'Inleiding in de Gelijkenissen'

 

Inleiding in de gelijkenissen 

 

 

 

 

‘En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ‘Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord’ (Mattheüs 13:10-17).

Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is (Mattheüs 34-35).

‘Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja. Hij zeide tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt’ (Mattheüs 13:51-52).

Waarom gelijkenissen?

Zelfs de discipelen waren verrast die dag in Kapernaüm, bij het meer van Galilea, toen de Heer Jezus de gelijkenissen vermeld in Mattheüs 13 vertelde. Zij leerden dat een gelijkenis meer dan een verhaal is. Het Engelse woord ‘parable’ is een vertaling van het Griekse parabole wat gewoon ‘er naast plaatsen’ betekent. Een gelijkenis is een verhaal dat de zaken met elkaar vergelijkt met het doel te onderwijzen. Het plaats het gekende naast het niet-gekende opdat we kunnen leren. Toen de Heer Jezus zei: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan…’ gebruikte Hij een vergelijking of een tegenstelling om een geestelijke les te onderwijzen. Sommige gelijkenissen zijn lang en gedetailleerd, zoals de gelijkenis van de Zaaier (Mat.13:3-9), terwijl andere erg kort zijn, zoals de gelijkenis van de heer des huizes (Mat.13:52) Het woord gelijkenis wordt 48 keer gebruikt in de eerste drie evangeliën, tweemaal in de brief aan de Hebreeën (9:9 en 11:19), en nergens anders in het Nieuwe Testament. De gebruikelijke definitie van een gelijkenis zoals ‘een aards verhaal met een hemelse betekenis’ zegt niet alles, maar toch genoeg om ons er aan te herinneren dat er een verbinding is tussen de zichtbare wereld van de schepping en de onzichtbare geestelijke wereld. God heeft de waarheid aangaande Hemzelf geopenbaard in de schepping en in de Bijbel. Het feit dat de Heer Jezus een zaadje kon gebruiken om het woord van God te verklaren, of een feest om de redding te omschrijven, is een bewijs dat alle waarheid van God komt en dat alle waarheid een eenheid is. Hoe beter we het boek van de natuur kennen, des te meer zullen we Gods Woord kennen, als we tenminste de Heer zijn toegewijd en openstaan voor zijn onderwijs.

Waarom onderwees de Heer Jezus door middel van gelijkenissen?

De Heer Jezus heeft de gelijkenis niet uitgevonden. Je komt ook gelijkenissen tegen in het Oude Testament (2 Sam.12:1-4) bijvoorbeeld, en de joodse rabbi’s gebruikten ze vaak. De Heer Jezus, was zondert twijfel de grootste vertolker die door middel van gelijkenissen onderwees. Toen de discipelen Hem vroegen naar de reden van zijn onderwijs door middel van gelijkenissen, antwoordde de Heer Jezus met een verwijzing naar een profetie in Jesaja 6:9-10. Dit is een van de belangrijke profetieën in het Oude Testament, en wordt vijf keer aangehaald in het Nieuwe Testament (Mat.13:14-15; Mark.4:12; Luk.8:10; Joh.12:39-40; Hand.28:26-27). De profetie verwijst naar de slechte geestelijke toestand van het volk Israël. Ze zouden het woord van God horen, maar niet verstaan, en ze zouden Gods kracht aan het werk zien, maar niet waarnemen wat Hij deed. Hun afgestompt hart maakte dat ze geestelijk dood en blind waren, en het resultaat was het oordeel. Uitleggers kunnen problemen hebben met de uitleg van deze verzen. Als Mattheüs het antwoord van de Heer citeert, Die gezegd had: ‘Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen: omdat zij ziende niet zien’ (vs.13) vinden we bij Markus en Lucas niet het woord ‘omdat’ maar ‘dat’ (zie Mark.4:11-12 en Lk8:10). Markus en Lucas vermelden dat de Heer Jezus gelijkenissen gebruikte dat de mensen niet zouden zien en horen enz. Betekent dit dat de Heer Jezus gelijkenissen vertelde opdat zijn luisteraars veroordeeld zouden worden? Dit lijkt in tegenspraak met het karakter en de dienst van de Heer Jezus.

Het schijnt mij dat beide waar zijn. Door gebruik te maken van gelijkenissen, zocht de Heer gelegenheid om de interesse op te wekken en hen wakker te schudden die geestelijk waren ingeslapen. In het algemeen was het joodse volk, en hun geestelijke leiders in het bijzonder, in een situatie waardoor ze geestelijk steeds minder bereikbaar waren voor geestelijke zaken. De tijd van het Griekse werkwoord in Mat.13:14 zegt het zo: ‘En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld…’ Het proces was nog niet ten einde, en de Heer wilde ze tegenhouden. Hij wilde hun interesse opwekken en hun gelegenheid geven om gered te worden. Maar het andere aspect van deze profetie is ook waar: dezelfde boodschap dat de een wakker schudt doet een ander verharden. Deze gelijkenissen zijn beide openbaar en verborgen. De onbezorgden en onverschilligen, die geen geestelijke honger hebben naar waarheid en redding, begrijpen Jezus’ onderwijs niet. Het is niet zo dat Jezus’ woord hun harten verhardde, net zo min dat hun harten verhard waren voor het Woord. Dezelfde zon die het ijs doet smelten, droogt de klei. Door gebruik te maken van gelijkenissen, liet de Heer Jezus zijn geduld en genade kennen, maar tezelfdertijd openbaarde hij hun droevige geestelijke situatie. De gelijkenissen waren woorden van de Meesterleraar, maar ze vormden ook het bewijs van een heilige rechter. Het zou goed zijn om Mark.4:21-25 en Luk.8:16-18 bij deze studie te betrekken, want veel bijbelleraars geloven dat de Heer Jezus' deze woorden sprak in verbinding met de gelijkenissen in Mattheüs 13. Hierbij de vermelding van het Markus evangelie:

‘En Hij zeide tot hen: De lamp komt toch niet om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden? Want er is niets verborgen, dan om geopenbaard te worden, of aan het oog onttrokken, dan om in het openbaar te komen. Indien iemand oren heeft om te horen, die hore. En Hij zeide tot hen: Ziet toe, wat gij hoort. Met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden, en u zal boven die maat gegeven worden. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden.’

Het lijkt erop dat de Heer Jezus hier leert dat Hij de waarheid in de gelijkenissen verborg, niet om ze te verbergen, maar om ze te openbaren. Diegene die geloof heeft zal de waarheid leren kennen en meer ontvangen terwijl diegene die het aan geloof ontbreekt zelfs zal verliezen wat hij heeft. Met andere woorden, als we het Woord van God horen, hebben we geen deel aan statische gebeurtenis, maar aan een dynamische. De Heer Jezus gebruikte de gelijkenissen om de waarheid te verbergen opdat Hij de waarheid kon openbaren. Een gelijkenis zou de geïnteresseerden opwekken en hen stimuleren om meer te leren. Maar het zou ook de onbezorgden blind maken, vanwege de conditie van hun nart, hun oordeel verhaasten.

Een tweede reden voor het gebruik van gelijkenissen is vermeld in Mattheüs 13:34-35: het was de vervulling van de profetie geschreven in Psalm 78:2. ‘Ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen.’ De profeet die deze woorden schreef was Asaf, de ziener (2Kron.29:30). Oorspronkelijk, werd het toegepast op de geestelijke betekenis van Israëls geschiedenis, die hij in deze Psalm beschrijft. Maar de uiteindelijke vervulling vinden we in Christus. In zijn gelijkenissen, openbaarde de Heer Jezus ons deze verborgenheden (verborgenheden of geheimenissen die allen verstaan konden worden door goddelijke openbaring – Mat.16:17). Een van de bedoelingen van het Mattheüs evangelie is om ons te laten zien hoe de Heer Jezus, in zijn leven en leer, de Oudtestamentische geschriften vervulde. ‘Opdat vervuld werd wat door de Heer Gesproken is door middel van de profeet’ (Mat.1:22; 2:15, 17, 23; 4:14).

We mogen Christus niet bekritiseren omdat zijn gelijkenissen oordeel brachten voor sommigen en redding voor anderen. Dit ‘winnen en verliezen’ is een levenswet (Luk.19:26). Als we gebruiken wat we hebben, ontvangen we meer; als we niet gebruiken wat we hebben, verliezen we het. Misschien is dit niet toepasbaar op elk gebied van het leven, in het algemeen is het juist. Zijn discipelen (behalve Judas) hadden werkelijk geloof, en daarom ontvingen zij meer door het verstaan van de gelijkenissen. Maar de ongelovigen, in het niet aanvaarden van de waarheid, verloren wat ze hadden en hun harten werden harder.

Waarom de gelijkenissen bestuderen?

De meest voor de hand liggende reden om de gelijkenissen te onderzoeken is het feit dat ze deel uitmaken van het Woord van God en we hebben het gebod om te leven bij ‘elk woord’ (Mat.4:4). Minstens een derde van het onderwijs van de Heer Jezus wordt gevonden in de gelijkenissen. Deze verhalen te verwaarlozen is onszelf beroven van veel zaken die Hij ons wil leren. Maar iets ander is ook waar. De gelijkenissen zijn ‘uit het leven gegrepen’ en bezitten daarom een manier van onderwijs die direct met de belangrijke en betekenisvolle zaken van het leven te maken hebben. Zelfs al wonen we niet in een landelijke omgeving, iets te weten over planten, zaad en grond is belangrijk voor ons. Hoe vaak zeggen we niet of gehoord: ‘Laat me jouw dit idee in je hoofd planten?’

Veel gelijkenissen zijn gegeven vanwege tegenstand of in geval van problemen. De farizeeërs bekritiseerden de Heer Jezus omdat Hij met zondaren at, daarom vertelde hij over het verloren schaap, een verloren munt en een verloren zoon. De discipelen dachten dat ze erg succesvol waren vanwege de grote menigte, daarom vertelde de Heer Jezus de gelijkenis van de zaaier die duidelijk maakte dat drie derde geen vrucht voortbracht. Hij werd beschuldigd dat Hij een verbond had met de duivel, daarom vertelde Hij over de sterke man die zijn huis bewaakte. Deze verhalen delen in de realiteit van het leven en om deze reden zijn ze ook voor ons belangrijk. De gelijkenissen zijn zowel spiegels als vensters. Als spiegels leren ze ons zelf te zien. Ze laten ons leven zien zoals het werkelijk is. Als vensters, leren ze ons het leven te zien en God. Het kan zijn dat je moeilijkheden hebt met Romeinen 7 of Efeze 2 om goddelijke waarheden te verstaan, maar met de gelijkenissen zul je waarschijnlijk veel minder moeite hebben om jezelf te ontdekken.

Hoe de gelijkenissen bestuderen?

Omdat er verschillende soorten van literatuur in de bijbel zijn te vinden, is het belangrijk te weten hoe daar mee om te gaan. Je benadert de Psalmen op een andere wijze dan bijbelse geschiedenis bijvoorbeeld in de boeken Koningen of de brieven van de apostelen. Het is een basisregel dat we elk bijbelgedeelte bestuderen in het licht van haar literaire genre. Met dit in gedachten, houden we rekening met onderstaande principes bij het bestuderen van de gelijkenissen.

1. Bestudeer elke gelijkenis in zijn context. Dit is waar voor elk bijbelgedeelte, maar speciaal waar voor de gelijkenissen. Geen rekening houden met de context betekend dat je alles kan gaan verklaren met een gelijkenis. Bijvoorbeeld, de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan heeft ’geleden’ onder de handen van hen die alles vergeestelijken, en de context vergeten hebben. Ze interpreteren als volgt: Jeruzalem is de stad van God, een representatie van de hemel. Jericho is een vervloekte stad, dat representeert dan de hel. De weg van Jeruzalem naar Jericho gaat naar beneden, de weg naar de hel ook. Iedere persoon is op de weg naar Jericho en is in handen gevallen van de satan en beroofd en halfdood (fysiek levend, geestelijk dood). Religie kan hem niet redden – alleen de goede Samaritaan (Jezus) kan dat. De olie representeert de Heilige Geest en de wijn Christus’ vergoten bloed. De herberg is de kerk en de twee penningen staan voor de twee verordening geloof en doop. De Samaritaan beloofd om terug te komen, Jezus zal ook terugkomen. (Denk aan de ‘grote’ vergeestelijker Origenes) Veel zaken zijn waar, en worden in de bijbel geleerd; maar ze worden niet expliciet in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan onderwezen. De context spreekt van een wetgeleerde die Jezus probeert te verzoeken, met de vraag: ’Wie is mijn naaste?’ Hoewel er zeker ook plaats is voor andere lessen, is de fundamentele les in deze gelijkenis dat we ‘een buurman dienen te zijn voor onze ‘buurman’ in nood.

2. Zoek de hoofdwaarheid die de gelijkenis leert. Dat betekent niet dat er geen andere lessen te leren zijn, maar die blijven onderworpen aan de hoofdgedachte van de gelijkenis. De hoofdgedachte in de gelijkenis van de verloren zoon is dat God zondaren ontvangt en vergeeft. Je kunt in deze prachtige gelijkenis veel geestelijke waarheden ontdekken, maar alle staan in onderlinge relatie tot de hoofdzaak.

3. Probeer de gelijkenis niet ‘te laten buikspreken’ Sommige gelijkenissen zijn erg gedetailleerd, zoals de zaaier en het zaad, terwijl andere weinig gedetailleerd zijn. Het is niet wenslijk alles te verklaren of de tekst zelf moet dan aangeven. De Heer Jezus verklaarde de gelijkenis van de zaaier in detail en ook andere gelijkenissen, dan is er geen probleem. Maar wat er gebeurt door alles een geestelijke betekenis te willen geven, zoals in het voorbeeld van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan mag duidelijk zijn. De symbolen die in verschillende gelijkenissen worden gebruikt hebben niet altijd dezelfde betekenis. In de gelijkenis van de Zaaier, representeert het zaad het Woord van God en de aarde representeert het menselijke hart. Maar in de gelijkenis van de dolik, representeert het zaad de kinderen van het koninkrijk, terwijl het veld de wereld is.

4. De gelijkenissen illustreren een bijbelse leer, ze verklaren ze niet. Met andere woorden, probeer niet een of andere leer op te bouwen vanuit een gelijkenis. De gelijkenissen zijn de ramen in het huis, niet het fundament. Het is gevaarlijk een leer van goede werken te distilleren uit de gelijkenis van de schapen en de bokken (Mat.23:31vv.). Door dat toch te doen gaat men voorbij aan de profetische context van de gelijkenis, en het ‘resultaat’ zal in tegenspraak zijn met duidelijke uitspraken elders in de bijbel.

5. Vraag God voor geestelijk inzicht. Dit is noodzakelijk voor elke vorm van bijbelstudie, maar zeker in verband met gelijkenissen. De discipelen kwamen naar de Heer Jezus om uitleg, en wij dienen dat ook te doen. Hij zal ons de wijsheid geven die we nodig hebben als we Hem erom vragen (Jak.1:5).

Hoe maken we het best gebruik van de gelijkenissen?

De gelijkenis van de heer des huizes (Mat.13:51v.) is hét voorbeeld hoe een gelijkenis te verklaren. De Heer Jezus vroeg de discipelen of ze alles hadden begrepen wat Hij ze had geleerd, en ze zeiden tot Hem ‘Ja.’ (Een verbazend antwoord trouwens!) Begrijpen houdt verantwoordelijkheid in. De discipelen hadden het voorrecht om de verborgenheden te begrijpen, maar hadden daardoor ook een grote verantwoordelijkheid om deze kennis in de praktijk om te zetten. “Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist” (Luk.12:48). De Heer Jezus zei: ‘Daarom is iedere schriftgeleerd die een discipel van het koninkrijk der hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt’ (Mt13:52). Met deze verklaring (die een korte gelijkenis is!) duidt de Heer Jezus drie verantwoordelijkheden aan die we hebben als Gods Waarheid ons bekend is.

1. De verantwoordelijkheid om de waarheid te zoeken. Het werk van een schriftgeleerde was om de wet te onderzoeken en de geboden te ontdekken. Het is goed te weten dat de schriftgeleerden begonnen als een groep van ernstige onderzoekers. Ze droegen zichzelf op aan de bescherming en onderhouding van de Wet. Maar het is jammer dat de schriftgeleerden degenereerden in een ongeestelijke groep en waren meer geïnteresseerd in dode traditie, dan in een levende waarheid. De Heer Jezus beschuldigde hen dat zij de mensen onder een geestelijk juk brachten, geen vrijheid (Luk.11:42-52). Ze namen het verleden zo serieus, dat ze Gods lessen voor het heden negeerden. In plaats van ‘open deuren’ te zijn waardoor zondaren binnen moesten gaan om gered te worden, sloten zij die. Ze werden blinde leidslieden voor blinden. Omdat ze geen discipelen geworden waren!

2. De verantwoordelijkheid om de waarheid te (be-) leven! Iedere schriftgeleerde moet een discipel worden, een persoon die de Heer volgt en daardoor zijn (bijbelse) theorie in de praktijk brengt. We leren de waarheid kennen door ze te praktiseren. De waarheid wordt levend voor ons als we ons leven ernaar richten, en in dat proces leren we meer waarheid! Er is grote nood aan een uitgebalanceerd geestelijke leven, een leven tussen theorie en praktijk, leren en leven, de schoolklas en de marktplaats. De Heer Jezus leerde zijn discipelen door middel van leer en praktijk. Er was een evenwicht tussen objectieve waarheid en subjectieve ervaring. Het is niet genoeg om alleen maar hoorders van het Woord te zijn – om te kunnen groeien moeten we ‘doeners’ zijn om God te kunnen verheerlijken.

3. De verantwoordelijkheid de Waarheid te delen met anderen. Ieder van ons heeft een ‘schatkist’ waarin hij geestelijke schatten verzameld die we hebben opgedaan in ons leven met de Heer. Deze ‘schatten’ zijn er niet om ze voor onszelf te houden, maar om te delen met anderen. Geld dat niet geïnvesteerd wordt brengt niets op. Op dezelfde wijze, moeten we oude en nieuwe dingen delen. Het ‘oude’ is dat wat we hebben geleerd als ‘schriftgeleerden’; het ‘nieuwe’ is wat we hebben opgedaan door een discipel van de Heer te zijn, in het uitoefenen van ons geloof. Zij die Gods Woord het meest gehoorzaam zijn leren het meeste en hebben het meeste te delen. We kunnen het niet alleen met het ‘oude’ doen, want uit het oude komt het nieuwe. Er zijn altijd nieuwe toepassing op het oude, nieuwe inzichten van oude principes, en nieuwe gedachten van oude relatie.

Ik eindig met het voorbeeld van Ezra uit het gelijknamige boek, de eerste schriftgeleerde, die een voorbeeld is van dit soort gebalanceerd leven.

‘Want Ezra had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen. (Ezra7:10)

Wat een voorbeeld om te volgen!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX