Onbeantwoorde Gebeden

  

 De zonen van Zebedeüs

 

Mattheüs 20:20-28

 

 

 

 

Inleiding

Iedere gelovige heeft weleens te maken gehad met een onbeantwoord gebed. Wanneer dat gebeurt, zijn de reacties verschillend. Bij sommigen kan dat leiden tot teleurstelling, anderen worden boos op God. Nog anderen raken verbitterd en twijfelen aan de liefde van God. Weer anderen stoppen met bidden, want ‘het helpt toch niet!’ is hun conclusie. Er zijn er ook die blijven bidden en hopen dat er iets gaat gebeuren. Hoe dan ook, wij allen moeten omgaan met het gegeven dat niet al onze gebeden worden verhoord zoals wij dat wensen, immers ‘gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde’.

Maar wanneer we nadenken over onbeantwoorde gebeden, moeten we bedenken dat we niet de enigen zijn die daarmee worstelen of hebben geworsteld. De grootste dienstknechten van God hebben diezelfde strijd ervaren. We denken maar aan Mozes die ‘nee’ kreeg op zijn verzoek om alsnog het beloofde land binnen te mogen trekken. Wanneer we een ‘nee’ van God ontvangen is het mogelijk dat de oorzaak bij onszelf ligt. Het kan ook zijn dat God ‘nee’ zegt omdat hij iets beters voor ons op het oog heeft. Zoals we in dit artikel zullen ontdekken, kan een verkeerde houding ten opzichte van het gebed ertoe leiden dat een verhoring verhinderd wordt. In Mattheüs 20 vinden we het ‘gebed’ van Salome en haar zonen Jakobus en Johannes, en Christus’ antwoord:

‘Toen kwam bij Hem de moeder (Salome) van de zonen van Zebedeüs (Jakobus en Johannes) met haar zonen, huldigde Hem en vroeg iets van Hem. Hij nu zei tot haar: Wat wilt gij? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze twee zonen van mij mogen zitten, één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand in uw koninkrijk. Jezus antwoordde echter en zei: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de beker drinken, die Ik zal drinken? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, maar het zitten aan mijn rechter- en linkerhand is niet aan Mij dat te geven, maar is voor hen wie het door mijn Vader is bereid. En toen de tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk. Jezus nu riep hen bij Zich en zei: U weet, dat de oversten van de volken over hen heersen en de groten gezag over hen voeren. Zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen’ (Mat.20:20-28).

Jakobus en Johannes waren trouwe en toegewijde discipelen van de Heer Jezus. Maar in dit gedeelte zien we dat ze mogelijk een probleem met hoogmoed hadden, daartoe gaf hun vraag wel aanleiding. Ze waren zo overtuigd dat ze van de Heer zouden krijgen wat ze vroegen, dat ze het zelfs publiekelijk vroegen. Maar de Heer Jezus gaf het hun niet, omdat Hij wist dat ze geen goed beeld hadden van de dienst van de Heer Jezus en het doel van zijn dienst. Hij zei tegen hen: ‘U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken, die Ik zal drinken?’ (vs.22). Als Jakobus en Johannes werkelijk hadden beseft wat het doel van Christus’ koninkrijk en de profetieën betreffende de toekomstige dingen inhielden (vs.17-19), zouden ze de vraag nooit gesteld hebben. Hoewel ze het voorrecht om te zitten aan zijn linker- en rechterhand niet verkregen, zouden ze wel de beker drinken die de Heer Jezus heeft gedronken. Jakobus was de eerste van de twaalf discipelen die als martelaar stierf. Koning Herodus onthoofdde hem (Hand.12:1-2). Johannes werd zwaar vervolgd, een aantal keren gevangengezet en uiteindelijk verbannen naar het eiland Patmos, waar hij stierf (Op.1:9).

Methoden en Relaties

In onze huidige technische wereld, die beheerst wordt door de wetenschap, krijgen we al gauw het idee dat, wanneer we een bepaald programma volgen, de uitkomst vaststaat. Vandaar dat we ook op het christelijke erf vaak ook soortgelijke programma’s tegenkomen. Zou het kunnen dat de farizeeën ook in die verwachting baden? (Luk.18:12). Maar dat wil niet zeggen dat met gebruik van die methoden met betrekking tot geestelijke zaken, in het bijzonder het gebed, succes gegarandeerd is. Een bepaalde ‘structuur’ in het gebed is op zich niet verkeerd en dat vinden we ook in ons Bijbelgedeelte terug. We zien dat ze in een Geest van aanbidding tot de Heer Jezus kwamen (vs.20), ze waren heel specifiek in hun vraag (vs.21), God weet wat wij willen of nodig hebben maar we mogen al onze verlangens aan Hem bekendmaken (Fil.4:6). Een voorbeeld daarvan vinden we in de genezing van de blinde in Jericho. Op de vraag van de Heer Jezus: ‘Wat wilt gij dat Ik u doe?’ komt het antwoord: ‘Heer, dat ik weer kan zien’ (Luk.18:41) De moeder en haar twee zonen baden ook met het oog op een belofte die de Heer eerder had uitgesproken. ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op de troon van zijn heerlijkheid, u ook op de twaalf tronen zal zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen’ (Mat.19:28). Dat was een gebed in het geloof dat de Heer bij machte was te doen wat ze vroegen.

Je zou kunnen zeggen dat Salome en haar twee zonen daarmee voldeden aan alle ‘voorwaarden’ opdat hun gebed verhoord kon worden, maar toch gebeurde het niet. Ze hadden een houding van aanbidding. Hun vraag was duidelijk en gericht. Ze beriepen zich op Christus’ belofte (19:28) en geloofden dat Hij die belofte kon en ging vervullen. Ook waren ze eensgezind in hun vraag. Toch beantwoordde de Heer Jezus hun gebed niet. Waarom niet? Omdat hun relaties met God en anderen niet gezond waren. We kunnen een ‘regel’ voor gebed volgen, maar als onze verhouding met God en met anderen niet is wat ze zou moeten zijn, dan zullen onze gebeden niet verhoord worden (Mat.5:23-24).

In welk opzicht waren hun relaties niet goed? Ten eerste kwam hun verkeerde relatie tot uitdrukking in hun houding ten opzichte van zichzelf en getuigde ze van hoogmoed; ze wilden de eersten zijn (vs.27). Ze kwamen niet zelf tot de Heer Jezus met hun verlangen maar ‘stuurden’ hun moeder. Maar ook hun relatie ten opzichte van de andere tien discipelen was niet juist. Moesten ze hen niet ‘hoger achten dan zichzelf en zien op de belangen van de ander’ (Fil.2:3-4)? Hadden de andere discipelen niet evenzeer recht op een plaats aan de rechter- of linkerhand van de Heer? Ten slotte was hun houding naar de Heer toe niet juist, vanwege het gebrek aan inzicht wat het betekende om ‘te zijn als de Meester’ (Mat.10:25).

Dienen en Heersen

Zoals we hebben gezien, kan het niet hebben van een goede relatie met God en anderen een verhindering zijn voor verhoring van een gebed. Maar niet alleen dat, ook de plaats die men bereid is hier op aarde in te nemen is belangrijk. Dat is wellicht de reden waarom de Heer Jezus tegen hen zei: ‘U weet niet wat u vraagt’ (vs.22) toen de vraag tot Hem kwam of de zonen aan de rechter- of linkerhand van Hem mochten zitten in zijn koninkrijk. De plaats die we in de toekomstige heerlijkheid mogen ontvangen, heeft alles te maken met onze openbaring als discipelen van de Heer hier en nú, want ‘wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn’ (vs.26). Dat is wat ze vermoedelijk niet begrepen hebben.

Bidden is niet onderhandelen met God in de zin van ‘Als wij dit doen, moet U dat doen’. Salome en haar zonen hadden een verkeerd idee betreffende bidden. In plaats van God te zeggen wat Hij voor jou moet doen, is het beter te vragen wat jij voor God kan betekenen. Uw koninkrijk kome, uw wil geschiedde en begin met mij! Bidden om een bevoorrechte plaats – aan Jezus’ rechter- of linkerhand – houdt tevens in dat je bereid moet zijn hier de laagste plaats in te nemen. Het was verstandiger geweest dat Salome, Jakobus en Johannes hadden gezegd: ‘Heer, wat wilt U dat wij doen’, dan te vragen om een bevoorrechte positie. Aan een plaats die verbonden is met gezag (de stammen van Israël richten), gaat een dienende taak vooraf. Een voorbeeld daarvan vinden we in Mattheüs 8 in de ontmoeting van de hoofdman van Kapernaüm met de Heer Jezus, waaruit duidelijk wordt dat de hoofdman kon heersen omdat hijzelf ook onder het gezag van een ander stond. ‘En toen Hij Kapernaüm was binnengegaan, kwam een hoofdman naar Hem toe, die Hem aldus smeekte : Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd en lijdt vreselijke pijn. En Hij zei tot Hem: Ik zal komen en Hem genezen. De hoofdman echter antwoordde en zei : Heer, ik ben niet belangrijk genoeg dat U onder mijn dak binnenkomt, maar spreek slechts met een woord en mijn knecht zal gezond worden. Want ook ik ben een mens onder het gezag van anderen en heb soldaten onder mij; ik zeg tot deze: Ga, en hij gaat; en tot een ander: Kom, en hij komt; en tot mijn slaaf: Doe dit en hij doet het’ (Mat.8:5-8). Gebed geeft ons niet het recht op te klimmen op een troon en anderen bevelen te geven. Gebed is ons beschikbaar opstellen en bereid zijn de laatste plaats in te nemen, zodat God in ons en door ons kan werken om ons voor te bereiden op de hoogste plaats. Zo’n gebed kan het mogelijk maken dat Gods kracht zich zo in onze levens kan manifesteren dat het onze verwachtingen ver te boven gaat. ‘Hem nu, Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, (…)’ (Ef.3:20).

Geven en Ontvangen

Ooit teleurgesteld geweest omdat uw gebed niet beantwoord werd? Of misschien bent u achteraf gezien wel blij dat niet alle gebeden beantwoord werden zoals u had gewenst en gedacht in de tijd dat u voor iets bad? Vaak komt het voor dat God ons gebed niet beantwoordt omdat Hij voor ons iets anders op het oog heeft. Alles krijgen wat je vraagt kan ook nadelige gevolgen hebben. In de woestijn riepen de Israëlieten om vlees, want ‘we krijgen alleen maar dit manna’ zeiden ze. God gaf toe aan hun verlangen en gaf hun wat zij begeerden: ‘De Here zal u vlees geven en gij zult eten’ (Num.11:4-6, 16-20). Hun fysiek lichaam werd verzadigd, maar het deed tekort aan het geestelijk leven, want ‘Hij gaf hun wat zij begeerden, maar henzelf deed Hij wegteren’ (Ps.106:15; Num.11:31-33). Het zou beter voor hen geweest zijn dat zij nooit om vlees gevraagd hadden.

Het kan ook zijn dat God ons gebed niet beantwoordt omdat wij er nog niet klaar voor zijn. De Heer had Jakobus en Johannes de gewenste plaats kunnen geven, maar daar waren ze nog niet klaar voor. God bereidt ons voor voor wat Hij heeft voorbereid (Ef.2:10). Onvoldoende voorbereiding voor een taak kan tot grote mislukking leiden. Hoe vaak horen we niet van gelovigen die een taak op zich namen en een tijd later jammerlijk faalden in hun bediening? Een gezonde geestelijke relatie met de Heer, het zoeken naar zijn wil en je beschikbaar stellen voor een taak in zijn koninkrijk is een goede basis voor een toekomstige taak. Wanneer je bidt voor iemand moet je ook bereid zijn dat jij die persoon bent die hem of haar tot Christus leidt. Vaak ligt de sleutel tot verhoring daarin dat je jezelf beschikbaar stelt. Het verlangen van Mozes om zijn volk te helpen leidde ertoe dat hijzelf tot Farao gezonden werd (Ex.3:10). Nehemia, die begaan was met zijn volk en de noden van Jeruzalem, kreeg zelf de opdracht om te gaan (Neh.1:5-11; 2:11). Hetzelfde patroon vinden we bij Jesaja: ‘Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij’ (Jes.6:8).

Toen Jakobus en Johannes om het voorrecht vroegen om te mogen zitten aan de rechter- of linkerhand van de troon van de Heer Jezus, beseften ze niet welke prijs dat van hen zou vragen. De Heer Jezus liet hen weten dat de weg naar een belangrijke plaats voorbereid wordt door de laagste plaats. ‘Wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn’ (vs.26-27).

Door het verzoek van Salome en haar zonen hebben we een aantal belangrijke elementen voor een succesvol gebed ontdekt. Een beantwoord gebed is niet goedkoop. Wanneer we willen ontvangen moeten we bereid zijn te geven. Een goede relatie met de Heer en anderen is noodzakelijk, want gebed heeft te maken met relaties en niet met regels of methodes. We dienen bereid te zijn om te dienen, alvorens te kunnen heersen. Ons gebedsleven mag niet beheerst worden door een vorm van onderhandelen, ‘als ik dit doe, moet U dat doen’. Integendeel, we dienen te vragen naar zijn wil voor ons leven en bereid zijn om zelf eventueel het middel te zijn waardoor God ons gebed tot vervulling wil brengen, want gebed vereist zowel geven als ontvangen. Wanneer we deze lessen ter harte nemen, kan dat het begin zijn van de vreugde van een beantwoord gebed.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX