Het leven van de aartsvaders Isaak & Jakob

 

 

 

 

Het leven van aartsvader Isaak

 

 

 

 

1. Profetische hoofdlijnen van het boek Genesis

2. Genesis 24 - 'Daar komt de Bruid!' - Een typologische verklaring

3. Genesis 24 - 'Daar komt de Bruid! - Een praktische verklaring

4. Genesis 25-26 - Isaaks huwelijk

5. Genesis 25-26 - Isaak de Erfgenaam

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Profetische hoofdlijnen van het boek Genesis

 

 

 

Genesis 12

Met de roeping van Abraham begint de geschiedenis van het volk Israël. God zou ze tot een grote natie maken, hen zegenen en tot een zegen doen zijn voor alle volken. Het heil is uit de Joden!

Genesis 14

Profetisch kunnen we de gebeurtenissen die na deze oorlog plaatsvonden, (de verbonden volkeren van de eindtijd, waarin het volk Israël in het bijzonder in het gedrang zal komen, maar waarin de vijanden zullen worden overwonnen) de tijd zien van, de Prins van de Vrede, de Koning van de Gerechtigheid, de grote Hogepriester, de Heer Jezus Christus, Die zal verschijnen om zijn volk Israël te zegenen. Dan zal Israël Hem erkennen zoals Abraham Melchizedek erkende als God de Allerhoogste.

Genesis 15

Het verblijf in Egypte, kunnen we zien als het opgaan van Israël temidden van de volkeren. Typisch is de beschrijving van de ‘rokende oven’; doet ons dat niet denken aan de Holocaust?

Hoofdstuk 21

‘Toen de volheid van de tijd gekomen was zond God zijn Zoon’ (Gal.4:4). Sara baarde Isaak, de zoon van de belofte. Isaäk en Ismaël beelden twee tijdperken, bedelingen uit. Hagar komt overeen met het aardse Jeruzalem, wier kinderen in slavernij zijn. Sara is het beeld van Jeruzalem dat boven is, en vrij!

Hoofdstuk 22

In dit hoofdstuk zien we Abraham als type van God die ‘zelfs zijn eigen Zoon niet spaarde, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft’ (Rom.8:32). Isaak is hier natuurlijk het beeld van de Heer Jezus, Die als een Lam ter slachtbank ging! We zien Isaak hier als: het Lam van God in zijn offer, sterven en opstanding.

Hoofdstuk 23

De zoon (Christus) was gekomen en Sara (Israël) verdween van dit aardse toneel. Sara is het type van Israël als natie en haar dood symboliseert de dood van Israël als natie. Deze gebeurtenis moet in verbinding gebracht worden met het voorgaande hoofdstuk.

Daar zagen we dat Isaäk op het altaar werd gelegd, maar er ook weer afkwam. Dit is het beeld van de dood en opstanding van de Heer Jezus. Onmiddellijk daarna, stierf Sara, door wie Isaak in de wereld kwam. De Heer Jezus kwam (naar het vlees) uit een Joods gezin! Israël, dat is Sara, werd begraven temidden van de Hethieten, dat een beeld is van de volkeren. Maar Israël heeft de belofte van herstel, uitgebeeld door de opstanding. God heeft Israël beloofd om ze uit het nationaal ‘graf’ weer op te zoeken, op te wekken en te brengen naar het land dat aan Abraham beloofd was.

Hoofdstuk 24

In dit hoofdstuk zien we Isaak de zoon en erfgenaam, met de vader die zijn knecht uitzend om een bruid voor zijn zoon te zoeken. Typologisch zien we hier de roep en thuiskomst van haar, die de troost is van de Zoon, na Israëls falen en nationale dood, de Gemeente. De knecht is een beeld van de heilige Geest. Hij werd uitgezonden nadat Christus was verheerlijkt en met de Pinksterdag begon Hij aan zijn dienst op aarde. Hij getuigde van de Vader en de Zoon; hoe rijk de Vader is en dat de Zoon de erfgenaam is. De heilige Geest roept mensen op, en voor hen die Hem gehoorzamen is Hij ook degene die hen naar de Bruidegom leidt.

Hoofdstuk 25

Abrahams huwelijk met Ketura en het nageslacht van haar besluit deze opmerkelijke geschiedenis. Dat dit huwelijk plaats had na het huwelijk van Isaak (typisch gezien: de bruiloft van het Lam) maakt het zeer interessant. Nadat de Gemeente voltallig is en de genadetijd op haar einde loopt, zal het zaad (lijfelijk) van Abraham gezegend worden en tot een zegen zijn voor de volkeren. Dat zal het resultaat van het nationale herstel van Israël. Dan zullen alle volkeren gezegend worden door Abraham nageslacht. Het nageslacht van Ketura staat voor de volkeren die het duizendjarig vrederijk zullen bewonen. ‘Isaak’ is echter de enige erfgenaam, ‘Abraham nu gaf alles wat hij had aan Isaak’. De volkeren werden weggezonden met ‘geschenken’.

Hiermee is de geschiedenis van Abraham geëindigd en stopt de typologische toepassing. In de volgende hoofdstukken wordt de draad weer opgenomen maar dan vanuit het leven van Jakob. Dat wordt al voor zijn geboorte aangeduid doordat God tegen Rebecaa zegt dat er twee volken in haar schoot zijn. (25:23).

Hoofdstuk 28

Abraham hebben we als een type gezien van de Vader; is Isaak het type van de Zoon in Jakob zullen we een type vinden van de heilige Geest. Jakobs geschiedenis is een voorafschaduwing van de geschiedenis van zijn zonen. Jakobs vertrek staat voor Israëls verdrijving uit hun eigen land om hun wandel en lijden onder de volkeren te ondergaan, totdat ze naar het land zullen worden teruggebracht om tot het hoofd van de volkeren te worden aangesteld. In de tuchtiging die over Jakob komt in de tijd bij Laban zien we Gods bestuurlijk handelen met Israël.

Hoofdstuk 29

In de tijd van zijn ballingschap in Padam-Aram gedurende twintig jaar lezen we niet dat God zich aan Jakob openbaard, evenals in de tijd dat Israël onder de volkeren verstrooid is. In die periode is de Gemeente de ontvanger, drager en uitvoerder van Gods raadsbesluit in de kracht van de heilige Geest (1 Tim.3:15).

We lezen niets van het sterven van Rebekka in de Bijbel. Zoals we hebben gezien was Rebekka een beeld van de Gemeente. Nadat het verslag in Genesis overgaat van Isaak naar Jakob horen we niets meer van Rebekka. Rebekka is verborgen op de achtergrond aanwezig en ontmoet haar God, zoals ook de Gemeente en de opname van de Gemeente tot haar Heer een verborgenheid is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Daar komt de Bruid!’

Genesis 24 

Een typologische verklaring

 

 

 

Inleiding

Wie ook maar een klein beetje op de hoogte is van de typologie van de Bijbel weet dat het grootste gevaar daarin schuilt om alles te willen verklaren. Typologie kan worden omschreven als de leer van de typen, voorafschaduwingen van latere geestelijke werkelijkheden. Zo paste de Heer Jezus het onderwijs van het Oude Testament betreffende de koperen slang op Zichzelf toe (Num.21:9; Joh.3:14-15). We onderscheiden meerdere soorten types: stoffelijke, persoonlijke en historische. Ik geef van elk een voorbeeld. De tabernakel is een type van het hemels model (Heb.8:5), Adam is een type van Christus (Rom.5:14) en de zondvloed is een type van de doop (1Petr.3:21). Andere soorten van types zijn: gebeurtenissen, feesten, plaatsen, voorwerpen en ambten. Voor meer onderwijs over typologie verwijs ik u naar de literatuurlijst onderaan dit artikel.

We mogen types daarom dan zien als illustraties van nieuwtestamentische waarheden (Heb.8:5; Gal.4:24; 1Kor.10:4; Heb.10:1; Rom.5:14; 1Kor.5:7; 9:9). Zo heeft niemand ernstige bezwaren tegen de toepassing om in Izaäk een type van de Heer Jezus te zien die door zijn Vader wordt geofferd voor de zonden van de mens in Genesis 22. Izaäk is ook een type van de zondaar die geoordeeld dient te worden om zijn eigen zonden maar die een vervanging vindt in de Heer Jezus, die voorgesteld wordt in de ram in het doornstruik (Gen.22:9). Daarom ben ik van mening dat de Bijbel en in ons geval het boek Genesis, niet een verzameling is van toevallig aaneengeplakte verhalen, maar met een duidelijke geestelijke structuur waarin een diepere betekenis in verborgen ligt. Het ontdekken daarvan is een grote verrijking bij het lezen van Gods Woord.

Voordat we aan de bespreking van hoofdstuk 24 beginnen geef ik hierbij een overzicht van de gebeurtenissen van de betrokken hoofdstukken. In hoofdstuk 22 is Abraham een type van God de Vader die zijn Zoon offert, Izaäk een type van de Zoon die zijn leven geeft als offer. Onmiddellijk na het offer van Isaak lezen we over de geboorte van Rebekka. De komst van de Gemeente, waarvan Rebekka en type is, heeft het offer van Christus als basis. In hoofdstuk 23 is de stervende Sara een type van de tijdelijke terzijdestelling van Israël waardoor er ruimte kwam voor de Gemeente. In hoofdstuk 24 is de Abraham een type van de Vader, de knecht een type van de heilige Geest, Rebekka van de Gemeente en Isaak van de Heer Jezus. Tenslotte is Ketura (de ‘nieuwe’ vrouw van Abraham) (25:1) een type van het toekomstig Israël. Zoals Abraham zijn knecht zond om een bruid voor zijn zoon te zoeken zien we in het Nieuwe Testament dat God zijn Geest heeft gezonden om een bruid voor zijn Zoon te verwerven. Na de bereidverklaring van Rebekka gaat de knecht met haar op weg naar de bruidegom. Isaak neemt haar tot vrouw en ontvangt de erfenis van zijn vader.

De wil van de Vader (Gen.24:1-9)

Het is toch vreemd dat het langste hoofdstuk van het boek Genesis gaat over hoe een vader op zoek gaat naar een vrouw voor zijn zoon. Ik geloof dat het ons een beeld geeft van hoe de hemelse Vader een bruid voor zijn Zoon zocht (Mat.22). Abraham was 140 jaar oud en was rijk aan bezittingen. Hij zou nog 35 jaar leven (21:5; 25:20). Mogelijk is zijn ouderdom de reden dat hij de tijd gekomen achtte dat hij een vrouw voor zijn zoon moest zoeken opdat er volgens de belofte nakomelingen zouden komen en hij Isaak ook het land Kanaän als erfenis zou kunnen geven (12:1-3; 13:14-17; 15:18; 21:12).

Als we de typologische hoofdlijn doortrekken dan zien we dat de Vader voor zijn Zoon een bruid zocht. De bevestiging daarvan zien we in het Nieuwe Testament onder andere in de gelijkenis van de bruiloft (Mat.22:1-14). We zien daar dat de koning (God) die een bruiloft voor zijn zoon aanricht en daarvan de uitnodiging doet uitgaan. Omdat op de eerste uitnodiging geen reactie kwam volgde later een tweede (22:8v.). De eerste uitnodiging was gericht aan het volk Israël en de tweede ‘aan allen die u er zult vinden’ (vs.9). Dit staat echter een later herstel van het volk Israël echter niet in de weg want zover gaat die gelijkenis niet. Let wel het initiatief om een bruiloft voor zijn zoon aan te richten gaat uit van de Vader en dat komt ook overeen met het getuigenis van het Nieuwe Testament. ‘Simeon heeft verteld hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn naam’ waarna ‘de vervallen hut van David weer zal worden opgebouwd die vervallen is’ (Hand.15:14,15). Hieruit blijkt tevens dat de Gemeente een tijdelijk fenomeen is en dat Israël haar plaats weer zal innemen wanneer de Gemeente is opgenomen. Ook in de volgende tekst zien we dat de actie van God uitgaat. ‘Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de heilige Geest u als opzieners heeft gesteld om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het eigen bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand.20:28).

Het getuigenis van de knecht (Gen.24:10-49)

Het mag duidelijk zijn dat de knecht een beeld is van de heilige Geest die uitgezonden is om een vrouw voor de zoon van zijn Heer te zoeken. Het werk van de heilige Geest om dat te bewerkstelligen is dan ook het voorwerp van het grootste deel van dit hoofdstuk. Het werk van de Geest, in het brengen van het evangelie duurt nu al bijna tweeduizend jaar. En als we letten op de huidige gebeurtenissen in deze wereld geloof ik dat we spoedig onze Heer zullen ontmoeten. De knecht zoekt de bruid, leidt haar door de woestijn en na een lange reis zal ze haar heer ontmoeten . Een verdere uitleg is hier overbodig, denk ik.

Hoewel de methode anders is dan vandaag zijn de principes hetzelfde; de knecht had als opdracht meegekregen dat het geen vrouw uit de Kanaänieten mocht zijn (Deut.7:3). Met andere woorden geen ongelijk juk aangaan; ‘mits in de Heer’ (1Kor.7:39; 2Kor.6:14). ‘Uit de volken een volk aan te nemen voor zijn Naam’ (Hand.15:14). Het niet houden aan dit voorschrift en toch in een huwelijk een ongelijk juk aangaan heeft in het verleden en heden voor veel verdriet gezorgd. Vandaar de vraag van de knecht: ‘Wiens dochter zijt gij?’ of zoals we het nu zouden zeggen: ‘Ben je een kind van God?’ (vs.23). Het zou ons te ver voeren om op alle details in te gaan en beperken we ons tot het moment dat knecht de toekomstige bruid gevonden heeft (vs.22). Van de heilige Geest zegt de Heer Jezus ‘dat Hij Mij zal verheerlijken, want Hij zal uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:14). ‘Maar wanneer de Voorspraak is gekomen, die Ik zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen’ (Joh.15:26).

In zijn getuigen naar Rebekka spreekt de knecht van de grootheid en rijkdom van zijn heer en diens zoon. Hij verheerlijkt de vader en zoon. ‘De Here heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij rijk geworden is; Hij hem gegeven kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. Paulus zegt het zo: ‘Christus in Wie al de schatten van de wijsheid en de kennis verborgen zijn’ (Kol.2:3) en ‘Christus Die rijk was’ (2Kor.8:9). De knecht getuigd verder: ‘En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit’ (24:35-36).

Het gaan van de Bruid (Gen.24:50-60)

Voor Rebekka was het bezoek van Abrahams knecht natuurlijk totaal onverwacht maar niet zonder effect. De knecht had zich uitgeput in lofuitingen van zijn heer. Hij geeft God de eer die zijn weg voorspoedig had gemaakt (24:21). Hij had zijn opdracht zo goed ten uitvoer gebracht dat hij als gast werd verwelkomd in het huis van Betuël. Het getuigenis van de knecht had een zodanige indruk gemaakt op Betuël en Laban dat ze er Gods hand in erkenden. De uitnodiging om te eten stelde de knecht uit want hij wilde eerst zijn opdracht ten einde brengen.

Zoals in de inleiding als is gezegd is de knecht een type van de heilige Geest die getuigenis gaf van de rijkdommen van zowel de Vader als de Zoon als de erfgenaam. De heilige Geest spreekt niet over Zichzelf maar over de Vader en de Zoon en maakt hun plannen bekend, en zoals de knecht in zijn opdracht is geslaagd, zal ook de heilige Geest slagen in zijn opdracht om een Bruid voor de Zoon bijeen te verzamelen uit deze wereld.

En nog meer tot de verbeelding sprekend is de persoon van Rebekka die een type is van de Gemeente. Voor de eerste keer verneemt Rebekka wat het doel van de komst van de knecht is; hij zoekt een vrouw voor de zoon van zijn heer (vs.48). Ze had de boodschap nu gehoord en geloofde het getuigenis van de knecht. Toen ze de zilveren en gouden sieraden en de klederen ontving (vs.53) was ze overtuigd zowel van de rijkdom van de heer van de knecht alsook van de liefde van de zoon want hij was immers de toekomstige erfgenaam die zijn rijkdom met haar wilde delen. Daarom was er ook geen uitstel van haar vertrek mogelijk en op de vraag: ‘Wilt gij met deze man meegaan?’, zei ze: ‘Ja’ (vs.58). Maar ook de knecht wilde geen uitstel; hij had zijn opdracht voltooid en wenste nu zo snel mogelijk Rebecca voorstellen aan de zoon van zijn heer (vs.56). Betuël en Laban gaven toestemming dat Rebecca met de knecht meeging om de vrouw te worden van de zoon van zijn heer Isaak.

De ontmoeting van Bruid en Bruidegom (Gen.24:61-67)

Zich volledig overgevend aan de knecht gaat Rebecca op weg naar de ontmoeting met Isaak. Isaak van wie ze alleen maar gehoord had, maar nog niet had gezien. De toepassing is eenvoudig. De zondaar die het getuigenis en de boodschap van het Evangelie hoort en geloofd ontvangt de heilige Geest als zegel van zijn toekomstige erfenis (Ef.1:13-14). Zijn hart wordt losgemaakt van de wereld en hecht zich aan Hem, die ons liefheeft en die wij ook lief hebben gekregen, ook al hebben wij Hem nog nooit gezien (1Petr.1:8). ‘Toen maakte Rebekka zich met haar dienstmaagden gereed en zij reden op kamelen weg, en volgden de man. De knecht nam Rebekka mede en ging heen’ (vs.61). Het is niet bekend hoe lang de reis heeft geduurd, maar de afstand is mogelijk 800 kilometer geweest. Rebecca was niet op de hoogte van de bijzonderheden van de reis en welke de mogelijke gevaren en moeilijkheden deze zouden kunnen geven en ook niet hoe lang het zou duren voordat ze haar bruidegom zou ontmoeten. Maar haar gedachten zullen zich daar niet mee hebben beziggehouden, ze was gericht op het verlangen hem te ontmoeten waarvan ze al zoveel had ontvangen en nog zou ontvangen! Isaak was in haar hart en voor haar ogen. Ook wij zijn op reis naar Iemand van wie we hebben gehoord en hebben lief gekregen en verlangen naar de ontmoeting met onze Heer, maar we weten niet hoe lang de reis zal duren, maar ‘voor hen, die 't heil des Heren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog’.

‘Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak zag, liet zij zich van de kameel glijden. En zij zeide tot de knecht: Wie is die man daar, die ons tegemoet komt in het veld? En de knecht zeide: Dat is mijn heer (vs.64-65). Isaak kwam Rebecca tegemoet van de bron Lachaï-Roï, (‘bron van de levende’) en daar ontmoeten ze elkaar. De knecht stelde Rebecca aan Isaak voor en bracht verslag uit. Zoals Isaak Rebecca tegemoet kwam, op dezelfde wijze zal de Heer Jezus zijn Gemeente, waarvan Rebecca een type is, tegemoet komen in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen (1Thes.4:17). Zonder twijfel kunnen we zeggen dat Isaak ook een sterk verlangen had om zijn bruid te zien, als dat Rebecca de bruidegom wilde zien, want ‘Hij verlangt nog meer dan wij! Hij heeft zich alles ontzegd om de vreugde die voor Hem lag (Heb.12:2). ‘Christus heeft zijn gemeente liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet’ (Ef.5:25-27). We zullen Hem zien zoals Hij is. Voordat de nacht viel (vs.63), een type van de komende oordelen over deze wereld, bracht Isaak haar in de tent waarna het huwelijk voltrokken werd (Op.19). Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.

Tenslotte

Ik wil nogmaals betonen dat ik hiermee een typologische verklaring van Genesis 24 heb gegeven, waarmee u misschien niet zo mee vertrouwd bent. Ik raad u dan ook aan om de inleiding nog eens te lezen. Het kan ook zijn dat het u ontbreekt aan een totaaloverzicht van de Bijbel, of dat u onbekend met het verschil tussen Israël en de Gemeente, dan raad ik u aan om u daarvan op de hoogte te brengen. De beknopte literatuurlijst hieronder zal u daarbij kunnen helpen.

Literatuurlijst

A Dictionary of Bible Types – Walter L.Wilson

Evangelical Dictionary of Theology – Walter A.Elwell

Systematic Theology – Lewis Sperry Chafer

De Geest van God – Ouweneel, W.J.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

  

‘Daar komt de bruid!’

Genesis 24

Een praktische verklaring

 

Inleiding

Hoofdstuk 24 behoort tot de meest geliefde gedeelten van het boek Genesis. Het aantal verzen van dit hoofdstuk overtreft verre dat van de schepping, waarover we graag iets meer hadden geweten. Waarom dan zo’n lang verhaal over Isaaks huwelijk met Rebekka, is het niet daarom dat hier een diepe geestelijke waarheid achter schuil gaat? Daarover kunt u lezen in het artikel met hetzelfde onderwerp ‘Daar komt de Bruid!’ maar in de typologische uitleg. Dit artikel wil meer de nadruk leggen op de praktische toepassing en gelet op het onderwerp, relatie en huwelijk, is dat meer dan nodig in onze wereld. De Bijbelse normen voor wat betreft het huwelijk, worden met voeten getreden. Ik wil ook niet zeggen dat het voor jongeren die opgegroeid zijn in een christelijk gezin, gemakkelijk is om een partner te vinden. In veel evangelische kerken is het aantal jongeren vaak gering in aantal en dat maakt het vinden van een partner er niet gemakkelijker op. Maar ik geloof wel dat als een jongen of meisje hun verlangen ernstig in gebed aan God voorleggen dat dat de meest aangewezen weg is om een partner te vinden.

Abraham op zoek naar een bruid (24:1-9)

Dit is het langste hoofdstuk van Genesis en het concentreert zich op geloof, hoop en liefde. Abraham is nu 140 jaar (25:19-20 en 21:5) oud en zou nog 35 jaar leven. God had hem rijkelijk gezegend, zowel geestelijk als materieel, maar Abraham wilde er zeker van zijn dat de zijn zoon de juiste bruid zou krijgen. Wellicht is zijn hoge leeftijd de reden om een vrouw voor Isaak te zoeken om een tijdige overdracht van zijn bezittingen te garanderen. Hoe wist Abraham dat God ervoor zou zorgen dat zijn zoon de juiste bruid zou krijgen? Hij vertrouwde op Gods beloften! Isaak was Gods bezit. Abraham had hem enkele jaren daarvoor op het altaar gelegd, en hij wist dat God in deze ‘nood’ zou voorzien. Anders zou het beloofde nageslacht immers niet geboren kunnen worden als Isaak geen bruid zou krijgen. De vrouw zou uit de familie van God moeten komen; het mocht niet iemand zijn uit de heidense volkeren. Natuurlijk waren er genoeg mooie meisjes uit de omringende volkeren die graag met Isaak zouden trouwen om daardoor te kunnen delen in zijn rijkdommen, maar dat was tegen de wil van God. In de verzen 6 en 8 wordt dit benadrukt met de woorden: ‘Maar gij zult naar mijn land en naar mijn maagschap gaan om een vrouw te nemen voor mijn zoon Isaak’ (vs.4-8). Een principe dat ook nu nog geldt: ‘mits in de Here’ is het advies van de apostel Paulus (1Kor.7:39-40; 2Kor.6:14-18). Het is jammer als de ouders soms nalaten hun kinderen daarin op de juiste wijze voor te lichten want daardoor zullen ze Gods zegen missen. Voor adolescenten is het ook niet eenvoudig om rationeel een beslissing te nemen met zulke verstrekkende gevolgen voor het latere leven. Abraham wilde liever dat zijn zoon ongehuwd zou blijven dan dat hij zou terugkeren naar Ur, of dat hij zou trouwen met een heidense vrouw. Dat geeft nog maar eens aan hoe belangrijk een huwelijksrelatie is. Moest in de toenmalige cultuur de vader een bruid voor zijn zoon zoeken, vandaag is dat totaal anders en loopt (vader en moeder) vaak achter de feiten aan…

De taak van de knecht (24:10-49)

De wijze waarop een jongen aan een meisje geraakte is heel verschillend in vergelijking met onze tijd en cultuur. Het initiatief ging van de vader, Abraham, uit. De familie van Rebecca moest zich ook kunnen vinden in een relatie zoals we kunnen lezen (vs.55-60). In veel landen en culturen vinden we dit gebruik nog in praktijk. Welke praktische lessen kunne wij uit dit gedeelte leren? Ten eerste de knecht, van wie de naam niet bekend is, is een beeld van de heilige Geest die uitgezonden wordt door de Vader, hier Abraham, die een bruid zoekt voor de bruidegom. Zoals de knecht gebonden was aan de opdracht en de voorwaarden door zijn meester gegeven, zijn ook de gelovigen gebonden aan de voorwaarden die hun gegeven zijn. De facto betekend dat voor een gelovige, dat de toekomstige partner ook gelovig behoort te zijn. ‘Mits in de Heer’ en ‘Geen ongelijk juk’ zegt het Nieuwe Testament (1Kor.7:39; 2Kor.6:14). Hier wordt het uitgedrukt met de woorden ‘mijn land en naar mijn maagschap’ (vs.4). Op het voorstel van de knecht in het geval die vrouw hem niet zou willen volgen of hij dan Abrahams zoon zou moeten terugbrengen naar het land, vanwaar Abraham uitgetrokken was, antwoorde Abraham: ‘Wacht u ervoor mijn zoon daarheen terug te brengen (vs.6).

Verder zien we dat de knecht zo bekommerd was om zijn taak te volbrengen dat hij niet om voedsel gaf (v.33; Joh.4:31-34). Vaak stellen wij fysieke zaken boven de geestelijke. De knecht ontving zijn opdracht van zijn meester en hij veranderde deze niet. Hij geloofde in gebed (Jes. 65:24; 2Kon.20:4; Dan.9:20vv.) en wist op de Heer te wachten. Er is geen plaats voor overhaast handelen in de dienst van de Heer. De knecht vertrouwde op de leiding van de Heer: ‘de Here heeft mij geleid op de weg…’ (vs.27; Joh.7:17). Toen hij wist wat Gods wil was, stelde hij het niet uit, maar haastte zich om zijn opdracht verder uit te voeren. De gastvrijheid was een mooie ervaring, maar hij had een opdracht te vervullen voor zijn meester dus moest al het andere wachten. Merk op dat de knecht bij zin terugkeer verslag uitbracht aan zijn meester (vs.66). Ook wij zullen eenmaal verantwoording dienen af te leggen voor Christus voor wat wij gedaan hebben (2Kor.5:10). De kenmerken die de knecht openbaarde, zoals bereidheid, trouw, gebed en leiding zouden ook bij ons gevonden moeten worden. ‘Hij zal Mij verheerlijken’ zei de Heer Jezus van de heilige Geest. (Joh.16:14).

Rebekka’s beslissing (24:50-67)

Toen Rebekka water ging putten voor de knecht en de kamelen heeft ze niet kunnen bevroeden wat de uitkomst van die daad zou zijn! Zij zou de vrouw van Isaak worden en de moeder van Jakob de vader van de 12 stammen van Israël. Nu moest Rebekka weer een belangrijke beslissing maken: zou ze thuis bij haar familie blijven om daar als dienstmaagd te blijven, of zou ze door te geloven in de woorden van de knecht naar Isaak gaan, een man die ze nooit gezien had (1Petr.1:8-9). Er kwamen belemmeringen op haar weg; haar broer wilde dat ze nog een tijdje zou blijven (vs.55); de reis zou lang en moeilijk zijn, en ze moest haar geliefden verlaten, en ze had Isaak nog nooit gezien. Maar dat weerhield er haar niet van om te vertrekken; het onbekende tegemoet, zoals eerder haar toekomstige schoonvader ook had gedaan (Heb.11:8).

De wereld geeft vaak als raad om te wachten, zoals Laban zijn zuster adviseerde. Maar toen de materiële voordelen ter sprake kwamen, had Laban wel haast! (vs.28-31). We vragen ons af of hij de knecht inviteerde uit vriendelijkheid of omdat hij op voordeel uit was. Met Laban zullen we nog uitgebreid kennis maken wanneer we de geschiedenis van Jakob zullen behandelen. Zondaars zijn over het algemeen niet zo haastig als over het behoud van hun ziel, of dat van een ander gaat. Tot zover had Rebekka haast getoond (vv.18-20, 28), maar nu wilde men haar intomen. ‘Zoekt de Here, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is’ (Jes.55:6). We kunnen alleen maar Rebekka’s keuze waarderen: ‘Ik zal gaan.’ Deze geloofsdaad veranderde haar leven. Ze veranderde van een dienstmeisje in een bruid, van de eenzaamheid van deze wereld in vreugde en liefde en vriendschap, van armoede tot (Isaaks) welvaart (2Kor.8:9). Heeft ze de gehele rijkdom van Isaak gezien? Natuurlijk niet! Dat zou onmogelijk geweest zijn! Wist ze alles over hem? Nee. Maar wat ze hoorde en zag, overtuigde haar dat ze moest gaan. Gelijk als nu, de Geest tot de zondaars spreekt en hen de dingen van Christus voorstelt, voldoende is om tot een beslissing te komen. ‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom!’ (Op.22:17).

Rebecca ontmoet Isaak (24:62-67)

Eerst op het eind van dit hoofdstuk komt de eigenlijke hoofdpersoon in beeld: Isaak. Hij zal wel op de hoogte zijn geweest van het voornemen van zijn vader Abraham en de uitzending van de knecht maar we lezen daar niets van. Mogelijk wist hij wel iets wat blijkt uit het gegeven dat de knecht verslag aan hem uitbrengt. We krijgen een romantisch beeld wanneer we lezen dat Isaak tegen het vallen van de avond uitging in het veld om te peinzen; wellicht viel het overlijden van zijn moeder hem nog moeilijk. Had hij misschien zitten te berekenen wanneer de tijd aan zou breken dat de knecht terugkwam, in elk geval was het niet voor niets dat hij Rebekka tegemoet reed.

Rebekka’s geloof werd beloond. Haar naam is vermeld in Gods Woord; ze deelde in Isaaks liefde en rijkdom, en ze ging een belangrijk deel uitmaken van Gods plan. Als ze geweigerd had om mee te gaan, dan zou ze als een onbekende vrouw gestorven zijn. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’(1Joh.2:17). ‘Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak zag, liet zij zich van de kameel glijden. En zij zeide tot de knecht: Wie is die man daar, die ons tegemoet komt in het veld? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Daarop nam zij de sluier en bedekte zich. Toen bracht Isaak haar in de tent van zijn moeder Sara, en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij kreeg haar lief. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder’ (24:24-67). Let op: ‘Isaak kreeg haar lief’, dat geheel tegen ons gebruik in, maar wel iets om over na te denken.

Tenslotte

Hoofdstuk 24 is een prachtige geschiedenis over het samenkomen van een man en een vrouw. In os maatschappij zien we dat het sprookje niet blijft duren als je niet aan je huwelijk werkt. We lezen dat Isaak Rebecca lief krijgt nadat hij haar tot vrouw had genomen (vs.67). Een vrouw die relatieproblemen had met haar man, zei tot haar psychiater: ‘Ik hou niet meer van mijn man’, waarop de psychiater antwoorde: ‘Dan moet je dat maar leren!’. Tegenwoordig worden er geen pogingen meer ondernomen om een huwelijk te redden, eerder het tegenovergestelde, met zo snel mogelijk tot de ontbinding ervan over. De statistieken spreken boekdelen over huwelijk en scheiding. ‘Want Ik haat de echtscheiding, zegt de Here’ (Mal.2:16). Dat wil mijn inziens niet zeggen dat God de echtscheiding verbiedt, maar de gevolgen voor de partners en niet te vergeten de eventuele kinderen zijn groot. ‘Een daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit. Ook het huwelijk van Isaak en Rebecca bleef niet voortduren zonder dat er problemen en zorgen kwamen, daarvan getuigt de Schrift ook.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het huwelijk van Isaak en Rebecca

Genesis 25-26

 

Inleiding

Het is niet gemakkelijk een artikel over het huwelijk te schrijven in een wereld waarin de hoekstenen van de maatschappij gesloopt worden. In België is binnen twee jaar de helft van de gesloten huwelijken geëindigt in een scheiding. Wie durft nog te beginnen aan een vaste relatie? Velen kiezen dan ook voor het samenwonen of een latrelatie. Een latrelatie is een liefdesrelatie waarbij twee minnaars een in hoofdzaak monogame relatie hebben en ervoor kiezen geen gezamenlijke huishouding te voeren, maar apart te blijven wonen. Voor deze relatievorm wordt meestal gekozen als beide partners hun zelfstandigheid niet willen opgeven. (LAT is: Living Apart Together). ‘God haat de echtscheiding’ (Mal.2:16) maar Hij verbiedt het niet, want hij heeft bevolen in voorkomend geval een scheidbrief te schrijven, dit vanwege de hardheid van hun harten. (Deut.24:1,3; Mat.19:7; Mark.10:5). Persoonlijk geloof ik dat God de echtscheiding haat vanwege de enorme gevolgen die het met zich meebrengt, zowel op materieel als geestelijk gebied. De grootste slachtoffers van een scheiding zijn de kinderen. In amper één generatie is de maatschappij onherkenbaar verandert, sneller en meer dan ooit tevoren. Misschien vindt u het bovenstaande te zwart wit en te negatief dan kan mogelijk zijn, maar als ik om mij heen kijk zie ik een seculiere wereld, d.w.z. een proces waarbij de Kerk en het geloof onttrokken worden aan het maatschappelijk leven en dat heeft zijn gevolgen.

Laten we ons daarom maar met een mooier voorbeeld bezighouden, zoals het verhaal van Isaak en Rebecca. Het lijkt erop dat Isaak en Rebekka elkaars tegenpolen waren, wat je vaker ziet in relaties. Isaak bleek een rustige man (24:63) die, als het even mogelijk was moeilijkheden liever uit de weg ging, zoals we nog zullen zien. Rebecca was meer de persoon die tot het initiatief overging. Daar is niets mis mee zo lang er maar wederzijds respect is en iedere partner de plaats inneemt die God hem of haar heeft toebedeeld. Maar een huwelijk beginnen is één ding, er iets van te maken is een ander; dat vereist inspanning en volharding van beide partners.

Een goed begin…

‘En Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam’ (Gen.25:20)

Een goed begin wil niet zeggen, een goed einde, want ook het huwelijk van een gelovige kan in een scheiding eindigen. De Bijbel vergund ons een blik in het huwelijk van Isaak en Rebecca. De Bijbel stelt de zaken nooit mooier voor dan dat de werkelijkheid is. Denk maar aan het leven van koning David die overspel pleegde met Batseba. Ook in het huwelijk van Isaak en Rebecca worden de zaken verhaald zoals ze zich voordeden. In de huidige maatschappij wordt het huwelijk voorgesteld als een sprookje. Hoe komt het dan dat het ‘sprookje’ in veel gevallen al na twee jaar voorbij is? Is het niet daarom dat veel relaties te vlug of niet op een juiste manier tot stand zijn gekomen? In de reclame is het allemaal rozengeur en maneschijn, zoals het gezegde luidt, maar zo gauw er een haar in de boter komt stort het (huwelijks-) wereld in. Helaas zien we in de gebeurtenissen die zich voordoen in het leven van Isaak en Rebecca dat het huwelijk onder druk kan komen te staan. Wat wil je ook wanneer na twintig jaar huwelijk er nog geen kinderen komen en dat terwijl Isaak de zoon van de belofte is. Maar de oplossing was op komst!

Teleurstellingen

‘Nu bad Isaak de Here voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Here liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd zwanger’ (Gen.25:21)

Dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag zien we in dit gedeelte (Jak.5:16). Elk huwelijk kent ook zijn ‘ups’ en ‘downs’ ook dat van een gelovige zoals we zien in dat van Isaak en Rebecca. Terwijl Ismaël twaalf zonen heeft, krijgen Isaak en Rebekka geen kinderen. Dat was een grote beproeving. Deze tegenslag bracht Isaak op de knieën want vanwaar zou anders zijn hulp komen (Ps.121:1-2) en met resultaat want ‘de Here liet zich door hem verbidden’ (25:21). Gelukkig wist Isaak van zijn ouders wáár hij hulp kon vinden! Rebekka volgde het voorbeeld van haar man toen de kinderen in haar binnenste tegen elkaar stootten. ‘Daarop ging zij de Here vragen’ (25:22). Daarmee vervulde ze wat later door Jakobus werd opgeschreven in zijn brief: ‘Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen’ (Jak.1:5). Het antwoord dat Rebecca krijgt is tweeledig: ‘Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar wezen’ (25:23).

Bij de geboorte van de tweeling is het eerste kind dat tevoorschijn komt ‘rossig, geheel als een haren mantel’ (25:25). Als de broer van Ezau tevoorschijn komt, houdt zijn hand de hiel van Ezau vast. Daaraan dankt Jacob zijn naam. De Hebreeuwse uitdrukking voor bedriegen is: de hiel vastpakken. Daarom krijgt Jacob deze dubbelzinnige naam. Hij is de hielenlichter maar dat betekent wellicht ook de bedrieger. Hoe gelukkig Isaak en Rebecca ook geweest zullen zijn met de geboorte van de tweeling, het zou later een oorzaak van verdeeldheid in het gezin worden.

Ergernissen

‘Toen Esau veertig jaar oud geworden was, nam hij tot vrouw Jehudit, dochter van de Hethiet Beëri, en Basemat, dochter van de Hethiet Elon. En zij waren een kwelling des geestes voor Isaak en voor Rebekka’ (Gen.26:34)

Esau heeft voor zover de Schrift het ons meedeelt, drie vrouwen gehad. De twee eersten waren Jehudit en Basemat beiden een dochter van een Hethiet. Wat de beweegredenen van Esau zijn geweest om met deze vrouwen een relatie aan te gaan weten we niet, in ieder geval wordt het duidelijk wat zijn hart naar uitgaat. Later trouwt Esau ook nog met Machalat, een dochter van Ismaël (28:9). Je ziet dat kinderen lang in een gezin dat God dient kunnen meelopen, maar op zekere dag komt het hart openbaar in de keuzes die ze maken. We zien dat geïllustreerd in het leven van Lot die uiteindelijk kiest voor Sodom (Gen.13:10-13). Ook vandaag de dag zien we dat in de massale kerkverlating. We leven in een tijd dat we ‘het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient’ (Mal.3:18; Op.22:11). Wanneer Esau de leeftijd van veertig heeft bereikt, vindt hij het tijd om een vrouw te zoeken; het worden en gelijk twee. Dat het Rebecca de keuze van Esau erg hoog zat blijkt later nog maar eens bij het vertrek van Jakob naar Laban. ‘Voorts zeide Rebekka tot Isaak: Ik walg van mijn leven om die Hethitische vrouwen; indien Jakob zich nu ook zo’n Hethitische vrouw neemt uit de dochters des lands, waarvoor leef ik dan nog?’ (27:46). Vertaald naar onze tijd zien we dat veel vaker een relatie wordt aangegaan met een ongelovige, tot grote droefheid van de ouders. Hoewel, is dat wel zo of hebben zich al niet veel ouders zich er al bij zo’n keuze hebben neergelegd en het ook allemaal niet meer zo erg vinden?

Verdeeldheid en scheiding

‘En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief’ (Gen.25:28)

We zien dat de kinderen oorzaak werden van de verdeeldheid in het gezin van Isaak. Dat was niet alleen de schuld van de kinderen maar ook van de voorkeur van de ouders! (vs.28). In hoofdstuk 27 komt dat veel duidelijker aan de oppervlakte en gaan we er daar wat meer op in. Jakob eb Esau waren kinderen van dezelfde vader en moeder en toch zo verschillend. Hetzelfde zien we bij Kaïn en Abel (Gen.4). Het is niet verkeerd een voorkeur te hebben voor een bepaald kind in het gezin, maar dat mag nooit zichtbaar worden voor de anderen. Het lijkt in de voorkeur die Isaak en Rebecca voor de kinderen hebben dat het hun elkaar tegenpolen zijn. Wat je zelf niet hebt, vindt je bij een ander. Bij veel echtparen zie je vaak hetzelfde. We krijgen de indruk dat Isaak een wat timide man is die liever confrontaties uit de weg gaat dan ertegen op te treden. Zijn voor keur is Esau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld (25:27). Rebecca op haar beurt is iemand die overgaat tot het initiatief, ze is ondernemend en haar voorkeur is Jakob, een huiselijk man, die in tenten woonde (25:27). Rebecca maakte het plan, om Jakob te doen doorgaan voor Esau en op deze wijze de zegen van de eerstgeborene door haar jongste zoon te doen toekomen; zij hielp mee de uitvoering van het plan (Gen27). We zien dat de eenheid die er in het begin van het huwelijk was, weg is. We horen niet meer van gebed of overleg. De verdeeldheid is optimaal. Het wegsturen van Jakob door Rebecca naar haar broer Laban brengt ook scheiding teweeg; het gezin ‘valt uit elkaar’. Rebecca zou ‘haar’ Jakob nooit meer terugzien. Wanneer Rebekka gestorven is weten we niet, wel dat ze samen met Isaak begraven is geworden in de spelonk in het veld van Makpela, waar ook Abraham, Sara en Lea begraven waren (Gen.49:30-32).

De liefde vergaat nimmermeer

‘Toen hij lange tijd daar geweest was, en Abimelek, de koning der Filistijnen, eens door het venster keek, zag hij, en zie, Isaak was aan het minnekozen met zijn vrouw Rebekka’ (Gen.26:8)

Het woord verliefdheid komt in de Bijbel niet voor. Verliefdheid richt zich meer op het fysieke, het seksuele maar dat kan geen basis zijn voor een duurzame relatie. Wanneer men spreekt over liefde dan bedoelt men vaak seks, maar dat is het gevolg van liefde; Liefde is een geestelijke zaak, van hart tot hart. Je hebt iemand lief, niet om wat zij of hij is, maar wie zij of hij is. ‘Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt’ is het advies van Prediker (9:9). Sexualiteit hoort in het huwelijk thuis en waar het legitiem is waar je ervan kan genieten. ‘Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en huwelijksleven onbezoedeld’ (Heb.13:4). ‘Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd: een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar liefkozingen. Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van een onbekende omarmen? (Spr.5:18-20).

Het is niet duidelijk wat met het woord ‘minnekozen’ wordt bedoeld; wat heeft Abimelech gezien? De diverse vertalingen geven geen duidelijkheid.  In ieder geval was het een uiting van liefde voor elkaar. Rebecca moet ongeveer zestig jaar zijn geweest, maar dat wil niet zeggen dat ze onaantrekkelijk was. Abimelech vreesde dat de mogelijkheid bestond dat ‘licht iemand van het volk bij uw vrouw zou hebben kunnen liggen, en dan zoudt gij schuld over ons gebracht hebben’ (26:10).

Tenslotte

In hoofdstuk 27 wordt er al gesproken over Isaaks dood, maar dat zou toen nog drieënveertig jaar duren. Omdat Isaak honderdtachtig jaar is geworden en hij op zestigjarige leeftijd vader werd, is over die tussenliggende periode van honderdtwintig niet veel bekend. De aandacht richt zich vanaf hoofdstuk 27 meer op de geschiedenis van Jakob.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Isaak de Erfgenaam

 Hoofdstuk 25-26

 

Inleiding

Omdat Abraham aan Isaak al zijn bezittingen had geschonken (25:5) was hij in een gespreid bedje terecht gekomen. Hij was de zoon van een beroemde vader (Abraham), en de vader van een beroemde zoon (Jakob), en het gevaar bestaat dat we Isaak uit het oog verliezen bij het lezen van het boek Genesis. We zien dat Isaak geen man was die initiatief nam, dat was eerder Rebecca. Hij ging liever de confrontatie uit de weg. Deze karaktertrek had misschien ook te maken met zijn opvoeding als enig kind. Omdat hij de enige erfgenaam was hoefde hij ook geen inspanning te doen om bezit te verwerven, hij kreeg immers vanzelf in de schoot geworpen. Zelfs zijn vrouw, Rebecca werd op initiatief van Abraham gezocht. Zijn leven was minder opwindend als dat van zijn vader Abraham, die een echte pelgrim was en trok van pleisterplaats tot pleisterplaats. Isaak leefde echter langer dan elke andere patriarch, 180 jaar (Gen.35:28), maar zijn leven was minder opwindend als dat van de anderen. Ongelukkig genoeg eindigt zijn leven minder goed als toen hij begon.

Een voorname afkomst (vs.1-11)

‘Hij of zij komt uit een goed nest’ hoor je wel eens zeggen, maar een ‘goede’ afkomst betekend niet dat je daardoor automatisch verzekerd bent van je eeuwige behoudenis, dat gold niet voor Isaak en ook niet voor ons! Ook Nicodemus, die een zeer goede positie had als leraar van Israël, moest wederom geboren worden! (Joh.3). Maar een opvoeding in een gelovig gezin geeft wel degelijk een ‘voorsprong’, maar is geen garantie dat ze ook tot geloof komen! God heeft geen kleinkinderen! Paulus schrijft aan Timotheüs: ‘als ik mij in herinnering brengj het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou’ (2Tim.1:5). Zelfs deel uitmaken van joodse volk was geen garantie want toen Johannes de doper zag dat  ‘velen van de farizeeën en sadduceeën to zijn doop kwamen, zei hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn te ontvluchten? Breng dan vrucht voort, de bekering waardig; en denkt niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg u, dat God uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken’ (Mat.3:7-9). De apostel Paulus gaat daar in de brief aan de Romeinen op door als hij schrijft: ‘Maar het is niet zo dat het Woord van God vervallen zou zijn. Want niet allen zijn Israël die uit Israël zijn; evenmin, omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen; maar: in Izaäk zal uw nageslacht worden genoemd; dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend’ (Rom.9:6-8). ‘Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden, hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn’ (Joh.1:12-13).

Hij viel in dezelfde zonde (vs.6-11)

De zonde die zulke nadelige gevolgen had gehad in het leven van Abram vinden we bij Isaak terug, ook hij verklaarde dat zijn vrouw zijn zuster was (Gen.20:13). Voor Abraham was er nog een verzachtende omstandigheid doordat zijn vrouw een halfzuster was, maar dat gold niet voor Rebekka! Ze vielen ‘door de mand’ toen ze aan het minnekozen waren! (26:8). De resultaten waren echter hetzelfde: het verlies van Gods zegen, een slechts getuigenis en openbare terechtwijzing door een heidense koning. Let wel: ‘deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons’ (1Kor.10:11). Abraham, Isaak en zoveel andere oud- en nieuwtestamentische gelovigen hebben gezondigd maar dat is geen vrijbrief voor ons om ze daarin na te volgen! Wij worden geacht in nieuwheid van leven te wandelen en de zonde over ons niet te laten heersen, maar voor God vrucht te dragen (Rom.8:4,14; 7:5). Een opziener in de gemeente moest ook ‘een goed getuigenis hebben van buiten zijn hen, opdat hij niet in opspraak komt en in de strik van de duivel valt’ (1Tim.3:7). We worden opgeroepen te wandelen met ‘een goed geweten, opdat in wat van u kwaad gesproken wordt als van boosdoeners, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd worden’ (1Petr.3:16). ‘Opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God, temidden van een krom en ontaard geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld, terwijl u het woord van het leven vertoont’ (Fil.2:15).

Hij groef zijn vaders putten op (vs.12-22)

Nadat de zonde openbaar was geworden (de leugen van Isaak over Rebekka) kon er weer sprake zijn van vrucht dragen! Waterbronnen spreken van geestelijke bronnen van God (Joh.7:37). Welke bronnen zijn dichtgestopt en welke zijn weer open gegaan?

Met keizer Constantijn traden er grote verandering op in de positie, houding en leer van de kerk. Het caesaropapisme deed zijn intrede; de kerk werd dienstbaar aan de staat en de kerkelijke leiders aan de keizer gemaakt. Hieruit is het latere Pausdom ontstaan dat zijn officiële status kreeg onder Leo de Grote die van 440-461 bisschop van Rome was. Een andere verkeerde bron was het antichiliasme of amillenniasme, de idee van een ‘christelijk’ rijk dat het zicht op het toekomstige messiaanse rijk verloren deed gaan. Het sacramentalisme – behoud en eeuwig leven is niet door geloof, maar door het ontvangen van de sacramenten en daarmee verbonden het sacerdotalisme de bevoegdheid van de priester om namen de kerk de sacramenten uit te reiken, deden hun intrede in de kerk. Het substitutionalisme of vervangingstheologie - die de aan Israël toegezegde vervloekingen aan Israël overlaat en de aan Israël toegezegde zegeningen voor de kerk opeist nam haar plaats in de leer van de kerk in.

Wat zijn onze bronnen vandaag? Zijn niet veel bronnen dichtgestopt geworden in de loop der eeuwen? Af en toe ging er weer een bron open, zoals in de tijd van Luther, maar we moeten verder terug naar Gods Woord zelf. Dat Woord is de enige bron waarnaar we weer terug moeten. Gelukkig heeft in het midden van de negentiende eeuw en heropleving plaatsgevonden en vond er een herziening van de theologie plaats waarbij vooral gedacht moet worden aan de hernieuwde belangstelling voor de eschatologie, de leer van de laatste dingen. Isaak opende niet alleen de bronnen die Abraham gegraven had, maar hij noemde ze ook met dezelfde namen (26:18).

Hij vertrouwde op de God van zijn vader (vs.23-35)

God is trouw aan zijn volk. ‘Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest van geslacht tot geslacht’ (Ps.90:1). Tijden veranderen, de ene mens neemt de plaats in van de andere, maar God blijft trouw wat er ook gebeurt! Zolang Isaak buiten het land Kanaän verbleef had hij conflicten, maar eenmaal terug in Berseba had hij weer een verschijning van God. ‘En de Here verscheen hem in die nacht en zeide: Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermenigvuldigen ter wille van mijn knecht Abraham’. ‘Toen bouwde hij daar een altaar en riep de naam des Heren aan.’ De gemeenschap was hersteld en Gods zegen kon weer gaan stromen. Daarna sloot Isaak vrede met zijn buren en te dien dage groeven de knechten van Isaak daar een put die Berseba werd genoemd; put van de eed, naar aanleiding van de eed die hij met zijn buren had gesloten. (26:25). Hij had dan wel vrede met zijn buren gesloten, maar thuis ondervond hij ‘oorlog’, door het huwelijk van Esau met de Hethietische vrouwen Jehudit en Basemat!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het leven van de aartsvader Jakob

 

 

 

 

1. Jakob in Kanaän - deel 1 - Genesis 27-28:9

2. Jakob in Haran - deel 2 - Genesis 28:10-31

3. Jakob terug naar Kanaän - deel 3 - Genesis 32-33

4. Jakob in Egypte - deel 4 - Genesis 45-50 

5. Inleiding: Jakobs leven in vier periodes 

6. Acht begrafenissen - Gen.35-48

7. Laatste woorden van Jakob

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

Jakob in Kanaän

Deel 1

Jakob op de vlucht

Genesis 27-28:9

Inleiding

‘Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ (Gal.6:7)

Uit de eerste verzen van hoofdstuk 27 krijgen we een beeld voor ogen van Isaak als van een uitgeblust en apathisch persoon. ‘Toen Isaak oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zeide tot hem: Hier ben ik. En hij zeide: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet’ (27:1-2). En zo dacht Esau er ook over: ‘De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande’ (27:41). Het is goed om voorbereidingen te treffen voordat je sterft (2Kon.20:1), maar Isaak zou hierna nog 43 jaar leven. Misschien dacht Isaak aan zijn dood omdat zijn broer Ismaël ook gestorven was; hij was honderdzevenendertig geworden (25:17).

Uit het feit dat hij Esau roept om een ‘smakelijk gerecht’ voor hem klaar te maken blijkt nogmaals zijn voorkeur voor deze zoon. Verder lijkt het er op dat Isaak meer belangstelling heeft in de dingen van ‘beneden’ dan in de ‘dingen’ die van boven zijn. Verder lezen we in deze hoofdstukken hoe Jakob, geholpen door zijn moeder, wordt gezegend wordt door Isaak. Esau is daardoor geërgerd en zint erop zijn broer te doden. Jakob vlucht daarop naar Haran waar de broer van zijn moeder verblijft om een vrouw te zoeken. Esau, op zijn beurt, gaat naar de broer van zijn vader en neemt zich daar nog een vrouw.

Het gezinsleven

Het was een dag zoals elk ander, maar deze dag zou grote veranderingen brengen in het gezin van Isaak en Rebecca; het gezin zou elkaar vallen! Een dag om nooit te vergeten…! Bij het lezen van deze twee hoofdstukken van het boek Genesis krijg je de indruk dat tussen Isaak en Rebecca een verwijdering was opgetreden. De eenheid die er in het begin van het huwelijk was en die gezien werd in het samen bidden voor een kind, ontbreekt hier. Het is hier meer tegen elkaar dan vóór elkaar of naast elkaar. Je hebt twee mogelijkheden in een huwelijk: je groeit naar elkaar toe of je groeit uit elkaar. De oorzaak weten we niet of het moet zo zijn dat met het ouder worden ook de karaktereigenschappen van beiden meer aan het licht kwamen. In het begin van hun huwelijk lezen we al van de voorkeuren van Isaak en Rebecca voor respectievelijk Jakob en Esau. ‘En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief’ (25:28). Rebecca toont zich hier de actieve, die grote invloed uitoefent op Jakob om de zegen te krijgen in plaats van Esau. Die inspanningen had ze zich kunnen getroosten, of was ze vergeten wat God eerder tegen haar gezegd had? (25:23). Tot driemaal toe lezen we dat Rebecca Jakob een opdracht geeft (27:8,13,42). Zo wordt duidelijk dat er tussen Isaak en Rebecca totaal geen communicatie aanwezig was en dat ze naast elkaar aan hun eigen plannen werkten. Rebecca wordt hierna niet meer genoemd in de Bijbel, met uitzondering van de vermelding waar ze ligt begraven: ‘Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Isaak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven’ (49:31). Hoe en waar ze gestorven is vermeld Gods Woord niet. Helaas hebben Jakob en zijn moeder Rebecca elkaar nooit meer teruggezien… Jakob en Esau vinden we nog één keer samen terug aan het graf van hun vader Isaak (35:29).

Jakob ontfutseld Esau het eerstgeboorterecht (27:29-34)

‘Muren hebben oren’ en hier waren de ‘oren’ Rebecca, die op de hoogte kwam van de plannen van Isaak, die tegen beter weten is Esau wilde zegenen in plaats van Jakob zoals de Here geboden voorzegt had en waarvan Isaak zeker van op de hoogte moet zijn geweest. Wat zou u nog willen doen voordat u zou sterven? De Bijbel lezen, samenkomen met de familie om God te prijzen en loven? Isaak wilde graag nog een keer lekker eten! Dat gaf Rebecca gelegenheid om op dat verlangen in te spelen zodat Isaak de Zegen zou ontvangen en niet de ongoddelijke Esau. Esau die twee Hethietische vrouwen had genomen tot ergernis van zijn ouders. Het blijft een raadsel waarom Rebecca haar man Isaak niet met zijn verkeerde beslissing geconfronteerd heeft. Haar plan werkte en Jakob kreeg de zegen. Beiden Isaak en Rebecca kenden de gedachten van de Here betreffende Jakob, maar Isaak wilde daaraan geen gehoor geven en Rebecca dacht dat ze God een handje moest helpen om Jakob de zegen te doen beërven. ‘Want dit is het woord van de belofte: Rond deze tijd zal Ik komen, en dan zal Sara een zoon hebben. En dit niet alleen, maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man, namelijk Izak, onze vader. Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden – opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept – werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen. Zoals geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat’ (Rom.9:9-13; Mal.1:3).

Eerder hebben we gelezen dat Ezau zijn eerstgeboorterecht heeft veracht (25:29-34) en ‘verkocht’ voor een linzengerecht, maar hij schrikt wakker wanneer hij hoort dat de daarbij behorende zegen ook aan zijn neus voorbijgaat door de list van Rebecca en Jakob. ‘Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht, want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor berouw, hoewel hij die met tranen zocht’ (Heb.12:16-17). Berouw ja, maar geen echte bekering. Hij vond het verlies van het eerstgeboorterecht en de zegen spijtig, maar hij had geen berouw over wat hij had gedaan. Ezau’s tranen konden Isaaks daad niet meer ongedaan maken. De gevolgen waren dramatisch voor elk van de betrokkenen zoals we nog zullen zien.

Jakob bedriegt zijn vader Isaak (27:18-29)

Jakob’s naam kan betekenen ‘hij houdt de hiel vast’ of ‘bedrieger’ (vs.36). Die laatste betekenis hoort helemaal thuis bij zijn handelen met zijn vader in deze verzen. Jakob stapelt de ene leugen op de andere. ‘Ik ben Esau’ was de eerste leugen tegenover zijn vader. ‘Uw eerstgeborenen’ was de tweede, gevolgd door ‘ik heb gedaan, zoals gij tot mij gesproken hebt’. Isaak was verbaasd en zei tot zijn zoon: Wat hebt gij het spoedig gevonden, mijn zoon! En hij zeide: Omdat de Here, uw God, mij deed slagen. ‘De Here, uw God’ zo zou Esau het gezegd hebben; niet ‘mijn God’ want hij was een ongoddelijke! Jakob spreekt zoals Esau gesproken zou hebben. Maar God had Jakob helemaal niet laten slagen, maar Rebecca! ‘Toen zeide Isaak tot Jakob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad mijn zoon Esau zijt of niet. Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaak, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. Jakob had die vraag al verwacht want hij op aanraden van zijn moeder maar die had de vellen van de geitebokjes over zijn handen en over zijn gladde hals getrokken (vs.16). Dat er toch nog twijfel bestond blijkt uit de volgende vraag van Isaak: ‘Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zeide: Ja’ (27:24). Toen ging Isaak eten van het wildbraad van zijn zoon, maar dat was geen wildbraad maar een gerecht van geitenbokjes. Rebecca moet een goede kokkin zijn geweest om het vlees van geitenbokjes gelijk te doen smaken als wildbraad. Het bedrog was compleet. Isaak bedroog zijn vader, Rebecca haar man! Maar al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaald haar wel! Jakob heeft zijn voeten nog niet gelicht of Ezau komt bij Isaak en het bedrog wordt ontdekt.

Jakob wordt met de dood bedreigd en vlucht (27:41-28:9)

Niet alleen Isaak, ook Esau voelt zich bedrogen door zijn broer: ‘Noemt men hem niet terecht Jakob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen’ (27:36). ‘En Esau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide bij zichzelf: De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jakob doden’ (27:41). Rebecca was op de hoogte van zijn plannen en raadde Jakob aan te vluchten, en zo gebeurde het. Jakob werd een eenzame vluchteling, gedwongen om zijn huis te verlaten. Ook al vertrok hij met de zegen van zijn vader (en Isaak wist toen wat hij deed), toch stond hem een onbekende toekomst te wachten. Hij zou twintig jaar weg blijven. Geen bemoedigend begin voor een nieuw hoofdstuk in zijn leven! Maar God had nog steeds de touwtjes in handen (Rom.8:28).

De zegen van Jakob en Esau

De zegen van Jakob

‘God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volken zullen u dienen, en natiën zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend’ (27:28-29).

Deze zegen sluit wat eerder tot Abraham is gezegd (Gen.12:1-3) en sluit ook aan bij hetgeen vermeld is in 17:6 ‘Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen’. Deze zegen wordt door Jakob later gegeven aan Juda. ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Deze zegen kon natuurlijk niet bestemd zijn voor de goddeloze Esau!

De zegen van Esau

‘Zie, ver van de vette streken der aarde zal uw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels van boven. Maar van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen. En het zal geschieden, wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk van uw hals zult afrukken’ (27:39-40) 

De Edomieten, de nakomelingen van Esau, zouden leven in een minder vruchtbaar land dan Palestina. Evenals Ismaël (16:12) zou ook Esau leven van het zwaard, en in onderworpenheid aan zijn broeder. Edom is het tegenwoordige Jordanië (32:3-5: 36:1). De Edomieten zijn altijd vijandig gebleven tegenover de nakomelingen van Jakob en namen elke gelegenheid te baat om hen te benadelen. Dit wordt voortdurend door de profeten vermeld (Jer.49:7-22; Ez.25:12-14; Amos 1:11-12; Ob.1:10-14). Tijdens de aanval van Babel op Jeruzalem waren de Edomieten bij moedigden de aanval aan. ‘Reken, o Here, de kinderen Edoms de dag van Jeruzalem toe; hun die zeiden: Breekt af, breekt af, tot op de grond ermee! (Ps.137:7). Jeremia profeteerde dat ze gestraft zouden worden voor de zonde tegen hun broeder (Klaagl.4:21). ‘Verblijd en verheug u maar, gij dochter van Edom, gij, die woont in het land Us – ook tot u zal de beker komen, gij zult dronken worden en u ontbloten.’

Tenslotte

Isaak en Rebecca hun rol in Gods geschiedenis is beëindigd en ze verdwijnen van het podium om plaats te maken voor de geschiedenis van Jakob. We komen niet meer te weten hoe het huwelijksleven van Isaak en Rebecca verder is verlopen; we weten zelfs niet wanneer Rebecca is gestorven. Hoe hebben ze hun huwelijk zelf ervaren, terugkijkend op de achter hun liggende jaren? Zijn ze geestelijk weer dichter bij elkaar gekomen naarmate ze ouder werden? We zullen het niet te weten komen, God heeft het niet nodig geacht ons daarover in te lichten (Joh.20:30-31). Hoe goed het huwelijk ook was begonnen (24) het bleek geen garantie voor een goed einde. Aan elk huwelijk dient ‘gewerkt’ te worden en dat ‘tot de dood ons scheidt’! Maar laten we hen niet te hard oordelen, want hoe zal ons huwelijk eindigen?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Jakob in Haran

Deel 2

Genesis 28:10 - 30:24

 

 

‘Een vagebond heeft geen huis, een vreemdeling is weg van huis, een pelgrim is op weg naar huis, een vluchteling loopt weg huis’

 

Inleidend overzicht van Jakobs verblijf bij Laban (Gen.29-31)

‘Zo zond Isaak Jakob weg’ (Gen.28:5), maar in Hosea 12:13 lezen we iets anders: ‘Jakob vluchtte naar het veld van Aram.’ Jakob is nu los van zijn familie en vooral van zijn moeder, en zal moeten leren op eigen benen te staan. Jakob is een vluchteling geworden, maar God laat hem niet in de steek. Hij verschijnt aan Jakob in Bethel (‘huis Gods’) aan de top van een ladder die de hemel met de aarde verbindt en waarlangs engelen opklimmen en neerdalen (vgl. Joh.1:51). God maakt hem geen verwijten, maar belooft hem te bewaren en te zegenen.

Jakob komt in Mesopotamië aan bij zijn oom Laban en wordt onmiddellijk verliefd op diens jongste dochter Rachel. Om haar als vrouw te ontvangen, zal hij zeven jaar bij Laban moeten werken (vgl. Hos.12:13). De bedrieger Jakob ervaart nu zelf wat bedrog is, want als de vereiste tijd voorbij is, krijgt hij niet Rachel maar haar oudere zuster Lea tot vrouw. Als troost geeft Laban hem direct daarna ook Rachel, maar daarvoor moet Jakob nog eens zeven jaar voor Laban werken. Beide vrouwen krijgen van hun vader ook nog een slavin cadeau; Rachel heeft Bilha als slavin en Lea Zilpa. Omdat Lea de onbeminde is, geeft de Here haar het eerste kinderen. Zij baart achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. De jaloerse Rachel ziet dat zij onvruchtbaar blijft en wil daarom kinderen hebben via haar slavin Bilha. Bilha schenkt het leven aan Dan en Naftali. Lea, die intussen ook geen kinderen meer krijgt, doet nu hetzelfde met haar slavin Zilpa, en deze baart aan Jakob Gad en Aser. Daarna baart Lea zelf nog Issaschar en Zebulon en ook haar dochter Dina. Eindelijk verhoort God ook Rachels gebeden, en brengt deze haar zoon Jozef ter wereld. Vanwege Jakobs liefde voor Rachel wordt Jozef zijn lievelingszoon, die later in feite ook het eerstgeboorterecht ontvangt (vgl. Gen.49:26; Deut.33:16). Met de hier nog ontbrekende zoon van Rachel – Benjamin - zijn dit de twaalf stamvaders van Israël, menselijk gezien de vrucht van de ruzies van twee vrouwen. Maar in de naamgeving van hun zonen zien we ook geloof bij deze vrouwen.

Toen Jozef geboren werd wil Jakob wel terug naar Kanaän. Maar eerst moet Laban tegen wil en dank (maar in Gods voorzienigheid) Jakob rijk maken, en dan is het de Here die Jakob aanspoort naar huis te gaan. Ook in Genesis 30 en 31 zien we hoe Gods wegen en Jakobs listen op eigenaardige wijze vervlochten zijn. Jakobs trucs helpen niet werkelijk: de ware hulp komt van God. Onder alle bedrog van Laban blijft Jakob echter geduldig, en dat wijst erop dat hij Gods tucht over hem erkend heeft: wie bedrog doet, bedrog ontmoet. Maar dan komt -  na twintig jaar! - eindelijk weer Gods stem tot Jakob en deze gaat maar al te graag terug naar zijn land. Maar omdat hij nog steeds weinig vertrouwen in God heeft, gaat hij stiekem weg en haalt zich zo de woede van Laban op de hals. Laban is woedend over de vlucht van Jakob en over de diefstal van zijn huisgoden (waaraan Rachel schuldig is, maar dat blijft verborgen). God komt echter voor Jakob tussenbeide en Jakob en Laban sluiten zelfs een verbond.

Chronologie

Jakob was geen jonge man meer toen hij naar Haran vluchtte. Hij was op zijn minst zevenenzeventig jaar. In Genesis 47:9 zegt Jakob tot Farao, dat toen hij naar Egypte ging: ‘Het getal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd en dertig’. Jozef was zeventien toen hij naar Egypte verkocht werd en dertig toen hij aan Farao werd voorgesteld (41:46). Voeg daarbij dertien jaar, de zeven jaar van overvloed en twee jaar van hongersnood, dat maakt dat Jozef ongeveer negenendertig jaar moet zijn geweest toen Jakob naar Egypte kwam. Dat betekend dat Jakob eenennegentig jaar was toen Jozef geboren werd, en Genesis 30:25-26 geeft aan dat toen Jozef geboren was, Jakob al veertien jaar gediend had voor zijn vrouwen. Dat maakt dat Jakob zevenenzeventig jaar was toen hij naar zijn oom Laban ging in Haran.

Jakobs droom te Betel (28:10-22)

God is zeven keer aan Jakob verschenen (31:3, 11-13; 32:1-2; 32:24-30; 35:1, 9-13; 46:1-4). Visoenen gescheiden van het Woord van God kunnen misleiden, daarom sprak God tot Jakob om hem te verzekeren van de juistheid van het visioen. Een mens wordt niet behouden door visioenen of engelen maar door het Woord van God. De eerste verschijning van was aan het begin van Jakobs reis naar Haran. Dit moet voor hem, die eigenlijk op de vlucht was voor zijn broer die hem wilde doden, een grote bemoediging zijn geweest. Die nacht deed Jakob verschillende ontdekkingen, die ertoe bijdroegen zijn leven te veranderen. Hij ontdekte dat God met hem was en voor hem aan het werk was, en een volmaakt plan voor zijn leven had. Jakob mocht dan gescheiden zijn van zijn huis, hij was niet gescheiden van de hemel (Joh.1:52). Gods engelen zelf zorgden voor hem (Heb.1:14). ‘Als de nacht het donkerst is, zie je de sterren op hun helderst.’

Bij het ontwaken begon Jakob zijn dag met God te aanbidden en zijn harde hoofdkussen te veranderen in een heilig altaar. Hij gaf de plaats een nieuwe naam: ‘Huis van God’. Elke plaats waar God ons tegemoet treedt, wordt een heiligdom. Jakobs geloof was nog maar zwak, maar hij greep zich vast aan Gods beloften, ook al schuilt er iets van ‘loven en bieden’ in zijn gelofte om God de tienden te geven. Jakob maakte een nieuw begin, en twintig jaar laten zou hij als een meer gerijpt gelovige naar Bethel terugkeren

De belofte aan Abraham gedaan (Gen.12) en die aan Isaak herhaald werd (Gen.26:4), wordt hier aan Jakob gegeven. ‘En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ 28:13-14). Zo gaat Jakob op weg naar Haran met Gods belofte en Zijn persoonlijke aanwezigheid (vs.15) en doet een gelofte: ‘En indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die ik ga, mij zal geven brood om te eten en klederen om aan te trekken, en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer, dan zal de Here mij tot een God zijn. En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven. Persoonlijk geef ik de voorkeur om aan het begin van deze belofte niet te lezen ‘als God met mij zal zijn’ maar ‘omdat God met mij zal zijn.’

Jakobs dienst voor Labans dochters (29-30:24)

Jakob verbleef ongeveer twintig jaar bij zijn oom Laban, een tijd waar hij, door moeilijkheden en tegenslagen heen, geestelijk werd voorbereid en gevormd voor zijn verdere leven.

Onder Gods voorzienigheid kwam Jakob terecht bij de herders van Laban maar voordat zij, op vraag van Jakob, Laban van zijn komst konden inlichten, verscheen Rachel, de dochter van Laban, ten tonele. Jakob was op slag verliefd op haar. Het eerste wat hij deed was de herders weg sturen zodat hij met Rachel alleen zou zijn. Let op hoe Jakob zich voor haar uitsloofde; hij wentelde de steen van de put en drenkte haar vee, waarna hij haar kuste en weende. Was het een welkomstkus, weende hij om meelij op te wekken? In ieder geval hij liep nogal hard van stapel! Hij werd hartelijk welkom geheten in het huis van Laban. Jakob ‘vertelde dit alles aan Laban’ (vs.13). Ook hoe hij zijn broer en vader bedrogen had? Na een maand werd Jakob het aanbod gedaan als knecht bij Laban in dienst te komen en omdat er ook iets tegenover zou moeten staan vroeg Laban wat Jakob verlangde waarop Jakob zei: ‘Ik u zeven jaren dienen om uw jongste dochter Rachel, en die zeven jaren waren in zijn ogen als enkele dagen omdat hij haar liefhad’ (29:16,20). Zo werd de erfgenaam een knecht. Maar de ‘bedrieger’ werd bedrogen! In plaats van zijn geliefde Rachel gaf Laban hem haar zuster Lea en als bijvrouw Zilpa, want zei Laban: ‘Zo doet men niet hier ter plaatse, dat men de jongste ten huwelijk geeft vóór de eerstgeborene. Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor de dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult. En Jakob deed zo; hij bracht de bruiloftsweek met haar ten einde; daarop gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha, haar tot een slavin. (Jakob) kwam ook tot Rachel, en hij had Rachel lief, in tegenstelling met Lea. Aldus diende hij bij hem nog eens zeven jaren‘ (29:26-30). Jakob had zijn vader Isaak voorgelogen door te zeggen dat hij de eerstgeborene was (27:19), nu wordt hij zelf door de eerstgeborene bedrogen (29:26).

De rest van hoofdstuk 29 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 30 gaat over de kinderen die Jakob kreeg bij zijn vrouwen. Tenslotte kreeg ook Rachel, die geen kinderen kreeg, toch een kind Jozef die een belangrijke plaats in het leven van Jakob zou innemen.

Jakob verwerft zijn kudde (30:25-43)

Nu Jozef geboren was en Jakob Laban veertien jaar had gediend wilde hij naar zijn thuisland. Hij wilde op eigen benen staan en zijn gezin onderhouden maar daar moest hij ook financieel in staat zijn. Jakob was die veertien jaar waarin hij Laban gediend had voor zijn vrouwen tot een zegen geweest. Nu was hij ook nog bereid om hem te dienen om voor zijn eigen huis te werken. Voor deze dienst wilde Jakob niet werken op de condities die Laban wilde; hij had met zijn oom nu voldoende ervaring op dat gebied opgedaan. Jakob zou weer de kuddes van zijn oom weiden en alles wat zwart is onder de schapen, en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten zou zijn eigendom worden. In de manier waarop Jakob met de kudden omging opdat er zwarte en gespikkelde dieren zouden komen was de hand van God (31:7,9). ‘Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit, en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels’ (30:43), waardoor Jakob in staat was om zijn familie te onderhouden. Deze handelswijze zette kwaad bloed bij Laban waardoor de noodzaak ontstaan was dat hij afscheid moest nemen zoals we in het vervolg zullen zien.

Jakobs verbond met Laban (31:22-55)

Er waren een aantal redenen te noemen waarom Jakob weg wilde. De verhouding met Laban was niet optimaal: ‘Het gezicht van Laban, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren’ (31:2). Hij wilde zich zelfstandig maken en wonen met zijn gezin, en hij moest zijn eerder gedan belofte inlossen (28:20-22). Maar ook was er de opdracht van God om te vertrekken (31:3).

De manier waarop Jakob vertrok was verre van netjes en daarin herkennen we het ware karakter van Jakob. Hij had Laban niet eens de gelegenheid gegeven van zijn dochters en kleinkinderen afscheid te nemen (31:27-28). Toen Laban weg was ‘vluchtte’ Jakob met alles wat hij had (31:21). Zoals hij was gekomen, als een vluchteling, zo vertrok hij ook weer. Hij had angst voor Laban, maar ‘vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar’ (Spr.29:25). Zijn vrees voor Laban was niet nodig geweest, want de Here had al tot Laban gesproken in een droom Jakob geen kwaad te doen (31:24,29). De ware reden dat Laban Jakob achterna ging was eigenlijk een andere: hij was zijn goden kwijt! Op de een of andere manier was hij erachter gekomen dat zijn terafim weg was. Laban kreeg toestemming het te zoeken in de bezittingen van Jakob maar vond ze niet. Rachel had ze en verborg ze en bedroog haar vader. En dat komt Jakob aan het woord en al de opgekropte woede, die hij al die tijd in zijn hart verborgen had, komt eruit! (31:38-42). Tenslotte sloten ze een verbond maar de nauwkeurige lezer zal opmerken dat daarmee de relatie tussen Laban en Jakob niet echt was opgelost. ‘De Here houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander gescheiden zullen zijn’ (31:49). ‘De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn zonen en dochters en zegende hen, en Laban keerde terug naar zijn woonplaats’ (31:55). Zo ging Jakob heen op weg naar Kanaän.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Jakob in Haran

Deel 2

Genesis 28:10 - 30:24

 

 

‘Een vagebond heeft geen huis, een vreemdeling is weg van huis, een pelgrim is op weg naar huis, een vluchteling loopt weg huis’

 

Inleidend overzicht van Jakobs verblijf bij Laban (Gen.29-31)

‘Zo zond Isaak Jakob weg’ (Gen.28:5), maar in Hosea 12:13 lezen we iets anders: ‘Jakob vluchtte naar het veld van Aram.’ Jakob is nu los van zijn familie en vooral van zijn moeder, en zal moeten leren op eigen benen te staan. Jakob is een vluchteling geworden, maar God laat hem niet in de steek. Hij verschijnt aan Jakob in Bethel (‘huis Gods’) aan de top van een ladder die de hemel met de aarde verbindt en waarlangs engelen opklimmen en neerdalen (vgl. Joh.1:51). God maakt hem geen verwijten, maar belooft hem te bewaren en te zegenen.

Jakob komt in Mesopotamië aan bij zijn oom Laban en wordt onmiddellijk verliefd op diens jongste dochter Rachel. Om haar als vrouw te ontvangen, zal hij zeven jaar bij Laban moeten werken (vgl. Hos.12:13). De bedrieger Jakob ervaart nu zelf wat bedrog is, want als de vereiste tijd voorbij is, krijgt hij niet Rachel maar haar oudere zuster Lea tot vrouw. Als troost geeft Laban hem direct daarna ook Rachel, maar daarvoor moet Jakob nog eens zeven jaar voor Laban werken. Beide vrouwen krijgen van hun vader ook nog een slavin cadeau; Rachel heeft Bilha als slavin en Lea Zilpa. Omdat Lea de onbeminde is, geeft de Here haar het eerste kinderen. Zij baart achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. De jaloerse Rachel ziet dat zij onvruchtbaar blijft en wil daarom kinderen hebben via haar slavin Bilha. Bilha schenkt het leven aan Dan en Naftali. Lea, die intussen ook geen kinderen meer krijgt, doet nu hetzelfde met haar slavin Zilpa, en deze baart aan Jakob Gad en Aser. Daarna baart Lea zelf nog Issaschar en Zebulon en ook haar dochter Dina. Eindelijk verhoort God ook Rachels gebeden, en brengt deze haar zoon Jozef ter wereld. Vanwege Jakobs liefde voor Rachel wordt Jozef zijn lievelingszoon, die later in feite ook het eerstgeboorterecht ontvangt (vgl. Gen.49:26; Deut.33:16). Met de hier nog ontbrekende zoon van Rachel – Benjamin - zijn dit de twaalf stamvaders van Israël, menselijk gezien de vrucht van de ruzies van twee vrouwen. Maar in de naamgeving van hun zonen zien we ook geloof bij deze vrouwen.

Toen Jozef geboren werd wil Jakob wel terug naar Kanaän. Maar eerst moet Laban tegen wil en dank (maar in Gods voorzienigheid) Jakob rijk maken, en dan is het de Here die Jakob aanspoort naar huis te gaan. Ook in Genesis 30 en 31 zien we hoe Gods wegen en Jakobs listen op eigenaardige wijze vervlochten zijn. Jakobs trucs helpen niet werkelijk: de ware hulp komt van God. Onder alle bedrog van Laban blijft Jakob echter geduldig, en dat wijst erop dat hij Gods tucht over hem erkend heeft: wie bedrog doet, bedrog ontmoet. Maar dan komt -  na twintig jaar! - eindelijk weer Gods stem tot Jakob en deze gaat maar al te graag terug naar zijn land. Maar omdat hij nog steeds weinig vertrouwen in God heeft, gaat hij stiekem weg en haalt zich zo de woede van Laban op de hals. Laban is woedend over de vlucht van Jakob en over de diefstal van zijn huisgoden (waaraan Rachel schuldig is, maar dat blijft verborgen). God komt echter voor Jakob tussenbeide en Jakob en Laban sluiten zelfs een verbond.

Chronologie

Jakob was geen jonge man meer toen hij naar Haran vluchtte. Hij was op zijn minst zevenenzeventig jaar. In Genesis 47:9 zegt Jakob tot Farao, dat toen hij naar Egypte ging: ‘Het getal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd en dertig’. Jozef was zeventien toen hij naar Egypte verkocht werd en dertig toen hij aan Farao werd voorgesteld (41:46). Voeg daarbij dertien jaar, de zeven jaar van overvloed en twee jaar van hongersnood, dat maakt dat Jozef ongeveer negenendertig jaar moet zijn geweest toen Jakob naar Egypte kwam. Dat betekend dat Jakob eenennegentig jaar was toen Jozef geboren werd, en Genesis 30:25-26 geeft aan dat toen Jozef geboren was, Jakob al veertien jaar gediend had voor zijn vrouwen. Dat maakt dat Jakob zevenenzeventig jaar was toen hij naar zijn oom Laban ging in Haran.

Jakobs droom te Betel (28:10-22)

God is zeven keer aan Jakob verschenen (31:3, 11-13; 32:1-2; 32:24-30; 35:1, 9-13; 46:1-4). Visoenen gescheiden van het Woord van God kunnen misleiden, daarom sprak God tot Jakob om hem te verzekeren van de juistheid van het visioen. Een mens wordt niet behouden door visioenen of engelen maar door het Woord van God. De eerste verschijning van was aan het begin van Jakobs reis naar Haran. Dit moet voor hem, die eigenlijk op de vlucht was voor zijn broer die hem wilde doden, een grote bemoediging zijn geweest. Die nacht deed Jakob verschillende ontdekkingen, die ertoe bijdroegen zijn leven te veranderen. Hij ontdekte dat God met hem was en voor hem aan het werk was, en een volmaakt plan voor zijn leven had. Jakob mocht dan gescheiden zijn van zijn huis, hij was niet gescheiden van de hemel (Joh.1:52). Gods engelen zelf zorgden voor hem (Heb.1:14). ‘Als de nacht het donkerst is, zie je de sterren op hun helderst.’

Bij het ontwaken begon Jakob zijn dag met God te aanbidden en zijn harde hoofdkussen te veranderen in een heilig altaar. Hij gaf de plaats een nieuwe naam: ‘Huis van God’. Elke plaats waar God ons tegemoet treedt, wordt een heiligdom. Jakobs geloof was nog maar zwak, maar hij greep zich vast aan Gods beloften, ook al schuilt er iets van ‘loven en bieden’ in zijn gelofte om God de tienden te geven. Jakob maakte een nieuw begin, en twintig jaar laten zou hij als een meer gerijpt gelovige naar Bethel terugkeren

De belofte aan Abraham gedaan (Gen.12) en die aan Isaak herhaald werd (Gen.26:4), wordt hier aan Jakob gegeven. ‘En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ 28:13-14). Zo gaat Jakob op weg naar Haran met Gods belofte en Zijn persoonlijke aanwezigheid (vs.15) en doet een gelofte: ‘En indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die ik ga, mij zal geven brood om te eten en klederen om aan te trekken, en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer, dan zal de Here mij tot een God zijn. En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven. Persoonlijk geef ik de voorkeur om aan het begin van deze belofte niet te lezen ‘als God met mij zal zijn’ maar ‘omdat God met mij zal zijn.’

Jakobs dienst voor Labans dochters (29-30:24)

Jakob verbleef ongeveer twintig jaar bij zijn oom Laban, een tijd waar hij, door moeilijkheden en tegenslagen heen, geestelijk werd voorbereid en gevormd voor zijn verdere leven.

Onder Gods voorzienigheid kwam Jakob terecht bij de herders van Laban maar voordat zij, op vraag van Jakob, Laban van zijn komst konden inlichten, verscheen Rachel, de dochter van Laban, ten tonele. Jakob was op slag verliefd op haar. Het eerste wat hij deed was de herders weg sturen zodat hij met Rachel alleen zou zijn. Let op hoe Jakob zich voor haar uitsloofde; hij wentelde de steen van de put en drenkte haar vee, waarna hij haar kuste en weende. Was het een welkomstkus, weende hij om meelij op te wekken? In ieder geval hij liep nogal hard van stapel! Hij werd hartelijk welkom geheten in het huis van Laban. Jakob ‘vertelde dit alles aan Laban’ (vs.13). Ook hoe hij zijn broer en vader bedrogen had? Na een maand werd Jakob het aanbod gedaan als knecht bij Laban in dienst te komen en omdat er ook iets tegenover zou moeten staan vroeg Laban wat Jakob verlangde waarop Jakob zei: ‘Ik u zeven jaren dienen om uw jongste dochter Rachel, en die zeven jaren waren in zijn ogen als enkele dagen omdat hij haar liefhad’ (29:16,20). Zo werd de erfgenaam een knecht. Maar de ‘bedrieger’ werd bedrogen! In plaats van zijn geliefde Rachel gaf Laban hem haar zuster Lea en als bijvrouw Zilpa, want zei Laban: ‘Zo doet men niet hier ter plaatse, dat men de jongste ten huwelijk geeft vóór de eerstgeborene. Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor de dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult. En Jakob deed zo; hij bracht de bruiloftsweek met haar ten einde; daarop gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha, haar tot een slavin. (Jakob) kwam ook tot Rachel, en hij had Rachel lief, in tegenstelling met Lea. Aldus diende hij bij hem nog eens zeven jaren‘ (29:26-30). Jakob had zijn vader Isaak voorgelogen door te zeggen dat hij de eerstgeborene was (27:19), nu wordt hij zelf door de eerstgeborene bedrogen (29:26).

De rest van hoofdstuk 29 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 30 gaat over de kinderen die Jakob kreeg bij zijn vrouwen. Tenslotte kreeg ook Rachel, die geen kinderen kreeg, toch een kind Jozef die een belangrijke plaats in het leven van Jakob zou innemen.

Jakob verwerft zijn kudde (30:25-43)

Nu Jozef geboren was en Jakob Laban veertien jaar had gediend wilde hij naar zijn thuisland. Hij wilde op eigen benen staan en zijn gezin onderhouden maar daar moest hij ook financieel in staat zijn. Jakob was die veertien jaar waarin hij Laban gediend had voor zijn vrouwen tot een zegen geweest. Nu was hij ook nog bereid om hem te dienen om voor zijn eigen huis te werken. Voor deze dienst wilde Jakob niet werken op de condities die Laban wilde; hij had met zijn oom nu voldoende ervaring op dat gebied opgedaan. Jakob zou weer de kuddes van zijn oom weiden en alles wat zwart is onder de schapen, en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten zou zijn eigendom worden. In de manier waarop Jakob met de kudden omging opdat er zwarte en gespikkelde dieren zouden komen was de hand van God (31:7,9). ‘Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit, en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels’ (30:43), waardoor Jakob in staat was om zijn familie te onderhouden. Deze handelswijze zette kwaad bloed bij Laban waardoor de noodzaak ontstaan was dat hij afscheid moest nemen zoals we in het vervolg zullen zien.

Jakobs verbond met Laban (31:22-55)

Er waren een aantal redenen te noemen waarom Jakob weg wilde. De verhouding met Laban was niet optimaal: ‘Het gezicht van Laban, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren’ (31:2). Hij wilde zich zelfstandig maken en wonen met zijn gezin, en hij moest zijn eerder gedan belofte inlossen (28:20-22). Maar ook was er de opdracht van God om te vertrekken (31:3).

De manier waarop Jakob vertrok was verre van netjes en daarin herkennen we het ware karakter van Jakob. Hij had Laban niet eens de gelegenheid gegeven van zijn dochters en kleinkinderen afscheid te nemen (31:27-28). Toen Laban weg was ‘vluchtte’ Jakob met alles wat hij had (31:21). Zoals hij was gekomen, als een vluchteling, zo vertrok hij ook weer. Hij had angst voor Laban, maar ‘vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar’ (Spr.29:25). Zijn vrees voor Laban was niet nodig geweest, want de Here had al tot Laban gesproken in een droom Jakob geen kwaad te doen (31:24,29). De ware reden dat Laban Jakob achterna ging was eigenlijk een andere: hij was zijn goden kwijt! Op de een of andere manier was hij erachter gekomen dat zijn terafim weg was. Laban kreeg toestemming het te zoeken in de bezittingen van Jakob maar vond ze niet. Rachel had ze en verborg ze en bedroog haar vader. En dat komt Jakob aan het woord en al de opgekropte woede, die hij al die tijd in zijn hart verborgen had, komt eruit! (31:38-42). Tenslotte sloten ze een verbond maar de nauwkeurige lezer zal opmerken dat daarmee de relatie tussen Laban en Jakob niet echt was opgelost. ‘De Here houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander gescheiden zullen zijn’ (31:49). ‘De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn zonen en dochters en zegende hen, en Laban keerde terug naar zijn woonplaats’ (31:55). Zo ging Jakob heen op weg naar Kanaän.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Jakob terug naar Kanaän 

Deel 3

Hoofdstuk 32–33

‘Op weg naar huis’

 

Inleiding

Deze hoofdstukken vermelden zeven cruciale momenten in Jakobs leven op zijn weg naar Betel. Ze geven ons drie levendige beelden zien van een man die het conflict uitbeeldt tussen de geest en het vlees, de oude en de nieuwe mens.

Esau kwam er aan, en Jakob stond op het punt zijn zondig verleden te ontmoeten! Zou Esau hem vergeven of met hem vechten? Zou Jakob alles verliezen wat hij verkregen had? Het is jammer als het verleden ons achtervolgd. Niet de afstand of een twintig jarig verblijf in een ander land was in staat zijn verleden te veranderen. Jakob kon de geschiedenis niet veranderen, maar de geschiedenis zou hem veranderen! Maar voor hij Esau ontmoette had hij eerst nog drie andere ontmoetingen.

Jakob de worstelaar (32) - Drie ontmoetingen

Hij ontmoette engelen (32:1-20)

Jakob verwachtte een veldslag en daaraan probeerde hij te ontkomen maar ‘tijdens de strijd is er geen verlof’ (Pred.8:8). Paulus kon zeggen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden’ (2Tim.4:7); zijn wij gereed om de strijd aan te gaan? Hij was niet uit op verzoening (vs.8). Hij zag het leger van engelen dat hem beschermde, maar zelfs dat moedigde zijn geloof niet aan. Mahanaïm betekend ‘dubbel kamp’ – zijn kamp en dat van Gods engelen. Als Jakob zich zijn ervaringen met God te Bethel had herinnerd, zou hij niet bang zijn geweest voor Ezau (28:13-15). Het ene moment bad Jakob om Gods hulp en het volgende bedacht hij een nieuwe manier om zijn broer vreedzaam te stemmen. Hij herinnerde God aan zijn geweldige beloften en handelde vervolgens alsof nooit tot hem had gesproken. Hij verdeelde zijn leger in tweeën (vs.7) en negeerde de bescherming van het leger Gods. Toen hij die stappen had gedaan had vroeg hij om Gods hulp! Dit is het gedrag van een gelovige die door God moest worden verbroken. Hij bad om te worden gered van Ezau (vs.11), maar voor hem was het meest nodig om gered te worden van zichzelf.

Hij ontmoette God (32:21-26)

Als we allen onze weg met God gaan beginnen de dingen goed te gaan. Christus kwam om met Jakob te worstelen, en die worsteling duurde de hele nacht. Let op dat Jakob niet worstelde om een zegen te ontvangen van God; hij verdedigde zichzelf en weigerde om zich over te geven. De Heer wilde Jakob ‘breken’ op een plaats waar hij voluit kon zeggen: ‘Niet ik, maar Christus’ (Gal.2:20). De hele nacht verdedigde hij zichzelf en weigerde zich over te geven of toe te geven dat hij gezondigd had. Toen verzwakte God Jakob, en de worstelaar kon zich alleen nog maar vastklemmen aan de Engel met wie hij worstelde. Nu, in plaats van een zegen te beramen of om er om te bedelen, vroeg hij God om een zegen – en ontving deze.

Hij ontmoette zichzelf (32:27-32)

We leren ons zelf pas goed kennen als we onszelf zien in het licht van God. ‘Hoe is uw naam?’ (vs.27) was de vraag die Jakob dwong om zijn ware ik te bekennen. Toen Jakob zichzelf zag en zijn zonden beleed, kon hij worden veranderd. God gaf hem een nieuwe naam – ‘Israël, strijder Gods’, of ‘een door God geregeerd man.’ De manier waardoor Gods kracht zich kan openbaren is door onze zwakheid (2Kor.12:9). Jakob werd verbroken om te worden genezen en verzwakt om te worden versterkt. Toen hij zich overgaf, won hij, en werd hij een ‘vorst voor God’. God gaf hem een nieuwe start en een nieuwe kracht om ‘te wandelen door de Geest’ en niet meer in het vlees. Dit werd zichtbaar in zijn nieuwe manier van gaan, want hij mankte voor de rest van zijn leven. Zijn kreupele gang zou een voortdurende herinnering zijn dat God de leiding zou hebben in zijn leven. ‘God strijd tegen ons met zijn linkerhand en voor ons met zijn rechter,’ schreef Calvijn. Als we God zijn gang laten gaan is dat het aanbreken van een nieuwe dag, waardoor Jakob in staat was om zijn broer te ontmoeten (vs.31).

Jakob en Esau (33)

Het zou fantastisch geweest zijn als Jakob in overeenstemming met zijn nieuwe naam en positie was gaan leven, maar dat deed hij niet: alle begin is moeilijk! Dit hoofdstuk begint met ‘Jakob’ de oude naam en niet ‘Israël’ de nieuwe, en we zien hem ‘zijn ogen opslaan’ – wandelen naar wat hij ziet, niet door geloof? Kijk maar wat Jakob verloor door zijn geestelijke voorrechten niet te claimen:

Zijn heup (33:3)

Hij boog voor Esau, in plaats dat hij naar hem toe wandelde (strompelde) om hem te ontmoeten als man-tegenover-man. Het is altijd jammer dan een ‘kind van God’ kruipt voor een man van de wereld! Het is beter kreupel te gaan in geloof dan buigen in zelfvertrouwen.

Zijn kracht (33:1-2, 8-11)

Jakob was weer aan het plannen, door te onderhandelen met de vijand. Had God hem niet van zijn hulp verzekerd? Had God niet hem beloofd overal door te helpen?

Zijn getuigenis (33:12-17)

Jakob loog tegen Esau over de kudden en ging in tegenovergestelde richting. Totdat hun vader overleed hebben Jakob en Esau elkaar niet meer gezien. Zonder twijfel heeft Esau Jakob gevraagd hoe het hem was vergaan nadat ze uit elkaar waren gegaan.

Zijn tent (33:17)

Jakob bouwde een huis en vestigde zich in Sukkot.

Zijn visoen (33:19)

Hij trok verder en sloeg zijn kamp op vlakbij de stad Sichem, niet gelijk Lot (13:13). Hij verloor het zicht op de stad Gods (Heb.11:13-16).

Zijn dochter (Hoofdstuk.34)

Evenals Lot, plaatste Jakob zijn gezin op een plaats van verzoeking en toen zijn dochter op onderzoek uitging in de stad, werd ze verkracht. Het is spijtig om te zeggen, maar Jakob zonen waren leugenaars gelijk hun vader. In feite gebruikten ze het (heilig) gebruik van de besnijdenis om hun boos opzet te doen slagen. De verzen 30-13 suggereren dat Jakob meer bezorgd was om zijn eigen hachje dan om de zonden van zijn familie.

Wanneer is dit allemaal begonnen? Toen Jakob naliet om te gaan leven volgens de normen die bij zijn nieuwe positie hoorden. Waarom gaan veel gelovigen hun eigen weg en zondigen en falen? Omdat zij niet leven volgens hun hemelse positie in Christus (Ef.4:1vv.).

Jakob de reiziger (35-36)

Let erop in deze hoofdstukken hoe vaak Jakob heeft gereisd (35:5,16,21). God had hem geroepen om naar Betel op te trekken (vs.1), terug naar de plaats van het visioen en de belofte. Als iemand is teruggevallen (zoals Jakob), dan is er geen andere oplossing dan terug te gaan naar de plaats waar de toewijding plaats had gevonden en zijn beloften te herbevestigen. Voordat Jakob zijn gezelschap naar het altaar kon brengen moest hij zijn ‘huis reinigen.’

De vreemde goden en de sieraden die met heidense godenverering verbonden waren moesten begraven worden. De enige plaats voor de zonde is het graf. In dit hoofdstuk vinden we vier begrafenissen: het begraven van de afgoden (vs.4), Debora (vs.8), Rachel (vs.19), en Isaaks begrafenis (vs.29).

Jakob keerde naar Betel terug en bouwde een altaar. God ontmoette hem op een nieuwe wijze en herinnerde hem aan zijn naam, Israël. God herbevestigde zijn beloften die Hij had gegeven aan Abraham en Isaak, en Jakob beantwoordde die door een steen op te richten en die te zalven zoals hij dat jaren daarvoor ook had gedaan. Een teruggevallen gelovige hoeft zich niet opnieuw te bekeren om met God in orde te komen. Hij moet alleen de eerdere ervaring terug bevestigen.

Eigenaardig is het dat Rachel al snel stierf nadat Jakob in zijn gemeenschap met God was hersteld. Grote geestelijke ervaringen zijn geen garantie voor vrijwaring van zorgen en beproevingen in het leven. Maar nu was Jakob ook beter in staat om het verdriet re dragen omdat hij opnieuw een altaar had gebouwd en zijn gemeenschap met God was hersteld. Alles wat Jakob ook verloren mocht hebben werd vergoed omdat hij God had ontmoet bij het altaar.

Er zijn niet alleen zorgen in het gezin van de toegewijde gelovigen, maar er zijn ook zonden (vs.22). Ruben was geboren met grote verwachtingen (29:32), en Jakob zei aan het einde van zijn leven dat hij veel had kunnen bereiken (49:3). Maar Ruben was niet stabiel; hij mistte het goddelijke karakter (49:4) en de consequentie daarvan was dat hij zijn eerstgeboorterecht kwijtraakte (1Kron.15:1-2) en die moest overlaten aan Juda en Jozef. Zonde brengt nooit zegen voort; het is altijd duur om te zondigen. De laatste verzen gaan over de begrafenis van Isaak door Jakob en Esau. Jakob had gedacht om zijn moeder terug te zien, maar zij stierf voordat hij thuiskwam. Hoofdstuk 36 laat ons de geschiedenis van Esau zien, want God zou hem tot een machtig volk maken. Ongelukkig werden de Edomieten eeuwenlang de vijanden van Gods volk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

Jakob in Egypte

Genesis 45-50 

Deel 4

 

 

Inleiding

Eigenlijk waren het vaak door omstandigheden dat Jakob op reis te ging. Hij trok naar Haran naar Laban, de broer van zijn moeder, uit vrees voor zijn broer Esau die hem wilde doodden. Hij vluchtte voor zijn neef Laban, in verband met de verstoorde verhouding met hem, en ging terug naar Kanaän. Door een hongersnood ging hij noodgedwongen naar Egypte, waar hij bleef tot aan zijn dood. Hij had zijn ‘reis’ erop zitten en kon nu achteromkijken om te overdenken hoe God hem al die jaren geleid had. Hij kon om zich heen kijken en genieten van zijn kinderen en kleinkinderen. En hij kon vooruitzien naar de ontmoeting die hij binnenkort zou hebben met ‘de Herder Israëls’. Wanneer Jakob de zonen van Jozef zegent besluit hij met de woorden: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend’ (48:3). De geschiedenis van Jozef is eigenlijk onderdeel van de geschiedenis van Jakob.

Jakobs laatste reis (Gen. 45-46)

De oorzaak van Jakobs laatste reis lag al in Genesis 37 waar Jozef, door zijn vader naar zijn boers gezonden, door hen verkocht werd en in Egypte terechtkwam. Dit gebeurde met Gods toelating en onder Zijn voorzienigheid. ‘God zond een man voor hen uit’ (Ps.105:17). Dat Jakob ooit nog eens naar Egypte zou gaan daar zal hij zeker nooit aan gedacht hebben. Abraham die zich eerder al door een hongersnood gedrongen voelde om uit eigen beweging naar Egypte te gaan, had daar slechte ervaringen opgedaan en het was Isaak verboden geweest om er naartoe te gaan (26:2). Toen men Jakob de boodschap had gebracht dat Jozef nog leefde kon hij het niet geloven; zijn hart bleef er koud onder, maar de bewijzen daarvan waren zo overtuigend dat Jakob bereid was om naar Egypte te gaan (45:25-28). Maar Jakob ging met de toestemming van God, die tot hem sprak in nachtgezichten en zei: ‘Jakob, Jakob. En hij zeide: Hier ben ik. Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken’ (46:1:4). ‘Toen ging Jakob uit Berseba op weg, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, benevens hun kinderen en hun vrouwen, op de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren. Zij namen ook mee hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn kroost met hem. Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en zijn gehele kroost bracht hij met zich naar Egypte. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig’ (46:5-7,27). Maar Stefanus zegt in het boek Handeling dat het aantal personen dat op weg ging vijfenzeventig was. ‘En Jozef zond hen weg en riep zijn vader Jakob bij zich en al zijn verwanten, totaal vijfenzeventig zielen’ (Hand.7:14). (Zie voor een verklaring van de verschillen in aantallen personen die naar Egypte trokken mijn website: www.bijbelstudiesgerardwesterman.be in de rubriek: Vragen & Antwoorden).

Jakobs ontmoeting met Jozef en de Farao (Gen.46-47)

Juda werd door Jakob vooruit gezonden om zijn komst aan te kondigen en ondertussen maakte Jozef zich op om zijn vader tegemoet te gaan. ‘En Jozef spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. Toen zeide Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft’ (46:29-30). Had Jakob gedacht dat hij binnenkort zou sterven (45:28), hij zou echter nog zeventien jaar leven (47:9;28). De eerste zeventien van Jozefs leven en de laatste zeventien jaar van zijn eigen leven heeft Jakob nog in de nabijheid van Jozef mogen meemaken.

Jozef ging ook hier met beleid te werk door zijn familie en hun beroep vooraf aan de Farao aan te kondigen; ‘want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel (46:34).

In tegenstelling met Abraham gaf Jakob ten opzichte van de farao een schitterend getuigenis. Abraham leidde Farao om de tuin door te zeggen dat Sara zijn zuster was, maar Jakob zegende Farao (47:10). ‘Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere’ (Heb.7:7). De enige zegen die deze wereld kan ontvangen komt door de God van het volk Israël: ‘want de behoudenis (of: heil) is uit de Joden (Joh.4:22). Er was een zegen toegezegd vóór Abraham, maar ook een zegen dóór Abraham: ‘En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden’ (Gen.22:18).

Verder beschrijft hoofdstuk 47 de wijze waarop Jozef het land Egypte bestuurde. We zouden dezelfde toewijding aan Christus moeten hebben zoals de Egyptenaren dat aan Jozef hadden: ze gaven hem hun geld, land, bezittingen en hun eigen lichaam (Rom.12:1-2).

Jakobs laatste zegen (Gen.48)

Jakob werd ziek en Jozef werd ervan op de hoogte gebracht en ging naar zijn vader met zijn twee zonen Manasse en Efraïm. Had Jozef een voorgevoel van wat er zou gebeuren? Het eerste wat Jakob doet is Manasse en Efraïm de plaats geven die voorbehouden was aan Ruben en Simeon: ‘Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn’ (48:5). Ruben was de eerstgeborene maar door zijn zonde raakte hij het recht van de eerstgeborene kwijt. ‘De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël’ (1Kron.5:1-2; Gen.35:22). Simeon was een broer van Levi en hadden Lea als moeder en waren mannen van geweld en namen wraak op hun zuster Dina door de mannen van Sichem te doden (Gen.34). De nakomelingen van Simeon werden later opgenomen in de stam van Juda (Joz.19:1) en Levi werd later de priesterlijke stam die geen erfenis voor zich hadden.

Omdat Jakob blind was (48:11) moest hij Jozef vragen wie deze jongens waren. Dat doet ons denken aan Isaak die vanwege zijn blindheid door Jakob bedrogen werd (27:1). Wat we eerder hebben gezien bij Set en Kaïn, Isaak en Ismaël, Jakob en Esau zien we hier nog maar eens herhaald bij Manasse en Efraïm, Jakob plaatste Efraïm vóór Manasse. ‘Hij neemt de eerste weg om het tweede te stellen’ (Heb.10:9).

Jakob gaf ook een zegen aan Jozef in de naam van de God die voor hem als een Herder was geweest. ‘En Israël zeide tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt. (48:21-22).

Jakobs laatste boodschap (Gen. 49)

Jakob riep zijn zonen bij zich om hen te zegenen en afscheid te nemen om hun bekend te maken wat ze in de toekomende dagen zouden meemaken (49:1). Omdat deze toepspraak van Jakob zeer gedetailleerd is, heb ik dit hoofdstuk verder uitgewerkt in een apart artikel onder de titel: ‘De laatste woorden van Jakob’ in de rubriek: Het leven van Jakob op mijn website.

Jakobs voorbereidingen (Gen. 49-50)

‘Het is de mens gezet om eenmaal te sterven’ en dat gold ook voor Jakob (Heb.9:27). Hij had zijn voorbereidingen getroffen door de zonen van Jozef te zegenen (48) en daarna zijn eigen zonen (49). Zijn aardse reis zat er op. Veel mensen treffen wel voorbereidingen als ze op vakantie gaan of een reis maken, maar niet voor hun laatste reis. Jakob had zijn hele leven met God geworsteld, maar God had overwonnen. Jakob was klaar om voor zijn Schepper en God te verschijnen, maar er was nog een laatste opdracht voor zijn zonen over: hij wenste begraven te worden in het land Kanaän. ‘Daarna gaf hij hun bevel en zeide tot hen: Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd, begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk in het veld van de Hethiet Efron, in de spelonk in het veld van Makpela, dat tegenover Mamre in het land Kanaän ligt, welk veld Abraham gekocht heeft van de Hethiet Efron tot een eigen grafstede. Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaak en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven; het veld met de spelonk daarin, is gekocht van de Hethieten.  Nu alles gedaan en gezegd was trok hij zijn voeten terug op het bed en gaf de geest’ (49:29-32). Jakob stierf op de leeftijd van honderdzevenenveertig jaar.

Jozef beweende zijn vader maar niet als mensen die geen hoop hebben (1Thes.4:13). Hoe langer iemand leeft hoe moeilijker het is om afscheid te nemen. De gedachtenis aan iemand die je liefhebt of die veel voor je heeft betekend zal nooit verdwijnen, maar het verdriet zal met de jaren minder worden. Je hoort wel eens zeggen bij een begrafenis: ‘Sterkte met het verlies’. Dat is goed bedoeld maar als je weet waar iemand heen is gegaan ben je hem of haar niet kwijt! Het is een groot voorrecht als je weet dat iemand bij de Heer is en dat je als gelovigen elkaar weer zult zien.

Na een periode van veertig dagen waarin het lichaam van Jakob gebalsemd werd, en een periode van zeventig dagen van rouw, kreeg Jozef de toestemming van de Farao om zijn vader naar Kanaän te brengen. Jakobs zonen stonden samen aan het gaf van hun vader, samen verenigd. Begrafenissen brengen vaak familieleden weer bij elkaar, dat was het geval bij Isaak en Ismaël bij de dood van Abraham, en bij Esau en Jakob bij de dood van Isaak. Jakob was thuis! Thuis in zijn land en thuis bij zijn Schepper, de God van Israël. De 'strijder Israëls had de goede strijd gestreden en kon gaan rusten.

Tenslotte

Hiermee is de geschiedenis van Jakob beëindigd en daarmee ook het boek Genesis. De geschiedenis van Jozef, die eigenlijk onderdeel uitmaakt van Jakobs geschiedenis, vormt als het ware een brug met het boek Exodus, om te kunnen begrijpen hoe het volk Israël in Egypte terecht was gekomen..

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Jakobs leven in vier periodes

 ‘Jakob - Israël’

 (Genesis 29-31)

 

Inleiding

In Genesis 27 begint de geschiedenis van Jakob, de vader van de twaalf stammen van Israël. Zijn leven kan verdeeld worden in vier perioden:

(1) In Kanaän, waaruit hij na zijn bedrog moet vluchten (Gen.27 en 28);

(2) In Mesopotamië, bij Laban, de broer van zijn moeder, die hij twintig jaar dient en wiens dochters hij huwt; daar worden ook elf van zijn twaalf zonen geboren (Gen.29-31);

(3) Dan keert Jakob met zijn familie en zijn kudden naar Kanaän terug, waar Benjamin geboren wordt, waar hij Jozef ‘verliest’ en waar hij tot zijn 130ste levensjaar woont (Gen.32-45);

(4) Zijn laatste zeventien levensjaren brengt hij door in Egypte, waar zijn lievelingszoon Jozef onderkoning is (Gen.46-50).       

Eerste periode: 77 jaar (Gen.27 en 28).

Nadat Jakob eerst Esau diens eerstgeboorterecht ontnomen had, ontfutselt hij nu Isaaks patriarchale zegen. Isaak is daar trouwens ook zelf schuldig aan, want hij wil die zegen aan Esau geven hoewel hij Gods verkiezing van Jakob kent. Rebekka is ook schuldig, want zij zet Jakob aan tot zijn bedrog. Maar ook Esau is schuldig, want hij heeft zelf vrijwillig zijn eerstgeboorterecht verkocht en moet de consequenties aanvaarden. Zij krijgen ook allemaal hun verdiende loon: Isaak wordt bedrogen en beschaamd (hij kan zijn zoon niets verwijten). Rebekka verliest voor altijd haar lievelingszoon, die hals-over-kop moet vluchten voor de woede van Esau, en daardoor wordt de vervulling van de zegen door zijn eigen schuld voor vele jaren uitgesteld. ‘Zo zond Isaak Jakob weg’ (Gen.28:5), maar in Hosea 12:13 lezen we iets anders: ‘Jakob vluchtte naar het veld van Aram.’ Esau heeft voor altijd de grootste zegen verspeeld (vgl. Hebr.12:17). Jakob is nu een vluchteling geworden, maar God laat hem niet in de steek. Hij verschijnt aan Jakob in Bethel (‘huis Gods’) aan de top van een ladder die de hemel met de aarde verbindt en waarlangs engelen opklimmen en neerdalen (vgl. Joh.1:51). God maakt hem geen verwijten, maar belooft hem te bewaren en te zegenen.

Tweede periode: 20 jaar (Gen.29-31)

Jakob komt in Mesopotamië aan bij zijn oom Laban en wordt onmiddellijk verliefd op diens jongste dochter Rachel. Om haar als vrouw te ontvangen, zal hij zeven jaar bij Laban moeten werken (vgl. Hos.12:13). De bedrieger Jakob ervaart nu zelf wat bedrog is, want als de vereiste tijd voorbij is, krijgt hij niet Rachel maar haar oudere zuster Lea tot vrouw. Als troost geeft Laban hem direct daarna ook Rachel, maar daarvoor moet Jakob wel nog eens zeven jaar voor Laban werken. Beide vrouwen krijgen van hun vader ook nog een slavin cadeau. Omdat Lea de onbeminde is, geeft de Here haar het eerste kinderen. Zij baart achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. De jaloerse Rachel ziet dat zij onvruchtbaar blijft en wil daarom kinderen hebben via haar slavin Bilha. Bilha schenkt het leven aan Dan en Naftali. Lea, die intussen ook geen kinderen meer krijgt, doet nu hetzelfde met haar slavin Zilpa, en deze baart aan Jakob Gad en Aser. Daarna baart Lea zelf nog Issaschar en Zebulon en ook haar dochter Dina. Eindelijk verhoort God ook Rachels gebeden, en brengt deze haar zoon Jozef ter wereld. Vanwege Jakobs liefde voor Rachel wordt Jozef zijn lievelingszoon, die later in feite ook het eerstgeboorterecht ontvangt (vgl. Gen.49:26; Deut.33:16). Met de hier nog ontbrekende zoon van Rachel (Benjamin) zijn dit de twaalf stamvaders van Israël, menselijk gezien de vrucht van de ruzies van twee vrouwen. Maar in de naamgeving van hun zonen zien ze ook geloof bij deze vrouwen.

Als Jozef geboren is wil Jakob wel terug naar Kanaän. Maar eerst moet Laban tegen wil en dank (maar in Gods voorzienigheid) Jakob rijk maken, en dan is het de Here die Jakob aanspoort naar huis te gaan. Ook in Genesis 30 en 31 zien we hoe Gods wegen en Jakobs listen op eigenaardige wijze vervlochten zijn. Jakobs trucs helpen niet werkelijk: de ware hulp komt van God. Onder alle bedrog van Laban blijft Jakob echter geduldig, en dat wijst erop dat hij Gods tucht over hem erkend heeft: wie bedrog doet, bedrog ontmoet. Maar dan komt (na twintig jaar!) eindelijk weer Gods stem tot Jakob en deze gaat maar al te graag terug naar zijn land. Maar omdat hij nog steeds weinig vertrouwen in God heeft, gaat hij stiekem weg en haalt zich zo de woede van Laban op de hals. Laban is woedend over de vlucht van Jakob en over de diefstal van zijn huisgoden (waaraan Rachel schuldig is, maar dat blijft verborgen). God komt echter voor Jakob tussenbeide en Jakob en Laban sluiten zelfs een verbond.

Derde periode: 33 jaar (Gen.32-45)

Nu is Jakob op weg naar Kanaän, maar hij ziet vreselijk op tegen de ontmoeting met Esau. De Here laat hem een ‘leger Gods’ zien, maar dat maakt zijn vrees voor het leger van Esau er niet minder op. Nog steeds geeft Jakob de voorkeur aan zijn eigen listen, ondanks zijn gebeden. Hij is zelfs bereid zijn gezin aan Esau op te offeren. Maar dan krijgt hij met God Zelf te maken. De Man die op klaarlichte dag bij Abraham op bezoek was (Gen.18), vecht in het holst van de nacht met Jakob. Hier (in Pniël) ligt het ware keerpunt in Jakobs geschiedenis; Jakob wordt ongeneeslijk getroffen in zijn mannelijke kracht en waardigheid en weet zich voortaan geheel afhankelijk van Gods zegen. Zo overwint hij door te verliezen: ‘In zijn mannelijke kracht streed hij met God. Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte hem om genade’ (Hos.12:4,5). Nu is zijn naam niet meer Jakob (‘bedrieger’, ‘hielenlichter’; vgl. Gen.25:26; Hos.12:4a) maar Israël (‘strijder Gods’ of ‘vorst Gods’). Hiermee is de naam van zijn nageslacht, het volk Israël, geboren. Nu volgt de ontmoeting met Esau, die God al evenzeer voor Jakob gunstig laat verlopen. Overigens is Jakob er niet gerust op en hij schudt Esau zo gauw mogelijk met list van zich af. Zijn hele, kruiperige houding tegenover Esau is trouwens nogal beschamend. Ook is Jakob niet voortvarend genoeg: hij had moeten doorreizen naar Bethel om er zijn gelofte te vervullen (vgl. Gen.27:19-22; 31:13; 35:1-3). In plaats daarvan bouwt hij een huis in Sukkot en koopt land in Sichem. Hij bouwt er wel een altaar, maar God verschijnt daar niet aan hem. Als Jakob in Sichem blijft hangen, moet hij daar trieste ervaringen opdoen waarvan van dochter Dina het schandelijke middelpunt is. De eigengereidheid van de vader weerspiegelt zich in de zonen. Jakobs ‘kwade reuk’ in de streek (Gen.34:30) drijft hem op Gods bevel naar de plaats Bethel.

In Bethel zal Jakob eindelijk weer op zijn uitgangspunt, eindelijk thuis zijn. Hij voelt nu opeens de noodzaak zijn familie te reinigen van de afgoden. Nu komt zijn altaar op de ‘goede plek’ te staan: God is niet alleen Jakobs, God, God is de God van zijn huis (‘Bethel’) waar Hij Zich aan Zijn volk openbaart. Nu kan Jakob pas werkelijk zijn nieuwe naam ‘Israël’ gaan dragen en ook God noemt Zich hier bij de naam die Zijn speciale relatie tot de aartsvaders kenmerkt, God de Almachtige, de naam die Hij tegenover Abraham noemde, die Isaak kende en die ook Jozef kende.

Jakob trekt verder om zijn vader Isaak terug te zien. Onderweg sterft Rachel bij de geboorte van haar zoon Benjamin. Even verder zondigt Ruben en verliest zijn eerstgeboorterecht. Jakob bereikt tenslotte Isaak (Rebekka is kennelijk al gestorven), die daarna nog enkele tientallen jaren leeft; na zijn dood wordt hij begraven door Isaak en Esau. In Genesis 36 wordt de genealogie van Esau vermeld. Als Jakobs nazaten nog arme pelgrims zijn, heeft de goddeloze wereld van Esau zich al sterk gemaakt. Zo ging het ook met Kaïn (Gen.4), Cham (Gen.10) en Ismaël (Gen.25). Gods groei gaat altijd langzamer, maar is wel duurzamer! Vroegrijp, vroeg rot!

Vierde periode: tot het einde van zijn leven - (zeventien jaar: Gen.46-50)

Jakob trekt met heel zijn familie naar Egypte om zijn zoon Jozef, de vizier van Egypte, te ontmoeten. Op de grens van het beloofde land (in Berseba) brengt hij offers aan de God van zijn vader Isaak. Vreest hij wellicht een verkeerde weg te gaan? Hij weet van de geschiedenis van zijn vaderen in Genesis 12 en 26! Jakob angstvalligheid staat in mooi contrast tot zijn vroeger eigenmachtig handelen. Maar God bemoedigt Jakob in een droom naar Egypte te reizen. Het is Gods voorzienigheid, niet alleen dat Jakob en Jozef elkaar zullen terugzien, maar ook dat God de nakomelingen van Jakob (= Israël) in Egypte wel in het afgelegen land Gosen brengt. Daar mogen zij zich vrij en rustig tot een groot volk ontwikkelen zonder gevaar te lopen zich met de Kanaänieten (of de Egyptenaren) te vermengen (vgl. Gen.34:1v.; 43:32; 46:10,34).

De finale

Aangrijpend is de ontmoeting tussen vader en zoon: Juda die vooruitgestuurd wordt, Jozef die zijn vader tegemoet reist, zijn vader die hem om de hals valt en lang aan zijn hals weent. Even indrukwekkend is het tafereel dat we zien hoe Jakob de farao zegent. Wel wat anders dan Abrahams ontmoeting met de toenmalige farao (Gen12:18v.)! De grootste man van de toenmalig bekende wereld is minder dan Gods arme pelgrim (vgl. Heb.7:7). Iemand die zelf zozeer Gods zegen ervaren heeft, kan ook anderen zegenen. Het is alsof we Paulus voor Agrippa zien staan, die net als Jakob tegenover de vorst wat hemzelf betreft alleen maar op ellendige omstandigheden kan wijzen, maar een machtig God bezit (Hand.26:27-29)

Jakob blijft nog zeventien jaar pelgrim, verheven boven het gewoel van Egypte. Nooit horen we over een verzoek of eis van hem aan de farao of aan Jozef aangaande zijn leven in Egypte; maar wel over zijn dood. Jozef moet hem zweren hem niet in Egypte maar in Kanaän te begraven, bij zijn vaderen. Deze eis toont Jakobs geloof in de opstanding!

Zijn laatste levensdagen worden door grote geloofsdaden gekenmerkt: zijn sterfbed wordt het absolute hoogtepunt (vgl. Heb.11:21). Ten eerste adopteert Jakob de twee ‘Egyptische’ zonen van Jozef, Manasse en Efraïm. Het gevaar was dat zij buiten de beloften zouden vallen (vgl. Ezra 10:2v.) en onder de Egyptenaren zouden opgaan; daarom maakt Jakob hen tot zijn eigen zonen, zodat zij volwaardig als afzonderlijke stammen zouden meetellen. Daarbij krijgt de jongere Efraïm het eerstgeboorterecht, niet Manasse (net zomin als vroeger Ismaël en Esau). Jozef begrijpt dit eerst niet, maar de blinde Jakob ‘ziet’ hier scherper dan de grote ziener Jozef. Jakob zal wel teruggedacht hebben aan het ziekbed van zijn blinde vader Isaak, waar hij zelf op heel wat minder fraaie wijze de zegen in de wacht sleepte… Waarschijnlijk wijst Jakobs profetie in Gen.48:19 al op Efraïms latere superioriteit over de tien stammen (vgl. 1 Kon.11 en 12).

De machtige rede van Jakob tot zijn twaalf zonen (Gen.49) heeft een profetische strekking zoals uit vers een blijkt. Jakob herhaalt zijn eis in Kanaän begraven te worden en sterft op de leeftijd van honderd zevenenveertig jaar (Gen.47:28).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 Acht begrafenissen

Een overzicht van het leven van Jakob

(Genesis 35 - 48)

 

 

‘Opdat ik niet droefheid op droefheid had’ (Fil.2:27)

 

Inleiding

Na zijn broer het eerstgeboorterecht te hebben ontfutseld en zijn vader Isaak te hebben bedrogen gaat Jakob, op aanraden van zijn moeder Rebekka, naar Laban een broer van zijn moeder in Haran ongeveer 800 KM van hem verwijderd. Daar is Jakob twintig jaar gebleven, en zijn vier vrouwen ontmoet, waarna hij teruggekeerde naar Kanaän waar hij korte tijd later door God wordt geroepen om zich reisvaardig te maken en naar Betel te gaan, een plaats waar hij eerder een belofte aan God had gedaan.

Maar Jakob gaat niet rechtstreeks naar Betel dat hebben we gezien in hoofdstuk 33 waar we hebben gelezen dat hij na zijn ontmoeting met Esau zich naar Sukkot begaf en Sichem. Daar gebeurde dan de verkrachting van Dina.

De Jakob die we in hoofdstuk 34 zien is een totaal andere dan in hoofdstuk 35! We lezen in Genesis 35 dat Jakob met het oog op zijn ontmoeting met God voorbereidingen treft. De vraag die wij onszelf zouden moeten stellen is: ‘Hoe bereiden wij ons voor op een ontmoeting met God?’ Een ontmoeting met een God waarvan de profeet Habakuk zegt: “Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te aanschouwen’ (1:13) Jesaja zegt: ‘Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk dat onrein van lippen is, en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien’ (Jes.6:5) Als Jesaja zo onder de indruk was van wat hij gezien had, hoeveel temeer past het dan ons om ons voor te bereiden op zo’n ontmoeting!

De eerste begrafenis (35:4)

De voorbereidingen voor die ontmoeting zijn:

(1) Reiniging. Dit duidt op een nieuw begin. Zoals vuil, verontreinigd de zonde ons en moet worden verwijderd. (Ps.51:2; Jes.1:16; 2Kor.7:1; 1Joh.1:9).

(2) Verwisseling van klederen. Onze oude kleren zijn een beeld van ons oude leven met zijn tekortkomingen (Jes.64:6), maar God geeft ons uit genade ‘nieuwe kleren’ opdat we opdat we met een schone lei kunnen beginnen (Gen.3:21; Jes.61:10; Zach.3:11-5; Luk.15:22; Op.3:18)

(3) Huis van God. Betel betekend ‘huis van God’ – in het Nieuwe Testament wordt de Gemeente ook voorgesteld als een huis van God. (1Tim.3:15; 1Petr.2:5). Petrus zegt dat wij levende stenen zijn om dat huis te vormen en we worden genoemd een ‘heilig en koninklijk priesterdom’ (1Petr.2:4-10). ‘De heiligheid is uw huis tot sieraad’ (Psalm 93:5). Jakob heeft zeker geen onbezorgde oude dag gehad dat blijkt uit de verdere gebeurtenissen in zijn leven het begon met de dood van Debora.

De tweede begrafenis – Debora (35:8) Als tweede werd Debora begraven voor velen een aanleiding om te denken dat Rebekka gestorven was en dat Rebekka nu deel ging uitmaken van Jakobs huis. Was zij de brengster van het nieuws?

De derde begrafenis - Rachel (35:19)

In hoofdstuk 30:1 had Rachel gezegd: ‘Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik’ Haar ‘wens’ werd hier vervuld!

De zonde van Ruben (25:22)

Vondel heeft eens gezegd: ‘Het leven is een pijp kaneel, elk zuigt eraan en krijgt zijn deel.’  Een waar woord zeker als we dit hoofdstuk op ons laten inwerken. Paulus spreekt ook over ‘droefheid op droefheid’ (Fil.2:27). Ruben lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader. In die tijd was het nemen van de vrouw van je vader een poging tot machtsovername. Later spreekt Jakob Ruben er nog over aan (Gen.49:3; 48:5; Pr.8:11).

De vierde begrafenis - Isaak (35:29)

Isaak is de oudste van de aartsvaders geworden, honderdtachtig jaar. Hij werd begraven in de spelonk van Makpela waar ook Abraham, Sara, Rebekka en Lea begraven lagen, en waar later Jakob ook zou begraven worden (Gen.49:30-32).

De zevende begrafenis – Jozef (37:34-35)

‘Dit alles is tegen mij’ en ‘kwaad zijn al mijn levensjaren geweest zijn woorden door Jakob uitgesproken. (Gen.42:36; 47:9). Nee, hij heeft geen gemakkelijk leven gehad, maar was dat ook niet doordat hij zo vaak zijn eigen weg ging? (Gen.35:3).

Zijn eigen begrafenis

Toch een omkeer want Jakob zegt ook: ‘God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood’ (Gen.48:15).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Afscheidswoorden van Jakob 

Genesis 49

 

 

 

Inleiding

Vaak wordt de inhoud van Genesis 49 weergegeven met de uitdrukking ‘de zegen van Jakob’, maar de enige keer dat het woord ‘zegen’ of ‘zegeningen’ vermeld wordt is bij Jozef (Gen.49:25-26). Jakob zag zijn afscheidswoorden meer als profetie: ‘opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal’ (Gen.49:1). Jakob is wel erg duidelijk in zijn uitspraken geweest en heeft een aantal tamelijk harde woorden tegen zijn zonen gezegd. Daardoor openbaarde Jakob het karakter van zijn zonen en soms hun zonde.

Maar er was nog iets anders dat het vermelden waard is: de profetische inhoud van Jakobs toespraak. Hij verzekerde elke stam van een toekomstige plaats in het beloofde land. Maar ook getuigt zijn toespraak van een prachtige openbaring van de genade van God, die zo veel jaren voor Jakob had gezorgd (48:15-16). En tenslotte was er een openbaring van de Messias, die was beloofd aan Jacobs nakomelingen. Aanwijzingen daarvoor vind je in de woorden ‘Silo’ (vs.10), heil (Yeshua vs.18), Machtige, Herder, en Steenrots (v.24), en de Almachtige (vs.25). Al deze uitdrukkingen spreken van onze Heiland, Jezus Christus.

Terwijl hij tot hen sprak, volgde Jakob de volgorde van de geboorte van de zonen, te beginnen met Lea's zes zonen en hij besluit met Rachels twee zonen, Jozef en Benjamin.

‘En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal. Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jakob, luistert naar Israël, uw vader’ (Gen.49:1)

Ruben - Wat een mens zaait, zal hij oogsten

‘Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen. Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn legerstede beklommen’ (Gen.49:3-4).

Jakobs woorden waren een openbaring van het karakter en de houding van zijn kinderen, maar ook een voorzegging betreffende hun toekomst. Drie van zijn zonen moesten ondervinden hoe hun daden in het verleden verricht, hun de volle toekomstige erfenis kostte, de eerste is Ruben. Het: ‘wat een mens zaait, hij ook zal oogsten’ (Gal.6:7) werd in het leven van Ruben helaas bewaarheid. God gaf Jakob zes zonen bij zijn vrouw Lea, de vrouw die hij eigenlijk niet wilde. (Gen.29:31-35; 30:14-21). Zij is de moeder geworden van Levi, die de stamvader van de priesterlijke lijn is geworden, en Juda, die de stamvader van de koninklijke lijn is geworden. Jacob sprak rechtstreeks tot Ruben, zijn oudste zoon, maar wat hij te zeggen had was niet erg complimenteus. Het: ‘Gij zult gewaar worden, dat uw zonde u vinden zal’ vond zijn vervulling, want een oude zonde die Ruben had begaan werd hem fataal zodat hij zijn privileges als de eerstgeboren zoon verloor (Gen.35:22; Num.32:23). Jakob gaf die zegen aan Jozef en zijn twee zonen (1Kron.5:1-2). Ruben zou als eerstgeborene een voorbeeld geweest moeten zijn voor zijn broers, maar hij bleek iemand met een zwak karakter, die zijn familie te schande maakte door het bed van zijn vader te verontreinigen. ‘En toen Israël in dit land woonde, ging Ruben heen en lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader, en Israël hoorde het.’ (Gen.35:22; vgl. 1Kor. 5:2)

Het ‘onstuimig als water’ (Gen.49:4 HSV) spreekt zowel van kracht als zwakte. Water heeft geen kracht in zichzelf, maar bruisend water kan zeer vernietigend zijn. In de Bijbel is het moeilijk een lid van de stam van Ruben te vinden die zich onderscheidde als leider. En als er toch iemand was die leiding gaf dan was dat in negatieve zin, zoals Dathan en Abiram, die leiding gaven aan de opstand van Korach, wat tot de dood van duizenden mensen leidde. Zij waren afstammelingen van Ruben (Num.16:1). De stam van Ruben vestigde zich aan de oostkant van de Jordaan, het zogenaamde ‘Overjordaanse’, met de stam van Gad en de halve stam van Manasse, omdat het land er goed was voor hun kudden. De volle zegen van het land Israël hebben ze daarom gemist. Het leger van Ruben gaf geen gehoor aan de oproep van Deborah en Barak toen ze vochten tegen de Kanaänieten. (Ri.5:15-16) Wellicht ontbrak het hun aan vastberadenheid en moed om strijd te voeren. Jaren later verbeterde dat en stuurden ze wel strijders naar David om hem te assisteren bij Hebron. (1Kron.12:37). De les die wij van Rubens leven kunnen leren is, dat we ons bewust moeten zijn wat we doen, want: ‘één daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit!’

Simeon & Levi - Eenheid maakt macht!

‘Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël’ (Gen.49:5-7).

Zoals u hierboven hebt kunnen lezen was Rubens zonde de lust, maar Simeon en Levi waren schuldig aan (zinloos) geweld en toorn, de mannen van Sichem aangedaan die hun zuster Dina hadden verkracht. Dina had daar ook niet heen moeten gaan want ‘kijken is bezwijken!’. Misschien kan het ‘voorbeeld’ van Dina een waarschuwing bevatten voor onze jongeren.

Door een list namen Simeon en Levi, broeders van Dina, wraak en overvielen de argeloze stad en doodden al wie mannelijk was. Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met de scherpte des zwaards. De zonen van Jakob wierpen zich op de verslagenen en plunderden de stad, hun kleinvee en rundvee, hun ezels en al wat in de stad en op het veld was, namen zij mee. En hun gehele bezit, al hun kleine kinderen en hun vrouwen namen zij gevangen en zij maakten die buit, evenals alles wat in de huizen was. Toen zeide Jakob tot Simeon en Levi: ‘Gij hebt mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten, terwijl ik slechts met weinige lieden ben; als zij tegen mij samenspannen, zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.’ Maar zij zeiden: ‘Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?’ (Gen.34:31). Was het verkeerd hun zuster te wreken voor het haar aangedane leed?

Simeon en Levi waren één in hun streven naar wraak voor hun onteerde zuster maar God heeft het zo laten gebeuren dat deze twee stammen in de toekomst niet meer in de gelegenheid kwamen dat ze samen nog iets konden doen. De stam van Simeon is min of meer opgegaan in de stam Juda (Joz.19:1, 9), en aan de stam van Levi werden achtenveertig steden gegeven om te bewonen, verdeeld over het hele land (Joz.21). Inderdaad, de broeders werden verdeeld en verstrooit onder Israël. De nieuwtestamentische tegenhangers van Simeon en Levi zijn Johannes en Jakobus die door de Heer Jezus ‘zonen des donders’ worden genoemd (Mark.3:17). Ook zij waren geneigd om vuur uit de hemel te laten komen om de Samaritanen te verdelgen gelijk Elia dat had gedaan (1Kon.18). Johannes en Jakobus worden door de Heer Jezus daarover aangesproken met de woorden: ‘U weet niet van welke geest u bent!’ (Luk.9:55) De les die wij kunnen leren uit het ‘voorbeeld’ van Simeon en Levi is en dat ‘we langzaam dienen te zijn tot toorn; want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort.’ (Jak.1:19-20)

Juda -Totdat Hij komt!

‘Juda, ù zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. Een leeuwenwelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad. Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk’ (Gen.49:8-12)

Jakob had gesproken over de zonden van Ruben, Simeon, en Levi, maar hij zei niets over de raad die Juda zijn broers gaf om Jozef te verkopen als slaaf (Gen.37:26-27). Jacob zal pas achteraf beseft hebben dat wat Juda had gedaan Jozefs leven had gered en dat het uiteindelijk ten goede was gekomen voor Jakobs familie (Gen.45:5-8; 50:20; Ps.105:17). Jacob zei ook niets over de zonde van Juda met Tamar (Gen.38). Jacobs waardering voor Juda was misschien geleidelijk aan gestegen, omdat Jozef zijn vader Jakob verteld had over Juda’s medelijden met zijn vader en zijn pleidooi voor zijn jongste broer en dat hij zich had aangeboden als borg voor Benjamin (Gen.44:18-35). Toen Jakob met zijn gezin naar Egypte vertrok, was het Juda die door Jacob vooruit werd gestuurd om zijn komst voor te bereiden (Gen.46:28). Juda had fouten gemaakt, maar hij had ook een aantal goede dingen gedaan voor zijn vader en zijn familie, en dat maakte het verschil tussen hem en zijn drie andere broers. Omdat God Juda aangesteld had als de koninklijke stam, was het logisch om de stam met de leeuw, de koning van de dieren te associëren. (Num.24:9; Ez.19:1-7; Mi.5:8 en Op.5:5) Jacob vergelijkt Juda met een welp van een leeuw (Gen.49:9). Wie zou een leeuw durven wekken als hij rust na het eten van zijn prooi, of een leeuwin terwijl ze haar jongen bewaakt? Hij richtte de koninklijke stam die Israël haar koningen gaf met als definitief hoogtepunt de komst Jezus, de Christus (Hebr.7:14). De naam ‘Silo’ in vers 10 heeft aanleiding gegeven tot veel interpretaties en speculaties, maar het meest redelijke is dat het verwijst naar de Messias (Num.24:17). De zinsnede zou kunnen worden vertaald als ‘totdat Hij komt wiens recht het is’. De oude rabbijnse geleerden gaven Silo als naam aan de beloofde Messias, die als enige het recht had om heerschappij op te eisen over Gods volk, Israël. De beschrijving in vers 11-12 gaat zeker verder dan de tijd van Juda en spreekt over de zegeningen van het Koninkrijk, wanneer de Messias zal regeren over Israël. Dit zijn metaforen die duidelijk willen maken dat het land zó rijk en het volk zó welvarend is dat ze ongepaste dingen doen en zich geen zorgen te maken over de gevolgen daarvan. Tijdens het Koninkrijk, wanneer de Messias regeert, zullen de mensen genieten van rijkdom en voorspoed, omdat de zonde en de duivel hun verwoestend werk niet meer kunnen doen.

Zebulon - Klein, maar dapper!

‘Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn’ (Gen.49:13)

Hoewel niet direct aan de Middellandse Zee, werd de stam van Zebulon het land toegewezen dat dicht genoeg bij de zee lag om handel te kunnen drijven die winstgevend zouden zijn. Zebulon was gelegen op een belangrijke route die goederen vervoerde van de kust via het meer van Galilea naar Damascus. Mozes zei van Zebulon: ‘Verheug u, gij Zebulon, over uw tochten, en gij, Issakar, over uw tenten. Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeën en met de meest verborgen schatten van het strand.’ (Deut.33:19; Joz.19:10-16). De Joden waren niet echt een zeevarend volk, maar de stam van Zebulon deed zaken met de Feniciërs ten oosten van hen en voerden goederen in van de bevolking ten westen van hen. Ze waren niet alleen handelaren maar ook moedige mensen van wie de krijgers een uitstekende reputatie hadden. ‘Van Zebulon, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg met allerlei wapentuig: vijftigduizend, die zich zonder aarzeling in slagorde zouden opstellen’ (1Kron.12:33). Deborah en Barak prezen de mannen van Zebulon voor hun inzet bij de bestrijding van Sisera. In vergelijking met andere stammen viel Zebulon positief op: ‘Gilead bleef rustig aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom toefde het bij de schepen? Aser zat aan het strand der wijde zee, bleef rustig wonen aan zijn zeeboezems. Maar Zebulon is een volk, dat zijn leven op het spel zette’ (Richt.5:17-18). Elon, één van de richters, was van deze stam. ‘Na hem richtte de Zebuloniet Elon Israël. Hij richtte Israël tien jaar. En de Zebuloniet Elon stierf en werd begraven te Ajjalon, in het land Zebulon’ (Ri.12:11-12). In het Nieuwe Testament wordt een profetie uit Jesaja 9 aangehaald en toegepast op de komst en de prediking van de Heer Jezus. ‘Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide: Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan’ (Mat.4:12-16).

De les die wij van Zebulon kunnen leren is om ons leven voor de broeders te geven mocht dat gevraagd worden. Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten, zoals het volk van Zebulon zijn leven op het spel zette’ (1Joh.3:16; Ri.5:17-18).

Issakar - Een bonkige ezel!

‘Issakar is een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt; als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst’ (Gen.49:14-15)

Het zal je maar gezegd worden: je bent te vergelijken met ‘een bonkige ezel’, niet erg complimenteus toch? Vandaag de dag denken wij van een ezel als een onwaardig lastdier, maar in het Oude Testament, reden koningen op ezels (1Kon.1:38). Het beeld in Gen.49:14-15 is dat van sterke mensen die niet bang zijn om lasten te dragen. De mensen van Issakar bewerkten met toewijding het land. Ze waren tevreden met hun lot en maakten er het beste van. Deze stam leverde geen grote helden, maar hun dagelijkse arbeid was tot zegen voor anderen. Immers, niet iedereen in Israël was uitverkoren om een Juda of een Jozef te zijn! Je moet ook mensen hebben die de lasten van anderen willen dragen (Gal.6:2). Issakar was gelegen in het oostelijke gedeelte van de vruchtbare vlakte van Jizreël (Joz.19:17-23), ingeklemd tussen Zebulon en de rivier de Jordaan. De richter Tola was van Issakar (Richt.10:1-2). De mannen van Issakar vochten tegen Sisera (Richt.5:15). Toen het volk David koning wilde maken waren er ook mannen van Issakar bij aanwezig: ‘Van de Issakarieten, die de juiste tijden kenden, zodat zij wisten wat Israël doen moest: tweehonderd aanvoerders van hen met al hun broeders over wie zij het bevel voerden’ (1Kron.12:32). Die de juiste tijden kenden! De Issakarieten begrepen dat het koningschap van Saul op zijn einde liep en dat David hem zou opvolgen. De inwoners van Jeruzalem hebben de juiste tijden niet verstaan, want toen de Heer Jezus de stad naderde voordat Hij gekruisigd zou worden en over haar weende moest vaststellen: ‘Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen’ (Luk.19:42). En hoe is met ons, verstaan wij de tekenen der tijden? (Mat.16:3). Veel van de mannen van deze stam waren dapper in de strijd: ‘En hun broeders uit alle geslachten van Issakar, dappere helden, waren allen tezamen, zevenentachtigduizend, in het register ingeschreven’ (1Kron.7:5).

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

We hebben nu de zes zonen besproken die Jakob had gekregen van zijn vrouw Lea. We gaan verder en bespreken Dan en Naftali, kinderen die Jakob bij Bilha, de slavin van Rachel verwekte.

Van Lea's zes zonen, verloren drie hun zegeningen van God vanwege hun zonden: Ruben, Simeon, en Levi. Ze herinneren ons eraan dat zuiverheid en zelfbeheersing essentieel zijn om een goddelijk karakter te kunnen openbaren. Zebulon en Issakar waren ‘gewone mensen’, die de andere stammen dienden. Ze stonden niet bekend om eventuele heldendaden. We hebben ook boeren en handelaren nodig om de machinerie van het leven soepel te laten lopen (1Kron.12:39-40). ‘Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild’ (1Kor.12:18). Er was ook maar één zoon - Juda -  die uitverkoren was om de koninklijke stam te zijn. We mogen tevreden te zijn met de plaats die God ons in het Lichaam – zijn Gemeente – heeft gegeven. Zelfs ‘bonkige ezels’ kan God gebruiken!

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Dan - Hij heeft recht verschaft

‘Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls. Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterovervalt. Op uw heil wacht ik, o HERE’ (Gen.49:16-17)

De naam Dan betekent ‘rechter’. ‘Toen zeide Rachel: God heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij mij verhoord en mij een zoon gegeven; daarom gaf zij hem de naam Dan’ (Gen.30:6).  Zijn stam bracht één van de meest bekende richters voort, Simson (Richt.13:2). De stam van Dan kreeg een stuk vruchtbaar land aan de Middellandse Zee op Filistijns grondgebied (Joz.19:40-48). Met het doel om meer land te winnen gingen ze naar het noorden en streden tegen de mensen van Lesem en namen het land in (v.47; Richt.18:1-29). Door Dan met een slang te associëren, openbaarde Jakob zijn sluwe karakter en zijn gewoonte van het maken van plotselinge aanvallen op zijn vijanden. De verovering van de weerloze mensen van Laïs met gebruikmaking van een list is daarvan een voorbeeld. Het opstellen van een afgod op hun grondgebied laat zien dat ze niet geheel aan de Heer toegewijd waren (Richt.18:30). Twee eeuwen later zou koning Jerobeam ook één van zijn afgodische gouden kalveren in Dan oprichten. We lezen: ‘Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Dan’ (1Kon.12:28-30). Dan is weggelaten uit het geslachtsregister in 1Kron.2-10 en in de vermelding van de stammen in Op.7:1-8. Is dit vanwege hun afgoderij? Echter, wanneer Ezechiël het plaatsen van de stammen beschrijft tijdens het Vrederijk, had hij wel een plaats voor Dan. ‘Dit zijn de namen van de stammen: In het uiterste noorden, langs de weg naar Chetlon, Lebo-Hamat en Chasar-Enon, bij de grens met Damascus in het noorden, aan de kant van Hamat, krijgt Dan zijn deel, van de oost- tot de westgrens. Grenzend aan Dan krijgt Aser een deel, van oost naar west(Ez.48:1-2). De uitroep van Jakob: ‘Op uw heil wacht ik, o Here’ (Gen.49:18),suggereert dat Jacob in gemeenschap was met de God, terwijl hij sprak tot zijn zonen. Vroeg hij God om speciale kracht om af te maken wat hij te zeggen had? Of was het om aan te geven dat de Heer hem spoedig zou opnemen in zijn heerlijkheid? Het woord vertaald met heil (redding) is Yeshua, dat brengt ons tot de naam Jozua dat ‘Jehovah is redding’ betekend, waarvan Jezus de Griekse vorm is.

Gad

‘Gad, een bende zal hem belagen, maar hij zal hun hielen belagen’ (Gen.49:19)

Zijn naam kan zowel ‘geluk’ als ‘een troep’ betekenen (Gen.30:11). Vanwege de ligging van de stam aan de oostkant van de Jordaan, konden vijandelijke troepen hun grondgebied gemakkelijk binnen vallen. Jacob verzekerde de Gadieten dat er geen verovering definitief zouden zijn, maar dat ze uiteindelijk hun vijanden zouden veroveren. De Gadieten waren grote krijgers (Joz.22:1-6). Mozes vergeleek ze met een dappere leeuw die zou kunnen verscheuren de armen en hoofden van zijn vijanden (Deut.33:20). De duivel gaat rond als een brullende leeuw schreef, vele jaren geleden, de apostel Petrus aan de gelovigen in de verstrooiïng. Wij volgen de ‘Leeuw van Juda’ die aan onze kant staat en gezegd heeft dat ‘de poorten van de hades de Gemeente niet zullen overweldigen. We mogen weten dat de duivel van ons zal vluchten als wij tot God naderen (Jak.4:7-8). De dag zal eenmaal aanbreken dat: ‘de God des vredes de satan onder uw voeten zal vertreden’ (Rom.16:20).

Aser

‘Aser, zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren’ (Gen.49:20)

De naam Aser betekent ‘gezegend’ of ‘gelukkig’ (Gen.30:13). Hij was de achtste zoon van Jakob en de tweede van Zilpa, de slavin van Lea. Omdat de stam van Aser niet in staat was om de inwoners van hun grondgebied te verdrijven; zij vestigden zij zich als een agrarisch volk, om te profiteren van de vruchtbare grond dat God hen had gegeven (Joz.19:24 -30). Hun erfdeel lag in het noorden van Israël aan de Middellandse zee. ‘Aser heeft de inwoners van Akko niet verdreven, noch die van Sidon, noch die van Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob; zodat de Aserieten woonden te midden der Kanaänieten, die er inheems waren, want zij verdreven hen niet’ (Ri.1:31-32) . Mozes zei dat Aser ‘zeer gezegend’ was, daarmee verwijzend naar zijn rijkdom van olijfolie en de veiligheid van haar steden. Vergelijk Mozes’ zegen in Deut.33:24-25 – ‘Van Aser zeide hij: Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie. IJzer en koper mogen uw grendels zijn, uw sterkte moge zijn als uw levensduur’. Inderdaad, Aser's eten was rijk, en de stam leverde zelfs speciale lekkernijen ‘geschikt voor een koning.’ Wat leveren wij aan onze Koning, de Heer Jezus? Dragen wij vrucht voort voor de Heer? ‘Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen’ (Hebr.13:15-16).

Naftali - Worstelaar of Strijder

‘Naftali is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen’ (Gen.49:21)

Over Naftali zei Mozes in zijn zegen: ‘Naftali is door de Heer ruim bedeeld, rijk gezegend door zijn gunst. Laat hij het westen en zuiden veroveren’ (Deut.33:23). Na de intocht in het beloofde land kreeg hij een gebied in het noorden, dat ten oosten grensde aan het meer van Gennesaret en aan de bovenloop van de Jordaan (Joz.20:7). Zebulon en Naftali waren een deel van het gebied genaamd ‘Galilea der heidenen’, waarvan gesproken is door de profeet Jesaja (9:1-2) en waar de bediening van de Heer Jezus begon (Mat.4:12-16). Ze waren werkelijk rijk gezegend en waren ruim bedeeld. Merk op dat Zebulon en Naftali werden onderscheiden voor hun moed in de strijd (Ri.5:18). Zijn naan betekend strijder en hij deed zijn naam eer aan. Barak diende Debora als aanvoerder en bevrijdde Israël van Jabin de koning van Kanaän en hij streed ook in de slag tegen Sisera (Ri.4-5). Nakomelingen van Naftali streden tegen de Midianieten (Ri.6-7). Het beeld van ‘een losgelaten hinde’ suggereert een vrijgevochten mens, niet gebonden aan traditie. De stam was gelegen in het heuvelland. Dus de omschrijving van Naftali als een hinde werd wellicht met oog daarop gekozen. De laatste zin in Jacobs zegenbede: ‘hij laat schone woorden horen’ suggereert dat ze poëtische mensen waren die zich goed konden uiten. Het bezit van de mogelijkheden om mooie woorden te spreken of diplomatiek te handelen, maakten hun tot ideale boodschappers. De nakomelingen van de twee zonen van Bilha lijken te contrasteren volkeren. De stam Dan wendde zich af van het geloof in de ware God en vertrouwde in de afgoden. Maar Naftali heeft geen veroordeling te horen gekregen. Vele jaren later toen de Assyriërs het noordelijk koninkrijk van Israël binnenvielen, was Naftali een van de eerste stammen die werden gedeporteerd. ‘In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglatpileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galila, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur’ (2Kon.15:29). Maar daarmee is het niet gedaan want in het boek Openbaring lezen we dat Naftali deel uitmaakt van 144.000. ‘En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvieren-veertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls, uit de stam Naftali twaalfduizend verzegelden’ (Op.7:6).

Jozef - De uitverkorene onder de broeders

‘Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is; door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders’ (Gen.49:22-26)

Het is niet mogelijk een kort overzicht over Jozef te geven, zijn geschiedenis beslaat immers dertien hoofdstukken van het boek Genesis. Hij is het voorbeeld (type) bij uitstek van de Heer Jezus in het Oude Testament! Jacob gebruikte het woord ‘zegenen’ minstens zes keer in zijn toespraak over Jozef. Hij was de gezegende onder de broeders. De boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar hij dreigde niet (1Petr.2:23), vergold geen kwaad met kwaad maar met goed (Rom.12:17v.). Jakob vergeleek Jozef met een wijnstok die vrucht droeg. Hij was geplaatst aan dé bron en groeide over de muur (Ps.1:3). Jozef zijn geschiedenis speelt zich af in vier verschillende plaatsen. (1) Jozef in Kanaän, als de lieveling van zijn vader (Gen.37). (2) Jozef in Egypte als slaaf en gevangene (Gen.39-40). (3) Jozef als onderkoning van Egypte (Gen.41-45). (4) Jozef en Jakob beiden in Egypte (Gen.46-50). Zijn geschiedenis wordt ons zo uitgebreid verteld, omdat zij ons verklaart hoe de aartsvaders in Egypte terechtkomen en hoe uit de familie van Jakob het volk Israël groeit. Maar Jozefs verhaal is ook zo uitvoerig omdat hij één van de mooiste typen van Christus in het Oude Testament is, als de Lieveling van zijn vader, als de Vernederde én als de Verhoogde, als de Redder der wereld die zegen en heil brengt zowel voor Israël als voor de volken (Hand.7:9-14, 51-53; Fil.2:6-11). Jozef is niet alleen maar een type van de Heer Jezus maar mag ook ons voorbeeld zijn. Leest u zijn geschiedenis maar eens.

Benjamin - Zoon van mijn rechterhand

‘Benjamin is een verscheurende wolf; in de morgen verslindt hij zijn prooi en tegen de avond verdeelt hij de buit.’ (Gen.49:27)

Benjamin was de jongste van Jakobs kinderen en dan denk je al gauw aan lieflijk, zacht, en eventueel verwend, maar dat blijkt uit niets. Het is ook zeker niet het imago van zijn nazaten, Benjaminieten. Benjamins geboorte kent enkele bijzonderheden. Hij is in tegenstelling tot zijn broers niet geboren in Haran, maar in de buurt van Efrata. Zijn naam kreeg hij aanvankelijk van zijn moeder, maar zijn vader veranderde die. Zijn geboorte betekende de dood van zijn moeder. Daarom kreeg hij de naam Ben-oni, ‘zoon van mijn ongeluk’. Jakob veranderde die naam in Benjamin ‘zoon van mijn rechterhand’. Zijn moeder kermt, zijn vader juicht. De dood van zijn moeder wekt, als ik de beschrijving lees, geen positief beeld op van hoe Jakob over haar denkt. Begraven ‘langs de weg’ zonder een teken van rouw, duidt dat op een verkoeling van liefde? Als Jozef uit het beeld van zijn vader weggevaagd is door de verkoop naar Egypte, valt de volle nadruk op Benjamin als zoon van Jakobs rechterhand. Jakob heeft Benjamin nodig, maar hij herinnert hem ook altijd weer aan zijn oudere broer. Benjamin kan Jakob niet troosten over het verlies van zijn zoon. En het wordt nog erger. Benjamin, het kind van zijn rechterhand, gaat hem ook nog ontvallen, wanneer Jozef van zijn broers eist dat zij hun jongste broer bij een volgend bezoek meebrengen. Benjamin, de zoon van de vertroosting, wordt hier zoon van smart. Jakobs beschrijving van Benjamin is als een ‘verscheurende wolf’, dat ziet er bloeddorstig uit. Nazaten van Benjamin worden in het Oude Testament regelmatig ten tonele gevoerd als krijgslustig en dapper. De kracht van Benjamin wordt echter lang niet altijd aangewend voor de goede zaak. Aan het einde van het boek Richteren wordt ons het verhaal verteld waarin Benjaminieten zich op een schandelijke manier vergrijpen aan de bijvrouw van een levitische man. Hier is Benjamin de wolf, het verscheurende dier zonder redelijk besef.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX