Vragen Algemeen 3

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek vind u de volgende vragen:

 

 

 

 

Is koning Saul behouden?

Achan's zonde en de gevolgen

Wie was Melchizedek?

Zweetdoek van Jezus (Joh.20:7)

Wat als... (Hand.3:17-26)

Biblicisme en Bibliolatry

Is de 'Nieuwe Wereldvertaling' wel een juiste vertaling?

Dieren in de hemel?

Jezus veertig dagen verzocht?

Ontvingen de dopelingen van Johannes ook de Heilige Geest?

Was Judas aanwezig bij de instelling van het Avondmaal?

Wat als kinderen sterven?

Mogen kinderen deelnemen aan het avondmaal?

Wie waren de reuzen van de voortijd?

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Is koning Saul behouden?

 

 

 

Voorwoord

De jonge koning Saul kreeg een ander hart c.q. werd tot een ander mens en werd gezalfd met de Heilige Geest (1Sam.10:6, 9). Normaliter zou, zeker in het licht van het NT, bijna niemand aarzelen te zeggen dat Saul wedergeboren was. Dat is, naarmate we meer lezen over Saul toch moeilijk vol te houden, want we lezen dat Gods Geest naderhand van hem week en dat er een boze geest voor in de plaats kwam (16:14). Daarna gleed Saul steeds verder weg in geestelijke duisternis, en tenslotte zei Samuël tegen hem: ‘De Here is van u geweken en uw vijand geworden’ (28:16). Enkele uren later sloeg Saul de hand aan zichzelf en stierf (31:4). We hebben werkelijk reden om aan te nemen dat de man die een nieuw hart had gekregen en met de Geest vervuld was geweest, uiteindelijk verloren is gegaan. Of toch niet, want zegt Samuël niet tegen Saul: ‘morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn’? We weten dat Samuël een trouwe gelovige was dus, is dan de conclusie, als Samuël in het dodenrijk is en Saul komt er ook, dan is Saul toch ook behouden? Dat is een beetje kort door de bocht geredeneerd, want het Oude Testament kende de tweedeling van het hiernamaals (dodenrijk) nog niet die in het Nieuwe Testament geopenbaard wordt. Trouwens moeten we oppassen met woord ‘behouden’ dat in het Oude Testament een heel andere betekenis heeft dan in het Nieuwe Testament, maar dat is een ander verhaal.

Inleiding

Het Oude Testament is nogal vaag over het hiernamaals (de onderwereld, het dodenrijk), de volle openbaring vinden we, zoals met veel Bijbelse onderwerpen, in het Nieuwe Testament  in het bijzonder in Lukas 16 waar het gaat over de rijke man en de arme Lazarus (16:19-31). Lukas 16:23 zegt ons over die rijke man: ‘In het dodenrijk sloeg hij zijn ogen op’. In sommige Bijbelvertalingen wordt dit woord (hades, Hebreeuws: sjeool) vertaald tot ‘hel’. In het Grieks is de ‘hades’ echter een tijdelijke plaats waar ongelovigen en gelovigen heengaan na hun dood. Andere vertalingen geven het woord hades weer als ‘dodenrijk’, wat dichter bij de bedoeling ligt. En op een aantal plaatsen is ‘sjeool’ dat ook een aanduiding van de plaats waar de doden zich bevinden (Ps.31:18; 49:15; Pred.9:10; Ez.31:15vv.; 32:21,27).

In Lukas 16 worden we meer ingelicht over die ‘plaats’ en zien we dat het bestaat uit twee gedeelten, waarvan het ene deel de ’schoot van Abraham’ wordt genoemd, waar de gelovigen verblijven, en het andere deel, waar de ongelovigen verblijven, ‘de plaats van pijn’. Wel te vermelden is, dat Lukas 16:19-31 geen gelijkenis is, maar eerder een weergave van een ware gebeurtenis. Naar analogie met Luk.23:43 en 2Kor.12:4 wordt over de ‘schoot van Abraham’ gesproken van het paradijs, want de Heer Jezus zei in Luk.23:43 tegen de ene boosdoener ‘vandaag (of heden) zult u met Mij in het paradijs zijn’. Dat is de reden dat de apostel Paulus gebruikt maakte van de uitdrukking: ‘heen te gaan en met Christus te zijn’ en in 2Kor.5:6-8 ‘bij de Heer inwonen’. Christus was in het paradijs dus zou Paulus daar ook heen gaan om bij Hem in te wonen.

Uit Lukas 16 blijkt tevens dat er twee ‘compartimenten’ zijn waar tussen een grote kloof is zodat men niet van de ene naar de andere plaats kan overlopen. Het is geen vagevuur waar verandering nog mogelijk is! Zoals gezegd is het dodenrijk een tijdelijke verblijfplaats, zowel voor de gelovigen als de ongelovigen, in afwachting van hun respectievelijke opstanding. Voor de gelovige is dat bij de wederkomst van Christus (de Opname) en voor de ongelovige is dat de opstanding ten oordeel (Joh.5:29); Hand.24:15). De hel, daarentegen, is de definitieve plaats van de ongelovigen. Op de oordeelsdag worden zowel de levenden als de doden die Christus verworpen hebben voor eeuwig in de hel geworpen. ‘Evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Heb.9:27; Hand.17:31). Het feit dat de hades en de hel twee verschillende plaatsen zijn, wordt duidelijker wanneer we Openbaring 20 opslaan, waar we lezen dat op de oordeelsdag de dood en het dodenrijk geworpen zullen worden in de poel van vuur, dat is de hel (Op.20:13-14). Daaruit blijkt duidelijk dat het dodenrijk en de hel niet hetzelfde zijn. Het woord ‘dood’ verwijst naar de graven. Terwijl het graf recht doet gelden op het lichaam bij de dood, gaat het bij het dodenrijk om de ziel en/of de geest van de dode (Mat.10:28). Sommige bijbeluitleggers gaan ervan uit dat bij het uiteindelijke oordeel het lichaam van de ongelovige nog eenmaal verenigd zal worden met de ziel en/of geest, om daarna geworpen te worden in de hel, de poel van vuur.

Tenslotte

Rekening houdend met het hierboven geschetste over het dodenrijk kunnen we zeggen dat zowel Samuël als Saul in het dodenrijk zijn, maar dat je niet mag concluderen dat Saul behouden zou zijn, verre van.

In de typologie wordt Saul dan ook gezien als een type van de antichrist, David een type van Christus die het voorbereidend reinigend werk doet, en Salomo als koning van de vrede die kan heersen in het Vrederijk.

Zie ook het artikel:

Dodenrijk of Hel in de Rubriek: Div.Onderwerpen 4

Gebeden uit het Dodenrijk - Rubriek: Onbeantwoorde gebeden

_____________________________________________________________

Een schematisch overzicht van het dodenrijk, hemel en hel. Zie voor de uitleg de volgende artikelen: (1) Is koning Saul behouden - Rubriek: Vragen alg.3. (2) Gebeden uit het dodenrijk - Rubriek: Onbeantwoorde Gebeden. (3) Dodenrijk of Hel? - Rubriek: Diverse Onderwerpen 4.
Wat zegt de Bijbel?

 

 

Achan’s zonde en de gevolgen

Jozua 7

 

 

 

Twee mogelijke verklaringen:

1. De straf voor overtreding van de ban zou onder een verbod worden gesteld. Het verbod vereiste de vernietiging van de familielijn. De wet had verboden kinderen te straffen voor de zonden van hun ouders (Deut.24:16), maar dat was bedoeld om enkele zeer specifieke praktijken aan banden te leggen. In de wetten van Hammurabi bijvoorbeeld, als een man de dood van de zoon van een ander zou veroorzaken, zou de straf zijn dat de zoon van de dader ter dood zou worden gebracht. Een ander voorbeeld zou zijn dat bloedwraak zich zou uitbreiden tot de familie van een moordenaar. De wet was bedoeld om beperkingen op te leggen aan het civielrechtelijke systeem. Dit incident is een heel andere categorie omdat God de zaak persoonlijk beoordeelt. Het uitwissen van de familielijn was een straf die alleen God kon uitdelen.

2. Hoewel Deut.24:16 leert dat kinderen niet gestraft mogen worden voor de zonden van hun ouders, gaat men in een andere uitleg ervan uit dat de kinderen deel uitmaakten van het complot en daardoor ook persoonlijk schuldig waren. Opmerkelijk is dat de vrouw van Achan niet genoemd wordt.

Vergelijk ook Numeri 16:28-35 - ‘Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: Indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden. Maar, indien de Here iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Here gesmaad hebben. Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, En de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have. Zo daalden zij, met al de hunnen, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen. En alle Israelieten die om hen heen stonden, vluchtten weg op hun geroep, want zij dachten: De aarde moest ook ons eens verzwelgen! Toen ging er een vuur uit van de Here en verteerde de tweehonderd vijftig mannen, die het reukwerk geofferd hadden.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Wie was Melchizedek?

 

 

 

Inleiding

Zonder enige vooraankondiging verschijnt Melchizedek het podium van het Oude Testament, en zoals hij kwam zo verdwijnt hij ook weer met onbekende bestemming. Wie is toch deze enigszins mysterieuze figuur, waar komt hij vandaan? Zijn verschijning laat veel Bijbellezers met vragen achter.  Vanwege zijn bijzonder verschijning is Melchizedek een persoon die tot de verbeelding spreekt, want hij is: ‘Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is’. De vroegste gegevens over hem vinden we in het Bijbelboek Genesis in zijn ontmoeting met Abraham die van de strijd terugkwam van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal. ‘En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tienden’ (Gen.14:18-20; Ps.110:5).

Het Nieuwe Testament verstrekt ons nog meer informatie, zo lezen we in de brief aan de Hebreeën het volgende: ‘Want deze Melchizedek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende, aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg van zijn naam: koning van de gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van de vrede, en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd. Aanschouwt nu hoe groot deze was, aan wie zelfs de aartsvader Abraham een tiende van de buit gaf’ (Heb.7:1-4).

Zijn naam en afkomst

Naar de uitleg van zijn naam is hij koning van de gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van de vrede. Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’ (Heb.7:2), letterlijk ‘mijn koning is gerechtigheid’. Daar de plaatsnaam Salem ‘vrede’ betekent, is hij tevens ‘koning van de vrede’ (Heb.7:2). Vrijwel algemeen wordt aangenomen dat Salem, waarvan Melchizedek koning was, het latere Jeruzalem is. In de Bijbel worden van Melchizedek noch zijn voorgeslacht, nageslacht noch zijn geboortejaar of zijn sterfjaar vermeld (vgl. Heb.7:3).

Zijn priesterschap

Melchizedek was een priester van God de Allerhoogste maar geen hogepriester, want een hogepriester veronderstelt andere priesters, waarvan hij dan overste geweest zou zijn.Het priesterschap van Melchizedek was van een andere orde dan dat van de Levitische priesters in Israël.Melchizedek was geen Hebreeër, laat staan een nakomeling van Levi of een zoon van Aaron.Hij was geen priester voor een bepaalde tijd, maar priester voor altijd (Heb.7:3), zonder voorganger of opvolger. Als priester was hij meer dan een Levitische priester, die het slechts voor een bepaalde tijd was.Bovendien was Melchizedek een koning. Onder het oude verbond was geen koning een priester en geen priester een koning. Melchizedek was een priester-koning. Dat brengt ons tot de conclusie dat Melchizedek een type van Christus moet zijn.

Type van Christus

Het is een misvatting dat Melchizedek een verschijning van de Zoon van God is. Hij is geen verschijning van Gods Zoon, maar een type, een voorafbeelding. Hij lijkt (!) op de Zoon van God (Heb.7:4). De Heer Jezus is nimmer in een aards vóórbestaan koning van Salem geweest.In meerdere opzichten is Melchizedek een type, een voorafschaduwing, van Christus (vgl. Heb.7:15). Hij is een oudtestamentisch type, voorafschaduwing van een latere geestelijke werkelijkheid, namelijk van de priesterkoning en rechtvaardige vredevorst Jezus Christus, van wiens regering de stad van de grote koning, Jeruzalem het middelpunt zal zijn (Mat.5:35).

(1) In zijn bestaan: Melchizedek is ‘zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven’ (Heb.7:3). Daarin lijkt hij op de eeuwige Zoon van God (Heb.7:3).

(2) In zijn afstamming: niet uit Levi, maar wel een priester.

(3) In zijn koningschap: Melchizedek was in de eerste plaats naar de uitleg van zijn naam: koning van de gerechtigheid (Heb.7:2). Jezus Christus zal een rechtvaardige Heerser zijn. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land’ (Jer.23:5).

(4) In zijn priesterschap (Heb.6:20): niet-Levitisch, blijvend, meerder dan het Levitische.

(5) In zijn grootheid: Hij (de meerdere) zegende Abraham (de mindere) en Abraham gaf hem tienden (Heb.7:4,7) en door Abraham ook Levi (Heb.7:9).

(6) Door zijn zetel: Salem. Vrijwel algemeen wordt aangenomen dat Salem, waarvan Melchizedek koning was, het latere Jeruzalem is. De Heer Jezus zal over de aarde regeren, met Jeruzalem, 'de stad van de grote Koning' (Mat.5:35), als middelpunt. Salem betekent ‘vrede’. Melchizedek wordt eerst genoemd koning van de gerechtigheid en daarna koning van de vrede (Heb.7:2).

(7) Door zijn zegening: Melchizedek zegende ‘hem die de beloften had’ (Heb.7:6), dat is Abraham. De Heer Jezus zal het nageslacht van Abraham, het overblijfsel van Jacob, zegenen en het maken tot een zegen onder de heidenen (Zach.8:13).

(8) In het ontvangen van de tienden: de geschenken van de volken zullen te Jeruzalem worden gebracht

(9) Jezus Christus is voor altijd priester geworden, naar de orde van Melchizedek. ‘De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek’ (Ps.110:4; Heb.5:6,10). Waar Jezus als voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizedek hogepriester geworden tot in eeuwigheid’ (Heb.6:20). Misschien mag de letterlijke betekenis van Melchizedek, namelijk ‘mijn koning is gerechtigheid’, genomen worden als een erkenning en belijdenis, dat de hoogste koning, de koning der koningen, Jezus de ware koning der gerechtigheid is.

(10) De Heer Jezus is priester tot in eeuwigheid en door God begroet naar de orde van Melchizedek (Heb.5:6,10). De eerste vermelding van deze orde vinden we in Psalm 110:4 en het duidelijk dat het niet over David zelf gaat of over één van zijn lijfelijke nakomelingen, maar over de Christus. Het is de meest aangehaalde Psalm in het Nieuwe Testament (Mat.22:43; Mark.12:36; Luk.20:42; Hand.2:33-35). En omdat David een profeet was schreef hij over de Messias (Hand.2:30-31; 2Sam.23:2) want geen Joodse koning was ooit priester, laat staan een priester voor altijd (Ps.110:4; 2Kron.26:16-23).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

De zweetdoek van Jezus

 Johannes 20:7

 

 

 

 

Vraag:

Onlangs hoorde ik een uitleg over de functie van de zweetdoek van Jezus, waarvan ik mij afvroeg op deze uitleg wel juist is. Het verhaal gaat als volgt: ‘Bij het eten zet de slaaf alles gereed voor zijn meester. Als zijn meester van tafel gaat en zijn servet (de weergave van het woord voor zweetdoek beweerde men) op tafel legt, weet hij dat zijn meester klaar is. Indien echter de meester zijn servet oprolt en op de tafel legt, dan weet de knecht dat zijn meester nog niet klaar is met het eten en dat hij dus terugkomt!’ Tot zover het verhaal.

De conclusie was dat het zien en het geloven van de opgerolde zweetdoek de doorslag zou hebben gegeven bij Johannes en Petrus.

Antwoord:

De vertaling van woord ‘zweetdoek’ in het Grieks is soudarion, zoals je dat in elk Grieks woordenboek kan vinden. Het Griekse woord is van Latijnse oorsprong en kan betekenen (1) zakdoek en (2) een doek om het zweet van het gezicht te vegen en om de neus te snuiten en ook om het hoofd van een lijk in te wikkelen. In het Nieuwe Testament komt het op de volgende plaatsen voor: Joh.11:44, 20:7; Hand.19:12. Vergelijk ook Luk.19:20. Het woord ‘servet’ komt in de Bijbel niet voor. Ik vind daarom de toepassing van het Bijbelgedeelte in Johannes 20:7 dan ook vergezocht en niet in overeenstemming met de werkelijke betekenis van het woord zweetdoek. Wil je toch een verklaring geven van het feit dat de zweetdoek opgerold was, dan kun je zeggen dat de gang van zaken bij de opstanding van de Heer Jezus ordelijk en rustig was verlopen. Heel anders zou het geweest zijn als men het lichaam van Jezus zou hebben geroofd (Mat.27:62-66; 28:11-15). De toepassing zoals in het verhaal van de vraagsteller geschetst lijkt dan ook meer op inlegkunde en een grote fantasie. Misschien toch eens kijken in de rubriek Typologie op deze website.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Wat als…

(Handelingen 3:17-26)

 

 

 

 

Voorwoord

Een ‘wat-als-vraag’ die telkens weer gesteld wordt is de volgende: ‘Wat als de Heer Jezus door het Joodse volk was aanvaard en het koninkrijk van God gevestigd was geworden en Christus als de ware David koning zou zijn geworden, zoals beloofd in de oudtestamentische profetieën? Daarmee verbonden ook nog de vraag of het volk Israël, ná het sterven en de opstanding van de Heer Jezus, alsnog tot herstel zou kunnen komen? Deze vragen staan in verband met het gedeelte in het boek Handelingen 3:17-26.

Inleiding

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om op gebeurtenissen die niet hebben plaatsgevonden een antwoord te geven. Immers van eieren die niet gelegd zijn weet je toch ook niet hoe die eruit gaan zien? Toch denk ik dat we op de hierboven gestelde vraag, vanuit de Schrift, wel een redelijk aanvaardbaar antwoord kunnen geven. Maar laten we om te beginnen eens zien wat de Schrift te zeggen heeft over de Messias die zou komen, hoe Hij is verworpen en hoe het verdere ontwikkeling en vervulling van Gods raad, ná die verwerping zich heeft ontwikkeld.

De Oudtestamentische profetieën

Wat zeggen de oudtestamentische profetieën over de Messias die zou komen? Het ontbreekt ons niet aan Schriftgegevens, maar één tekst springt er met kop en schouders bovenuit en dat is Daniël 9:24-25. Die tekst gaat als volgt: ‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden’. De algemene verwachting van een aanstaande komst van de Messias maakte deel uit van het volk ten tijde van de volheid van de tijd (Gal.4:4). De Samaritaanse vrouw horen we zeggen: ‘Ik weet dat de Messias komt, die Christus wordt genoemd; wanneer Die is gekomen, zal Hij ons alles verkondigen’ (Joh.4:25). En de visser Andreas zei tegen zijn broer Simon: ‘Wij hebben de Messias gevonden’ (Joh.1:42). Het Oude Testament is één groot getuigenis van de verwachting van de Messias, de gezalfde koning uit de stam van Juda. Hierna de belangrijkste teksten uit het Oude Testament die vervuld zijn en vermeld in het Nieuwe Testament: Gen.3:15; 49:10; Num.24:17; Deut.18:15v.; 2Sam.7:12-16; Ps.8:6v.; 16:1-11; 22:2-23; 40:7-9; 45:1-18; 69:5, 22; 110:1-7; 118:22-26; Jes.7:14; 9:5v.; 11:1-10; 42:1-7; 50:4-11; 52:13-53:12; 61:1; Jer.23:5; 33:15; Ez.34:23v.; 37:24; Dan.7:13v.; 9:26; Mi.5:1; Zach.9:9; 11:12v.

De verwerping van de Messias

Wanneer de profetieën van het Oude Testament zo’n duidelijk signaal afgeven, hoe kan het dan dat het volk (eigenlijk de geestelijke leiders – Luk.7:30) – de Heer Jezus verworpen heeft. Die profetieën waren toch gegeven opdat ze Messias zouden herkennen wanneer Hij zou komen? De oorzaak daarvan is de bedekking die over hun hart ligt (2Kor.3:14-16), want als zij de bedekte wijsheid van God hadden gekend zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1Kor.2:6-8). Blijkbaar stoorde het Paulus dat niet veel joden zich tot Christus wendden toen het evangelie aan hen werd verkondigd. Paulus' gewoonte was, wanneer hij naar een stad ging, om eerst tot de Joden te spreken die zich in de plaatselijke synagoge verzamelden, zoals hij deed in Korinthe (Hand.18:1-4). Maar de Joden verwierpen de boodschap van redding ((Hand.18:6-7). Soms achtervolgden de Joden Paulus zelfs naar andere steden om te proberen hem het zwijgen op te leggen (Hand.14:1, 9). Paulus vond vaker een open deur bij de Godvrezende heidenen (Hand.17:4). In zijn brief aan de Romeinen concentreerde Paulus zich op de reden waarom de Joden Jezus hadden verworpen, naar wie de Schrift (het Oude Testament) verwees. Jezus was Israëls Messias, de persoon die Gods beloften aan Israël vervulde. De Joden zouden zich verheugt moeten hebben, maar in plaats daarvan werd hun hart verhard, hun geest werd afgestompt door wat er gebeurde (zie Rom.9-11, in het bijzonder 10:1-3). Maar Paulus wist dat de verwerping van het evangelie door de Joden deel uitmaakte van Gods mysterieuze plan zodat zijn aanbod van genade en redding zich kon uitstrekken tot de heidenen (zie Rom.11:28). God had de harten van de Joden verhard en opstandig laten worden, zodat hij daardoor kon laten zien dat hij een God van barmhartigheid was voor alle mensen. Zowel heidenen als joden hadden hem ooit opstandig afgewezen (Rom.11:29-32). God had echter in genade gelovige heidenen als zijn volk opgenomen. De passage, betreffende de bedekking die over het volk lag in 2 Korinthiërs 3, geeft een korte samenvatting van de leer van Paulus en verklaart waarom de Joden het evangelie hadden verworpen. Deze passage beeldt het voorlezen van de Wet en de Profeten in de synagoge uit. Zoals het reisverslag van Paulus in Handelingen onthult, was hij vaak in deze diensten geweest. Deze verzen drukken uit wat er op dat moment door de geest van Paulus ging. Hij was verbaasd dat de Joden, Degene naar wie de Schriften wezen, niet konden inzien dat het Jezus Christus was. Een echte sluier bedekte hun geest en hun hart - het centrum van hun intellectuele, sociale en spirituele zelf - zodat ze de waarheid niet konden begrijpen. Maar in Christus wordt de sluier op wonderbaarlijke wijze opgelicht. Net zoals Christus de geestelijke ogen van Paulus opende voor de waarheid over Jezus, zou de Heilige Geest ook de ogen van hen die zouden geloven openen om te zien hoe Jezus de Schriften vervulde. We kunnen dan ook beter verstaan waarom de Heer Jezus tot hen in gelijkenissen spreekt: ‘Daarom spreek Ik in gelijkenissen tot hen, omdat zij kijkend niet kijken en horend niet horen en niet verstaan. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ‘Met het gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien; want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien zien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’ (Mat.13:13-15). De bedekking was dus een oordeel over het volk.

Handelingen 3:17-26

De woorden 'tot u' staan aan het einde van dit gedeelte is daar geplaatst om te benadrukken dat het volk Israël daarmee is bedoeld. De boodschap van redding kwam eerst tot het volk van Israël, de afstammelingen van Abraham, Mozes, Samuël en de profeten. Zij hadden de profetieën moeten kennen en de Messias moeten herkennen toen hij gekomen was. Zij zouden de voornaamste begunstigden zijn van de zegen van het verbond. Merk op dat de primaire aard van de zegen was om hen van hun zondige wegen af te brengen. Christus' werk, in zijn kern, om levens te veranderen, individuen die op zondige paden wandelen, hen van die paden naar het pad van zegen te leiden. Israël had alle reden om zich tot de Heer Jezus te wenden - geschiedenis, erfgoed, bloedlijn, eeuwenlange waarschuwingen van profetische boodschappers waren daaraan voorafgegaan. Maar ze hebben Hem niet herkend of, sterker uitgedrukt, niet willen herkennen (Mat.23:37-39).De tijden van verfrissing en herstel van alle dingen zijn uitdrukkingen waarin de Heilige Geest de honderden beloften samenvat die Hij door de verschillende profeten van God heeft gegeven betreffende een tijd van grote zegen voor Zijn volk, en door hen voor de volken over de hele wereld. Het zou onmogelijk zijn om al deze beloften te noemen wat het tot de tijden van verkwikking en herstel van alle dingen maakt. Deze dagen van een komend tijdperk, het koninkrijk tijdperk, of zoals we het noemen omdat de duur ervan duizenden jaren zal zijn, het millennium, worden volledig beschreven op pagina's van profetieën uit het Oude Testament. Als we het profetisch Woord letterlijk interpreteren en niet proberen het te vergeestelijken, zullen we geen moeite hebben om de volle betekenis te zien van de tijden van verfrissing en herstel van alle dingen.Zei Petrus hier dat als Israël zich zou bekeren, Gods koninkrijk alsnog op aarde zou zijn gekomen? Nee, als Israël zich als geheel zou bekeren, zou een tweede, verder weg gelegen doel, de komst van het koninkrijk (tijden van verkwikking bij de wederkomst van Christus) worden vervuld. Het zenden van de Messias (vs.20) betekende de komst van het koninkrijk. Concluderend laat Handelingen 3:17-21 zien dat Israëls berouw twee doelen had: (1) voor individuele Israëlieten was er vergeving van zonden, en (2) voor Israël als natie zou haar Messias terugkeren om te regeren en zouden de tijden van verkwikking komen. Een toekomstig herstel van het land en volk Israël is daarmee inbegrepen.

Het probleem van zonde en zonden

Wat als De Heer Jezus door het volk Israël als de Messias was aanvaard en het Vrederijk was aangebroken, wat dan met de zonde en onze zonden? Hier stuiten we op een interessant probleem. In het algemeen gesproken is er het calvinisme, dat alle nadruk legt op de soevereine raad van God, en anderzijds het Arminianisme dat alle nadruk legt op de verantwoordelijkheid van de mens. En dan is er de middenopvatting het viatorisme dat probeert zowel aan de soevereine raad van God als aan de verantwoordelijkheid van de mens recht te doen. Een middenoplossing die door W.J. Ouweneel naar voren gebracht en uitgewerkt is in zijn: ‘Het plan van God’ in de ODR-reeks. Van harte aanbevolen voor hen die zich wat meer willen verdiepen in deze materie. Ik weet niet goed hoe dit in een paar woorden is te omschrijven, maar je zou kunnen zeggen daar waar de mens faalt in het volbrengen van Gods wil en raad, God de mens ‘overruled’ en nieuwe onbekende wegen inslaat.

In verband met het probleem van de zonde zien we dat de Heer Jezus voorgekend was van vóór de grondlegging van de wereld als het Lam van God. Johannes de doper ziet de Heer Jezus ook als het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh.1:29, 36). Dus het probleem van de zonde kon alleen worden opgelost doordat de Heer Jezus zou worden verworpen, lijden, sterven en opstaan uit de dood. ‘Als nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen opstanding van doden is? Maar als er geen opstanding van doden is, dan is ook Christus niet opgewekt, en als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking vergeefs, en vergeefs is ook uw geloof; en dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, omdat wij van God getuigd hebben dat Hij Christus heeft opgewekt, die Hij niet heeft opgewekt als er inderdaad geen doden worden opgewekt. Want als er geen doden worden opgewekt, dan is ook Christus niet opgewekt. En als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof inhoudsloos, dan bent u nog in uw zonden; dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren (1Kor.15:12-18). Sommige Korinthiërs ontkenden niet dat Jezus uit de dood was opgestaan (zij 'geloofden' dit, vers 11), maar dat zijn volgelingen over het algemeen zouden worden opgewekt. Paulus benadrukt vier keer in de verzen 12-19 dat degenen die de fysieke en lichamelijke opstanding van gelovigen ontkennen, ook de lichamelijke opstanding van Christus ontkennen, zelfs als ze beweren dat de laatste waar is. Het bewijs dat Christus' dood een effectief plaatsvervangend offer voor zonden was (vs.3; 11:24-25) ligt in Jezus' opstanding uit de dood (zie ook Rom.4:25).

Oorzaak en gevolg

Samengevat kunnen we zeggen dat door de verwerping van de Messias door het Joodse volk de behoudenis tot de volken is gekomen (Rom.11:11). ‘De farizeeën en wetgeleerden echter hebben de raad van God voor zichzelf terzijde gesteld (Luk.7:30). De Gemeente die voor het eerst aangekondigd werd door de Heer Jezus in het evangelie (Mat.16:18), maar tot dan een verborgenheid was en pas geopenbaard door de apostel Paulus (o.a. Ef.3:1-13), ontstond door de uitstorting van de Heilige Geest (1Kor.12:13). Maar ook de Gemeente heeft een beperkte tijd, waarna God de draad weer zal opnemen met het volk Israël waarnaar Handelingen 3:17-26 naar verwijst. Ten tweede, werd door de verwerping van de Messias door het Joodse volk, de Heer Jezus het Lam van God en bracht zo de verzoening tot stand tussen een heilig God en de zondige mens (2Kor.5:19). ‘O, diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!’ (Rom.11:33).

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Biblicisme en Bibliolatry

 

 

 

 

Wat is ‘biblicisme?

Biblicisme is een overdreven letterlijke nemen van een Bijbeltekst tegenover andere kernbronnen, vaak verbonden met een letterlijke benadering van de tekst en veronachtzaming van de heilshistorische context, de literaire voorvragen en de geschiedenis van de theologie.

Twee voorbeelden maken dit duidelijk:

(1) ‘Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit. En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af’ (Math.5:29-30). We begrijpen allemaal dat deze tekst niet letterlijk genomen moet worden.

(2) ‘Is onder u iemand ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen en laten zij over hem bidden en hem zalven met olie’ (Jak.5:14). ‘Het staat er toch’ zeggen sommigen en passen het te pas en te onpas toe, zonder rekening te houden met de rest van het Bijbelgedeelte.

Biblicisme en Bibliolatry

Twee nauw verwante termen die het vaakst pejoratief worden gebruikt voor een sterke gehechtheid aan de Bijbel als het objectief gezaghebbende woord van God. De eerste verwijst in de eerste plaats naar een te letterlijke interpretatiemethode. Het legt de nadruk op individuele woorden, verwerpt elke vorm van de historisch-kritische methode en gebruikt vaak een vorm van vrije associatie of haalt verzen uit hun context om een punt te bewijzen (vandaar bewijsteksten). Sommige christenen gebruiken het bijbelse geloof om hun toewijding aan het absolute gezag van de Bijbel in alle zaken van geloof en praktijk aan te geven.

'Bibliolatrie' houdt in dat de Bijbel in een afgod wordt veranderd. Het wordt gebruikt om degenen die ervan verdacht worden een te hoge waarde aan de Bijbel te hechten, vooral wanneer het letterlijk wordt geïnterpreteerd, aan te klagen door te suggereren dat ze het tot een voorwerp van aanbidding hebben gemaakt.

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

De Nieuwe Wereldvertaling

(Enkele foutieve vertalingen in de ‘Nieuwe Wereld Vertaling’)

 

 

 

 

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV).

De “Nieuwe Wereld Vertaling” (NWV) is de “bijbel” van de Jehovah’s getuigen. Het gaat hier echter om een pseudo-bijbel, want de leer van het Wachttorengenootschap werd daarin verweven! Om dit te bereiken werden woorden toegevoegd en afgenomen, en allerlei manipulaties aangebracht. Het is dus van het grootste belang dat u een Bijbel gebruikt die correct vertaald werd uit de betrouwbare grondteksten. Voor het Nieuwe Testament is dat de Textus Receptus. Ik raad iedereen daarom aan de Statenvertaling te gebruiken. In de versie 1977 is deze beter te lezen. Nog beter te lezen is de recentste Herziene Statenvertaling (HSV).

Ieder die nog maar een beetje Grieks kent ziet onmiddellijk dat er werd geknoeid in het Nieuwe Testament van de NWV. Laat u niet beetnemen door dit bedrog. Ga het na! “Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is” - 1 Thessalonicenzen 5:21 (NWV) “Beproeft alle dingen; behoudt het goede” - 1 Thessalonicenzen 5:21 (SV 1977).

ENKELE FOUTIEVE VERTALINGEN IN DE “NIEUWE WERELD VERTALING” (1969)

Johannes 1:1-2 - In de Griekse tekst staat niet zoiets als “een god”, maar wel degelijk “God”.

Johannes 1:3 - In de Griekse tekst staat niet zoiets als “door bemiddeling van” maar wel “door” (Grieks: dia): alle dingen zijn DOOR het Woord onstaan - Hij is de Schepper zelf!

Johannes 1:18 - Er staat in de Griekse tekst niet “god” (met kleine letter), maar wel “Zoon” (Grieks: uios). En er staat niet “boezempositie”, maar letterlijk “in de schoot” of “in de boezem”. Dit duidt de eenheid aan van de Vader en de Zoon.

Johannes 5:23 - Er staat niet “evenals” in de grondtekst, maar wel “zoals” (Grieks: kathós) en dat betekent: op dezelfde wijze, dezelfde aanbidding aan de Zoon als aan de Vader.

De Textus Receptus (= Aanvaarde Tekst), volgens de uitgave van de Parijse drukker Robert Etienne (Stephanus) in 1550 heeft als basis gediend voor het Nieuwe testament van de Reformatiebijbels, zoals de King James Version 1611 en de Nederlandse Statenvertaling 1637. De eerste versie was van Erasmus, in 1516, waarna er nog vier herzieningen zouden komen. Veertien jaar na Erasmus’ dood kwam in 1550 de definitieve versie gereed, na vele verbeteringen. Luther vertaalde zijn Nieuwe Testament in het Duits op basis van de tweede versie van Erasmus’ tekst, in 1521 (gepubliceerd in 1524). De term ‘Textus Receptus’ werd betrokken van een uitgave van de Leidse drukkersfamilie Elzevier te Leiden, in 1633. De Textus Receptus werd niet samengesteld uit de corrupte Alexandrijnse teksten, waarop katholieke en moderne vertalingen zijn gebaseerd, maar volgt de betrouwbare Byzantijnse manuscripten.

De eerste druk van de Statenvertaling verscheen in 1637. Het bijzondere van deze reformatorische Bijbelvertaling is vooral dat zij direct uit de grondtalen Hebreeuws, Aramees en Grieks vertaald werd - net als de King James Version (1611) - en niet meer gebaseerd was op de Vulgata, de algemeen gebruikte Latijnse vertaling (382-405) van Hiëronymus. De zgn. Jongbloed-editie kwam er in 1750 omdat de oude versie haast onleesbaar was geworden door de evolutie van het Nederlands. In de uitgave van 1977 werd het Nederlands opnieuw een beetje aangepast. De vertaling als zodanig bleef altijd behouden. Moderne vertalingen (sinds 1881) kan men beter mijden omdat deze mishandeld werden door vrijzinnigen en schipperaars. Zo zijn Bijbels die gebaseerd zijn op teksten van Westcott en Hort en Nestlé-Aland, corrupt te noemen. In het bijzonder de ‘bijbels’ in de omgangstaal, zoals de ‘Groot Nieuws Bijbel’, zijn dóór en dóór besmet en beslist te weren; maar ook de bekende ‘Nieuwe Vertaling’ (NBG 1951) werd niet getrouw overgezet.

Johannes 8:58 - Er staat in het Grieks niet “ben ik geweest”, maar letterlijk: “Ik ben” (Grieks: egó eimi - dit is de weergave van Gods Naam in Exodus 3:14 LXX3).

Lukas 23:43 - Jezus zegt niet “Ik zeg u heden: gij zult ...”. Dat woord “heden” heeft hier geen enkele zin. Jezus zegt: “Ik zeg u: heden zult gij ...” . Diezelfde dag dus zou de boosdoener met de Heer Jezus in het paradijs zijn.

Johannes 14:10,11 - Nergens lezen we in de Griekse grondtekst zoiets als “in eendracht met”, maar wel “in” (Grieks: of en in westerse tekens): Jezus is IN de Vader en de Vader IN Hem.

Johannes 13:31 - Er staat niet “in verband met hem”, maar wel: “God is IN (Grieks: en) Hem verheerlijkt”.

Johannes 14:1 - In de Griekse tekst staat ook nergens: “oefent geloof’, maar wel eenvoudig: “gelooft”.

Johannes 10:33 - Er staat niet “god”, maar wel “God”. Ook het onbepaalde lidwoord “een” staat er niet. Dit onbepaalde lidwoord bestaat niet eens in het Grieks.

Johannes 10:38 - Er staat niet “in eendracht met”. Er staat louter “in” (Grieks: en). Die andere woorden hebben de wachttorenleiders er zelf bijgevoegd.

Johannes 17:3 - Er staat in de Griekse grondtekst niet zoiets als “voortdurend kennis opnemen van”, doch wel: “dat zij u kennen”. De getuigen hebben die tekst misvormd om mensen te dwingen hun talloze boeken voortdurend te bestuderen en alle vergaderingen bij te wonen, want anders vliegt het eeuwig leven aan hen voorbij!

Romeinen 9:5 - De Griekse tekst zegt alleen dit: “Tot hen behoren de vaderen, en uit hen is de Christus wat het vlees betreft, Die boven allen is, namelijk GOD, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!” U ziet dan hoe de wachttorenleiders willen vermijden dat u gelooft dat Jezus God is.

Romeinen 10:13 - In het hele Nieuwe Testament lezen we NERGENS de naam Jehovah! In het Grieks staat er telkens: “Kurios” - dit betekent “Heer” en wordt op Jezus toegepast. Rom.10:13 bewijst dus dat Jezus Dezelfde is als Jahweh en dus God is: “Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden”. Vergelijk dit met Joël 2:32: daar is het voor de Joden de naam JHWH (Jahweh, of zo je wil: Jehovah) die redt.

Romeinen 10:13 komt overeen met Handelingen 4:10, 12: “…door de Naam van Jezus Christus … de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden”

Romeinen 10:9,10 - Er staat nergens “oefent”, maar “gelooft”.

1 Korinthiërs 8:6 - Dat de Nieuwe Wereld Vertaling een nepvertaling is, blijkt eens te meer hier, want zij schrijven: “door bemiddeling van” - dat is een pure schande! Er staat alleen “door” (Grieks: dia): DOOR Jezus zijn alle dingen: Hij is de Schepper, niet zomaar een hulpje.

Fillipenzen 2:6 - Dit vers werd volledig vals vertaald. Deze tekst zegt in werkelijkheid: “…Die, hoewel Hij in de gestalte van God was, het niet als een roof beschouwd heeft God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen en de mensen gelijk te worden” (Fil. 2:6-7). Als vleesgeworden Mensenzoon was Hij ondergeschikt aan de Vader

LXX: Septuaginta (Lat., = zeventig) of Septuagint afk. v. interpretatio septuaginta virorum (= vertaling van de zeventig mannen), benaming voor de Griekse vertaling van het Oude Testament die tussen ca. 250 en 100 v.C. tot stand kwam. De naam is ontleend aan een in de brief van Aristeas overgeleverde legende volgens welke 72 geleerden uit Israël in 72 dagen te Alexandrië het Oude Testament in het Grieks vertaald zouden hebben. Hoewel deze geleerden in afzondering hadden gearbeid, bleken, aldus de legende, de vertalingen volmaakt overeen te stemmen. (Encarta 2002).

JEHOVAH is bij vooral Engelssprekende christenen in gebruik (zie b.v. Ex 6:3 in de KJV) en is de aloude transcriptie van het in de grondtekst (van het Oude Testament) voorkomende Tetragrammaton (Gr. tetra = vier; afbeelding onderaan). Het bestaat uit vier tekens en is Gods oudtestamentische Verbondsnaam. In het Nederlands komt de transcriptie overeen met JHWH. De vocale uitspraak ervan werd niet overgeleverd. Toch menen hedendaagse kenners dat het tetragram het best gereconstrueerd wordt als JAHWEH: JHWH (te lezen van rechts naar links). Sinds de komst van de Messias, en voor wie Hem aannemen, geldt echter de naam JEZUS: Hand 4:10-12. JEZUS is nu de énige naam voor de behoudenis. JEZUS komt van ièsous, het Grieks voor YAHOSHUA: JAHWEH [is] redding. Hij kwam in de naam van zijn Vader (Joh.5:43) en Hij is Dezelfde als JAHWEH: Joh.12:37-42 (niet als Zoon van God), maar toch was Hij in de gestalte van God. Dit hebben de Jehovah getuigen eruit gelaten.

Kolossenzen 1:10,13,14 - De naam “Jehovah” komt niet voor in het gehele Nieuwe Testament. Het moet zinj “Heer” en dat is Jezus. Er staat ook niet “door bemiddeling van”, maar wel: “IN wie wij de verlossing hebben” (Grieks: en).

Kolossenzen 2:9 - Er staat in het Grieks niet “goddelijke hoedanigheid”. Er staat: “Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk”. Deze tekst bewijst duidelijk dat Jezus God is. In Jezus is God vleesgeworden, opdat wij Hem beter zouden verstaan, vooral Zijn liefde.

Kolossenzen 1:14-20 - Nergens staat er “door bemiddeling van” of “door tussenkomst van”. Er staat altijd gewoon “door” (Grieks: dia). DOOR Jezus is ALLES ontstaan. Hij was geen hulpje van God. Er staat ook nergens “andere”: Jezus werd niet geschapen!

Zie voor verdere argumentaties: http://www.verhoevenmarc.be

De Textus Receptus, de Statenvertaling, en nog veel meer bijbelstudiemateriaal, kan u bij mij aanvragen (kosteloos): http://www.verhoevenmarc.be/studiemateriaal.htm

Bron: www.verhoevenmarc.be

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Komen dieren ook in de hemel?

 

 

Een wat vreemde vraag denkt u? Maar ik hoor die vraag de laatste jaren steeds vaker gesteld worden. Hoe dat kan? Ik denk dat de gevoelscultuur waarin wij leven daaraan heeft bijgedragen. En ik kan mij er wel iets bij voorstellen, omdat wij vroeger ook een hond als huisdier hadden, en nu hebben we een kat. En of je wilt of niet, veel mensen hechten zich onbewust en onbedoeld aan zo’n dier, vandaar de vraag denk ik. Ik kom daar gelijk al met een probleem te zitten: want welke dier komt eventueel wel in de hemel, en welke niet? Een hond en een kat wel, maar een koe dan, of een aap, of een… Vult u maar verder in. U merkt het al, het is niet zo simpel.

Wat zegt de Bijbel daarover eigenlijk? De Bijbel? Ja, want als u ervan uitgaat dat dieren ook in de hemel kunnen komen, dan is het een theologisch probleem en zijn we aangewezen op wat Gods Woord daarover zegt. We zijn niet de eerste en de enigen die nadenken, of nagedacht hebben over dit onderwerp, Salomo heeft dat ook al gedaan. Hij, kwam tot de conclusie dat er verschil is tussen een dier en een mens, geheel in overeenstemming met wat er in het eerste boek van Mozes, Genesis vermeld is. Namelijk Dat God de mens formeerde en de levensadem in zijn neus blies, iets wat niet bij de dieren gedaan werd (Gen.2:7). Daarbij aansluitend zegt Paulus: ‘De eerste mens werd tot een levende ziel’ (1Kor.15:45). De mens heeft een ziel, (Mat.10:28; 1Thes.5:23), de ziel, het leven van een dier zit in zijn bloed (Gen.9:4).

Wat gebeurt er met lichaam van mens en dier wanneer het sterft? Salomo zegt: ‘Alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof’ (Pred.3:20). En ondanks dat Salomo de openbaring van het Nieuwe Testament over dood, leven en opstanding niet kende, schrijft hij toch: Zoals ‘het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft’ (Pred.12:7). De tekst die zegt dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen beërven, mag in ons geval wel heel letterlijk worden genomen(1Kor.15:50).

_____________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Werd Jezus veertig dagen verzocht of werd Hij verzocht ná die veertig dagen?

 

De Bijbelgedeelten die de verzoeking in de woestijn vermelden zijn: Mat.4:1-11; Mark.1:12-13 en Luk.4:1-13. Het kortste verslag is van Markus die ons alleen meedeelt dat Jezus veertig dagen in de woestijn was, verzocht door de satan. Als enige geeft Markus als aanvulling: ‘en Hij was bij de wilde dieren en de engelen dienden Hem’. Lukas geeft iets meer duidelijkheid, zijn verslag luidt: ‘Jezus… werd door de Geest geleid in de woestijn, veertig dagen verzocht door de duivel. En hij at helemaal niets in die dagen, en toen zij waren geëindigd had hij honger. De duivel nu zei tot Hem…’. Mattheüs verslag luidt: ‘Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden. En nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij tenslotte honger. En de verzoeker kwam tot Hem…’

Het woordje ‘nadat’ is hier bepalend en ik meen hieruit te verstaan dat het vasten van Jezus veertig dagen en nachten heeft geduurd en dat Hij daarna door de duivel verzocht werd.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Ontvingen zij, die zich door Johannes de Doper lieten dopen, ook de Heilige Geest?

 

 

 

 

Veel mensen lieten zich overtuigen door de prediking van Johannes de doper en kwamen om in de Jordaan gedoopt te worden (Mat.3:5-6). Ook de Heer Jezus kwam en liet zich dopen, niet omdat Hij een zondaar was, maar omdat het paste dat alle gerechtigheid vervult zou worden (Mat.3:15). Hij maakte zich door de doop als het ware één met het volk. Bij de doop van de Heer Jezus lezen we dat de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neerdaalde (Mat.3:16), maar dat lezen we niet bij de doop van de andere dopelingen. Wel werd de doop met (of: in) de Heilige Geest als iets toekomstigs aangekondigd door Johannes de doper (Mat.3:11). Tijdens Jezus’ verschijning aan de discipelen, na zijn opstanding, zien we al een voorvulling van wat later, ná de uitstorting van de Heilige Geest, standaard zou worden; zij ontvingen de Heilige Geest. ‘Jezus zei dan opnieuw tot hen: Vrede zij u. Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u. En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest’ (Joh.21-22). Ook de Heer Jezus beloofde de Heilige Geest als iets toekomstigs in zijn toespraak over ‘Stromen van levend water’ zei Hij: ‘Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt’ (Joh.7:39-39). En wat later in het evangelie naar Johannes lezen we: ‘Maar Ik zeg u de waarheid: het is nuttig dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Voorspraak niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden’ (Joh.16:7).

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Was Judas aanwezig bij de instelling van het Avondmaal?

 

 

Antwoord:

U zult zich misschien afvragen waarom het zo belangrijk is of Judas nu wel of niet aan het avondmaal heeft deelgenomen, is dat nu iets om je druk over te maken? Wel, in veel kerken en gemeenten wordt geleerd of aanvaard dat Judas wel heeft deelgenomen, met als reden om niet tussenbeide te hoeven komen of iemand wel of niet gerechtigd is om deel te nemen aan het avondmaal. Dat moet iedereen maar voor zich beslissen. Je ziet dit fenomeen vooral in de grote volkskerken zoals de RK-kerk en veel Protestantse kerken, maar ook meer en meer in de evangelische gemeenten. Dit is misschien wel gemakkelijk en lijkt heel humaan ten opzichte van aanwezige ongelovigen maar is absoluut niet naar Gods gedachten.

Daarnaast beroept men zich (onterecht) ook nog op de gelijkenis van de dolik onder de tarwe (Mat.13:24-30). Zo, zegt men: ‘daar staat toch dat we beiden – dolik en tarwe – moeten laten opgroeien tot de oogst! Men vergeet dat deze gelijkenis helemaal niet spreekt over de Gemeente en het avondmaal maar over de verspreiding van het evangelie. Het heeft niets te maken met het handhaven van de orde in het huis van God zoals dat in het Nieuwe Testament wordt onderwezen. Maar goed, daarmee is de vraag of Judas aan het avondmaal aanwezig was en daaraan heeft deelgenomen nog niet beantwoord.

Bijbelgedeelten

Mattheüs 26:20-30; Markus 14:12-26; Lukas 22:1-23; Joh.13:1-30; 1 Kor.10:14-22; 11:2334

Enkele opmerkingen vooraf:

Volgorde van de gebeurtenissen tijdens het Pascha en de instelling van het Avondmaal

1e. Het eten van het Pascha.

2e. De discipelen aan het twisten.

3e. De voetwassing.

4e. Het Pascha wordt voortgezet.

5e. De Heer Jezus wijst Judas als verrader aan waarna hij vertrekt.

6e. Instelling van het Avondmaal na het Pascha.

Tijdrekening in de evangeliën

Als we ons alleen zouden laten leiden door het evangelie naar Lukas dan waren we gauw klaar, maar zo eenvoudig is het niet! Bij nader onderzoek blijkt dat Lukas niet altijd de chronologische volgorde volgt en dat ‘zijn’ evangelie niet altijd overeenkomt met de verslaggeving in de andere evangeliën. Vergelijk Luk.22:3 met Joh.13:27 en Lukas 23:45 met Math.27:51 en Mark.15:37 en Luk.3:20-21 waar Johannes de doper wordt gedood voordat de Heer Jezus wordt gedoopt, in plaats van andersom. Zo kan de uitspraak van de Heer in Luk.22:21-23 al eerder gedaan zijn en de strijd van wie onder heen de grootste zou zijn van vers 24 al eerder plaatsgevonden hebben. Het komt meer voor in de Bijbel dat bepaalde gebeurtenissen niet volgens tijdsorde, maar volgens morele orde vermeld worden. Johannes vermeldt de instelling van het avondmaal niet, maar dat moet dan daarna plaatsgevonden hebben.

Betekenis van het avondmaal

Het avondmaal is ons niet als een middel om genade (eeuwig leven) te ontvangen of om ons geloof te versterken deze gedachte vindt geen grond in de Schrift. Het is een gedenken van de dood van de Heer Jezus en dat het daarbij ons geloof kan versterken is bijkomstig, dat gebeurd ook wanneer we de Bijbel lezen of bidden.

Visuele beïnvloeding

In denk hierbij aan het schilderij van Leonardo di Vinci van het laatste avondmaal waarop ook Judas staat afgebeeld. Dit is niet het enige voorbeeld er zijn er meerde, denk maar afbeeldingen in kinderbijbels van de wijzen uit het oosten bij de geboorte van Jezus of allerlei afbeeldingen van de persoon van de Heer Jezus met lang haar en soms blauwe ogen… Ze hebben ons wel degelijk beïnvloed blijkt uit de praktijk.

Een onderlinge ‘maaltijd’

De Heer Jezus heeft vaker een maaltijd gehouden met mensen, denk maar aan de spijziging van de vijfduizend (Joh.6:1-16; Mat.14:13-21; Mark.6:30-44; Luk.9:10-17). Zelfs de farizeeën en schriftgeleerden mopperden en zeiden: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’ (Luk.15:2). Deze ‘maaltijden’ zijn heel wat anders dat het avondmaal waar alleen zijn apostelen bij aanwezig waren en dienen daarom duidelijk onderscheiden te worden van het avondmaal! Het was een ‘onderlinge’ of ‘eigen bijeenkomst’ om het met de woorden van de schrijver van de brief aan de Hebreeën te zeggen (Heb.10:25), voor zijn discipelen; gelovigen.

Instelling van het avondmaal

De instelling van het avondmaal werd gedaan door de Heer Jezus maar de verdere uitwerking daarvan vinden we in de brief van Paulus aan de gemeente Korinthe. ‘Want ik heb van de Heere ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat de Heere Jezus in de nacht waarin Hij werd verraden, brood nam, en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. Doe dat tot Mijn gedachtenis’ en: ‘Daarom, wie op onwaardige wijze dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed van de Heere’ (1Kor.11:23,27). Eigenlijk kunnen we in de evangeliën nog niet spreken van het avondmaal want de Heer Jezus leefde nog, maar wel van de instelling daarvan.

Twee maaltijden

Het Pascha. In de bovenkamer zijn eigenlijk twee maaltijden gehouden eerst het Pascha en daaropvolgend de instelling van het Avondmaal. Bij het Pascha was Judas aanwezig en heeft daaraan ook deelgenomen, want Jezus lag aan met de twaalf (Mat.26:20). Op de opmerking van de Heer Jezus dat iemand van hen Hem zou overleveren, zeiden de discipelen: ‘Ik toch niet Heer?’ waarop de Heer Jezus repliceerde: ‘Hij die zijn hand met Mij in de schotel indoopt, die zl Mij overleveren’ (Mat.12:26:22-23). Het evangelie naar Johannes geeft meer duidelijkheid. ‘Jezus antwoordde: Hij is het voor wie Ik het stuk brood zal indopen en hem zal geven… en Hij gaf het aan Judas Iskariot (Joh.13:26). Hiermee ging het Schriftwoord in vervulling: ‘Hijdie met Mij het brood eet heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’ (Ps.41:10). Voor alle duidelijk het gaat over het eten van het Pascha en niet het avondmaal dat daarop volgde! Na die daad van Judas voor de satan in hem en ging hij naar buiten, en het was nacht… (Joh.13:30).

Het avondmaal.

Nadat Judas was weggegaan stelde de Heer Jezus het avondmaal in. Het Avondmaal is geen echte maaltijd (om je lichaam te voeden) maar het gedenken van het offer wat de Heer Jezus heeft gebracht. De eerste discipelen vierden het avondmaal elke dag. Dat blijkt uit Hand.2:42,46. De term het 'breken van het brood' die daar gebruikt wordt slaat op het vieren van het avondmaal. Uit Hand.20:7 laat zich afleiden dat men het later op de eerste dag van de week deed. Er is geen speciaal voorschrift hoe vaak en wanneer, maar de uitdrukking 'zo dikwijls gij het brood breekt' houdt in, dat het niet gaat om een paar keer per jaar. In diverse kringen wordt dan ook het avondmaal elke zondag gevierd. Wie mogen deelnemen aan het avondmaal? Ten eerste zij die gelovig zijn, dat wil zeggen wedergeboren. Ten tweede hen die geen zondig leven leiden of dwaalleer verkondigen (zie 1Kor.5:9-13 en 2Joh:8-11).

Het gezag van de Gemeente

In Mattheüs 16:13-20 en 18:15-20 wordt aan de Gemeente gezag verleend. Dat gezag dient ook uitgevoerd te worden en verschillende vormen aannemen van bestraffen en tekenen tot uitsluiten van de Gemeente als zwaarste middel. Dit lijkt liefdeloos en hard maar we moeten ons wel afvragen wat belangrijker voor ons is de heiligheid van Gods huis of het behagen van de (ongelovige of in zonde levende) mens? De apostel Paulus is daarover duidelijk: ‘Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moeten hebben met hoereerders; niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan. Maar nu heb ik u geschreven dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of rover, u met hem geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn? Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen.  Doet de boze uit uw midden weg’ (1Kor5:9-13).

Het getuigenis van het Oude Testament

Gebeurtenissen en voorschriften zijn ons gegeven tot voorbeelden, waarschuwing en lering dus ook het Pascha (Rom.15:4; 1Kor.10:6,11). Wie mochten wel en niet deelnemen aan het Pascha? Lees daarvoor eens 2 Kronieken 30. Ze hielden moesten zich houden aan het voorschrift des Heren. De Heer Jezus neemt het gaan naar het altaar zeer ernstig en zegt dan ook het volgende: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave’ (Mat.5:23-24). Ja, antwoorden sommigen dat is het altaar van de tempel in het Oude Testament, dan zou ik daarop willen antwoorden: ‘als het in het Oude Testament zo ernstig werd omgegaan met het offeren op het altaar, hoeveel temeer zou dan moeten zijn bij ons gelovigen van het Nieuwe Testament!

Conclusie

Gelovigen aan het avondmaal ja, ongelovigen of hen die in zonde leven, nee. Het is juist dat eenieder zichzelf dient te beproeven maar we hebben als Gemeente ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de tafel van de Heer rein te houden! We mogen onze ogen niet sluiten voor zonde in de Gemeente. Kunt u de dood van de Heer Jezus verkondigen en daardoor gemeenschap hebben met een ongelovige, een Mormoon of Jehova getuige of een satanist om het maar een erg zwart wit te stellen? Nee, toch!

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Wat gebeurt er wanneer kleine kinderen vroegtijdig sterven; gaan ze dan naar de hemel?

 

 

 

 

 

Een vraag die vaak gesteld wordt en dat is ook heel begrijpelijk. Veel ouders worden daarmee geconfronteerd. Maar ik heb goed nieuws voor u!

Omdat kleine kinderen deel uitmaken van het menselijke ras zijn ze geboren in zonde. Toen Adam in de zonde gevallen was strekten de gevolgen zich uit tot alle nakomelingen (Rom.5). Baby’s worden in zonde ontvangen (Ps.51:7) en ook voor hen geldt: ‘Het is de mens gezet om eens te sterven’ (Heb.9:27). Het is ernstig wanneer kleine kinderen lijden en sterven, maar we geloven dat God in controle is en weet wat Hij doet.

Wanneer baby’s sterven dan gaan ze m.i. naar de hemel. Ze worden niet behouden op grond van hun eventuele doop zoals de RK-kerk dat leert. Ook worden ze niet behouden op grond van een verbondsleer zoals geleerd wordt in de Calvinistische kerken en ook niet op grond van de leer van de predestinatie (voorbestemming) dat weer in een zijtak van het Calvinisme wordt onderwezen. Ook worden ze niet behouden op grond van hun bekering, want dat is bij kleine kinderen niet mogelijk omdat er geen kennis bij hun aanwezig is van goed en kwaad en het verstaan van het evangelie. Ze kunnen, vanwege hun jonge leeftijd, niet aangesproken worden op hun kennis van God door middel van de schepping of hun geweten Rom.1:19v., 2:15) en zijn ze du wel degelijk te verontschuldigen (Rom.1:20b). Ze worden niet veroordeeld vanwege de zonden van de ouders, maar ook niet van het geloof van de ouders. Ik geloof dat ze behouden worden door de genade van God op grond van het offer van Christus waardoor de prijs voor de zonde is voldaan (Joh.1:29; Rom.8:3; 2Kor.5:21) en ik doe dat op grond van volgende Schriftgedeelten. (1) ‘Zou Ik dan Nineve niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?’ (Jona 4:11). (2) Toen het zoontje van David stief, die hij bij Batseba verwekt had, zei David: ‘Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet terug’ (2Sam.12:23). Wat was Davids definitieve bestemming? ‘Ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen’ (Ps.23:6). ‘In zijn arm de lammeren’ (Jes.40:11). (3) ‘Gij echter, sta op, ga naar uw huis. Op het ogenblik dat uw voeten de stad binnentreden, zal de jongen sterven. 13Dan zal geheel Israël over hem weeklagen en hem begraven, want (van het huis) van Jerobeam zal deze alleen in een graf komen, omdat in Jerobeams huis in hem alleen iets goeds gevonden wordt voor de Here, de God van Israël’ (1Kon.14:13; vgl. 2Sam.12:23). (4) ‘Toen werden kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij de handen op hen zou leggen en zou bidden; maar de discipelen bestraften hen. Maar Jezus zei: Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen’ (Mat.19:13-14). Dit zal misschien voor sommigen niet overtuigend genoeg zijn, maar om te geloven dat ‘de weg naar de hel geplaveid is met kinderlijkjes’ zoals wel een gezegd wordt, vindt ik te gruwelijk om te geloven en niet in overeenstemming met de genade en liefde van God.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Mogen kinderen deelnemen aan het avondmaal; wat zegt de Bijbel daarover?

 

 

 

Antwoord: De Bijbel zegt daar helemaal niets over en er zijn, gelovigen en kerken, die daarin een vrijbrief zien om kinderen aan het avondmaal toe te laten. We hebben in de Bijbel echter geen enkele vermelding dat kinderen hebben deelgenomen aan het avondmaal, en dat op zich moet ons iets te zeggen hebben. Het avondmaal is natuurlijk ook niet zó maar een maaltijd, als je al van een maaltijd kunt spreken! Het woord ‘avondmaal’ komen we in de betekenis zoals in de vraag bedoeld wordt, maar een keer in de Schrift tegen (1Kor.11:20). Hoe komt het dan dat zulke praktijken in veel kerken worden toegelaten en toegepast? Dat kan misschien voortkomen door de gevoelscultuur waarin wij leven waardoor men het zicht op de werkelijkheid niet meer ziet en zich door emoties laat leiden in plaats van door Gods Woord. Het kan natuurlijk ook zijn dat men Gods Woord niet meer als normatief wil aanvaarden. ‘Zie het woord des Heren hebben zij verworpe, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben? (Jer.8:9). Ook kan zulk handelen ook voortkomen uit onkennis. ‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis’ (Hos.4:6). Erger is, dat er zijn die de Schriften verdraaien; er een andere ‘draai’ aangeven. Ik denk aan de zgn. nieuwe hermeneutiek. Geheel anders is de idee dat men door deel te nemen aan het avondmaal deel krijgt aan het eeuwige leven. Dat is een idee die leeft voornamelijk in de RK-kerk en geen steun in de Bijbel vindt. Maar wat is het probleem eigenlijk als kinderen niet aan het avondmaal mogen deelnemen, heel veel volwassenen mogen dat ook niet, omdat ze of niet gelovig zijn, of een zondige levenswandel hebben!?

Het avondmaal is een gedachtenismaaltijd en voorbehouden aan gelovigen. Gelovigen die op een waardige wijze daarmee om kunnen gaan alsvorens ze daaraan deelnemen. Gelovigen die zichzelf op de proef kunnen stellen of ze daaraan wel of niet kunnen deelnemen. (vgl. Mat.5:23-24). Het zichzelf op de proef stellen voorkomt dat men zichzelf tot een oordeel eet of drinkt. ‘Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken’. De apostel Paulus spreekt de gelovigen te Korinthe aan als ‘verstandige mensen, beoordeelt u dan zelf wat ik zeg’. Al deze zaken kunnen we niet toepassen op kinderen want ze hebben geen besef van wat het avondmaal inhoudt, kunnen zichzelf niet op de proef stellen of zichzelf beoordelen, en zijn niet gelovig in de bijbelse betekenis van dat woord en dus ook niet gedoopt. Dus waarom kinderen laten deelnemen? Wacht liever, licht ze voor over de betekenis van het avondmaal, bidt dat ze tot bekering mogen komen om dan deel te nemen aan het avondmaal.

Bijbelgedeelten waar het gebruik en het doel van het avondmaal worden verduidelijkt zijn: 1Kor.10:14-22; 11:20-34

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Wie waren de reuzen van de voortijd?

 

 

 

 

‘Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam’ (Gen.6:1-4).

Weinig passages in de Schrift hebben zoveel interpretaties opgeleverd als Genesis 6:1-4. Wie waren die ‘zonen Gods’? Wie waren ‘de dochters van de mensen’. Wie waren ‘de geweldigen’ uit de voortijd’? We zullen moeten erkennen dat we te weinig Bijbelse gegevens ter beschikking hebben om over Genesis 6:1-4 iets met zekerheid te kunnen zeggen. Desondanks wil ik hierna twee verschillende interpretaties weergeven.

I.

Sommigen hebben voorgesteld dat ‘Gods zonen’ de afstammelingen van Adams zoon Seth waren, en de ‘dochters van de mensen’ zouden afstammelingen van Kaïn zijn. Een interessante gedachte maar in Noachs dagen waren er essentieel geen rechtvaardige mensen, vanuit geen enkele afstammingslijn.

Anderen hebben terecht opgemerkt dat de term ‘zonen van God’ in het Oude Testament naar engelen verwijst, en daarom moeten deze zonen Gods gevallen engelen zijn. Satan had een agressieve campagne gelanceerd tegen Adam en zijn afstammelingen, in een poging de mensheid zodanig te verontreinigen dat de beloofde Verlosser, het ‘zaad van de vrouw’ (Gen.3:15), niet zou kunnen komen.

Maar engelen in de Schrift zijn geestelijke wezens die geen permanent lichaam hebben, en die in de hemel niet ‘huwen’ (Mat.22:30). En wat precies zou zo’n half-engel/half-mens dan zijn? Zou dat een reus zijn, en belangrijker: zou die een eeuwige geest hebben.

II.

Het motief van vermenigvuldiging wordt voor het eerst geïntroduceerd door God in Gen.1: 28, waar het in een zeer positief licht wordt gepresenteerd en als noodzakelijk wordt beschouwd om Gods plannen voor de aarde te vervullen. De huidige passage onthult echter dat deze door God opgedragen taak leidt tot een toenemende slechtheid van de aarde naarmate de bevolking groeit. Dit probleem wordt verergerd door het samenkomen van de zonen van God en de dochters van de mens (6: 2). De identiteit van beide groepen is onzeker en er zijn verschillende oplossingen bepleit, hoewel geen daarvan universele steun heeft gekregen. Verschillende geleerden hebben voorgesteld dat de 'zonen van God' (1) gevallen engelen zijn (vgl. Job 1: 6; sommigen suggereren echter dat dit in tegenspraak is met Markus 12:25, hoewel de verwijzing in Marcus naar engelen in de hemel verwijst; zieook 2 Petrus 2: 4-5; Judas 5-6); of (2) tirannieke menselijke rechters of koningen (in de goddeloze lijn van Lamech, mogelijk bezeten door demonen); of (3) volgelingen van God onder de mannelijke afstammelingen van Seth (d.w.z. de goddelijke lijn van Seth, maar die trouwde met de goddeloze dochters van Kaïn). Hoewel het moeilijk zou zijn om te bepalen welke van deze drie standpunten correct zou kunnen zijn, het is duidelijk dat het hier beschreven soort relatie een vorm van ernstige seksuele verdraaiing met zich meebracht, waarbij de 'zonen van God' zagen en straffeloos elke vrouw namen ('dochters van mensen ') die ze wilden. De volgorde hier in Gen.6: 2 ('Zag .... aantrekkelijk (goed) .... nam') loopt parallel met de volgorde van de val in Gen.3: 6 (zag ... goed ... nam’). In beide gevallen wordt iets goeds in Gods schepping gebruikt in ongehoorzaamheid en zondige rebellie tegen God, met tragische gevolgen. Alleen Noach staat los van deze zonde. (Zie opmerking bij 1 Petrus 3:19).

______________________________________________________________