Hoogtepunten van Jezus' leven

 

 

Hoogtepunten uit Jezus' leven

 

 

 

Deel 1 - Gesprekken in de hemel

Deel 2 - Een jongen in de tempel

Deel 3 - De doop van Jezus

Enz.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

Hoogtepunten uit Jezus’ leven

 Deel 1

 'Gesprekken in de hemel'

 

Inleiding

De eerste drie delen van deze reeks gaan van Jezus’ komst in de wereld tot aan zijn openbare dienst en bedragen de eerste dertig jaar van zijn aardse leven. De overige delen van deze reeks spelen zich af in de laatste drieënhalf jaar van zijn leven.

Een compleet overzicht te geven van het leven van de Heer Jezus is om diverse redenen niet mogelijk en één van die redenen is dat ‘er nog veel andere dingen zijn die Jezus gedaan heeft, en als die ieder afzonderlijk beschreven zouden worden, dan zou, denk ik, de wereld zelf de geschreven boeken niet kunnen bevatten’, vandaar dat enkel aan de hoogtepunten aandacht wordt gegeven.

Een bespreking in de hemel

Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament wordt de pre-existentie van de Heer Jezus vermeld. Pre-existentie is het vóórbestaan van de Zoon vóór diens incarnatie, eigenlijk van eeuwigheid af. Enkele teksten uit de Schrift bevestigen deze gedachte: ‘Wiens oorsprong is van ouds’ (Mi.5:1) en ‘Hij is voorgekend vóór de grondlegging van de wereld’ (1Petr.1:20) en ‘De heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was’ (Joh.17:5, 24) en ‘Vóór Abraham werd, ben Ik’ (Joh.8:58). En met die gedachte begint ook de apostel Johannes ‘zijn’ evangelie: ‘In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God’ en ‘dat Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’ (Joh.1:1,14). Over de pre-existentie van de Heer Jezus hoeft dus geen enkele twijfel te bestaan! En in die eeuwigheid, toen het Woord bij God was, is daar een bespreking geweest, een overleg.

De raad of het heilsplan van God met betrekking tot de in zonde gevallen mensheid is daar ontstaan. En de Heer Jezus neemt in die raad van God de voornaamste plaats in en omdat het plan op aarde ten uitvoer zou worden gebracht moest de Heer Jezus zijn heerlijkheid die Hij had bij de Vader had voordat de wereld was, verlaten en naar deze aarde komen. Het in werking treden van het plan begon echter al veel eerder. Onmiddellijk na de zondeval vinden we daarvan al een eerste vermelding: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). Vanaf dan kunnen we in de Schrift de verdere uitwerking van het plan van God volgen.

Het begin ligt bij de roeping van Abraham en zijn vrouw Sara in Ur der Chaldeeën om uit te gaan naar de plaats die hij als erfdeel zou ontvangen, dat is het land Israël. Uit Abraham en Sara is het volk Israël ontstaan van waaruit de Verlosser zou komen. ‘De behoudenis is uit de Joden’ (Joh.4:22). Abraham en Sara werden de ouders van Izaäk, en Izaäk en Rebekka de ouders van Jakob die twaalf zonen kreeg, de patriarchen van de twaalf stammen van Israël. Van generatie tot generatie openbaarde God zijn plannen door middel van typen en profetieën. Voordat Jakob stierf zei hij tegen zijn zonen: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Hij sprak van Jezus, de Zoon van God. God had het volk Israël uitverkoren, en uit dat volk de stam Juda. Eeuwen daarna zei David dat de Verlosser uit zijn familie zou komen (2Sam.7) en de profeet Micha sprak over Bethlehem waar deze zou worden geboren (Mi.5:1) en Jesaja profeteerde dat de Messias geboren zou worden uit een maagd (Jes.7:14).

Wanneer God in deze wereld iets tot stand wil brengen gebruikt Hij daarvoor engelen, profeten of gelovigen. Maar om het grootste werk tot stand te brengen, de behoudenis van verloren zondaren, zond God zijn Zoon. Daarvoor moest de Heer Jezus over een lichaam beschikken. ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven aan slavernij onderworpen waren’ en ‘Daarom zegt Hij bij zijn komen in de wereld: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid’ (Heb.2:14-15; 10:5).

De Heer Jezus is Mens geworden om geestelijk leven te brengen in een dode wereld

Na de zondeval verkondigt God aan de mens dat deze de lichamelijke dood zou moeten ondergaan, iets waarvoor Hij vóór de zondeval al had gewaarschuwd (Gen.2:17). Dat zou het gevolg zijn van hun eventuele ongehoorzaamheid en zo is het gebeurd! Het gezegde ‘Eén daad van ongehoorzaamheid kan maken dat men jaren schreit’ is hier zeker van toepassing, want door die ene zonde is de dood in de wereld gekomen en die strekt zich uit tot alle mensen (Rom.5:12). Maar er is nog iets anders dan de lichamelijke, fysieke dood van de mens die het gevolg is van hun ongehoorzaamheid, en dat is de eeuwige, of tweede dood wat de straf is van de ongehoorzaamheid van de mens (Op.20:14). De eerste, fysieke dood is onvermijdelijk voor alle mensen, ieder mens zal eenmaal sterven gelovig of ongelovig (Heb.9:27). Aan de tweede dood, de geestelijke dood, is te ontkomen door bekering en wedergeboorte.

Om die reden is de komst van de Heer Jezus naar deze wereld zó belangrijk want, ‘door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, die de dood te niet gedaan is leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het evangelie’ (2Tim.1:10). Leven en onvergankelijkheid! Leven betekend hier ‘eeuwig leven’ te onderscheiden van het gewone leven. Onvergankelijkheid staat tegenover vergankelijkheid. De Heer Jezus is gekomen ‘opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben’ (Joh.10:10). Dat is de belofte die Hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven (1Joh.2:25). Dat leven is van een andere dimensie dan het gewone aardse leven, wat dan ook de reden was dat de Heer Jezus tegen Nicodémus zei dat hij wedergeboren moest worden, omdat hij anders het koninkrijk van God niet zou kunnen zien en binnengaan (Joh.3:3,6,7).

Dat eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard toen de Heer Jezus in deze wereld gekomen is. ‘In Hem was het leven, en het leven was het licht van de mensen’ (Joh.1:4). Daarom: ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’ (1Joh.5:12). Het eeuwig leven dat eenmaal werkelijkheid zal worden bij Jezus’ komst: ‘Wanneer Christus, uw ‘leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’ (Kol.3:4).

De Heer Jezus is Mens geworden om te sterven voor de zonden van de wereld

Wanneer de apostel Paulus spreekt van ‘de zonde die in mij woont’ doelt hij op een macht die in hem woont en hem aanzet om te zondigen. Want, gaat hij verder: ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik. Als ik nu dat doe dat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont’ (Rom.7:19-20). De zonde wordt ook wel omschreven als ‘het vlees’. David was zich daarvan al bewust want hij zei: ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’ (Ps.51:7).

Een definitie van zonde zou kunnen zijn: ‘Zonde is wat niet aan Gods maatstaf voldoet’. Chafer omschrijft zonde als: ‘Dat wat zich in strijd met Gods karakter toont’.

De mens zondigt omdat hij zondig is, niet andersom. Die zonden hebben allerlei nare gevolgen, voor de zondaar zelf, voor zijn omgeving, maar bovenal in zijn relatie tot God, want zegt Jesaja: ‘Uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn’ (Jes.59:2). Om die verbroken relatie te herstellen was het nodig dat er iemand was die tussenbeide zou treden. Dat brengt Jesaja 59 zo prachtig in beeld. Het hoofdstuk begint met de woorden van de profeet die zegt dat de hand des Heren niet te kort is om te verlossen, maar toen Hij ontzette zich toen Hij zag dat er niemand was, die tussenbeide trad. Toen bracht zijn arm Hem hulp, als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren (Jes.59:2,12,16,20). Natuurlijk gaat het hier over het volk Israël maar we kunnen dit gemakkelijk toepassen op ieder mens die gescheiden is van God door zijn of haar niet beleden zonden en bekering.

Degene die tussenbeide kan treden is uiteraard alleen de Heer Jezus, Hij is de Middelaar. ‘Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’ (1Tim.2:5). Daarom moest Jezus mens worden en een lichaam aannemen. ‘U hebt Mij een lichaam toebereid’ zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën (Heb.10:5). Daarom kon de Heer Jezus door Johannes de doper worden aangekondigd als ‘Zie het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh.1:29). Christus is voor ons tot zonde gemaakt (2Kor.5:21) en heeft onze zonden gedragen op het hout (1Petr.2:24). ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’ (1Petr.3:18). Wat een wonder van genade!

De Heer Jezus is gekomen om de duivel te verslaan

De strijd aangekondigd in Genesis 3 vindt z’n climax ten tijde van de komst van Christus in deze wereld; Hij kwam daardoor op vijandig terrein. Hij brak in in het huis van de sterke. ‘Niemand die het huis van de sterke binnengaat, kan zijn huisraad roven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven’ (Mark.3:27). Tijdens de verzoeking in de woestijn claimt de duivel dan ook zijn recht op die macht die hem is overgeven: ‘En Hij voerde Hem omhoog en toonde Hem alle koninkrijken van het aardrijk in een ogenblik tijds. En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven want zij is mij overgegeven en aan wie ik wil geeft ik ze’ (Luk.4:5-6). De duivel verdedigd zijn ‘huisraad’ met alle macht, maar er is er Een die sterker is dan Hij: de Heer Jezus!

De bezittingen waarover de gelijkenis spreekt zijn de demonen, gevallen engelen, die Jezus uitwerpt, waardoor Hij de duivel toont dat Hij de macht daarover heeft. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken’ (1Joh.3:8). ‘Als echter iemand op hem afkomt die sterker is dan hij en hem overwint, neemt die zijn hele wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit’ (Luk.11:22). Dat de Heer Jezus sterker is dan de ‘sterke’ is al eerder gebleken tijdens de verzoeking in de woestijn maar de definitieve eindoverwinning vinden we beschreven in het boek Openbaring: ‘En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid. (Op.20:10). Dat is ook de oorzaak dat de Heer Jezus op het einde van zijn aardse bediening kon zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht, in hemel en op aarde’ (Mat.28:18).

De basis voor de overwinning is gelegd op het kruis van Golgotha waar de Heer Jezus de overheden en de machten heeft ontwapend, die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd.

De Heer Jezus is Mens geworden om Gods liefde te openbaren

In tegenstelling tot wat veel mensen denken en zeggen, leert de Schrift dat God liefde is (1Joh.4:8,16). ‘God is liefde’ dat is zijn wezen, dat is God. Gods macht en kracht zien we gedemonstreerd in de schepping (Ps.19; Rom.1:20) en Gods handelen in de geschiedenis (Dan.2:21; Hand.14:16-17; 17:16-31). God laat ons op tenminste twee manieren zien dat Hij liefde is, ten eerste door Zich te openbaren in zijn Zoon Jezus Christus en ten tweede in zijn handelen met de zondaar.

Gods liefde zichtbaar in Christus

Gods liefde is zichtbaar geworden doordat de Vader de Zoon gezonden heeft in deze wereld. God was dat aan niemand verplicht maar gedreven door zijn liefde voor de verloren mens heeft Hij dat gedaan. ‘Hierin is de liefde van God ten aanzien van ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden’ (1Joh.4:9-10). Hij heeft zelfs (!) Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft (Rom.8:31-32).

Gods liefde ten opzichte van zondaren

‘God bevestigd zijn liefde tot ons hierin, dat Christus voor ons gestorven is toen wij noch zondaars waren’ (Rom.5:8). Als God zijn rechtvaardigheid voorrang zou hebben geven aan zijn liefde dan zag het er voor de mens niet goed uit, want: ‘De ziel die zondigt, die zal sterven!’ (Ez.18:4). Gelukkig toont de Schrift, vanaf de eerste tot de laatste bladzijde, dat Gods liefde prevaleert, want Hij heeft geen behagen in de dood van de zondaar, maar veeleer daarin dat hij zich bekeert en leeft! (Ez.18:23). De Vader heeft de Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden en de Zoon gezonden als Heiland van de wereld (1Joh.4:10,14). Dit is het eeuwige erbarmen dat al ons denken overtreft, een God die in zijn Vaderarmen de zondaar aan zijn hart verheft!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Hoogtepunten uit Jezus’ leven

Deel 2

'Een jongen in de tempel'

 

Inleiding

In het voorgaande deel van deze reeks hebben we gesproken over de plannen die in de hemel waren besproken over de komst en het doel daarvan van de Heer Jezus. We zijn daar ingegaan op zijn pre-existentie en goddelijkheid, maar in dit deel volgen we de Heer Jezus als de volmaakte Mens. Het is altijd moeilijk zijn goddelijkheid en zijn Mens-zijn te scheiden, laat staan te begrijpen en ook in deze reeks studies zullen we daar niet aan ontkomen.

In dit deel volgen we de Heiland vanaf zijn geboorte tot aan zijn doop dat het begin van zijn openbaar optreden aangeeft. In dat traject zijn veel zaken voor ons verborgen voor wat betreft het leven van de Heer Jezus tot zijn openbaar optreden. De Schrift geeft ons daarover weinig of geen informatie, dus moeten we oppassen om gebeurtenissen te vermelden als we daarover geen gegevens hebben. In het verleden is dat maar als vaak gebeurd en allerlei wonderen die de Heer Jezus zou hebben gedaan vinden we in een aantal apocriefe geschriften. We mogen meer waarheid hechten aan het wonder dat de Heer jezus heeft gedaan tijdens de bruiloft in Kana, waar hij water in wijn veranderde en dat Hij dat deed als ‘het begin van zijn tekenen’ (Joh.2:11; vgl. 10:41).

Historische overzicht

Het verblijf van het Joodse volk in het beloofde land wordt beëindigd in 608-605 door de Babylonische invasie en wegvoering. De val van Jeruzalem is in 586 v.Chr. In 539 v.Chr. gaat het Babylonisch rijk over in het Medisch-Perzisch rijk onder Cyrus. Deze Cyrus staat in 538 v.Chr. een terugkeer toe en zo’n 50.000 joden vertrekken onder Zerubbabel terug naar het land Israël. In 458 v.Chr. vindt er een opwekking plaats onder Ezra en in 445 v.Chr. wordt Nehemia geroepen en begint men met het herstel van de muren van Jeruzalem. Na het Medisch-Perzisch rijk is het de beurt aan het Griekse rijk onder Alexander de Grote. Na diens dood in 323 v.Chr. wordt zijn rijk opgedeeld in vier delen. De volgende macht zijn de Romeinen. Trouwens, het is bijzonder interessant om hierbij de profetieën van de profeet Daniël te raadplegen, in het bijzonder de hoofdstukken 2:32-45 en 8:20-25. In 63 v.Chr. neemt de Romeinse generaal Pompeius Jeruzalem in, en werd Palestina een van Rome afhankelijk gebied. Na Antipater, die het tot procurator van Judea had gebracht, kreeg bij zijn dood zijn zoon Herodes de macht. We zijn dan in de tijd van Jezus’ geboorte aangekomen want het was deze Herodus die Jezus’ naar het leven stond, waardoor Jozef en Maria met het kind Jezus genoodzaakt werden om naar Egypte te vluchten. Herodus de Grote heeft een begin gemaakt met de bouw van de tempel in Jeruzalem (Joh.2:20; Luk.21:5). Hij is gestorven in 4 v.Chr. en zijn zoon Archelaüs werd zijn opvolger in Judea en Samaria (Mat.2:22). (Voor wat betreft de tijdrekening het volgende: De abt Dionysius Exiguus heeft in de 6e eeuw het begin van onze jaartelling proberen te berekenen maar heeft een fout gemaakt van minstens vijf jaar. Het is een historisch feit dat koning Herodus in 4 v.Chr. gestorven is. Hij was de initiator van de kindermoord in Bethlehem die hij pleegde op jongetjes van twee jaar en ouder. Jozef en Maria waren met het kind Jezus om die reden naar Egypte gevlucht, waar zij verbleven tot aan de dood van Herodus. We moeten we concluderen dat de Heer Jezus omstreeks 4 - 6 v.Chr. geboren is.) Een andere zoon Herodus Antipas krijgt het bestuur over Galilea en Peréa. Johannes de doper is door deze Herodus terechtgesteld. Dit is, in het kort, de wereld waarin de Heer Jezus is geboren, geleefd en is gestorven.

Jezus’ kinderjaren – eerste bezoek aan de tempel

We gaan niet in op de aankondiging van de geboorte aan de herders maar vervolgen onze studie met de vermelding van de besnijdenis, die acht dagen na zijn geboorte plaatsvond (Lev.12:3). Waar de besnijdenis plaatsvond wordt niet vermeld. Veertig dagen ná de geboorte wordt, conform de wet, de Heer Jezus aan de Heer voorgesteld (Ex.13,2,12,15) en werd er een offer gebracht in verband met de reiniging na de geboorte. ‘De Here sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten: Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. Drieëndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor een zoon of voor een dochter een éénjarig schaap ten brandoffer, en een jonge duif of tortelduif ten zondoffer, naar de ingang van de tent der samenkomst tot de priester brengen. Indien echter haar vermogen niet toereikend is voor een stuk kleinvee, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen: de ene ten brandoffer en de andere ten zondoffer, en de priester zal over haar verzoening doen, en zij zal rein zijn’ (Lev.12). Door de verslaggeving daarvan weten we dat Jozef en Maria zich trouw aan de wet hielden. Tijdens die gebeurtenissen die met dat bezoek in de tempel plaatsvonden, vond de ontmoeting plaats met Simeon en Anna.

De volgorde van de gebeurtenissen zijn niet altijd zo duidelijk in het Lukasevangelie. Bijvoorbeeld wordt het uit dit evangelie niet duidelijk hoe lang Jozef en Maria in Bethlehem zijn gebleven. Ook het bezoek van de wijzen en wanneer de vlucht naar Egypte heeft plaatsgevonden wordt niet vermeld. Nee, Lukas gaat onmiddellijk verder met te vermelden dat zij terugkeerden naar Nazareth waar: ‘Het kind opgroeide op en werd gesterkt, vervuld met wijsheid; en de genade van God was op Hem’ (Luk.2:39-40). Tot zijn twaalfde jaar blijft de berichtgeving over het verder verloop van Jezus’ jonge jaren voor ons verborgen.

Jezus’ familie

Het is algemeen bekend en het wordt door de Bijbel ondersteund dat Jozef en Maria meerdere kinderen hebben gekregen dan alleen de Heer Jezus en Hij dus meerdere broers en zusters heeft gehad. ‘En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen ten einde gebracht had, dat Hij vandaar wegging. En in zijn vaderstad gekomen, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten? Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?’ (Mat.13:53-56, Mat.1:25; 12:46-50; Joh.7:3; Hand.1:14). Alle namen van de broers van de Heer Jezus worden genoemd Jakobus, Jozef, Simeon en Juda. Van zijn zusters ontbreken de namen, maar het moeten er minsten twee zijn geweest (Mat.13:53-56). De Heer Jezus is dus opgegroeid in een tamelijk groot gezin. Van Jozef, de echtgenote van Maria, is de afkomst niet bekend. Wel wordt aangenomen dat hij al zou zijn gestorven toen de Heer Jezus nog leefde omdat Jezus door Markus ‘de timmerman’ wordt genoemd in plaats van Jozef. ‘Is Dit niet de timmerman, de Zoon van Maria en de broer van Jakobus en Josef en van Judas en Simon? En zijn zijn zusters niet hier bij ons?’ (Mark.6:3). Na Hand.1:14 horen we in de Bijbel ook niets meer over Maria. Er zijn overleveringen dat Maria ooit in Efeze gewoond heeft maar de Bijbel maakt daar geen melding van. Volgens de overlevering heeft Maria, na uit Jeruzalem vertrokken te zijn, haar laatste jaren in Efeze doorgebracht, samen met de apostel Johannes. Eusebius bevestigd dat in zijn Kerkgeschiedenis dat zij met de apostel Johannes in Efeze vertoefde en aldaar ook begraven ligt. (Boek 3.19). Men zegt dat Vespasianus, die van 69-79 n.Chr. keizer van het Romeinse rijk was, opdracht gaf het nageslacht van David op te sporen, niemand van die oude koninklijke familie mocht nog langer onder de joden blijven. Onder de vervolgingen die onder keizer Domitianus plaatsvonden, hij was keizer van 81-96, werd de apostel Johannes naar het eiland Patmos verbannen. Het was deze Domitianus die bevel gaf om het nageslacht van David te doden.

Jezus’ jeugdjaren – tweede bezoek aan de tempel

‘Trouw aan de wet reisden de ouders van de Heer Jezus naar de gewoonte elk jaar naar Jeruzalem om het Pascha te vieren en zo was het ook voorgeschreven (Ex.12:24-27; Deut.16:1-8). Ze verzuimden de onderlinge bijeenkomst niet zouden we nu zeggen (Heb.10:25). ‘Goed voorbeeld doet goed volgen’ zegt een oude gezegde en we lezen van de Heer Jezus later dat Hij ook ‘naar zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge ging’ (Luk.4:16). Zijn ook wij zo getrouw om de onderlinge samenkomsten te bezoeken?

De taak voor Jozef, als hoofd van het gezin, was volgens de Talmoed viervoudig, (1) hij moest zijn zoon onderhouden, (2) hem een ambacht leren en (3) een vrouw voor hem zoeken en (4) hem de Torah bij brengen. Dat laatste zal wel gelukt zijn, menselijk gesproken, want we hebben al eerder gelezen dat ‘Het kind opgroeide op en werd gesterkt, vervuld met wijsheid; en de genade van God was op Hem’ (Luk.2:39-40). Het ambacht wat Jozef Jezus heeft bijgebracht was dat van timmerman, want we lezen dan ook later dat Markus de Heer Jezus ‘de timmerman’ wordt genoemd (Mark.6:3).

Toen de Heer Jezus twaalf jaar was ging Hij, (voor de eerste keer?) mee op naar Jeruzalem om het Pascha te vieren. Dat moet een hele ervaring voor hem geweest zijn: de Koning ging op naar de ‘stad van de grote Koning’, zijn stad! (Mat.5:35). Hij was toen twaalf jaar en een jongen werd ‘zoon van de wet’ wanneer hij dertien jaar werd dan religieus als volwassene beschouwd. Hij mocht dan uit de wet lezen en moest verplicht elk jaar de feesten vieren (Deut.16:16). We zien hier een opgroeiende Jezus, die van zijn ouders wat meer vrijheid kreeg en Hem toestonden met een ander reisgezelschap terug naar Nazareth te gaan. Maar Jezus was in Jeruzalem achter gebleven en verbleef in de tempel waar Hij te midden van de leraars zat, naar hen luisterde en vragen aan hen stelde en allen die Hem hoorden, stonden versteld van Zijn verstand en antwoorden. In het antwoord dat de Heer Jezus zijn ouders geeft - ‘Wist u niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?’ – geeft mogelijk aan dat Hij zich bewust werd van zijn identiteit en roeping. Maar het blijft moeilijk, zo niet onmogelijk, om door te dringen in dingen die voor ons verborgen blijven, want zelfs Jozef en Maria beseften het niet! Maria bewaarde dingen in haar hart.

Jezus’ stille jaren – de voorbereiding

Nu zijn ouders Jezus hadden gevonden gingen ze samen terug naar Nazareth Hij was hun onderdanig, en nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen. Vanaf dat moment tot op de doop van de Heer Jezus door Johannes de doper in de Jordaan horen we niets. Het zal een tijd geweest zijn die ervoor gediend zal hebben dat de Heer Jezus zich zou kunnen voorbereiden op zijn uiteindelijke taak. Verder zal hij zijn vader Jozef geholpen hebben tot diens dood en de leiding van het bedrijf op zich hebben genomen – Hij wordt ‘de timmerman’ genoemd - en als oudste zoon ook verantwoordelijk was voor het gezin.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Hoogtepunten uit Jezus’ leven

Deel 3

‘Jezus’ doop’

 

Inleiding

Zoals je van een medaille ook maar een kant tegelijk bekijken kunt bekijken, zo is dat ook met de Persoon van de Heer Jezus. Op het ene moment zie je Hem als de volmaakte Mens en op het andere moment als de Zoon van God. Deze beide kanten tegelijk willen zien is niet alleen onmogelijk, maar brengt ook verwarring met zich mee. Daarom: ‘Ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de godsvrucht: Hij die geopenbaard is in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien door de engelen, gepredikt onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid’ (1Tim.3:16).

We volgen in deze studie het leven van de Heer Jezus daar waar we Hem hebben achtergelaten na zijn terugkeer van het bezoek aan de tempel als twaalfjarige jongen, in Nazareth. Het leven nam weer zijn normale loop, die daarin zal hebben bestaan dat de Heer Jezus zijn vader hielp in de timmermanswerkplaats, zijn moeder hielp in het gezin, en vooral toen Jozef er niet meer was hoofd van het gezin was, en de synagoge bezocht. Gewone alledaagse dingen.

Voorbereiding

Voorbereiding, mits goed gebruikt, is geen verloren tijd. God roept niemand onvoorbereid in zijn dienst. Dit vinden we duidelijk geïllustreerd bij Mozes. Zijn leven kunnen we opdelen in drie periodes van veertig jaar, waarvan de tweede veertig jaar voorbereiding waren op zijn echte taak, namelijk het volk Israël uit het land Egypte te leiden en te brengen naar het beloofde land. In die voorbereidingsperiode hoedde hij de schapen van zijn schoonvader Reüel. De Heer Jezus vergelijkt mensen met schapen (Mat.9:36) en Mozes’ voorbereiding als herder van een kudde zou een goede leerschool blijken te zijn toen hij veertig jaar lang een grote groep mensen moest hoeden en leiden door de woestijn. Een ander voorbeeld vinden we in Elia die zich drie-en-een-half jaar moest verbergen voordat hij mocht optreden tegen Achab (1Kon.17:3,9; 18:1). De voorbereiding van de Heer Jezus duurde achttien jaar, want zijn openbare dienst begon omstreeks zijn dertigste jaar (Luk.3:23). Dat was de tijd door God bepaald (Gal.4:2-4). Deze tijd heeft de Heer Jezus goed benut want, zo lezen we: ‘Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen (Luk.2:52).

Jezus verlaat het huis

Het zal wel opzien gebaard hebben in het gezin toen de Heer Jezus zijn vertrek aankondigde om weg te gaan. Wat hebben ze ervan begrepen? We lezen in het evangelie dat: ‘Maria de dingen in haart hart bewaarde’, met andere woorden ze gaf er niet gelijk een oordeel over maar dacht erover na en wachtte tot het haar duidelijk werd (Luk.2:19, 51). Wat Jezus later tegen de mensen zegt brengt Hij hier zelf in de praktijk: ‘Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven mij, is mij niet waard; en wie zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt, is Mij niet waard’ (Mat.10:37). Hij was ervoor bestemd en geroepen om de wil van zijn Vader ten uitvoer te brengen en dat ging vóór alles. Hij ging op weg naar Johannes de doper die al enige tijd bezig met de mensen op te roepen tot bekering en te dopen bij de Jordaan, toen de Heer Jezus arriveerde.

Johannes de doper

Het leven en optreden van Johannes de Doper heeft niet lang mogen duren want kort na zijn optreden is hij door Herodus gevangengenomen en terechtgesteld (Mat.14:1-12). Hij werd dan ook de eerste martelaar voor de naam van de Heer Jezus. Maar we lopen op de zaken vooruit, want wie was Johannes eigenlijk en wat zijn plaats in het handelen van God met zijn volk? Zijn geboorte was op zich al heel bijzonder want zijn moeder Elizabeth was onvruchtbaar en kreeg op hoge leeftijd toch nog een kind, deze Johannes. De Heer Jezus getuigde van hem: ‘Dat onder hen die uit vrouwen geboren zijn, geen groter is opgestaan dan Johannes de doper; maar dat de geringste in het koninkrijk der hemelen groter is dan hij’ (Mat.11:11). We weten weinig of niets van Johannes tot de dag van zijn optreden, dat ondanks zijn grote positie als voorloper van de komende Messias. We lezen dat: ‘Het kind nu groeide op en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen tot de dag van zijn optreden tegenover Israël’ (Luk.1:80). Het moet een bijzondere verschijning zijn geweest want: ‘Johannes was gekleed in kameelhaar en een leren gordel om zijn lendenen en hij at sprinkhanen en wilde honing’ (Mark.1:6). Hij was de ‘stem van een roepende in de woestijn’ en de bode die voor de Messias uitging en diens weg bereidde. Johannes leek op de profeet Elia want die ging op gelijke wijze gekleed als Johannes (2Kon.1:8). Maar die gelijkenis was niet alleen gericht op het uiterlijke ook in zijn positie was hij Elia! De Heer Jezus zegt daarvan tegen de mensen: ‘En als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen’ (Mat.11:14; 17:12; Mark.9:12). Dat was geheel overeenkomstig van wat een engel aan Zacharias, de vader van Johannes over hem had gezegd: ‘En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot de Heer, hun God. En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaders te doen terugkeren tot de kinderen en de ongehoorzamen in de wijsheid van de rechtvaardigen, om de Heer een toegerust volk te bereiden’ (Luk.1:17; Mal.4:5v.).

Twee bijzondere uitspraken van Johannes de doper vinden we in het evangelie van Johannes. Het eerste in 1:15: ‘Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen en gezegd: Deze was het van Wie ik zei: Hij die na mij komt, is mij vóór, want Hij was eerder dan ik’. Bedoelde Johannes de doper dat de Heer Jezus zes maanden ouder was dan hij? (Luk.1:36), of gaat het dieper en spreekt hij over zijn ‘neef’ als de Zoon van God? Hij is zich in ieder geval bewust van ‘hoge afkomst’ want hij vindt zichzelf niet waard om zijn schoonriem los te maken (Joh.1:28). Een tweede uitspraak vinden we in 1:31 waar Johannes zegt: ‘En ik kende Hem niet’. We mogen ervan uitgaan dat hij Jezus wel kende, in elk geval heeft hij ervan gehoord want ze waren toch familie. Ik denk dat we het zo moeten lezen dat hij de Heer Jezus niet kende als het Lam van God. Dit is te vergelijken met wat koning Saul over David zei na diens overwinning op Goliath: ‘Wiens zoon zijt gij, jongeling?’ Hij kende David wellicht van zijn verwantschap met zijn broers en als herder, maar niet als strijder. Denk ook aan wat de God tegen Mozes zei: ‘Maar met mijn naam, Here, ben Ik hun niet bekend geweest’ (Ex.6:2). Mijn naam Here wil zeggen: Jehova, God redt en in die hoedanigheid als Verlosser was hij aan het volk nog niet bekend, maar dat zou komen in de Exodus. Zo staat in Jesaja 63:8 ‘Hij werd hun tot een Verlosser’.

Jezus wordt gedoopt

De oproep van Johannes de doper tot de mensen om zich te laten dopen vond een groot gehoor; de Schrift spreekt van menigten die tot hem kwamen (Luk.3:7). En verder: ‘Toen liepen Jeruzalem en heel Judéa en de hele omstreken van de Jordaan uit naar hem toe en zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan terwijl zij hun zonden beleden’ (Mat.3:5). En ook de Heer Jezus kwam naar hem toe om gedoopt te worden (Luk.3:21; Mat.3:13). Alleen er was een groot verschil tussen de Heer en de andere mensen die gedoopt werden want de Heer Jezus hoefde zich niet te bekeren of te laten dopen vanwege zijn zonden. Hij was immers de enige Mens die kon zeggen: ‘Wie van u overtuigt Mij van zonde?’ (Joh.8:46). De zondeloosheid van de Heer Jezus wordt in het Nieuwe Testament op meerdere plaatsen duidelijk belicht (2Kor.5:21; 1Petr.2:22; 1Joh.3:5). Johannes protesteerde toen de Heer Jezus tot hem kwam om gedoopt te worden en zei: Ik heb nodig door u gedoopt te worden en U komt tot mij? (Mat.3:14). Maar er moest aan de gerechtigheid tegemoet gekomen worden en een begin gemaakt worden met Gods verlossingswerk voor het volk (Mat.3:15). Trouwens de Heer Jezus doopte Zelf niet (Joh.4:2).

Maar waarom dan toch die doop? Door zich door Johannes te laten dopen maakte de Heer Jezus zich voor de eerste keer aan zijn volk bekend. Hij maakte zich één met die mensen die zich al hadden bekeerd en laten dopen. Zo hadden in het Oude Testament ook anderen zich één gemaakt met het volk, zoals bijvoorbeeld Ezra (hdfst.9) en Nehemia (hfdst.9). Meerdere keren maakte de Heer Jezus Zich één met anderen, in zijn dagelijkse dienst (Mat.9:9-13), en in het bijzonder in zijn dood op het kruis (Mat.27:38), Hij werd gerekend onder de overtreders (Jes.53:12). Dat de Geest in de gedaante van een duif op de Heer Jezus neerdaalde maakte het voor Johannes duidelijk dat deze Jezus de Messias was (Joh.1:33v.); het Lam van God dat de zonde der wereld zou wegnemen (Joh.1:29). De doop gaf ook het begin van zijn openbare dienst aan (Hand.1:21-22; 10:37-38). Jezus was toen omstreeks dertig jaar (Luk.3:23) gelijk aan het begin van de dienst van de Levieten (Num.4:3, 35).

Jezus wordt verheerlijkt

Toen Jezus gedoopt was en bad, werd de hemel geopend en een duif daalde op Hem neer. De Geest daalde niet allen neer in de gedaante van een duif de Geest bleef er ook (Joh.1:33), om die reden kon de Heer Jezus later in de synagoge in Nazareth ook zeggen: ‘De Geest van de Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd’ (Luk.4:18). Met andere woorden wat Jesaja had voorzegt, de tijd van de profeten (Jes.61:1) was gekomen.

Alle drie Personen van de Godheid zijn betrokken bij de doop van Jezus: (1) de stem van de Vader, (2) de Geest die neerdaalt van God en (3) Jezus, die opsteeg uit het water (Mat.3:16). Het woord drie-eenheid komt in de Bijbel niet voor, maar hen die dat loochenen kunnen hier toch moeilijk omheen. Zoals gezegd de Geest daalde neer maar de Vader sprak; het was de eerste van drie gebeurtenissen waar op deze wijze tot de Heer Jezus gesproken werd. De tweede keer was op de berg der verheerlijking (Luk.9:28-36) en de derde keer was vlak voor de kruisiging (Joh.12:28). ‘U bent mijn geliefde Zoon, in U heb Ik welbehagen gevonden’ (Luk.3:32), dat was het wat de Vader tot de Zoon sprak. Woorden waarvan op gelijke wijze is gesproken door God tot Abraham toen Hij zei: ‘Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer, op een der bergen die Ik u noemen zal’ (Gen.22:1-2). En wat te denken van de tweede Psalm waar de Messiaanse Koning wordt voorgesteld: ‘Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn Zoon zijt gij; Ík heb U heden verwekt’ (Ps2:7). En de profeet Jesaja zegt: ‘Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten’ (Jes.42:1-4). Zelfs Petrus, die aanwezig was op de berg der verheerlijking spreekt ervan: ‘Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden. En wij hoorden deze stem, uit de hemel komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren’ (2Petr.1:17-18).

We verlaten de Jordaan en volgen de Heer Jezus naar de woestijn waar Hem een grote uitdaging wacht!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX