samuël 23:2; Hand.1:16. 

Maar er zijn twee belangrijke verschillen op te merken: de heilige Geest zou in de gelovige en de Gemeente komen wonen en niet slechts op of over hen komen (1Kor.3:19, 6:19), en de komst zou blijvend zijn en niet tijdelijk (Joh.14:16-17). De heilige Geest kon ook niet eerder komen, wat eerst moest de Heer Jezus sterven en terugkeren naar de hemel, voordat de Geest kon worden gegeven (Joh.7:37-39; 16:7vv.). Nogmaals verwijs ik naar de feesten in Leviticus 23: Pascha, Feest van de Eerstelingen (Opstanding) en dan Pinksteren. 

Er waren drie opzienbarende tekenen waarmee de uitstorting van de Geest gepaard ging: het geluid van een geweldige wind, tongen als van vuur, en gelovigen die in verschillende talen God prezen. Het woord Geest is hetzelfde in het Grieks als in het Hebreeuws (Joh.3:8). De mensen voelden de wind niet; ze hoorden het geluid van een geweldige wind. Vermoedelijk waren de gelovigen in de tempel toen dit gebeurde (Luk.24:53). Het woord huis in Hand.2:2 kan verwijzen naar de tempel (zie Hand.7:47). De tongen als van vuur symboliseren mogelijk de kracht waarmee de gelovigen hun getuigenis gaven. 

De Geest doopt (vs. 1:5) 

De doop door, met of in de Geest is een daad van God waardoor de gelovigen één worden gemaakt met hun verheerlijkte Hoofd van de Gemeente, Jezus Christus. Maar ook werd het geestelijk lichaam van Christus op aarde gevormd (1Kor.12:12-14). Dit vond plaats op de pinksterdag. Maar wat als er nu iemand tot geloof komt, moet hij of zij dan opnieuw in de heilige Geest gedoopt worden? We zouden de vorming van de Gemeente, die plaatsvond door de uitstorting van de heilige Geest op Pinksteren, kunnen vergelijken met het ontstaan van een leger. Iedere keer als iemand tot dat leger toetreedt, wordt hij erbij gevoegd; het leger wordt niet iedere keer weer opnieuw opgericht! Zo wordt ook de Gemeente niet iedere keer opnieuw opgericht, maar een nieuwe gelovige wordt toegevoegd. In die betekenis is de uitstorting van de heilige Geest dan ook een eenmalige gebeurtenis geweest en herhaalt ze zich niet. Historisch gezien vond de doop met/in de heilige Geest plaats tijdens twee gebeurtenissen: de joodse gelovigen op Pinksteren, en de gelovigen uit de heidenen zoals we dat vinden bij Cornelius in Handelingen 10:44-48; 11:15-17. ‘We zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt (1Kor.12:13). 

De Geest vervult (vs. 4). 

De vervulling met de heilige Geest heeft te maken met de beschikbare kracht die een gelovige nodig heeft om te getuigen en zijn dienst te vervullen (Hand.1:8). We worden niet opgeroepen of aangespoord om gedoopt te worden in de heilige Geest, want dat is iets wat God eenmaal heeft gedaan, voor allen die in de Heer Jezus (gaan) geloven. Maar we worden opgeroepen om ons te laten vervullen met Gods Geest (Ef.5:18), omdat we Gods kracht voortdurend nodig hebben om effectief te zijn in onze dienst. Op de pinksterdag werden de gelovigen vervuld met de Geest en ondergingen ze de doop met de Geest; maar daarna ervoeren ze wel meerdere vervullingen (Hand.4:8, 31; 9:17; 13:9) maar geen verdere dopen. 

De Geest spreekt (vs. 5-13) 

De gelovigen prezen God, ze predikten niet het evangelie, en ze gebruikten gewone talen, geen onbekende ‘tongen’ (Hand.2:6, 8). Lukas noemt vijftien verschillende geografische plaatsen en er wordt duidelijk gezegd dat de bewoners van die plaatsen, Petrus en de anderen, Gods daden hoorden in talen die ze konden verstaan. Het Griekse woord vertaald als ‘taal’ in Handelingen 2:6 en ‘tong’ in 2:8 is ‘dialektos’ en verwijst naar een dialect van een land of streek (Hand.21:40; 22:2; 26:14). [i] 

Tenzij we andere gegevens uit de Schrift zouden hebben, moeten we aannemen dat dit woord in Handelingen, of in 1 Korinthiërs, altijd verwijst naar een identieke ervaring; gelovigen prijzen God in talen die bekend zijn. 

In de brief aan de Korinthiërs had het spreken in tongen/talen ook iets te betekenen, voor de joden in het bijzonder. Paulus vermeldt daar Jesaja 2:11-12, een verwijzing naar de invasie van de Assyrische legers, die een taal spraken die de Joden niet konden verstaan. De aanwezigheid van die taal was het bewijs van Gods oordeel over het volk Israël. God zou liever tot het volk spreken in een taal die ze konden verstaan, maar hun voortdurende zondigen stond dat niet toe. God had in hun taal tot hen gesproken door de profeten, maar ze bekeerden zich niet. Nu moest Hij in een vreemde taal spreken, en dat betekende oordeel. Het is trouwens goed te begrijpen waarom God toen in talen liet spreken. Het spreken in talen is een teken voor de ongelovige(-n) (joden), ‘dít volk’ (1Kor.14:20-22; Jes.28:11-12). Zo werkte het ook op de pinksterdag. Het was heel zinvol in die situatie. Er waren immers joden uit allerlei landen aanwezig die door het wonder van het spreken in andere talen het evangelie in hun eigen taal hoorden. Daardoor beseften ze dat er iets bovennatuurlijks aan de hand was. Dat er een wonder, een teken, plaats had was tot een teken (liever: had een betekenis) voor de ongelovige joden; namelijk dat het oordeel nabij was. Er staat dat ze buiten zichzelf van verwondering waren (Hand.2:7) vanwege dit wonder. Bedenk dat dit joden waren die vlak daarvoor nog de Here Jezus verworpen hadden. In die zin waren ze ongelovig. Als volk zochten de joden altijd naar tekenen (Mat.12:38; 1Kor.1:22). Het feit dat de apostelen op de pinksterdag in vreemde talen spraken, was een teken voor de ongelovige Joden die hun feest aan het vieren waren. Het spreken in tongen trok hun aandacht, maar het veranderde de houding van hun hart niet. Vanaf vers 14 sprak Petrus de joden toe in het gebruikelijke Aramees, dat ze konden verstaan, om ze te overtuigen en tot bekering te brengen.


Woordverklaring volgens Strong:

Hand.2:4 ‘talen’ – Grieks: ‘gloossa’ afleiding onzeker, (1) de tong, een lichaamsdeel, een spraakorgaan, (2) een tong, de taal of het dialect dat een bepaald volk spreekt in onderscheid van die van andere volken.

Hand.2:8 ‘taal’ – Grieks: ‘dia’lektos’ (1) gesprek, taal, omgangstaal, (2) bepaalde taal, streektaal.

Hand.2:11 ‘talen’  - gelijk aan Hand.2:4.

Hand.10:46 ‘talen’ – gelijk aan Hand.2:4

Hand.19:6 ‘talen’ – gelijk aan Hand.2:4

1 Kor.14:2, 4, 5, 6, 9, 13, 14, 18, 19, 22, 23, 26, 39 ‘taal’ – gelijk aan Hand.2:4.

1 Kor.14:21 ‘talen’ – Grieks: ‘hete’roglossos - iemand die een vreemde taal spreekt

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Stéfanus 

De eerste martelaar

  

 

‘Er zijn in de hemel geen kroondragers, die hier geen kruisdrager willen zijn.’ (Spurgeon)

 

 

 

 

Inleiding.

Er zijn in het nieuwe testament twee woorden voor kroon: diadema, dat ‘koninklijke kroon, betekend en waarvan het woord diadeem afkomstig is; en stephanos, de ‘overwinnaars- kroon of krans’, waarvan de naam Stefanus afkomstig is. Een kroon (diadema) kun je krijgen of erven, maar de enige manier waardoor je een overwinnaarskroon of krans (stephanos) kunt krijgen is om het te verdienen.

Handelingen 6 en 7 vormen het centrum van de dienst van Stéfanus, een door de Geest vervulde gelovige die door de Heer gekroond zou worden (Openb. 2:10). Hij was trouw tot in de dood en is daarom een goed voorbeeld om te volgen. ‘Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens’ (Openb. 2:10).

Uit het niets komt Stéfanus het Bijbelboek Handelingen binnen lopen zonder dat wij te weten komen vanwaar. Vermoedelijk behoorde hij tot de Grieks spekende joden en men meent dat hij afkomstig zou zijn van Alexandrië, maar daarover zwijgt de Bijbel. Zijn naam wordt slechts zeven keer vermeld in de Bijbel en alle komen ze voor in het boek Handelingen, maar dat betekend niet dat zijn leven zonder betekenis is geweest. Hij was een man vol van de Geest en wijsheid (Hand. 6:3, 10), vol van geloof (6:5) en vol van genade en kracht (6:8). Deze kenmerken vertoonden zich in diverse situaties gedurende zijn korte leven (men zegt dat hij 35 jaar geworden is) als discipel van de Heer Jezus. Je kunt in zijn leven als gelovige een voortschrijding of opklimming opmerken, beginnende van dienaar tot verkondiger en verdediger en tenslotte als voorbidder.

1. Stéfanus de nederige dienstknecht. (Hand. 6:1-7)

De groei van de gemeente in Jeruzalem veroorzaakte ongewild onvoorziene problemen in de verdeling van voedsel en/of financiële ondersteuning, omdat de weduwen van de Grieks-sprekende (Joodse) gelovigen over het hoofd werden gezien. De prediking van het Woord kwam daardoor zelfs in de verdrukking en de apostelen besloten om deze taak over te dragen aan zeven bekwame discipelen, waaronder Stéfanus, omdat hij ook Griekssprekend was. Het was een dienende taak (vs. 2).

Hoewel uit het vervolg van de beschrijving van Stéfanus’ leven blijkt dat hij grote geestelijke gaven bezat, was hij niet onwillig om de laagste plaats in te nemen en andere gelovigen te dienen. Daarin toonde hij zich een waardige navolger van de Heer Jezus, die ook niet gekomen was om Zich te laten dienen, maar om te dienen (Mark. 10:45). Vermoedelijk was het aanbod om de tafels te dienen groter dan dat er behoefte was, in die richting wijzen de woorden ‘en zij kozen’. In de huidige tijd lijkt het er mijn inziens meer op dat er arbeiders te weinig zijn (vgl. Math. 9:37).

Wil men in het koninkrijk van God iets betekenen dan zal men bereid moeten zijn te beginnen met het werk van een dienstknecht te doen. ‘Zijn heer zeide tot hem: Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer’ (Math. 25:23). Ook hier geldt het principe van ‘wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd’ (Math. 23:12). Dat het niet gemakkelijk is om een positie van dienaar in te nemen bleek al toen de discipelen zich onder elkaar afvroegen wie van hen als eerste moest gelden, een vraag die tot op vandaag beantwoord moet worden want de mens is vaak nog niet voldoende veranderd in zijn denken daaromtrent.  De Heer Jezus beantwoordde hen met de volgende woorden: ‘De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar’ (Luk. 22:25-27).

2. Stéfanus de moedige verkondiger. (Hand. 6:8-15)

Stéfanus behoorde tot die kring van mensen die niet kunnen nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben (Hand. 4:20). Prachtige dingen worden hier over Stéfanus gezegd, wie hij was en wat hij deed: vol van genade en kracht, en wonderen en grote tekenen doende. Wat die wonderen en tekenen waren wordt ons niet vermeld, maar er ging van zijn verkondiging zoveel kracht van uit dat het de tegenstand van de religieuze joden opriep. Ze probeerden hem het zwijgen op te leggen maar waren daartoe niet in staat, want zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan (vs. 10). De Heer Jezus had voorzegd dat de discipelen tegenstand en vervolging zouden ondervinden, maar ook: ‘Ik zal u mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan’ (Luk. 21 :15). Hier zien we daarvan het bewijs en dat heeft zich in de loop van de (kerk-) geschiedenis herhaald, telkens wanneer gelovigen in gevangenissen werden overgeleverd en voor koningen en stadhouders ter verantwoording werden geroepen.

Deze joden waren echter nog niet ‘uitgepraat’ want ze stookten, mannen op, ze brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding en brachten valse getuigen ten tonele (vss. 11-13). Waneer we de apostel Paulus volgen op zijn reizen vermeld in het boek Handelingen dan komen we tot de ontdekking dat hij van de joden veel tegenstand heeft gehad in de verkondiging van het Woord (Hand. 13:45; 14:2, 19; 17:5, 13) In de tweede brief aan de Korinthiërs getuigd Paulus daarvan: ‘van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen ontvangen, driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd’ (2 Kor. 11:24). Ze hebben hem, en ook Stéfanus, werkelijk niet gespaard!

Zo kwam het dat Stéfanus voor de joodse Raad werd gesteld, die hem aanstaarden en zijn gezicht zagen als het gezicht van een engel. Wat mogen we daaronder verstaan: ‘het gezicht van een engel’? De vrouw van Manoach zegt dat het gezicht van een engel zeer vreselijk was, maar dat helpt ons niet veel verder (Richt. 13:6). Moeten we misschien meer aan de heerlijkheid van God denken die zich openbaarde zoals bij Mozes, en wilde God misschien zeggen: Stéfanus is niet tegen Mozes, hij  is als Mozes, hij is mijn dienaar (Ex. 34:29-30, 35).

Prediker (Salomo) zegt: ‘De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten’ (Pred. 8:1), Stéfanus had immers gesproken met wijsheid (vs. 10).

3. Stéfanus de wijze verdediger. (Hand. 7:1-53)

Waar had Stéfanus die grote bijbelkennis opgedaan? In één adem bespreekt hij de geschiedenis van het joodse volk van de roeping van Abraham tot Salomo. Hoe staat het met onze kennis van Gods Woord, zouden wij ook op zo’n manier een overzicht van Gods handelen kunnen geven? Stéfanus’ overzicht begint en eindigt met heerlijkheid (Hand. 7:2, 55).

Wij zien hier Stéfanus in de verdediging voor de joodse Raad. Later zou Judas de gelovigen aansporen ‘om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Jud. vs.3). Drie personen staan in hoofdstuk 7 centraal: de aartsvader  Abraham, Jozef en Mozes. Stéfanus begon met hun aan te spreken over hun eigen afkomst en geschiedenis. Dit hoofdstuk kunnen we in vier thema’s onder verdelen:

Ze begrepen hun eigen geschiedenis niet (7:1-8).

‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is’ (Jes. 46:10). Gods Woord is niet zomaar een bundel verhalen van personen en gebeurtenissen. Neen, het is Gods geschiedenis en het werkt ergens naar toe. Stéfanus begint zijn overzicht met de roeping van Abraham en eindigt met ‘de komst van de Rechtvaardige’ (vs.52). Er zit meer achter die geschiedenissen dan je oppervlakkig zou denken, maar je moet het zien! Dat inzicht ontbrak bij de leiders van het joodse volk. De apostel Paulus wijst hun op deze tekortkoming wanneer hij spreekt over de toepassing van de wet als het gaat over de vrouwen van Abraham, Sara en Hagar. ‘Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen’ (Gal. 4:21-24).

God werkte toe naar de komst van Messias. ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna’ (1 Petr. 1:10-11).

Ze verwierpen door God gezonden profeten (7:9-36).

‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn’ (Math. 23:37). ‘De HERE, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des HEREN zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was’ (2 Kron. 37:15-16). Terecht dat Stéfanus van hen spreekt als ‘hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren’ (Hand. 7:51).

Het is niet zonder reden dat Stéfanus in zijn toespraak tot de joodse Raad spreekt van Jozef en Mozes. Want was deze beide mannen overkomen? Jozef werd door zijn broers verworpen en verkocht naar Egypte. Bij hun eerste komst herkenden zij hem niet, maar bij hun tweede komst maakte Jozef zich aan hen bekend (Hand. 7:13). Mozes overkwam hetzelfde. Bij zijn eerste poging om het volk te bevrijden uit Egypte werd hij afgewezen en vluchtte. Bij zijn tweede komst, veertig jaar later, werd hij wel aanvaard (Hand. 7:34v.). Ook de Heer Jezus werd bij zijn eerste komst verworpen, maar bij de tweede komst (in heerlijkheid) zullen ze Hem aanvaarden en zien Wie ze doorstoken hebben (Zach. 12:10; Math. 24:30; Joh. 19:37). Zels bij de richter Jefta zien we eenzelfde stramien (Richt. 11:1-11). Stéfanus had begrepen dat er nog een toekomst voor het volk Israël in het verschiet lag en kende waarschijnlijk de belofte van een hersteld Israël (Hand. 1:6).

Ze gehoorzaamden de wet niet (7:37-43).

Met de woorden: ‘gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden’ besloot Stéfanus zijn toespraak. (Hand.7:53; Rom. 2:17-23). De Heer Jezus had al eerder zulke woorden tot hen gesproken waarop Hij met de dood werd bedreigt, toen Hij zei: ‘Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet’ (Joh. 7:19). Hetzelfde lot stond nu Stéfanus te wachten.

Ze weerstonden hun God (7:51-53).

‘Gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij’ (vs.51). Uit dit vers krijgen we de bevestiging van de werkzaamheid van de heilige Geest in het Oude Testament.

Van dat verzet (weerspannigheid) tegen de heilige Geest vinden we op twee plaatsen in het oude testament: ‘Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand’ (Jes. 63:10). En: ‘Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba; het verging Mozes kwalijk om hunnentwil, want zij waren tegen zijn Geest weerspannig, en hij sprak onbezonnen met zijn lippen’ (Ps. 106:32).

Dat de heilige Geest nog niet permanent op aarde woonde blijkt wel uit twee teksten in het Johannes evangelie (Joh. 7:39; 16:7) De uitstorting van de heilige Geest in Handelingen 2 zou zonder betekenis zijn geweest als de situatie in het oude testament hetzelfde zou zijn geweest.

Sommige uitleggers hebben het zo gezien dat het volk Israël in het oude testament weerspannig tegen God was, in de evangeliën tegen de Heer Jezus en in het boek Handelingen tegen de heilige Geest. Zo waren ze weerspannig tegen de drie-enige God!

4. Stéfanus de genadige voorbidder / bemiddelaar. (Hand. 7:54-60)

Hoe waar is de uitspraak hier gebleken: ‘Het bloed der martelaren, is het zaad der Kerk’! Stéfanus werd gestenigd maar zijn opvolger stond erbij: Saulus! Saulus, de latere Paulus, is tot grote zegen voor velen van zijn tijdgenoten geweest en door zijn geschriften die in de Bijbel zijn opgenomen ook voor ons.

Wat een groots einde van Stéfanus dat hij toch nog voor zijn vijanden kan bidden: ‘Heer eken hun deze zonde niet toe’. Hierin volgde hij zijn Meester na die gezegd heeft: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luk. 23:34). Zijn taak zat er op en hij ging de heerlijkheid in waar Christus is en ontving de kroon van het leven (Op. 2:10; Jak. 1:12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 Drie toespraken van Paulus in het boek Handelingen

 

 

 

Paulus' rede tot de Joden

Handelingen 13

 

 

Inleiding.

De apostel Paulus heeft drie grote toespraken gehouden die opgenomen zijn in het boek Handelingen. De eerste voor de Joden (Hand. 13), de tweede voor de heidenen (Hand. 17) en de derde voor de Gemeente (Hand. 20). Dit sluit aan bij de verschillende groepen van mensen die we in 1 Korinthiërs 10:32 vermeld vinden: ‘Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot’.

In drie artikelen hoop ik deze toespraken te behandelen en begin dan ook met de eerste, de toespraak die de apostel gehouden heeft in de synagoge in het Pisidische Antochië. Dit is de eerste echte prediking van Paulus die vermeld is en dat geeft ons de gelegenheid om te zien hoe en wat hij sprak tot een groep van mensen die leefden met en vanuit het Oude Testament. Dat hij tot mensen sprak die het Oude Testament kenden word duidelijk door de vele aanhalingen daaruit, vooral daar waar het over de opstanding van Christus gaat. Dit moet indruk gemaakt hebben, gelet op de latere reacties (Hand. 13:42).

Drie keer worden de woorden ‘mannen van Israël’ of ‘mannen broeders’ in deze rede vermeld, en ik zal deze ‘indeling’ in de uitleg volgen (Hand. 13:16, 26 en 38).

1. Het verleden: Wat God heeft gedaan. (Hand. 13:16-25)

De inhoud van Paulus’ toespraak lijkt veel op die van Stéfanus in Jeruzalem (Hand. 7). Vergelijken we deze twee toespraken dan zien we dat bij Stéfanus meer de nadruk ligt op de verantwoordelijkheid van het volk, terwijl bij Paulus de nadruk meer ligt op Gods voorzienigheid voor het volk.

In een terugblik van slechts elf verzen verhaald Paulus hoe God gehandeld heeft met het volk Israël vanaf de verkiezing van de vaderen, Abraham, Izaäk en Jakob, en de verhoging van het volk uit Egypte tot hun komst in het land Kanaän. Hij vervolgt met de tijd van de richters tot op Samuël, de profeet. Na het tijdperk van de koningen, Saul en David, eindigt hij met Johannes de Doper, de laatste profeet, en daarmee heeft hij hele Oude Testament doorlopen.

In zijn overzicht valt op hoe Paulus de nadruk legt op wat God allemaal heeft gedaan. Laat mij er een paar zaken vermelden: God heeft de vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, God heeft het volk uit Egypte gevoerd, Hij heeft hun het land ten erfdeel gegeven, Hij heeft hun richters, koningen en profeten gegeven en ‘ten laatste zond hij zijn zoon tot hen’ (Matth. 21:37). Deze voortdurende zorg van God voor het volk Israël wordt in Romeinen 10:21 treffend omschreven door een aanhaling van een tekst uit het boek Jesaja: ‘De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk’ (Jes. 65:2). Vandaar dat God het als het ware uitroept bij monde van de profeet Jesaja: ‘Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb? (Jes. 5:4).

2. Het heden: Wat het volk heeft gedaan. (Hand. 13:26-37)

In dit gedeelte schildert Paulus hoe het volk met de Heiland, die hun gegeven was, de Heer Jezus, gehandeld heeft.

De oorzaak dat het volk in ballingschap was geraakt in het Oude Testament was dezelfde waardoor ze in het jaar 70 n.Chr. onder de volkeren verstrooid zouden worden: ze wezen Gods profeten af! ‘De HERE, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten’ (2 Kron. 36:15-16).Dat was de oorzaak dat het volk voor lange tijd in ballingschap werd gevoerd.  Maar God gaf niet op en na een lange periode, de 400 honderd ‘stille jaren’, verbrak Hij zijn zwijgen en kwam tot de ‘zijnen’, in de Persoon van de Heer Jezus (Hebr.1:1-2).

Maar wat ze al eerder hadden gedaan deden ze ook nu weer, ze wezen Gods aanbod af. In de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters wordt het als volgt omschreven: ‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’ (Matth. 21:33-39). Paulus, Petrus en Stéfanus leggen alle drie de volledige verantwoordelijk voor Jezus’ dood bij het volk (Hand. 2:23, 36; 3:15; 4:10; 5:30; 7:52; 10:39). ‘Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld, en hoewel zij geen grond voor doodstraf konden vinden, hebben zij Pilatus gevraagd Hem ter dood te brengen’ (Hand. 13:27).

In zijn rede tot het volk in Handelingen 7 kan Stéfanus zijn frustratie dan ook niet verbergen wanneer hij zegt: ‘Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij’ (Hand. 7:51).

De verwerping van de Christus is echter niet het hoofdthema van dit gedeelte maar zijn opstanding uit de doden en verschijnen daarna. Het volk had de profetieën betreffende Jezus’ dood zonder het te weten vervuld, ze hadden in onkunde gehandeld (Psalm 118:22; Hand. 3:18). Door Jezus’ dood was alles wat over Hem geschreven stond vervuld v.w.b. zijn lijden en sterven (Hand. 13:29).

De opstanding van Christus uit de doden is hét onderwerp in het boek Handelingen.

(Hand. 2:24, 32; 3:15; 4:10; 5:30; 10:40: 17:31). Zonder de opstanding is er geen blijde boodschap of redding. De Heer Jezus is aan velen verschenen gedurende veertig dagen (Hand. 1:3) en mochten de joden nog twijfelen Hij was óók aan de apostel Paulus verschenen (1Kor. 15:3-8). De Heer is waarlijk opgestaan, dat was de boodschap toen, en ook vandaag!

3. De toekomst: Wat het volk te wachten staat. (Hand. 38-52)

De Heer Jezus heeft op het kruis gebeden: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luk. 23:34; vgl. Hand. 7:60). De joodse leiders konden niet bevatten dat de Christus eerst moest lijden om daarna zijn heerlijkheid binnen te kunnen gaan, dat Jezus het Lam  van God was die eerst moest sterven voor de zonden van het volk om daarna en uit de doden op te staan, waardoor er en in zijn naam bekering tot vergeving van zonden kon worden gepredikt aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem (Luk. 24:46-47). Er is nog hoop voor elke individuele jood of heiden en in de toekomst ook voor het volk Israël als geheel, maar dat is alleen mogelijk na berouw en bekering. ‘Heb dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van verkwikking komen’ (Hand. 3:19) en ‘Zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben en rouw bedrijven en over hem een rouwklacht aanheffen’ (Zach. 12:10).

Paulus eindigt zijn toespraak met de waarschuwing dat hun niet moest overkomen wat hun vaderen was overkomen die niet begrepen wat God toen – in de tijd van de profeet Habakuk - aan het doen was. De door Paulus aangehaalde tekst uit het boek Habakuk verwijst naar het ‘ongelofelijk’ werk van God in hun dagen toen Hij de Chaldeeën gebruikte om het volk te tuchtigen. ‘Ziet onder de heidenen en let op, en verbaast u, ontzet u, want Ik doe een werk in uw dagen, dat gij niet zoudt geloven, wanneer het verteld wordt. Want zie, Ik verwek de Chaldeeën, dat grimmige en onstuimige volk, dat de breedten der aarde doortrekt om woonsteden in bezit te nemen, die de zijne niet zijn (Hab. 1:5-6; vgl. Jes. 29:14) en ‘HERE, tot een oordeel hebt Gij hem (de Chaldeeën) gesteld, en, o Rots! om te tuchtigen hebt Gij hem bestemd’ (Hab. 1:12). Ze zullen zich over Gods handelen toen wel veel vragen gesteld hebben, in elk geval Habakuk wel want die begint zijn boek met de vragen van ‘hoelang’ en ‘waarom’ (Hab. 1:1, 3).

Maar nu ook is God weer een ongelofelijk werk aan het doen, probeert Paulus duidelijk te maken, want het zou niet lang meer duren dat de tijd zou komen dat het volk opnieuw getuchtigd zou worden en dat zij zouden vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen (Luk. 21:24). Wat dan ook heeft plaats gevonden in het jaar 70 n.Chr. toen de tempel in Jeruzalem door Titus is verwoest.

Maar er is een ‘totdat’! Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn en daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn (Hand. 15:16-17).

Besluit

Nu we aan het einde van Paulus’ toespraak zijn gekomen en iets hebben mogen zien van Gods handelen met zijn volk in het verleden en wat Hij nog zal doen in de toekomst kunnen we met Paulus verzuchten en zeggen ‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen’ (Rom. 11:33-36).

Ook de toehoorders in de synagoge waren onder de indruk en verzochten hun tegen de eerstvolgende sabbat weer deze woorden te spreken, en de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen (Hand. 13:42, 44).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De vervallen hut van David 

Handelingen 15

 

 

Inleiding

De uitdrukking ‘de vervallen hut van David’ komt uit het boek Amos 9:11 en duidt op het huis van Israël. Deze tekst wordt door Jacobus aangehaald in Handelingen 15:16 in zijn toespraak tijdens de apostelvergadering in Jeruzalem. Dit deed hij naar aanleiding van de terugkeer en het verslag de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas, die getuigden van de grote tekenen en wonderen die God door hen onder de volken had gedaan (15:12). Dit was een geheel nieuw gegeven en riep onder meer vragen op over de functie van de besnijdenis, het houden van de wet van Mozes en de positie van Israël. Tot dusver had God in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan (14:16) maar door de opdracht van de Heer Jezus om ‘alle volken tot zijn discipelen te maken’ (Mat.28:19) was daarin een verandering gekomen en Paulus en Barnabas hadden daaraan gehoor gegeven en ervaren dat God voor de volken een deur van geloof had geopend (15:27) doordat velen door de prediking van het Evangelie tot geloof in de Heer Jezus waren gekomen (13:12, 48; 14:1, 21).

Het is begrijpelijk door de veranderende situatie dat er tegenstand kwam van sommigen uit Judéa kwam die zeiden dat ‘als je niet besneden wordt naar het gebruik van Mozes ze niet behouden konden worden (15:1). Een gebruik afschaffen dat al eeuwen bestond ging niet zonder slag of stoot. De twist die hierdoor ontstond was de aanleiding dat Paulus en Barnabas en enige anderen opgingen naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem voor advies. Daar aangekomen zette de discussie zich voort door enigen van de sekte van de farizeeën die ook van mening waren ‘dat men hen moest besnijden en bevelen de wet van Mozes te bewaren (15:5).

Paulus en Barnabas getuigen wat God door hen had gedaan

In de hoofdstukken 13 en 14 lezen we over de belevenissen van Paulus en Barnabas tijdens de eerste zendingsreis, die Paulus heeft gemaakt; sommige uitleggers spreken dat er zelfs acht te vinden zijn in het Nieuwe Testament! Paulus en Barnabas getuigen dat tijdens die reis heidenen tot geloof waren gekomen (13:48) en van grote tekenen en wonderen (15:12). Johannes die ook op die reis was meegegaan als dienaar scheidde zich na enige tijd van hen af en keerde terug naar Jeruzalem. Aan zowel jood als de Griek werd het evangelie verkondigd. Ze bezochten dan ook eerst de eventuele aanwezige synagoge omdat ze daar onmiddellijk konden aansluiten met de prediking (13:5, 14; 14:1). Na hun terugkeer in Antiochië gaven ze dan verslag van reis aan de gemeente door wie ze waren uitgezonden en verbleven daar geruime tijd. Na enige tijd kwamen er discipelen uit Judea die de broeders begonnen te leren: ‘Als u niet besneden wordt naar het gebruik van Mozes, kunt u niet behouden worden’. Ze deden dit op eigen houtje want daar hadden ze geen toestemming van de apostelen en oudsten uit Jeruzalem voor ontvangen (15:24). Dit was de aanleiding om op te gaan naar Jeruzalem om de zaak aan de apostelen en oudsten voor te leggen.

Petrus getuigd wat God door hem had gedaan

Na de aankomst van de delegatie uit Antiochië in Jeruzalem en na de reden van hun komst aan de apostelen en oudsten te hebben gedeeld vergaderden deze samen om de zaak te bezien (vs.6) maar ook daar was er veel geredetwist over de zaak. Maar dan neemt Petrus het woord nadat hij de voor en tegens had aangehoord. ‘Wie antwoord geeft, voordat hij hoort, die is het tot dwaasheid en smaad (Spr.18:13). Hij geeft een kort overzicht van wat er tot dusver is gebeurd en welke rol hij daarin had gehad. ‘Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en zouden geloven’ (vs.7). Aan Petrus waren de sleutels van het koninkrijk gegeven (Mat.16:19) en daarmee had hij de deur voor het geloof (15:27) geopend voor de joden (Hand.2), de Samaritanen (Hand.8:14-17) en de volken of heidenen (Hand.10). Voor die taak was Petrus lang tevoren door God uitverkoren (vs.7). Maar ook naar aanleiding van zijn bezoek aan Cornelius lezen we van tegenstand wanneer de joden daarvan horen dat hij bij onbesneden mannen was binnengegaan en met hen had gegeten. Nadat Petrus had verhaald hoe het was gegaan en zij dit hoorden, hielde zij zich stil, en zij verheerlijkten God en zeiden: Dus ook aan de volken heeft God de bekering tot het leven gegeven’ (11:1:18), waarvan getuigenis door de heilige Geest was gegeven (vs.8) evenals ook aan ons zodat er geen enkel onderscheid meer bestond tussen jood en heiden omdat beiden door hun geloof hun harten gereinigd waren.

Bleef de kwestie van de besnijdenis en de wet van Mozes. De besnijdenis was aan Abraham bekendgemaakt: ‘Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u’ (Gen.17:10). De Wet was vele jaren laten aan Mozes gegeven: ‘Op de berg Sinaï zijt Gij nedergedaald en hebt met hen gesproken uit de hemel, en hun rechtvaardige verordeningen, betrouwbare wetten, goede inzettingen en geboden gegeven. Ook hebt Gij hen uw heilige sabbat doen kennen en hun geboden, inzettingen en een wet gegeven door de dienst van uw knecht Mozes’ (Neh.9:13-14).

De wet is vierhonderddertig jaar na het verbond gekomen (Gal.3:16) en Petrus herinnert hen eraan dat de wet een tijdelijke functie had (Gal.3:24) en als een omheining aan het volk Israël gegeven was ter bescherming en afzondering (Mat.21:33; Ef.2:14). Ter wille van de overtredingen werd de wet bijgevoegd, totdat (!) het zaad zou komen waaraan de belofte was gedaan. De besnijdenis was als een verbondsteken aan het volk Israël gegeven (Gen.17:10-14) redenen waarom Paulus zich tegen een verder gebruik daarvan heftig verzet (Gal.5:2-4). Aan de eis van de farizeeën ‘dat men hen, de gelovigen uit de heidenen, moest besnijden en bevel de wet van Mozes te bewaren werd niet tegemoetgekomen (vs.5, 10). Petrus besluit zijn toespraak met de vaststelling dat zij geloofden door de genade (niet de wet) van de Heer Jezus behouden te worden op dezelfde wijze als ook zij’ (vs.11).

Jakobus getuigd wat God nog gaat doen

Nadat Paulus en Barnabas de gelegenheid kregen om, voor de derde keer, maar nu voor de voltallige vergadering verslag te doen van hun zendingsreis, nam Jakobus het woord. Petrus had verteld waarvoor God hem had uitverkoren en Jakobus gaar daarop voort en spreekt ook over de toekomst van de tent van David die vervallen is weer opgebouwd zal worden. Jakobus, de broer van de Heer Jezus en de auteur van de naar hem genoemde brief, schijnt een belangrijke plaats in de gemeente te Jeruzalem hebben verkregen. Hij is pas later tot geloof gekomen (Joh.7:5) want na de hemelvaart van de Heer vinden we hem bij de andere discipelen in de bovenzaal met zijn moeder Maria en de andere broers (1:14). Jakobus past in zijn vervolg een veel gebruikte regel toe, namelijk Schrift met Schrift vergelijken, want wat Simeon (d.i. Petrus) heeft verteld is in overeenstemming met de profeten (vs.15). Welke profeten Jakobus bedoeld is niet helemaal duidelijk, maar in elk geval zal de profeet Amos daarmee bedoeld zijn en wellicht ook Hosea (Hos.3:4; 6:2).

De prediking van het evangelie van de genade van God had meer consequenties dan dat er heidenen tot geloof in de Heer Jezus kwamen, het was ook het begin van de overgang naar een andere bedeling, een periode binnen de heilsgeschiedenis die zich van andere onderscheidt door een eigensoortige relatie tussen God en de mens. Want wat nog niet bekend was, maar later door Paulus werd bekendgemaakt, dat was de komst van de Gemeente, een volk dat God uit de volken voor zijn naam had aangenomen (15:14). De Gemeente was een verborgenheid dat in andere geslachten de zonen van de mensen niet was bekendgemaakt (Ef.3:5-7). Voor hen die het substitutionalisme aanhangen of de vervangingstheologie, de leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen, leveren deze verzen natuurlijk veel problemen op. Het is dan ook van belang het onderscheid tussen de Gemeente en Israël te kennen wil men klaarheid krijgen over deze (tijdelijke) overgang. Ik zeg ‘tijdelijk’, omdat God het volk Israël niet definitief heeft afgeschreven maar tijdelijk terzijde heeft gesteld, totdat de volheid der heidenen is ingegaan, en zo zal heel Israël behouden worden (Rom.11:25). Jakobus volgt deze volgorde: Israël – Gemeente – Israël, want de tent van David die vervallen is zal weer opgebouwd worden. Israël is nu Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet, maar eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee en een overblijfsel zal behouden worden (Hos.1:8-12; Rom.9:25-29). De hut van David zal weer opgericht worden opdat de overige van de mensen de Heer zullen zoeken en alle volken waarover mijn naam is uitgeroepen (15:16-17).

‘Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Here, die dit doet. Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de Here, uw God’ (Amos 9:11-15). ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). God zal zijn verbond met David nakomen dat er een koning zou zitten op Davids troon en dat zal uiteraard de Heer Jezus zijn, de zoon van David (2Sam.7:13, 16; Jes.9:6-7; Luk.1:32) die over Israël zal heersen.

De apostelen getuigen wat de gelovigen zouden moeten doen

Waaraan de gelovigen uit de volken zich zouden moeten houden waren noodzakelijk dingen (vs.28). Zij dienden zich te onthouden van drie dingen (1) de verontreiniging van de afgoden, van (2) de hoererij, van (3) het verstikte en van het bloed. We mogen aannemen dat het eerste te maken heeft met voedsel dat aan de afgoden was geofferd en daarna in de verkoop werd gebracht. We lezen daarover in de eerste brief aan de gemeente te Korinthe (8:1-13; 10:18-33). Het tweede was onthouding van hoererij. We mogen dan denken aan tempelprostitutie zoals dat in die tijden veel voorkwam. Het derde was eigenlijk al een oud gebod en vindt haar oorsprong al in het boek Genesis, we lezen daar: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’ (Gen.9:4). Dit was een gebod aan de gehele mensheid. In het boek Leviticus wordt dit gebod herhaald maar dan exclusief aan het volk Israël (Lev.17:10-16). Het is begrijpelijk dat dit gebod door de apostelen in herinnering wordt geroepen nu er mensen uit de heidenvolkeren tot geloof gekomen waren. Nadat ze eeuwen op hun eigen weg waren gegaan (Hand.14:16) zouden ze wel niet meer op de hoogte zijn geweest van het eerder gegeven gebod vandaar deze hernieuwde oproep. Het verstikte heeft te maken dat bij het doden van een dier op die wijze het bloed nog aanwezig bleef in het lichaam. Mogen we bloedworst eten, is dikwijls de vraag? Wel, ik heb geen opheffing van dit geboden gevonden in het Nieuwe Testament en ik denk dat we ons daaraan nog steeds dienen te houden. Het is en was niet alleen een gebod voor het Israël, maar voor de hele mensheid. Ik zie het dan ook als een gebod waaraan we ons dienen te houden en niet als een advies waaraan ze zelf bepaald of je het wilt doen of niet.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Drie toespraken van Paulus in het boek Handelingen

 

 

Paulus toespraak voor de heidenen

‘Welke God verkondigen wij?’

(Handelingen 17:24-31)

 

Inleiding.

In de tijd dat de apostel Paulus de stad Athene bezocht kwam hij in aanraking met een samenleving die zich door twee zaken onderscheidde. Ten eerste was het een stad vol afgodsbeelden en de schrijver Petronius, die leefde ten tijde van keizer Nero (37-68 n.Chr.), schreef ‘dat het in Athene gemakkelijker was een god te vinden dan een man’. Ten tweede hielden de mensen zich bezig met verschillende vormen van filosofie; Paulus ontmoette er namelijk enige van de Epikureïsche en Stoïcijnse wijsgeren. In het kort gezegd was de filosofie van de Epicuriërs ‘geniet van het leven’  en van de Stoïcijnen ‘verdraag het leven’. Zowel de afgodendienaars als de filosofen waren echter niet tot de kennis van gekomen (1 Kor. 1:21). 

Wie ooit Athene bezocht heeft kan zich nog steeds verbazen over de enorme bouwwerken en kunstwerken, artistieke hoogstandjes van die tijd. Maar daardoor was Paulus niet zozeer onder de indruk, eerder was hij geprikkeld door het zien van de vele afgodsbeelden omdat hij wist dat achter die afgoden demonen schuil gingen (1 Kor. 10:20).

Zoals gebruikelijk begon Paulus de verkondiging in de synagoge – eerst de jood, dan de Griek – daarna in het openbaar, op de markt, waardoor hij in aanraking kwam met de Epikureïsche en Stoïcijnse wijsgeren die Paulus meenamen naar de Areópagus waar hij de ‘mannen van Athene’ mocht toespreken (Hand. 17:22). Paulus was goed voorbereid, de tijd dat hij moest wachten had hij nuttig gebruikt (Hand. 17:16).

Paulus begon zijn toespraak niet met verwijzingen naar Gods roeping van Abraham en zijn handelen met het volk Israël zoals hij dat in zijn rede voor de joden in Antiochië had gedaan (Hand. 13). De Atheners hadden daarvan immers geen  kennis, maar hij ‘stapt in’ op hun niveau door te zeggen: ‘Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt’ (Hand. 17:22). Daarna spreekt hij tot hen over ‘de God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde’ (Hand. 17:24).

We kunnen in Paulus’ toespraak op zijn minst een vijftal aspecten van God onderscheiden:

1. God als Schepper. (Hand.17:24)

‘De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is’

De Grieken hielden er verschillende theorieën op na betreffende het ontstaan van de wereld. De Epikuriërs waren atheïsten, de Stoïcijnen geloofden dat er een universele geest was en dat alles god was. De Atheners waren erg religieus – ik zie dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt - en dat had er toe geleid dat er zelfs een altaar gewijd was aan een onbekende God. Dat gegeven gebruikt Paulus als aanleiding om zijn toespraak te beginnen door te zeggen: ‘Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u’ (Hand. 17:23). Paulus geeft duidelijk aan dat de God die hij verkondigd, de Schepper is van hemel en aarde en dat Hij niet leeft in met handen gemaakte tempels die Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.

Paulus ging in op mogelijke overeenkomsten en niet om verschillen te benadrukken en daardoor kreeg hij hun aandacht. De God die Paulus verkondigde was geen God die in door mensen gemaakte tempels woonde, zoals de tempels op de Akropolis, en ook geen God die afhankelijk was van mensen, alsof Hij nog iets nodig had. Deze gedachte vinden we ook in bijna dezelfde bewoording terug bij Stéfanus in zijn toespraak tot de joodse Raad in Handelingen 7. Neen, het was de God Die zelf leven en adem en alles geeft, Die uit één enkele (mens, bloed) het gehele menselijke geslacht heeft gemaakt (Hand. 17:26). Eén enkele mens, dat is Adam. Paulus bevestigt hier de historiciteit van Adam en uit hem de afstamming van het gehele menselijke ras. Dit laatste hield in dat de Grieken geen speciaal ras waren, zoals ze er van uitgingen.

2. God als Onderhouder.  (Hand. 17:25)

‘daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft’

Na Paulus betoog over God, de schepper van hemel en aarde gaat hij verder om aan te tonen dat God terdege met zijn schepping betrokken is en blijft. Dus geen sprake van deïsme, de leer die God als Schepper erkent, maar gelooft dat Hij zich sinds de schepping niet meer met haar inlaat en dus het werk van de onderhouding loochent.

Aan Timotheüs schrijft de apostel Paulus: ‘dat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen. (1 Tim. 4:10-11). De vermelding in deze tekst ‘dat God een Heiland is voor alle mensen’ kan de indruk geven dat alle mensen dan ook behouden worden en dat is geloof ik in genoemde tekst niet de bedoeling. Ik geef dan ook de voorkeur aan de Telos vertaling die het woordje Heiland vertaald als ‘Onderhouder’, en dat geeft denk ik beter de bedoeling van deze tekst weer mede gelet op de context. Dat God de Onderhouder is van deze wereld sluit aan bij een andere tekst in het boek Handelingen waar staat dat ‘Hij ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen heeft laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’ (14:16-17). Psalm 147:7-9 beschrijft de relatie tussen God en zijn schepping als volgt: ‘Zingt de HERE een loflied toe, psalmzingt onze God met de citer, Hem, die de hemel met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt, die op de bergen gras doet uitspruiten, die het vee zijn voeder geeft, de jonge raven, als zij roepen.’

3. God als Bestuurder. (Hand. 17:26-29)

‘Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen’

De gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis zijn voor een ongelovige een warboel, er is geen lijn in te ontdekken. Voor een gelovige ligt dat anders want hij gelooft in een God ‘die van den beginne de afloop verkondigt’ (Jes. 46:10). ‘God regeert over de volken, God is gezeten op zijn heilige troon’ (Psalm 47:9). Deze kennis geeft zin, doel en richting aan de schepping waarin wij leven. Veel andere teksten bevestigen de gedachte aan Gods bestuur. ‘Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde’ (Spr. 8:15-16; Dan. 4:34-35).

Door Gods bestuur over de volkeren zoekt Hij wegen om de mensen te bereiken zodat ze Hem ‘al tastende’ zouden vinden (Hand. 17:27) ‘Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld’ opdat ze Hem zouden zoeken en zij Hem al tastende zouden vindenemH (Deut. 32:8; Hand. 17:27).

Maar dat is natuurlijk niet het ultieme doel dat God voor ogen heeft, dat doel is ‘opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!’ (Fil. 2:10-11). Wij mogen uitzien naar dat moment wanneer de Zoon aan God zal vragen en Hij Hem zal geven, de volken tot zijn erfdeel en wanneer het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij als koning zal heersen tot in alle eeuwigheden (Psalm 2:8; Op. 11:15).

4. God als Redder. (Hand. 17:30)

‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen’

God is niet in oorlog met de mensen, maar de mensen zijn in oorlog met God!’ In elk hoofdstuk van de brief van Paulus aan Titus vinden we de uitdrukking ‘God, onze Heiland’ (Tit. 1:3; 2:10; 3:4). We denken met Kerst aan het feit dat God ‘vrede op aarde’ heeft laten verkondigen door de engelen. ‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen’ (Tit. 2:12). Dat betekend niet dat alle mensen zonder meer behouden worden, want dan had Paulus niet zoveel inspanning hoeven te doen om de mensen aan te zeggen ‘laat u met God verzoenen!’ (1Kor. 5:20). Nee, de gerechtigheid van God is door het geloof in Jezus Christus, voor allen die geloven (Rom. 3:22).

God is liefde, en die liefde ten aanzien van ons is zichtbaar geworden doordat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem (1Joh. 4:9). De voorwaarde om dit nieuwe leven in Christus te kunnen ontvangen is bekering. Vandaar dat God verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen (Hand. 17:30). Kan het nog duidelijker?

Je zou het ook anders kunnen benaderen en, met Petrus zeggen, dat God niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen (2 Petr. 3:9). Zo getuigde Paulus tot Joden en Grieken zich te bekeren tot God en te geloven in onze Heer Jezus (Hand. 20:21). Dus niet door religiositeit, filosofie of via de afgoden maar door geloof in Jezus Christus (Joh. 1:12-13).

5. God als Rechter. (Hand. 17:31)

‘Omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen’

Waarom het bevel van God aan de mensen om zich te bekeren? Vers 31 geeft daarop het antwoord: ‘omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’ Het aankondigen van een ‘oordeelsdag’ is geen middeleeuwse bangmakerij maar Bijbelse realiteit. ‘En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Hebr. 9:27).

Degene die dat oordeel ten uitvoer zal brengen - ‘een man die Hij aangewezen heeft, - is de Heer Jezus. In Johannes 5:22 staat: ‘Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven’ (Jh5:22). In Petrus rede tot Cornelius zegt hij: ‘Hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat Hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden’ (Hand. 10:42).

Tot zo ver konden ze hun reacties nog voor zich houden maar als Paulus gaat spreken over de opstanding van doden begonnen sommigen te spotten, terwijl anderen zeiden we zullen u hierover nog wel eens horen. De Epicureeërs geloofden niet in de onsterfelijkheid van de ziel, de Stoïcijnen echter wel en geloofden in een voortbestaan van de ziel, die eventueel kon overgaan in het goddelijke, maar niet in een opstanding uit de doden. Zoals eerder vermeld de opstanding van Christus is de kern van het evangelie, om dat aan te tonen heeft de apostel Paulus in de brief aan de Korinthiërs er een heel hoofdstuk aan gewijd en verbind er verregaande consequenties aan (1 Kor. 15). ‘Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof’ (1 Kor. 15:12-14).

Besluit.

Uit het boek Handelingen komen we niet te weten welke de resultaten zijn geweest op de prediking van de apostel dan dat enige mannen zich bij hem aansloten, en tot geloof kwamen, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen (Hand. 17:34). Wanneer Eusebius (260-340) in zijn kerkgeschiedenis over Dionysius schrijft ‘die het opzienerschap in Athene vervulde’  mogen we er van uitgaan dat er een gemeente is ontstaan. Clemens (±125/150 - 215) schrijft in verzoekschrift aan Antonius dat zijn vader ‘aan diverse steden heeft geschreven om niet gewelddadig tegen de onzen (de christenen) op te treden, zoals aan Larissa, Thessalonica, Athene en de rest van de Grieken’. Het zaad van het Evangelie, uitgestrooid door de apostel Paulus, is niet vruchteloos gebleven!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Drie toespraken van Paulus in het boek Handelingen

 

 

 

Paulus toespraak voor de Gemeente

Handelingen 20

Paulus’ afscheid

 

 

Inleiding

Dit is de derde en laatste rede van de apostel Paulus die wij behandelen en is gericht aan de oudsten van de gemeente in Efeze. In Handelingen 18:19vv. vinden we de eerste vermelding van een bezoek van de apostel Paulus aan Efeze waar hij ruim drie jaar verbleef. Hoewel hij gevraagd wordt om te blijven doet hij dat niet, maar beloofd later terug te komen (Hand. 18:20). Van dat bezoek vinden wij het verslag in hoofdstuk 19. In hoofdstuk 20:13-16 lezen we dat Paulus geen tijd heeft gehad Efeze nog eens te bezoeken omdat hij op de pinksterdag in Jeruzalem wilde zijn. Als hij aankomt in Milete, zo’n 50 km. ten zuiden van Efeze, laat hij de oudsten van die gemeente bij hem komen, spreekt hen toe en neemt afscheid. Zijn toespraak kun je in drieën delen:

1. Verleden - Een terugblik (Hand. 20:17-24)

‘Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien’ (Psalm 126:5).

Deze Psalm geeft goed weer hoe het leven en werk van de apostel Paulus was geweest, hij had immers God gediend onder tranen en beproevingen! Zijn motief was ‘de Heer dienen’ en zijn houding was er een van nederigheid, daarin toonde hij het karakter van de Heer Jezus die kon zeggen: ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Math. 11:29). Paulus wilde een voorbeeld voor de gelovigen zijn en dat is hij ook geweest (1 Kor. 11:1).

Paulus deed niets in het verborgene, hij preekte de gehele raad van God publiekelijk en binnenshuis. Hij sprak tot alle mensen en verheerlijkte Christus. Dat is het model dat ook wij mogen navolgen. Ondanks de vijandschap van de Joden die hij ervaren had, had hij geen rancune ten opzichte van hen en verkondigde hij zowel aan hen als aan de Grieken de bekering tot God en het geloof in de Heer Jezus. Paulus’ boodschap was immers ‘het evangelie van de genade van God’ een genade die hij zelf ook had ervaren.

Dan begint Paulus te spreken over zijn naderend afscheid. Paulus was gebonden in zijn geest (niet de Heilige Geest!) om naar Jeruzalem te gaan. Hij had dat voornemen al eerder kenbaar gemaakt (Hand. 19:21) Er bestaan serieuze twijfels of Paulus hierin al of niet in de wil van God was. Hij zegt in vers 23 dat de Heilige Geest hem van stad tot stad betuigt (misschien door de dienst van lokale profeten?) dat hem gevangenschap en verdrukking wachten. In 21:4 en 10-14 wordt hij nadrukkelijk gewaarschuwd niet naar Jeruzalem te gaan. Mogelijk houden de woorden ‘door de Geest’ in dat ze door de Geest wisten dat Paulus lijden te wachten stond indien hij naar Jeruzalem ging. Ondanks deze waarschuwingen kunnen we  concluderen dat Paulus vastbesloten was om toch op te gaan naar Jeruzalem, zoals de Heer Jezus dat eerder had gedaan (Luk. 9:51). Zoals blijkt uit Handelingen 23:11 was Jeruzalem slechts een tussenstation op weg naar Rome (Hand. 19:21). Als het niet God uitdrukkelijke wil was, dan was het onder Gods toelating dat Paulus naar Jeruzalem kon gaan.

2. Heden - Een bemoediging (Hand. 20:25-28)

En nu, zie, ik weet, dat gij allen, onder wie ik rondgereisd heb met de prediking van het Koninkrijk, mijn aangezicht niet meer zien zult (Hand. 20:25).

Paulus was niet bezorgd over zichzelf; hij was bezorgd over de gemeente in Efeze waar hij niet meer zou komen. Maar zorg beperkte zich niet alleen tot de gemeente in Efeze, dagelijks overviel hem de bezorgdheid over al de gemeenten zegt hij in 2 Korinthiërs 11:28.

Paulus had de gelovigen drie jaar voorbereid voor hun toekomstige taak door hen de hele raad van God te verkondigen (Hand. 20:31,20,27). Elders zegt hij met betrekking tot zijn dienst aan de gemeente: ‘Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen’  (Kol. 1:25). Dus ze waren goed geïnstrueerd, wat ook nodig zou zijn zoals we verderop zullen zien.

Hij vermaande de oudsten om alert te zijn, het eerst op zichzelf. Als zij faalden in hun geestelijke wandel, dan zou de hele gemeente er onder lijden. Daarna vermaande hij hen om de gemeente te hoeden. Als oudsten waren zij verantwoordelijk om de kudde te leiden, te voeden en te beschermen voor geestelijke aanvallen. Vers 28 kan aanleiding geven aan de gedachte dat oudsten er zijn om te heersen, omdat gesproken wordt om toe te zien op de gehele kudde waarover de heilige Geest hen tot opzieners had gesteld. Petrus helpt ons wat dat betreft uit de droom wanneer hij schrijft: ‘hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (1 Petr. 5:3) Oudsten zijn er niet voor om te heersen maar om de Gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft (vers 28). ‘De heerser is de eerste dienaar van de staat,’ schreef De Pruisische koning Fredrik de Grote in 1572. Voor hem was een kroon slechts ‘een hoed waar de regen doorheen kwam’.

3. Toekomst - Een waarschuwing (Hand. 20:29-38)

‘En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade’ (Hand. 20:32)

Paulus waarschuwde voor twee gevaren die de Gemeente in de toekomst zouden bedreigen. Ten eerste wolven die de kudde van buiten zouden aanvallen, (vers29) en ten tweede valse leraars die van binnenuit zouden opkomen om de discipelen achter zich aan te trekken (vers 30). De geschiedenis vertelt ons dat deze profetieën  helaas zijn uitgekomen.

Tot aan de komst van Constantijn de Grote heeft de Gemeente veel en erge vervolgingen gekend van ‘wolven die de kudde aanvielen’, de Romeinse overheid. De ‘vuurgloed’ in hun midden ( 1 Petr. 4:12) waarvoor de apostel Petrus al waarschuwde brak los tijdens de regering van keizer Nero en duurde tot aan 312 tot Constantijn de Grote het christelijk geloof aannam. Door het edict van Milaan van 313 werd officieel de volledige godsdienstvrijheid in het Rijk uitgeroepen. Pas onder Theodosius werd het christendom vanaf 380 tot staatsgodsdienst verheven. Een enorme verandering, dat ‘achteraf gezien’ geen verbetering was.

Valse leraars ‘die van binnenuit kwamen’ zijn er altijd geweest, zowel in de begintijd, maar vooral, als ik het zo mag zeggen, in de eindtijd. (1 Tim. 1:19-20; 4:1-3; 2 Tim. 1:15; 2:17-18; 3:1-9). De oproep in de brief van Judas om ‘tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is’ blijft dan ook tot op vandaag actueel (Judas vers 3).

Vooral vanaf het midden van de achttiende eeuw, als gevolg van de zogenaamde Verlichting, waarin het verstand over het Woord ging heersen, hebben vele valse leraars hun kans schoon gezien en Gods Woord aangepast aan het denken van de mens. De gevolgen daarvan kunnen we tot op vandaag om ons heen zien en nergens zo duidelijk als in West-Europa. De duivel heeft zich al die eeuwen in beide gedaanten laten zien, ten eerste als een brullende leeuw en ten tweede als een engel van het licht. ‘Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid’ zegt Paulus (2 Kor. 11:15).

Paulus stelde zichzelf als een voorbeeld voor de andere oudsten en/of herders. Hij droeg ze (in gebed) op aan God en aan het Woord, want ‘gebed en het Woord’ zullen een plaatselijke Gemeente opbouwen (Hand. 6:4). Hij waarschuwende hen niet hebzuchtig te zijn. Paulus werkte met zijn eigen handen, maar hij maakte ook duidelijk dat zijn inzet niet als norm toegepast hoefde te worden op anderen die het evangelie verkondigen (1 Kor. 9:14). Maar natuurlijk kan Paulus’ onzelfzuchtig voorbeeld zeker worden nagevolgd door al Gods dienstknechten. Hij herinnerd hen aan een zaligspreking van Christus die we niet in de Evangeliën vermeld vinden: “Het is gelukkiger te geven, dan te ontvangen.” Christelijke dienstknechten dienen er naar te zoeken hoe ze anderen kunnen dienen, eerder dan dat anderen hun dienen.

Besluit.

Wat een ontroerend tafereel zien we in de verzen 36-38! Paulus en de oudsten  knielden neer en de grote apostel bad met hen allen. Ze weenden omdat ze wisten dat ze hem nooit meer zouden zien, tenminste niet hier op aarde. Spurgeon vertelde eens over een man die tegen een stervende gelovige zei: ‘Vaarwel, vriend! Ik zal je nooit meer zien in het land van de levenden! De Ste vende Christen antwoordde: ‘Ik zal jouw misschien weerzien in het land van de levenden waar ik naar toe ga. Dit hier is het land van, de stervenden!’

Als er een liefdevolle band is tussen Gods dienstknechten en Gods volk, wat voor zegen zullen ze dan ervaren! Paulus verliet hen en ging op naar Jeruzalem. Hij nam de bijdragen voor de gelovige Joden mee, en in zijn hart was een vurig verlangen om nogmaals voor zijn volk te getuigen. Paulus de prediker zou in Jeruzalem Paulus de gevangene van Jezus Christus worden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Moge de wil van de Heer gebeuren’ 

Handelingen 21

 

 

Inleiding

Deed Paulus verkeerd om naar Jeruzalem te reizen? Liet hij zich niet leiden door Gods Geest? Was hij ongehoorzaam en ging hij zijn eigen weg? Allemaal vragen die gesteld zouden kunnen worden bij de gebeurtenissen vermeld in Handeling 20 en 21. Los van het feit dat Paulus een apostel was, was hij ook een mens zoals u en ik. Zijn brieven waren geïnspireerd maar dat hield niet in dat alles wat hij deed perfect was. We gaan proberen antwoorden op deze vragen te krijgen of het nu goed of verkeerd van Paulus was om naar Jeruzalem te gaan. Twintig jaar eerder had de Heer Jezus de apostel Paulus bevolen om Jeruzalem te verlaten vanwege de Joden die zijn getuigenis niet aanvaarden (Hand.22:18). Paulus had zelf ook over de gevaren van de Joden in Judea aan de Romeinen geschreven (Rom.15:30-31) en hetzelfde deelde hij aan de oudsten van Efeze mee (Hand.20:22-23). Dus was Paulus zich volledig bewust van de gevaren die dreigden.

De herhaalde oproepen (Hand.21:4, 11) om niet naar Jeruzalem te gaan kunnen we zien als adviezen niet als een verboden. Agabus verbood Paulus niet om naar Jeruzalem te gaan; hij zei hem alleen wat hem te wachten stond mocht hij wel gaan. Het is waar dat Paulus vermeed om Jeruzalem te bezoeken, maar het is ook waar dat hij wel naar Jeruzalem ging bij enkele andere gelegenheden; tijdens een grote hongersnood (Hand.11:27-30), tijdens de apostelvergadering (Hand.15:1vv.) en na zijn tweede zendingsreis (Hand.18:22) waar hij opging naar Jeruzalem om de gemeente te Jeruzalem te groeten; ‘En in Caesarea aangekomen ging hij “op”…’. Bedoeld is: Hij ging ‘op’ Jeruzalem (Hand.11:2; 15:2; 25:1,9). Gelet op Paulus’ vermelding in Handelingen 23:1 en de bemoedigende woorden van de Heer in Hand.23:11, is het moeilijk aan te nemen dat de apostel Paulus Gods wil ongehoorzaam was. De vroegere profetie van Ananias stond op het punt in vervulling te gaan: ‘Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam’ (Hand.9:15).

In plaats van te twijfelen aan het doen en laten van de apostel Paulus zouden we hem eerder moeten eren voor zijn moed om naar Jeruzalem te gaan. Waarom? Er zijn meerdere mogelijke redenen waarom hij naar Jeruzalem moest. Ten eerste moest hij naar Jeruzalem ging om te bemiddelen in een steeds groter wordend probleem dat was ontstaan tussen wettisch gezinde Joden en de gelovigen uit de heidenen. Als sinds de apostelvergadering (Hand.15) was er onvrede ontstaan tussen wettisch gezinde Joden die hadden geprobeerd Paulus bekeerlingen terug onder de wet te brengen. Dat was een serieus probleem en Paulus wist dat hij niet alleen een deel van dat probleem was, maar ook het mogelijke antwoord. Hij vond niet dat hij daarvoor vertegenwoordigers kon sturen, hij moest zelf gaan. De tweede reden waarom Paulus naar Jeruzalem moest gaan was vanwege een eerder gedane belofte. Hij had zich eerder in Kenchrea zich het hoofd laten scheren vanwege een gelofte die hij had gedaan waarvan de tijd verstreken was (Hand.18:18). De offers die daarbij gebracht moesten worden werden geacht in Jeruzalem plaats te vinden (Num.6:13vv.; Hand.21:26). Tenslotte worden we in Handelingen 19:21 op de hoogte gebracht we van het voornemen van de apostel Paulus om naar Jeruzalem te gaan: ‘En toen dit alles voorbij was, nam Paulus zich voor door Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen, en hij zeide: ‘Als ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien’. Tijdens zijn reis had Paulus zich voorgenomen Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn (Hand.20:16). De apostel had al eerder de wens geuit om Rome te bezoeken maar dat die weg via Jeruzalem zou leiden daar zal hij op dat moment niet aan gedacht hebben’ (Rom.1:13). Daarom zegt Paulus in zijn rede tot de oudsten van Efeze: ‘En zie, nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar overkomen zal, behalve dat de heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt, dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan’. De reden was dat hij daar zijn bediening zou volbrengen met betrekking tot het verkondigen van het evangelie van de genade van God (Hand.20:22-24).

Toen Paulus na wat omzwervingen aankwam in Tyrus en de discipelen gevonden had verbleef hij daar zeven dagen. ‘Dezen zeiden Paulus door de Geest, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen’ (Hand.21:4). Nogmaals dit is geen verbod maar een advies vermoedelijk vanwege de gevaren die dat met zich mee bracht. Via Ptolemaïs kwamen ze dan aan in Caeseréa aan waar Paulus verscheidene dagen verbleef en logeerde bij de evangelist Filippus. In die periode kwam de profeet Agabus bij hen op bezoek ‘nam de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem’ (Hand.21:11-12). Het betreft dus hier een verzoek eerder dan een verbod; ‘ze verzochten hem’. Uit het antwoord van de apostel Paulus blijkt ook dat zij hem verzochten niet te gaan vanwege de gevaren: ‘Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus’. Paulus bleef bij zijn besluit om te gaan en de broeders respecteerden dat. Hun verzoek aan de apostel zagen ze niet in strijd met de ‘wil van de Heer’ (Hand.21:14). Trouwens de profetie van Agabus kwam ook niet zó uit als hij was uitgesproken want het waren niet de Joden die Paulus bonden om hem uit te leveren aan de Romeinen, het waren de Romeinen die hem uit de hand van Joden redden (Hand.21:27-33).

Conclusie

Alles overwegende mogen we concluderen dat Paulus er niet verkeerd aan deed om naar Jeruzalem te gaan, dat hij zich wel liet leiden door Gods Geest en dat hij niet in ongehoorzaamheid aan Gods wil zijn eigen weg ging.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX