Geestelijk Leven

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

De oorlogen van de gelovige

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

‘De oorlogen van de gelovige’

Jakobus 4:1-12

 

 

Inleiding

Gods Woord leert ons dat we als zijn kinderen ‘vrede moeten houden met allen, voorzover het van ons afhangt’, en ‘dat we moeten jagen, naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing dient’, want God heeft ons geroepen tot vrede (Rom.12:18; 14:19; 1Kor.7:15). En de apostel Petrus roept allen op: ‘om eensgezind, vol medeleven te zijn, heb de broeders lief, wees barmhartig en vriendelijk, geen kwaad met kwaad of laster met laster te vergelden, maar te zegenen, omdat u weet dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegen zult beërven. Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog; die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen’ (1Petr.3:8). Mattheüs 5:43-44 zegt: ‘U hebt gehoord dat gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen’. Het ‘uw vijand haten’ is geen verwijzing naar een tekst uit het Oude Testament. Uit Leviticus 19:18 kan de conclusie getrokken worden dat ‘de naaste’ de Israëliet was die men moest liefhebben, en (dus) ‘de vijand’ de niet-Israëliet die men moest haten! De tekst uit Mattheus is duidelijk: wij dienen zowel onze naaste als onze vijand lief te hebben. Maar daarmee is nog niet alles gezegd! Veel gelovigen zijn zich niet bewust dat Gods Woord ons ook leert dat er ook vijanden zijn die wij wél moeten bestrijden, en die vijanden zijn de wereld, de satan, en ons vlees. Daarmee dienen we geen medelijden te hebben! We hebben dan ook drie oorlogen te voeren! We kunnen in oorlog zijn met elkaar, onszelf en zelfs met God! Gelukkig reikt Jakobus ons ook drie oplossingen aan waardoor we de vijand kunnen weerstaan zodat we niet ten ondergaan in de strijd! Afhankelijk van welke ‘oorlog’ je hebt te voeren, dien je je te onderwerpen aan God, naderen tot God of je vernederen voor God. Daarom, waar wachten we op, ten strijde!

De eerste vijand: het vlees (4:4-5,10; Ef.2:3)

‘Vanwaar oorlogen en vanwaar twisten onder u? Is het niet hiervan: uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren?’

‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133:1), maar de werkelijkheid is soms totaal anders! Niet alleen in de gemeente te Korinthe waren twisten (1Kor.1:12), Jakobus signaleert ook oorlogen en twisten bij de gelovigen die hij aanschrijft. Het ontstaan van oorlogen onder gelovigen kan allerlei oorzaken hebben en dat is waar Jakobus ons op wijst. Het waren hun hartstochten die strijd voerden of zoals Efeze 2:3 het zegt: ‘de begeerten van het vlees’. ‘Het vlees’ betekend de oude natuur die we hebben overgekregen van Adam, en die is gevoelig voor de zonde. Het vlees is niet het lichaam. Het lichaam is niet zondig; het lichaam is neutraal. De Geest gebruikt het lichaam om daarin God te verheerlijken (1Kor.6:19-20), of het vlees gebruikt het lichaam om de zonde te dienen. Als een zondaar zich overgeeft aan Christus, ontvangt hij een nieuwe natuur, maar de oude natuur wordt niet verwijderd of vernieuwd. Om deze reden is er een innerlijke strijd: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze twee staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt’ (Gal.5:17). Dat is wat Jakobus bedoeld met ‘uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren’ (Jak.4:1). Leven in het vlees bedroeft de Heilige Geest van God die in ons woont. ‘Of meent u dat de Schrift tevergeefs spreekt? Begeert de Geest die in ons woont met afgunst?’ (Jak.4:5). Zoals de wereld de vijand van God de Vader is, zo is het vlees de vijand van God de Heilige Geest. Er is een heilige gezonde jaloezie van een vrouw tegenover haar man en andersom, en dat is goed. De Geest in ons waakt met jaloezie over onze relatie met God, en de Geest raakt bedroefd als we zondigen tegen Gods liefde. Leven naar onze oude natuur betekend een oorlogsverklaring tegenover God, ‘omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God’ (Rom.8:7vv.). Toelaten dat het vlees ons leven beheerst, betekend dat de zegening die verbonden is met een levende relatie met God, verloren gaat. Lot had een vleselijke geest, hij hield geen rekening met God en geraakte in een oorlog. ‘Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede’ (Rom.8:6). Oorlogen en twisten… Een slaaf van de Heer moet echter niet twisten, zeker niet om zijn gelijk te halen (2Tim.2:24). Mogelijk ligt de zaak waarom het gaat nog dieper en willen we in de gemeente de belangrijkste, de eerste zijn? (3Joh.:9). Als we het vlees laten werken en niet wandelen in de Geest en onze naaste liefhebben als onszelf, kunnen we in een situatie komen waarin we elkaar bijten en opeten om door elkaar verslonden te worden! (Gal.5:13-15). Zover mag het niet komen onder gelovigen en om dat te voorkomen dienen we ons te vernederen voor de Heer dán Hij zal ons verhogen! (4:10).

De tweede vijand: de wereld (4:1-3,6; Ef.2:2)

‘Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God’

Een gelovige is niet van de wereld, maar wel in de wereld (Joh.17:15-16), dus het gevaar is aanwezig dat die wereld zijn invloed op een gelovige kan krijgen. Met de ‘wereld’ bedoeld Jakobus natuurlijk, de menselijke samenleving die met God geen rekening houdt (Psalm 2). Het hele systeem van deze maatschappij is antichristelijk en tegen God. Je zou kunnen zeggen dat de ‘wereld’ op zich neutraal is, maar achter de schermen zijn er geestelijke machten aan de gang om u van God af te houden (Ef.2:1-3). De apostel Paulus vermeld Demas en kenmerkt hem met de woorden ‘dat hij de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen! (2Tim.4:9). In de gelijkenis van de zaaier en het zaad zien we dat de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen het woord verstikken en onvruchtbaar maken (Mark.4:19).

Daaruit blijkt dat de wereld ook zijn aantrekkelijke kanten heeft. Een gelovige kan in deze wereld terecht kan komen, zoals toen destijds Lot, en een leven leiden tot oneer voor God. In zo’n situatie terecht komen gaat geleidelijk ‘zegt’ Jakobus: ’Ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij de dood voort’ (Jak1:14-15). Het gevolg voor Lot was dat hij door de wereld besmet raakte (Jak.1:27) zodat bepaalde facetten van zijn leven de goedkeuring van die wereld kregen. Hij noemde de inwoners van Sodom zijn broeders (Gen.19:7). Vriendschap jegens de wereld kan leiden tot liefde voor die wereld: ‘Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is’ (1Joh.2:15). Jakobus stelt het hier nogal zwart wit: ‘Je bent een vriend van God, zoals Abraham (2:23), of een vriend van de wereld, maar vriendschap met de wereld betekend vijandschap ten opzichte van God! Dat leert ons dat volgelingen van Christus keuzes moeten maken, doen we dat niet dan zal vroeg of laat duidelijk worden waar ons hart zich mee bezighoudt! De apostel Pauls waarschuwt ons om niet wereldgelijkvormig te worden (Rom.12:2). Wij dienen dan ook regelmatig onszelf op de proef te stellen om te zien of wij nog in het geloof zijn (2Kor.13:5). Corrigeer je jezelf niet dan loop je het gevaar met de wereld te worden geoordeeld (1Kor.11:32). Van Lot heeft Petrus in zijn eerste brief getuigd dat hij een rechtvaardige was (2Petr.2:7-8), anders zou ons oordeel over hem er wel anders hebben uitgezien. Hoe dan ook er zullen er zijn die behouden worden ‘maar als door vuur’ (1Kor.3:11-15). Met de hakken over de sloot!

‘Overspeligen’, zo spreekt Jakobus de geadresseerden aan. Vriendschap met de wereld is zoals overspel. De gelovige is gehuwd met Christus (Rom.7:1-4) en behoort trouw aan Hem te zijn. De Joodse gelovigen die deze brief lazen verstonden dit beeld van ‘geestelijk overspel’ omdat de profeten Ezechiël, Jeremia en Hosea het gebruikten toen Juda om zijn zonden gestraft werd. Door de zonden van de andere volken over te nemen, en door hun goden te aanbidden, pleegde Juda overspel jegens God. De wereld is de vijand van God, en wie een vriend van de wereld wil zijn pleegt geestelijke overspel. Onderwerp u daarom aan God!

De derde vijand: de duivel (4:7-8; Ef.2:2)

‘Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten’

De derde vijand waarmee we te doen hebben is de duivel. In zijn gesprekken met de Joden, die Hem wilden doden, zei de Heer Jezus: ‘U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen’ (Joh.8:44). De wereld is in conflict met God de Vader; het vlees strijdt tegen God de Heilige Geest; en de duivel staat tegenover God de Zoon (antichrist). Trots is satans grootste zonde, en is een van zijn grootste wapens in zijn strijd tegen de gelovigen en de Heiland. De profetie in Jesaja 14 en Ezechiël 28 over de koning van Tyrus en Babylon geven ons beiden een treffende illustratie van de hoogmoed en de val van satan. Bij het lezen van deze gedeelten wordt het wel duidelijk dat het om meer gaat dan de directe betekenis en toepassing op de beide koningen. Het geeft iets weer van de geestelijke wereld. De koningen die worden aangesproken zijn enerzijds de letterlijke koning van Tyrus of Babylon, maar anderzijds wordt er door de fysieke barrière heen geprikt waarachter de hogere machten verborgen zijn die deze koningen beïnvloeden. ‘Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12).

God wil dat we nederig zijn; satan wil dat we hoogmoedig worden. ‘Je zal als God zijn’, beloofde satan aan Eva, en ze geloofde hem. Een pasbekeerde moet om die reden ook niet op een belangrijke plaats gesteld worden in de gemeente, omdat het gevaar van hoogmoed latent aanwezig is (1Tim.3:6). God wil dat we afhankelijk zijn van zijn genade: ‘Hij geeft grotere genade’ (4:6), terwijl de duivel wil dat we ons op ons zelf verlaten. De duivel schept er genoegen in om ons ego op te blazen en de gelovige te doen geloven dat hij alles moet doen op zijn eigen manier. Ondanks Jezus’ waarschuwing van satans plannen, viel Petrus in de valstrik, trok zijn zwaard, en probeerde zo Gods wil naar zijn eigen goeddunken te volbrengen. Wat maakte hij er een warboel van! Een van de problemen vandaag de dag in de gemeenten is dat er te veel vooraanstaanden willen zijn en te weinig dienaars (3Joh.:9). Het moet de discipel genoeg zijn dat hij wordt als zijn Meester (Mat.10:25). ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen en aller dienstknecht zijn’ (Mark.9:35). De mens heeft niets in zichzelf waarop hij trots kan zijn. ‘In ons woont geen goeds’ (Rom.7:18); maar als we op Christus vertrouwen ontvangen we goede dingen (genadegaven) die ons tot zijn kinderen maken (2Tim.1:6,14). Als de duivel u wil verleiden tot zonde, weersta hem en hij zal van u vluchten. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen!’

Tenslotte

Zoals gezegd er zijn drie vijanden die ons van God willen wegtrekken en daartegen hebben we oorlog te voeren: de wereld, het vlees, en de duivel. Deze vijanden zullen ons parten blijven spelen zolang we hier op aarde zijn; daardoor zijn we voortdurend in staat van oorlog. Christus heeft ons ervan verlost, maar ze vallen ons nog altijd aan. Hoe kunnen we ons verweren tegen onze vijanden, het vlees, de wereld, en de duivel en overwinnen? Door of onszelf te vernederen, of de duivel te weerstaan en tot God te naderen of ons onderwerpen aan God. Hij voert de strijd en wij zijn in Christus meer dan overwinnaar!  ‘Onze veiligheid ligt niet in de afwezigheid van vijanden, maar in de nabijheid van God!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX