Geestelijk Leven

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Verwachtende de gelukkige hoop!

Vijf adviezen voor de Hebreeërs

De Wedloop

De vijanden van de gelovige

De oorlogen van de gelovige

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

‘Verwachtende de gelukkige hoop!’

 

 

 

Inleiding

Futuristen, dat zijn hen die geloven dat de situatie in deze wereld steeds slechter wordt, naarmate de komst van Christus dichterbij komt, worden vaak verweten dat zij een negatief wereldbeeld hebben. Het is waar: futuristen hebben een negatief wereldbeeld, maar een hoopvol toekomstbeeld! Er zijn andere christenen die een positief wereldbeeld hebben, de postchiliasten en/of de preteristen. Dezen gaan ervan uit dat het evangelie steeds meer invloed zal krijgen en dat daardoor de wereld er naar de toekomst toe steeds beter zal gaan uitzien, als voorbereiding van de komst van de Heer Jezus. Gelukkig hebben beide visies dat gemeen, dat men nog gelooft in een komst van de Heer Jezus, maar wat betreft veel andere zaken gaan de wegen uiteen. Om te weten te komen wat waar en niet waar is, zullen we toch die gemeenschappelijke ‘bron’ moeten raadplegen waarop wij onze respectievelijke visies hebben gebaseerd en moeten toetsen, de Bijbel en daar gaan we in dit artikel vanuit.

Dan is er nog een andere groep mensen en dat zijn de ongelovigen. En voor wat betreft die groep kunnen we in het algemeen toch wel zeggen dat ze met vrees de toekomst tegemoetzien. Met beroep op de Bijbel zou ik zeggen dat dat de mensen zijn ‘die het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen zullen’ (Luk.21:26). Ze hebben uiteraard geen theologisch onderbouwde mening, maar ze zijn wel bezorgd over de toekomst van deze planeet. We hebben de laatste tijd dan ook al heel wat demonstraties gezien waardoor deze groep hun zorg voor wat betreft het klimaat en milieu, naar de politici toe, hebben duidelijk gemaakt.

Mijn mening is, dat voor gelovigen, een negatief wereldbeeld en een hoopvol toekomstbeeld best kunnen samengaan, sterker nog, dat zo’n beeld overeenkomt met de Bijbelse gegevens.

Wereldsituatie

De laatste decennia, of misschien beter, sinds de Club van Rome haar rapport ‘De grenzen aan de groei’ had uitgebracht in 1972, heeft dat rapport ervoor gezorgd dat het milieu wereldwijd op de politieke agenda kwam te staan. De mensheid is dan ook vanaf die tijd overspoeld met allerlei negatieve effecten die onze wereld bedreigen. Nu, zevenenveertig jaar later is het dagelijkse kost. We worden geconfronteerd met berichten over de opwarming van de aarde, het smelten van de ijskappen, het stijgen van de zeespiegel, wat leidt tot overstromingen en erosie, verandering van het klimaat, het opraken van olie- en gasvoorraden, overbevolking, hittegolven of langdurige droge periodes wat hongersnood en milieu-emigratie in de hand werkt, en ga zo maar door. Toename van het aantal conflicthaarden in de wereld en daarmee gepaard gaande de wapenwedloop en een crisissen van humanitaire aard, want 1 op 122 mensen is vluchteling, ontheemd of asielzoeker. Wereldwijd zijn 60 miljoen mensen op de vlucht voor oorlog, geweld of vervolging, ongezien sinds de Tweede Wereldoorlog. Een recent en zeer zichtbaar gevolg daarvan zijn de vluchtelingen die een veilig onderkomen proberen zoeken in Europa. Een Europa dat er maar niet in slaagt om een afdoend antwoord te bieden op deze humanitaire crisis. Verder denken we nog aan de al jarenlange toename van spanningen in het Midden-Oosten. En zo zouden nog verder kunnen doorgaan met het vermelden van dergelijke problemen. Het is dan ook niet vreemd dat veel mensen, (ongelovigen) met zorg en angst de toekomst tegemoet zien, en als het henzelf (nog) niet treft dan toch zeker de kleinkinderen… Ja, waar gaat het met deze wereld naar toe? De ongelovigen weten het niet want ‘zij kennen de gedachten des Heren niet’ (Micha 4:12). De Schrift spreekt in de brief aan de Romeinen van het ‘zuchten van de schepping, en ik ben geneigd te denken dat het ‘zuchten’ heen wijst naar een schepping in barensnood, zoals we dat nu al beginnen te ervaren (Rom.8:22). Dat lijkt negatief, maar ‘barensnood’ wil ook zeggen dat er iets nieuws op komst is: een nieuwe hemel en aarde waarop gerechtigheid woont!

De optimisten (de achiliasten of preteristen)

Je moet wel een groot geloof hebben wanneer je vanuit je theologische visie ervan uitgaat dat het met de wereld steeds beter zal gaan, en dat het christendom steeds meer invloed zal gaan krijgen, want als ik de krant lees of het nieuws op de TV volg twijfel ik daar ernstig aan. Het ‘vooruitgangsgeloof’, de opvatting, gedachte of wens dat aan de menselijke samenleving, de wereld, of de werkelijkheid als zodanig een proces ten grondslag ligt dat zich door de tijd heen ontwikkelt naar hogere stadia van volmaaktheid, heeft ná de eerste wereldoorlog, en nog sterker ná de tweede wereldoorlog, aan geloofwaardigheid verloren.De theologische basis waarop ‘de optimisten’ zich baseren is ten diepste het gevolg van hun verwerping van de idee van een werkelijk toekomstig rijk van Christus: een duizendjarig vrederijk. Maar als je dat verwerpt zul je het ergens anders moeten plaatsen en sommigen zien dat rijk ook nu al gerealiseerd, of men vergeestelijkt het tot de vrede van Christus die in het hart van de gelovige aanwezig kan zijn. Vooral na de komst van Constantijn de Grote in 312 n.Chr. kwam die gedachte op, die werd versterkt door het onderwijs van Augustinus, in zijn boek ‘De Stad of het rijk Gods’ (420). Die idee was begrijpelijk gelet op de toenmalige omstandigheden, waar na vele eeuwen vervolging een periode van vrede, voorspoed en verandering aanbrak voor de christenen. Maar het was een theologie gebaseerd op omstandigheden en niet op de Schrift. Het geloof in een toekomstig 1000-jarig vrederijk is verworpen door zowel de Roomse- als de Protestante kerken. Calvijn schreef… ‘een weinig later zijn de chiliasten gevolgd, die het Rijk van Christus beperkt hebben tot duizend jaren. Maar hun verzinsel is te kinderachtig dan dat het weerlegging nodig zal hebben of waardig zijn’. Geen echte argumenten alleen maar denigrerende opmerkingen, en om het met Calvijns eigen woorden te zeggen: ‘die zijn ook geen weerlegging of waardering waardig’. De Lutheranen verwierpen het chiliasme formeel in artikel XVII van de Augsburgse confessie: Bedoeld wordt de heerschappij van Christus en het Vrederijk. Hoe dan ook om vandaag te geloven dat het Vrederijk nu al is aangebroken, daarvoor heb ik het ‘geloof’ niet, en zeker niet om te geloven dat de satan gebonden zou zijn. Iemand heeft ooit eens gezegd: ‘Er zijn er die geloven dat de satan gebonden is, maar dan is hij wel gebonden aan een heel lange ketting…!’ Hij las de krant naast de Bijbel!

De negatieven (de futuristen of chiliasten)

Dat zijn hen die geloven en denken dat een negatief wereldbeeld best gepaard kan gaan met een positieve toekomstverwachting. Stephen Hawking, de in 2018 overleden natuurkundige, kosmoloog en wiskundige, heeft eens gezegd ‘dat de toekomst van de mens in de ruimte ligt’, en dat ben ik helemaal met hem eens. Ik zal zeker wel wat anders bedoelen dan hij, want mijn toekomst is bij Christus in zijn heerlijkheid en niet op aarde (Joh.14:3; 17:24). Ja, ik geloof in een wereld waarin geweld en ongeloof steeds meer zullen toenemen, en ja, ik geloof in een spoedige komst van Christus, en ik meen dat ik de Schrift aan mijn kant heb. Ik noem enkele bijzonder unieke gebeurtenissen die alle plaats hebben gevonden ná de Tweede Wereldoorlog en in onmiddellijk verband staan met de aanstaande komst van Christus. (1) De uitroeping van de staat Israël in 1948. (2) Het ontstaan van de Europese Unie dat een mogelijke voorloper is van een hersteld Romeins rijk dat door de profeet Daniël is voorzegt. (3) Het onder Israëlisch bestuur brengen van Oost-Jeruzalem in 1967. (4) Het fenomeen van de Messias-belijdende christenen, vooral ná 1967. (5) Het verval van het christendom, vooral in Europa, zowel in kwantiteit als kwaliteit. Laat we een paar voorbeelden uit het Oude Testament bekijken, gebeurtenissen en personen die door de Heer Jezus worden aangehaald in verband met zijn komst in de toekomst.

Het getuigenis van Noach Laten we beginnen met Noach die leefde in de ‘toenmalige wereld’, zoals Petrus die wereld duidt van vóór de zondvloed, of de ‘oude wereld’, ‘de wereld van de goddelozen’ (2Petr.2:5, 3:6). De Heer Jezus, gebruikt de situatie van die tijd om aan te geven dat het ook zo zal zijn wanneer Hij zal komen. Het oordeel stond voor de deur maar de mensen ‘waren etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend’, met andere woorden ze leefden alsof er niets aan de hand was en hadden geen gehoor gegeven aan de prediker van de gerechtigheid, Noach (2Petr.2:5). Zij merkten het daarom ook niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam (Mat.24:39). Het getuigenis van de Schrift laat niets aan duidelijkheid te wensen over hoe het er in Noachs wereld toeging: ‘Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb’ (Gen.6:5-7, 11-12). Het mag duidelijk zijn dat Noachs wereldbeeld negatief was: ‘hij zag de bui al hangen!’, maar hij had ook goede hoop want hij had genade in de ogen des Heren gevonden (Gen.6:8). Want de Here ging een watervloed over de aarde brengen, om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is zal omkomen. Maar God had met hem een verbond opgericht, hij moest een ark bouwen, waardoor hij behouden zou worden.

Het getuigenis van Lot: ‘Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden’ (Luk.17:28-30). Ook Lot zal een negatief beeld gehad hebben over de wereld waarin hij leefde, hij kwelde zijn ziel (2Petr.2:8), maar zijn verwachting was positief, hoe zwak zijn geloof en getuigenis als gelovige ook was (Gen.19:12-29). Lot ontkwam aan het oordeel omdat de Here hem wilde sparen en door het gebed van Abraham (Gen.19:16, 27-29).

De les van de vijgenboom: De Heer Jezus verwijst ons in zijn eindtijdrede bovendien nog op de gelijkenis van de vijgenboom dat ook rechtstreeks in verband staat met zijn aanstaande komst (Mat.24:32-35; Luk.21:29-31). Naast een wijngaard mogen we in de vijgenboom het beeld van het volk Israël zien. (Jer.8:13; Hos.9:10; Nah.3:12). Vooral het evangelie van Lukas is zeer verhelderend in dat verband. ‘En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Ziet de vijgenboom en alle bomen. Wanneer zij al uitlopen en u dit ziet, dat weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is. Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat alles is gebeurd. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Luk.21:29-33). De vijgenboom en alle bomen. Als de vijgenboom Israël is dan moeten we bij de andere ‘bomen’ wel aan de volken denken die rondom Israël zijn ontstaan in de twintigste eeuw, zoals Libanon (1943), Jordanië (1921), Syrië (1961), Iran (1979) en Irak (1932); stuk voor stuk vijanden van Israël (Jer.12). Als deze uitlopen zegt de Heer Jezus dan is de zomer nabij, dat wil zeggen een nieuw begin is aanstaande. Het is een negatief idee, het ontstaan van de vijanden van Israël, maar het positieve is dat de zomer, een nieuw begin, aanstaande is. Hetzelfde zien we in de beschrijving van de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen waarin hij spreekt over het zuchten van de schepping maar hij vergelijkt het met de barensnood van een vrouw en dat duidt op een nieuw begin! (Rom.8:19-23).

Tenslotte

Naarmate de tijd vordert zullen we meer en meer geconfronteerd worden met een wereld die steeds verder verzinkt in allerlei ellende, maar voor de gelovigen is er een positief einde. ‘En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van zee (een beeld van de volken – Jes.17:12) en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij (Israël) de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met kracht en grote heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij’ (Luk.21:25). De verlossing voor de gelovigen die nú leven is de Opname, voor Israël Jezus’ komst in heerlijkheid op aarde na de Grote Verdrukking.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Vijf adviezen voor de Hebreeërs

 

 

Inleiding

God spreekt! Indrukwekkend. Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst der dagen tot ons gesproken in Zoon. God spreekt, daarmee begint deze brief en eindigt hij (1:1; 12:25). Spreken in onze tijd doet God hoofdzakelijk door zijn Woord, echter wel met de vermelding dat we andere mogelijkheden nooit uit mogen sluiten. De vraag is: Luisteren en gehoorzamen wij wanneer Go tot ons spreekt? Laten wij daarom kennisnemen van Gods woord en ‘laat het woord van Christus rijkelijk in u wonen’ (Kol3:16).

Waarom is dat Woord zo belangrijk? Het is wel zeker dat niemand meer de belangrijkheid van het Woord van God heeft geweten dan de Heer Jezus. Hij, Die heeft kunnen zeggen: ‘Uw wet is in mijn binnenste’ (Ps40:9). En als de Heer Jezus het Woord van God voor zo belangrijk hield hoeveel temeer hebben wij het nodig ons met Gods Woord te voeden! Maar louter het lezen van de bijbel is niet voldoende! Het Woord van God is het middel waardoor wij tot een betere en diepere kennis van Christus dienen te komen, omdat het in de al de Schriften om Hem gaat! (Joh.5:39-40; Luk.24:24:27,44; Hand.13:27; 1Petr.1:11).

Door dat woord zijn we tot wedergeboorte gekomen en het is niets meer dan normaal, dat we als pasgeboren kinderen daarnaar verlangen om zo op te groeien in de genade en kennis van de Heer Jezus (1Petr.1:23; 2:1-2; 2Petr.3:18). Door onze wedergeboorte zijn we in een relatie gekomen met Christus en deze relatie dient onderhouden te worden wil het goed zijn, en daartoe is de toepassing van het Woord van God in ons leven noodzakelijk.

De vijf, hieronder aangehaalde aansporingen, staan allemaal in relatie tot het ‘spreken van God’ tot ons, dus door zijn Woord tot en voor ons. De schrijver wilde de gelovigen van toen, die in erg moeilijke omstandigheden leefden bemoedigen, om vast te houden aan het Woord, en wil dat het zoveel eeuwen later ook voor ons zo mag zijn.

Niet afdrijven - Luister naar het Woord (Hebr.2:1-4)

Dit is de eerste van de vijf aansporingen voor gelovigen en het roept op om aandacht te schenken aan wat God tot hen zegt in zijn Woord. Het gevaar was reëel aanwezig dat de Joodse gelovigen, waaraan de brief van de Hebreeën gericht was, zouden kunnen afdrijven naar de Wet die door engelen gegeven was (Gal.3:19). Christus’ woord van behoudenis was beter en stond boven de Wet, Hij was immers méér dan de engelen, en Gods laatste woord? (1:1, 5-14). In de oudtestamentische tijden rekende God af met hen die ongehoorzaam waren aan zijn Woord. God verwachte gehoorzaamheid aan zijn woord en als dat niet gebeurde volgden er allerlei sancties. Het hoofdstuk over de zegen en de vloek spreekt daarover in duidelijke bewoordingen (Deut.28). Het gaat hier niet over het Woord verwerpen maar veronachtzamen, of met andere woorden negeren (vs.3) waardoor we het gevaar lopen af te drijven. Afdrijven van het woord doet denken aan: ‘Van de koers afraken.’ Van Dale zegt: ‘door de werking van stroom of wind dwars uit de gestuurde koers gedreven worden’, of wat het nog duidelijker maakt in ons geval: ‘met de stroom afdrijven, met de tijdgeest meegaan.’ Door af te drijven gaat u het doel missen. Er zijn meerdere oorzaken te noemen waardoor wij van onze koers af kunnen raken, maar in deze verzen gaat het erom dat we vasthouden aan het Woord van de Heer dat bevestigd is door hen die het gehoord hebben terwijl God bovendien meegetuigde. In deze laatste dagen hebben wij een nog grotere verplichting om te luisteren, omdat wij de gehele Schrift tot onze beschikking hebben en de volledige openbaring van God in Jezus Christus. Maakt u ernst met wat God tegen u zegt, want als het woord door de engelen gesproken vaststond en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, hoe zullen zij ontkomen als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen?

Niet afvallen - Geloof het Woord (Hebr.3:7-4:13)

‘Elf dagreizen is het van Horeb in de richting van het gebergte Seïr tot Kades-Barnea.’ (Deut.1:2) Toch hebben de Israëlieten er veertig jaar over gedaan om in het beloofde land te komen! Waardoor? Door ongeloof! Ze kenden de beloften van God maar geloofden het niet (Ex.2:17; Deut.1:22). Eeuwen later vinden we nakomelingen van de Israëlieten in de persoon van Overpriesters en Schriftgeleerden, in een identieke situatie, bijvoorbeeld toen de wijzen uit het oosten door Herodes gevraagd werden waar de Christus geboren zou worden. De Schriftgeleerden wisten exact te zeggen waar dat was, maar ze gingen niet samen met de wijzen op weg om Hem te aanbidden! (Mat.2:3-5). Wat voor een afstand ligt er bij ons tussen kennen en doen?

Hoe anders zou het gegaan zijn wanneer het volk naar Jozua en Kaleb geluisterd hadden, een lange reis van veertig jaar door de woestijn met als de problemen die dat met zich mee heeft gebracht, waren dan voorkomen geweest. Ondanks dat God het volk op een wonderlijke manier uit Egypte had verlost waren ze niet geneigd Hem te gehoorzamen en God op zijn woord te geloven. De oorzaak? Hun hart! Psalm 95:7-11 laat ons heel duidelijk de geestelijke gezindheid van het volk zien. ‘Och, of gij heden naar zijn stem hoordet! Verhardt uw hart niet, gelijk bij Meriba, gelijk ten dage van Massa, in de woestijn, toen uw vaderen Mij verzochten, Mij op de proef stelden, ofschoon zij mijn werk hadden gezien. Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht, Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijn wegen niet’. Vandaar dat de auteur van de brief aan de Hebreeën de gelovigen oproept en waarschuwt met de woorden: ‘Kijkt u uit, broeders, dat niet misschien in iemand van u een boos, ongelovig hart is, om af te vallen van de levende God’ (vs.12).

Niet traag worden - Groeien in het Woord (Hebr.5:11-6:1)

‘Van deze flauwe spijs walgen wij’, zeiden de Israëlieten tegen Mozes in de woestijn. Deze flauwe spijs was het manna, een beeld van Christus (Joh.6:32-35). Groeien doen we als we ons met de Heer Jezus bezighouden (2Petr.3:18). De Hebreeërs waren traag geworden, ze warengeworden als zij die melk nodig hadden, dat duidt op een stilstand, ja, nog erger op achteruitgang (5:11,12). Stilstand of achteruitgang maakt dat men bepaalde zaken uit Gods Woord niet meer kunnen begrijpen, men is onervaren in het woord van de gerechtigheid, waardoor men bestempeld kan worden als ‘kleine kinderen in het geloof.’ Hoe was dat gekomen? Was dat doordat er zonde in hun leven was? In elk geval was hun uiterlijke houding een beeld van hun innerlijke.

Jakobus zegt dat we traag moeten zijn om te spreken en traag tot toorn, maar ‘snel moeten zijn om te horen’ (Jak.1:19). De Emmaüsgangers waren traag in het horen en geloven: ‘O onverstandigen en tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten hebben gesproken’ (Luk.24:25). Omdat ze traag van hart waren hadden ze veel gemist en verstonden ze de dingen die gebeurt waren niet. Omdat de Hebreeërs traag waren geworden in het horen waren ze afgedaald tot het niveau van een klein kind, terwijl ze naar de tijd leraars hadden moeten zijn. Daardoor kon de apostel Paulus ze niet voeden met vast voedsel; dat betrof het dieper onderwijs betreffende Christus (5:11). Ook de gelovigen in Korinthe waren van hetzelfde kaliber, namelijk kleine kinderen in het geloof (1Kor.3:1-3). Het vaste voedsel is voor volwassenen die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel het goede als het kwade te onderscheiden (vs.14). Paulus roept de gelovigen op om de eerste beginselen te laten rusten om verder te gaan met het volkomene. Dit derde advies wordt afgesloten met de oproep ‘Om ijverig te zijn en niet traag te worden maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven (6:12).

Het Woord niet verachten -Eerbied voor het Woord (Hebr.10:26-39)

Ik weet niet of het u is opgevallen maar de volgorde van de adviezen worden steeds ernstiger! Van het afdrijven van het woord, ging het over het afvallen ervan, dan de traagheid van het geloven in het woord en nu het gevaar het woord te verachten!

De wijze waarop God in het Oude Testament de zonde strafte was ernstig. Als iemand de wet van Mozes overtrad stierf de overtreder zonder ontferming. David pleegde een opzettelijke zonde, ‘met opgeheven hand’, door overspel te plegen met Batseba! Voor deze zonde bestond er geen offer die de schuld kon wegnemen. Vandaar dat David in Psalm 51 dan ook een beroep doet op Gods genade! Hij had geen rekening gehouden met Gods Woord en raakte daardoor in grote problemen. David raakte door zijn zonde buiten de gemeenschap met God. Ook hier vergelijkt de schrijver van de Hebreeënbrief weer het heden met het verleden, als hij zegt: ‘Hoeveel zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden… (10:29). Het mag niet zo zijn dat wij het woord verachten, juist tegenovergesteld! Ook al leven we in de tijd van genade dat wil niet zeggen dat we met Gods woord een loopje mogen nemen. Ook wij kunnen vallen in de handen van de levende God en door Hem getuchtigd worden. Lees daarvoor hoofdstuk 12:4-11, 1Joh.5:16 en 1Kor11:30!

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar het verleden (‘herinnert u de dagen van vroeger’), het heden (‘wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan…’) en de toekomst (‘werpt uw vrijmoedigheid niet weg’). Hoe moeilijk het leven als gelovige ook kan zijn (vs.32-34), blijven doorgaan is de moeite waard, want nog een zeer korte tijd en Hij die komt zal komen en niet uitblijven. Opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben (Rom.15:4).

Waarschuwing tegen ongehoorzaamheid - Gehoorzaam het Woord (Hebr.12:12-29)

Het vijfde en laatste advies is ook het langste. God spreekt tot ons, dus laten we het woord van de vermaning verdragen’ (Hebr.13:22) en Hem die spreekt niet afwijzen’ (Hebr.12:25).

Het kernwoord is genade (vs.15, 28) en met Israël als (negatief) voorbeeld wil de schrijver ons opwekken ‘de genade vast te houden en God te dienen (vs.28). Je zou eigenlijk het hele hoofdstuk moeten lezen, maar dat voert ons te ver, dus houden we het bij enkele verzen uit dit hoofdstuk. Het hoofdstuk gaat over de wedloop en ik geef de vier volgende vier punten weer, die nuttig kunnen zijn mocht het onderweg, tijdens die wedloop, moeilijk worden. Wanneer tucht de gelovige treft kan die op meerdere manieren daarop antwoorden, hij kan zich ertegen verzetten, bezwijken, of zelfs zijn wandel opgeven. Daarom is het belangrijk we in tijden van lijden zien op…

(1) De Heer Jezus (vs.1-11) want Hij is de overste leider en voleinder van het geloof en we worden opgeroepen te zien op Hem, opdat we niet moe en in ons zielen zouden bezwijken. (2) We kunnen naar het verleden kijken (vs.12-17) opdat er bij ons geen wortel van bitterheid mag ontstaan, en de les leren van Esau, die een ongoddelijke genoemd wordt. (3) We kunnen naar boven kijken (vs.18-27) tot de gemeente van de eerstgeborenen die in de hemelen staan opgeschreven, en (4) vooruitzien (vs.27-29) om God te dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag!

Besluit

Nu, aan het einde gekomen van dit artikel, begrijpt u waarom het zo belangrijk is, en steeds belangrijker wordt, vast te houden aan het Woord van God, de Bijbel. Ik hoop dat u, zoals vroeger de gelovigen in Thessaloniki, ‘het woord van de prediking van God hebt ontvangen, niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods woord (1Thes.2:13). De laatste decennia worden we geconfronteerd met allerlei theorieën en valse leringen die de toetst van Gods woord niet kunnen doorstaan. Ik denk aan die theorie dat God niet meer als de Schepper erkent, als de God die sprak en het was er, en die gebood en het stond er (Ps.33:9), maar als een God die de evolutie nodig had om tot zijn schepping te komen. Een theorie die verwerpelijk is en God degradeert en het klare getuigenis van de Bijbel verwerpt. Een theologisch onderwerp dat de laatste tijd sterk in de belangstelling staat is het zogenaamd preterisme, de verfoeilijke hype, zoals iemand het heeft geduid, die inhoudt dat alle profetieën over Israël en over de wederkomst van Christus reeds vervuld zouden zijn in het jaar 70. Hun specifieke gedachtengoed bestaat er onder meer uit dat de opstanding heeft plaatsgevonden en dat er geen toekomstige gebeurtenissen meer te verwachten zijn, geen Opname, geen antichrist, geen Grote Verdrukking, geen 1000-jarig Vrederijk. Ook uit het Evangelisch midden hoorde ik onlangs dat er tijdens een jongerenweekend gezegd werd: dat het Nieuwe Testament ‘niet voor ons geschreven was, maar dat we er wel lessen uit mochten trekken!’ Naarmate de tijd vordert zullen we er gewoon aan moeten raken dat er meer en meer valse leer naar voren gebracht zal worden, totdat de tijd aanbreekt dat ze de leugen zullen geloven en dat ze die zullen aannemen die komt in zijn eigen naam, de antichrist (Joh.5:43; 2Thes.2:12). Ik hoop dat u niet bij die mensen hoort!

Daarom: ‘Kijkt u uit dat u Hem die spreekt, niet afwijst’, (12:25) drijf niet af, blijf geestelijk niet achter, zorg dat er geen stilstand ontstaat, volhard in je geloof en gehoorzaam het Woord.

‘Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen, en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden’ (2Tim.4:3-4). 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

De Wedloop 

Hebreeën 11-12

 

 

 

‘Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die ons licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij zien op Jezus’ (Heb.12:1)

Inleiding

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat mijn vrouw en ik ons hebben laten dopen en dan heb je wel eens van die momenten dat je terugkijkt op het gedeelte van de wedloop die achter je ligt en vooruitkijkt naar de finish die voor je ligt. Daarbij vragen wij ons dikwijls af waar al die anderen gebleven zijn die ook met ons die ‘renbaan’ zijn opgestapt? Veel medebroeders en zusters zijn we, door allerlei omstandigheden in de loop van de jaren uit het oog verloren, van anderen weten we dat ze ons zijn voorgegaan en nu bij de Heer zijn. Maar er zijn er ook veel waarvan we niet weten hoe hen met hen gaat. ‘Lopen’ ze nog, zijn ze gestruikeld, hebben ze een verkeerde baan genomen of, wat we niet hopen, hebben ze misschien opgegeven? En als ze hebben opgegeven wat is dan daarvan de oorzaak? Ja, waarmee dien je rekening te houden als je aan een wedloop deelneemt, wat zijn de gevaren en waar dien je op te letten? We willen toch allemaal de finish halen, en het liefst op een zo goed mogelijke wijze? Daarbij wil dit artikel voor u een hulp zijn door u een aantal tips te geven.

Na de uittocht uit Egypte leidde God het volk de woestijnweg op naar de Schelfzee. De Egyptenaren achtervolgden hen en haalden hen in. Toen de Israëlieten dat zagen schreeuwden zij tot de Here. De reacties waren verschillend het volk wilde terug naar Egypte, Mozes wilde blijven waar hij was, maar God zei: ‘Zeg tot de Israëlieten dat zij optrekken’ (Ex.14). Terugkerend naar het Bijbelgedeelte dat voor ons ligt – Hebreeën 11 en 12 - moeten we bedenken dat de schrijver de gelovigen wilde waarschuwen om niet terug te keren naar het Judaïsme (6:6; 10:29), bemoedigen niet op te geven in tijd van strijd (10:32-35) en hen aan te sporen om door te gaan (6:1). De ‘wolk van getuigen’ in Hebreeën 11 hadden ook ‘tijd om terug te keren’ maar het bleken ‘echte’ Hebreeërs te zijn d.w.z. ‘door-trekkers’ (11:15-16). In Hebreeën 11 en 12 vestigt de schrijver de aandacht op een aantal punten die belangrijk waren voor de gelovigen van toen, maar waar ook wij ons voordeel mee kunnen doen, in onze wedloop. Laten we hun voorbeeld volgen, want ‘dit is overwinning die de wereld overwonnen heeft, ons geloof’ (1Joh.5:4).

Twijfel je of je het einde wel kunt halen? Let op de winnaars. (12:1 a)

‘Toen Paulus de broeders zag dankte hij God en vatte moed! (Hand.28:15)

Ja, als je steeds op de wind let zal je niet zaaien, en als je steeds naar de wolken kijkt zal je niet maaien (Pred.11:4), met andere woorden, je moet leren te leven door geloof. Geloof in God die, als Hij een goed werk in jou is begonnen dat ook kan voltooien (Fil.1:6). Dat staat niet los van uw persoonlijke verantwoordelijkheid, dat begrijpt u wel. We worden dan ook aangespoord om met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven (Hand.11:23). Gelovigen worden opgeroepen om elkaar te helpen (Heb.10:24) dus als u toch nog twijfelt aan de goede afloop kijk eens naar de winnaars van hoofdstuk 11! Denk eens aan Abel, wat had hij niet voor problemen in zijn gezin? Zijn broer Kaïn stond hem naar het leven en doodde hem uiteindelijk. En denk eens aan Noach als je niet serieus wordt genomen of misschien wel bespot! Hij kreeg weinig gehoor toen hij een ark bouwde waardoor men aan het oordeel kon ontkomen. De mensen waren veel te druk bezig met de dingen van de wereld, etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend om zich om het geroep van Noach in te gaan. En zij merkten het niet eens op, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam. En heeft Abraham het niet moeilijk gehad toen hij Ur der Chaldeeën achter zich liet zonder te weten waar hij terecht komen zou! Hij ging een onzekere toekomst tegemoet, maar door het geloof gehoorzaamde Abraham. En als je slecht behandeld wordt denk dan eens aan Jozef, wat heeft hij niet allemaal moeten meemaken? Door zijn broers werd hij slecht behandeld en verkocht naar Egypte. Vals beschuldigd door de vrouw van Potifar waardoor hij in de gevangenis geraakte. En wat te denken van Mozes? Hij gaf er de voorkeur aan met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde. Misschien moet u ook wel eens, net als Mozes, een keuze maken voor God en nee zeggen tegen iets anders. En als je het niet meer ziet zitten en dreigt te bezwijken let dan eens op de Heer Jezus, opdat u niet moe wordt en bezwijkt. 

Hebben anderen de schuld? Let op je zelf. (12:1 b)

‘Wat gaat het u aan. Volg jij Mij’ (Joh.21:22).

Als onze wedloop moeilijk wordt hebben we vaak de neiging anderen de schuld daarvan te geven. Of we wijten het aan de omstandigheden of, in het ergste geval, aan God! Maar zou het kunnen zijn dat de oorzaak van onze problemen bij onszelf ligt? De wedloop is een individuele sport, geen groepssport, dat wil zeggen dat je je persoonlijk dient voor te bereiden op de race! Paulus zegt op een andere plaats: ‘En ieder die aan een wedstrijd deelneemt, onthoudt zich in alles’ (1Kor.9:25). In vers 27 spreekt hij verder over het lichaam kastijden, dat is straffen, pijnigen, geselen, en het lichaam tot slavernij brengen, dat is het lichaam onder je gezag plaatsen. Wat wordt bedoeld met het woord ‘omstrikt’ in de zin ‘de zonde die ons licht omstrikt? (Heb.12:1). Anderen vertalen: ‘De zonde, die ons zo licht in de weg staat’ dat brengt ons al iets verder. Beroepssporters die de top willen bereiken dienen over een grote mate van zelfdiscipline te beschikken en bereiden zich terdege voor. Goede aangepaste voeding, training, conditie opbouwen en een goede geestelijke conditie zijn noodzakelijk. Als het in de sportwereld zo belangrijk is om je goed voor te bereiden op de race hoeveel te meer op de wedloop van de gelovige! Dus doe al het mogelijke en doe de dingen die je ‘omstrikken’ weg uit je leven opdat je je loop kan volbrengen (Hand.20:24). Geef daarom acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen’ (1Tim.4:16). De apostel kon aan het eind van zijn ‘wedloop’ zeggen: Ik heb de goed strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden’ (2Tim.4:7). Ik hoop het voor u ook!

Ben je de weg kwijt? Let op je eigen baan. (12:1 c)

‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.16:25)

In alle loopwedstrijden in banen moet iedere deelnemer in de baan blijven die hem werd toegewezen en dit van start tot aankomst, dat is het algemeen reglement in de sportwereld. Alle gelovigen hebben een eigen ‘baan’ die hem of haar door God is toegewezen en er is geen één baan gelijk. De weg van Johannes is anders dan die van Petrus (Joh.21:19-22). In die toegewezen baan moeten we blijven van het begin tot het eind, we mogen daarvan niet afwijken. Henoch was iemand die vanaf zijn roeping totdat hij werd opgenomen met God had gewandeld: ‘Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen (Gen.5:21-24). In die wedloop – die vóór ons ligt – is het mogelijk dat we op allerlei manieren door andere medelopers gehinderd worden en van onze baan moeten afwijken. Maar het kan ook voorkomen dat we zelf afwijken en proberen voordeel tijdens de race te behalen door een andere baan te nemen dan mogen we een correctie verwachten. ‘En wanneer gij rechts of wanneer gij links zoudt willen gaan, zullen uw oren achter u het woord horen: Dit is de weg, wandelt daarop’ (Jes.30:21). We mogen misschien geneigd zijn om van onze baan af te wijken, maar dan moeten we wel bedenken dat Gods weg de beste is (Ps.18:31). En als we niet meer weten hoe wij onze loop op een juiste wijze kunnen beëindigen dan wijst God mij een weg als ik zelf geen uitkomst zie. Langs wegen die geen mens bedenkt, maakt Hij mij zijn wil bekend. We moeten onze wedloop zó lopen dat we de prijs ontvangen, dus volgens de regels (1Kor.9:4).

Zie je het niet meer zitten? Let op de Heer Jezus, Hij kan helpen. (12:2-3)

‘Wij weten niet wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd’ (2Kron.20:12)

Wie ooit weleens een wedloop heeft gehouden weet dat je in het begin niet te hard van stapel moet lopen en je krachten moet verdelen, wil je de streep halen. Het einde kan nog ver zijn en het einde nog lang niet in zicht dan kan je aan kracht tekort komen waardoor je de moed verliest. De Heer Jezus zag op de vreugde die voor Hem lag. Hij keek uit naar die dag dat Hij ons onberispelijk voor zich zou stellen met vreugdegejuich. Hij keek niet uit naar het kruis ook keek Hij niet om zich heen op de schande of de tegenspraak van de zondaars, nee, Hij keek vooruit! Hij wist dat Hij eerst door lijden zijn heerlijkheid kon binnengaan, het lijden dat over de Christus zou komen en van de heerlijkheden daarna (Luk.24:26; 1Petr.1:11). Vanaf het moment dat Hij in deze wereld kwam heeft de Heer tegenstand ervaren, en hoewel Hij Zoon was heeft Hij gehoorzaamheid geleerd (=ondervonden) uit wat Hij geleden heeft (Heb.5:8). Ook wij moeten leren te zien op wat voor ons ligt in het geloof ‘dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). Jozef zag vooruit naar de terugkeer naar de hereniging van zijn familie, Abraham verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is. Mozes zei nee tegen de schatten van Egypte en hij zag op de beloning. Mozes bleef standvastig als zag hij de Onzichtbare! Terwijl wij zien op Jezus! Hoe kunnen wij dat doen? Door het Woord van God te nemen, waardoor we Christus mogen zien zitten aan de rechterzijde van de troon van God. ‘Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem lief; hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, verheugt u zich in Hem met een onuitsprekelijke vreugde’ (1Petr.1:8). Eenmaal komt die dag dat we met de woorden van de profeet Jesaja kunnen zeggen: ‘Mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen gezien’ (Jes.6:5). De volgende keer wanneer u het moeilijk hebt en het niet meer zit zitten, vestig dan uw aandacht op de Heer Jezus, Die om de vreugde die vóór Hem lag alles heeft verdragen! ‘Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen’ (Heb.10:36).

Is correctie nodig? Let op de tuchtiging. (12:4-13)

‘Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des HEREN niet’ (Spr.3:11-12).

Ja, de zonde die ons licht omstrikt! Het kan iedereen overkomen dat hij of zij van de baan afwijkt, ik bedoel dat er iets in ons leven gebeurt waardoor de relatie met God en de Heer Jezus verstoord wordt. Als we dan zelf niet ingrijpen zal God dat moeten doen, want Hij heeft ons lief en die Hij liefheeft tuchtigt Hij. ‘Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des Heren niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing. Want de Here bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft’ (Spr.3:11-12). Tuchtiging door God, heeft tot doel dat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen. Tuchtiging moeten we niet interpreteren als straf; God straft zijn kinderen niet! Tuchtiging kun je ook vertalen met discipline, training van een kind. Zoals in de antieke wereld de jongens al heel vroeg naar het gymnasium gingen om getraind te worden voor hun latere leven. Ze werden voorbereid op hun volwassenheid. Ook ons leven als gelovige moet voorbereid worden op de volwassenheid. Maar tuchtiging is niet direct een reden tot vreugde maar vaak voor droefheid en daarom bestaat de kans dat het wordt afgewezen of bezwijken we eronder, dan mist het zijn doel. We moeten leren de tuchtiging van God te verdragen en beseffen dat het tot ons nut is. God behandeld ons niet als kinderen, maar als zonen, dat getuigt van volwassenheid. ‘Want allen die door de Geest van God geleid, die zijn zonen van God’ (Rom.8:14). Veel gelovigen hebben allerlei omstandigheden moeten ondergaan die achteraf bezien zeer effectief zijn gebleken voor hun verdere geestelijk leven. We denken maar aan Jozef die achteraf kon zeggen: ‘Want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden’ (Gen.45:5, 7). En Hizkia kon zeggen: ‘Zie, mijn bittere beproeving werd tot heil’ (Jes.38:17). We moeten niet te gauw nee zeggen tegen ongewenste gebeurtenissen in ons leven, maar geloven dat God daarmee een bedoeling heeft. ‘Alle dingen, ook de minder prettige, werken mee ten goede voor hen die God liefhebben (Rom.8:28). Amen?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

‘De vijanden van de gelovige’

 Jakobus 4

 

Inleiding

Ik ben de overtuiging toegedaan dat veel gelovigen een verkeerd beeld hebben van het christenleven. Men denkt vaak dat als men eenmaal gedoopt is dat het eindpunt bereikt is, maar daarin vergissen ze zich, het is niet het eindpunt maar het beginpunt!. De uittocht van het volk Israël uit Egypte en de daarop volgende gebeurtenissen tijdens de reis naar het beloofde land zijn uitstekend geschikt om dat duidelijk te maken.

Zoals bekend voorondersteld mag worden weet u dat de Here het volk na een verblijf van vierhonderd en dertig jaar in Egypte onder leiding van Mozes verloste en ze op weg gingen naar het beloofde land. Maar er was nog een lange en moeilijke weg te gaan om daar te komen, een reis die uiteindelijk veertig jaar zou duren. Van vijanden die ze onderweg zouden

ontmoeten waren ze nog niet op de hoogte, maar zoals God had dat voorzien vandaar dat we aan het beging van de reis lezen: ‘Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte’ (Ex13:17-18). En zo is het ook gebeurd. Na veel omzwervingen, moeiten en strijd zijn ze tenslotte het beloffde land binnengegaan. ‘De Here deed u gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen’ (Dt8:15-16). Ook de gelovige heeft na zijn bekering en doop (waarvan de doortocht door de Rode zee een beeld is) meestal nog een lange ‘reis’ te maken voordat hij op zijn plaatst van bestemming is. Dus het gaat er niet alleen om dat je weet hoe je in de hemel kunt komen, maar vooral ook dat je weet hoe je de wereld moet doorkomen. Vandaar dat je ‘ten strijde toegerust’ dient te zijn en rekening houdt met drie vijanden:

1. De eerste vijand: onze hartstochten

Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. (Of,) gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen’ (Jakobus 4:1-3)

‘Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133). Het is waar dat broeders en zusters met elkaar in liefde zullen omgaan, maar vaak is het omgekeerde waar, getuige de kerkgeschiedenis. Van de eerste gemeente werd gezegd: ‘Zie hoe lief ze elkaar hebben!’ Tegenwoordig zouden de mensen kunnen zeggen: ‘Zie hoe ze met elkaar ruziën!’ De Heer Jezus zegt in Joh13:35: ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt’ (zie ook: 15:12,17). Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament vinden we voorbeelden van gelovigen die het met elkaar niet konden vinden, wat veel schade heeft toegebracht aan het christelijk geloof. Hoe zou het komen dat het soms zo moeilijk is voor Gods kinderen om goed met elkaar om te gaan? Wat is de reden dat we soms met elkaar in oorlog zijn? We hebben dezelfde Heer, dezelfde Geest woont in ons, we behoren tot dezelfde familie maar toch.... Hoe dat komt? Jakobus noemt een aantal oorzaken, vijanden, en de eerste vijand omschrijft hij als onze hartstochten; het vlees!

Als er oorlog van binnen is, dan zal er uiteindelijk ook oorlog naar buiten toe zijn. Paulus leert ons in de brief aan de Romeinen: ‘Want het goede dat ik wil, die ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik (Rm8). En gaat hij verder: ‘Ik zie in mijn leden een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn denken en mij gevangene maakt door de wet van de zonde die in mijn leden is (Rom.7:19, 23). ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar’ (Gal.5:17).

2. De tweede vijand: de wereld

‘Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God. Of meent gij, dat het schriftwoord zonder reden zegt: De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid?’ (Jakobus 4:4-5)

Jacobus had al gezegd dat de gelovige zich onbesmet van de wereld dient te bewaren (1:27) en Johannes zegt: ‘de wereld nog wat in de wereld is lief te hebben’ (1Jh2:15) en Paulus waarschuwt om niet wereldgelijkvormig te worden (Rm12:2) want dan zou het kunnen gebeuren dat je met de wereld geoordeeld zult worden (1Ko11:32). Lot mag hier als voorbeeld dienen. Hij had zich onbesmet van de wereld moeten bewaren maar hij sloot vriendschap met de wereld en kreeg de wereld lief waardoor hij gelijkvormig aan de wereld werd en tenslotte onder het oordeel van de wereld viel.

Met de ‘wereld’ bedoelt Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt (Ps.2). Hele gehele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Abraham was een vriend van God (Jak.2:23). Lot was een vriend van de wereld.

Vriendschap met de wereld is gelijk aan overspel. De gelovige is ‘gehuwd’ met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijke ‘overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea dit gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn kan geen vriend van God zijn.

‘Er is een hele nieuwe generatie christenen opgestaan die gelooft dat het mogelijk is Christus ‘aan te nemen’ zonder de wereld vaarwel te zeggen.’ (A.W.Tozer)

3. De derde vijand: de duivel

‘Maar Hij geeft dan ook des te grotere genade. Daarom heet het: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt. Beseft uw ellende, treurt en weent; uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in neerslachtigheid. Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen’ (Jakobus 4:6-10).

Door een vriend van de wereld te worden, betoon je je een vijand van God. Hoe ernstig is dat al we daar over nadenken! De duivel zit niet stil en zal alles in het werk zetten om ons van de Heer af te trekken. Het gaat hier niet over ongelovigen die door hun positie als zondaar principiële vijanden van God zijn, maar over gelovigen die door hun praktijken zich als een vijand van God gedragen. Dit lijkt tegenstrijdig, want een gelovige heeft juist door zijn geloof in Christus vrede met God gesloten, de strijdbijl is begraven, en toch…

‘Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij kunnen verslinden.’ (1 Petr.5:8) ‘Want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.’ (2 Kor.11:15).

De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, opdat hij niet hoogmoedig wordt (1 Tim.3:6).

God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. Satan is de oorsprong van alle ‘doe-het-zelf’ ervaringen. Hij schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satan’s plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van!

Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er teveel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars. Christelijke werkers worden zo naar voren geschoven dat er weinig plaats blijft voor Gods heerlijkheid. De mens heeft niets in zichzelf waar hij trots op kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2 Tim.1:6,14).

Tenslotte

Er zijn dus drie vijanden die ons van God willen wegtrekken: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zijn overgebleven van onze vroeger leven in de zonde (Ef.2:1-3). Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog steeds aan. Hoe kunnen we hen overwinnen? Hoe kunnen we vrienden van God zijn en vijanden van de wereld, het vlees en de duivel? Door tot God te naderen, ons aan God onderwerpen en Ons voor God te vernederen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘De oorlogen van de gelovige’

Jakobus 4:1-12

 

 

Inleiding

Gods Woord leert ons dat we als zijn kinderen ‘vrede moeten houden met allen, voorzover het van ons afhangt’, en ‘dat we moeten jagen, naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing dient’, want God heeft ons geroepen tot vrede (Rom.12:18; 14:19; 1Kor.7:15). En de apostel Petrus roept allen op: ‘om eensgezind, vol medeleven te zijn, heb de broeders lief, wees barmhartig en vriendelijk, geen kwaad met kwaad of laster met laster te vergelden, maar te zegenen, omdat u weet dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegen zult beërven. Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog; die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen’ (1Petr.3:8). Mattheüs 5:43-44 zegt: ‘U hebt gehoord dat gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen’. Het ‘uw vijand haten’ is geen verwijzing naar een tekst uit het Oude Testament. Uit Leviticus 19:18 kan de conclusie getrokken worden dat ‘de naaste’ de Israëliet was die men moest liefhebben, en (dus) ‘de vijand’ de niet-Israëliet die men moest haten! De tekst uit Mattheus is duidelijk: wij dienen zowel onze naaste als onze vijand lief te hebben. Maar daarmee is nog niet alles gezegd! Veel gelovigen zijn zich niet bewust dat Gods Woord ons ook leert dat er ook vijanden zijn die wij wél moeten bestrijden, en die vijanden zijn de wereld, de satan, en ons vlees. Daarmee dienen we geen medelijden te hebben! We hebben dan ook drie oorlogen te voeren! We kunnen in oorlog zijn met elkaar, onszelf en zelfs met God! Gelukkig reikt Jakobus ons ook drie oplossingen aan waardoor we de vijand kunnen weerstaan zodat we niet ten ondergaan in de strijd! Afhankelijk van welke ‘oorlog’ je hebt te voeren, dien je je te onderwerpen aan God, naderen tot God of je vernederen voor God. Daarom, waar wachten we op, ten strijde!

De eerste vijand: het vlees (4:4-5,10; Ef.2:3)

‘Vanwaar oorlogen en vanwaar twisten onder u? Is het niet hiervan: uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren?’

‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133:1), maar de werkelijkheid is soms totaal anders! Niet alleen in de gemeente te Korinthe waren twisten (1Kor.1:12), Jakobus signaleert ook oorlogen en twisten bij de gelovigen die hij aanschrijft. Het ontstaan van oorlogen onder gelovigen kan allerlei oorzaken hebben en dat is waar Jakobus ons op wijst. Het waren hun hartstochten die strijd voerden of zoals Efeze 2:3 het zegt: ‘de begeerten van het vlees’. ‘Het vlees’ betekend de oude natuur die we hebben overgekregen van Adam, en die is gevoelig voor de zonde. Het vlees is niet het lichaam. Het lichaam is niet zondig; het lichaam is neutraal. De Geest gebruikt het lichaam om daarin God te verheerlijken (1Kor.6:19-20), of het vlees gebruikt het lichaam om de zonde te dienen. Als een zondaar zich overgeeft aan Christus, ontvangt hij een nieuwe natuur, maar de oude natuur wordt niet verwijderd of vernieuwd. Om deze reden is er een innerlijke strijd: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt’ (Gal.5:17). Dat is wat Jakobus bedoeld met ‘uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren’ (Jak.4:1). Leven in het vlees bedroeft de Heilige Geest van God die in ons woont. ‘Of meent u dat de Schrift tevergeefs spreekt? Begeert de Geest die in ons woont met afgunst?’ (Jak.4:5). Zoals de wereld de vijand van God de Vader is, zo is het vlees de vijand van God de Heilige Geest. Er is een heilige gezonde jaloezie van een vrouw tegenover haar man en andersom, en dat is goed. De Geest in ons waakt met jaloezie over onze relatie met God, en de Geest raakt bedroefd als we zondigen tegen Gods liefde. Leven naar onze oude natuur betekend een oorlogsverklaring tegenover God, ‘omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God’ (Rom.8:7vv.). Toelaten dat het vlees ons leven beheerst, betekend dat de zegening die verbonden is met een levende relatie met God, verloren gaat. Lot had een vleselijke geest, hij hield geen rekening met God en geraakte in een oorlog. ‘Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede’ (Rom.8:6). Oorlogen en twisten… Een slaaf van de Heer moet echter niet twisten, zeker niet om zijn gelijk te halen (2Tim.2:24). Mogelijk ligt de zaak waarom het gaat nog dieper en willen we in de gemeente de belangrijkste, de eerste zijn? (3Joh.:9). Als we het vlees laten werken en niet wandelen in de Geest en onze naaste liefhebben als onszelf, kunnen we in een situatie komen waarin we elkaar bijten en opeten om door elkaar verslonden te worden! (Gal.5:13-15). Zover mag het niet komen onder gelovigen en om dat te voorkomen dienen we ons te vernederen voor de Heer dán Hij zal ons verhogen! (4:10).

De tweede vijand: de wereld (4:1-3,6; Ef.2:2)

‘Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God’

Een gelovige is niet van de wereld, maar wel in de wereld (Joh.17:15-16), dus het gevaar is aanwezig dat die wereld zijn invloed op een gelovige kan krijgen. Met de ‘wereld’ bedoeld Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt (Psalm 2). Het hele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Je zou kunnen zeggen dat de ‘wereld’ op zich neutraal is, maar achter de schermen zijn er geestelijke machten aan de gang om u van God af te houden (Ef.2:1-3). De apostel Paulus vermeld Demas en kenmerkt hem met de woorden ‘dat hij de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen! (2Tim.4:9). In de gelijkenis van de zaaier en het zaad zien we dat de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen het woord verstikken en onvruchtbaar maken (Mark.4:19).

Daaruit blijkt dat de wereld ook zijn aantrekkelijke kanten heeft. Een gelovige kan in deze wereld terecht kan komen, zoals toen destijds Lot, en een leven leiden tot oneer voor God. In zo’n situatie terecht komen gaat geleidelijk ‘zegt’ Jakobus: ’Ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij de dood voort’ (Jak1:14-15). Het gevolg voor Lot was dat hij door de wereld besmet raakte (Jak.1:27) zodat bepaalde facetten van zijn leven de goedkeuring van die wereld kregen. Hij noemde de inwoners van Sodom zijn broeders (Gen.19:7). Vriendschap jegens de wereld kan leiden tot liefde voor die wereld: ‘Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is’ (1Joh.2:15). Jakobus stelt het hier nogal zwart wit: ‘Je bent een vriend van God, zoals Abraham (2:23), of een vriend van de wereld, maar vriendschap met de wereld betekend vijandschap ten opzichte van God! Dat leert ons dat volgelingen van Christus keuzes moeten maken, doen we dat niet dan zal vroeg of laat duidelijk worden waar ons hart zich mee bezighoudt! De apostel Pauls waarschuwt ons om niet wereldgelijkvormig te worden (Rom.12:2). Wij dienen dan ook regelmatig onszelf op de proef te stellen om te zien of wij nog in het geloof zijn (2Kor.13:5). Corrigeer je jezelf niet dan loop je het gevaar met de wereld te worden geoordeeld (1Kor.11:32). Van Lot heeft Petrus in zijn eerste brief getuigd dat hij een rechtvaardige was (2Petr.2:7-8), anders zou ons oordeel over hem er wel anders hebben uitgezien. Hoe dan ook er zullen er zijn die behouden worden ‘maar als door vuur’ (1Kor.3:11-15). Met de hakken over de sloot!

‘Overspeligen’, zo spreekt Jakobus de geadresseerden aan. Vriendschap met de wereld is zoals overspel. De gelovige is gehuwd met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De Joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijk overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea het gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn pleegt geestelijke overspel. Onderwerp u daarom aan God!

De derde vijand: de duivel (4:7-8; Ef.2:2)

‘Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten’

De derde vijand waarmee we te doen hebben is de duivel. In zijn gesprekken met de Joden, die Hem wilden doden, zei de Heer Jezus: ‘U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen’ (Joh.8:44). De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. De profetie in Jesaja 14 en Ezechiël 28 over de koning van Tyrus en Babylon geven ons beiden een treffende illustratie van de hoogmoed en de val van satan. Bij het lezen van deze gedeelten wordt het wel duidelijk dat het om meer gaat dan de directe betekenis en toepassing op de beide koningen. Het geeft iets weer van de geestelijke wereld. De koningen die worden aangesproken zijn enerzijds de letterlijke koning van Tyrus of Babylon, maar anderzijds wordt er door de fysieke barrière heen geprikt waarachter de hogere machten verborgen zijn die deze koningen beïnvloeden. ‘Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12).

God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet om die reden ook niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, omdat het gevaar van hoogmoed latent aanwezig is (1Tim.3:6). God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade: ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. De duivel schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satans plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van! Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er te veel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars (3Joh.:9). Het moet de discipel genoeg zijn dat hij wordt als zijn Meester (Mat.10:25). ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen en aller dienstknecht zijn’ (Mark.9:35). De mens heeft niets in zichzelf waarop hij trots kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2Tim.1:6,14). Als de duivel u wil verleiden tot zonde, weersta hem en hij zal van u vluchten. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen!’

Tenslotte

Zoals gezegd er zijn drie vijanden die ons van God willen wegtrekken en daartegen hebben we oorlog te voeren: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zullen ons parten blijven spelen zolang we hier op aarde zijn; daardoor zijn we voortdurend in staat van oorlog. Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog altijd aan. Hoe kunnen we ons verweren tegen onze vijanden, het vlees, de wereld, en de duivel en overwinnen? Door of onszelf te vernederen, of de duivel te weerstaan en tot God te naderen of ons onderwerpen aan God. Hij voert de strijd en wij zijn in Christus meer dan overwinnaar!  ‘Onze veiligheid ligt niet in de afwezigheid van vijanden, maar in de nabijheid van God!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX