Geestelijk Leven

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Lessen voor leiders

Lessen uit de verzoeking in de woestijn

Te voet, of te paard?

Hoop doet leven!

Gij geheel anders!

Zacharia en Elizabeth

Het leven is meer...! (Salomo)

Verwachtende de gelukkige hoop!

Vijf adviezen voor de Hebreeërs

De Wedloop

De vijanden van de gelovige

De oorlogen van de gelovige

 ___________________________________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Lessen voor leiders

(Numeri 11:10-15)

 

 

 

‘Ja Heer, U weet, dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid mijn lammeren. Hij zei opnieuw tot hem, voor de tweede keer: Simon, zoon van Johannes, hebt je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik U houd. Hij zei tot hem: Hoed mijn schapen.’ (Joh.21:15-16)

Inleiding

Leiderschap vergt voorbereiding. Tot leiderschap word je geroepen, je zoekt het zelf niet. Het leiden van Gods volk is niet te vergelijken met het runnen van een bedrijf. Vaak gebeurt het dat jonge gelovigen, vaak pas van de bijbelschool, voorganger worden van een hele gemeente of een andere leidinggevende functie gaan uitoefenen. Maar leiderschap vergt ervaring; een leerling staat toch ook niet voor de klas! (Mat.25:23). Het gebeurt dan ook regelmatig dat het fout gaat met iemand die een leidinggevende positie heeft omdat men de taak onderschat. Mozes heeft dat ook moeten ervaren en stond op het punt om op te geven toen het volk weer begon te klagen. Mozes reactie daarop was nogal heftig zoals we dat in de volgende verzen kunnen lezen: ‘Mozes zeide tot de Here: Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandelden waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt? Heb ik dit gehele volk ontvangen of heb ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader een zuigeling draagt, naar het land dat Gij aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt? Vanwaar zou ik het vlees halen om aan dit gehele volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees te eten! Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar. Wilt Gij zó met mij handelen, dood mij dan’ (Num.11:11-15).

Nogmaals: Leiderschap zoekt je niet, je moet ervoor geroepen zijn. Met de woorden: ‘Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden’ (Ex.3:10) werd Mozes geroepen. In tegenstelling tot zijn eerdere poging van Mozes om het volk te hulp te komen (Ex.2:11-16) stond Mozes nu niet te trappelen van ongeduld om die taak op zich te nemen en herhaaldelijk geeft hij daarvan blijk. Kwam dat misschien omdat hij veertig jaar in het Midjan de schapen had gehoed, en toen had ervaren hoe moeilijk het is om een kudde te leiden, te verzorgen en bij elkaar te houden? In elk geval weigerde hij door zichzelf in vraag te stellen: ‘Wie ben ik?’ (Ex.3:11). Maar daarmee stopte het niet. De volgende weigering was: ‘Als het volk mij vraagt, wat moet ik dan antwoorden?’ (Ex.3:13). En zo ging het maar door: ‘Als ze mij niet geloven?’ (Ex.4:1) en ‘Och Here, ik ben geen man van het woord’ (Ex.4:10) en tenslotte: ‘Och Here, zend toch iemand anders (Ex.4:13). We kunnen daaruit de conclusie trekken dat Mozes zijn opdracht zeker niet onderschatte en hij heeft ervaren dat... 

… mensen onveranderlijk zijn.

Houdt er rekening mee dat mensen nu eenmaal mensen zijn en mensen zijn geneigd om altijd te klagen! Je kan de problemen van mensen ontwijken door mensen te ontwijken, maar wordt dan je geen leider, neem de plaats in van iemand die dienstbaar wil zijn. Ga niet in een hoekje zitten en leef je eigen leven. Maar wil je toch een leider zijn vergeet dan nooit dan mensen altijd mensen blijven! Ze blijven altijd klagen. In plaats van dankbaar te zijn voor de ontvangen zegeningen en de dienst te waarderen die een leider voor het volk doet, denken ze aan de dingen die ze niet hebben. Het is ergens anders altijd beter. Het is schokkend wanneer je in Numeri 11:5 leest: ‘Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook’. Hoe hebben ze dat kunnen zeggen? Het kostte hun nogal wat om vis, komkommers, uien en knoflook te kunnen eten! Het kostte hun hun vrijheid. Ze waren slaven in Egypte! Ze vergaten wat God en Mozes voor hen hadden gedaan. Hoe God hen had bevrijd, geleid en voor hen had gezorgd. Mensen blijven altijd mensen, altijd klaar om te klagen.

Veel mensen gaan er vaak vanuit dat het verleden altijd beter was. ‘Veel priesters, Levieten en familiehoofden, de ouderen die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid toen voor hun ogen de fundamenten van de tempel werden gelegd’ (Ezra 3:12; Hag.2:4). Mensen vergeten de zegeningen van nu en hen die altijd spreken van ‘die goede oude tijd’ hebben of een slecht geheugen, of een grote fantasie! Ze willen de grote dagen van het verleden herhalen want voor hen is het verleden altijd beter.

Omdat mensen altijd mensen blijven vergeten ze snel hun zegeningen maar niet hun problemen. Mensen hebben de neiging hun geestelijke hoogtepunten en overwinning te vergeten. De moeilijke reis door een droog landschap maakte het volk wellicht moedeloos. Iedere dag hetzelfde eten was ook al niet zo bemoedigend. Jammer om te zeggen, maar ze raakten te snel gewend aan hun zegeningen. Mensen beïnvloeden elkaar. Het samenraapsel – het ongelovige deel van het Egyptische volk – droeg daaraan bij. In elke kerk zal je mensen ontmoeten die door hun negatieve houding anderen beïnvloeden. Wanneer je als leider daardoor ontmoedigd en teleurgesteld wordt, en misschien wel op het punt staat om op te geven, denk dan aan deze les: Mensen blijven altijd mensen (Jer.13:23). Heb grote idealen voor Gods volk, maar blijf realistisch!

‘Mensen schrijven hun zegeningen in het zand en hun klachten in marmer’ (Spurgeon)

… alles lijkt erger dan het is.

De volgende les kmt ook vaak voor. Alles lijkt altijd erger dan het werkelijk is. ‘Een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest doch dat nooit op zal dagen’ zegt een oud vers. ‘En in die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron; en de Israëlieten zeiden tot hen: ‘Och, dat wij door de hand des HEREN in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen. Toen zeide de HERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen’ (Ex.16:2-4). Het volk vreesde om om te komen in de woestijn en vroeg om voedsel. God gaf het volk vlees, brood en water. Hij redde hen van het leger van Farao en opende de zee op het moment dat het volk wilde terugkeren naar Egypte. ‘De Egyptenaren nu, al de paarden en wagens van Farao, zijn ruiters en zijn legermacht, achtervolgden hen en haalden hen in, terwijl zij gelegerd waren aan de zee, bij Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon. Toen Farao naderbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren rukten achter hen aan. Toen werden de Israëlieten zeer bevreesd en schreeuwden tot de HERE, en zij zeiden tot Mozes: Waren er soms geen graven in Egypte, dat gij ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn? Wat hebt gij ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden? Hebben wij u dit al niet gezegd in Egypte: laat ons met rust, en laten wij de Egyptenaren dienen. Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven. Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn’ (Ex.14:9-14). Deze voorbeelden, en er zijn meer te vermelden, willen ons duidelijk maken dat God groter is dan al onze problemen.

Dus vestig je oog op Hem en niet op de problemen en omstandigheden!

… jij bent niet belangrijk!

De derde les die een leider moet kennen is dat hij of zij niet belangrijk is. Het is verleidelijk om je eigen belangrijkheid te benadrukken. ‘Mozes zeide tot de HERE: Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt?’ (Num.11:11). Mozes maakt hier een aantal vergissingen. Ten eerste God had hem niet slecht behandeld en hij had wel genade gevonden is Gods ogen (Ex.33:17). Mozes vond dat hij voor voedsel voor het volk moest zorgen. Alleen hij kon daar niet in voorzien! Mozes kon de problemen niet oplossen. Het was goed dat hij aan die machteloosheid uiting gaf door zijn gevoelens naar God toe te verwoorden. Hoe vaak vinden we niet in de Bijbel dat gelovigen het handelen van God in vraag stellen. David zei op een gegeven moment: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’ (Ps.22:2).

Leiders in dienst van God zijn niet verantwoordelijk voor de geestelijke volwassenheid of onvolwassenheid van hen die aan hen door God zijn toevertrouwd, als ze maar getrouw zijn in het geven van het juiste ‘voedsel’ aan de mensen. Een trouwer dienstknecht dan Mozes is moeilijk te vinden in de Bijbel. Mozes was getouw in geheel Gods huis. (Hebr.3:2, 5). Mozes was getrouw in hetgeen God hem te doen had gegeven maar het volk bleef onvolwassen in het geloof. Leiders moeten niet denken dat zij elk probleem, elk wonder kunnen oplossen, of tegemoet moeten komen aan elke nood. God is Degene die alles onder controle heeft. Het is gemakkelijk om je eigen belangrijk te benadrukken. Het is opvallend hoe vaak Mozes persoonlijke voornaamwoorden vermeld in zijn gebed (Num.11:11-15). Mozes zag op zichzelf en stelde zijn geloof niet altijd op God die wonderen kan doen.

‘Denk niet dat jij elk probleem moet oplossen, of wonderen kunt doen, of in elke nood moet voorzien’

… leiderschap een voorrecht is.

We vergeten wel eens dat het dienen van God een voorrecht is. Mensen zijn altijd geneigd om de negatieve punten meer te belichten dan de positieve. Dat komt misschien omdat wij onze taak als een last zien en dat is niet zo. God verwacht van ons niet dat wij de lasten zouden dragen. Tegen elke toegewijde leider zegt God: ‘Ik help jou de last te dragen. Je doet het niet alleen!’ Heeft de Heer Jezus het niet beloofd dat zijn juk zacht en zijn last licht is? (Mat.11:28). Het is waar dat er lasten zijn, maar heeft iemand heeft eens gezegd: ‘De lasten zijn een tegengewicht voor de zegeningen’ en zo blijf je in balans! Het was een juiste conclusie van Mozes toen hij tegen de Here zei: ‘Ik alleen kan de zorg van dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar’ (Num.11:14). Maar was het ook niet een geweldig voorrecht in dienst te staan van God en het volk uit Egypte te mogen leiden op weg naar het beloofde land? En is dat ook voor ons niet het geval dat wij ‘verlost uit de hand van onze vijand Hem mogen dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen? (Luk.1:74v.). Leiderschap is een voorrecht, geen last.

Er worden offers gevraagd van een leider, maar die wegen niet op tegen de voorrechten en zegen wanneer we aan God de leiding over laten.

… dat alleen God de problemen kan oplossen.

God kan alle problemen oplossen, wat wij dienen te doen is wat Mozes deed. Ten eerste dienen leiders te spreken met God! (Gebed) Maak in gebed God bekend waar je mee zit. Vertel Hem wat jij gelooft wat de oplossing is of wat gedaan moet worden. En daarna luister naar Hem en gehoorzaam in alles wat Hij je zegt. Ten tweede leiders dienen God te vertrouwen (Geloof) want ‘zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn’ (Hebr.11:6). Leiders dienen te spreken met God. Zonder gebed is het niet mogelijk om de wijsheid te ontvangen die nodig is om je taak te doen.  Leiders dienen God te gehoorzamen. (Gehoorzaamheid). Ten derde dienen leiders liefde voor het volk van God te hebben, als een voedende moeder, en een vader die vermaand en vertroost (1Thes.2:7, 11).

‘Een leider zonder geloof is gelijk aan een vliegtuig zonder motor’

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘Lessen uit de verzoeking in de woestijn’

 

Lucas 4:1-13

 

Inleiding

De eerste vraag die meestal gesteld wordt bij het lezen of bespreken van dit Bijbelgedeelte is: ‘Als Jezus, die zonder zonde was, niet kon zondigen waarom dan deze beproeving, dan stond de uitkomst toch al van tevoren vast?’ Deze vraag brengt ons direct al tot de volgende vraag: ‘Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzamen zijn?’ (Mark.4:41). Deze vraag is door mij beantwoordt in de artikelen opgenomen in de rubriek: Christologie van mijn website, nu willen we ingaan op de vraag hoe de Heer Jezus zich in tijden van beproeving als Mens handhaafde tegenover de aanvallen van de satan? Maar hoe zit het dan met de verzoeking is er dan een andere reden waarom de verzoeking plaatsvond? Er zijn twee redenen aan te wijzen waarom deze verzoeking niet plaatsvond: (1) De Heer Jezus werd niet in deze verzoeking geleid om aan zijn Vader te tonen welke instelling Hij bezat, de Vader had daar al getuigenis van gegeven door Hem aan te duiden als de Zoon in Wie Hij al zijn welbehagen had (3:22). (2) Ook werd Hij niet door satan verzocht als een gelegenheid om hem te verslaan, want satan wilde wellicht zo’n confrontatie niet eens aan, omdat hij ‘wist’ wie de Heer Jezus was en dat Hij in staat zou zijn om elke aanval af te slaan. Het ‘als U Gods Zoon bent’ (Mat.4:3, 6,) dient dan ook gelezen te worden als ‘omdat ik weet dat U Gods Zoon bent.’ Het is geen veronderstelling maar een bevestiging. Ik denk dat de praktische les die hierin ligt, en indien door ons toegepast, hoe wij ons in tijden van beproeving zijn? De Heer Jezus werd verzocht omdat Hij persoonlijk zou ervaren wat het betekende om door verzoekingen te gaan, zodat Hij ons kan bijstaan en om ons te laten zien hoe ook wij de boze kunnen overwinnen. De nadruk in dit gedeelte ligt op het gebruik van het Woord van God gebruikt door de Heer Jezus en de leiding door de Heilige Geest. We willen in dit artikel een aantal onderwerpen behandelen die onze aandacht vragen en omdat ze voor ons bepalend zijn hoe wij met omgaan met verzoekingen.

De realiteit van verzoekingen

Het is niet zo dat de Heer Jezus veertig dagen verzocht werd door de duivel, maar ‘nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij tenslotte honger. En toen kwam de verzoeker ...’ (Mat.4:2). De eerste mens, Adam werd op de proef gesteld in een prachtige tuin en faalde, maar de Laatste Adam (1Kor.15:45) overwon in een woestijn. Het ontkennen dat ons beproevingen of verzoekingen kunnen overkomen geeft een verkeerd beeld van het christelijke geloof. De hele Bijbel getuigt ervan dat we door ‘lijden tot heerlijkheid’ zullen komen, zoals ook de Heer Jezus (Luk.24:26).  Voor zij die niet overtuigd zijn raad ik aan Hebreeën 11:32-38 eens te lezen. Met de verzoekingen en beproevingen waarmee wij geconfronteerd worden heeft God een doel en mede om die reden maken ze deel uit van Gods ‘school’ (Jak.1; Hebr.12:10). Immers ‘het lijden van de tegenwoordige tijd is niet waard te vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). De verzoekingen waaraan de Heer Jezus bloot kwam te staan waren (1) lichamelijke noden en verlangens, (2) bezittingen en macht en (3) trots of hoogmoed. Vergelijk dat eens met wat in 1 Johannes 2:15-16 vermeld staat. Wel dienen wel we onderscheid te maken tussen beproevingen en verzoekingen. In het kort zou je kunnen zeggen dat beproevingen kunnen dienen om de gelovige te heiligen (1Petr.1:6-9); te voorkomen dat ze zouden zondigen (2Kor.12:7), het beproeven van ons geloof (Gen.22:1) of nadat we gezondigd hebben (Jak.5:16). Deze beproevingen hebben tot doel om je een betere gelovige te maken, geen bittere! Beproevingen kunnen verzoekingen worden als je ze niet verdraagt, eronder bezwijkt of afwijst. Lees in dit verband aandachtig Jakobus hoofdstuk 1 en de brief aan de Hebreeën hoofdstuk 12.

De realiteit van het bestaan van de duivel

Een andere realiteit is het bestaan van de duivel, die geen idee is maar een werkelijke persoon. Een gevallen engel die een leger demonen tot zijn beschikking heeft (Ez.28; Jes.14). De Heer Jezus zegt van hem dat hij ‘een mensenmoordenaar vanaf het begin en een leugenaar en de vader ervan is’ (Joh.8:44). Zoals tijdens de verzoeking in de woestijn alsook nu is hij er altijd op uit om ons te doen twijfelen aan de trouw van God. Van het eerste boek van de Bijbel, Genesis tot het laatste, de Openbaring zien we de duivel zich profileren als de grote tegenstander van God. We weten dat Christus hem aan het kruis heeft overwonnen (Kol.2:15), maar tot zijn definitief oordeel daar is (Op.20:10), is hij de overste van deze wereld (Joh.14:30; 16:11) en zal hij alles in het werk stellen om het werk van God te dwarsbomen. Het is veelzeggend dat de naam satan, tegenstander betekent. Zo zien we hem al als aanklager bij Job, in het boek Zacharia als aanklager van de hogepriester Jozua (Zach.3:1-3) en in het boek Openbaring als de ‘aanklager van onze broeders’ (Op.12:10). In zijn tegenstand doet hij zich voor als een ‘engel van het licht’ (2Kor.11:15) en als een ‘brullende leeuw’ (2Petr.5:8). Voor die twee verschillende gestalten waarschuwde de apostel Paulus al in zijn rede tot de oudsten van de gemeente van Efeze. ‘Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen, en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken’ (Hand.20:29-30). De kerkgeschiedenis bewijst dat dit geen loze waarschuwingen zijn geweest! In het boek Openbaring zien we de duivel, neergeworpen op aarde met grote grimmigheid omdat hij weet dat hem nog weinig tijd rest (Op.12:12).

De realiteit van de kracht van het Woord

In de verslaggevingvan de verzoeking in de woestijn ontdekken we niet alleen de tactiek die de duivel gebruikt om ons te verzoeken, maar ook hoe en waardoor wij die aanval kunnen overwinnen. We beschikken immers over dezelfde ‘wapens’ waarover de Heer Jezus beschikte: (1) Gebed (Luk.3:22), (2) de liefde van de Vader (3:23), (3) de aanwezigheid van de Heilige Geest (4:1), (4) het Woord van God (‘er staat geschreven’) en ‘last but not least’ (5) hebben wij Iemand die voor ons bidt! (Rom.8:34; Hebr.4:2:16; 4:14-16). De Bijbel wordt in Efeze 6:17 ‘het zwaard van de Geest’ genoemd. Dit ‘wapen’ wordt door de Heer Jezus drie keer toegepast door een tekst uit het Oude Testament aan te halen, en wel uit het boek Deuteronomium 8:3, 6:13 en 16. Hoewel de Bijbel nog altijd tot de meest verkochte boeken in de wereld mag worden gerekend, betwijfel ik of het ook tot de meest gelezen boeken behoort. Maar alleen het lezen, dat op zich natuurlijk goed is, is niet voldoende om een overwinnend christelijk leven te kunnen leiden. Je dient het Woord toe te passen in je leven! De Heer Jezus vergeleek Schrift met Schrift om tot een uitgebalanceerde conclusie te kunnen komen. ‘De Schrift kan niet gebroken worden’ (Joh.10:25). Als je teksten uit zijn context isoleert, of gedeelten isoleert van het geheel van de Heilige Schrift, kan je met beroep op de Bijbel bijna alles bewijzen. Elke valse of verkeerde leer beroept zich immers op de Bijbel. De vraag is dus: kennen wij de Bijbel, bestuderen wij de Bijbel (ieder op zijn niveau), en bovenal passen wij de Bijbel toe in ons leven? De Heer Jezus sprak tegen de Sadduceeën: ‘U dwaalt, daar U de Schriften niet kent, noch de kracht van God’ (Mat.22:29). Woord en Geest gaan samen; immers het Woord is het zwaard van de Geest!

De realiteit van de Heilige Geest

Helaas zijn veel gelovigen zich niet bewust van de aanwezigheid van de inwonende Heilige Geest, eenmaal ze tot geloof gekomen zijn, zoals de eerste gelovigen in de stad Efeze. ‘En het gebeurde toen Apollos in Korinthe was, dat Paulus, die de hoger gelegen delen van het land doorgetrokken was, in Efeze kwam. Hij trof daar enige discipelen aan en zei tegen hen: ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u tot geloof kwam? En zij zeiden tegen hem: Wij hebben niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest is’ (Hand19:2). Dat niet weten van het ontvangen van de Heilige Geest is wel te verstaan omdat ze allen de doop van Johannes kenden het volledige onderwijs hadden ze tot op de komst van de apostel Paulus nog niet ontvangen. Ook in wat de apostel Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijft blijkt ook een tekort aan kennis van de Heilige Geest. ‘Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht, verheerlijk dan God in uw lichaam! (1Kor.6:19-20). Die kennis weten en ze toepassen in ons leven kan een totale ommekeer in uw leven als gelovige teweegbrengen. Dus laat die tekst eens goed om u inwerken! Eenmaal bekend met de aanwezigheid van de Heilige Geest en er vervuld door zijn (Ef.5:18), geeft je het vermogen om te kunnen zeggen: ‘Ik vermag alles door Hem die mij kracht geeft’ (Fil.4:13). Die kracht heb je ook nodig om stand te houden tegen de listen van de duivel. Dus die kracht die de Heilige Geest wil uitoefenen in uw en mijn leven kan eerst maar plaatsvinden als we Hem toelaten. ‘Hij moet meer, maar ik minder worden’ (Joh.3:30). Het vervuld zijn met Gods Geest is niet iets heel zweverig, emotioneel of ‘uit je bol gaan’, nee de kentekenen daarvan zijn een nuchter en stabiel en overwinnend geestelijk leven ter ere van God.

Tenslotte

‘Lessen uit de verzoeking in de woestijn’ is de titel bovenaan dit artikel, en ja, de wereld is een woestijn voor de gelovige die hem of haar niets te bieden heeft. De gelovige wordt gezien als een vreemdeling en bijwoner op aarde die verlangt naar een beter en hemels vaderland (Heb.11:13-16). Ik mag hopen dat u deze lessen ter harte neemt opdat u eenmaal als ‘overwinnaar’ het koninkrijk van God mag binnengaan.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

'Te voet, of te paard?' 

 

 

 

 

 

‘Er is een kwaad, dat ik zag onder de zon als een dwaling, die bij een machthebber haar oorsprong vond: de dwaas werd op de hoogste posten gesteld, aanzienlijken en rijken zaten in vernedering; slaven zag ik te paard en vorsten te voet gaan als slaven’ (Pred.10:5-7)

Voorwoord

Salomo, de auteur van het boek Prediker zag reizigers voorbijkomen en zag de wereld op z’n kop, want hij zag slaven die te paard zaten en vorsten die te voet gingen! Kan het nog gekker, hoe was het zover kunnen komen? Hoe is het gekomen dat de mens die de heerschappij over de schepping had ontvangen, en als een vorst op een paard had moeten zitten, daarvan is afgevallen en te voet moet gaan? Dat kwam omdat ze zichzelf niet konden regeren, ze zijn van het paard gevallen en zo tot slaven geworden. De eerste mens moest heersen het waren geen beheerders (Gen.1:28), maar ze hebben hun macht afgegeven. De mens is een slaaf geworden terwijl hij eigenlijk zou moeten heersen als een koning. Over alles in deze wereld zou de mens hebben moeten heersen maar vaak beheerst de wereld ons, bijvoorbeeld door het materialisme. De geest zou ons lichaam moeten beheersen maar het vlees heerst vaak over de geest. De koning is van het paard gevallen en is tot slaaf geworden. U begrijpt natuurlijk waarover ik het heb, de zondeval, waardoor de mens zijn gezag over alles wat hem geschonken was heeft kwijt gespeeld (Gen.1:28; 2:15). ‘En hij voerde Hem omhoog en toonde Hem alle koninkrijken van het aardrijk in een ogenblik tijds. En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want zij is mij overgegeven en aan wie ik wil geef ik ze’ (Luk.4:5-6). God de Vader had ons geschapen om te heersen als koningen (Gen.1:28), God de Zoon heeft ons bevrijd om weer koning te kunnen zijn (Rom.5:17), en God de Geest kan ons de kracht geven om ook werkelijk als een koning te leven (Fil.4:13; Ef.3:20). Laten wij ons beheersen door onze zwakheden, zonden, omgeving enz., of willen wij weer heersen als koningen in dit leven door de kracht van de Heilige Geest? Wil je weer leven als een koning en je paard bestijgen? Wel, dat is mogelijk want er is een nieuw begin, een nieuw koninkrijk, een nieuwe orde met nieuwe mogelijkheden!

Een nieuw begin

De eerste Adam faalde, zoals we weten, hij viel in zonde en werd slaaf. Maar gelukkig kwam er een tweede, laatste Adam die het verlorene weer terugwon waardoor herstel voor de gevallen mens mogelijk werd! (1Kor.15:45; Rom.5:17). En er zijn overvloedige getuigenissen van hen die op een of andere manier slaven van de zonde waren, die koningen zijn geworden omdat zij hun toevlucht tot de Heer Jezus hebben genomen (Rom.6:16-17). Ja, God is in staat zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt (Ef.3:20). Want die kracht die in ons werkt is de Heilige Geest, die ons daartoe in staat stelt (Fil.4:13). De Heer Jezus is de ware Koning en wanneer we Hem als zodanig in ons leven erkennen kunnen we door Hem regeren (Rom.5:17). Na Adam is de Heer Jezus de enige mens die op aarde heeft gewandeld en gezag uitoefende over dat domein dat God oorspronkelijk aan Adam had gegeven. De Heer Jezus had gezag over vissen in de zee. Toen Petrus aan de Heer Jezus vertelde dat ze de hele nacht hadden gevist en niets gevangen, vingen ze op gezag van Jezus’ woord een menigte van vissen (Luk.5:5-6). Petrus ving zelfs op Jezus’ bevel een vis met een munt in zijn bek! (Mat.17:27). De Heer Jezus had gezag over het gevogelte, want die bleven stil totdat de haan kraaide als teken van Petrus’ verloochening (Mat.26:75). Tijdens de verzoeking in de woestijn was Hij bij de wilde dieren (Mark.1:13). Hij kwam Jeruzalem binnen op een veulen waarop geen mens ooit gezeten had (Mark.11:2). Ja, zelfs de winden en de zee gehoorzaamden Hem! (Mat.8:27). De Heer Jezus is de tweede Adam die gezag over het domein uitoefende dat Adam door zijn ongehoorzaamheid had verloren. Dat gezag, dat domein wil de Heer Jezus met ons delen. De Heer Jezus is als Koning geboren (Mat.2:2), Hij leefde als een Koning, en Hij stierf als een Koning (Mat.27:37, 42) en Hij zal op een dag terugkomen als Koning! (Ps.2; Hand.1:6).

Een nieuw koninkrijk

Een nieuwe Koning en een nieuw koninkrijk! De gelovigen in Thessalonika werden ervan beschuldigd tegen de keizer te zijn, want ‘zij zeggen dat er een andere koning is: Jezus (Hand.17:7). Ja, wel een Koning, maar een andere, een onzichtbare, regerend vanuit de hemel. Wel een Koninkrijk, maar een geestelijke, met onzichtbare dienaren, dat is het Koninkrijk der hemelen! Nog geen Koning die heerst met een ijzeren knots (Ps.2:9), en geen dienaren die heersen, maar die dienen door middel van de verkondiging van het evangelie van Gods genade (1Kor.4:8). Er is een nieuw geslachtsregister, niet meer die Adam, maar nu van Jezus Christus en iedereen die wedergeboren is, en een nieuwe schepping in Christus geworden is, behoort daarbij is een erfgenaam en een koning. ‘Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader’ (Op.1:5-6). Omdat we behoren tot de familie van de Koning, regeren we door de Ene, Jezus Christus (Rom.5:17).

Nieuwe beginselen

‘Want als het priesterschap verandert, vindt er ook noodzakelijk verandering van wet plaats’ (Heb.7:12). De oude wet, de wet van Mozes heeft afgedaan, want de Heer Jezus heeft die vervult: Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen: Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen’ (Mat.5:17). De Wet was het zaad; het Evangelie van Jezus Christus is de vrucht. Hoe heeft de Heer jezus de Wet vervult? Hij bracht het tot vervulling door zijn leven, dood en opstanding, en nu is de rechtvaardige eis van de wet vervuld in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Rom.8:4). De nieuwe beginselen waarnaar discipelen van de Heer hun leven naar dienen te richten, is naar mijn mening de geestelijke toepassing van de Bergrede. De Bergrede is gegeven om de discipelen van Jezus te laten weten wat voor soort Koninkrijk Hij voor en in ons leven zou willen zien. De Bergrede (Mat.5-7:28), maar in het bijzonder de ‘Zaligsprekingen’ laten ons zien hoe je het koninkrijk kunt binnenkomen. ‘Gelukkig de armen van geest’ maakt duidelijk dat je van jouw ‘troon’ moet komen en dat nederigheid je eigendom moet zijn. ‘Gelukkig zij die treuren’ heeft te maken met mijn zondig hart. ‘Zalig de zachtmoedigen’ wijst op de gezindheid van Christus die ook mijn gezindheid dient te zijn (Fil.2:5). En zouden we door kunnen gaan. Alle zaligsprekingen kunnen de volgelingen van Jezus ter harte nemen en toepassen in hun leven.

Een nieuwe gerechtigheid

De Tien Geboden richten zich op de buitenkant, de Zaligsprekingen op de binnenkant van de mens. Je had in de tijd van Jezus vier religieuze groepen die onze aandacht vragen. De Farizeeën bijvoorbeeld, waren traditionalisten, orthodox en uitgesproken hard ten opzichte van andersdenkenden. Zij vertrouwden van zichzelf dat zij rechtvaardig en verachtten de anderen (Luk.18:9). De Heer Jezus heeft aan de farizeeën en schriftgeleerden zelfs een aparte toespraak gewijd (Mat.23). Een andere religieuze groep waren de Sadduceeën, de liberalen, vrijzinnigen die er een modernistische visie op nahielden. Ze stonden regelrecht tegenover de farizeeën want ‘sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, en geen engel of geest; farizeeën echter belijden beide’ (Hand.23:8). Ook in onze dagen zijn er ‘sadduceeën’ en dat in overvloed, die dwalen omdat ze de Schriften niet kennen, noch de kracht van God! (Mat.22:29). Een derde groep waren de Essenen wilden een heilig leven leiden maar dan wel in volledige isolatie en gescheiden van de wereld. Maar zit de zonde en de neiging tot zondigen niet in ons hart? Tenslotte horen we nog van de Zeloten, de revolutieonairen van hun tijd. Simon één van de twaalf was een Zeloot (Luk.6:16). Bij de Zeloten leefde een sterk nationaal besef, het waren ‘ijveraars’ en waren niet schuw om geweld te gebruiken. Ze wilden alleen maar belasting aan God betalen en niet aan de Romeinse veroveraars. Als we nadenken over de motieven die alle vier religieuze groepen voorstonden, verstaan we wellicht beter dat de boodschap van de Heer Jezus er lijnrecht er tegenover stond en ermee in conflict kwam. Jezus’ boodschap was er een van liefde en genade, van ‘Er staat geschreven’ zonder in orthodoxie te vervallen, van hebt uw vijanden lief en van geweldloosheid Een nieuwe Koning, nieuw koninkrijk, nieuwe beginselen en een nieuwe gerechtigheid. Het was even wennen…

Nieuwe mogelijkheden

Maar dat nieuwe, het evangelie van de genade van God heeft heel veel harten veroverd tot op vandaag de dag. Veel mensen die van het paard gevallen waren, zitten er weer op! Levens zijn veranderd door de verkondiging van het evangelie; het boek Handelingen getuigt van de geweldige opgang die het Woord van God heeft gekend. En u en ik mogen daaraan ook een bijdrage leveren doordat het evangelie in onze harten en levens vrucht dracht, opdat Christus gestalte in ons krijgt (Gal.4:20). U ziet mogelijk uit naar de dag dat u met Christus heersen (Op.5:10; 20:6; 22:5) maar u mag daar nu al mee beginnen door te leven als een koning zittend op een paard!

Tenslotte

God, de Vader heeft ons geschapen om een koning te zijn, en je kunt van een geestelijk vervuld leven spreken als je het koningschap ervaart door Jezus Christus. God, de Zoon heeft je bevrijd om een koning te zijn, maar je kan in het leven niet heersen tenzij je de Heer Jezus kent als je Reder en Heer. God, de Geest kan je in staat stellen om te leven als een koning, maar zijn kracht is afhankelijk van de grootte van jouw toewijding en overgave. Jouw koningschap is afhankelijk van jouw relatie met God, en jouw relatie met God is afhankelijk van jouw beslissing. ‘Ik zag slaven te paard en vorsten te voet gaan als slaven’. Als een prins, een erfgenaam van de Koning, word je geacht te leven als een koning. ‘Gaat u te voet, of te paard?

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Hoop doet leven!

 

 

 

 

Inleiding

De volkeren hadden geen hoop, de apostel Paulus zegt van hen: ‘Zonder God en zonder hoop in deze wereld’ (Ef.2:12). In Paulus’ tijd was er onder de volkeren een groeiend besef van hopeloosheid, ze wisten dat de oude religies en filosofieën hadden afgedaan, omdat deze geen antwoord konden geven op de levensvragen die ze hadden, en ze hadden ook geen verwachting dat die antwoorden nog zouden komen. Dat was geen benijdenswaardige situatie, vandaar dat de verkondiging van het evangelie in de eerste eeuw van het christendom daarin grote verandering bracht. Veel mensen uit de volken bekeerden en zich en namen Christus aan. De hele maatschappij in Paulus’ tijd veranderde compleet in slechts enkele decennia, de mensen kregen weer hoop!

Het volk Israël daarentegen had wel hoop, ze leefden in de verwachting van de komst van de Messias, de verlosser van Israël (Luk.2:25,38; 23:51; 24:21; Joh.4:25). ‘Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen’ (Jes.9:1). Zoals gezegd bestond de hoop van Israël in de verwachting van de komst van de Messias en het oprichten van Diens rijk die een einde zou maken aan de toenmalige onderdrukking door het Romeinse rijk. (Luk.1:54, 67-79, 2:38; Hand.26:6-7, 28:20)

Zij die uit de volkeren en de Joden tot geloof kwamen kregen hoop; dat was de verwachting van de spoedige terugkeer van de Heer Jezus. (1Thes.1:9-10; Tit.2:13-15). Die hoop bestond uit meerdere facetten: (1) De terugkeer van Christus (Luk.21:28); (2) de opstanding van het lichaam (1Kor.15:19); (3) rein en onbesmet voor Christus gesteld worden (Ef.5:26-27); (4) hoop op de beloning voor bewezen diensten (Heb.6:10); (5) vrijgemaakt worden van de macht van de duivel, zonde en dood (Op.21:4); (6) hereniging met geliefden (1Thes.4:14); (7) eeuwig leven in Gods nabijheid (Joh.17:24). Hoop is de verwachting dat een bepaalde gewenste gebeurtenis zal plaatsvinden. Er zijn twee tegengestelden van hoop: wanhoop als de kans op de gewenste gebeurtenis verkeken lijkt, of vrees als de verwachting een ongewenste gebeurtenis betreft (Luk.21:25-26). Hoop kan passief zijn, zoals een wens, maar ook actief; ‘wie deze hoop om Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is (1Joh.3:3). Wanhoop is een heftig gevoel dat je niets meer kunt veranderen aan een treurige of gevaarlijke situatie. Veel mensen in onze maatschappij zijn de wanhoop nabij en ‘stappen uit het leven’ zoals men dat tegenwoordig noemt. Maar, gelukkig kan het evangelie van Jezus Christus hoop bieden zelfs aan wanhopige mensen!

Wie heeft hoop nodig?

De verongelijkte, de bedroefde, de teleurgestelde, de verslaafde, de zieke; iedereen tegen wie de dokter of psycholoog moet zeggen wij kunnen niets meer voor u doen! Met andere woorden: ‘wij, allemaal hebben behoefte aan hoop!’ Maar er zijn uitzondering, want zij die hun vertrouwen op Jezus Christus hebben gesteld zoeken niet naar hoop, want die bezitten zij al in Hem. Petrus noemt het geloof in Christus volbrachte werk, een: ‘levende hoop’ – een hoop Die leeft en ons levenslust blijft geven als we Hem volgen (1Petr.1:3). Het bezit van een levende hoop maakt het leven waardevol! Hoop doet leven, luidt het gezegde, en dat bevat een element van waarheid. Maar het is niet het leven op zich dat hoop geeft, maar een levend geloof bezitten in Christus. Een christen heeft een ‘levende hoop’ omdat zijn hoop op God is (1Petr.1:3,21). Daar tegenover staan hen die niet geloven in God, en van hen moet Paulus dan ook moet vaststellen, dat zij om die reden ook ‘zonder hoop’ zijn! (Ef.12; 1Thes.4:13). Maar er is verandering mogelijk: ‘Want wie nog bij al de levenden mag behoren, heeft hoop’, zegt Salomo is het boek Prediker (Pred.9:4).

Wat is hoop?

Eén definitie van hoop luidt: ‘Hoop is dat wat je mist concreet maken en projecteren in de toekomst’.  Dat is misschien wel mooi gezegd, maar je hebt de toekomst niet in eigen hand, dromen blijven daarom vaak dromen. Daar komt nog bij dat die hoop begrensd is door de eindigheid van het leven. De Bijbelse hoop gaat verder en overschrijdt de grenzen van de dood en zegt: ‘Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen’ (1Kor.15:19). ‘Het geloof nu is de zekerheid van de dingen van wat men hoopt, de overtuiging van wat men niet ziet’ (Heb.11:1). ‘Want wij zijn behouden geworden in de hoop. Een hoop nu die men ziet, is geen hoop; want wie hoopt er op wat hij ziet?  Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding’ (Rom.8:24-25).

Er zijn verschillende soorten hoop, we spreken van ongefundeerde hoop en/of valse hoop. Ongefundeerde hoop is de hoop die er automatisch van uitgaat dat alles wel goed zal komen zonder daarvoor een basis te hebben. Een voorbeeld van valse hoop is vluchtelingen hoop geven, dat ze in Europa een eerlijke asielprocedure zouden krijgen en met open armen ontvangen zouden worden, terwijl het vaak niet zo is. Deze twee soorten hoop zijn een bron voor teleurstelling en wanhoop. De Bijbelse hoop echter, is gefundeerd in het offer van Christus en door de onbetwistbaarheid van zijn opstanding is het ook een zekere hoop.

Wat hoop jij?

Hoop is een innerlijke houding die het fundamentele vertrouwen uitdrukt waarmee een mens de toekomst tegemoet ziet. Wat mensen hopen kan van alles inhouden: hoop op wereldvrede, op een goede gezondheid, op materiele voorspoed in het leven en ga zo maar door. En dan zijn er nog mensen die hopen op een eeuwig leven, zonder te weten wat ze daar eigenlijk mee bedoelen of beseffen wat dat inhoudt. De mens is echter niet voor de eeuwigheid geschapen, hij is begrensd in zijn bestaan. ‘De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren’ (Ps.90:9-10). ‘De sterveling – zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer’ (Ps.103:15). In zijn bestaan is de mens eindig, in zijn wezen echter niet. Dat komt omdat de Bijbel leert dat de mens een ziel heeft, dit in tegenstelling tot de dieren, (diens ziel, is in het bloed’ (Gen.9:4). Prediker zegt: ‘Het stof keert weer tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest keert weer tot God, die hem geschonken heeft’ (Pr.12:7). Trouwen ook veel niet-gelovige mensen kunnen moeilijk omgaan met de gedachte dat met de dood alles afgelopen is, en denken dat er ‘hierna’ nog wel ‘iets’ zal zijn. Vooral op begrafenissen komt naar voren: ‘een sterretje aan de hemel’, ‘hierboven’ en meer van die gedachten. Maar dat is gebaseerd op hoop niet op concrete aanwijzingen. De Bijbel biedt ons deze hoop aan als een zekerheid en niet als een vage belofte. De ongelovigen wacht na hun dood de eeuwige verwijdering van het aangezicht van de Heer (2Thes.1:9). Dat dat geen bangmakerij is blijkt wel uit het feit dat God Zelfs zijn eigen Zoon gegeven opdat eenieder die gelooft eeuwig leven in Christus zou hebben! Hij heeft alles gedaan opdat de mens niet naar die plaats zou komen die voor de duivel en zijn engelen is bestemd (Mat.25:41).

Waar vinden we hoop?

Er zijn mensen die hopen dat het met hun ook na de dood wel goed zal aflopen. Ze beroemen zich dan op hun goede daden die ze gedaan hebben, hun religie of ze vertrouwen op hun rijkdom, maar kun je bij God niet mee aankomen. Je kunt het eeuwig leven niet kopen, op wat voor manier dan ook. ‘Als de goddeloze mens – de mens zonder Christus - sterft, vergaat zijn hoop, dan vergaat zelfs de allersterkste verwachting’ (Spr.11:7). Daartegenover staat het aanbod van God, die zegt: ‘Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven’ (Jer.29:11). Wie zou zo’n aanbod kunnen weerstaan, wie wil leven zonder hoop? Het evangelie van Jezus Christus is bij uitstek een boodschap van hoop en veel mensen kunnen daarvan getuigenis geven. Door de verkondiging van het Woord hebben wereldwijd en in alle tijden mensen weer hoop gekregen. ‘Paulus, slaaf van God alsook apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God en de kennis van de waarheid die naar de godsvrucht is, in de hoop van het eeuwige leven, dat God, die niet kan liegen, vóór de tijden van de eeuwen beloofd heeft vóór de tijden van de eeuwen; maar op zijn eigen tijd heeft Hij zijn Woord geopenbaard’ (Tit.1:1-2).

Bent u een hoopvol?

Ondanks alle materiele voordelen waarover wij in onze maatschappij beginnen is de mens niet gelukkig. Het aantal zelfmoorden neemt toe, veel mensen zijn depressief om reden van het milieu, anderen hebben angst voor de toekomst vanwege de toenemende spanningen tussen landen en volkeren. De Bijbel beschrijft de tijd kort voor de komst van Jezus Christus en de gevoelens van mensen die leven in die tijd en we herkennen daarin de gevoelens van velen die nu leven. ‘En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen, want de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden’ (Luk.21:26). Dus hoog tijd om daarin verandering te brengen, ik bedoel geen verandering in de wereldsituatie dat zal wel niet lukken, maar in uw toekomst want dat hebt u in uw eigen hand. God nodigt u uit om te gehoorzamen aan het evangelie dat u hoop biedt in hopeloze omstandigheden. ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet’ (Heb.4:7).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

‘Gij geheel anders!’

 

‘Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid hebben in de dag van het oordeel, dat zoals Hij is, ook wij zijn in deze wereld’ (1Joh.4:17)

 

Inleiding

Dat, zoals Hij is, ook wij zijn in de wereld! Meer en meer zie ik dat gelovigen theorie en praktijk scheiden, ik bedoel daarmee dat men met de mond de Heer Jezus nog wel als Heer belijdt maar dat men daar in het dagelijks leven niets mee doet. ‘Je kan toch zo ook wel christen zijn, is dan vaak het antwoord. Het is waar dan we niet mogen oordelen over iemand die belijdt een gelovige te zijn, ongeacht zijn houding, hoewel we ons daar wel vragen bij mogen stellen. We zouden ons goed kunnen vergissen wanneer we een oordeel vellen over iemands eeuwige bestemming. Ik denk aan een oudtestamentisch voorbeeld in de persoon van Lot. Op grond van de informatie dat we van hem hebben in het Oude Testament is het moeilijk te geloven dat hij een gelovige was (Gen.19). Maar het Nieuwe Testament geeft uitkomst. Tot driemaal toe wordt van Lot gezegd dat hij een rechtvaardige is. ‘Als Hij de rechtvaardige Lot, gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de zedelozen; want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag uit zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen gekweld met hun wetteloze daden’ (2Petr.2:7-8). Natuurlijk mag men hieruit niet de conclusie trekken dat het dus niet uitmaakt hoe je hier in deze wereld als gelovige leeft; dat is namelijk wel belangrijk! Wat hierboven geschreven is over Lot staat in de context van het niet oordelen over de eeuwige bestemming van een gelovige, of het nu Lot betreft of iemand anders, dat is niet aan ons! Aan de andere kant leert de Schrift heel duidelijk dat theorie en praktijk niet van elkaar gescheiden mogen worden. ‘Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: De Heer kent hen die de zijnen zijn; en: Laat ieder die de naam van de Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid’ (2Tim.2:19). In dit artikel willen we aandacht besteden aan dit onderwerp want tenslotte…

…hebben we een nieuwe natuur ontvangen

Wanneer iemand tot wedergeboorte is gekomen heeft hij deel aan de goddelijke natuur gekregen. ‘Daardoor heeft Hij ons de grootste en kostbare beloften geschonken, opdat u daardoor deel zou krijgen aan de Goddelijke natuur, nadat u het verderf, dat er door de begeerte in de wereld is, ontvlucht bent’ (2Petr.1:4). Die nieuwe natuur is het deel van allen die Jezus Christus als in het vlees gekomen belijden (1Joh.4:2); zij ontvangen de heilige Geest inwonend (1Kor.19). ‘Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die Hem zouden geloven, zouden ontvangen’ (Joh.8:38). Door de wedergeboorte hebben we niet alleen deel gekregen aan de goddelijke natuur, maar hebben we ook kracht ontvangen door de inwonende Heilige Geest om de zonde te overwinnen. ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4), dus u hoeft niet bang te zijn, want ‘als God vóór ons is, wie zou tegen ons zijn? (Rom.8:31). Daarom, goedkoop christendom bestaat niet: ‘Als iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen!’ (Mat.16:24).

…is Christus voor ons gestorven

Om ons in staat te stellen om de Heer Jezus te volgen en te dienen is Christus gestorven. Als mens, zonder Christus, waren we niet in staat om God te behagen, wij waren van nature dood in zonden en misdaden, maar zijn levend gemaakt in Christus (Ef.2:5). Wij zijn uit genade behouden, door het geloof. We zijn een nieuwe schepping, ‘geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef.2:10). Als je deze teksten goed op je laat inwerken hoe kunt je dan zeggen dat de praktijk, jouw dagelijks leven met Christus, er niet toe doet? De Heer Jezus is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt’ (2Kor.5:15). Christus is voor u gestorven niet alleen maar om u in de hemel te brengen, maar opdat u hier in deze wereld voor Hem zou leven. Of, zoals de apostel Paulus het zegt: ‘Want te leven is voor mij Christus en te sterven winst’ (Fil.2:21). ‘Want niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf; want hetzij wij leven, wij leven voor de Heer’ (Rom.14:7-8).

…zijn wij bevrijd van de macht van de boze om Hem te dienen

De Heer jezus heeft ons gered uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde (Kol.1:13). Opdat wij gered uit de hand van onze vijanden, onbevreesd Hem zouden dienen, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al onze dagen’ (Luk.1:74-75). Van de gelovigen te Thessalonika staat geschreven: ‘Hoe zij zich van de afgoden tot God hebben bekeerd om de levende en waarachtig God te dienen, en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1Thes.1:9-10). Wij, wedergeboren mensen, zijn vrijgemaakt van de wet en de zonde, opdat we God zouden kunnen dienen. ‘Want de voorbijgegane tijd is genoeg geweest om de wil van de volken te doen door te wandelen in losbandigheden, begeerten, dronkenschappen, zwelgpartijen, drinkgelagen en misdadige afgoderijen’ (1Petr.4:3). Een gelovige heeft afgedaan met de zonde, om de overige tijd in het vlees niet meer te leven naar de begeerte van de mensen, maar naar de wil van God (1Petr.42).

…is Christus voor ons gekomen

God heeft zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden, opdat wij zouden leven door Hem (1Joh.4:9). ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’ (1Joh.5:12). Heeft u leven uit God? De Heer Jezus is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven maar voor Hem (2Kor.5:15). Leeft u voor Hem? De Heer Jezus is voor ons gekomen opdat wij met Hem zouden leven (1Thes.5:10). Verlangt u naar Hem? Kunt u zich een leven voorstellen zonder Christus’ tussenkomst in deze wereld?

Leven dóór Hem, vóór Hem en mét Hem, de Heer Heeft in alles voorzien: verleden, heden en toekomst.

…beloont Christus ons

Onze behoudenis is door het geloof, uit genade (Ef.2:8) maar dat sluit een beloning niet uit. Beloning waarvoor zult u zeggen, wel, voor bewezen diensten! Uw dienst voor God in deze wereld wordt op hoge waarde geschat en u zult daarvoor beloond worden. ‘Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt, wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2Kor.5:10).

Eenmaal, vroeg of laat, zullen we allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, niet om geoordeeld te worden, want het oordeel over ons is door Christus op het kruis gedragen, maar om beoordeeld te worden. ‘Dus dan zal eenieder van ons voor zichzelf rekenschap geven aan God’ (Rom.14:11). We worden beschouwd als dienaren van Christus en rentmeesters van de verborgenheden van God. Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden’ (1Kor.4:1-2). En zoals geïllustreerd in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester worden geacht rekenschap van ons rentmeesterschap af te leggen wanneer onze taak in het hiernumaals erop zit. ‘Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij, om ieder te vergelden zoals zijn werk is’ (Op.22:12). Helpt u mee te bouwen, want Gods medearbeiders zijn wij en hoe ieders werk is, dat zal het vuur beproeven en als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft standhoudt, zal hij loon ontvangen. (1Kor.3:5-15).

…hebben wij Gods Geest ontvangen

Voordat de Heer Jezus terugkeerde naar de Vader, vanwaar Hij gekomen was heeft Hij tot zijn discipelen gezegd: ‘u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde’ (Hand.1:8). Zo is dan ook gebeurd, enige dagen later werd de Heilige Geest uitgestort en zien we totaal andere discipelen dan voordien. Wat Gods Geest kan bewerken is ongekend! Maar dat beperkt zich niet tot de eerste discipelen, het kan het deel worden van elke gelovige, van u! De Heer Jezus keerde in de kracht van de Geest terug uit de woestijn, waar hij veertig dagen verzocht was geweest door de duivel. Dat de Heer Jezus in die verzoeking de Grote Overwinnaar was, was te danken aan drie dingen, die ook u ter beschikking staan! (1) De Heer Jezus werd door de Geest geleid, Hij bezat kennis van Gods Woord – er staat geschreven – en (3) Hij had de goedkeuring en aanwezigheid van de Vader. Daardoor kan ook u met Paulus zeggen: ‘Ik vermag alles die mij kracht geeft’ want ‘zonder Mij kunt u niets doen!’ (Fil.4:13; Joh.15:5). U bent toch niet onbekend met het feit dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God met uw lichaam! (1Kor.6:1-20).

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Zacharia en Elizabeth 

Lukas 1

 

 

 

‘Ze zullen in de ouderdom nog vrucht dragen’

(Psalm 92:15)

Inleiding

Oudere broeders en zusters hebben al gauw de neiging om zich overbodig te voelen. Dat heeft vaak als oorzaak dat ze beperkt zijn geworden door hun ouderdom in hun fysieke mogelijkheden. Die waarneming is dan ook wel juist. Paulus spreekt dat onze aarde tent afgebroken wordt (2Kor.5:1) en het boek Prediker geeft ons daarvan een beschrijving (Pred.12:1-7). Psalm 90 vat het zo samen: ‘De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed’ (90:10). Allemaal waar, maar dat zegt nog niets over de geestelijke vermogens, en daarvan geeft de Bijbel op diverse plaatsen ook getuigenis dat gelovigen in hun ouderdom nog vrucht kunnen dragen (Ps.92:15). In het Oude Testament geven onder meer Mozes en Kaleb daarvan getuigenis. Van de eerste staat geschreven: ‘Mozes was honderd twintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken’ (Deut.34:7). Van de tweede, Kaleb, lezen we: ‘Welnu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud; ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan’ (Joz.14:10-11). In het Nieuwe Testament, in het evangelie naar Lukas, vinden we ook oude gelovigen die nog volop actief zijn. Denkt u maar aan Simeon en Anna die aanwezig waren bij de besnijdenis en de opdracht van de Heer Jezus in de tempel. En wat te denken van Zacharia en Elizabeth, een echtpaar waarmee Lukas ‘zijn’ evangelie begint? Bent u ook op leeftijd gekomen en gelooft u dat u dan niets meer kunt betekenen in het koninkrijk van God, dan heeft u het mis, want je bent nooit te oud…

Nooit te oud om te geloven – (Luk.1:5-7)

‘In de dagen van Herodes, koning van Judea, was er een priester, Zacharia genaamd, uit de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elizabeth. Zij nu waren beide rechtvaardig voor God, wandelend in alle geboden en inzettingen van de Heer, onberispelijk. En zij hadden geen kind, omdat Elizabeth onvruchtbaar was en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen’

De gedachte dat oude mensen niet alleen fysiek maar ook geestelijk achteropraken is niet juist. Er zijn gelukkig, ook vandaag nog, veel gelovigen die ook in hun oude dag geestelijk nog vitaal zijn. Het hangt veel van je instelling af hoe je bent, en veel oudere gelovige zijn voorbeelden voor hun nageslacht. Ook de Bijbel geeft daarvan positieve voorbeelden te zien. We beginnen met Henoch, waarvan we lezen: ‘Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen’ (Gen.5:21-24). Ja, Henoch wandelde met de God driehonderd jaar en toen werd hij opegnomen!

Verder is te denken aan Mozes die honderd twintig jaar oud was toen hij stierf; zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken (Deut.34:10). En wat te denken van Kaleb, die volkomen trouw bleef aan de Here en toen hij vijfentachtig jaar oud was kon hij getuigen: ‘ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan’ (Joz.14:11). Ze vragen oude mensen vaak wat is het geheim dat u zo oud bent geworden? Wat was het ‘geheim’ van Henoch, Mozes en Kaleb? Ik denk dat ze trouw aan de Heer bleven en voor zijn aangezicht wandelden totdat Hij hen wegnam. ‘Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest van geslacht tot geslacht’ (Ps.90:1) en ‘De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, opschieten als een ceder van de Libanon; geplant in het huis des Heren groeien zij in de voorhoven van onze God, zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, fris en groen zullen zij zijn; om te verkondigen, dat de Here waarachtig is, mijn rots, in wie geen onrecht is’ (Ps.92:13-16).

Nooit te oud om te dienen - (Luk.1:8)

‘Het gebeurde nu, toen hij de priesterdienst vervulde voor God verrichtte in de beurt van zijn afdeling, dat hij naar de gewoonte van het priesterambt door het lot werd aangewezen om te reukofferen’ (Luk.1:8-9) 

In zijn brief aan Titus deelt de apostel Pauls de gelovigen in een aantal categorieën in: slaven, jongere mannen en vrouwen, en ook oude mannen en vrouwen (Tit.2) en hij vermeld ook wat er van hun verwacht wordt. Voor de oude mannen is dat ze nuchter zijn, eerbaar, ingetogen, gezond in het geloof, in de liefde en in de volharding. Voor de oude vrouwen, onder meer dat ze leraressen van het goede zijn, de jonge vrouwen inscherpen hun mannen en kinderen lief te hebben enz. Met andere woorden: actief bezig zijn, je geloof in God uitwerken, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren! (Tit.2:10).

Een prachtig voorbeeld van twee oude gelovigen die nog volop actief zijn vinden we in Simeon en Anna, tijd- en leeftijdgenoten van Zacharia en Elisabeth (Luk.2:25-38). Anna was al vierentachtig jaar, maar geestelijk nog niet op pensioen! Ze week niet uit de tempel, ze diende God met vasten en bidden, nacht en dag! Ze had een levendige verwachting van de komst van de Messias waarover ze met allen sprak die ook in die verwachten leefden. Wat een voorbeeld om te volgen, voor ons die ook leven in de verwachting en uitzien naar de komst van de Heer. Simeon had diezelfde verwachting, uitzien naar de vertroosting van Israël, dat is de komst van de Messias. Daarbij kwam dat hij zelfs een Goddelijke aanwijzing ontvangen door de Heilige Geest dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer had gezien. Simeon en Anna zijn te vergelijken met die slaven die hun lendenen omgord hadden en hun lampen brandend. En te vergelijken waren met mensen die op hun heer wachten, om hem, als hij komt en klopt, meteen open te doen. (vgl. Luk.12:335-37).

Nooit te oud om te bidden - (Luk.1:8-13)

‘De engel zei echter tot hem: Wees niet bang, Zacharia, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven. En hij zal u tot blijdschap en vreugdegejuich zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden’

Dat door het gebed van een rechtvaardige veel tot stand kan komen (Jak.5:16) weten we uit de geschiedenis van de profeet Elia (1Kon.18:42-45). Maar ook de kerkgeschiedenis getuigd daarvan. Ik heb eens gelezen dat de opwekking in Wales, in het begin van de negentiende eeuw, mede tot stand is gekomen door een zuster die daar jarenlang voor had gebeden. Ook na de val van de muur in Berlijn in 1989, hoorde ik dat een groep gelovigen in de stad voor die val van de muur hadden gebeden. Nadat de Samuël afscheid van het volk genomen had sloot hij die periode af met de woorden: ‘Wat mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen de HERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden’ (1Sam.12:23). Niet bidden, zag Samuël als zonde. Die gedachte komt overeen met wat we in de brief van Jakobus vinden, waar staat: ‘Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde’ (Jak.4:17). Zacharia en Elizabeth hadden een groot verlangen ze wilden graag een kind, maar Elizabeth was onvruchtbaar. Naarmate ze ouder werden, Elizabeth was al op hoge leeftijd gekomen en ook Zacharia was oud (vs.18), bleek die kinderzegen voor hen niet meer weggelegd. Maar ze geloofden in gebed en hadden hun verlangen bekend gemaakt bij God (Fil.4:6) en bij monde van de engel Gabriël werd Zacharia meegedeeld dat hun gebed was verhoord en dat Elizabeth een zoon zou baren. Twijfel en ongeloof slaan bij Zacharia toe, zoals vele jaren eerder bij Sara het geval was (Gen.18:10-15), wanneer hij deze blijde boodschap te horen krijgt. Hij wordt letterlijk met stomheid geslagen, maar hun gebed was verhoord!

Nooit te oud om in het ondenkbare te geloven - (Luk.1:15-16)

‘Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van de Heer, en wijn en sterke drank zal hij geenszins drinken, en hij zal met de Heilige Geest worden vervuld, al van de moederschoot af. En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot de Heer, hun God.’

Menselijkerwijs gesproken was het niet meer mogelijk voor Zacharia en Elizabeth om nog een kind te krijgen, maar ‘Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn?’ (Gen.18:14; Luk.1:37). In onmogelijke situaties moeten we maar doen wat de vader van de maanzieke jongen deed en tegen de Heer Jezus zei, ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’ (Mark.9:24). Na enige tijd kregen Zacharia en Elizabeth dan toch nog een zoon, en wat voor een zoon! De Heer Jezus getuigde van hem: ‘Ik zeg u: onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de doper; maar de geringste in het koninkrijk der hemelen is groter dat hij’ (Mat.11:11). Door de engel Gabriël was de bijzondere roeping en taak van Johannes al voorzegt: ‘En hij zal u tot blijdschap en vreugdegejuich zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van de Heer, en wijn en sterke drank zal hij geenszins drinken, en hij zal met de Heilige Geest worden vervuld, al van de moederschoot af. En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren bekeren tot de Heer, hun God’ (Luk.1:14-16). Met andere woorden: Hij was de voorloper die de Messias zou aankondigen! Toen de mensen hem vroegen wie hij was, beleed hij: ‘Ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben het niet. Bent u de Profeet? En hij antwoordde: Nee. Zij zeiden dan tegen hem: Wie bent u, opdat wij antwoord kunnen geven aan hen die ons gestuurd hebben; wat zegt u van uzelf? Hij zei: Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft. (Joh.1:20-16). Johannes zei met het oog op de Heer Jezus: ‘Hij moet meer, maar ik minder worden’ (Joh.3:30). Het is te wensen dat dit ook in ons leven als gelovige zo mag zijn of worden.

Nooit te oud om te getuigen - (Luk.1:64, 67)

‘Onmiddellijk echter werd zijn mond geopend en zijn tong losgemaakt en hij sprak, terwijl hij God loofde. En Zacharia werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde’

Er wordt nogal wat gezongen in het Lukas evangelie, alleen al in de eerste twee hoofdstukken vinden we vijf lofzangen, waarvan ook één van Zacharias. ‘Zijn mond werd geopend en zijn tong losgemaakt en hij sprak, terwijl hij God zegende’ (1:64). Maar de inhoud van wat Zacharia zegt gaat niet over zijn zoon, Johannes, maar over Gods Zoon, de Messias van Israël die verlossing voor het volk Israël zou bewerken. Het is een lofzang en een profetie over de verlossing van Israël (vs.68-70), van overwinning over hun vijanden (vs.77-79), van vergeving van zonden en herstel (vs.76-77) en tenslotte over de toekomst (vs.78-79). En van die Messias was Johannes de voorloper en aankondiger, is dat geen reden om te juichen en te zingen? ‘Verheug u in de Here en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart’ (Ps.32:11).  Met een lofzang sluit Zacharia zijn getuigenis af, voor zover dat in de Heilige Schrift is opgenomen. Hoe sluiten wij ons aardse getuigenis af, ook met een lofzang aan God? Wij hebben een prachtig getuigenis van een tijdgenoot van Zacharia, namelijk Anna en van haar is in het evangelie naar Lukas het volgende vermeld: ‘En er was een profetes, Anna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met haar man had geleefd. En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden God diende, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die de verlossing van Jeruzalem verwachtten’ (Luk.2:36-38).

____________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Het leven is meer…

 

 

Inleiding

Salomo had alle middelen en het gezag om alles te kunnen doen wat zijn hart hem ingaf. Hij besloot zijn eigen hart te onderzoeken om te zien welk antwoord hij zou kunnen geven op twee alledaagse ervaringen: genot (vs.1-3) en arbeid (vs.4-11). Dit onderzoek deed hij met de wijsheid die hij van God had ontvangen (vs.3, 9) maar het bracht hem ertoe het leven te haten totdat hij God ontdekte.

‘Want wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem?’ (Pred.2:25).

Een opmerking vooraf

Veel lezers van het boek Prediker hebben het moeilijk met de schijnbare negatieve houding die Salomo had van het leven. De oorzaak daarvan is dat Salomo het leven bespreekt en alles wat er gebeurt zonder God erbij te betrekken, hij noemt dat ‘onder de zon’. ‘Ik nam in ogenschouw alle daden, die onder de zon verricht worden’ (Pred.1:14). Als we zonder God ons bestaan als mens bezien dan is alles zonder doel of betekenis en onuitsprekelijk vermoeiend. ‘IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!’ (Pred.1:2). Het leven krijgt pas betekenis wanneer God daarin een plaats krijgt anders leef je in eindeloze cirkels. God gaf het leven om ervan te genieten en om ermee te investeren (1 Tim.6:17-19), maar Salomo besloot ermee te experimenteren. Hij beproefde zijn hart om plezier te maken (vs.1-3), met werken (vs.4-6) en met het vergaren van rijkdom (vs.7-9) en hij ontdekte dat dit alles geen voldoening geeft.

1. Salomo onderzocht het leven (2:10-13-7-11)

‘En niets dat mijn ogen wensten, ontzegde ik ze, noch hield ik mijn hart van enige vreugde terug, ja, mijn hart verheugde zich over al mijn zwoegen, en dit was wat al mijn gezwoeg mij opleverde. Toen ik mij nu wendde tot alle werken die mijn handen hadden gewrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen – zie, alles was ijdelheid en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon’ (Pred.2:10-11).

De wereld is feestziek. Miljoenen mensen zijn in staat alles te geven om feest te vieren om hun zorgen en problemen te vergeten. Er is niets mis met vreugde te hebben in je leven, maar als dat alles is waar je je leven op bouwt dus zal je uiteindelijk teleurgesteld worden. Salomo bezat genoeg vermogen om zich alles te kunnen veroorloven wat zijn hart maar wenste (2:4-10) en toch moet hij erkennen dat alles wat hij had ondernomen dat het allemaal maar lucht en najagen van wind was. Het had geen enkel nut onder de zon (2:11). Veel mensen in onze wereld hebben ‘meer liefde voor genot dan voor God.’ (2 Tim.3:4). In Petrus’ tijd achten ze het een genot op klaarlichte dag te zwelgen’ (2 Petr.2:13). De gelijkenis van de zaaier en het zaad leert ons dat ook veel gelovigen, geestelijk het onderspit delven door ‘het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere’ (Mark.4:19). Genot zoekt zichzelf, bevredigt niet en voorziet niet in de geestelijke behoeften van de mens. ‘Niet alleen van brood zal de mens leven’ (Mat.4:4). Het ziet er allemaal zo goed uit aan de buitenkant  in de wereld waarin wij wonen maar de praktijk leert ons anders, iedere dag drie zelfmoorden in België. Uiterlijke schijn en materiele welvaart zijn bedrieglijk want:‘ook onder het lachen kan het hart pijn lijden en het einde der vreugde kan kommer zijn’ (Spr.14:13). Tegen de gelovige zou ik willen zeggen: ‘Je kunt met geld veel dingen kopen, maar zorg ervoor dat je de dingen die je niet kunt kopen niet verliest.’

‘Ik deed grote dingen: ik bouwde huizen, plantte wijngaarden, legde hoven en parken aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen, ik groef watervijvers om daaruit een bos met jonge bomen te bevloeien’ (Pred.2:4-6).

Er is niets mis met arbeid want: ‘de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren’ (Gen.2:15).  Salomo kwam tot de conclusie toen hij zich: ‘wendde tot alle werken die mijn handen hadden gewrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen – zie, alles was ijdelheid en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon’ (2 :11). Veel mensen zijn werkziek en lijken op de rijke dwaas waarvan Jezus zei: Het land van een rijk man had veel opgebracht. En hij overlegde bij zichzelf en zeide: Wat moet ik doen, want ik heb geen ruimte om mijn vruchten te bergen. En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het koren en al mijn goederen bergen. En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opgetast voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk. Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zó vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God’ (Luk.12:13-21). Salomo gaf drie redenen van zijn afkeer van rijkdom (1) je kan de verworven rijkdom niet behouden (vs.18), (2) je kan je rijkdom niet zeker stellen (vs.19-20) en we kunnen er niet zo van genieten al we zouden willen (vs.21-23).

2. Salomo haatte het leven. (2:12-23)

‘Daarom kreeg ik een afkeer van het leven, want kwaad scheen mij het werk, dat onder de zon geschiedt: het is alles ijdelheid en najagen van wind. Ja, ik kreeg een afkeer van al mijn zwoegen, waarmee ik mij had afgetobd onder de zon, daar ik het moet achterlaten voor de mens die na mij zijn zal, en wie weet, of hij wijs zal zijn of dwaas, en toch zal hij macht hebben over alles waarvoor ik gezwoegd heb en waarin ik wijs geweest ben onder de zon. Ook dit is ijdelheid. Zo kwam ik ertoe zelf te vertwijfelen vanwege al het zwoegen, waarmee ik mij afgetobd had onder de zon. Want is er een mens, die zich voor iets aftobt met wijsheid en kennis en bekwaamheid, dan moet hij het als diens deel nalaten aan een mens, die zich daarvoor niet afgetobd heeft. Ook dit is ijdelheid en een groot kwaad. Wat toch heeft een mens voor al zijn zwoegen en voor het streven van zijn hart, waarmee hij zich aftobt onder de zon, wanneer hij gedurende al zijn levensdagen zijn werk doet in smart en verdriet, en zelfs des nachts zijn hart geen rust vindt? Ook dit is ijdelheid.’

3. Salomo accepteerde het leven. (2:24-26)

‘Want het leven is meer dan voedsel en het lichaam meer dan kleding’ (Luk.12:23).

In het begin van het boek Prediker is God nog niet in beeld, maar geleidelijk aan verandert dat. In totaal wordt God achtentwintig keer vermeld in dit bijbelboek. En als God in beeld komt in Salomo’s beschouwing over het leven komt er keer in zijn denken en vallen de puzzelstukjes op hun plaats. In Psalm 73 worstelde Asaf ook met een soortgelijk probleem toen hij zag dat het de goddelozen altijd voor de wind ging ondanks hun leven zonder God. Hij zei: ‘Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette’ (Ps.73:16-17). Toen Asaf en ook Salomo hadden geleerd deze wereld met ‘Gods ogen’ te zien en te beoordelen kwam er een keer in hun denken. Het leven kreeg weer zin, arbeid was niet vruchteloos en welvaart bleek een zegen te zijn. Voor wat betreft rijkdom en welvaart zegt het Nieuwe Testament: ‘God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam’ (1 Tim.6:17-18), van de arbeid: ‘Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’ (1 Kor.15:58) en van het leven: ‘Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’ (Fil.1:21).

‘De mens heeft het niet in zijn macht om te eten en te drinken en zich te goed te doen bij zijn zwoegen; dit heb ik wel ontwaard, dat het van de hand Gods komt. Want wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem? Want aan een mens die Hem welgevallig is, geeft Hij wijsheid, kennis en vreugde; maar hem die niet welgevallig is, geeft Hij de taak om te verzamelen en bijeen te brengen, ten einde dit te geven aan wie Gode welgevallig is. Ook dit is ijdelheid en najagen van wind’ (Pred.2:24-26). 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

‘Verwachtende de gelukkige hoop!’

 

 

 

Inleiding

Futuristen, dat zijn hen die geloven dat de situatie in deze wereld steeds slechter wordt, naarmate de komst van Christus dichterbij komt, worden vaak verweten dat zij een negatief wereldbeeld hebben. Het is waar: futuristen hebben een negatief wereldbeeld, maar een hoopvol toekomstbeeld! Er zijn andere christenen die een positief wereldbeeld hebben, de postchiliasten en/of de preteristen. Dezen gaan ervan uit dat het evangelie steeds meer invloed zal krijgen en dat daardoor de wereld er naar de toekomst toe steeds beter zal gaan uitzien, als voorbereiding van de komst van de Heer Jezus. Gelukkig hebben beide visies dat gemeen, dat men nog gelooft in een komst van de Heer Jezus, maar wat betreft veel andere zaken gaan de wegen uiteen. Om te weten te komen wat waar en niet waar is, zullen we toch die gemeenschappelijke ‘bron’ moeten raadplegen waarop wij onze respectievelijke visies hebben gebaseerd en moeten toetsen, de Bijbel en daar gaan we in dit artikel vanuit.

Dan is er nog een andere groep mensen en dat zijn de ongelovigen. En voor wat betreft die groep kunnen we in het algemeen toch wel zeggen dat ze met vrees de toekomst tegemoetzien. Met beroep op de Bijbel zou ik zeggen dat dat de mensen zijn ‘die het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen zullen’ (Luk.21:26). Ze hebben uiteraard geen theologisch onderbouwde mening, maar ze zijn wel bezorgd over de toekomst van deze planeet. We hebben de laatste tijd dan ook al heel wat demonstraties gezien waardoor deze groep hun zorg voor wat betreft het klimaat en milieu, naar de politici toe, hebben duidelijk gemaakt.

Mijn mening is, dat voor gelovigen, een negatief wereldbeeld en een hoopvol toekomstbeeld best kunnen samengaan, sterker nog, dat zo’n beeld overeenkomt met de Bijbelse gegevens.

Wereldsituatie

De laatste decennia, of misschien beter, sinds de Club van Rome haar rapport ‘De grenzen aan de groei’ had uitgebracht in 1972, heeft dat rapport ervoor gezorgd dat het milieu wereldwijd op de politieke agenda kwam te staan. De mensheid is dan ook vanaf die tijd overspoeld met allerlei negatieve effecten die onze wereld bedreigen. Nu, zevenenveertig jaar later is het dagelijkse kost. We worden geconfronteerd met berichten over de opwarming van de aarde, het smelten van de ijskappen, het stijgen van de zeespiegel, wat leidt tot overstromingen en erosie, verandering van het klimaat, het opraken van olie- en gasvoorraden, overbevolking, hittegolven of langdurige droge periodes wat hongersnood en milieu-emigratie in de hand werkt, en ga zo maar door. Toename van het aantal conflicthaarden in de wereld en daarmee gepaard gaande de wapenwedloop en een crisissen van humanitaire aard, want 1 op 122 mensen is vluchteling, ontheemd of asielzoeker. Wereldwijd zijn 60 miljoen mensen op de vlucht voor oorlog, geweld of vervolging, ongezien sinds de Tweede Wereldoorlog. Een recent en zeer zichtbaar gevolg daarvan zijn de vluchtelingen die een veilig onderkomen proberen zoeken in Europa. Een Europa dat er maar niet in slaagt om een afdoend antwoord te bieden op deze humanitaire crisis. Verder denken we nog aan de al jarenlange toename van spanningen in het Midden-Oosten. En zo zouden nog verder kunnen doorgaan met het vermelden van dergelijke problemen. Het is dan ook niet vreemd dat veel mensen, (ongelovigen) met zorg en angst de toekomst tegemoet zien, en als het henzelf (nog) niet treft dan toch zeker de kleinkinderen… Ja, waar gaat het met deze wereld naar toe? De ongelovigen weten het niet want ‘zij kennen de gedachten des Heren niet’ (Micha 4:12). De Schrift spreekt in de brief aan de Romeinen van het ‘zuchten van de schepping, en ik ben geneigd te denken dat het ‘zuchten’ heen wijst naar een schepping in barensnood, zoals we dat nu al beginnen te ervaren (Rom.8:22). Dat lijkt negatief, maar ‘barensnood’ wil ook zeggen dat er iets nieuws op komst is: een nieuwe hemel en aarde waarop gerechtigheid woont!

De optimisten (de achiliasten of preteristen)

Je moet wel een groot geloof hebben wanneer je vanuit je theologische visie ervan uitgaat dat het met de wereld steeds beter zal gaan, en dat het christendom steeds meer invloed zal gaan krijgen, want als ik de krant lees of het nieuws op de TV volg twijfel ik daar ernstig aan. Het ‘vooruitgangsgeloof’, de opvatting, gedachte of wens dat aan de menselijke samenleving, de wereld, of de werkelijkheid als zodanig een proces ten grondslag ligt dat zich door de tijd heen ontwikkelt naar hogere stadia van volmaaktheid, heeft ná de eerste wereldoorlog, en nog sterker ná de tweede wereldoorlog, aan geloofwaardigheid verloren.De theologische basis waarop ‘de optimisten’ zich baseren is ten diepste het gevolg van hun verwerping van de idee van een werkelijk toekomstig rijk van Christus: een duizendjarig vrederijk. Maar als je dat verwerpt zul je het ergens anders moeten plaatsen en sommigen zien dat rijk ook nu al gerealiseerd, of men vergeestelijkt het tot de vrede van Christus die in het hart van de gelovige aanwezig kan zijn. Vooral na de komst van Constantijn de Grote in 312 n.Chr. kwam die gedachte op, die werd versterkt door het onderwijs van Augustinus, in zijn boek ‘De Stad of het rijk Gods’ (420). Die idee was begrijpelijk gelet op de toenmalige omstandigheden, waar na vele eeuwen vervolging een periode van vrede, voorspoed en verandering aanbrak voor de christenen. Maar het was een theologie gebaseerd op omstandigheden en niet op de Schrift. Het geloof in een toekomstig 1000-jarig vrederijk is verworpen door zowel de Roomse- als de Protestante kerken. Calvijn schreef… ‘een weinig later zijn de chiliasten gevolgd, die het Rijk van Christus beperkt hebben tot duizend jaren. Maar hun verzinsel is te kinderachtig dan dat het weerlegging nodig zal hebben of waardig zijn’. Geen echte argumenten alleen maar denigrerende opmerkingen, en om het met Calvijns eigen woorden te zeggen: ‘die zijn ook geen weerlegging of waardering waardig’. De Lutheranen verwierpen het chiliasme formeel in artikel XVII van de Augsburgse confessie: Bedoeld wordt de heerschappij van Christus en het Vrederijk. Hoe dan ook om vandaag te geloven dat het Vrederijk nu al is aangebroken, daarvoor heb ik het ‘geloof’ niet, en zeker niet om te geloven dat de satan gebonden zou zijn. Iemand heeft ooit eens gezegd: ‘Er zijn er die geloven dat de satan gebonden is, maar dan is hij wel gebonden aan een heel lange ketting…!’ Hij las de krant naast de Bijbel!

De negatieven (de futuristen of chiliasten)

Dat zijn hen die geloven en denken dat een negatief wereldbeeld best gepaard kan gaan met een positieve toekomstverwachting. Stephen Hawking, de in 2018 overleden natuurkundige, kosmoloog en wiskundige, heeft eens gezegd ‘dat de toekomst van de mens in de ruimte ligt’, en dat ben ik helemaal met hem eens. Ik zal zeker wel wat anders bedoelen dan hij, want mijn toekomst is bij Christus in zijn heerlijkheid en niet op aarde (Joh.14:3; 17:24). Ja, ik geloof in een wereld waarin geweld en ongeloof steeds meer zullen toenemen, en ja, ik geloof in een spoedige komst van Christus, en ik meen dat ik de Schrift aan mijn kant heb. Ik noem enkele bijzonder unieke gebeurtenissen die alle plaats hebben gevonden ná de Tweede Wereldoorlog en in onmiddellijk verband staan met de aanstaande komst van Christus. (1) De uitroeping van de staat Israël in 1948. (2) Het ontstaan van de Europese Unie dat een mogelijke voorloper is van een hersteld Romeins rijk dat door de profeet Daniël is voorzegt. (3) Het onder Israëlisch bestuur brengen van Oost-Jeruzalem in 1967. (4) Het fenomeen van de Messias-belijdende christenen, vooral ná 1967. (5) Het verval van het christendom, vooral in Europa, zowel in kwantiteit als kwaliteit. Laat we een paar voorbeelden uit het Oude Testament bekijken, gebeurtenissen en personen die door de Heer Jezus worden aangehaald in verband met zijn komst in de toekomst.

Het getuigenis van Noach Laten we beginnen met Noach die leefde in de ‘toenmalige wereld’, zoals Petrus die wereld duidt van vóór de zondvloed, of de ‘oude wereld’, ‘de wereld van de goddelozen’ (2Petr.2:5, 3:6). De Heer Jezus, gebruikt de situatie van die tijd om aan te geven dat het ook zo zal zijn wanneer Hij zal komen. Het oordeel stond voor de deur maar de mensen ‘waren etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend’, met andere woorden ze leefden alsof er niets aan de hand was en hadden geen gehoor gegeven aan de prediker van de gerechtigheid, Noach (2Petr.2:5). Zij merkten het daarom ook niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam (Mat.24:39). Het getuigenis van de Schrift laat niets aan duidelijkheid te wensen over hoe het er in Noachs wereld toeging: ‘Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb’ (Gen.6:5-7, 11-12). Het mag duidelijk zijn dat Noachs wereldbeeld negatief was: ‘hij zag de bui al hangen!’, maar hij had ook goede hoop want hij had genade in de ogen des Heren gevonden (Gen.6:8). Want de Here ging een watervloed over de aarde brengen, om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is zal omkomen. Maar God had met hem een verbond opgericht, hij moest een ark bouwen, waardoor hij behouden zou worden.

Het getuigenis van Lot: ‘Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden’ (Luk.17:28-30). Ook Lot zal een negatief beeld gehad hebben over de wereld waarin hij leefde, hij kwelde zijn ziel (2Petr.2:8), maar zijn verwachting was positief, hoe zwak zijn geloof en getuigenis als gelovige ook was (Gen.19:12-29). Lot ontkwam aan het oordeel omdat de Here hem wilde sparen en door het gebed van Abraham (Gen.19:16, 27-29).

De les van de vijgenboom: De Heer Jezus verwijst ons in zijn eindtijdrede bovendien nog op de gelijkenis van de vijgenboom dat ook rechtstreeks in verband staat met zijn aanstaande komst (Mat.24:32-35; Luk.21:29-31). Naast een wijngaard mogen we in de vijgenboom het beeld van het volk Israël zien. (Jer.8:13; Hos.9:10; Nah.3:12). Vooral het evangelie van Lukas is zeer verhelderend in dat verband. ‘En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Ziet de vijgenboom en alle bomen. Wanneer zij al uitlopen en u dit ziet, dat weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is. Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat alles is gebeurd. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Luk.21:29-33). De vijgenboom en alle bomen. Als de vijgenboom Israël is dan moeten we bij de andere ‘bomen’ wel aan de volken denken die rondom Israël zijn ontstaan in de twintigste eeuw, zoals Libanon (1943), Jordanië (1921), Syrië (1961), Iran (1979) en Irak (1932); stuk voor stuk vijanden van Israël (Jer.12). Als deze uitlopen zegt de Heer Jezus dan is de zomer nabij, dat wil zeggen een nieuw begin is aanstaande. Het is een negatief idee, het ontstaan van de vijanden van Israël, maar het positieve is dat de zomer, een nieuw begin, aanstaande is. Hetzelfde zien we in de beschrijving van de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen waarin hij spreekt over het zuchten van de schepping maar hij vergelijkt het met de barensnood van een vrouw en dat duidt op een nieuw begin! (Rom.8:19-23).

Tenslotte

Naarmate de tijd vordert zullen we meer en meer geconfronteerd worden met een wereld die steeds verder verzinkt in allerlei ellende, maar voor de gelovigen is er een positief einde. ‘En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van zee (een beeld van de volken – Jes.17:12) en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij (Israël) de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met kracht en grote heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij’ (Luk.21:25). De verlossing voor de gelovigen die nú leven is de Opname, voor Israël Jezus’ komst in heerlijkheid op aarde na de Grote Verdrukking.

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Vijf adviezen voor de Hebreeërs

 

 

Inleiding

God spreekt! Indrukwekkend. Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst der dagen tot ons gesproken in Zoon. God spreekt, daarmee begint deze brief en eindigt hij (1:1; 12:25). Spreken in onze tijd doet God hoofdzakelijk door zijn Woord, echter wel met de vermelding dat we andere mogelijkheden nooit uit mogen sluiten. De vraag is: Luisteren en gehoorzamen wij wanneer Go tot ons spreekt? Laten wij daarom kennisnemen van Gods woord en ‘laat het woord van Christus rijkelijk in u wonen’ (Kol3:16).

Waarom is dat Woord zo belangrijk? Het is wel zeker dat niemand meer de belangrijkheid van het Woord van God heeft geweten dan de Heer Jezus. Hij, Die heeft kunnen zeggen: ‘Uw wet is in mijn binnenste’ (Ps40:9). En als de Heer Jezus het Woord van God voor zo belangrijk hield hoeveel temeer hebben wij het nodig ons met Gods Woord te voeden! Maar louter het lezen van de bijbel is niet voldoende! Het Woord van God is het middel waardoor wij tot een betere en diepere kennis van Christus dienen te komen, omdat het in de al de Schriften om Hem gaat! (Joh.5:39-40; Luk.24:24:27,44; Hand.13:27; 1Petr.1:11).

Door dat woord zijn we tot wedergeboorte gekomen en het is niets meer dan normaal, dat we als pasgeboren kinderen daarnaar verlangen om zo op te groeien in de genade en kennis van de Heer Jezus (1Petr.1:23; 2:1-2; 2Petr.3:18). Door onze wedergeboorte zijn we in een relatie gekomen met Christus en deze relatie dient onderhouden te worden wil het goed zijn, en daartoe is de toepassing van het Woord van God in ons leven noodzakelijk.

De vijf, hieronder aangehaalde aansporingen, staan allemaal in relatie tot het ‘spreken van God’ tot ons, dus door zijn Woord tot en voor ons. De schrijver wilde de gelovigen van toen, die in erg moeilijke omstandigheden leefden bemoedigen, om vast te houden aan het Woord, en wil dat het zoveel eeuwen later ook voor ons zo mag zijn.

Niet afdrijven - Luister naar het Woord (Hebr.2:1-4)

Dit is de eerste van de vijf aansporingen voor gelovigen en het roept op om aandacht te schenken aan wat God tot hen zegt in zijn Woord. Het gevaar was reëel aanwezig dat de Joodse gelovigen, waaraan de brief van de Hebreeën gericht was, zouden kunnen afdrijven naar de Wet die door engelen gegeven was (Gal.3:19). Christus’ woord van behoudenis was beter en stond boven de Wet, Hij was immers méér dan de engelen, en Gods laatste woord? (1:1, 5-14). In de oudtestamentische tijden rekende God af met hen die ongehoorzaam waren aan zijn Woord. God verwachte gehoorzaamheid aan zijn woord en als dat niet gebeurde volgden er allerlei sancties. Het hoofdstuk over de zegen en de vloek spreekt daarover in duidelijke bewoordingen (Deut.28). Het gaat hier niet over het Woord verwerpen maar veronachtzamen, of met andere woorden negeren (vs.3) waardoor we het gevaar lopen af te drijven. Afdrijven van het woord doet denken aan: ‘Van de koers afraken.’ Van Dale zegt: ‘door de werking van stroom of wind dwars uit de gestuurde koers gedreven worden’, of wat het nog duidelijker maakt in ons geval: ‘met de stroom afdrijven, met de tijdgeest meegaan.’ Door af te drijven gaat u het doel missen. Er zijn meerdere oorzaken te noemen waardoor wij van onze koers af kunnen raken, maar in deze verzen gaat het erom dat we vasthouden aan het Woord van de Heer dat bevestigd is door hen die het gehoord hebben terwijl God bovendien meegetuigde. In deze laatste dagen hebben wij een nog grotere verplichting om te luisteren, omdat wij de gehele Schrift tot onze beschikking hebben en de volledige openbaring van God in Jezus Christus. Maakt u ernst met wat God tegen u zegt, want als het woord door de engelen gesproken vaststond en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, hoe zullen zij ontkomen als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen?

Niet afvallen - Geloof het Woord (Hebr.3:7-4:13)

‘Elf dagreizen is het van Horeb in de richting van het gebergte Seïr tot Kades-Barnea.’ (Deut.1:2) Toch hebben de Israëlieten er veertig jaar over gedaan om in het beloofde land te komen! Waardoor? Door ongeloof! Ze kenden de beloften van God maar geloofden het niet (Ex.2:17; Deut.1:22). Eeuwen later vinden we nakomelingen van de Israëlieten in de persoon van Overpriesters en Schriftgeleerden, in een identieke situatie, bijvoorbeeld toen de wijzen uit het oosten door Herodes gevraagd werden waar de Christus geboren zou worden. De Schriftgeleerden wisten exact te zeggen waar dat was, maar ze gingen niet samen met de wijzen op weg om Hem te aanbidden! (Mat.2:3-5). Wat voor een afstand ligt er bij ons tussen kennen en doen?

Hoe anders zou het gegaan zijn wanneer het volk naar Jozua en Kaleb geluisterd hadden, een lange reis van veertig jaar door de woestijn met als de problemen die dat met zich mee heeft gebracht, waren dan voorkomen geweest. Ondanks dat God het volk op een wonderlijke manier uit Egypte had verlost waren ze niet geneigd Hem te gehoorzamen en God op zijn woord te geloven. De oorzaak? Hun hart! Psalm 95:7-11 laat ons heel duidelijk de geestelijke gezindheid van het volk zien. ‘Och, of gij heden naar zijn stem hoordet! Verhardt uw hart niet, gelijk bij Meriba, gelijk ten dage van Massa, in de woestijn, toen uw vaderen Mij verzochten, Mij op de proef stelden, ofschoon zij mijn werk hadden gezien. Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht, Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijn wegen niet’. Vandaar dat de auteur van de brief aan de Hebreeën de gelovigen oproept en waarschuwt met de woorden: ‘Kijkt u uit, broeders, dat niet misschien in iemand van u een boos, ongelovig hart is, om af te vallen van de levende God’ (vs.12).

Niet traag worden - Groeien in het Woord (Hebr.5:11-6:1)

‘Van deze flauwe spijs walgen wij’, zeiden de Israëlieten tegen Mozes in de woestijn. Deze flauwe spijs was het manna, een beeld van Christus (Joh.6:32-35). Groeien doen we als we ons met de Heer Jezus bezighouden (2Petr.3:18). De Hebreeërs waren traag geworden, ze warengeworden als zij die melk nodig hadden, dat duidt op een stilstand, ja, nog erger op achteruitgang (5:11,12). Stilstand of achteruitgang maakt dat men bepaalde zaken uit Gods Woord niet meer kunnen begrijpen, men is onervaren in het woord van de gerechtigheid, waardoor men bestempeld kan worden als ‘kleine kinderen in het geloof.’ Hoe was dat gekomen? Was dat doordat er zonde in hun leven was? In elk geval was hun uiterlijke houding een beeld van hun innerlijke.

Jakobus zegt dat we traag moeten zijn om te spreken en traag tot toorn, maar ‘snel moeten zijn om te horen’ (Jak.1:19). De Emmaüsgangers waren traag in het horen en geloven: ‘O onverstandigen en tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten hebben gesproken’ (Luk.24:25). Omdat ze traag van hart waren hadden ze veel gemist en verstonden ze de dingen die gebeurt waren niet. Omdat de Hebreeërs traag waren geworden in het horen waren ze afgedaald tot het niveau van een klein kind, terwijl ze naar de tijd leraars hadden moeten zijn. Daardoor kon de apostel Paulus ze niet voeden met vast voedsel; dat betrof het dieper onderwijs betreffende Christus (5:11). Ook de gelovigen in Korinthe waren van hetzelfde kaliber, namelijk kleine kinderen in het geloof (1Kor.3:1-3). Het vaste voedsel is voor volwassenen die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel het goede als het kwade te onderscheiden (vs.14). Paulus roept de gelovigen op om de eerste beginselen te laten rusten om verder te gaan met het volkomene. Dit derde advies wordt afgesloten met de oproep ‘Om ijverig te zijn en niet traag te worden maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven (6:12).

Het Woord niet verachten -Eerbied voor het Woord (Hebr.10:26-39)

Ik weet niet of het u is opgevallen maar de volgorde van de adviezen worden steeds ernstiger! Van het afdrijven van het woord, ging het over het afvallen ervan, dan de traagheid van het geloven in het woord en nu het gevaar het woord te verachten!

De wijze waarop God in het Oude Testament de zonde strafte was ernstig. Als iemand de wet van Mozes overtrad stierf de overtreder zonder ontferming. David pleegde een opzettelijke zonde, ‘met opgeheven hand’, door overspel te plegen met Batseba! Voor deze zonde bestond er geen offer die de schuld kon wegnemen. Vandaar dat David in Psalm 51 dan ook een beroep doet op Gods genade! Hij had geen rekening gehouden met Gods Woord en raakte daardoor in grote problemen. David raakte door zijn zonde buiten de gemeenschap met God. Ook hier vergelijkt de schrijver van de Hebreeënbrief weer het heden met het verleden, als hij zegt: ‘Hoeveel zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden… (10:29). Het mag niet zo zijn dat wij het woord verachten, juist tegenovergesteld! Ook al leven we in de tijd van genade dat wil niet zeggen dat we met Gods woord een loopje mogen nemen. Ook wij kunnen vallen in de handen van de levende God en door Hem getuchtigd worden. Lees daarvoor hoofdstuk 12:4-11, 1Joh.5:16 en 1Kor11:30!

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar het verleden (‘herinnert u de dagen van vroeger’), het heden (‘wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan…’) en de toekomst (‘werpt uw vrijmoedigheid niet weg’). Hoe moeilijk het leven als gelovige ook kan zijn (vs.32-34), blijven doorgaan is de moeite waard, want nog een zeer korte tijd en Hij die komt zal komen en niet uitblijven. Opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben (Rom.15:4).

Waarschuwing tegen ongehoorzaamheid - Gehoorzaam het Woord (Hebr.12:12-29)

Het vijfde en laatste advies is ook het langste. God spreekt tot ons, dus laten we het woord van de vermaning verdragen’ (Hebr.13:22) en Hem die spreekt niet afwijzen’ (Hebr.12:25).

Het kernwoord is genade (vs.15, 28) en met Israël als (negatief) voorbeeld wil de schrijver ons opwekken ‘de genade vast te houden en God te dienen (vs.28). Je zou eigenlijk het hele hoofdstuk moeten lezen, maar dat voert ons te ver, dus houden we het bij enkele verzen uit dit hoofdstuk. Het hoofdstuk gaat over de wedloop en ik geef de vier volgende vier punten weer, die nuttig kunnen zijn mocht het onderweg, tijdens die wedloop, moeilijk worden. Wanneer tucht de gelovige treft kan die op meerdere manieren daarop antwoorden, hij kan zich ertegen verzetten, bezwijken, of zelfs zijn wandel opgeven. Daarom is het belangrijk we in tijden van lijden zien op…

(1) De Heer Jezus (vs.1-11) want Hij is de overste leider en voleinder van het geloof en we worden opgeroepen te zien op Hem, opdat we niet moe en in ons zielen zouden bezwijken. (2) We kunnen naar het verleden kijken (vs.12-17) opdat er bij ons geen wortel van bitterheid mag ontstaan, en de les leren van Esau, die een ongoddelijke genoemd wordt. (3) We kunnen naar boven kijken (vs.18-27) tot de gemeente van de eerstgeborenen die in de hemelen staan opgeschreven, en (4) vooruitzien (vs.27-29) om God te dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag!

Besluit

Nu, aan het einde gekomen van dit artikel, begrijpt u waarom het zo belangrijk is, en steeds belangrijker wordt, vast te houden aan het Woord van God, de Bijbel. Ik hoop dat u, zoals vroeger de gelovigen in Thessaloniki, ‘het woord van de prediking van God hebt ontvangen, niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods woord (1Thes.2:13). De laatste decennia worden we geconfronteerd met allerlei theorieën en valse leringen die de toetst van Gods woord niet kunnen doorstaan. Ik denk aan die theorie dat God niet meer als de Schepper erkent, als de God die sprak en het was er, en die gebood en het stond er (Ps.33:9), maar als een God die de evolutie nodig had om tot zijn schepping te komen. Een theorie die verwerpelijk is en God degradeert en het klare getuigenis van de Bijbel verwerpt. Een theologisch onderwerp dat de laatste tijd sterk in de belangstelling staat is het zogenaamd preterisme, de verfoeilijke hype, zoals iemand het heeft geduid, die inhoudt dat alle profetieën over Israël en over de wederkomst van Christus reeds vervuld zouden zijn in het jaar 70. Hun specifieke gedachtengoed bestaat er onder meer uit dat de opstanding heeft plaatsgevonden en dat er geen toekomstige gebeurtenissen meer te verwachten zijn, geen Opname, geen antichrist, geen Grote Verdrukking, geen 1000-jarig Vrederijk. Ook uit het Evangelisch midden hoorde ik onlangs dat er tijdens een jongerenweekend gezegd werd: dat het Nieuwe Testament ‘niet voor ons geschreven was, maar dat we er wel lessen uit mochten trekken!’ Naarmate de tijd vordert zullen we er gewoon aan moeten raken dat er meer en meer valse leer naar voren gebracht zal worden, totdat de tijd aanbreekt dat ze de leugen zullen geloven en dat ze die zullen aannemen die komt in zijn eigen naam, de antichrist (Joh.5:43; 2Thes.2:12). Ik hoop dat u niet bij die mensen hoort!

Daarom: ‘Kijkt u uit dat u Hem die spreekt, niet afwijst’, (12:25) drijf niet af, blijf geestelijk niet achter, zorg dat er geen stilstand ontstaat, volhard in je geloof en gehoorzaam het Woord.

‘Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen, en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden’ (2Tim.4:3-4). 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

De Wedloop 

Hebreeën 11-12

 

 

 

‘Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die ons licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij zien op Jezus’ (Heb.12:1)

Inleiding

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat mijn vrouw en ik ons hebben laten dopen en dan heb je wel eens van die momenten dat je terugkijkt op het gedeelte van de wedloop die achter je ligt en vooruitkijkt naar de finish die voor je ligt. Daarbij vragen wij ons dikwijls af waar al die anderen gebleven zijn die ook met ons die ‘renbaan’ zijn opgestapt? Veel medebroeders en zusters zijn we, door allerlei omstandigheden in de loop van de jaren uit het oog verloren, van anderen weten we dat ze ons zijn voorgegaan en nu bij de Heer zijn. Maar er zijn er ook veel waarvan we niet weten hoe hen met hen gaat. ‘Lopen’ ze nog, zijn ze gestruikeld, hebben ze een verkeerde baan genomen of, wat we niet hopen, hebben ze misschien opgegeven? En als ze hebben opgegeven wat is dan daarvan de oorzaak? Ja, waarmee dien je rekening te houden als je aan een wedloop deelneemt, wat zijn de gevaren en waar dien je op te letten? We willen toch allemaal de finish halen, en het liefst op een zo goed mogelijke wijze? Daarbij wil dit artikel voor u een hulp zijn door u een aantal tips te geven.

Na de uittocht uit Egypte leidde God het volk de woestijnweg op naar de Schelfzee. De Egyptenaren achtervolgden hen en haalden hen in. Toen de Israëlieten dat zagen schreeuwden zij tot de Here. De reacties waren verschillend het volk wilde terug naar Egypte, Mozes wilde blijven waar hij was, maar God zei: ‘Zeg tot de Israëlieten dat zij optrekken’ (Ex.14). Terugkerend naar het Bijbelgedeelte dat voor ons ligt – Hebreeën 11 en 12 - moeten we bedenken dat de schrijver de gelovigen wilde waarschuwen om niet terug te keren naar het Judaïsme (6:6; 10:29), bemoedigen niet op te geven in tijd van strijd (10:32-35) en hen aan te sporen om door te gaan (6:1). De ‘wolk van getuigen’ in Hebreeën 11 hadden ook ‘tijd om terug te keren’ maar het bleken ‘echte’ Hebreeërs te zijn d.w.z. ‘door-trekkers’ (11:15-16). In Hebreeën 11 en 12 vestigt de schrijver de aandacht op een aantal punten die belangrijk waren voor de gelovigen van toen, maar waar ook wij ons voordeel mee kunnen doen, in onze wedloop. Laten we hun voorbeeld volgen, want ‘dit is overwinning die de wereld overwonnen heeft, ons geloof’ (1Joh.5:4).

Twijfel je of je het einde wel kunt halen? Let op de winnaars. (12:1 a)

‘Toen Paulus de broeders zag dankte hij God en vatte moed! (Hand.28:15)

Ja, als je steeds op de wind let zal je niet zaaien, en als je steeds naar de wolken kijkt zal je niet maaien (Pred.11:4), met andere woorden, je moet leren te leven door geloof. Geloof in God die, als Hij een goed werk in jou is begonnen dat ook kan voltooien (Fil.1:6). Dat staat niet los van uw persoonlijke verantwoordelijkheid, dat begrijpt u wel. We worden dan ook aangespoord om met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven (Hand.11:23). Gelovigen worden opgeroepen om elkaar te helpen (Heb.10:24) dus als u toch nog twijfelt aan de goede afloop kijk eens naar de winnaars van hoofdstuk 11! Denk eens aan Abel, wat had hij niet voor problemen in zijn gezin? Zijn broer Kaïn stond hem naar het leven en doodde hem uiteindelijk. En denk eens aan Noach als je niet serieus wordt genomen of misschien wel bespot! Hij kreeg weinig gehoor toen hij een ark bouwde waardoor men aan het oordeel kon ontkomen. De mensen waren veel te druk bezig met de dingen van de wereld, etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend om zich om het geroep van Noach in te gaan. En zij merkten het niet eens op, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam. En heeft Abraham het niet moeilijk gehad toen hij Ur der Chaldeeën achter zich liet zonder te weten waar hij terecht komen zou! Hij ging een onzekere toekomst tegemoet, maar door het geloof gehoorzaamde Abraham. En als je slecht behandeld wordt denk dan eens aan Jozef, wat heeft hij niet allemaal moeten meemaken? Door zijn broers werd hij slecht behandeld en verkocht naar Egypte. Vals beschuldigd door de vrouw van Potifar waardoor hij in de gevangenis geraakte. En wat te denken van Mozes? Hij gaf er de voorkeur aan met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde. Misschien moet u ook wel eens, net als Mozes, een keuze maken voor God en nee zeggen tegen iets anders. En als je het niet meer ziet zitten en dreigt te bezwijken let dan eens op de Heer Jezus, opdat u niet moe wordt en bezwijkt. 

Hebben anderen de schuld? Let op je zelf. (12:1 b)

‘Wat gaat het u aan. Volg jij Mij’ (Joh.21:22).

Als onze wedloop moeilijk wordt hebben we vaak de neiging anderen de schuld daarvan te geven. Of we wijten het aan de omstandigheden of, in het ergste geval, aan God! Maar zou het kunnen zijn dat de oorzaak van onze problemen bij onszelf ligt? De wedloop is een individuele sport, geen groepssport, dat wil zeggen dat je je persoonlijk dient voor te bereiden op de race! Paulus zegt op een andere plaats: ‘En ieder die aan een wedstrijd deelneemt, onthoudt zich in alles’ (1Kor.9:25). In vers 27 spreekt hij verder over het lichaam kastijden, dat is straffen, pijnigen, geselen, en het lichaam tot slavernij brengen, dat is het lichaam onder je gezag plaatsen. Wat wordt bedoeld met het woord ‘omstrikt’ in de zin ‘de zonde die ons licht omstrikt? (Heb.12:1). Anderen vertalen: ‘De zonde, die ons zo licht in de weg staat’ dat brengt ons al iets verder. Beroepssporters die de top willen bereiken dienen over een grote mate van zelfdiscipline te beschikken en bereiden zich terdege voor. Goede aangepaste voeding, training, conditie opbouwen en een goede geestelijke conditie zijn noodzakelijk. Als het in de sportwereld zo belangrijk is om je goed voor te bereiden op de race hoeveel te meer op de wedloop van de gelovige! Dus doe al het mogelijke en doe de dingen die je ‘omstrikken’ weg uit je leven opdat je je loop kan volbrengen (Hand.20:24). Geef daarom acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen’ (1Tim.4:16). De apostel kon aan het eind van zijn ‘wedloop’ zeggen: Ik heb de goed strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden’ (2Tim.4:7). Ik hoop het voor u ook!

Ben je de weg kwijt? Let op je eigen baan. (12:1 c)

‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.16:25)

In alle loopwedstrijden in banen moet iedere deelnemer in de baan blijven die hem werd toegewezen en dit van start tot aankomst, dat is het algemeen reglement in de sportwereld. Alle gelovigen hebben een eigen ‘baan’ die hem of haar door God is toegewezen en er is geen één baan gelijk. De weg van Johannes is anders dan die van Petrus (Joh.21:19-22). In die toegewezen baan moeten we blijven van het begin tot het eind, we mogen daarvan niet afwijken. Henoch was iemand die vanaf zijn roeping totdat hij werd opgenomen met God had gewandeld: ‘Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen (Gen.5:21-24). In die wedloop – die vóór ons ligt – is het mogelijk dat we op allerlei manieren door andere medelopers gehinderd worden en van onze baan moeten afwijken. Maar het kan ook voorkomen dat we zelf afwijken en proberen voordeel tijdens de race te behalen door een andere baan te nemen dan mogen we een correctie verwachten. ‘En wanneer gij rechts of wanneer gij links zoudt willen gaan, zullen uw oren achter u het woord horen: Dit is de weg, wandelt daarop’ (Jes.30:21). We mogen misschien geneigd zijn om van onze baan af te wijken, maar dan moeten we wel bedenken dat Gods weg de beste is (Ps.18:31). En als we niet meer weten hoe wij onze loop op een juiste wijze kunnen beëindigen dan wijst God mij een weg als ik zelf geen uitkomst zie. Langs wegen die geen mens bedenkt, maakt Hij mij zijn wil bekend. We moeten onze wedloop zó lopen dat we de prijs ontvangen, dus volgens de regels (1Kor.9:4).

Zie je het niet meer zitten? Let op de Heer Jezus, Hij kan helpen. (12:2-3)

‘Wij weten niet wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd’ (2Kron.20:12)

Wie ooit weleens een wedloop heeft gehouden weet dat je in het begin niet te hard van stapel moet lopen en je krachten moet verdelen, wil je de streep halen. Het einde kan nog ver zijn en het einde nog lang niet in zicht dan kan je aan kracht tekort komen waardoor je de moed verliest. De Heer Jezus zag op de vreugde die voor Hem lag. Hij keek uit naar die dag dat Hij ons onberispelijk voor zich zou stellen met vreugdegejuich. Hij keek niet uit naar het kruis ook keek Hij niet om zich heen op de schande of de tegenspraak van de zondaars, nee, Hij keek vooruit! Hij wist dat Hij eerst door lijden zijn heerlijkheid kon binnengaan, het lijden dat over de Christus zou komen en van de heerlijkheden daarna (Luk.24:26; 1Petr.1:11). Vanaf het moment dat Hij in deze wereld kwam heeft de Heer tegenstand ervaren, en hoewel Hij Zoon was heeft Hij gehoorzaamheid geleerd (=ondervonden) uit wat Hij geleden heeft (Heb.5:8). Ook wij moeten leren te zien op wat voor ons ligt in het geloof ‘dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). Jozef zag vooruit naar de terugkeer naar de hereniging van zijn familie, Abraham verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is. Mozes zei nee tegen de schatten van Egypte en hij zag op de beloning. Mozes bleef standvastig als zag hij de Onzichtbare! Terwijl wij zien op Jezus! Hoe kunnen wij dat doen? Door het Woord van God te nemen, waardoor we Christus mogen zien zitten aan de rechterzijde van de troon van God. ‘Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem lief; hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, verheugt u zich in Hem met een onuitsprekelijke vreugde’ (1Petr.1:8). Eenmaal komt die dag dat we met de woorden van de profeet Jesaja kunnen zeggen: ‘Mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen gezien’ (Jes.6:5). De volgende keer wanneer u het moeilijk hebt en het niet meer zit zitten, vestig dan uw aandacht op de Heer Jezus, Die om de vreugde die vóór Hem lag alles heeft verdragen! ‘Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen’ (Heb.10:36).

Is correctie nodig? Let op de tuchtiging. (12:4-13)

‘Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des HEREN niet’ (Spr.3:11-12).

Ja, de zonde die ons licht omstrikt! Het kan iedereen overkomen dat hij of zij van de baan afwijkt, ik bedoel dat er iets in ons leven gebeurt waardoor de relatie met God en de Heer Jezus verstoord wordt. Als we dan zelf niet ingrijpen zal God dat moeten doen, want Hij heeft ons lief en die Hij liefheeft tuchtigt Hij. ‘Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des Heren niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing. Want de Here bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft’ (Spr.3:11-12). Tuchtiging door God, heeft tot doel dat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen. Tuchtiging moeten we niet interpreteren als straf; God straft zijn kinderen niet! Tuchtiging kun je ook vertalen met discipline, training van een kind. Zoals in de antieke wereld de jongens al heel vroeg naar het gymnasium gingen om getraind te worden voor hun latere leven. Ze werden voorbereid op hun volwassenheid. Ook ons leven als gelovige moet voorbereid worden op de volwassenheid. Maar tuchtiging is niet direct een reden tot vreugde maar vaak voor droefheid en daarom bestaat de kans dat het wordt afgewezen of bezwijken we eronder, dan mist het zijn doel. We moeten leren de tuchtiging van God te verdragen en beseffen dat het tot ons nut is. God behandeld ons niet als kinderen, maar als zonen, dat getuigt van volwassenheid. ‘Want allen die door de Geest van God geleid, die zijn zonen van God’ (Rom.8:14). Veel gelovigen hebben allerlei omstandigheden moeten ondergaan die achteraf bezien zeer effectief zijn gebleken voor hun verdere geestelijk leven. We denken maar aan Jozef die achteraf kon zeggen: ‘Want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden’ (Gen.45:5, 7). En Hizkia kon zeggen: ‘Zie, mijn bittere beproeving werd tot heil’ (Jes.38:17). We moeten niet te gauw nee zeggen tegen ongewenste gebeurtenissen in ons leven, maar geloven dat God daarmee een bedoeling heeft. ‘Alle dingen, ook de minder prettige, werken mee ten goede voor hen die God liefhebben (Rom.8:28). Amen?

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

‘De vijanden van de gelovige’

 Jakobus 4

 

Inleiding

Ik ben de overtuiging toegedaan dat veel gelovigen een verkeerd beeld hebben van het christenleven. Men denkt vaak dat als men eenmaal gedoopt is dat het eindpunt bereikt is, maar daarin vergissen ze zich, het is niet het eindpunt maar het beginpunt!. De uittocht van het volk Israël uit Egypte en de daarop volgende gebeurtenissen tijdens de reis naar het beloofde land zijn uitstekend geschikt om dat duidelijk te maken.

Zoals bekend voorondersteld mag worden weet u dat de Here het volk na een verblijf van vierhonderd en dertig jaar in Egypte onder leiding van Mozes verloste en ze op weg gingen naar het beloofde land. Maar er was nog een lange en moeilijke weg te gaan om daar te komen, een reis die uiteindelijk veertig jaar zou duren. Van vijanden die ze onderweg zouden

ontmoeten waren ze nog niet op de hoogte, maar zoals God had dat voorzien vandaar dat we aan het beging van de reis lezen: ‘Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte’ (Ex13:17-18). En zo is het ook gebeurd. Na veel omzwervingen, moeiten en strijd zijn ze tenslotte het beloffde land binnengegaan. ‘De Here deed u gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen’ (Dt8:15-16). Ook de gelovige heeft na zijn bekering en doop (waarvan de doortocht door de Rode zee een beeld is) meestal nog een lange ‘reis’ te maken voordat hij op zijn plaatst van bestemming is. Dus het gaat er niet alleen om dat je weet hoe je in de hemel kunt komen, maar vooral ook dat je weet hoe je de wereld moet doorkomen. Vandaar dat je ‘ten strijde toegerust’ dient te zijn en rekening houdt met drie vijanden:

1. De eerste vijand: onze hartstochten

Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. (Of,) gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen’ (Jakobus 4:1-3)

‘Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133). Het is waar dat broeders en zusters met elkaar in liefde zullen omgaan, maar vaak is het omgekeerde waar, getuige de kerkgeschiedenis. Van de eerste gemeente werd gezegd: ‘Zie hoe lief ze elkaar hebben!’ Tegenwoordig zouden de mensen kunnen zeggen: ‘Zie hoe ze met elkaar ruziën!’ De Heer Jezus zegt in Joh13:35: ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt’ (zie ook: 15:12,17). Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament vinden we voorbeelden van gelovigen die het met elkaar niet konden vinden, wat veel schade heeft toegebracht aan het christelijk geloof. Hoe zou het komen dat het soms zo moeilijk is voor Gods kinderen om goed met elkaar om te gaan? Wat is de reden dat we soms met elkaar in oorlog zijn? We hebben dezelfde Heer, dezelfde Geest woont in ons, we behoren tot dezelfde familie maar toch.... Hoe dat komt? Jakobus noemt een aantal oorzaken, vijanden, en de eerste vijand omschrijft hij als onze hartstochten; het vlees!

Als er oorlog van binnen is, dan zal er uiteindelijk ook oorlog naar buiten toe zijn. Paulus leert ons in de brief aan de Romeinen: ‘Want het goede dat ik wil, die ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik (Rm8). En gaat hij verder: ‘Ik zie in mijn leden een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn denken en mij gevangene maakt door de wet van de zonde die in mijn leden is (Rom.7:19, 23). ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar’ (Gal.5:17).

2. De tweede vijand: de wereld

‘Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God. Of meent gij, dat het schriftwoord zonder reden zegt: De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid?’ (Jakobus 4:4-5)

Jacobus had al gezegd dat de gelovige zich onbesmet van de wereld dient te bewaren (1:27) en Johannes zegt: ‘de wereld nog wat in de wereld is lief te hebben’ (1Jh2:15) en Paulus waarschuwt om niet wereldgelijkvormig te worden (Rm12:2) want dan zou het kunnen gebeuren dat je met de wereld geoordeeld zult worden (1Ko11:32). Lot mag hier als voorbeeld dienen. Hij had zich onbesmet van de wereld moeten bewaren maar hij sloot vriendschap met de wereld en kreeg de wereld lief waardoor hij gelijkvormig aan de wereld werd en tenslotte onder het oordeel van de wereld viel.

Met de ‘wereld’ bedoelt Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt (Ps.2). Hele gehele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Abraham was een vriend van God (Jak.2:23). Lot was een vriend van de wereld.

Vriendschap met de wereld is gelijk aan overspel. De gelovige is ‘gehuwd’ met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijke ‘overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea dit gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn kan geen vriend van God zijn.

‘Er is een hele nieuwe generatie christenen opgestaan die gelooft dat het mogelijk is Christus ‘aan te nemen’ zonder de wereld vaarwel te zeggen.’ (A.W.Tozer)

3. De derde vijand: de duivel

‘Maar Hij geeft dan ook des te grotere genade. Daarom heet het: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt. Beseft uw ellende, treurt en weent; uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in neerslachtigheid. Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen’ (Jakobus 4:6-10).

Door een vriend van de wereld te worden, betoon je je een vijand van God. Hoe ernstig is dat al we daar over nadenken! De duivel zit niet stil en zal alles in het werk zetten om ons van de Heer af te trekken. Het gaat hier niet over ongelovigen die door hun positie als zondaar principiële vijanden van God zijn, maar over gelovigen die door hun praktijken zich als een vijand van God gedragen. Dit lijkt tegenstrijdig, want een gelovige heeft juist door zijn geloof in Christus vrede met God gesloten, de strijdbijl is begraven, en toch…

‘Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij kunnen verslinden.’ (1 Petr.5:8) ‘Want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.’ (2 Kor.11:15).

De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, opdat hij niet hoogmoedig wordt (1 Tim.3:6).

God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. Satan is de oorsprong van alle ‘doe-het-zelf’ ervaringen. Hij schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satan’s plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van!

Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er teveel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars. Christelijke werkers worden zo naar voren geschoven dat er weinig plaats blijft voor Gods heerlijkheid. De mens heeft niets in zichzelf waar hij trots op kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2 Tim.1:6,14).

Tenslotte

Er zijn dus drie vijanden die ons van God willen wegtrekken: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zijn overgebleven van onze vroeger leven in de zonde (Ef.2:1-3). Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog steeds aan. Hoe kunnen we hen overwinnen? Hoe kunnen we vrienden van God zijn en vijanden van de wereld, het vlees en de duivel? Door tot God te naderen, ons aan God onderwerpen en Ons voor God te vernederen.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘De oorlogen van de gelovige’

Jakobus 4:1-12

 

 

Inleiding

Gods Woord leert ons dat we als zijn kinderen ‘vrede moeten houden met allen, voorzover het van ons afhangt’, en ‘dat we moeten jagen, naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing dient’, want God heeft ons geroepen tot vrede (Rom.12:18; 14:19; 1Kor.7:15). En de apostel Petrus roept allen op: ‘om eensgezind, vol medeleven te zijn, heb de broeders lief, wees barmhartig en vriendelijk, geen kwaad met kwaad of laster met laster te vergelden, maar te zegenen, omdat u weet dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegen zult beërven. Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog; die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen’ (1Petr.3:8). Mattheüs 5:43-44 zegt: ‘U hebt gehoord dat gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen’. Het ‘uw vijand haten’ is geen verwijzing naar een tekst uit het Oude Testament. Uit Leviticus 19:18 kan de conclusie getrokken worden dat ‘de naaste’ de Israëliet was die men moest liefhebben, en (dus) ‘de vijand’ de niet-Israëliet die men moest haten! De tekst uit Mattheus is duidelijk: wij dienen zowel onze naaste als onze vijand lief te hebben. Maar daarmee is nog niet alles gezegd! Veel gelovigen zijn zich niet bewust dat Gods Woord ons ook leert dat er ook vijanden zijn die wij wél moeten bestrijden, en die vijanden zijn de wereld, de satan, en ons vlees. Daarmee dienen we geen medelijden te hebben! We hebben dan ook drie oorlogen te voeren! We kunnen in oorlog zijn met elkaar, onszelf en zelfs met God! Gelukkig reikt Jakobus ons ook drie oplossingen aan waardoor we de vijand kunnen weerstaan zodat we niet ten ondergaan in de strijd! Afhankelijk van welke ‘oorlog’ je hebt te voeren, dien je je te onderwerpen aan God, naderen tot God of je vernederen voor God. Daarom, waar wachten we op, ten strijde!

De eerste vijand: het vlees (4:4-5,10; Ef.2:3)

‘Vanwaar oorlogen en vanwaar twisten onder u? Is het niet hiervan: uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren?’

‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133:1), maar de werkelijkheid is soms totaal anders! Niet alleen in de gemeente te Korinthe waren twisten (1Kor.1:12), Jakobus signaleert ook oorlogen en twisten bij de gelovigen die hij aanschrijft. Het ontstaan van oorlogen onder gelovigen kan allerlei oorzaken hebben en dat is waar Jakobus ons op wijst. Het waren hun hartstochten die strijd voerden of zoals Efeze 2:3 het zegt: ‘de begeerten van het vlees’. ‘Het vlees’ betekend de oude natuur die we hebben overgekregen van Adam, en die is gevoelig voor de zonde. Het vlees is niet het lichaam. Het lichaam is niet zondig; het lichaam is neutraal. De Geest gebruikt het lichaam om daarin God te verheerlijken (1Kor.6:19-20), of het vlees gebruikt het lichaam om de zonde te dienen. Als een zondaar zich overgeeft aan Christus, ontvangt hij een nieuwe natuur, maar de oude natuur wordt niet verwijderd of vernieuwd. Om deze reden is er een innerlijke strijd: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt’ (Gal.5:17). Dat is wat Jakobus bedoeld met ‘uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren’ (Jak.4:1). Leven in het vlees bedroeft de Heilige Geest van God die in ons woont. ‘Of meent u dat de Schrift tevergeefs spreekt? Begeert de Geest die in ons woont met afgunst?’ (Jak.4:5). Zoals de wereld de vijand van God de Vader is, zo is het vlees de vijand van God de Heilige Geest. Er is een heilige gezonde jaloezie van een vrouw tegenover haar man en andersom, en dat is goed. De Geest in ons waakt met jaloezie over onze relatie met God, en de Geest raakt bedroefd als we zondigen tegen Gods liefde. Leven naar onze oude natuur betekend een oorlogsverklaring tegenover God, ‘omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God’ (Rom.8:7vv.). Toelaten dat het vlees ons leven beheerst, betekend dat de zegening die verbonden is met een levende relatie met God, verloren gaat. Lot had een vleselijke geest, hij hield geen rekening met God en geraakte in een oorlog. ‘Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede’ (Rom.8:6). Oorlogen en twisten… Een slaaf van de Heer moet echter niet twisten, zeker niet om zijn gelijk te halen (2Tim.2:24). Mogelijk ligt de zaak waarom het gaat nog dieper en willen we in de gemeente de belangrijkste, de eerste zijn? (3Joh.:9). Als we het vlees laten werken en niet wandelen in de Geest en onze naaste liefhebben als onszelf, kunnen we in een situatie komen waarin we elkaar bijten en opeten om door elkaar verslonden te worden! (Gal.5:13-15). Zover mag het niet komen onder gelovigen en om dat te voorkomen dienen we ons te vernederen voor de Heer dán Hij zal ons verhogen! (4:10).

De tweede vijand: de wereld (4:1-3,6; Ef.2:2)

‘Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God’

Een gelovige is niet van de wereld, maar wel in de wereld (Joh.17:15-16), dus het gevaar is aanwezig dat die wereld zijn invloed op een gelovige kan krijgen. Met de ‘wereld’ bedoeld Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt (Psalm 2). Het hele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Je zou kunnen zeggen dat de ‘wereld’ op zich neutraal is, maar achter de schermen zijn er geestelijke machten aan de gang om u van God af te houden (Ef.2:1-3). De apostel Paulus vermeld Demas en kenmerkt hem met de woorden ‘dat hij de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen! (2Tim.4:9). In de gelijkenis van de zaaier en het zaad zien we dat de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen het woord verstikken en onvruchtbaar maken (Mark.4:19).

Daaruit blijkt dat de wereld ook zijn aantrekkelijke kanten heeft. Een gelovige kan in deze wereld terecht kan komen, zoals toen destijds Lot, en een leven leiden tot oneer voor God. In zo’n situatie terecht komen gaat geleidelijk ‘zegt’ Jakobus: ’Ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij de dood voort’ (Jak1:14-15). Het gevolg voor Lot was dat hij door de wereld besmet raakte (Jak.1:27) zodat bepaalde facetten van zijn leven de goedkeuring van die wereld kregen. Hij noemde de inwoners van Sodom zijn broeders (Gen.19:7). Vriendschap jegens de wereld kan leiden tot liefde voor die wereld: ‘Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is’ (1Joh.2:15). Jakobus stelt het hier nogal zwart wit: ‘Je bent een vriend van God, zoals Abraham (2:23), of een vriend van de wereld, maar vriendschap met de wereld betekend vijandschap ten opzichte van God! Dat leert ons dat volgelingen van Christus keuzes moeten maken, doen we dat niet dan zal vroeg of laat duidelijk worden waar ons hart zich mee bezighoudt! De apostel Pauls waarschuwt ons om niet wereldgelijkvormig te worden (Rom.12:2). Wij dienen dan ook regelmatig onszelf op de proef te stellen om te zien of wij nog in het geloof zijn (2Kor.13:5). Corrigeer je jezelf niet dan loop je het gevaar met de wereld te worden geoordeeld (1Kor.11:32). Van Lot heeft Petrus in zijn eerste brief getuigd dat hij een rechtvaardige was (2Petr.2:7-8), anders zou ons oordeel over hem er wel anders hebben uitgezien. Hoe dan ook er zullen er zijn die behouden worden ‘maar als door vuur’ (1Kor.3:11-15). Met de hakken over de sloot!

‘Overspeligen’, zo spreekt Jakobus de geadresseerden aan. Vriendschap met de wereld is zoals overspel. De gelovige is gehuwd met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De Joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijk overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea het gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn pleegt geestelijke overspel. Onderwerp u daarom aan God!

De derde vijand: de duivel (4:7-8; Ef.2:2)

‘Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten’

De derde vijand waarmee we te doen hebben is de duivel. In zijn gesprekken met de Joden, die Hem wilden doden, zei de Heer Jezus: ‘U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen’ (Joh.8:44). De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. De profetie in Jesaja 14 en Ezechiël 28 over de koning van Tyrus en Babylon geven ons beiden een treffende illustratie van de hoogmoed en de val van satan. Bij het lezen van deze gedeelten wordt het wel duidelijk dat het om meer gaat dan de directe betekenis en toepassing op de beide koningen. Het geeft iets weer van de geestelijke wereld. De koningen die worden aangesproken zijn enerzijds de letterlijke koning van Tyrus of Babylon, maar anderzijds wordt er door de fysieke barrière heen geprikt waarachter de hogere machten verborgen zijn die deze koningen beïnvloeden. ‘Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12).

God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet om die reden ook niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, omdat het gevaar van hoogmoed latent aanwezig is (1Tim.3:6). God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade: ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. De duivel schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satans plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van! Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er te veel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars (3Joh.:9). Het moet de discipel genoeg zijn dat hij wordt als zijn Meester (Mat.10:25). ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen en aller dienstknecht zijn’ (Mark.9:35). De mens heeft niets in zichzelf waarop hij trots kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2Tim.1:6,14). Als de duivel u wil verleiden tot zonde, weersta hem en hij zal van u vluchten. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen!’

Tenslotte

Zoals gezegd er zijn drie vijanden die ons van God willen wegtrekken en daartegen hebben we oorlog te voeren: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zullen ons parten blijven spelen zolang we hier op aarde zijn; daardoor zijn we voortdurend in staat van oorlog. Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog altijd aan. Hoe kunnen we ons verweren tegen onze vijanden, het vlees, de wereld, en de duivel en overwinnen? Door of onszelf te vernederen, of de duivel te weerstaan en tot God te naderen of ons onderwerpen aan God. Hij voert de strijd en wij zijn in Christus meer dan overwinnaar!  ‘Onze veiligheid ligt niet in de afwezigheid van vijanden, maar in de nabijheid van God!’

_______________________________________________________________