Het Preterisme

 

 

Inhoudsopgave rubriek: Preterisme

 

 

 

 

49 argumenten tegen preterisme

Korte geschiedenis van het preterisme

Het preterisme: een verkenning

Zie, Hij kwam/komt met de wolken!

Discussie over het Preterisme

Vragen aan Preteristen

Het jaar 70 na Christus

Vergeestelijken Bijbelse Profetiën

Uitwassen van het Preterisme

Nogmaals Preterisme

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

49 argumenten tégen preterisme

 

De Bijbel bestaat voor grofweg een derde uit profetie. Wat moeten we daarmee? Één manier om hiermee om te gaan, is wat we preterisme noemen. Deze leer gaat ervan uit dat bijna alle profetie uit de Bijbel vóór het jaar 70 AD vervuld is. Maar is dit wel een juiste veronderstelling? Hoewel Unravelations recentelijk al een uitgebreide weerlegging van de doctrine van preterisme online zette, zijn er enkele nieuwe inzichten die ik graag met u wil delen middels dit nieuwe e-book. Waarom het zo belangrijk is om uw visie op profetie en de eindtijd juist te hebben? Omdat de hermeneutiek van de preteristen niet consequent is. Men past die aan naar de eigen vooronderstellingen en vergeestelijkt passages die niet in hun theologie passen. Dat is een hellend vlak en kan uiteindelijk leiden tot een totaal ander evangelie. We zullen de Bijbel zo letterlijk mogelijk moeten nemen. In dit boek zullen we onder andere stil staan bij wat het zogenaamde 'koninkrijk' nu precies is en natuurlijk wat het níet is. Daarnaast kijken we naar wat de eerste kerkvaders over preterisme dachten.

 

Dit e-book wordt begin 2019 verwacht en is gratis te downloaden. Op de website kun je de inhoud al raadplegen: unravelations.weebly.com/debunked-preterismenl.html

 

Reeds gratis te downloaden zijn de volgende titels:

49 redenen voor de opname vóór de grote verdrukking

49 profetiën die de afgelopen eeuw vervuld werden

Bron: https://unravelations.weebly.com/49-argumenten.html

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Korte geschiedenis van het Preterisme

 

 

 

Het preterisme is een opvatting binnen het christendom waarbij de profetieën van de eindtijd, onder andere uit het Bijbelboek Openbaring, niet over de toekomst gaan maar reeds vervuld zijn in het verleden. Preteristen plaatsen de vervulling van de Bijbelse voorspellingen in de eerste eeuw na Christus, de tijd van de Romeinse keizer Nero en de Joodse Opstand met Rome. Een veel gebruikte bron binnen deze beweging zijn de brieven van Flavius Josephus.

De term 'preterisme' is afkomstig van het Latijnse woord praeteritus, dat 'voorbijgegaan' of 'verleden tijd' betekent, daarmee aangevend dat de apocalyps tot het verleden behoort.

Een van de eersten die het preterisme promootte was de jezuïet Luis De Alcasar (Frederic Farrar, The Early Days of Christianity (1882): ‘It has been usual to say that the Spanish Jesuit Alcasar, in his Vestigatio arcani sensus in Apocalpysi (1614), was the founder of the Præterist School'). Moses Stuart merkte op dat Alcasar's preteristische interpretatie van onschatbare waarde was voor de Rooms-katholieke Kerk gedurende de strijd met de protestanten (Moses Stuart, A Commentary on The Apocalypse, (1845), p. 464 ‘It might be expected, that a commentary which thus freed the Romish church from the assaults of Protestants, would be popular among the advocates of the papacy. Alcassar met, of course, with general approbation and reception among the Romish community’). In de moderne eschatologie vormt het preterisme vaak een katholiek verweer tegen de de protestantse interpretatie waarin de katholieke kerk als een vervolgend instituut wordt gezien (Kenneth GC Newport, Apocalypse and Millennium: Studies in Biblical Eisegesis, (2000), p. 74: “It is hardly surprising, given this general context, that the relatively few English Catholic commentators who turned their hands to the interpretation of these same passages should be concerned to counter this widely held, if somewhat variously presented, Protestant view. The response came in three basic forms: preterism, futurism, and 'counter historicism' – a term that has been created for the purposes of this discussion”).

Een van de eerste protestanten die deze visie aannam, is Hugo de Groot (Leroy Edwin Froom, The Prophetic Faith of Our Fathers, (1954), p. 510, ‘The Preterist view was soon adopted and taught, with various modifications, by the Protestant Hugo Grotius of Holland in his Annotationes (1644)’). Een bekende hedendaagse vertegenwoordiger van het preterisme is de Anglicaanse nieuwtestamenticus Tom Wright.

Bron: http://www.bijbelaantekeningen.nl

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het Preterisme - een verkenning

 

 

 

 

 

Het preterisme is de leer dat de voorzegde gebeurtenissen in Mattheüs 24 en het boek Openbaring grotendeels of volledig hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na Christus. Sommige preteristen stellen dat de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden in het jaar 70 hebben plaatsgevonden.

Term.

De term preterisme komt van het Latijnse woord praeter = verleden, omdat de profetieën merendeels of alle reeds in het verleden zouden zijn vervuld.

Hoofdinhoud van leer.

Het preterisme stelt dat alle of een deel van de Bijbelse profetieën over de laatste dagen verwijzen naar gebeurtenissen die in de eerste eeuw plaatsvonden na de geboorte van Christus, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

Versus futurisme.

Het preterisme staat tegenover het futurisme, dit is de opvatting dat de meeste voorzeggingen over het einde der tijden, de laatste dagen, de Grote Verdrukking en dergelijke, nog een toekomstige vervulling wacht en aan de terugkeer van Christus onmiddellijk zullen voorafgaan.

Gedeeltelijk en volledig preterisme.

De opvatting dat de profetieën over het einde reeds grotendeels (maar niet alle) zijn uitgekomen, heet gedeeltelijk preterisme (Eng. partial preterism). De meer recente opvatting dat alle voorzeggingen reeds zijn vervuld, wordt volledig preterisme (Eng. full preterism) genoemd.

Nederlandstalige preteristen.

In het Nederlandse taalgebied wordt een preteristische leer verkondigt (anno 2017) door David Sörensen, die stelt dat de wederkomst van de Heer Jezus in het jaar 70 heeft plaatsgevonden, en door de prediker Jeroen Koornstra. De laatste ziet 2Petr.3:10-12 vervuld in 70 na Chr., toen Jeruzalem verwoest werd.

2Petr.3:10 Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.

2Petr.3:11 Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht, 2Petr.3:12 terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan de hemelen in vuur gezet zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten. (TELOS)

Gedeeltelijk preterisme

Het gedeeltelijke preterisme is de oudste van de twee standpunten. Het stelt dat de profetieën aangaande de verwoesting van Jeruzalem, de Antichrist, de Grote Verdrukking en de komst van de Dag van de Heer als een "komst ten oordeel" door Christus, vervuld werden circa 70 na Chr., toen de Romeinse generaal (en latere keizer) Titus Jeruzalem innam, plunderde en de tempel verwoestte, waardoor blijvend een einde kwam aan de dagelijkse dierenoffers. "Babylon de Grote" (Openbaring 17-18) wordt vereenzelvigd met de oude heidense stad Rome of de Joodse stad Jeruzalem.

De meeste gedeeltelijk preteristen geloven ook dat uitdrukking "laatste dagen" slaat op de laatste dagen van de Mozaïsche verbond dat God uitsluitend hadden met de natie Israël tot het jaar 70 na Christus. Zoals God gericht uitoefende over verschillende naties in het Oude Testament, zo kwam ook Christus ten oordeel tegen degenen in Israël die hem afwezen.

Die laatste dagen van de natie Israël zijn volgens het gedeeltelijk preterisme te worden onderscheiden van de "laatste dag", die nog wel in de toekomst ligt en deze gebeurtenissen brengt: de wederkomst van Jezus, de lichamelijke opstanding van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, het laatste oordeel, en de schepping van een letterlijke nieuwe hemel en een nieuwe aarde, vrij van de vloek van zonde en dood, die door de val van Adam en Eva is gekomen 

Het preterisme vindt (anno 2015) al meer aanhang onder christenen. Een bekende Amerikaanse preterist is Don K. Preston. Hij ziet de periode tussen 30 en 70 na Christus als het duizendjarig rijk en de tijd daarna is die van het nieuwe verbond (de eeuwige toestand) 

Gedeeltelijk preteristen zijn in overeenstemming met de klassieke geloofsbelijdenissen van de christenheid en met de leer van de opstanding bij de vroege kerkleraars. Gedeeltelijk preteristen zeggen dat het Nieuwe Testament spreekt van vele "komsten" van Christus. Zij betogen dat de uitdrukking "wederkomst" betekent: twee of een reeks soortgelijke komsten, want de Schrift spreekt van andere komsten vóór de komst ten oordeel (in 70 n.C.). Zij menen dat de nieuwe schepping geleidelijk komt door een geleidelijke verlossing, tot stand gebracht door Christus, die regeert vanaf zijn hemelse troon. Hij zal daarbij gaandeweg zijn vijanden onderwerpen. De verlossing vindt haar hoogtepunt in de vernietiging van de lichamelijk dood, de "laatste vijand" (1Kor.15: 20-24). Zolang er nog vijanden zijn, kan de opstanding der doden niet plaatsvinden.

Bijna alle gedeeltelijk preteristen zijn het amillennialisme dan wel postmillennialisme toegedaan. Veel postmillenniale gedeeltelijke preteristen zijn ook theonomisten, die de zedelijke normen van het Oude Testament toepasbaar achten op de huidige maatschappij.

Het gedeeltelijk preterisme wordt algemeen beschouwd als een historisch orthodox standpunt, omdat het alle onderdelen van de grote geloofsbelijdenissen in de christenheid onderschrijft. In de Verenigde Staten is het gedeeltelijk preterisme onder protestanten een minderheidsstandpunt, dat duidelijk tegengesproken wordt, met name door degenen die het dispensationalisme aanhangen. Sommige dispensationalisten zijn bezorgd dat gedeeltelijk preterisme leidt tot een acceptatie van het volledig preterisme, maar deze bezorgdheid wordt tegengesproken door gedeeltelijk preteristen.

Volledig preterisme

Het volledig preterisme verschilt van het gedeeltelijk daarin, dat alle profetie beschouwd als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem, dus ook de voorzeggingen aangaande de opstanding van de doden en de wederkomst (parousia) van de Heer Jezus.

Namen.

Volledig preterisme is ook bekend onder andere namen, zoals (in het Engels) consistent preterism of hyper-preterism. De laatste term heeft een afkeurende bijklank. Een verwante, maar meer recente term is pantelisme (= "alvervulling"), die sommigen beschouwen als een verlengstuk van de volledig preterism in plaats van hetzelfde.

Volgens het volledig preterisme is de Heer Jezus teruggekomen in 70 n.C. en wel ten oordeel, wat geleid heeft tot de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel in het jaar 70. Dit gebeurde door middel van buitenlandse legers op een manier die vergelijkbaar is met diverse oudtestamentische beschrijvingen van God die komt om andere naties rechtvaardig te oordelen.

Volgens het volledig preterisme is de opstanding van de doden al gebeurd. Deze opstanding was niet een lichamelijke, maar een verrijzenis van de zielen uit de plaats der doden, welke bekend staat als Sjeool (Hebreeuws) of Hades (Grieks). De rechtvaardige zielen hebben een geestelijk lichaam gekregen dat geschikt is voor de hemel, en de onrechtvaardige doden zijn geworpen in de poel van vuur. Sommige volledig preteristen geloven dat deze verandering een doorgaande is en bij het overlijden van elke ziel plaatsvindt (Heb.9:27).

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden door het volledig preterisme gelijkgesteld met de vervulling van de wet in het jaar 70 na Chr. Zoals een christen bij zijn bekering "een nieuwe schepping" is geworden, is de wereld dat ook in 70 na Chr.

Kritiek

Bijbels bezwaar. Op Bijbelse gronden kan men ernstige bezwaren tegen het volledig preterisme aanvoeren. Reeds de apostel Paulus verwierp de gedachte dat de opstanding der doden al had plaatsgevonden.

2Tim.2:16-18 Maar onttrek je aan ongoddelijk gezwets; want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymeneus en Filetus, die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat de opstanding al heeft plaatsgehad en die het geloof van sommigen omverwerpen. (TELOS)

De Heer Jezus stond lichamelijk uit de doden op en ook de doden zullen lichamelijk verrijzen en het lichaam van de levenden zal veranderd worden.

Aanhangers van het volledig preterisme antwoorden dat Paulus' veroordeling terecht was, omdat de opstanding vóór 70 na Christus nog niet gebeurd was. Ook zeggen zij dat zij bepaalde Schriftplaatsen, die tegen hun standpunt worden aangevoerd, anders uitleggen.

Ketterij.

Voorzover en omdat het volledig preterisme sterk afwijkt van de overgeleverde geloofsbelijdenissen, wordt het door velen als ketterij beschouwd. Volledig preteristen antwoorden dat de geloofsbelijdenissen niet goddelijk geïnspireerd zijn, maar zijn opgesteld door feilbare mensen. De belijdenissen zijn fout op het punt van de toekomst en moeten aangepast worden.

Werking

Het volledig preterisme is een wassende stroom, die druk uitoefent om erkend te worden als een volwaardige eschatologische zienswijze. Tot op heden (anno 2016) heeft geen grote behoudende kerk in de Verenigde Staten deze zienswijze aanvaard, maar hebben verscheidene kerken het volledig preterisme veroordeeld.

Argumenten voor het preterisme

Sommige leerlingen zouden Hem zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat sommigen van zijn leerlingen zijn komst zouden meemaken.

Mat.16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer Jezus heeft gezegd dat "dit geslacht", het geslacht van zijn tijd (in de eerste eeuw) de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

De voorzeggingen in Matteüs 24 aangaande de "Grote Verdrukking" beschouwt het preterisme als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. Steun voor deze stelling vindt men in Jezus' woorden dat "dit geslacht niet zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd". Deze woorden schijnen de voorzegde gebeurtenissen te beperken tot "dit geslacht", tot de generatie in de eerste eeuw. "Spoedig".

De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden geschieden (Op.1:1)

Op.1:1 Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door zijn engel gezonden en aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.

Op.22:6 En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.

Hijzelf zou spoedig komen (Op.22:7, 12, 20)

Op.22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

Op.22:12 Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden zoals zijn werk is.

Op.22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!

Ook aan twee gemeenten in Klein-Azië zei Hij spoedig te komen.

Op.2:16 Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond.

Op. 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

Tegenwerpingen

Sommige leerlingen zouden Hen zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat enkele leerlingen Hem zouden zien komen in zijn koninkrijk.

Mat16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.

Mat.16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (TELOS)

Dat hebben zij gezien toen de Heer zes dagen na deze woorden drie leerlingen meenam op een hoge berg. Daar werd hij verheerlijkt.

Mat.17:1 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. Mat.17:2 En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Enz. (TELOS)

Merk op dat ze verzen onmiddellijk volgen op Matth. 16:28. Dat "zien komen" is een vooruitblik geweest. Zoals Hij toen in zichtbare heerlijkheid straalde, zo zal hij eens zichtbaar verschijnen in deze wereld.

"Dit geslacht" zou het meemaken. De Heer heeft gezegd dat "dit geslacht" de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.

Mat.24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mat.24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (TELOS)

Het gebruikte woord voor "geslacht" is het Griekse woord "genea". Het kan een figuurlijke betekenis hebben: "een soort mensen die veel op elkaar lijken in gaven, leefwijzen, karakter; specifiek in ongunstige zin, een verdorven geslacht”.

Mat.11:16 Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen: (TELOS)

Mat.12:39 Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona. (TELOS)

Mat.12:45 Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht. (TELOS)

Mark.8:38 Want wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen. (TELOS)

Mark.9:19 Hij nu antwoordde hun en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem bij Mij. (TELOS)

Fil.2:15 opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld, (TELOS)

Als wij andere Schriftplaatsen over de toekomst zoveel mogelijk letterlijk nemen, moeten we "dit geslacht" in Mat.24:34 figuurlijk verstaan: het betekent niet een "generatie van 40 jaar" betekent, maar "deze soort mensen", d.w.z. dit verdorven mensengeslacht.

"Spoedig". De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden gebeuren en dat Hijzelf spoedig zou komen. Daarnaast heeft de Heer gesuggereerd dat zijn komst op zich laat wachten. De boze slaaf zou zeggen "Mijn heer blijft uit".

Mat.24:48 Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mat.24:49 Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards, (TELOS)

De bruidsmeisjes vielen in slaap, omdat "de bruidegom uitbleef".

Mat.25:5 Toen nu de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. Mat.25:6 Maar te middernacht klonk een geroep: Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet! (TELOS 

In de gelijkenis van de slaven kwam de heer "na lange tijd" (Mat.25:19).

Mat.25:14 Want het is als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. (...) Mat.25:19 Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen. (TELOS)

Wetend dat sommigen het uitbleven van de Heer voor traagheid hielden, wees de apostel Petrus erop dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.

2Petr.3:8-11 ‘Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht’ (TELOS)

De tijdrekening van God is anders dan de onze. Gezien de aanwijzingen van "lange tijd" en "uitblijven" en gezien dat veel voorzeggingen over de eindtijd en de zichtbare komst van de Heer in de wereld met heerlijkheid en majesteit nog niet hebben plaatsgevonden, moeten we "spoedig" in het perspectief van een goddelijke tijdrekening plaatsen.

Ps.90:4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht. (HSV)

De Heer komt op de wolken van de hemel.

Critici van het preterisme wijzen erop dat Mattheüs 24 ook spreekt van Jezus' komst op de wolken des hemels. Deze wederkomst in de lucht is nog niet gebeurd, ook niet in de eerste eeuw. De preterist antwoordt daarop dat er geen reden is om aan te nemen dat die komst op de wolken de Wederkomst van Christus is. In het Oude Testament spreekt God van zijn komst tot het volk ten oordeel. In Jesaja 19 vinden wij daarvan een treffend voorbeeld. De profeet verwijst naar het op handen zijnde oordeel over Egypte:

Jes.19:1 De last over Egypte. Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt in Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste. (HSV)

Noch Jes.19:1 noch Mat.24:33, die beide op een komst op de wolken spreken, spreken volgens het preterisme van de wederkomst van Christus.

Belofte van Israëls herstel. Een andere tegenwerping tegen het preterisme is dat Gods verbond met Israël "eeuwig" is en daarom niet geëindigd kan zijn in het jaar 70. Israël is weliswaar verstrooid onder de volken, naar de Schrift (Deut. 30), maar het zal ook weer worden hersteld, naar de Schrift.

Logische gevolgen.

Een ander bezwaar tegen het preterisme naar voren gebracht, is dat het antisemitisme en vervangingstheologie in de hand werkt. 

Meer informatie

Willem J. Ouweneel, Vond Jezus' wederkomst al in het jaar 70 plaats? CIP.nl, 7 april 2017. De auteur voert argumenten tegen het preterisme aan.

Jeroen Koornstra, Waarom vergeestelijking eindtijdprofetieën niet problematisch is. CIP.nl, 10 april 2017. Reactie van preterist Jeroen Koornstra op het artikel van Willem Ouweneel.

Willem J. Ouweneel, Noch Calvijn, Wright en Sproul hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen! CIP.nl, 11 april 2017. Antwoord op de reactie van Jeroen Koornstra.

Koornstra vs. Ouweneel: is Jezus nou wel of niet teruggekeerd in het jaar 70?, CIP.nl, 13 april 2017. Laatste reactie van Koornstra en van Ouweneel.

Engelstalig

Preterisme, een artikel op Theopedia.com, bevat een lijst van literatuur en internetbronnen over het preterisme.

AlwaysBeReady.com, de site van apologeet Charlie Campbell, verwijst naar verscheidene kritische beoordelingen van het preterisme.

Bron: Christipedia

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Zie, Hij kwam/komt met de wolken

Door Peter van Beugen

 

 

 

Met toestemming overgenomen uit het Bijbelstudieblad: Focus op de Bijbel - juni 2017, nummer.

 

Oude geluiden duiken eens in de zoveel tijd in nieuwe vorm weer op. Zo is onlangs op de website ontdekgod.nl van David Sorensen met veel verve het zgn. preterisme gepresenteerd.

Preterisme — het woord is afgeleid van het Latijnse voorzetsel praeter, dat je o.a. met 'voorbij' kunt weergeven - is eenvoudig gezegd de uitleg van bijbelse profetieën, die ervan uit gaat dat de vervulling van alle bijbelse profetieën reeds heeft plaatsgevonden, dus in het verleden ligt. Volgens deze theorie is Christus teruggekomen in het jaar 70 n.chr., op het moment dat de tempel in Jeruzalem werd verwoest onder keizer Vespasianus.

Alle profetieën m.b.t. de wederkomst en het koninkrijk zouden dus op dat moment in vervulling zijn gegaan of begonnen te gaan: er is geen terugkomst van Christus meer, geen herstel van Israël, geen nieuwe hemel en aarde, geen opstanding van doden. Deze uitleg laat een kader los dat de Bijbel mijns inziens geeft over de toekomst. Het loslaten van dit kader heeft vergaande implicaties voor het verstaan van de tijd waarin wij leven. Daarom vind ik het belangrijk om een antwoord te geven op de theorie die door Sorensen is gepresenteerd.

Ik wil om te beginnen een aantal gebeurtenissen behandelen die volgens de Bijbel nauw samenhangen met de wederkomst van Christus. Ik geloof dat hieruit blijkt dat deze profetieën onmogelijk allemaal in 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Daarna wil ik een aantal uitgangspunten behandelen die Sorensen presenteert op zijn website en aantonen dat die geen steekhouden. Tenslotte wil ik een aantal van de gevolgtrekkingen behandelen die voortkomen uit het preterisme, en deze toetsen aan de Bijbel.

De wederkomst van Christus

Een overgroot gedeelte van de Bijbel bestaat uit profetische geschriften, zoals en Jesaja en Jeremia, of uit geschriften die een profetische dimensie hebben, zoals de Psalmen. Een aantal van deze profetieën bestaat uit visioenen die om een nadere uitleg vragen, maar veel profetieën bestaan uit concrete en eenduidige uitspraken. Wanneer men over zoveel boeken verspreid zoveel uitspraken aantreft, is aan ons de taak om de puzzelstukjes aan elkaar te leggen, net zolang totdat we het totale plaatje gaan zien. Wij zouden het gemakkelijk hebben gevonden als één van de schrijvers even een chronologisch overzichtje had toegevoegd aan zijn boek, maar een dergelijk overzicht staat niet in de Bijbel. Maar wie eenmaal een aantal hoekstukjes en andere markante stukken van de puzzel gevonden heeft, kan veel andere stukjes moeiteloos aanleggen. Geef je dergelijke hoekstukjes niet de goede plek en begin je ergens willekeurig te bouwen, dan merk je al gauw dat er stukjes overblijven die je er niet meer in kunt passen.

Enkele van deze hoekstukjes zijn nu juist:

1. Christus komt terug

Bij de eerste komst van Christus zijn niet alle profetieën in vervulling gegaan die met zijn komst samenhangen. Een aantal daarvan zullen expliciet wachten op zijn wederkomst. Voor deze toekomstige gebeurtenissen is in het schema van Sorensen geen plek. De puzzelstukjes blijven over en dus worden deze profetieën vergeestelijkt.

2. Er is een herstel van het volk Israël op grond van Gods beloften.

Lange tijd heeft men gemeend dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen en dat voor het Joodse volk en Israël geen plek meer is - de zgn. vervangingstheologie. Veel profetieën uit het Oude Testament over Israël of Jeruzalem kun je echter onmogelijk op de Gemeente toepassen.

3. Er is een toekomstig Koninkrijk van God of een ‘Vrederijk' dat door de komst van Christus op aarde gesticht zal worden en dat in aard en vorm verschilt van het Koninkrijk in onze dagen. Er zal vrede zijn, de volken zullen geoordeeld zijn en de schepping hersteld.

Ik laat het even bij deze drie basispunten. Hierover zijn de meeste gelovigen het eens geworden. Je kunt over allerlei zaken nog van mening verschillen. Bijvoorbeeld of de Gemeente voorafgaand aan het Vrederijk wordt opgenomen, en hoelang van tevoren dan wel, en of dit Vrederijk nu letterlijk 1000 jaar duurt of niet. Maar dat is een kwestie van ‘verder puzzelen'. In het kader van dit artikel kan ik niet alles op ‘tekst-niveau' uitwerken, maar geïnteresseerde lezers kunnen bij auteurs van verschillende theologische smaken terecht zoals Ouweneel (Ouwenee1: 2012), Pentecost (Pentecost: 1958) of Walvoord (Walvoord: 1999).

Ik noem nu tien gebeurtenissen die samenhangen met de wederkomst van Christus.

1. Zichtbare verschijning op de Olijfberg

Zacharia zegt hierover (1): Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overigen van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden. En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden (14:2-4). En een aantal hoofdstukken daarvoor: Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. (12:10). Sorensen haalt weliswaar het eerste vers uit Zacharia 14 aan, maar hij vergeet door te lezen. In 70 n.Chr. is Jeruzalem weliswaar ingenomen en geplunderd, maar de rest van deze profetieën blijft onvervuld. Christus is niet teruggekomen met zijn voeten op de Olijfberg, de berg is niet door een aardbeving in tweeën gesplitst en evenmin is de Heer uitgetrokken ten strijde en ten behoeve van zijn volk Israël. Integendeel, Hij heeft ze overgegeven aan de macht van de heidenen. De stammen van Israël hebben Hem niet gezien en zeker niet over de Messias, Jezus van Nazareth, geweeklaagd, degene die zij doorstoken hebben.

2. Eindstrijd in Israel

Voorafgaand aan de wederkomst zullen alle volken van de aarde worden verzameld voor de eindstrijd op de plaats die in het book Openbaring Armageddon wordt genoemd. Het betreft hier niet alleen legers van het Romeinse Rijk. Er zullen legers uit het Oosten (Op.9:14, 16:12), uit het Noorden (Dan.11:40), uit het Zuiden (Dan.11:40), uit de omliggende volken (Jes. 11: 11-15) komen. Hier horen minstens bij legers uit Azië (Iran? Irak?), Syrië, Egypte en Afrika en uit de omliggende volken, bijv. het huidige Jordanië. De Bijbel voorzegt dat deze volken Israël in het nauw zullen drijven, maar uiteindelijk zullen worden verslagen en onderworpen. Dit zal gebeuren wanneer Israël door de kracht van de Heer zegeviert, die voor hen strijdt. De eindstrijd van de volken moet zich voltrekken voorafgaand aan de verschijning van de Heer. Een dergelijke strijd heeft niet plaatsgevonden tussen de jaren 30 en 70 n.Chr.

3. Oordeel over het Beest en de antichrist

Als bijzonderheid noem ik het oordeel over twee personen die in de eindtijd een voorname rol spelen. De beschrijving van deze sleutelfiguren gaat terug op profetieën uit het Oude Testament. In de tijd van de profeet Daniël brak de periode aan die we aanduiden met de ‘tijden van de volken'. Israël zou eeuwenlang niet als soeverein koninkrijk bestaan, maar als gezagsgebied van wereldmogendheden. Zelfs op dit moment valt het tempelplein, de heiligste plaats in Jeruzalem, onder het bestuur van de islamitische Waqf, met aan het hoofd de koning van Jordanië. De laatste heerser van de wereld, aangeduid als 'het Beest' in Op.13, zal een verbond sluiten met de 'valse profeet' of 'antichrist' in Israël en maken dat een beeld van hem wordt opgericht in de tempel, dat aanbeden zal worden. Dit kan niet verwijzen naar de vaandels die de Romeinen in Jeruzalem hebben geplaatst, nadat de stad en de tempel waren verwoest - nog afgezien van het feit dat een vaandel geen afgodsbeeld is. Dit beeld zal in de tempel staan vóórdat deze wordt verwoest (2Thess.2:4) en is een voorwerp van aanbidding voor alle volken. Aan dit duivelse verbond tussen de valse profeet en het Beest maakt Christus in eigen persoon een einde als die beiden levend in de poel van vuur worden geworpen (Op.19:20). Nu zijn noch keizer Vespasianus, noch Titus - zijn zoon en legeraanvoerder bij de inname van Jeruzalem - noch Herodes Agrippa II, stadhouder van Judea op dat moment op die wijze omgekomen. Vespasianus stierf een natuurlijke dood in het jaar 79 n.Chr. Titus, die hem inmiddels als keizer was opgevolgd stierf in 81 n.Chr. na een ziekbed, terwijl Herodes Agrippa II volgens Justus van Tiberias pas in het derde jaar van keizer Trajanus, dat is het jaar 100 n.Chr. zou sterven van ouderdom (Schürer:2010).

4. Verzameling van de twaalf stammen van Israël

Bij de wederkomst van Christus zullen alle verstrooiden van de twaalf stammen van Israël naar het land terugkeren: Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks (Jes.11:10-12).  Zie hierover verder ook Jer.3:18, 30:3, Zach.10:6, Ezech.20:33-38, Matth.24:31. De belofte van God is dat als zij bijeen verzameld zullen zijn uit de volken, zij voortaan in ongestoorde rust en vrede in hun land zullen mogen blijven wonen: Maar zij zullen zitten, eenieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgenboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikt; want de mond des Heeren der heerscharen heeft het gesproken (Micha 4:4).  In het jaar 70 n.Chr. is het tegenovergestelde gebeurd: veel Israelieten werden in ballingschap weggevoerd, weg uit het land, en in het jaar 136 n.Chr., na de opstand van Simon Bar Kochba, werd de Joden zelfs de toegang tot de stad Jeruzalem ontzegd!

5. Rechtspraak over de volken

Volgend op de verschijning van Christus zal er een tribunaal worden opgericht waar alle volken worden geoordeeld: Wanneer nu de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troop van zijn heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken verzameld worden en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt... dan zal de koning zeggen tot hen die aan zijn rechterhand zijn ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk... En tot hen die aan zijn linkerhand zijn 'Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur' (Matth.25:31-46). De wijze waarop de volken Israël, de broeders van de Heer, zullen hebben bejegend, juist in het uur van hun grote benauwdheid, zal de maatstaf zijn voor het oordeel dat de Heer over hen velt. Zij die hen vijandig hebben behandeld zullen ter plekke geoordeeld worden, terwijl zij die hen vriendschappelijk hebben behandeld, het koninkrijk ingaan. Dit oordeel over de volken heeft helemaal niet plaatsgevonden in 70 n.Chr. En het Romeinse Rijk, dat verantwoordelijk was voor de verwoesting van de tempel, heeft nog eeuwen nadien voortbestaan.

6. Opstanding van doden

Als Christus terugkomt zullen doden opstaan. Volgens 1 Thess.4:15-18 zullen de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, samen met de ontslapenen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Want Hij zal roepen met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God en de doden in Christus zullen opstaan. Evenzo vermeldt 1 Kor.15:20-23 dat Christus is opgewekt als eersteling van hen die zijn ontslapen en dat daarna zij die van Christus zijn, bij zijn komst zullen opstaan. En Openb.20:1-6 vermeldt dat de ontslapenen die uit de grote verdrukking komen en die om het woord van God en om het getuigenis van Jezus waren onthoofd, levend werden en met Hem regeerden duizend jaren... Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deelheeft! 

Dit punt is zo duidelijk dat de uitleg over een wederkomst in het jaar 70 n.Chr. hopeloos spaak loopt. Een massale opstanding van doden kan immers onmogelijk ongemerkt plaatsvinden. Op dit punt aangekomen blijkt dan ook dat Sorensen helaas zijn toevlucht neemt tot een uitlegmethode waarmee je elk probleem in je theologie kunt pareren, nl. de methode van 'vergeestelijking'. De opstanding verwijst volgens Sorensen niet naar een fysieke werkelijkheid, m.a.w. we moeten dat niet 'letterlijk opvatten', het verwijst eenvoudig naar een 'werkelijkheid in de geestelijke wereld' en houdt dus niets anders in dan het voortbestaan van de geest en de geestelijke ontmoeting met Christus. Ik kom later uitvoeriger op dit thema terug, maar volsta op dit moment met te stellen dat de Bijbelse leer van de opstanding het preterisme voor een onoverkomelijk probleem stelt.

7. Herstel in de schepping

Het gevolg van de wederkomst van Christus zal zijn dat de vloek van de aarde zal worden weggenomen (Joh.1:29) en dat de schepping zal worden hersteld tot een paradijs. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods (Jes.35:1,2). En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein kind zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os (Jes. 11: 6-9, zie ook o.a. Hos.2:15-22). Rom.8:21 zegt dat de schepping verlost zal worden van de slavernij van de vergankelijkheid. Op.22:2 zegt dat er genezing zal zijn voor alle volken, de leeftijd van de mensen zal zijn als de levensduur van bomen (Jes.65:22). In het Vrederijk van Christus zullen de doodsoorzaken ziekte en veroudering worden weggenomen, zullen dieren niet langer ten prooi vallen aan andere dieren en zal de woestijn worden veranderd in een lusthof. Het behoeft weinig commentaar dat de wereld waarin wij leven daar niet op lijkt, en het ook niet gaat doen zolang Christus nog met is teruggekomen. Dit vergt een rechtstreekse ingreep van de hemel, die Christus zal brengen bij zijn komst.

8. Jeruzalem centrum van de wereld

In het Koninkrijk van God zal Jeruzalem het geestelijke en politieke centrum van de wereld worden: Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten order de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren (Jes.2:1-4, zie ook o.a. Zach.14:16-19). 
Jeruzalem zal de plaats zijn waar de volken onderricht ontvangen, waar rechtspraak plaatsvindt en waarheen de volken jaarlijks optrekken om het Loofhuttenteest te vieren. Dit zal gebeuren nadat Christus zijn troon er heeft gevestigd en de volken heeft geoordeeld.

9. Herbouw van de tempel

De tempel die voorafgaand aan de wederkomst in Jeruzalem zal zijn gebouwd, en waarin het beeld van het Beest zal worden geplaatst, zal worden afgebroken. Maar in het Vrederijk zal een nieuwe tempel worden gebouwd, die beschreven staat in het boek Ezechiël: En de heerlijkheid des Heeren kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag. En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof, en ziet, de heerlijkheid des Heeren had het huis vervuld. En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande. En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid (Ezechiël 43:1-7). De bouwkundige en geografische details plus de voorschriften voor de priester- en offerdienst laten weinig twijfel over het feit dat we hier te maken hebben met een letterlijke en fysieke beschrijving van een toekomstige tempel en bijbehorende dienst. Dit wordt bevestigd in overige profetieën aangaande het Vrederijk, zie o.a. Jes.66:20, Zach.14:20.

10. Satan wordt gebonden Als laatste vermeld ik het binden van de satan tijdens het Vrederijk (Op.20:2) voor een periode van duizend jaar. Gedurende deze periode kan satan niet rondgaan om volken en koningen te misleiden of aan te zetten tot oorlog. Dit kan toch onmogelijk met droge ogen beweerd worden van de tijd waarin wij nu leven. Paulus zegt dan ook dat satan de overste is van deze wereld (2Kor.4:4), de overste van de macht der lucht (Ef.2:2) en Petrus zegt dat hij rondgaat als een briesende leeuw (1Petrus 5:8). Dit is heel iets anders dan wat Sorensen beweert, nl. dat satan 'alleen maar in Israël werkte en dat de rest van de wereld slechts met demonen te doen heeft'. Volgens Sorensen is het duidelijk dat de satan reeds in de pool van vuur is geworpen, 'we zien immers een voortdurende afname van de invloed van het kwaad op aarde'. Tjonge, dat mij dat nu niet is opgevallen... 'En hoe zit het dan met satansverering wereldwijd?'. Volgens Sorensen zijn dit ‘slechts' demonen die doen alsof zij satan zijn. Tja, nu kan iedereen natuurlijk van alles beweren, maar ik vraag mij dan wel of waarop je deze bewering baseert. Wat Sorensen zegt over satan staat toch echt haaks op de Schrift. Satan is in het boek Openbaring helemaal niet 'uitsluitend in Israël werkzaam'. Hij geeft zijn gezag juist aan het Beest dat gezag voert 'over elk geslacht en taal en volk en natie' (13:7). Zoals ik onder punt 3 al heb aangetoond is het oordeel over het Beest en de valse profeet toekomstig. Inderdaad, satan is verslagen, maar ook een verslagen tegenstander kan nog weerstand bieden. Inderdaad hebben gelovigen autoriteit ontvangen om in Jezus Naam demonen uit te drijven, maar het is naïef om te veronderstellen dat satan en zijn macht in onze tijd teniet gedaan zouden zijn. Daarover spreken Paulus en Petrus zich in de geciteerde Schriftgedeelten duidelijk uit.

De methode van vergeestelijking

Ik zou door kunnen gaan met gebeurtenissen opsommen die samenhangen met de wederkomst van Christus, maar ik geloof dat de genoemde punten duidelijk maken dat die beslist niet in het jaar 70 n.Chr. in vervulling zijn gegaan. Een belangrijke sleutel voor de uitleg van Bijbelse profetieën geeft Petrus: 'Geen enkele profetie uit de Schrift laat een eigenmachtige uitleg toe' (2Petr.1:20, NBV). Je zult geduldig Schrift met Schrift moeten vergelijken, totdat je een kader vindt waarin alle teksten en gebeurtenissen tot hun recht komen. Dit is een andere aanpak dan die welke Sorensen voorstaat, zoals we zullen zien. Hij neemt als uitgangspunt een vers uit Mattheüs 24:34 en koppelt de vervulling hiervan rechtstreeks aan de gebeurtenis in 70 n.Chr. Deze uitleg staat op gespannen voet met tal van Schriftplaatsen en dit wordt 'eenvoudig opgelost' door een laatste redmiddel, namelijk door alle daarin genoemde zaken dan maar te vergeestelijken. Met deze methode zul je dan wel meer dan de helft van de Bijbel moeten gaan vergeestelijken, omdat je met een letterlijke uitleg niet meer uit de voeten kunt. Je komt hierdoor bovendien in conflict met wezenlijke geloofszaken. Zo moet Sorensen wel het Bijbelse gegeven van de lichamelijke opstanding vergeestelijken, omdat zijn schema geen ruimte meer laat voor een lichamelijke opstanding. Hiermee betaalt hij de tol dat hij afbreuk doet aan het evangelie dat Paulus verkondigd heeft (1Kor.15:1-4,13). Bovendien wordt er geen hermeneutisch criterium gegeven voor de keuze waarom bepaalde teksten nu wel en andere niet moeten worden vergeestelijkt. Als er geen lichamelijke opstanding is, is er dan wel een lichamelijk sterven geweest van Jezus, of zelfs een lichamelijke kruisiging, of geboorte? Die vragen lijken misschien gezocht, maar als je eenmaal deze weg inslaat, zijn ze dat helaas niet! Wat bepaalt nu immers de keus waarom het ene wel en het andere niet letterlijk moet worden opgevat? Van deze keus legt Sorensen op geen enkele wijze verantwoording af.

Ik wil nu nader ingaan op de onderbouwing die Sorensen geeft op zijn website voor zijn theorie. Deze bestaat uit een aantal gedeelten, nl. ten eerste de Schriftplaats Matth.24:34, ten tweede overige teksten uit de brieven en Openbaring, en ten derde de geschiedschrijving. Ik laat ze een voor een de revue passeren.

Mattheüs 24:34

Sorensen is niet de enige die met de uitleg van deze Schriftplaats gestoeid heeft: 'Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd'. Betekent dit dat binnen de tijdspanne van een generatie alle profetieën over de wederkomst zouden zijn vervuld? Nee, dat hebben we inmiddels vastgesteld. 'Al deze dingen' zullen we dus nader moeten duiden en twee andere verzen in de toespraak helpen ons daarbij. Vs. 8 zegt 'al deze dingen zijn nog maar het begin van de weeën'. Dat betreft dus de gebeurtenissen beschreven in de voorgaande verzen, die wel het einde inluiden, maar die zelf nog met het einde zijn! En vs.33 bevestigt dit: 'wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur'. Als 'al deze dingen' hier 'alle toekomstige gebeurtenissen' zou betekenen, wat is er dan nog 'nabij, voor de deur?! Alles is dan immers al gebeurd? Het parallelgedeelte in Lukas 21:31 maakt dit expliciet: ‘Wanneer u al deze dingen ziet gebeuren, weet dan dat het koninkrijk van God nabij is'. 'Al deze dingen' slaat dus inderdaad op de gebeurtenissen die aankondigen dat de wederkomst en de vestiging van zijn koninkrijk aanstaande zijn'. (2) De Nieuwe Bijbelvertaling geeft Matth.24:34 ook in deze zin weer: 'Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren' [of beginnen te gebeuren]. De gebeurtenissen zouden hun loop al gaan nemen bij de val van Jeruzalem, maar de voleinding van die gebeurtenissen voltrekt zich pas bij de wederkomst van Christus.

Overigens betekent 'geslacht' (enkelvoud) in Mattheüs zelden of nooit een 'generatie' van mensen, maar juist een ‘categorie' mensen. Matth.12:39 zegt bijvoorbeeld 'een boos en overspelig geslacht verlangt een teken'. Daarmee bedoelde Jezus niet 'de mensen die tussen 30 en 70 n.Chr. leefden'. Immers ook Paulus zegt ‘Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid' (1Kor.1:22). Het was een kenmerk van het Jodendom dat zij een teken zochten. Nu mocht het bij de val van Jeruzalem en de grote diaspora lijken alsof Israël en het Jodendom definitief zouden ophouden te bestaan, maar de vijgenboom zou in het laatst der dagen opnieuw gaan botten en uitlopen: er is een wonderlijk herstel van Israël in de eindtijd. Dus zelfs wanneer 'al deze dingen' een grotere tijdspanne dan een mensenleven omvat, zal ‘dit geslacht' inderdaad geenszins voorbij zijn gegaan voordat ze zijn gebeurd. 

De brieven en de Openbaring

Sorensen haalt tal van verwijzingen uit de brieven aan, die alle zeggen dat 'de tijd nog kort is' en dat het 'de laatste ure is'. Hieruit is echter geen absoluut tijdstip af te leiden waarop de Heer terug zou komen. Het betekent integendeel dat, ook al zou de komst van de Heer langer op zich laten wachten, de dienstknechten toch zo moeten leven als kon de Heer elk ogenblik terugkeren. De gelijkenissen in de evangeliën onderstrepen dit (Matth. 24:45-51, 25:1-13, 14-30, Luk.12:35-48). Het moet overigens toch ook boekdelen spreken dat geen enkele geïnspireerde Bijbelschrijver zegt dat de komst van de Heer al geweest is! Maar bovendien zegt Paulus in 2Thess.2 aan die gelovigen die meenden dat de dag van de Heer al wel was aangebroken dat dit helemaal met kon. Daarvoor moest eerst de mens van de zonde geopenbaard worden en die kan op zijn beurt nog niet komen omdat eerst 'de tegenhouder' moet worden weggenomen. Dit kan alleen maar slaan op de in de Gemeente inwonende Heilige Geest, die bij de opname van de Gemeente wordt weggenomen. Pas daarna zullen de toorn van het Lam en de oordelen van God de aarde treffen.

Bij de datering van het boek Openbaring maakt Sorensen het wel erg bont: 'Sommigen beweren dat Openbaring is geschreven na de val van Jeruzalem.' Laat dat ‘sommigen' maar weg, alsof we hier met een stelletje exoten te maken hebben die Openbaring zo laat dateren. Al sinds de 2e eeuw n.Chr. - en wel bij monde van Polycarpus, nota bene de directe leerling en tijdgenoot van Johannes zelf - is de overgrote meerderheid van alle commentatoren het erover eens dat Johannes dit boek geschreven heeft onder keizer Domitianus, en wel rond het jaar 95 n.Chr. Dit feit alleen al ontkracht de theorie dat Christus in 70 n.Chr. teruggekomen was: Johannes profeteert er immers over! Johannes profeteert ook over een tempel in Jeruzalem (11:2). Dat ziet niet op de tempel van Herodes, zoals Sorensen meent, die is immers niet gedurende 42 maanden door de volken ontheiligd. Dat is niet gebeurd bij de belegering door Vespasianus, maar zal wel gebeuren in de tempel die zal worden gebouwd in de toekomst.
De brieven van het Nieuwe Testament en het boek Openbaring pleiten dus beslist niet voor een wederkomst van Christus in 70 n.Chr.

De geschiedschrijving

Als derde getuige voert Sorensen een aantal 'zeer betrouwbare historische bronnen' aan. Hij verwijst naar Pseudo-Hegesippus, Eusebius, Flavius Josephus, Gaius Tacitus en Sepher-Josippon, die allen onafhankelijk van elkaar - althans die suggestie wordt gewekt, beschrijvingen geven van bovennatuurlijke tekenen bij de val van Jeruzalem. Daarmee zouden de tekenen uit Matth.24:29-30 in vervulling zijn gegaan. Laat mij nu één voor één deze historische getuigen onder de loupe nemen. Pseudo-Hegesippus is een geschrift uit de vierde eeuw dat vrijwel volledig bestaat uit een vrije vertaling of parafrase van het boek Josephus. Josephus schreef zijn werk in het Grieks en Pseudo-Hegesippus is niets anders dan een Latijnse vertaling van datzelfde boek. De naam Hegesippus is een verbastering van de naam Iosippius: Josephus. (Catholic Encyclopedia:1913 - Pseudo-Hegesippus). Eusebius schreef zijn Kerkgeschiedenis in de eerste heeft van de 4e eeuw n.Chr. Inderdaad beschrijft hij eveneens opzienbarende tekenen bij de val van Jeruzalem (III.8.1-6), maar Eusebius citeert daarbij 'de historicus' en deze historicus is niemand minder dan Josephus. (Eusebius:1993 reprint). Is dit Sorensen nu zelf niet opgevallen of vergeet hij dit te vermelden? Gains Tacitus, of Publius Cornelius Tacitus is evenmin een directe getuige van de val van Jeruzalem. Hij schreef zijn Histotiae begin 2e eeuw en gaat voor de details over de val van Jeruzalem terug op een andere bron. Wie de beschrijving van Tacitus met die van Josephus vergelijkt kan met dichte ogen raden wie zijn bron is: Josephus!
Sorensen gaat verder en voert een nieuwe historische 'bron' op: Sepher-Josippon. U voelt hem al aankomen. Wie enige kennis van het Hebreeuws heeft weer dat 'sepher' 'boek' of 'boek van' betekent, en Josippon is natuurlijk niemand anders dan Josephus. Sepher-Josippon is een geschrift uit de 10e eeuw, dus werd geschreven ca. 900 jaar na de val van Jeruzalem. Het handelt over een veelheid van zaken, boort vroeg-Joodse en Bijbelse bronnen aan, en voor de beschrijving van de oorlogen citeert de auteur natuurlijk niemand anders dan: Josephus (josephus.orinst.ox.ac.uk/archives/935).
Al deze 'historische bronnen' gaan in werkelijkheid dus terug op Flavius Josephus — over wie later meer. De wijze waarop Sorensen zijn 'historisch bewijs' presenteert, bezorgt mij een onbehaaglijk gevoel. Het wekt namelijk de schijn van een veelheid aan getuigen, terwijl deze auteurs allen één en dezelfde bron citeren. Sorensen zwijgt daarover in alle talen. Ik ga ervan uit dat hij dat niet bewust doet — om zijn geschiedkundige bewijs wat 'op te kloppen' - maar moet dan wel concluderen dat hij blijkbaar niet het minste onderzoek naar zijn bronnen heeft verricht. Dit ondermijnt de betrouwbaarheid van zijn theorie.

Nu over Josephus zelf. Josephus bevond zich ten tijde van de Romeinse belegering niet in Jeruzalem, maar in het Romeinse kamp. Hij was vroeg in de opstand krijgsgevangen genomen, viel in de gunst bij keizer Vespasianus en ging na de val van Jeruzalem met Titus mee naar Rome. Zijn tweede naam dankt hij aan het keizerlijke huis van de Flavii. In Rome schreef hij zijn boeken, en betoogde daarin dat het Romeinse Leger — waaraan hij zijn huidige goede leven dankte - een instrument was in de hand van God en dat de val van Jeruzalem Gods wil was. Met deze voorkennis vernemen we nu wat hij schreef over de val van Jeruzalem (Josephus:1960 reprint, pp. 581-583, Nederlandse vertaling van mij): 'Zo werd het ellendige volk overtuigd door bedriegers en diegenen die God loochenden, daar zij geen acht gaven, noch geloof hechtten aan de tekenen die toch zo evident waren en die zo duidelijk hun ondergang voorspelden... zij hielden geen rekening met de aanklacht die God tegen hen had... Zo was er een ster, die leek op een zwaard, die boven de stad stond, en een komeet, die een jaar doorging... op de achtste dag van de maand Nisan en op het negende uur van de nacht scheen er een licht rondom het altaar en het huis, zo helder dat het dag leek; dit duurde een half uur... Op ditzelfde feest baarde een koe, die naar de priester werd geleid een lam in het midden van de tempel... en een paar dagen na het feest, op de 21e dag van de maand Artemistus verscheen er een ongelooflijk en buitengewoon teken; ik veronderstel dat het relaas ervan klinkt als een fabel, als het niet werd verteld door velen die het hebben gezien... want voor zonsondergang werden strijdwagens en soldatentroepen gezien die door de wolken renden en de stad omsingelden... en de priesters die dienstdeden bij het altaar hoorden uit de vuurhaard het geluid als van een menigte die zei: Laten we hier vandaan gaan'... De joden hadden hun tempelplein vierkant gemaakt door het afbreken van de burcht Antonia, en tegelijkertijd in hun heilige orakels geschreven ‘toen zou hun stad zowel als de tempel ingenomen worden, als ze hun tempel vierkant zouden hebben gemaakt... en in die tijd zou iemand uit hun land regeerder van de aarde worden... maar dit orakel handelde over Vespasianus, die aangewezen was als keizer in Judea'.

Tot zover Josephus. Iedereen die enigszins bekend is met de literaire stijl van Joodse apocriefe en deutero-canonieke boeken, herkent hier onmiddellijk dezelfde verhaaltrant bij Josephus, gelardeerd met fantasie en fabels. 'Goddelijke tekenen' als een koe die een lam baart, een stem uit bet altaar die de priesters oproept om te vertrekken, en zelfs een heilig orakel dat de heerschappij van Vespasianus aankondigt, vallen buiten iedere geloofwaardigheid. Bovendien beantwoordt de verschijning van de hemellegers helemaal met aan het profetische woord. Volgens Josephus strijden ze immers mét de Romeinen en tégen Jeruzalem, terwijl de Bijbelse legers toch met de Heer, vóór zijn volk en tégen hun vijanden strijden? Wanneer we weten met welk doel en voor wie Josephus dit heeft opgeschreven, is het niet moeilijk om de politieke lading van dit boek te ontwaren. De door Sorensen opgevoerde 'zeer betrouwbare en historische bronnen' kunnen we zondermeer naar het rijk van de fabels verwijzen en de gelovigen zouden er goed aan doen om hier geen enkele aandacht meer aan te besteden.

Ik zou nog in kunnen gaan op allerlei kanttekeningen die Sorensen plaatst bij de lichamelijke terugkomst van Jezus, die zich niet 'in de fysieke dimensie' voltrekt maar 'geestelijk moet worden verstaan', net als trouwens de opname van de gemeente in de lucht, die ook verwijst naar een 'geestelijk rijk'. De nieuwe hemel en nieuwe aarde zijn natuurlijk óók nog slechts 'geestelijke' begrippen, net als de toekomstige tempel van Ezechiël en ... nou ja, eigenlijk gewoon alles. Dat we dit letterlijk moeten verstaan zijn 'allemaal misverstanden', gecreëerd door 'mensen die geen enkele kennis hebben van de taal en cultuur van de Bijbel en elkaar maar een beetje napraten', mensen die ‘wilde leringen de wereld insturen' en een 'onwetende christenheid misleiden'. De lezer oordele zelf.

Ik eindig met twee zaken die beslist nog aan bod moeten komen, nl. de opstanding, en 'het aangebroken koninkrijk'.

Opstanding uit de doden

Sprekend over de opstanding blijkt welke hoge tol Sorensen betaalt voor de verdediging van zijn theorie. Ik citeer: ‘Doorheen het Oude en Nieuwe Testament wordt voorspeld dat bij de komst van Jezus de zogenaamde ‘opstanding van de doden’ zal plaatsvinden. Een van de grootste misverstanden onder christenen is het idee dat de doden dan fysiek opstaan. Nergens in de Bijbel wordt echter gezegd dat de opstanding lichamelijk zou zijn. Steeds is er sprake van een geestelijke opstanding... Als wij sterven, gaan wij niet meer naar een dodenrijk, maar we stappen eenvoudig uit ons aardse lichaam en leven verder in ons geestelijke lichaam.’

Geen lichamelijke opstanding dus meer, 'opstanding' betekent doorleven in een 'geestelijk lichaam' in een 'geestelijke werkelijkheid'. Nu is de term 'geestelijk lichaam' al een innerlijke tegenspraak, immers geesten hebben helemaal geen lichaam. Maar we laten de Bijbel voor zich spreken: ‘Thomas, breng je vinger hier en zie mijn handen en breng je hand en steek die in mijn zijde' (Joh.20:27). Ik kan u verzekeren: wie dit bij een geest probeert, tast in de lucht. 'Zij nu kwamen naar Hem toe, grepen zijn voeten en huldigden Hem' (Matth.28:9). En Lukas vertelt: 'Zij werden echter angstig en erg bang en meenden een geest te zien. En Hij zei: betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb... en Hij zei tot hen: hebt u hier iets te eten? Zij nu gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. En Hij nam het en at het voor hun ogen'. Hoe Sorensen kan ontkennen dat de Bijbel hier spreekt van een fysiek lichaam is mij een raadsel. Iemand die vlees en beenderen heeft en die vis eet, heeft toch een lichaam? Geestelijk voortleven na het sterven is niet hetzelfde als een leer van de opstanding. Als Jezus zegt 'Ik zal hem opwekken op de laatste dag' (Joh.6:54), waar is de overledene dan volgens Sorensen tussen de dag van zijn heengaan en de laatste dag? Even duidelijk als de Schrift is over de opstanding van Christus, is zij over de onze: 'God nu heeft de Heer opgewekt en zal ook ons opwekken door zijn kracht (1Kor.6:14), 'En als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maker door zijn Geest die in u woont' (Rom.8:11). Een sterfelijk lichaam levend maken is toch echt iets anders dan een geestelijk voortbestaan.

Ons lichaam wordt in de Schrift wel vergeleken met een tent waarin wij wonen. Sterven wij, dan worden wij ontkleed: onze geest leeft voort zonder lichaam. Maar worden wij opgewekt, dan ontvangen wij een nieuw en eeuwig lichaam (2Kor.5:1-10). Dit idee staat haaks op de Griekse levensbeschouwing in Jezus' dagen: zij beschouwden het afleggen van het lichaam als een bevrijding en de idee dat men opnieuw in een lichaam zou worden opgewekt was hun dwaasheid. De Sadduceeën hadden deze idee van de Grieken overgenomen. En het is om deze reden dat zij botsten, niet alleen met de Farizeeën, maar ook met de Heer zelf: 'U dwaalt wel zeer, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God' (Matth.22:29). De opstanding van de doden was een kern van het evangelie dat de discipelen verkondigden: 'Die God heeft opgewekt uit de doden, van wie wij getuigen zijn (Hand.3:15; zie ook 4:10, 5:30, 10:40, 13:37, 17:3, 17:18). 'Over de hoop en de opstanding van doden sta ik terecht' (Hand. 2 3:6).

Dat Sorensen zijn eigen theorie heeft over de terugkeer van Christus, is nog tot daaraan toe. Maar dat hij omwille van die theorie ook de lichamelijke opstanding uit de doden ontkent, doet op jammerlijke wijze afbreuk aan de boodschap van het evangelie: 'Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd,... dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften, en dat Hij is begraven en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften'! (lKor.15:1-4).

Het aangebroken koninkrijk

Tenslotte wil ik iets zeggen over de conclusies die uit het preterisme volgen voor onze tijd. Aangezien volgens Sorensen alle profetieën uit de Schrift reeds in vervulling zijn gegaan, er geen nieuwe eeuw, en zelfs geen nieuwe hemel en aarde meer zullen volgen, is het aan de gelovigen in onze tijd om alle beloften aangaande het koninkrijk te verwerkelijken. Dit legt een niet reële verwachting en druk op de bediening van gaven, genezingen en wonderen in deze tijd. Let wel: ik geloof in de onverminderde werkzaamheid van de gaven van de Geest in onze tijd — bijvoorbeeld zoals vermeld in 1 Kor. 12 - en ik geloof dat God de prediking van zijn woord bevestigt door tekenen en wonderen — bijvoorbeeld zoals vermeld in Markus 16:18. Ik ben dus geen cessationist of ultra-dispensationalist die beweert dat (bepaalde) gaven, tekenen en wonderen niet meer voorkomen in onze dagen. Maar we moeten ons wel baseren op een goede Bijbelse basis en verantwoording van deze manifestaties, en ik geloof dat het preterisme die niet biedt. Dit houdt namelijk in dat Gód alles al gedaan en gegeven heeft, en dat de gelovigen, door eenvoudig te doen wat God van hen vraagt, de vervulling van alle beloften zullen zien. De dwingende conclusie is dat als een zieke niet geneest na de bediening van de genezingsgave, wellicht het geloof van de genezer of — nog erger — van de zieke tekortschiet. Deze leer gaat voorbij aan de soevereiniteit van God in de bediening van de gaven. Ze onderscheidt niet het doel waarvoor de gaven primair zijn gegeven, nl. — in een notendop - manifestaties die de Geest geeft wanneer Hij dat wil tot opbouwing van de gemeente c.q. tekenen en wonderen die de Heer werkt om de prediking van het evangelie te bekrachtigen. We houden daarbij altijd rekening met het karakter van de tijd of de bedeling waarin wij leven, nl. dat het koninkrijk van God in onze dagen nog niet de uiteindelijke vorm aanneemt zoals beschreven in de profetieën, omdat de vervulling van die profetieën wacht op de komst van Christus. Wij leven in de tijd van het onvolmaakte en de hoop op Gods beloften. Deze wetenschap maakt dat ik met steeds toenemende toewijding en geloof mij hier op aarde wil inzetten voor de zaak van het koninkrijk van mijn Heer, wetende dat Hij Zelf eenmaal totale verlossing, vrede en gerechtigheid zal brengen op deze aarde.

Literatuur

Eusebius, the Ecclesiastical History of, 1993 (reprint), Baker Book House, Grand Rapids
Josephus F., The complete works of, 1960 (reprint), Kregel, Grand Rapids
Ouweneel W.J., De toekomst van God, 2012, Medema, Heerenveen
Pentecost J.D., Things to Come, 1958, Academic Books, Grand Rapids
Schürer E., A history of the Jewish people in the time of Jesus Christ, 2010 reprint), Hendrickson, Peabody
Walvoord J., Major Bible Prophecies, 2000, Zondervan, Grand Rapids

Noten:
(1) Teksten uit het Oude Testament worden geciteerd uit de Statenvertaling, teksten uit het Nieuwe Testament worden geciteerd uit de Telosvertaling.

(2) Voor wie het verder na wil gaan: de tijdlijn is in het evangelie van Lukas nog duidelijker dan in Mattheus: vs. 20-24 ziet op de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. 'Alles' in vs. 22 betekent dus niet 'alle profetieën' maar 'alles wat geschreven staat over het begin van de weeën'. Het gedeelte vervolgt immers met de tijden van de volken (vs.24-26) – dat is de tijd dat Jeruzalem vertrapt wordt door de volken en die hield niet op in 70 n.Chr. Pas daarna beschrijft hij de wederkomst van de Zoon des mensen (vs.26-28). Dit sluit hij af met te zeggen (vs.28) 'als nu deze dingen beginnen te gebeuren...'. Dus eerst de val van Jeruzalem, dan de tijden van de volken, en daarna de wederkomst van Christus en het koninkrijk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Discussie over het Preterisme

 

 

 

07 april 2017 door Willem J. Ouweneel

Vond Jezus’ wederkomst al in het jaar 70 plaats!?

Eindelijk geef ik toe aan herhaalde verzoeken om iets over het preterisme te schrijven, dat wil zeggen de verfoeilijke hype die inhoudt dat alle profetieën over Israël en over de wederkomst van Christus reeds vervuld zouden zijn in het jaar 70. In een beknopte column kan ik slechts een zeer summier overzicht van mijn tegenargumenten geven.

Het belangrijkste argument vóór het preterisme zijn teksten als Matt. 16:28 (dat echter pal daarop vervuld is in 17:1-8!!) en 24:34 (waar ‘dit geslacht’ volgens kenners niet een ‘generatie van 40 jaar’ betekent, maar ‘deze soort’: dit verdorven mensengeslacht). In Matt. 24:48 en 25:5,19 (‘lange tijd’!) suggereert Jezus juist dat zijn wederkomst lang op zich zou laten wachten. Hij komt ‘spoedig’ (Openb. 22:7,12,20) – maar pas na ‘lange tijd’! Dat is geen tegenstrijdigheid voor Hem voor wie duizend jaren zijn als één dag (Ps. 90:4; 2 Petr. 3:8).

Mattheüs 24 is het bijbelgedeelte waar de hele hype om draait. Vers14 (het evangelie verkondigd aan alle volken) is 70 n.C. allesbehalve vervuld; het begint pas in ónze eeuw een beetje vervuld te worden! Verder spreekt vs.15 over een ‘gruwel der verwoesting’ op de ‘heilige plaats’. Uit onder andere Dan.11:31 weten we dat dit doelt op een afgodsbeeld zoals Antiochus Epiphanes dit in 167 v.C. in de tempel te Jeruzalem had geplaatst. In 70 n.C. bevond zich totaal niet een dergelijke ‘gruwel’ in de tempel (al hebben preteristen wel geprobeerd zo’n ‘gruwel’ erin te frommelen). En wat vs.24 betreft: rond 70 n.C. was er helemaal niet een schare ‘valse Messiassen en dito profeten’ in Israël. Vers 15-31 heeft dan ook helemaal geen betrekking op de tijd rond het jaar 70, maar op de tijd dat Israël weer hersteld is in zijn land, zoals sinds 1948 inderdaad het geval is.

Preteristen citeren allerlei heidense én christen-schrijvers uit die tijd die over wonderlijke natuurverschijnselen rond 70 n.C. berichten. Maar niets daarvan lijkt ook maar enigszins op de wederkomst van Christus (zie onder). Trouwens, hoe zou bijvoorbeeld kerkhistoricus Eusebius (ca. 300 n.C.) echt hebben kunnen menen dat Jezus in 70 was ‘teruggekomen’, terwijl hij als orthodox christen vast geloofde in een toekomstige wederkomst van Christus om te ‘oordelen de levenden en de doden’ (Apostolische Geloofsbelijdenis)?

De Schrift verbindt met de wederkomst van Christus een hele reeks gebeurtenissen, die rond 70 n.C. geen van alle hebben plaatsgevonden. Ik kan hier slechts enkele voorbeelden noemen. Jezus komt met de wolken, en aller oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben (Op.1:7; vgl. Mat.24:30). Niet gebeurd toen. De goddeloze vijanden van Christus worden geoordeeld en de duivel wordt voor een tijd opgesloten (Op.17:14; 19:11–20:3). Wanneer Hij komt in al zijn heerlijkheid, zal Hij zitten op de ‘troon van zijn heerlijkheid’ en alle volken zullen vóór Hem verschijnen om door Hem geoordeeld worden (Mat.25:31-46). Dat is in 70 evenmin gebeurd. De engel Gabriël beloofde aan Maria dat God aan Jezus de troon van zijn vader David zou geven (Luk. 1:32); dat is de troon van Davids koningschap over Israël (2Sam.3:10; 1Kon.2:12 enz.). Die troon staat nog steeds in Jeruzalem (Ps.122:3-5), niet in de hemel! Als Jezus terugkomt, zal Hij zitten op díé troon, en zal het voor altijd vrede en gerechtigheid zijn op aarde (Jes.9:6). Geen van deze dingen zijn rond of sinds 70 n.C. in vervulling gegaan – tenzij je al deze bijbelplaatsen natuurlijk ‘wegvergeestelijkt’ (zie onder).

Jezus zal terugkeren op de Olijfberg (Hand.1:11); in zijn persoon zal God zelf zijn voeten op de Olijfberg zetten (Zach.14:4); dan zal zijn heerlijk koningschap over de aarde beginnen, waarin onder andere alle volken zullen optrekken naar Jeruzalem (vs.9-19). Daar, op de berg Sion, zullen zij de Torah leren; zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en vrede genieten (Mi.4:1-4; Jes.2:1-4). Israël zal het middelpunt van de wereld zijn, want als Christus terugkomt, zal ‘heel Israël’ behouden worden (Rom.11:15,23-27). Dat is hetzelfde letterlijke Israël als in héél Rom.9–11. Dat zal de dag zijn waarop Israël en Jeruzalem voor eeuwig verzoend zullen worden (Dan.9:24).

Een van de grote problemen van het preterisme is dat het een variant is van de aloude ‘vervangings-’ en ‘vergeestelijkingstheologie’, waarvan we nu eindelijk een beetje verlost begonnen te raken

Bovendien staan bij Jezus’ wederkomst alle gelovigen lichamelijk op uit de dood om in het Vaderhuis gebracht te worden (Joh.14:1-3) en met Christus te regeren (Op.20:4,6; vgl. Fil.3:20v.; 1Kor.15:50-57). In 70 n.C. zijn de gelovig gestorvenen helemaal niet opgestaan (tenzij preteristen de oude ketterij van een ‘geestelijke’ opstanding aanhangen; vgl. 2Tim.2:18), en ze zijn al helemaal niet in het Vaderhuis gebracht.

Deze theologie houdt in: de Kerk is het ‘geestelijk Israël’, alle profetieën voor Israël worden vergeestelijkt (zeg maar gerust: weggeredeneerd) en op de Kerk toegepast. De huidige gebeurtenissen rond de staat Israël hebben zogenaamd ‘niets met de profetieën te maken’, want die zijn allemaal in 70 n.C. vervuld. Er is totaal geen zicht op wat God in de huidige eindtijd aan het doen is. Er is niets om naar uit te kijken (behalve dan sterven en naar de hemel gaan). Er zijn geen specifieke beloften voor Israël meer, er komt geen opstanding van alle gestorvenen (gelovig en ongelovig), er komt zelfs geen ‘nieuwe hemel en nieuwe aarde’. De Kerk heeft dat zogenaamd eeuwenlang allemaal fout gezien; de preteristen hebben nu het ware licht ontvangen. Maar het is helemaal geen licht, want voor hun theorie moeten zij honderden profetieën vergeestelijken, verbasteren of gewoon negeren. Een dergelijke benadering veroordeelt zichzelf.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

10 april 2017 door Jeroen Koornstra

Dit commentaar van Jeroen Koornstra is een reactie op de meest recente column van Willem Ouweneel: Vond Jezus’ wederkomst al in het jaar 70 plaats!?

Waarom vergeestelijking eindtijdprofetieën niet problematisch is

Afgelopen vrijdag verscheen van Willem Ouweneel een column over de wederkomst van Jezus Christus, en dan met name over het preterisme als alternatief voor het futurisme. Eenvoudig gezegd plaatst het futurisme de vervulling van (bijna) alle eindtijdprofetieën in onze toekomst, waarbij het preterisme deze (grotendeels) in het verleden vervuld ziet.

Het is goed dat dit onderwerp aandacht krijgt en dat een theoloog als Ouweneel zich er over uitspreekt. Van een theoloog mag je een genuanceerd, weloverwogen betoog verwachten, ook in een column, en dat miste ik. Als verstokte futurist blijkt Ouweneel niet zo goed bekend te zijn met het preterisme. Dat is geen drama, maar waarom dan zo fel uithalen? Tegenargumenten op een bepaalde visie zijn welkom, en een dialoog kan veel goeds uitwerken. Maar de toon viel me zo tegen. Op de Evangelische Theologische Academie (ETA) wordt het preterisme naast het futurisme, historicisme en idealisme gedoceerd als een van de vier bekendste eindtijdvisies. Dat doen ze daar vrij neutraal zonder het woord ‘verfoelijke’ te gebruiken, dat siert hen. Dat preterisme alleen om Mattheüs 24 zou draaien is onjuist. Zelfs niet-preteristen, van Calvijn tot N.T. Wright, zien dat Mattheüs 24 vervuld werd in 70 na Christus. Dus dat is niet eens het hete hangijzer. De afgelopen jaren heb ik me verdiept in de verschillende visies, een boeiende exercitie moet ik zeggen. Theologen als R.C. Sproul, K. Gentry, G. DeMar, en D. K. Preston zijn mij tot grote hulp geweest. Elke visie heeft sterke en minder sterke kanten, en er zijn her en der altijd wel open eindjes te vinden. Ik bespreek deze punten vaak in de onderwijsseries die ik geef.

Het preterisme blijkt allerminst een hype te zijn. Het is een eindtijdvisie die al eeuwen bestaat, maar in Nederland weinig aandacht heeft gekregen door het hier overheersende futurisme. Juist vanwege de onbekendheid is het goed dat er geluisterd wordt. De argumenten die Ouweneel noemt zijn ook goed te weerleggen. Maar aangezien hij met hagel schiet, is het ondoenlijk zijn stellingen allemaal te weerleggen in een kort artikel. Bovendien zet ik geen tegenaanval in, maar wil een paar kanttekeningen plaatsen. Een terugkerend probleem in Bijbelverklaring is de keuze tussen een natuurlijke, fysieke of geestelijke, onzichtbare vervulling van profetie. Problematisch is dat iedereen een bepaalde mate van ‘vergeestelijking’ toepast. Is de symbolische taal die we tegenkomen bedoeld om een natuurlijke of geestelijke realiteit te illustreren? Futuristen verzetten zich tegen een geestelijke interpretatie, omdat volgens hen alles letterlijk in een fysieke realiteit moet worden geplaatst. Maar wordt er door futuristen dan echt gewacht op het moment dat de bomen in hun handen gaan klappen en de heuvelen gaan juichen? Een dergelijke benadering veroordeelt zichzelf.

Als je de werkelijke geestelijke dimensie verwerpt als ‘wegvergeestelijken’, dan wordt het lezen van het Nieuwe Testament een probleem. Wat doe je met Paulus die de woorden van Ezechiël ‘vergeestelijkt’? Waar de profeet nog sprak over een tabernakel en heiligdom die met een aardse verwachting dan toch fysiek in Jeruzalem zouden moeten komen (Ez.37:26-27), daar blijkt Paulus de werkelijke vervulling van te zien in Christus en zegt hij dat de Korinthiërs Gods tempel zijn (2Kor.6:16), als vervulling van Ezechiël 37! Wat moeten we met Amos die profeteert over de heroprichting van de vervallen hut van David (Am.9:11)? In Handelingen 15 wordt helemaal niets fysieks heropgericht maar ‘vergeestelijkt’ Jakobus de zaak als het tot bekering komen van de heidenen. De geestelijke benadering zoals die van de apostelen, zou ons de ogen moeten openen voor de werkelijkheid en ons een open houding moeten geven voor andere inzichten. Die vervulling van profetie is zoveel groter dan elke aardse fysieke verwachting die in wezen ongeestelijk is.

Het futurisme haalt profetieën die het einde van het oude verbond en de komst van het nieuwe verbond aankondigen, uit de context en eigent ze toe aan de gemeente alsof dáár een einde aan gaat komen door de opname en grote verdrukking

Het woord ‘vervangingstheologie’ doet het ook altijd goed als je kritiek hebt, maar het is gelegenheidsretoriek. Ik ken niemand die werkelijk beweert dat Israël vervangen is door de gemeente. Laat ik zelf duidelijk zijn: de gemeente is absoluut geen vervanging van Israël. Punt. De gemeente is de vervulling van Gods belofte aan Israël. Dat is heel wat anders. Geheel logisch dat die eerste gemeente in Handelingen ook alleen maar uit Joden bestond. Het was Gods vervulling van profetie aan Israël. Niks vervanging. Later werden heidenen toegevoegd, maar niet ter vervanging van Joden. God had van oorsprong al op het oog om de heidenen bij Israël te betrekken (Jes.49:6), dat is geen vervanging, maar uitbreiding. Sterker nog: volgens mij leert het futurisme zélf vervangingstheologie. Het futurisme haalt profetieën die het einde van het oude verbond en de komst van het nieuwe verbond aankondigen, uit de context en eigent ze toe aan de gemeente alsof dáár een einde aan gaat komen door de opname en grote verdrukking. Dat is desastreuze vervangingstheologie. Die leer claimt dat de gemeente van de aarde weggenomen wordt en gunt de achtergebleven Joden de grote verdrukking waar de meerderheid van hen dan zal omkomen. Wij het heil, zij de verdoemenis. Noem je dat een geweldig toekomstperspectief?

Nee, vervulde profetie (preterisme) ziet een betere toekomst, zonder grote verdrukking omdat die in de geschiedenis ligt, met de verwachting dat het koninkrijk van God zich uitbreidt over de hele aarde (Dan.2:35; Jes.11:9). Een prediker als Charles Spurgeon had het goed gezien toen hij over de nieuwe hemel en nieuwe aarde zei dat die in Christus zijn gerealiseerd. Hij verklaarde terecht dat het oude verbond verdwenen is en het nieuwe tot voltooiing is gekomen. Dat is de verbondstaal van Jesaja 65 over de nieuwe hemel en nieuwe aarde, die ook verwerkt is in 2Petrus 3. Het oude verbond kwam tot een einde met de verwoesting van de aardse tempel en maakte plaats voor het nieuwe dat door Jezus Christus is gebracht. Laten we de geestelijke realiteit onder ogen zien en beseffen dat wij leven in het Koninkrijk van God.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

11 april 2017 door Willem J. Ouweneel

Noch Calvijn, Wright en Sproul hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen! Ik ben dankbaar voor de redelijk rustige, zakelijke toon waarop Jeroen Koornstra ingaat op mijn column van afgelopen vrijdag. Wat een verschil met de schreeuwerige toon van David Sorensen, die mij op zijn website met scheldwoorden overlaadt! Toch ben ik ook teleurgesteld over Koornstra antwoord. Want op het kernpunt van mijn aanval op ‘het’ preterisme à la Sorensen en consorten gaat hij in het geheel niet in, en dat is de vraag of de voorzeggingen omtrent Jezus’ wederkomst inderdaad vervuld zijn in het jaar 70. Als het alleen was gegaan om ‘het’ preterisme zoals Koornstra dat beschrijft, dan was ik echt niet in de pen geklommen!

‘Het’ gangbare preterisme is mij sedert lang bekend; ik heb het al besproken in mijn commentaar op het boek Openbaring (1988-90), samen met het futurisme, historicisme en idealisme. Maar in de klassieke vormen van dit preterisme werd de wederkomst van Christus nog steeds onveranderlijk als iets toekomstigs beschouwd. In déze vorm moet in elk onderwijs over de ‘laatste dingen’ naast het futurisme ook zeker het preterisme behandeld worden. Ik ben het niet met deze visie eens, maar er is ook niets ‘verfoeilijks’ aan. Koornstra had echter in mijn artikel – zelfs al in de titel ervan – moeten zien waar voor mij de schoen wringt: de nieuwe ketterij (hype, of hoe je noemen wilt) dat Jezus al in 70 n.C. zou zijn teruggekomen. Die leer is voor mij (en voor 99% van alle orthodoxe christenen) verfoeilijk. Ik vind het heel vreemd dat Koornstra dáár niet op ingaat. Natuurlijk, calvinisten (Calvijn voorop) en anglicanen (ook Tom Wright) zien Mat.24 vervuld in het jaar 70. Dat is mij sedert lang bekend, en ik vind het een respectabele opvatting, al ben ik het er niet mee eens. Maar noch Calvijn, noch Wright, noch Sproul, enzovoort, hebben ooit beweerd dat Jezus in het jaar 70 is teruggekomen! Waarom kijkt Koornstra over dit kernpunt heen?

Het grote verschil tussen Koornstra en mij is de vervangingstheologie. Sedert Augustinus is dat de overheersende theologie in het Westen geworden, en Luther en Calvijn hebben die klakkeloos overgenomen. Maar al in de zeventiende eeuw zijn er gelukkig gereformeerde theologen opgestaan die de vervangingstheologie hebben doorgeprikt, met als hoogtepunten Wilhelmus à Brakel en Theodorus van der Groe. Ook tegenwoordig moeten vele gereformeerde theologen gelukkig niets meer van de vervangingstheologie hebben; integendeel, zij hebben oog gekregen voor Gods beloften aan Israël. En ziedaar, nu is het nota bene een evangelicaal als Koornstra die er weer mee op de proppen komt!

Koornstra valt over de term ‘vervangingstheologie’, en dat kan ik wel begrijpen. Maar als Koornstra zegt dat ‘de gemeente de vervulling is van Gods belofte aan Israël’, dan werp ik dat met alle kracht van mij. De Schrift leert dat nergens, integendeel. Ik ken alle gangbare argumenten die Koornstra noemt, op mijn duimpje, en ik heb ze allemaal grondig weerlegd in mijn Evangelisch Dogmatische Reeks, vooral in de delen ‘De Kerk van God I’ en ‘De toekomst van God’, en nog in heel wat andere boeken. (Ik krijg niet de indruk dat Koornstra die gelezen heeft.) Dat ga ik hier niet overdoen; de geïnteresseerde lezer kan het daar allemaal nalezen.

Ik noem slechts één voorbeeld: God zegt vele malen dat Hij zijn volk verdreven heeft uit hun land, maar dat, als zij zich bekeren, Hij hen naar datzelfde land zal terugbrengen; dan zal het heerlijke Messiaanse rijk aanbreken. Wij zien het begin van de vervulling van die beloften vandaag de dag nota bene voor onze ogen gebeuren! Maar nee, zegt Koornstra (net als helaas zoveel anderen), dat moet je vervuld zien in de gemeente. Sorry, Israël, jullie hebben je naar Gods belofte eeuwenlang op de terugkeer naar het Heilige Land verheugd, maar helaas, dat ‘land’ moet je figuurlijk nemen. Wat een desillusie! Gods beloften hebben met de huidige staat Israël niets te maken! Er komt ook helemaal geen Messiaans rijk; we leven nú al in het ‘duizendjarig’ rijk.

Hier gaan de wegen uiteen. David Sorensen is een vervangingsleeraanhanger en een preterist, maar hij leert bovendien dat Jezus in 70 n.C. is teruggekomen. Dáár richtten zich mijn vurige pijlen op. Of Jeroen Koornstra dit laatste ook gelooft, vertelt hij ons helaas niet. Het lijkt wel of hij juist om deze hete brij heen draait. Wel is hij blijkbaar een vervangingsleeraanhanger en een preterist. Maar daar zou ik echt geen column aan gewijd hebben, want ik heb die leringen al vele malen bestreden en naar mijn overtuiging grondig weerlegd. Kortom, Jeroen, laat ons niet langer in het onzekere, draai niet om de kern heen: zijn de beloften aangaande Jezus’ wederkomst vervuld in het jaar 70, of worden die pas in de toekomst vervuld?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

13 april 2017 door Jeroen Koornstra & Willem J. Ouweneel

 

Koornstra vs. Ouweneel: is Jezus nou wel of niet teruggekeerd in het jaar 70?

Jeroen Koornstra en Willem Ouweneel gaan in dit artikel nog eenmaal in discussie over de vraag of het toch echt zo is dat Jezus Christus al in het jaar 70 zou zijn teruggekeerd. 

Hieronder de reactie van Jeroen Koornstra:

De komst van de Heer in Mat 16:27-28 en Mat. 24:3 is vervuld in 70 n.C. 
Vanwege de aantijgingen die Ouweneel te verduren krijgt, heb ik meer begrip gekregen voor de ondervonden hardheid in zijn openingsbetoog. Voor gescheld kan geen ruimte zijn. Ik heb mij lang geleden al gedistantieerd van David Sorensen, omdat hij voorbijgaat aan de liefde. Om die reden sta ik – en vele anderen met mij – niet open voor enig onderwijs van zijn kant.

Voordat ik me uitspreek over de komst van de Heer, vraag ik me af hoeveel zin dat eigenlijk heeft. In mijn vorige reactie heb ik duidelijk gemaakt geen vervangingstheologie te verkondigen, maar wat doet Ouweneel? Hij bestempelt mij onmiddellijk opnieuw als ‘vervangingsleeraanhanger’, geoordeeld naar zijn eigen maatstaven. Dat steekt, want hij stelt zijn mening boven mijn uitspraken, impliceert dat ik tegen Israël ben, geen toekomst voor Israël verkondig, terwijl ik daar niets over heb gezegd. Dit etiketteren stokt de dialoog, en bemoeilijkt het luisteren naar de inhoud voor iedere lezer.

De discipelen vroegen Jezus wanneer de tempel vernietigd zou worden en wilden weten of ze dat konden zien aankomen door middel van een teken. Belangrijk is te begrijpen dat zij dit oordeel van God zagen als ‘Uw komst’. Ouweneel is resoluut en verwerpt mijn stelling dat de gemeente de vervulling is van Gods belofte aan Israël. Hij volgt de lijn van de bedelingenleer die de gemeente als zijspoor ziet van Gods heilsplan. Kortom, God zou gefaald hebben (hoe denigrerend), want Christus werd niet breed geaccepteerd door de Joden. Daarom kwam er tussentijds de gemeente die vervolgens weer zal verdwijnen waarna het oude plan weer opgepakt zal gaan worden. Helaas is Ouweneel gevallen voor Scofield die deze verkeerde leer in de markt heeft gezet. Het is juist zo prachtig te zien dat Gods beloften in vervulling gingen in het Nieuwe Testament. Er wordt zo vaak geciteerd uit het Oude Testament en bevestigd dat niets anders verkondigd werd dan wat in de Wet en Profeten staat. Ik mis ook een reactie op de ‘vergeestelijking’ die we bij de apostelen zien. Ouweneel rept er niet over. Ik verbaas me over de argumenten die aangedragen zijn, zeker nu Ouweneel beweert bekend te zijn met het preterisme. In menig naslagwerk wordt bijvoorbeeld duidelijk gemaakt hoe Paulus heeft aangegeven dat het evangelie de toen bekende wereld is overgegaan (1Tim.3:16; Rom.10:18; Kol.1:6, 23), en daarmee aan een door Jezus’ genoemde voorwaarde is voldaan (Mat.24:14). Toch blijft Ouweneel dat feit ten stelligste ontkennen. Dat is voor mij onbegrijpelijk.

Nu naar de inhoud

Toen de discipelen Jezus vroegen naar Zijn komst (Mat.24:3) kwam die vraag niet uit de lucht vallen. De vraag was een logische reactie op wat zich net daarvoor had afgespeeld. Jezus had de farizeeërs hard aangepakt, hen het oordeel aangezegd. Het bleek niet zomaar een dreigement, dit oordeel was het resultaat van de opeenstapeling van zonde vanaf Abel, het vergieten van rechtvaardig bloed, door de hele geschiedenis heen. We hebben het hier dus niet over een zijdelingse gebeurtenis, maar over de aanloop naar een climax in de heilshistorie. Zodra de maat van zonde vol zou zijn, zou de tempel verwoest worden. De discipelen wezen Jezus daarna op de tempelgebouwen en opnieuw zei Jezus dat de tempel vernietigd zou worden. Geen steen zou op de andere blijven. De leerlingen beseften dat de val van de tempel het einde van hun religieuze wereld betekende, want ze kenden de geschiedenis van Israël. Vanuit die context stelden zij Jezus de vraag: ‘zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst …?’ Zij vroegen niet naar de wederkomst zoals vele gelovigen vandaag dat aannemen. Zij vroegen Jezus wanneer de tempel vernietigd zou worden en wilden weten of ze dat konden zien aankomen door middel van een teken. Belangrijk is te begrijpen dat zij dit oordeel van God zagen als ‘Uw komst’. Dit is niet vreemd omdat Maleachi de komst van de Heer naar Zijn tempel al als oordeel had aangekondigd (Mal.3:1). Op dezelfde wijze is het oordeel van God in het Oude Testament vele malen beschreven als het komen/neerdalen van de Heer (vb: Ps.72:6; Jes.31:4; Mi.1:3), in voor die tijd begrijpelijke taal.

Jezus zei dat sommigen van zijn omstanders nog niet gestorven zouden zijn bij Zijn komst. Dat duidt op een vervulling verder in de tijd, waarbij slechts een klein deel van deze mensen nog in leven zou zijn

Als reactie op de vraag naar Zijn komst, vertelde Jezus wat er allemaal stond te gebeuren voordat het einde (van de tempel en het tijdperk van het oude verbond) er zou zijn. De grote verdrukking die Jezus daarbij noemde zou zich afspelen in Judea en niet in de hele wereld. De geschiedenisboeken leren ons dat die grote verdrukking rampzalig was. Jezus’ profetie is vervuld en daarmee is het duidelijk dat Zijn komst waar de discipelen naar vroegen geschiedenis is. De vraag is nu of deze komst het onderwerp is in alle andere teksten van het Nieuwe Testament, of dat er sprake is van meerdere komsten. Daar wordt verschillend over gedacht waardoor er ook sprake is van ‘partial’ en ‘full’ preterisme, zoals ook binnen futurisme verschillende overtuigingen bestaan. Ik ben overtuigd dat een overgroot deel van de teksten over de komst in 70 spreekt (vb: Jak.5:8-9; 1Thes.1:10; 2Pet.3:12).

Dat gezegd hebbende wijs ik Ouweneel nog graag op zijn aanname dat ‘de komst in Zijn koninkrijk’ van Mat.16:28 vervuld zou zijn in Mat.17:1-8, de verheerlijking op de berg. Wat doet hij met vers 27, waar gesproken wordt over het oordeel dat in geen geval plaatsvond bij de verheerlijking? Mogelijk knipt Ouweneel de verzen op, zoals we gewend zijn van futuristen, maar die praktijken leiden tot een verknipte theologie. Jezus zei dat sommigen van zijn omstanders nog niet gestorven zouden zijn bij Zijn komst. Dat duidt op een vervulling verder in de tijd, waarbij slechts een klein deel van deze mensen nog in leven zou zijn. De verheerlijking op de berg was slechts een week (!) na deze uitspraak. We kunnen dus gevoeglijk aannemen dat zowat iedereen nog in leven was. De claim van Ouweneel is dus enigszins absurd. Bovendien heeft Jezus ook nog gezegd dat de discipelen hun rondgang door Israël niet zouden hebben afgerond voor de Zoon des Mensen zou komen (Mat.10:23), opnieuw een aanwijzing dat het om een gebeurtenis ging die plaats zou vinden in hun tijdsperiode. Daar kunnen we niet omheen.

Ten slotte nog het volgende: Sproul citeert in zijn werk veelvuldig en enthousiast uit ‘The Parousia’ van James Stuart Russell (1878), als een van de meest belangrijke verhandelingen inzake eschatologie. Het preterisme is dus geen hype. Bij interesse schenk ik Ouweneel van harte een exemplaar.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX


Hieronder de reactie van Willem J. Ouweneel:


Ik dank Jeroen Koornstra voor zijn duidelijkheid: (a) hij distantieert zich van David Sorensen, en dat is winst. (b) Hij gelooft dat Jezus is ‘teruggekomen’ in 70 n.C. en dat verreweg de meeste teksten over de ‘komst’ van Christus (na diens hemelvaart) in het NT daarop betrekking hebben. Dat is géén winst, maar het is wel duidelijk. (c) Hij is een volbloed ‘vervangingsleeraanhanger’, ook al houdt hij niet van de term. Sorry, maar het gros van de eschatologen gebruikt nu eenmaal die term, of eventueel de term supersessionisme.

Ik moet nu dus concluderen dat Koornstra gelooft

(a) dat we geen wederkomst van Christus met de wolken des hemels meer te verwachten hebben (Jezus komt toch niet twéémaal met de wolken!?) (b) dat we geen opstanding der doden meer te verwachten hebben (want die is onverbrekelijk verbonden met de wederkomst), (c) dat we geen nationaal en geestelijk herstel van Israël als zodanig te verwachten hebben, (d) dat we geen Messiaans rijk van vrede en gerechtigheid te verwachten hebben. Laten alle (evangelische) christenen in Nederland die in hem een bijbelleraar zien, daar zorgvuldig nota van nemen.
Wat voor troost heeft Koornstra nabestaanden te bieden bij het graf van een geliefde ontslapene? Wij hebben tenminste 1Thessalonicenzen 4:13-18 als troost! Onze geliefden zullen opstaan uit de dood als Jezus komt!! Als Jezus komt, gaan alle gelovigen naar het Vaderhuis!! (Joh.14:1-3). En als het een bende is in deze wereld, geloven wij dat Jezus spoedig komt om zijn rijk van vrede en gerechtigheid op te richten!! Koornstra heeft niets te bieden… (behalve dan dat, als een gelovige sterft, hij naar de hemel gaat…). Alle orthodoxe christen-uitleggers door alle eeuwen heen hebben eraan vastgehouden dat de komst van Christus met de wolken des hemels nog moet plaatsvinden en hebben dat vastgelegd in hun geloofsbelijdenissen.

Nog een paar kanttekeningen
(a) Koornstra weet er niets van als hij beweert dat ik de lijn van de ‘bedelingenleer’ volg, althans zeker wat het klassieke dispensationalisme van Schofield betreft (jammer dat hij mijn boek ‘De toekomst van God’ niet kent…).

(b) Hoe kan Koornstra mij kwalijk nemen dat ik over allerlei zaken niet ‘gerept’ heb als ik gebonden ben aan de omvang van een column én hem uitvoerig naar mijn boeken heb verwezen!? In die boeken ‘rep’ ik over al die zaken die Koornstra bij mij mist.

(c) Het is voor mij onbegrijpelijk hoe iemand kan denken dat in het jaar 70 Mat.24:14 al in vervulling was gegaan; Op.5:9 en 7:9 spreken nota bene over gelovigen uit alle geslachten, talen, volken en naties, en die waren er in 70 n.C. beslist nog niet. Pas vandaag de dag begint zich dit als mogelijkheid af te tekenen. Geen wonder: we leven in de eindtijd, en Jezus komt spoedig terug!
Voor alle overige zaken die Koornstra noemt, verwijs ik naar de genoemde boeken.
Ten slotte dit: laat de lezer niet denken dat Koornstra’s (en Sorensens) opvatting zomaar een van vele meningen is. Alle orthodoxe christen-uitleggers door alle eeuwen heen hebben eraan vastgehouden dat de komst van Christus met de wolken des hemels nog moet plaatsvinden en hebben dat vastgelegd in hun geloofsbelijdenissen. Zelfs zij die vurige aanhangers van het preterisme en het supersessionisme waren, hebben in die toekomstige wederkomst geloofd – totdat nu enkele lieden ineens ‘het licht’ hebben gezien. Ik vind dat buitengewoon bedroevend. Koornstra mag wat mij betreft een preterist en een supersessionist zijn zoveel hij wil, maar wat de wederkomst betreft valt hij voor mij buiten het orthodoxe christendom.

Bron: CIP

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Vragen aan Preteristen

 

 

 

 

 

De profetieën van de Grote Verdrukking en de Tweede Komst

 

Vele preteristen geloven dat de meeste of alle profetieën reeds vervuld werden in het verleden, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.C. Zij beweren dat deze grote profetieën over de grote verdrukking en de tweede komst van onze Heer geen TOEKOMST zijn maar reeds VERVULD werden. Zij beweren dat deze belangrijke profetische gebeurtenissen reeds plaatsvonden in 70 n.C.!

Deze benadering is het resultaat van een niet-letterlijke interpretatie van profetie. De Bijbel heeft veel te zeggen over wanneer onze Heer zal komen in Zijn Koninkrijk. Beschouw het volgende en bemerk hoe dit geheel de notie tegenspreekt dat Christus in Zijn koninkrijk kwam in 70 n.C.:

1. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk dan keert Hij terug naar de aarde en zal Hij gezien worden door elk oog (Mattheüs 24:25-30 en Openbaring 1:7). 

Dit is nooit gebeurd in 70 n.C.

2. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het joodse volk verzameld worden uit alle landen en teruggebracht in hun beloofde land (Mattheüs 24:31; Jeremia 16:14-15; Jesaja 43:5-7; Jeremia 23:7-8; Jeremia 31:7-10; Ezechiël 11:14-18; Ezechiël 36:24).

Dit is niet gebeurd in 70 n.C. In plaats van verzameld werden de joden gedood en verstrooid.

3. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zullen er geen oorlogen meer op aarde zijn (Jesaja 2:4; Micha 4:3; Psalm 46:9; Zacharia 9:10).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dit was een tijd van wrede oorlogvoering, en ook daarna, uitgewerkt door het machtige Romeinse leger.

4. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal het koninkrijk voor Israël hersteld worden (Handelingen 1:6) en de Messias zal zitten op de troon van David, gelokaliseerd in Jeruzalem (Jesaja 9:7; Jeremia 17:25; 23:5-6; 33:15; Hosea 3:4-5; Amos 9:11-15; Lukas 1:32-33).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want Jeruzalem en de tempel waren verwoest, en er was geen Koning uit de lijn van David die heerste op de aardse troon!

5. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal het een tijd zijn van grote bevrijding en grote zegen voor het joodse volk (Jeremia 30:7-9; Ezechiël 34:25-31).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want dat was een tijd van grote oordelen over het joodse volk dat enkele tientallen jaren eerder hun Messias doodde en Hem afwees (alhoewel sommige joden wel in Hem geloofden).

6. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal Hij Zijn heiligdom, de Tempel, in het midden van Zijn volk stellen (Ezechiël 37:26-28; Ezechiël 40:5-43:27).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want sindsdien is er helemaal geen tempel meer.

7. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een priesterschap werkzaam zijn in de tempel en er zullen dierlijke offers gebracht worden (Ezechiël 44:1-46:24).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want toen werd een eind gemaakt aan de tempel, de offers en het priesterschap.

8. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk “zullen de joden zich vestigen in het hele beloofde land, en het zal terug onderverdeeld worden in 12 stammendivisies. Maar deze divisies zullen verschillen van deze in het boek Jozua” (Arnold G. Fruchtenbaum, Footprints of the Messiah, p. 328). De locatie van alle 12 stammen tijdens het koninkrijk is beschreven in Ezechiël 47:13-48:29. Zeven stammen zullen zich situeren ten noorden van de tempel (Ezechiël 48:1-7) en vijf stammen ten zuiden van de tempel (Ezechiël 48:23-29).

Dit vond niet plaats in 70 n.C. Na de Romeinse verwoesting van Jeruzalem werden de overgebleven joden verstrooid over de hele wereld, tot er in de 20ste eeuw een klein overblijfsel terugkeerde naar Israël en er een joodse staat werd gesticht.

9. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk, zal er een boodschap van goed nieuws zijn voor Jeruzalem (Jesaja 52:7-10). Deze boodschap zal bestaan uit de volgende elementen: 1) Het goede nieuws van vrede; 2) Het goede nieuws dat de Messias zal regeren in Sion; 3) Het goede nieuws dat God Zijn volk heeft vertroost; 4) Het goede nieuws dat God Jeruzalem heeft verlost.

Dit vond niet plaats in 70 n.C. want toen was er alleen maar het slechte nieuws van oordeel en verwoesting. 

10. Wanneer Christus komt in Zijn koninkrijk zal er vreugde en blijheid zijn (Jesaja hoofdstuk 35). Deze vreugde zal voortkomen uit de volgende toestanden: 1) De woestijn zal vruchtbaar worden (Jesaja 35:1-2, 6-7); 2) De Messias zal Israël komen bevrijden (Jesaja 35:3-4); 3) Zij die lam, blind of doof zijn zullen genezen worden (Jesaja 35:5-6); 4) Wilde, gevaarlijke dieren zullen niet langer een probleem vormen (Jesaja 35:9). 5) Het zal een tijd zijn van grote blijdschap (Jesaja 35:10).

Dit gebeurde niet in 70 n.C. want de overlevende joden hadden geen blijheid doch enkel smart en verdriet (vergelijk Jesaja 35:10).

 Bron: Website: Marc Verhoeven

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

'Het jaar 70 na Christus'

 

 

 

70 n.Chr. is een belangrijke datum. Het is nl. de datum van de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel door de Romeinen. De Joden herdenken het jaarlijks op Tisha Be’av (de 9de van de maand Av, ongeveer in augustus) samen met de verwoesting van de eerste tempel in 586 v.Chr. die op bijna dezelfde dag gebeurde en trouwens nog andere rampen die het Joodse volk troffen en die allemaal op of rond diezelfde 9de Av plaatsvonden. Het is de meest treurige dag van het hele Joodse jaar waarop in de synagogen het boek Klaagliederen wordt gelezen. Het is de vervulling van wat de Heer Jezus o.a. had voorzegt in Mat.23:39 en in Luk.21. Ook de woorden van Hebr.8:13 zullen daar ongetwijfeld mee te maken hebben.

Het preterisme (ook wel 70 n.Chr. leer genoemd) heeft deze datum (de 9de Av 70nC) tot de belangrijkste datum gemaakt in de heilsgeschiedenis doordat het stelt dat op deze dag alle OT-profetieën over de tweede komst van Christus in vervulling gingen, het oude verbond definitief ter zijde werd gesteld en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde aanbraken. Volgens het preterisme brak de eeuwige toestand van het zich immer uitbreidende koninkrijk toen aan en zijn er geen nieuwe heilsfeiten meer te verwachten.

Zonder iets af te doen aan het belang van 70 n.Chr. met name voor het Joodse volk, wil ik toch een aantal punten gewoon ter overweging geven, die dan uiteraard verder uitgewerkt zouden moeten worden. Het gaat om punten die het belang van 70 n.Chr. m.i. (sterk) relativeren. Maar beoordeelt u het zelf maar:

1. Dr. Willem Ouweneel schreef een boek “De zesde kanteling”, een metahistorische studie waarin hij 6 belangrijke kantelmomenten noemt in de wereldgeschiedenis die een wereldwijd effect hadden. Als derde kantelmoment noemt hij het vertrek van de heerlijkheid van God (de Schechina) uit de tempel in Jeruzalem (586 v.Chr.) vlak voordat deze door de Babyloniërs werd verwoest wat het begin betekende van de heerschappij van de volken (Dan.2). Als vierde kanteling noemt hij de komst van Christus en als vijfde kanteling de komst van de Islam in de 7de eeuw. Het jaar 70 n.Chr. ligt tussen die vierde en vijfde kanteling in en benoemt hij dus niet als een aparte kanteling. Het wereldwijde effect daarvan was dus kennelijk beperkt.

2. Bij de terugkeer uit de Babylonische ballingschap en de herbouw van de tempel in Jeruzalem onder Zerubabel is er geen sprake meer van de ark en ook niet van de wolkkolom (de Schechina) die neerdaalde. Het was dus niet een herstel van de heerlijkheid van de eerste tempel van Salomo, ook al is deze tempel uiterlijk geweldig opgeknapt en versierd door Herodes.

3. Direct in verband met het voorgaande punt is het belangrijk op te merken wat de Heer zelf zegt als Hij bij de tempel staat in Joh.2:19-21. Hij zegt daar letterlijk dat niet dat prachtige gebouw de ware tempel van God was, maar zijn eigen lichaam. M.a.w. de tempel had eigenlijk zijn waarde toen al verloren als Gods woning op aarde.

4. Hoe belangrijk 70 n.Chr. ook was, er bleven nog steeds Joden in het land, zelfs in Jeruzalem. Tussen 132 en 135 n.Chr. was er zelfs een nieuwe Joodse opstand onder Bar Kochba. Pas toen werd Jeruzalem verboden voor de Joden en gaven de Romeinen het zelfs een andere naam.

5. Vlak voor Jeruzalem werd verwoest wist Jochanan Ben Zakkai de stad te ontvluchten in een doodskist en liet zich bij de Romeinse veldheer Vespasianus brengen: hij zei hem dat hij wist dat de Romeinen de stad zouden veroveren en dat Vespasianus keizer zou worden (wat ook gebeurd is). Hij vroeg hem toestemming om in Javne de studie van de Torah verder te mogen zetten en Vespasianus stond hem dit toe. Zo werd de stad Javne het nieuwe centrum van het orthodoxe Jodendom (sanhedrin). Het orthodoxe Farizeïsche Jodendom hield dus met 70 n.Chr. niet op te bestaan, integendeel het bestaat tot op vandaag de dag. Dat is een wonder op zich.

6. Bijbels gezien is het nog maar helemaal de vraag of er met 70 n.Chr. zoveel veranderde. Ook het oude verbond wordt bij herhaling een eeuwig verbond genoemd. In Richt.2:1 zegt God zelfs dat Hij zijn verbond met het volk in eeuwigheid niet zal verbreken. In 30 n.Chr. had de Heer zijn verzoenend kruiswerk al volbracht en daarmee alle offers (als ze niet symbolisch op Hem betrokken werden althans) waardeloos gemaakt. Toen was, op de Pinksterdag ook al de Heilige Geest op aarde komen wonen en was de NT-gemeente als tempel van God op aarde ontstaan. Het oude verbond is ook wezenlijk niet anders dan het nieuwe zoals de daarmee verbonden Sinaïtische wet in wezen niet anders is dan de wet van Christus (Gal.6:2). In beide is het liefdegebod de kern. Er is dus alles voor te zeggen om bij het “nieuwe verbond” niet aan een totaal ander maar aan een “vernieuwd verbond” te denken. Dit alles moet natuurlijk veel uitvoeriger uitgewerkt worden.

7. Er is veel voor te zeggen dat met het verwerpen en vermoorden van Stefanus (Hand.7) de laatste kans voor het Joodse volk “als geheel” om alsnog hun Messias aan te nemen voorbij was. Direct daarna lezen we in Handelingen hoe het evangelie naar de volken gaat hoewel de individuele Jood natuurlijk altijd tot geloof in de Messias kon komen. Ik zie niet in de Schrift dat het volk als geheel daarna nog een kans krijgt.

Bron: Jacques van der Bijl

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Vergeestelijking van Bijbelse profetieën'

Een paar vragen

 

 

Door Jacques van der Bijl

 

Inleiding

Vaak wordt futuristen (dat zijn christenen die geloven dat Christus nog lichamelijk terugkomt om zijn rijk van vrede en gerechtigheid op aarde op te richten en die geloven in de lichamelijke opstanding enz.) verweten dat zij tegen “vergeestelijking” van Bijbelse profetieën zouden zijn. Dat is evenwel niet het geval. Alleen ik geloof dat “vergeestelijken” dan wel aan duidelijke regels gebonden is en dat zijn m.i. met name de beide volgende:

- Het moet “consequent” gebeuren: in één en dezelfde context mag niet het één letterlijk worden genomen en het ander vergeestelijkt worden. Het is of beide letterlijk, of beide geestelijk. Trouwens letterlijk en geestelijk kunnen ook gerust samen voorkomen. Los daarvan staat natuurlijk het feit dat ook bij een letterlijke interpretatie bijna altijd beeldtaal wordt gebruikt, iets wat zowel in onze dagelijkse taal als in de Bijbel het geval is.

- “Als” het gebeurt dan moet er ook een duidelijke geestelijke betekenis aan een Bijbelgedeelte worden gegeven die ook aan details een betekenis geeft. Als dat niet gebeurt en men niet verder komt dan een zeer algemene, vage geestelijke duiding waarbij details niet uitgelegd (kunnen) worden dan moet men m.i. ook geen verbazing wekken dat de term “wegvergeestelijken” wordt gebruikt. Laten we niet vergeten dat de Bijbel het door Gods Geest geïnspireerde woord van God is (2Tim 3:16) dat hetzij letterlijk, hetzij geestelijk, een betekenis moet hebben.

Laten we als voorbeeld een Bijbelgedeelte nemen uit Deuteronomium 30:1-10

In de voorgaande hoofdstukken van Deuteronomium is duidelijk sprake, zowel van de letterlijke zegen als zij gehoorzaam, als van de letterlijke vloek over het volk Israël als zij ongehoorzaam zouden zijn. Hoofdstuk 28 hoort daarbij tot de meest tragische van de hele Bijbel wat door de Joden in de synagoge met zachte stem wordt gelezen.

Een paar opmerkingen vooraf over bovenstaand gedeelte:

- De beloftes die God hier geeft zijn absoluut en niet voorwaardelijk. (let op het herhaalde “zal” en “zullen”)

- Zij kunnen geen betrekking hebben op de terugkeer uit de Babylonische ballingschap, want hier is sprake van een diaspora (verstrooiing) in alle landen van de wereld (en dus niet alleen uit Babel)

Over dit gedeelte zou ik graag een paar vragen aan willen stellen aan hen die voor “vergeestelijking van OT-profetieën” zijn in de hoop dat ze zo vriendelijk willen zijn die te beantwoorden:

1. Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen de HEERE, uw God, u verdreven heeft.

2. En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.

3. Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in   uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had.

4. Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen.

5. En de HEERE, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het weer in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen.

6. De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.

7. De HEERE, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden leggen en op hen die u haten en die u vervolgd hebben.

8. En ú zult zich bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn en al Zijn geboden, die ik u heden gebied, houden.

9. De HEERE, uw God, zal u overvloed geven in al het werk van uw handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, ten goede. Want de HEERE zal Zich weer ten goede over u verblijden, zoals Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft,

10. wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die in dit wetboek geschreven zijn, in acht te nemen; wanneer u zich bekeert tot de HEERE, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel.’

(Einde citaat)

1. Moet dit gedeelte volgens jullie letterlijk of geestelijk worden begrepen? Indien letterlijk, wanneer zijn of worden de hier genoemde beloften dan vervuld?

2. Indien geestelijk, waarom zijn dan de vervloekingen die in de hoofdstukken daarvoor wel allemaal letterlijk gebeurd (zie m.n. hoofdstuk 28)?

3. Indien geestelijk, en toegepast op de gelovigen van na de komst van de Heer Jezus, wat is dan de geestelijke betekenis van het feit dat de NT-gemeente door God verdreven is onder alle volken? En wat betekent het dat Hij ze vanuit al die volken weer bijeen zal brengen?

4. Indien geestelijk, en toegepast op de gelovigen van na de komst van de Heer Jezus, wat betekent het dan dat Hij hen zal brengen naar het land dat hun vaderen in bezit hadden? Wat is dan dat geestelijke land dat de vaderen van de NT-gelovigen in bezit hadden? Wat betekent het dat God ons in dat land talrijker zal maken dan onze vaderen?

5. Zo geestelijk, en toegepast op de gelovigen van nu, wat betekent het dan dat God al deze verloekingen, waarvan we weten dat Israël die letterlijk heeft ondergaan, zal leggen op hun vijanden en op hen die hen haten en vervolgd hebben? Wie zijn die vijanden van Israël die het door de eeuwen heen zo verschrikkelijk vervolgd hebben en wanneer en hoe komen die vervloekingen over hen?

Ik hoop van harte dat er aanhangers van de “vergeestelijking van profetieën” zijn die de moeite willen doen om op deze vragen een antwoord te geven.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Uitwassen van het Preterisme

 

 

 

Dat de preteristen goed zijn in het vergeestelijken van de Bijbel is duidelijk. Jammer, genoeg beperkt zich dat vergeestelijken van de Schrift niet tot alleen tot hun specifieke gedachtengoed, namelijk dat in het jaar 70 n.Chr. o.a. de wederkomst van Christus en de opstanding heeft plaatsgevonden en dat er geen toekomstige gebeurtenissen meer te verwachten zijn, geen antichrist, geen Grote Verdrukking, geen 1000-jarig Vrederijk, daar kun je misschien nog je schouders over ophalen en met je hoofdschudden en zeggen hoe verzinnen ze het, maar wat te denken van de volgende twee conclusies of uitspraken die ik op hun website heb gevonden?

Over het bestaan van de duivel:

Met alles wat we tot nog toe gelezen hebben, zou het niet zo kunnen zijn dat de vijand van God onze eigen geesteshouding is tegen die van God, zoals Paulus het uitdrukt, “dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God”?’

Over de verzoeking van Jezus in de woestijn:

In de woestijn werd Jezus uitgedaagd om te zondigen. Moest daar een engelachtig wezen bij zijn om Hem daarbij te helpen? Nee, dit is een verhaal waar de tegenstander – Jezus’ eigen begeerte – op de proef werd gesteld. We lezen hier dat de “tegenstander” Jezus verleidt en net als bij de andere voorbeelden hierboven, zien we dat verleiding komt wanneer iemand wordt meegetrokken door zijn eigen begeerte. Jezus vocht dus tegen de “zuiging en verlokking” van Zijn eigen begeerte en dat deed Hij met behulp van het woord van God – Hij gaf dus niet toe de verleiding door honger, hebzucht en hoogmoed.’

Ik geloof dat daarmee theologische grenzen worden overtreden en zeker voor wat gezegd wordt over de verzoeking van de Heer Jezus in de woestijn; dat tast zijn Persoon als Zoon van God, als God Zelf aan!

Maar hierdoor wordt het nog duidelijker waartoe het gebruik van de ‘vergeestelijkingstheorie’ toe kan leiden. Je kunt er alles mee ‘verklaren’ of beter gezegd wegredeneren en de Schrift laten ‘buikspreken’!

Ik zou in de verleiding komen om de hierboven aangehaalde uitspraken uit te werken en het tegendeel aan te tonen, maar ik doe het niet omdat ik ervan overtuigd ben dat het geen enkele zin heeft. Dus ik vraag de lezers om hun eigen oordeel te vellen en ik hoop dat ze de gevaren van het vergeestelijken van de Schrift hierdoor leren onderscheiden. Ik geloof niet dat het preterisme en daarmee verbonden de vergeestelijkingstheorie serieuze aandacht verdiend. U bent gewaarschuwd!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Nogmaals Preterisme

 

Een Facebook discussie door Jacques van der Bijl

 

1. PRETERISME: Wat is het preterisme?

Even in het algemeen: als je met iets nieuws of onbekends te maken krijgt is het m.i. altijd van groot belang om met de “WAT”-vraag te beginnen. Om een voorbeeld te noemen: de doop. Hoe vaak wordt er in discussies over dit controversiële onderwerp niet begonnen met de vragen: “WIE mogen/moeten er gedoopt worden?”, “WANNEER moet er gedoopt worden?” en “HOE moet er gedoopt worden (onderdompeling)?”, terwijl we elkaar veel beter zouden leren begrijpen als we begonnen met de vraag: “WAT betekent de doop (volgens jou)?” Dit even terzijde.

De Nederlandse Wikipedia zegt over het preterisme: "Het preterisme is een opvatting binnen het christendom waarbij de profetieën van de eindtijd, onder andere uit het bijbelboek Openbaring, niet over de toekomst gaan maar reeds vervuld zijn in het verleden. Preteristen plaatsen de vervulling van de bijbelse voorspellingen in de eerste eeuw na Christus, de tijd van de Romeinse keizer Nero en de Joodse Opstand met Rome. Een veel gebruikte bron binnen deze beweging zijn de brieven van Flavius Josephus. De term 'preterisme' is afkomstig van het Latijnse woord praeteritus, dat 'voorbijgegaan' of 'verleden tijd' betekent. Men bedoelt dus dat de apocalyps tot het verleden behoort." Tot zover Wikipedia.

Dat neerslaan van de Joodse Opstand, het innemen en verwoesten van de stad Jeruzalem en vooral van de tempel door de Romeinse veldheer Titus in het jaar 70 n.C. was een ontzagwekkende gebeurtenis, die een enorme impact had voor het Joodse volk, en jaarlijks door hen wordt herdacht op de 9e van de maand Av (juli/augustus). Het is de treurigste dag van het hele jaar, omdat op die dag niet alleen de verwoesting van de tweede tempel (70 n.C.) maar ook die van de eerste tempel (586 v.C.) wordt herdacht. Beide gebeurtenissen vonden nl. ongeveer op dezelfde dag plaats. Het is nauwelijks voor te stellen wat voor impact dit had op het Joodse volk! Als Joden bidden bij de Kotel, de Westelijke muur van het tempelplein, de Klaagmuur genoemd, zou je kunnen denken aan christenen die nooit verder komen dan de buitenmuur van hun kerkgebouw (maar dat is dan wel veel en veel te zwak uitgedrukt!).

Wat de geschiedenis van het preterisme betreft zegt Wikipedia: "Voorstanders van het preterisme spreken elkaar nog wel eens tegen over het moment van het ontstaan van deze leer. Sommigen plaatsen die oorsprong al bij de eerste christelijke kerken. Anderen claimen dat hun visie pas in de zeventiende eeuw is ontstaan. Beide visies worden onderschreven door historici en niet-preteristen. Er is wel historische overeenstemming over dat de eerste systematische, preteristische beschouwing werd geschreven door de jezuïet Luis De Alcasar gedurende de Reformatie. Moses Stuart merkte op dat Alcasar's preteristische interpretatie van onschatbare waarde was voor de Rooms-katholieke Kerk gedurende de strijd met de protestanten. In de moderne eschatologie vormt het preterisme vaak een katholiek verweer tegen de protestantse interpretatie waarin de katholieke kerk als een vervolgend instituut wordt gezien." Tot zover weer Wikipedia.

Verder is het belangrijk te weten dat er 2 soorten preterisme zijn, met Engelse termen aangeduid als “full preterism” en “partial preterism”. Het “full preterism” leert dat alle “eindtijd”-gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in 70 n.C. (de verwoesting van Jeruzalem), inclusief Jezus tweede komst (de parousia), de opstanding van de doden en het eindoordeel. Het “partial preterism” denkt dat, hoewel “eindtijd”, “antichrist”, “grote verdrukking” en andere profetische gebeurtenissen plaatsvonden in 70 n.C. en de enkele jaren daarvoor, er uiteindelijk in een of andere verre toekomst toch nog een wederkomst, opstanding van doden en een eeuwig oordeel zal plaatsvinden. Uiteraard is dit een hele ruwe indeling, en zijn er allerlei varianten en tussenvormen.

Het lijkt me begrijpelijk dat velen het “partial preterism” nog als orthodox beschouwen (denk aan de NGB: vanwaar Hij zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden), en het “full preterism” niet meer. Persoonlijk denk ik dat “partial preterism” een beetje een ongelukkige tussenvorm is en dat veel "partials" (helaas) meer en meer zullen neigen naar het veel consequentere “full preterism”, omdat men niet goed weet welke (en volgens welk criterium) teksten die spreken over de wederkomst en eindoordeel moeten worden toegepast op 70 n.C. en welke op een of ander, per definitie altijd "ver en vaag" toekomstmoment. En ook willen preteristen meestal niets weten van een dubbele vervulling van profetieën.

Even een SLOTOPMERKING: ook al heb ik behoorlijk wat discussies achter de rug met preteristen, ik beweer absoluut niet een "specialist" te zijn. Als iemand meent dat ik dingen onvolledig en/of onjuist weergeef, dan hoor ik dat graag. En uiteraard is alles wat ik zeg heel erg beknopt. Reacties zijn welkom.

2. PRETERISME: Wat kunnen we leren van het preterisme?

Het lijkt me een goede bijbelse benadering om allereerst de positieve aspecten te zien in het preterisme. “Beproeft alle dingen, behoudt het goede” (1Thes.5:21). Dat betekent volgens mij allerminst dat iedereen aangemoedigd moet worden om alle leringen die in deze verwarrende tijd de ronde doen, moet gaan onderzoeken. Het lijkt me heel verstandig om dit te beperken tot dingen waarmee je zelf direct te maken krijgt, of waarmee je geconfronteerd wordt. In de context van het genoemde vers gaat het om profetieën die over je uitgesproken worden. In het algemeen is het onderzoeken en kennen van de waarheid Gods Woord het beste middel om dwalingen te kunnen onderscheiden en verwerpen.

Het allereerst overwegen van het positieve bij zo’n beoordeling, bevordert natuurlijk ook de dialoog met mensen die het preterisme verdedigen of aantrekkelijk vinden. En dat principe geldt natuurlijk ook voor andere leringen, voor zover er natuurlijk positieve elementen te vinden zijn. Allereerst is het m.i. belangrijk te constateren dat het preterisme ons opnieuw bewust maakt van de enorme betekenis voor het Joodse volk van dat wat zich in de periode van 66-70 n.C. heeft afgespeeld in Israël (de Joodse oorlog), en m.n. in 70 n.C. met de val van Jeruzalem, waar de stad en ook de tempel volledig werden verwoest! Dat laatste gebeurde op Tisja Be’av (de 9e van de maand Av) een datum die jaarlijks nog steeds wordt herdacht, en voor Joden de treurigste dag van het hele jaar is. Jeruzalem is het hart van Israël, en de tempel het hart van Jeruzalem! In zijn boek “De Joodse Oorlog” heeft de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus uitvoerig over deze periode geschreven. Hij schrijft dat Titus, de leider van het Romeinse leger, de tempel eigenlijk had willen sparen, maar dat zijn soldaten werkelijk als wilden tekeer gingen, de Joden afslachtten en de tempel in brand staken. Er is sprake van 600.000 tot zelfs 1.300.000 doden. Het bloed stroomde door de straten van Jeruzalem. Op de boog van Titus in Rome is tot op vandaag te zien hoe de gouden kandelaar uit de tempel in triomf werd rondgedragen als trofee. Wie Jeruzalem bezoekt kan in het Burnt House, bovenaan de trappen die naar de Western Wall (de zgn. Klaagmuur) leiden, en vlakbij het Temple Institute, ondergronds de resten van een huis uit die tijd bezoeken en via een film een indruk krijgen van de gebeurtenissen uit die tijd.

Wie de rede van de Heer Jezus over de laatste dingen leest, m.n. in Lucas 21, en daarnaast de beschrijving legt van Flavius Josephus, ziet hoe wat de Heer daar aankondigt ook exact zo in vervulling is gegaan in 70 n.C. Maar ook op andere plaatsen in de Bijbel waar over oordelen wordt gesproken, is het heel goed mogelijk dat in eerste instantie aan deze periode is gedacht.

Als het boek Openbaring vóór 70 n.C. is geschreven (wat zeker niet ondubbelzinnig vaststaat) kan (een deel van) de daar beschreven oordelen in eerste instantie ook daarop betrekking hebben. Het is m.i. de verdienste van het preterisme het belang van die periode, m.n. als het gaat om oordeelsprofetieën, opnieuw onder de aandacht te hebben gebracht.

3. PRETERISME: Kunnen profetieën een dubbele vervulling hebben?

Dit is een uitermate belangrijk punt, juist omdat dit punt door aanhangers van het preterisme duidelijk wordt ontkend. Profetieën kunnen volgens hen slechts één enkele vervulling kennen. M.a.w. als profetieën vervuld zijn in 70 n.C., is het volgens hen onmogelijk dat ze ook nog een vervulling kennen in de toekomst. En aangezien volgens hen alle profetieën zijn vervuld in 70 n.C., is een toekomstige vervulling dus uitgesloten. Als we een duidelijk voorbeeld hebben van een profetie die wel een dubbele vervulling kent, is het ook niet moeilijk te begrijpen dat oordeelsprofetieën een (voorlopige) vervulling kennen in 70 n.C. EN een (definitieve) vervulling bij de (weder)komst van Jezus in heerlijkheid (de parousia). Ik meen een duidelijk en ondubbelzinnig voorbeeld van een dergelijke dubbele vervulling te vinden in de profetie van “de gruwel der verwoesting” in de heilige plaats (de tempel) die genoemd wordt door Daniël (een “gruwel” betekent een afgodsbeeld):

- Boven op het altaar zal een verwoesting brengende gruwel te zien zijn (NBV) (Dan.9:27)

- Dan zullen strijdmachten door hem (de koning van het Noorden) op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten die verwoesting brengt (NBG) (Dan.11:31).

- En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht die verwoesting brengt, zijn het duizend twee honderd en negentig dagen... (NBG) (Dan.12:11)

Nauwkeurig onderzoek van Daniel 8 en 11 laat duidelijk zien (en dit wordt door historici bevestigd!) dat de betreffende koning van het Noorden de Syrische koning Antiochus IV Epifanes is, die in 167 v.C. Jeruzalem binnenviel, het vieren van sabbat en besnijdenis verbood, de tempel verontreinigde, o.a. door op het brandofferaltaar varkens te offeren, en door een beeld van Zeus in de tempel te plaatsen! Ter herinnering: 3 jaar later slaagden de Makkabeeën erin de Syriërs te verdrijven, de tempel te reinigen en opnieuw in te wijden (het zgn. Chanoukafeest dat nog jaarlijks gevierd wordt).

Dit is een duidelijk voorbeeld van een vervulde profetie (die zover ik weet door niemand wordt ontkend). Wat lezen we nu evenwel in Mat.24:15 (zie ook Mark.13:14): daar zegt de Heer Jezus: “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in de heilige plaats, - laat hij die het leest erop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten...” Dit is dus onmiskenbaar een heenwijzing naar wat we lazen in Dan. 9, 11 en 12. Maar de Heer Jezus sprak deze woorden in ca 30 n.C., dus zo’n 200 jaar later, als een waarschuwing VOOR DE TOEKOMST! Preteristen zullen beweren dat die profetie slaat op 70 n.C. (wat ik absoluut niet geloof, maar dit nu even terzijde). Maar, hoe dan ook, in 70 n.C. óf ook nu nog in de toekomst, in ieder geval is hier reeds sprake van een dubbele vervulling van een profetisch woord!

En wat hier gebeurt met een profetie van Daniël, gebeurt meermaals in de Bijbel. Profetieën hebben vaak een voorlopige vervulling EN een definitieve vervulling. Die laatste vindt dan altijd in de “eindtijd” plaats. De “eindtijd” is de tijd vlak voorafgaand aan de komst van de Messias en is in de profetische boeken vaak te herkennen aan de uitdrukking “te dien dage”. Dit is m.n. het geval met de terugkeerprofetieën, die een voorlopige vervulling kennen in de terugkeer uit Babel (Ezra, Nehemia), en die ook een definitieve eindvervulling kennen in de eindtijd vlak voor de wederkomst.

4. PRETERISME: Preterisme en het verbond

Eén van de pijlers van het preterisme is het telkens weer genoemde Hebreeën 8:13, wat volgens preteristen betekent dat:

- het eerste verbond helemaal terzijde gesteld moest worden en dus ophield te bestaan (als je alleen Heb.8:13 leest krijg je inderdaad die indruk.)

- dat dit verbond nog gold tot 70 n.C. en toen terzijde gesteld is bij de verwoesting van de tempel.

Tegen beide opvattingen zijn bijbelse bezwaren aan te voeren:

- Allereerst is het interessant dat alleen in dit vers het Sinaïtische verbond letterlijk “oud” wordt genoemd. Dat is wel merkwaardig als we bedenken hoe vaak wij de term “oude verbond” gebruiken. In 2Kor.3:14 betekent het woord: “testament”.

- Verder moeten we bedenken dat ook het oude verbond “eeuwig” wordt genoemd (b’rit olam): zie Ex.31:16; Lev.24:8 (in beide teksten staat er letterlijk “eeuwig verbond”. Zie ook Ri.2:1. Als het oude verbond in eeuwigheid niet afgeschaft kan worden, kan dat dus niets anders betekenen dan dat het nieuwe verbond “slechts” een vernieuwing (verdieping) is van het oude verbond. “Nieuw” betekent dus niet een fundamenteel ander verbond. Beide zijn een fijn samenspel van goddelijke genade en menselijke verantwoordelijkheid. Ook het oude verbond kent genade, en ook het nieuwe verbond kent verantwoordelijkheid. Een mooie korte samenvatting zou kunnen zijn: het Nieuwe verbond = Oude verbond + Jezus.

- Het is nog maar zeer de vraag of je zo absoluut kunt stellen (zoals het preterisme doet) dat het oude verbond nog geldig was tot 70 n.C., en daarna werd afgeschaft. Jeremia 31:32 laat zien dat het van de kant van het volk al bijna direct verbroken was en dus eigenlijk al oud was op het moment dat God een nieuw verbond aankondigde. Over dit moeilijke onderwerp valt natuurlijk nog veel te zeggen, maar het laat m.i. wel zien dat het allemaal veel minder “absoluut” is als het preterisme het voorstelt. En ook dat we voorzichtig moeten zijn om ons alleen op één tekst te focussen. We moeten teksten over een bepaald onderwerp bezien in het kader van het hele onderwijs van de Schrift.

5. PRETERISME: Preterisme en vergeestelijking

Om staande te houden dat alle profetieën in 70 n.C. vervuld zijn, is het preterisme genoodzaakt om zeer veel van die profetieën te vergeestelijken. Nu is het overduidelijk dat lang niet alles in de Bijbel letterlijk genomen kan en mag worden. Maar dat betekent uiteraard niet dat we zomaar mogen vergeestelijken daar waar het in onze theologie van pas komt. Niet de vooringenomenheid van onze theologische denkbeelden moet bepalen wat letterlijk en wat geestelijk genomen moet worden, maar onderzoek van de context, van de stijl (poëtisch bijv.) enz. Praktische voorbeelden van hoe het NIET moet:

- Jes.9:5 - de geboorte van de Messias letterlijk nemen

- Jes.9:6 - zijn direct daaraan gekoppelde heerschappij op “troon van David”, dus in Jeruzalem, geestelijk opvatten

- Luk.1:31 - de aangekondigde geboorte letterlijk nemen

- Luk.1:32,33 - zijn heerschappij op de “troon van David” figuurlijk nemen.

Trouwens, wat die “troon van David” betreft, is zeer interessant te lezen wat de Heer Jezus daarover zegt in Op.3:21, waar Hij die “troon van David” “mijn troon” noemt en de troon waarop Hij nu als verheerlijkte Mens in de hemel zit, aanduidt met “de troon van mijn Vader”. Dit onderscheid maakt mede duidelijk dat de “troon van David” nooit is verhuisd naar de hemel. Ook de toekomende tijd in Op.3:21 maakt duidelijk dat Hij pas op die troon zal zitten na zijn komst.

Een ander voorbeeld van hoe het NIET moet: de vloeken en oordelen in de OT-profetieën letterlijk voor Israël laten en de direct daarna genoemde zegeningen vergeestelijken en toepassen op de Kerk (die NB, voor meer dan 99% uit niet-Joden bestaat). Op die manier worden regels voor Schriftuitleg met voeten getreden. Vaak wordt er gemakkelijk gezegd: dit of dat moet je niet letterlijk nemen, zonder duidelijk aan te geven wat dan wel de geestelijke betekenis is. Als vervolgens de geestelijke uitleg zeer vaag en algemeen blijkt, en details in de tekst onmogelijk vallen uit te leggen, moeten we ons wel ernstig afvragen of we op het goede spoor zitten. Overigens zijn een letterlijke en figuurlijke/geestelijke uitleg niet persé vijanden van elkaar. Zowel het één als het ander kan soms tegelijk waar zijn. De Bijbel is een goddelijk boek met vaak onvoorziene diepten die we met de hulp van Gods Geest mogen leren zien. Een mooi voorbeeld vinden we in Gal.4:21-31 waar Paulus van zijn lezers verwachtte dat ze de zinnebeeldige betekenis van het onderscheid tussen de berg Sinaï en de berg Sion begrepen hadden. In het algemeen heeft het mij zeer geholpen te zien dat het vaak EN-EN is en niet OF-OF. Dat komt later, i.v.m. het koninkrijk, ook nog wel aan de orde.

6. PRETERISME: Preterisme en de laatste dagen

Het preterisme leert dat "de laatste dagen" de periode is die vlak voorafgaat aan de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in 70 n.C. Volgens preteristen zijn "de laatste dagen" dus al heel lang voorbij. Als je leest wat de Bijbel zegt over "de laatste dagen", dan roept dit bij mij een groot aantal vragen op die ik graag aan preteristen wil voorleggen. Ik noem er hier maar een tweetal, maar er zijn er vele aan toe te voegen.

Jesaja 2:2-4 In die laatste dagen zullen alle volken … opgaan naar de berg des HEREN omdat ze naar zijn woord verlangen. Hij zal daar recht spreken tussen volk en volk… Zwaarden zullen omgesmeed worden naar ploegscharen, speren tot snoeimessen, geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen en zij zullen de oorlog niet meer leren. In Micha 4:1-3 staat precies hetzelfde. Als dit het kenmerk is van de laatste dagen zoals Gods Woord ons dat schildert, en preteristen stellen dat ze nu VOORBIJ zijn, dan stel ik me de volgende vragen:

- Wanneer was dan het moment in de geschiedenis waarop Jes.2:2-4 en Mi.4:1-3 in vervulling zijn gegaan? Dat moment dat nu dus voorbij zou moeten zijn.

- Hoe komt het dan dat het kennelijk NA dat moment opnieuw is misgegaan, want "oorlogstuig omgebouwd tot landbouwwerktuigen", "volken die verlangen dat God zelf recht gaat spreken tussen hen", "volken die elkaar niet alleen niet meer bestrijden, ja zelfs niet eens meer onderwijs geven in oorlog voeren" is toch niet bepaald wat ik vandaag de dag opmerk??!!

Als ik de Bijbel goed begrijp, dan slaat de uitdrukking "de laatste dagen" op de periode die voorafgaat aan de komst van de Messias. Hoezeer het koninkrijk nu ook mag baan breken door de kracht van de Heilige Geest(!), het rijk van de duisternis zal pas definitief verslagen worden bij de komst van de Zoon des Mensen (een uitdrukking die de Joden in de 400 jaar voor onze jaartelling gingen gebruiken voor de Messias, en die de Heer Jezus in de evangeliën telkens weer op zichzelf toepast). Daarna zal Hij zijn rijk van vrede en gerechtigheid oprichten en zullen de vele beloftes daaromtrent (zoals Jes.2 en Mi.4) in vervulling zullen gaan. Halleluja!

7. PRETERISME: Preterisme en de komst van Jezus (1)

Het wordt tijd om naar hoofdzaken te gaan in onze evaluatie van het preterisme. Hoofdzaken hebben altijd betrekking op God en op de persoon en het werk van de Heer Jezus. Dat is wat Johannes bedoelde toen hij het had over “de leer van Christus” (2Joh:9).

Het preterisme leert dat de komst (parousia) van Jezus heeft plaatsgevonden in 70 n.C. Een aantal Schriftplaatsen wordt daarvoor aangevoerd als bewijs, waarvan de voornaamste zijn: Mat.10:23, Mat.16:28 + parallelteksten, Mat.24:34; Op.22:20. DV zullen we die teksten nog wel nader bekijken. Eerst noem ik een aantal kenmerken van de komst (verschijning) van de Heer Jezus:

- Hij zal lichamelijk en zichtbaar verschijnen, met een verheerlijkt opstandingslichaam: "Deze Jezus zal ZO komen, OP DEZELFDE WIJZE als u Hem naar de hemel hebt zien gaan (Hand.1:11 Telos-vert. hoofdletters van mij). Hoe dat was, lezen we in Lukas 24:51,52. Dit helpt ons ook te begrijpen dat getrouwe Joden die Hem verwachten, Hem zullen herkennen aan zijn doorboorde handen (Zach.12:10; Op.1:7).

- Op dat moment zullen de lichamen van de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen veranderd worden (1Kor.15:51,52). Beide zullen een lichaam ontvangen dat gelijkvormig is aan het lichaam van zijn heerlijkheid (Fil.3:20v).

- Hij zal verschijnen met de engelen (Mat.16:27; 2Thes.1:7).

- Onder grote tekenen (LuK.21:25-27; Mat.24:30).

- Zijn komst betekent oordeel voor de goddelozen (Hand.17:31; Jd:14; Op.22:12).

- En uitredding van de getrouwen op aarde (Jes.31:4v; Mat.24:30v).

- Opstanding van de martelaren: direct na de parousia (Op.19:11-16) ziet Johannes de zielen van hen die onthoofd werden: en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren (Op 20:4).

- Er komt dan een oordeel over de Assyriër, de vijandelijke macht uit het Noorden (Jes.30:30-33) maar ook over de verzamelde buurvolken (Jl.3:1v).

- Vestiging van het vrederijk: Dan.7:13v; 1Kor.15:24v; Op.19:11-21. Hij zal vrede en gerechtigheid stichten op aarde (Jes.9:6) en "verbrijzelt" de wereldrijken (Dan.2:34). Daniël 7:26 spreekt over "verdelgen en vernietigen".

Behalve dit zou er nog meer te noemen zijn. Preteristen proberen om al deze kenmerken van de komst van de Heer Jezus verwerkelijkt te zien in de Joodse Oorlog (66-70 n.C.), m.n. door de indrukwekkende beschrijving daarvan door Flavius Josefus in zijn gelijknamige boek. Ten dele lukt het ook wel, zeker als het om oordeel gaat (wat zeker niet een definitieve vervulling hoeft in te houden, zoals ik al eerder aangaf in mijn stukje over “dubbele vervulling van profetieën”), maar er zijn zeker een groot aantal van de bovengenoemde punten die we onmogelijk in 70 n.C. vervuld kunnen zien!! Waar is bijv. op dat moment: het getuigenis over de fysieke verschijning van de Heer Jezus, het getuigenis over de opstanding en de verandering van de levende gelovigen, het oordeel over de omliggende volken en bovenal: waar blijft de vestiging van het Rijk van vrede en gerechtigheid doordat de machten van de wereldrijken vernietigd zijn??! Er kwam op dat moment helemaal geen einde aan het Romeinse Rijk, zoals Dan.2 en 7 zo duidelijk vermelden.

Jezus spreekt hier, en de engel zei: Zoals jullie hem zagen opgenomen worden, zal hij weerkeren. Dat spreekt over wat zij zagen, omhooggaande, een wolk onttrok hem aan hun gezicht. En dus is er bij de terugkeer een wolk, die verplaatst zich, en dan wordt de terugkerende Jezus zichtbaar.

En Jezus zegt dat na de verdrukking de zon verduisterd wordt, en het teken van de Zoon des mensen zal zichtbaar worden (is het een kruis, een doornenkroon, ik weet het niet) en bij mijn weten is dat teken niet geweest, en hebben alle geslachten van de aarde nog niet geweend, en hebben zij de Heer nog niet zien komen met grote kracht en heerlijkheid, en zijn zijn uitverkorenen nog niet vergaderd uit de vier winden. Dus ik zeg: Heer, U komt nog op deze manier, laat me klaar zijn, en laat me altijd klaar zijn om U en uw woord te gehoorzamen en U te volgen hier op aarde.

8. PRETERISME: en de datering van het boek Openbaring

Beste vrienden, met deze 8e bijdrage hoop ik mijn reeks bijdragen over het preterisme weer op te pakken. Preterisme: is de leer dat de komst van Christus en de daarmee gepaard gaande (en eraan voorafgaande) gebeurtenissen plaatsvonden in 70 n.C. (Het latijnse 'praeter' betekent: voorbij, gebeurd.) Opm: als ik het woord "preteristen" gebruik, dan klinkt dat nogal afstandelijk en koel, maar zo is het niet bedoeld. Er zijn er die ik zeer waardeer om hun werk in Gods koninkrijk.

In de 2e bijdrage over het preterisme schreef ik: "Als het boek Openbaring vóór 70 n.C. is geschreven (wat zeker niet ondubbelzinnig vaststaat) kan (een deel van) de daar beschreven oordelen in eerste instantie ook daarop betrekking hebben." Met die woorden tussen haakjes kom ik eigenlijk wel heel erg tegemoet aan preteristen voor wie een datering (ruim) voor 70 n.C. van doorslaggevend belang is. Uiteraard(!), want anders zou het boek Openbaring geen profetie maar geschiedschrijving zijn, die zich valselijk voordoet als profetie. Voor een beoordeling van het preterisme is de datering van Openbaring dus van essentieel belang! Nog duidelijker gezegd: als het boek Openbaring bijv. NA 66 n.C. zou zijn geschreven, vervalt daarmee eigenlijk de hele preteristische visie waarin alle daar beschreven gebeurtenissen (full preterism), of bijna alle (partial preterism), juist betrekking hebben op de periode 66-70 n.C. Het is dus geen wonder dat preteristen hun uiterste best doen om een vroege datering van het boek Openbaring te bewijzen. Voor degenen die geloven dat Openbaring voor het grootste deel betrekking heeft op nog toekomstige gebeurtenissen is de datering van het boek uiteraard van veel minder belang.

Wat kunnen we nu zeggen over die datering? Allereerst is daar het getuigenis van de kerkvader Irenaeus (120-202 n.C.) die bisschop van Lyon was. Hij groeide op in Smyrna (Op.2:8) en was een discipel van Polycarpus, die op zijn beurt weer een discipel was van de apostel Johannes (de schrijver van het boek Openbaring). Als íemand geweten moet hebben wanneer het boek Openbaring is geschreven, dan zou het dus wel Polycarpus of Irenaeus moeten zijn. Welnu, deze Irenaeus schrijft in zijn boek Contra Haeresis (13:18): "Wij zullen ons echter niet blootstellen aan het risico om een definitieve uitspraak te doen over de naam van de Antichrist, want als het nodig was dat zijn naam duidelijk moet worden onthuld in deze huidige tijd, dan zou het aangekondigd zijn door hem die de openbaring ontving. Want het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is, bijna in onze tijd, aan het einde van Domitianus regering." Allereerst is het belangrijk in dit citaat op te merken dat Irenaeus hier spreekt over de Antichrist in toekomstige zin, in tegenstelling tot wat preteristen beweren. Ten tweede plaatst Irenaeus hier het visioen van Johannes aan het einde van de regering van de Romeinse keizer Domitianus, die regeerde van 81 tot 96 n.C. Nu wordt Irenaeus nogal eens verweten dat hij slordig is in zijn dateringen, maar zelfs als het boek Openbaring in 81 n.C. zou zijn geschreven, dan is dat nog ruimschoots na de val van Jeruzalem in 70 n.C.! Nogmaals: hij was een leerling van Polycarpus, die Johannes gekend heeft, dus een zeer direct getuigenis. En dit is niet het enige getuigenis: Clemens van Alexandrië (150-215 n.C.) schreef (in Quis Div. Salv. 42) dat Johannes verbannen werd naar Patmos "tot de dood van de tyran". Hoewel de naam van Domitianus hier niet wordt genoemd, is bijna iedereen het erover eens dat het hier om hem gaat. (Voor wie hieraan twijfelt: google even op de combinatie van de woorden: Domitian en tyrant). Victorinus was een vroege bisschop die de marteldood stierf in 304 n. C. In zijn commentaar op het boek Openbaring schreef hij (in Apoc. X.11) dat Johannes zijn visioen van de Apocalyps had toen hij op het eiland Patmos was, veroordeeld tot de mijnen door Caesar Domitianus. De kerkvader Eusebius (260-340 n.C.) die door zijn boek Hist. Eccl. bekend staat als de vader van de kerkgeschiedenis, relateert de datum van het boek Openbaring ook herhaaldelijk aan de regering van Domitianus (Hist. Eccl. III.18.3). Tot slot de kerkvader Hiëronymus (340-419 n.C.), die de Bijbel in het Latijn vertaalde (de zgn. Vulgata). Ook hij vermeld (in De Vir. Illus. IX) duidelijk op 2 plaatsen dat Johannes verbannen is onder Domitianus en dat hij toen het boek Openbaring heeft geschreven. Kortom, met Irenaeus, Clemens, Victorinus, Eusebius en Hiëronymus hebben we een 5-voudig getuigenis dat het boek Openbaring in ieder geval na 70 n.C. is geschreven. Wat dus tegelijk betekent dat de daarin beschreven profetische gebeurtenissen onmogelijk op 70 n.C. en kort daarvoor betrekking kunnen hebben!

Weliswaar plaatsen preteristen daartegenover argumenten die ontleend zijn aan de inhoud van het boek Openbaring zelf (een inwendig getuigenis dus), maar ten eerste kunnen die nooit het bovengenoemde uitwendige getuigenis tenietdoen en ten tweede vervallen die argumenten toch vaak in een cirkelredenering: doordat men uitgaat van een vervulling in 70 n.C. vindt men gebeurtenissen en omstandigheden van vóór die datum terug in het boek Openbaring.

Nogmaals: op zich is het natuurlijk mogelijk dat het boek rond 60 n.C. is geschreven en dat een deel van de oordelen betrekking heeft op de gebeurtenissen van 70 n.C., maar dan nog hoeft dat absoluut niet de definitieve vervulling daarvan te zijn, zoals ik al eerder heb aangetoond in mijn deel 3 over “dubbele vervulling of niet”. Maar met het oog op het bovenstaande moeten we m.i. toch zeggen dat een vroege datering van het boek Openbaring op zijn minst gezegd “zeer onwaarschijnlijk” is. En daarmee alleen al gaat een zeer belangrijke en zelfs essentiële pijler van het preterisme onderuit.

Aan de andere kant zijn er ook inwendige getuigenissen die juist pleiten voor een 'late' datering van Openbaring, maar daarover wellicht later.

9. PRETERISME: pakt meer van je af dan je lief is!

Preterisme (de leer dat de “eindtijd” eindigde in 70 n.C. met de verwoesting van Jeruzalem en dat de profetische voorzeggingen in de Bijbel dus in die tijd plaatsvonden) pakt heel veel af van gelovigen. Het is goed dat we ons hiervan bewust zijn. Zonder enige pretentie volledig te zijn noem ik een zevental dingen:

- Het ontneemt ons de hoop op de lichamelijke komst van de Heer Jezus om hier op aarde zijn (en onze) vijanden aan zich te onderwerpen en zijn vrederijk op te richten.

- Het ontneemt de Heer Jezus zelf de eer dat op dezelfde aarde waarop Hij verworpen en gekruisigd werd, alle knie (ook van zijn vijanden) zich voor Hem zal buigen.

- Het ontneemt Israël en ons de hoop dat de grote Zoon van David zal zitten op de troon in Jeruzalem.

- Het neemt iedere profetische betekenis weg van wat vandaag gebeurt in en om Israël en Jeruzalem.

- Het neemt iedere mogelijkheid weg om de toename van het kwaad (zowel geweld als moreel verval) in de wereld een profetische betekenis te geven.

- Het neemt ons de zekerheid af of er nog wel een lichamelijke opstanding zal zijn, aangezien deze direct met de komst van de Heer verbonden is, die volgens preteristen in 70 n.C. plaatsvond.

- Het ontneemt ons een heel groot deel van de praktische betekenis van de Bijbel voor ons leven, want het is bestemd óf voor Israël destijds óf voor gelovigen die voor 70 n.C. leefden. NB. Tekstverwijzingen heb ik maar even achterwege gelaten

10. PRETERISME en de opstanding

Hierbij een 10e korte bijdrage over het zgn. preterisme (de leer dat de “eindtijd” eindigde in 70 n.C. met de verwoesting van Jeruzalem, en dat de profetische voorzeggingen in de Bijbel dus in die tijd plaatsvonden). Hoewel het niet over Goddelijke Personen gaat, reken ik dit toch ook de hoofdbezwaren tegen de leer van het preterisme. Het is voldoende om 1Korinthiërs 15 en 2Timotheüs 2:18 te lezen om van het belang hiervan overtuigd te raken. In bijdrage 8 heb ik het gehad over de komst van de Heer Jezus (de paroesie) en de verschillende gebeurtenissen die daarmee gepaard gaan. Eén van die gebeurtenissen is de lichamelijke opstanding van de gelovigen (1Kor.15:23). Het is duidelijk dat er niet alleen een geestelijke opwekking is (Ef.2:6), maar dat er ook een lichamelijke opwekking is, d.i. een levendmaken van onze sterfelijke lichamen door de Heilige Geest (Rom.8:11). God hecht grote waarde aan het lichaam en bewijst dat door het lichaam weer op te wekken. Dit in tegenstelling tot het Griekse denken dat ziel/geest een duidelijke prioriteit geeft boven het lichaam. In de Bijbel is daar geen sprake van. Integendeel, juist in een gedeelte dat het belang van ons lichaam onderstreept (1Kor.6:12-20) zegt Paulus: God heeft de Heer opgewekt en zal ook ons opwekken door zijn kracht (vs.14; 2Kor.4:14). Dat de opwekking van de gelovigen duidelijk geassocieerd wordt met de komst (paroesie) van de Heer Jezus zien we ook duidelijk in 1Thes.4:15-17 en in Fil.3:20,21. In dat laatste vers zien we ook dat ons lichaam gelijkvormig zal zijn aan het lichaam van zijn heerlijkheid.

Mijn grote vraag aan preteristen is nu: als de Heer in 70 n.C. terugkwam, en als toen Mat.24 en alle andere profetieën volledig zijn vervuld, wat dan met de lichamelijke opstanding? Waar is het getuigenis van die opstanding in 70 n.C.? En wat gebeurt er met de gelovigen die nà 70 n.C. zijn gestorven?

11. PRETERISME en Israël

In mijn bijdrage "Preterisme pakt je meer af dan je lief is" (9) heb ik erop gewezen dat het preterisme geen enkele plaats laat voor een profetische betekenis van alles wat in en om Israël gebeurt. Ondanks dat bijv. Roger Liebi in zijn boek "Leven we werkelijk in de eindtijd" schrijft dat er sinds de terugkeer van Israël naar zijn land, meer dan 175 bijbelse profetieën in vervulling zijn gegaan! Dat het preterisme geen oog meer heeft voor het etnische Israël komt omdat het preterisme samengaat met de vervullingstheologie (wat m.i. in de praktijk op hetzelfde neerkomt als de vervangingstheologie). Vervullingstheologie zegt: alle OT-ische beloften aan Israël zijn vervuld in de Heer Jezus. Vervangingstheologie zegt: de kerk is in de plaats gekomen van Israël en alle OT-ische beloften aan Israël worden vervuld in de kerk, het zogenaamde geestelijke Israël. Ik ga daar nu niet op in, maar raad u wel om eens uw Bijbel als volgt te lezen: als er "Israël" staat, dan betekent dat gewoon "Israël", en als er de "kerk/gemeente" staat dan betekent dat gewoon de "kerk/gemeente". Natuurlijk zijn er veel gemeenschappelijke zegeningen en veel parallellen tussen beide, maar dat is iets anders dan dat de één opgaat in de ander, noch Israël in de kerk, noch de kerk in Israël.

Het feit dat het preterisme geen plaats meer heeft voor Israël komt vooral ook door hun opvatting over het verbond. Daarover heb ik in mijn 4e bijdrage wat gezegd. Men maakt hier een scherpe scheiding tussen oude en nieuwe Verbond (wet en genade) iets wat ik in de Bijbel helemaal niet zo terugvindt. Ook in het eerste verbond was er genade en ook in het nieuwe verbond is er wet (de wet van Christus). En ook het oude verbond wordt meermaals "eeuwig" genoemd (Ex.31:16; Lev.24:8; zie ook Ri.2:1).

Het is dus eerder zo dat het nieuwe verbond een vernieuwing/verdieping is van het oude verbond. In het oude verbond ontbrak Christus nog. Het bijzondere is dat ook het nieuwe verbond uitdrukkelijk (formeel) met Israël wordt gesloten (Jer.31:31; Heb.8:10), ook al is de Heer Jezus de borg en de middelaar van dat verbond, en is het bloed van het verbond al vergoten, en genieten wij nu al van de zegeningen van het verbond. Straks zal dat alles ook voor Israël werkelijkheid worden bij de komst van de Messias.

Ik vind het altijd weer schokkend te constateren dat in de 19e eeuw, en zelfs daarvoor, mensen uit de Schrift zagen dat Israël zou terugkeren naar zijn land (hoewel dat toen tijdens het Ottomaanse Rijk onmogelijk leek), terwijl vandaag de dag anderen profetieën voor hun ogen vervuld zien worden en de betekenis ervan niet begrijpen. E.e.a. bewijst maar weer eens hoe de theologische bril waardoor we kijken, in belangrijke mate bepaalt wat we zien in de Bijbel. Het is goed dat we ons daarvan bewust worden.

12. PRETERISME en de komst van Jezus (2)

In bijdrage 7 heb ik de verschillende gebeurtenissen die verbonden zijn met de komst van de Heer Jezus vermeld en gezegd dat slechts een paar van die aspecten (m.n. het oordeel) vervuld kunnen zijn in 70 n.C. waarbij het nog zeer de vraag is of het hier om een definitieve vervulling gaat (m.i. niet). Het meest belangrijke aspect van de lichamelijke wederkomst van de Heer Jezus (Hand.1:11) is m.i. het volgende: Het laatste wat de wereld van de Heer Jezus heeft gezien, is een man die stierf aan een kruis. Weliswaar is Hij na zijn opstanding vele keren verschenen maar dat was altijd aan gelovigen, zoals je kunt nagaan in de evangeliën. De wereld heeft Hem sinds zijn verschrikkelijke lijdensweg en dood aan het kruis niet meer gezien.

Als we dit overdenken zien we hoe belangrijk het is dat het voor de wereld duidelijk openbaar wordt wie Hij werkelijk was! Er zal een moment (moeten) komen waarop ALLE knie zich buigt, van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en ELKE tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. Fil.2:10,11. Er zal een dag komen dat Hij "verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en bewonderd in allen die hebben geloofd" 2Thes. 1:10. Dat zal het moment zijn dat Hij verschijnt in heerlijkheid om zijn vijanden definitief te verslaan en zijn vrederijk/koninkrijk in heerlijkheid op te richten. Paulus zag daarnaar uit! In 2Tim.4:8, in zijn laatste brief vlak voor zijn marteldood, schrijft hij: "Overigens is voor mij de kroon der gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag geven zal; en niet alleen aan mij, maar ook aan allen die ZIJN VERSCHIJNING HEBBEN LIEFGEHAD." Hij wist dat hijzelf spoedig "met Christus zou zijn" na zijn sterven (Fil.1:23), maar toch zag hij uit naar het moment dat de Heer Jezus hier op aarde alle eer en aanbidding zou ontvangen en zijn koninkrijk zou oprichten. Het bijzondere is dat Paulus aan die verwachting een bijzondere kroon verbindt, nl. de "kroon der gerechtigheid".

Zijn wij ook gelovigen die naar dat moment van zijn verschijning in heerlijkheid uitzien? We zijn zo vaak bezig met onszelf, met de gemeente/kerk, met de wereld, en dat is allemaal prima, maar laten we vooral ook denken aan het moment van de verheerlijking van de Heer als Mens hier, op dezelfde aarde waarop Hij vernederd, veracht, geslagen en gekruisigd werd.

Het is mij, eerlijk gezegd, een raadsel hoe preteristen dit alles vervuld kunnen zien in 70 n.C.

13. PRETERISME en tronen

We weten dat David en Salomo zaten op de troon des HEREN in Jeruzalem (1Kron.29:13). En uiteraard is er ook de troon van God in de hemel. In die tijd waren er dus twee tronen, één op aarde en één in de hemel. De vraag is nu of er in de toekomst ook weer twee tronen zullen zijn. Preteristen ontkennen dit en geloven alleen nog in één troon in de hemel. Maar laten we eens kijken wat de Bijbel hierover zegt. In mijn 5e bijdrage over "vergeestelijking" heb ik hierover vanuit een ander oogpunt ook al even kort iets gezegd. De Heer Jezus zelf zegt in Op.3:21: "Wie overwint, hem zal ik geven met Mij te zitten op MIJN TROON, zoals ook Ik overwonnen heb en mij gezet heb met mijn Vader op ZIJN TROON." Hij spreekt in het begin van het vers in de toekomende tijd, omdat Hij nu nog niet zit op wat Hij "mijn troon" noemt. Dat komt pas bij zijn verschijning. Hij zit nu in de troon van de Vader. Kortom: in dit vers is duidelijk dat "ZIJN TROON" de troon van de Vader in de hemel is en MIJN TROON de troon van David in Jeruzalem, waarop de grote Zoon van David, de Messias, zal zitten (iets wat tijdens zijn eerste komst op aarde in vernedering geen vervulling heeft gehad). En er is geen enkele aanwijzing in de Schrift dat die troon ooit is verhuisd van de aarde naar de hemel. Jes.9:6 zegt van de Messias: "Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de TROON VAN DAVID en over zijn koninkrijk". De vermelding van het koninkrijk in dit vers laat al duidelijk zien dat het hier niet gaat om de hemel, maar om het koninkrijk hier op aarde. Dit alles is in perfecte harmonie met de woorden van Gabriel tot Maria: "De Heer, God, zal Hem de TROON VAN ZIJN VADER DAVID geven" (Luk.1:32). We moeten bij het lezen van de Bijbel allereerst ons afvragen wat het betekend heeft voor de direct geadresseerden, dus hier Maria. Hoe zou zij ooit gedacht kunnen hebben aan een troon in de hemel, die in de Bijbel nooit de troon van David genoemd wordt?

Al met al lijkt het me heel duidelijk dat (wil althans het onderscheid dat de Heer zelf maakt in Op.3:21 nog enige betekenis hebben) de Heer Jezus bij zijn verschijning in heerlijkheid zal zitten op de TROON VAN DAVID in JERUZALEM, de stad van de GROTE KONING zoals de Heer Jezus zelf zegt in Mat.5:35. Dat moment zal aanbreken als Hij terugkomt en als DE VREDEVORST zal regeren in gerechtigheid en al Gods beloften in vervulling zullen gaan. Het is zeker geen toeval dat alle aandacht in de wereld zich opnieuw op Jeruzalem richt. Dat de wereld bezig is er alles aan te doen om die stad van het Joodse volk af te nemen (let wel: Oost-Jeruzalem is het eigenlijke Oude Jeruzalem). Maar we weten uit de woorden van de Heer zelf in Mat.23:39 dat als Hij terugkomt op de Olijfberg er Joodse mensen zullen zijn die naar Hem uitzien en zullen zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer". Laat u die heerlijke hoop niet ontnemen.

14. PRETERISME en Pretribulationisme (de 1830 Mc. Donalds-mythe)

Sorry voor al deze ingewikkelde woorden. Met "Pretribulationisme" duiden we de opvatting dat de Gemeente VOOR de Grote Verdrukking wordt opgenomen (tribulatio=verdrukking). Het gaat me er nu HELEMAAL NIET om deze opvatting vanuit de Schrift te verdedigen, maar WEL om de steeds weer gehoorde beschuldiging, vandaag de dag ook weer herhaald door veel preteristen, dat deze opvatting zou dateren uit 1830. J.N. Darby zou hem verzonnen hebben en via de toen ontstane Scoffield Bible zou hij wereldwijd zijn verspreid. Soms/vaak wordt er zelfs gezegd dat die leer van occulte oorsprong zou zijn, en afkomstig van een occult visioen van een Schots meisje, Margaret MacDonald, in 1830! Zich hierop baserend lijkt het er sterk op dat men vandaag bezig is deze leer te gaan beschouwen als DE bron van alle kwaad in de christenheid, doordat het DE oorzaak zou zijn van doemdenken, angst en inactiviteit. Ik vind dit bijzonder vreemd en onbegrijpelijk overigens, want hoe kan nu de verwachting van de komst van de Heer Jezus leiden tot deze dingen? Brengt de verwachting van de komst van de bruidegom de a.s. bruid tot doemdenken, angst en inactiviteit? Dat kan m.i. alleen maar als ze ontrouw is geweest aan haar bruidegom o.i.d.! Zo kan de verwachting van de spoedige komst van de Heer ons alleen maar leiden tot extra blijdschap, heiliging, toewijding en activiteit, tenzij we natuurlijk door allerlei onbijbelse denkbeelden over wie de Heer Jezus is en over het heil in Hem, van die blijdschap en vrede beroofd worden. Dus nogmaals: het gaat me nu dus NIET om de leer op zich, maar om de steeds weer herhaalde beschuldiging dat hij van een duistere oorsprong is.

Dat is trouwens één van de goedkoopste manieren om zich te ontdoen van een niet welgevallige opvatting, nl. twijfel zaaien aangaande haar oorsprong. Op zichzelf is deze benadering niet verwerpelijk. Ook Paulus spreekt over leringen van demonen (1Tim.4:1). Zie ook Jak.3:15 en 1Joh.4:1-6. Maar voor een leer als demonisch betiteld mag worden, moet hij minstens wel aan de twee volgende kenmerken voldoen:

a. Hij moet aantoonbaar in flagrante strijd zijn met duidelijke Bijbelse uitspraken. Dus niet (alleen) met geloofsbelijdenissen en ander leerstellige opvattingen, maar met duidelijke, concrete bijbelverzen.

b. Hij moet een verderfelijke invloed op Gods volk hebben.

Als echter serieuze christenen een visie huldigen die ons niet bevalt, en we noemen die demonisch, dan lopen we gevaar ons schuldig te maken aan dezelfde dwaling als de geestelijke leiders van Israël, die tegen Jezus zeiden: "U hebt een demon" (Joh.7:20).

Wat moeten we nu aan met de Margeret Mc Donald mythe? De weerlegging ervan is eigenlijk vrij gemakkelijk en is ook al meermalen gedaan:

a. Er zijn steeds meer geschriften van voor 1830 gevonden waarin het pretribulationisme al wordt verdedigd. Zo zegt Ephraem de Syriër (ca.373): "Want alle heiligen en uitverkorenen van God worden voor de komende verdrukking verzameld en opgenomen tot de Heer, opdat zij niet de verwarring zien die de wereld zal overweldigen vanwege haar zonden." De priester Emmanuel Lacunza ontwikkelde een dergelijk idee in 1812

b. Er is geen historisch bewijs dat John N. Darby van Margaret Mc. Donald gehoord had, voordat hij zijn pretrib-gedachten ontwikkelde, laat staan dat hij haar ooit ontmoet zou hebben en haar visioen zou hebben overgenomen. Als "streeptheoloog" (bijzonder Geestesgaven stopten na de apostolische tijd) zou hij trouwens toch al geen hoge dunk van visioenen hebben gehad. Maar bovendien, en dat is van groot belang (!), kwam Darby vooral tot zijn visie doordat hij het onderscheid tussen Israël en de Gemeente begon te zien. En dat was al in 1827, drie jaar dus voor het visioen van Margaret Mc. Donald.

c. In feite zijn er enorme verschillen tussen het visioen van Margaret Mc. Donald en de pre-trib opvatting.

d. Geen enkele pretrib-proponent heeft zich voor zijn opvatting ooit op visioenen of openbaringen van Margareth Mc. Donald of van wie dan ook beroepen, maar allen hebben zij uitsluitend van bijbelse argumenten gebruik gemaakt. Destijds was ik zelf zo onder de indruk van de hele reeks bijbelse argumenten die W.J. Ouweneel aanvoerde in zijn enorme inleiding op zijn boek "De Openbaring van Jezus Christus" dl 1 (1988), dat ik dat hele gedeelte van die inleiding in het Frans heb vertaald (we woonden toen ik Frankrijk). Met name Darby’s argumenten zijn zo uitgebreid (te vinden in zijn Collected Writings) dat het ondenkbaar is dat hij door een visioen van een meisje op het idee zou zijn gebracht en dit vervolgens met een stortvloed van argumenten zou hebben omgeven.

e. Wie enigszins over leven en werk van J.N. Darby heeft gelezen, weet dat hij een zeer toegewijd dienstknecht van de Heer was met een sterke wil (en daardoor ook zijn fouten helaas, zoals blijkt uit de scheuring van 1840 met de Open Broeders) en dat hij er dus absoluut niet de man naar was om zich zo maar te laten beïnvloeden, en al zeker niet door visioenen. Doordat ikzelf afkomstig ben uit de opwekkingsbeweging die rond 1825 wereldwijd ontstaan is, raakt de "Mc.Donalds-mythe" me ongetwijfeld ook meer.

Sorry voor mijn lange bijdrage dit keer, maar m.i. is de weerlegging van de 1830 Mc. Donalds mythe van het allergrootste belang gezien de actuele ontwikkelingen. Ik heb afgezien van het vermelden van referenties bij de diverse aanhalingen van boeken e.d. maar als iemand die graag wel heeft, neem dan even contact met me op. Tot slot wil ik vermelden dat veel van wat hierboven staat, afkomstig is uit "De toekomst van God", Evangelisch Dogmatische reeks deel 10 (2011 Uitgeverij Medema Heerenveen).

15. PRETERISME en verwachting

De trits "geloof, hoop en liefde" uit 1Kor.13:13 vinden we op verschillende plaatsen in het NT terug. Daarin heeft de "hoop", in tegenstelling tot geloof en liefde, duidelijk betrekking op de toekomst. Het is een essentieel en kenmerkend bestanddeel van ons geloofsleven. We zijn wedergeboren tot een levende hoop, schrijft Petrus (1Petr.1:3) en we zijn behouden geworden in hoop, schrijft Paulus (Rom.8:24). Daarbij is hoop niet iets onzekers, zoals in ons hedendaags taalgebruik, maar iets wat zeker en vast is, als een anker van de ziel, dat vastgeslagen is in de hemel, waar Jezus als voorloper voor ons is ingegaan (Heb.6:19). Dit laatste is één van de vele plaatsen in het NT waar hoop en verwachting, zowel van Israël als van de Gemeente, in verband worden gebracht met de komst van de Messias en de opstanding. Zie bijv. Hand.23:6; 24:15,21; 26:6-8; 28:20.

In 1Thes.1:9,10 noemt Paulus het uit de hemel verwachten van Gods Zoon zelfs het DOEL van onze bekering, naast het dienen van de levende en waarachtige God. In het licht van dit vers kunnen we het christenleven samenvatten in de woorden "werkend verwachten" of "verwachtend werken". We verwachten de Heer Jezus en ondertussen werken we voor Hem, maar ook: we werken, maar doen dat in de verwachting van zijn komst. Zoals de tuinman van een kasteel, die niet weet wanneer de eigenaar terugkomt ervoor zal zorgen dat de tuin altijd perfect in orde is.

In 1 Joh 3:2,3 spreekt Johannes over de zichtbare openbaring van de Heer Jezus in deze wereld en zegt dan daarbij: "ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is." In Tit.2:11 spreekt Paulus over "de genade van God die ons onderwijst om godvruchtig te leven in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus."

In zijn rede over de laatste dingen in Mat.24 roept de Heer Jezus bij herhaling op om waakzaam te zijn, en te blijven uitzien naar zijn komst, terwijl Hij duidelijk laat doorschemeren dat zijn komst wel eens langer op zich zou kunnen laten wachten (zie Mat.24:48; Mat.25:5; 25:19). Omgekeerd heeft, volgens de woorden van Jezus, het niet langer verwachten van de Heer tot gevolg dat de slaaf zijn medeslaven gaat slaan en gaat eten en drinken met de dronkaards (Mat.24:48).

In 2Tim.4:8 spreekt Paulus over een "kroon van de gerechtigheid" die voor hem is weggelegd, maar niet alleen voor hem, maar voor allen die de verschijning van de Heer Jezus hebben liefgehad.

Uit dit alles blijkt hoe belangrijk de "hoop op" en de "verwachting van" die verschijning is voor ons als gelovigen, zowel wat betreft onze persoonlijke heiligmaking, als wat onze dienst voor de Heer Jezus betreft. Nu kent het preterisme ook wel hoop en verwachting, nl. dat het koninkrijk in zijn huidige vorm zich uitbreiden tot het de hele aarde vervult (Dan.2:35), maar Dan 7 laat zien dat dit pas zal zijn als de Zoon des Mensen zal terugkomen en de koninkrijken van deze wereld zal vernietigen. Uit alle genoemde Schriftplaatsen moge het ook duidelijk zijn dat we niet (in een doemdenksfeer) de eindtijd, de antichrist en de grote verdrukking verwachten, ook al weten we dat die er is of spoedig zal komen (!), maar de komst van de Heer Jezus zelf. Zoals de hartloper naar de finish uitkijkt en de bergbeklimmer naar de top. Laten we ons deze bijbelse hoop en verwachting niet laten ontnemen.

16. PRETERISME en reactietheologie

Opvallend bij het PRETERISME is wel dat het bij uitstek een "reactietheologie" is. Dat was het al ten tijde van Luis de Alacasar, die het preterisme voor het eerst duidelijk formuleerde ten tijde van de contra-reformatie, als reactie op het feit dat Protestanten Rome ervan beschuldigden "de grote hoer" te zijn - uit Openbaring 17 (waarbij ze uiteraard vergaten dat zijzelf op grond van vs.5 tot haar dochters gerekend konden worden). Het boek van Jonathan Welton dat het preterisme in Nederland weer voor het voetlicht plaatste een jaar of twee geleden heeft dan ook de merkwaardige titel "Raptureless" ("Opnameloos"), omdat de auteur zich duidelijk wil afzetten tegen de gedachte dat de gemeente wordt opgenomen (zoals Joh.14:3 en 1Thes.4:17 dat wel duidelijk benoemen! Het tijdstip "waarop" laat ik hier even terzijde). De ondertitel van dat boek "An optimistic guide to the End of the World" (een optimistische gids naar het einde van de wereld) lijkt wel positief, maar is natuurlijk een duidelijke reactie tegen "angst voor de komst van de Heer, de eindtijd, de antichrist, de grote verdrukking, doemdenken, onterechte voorspellingen over de wederkomst enz."

Het effect van reactietheologie is bijna altijd dat het eenzijdig doorslaat naar de andere kant toe. Van een ONGEZONDE verwachting van de wederkomst van de Heer Jezus en de daaraan (volgens de Bijbel) voorafgaande gebeurtenissen (doemdenken omtrent de eindtijd, enz.) slaat het door naar HELEMAAL GEEN verwachting, omdat alles al plaatsvond in 70 n.C. bij de verwoesting van Jeruzalem. Nu moeten we bij dit alles natuurlijk wel bedenken dat we ook veel andere theologische opvattingen kunnen beschouwen als "reactietheologie" en het preterisme daarin natuurlijk niet alleen staat. Van het herontdekken evenwel van de bijzondere plaats van de gemeente en van Israël in de 19de eeuw door J.N. Darby heb ik evenwel niet kunnen ontdekken dat dit een vorm van "reactie" was ergens tegen, integendeel, het was m.i. het gevolg van het bestuderen van het profetische Woord waartoe de Schrift ons aanmoedigt (Op.1:3 enz.), zonder dat er een behoefte was dit te doen in het kader van een "afzetten ergens tegen". (Als iemand denkt te weten dat dit wel zo is, dan hoor ik dat graag). Nu is het onderzoeken van de Bijbel op een volkomen objectieve manier al zo goed als onmogelijk, omdat we nu eenmaal onszelf en onze (theologische) bagage meenemen; maar dit wordt natuurlijk al helemaal moeilijk als we dat doen tegen de achtergrond van een "reactie of afzetten tegen". De neiging om argumenten die tegen de eigen opvatting ingaan te negeren, wordt daar alleen maar des te groter door.

Dat zien we bijv. wat het preterisme betreft gebeuren met een buitengewoon fundamenteel punt als de lichamelijke opstanding (Rom.8:11; 1Kor.15:16-18; 2Tim.2:18), waar men, vanuit preteristisch oogpunt gezien, geen weg meer mee weet. Ten eerste omdat er geen enkel getuigenis is van een dergelijke opstanding in 70 n.C. en er geen enkele reden is te bedenken waarom de gelovigen van voor 70 n.C. daar WEL deel aan zouden hebben en die van daarna NIET. Ten tweede omdat het preterisme een extreme vergeestelijkingsleer is en men dus geen raad weet met een fysieke opstanding.

 Maar als een leer met zo'n fundamentele punt als de lichamelijke opstanding geen raad meer weet, lijkt het me veel beter om die leer kritisch ter discussie te stellen in plaats van heel lang toch naar een geforceerde oplossing te blijven zoeken. Ik kan met een grote tang proberen de sleutel toch in het slot rondgedraaid te krijgen, maar het lijkt me heel wat gezonder om te concluderen dat ik waarschijnlijk niet de goede sleutel in het slot heb gestoken. Voor zo’n conclusie is moed nodig, zoals ik dat zelf in ander opzicht al meermaals heb ervaren.

17. PRETERISME en positivisme

Om het moeilijke woord "preterisme" nog maar weer even te definiëren. Preter = voorbij, en preterisme is de leer dat de "eindtijd" eindigde in 70 n.C. met de val van Jeruzalem. Alle profetische gebeurtenissen (antichrist, grote verdrukking, wederkomst van Christus, enz.) moeten volgens het preterisme dus als (letterlijk of geestelijk) vervuld gezien worden in 70 n.C., het eindpunt namelijk van de eindtijd.

 Zoals ik in mijn vorige bijdrage al aangaf, is het preterisme een reactie tegen doemdenken omtrent de eindtijd, inactivisme en onterechte concrete voorspellingen omtrent de wederkomst. Wat het begrip “eindtijd” betreft is het trouwens goed te bedenken dat dit (Bijbels gezien) slaat op de tijd die vlak voorafgaat aan de verschijning en openbaring van de Heer Jezus in heerlijkheid. Het heeft dus niets te maken met het definitieve einde en vergaan van de wereld o.i.d., zoals dat in films naar voren gebracht is de laatste jaren. Integendeel, het is, na een paar zeer moeilijke jaren, juist het begin van de heerlijke periode waarin de Heer Jezus vanuit Jeruzalem (de troon van David) zal heersen over een bekeerd Israël en de volken, een gezegende periode zoals de wereld tot hiertoe nog niet heeft gekend en waarvan alle profeten spreken!

Als reactie op doemdenken, en gezien het feit dat de oordelen, grote verdrukking, antichrist, enz. volgens hen allemaal 1946 jaar geleden al plaatsvonden, kenmerkt het preterisme zich dus door een ongekend positivisme. Preteristen zeggen dat we nu in de tijd van het zich uitbreidende koninkrijk leven (Dan.2) waarin door het christendom en de wetenschap alles steeds beter wordt. Het evangelie zal daarbij een ongekende vlucht kennen.

Een groot verdediger van het preterisme in Nederland, David Sorensen, plaatste maanden geleden een post op FB waarin hij uitsluitend positief sprak over de wetenschap die alle ziekten, problemen enz. weldra zou oplossen (een post die hij trouwens, vanwege de negatieve reacties ook weer gelijk verwijderde). Hij zag een dergelijke vlucht van de wetenschap en techniek, zodat we binnenkort zelfs individueel zouden kunnen vliegen (dus zonder nog een vliegtuig nodig te hebben). Nu zit (behalve dat laatste wat ik tot het rijk van de fabels verwijs) hier een grote kern van waarheid in. We kunnen heel erg dankbaar zijn voor ontwikkelingen m.n. ook in de medische wetenschap. Maar tegelijk moeten we beseffen dat het diezelfde wetenschap is die juist zelf ook heel veel problemen heeft veroorzaakt (denk maar aan kernwapens!). Iedereen kan aanvoelen dat er iets tegenstrijdigs zit in de gedachte dat de wetenschap de problemen die ze heeft veroorzaakt zelf ook weer zal oplossen.

Er zit dus weliswaar veel waars in deze positieve kijk op de wetenschap, en zeker ook op de toename van het evangelie en het koninkrijk door het werk van Gods Geest, maar het is tegelijkertijd ook maar de HALVE waarheid, zoals het NT zelf ons ook al duidelijk aangeeft. Want de wetenschap is inderdaad in een christelijke omgeving tot ontwikkeling en bloei gekomen, maar is tegelijkertijd de laatste decennia steeds on-christelijker en zelfs anti-christelijk geworden! Denk maar aan de moreel verwerpelijke experimenten met embryo's, cellen, DNA, enz. Men kondigt met veel bravour aan zelfs binnenkort aan de hand van huidcellen mensen te kunnen maken, zodat het krijgen van kinderen voor homostellen binnenkort ook geen probleem meer is, enz. enz. Men denkt de bouwstenen van het heelal te hebben ontdekt zodat de mens binnenkort de plaats van de Schepper in kan nemen. De moderne wetenschap is met respect voor de Schepper begonnen, maar heeft helaas met de Schepper afgerekend. De uitvinder van het Higgs-Bossom deeltje noemde zijn boek "The God Particle" (het God Deeltje), kennelijk daarbij de gedachte wekkend dat hij daarmee de bouwsteen van het heelal had ontdekt en dus God als Schepper niet meer nodig had.

Zoals gezegd: het is het halve verhaal, of misschien wel heel veel minder dan het halve verhaal als we van de wetenschap even naar de geschiedenis gaan. In 70 n.C. werden er door de Romeinen misschien wel ong. 1.000.000 Joden vermoord, maar in "christelijk" Europa waren dat er 6.000.000 (tot 1940) en tussen 1940 en 1945 kwamen daar nog eens 6.000.000 Joden bij. De Eerste Wereldoorlog kostte 17.000.000 doden en 20.000.000 gewonden, de Tweede Wereldoorlog kostte 60.000.000 doden. En wie denkt dat het nu, 70 jaar later, allemaal zoveel beter is, hoeft maar eens ernstig naar de actuele gebeurtenissen, m.n. in het Midden-Oosten te kijken. Trouwens, zover hoeven we niet eens te kijken. Een week voor de aanslagen op vliegveld Brussel Zaventem stapten we door dezelfde linker ingang van de ontvangsthal die voortdurend op TV-schermen te zien was sindsdien, waar vele tientallen uit elkaar gescheurd, verminkt, zwaar gewond werden. Om van alle trauma's en verdere gevolgen nog maar te zwijgen. Eergisteren, na een vruchteloos pogen met openbaar vervoer bij de parking van het nog steeds gesloten vliegveld te komen, zijn we daar uiteindelijk met de taxi beland. Van de vele ingangen van het Station Brussel Zuid waren er maar twee open en die waren voorzien van hekken en tientallen gemaskerde militairen met machineweren. Gisteren zijn we langs de twee ingangen gereden van het metrostation Maelbeek. Het is nauwelijks voor te stellen wat daar gebeurde toen een metrostel compleet uit elkaar gescheurd werd. En dan te bedenken dat met veel mensen die in dat metrostel zaten hetzelfde gebeurde.

Anno 2016 op nauwelijks een uurtje rijden van Nederland. De hoofdstad van Europa, nog steeds "in schock" van de gebeurtenissen, zoals een geliefde zuster zei, die vlakbij metrostation Maelbeek woont en bij wie we overnacht hebben. In de tijd dat wij in Frankrijk waren gebeurde in Lahore, Pakistan hetzelfde met vrouwen en kinderen die in een park samen het paasfeest vierden. Open Doors laat ons weten dat in de 20e eeuw meer christenen zijn vermoord dan in alle eeuwen daarvoor bij elkaar!! Is dat alles één geweldige positieve ontwikkeling??

Ben ik een doemdenker? Hoewel ik van nature geen optimist ben wil ik dat zeker niet zijn! Ik verblijd me over de vele moslims die tot geloof komen. We mochten er iets van meemaken bij onze zoon in Duitsland, waar ik na afloop van de dienst met 5 Iraniërs mocht spreken. Eén daarvan werd de week daarna gedoopt. En in de Evangelische gemeente in Bordeaux waar we beide voorbije zondagen waren, worden overmorgen weer 35 mensen gedoopt in 3 diensten, waarbij de zaal telkens 500 mensen kan bevatten! God is aan het werk en zijn koninkrijk wordt gebouwd. Maar tegelijk is daar de duisternis die steeds duisterder lijkt te worden (Op.22:11). Het trof dat in beide diensten, waarin zeer enthousiast werd gezongen, in liederen duidelijk verwezen werd naar de komst van de Heer. We zouden Hem loven, prijzen en dienen "totdat Hij komt". Niets doemdenken maar ook geen ontkennen van zijn komst en van de moeilijkheden waar we wellicht nog doorheen moeten. Laten we het positieve blijven zien, maar tegelijk ook uitzien van de verschijning van onze Heer Jezus die uiteindelijk Zelf satan de kop zal vermorzelen (Gen.3:15). Die overwinning is zeker en vast, want de basis daarvan is 2000 jaar geleden al gelegd op het kruis! Halleluja!

18. PRETERISME en de discussie

Even een kort stukje over de inhoudelijke discussie zelf, die ik nu al ruim een half jaar voer op FB. Het begon bij mij eigenlijk pas echt toen ik merkte dat gelovigen die geloofden in de opname van de gemeente belachelijk werden gemaakt en werden uitgescholden zonder dat men zich op dat punt echt liet corrigeren. Integendeel, kritische reacties leidden er juist toe dat ik door een drietal verdedigers van het preterisme zonder enige waarschuwing geblokkeerd werd (no hard feelings hoor maar het betekende wel dat er geen kritische vragen meer mogelijk zijn!).

Een enkele andere verdediger van het preterisme ging de gedachtenwisseling op grond van de Schrift gelukkig wel voor langere tijd aan maar vele vragen bleven onbeantwoord of werden op een zeer vage manier "wegvergeestelijkt". Sorry voor dit woord, dat ik wellicht zelf heb uitgevonden maar wat toch wel goed weergeeft hoe ik e.e.a. heb ervaren. Juist de laatste dagen merk ik weer hoe ontzettend moeilijk de inhoudelijke discussie aan de hand van de Bijbel is over dit onderwerp. Dat heeft ongetwijfeld veel te maken met die andere "mindset" (een veel gebruikt woord), waarbij alles sinds het kruis vergeestelijkt wordt (behalve het oordeel over Israël in 70 n.C. dat wel letterlijk op het etnische Israël terecht kwam ondanks het kruiswerk van de Heer Jezus!). Sommigen die met het preteristische gedachtengoed sympathiseren, willen deze inhoudelijke discussie ook helemaal niet, in ieder geval niet op FB, omdat men dit sociaal medium daarvoor niet geschikt acht (??). Respect wordt m.i. daarbij ten onrechte gelinked aan "niet inhoudelijk reageren". Persoonlijk zie ik dat heel anders en nodig ik graag ieder uit om juist wel inhoudelijk te reageren op grond van de Schrift. Ik heb al vaker gezegd dat ik juist leer van mensen die het niet in alles met me eens zijn. Aan de andere kant wil ik ook helemaal niet dat mensen me napraten omdat wat ik beweer wel aardig klinkt, maar dat ze, net als de Bereërs, alles zelf onderzoeken (Hand.17:11). De belangrijke reden waarom ik ben begonnen met reacties op het preterisme is dat ik de toekomstige lichamelijke komst (openbaring en verschijning) van de Heer Jezus als Zoon des Mensen en de daarmee gepaard gaande opstanding van FUNDAMENTELE betekenis acht.

Voor mij is die discussie bijv. helemaal niet gelijk te stellen met de discussie over het moment van de opname (voor, halverwege of na de grote verdrukking). Het heeft voor mij direct te maken met de eer van de Heer Jezus als Mens hier op aarde en de voleinding van het werk dat Hij in principe al heeft volbracht op Golgotha. Vandaar dat ik er niet over wil zwijgen daar waar het mogelijk is om er iets over te zeggen, en dat is in ieder geval op mijn eigen FB-pagina. Maar alles op het goede moment want het is zeker niet het enige waarmee ik me wil bezighouden. Hartelijke groet, Jacques.

19. PRETERISME: Zie, Ik kom spoedig

Het wordt de hoogste tijd om na te denken over een aantal teksten die door verdedigers van het preterisme worden aangevoerd als bewijzen voor hun opvatting dat de komst van de Heer plaatsvond in 70 n.C. Eén van die teksten is het door de Heer Jezus vijf keer herhaalde “Zie Ik kom spoedig” in Openbaring (Op.2:16; 3:11; 22:7,12,20) en ook het "wat spoedig gebeuren moet" (Op.1:2; 22:6) en "de tijd is nabij" (Op.1:3; 22:10). Tijd is hier "kairos", wat meer een kwantitatieve tijdsbepaling is.

Laten we om te beginnen maar erkennen dat dit geen gemakkelijke teksten zijn aangezien er toch veel is in het boek Openbaring (zeker na hoofdstuk 4), wat nu, meer dan 1900 jaar later, nog steeds niet is gebeurd. Nu betekenen de Griekse woorden "en tachei" en het verwante "tachu" eigenlijk "snel, met haast" zodat theoretisch de gedachte mogelijk is dat, als Hij komt (ook al is dat later), Hij dan "snel, haastig" komt (en niet rustig aan). Toch kan dat m.i. niet de volle en enige bedoeling zijn van "spoedig", want dat zou natuurlijk ook nauwelijks een troost zijn voor de gelovigen, zoals toch duidelijk is bedoeld, m.n. in Op.22. Anderzijds is het toch goed die betekenis in het oog te houden, omdat die het verlangen van de Heer zo duidelijk laat zien.

Een praktisch voorbeeldje: stel dat ik met de auto in het buitenland ben en ik stuur een bericht naar mijn vrouw: "Ik kom spoedig." Thuis aangekomen parkeer ik mijn auto, luister nog even naar het laatste stuk van de nieuwsberichten, maak daarna een gezellig praatje met de buurman om vervolgens tien minuten later de sleutel in de voordeur te steken… Het zou logisch zijn dat mijn vrouw dan zou denken: hij verlangt kennelijk toch niet zo heel erg naar me. Wat de Heer betreft is in ieder geval het tegendeel waar! Vandaar dat de Heer deze woorden tot driemaal toe herhaalt in het laatste hoofdstuk van onze Bijbel. Als het dus toch zo lang duurt, dan moeten daar redenen voor zijn. Daarover hieronder. Nu blijft "spoedig" toch altijd een relatief begrip. Is spoedig 15 jaar, of 10 jaar, of 5 jaar of 3 jaar of is het een maand of nog korter? De oplossing om het "Zie Ik kom spoedig" in 70 n.C. vervuld te zien is natuurlijk erg verleidelijk. Vijftien jaar klinkt ons als een bevredigender getal voor "spoedig" dan 1900. Ware het niet dat deze oplossing veel meer problemen creëert dan dat ene wat het oplost! Met de komst van de Heer zijn namelijk ook een groot aantal gebeurtenissen verbonden (zie de lijst in bijdrage 7), waarvan slechts een zeer beperkt aantal toen vervuld zijn geworden: de doden zijn niet opgestaan, de levende gelovigen niet veranderd geworden, de God-vijandige volken zijn niet verslagen, de Heer heeft zijn plaats niet ingenomen op de troon van David, enz… En wat heb je nu aan een leerstellige oplossing die een groot aantal nieuwe leerstellige problemen creëert? Maar hoe moeten we dan die lange tijd begrijpen? Het is goed hierbij een aantal dingen te bedenken:

1. Er staat in principe niets in de weg dat de Heer zou kunnen terugkomen. Zo zegt Paulus in 1Kor.15:51: "WIJ zullen niet allen ontslapen, maar WIJ zullen allen veranderd worden." Let op het WIJ, wat betekende dat hij zichzelf daarbij rekende. En hetzelfde vinden we in 1Thes.4: "WIJ de levenden zullen de ontslapenen geenszins voorgaan." Nu zien preteristen dit als een bewijs dat Paulus en de andere apostelen de wederkomst nog hebben meegemaakt, maar dat kan niet want Paulus is terechtgesteld onder keizer Nero en deze is in 68 n.C. gestorven. Maar Paulus leefde wel in die verwachting.

2. Gods tijdrekening is niet onze tijdrekening: 1 dag bij de Heer is als 1000 jaar en 1000 jaar zijn als 1 dag (2Petr.3:8; Ps.90:4).

3. 2Petr.3:9 geeft ons een duidelijke reden waarom de belofte van zijn komst nog niet in vervulling is gegaan! "De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat." Het heeft dus alles te maken met het geduld van de Heer en zijn wens dat niemand verloren gaat, want zijn komst betekent tevens oordeel.

Zo spreekt "Zie ik kom spoedig" van het verlangen van de Heer (als Bruidegom naar zijn Bruid), een verlangen dat bij ons hetzelfde verlangen moet opwekken (Amen, kom Heer Jezus Op.22:20), maar ook van zijn grote geduld en zijn wens dat niemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (1Tim.2:4).

20. PRETERISME: Deze generatie / dit geslacht

Als basis-bewijstekst voor het preterisme wordt vooral aangevoerd Mat.24:34: “Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd”. Men redeneert dan: een generatie is ong. 40 jaar. Ongeveer 40 jaar nadat de Heer deze woorden sprak is Jeruzalem verwoest, dus alles wat in Mat.24 genoemd wordt moet zijn vervuld in 70 n.C. Men ziet dit vers dan ook als exact parallel lopend met Mat.23:36. Nu is het duidelijk dat het in dit laatste vers uitsluitend gaat over het oordeel dat over Jeruzalem zou komen in 70 n.C. Maar is dat in Mat.24:34 ook zo?

Laten we allereerst dit vers rustig in zijn context bekijken.

Heel Mat.24 is een antwoord op drie vragen van de discipelen: Wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van uw komst, en van de voleinding van de eeuw? Vooral over de beantwoording van beide laatste vragen gaat het in de verzen ervoor. Daarbij is vooral vs.33 dat direct voorafgaat van belang: "Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is…" Het lijkt me dus heel logisch dat "dit geslacht" van vs.34 slaat op het geslacht dat al deze dingen ziet gebeuren, dat is een geslacht van getrouwe discipelen in de eindtijd. Hoewel Mat.24 dus ten dele zeer wel van toepassing kan zijn op de gebeurtenissen in 70 n.C. (Luk.21 is dat zeker), ziet de Heer dan over de hoofden van de discipelen heen, naar trouwe, Joodse discipelen in de eindtijd, die dit alles zullen meemaken.

Trouwens in zijn direct daaropvolgende woorden in hoofdstuk 24 en 25 laat de Heer Jezus zelf al doorschemeren dat zijn komst best eens veel langer op zich zou kunnen laten wachten:

- De trouwe en wijze slaaf van vs.45 wordt in vs.48 ineens "die boze slaaf" genoemd die in zijn hart zegt: "Mijn heer blijft uit."

- In 25:5 staat: "toen nu de bruidegom uitbleef…"

- In de gelijkenis van de talenten in 25:19 staat: "NA LANGE TIJD nu kwam de heer van die slaven…"

We kunnen in dit alles de wijsheid van de Heer bewonderen om enerzijds niet te zeggen: "Het zal nog wel zo’n 2000 jaar duren," zodat ze ontmoedigd zouden worden, en anderzijds de discipelen daar toch op voor te bereiden. Maar dit is niet alles: het Griekse woord voor geslacht/generatie is genea. Dat woord kan inderdaad een meer kwantitatieve betekenis hebben: de duur van een generatie, dus zo’n 40 jaar, zoals we gezien hebben in Mat.23:36. Het is inderdaad opmerkelijk dat 40 jaar nadat de Heer deze woorden uitsprak, in 70 n.C. dus, Jeruzalem en de tempel zijn verwoest. Die kwantitatieve betekenis is evenwel niet primair noodzakelijk. Zo vinden we hetzelfde woord genea ook in Mat.16:4 "Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken." Daar heeft het woord duidelijk niet primair een kwantitatieve betekenis, maar betekent het veeleer: "Een boos en overspelig SOORT MENSEN verlangt een teken." Hetzelfde vinden we in 17:17; 12:39 enz. Dat SOORT MENSEN heeft er niet slechts 40 jaar lang bestaan, maar door alle eeuwen heen tot in de eindtijd. Dat zou dan kunnen slaan op de mensen genoemd in vs.23-26. Gezien dit alles kunnen we dus concluderen dat er helemaal geen dwingende reden is waarom de gebeurtenissen van Mat.24 "enkel en alleen" zouden moeten slaan op wat gebeurd is in 70 n.C. Bepaalde dingen zijn toen duidelijk niet gebeurd: zo hebben ze toen bijv. niet de Zoon des Mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid, zoals Daniel dat al voorspeld had in Dan.7:13,14 en de Heer Jezus tegenover Kajafas in Mat.26:64. Tussen haakjes: let daarbij op de uitdrukking: Zoon de Mensen, een Mens verschijnt dus zichtbaar, de Messias namelijk, dus heel anders dan bij de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar in 586 v.C.

Tot slot zou ik willen wijzen op de woorden van de Heer in vs.32: "Leert van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is." Wie heeft er zich niet over verbaasd wat in de laatste 70 jaar met Israël is gebeurd: het ontstaan van de staat in 1948, Jeruzalem terug in Joodse handen in 1967, het begin van een geestelijk herstel in de Messias-belijdende Joden enz. Duidelijke tekenen m.i. dat we in die eindtijd zijn aangekomen. Een blik op andere zgn. bewijsteksten volgt hopelijk spoedig.

21. PRETERISME: Mat.16:28; Mark.9:1; Luk.9 :27

Dit is een derde groep teksten die als bewijs wordt aangehaald, dat de komst van de Heer Jezus definitief heeft plaatsgevonden in 70 n.C. zoals het preterisme beweert. Het zijn parallelteksten, d.w.z. ze slaan alle drie op dezelfde gebeurtenis. Laten we ze alle drie rustig in hun verband lezen en daarbij ook bedenken dat de indeling in hoofdstukken, en de opschriften boven pericopen, later zijn toegevoegd.

Het valt op dat de gebeurtenissen vóor en ná deze verzen in de drie evangeliën nauwkeurig overeenkomen: de belijdenis van Petrus en de eerste aankondiging van het lijden van de Heer gaan eraan vooraf. De verheerlijking op de berg volgt erop. In Mat.16:28 staat: "Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk." In het vers ervoor verwijst de Heer Jezus duidelijk naar zijn komst in heerlijkheid en naar de vergelding/beloning die op dat moment zal plaatsvinden. In het vers erna spreekt Hij in alle drie de evangeliën direct over zijn verheerlijking op de berg. Het is dus heel logisch om hier een verband te zien en deze verzen te zien als de vervulling van de woorden van de Heer.

De verheerlijking op de berg kunnen we dus zien als een voorafschaduwing van de komst van de Zoon des mensen in heerlijkheid en majesteit zoals de Heer die beschrijft in vers 27. Het is een geweldige bemoediging voor de Heer Jezus, die vlak voor zijn kruislijden stond en waarvan Hij zojuist de eerste aankondiging heeft gedaan, maar het is ook een bemoediging voor de discipelen om alvast een glimp op te vangen van dat heerlijke koninkrijk dat zou komen bij zijn komst. Om een modern voorbeeld te gebruiken: het is als een "trailer" (clip) van een film die je met verlangen doet uitzien naar de hele film.

Inderdaad komt dat wat daar gebeurde op de berg prachtig overeen met wat zal gebeuren in de toekomst als de Heer Jezus verschijnt in heerlijkheid. We zien de Heer Jezus met een gezicht stralend als de zon (17:2; Mal.4:2), we zien de gestorven en opgewekte gelovigen bij Hem in de vorm van Mozes en Elia (zie Kol.3:4 bijv.), en we zien mensen hier op aarde aan zijn voeten in de vorm van de discipelen (zie bijv. Mat.25:31vv.). Het geheel heeft zo’n geweldige indruk gemaakt op Petrus, dat hij aan het einde van zijn leven er nog vol van is! (2Petr.1:12-21) en de gelovigen toen, én ons, ermee wil bemoedigen om aan het profetische woord vast te houden als aan een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in onze harten (2Petr.1:19). Toen mijn vrouw en ik ruim vijf jaar geleden voor het eerst op de berg Tabor stonden, samen met een messiasbelijdende Joodse vriend, hebben we elk uit de drie evangeliën deze geschiedenis gelezen, en het heeft grote indruk op ons gemaakt. Laten we er ons telkens weer door laten bemoedigen. Hoe moeilijk het ook mag zijn of worden voor gelovigen hier op aarde, net als toen voor de Heer Jezus en de discipelen, wij weten waar het op uit loopt en mogen, net als Paulus, zijn verschijning liefhebben (2Tim.4:8).

22. PRETERISME: Mat.10 :23

Dit is een vierde vaak aangehaalde tekst ter ondersteuning van het preterisme. Het is goed die dus nader te bekijken. Na de roeping en uitzending van de discipelen waarschuwt de Heer Jezus hen voor de komende vervolgingen. Hij roept hen op om te volharden tot het einde en zegt daarna: "Wanneer zij u nu in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want voorwaar, Ik zeg u: u zult met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt." Het kan haast niet anders of de Heer Jezus spreekt hier over zijn komst als de Zoon des mensen, net als Hij dat zo vaak doet in het Mattheüs-evangelie: zie Mat.16:27; 24:27,30,37,39,44; 25:31; 26:64. Betekent dit dan dat de Heer hier (alleen) zou spreken over 70 n.C. en dat de twaalven allemaal die komst hebben meegemaakt? We weten dat verscheidenen van hen al ruim voor die tijd als martelaar zijn gestorven. Van Jakobus lezen we dat al in Hand.12:1,2. Ik denk dat de Heer hier in de geest zijn volgelingen ziet, die "in de eindtijd" de prediking van de twaalven zouden voortzetten.

De tekst geeft weliswaar de indruk dat de Heer Jezus zijn komst spoedig verwachtte, maar we moeten niet vergeten dat Hij zelf een paar jaar later al liet doorschemeren dat het wel eens veel langer zou kunnen gaan duren dan zijn volgelingen dachten. Zie bijv. de al eerder genoemde verzen Mat.24:48; 25:5,19. Maar ook de gelijkenissen over het koninkrijk in Mattheüs 13 impliceren dit al duidelijk: de dolik moet opgroeien, het net moet vol worden, en dan pas, in de voleinding van de eeuw, zal de Zoon des mensen zijn engelen uitzenden… Net als we dat in Mat.24 gezien hebben, lijkt de Heer hier in gedachten heel de tussentijd, tussen de hemelvaart en de eindtijd, over te slaan en een directe continuïteit te zien tussen de activiteiten van zijn discipelen in zijn tijd én in de eindtijd. Het opvallende is dat dit uitdrukkelijk een werkzaamheid is binnen de grenzen van Israël. Jezus’ woorden veronderstellen een Israël dat ook in de eindtijd zich in het beloofde land bevindt, en een gelovig deel (rest, overblijfsel) van het volk dat de boodschap van de koning in de steden en dorpen verbreidt en daarmee niet eens klaar zal zijn voor Hij terugkomt. Minder dan ooit hebben we in onze dagen moeite om dit te begrijpen, nu het volk als sinds 1948 terug is in het land en sinds 1967 ook Jeruzalem, en (delen van) Judea en Samaria terug in handen heeft. En nu er messiasbelijdende (lees: Jezusbelijdende) Joden zijn die het evangelie zeer actief verspreiden in hun land.

We zien hier een verschijnsel dat in de profetieën veel vaker voorkomt, nl. dat grote gebeurtenissen in de toekomst, die zullen blijken eeuwen uit elkaar te liggen, toch als het ware door de profeet in één vlak worden gezien en beschreven. Jesaja 9:5,6 is daar een heel mooi voorbeeld van. De geboorte van de Heer en zijn heerschappij worden daar in één adem genoemd terwijl wij nu weten hoe ver ze uit elkaar liggen. Want de Koning heeft weliswaar nu al "alle macht" (Mat.28:18), maar Hij oefent die nog steeds niet openlijk en zichtbaar voor iedereen uit. In het najaar wordt er een nieuwe president gekozen in Amerika maar hij/zij zal tot 1 januari moeten wachten vooraleer daadwekelijk in functie te treden. Dat laatste zal de Heer Jezus pas doen bij zijn komst, waarvan we in onze dagen wel kunnen merken dat die nabij is, ook al zullen we ons moeten wachten voor ongegronde concrete voorspellingen die helaas al veel schade hebben gedaan en indirect het weer opkomen van het preterisme hebben bevorderd (het is goed dit eerlijk onder ogen te zien!). In Mat.10:23 zien we dus, zoals vaker in Mattheüs, dat de Heer een directe lijn trekt van zijn eigen tijd naar de eindtijd. Als we dit gaan inzien, lossen de moeilijkheden die we zouden kunnen hebben met dit vers zich vanzelf op.

NB. Een praktisch voorbeeld van ver uit elkaar liggende gebeurtenissen die toch in één lijn worden gezien door profeten. Op de plek in Frankrijk waar we 15 jaar lang woonden, zien we bij helder weer de hele keten van de Pyreneeën op zo’n 100 km afstand. Bepaalde hoge toppen lijken daarbij gewoon naast elkaar te liggen maar in de praktijk blijken ze door grote afstanden gescheiden. 

Vraag:

Johannes 16:7 "Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden."

Zou deze tekst voor preteristen betekenen dot de Heilige Geest in het jaar 70 weer van de aarde verdwenen is?

Jacques van der Bijl:

Ik denk het juist niet. Ze zien de komst van de Heer Jezus in 70 n.C. niet als een lichamelijke komst, maar als een geestelijke komst in oordeel. Ze zullen er dus geen enkele moeite mee hebben dat de Geest ook na 70 op aarde blijft, integendeel. Ze bestrijden een lichamelijke hemelvaart en dus ook een lichamelijk wederkomst, en weten dus ook geen raad meer met de lichamelijke opstanding omdat alles nu geestelijk is. Maar... het preterisme is een leer in volle ontwikkeling met ontzettend veel verschillende uitleggingen en opvattingen. Dus sommige preteristen zullen zich in bovenstaande ook weer niet herkennen. Het beste is dus om (kritische) vragen te blijven stellen, niet aan mij, maar aan preteristen zelf. Het probleem is alleen dat ze daar niet van houden en dat je dus geen (of een zeer onbevredigend) antwoord krijgt of dat je verwezen wordt naar Amerikaanse predikers en hun websites enz... Het is m.i. aan de huidige voorvechters van het preterisme in Nederland om op vragen over fundamentele zaken als de opstanding antwoord te geven zonder dat ik daarbij zelf een antwoord moet gaan zoeken aan de andere kant van de oceaan. En na meer dan een half jaar discussie heb ik zo mijn ervaringen als het gaat om full en partial preterisme. Ik heb dat elders al gezegd. Ik blijf het merkwaardig vinden dat mensen die zichzelf partial noemen juist full preterists aanbevelen en het partial preterisme zelf nooit verdedigen met argumenten. Het lijkt me trouwens ook onmogelijk om enerzijds te beweren dat alles sinds 70 n.C. geestelijk is en anderzijds toch te geloven in een lichamelijke wederkomst, opstanding en oordeel ergens in die altijd ver blijvende toekomst.

23. PRETERISME: De leer van Christus - 2Joh:7-9

Na een oproep om elkaar lief te hebben waarschuwt de oude apostel Johannes in de tweede Johannesbrief een zuster (en haar kinderen) voor verleiders die zijn uitgegaan in de wereld. Hij schrijft in vs.7: "Want er zijn vele verleiders uitgegaan in de wereld die niet Jezus Christus als in het vlees gekomen belijden. Dit is de verleider en de antichrist." Hij benoemt daarna in vs.9 deze leer als een "niet blijven in de leer van Christus" en waarschuwt haar in vs.10 dat ze zulke mensen niet in haar huis moet ontvangen. Haar liefde voor deze (mogelijk sympathieke) leraars mag haar er niet toe brengen hen gastvrijheid te verlenen. Ze zou daardoor zichzelf in gevaar brengen. Waarover gaat het nu in deze zgn. “leer van Christus"? Laten we samen, met de hulp van Gods Woord en Geest, wat nauwkeuriger kijken naar "wie de Heer Jezus is" en proberen beter te begrijpen wat de Bijbel ons over Hem leert.

Johannes zegt van Hem in zijn evangelie: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God" (Joh.1:1). Van eeuwigheid af was de Heer Jezus dus God, nl. God de Zoon. Net als de Vader en de Heilige Geest was de Heer Jezus dus zelf ook GOD. Dat is wat we aanduiden met de menselijke term "Drie-Eenheid". Vader, Zoon en Heilige Geest zijn alle drie GOD en toch is er maar één God (zie bijv. 1Tim.2:5). ONDERSCHEIDEN (want er is een liefdesrelatie tussen hen, Joh.17:24) maar NOOIT GESCHEIDEN.

De Zoon was er dus van eeuwigheid af als God, maar er was ook een moment in de tijd dat Hij MENS werd. Daarover schrijft Johannes in Joh.1:14: "En het Woord IS VLEES GEWORDEN en heeft onder ons gewoond". "Vlees" betekent hier gewoon "Mens". Vanaf dat moment was de Heer Jezus dus niet alleen God maar werd OOK Mens. Hij bleef God want God kan natuurlijk nooit ophouden God te zijn. Alleen Hij kwam niet naar de aarde in zijn Goddelijke heerlijkheid want “geen mens kan God zien en leven” (Ex.33:20). Hij moest die Goddelijke heerlijkheid dus a.h.w. "omsluieren" door zijn Mensheid, zijn Knechtsgestalte (Fil.2:7). Toch straalde die Godheid af en toe door die Mensheid heen, zoals in Joh.18:6 ("Ik ben" is de naam van God) en in Joh.1:14 zegt Johannes: "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd…"

De uitdrukking "is vlees (dus mens) GEWORDEN" is een heel sterke uitdrukking. De Heer Jezus werd op dat moment dus echt Mens, met een menselijk lichaam, een menselijke ziel en een menselijke geest. Geboren uit een vrouw (Gal.4:4), maar verwekt door de Heilige Geest. Dus God en Mens in één Persoon, zoals de kerk het door de eeuwen heen beleden heeft. Dat "vlees geworden" gaat veel verder dan "heeft vlees aangenomen", wat op zich ook waar is. In het Oude Testament in de geschiedenis van Abraham lezen we dat God aan hem verschijnt in de gedaante van een man (Gen.18). Dat was het tijdelijk aannemen van een menselijke gedaante. Ook in heidense godsdiensten kwam het vaak voor dat de goden tijdelijk een menselijke gedaante aannamen. Die gedachte was bij heidense volken dus heel bekend. Anderzijds was de gedachte dat de godheid echt mens zou worden juist totaal onbekend. En toch is het juist dat wat de Bijbel (God dus) ons leert. Jezus is echt Mens geworden. Dat heeft de geweldige consequentie dat Hij ook voor altijd Mens BLIJFT, net als Hij uiteraard ook altijd God BLIJFT.

Nu waren er in die tijd al mensen, die Johannes hier "verleiders" noemt, die, onder heidense invloed, de ware Mensheid van de Heer Jezus loochenden. Ze konden zich niet voorstellen dat God werkelijk Mens zou worden en leerden dus dat Hij alleen maar tijdelijk een "menselijke gedaante" had aangenomen. Met een moeilijk woord noemen we dat ook wel: het docetisme (van het Gr. dokeo: schijnen). De Zoon van God werd dan niet echt mens, maar nam een schijnlichaam aan. Dat lijkt ons in eerste instantie niet zo erg, wij vinden het eerder erg als zijn Godheid wordt geloochend, iets wat we in onze streken onder invloed van het moderne denken veel meer tegenkwamen (Jezus was een goed, bijzonder en voorbeeldig mens maar niet God, leerde men). Maar de consequenties van het ontkennen van het feit dat de Heer Jezus werkelijk Mens werd zijn enorm! Het voert te ver om hier op alle geweldige positieve consequenties voor ons als gelovigen in te gaan, maar de Heer Jezus ontving bij zijn hemelvaart een Goddelijke heerlijkheid als Mens (Joh.17:5!), juist om die met mensen te kunnen delen (Joh.17:22), iets wat Hij als God nooit zou kunnen.

Zoals al gezegd, betekent dat “Mens worden” dat Hij ook altijd, naast zijn GOD zijn, Mens blijft. Het is een Mens met een opstandingslichaam (1Kor.15), die naar de hemel ging, terwijl engelen op de Olijfberg zeiden dat Hij ZO, OP DEZELFDE WIJZE, dus als MENS, zou terugkomen (Hand.1:11). Zoals elk oog Hem eenmaal zal zien (Op.1:7) zal ook Kajafas Hem, de Zoon des Mensen (als Mens dus) zien komen op de wolken van de hemel (Mat.26:64). Hij wist dat de Heer Jezus hiermee de bij de Joden bekende woorden van Dan.7:13,14 aanhaalde, die zij toepasten op de Messias. Hij komt dus op dezelfde wijze terug, met een verheerlijkt opstandingslichaam, om de zijnen voor eeuwig bij zich te nemen. Fil.3:20,21 zegt daarvan: "Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid." De gelovigen ontvangen dus eenzelfde verheerlijkt opstandingslichaam als Hij (1Kor15; 1Thes.4:16,17) om zo voor eeuwig bij de Heer te zijn in het koninkrijk hier op aarde, waarvan de Heer Jezus het centrum is, van de hemelse kant mee te maken, ja zelfs samen met Hem te regeren (Rom.8:17; 2Tim.2:12). Hemel en aarde zullen dan waarschijnlijk als een soort Jakobsladder met elkaar verbonden zijn (Joh.1:52). Wat een geweldig vooruitzicht, waarvoor we Hem niet genoeg kunnen danken.

Maar wat heeft dit alles nu met het preterisme te maken, zult u zich afvragen? Welnu, waarschijnlijk veel. Het preterisme zoals ik het tot nu toe heb leren kennen, ontkent de lichamelijke hemelvaart van Jezus, de lichamelijke wederkomst van Jezus, en de lichamelijke opstanding van de gelovigen (Rom.8:11; 2Tim.2:18). Trouwens niet de opstanding van de Heer Jezus, hoewel ik van een bekend Amerikaans preterist (Don K. Preston) hoorde dat Jezus met precies hetzelfde lichaam is opgestaan als waarmee Hij in het graf ging (dus geen opstandingslichaam). Kortom, het gevaar is erg groot dat we hier dus te maken hebben met een soortgelijke dwaling als die waar de apostel Johannes ons zo ernstig voor waarschuwt, nl. het ontkennen dat Jezus echt in het vlees is gekomen (zie ook 1Joh.4:3). Dan is het nl. ook niet noodzakelijk dat Hij als Mens naar de hemel ging en dat Hij van daaruit als Mens weer terugkomt om zijn koninkrijk in heerlijkheid, vrede en gerechtigheid hier op aarde op te richten. Laten we waakzaam zijn en vasthouden aan wat Johannes "de leer van Christus" noemt.

AANVULLINGEN: Negatieve uitspraken van Jezus over de Joden

Het komt nogal eens voor dat negatieve, veroordelende uitspraken van de Heer Jezus over de Joden zoals bijv. in Joh.8:44 en Mat.23 enz. worden aangehaald en vervolgens gebruikt als een soort grond om:

- Negatieve uitspraken over Joden en Israël van anderen te rechtvaardigen, en/of ook zelf zulke uitspraken te doen.

- Te beweren dat Israël en de Joden in Gods plan hebben afgedaan.

- Het antisemitisme en Jodenvervolging door de eeuwen heen, en onze schuld daarin, te relativeren.

Om aan te tonen hoe verkeerd we daarmee bezig te zijn, wil ik eerst het volgende verhaal vertellen. Een groep jongens is bezig vernielingen aan te richten. Plots verschijnt er een man die één van de jongens eruit pikt, hem zeer ernstig toespreekt en straf belooft. De anderen zien dit gebeuren en één van hen zegt: "Maar Meneer, hij was het toch niet alleen, we deden het toch allemaal. Waarom pikt u nu juist hem er uit?" Het antwoord luidde: "Ja, je hebt gelijk, maar deze ene is mijn zoon." Een tweede man heeft het allemaal vanop een afstandje bekeken, maar komt nu ook dichterbij. Hij roept de zoon die net is berispt door zijn vader bij zich en begint hem ook nog eens te bestraffen. De vader ziet wat er gebeurt en komt gelijk tussenbeide en zegt tegen deze tweede man: "Ho eens even, dit is mijn zoon, ik heb hem toegesproken en bestraft, hier hebt jij verder niets mee te maken."

Ieder voorbeeld is gebrekkig, maar ik denk dat de les uit deze verhaaltjes toch wel duidelijk is: God heeft een rechtsgeding met zijn volk, juist omdat het zijn volk is. Wij, de niet-Joden, de volken, hebben daar niets mee uit te staan. En wee ons, als we ons in dat rechtsgeding mengen.

Paulus schrijft daarover in Rom.11:17-21: "En als enkele van de takken afgebroken zijn en u, die een wilde olijfboom was, daartussen geënt bent en mededeelgenoot van de wortel en de vettigheid van de olijfboom bent geworden, beroem u dan niet tegen de takken; en als u zich beroemt, niet u draagt de wortel, maar de wortel u… Wees niet hoogmoedig, maar vrees; want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard. Hij mocht ook u niet sparen."

Laten we de beoordeling van Gods volk (Israël) aan God zelf overlaten, maar wel de lessen daaruit trekken voor onszelf (de Gemeente). Paulus schrijft in 1Kor.10:11: "Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven TOT WAARSCHUWING VOOR ONS, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen."

Wordt met de term "Israël" het etnische volk bedoeld?

Op grond van Rom.2:28,29 wordt nogal eens beweerd dat de term "Jood" alleen slaat op de "gelovige" Jood, en dat de term "Israël" dus ook alleen kan slaan op het gelovige deel van het volk en niet op het etnische Israël als geheel. Op grond van deze verzen wordt ook wel beweerd dat gelovigen uit de volken ook "Jood" genoemd zouden mogen worden. Maar laten we zien wat de Bijbel daarover zegt:

Paulus zegt nooit dat ongelovige Joden geen Israëlieten meer zijn, integendeel. In Rom.9:4 heeft hij het over "mijn verwanten naar het vlees. ISRAELIETEN zijn zij ..." In Rom.9:31 "Maar Israël, dat naar een wet van gerechtigheid jaagde, is tot de wet niet gekomen. Waardoor? Omdat het niet op grond van geloof, maar als op grond van werken gebeurde." Het is duidelijk dat het hier om het niet-gelovige deel van het volk gaat, dat hier met de naam "Israël" wordt aangeduid.

Zo ook in Rom.11:7 "Wat Israël zoekt, heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen." Hier wordt het hele volk "Israël" genoemd en worden de uitverkorenen onder hen worden apart genoemd. Rom.11:25 zegt dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen. De naam "Israël" duidt dus het geheel aan. 1Kor.10:18 spreekt over "Israël naar het vlees". Dat betekent het natuurlijke, etnische Israël, dat bestaat uit gelovigen en ongelovigen. Datzelfde zien we trouwens aan het begin van dat hoofdstuk, ook al staat daar niet het woord Israël of Israëlieten. Allen door de zee, allen gedoopt, enz. Maar in de meesten van hen had God geen welgevallen. Tot slot 2Kor.11:22 waar Paulus het heeft over valse apostelen, bedrieglijke arbeiders (vs.13), en van hen zegt: "Zijn zij Hebreeën, ik ook. Zijn zij Israëlieten: ik ook".

Wat geldt voor het woord "Israël", "Israëliet", "Hebreeër" geldt natuurlijk ook voor het woord "Jood". Zie bv. Joh.8:31: "Jezus zei tot de JODEN die in Hem geloofden", maar wat dat geloof waard was zien we in het vervolg van het hoofdstuk.

Joh.8:48: "De JODEN antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht dat u een Samaritaan bent en een demon hebt?" Al deze schriftplaatsen worden uiteraard door Rom.2:28,29 niet teniet gedaan. Het is duidelijk dat Paulus daar bedoelt: pas hij is een ECHTE Jood die het ook in het verborgen is. Maar dat betekent niet dat de anderen geen Joden zijn en dat zij niet deel zouden uitmaken van Gods volk, zij het dan alleen uiterlijk. Op grond van Amos.3:2 is het duidelijk dat deel uitmaken van dit uitverkoren volk niet alleen maar een zegen is, maar ook de verantwoordelijkheid alleen maar groter maakt (zie ook Lev.10:3). Israël is dus wel degelijk een etnisch volk bestaande uit alle nakomelingen van Jakob (ook al zal dat natuurlijk nooit etnisch volkomen zuiver zijn!). Een volk dat door God is uitgekozen uit alle volken en waarmee Hij bijzondere plannen had, en nog heeft in de toekomst. Nu wordt Rom.2:28,29 ook nogal eens gebruikt om te stellen dat gelovigen uit de volken ook "Joden" genoemd kunnen worden. Maar het is duidelijk dat dit hele gedeelte (vs.17-29) uitsluitend gaat over Joden en niet over gelovigen uit de volken. Die zijn in dit gedeelte helemaal niet in beeld. Het gaat om "Joden" die het alleen uiterlijk zijn, en ECHTE Joden die het ook innerlijk zijn. Overigens is het volkomen duidelijk dat de uiteindelijke zegeningen alleen voor het gelovige Israël zijn of het gelovig overblijfsel van Israël (Jes.45:25; Jes.60:21). Het is dit gedeelte wat in Rom.11:25 aangeduid wordt met "heel Israël" dat behouden zal worden. Waarschijnlijk doelt Paulus hier ook op als hij het in Gal.6:16 heeft over: Het "Israël van God", dat daar duidelijk apart genoemd van hen die naar de regel van de nieuwe schepping wandelen.

David Sorensen over de fysieke wederkomst van de Heer Jezus

David brengt in een post van 20/4 op FB helaas vandaag weer een merkwaardige mengeling van waarheid en leugen over de komst van de Heer. Aangezien ik niet kan reageren op zijn FB-pagina, doe ik het maar op mijn eigen pagina. Ik stuur hem e.e.a. wel op via een pb. Volgens David zouden de christenen die het niet met hem eens zijn, de leugen leren dat we Christus pas echt kunnen ervaren als Hij fysiek terugkomt (!?) En in deze bewering meent hij een grond te vinden om de fysieke wederkomst van Christus te moeten bestrijden. Maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die dat leert!! Het is een volkomen fictieve beschuldiging en het is natuurlijk ook helemaal niet waar, integendeel. Het is volkomen duidelijk uit Gods Woord dat de Heer Jezus nu al door de Heilige Geest bij ons is en in ons woont! Daarbij is het allereerst goed om te zien dat er een bijzondere relatie is tussen de Heer Jezus en de Heilige Geest. Deze laatste wordt "de Geest van Jezus" (Hand.16:8), "de Geest van Jezus Christus" (Fil.1:19), "de Geest van Christus" (Rom.8:9), "de Geest van Gods Zoon" (Gal.4:6) genoemd. In 2Kor.3:18 heeft Paulus het over veranderd worden naar het beeld van de Heer Jezus als door de Heer, de Geest. Hoewel de Zoon en de Heilige Geest natuurlijk onderscheiden moeten worden (let wel: onderscheiden, niet gescheiden) zien we dat er een bijzondere band is tussen die beide. In Joh.14:18 zegt de Heer Jezus: "Ik zal u geen wezen laten, Ik kom tot u". En als we het verband goed lezen, dan lijkt het duidelijk dat Hij daar bedoelt: Ik kom tot u in de Persoon van de Heilige Geest. En zo is het ook in Mat.28:20; Mat.18:20 enz.

Johannes zegt dat ieder die gelooft het eeuwige leven heeft (Joh.3:16), en hij noemt de Heer Jezus zelf de "waarachtige God en het eeuwige leven" (1Joh.5:20). Dus Christus woont in ons als het "eeuwige leven". Daardoor is er nu al een intieme relatie met de Vader en de Zoon mogelijk (Joh.17:3). Als Paulus in Ef.3:17 zegt dat Christus door het geloof in onze harten woont, dan is dat dus door de Heilige Geest, want persoonlijk is Hij in de hemel met een verheerlijkt opstandingslichaam. En datzelfde verheerlijkte opstandingslichaam zal Hij bij zijn wederkomst aan de gelovigen geven, zoals Fil.3:20,21 ons zo duidelijk zegt: "Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid…"

Natuurlijk zal het nog veel heerlijker zijn om de Heer Jezus persoonlijk en lichamelijk te ontmoeten en de wonden te zien in zijn handen en voeten, maar dat betekent helemaal niet dat we dan pas een intieme relatie met Hem kunnen hebben. Die is nu al mogelijk, uiteraard naar de mate waarin we de Heilige Geest ook de ruimte laten om ons te reinigen enerzijds en te vullen met de Heer Jezus anderzijds (2Kor.3:18).

Verder doet David S. het voorkomen alsof we, bij een verwachting van een fysieke verschijning van de Heer, zouden terugkeren tot een toestand zoals die was toen Hij hier op aarde wandelde voor zijn kruiswerk, toen de Heilige Geest nog niet op aarde woonde (Joh.7:39). Ook dat is absoluut niet wat de Bijbel leert. De wederkomst van de Heer zal juist gepaard gaan met een bijzondere uitstorting van de Heilige Geest met name over het Joodse volk (Zach.12:10; Ez.37:14; 36:24-28; Jes.44:3 enz.). Het zal dus alleen maar heerlijker worden als de Heer Jezus zal zitten op de troon van zijn vader David (Luk.1:32; Jes.9:5,6; Op.3:21) en in vrede en gerechtigheid zal heersen over deze aarde.

Pre-tribulation Rapture?

Er wordt vandaag nogal vaak naar de "Pre-tribulation Rapture” verwezen als een gevaarlijke leer uit duistere bron. Zo kreeg ik gisteren een commentaar in handen van Alden Brooks met de titel: "The Pre-tribulation Rapture: deception or truth?” en het verzoek mijn mening daarover te geven. Ik doe daartoe hieronder een poging en deel dat gelijk ook maar met jullie. Voor het geval iemand er wat aan heeft. Nu is het wellicht niet voor iedereen direct duidelijk wat met de vakterm "Pre-tribulation Rapture" bedoeld wordt. Het is de opvatting dat de gemeente wordt opgenomen vóór "DE Grote Verdrukking", d.i. een periode van 3,5 jaar (de laatste halve jaarweek van Daniel (Dan.9:27), die op haar beurt weer plaatsvindt vlak voor de verschijning van de Heer Jezus in heerlijkheid op de Olijfberg om zijn koninkrijk hier op aarde op te richten. Voor de volledigheid: sommigen, zoals W. Verwoerd in "Weg uit Babylon” zien de 70e jaarweek van Daniel als vervuld in de 1e eeuw, een opvatting die ik niet deel.

M.i. is "De grote verdrukking" dus de verschrikkelijke periode waarin de Antichrist, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, zich in zijn ware gedaante openbaart en zelfs in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is (2Thes.2:4). Dit is een tijd die voor getrouwe gelovigen uitermate moeilijk zal zijn. De Heer spreekt van een verdrukking zoals die er niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe en ook geenszins meer zal komen (Mat.24:21). Nu wil het dat wij zijn opgegroeid in een beweging die vanaf haar ontstaan in deze opname geloofde en deze verwachting ook in geschriften naar buiten droeg net zoals zoveel andere waarheden die men weer (her)ontdekt had in Gods Woord. Het is dus beslist geen onbekend terrein voor ons. De gedachte van een "opname van de gemeente voor de grote verdrukking” is vooral bekend geworden door J.N. Darby in de jaren 1830 (Ierland), hoewel er ook al eerder sprake van was zoals Alden Brooks terecht opmerkt. J.N. Darby was nauw betrokken bij een opwekkingsbeweging die zich vanaf 1825 razendsnel uitbreidde vanuit Ierland en Engeland over Europa, Amerika en de rest van de wereld. Overal kwamen gelovigen eenvoudig bij elkaar om God te aanbidden, avondmaal te vieren, te bidden, naar de prediking van het Woord te luisteren en het Woord te bestuderen. En dat zonder nieuwe kerkgenootschappen te stichten, zonder aangestelde voorgangers, zonder liturgieën, kerkorden, ledenlijsten enz. Men wilde eenvoudig "rondom de Heer Jezus" samenkomen (Mat.18:20) en vierde wekelijks het avondmaal. Ook het profetisch Woord kreeg daarbij bijzondere aandacht. Darby ontdekte de bijzondere plaats van de Gemeente in Gods gedachten en vandaar uit ook de bijzondere plaats van Israël in Gods wegen met de aarde.

Met een moeilijk woord noemen we dit het dispensationalisme (de bedelingenleer). Darby zag een duidelijk verschil tussen de Gemeente (hemels volk) en Israël (Gods aarde volk). Na de opname van de Gemeente zou God zijn plannen met het volk Israël weer opnemen en de nog onvervulde profetieën zouden vervuld worden. Men zag vanuit het profetisch Woord dat Israël weer zou terugkeren naar zijn land (en dat in de tijd van het Ottomaanse Rijk, waarin dit onmogelijk leek!). Men zag ook dat zich daar een gelovig overblijfsel zou vormen dat de Messias zou verwachten, en dat de Heer zou terugkomen op de Olijfberg om op de troon van David te zitten in Jeruzalem.

Terugkijkend (en dat is natuurlijk altijd makkelijk) kunnen we zeggen dat men toen teveel de verschillen zag tussen Israël en de Gemeente en te weinig oog had voor de overeenkomsten. Zelf zou ik me nu een zeer gematigd dispensationalist willen noemen. Feit is in ieder geval dat Israël al bijna 70 jaar weer terug is in het land en dat de Gemeente hier ook nog steeds op aarde is. Feit is ook dat zich in het land Israël al sinds de jaren 1980 een gelovig overblijfsel aan het vormen is, dat snel groeit en de komst van de Messias Jeshua verwacht. Nu rijst in onze tijd bijvoorbeeld de vraag: als de Gemeente wordt opgenomen, wat gebeurt er dan met dat gelovig overbljfsel (de Messiasbelijdende Joden)? Worden zij mee opgenomen of niet? Het antwoord daarop moet m.i. zonder meer "ja" zijn, maar dat roept natuurlijk weer andere vragen op.

Dat alles maakt dat men veel kritischer is gaan kijken naar de leer van de opname voor de grote verdrukking (pretrib rapture). HET FEIT OP ZICH DAT de gemeente wordt opgenomen door de Heer, staat duidelijk vermeld in Joh.14:3, 1Kor.15:51-54 en 1Thes.4:17, maar HET TIJDSTIP WAAROP (dus voor of na de grote verdrukking) lijkt nu voor velen minder duidelijk te zijn. Ik ga daar nu niet verder op in. Nu doet Alden Brooks het voorkomen of de leer van de opname voor de grote verdrukking is ontstaan uit een verlangen om te ontkomen aan de grote verdrukking, maar dat is niet zo. Ze is uitgewerkt door J.N. Darby zoals gezegd, door zijn inzicht in Gods plannen met Israël en de Gemeente. Nu moeten we wel toegeven dat het in de praktijk helaas toch wel vaak als een soort "geruststellende ontsnapping" is gaan werken. Ik las van christenen in China die van de opname hadden gehoord en zich zeer bedrogen voelden toen de verschrikkelijkste vervolgingen losbarstten. Uiteraard leek dit voor hen toen de grote verdrukking. En hoeveel grote verdrukkingen voor christenen zijn er vandaag de dag niet gaande? Men vergeet dan dat "DE GROTE VERDRUKKING" een zeer specifieke aanduiding is voor een bijzondere en korte periode vlak voor de verschijning van de Heer. We hebben dus geen enkele garantie dat we in ons "christelijke" Westen geen verdrukkingen zullen moeten ondergaan die vergelijkbaar zijn met wat de kerk door de eeuwen heen heeft moeten ondergaan en nog ondergaat. Die valse gerustheid heeft dus niet (zozeer) te maken met de pretrib rapture leer zelf, maar met een verkeerd begrijpen en toepassen van die leer.

Als Alden Brooks nu verder de pretrib opnameleer gaat omschrijven noemt hij, behalve 1Thes.4:17, teksten die juist helemaal niet gebruikt worden door aanhangers van de opnameleer, althans voor zover ik altijd gehoord heb! Hier doet zich een verschijnsel voor dat ik de laatste tijd veel vaker tegenkom en dat je als volgt kunt omschrijven: "Men maakt een karikatuur van de opvatting die men wil bestrijden en schiet vervolgens die karikatuur neer." M.a.w. men dicht aan zijn opponent woorden, redeneringen enz. toe, waarin die opponent zichzelf absoluut niet herkent en op grond daarvan veroordeelt men hem. Nu wil ik gerust aannemen dat dit niet opzettelijk gebeurt maar toch… het is laakbaar.

Wat de argumenten voor de pretrib opnameleer betreft is er nog een hele reeks argumenten te noemen, waarvan Alden Brooks er helaas geen enkele noemt. W.J. Ouweneel noemde ze destijds allemaal op in zijn enorm lange inleiding op zijn commentaar op Openbaringen in 1988. Ik was daar toen zo van onder de indruk dat ik dat hele gedeelte van die inleiding in het Frans heb vertaald (wij woonden toen net in Frankrijk). Eén van die argumenten is bijv. "hij die (de antichrist) tegenhoudt" en "dat wat (hem) tegenhoudt" in 2Thes.2:6,7 valt prachtig te verklaren door te denken aan de gemeente en de Heilige Geest die woont in de gemeente (Joh.14:15). Het voert nu te ver om ook alle andere te noemen. Verder berust veel van de argumentatie van Brooks op een misverstand want zowel (veel) pretrib verdedigers als hun "tegenstanders" geloven dat het bijv. in Mat.24:37-41 en soortgelijke plaatsen gaat om het wegrukken van de goddelozen en niet van de gelovigen. Dit is dus gewoon "een open deur intrappen".

Ik zeg dus niet dat de pretrib opvatting persé Bijbels is, er bestaat nl. geen enkele Bijbeltekst die letterlijk zegt: "de gemeente wordt voor de grote verdrukking opgenomen". De opvatting is dus (zoals zoveel andere opvattingen) gebaseerd op theologische redenering, waarvan de waarde nooit gelijkgesteld mag worden met de Schrift zelf. Wel geloof ik dat het nergens op slaat om de pretrib opvatting zo’n beetje tot de bron van alle kwaad te maken, zoals bijv. ook Wim Verwoerd doet in bijlage 1 van zijn boek "Weg uit Babylon", en zoals dat nu weer door preteristen gebeurt. Hierbij wordt ook vaak de Margareth Mc Donald mythe aangehaald waarover ik een aparte bijdrage heb geschreven in het kader van de preterisme leer. Mijn opvatting is dat het hier om een zeer ongezonde strijd gaat die we niet op die manier zouden moeten voeren m.n. dus door de pretrib opvatting als dwaalleer te verketteren. De fundamenten van ons geloof zijn hierbij, anders dan bij het preterisme, absoluut niet in het geding. Laten we daarom in alle nederigheid naar elkaar en naar Gods Woord luisteren.

Komt de Heer Jezus "fysiek" terug?

Vooraleer we die vraag kunnen beantwoorden, zullen we uiteraard de vraag moeten beantwoorden of Hij “fysiek” naar de hemel is gevaren. Want als Hij niet fysiek naar de hemel is gegaan, kan Hij uiteraard ook niet fysiek terugkomen. Wat zegt Gods Woord hierover? Allereerst weten we dat de Heer fysiek is opgestaan (het graf was leeg!), maar NIET met een sterfelijk lichaam, zoals Hij dat had tijdens zijn wandel hier op aarde, maar met een onsterfelijk opstandingslichaam. 1 Korinthiërs 15 schrijft daar uitvoerig over. Het is goed dit hoofdstuk eens aandachtig te lezen. En juist Lukas, de geliefde arts (Kol.4:14), is daar uiteraard in geïnteresseerd (Luk.24:36-43). Maar zie ook Mat.28:9 en Joh.20:17,27 waar sprake is van zijn voeten, zijn handen en zijn zijde. In Hand.1:11 bij de hemelvaart van de Heer Jezus zeggen de twee engelen: “Deze Jezus, die van u is opgenomen naar de hemel, zal ZO komen, OP DEZELFDE WIJZE als u Hem naar de hemel hebt zien gaan” (de hoofdletters zijn van mij om er de aandacht op te vestigen). Dus ZO (Gr.: houtos) en OP DEZELFDE WIJZE (Gr.: hon tropon). En HOE en OP WELKE WIJZE is Hij dan naar de hemel gegaan? Luk.24:50,51 vertelt het ons: “Hij hief zijn handen op en zegende hen. En het gebeurde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel.” Hij ging dus naar de hemel met zijn handen uitgespreid, zodat de tekenen van de spijkers in zijn handen zichtbaar waren! Hieronder zullen we zien hoe belangrijk dit is als het Joodse volk zijn messias zal herkennen aan die tekenen.

Trouwens, eigenlijk is het vanzelfsprekend dat de hemelvaart “lichamelijk, fysiek” was, want de Heer Jezus, de eeuwige Zoon van God, het Woord, is “echt” Mens GEWORDEN (Gr.: Ho logos sarks egeneto) Joh.1:14. Dat gaat veel verder dan (tijdelijk) een menselijke gedaante aangenomen. Hij werd werkelijk Mens en bleef dat dus ook. Terwijl Hij uiteraard tegelijkertijd ook God bleef. God kan niet ophouden God te zijn, maar een mens kan ook niet ophouden een mens te zijn. Maar natuurlijk, niet zomaar een mens, een heel bijzonder Mens. In Kol.2:9 zegt Paulus van Hem: “In Hem WOONT de hele volheid van de Godheid LICHAMELIJK.” Let allereerst op de TEGENWOORDIGE TIJD “woont” (Gr.: katoikei) en bedenk dat Paulus dit schrijft vele jaren NA zijn hemelvaart. Maar let vooral ook op dat woord “lichamelijk” (Gr.: somatikos van Gr.: soma: lichaam). Er is dus een Mens in de hemel! En uiteraard zal die Mens ook eenmaal als mens terugkomen. Zo zei Jezus al tegen Kajafas in Mat.26:64: “U zult de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel.” Daarbij verwees Hij naar het bij de Joden bekende Dan.7:13,14, wetende dat zij de term “zoon des mensen” gebruikten voor de messias. Trouwens ook op een heleboel andere plaatsen in Matteüs gaat het bij de komst telkens om de Zoon des mensen.

Natuurlijk is de Heer ook in de persoon van de Heilige Geest tot ons gekomen. Ik denk dat Hij daarop doelt in Joh.14:18 als Hij zegt: “Ik kom tot u” en misschien is Hij ook wel in zekere zin ten oordeel verschenen in 70 n.C., maar dat alles neemt niet weg dat Hij ook nog eens letterlijk en lichamelijk zal terugkomen, waarbij bijvoorbeeld zijn voeten zullen staan op de Olijfberg (Zach.14:4), waarbij het Joodse volk Hem zal aanschouwen die zij doorstoken hebben (Zach.12:10; Op.1:7) en dan als geheel tot inkeer zal komen, omdat de Geest der genade en der gebeden op hen is uitgegoten! Zoals ik hierboven al zei, ze zullen Hem herkennen aan de tekenen in zijn handen! Bedenk dat dit zeker niet is gebeurd in 70 n.C.! Dat zal een heerlijk moment zijn, als er een bron ter ontzondiging zal zijn ontsloten voor het huis van David (Zach.13:1,2). Beste vrienden, we gaan een bijzondere tijd tegemoet en we zien hoe alles in de wereld daarvoor klaargemaakt wordt, met name in het Midden-Oosten. Maar laten we er vooral naar uitzien dat we Hem, onze Heiland en Verlosser, zullen zien van “aangezicht tot aangezicht” (1Kor.13:12).

NB. Ik raad jullie sterk aan om de Schriftplaatsen zelf aandachtig (en biddend) te lezen. Het gaat er mij nl. niet om een bepaalde visie of uitleg te verdedigen maar het gaat er mij vooral om te laten zien wat God zelf zegt in zijn Woord, de Bijbel.

Betekent Gal.3:16 dat de zegen van Abraham voor de volken (Gen.12:3) uitsluitend ligt in Jezus en niet in Israel?

Het mag duidelijk zijn dat Gal.3:16 inderdaad die indruk geeft. Maar zoals altijd moeten we ook dit vers lezen in de context van de hele Schrift. Nu is het taalkundig zonder meer duidelijk dat het woord "zaad", hoewel een enkelvoudig woord, net als het woord "nageslacht", wel degelijk een meervoudige betekenis heeft, en het lijkt onmogelijk dat Paulus hier dat simpele taalkundige gegeven ongedaan heeft willen maken. Dezelfde belofte gedaan aan Abraham wordt trouwens herhaald aan Jakob in Gen.28:13,14: "Ik ben de HERE, de God van uw vader…; het land waarop gij ligt, zal ik AAN U EN AAN UW NAGESLACHT geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het Westen …, en MET U EN MET UW NAGESLACHT ZULLEN ALLE GESLACHTEN DES AARDBODEMS GEZEGEND WORDEN."

Hoe kan dit anders uitgelegd worden en door Jakob begrepen zijn, dan dat heel zijn natuurlijk nageslacht het land zou bezitten en tot een zegen zou zijn voor alle volken? Maar waarom legt Paulus dan in Gal.3:16 zo de, voor ons gevoel onlogische, nadruk op het enkelvoud van het woord "zaad"? Wel, uiteindelijk en ten diepste is alle zegen van Abraham enkel IN en DOOR de Messias, zoals ook Gal.3:14 zegt: "…opdat de zegen van Abraham IN Christus Jezus tot de volken zou komen." Dat is het wat Paulus hier duidelijk wil maken aan de Galaten die door Judaïsten dreigden zich van Christus te laten aftrekken. Zie bijv. Gal.3:1-3. Er is in de Schrift een diepe link tussen Israël en de Messias van Israël. Er is geen zegen voor Israël, en door Israël voor de volken, dan door de Messias. Maar dat betekent geenszins dat het ook niet Gods bedoeling was dat Israël tot zegen zou zijn voor de volken. "Het heil is uit de Joden," zegt de Heer zelf in Joh.4:22. Let wel: "de Joden" meervoud! Het is dus volkomen normaal dat (messiasbelijdende) Joden en wij aan beide gedachten vasthouden. 

Betekent Hebr.11:10 dat Abraham geen hoop had op een aards Jeruzalem in het Vrederijk?

Betekenen Heb.11:10,16, 12:22, 13:14 (zie ook Joh.8:56) dat Abraham en de aartsvaders, maar ook de messiasbelijdende lezers van Hebreeën geen hoop hadden op een aards vrederijk met een aards Jeruzalem als hoofdstad, waar de Messias zou heersen op de troon van David ? En dat de belofte daarvan in het OT dus vergeestelijkt moet worden. Zoals altijd is het ook hier belangrijk om teksten te lezen in het kader van het algehele onderwijs van de Schrift zoals 2Petr.1:20 ons daartoe oproept. Wat de verwachting van een aards vrederijk betreft zijn de beloften aan de OT-ische profeten duidelijk genoeg. Zo zegt het bekende Jes.9:5v ons: "Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem: Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid."

Nu is het duidelijk waar de troon van David staat: in het aardse Jeruzalem, daar waar David geregeerd heeft en waar de grote Zoon van David ook eenmaal zal regeren bij zijn (weder)komst, precies zoals Gabriel het aan Maria voorspeld had (Luk.1:32). Het is gewoon ondenkbaar dat Maria aan iets anders gedacht zou kunnen hebben dan aan een troon in Jeruzalem. Dit alles is in perfecte harmonie met de woorden van de Heer zelf in Op.3:21 waar Hij een duidelijk onderscheid maakt tussen de troon van de Vader in de hemel, waarop Hij nu zit, en zijn eigen troon (nl. die van David) waarop Hij straks zal zitten bij zijn verschijning. En neem bijv. verder in Jesaja de bekende vierde profetie over de lijdende Knecht des HEREN (Jes.52:13 – 53:12). Iedereen is het erover eens dat het daar letterlijk gaat over zijn lijden, zijn doorboord zijn, zijn plaatsvervangend dragen van de straf, zijn graf bij "de rijke", zijn uitboeten van de zonde, enz. Maar waarom dan ook niet de daaropvolgende hoofdstukken even letterlijk genomen? Bijvoorbeeld Jes.62:2 dat spreekt over het heil van Jeruzalem dat zal opgaan als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel, en over Jeruzalem dat gesteld wordt tot een lof op aarde (Jes.62:7). Hoe zouden de oorspronkelijke lezers dit anders begrepen kunnen hebben dan dat het hier gaat over hun letterlijke aardse stad Jeruzalem? En het is duidelijk dat de terugkeer uit de ballingschap in Babel onmogelijk de volle vervulling kan zijn van wat hier in de latere hoofdstukken van Jesaja beschreven staat.

Maar hoe dan bovengenoemde teksten uit Hebr. te begrijpen? Het lijkt mij niet zo erg moeilijk. De gelovigen genoemd in Heb.11 zijn allemaal in geloof gestorven en hebben de belofte van het aardse land onder de heerschappij van de Messias niet ontvangen (zie vs.13,39). Zouden ze de zegening daarvan nu dus toch mislopen? Welnee, zoals iedere gelovige Jood zagen zij uit naar de opstanding (zie bijv. Hand.24:15). En in de opstanding zouden ze een verheerlijkt opstandingslichaam ontvangen, zoals Fil.3:20,21 dat beschrijft. Ze zullen het 1000-jarig vrederijk (Op.20:1-6) dus samen met de Messias van de hemelse kant meemaken. De stad die fundamenten heeft, waarvan God de ontwerper en de bouwmeester is, is de hemelse hoofdstad van dat messiaanse rijk, dat toekomstige aardrijk (2:5) in de toekomstige eeuw (6:5), dat is de eeuw van de Messias (olam haba). Zoals er een aards Jeruzalem is in het vrederijk, zo zal er ook een hemels Jeruzalem zijn. De aartvaders hadden uitgekeken naar het land der belofte 'Kanaän".

De eerste lezers van Hebreeën rekenden op een ander land der belofte dat zij onder de gezegende regering van de Zoon der belofte, het ware zaad van Abraham, de Zoon des mensen, zouden ontvangen. Zie Heb.2:6-9! Als Israël in het vrederijk het "land" zal beërven, zullen de aartsvaders de belofte niet missen, integendeel, ze zullen de hemelse zijde van de belofte beërven. Wat trouwens tegelijk inhoudt dat ze vanuit de hemel zullen meeregeren over de aarde. Hun deel is, net als dat van ons, het hemelse Jeruzalem, het Jeruzalem dat boven is (Gal.4:25). Het aardse en het hemelse zullen m.i. trouwens nauw met elkaar verbonden zijn. Wellicht kunnen we ons de verbinding tussen beide voorstellen als een soort Jakobsladder (vgl. Gen.28:12; zie ook Joh.1:52), een gemeenschap van hemelse en aardse heiligen. Zie bijv. ook Mat.8:11. Dat messiaanse rijk is de dag des Heren waarnaar de aartsvader hebben uitgezien. "Uw vader Abraham verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien en hij heeft die gezien en zich verblijdt" (Joh.8:56). Wij mogen ons met hem daarover verblijden.

Israel en de Gemeente - overeenkomsten en verschillen

Is de Gemeente de heilshistorische voortzetting van het etnische Israël? Hoort de Gemeente dus gewoon bij (het etnische) Israël? Of moeten we Israël en de Gemeente toch van elkaar onderscheiden? Of zelfs helemaal scheiden (dispensationalisme of bedelingenleer)? Hieronder een kleine poging tot het begin van een antwoord. Ik zou mijn eigen opvatting willen omschrijven als zeer gematigd dispensationalistisch. Waarom zeer gematigd? Omdat ik naast belangrijke verschillen ook grote overeenkomsten zie tussen OT- en NT-gelovigen, een verschil dat in het klassieke dispensationalisme (grotendeels) over het hoofd is gezien (zo leren we ook van elkaar!). Ik noem er een aantal (de Bijbelteksten die daarbij horen laat ik veelal maar even achterwege. Die kunnen desgewenst altijd nog genoemd worden). Grote en belangrijke OVEREENKOMSTEN zijn m.i.:

- Beide zijn zaad van Abraham.

- Beide leven onder de wet: resp. de wet van Mozes en de wet van Christus (Gal.6:2; 1Kor.9:21; Joh.14:15,21 enz..) maar tegelijk ook uit goddelijke genade.

- Beide zijn niet gerechtvaardigd uit werken, maar uit geloof, maar dan wel een geloof dat blijkt uit werken (Jak.2:22; Gal.5:6) (ik kan me voorstellen dat dit punt en het voorgaande ook weer extra vragen oproept bij velen).

- Beide zijn zowel dienstknechten als zonen.

- Beide zijn een heilige natie, volk van God.

- Beide zijn een koninklijk priesterdom.

- Beide zijn wedergeboren uit dezelfde Heilige Geest (Ez.36:25-27; Joh.3:10).

- Beide zijn, vooruitziend (Rom.3:25) of terugkijkend, vergeven door het hetzelfde bloed van Christus.

Toch zijn m.i. Israël en de Kerk twee "verschillende" plannen, "projecten" van God en wel omdat er niet alleen bovengenoemde overeenkomsten maar ook fundamentele VERSCHILLEN zijn, zoals:

- Israël is een natuurlijk volk waarvan men lid wordt door natuurlijke (fysieke) geboorte. De Gemeente (Kerk) is een geestelijk volk, waarvan men lid wordt door wedergeboorte.

- Voor Israël ligt de hoogste zegen in het messiaanse rijk, voor de Gemeente in het Vaderhuis (ook daar is plaats voor nuancering, want ook de OT-gelovigen horen m.i. bij degenen die opgenomen worden bij de komst van de Heer (Joh.14:3; 1Thes.4:17).

- Israël is "als zodanig" nooit verbonden met de Heer Jezus als verheerlijkte Mens in de hemel, zoals de Gemeente als het lichaam van Christus dat uitdrukkelijk wel is. Hij wordt gezien wordt als Hoofd van zijn lichaam (de Gemeente) Ef.1:22,23, een verbinding die zo nauw is dat Paulus kan zeggen dat wij "IN Christus" daar ook gezeten zijn (Ef.2:6).

- God woonde "in het midden" van de Israëlieten (tabernakel, tempel), maar nooit wordt gezegd dat Israël ZELF de "tempel van God" was. Dat wordt van de Gemeente als geheel en van de NT-gelovigen individueel wel uitdrukkelijk gezegd. Beide worden nu zelf de tempel van God genoemd (Ef.2:21). Degenen die in haar/hen woont is God, de Heilige Geest.

- Trouwens, het wonen van God de Heilige Geest op aarde om de gelovigen uit Israël en uit de volken tot één lichaam te dopen (1Kor.12:13) was pas mogelijk toen de Heer Jezus zelf verheerlijkt was (Joh.7:39). Dat gebeurde op de Pinksterdag. Vandaar ook dat de Heer Jezus het bouwen van ZIJN Gemeente als iets toekomstigs aanduidt in (Mat.16:18). Daarvoor moest Hij eerst sterven, opstaan en naar de hemel gaan.

Kortom, we moeten niet scheiden (wat in het klassieke dispensationalisme wel gebeurde) maar "onderscheiden". Dat maakt het er natuurlijk allemaal niet makkelijker op, maar ik denk dat we zo de Schrift in zijn geheel wel meer recht doen. Het NT maakt in 1Kor.10:32 een duidelijk onderscheid tussen Joden, Grieken (dus niet Joden) en de gemeente van God. En ook in Gal.6:16 wordt het "Israël van God", m.i. het Jezus belijdende deel van Israël, onderscheiden genoemd. M.i. is het, op zijn minst gezegd, ook onnauwkeurig om te zeggen dat de olijfboom in Rom.11 Israël voorstelt. Ik denk dat het alle aartsvaderlijke beloftes en zegeningen voorstelt die oorspronkelijk bij het nageslacht van Abraham horen (de natuurlijke takken) en waar wij als niet-Joden ook deel aan krijgen (gezien wij ook zaad van Abraham zijn in geestelijk opzicht). Er zijn dus onmiskenbare "parallellen" tussen Israël en de Gemeente, en er zijn ook zegeningen die Israël en de Gemeente "gemeenschappelijk" hebben, maar dat betekent allerminst dat beiden identiek zijn. Eigenlijk houdt de term "parallellen" in zichzelf al in dat ze verschillend zijn, zoals treinrails dat ook zijn. Je kunt parallellen noemen tussen Nederlanders en Engelsen en ze hebben ook dingen gemeenschappelijk, maar ze zijn absoluut niet identiek. Dit alles maakt, naast andere dingen, dat ik me ten nauwste met Israël verbonden voel, ook al maak ik geen deel uit van dat volk.

Het klassieke dispensationalisme zag terecht uit de Schrift dat God nog een plan had met het etnische Israël. Roger Liebi schrijft in zijn boek dat sinds 1948 meer dan 175 Bijbelse beloftes in vervulling zijn gegaan! Het maakte evenwel een veel te grote scheiding tussen Israël en de Gemeente. Zo dacht H.C. Voorhoeve bijv. dat Israël pas zou terugkeren naar zijn land na de opname van de Gemeente terwijl Israël alweer haar 68e verjaardag vierde, en sinds 1967 ook Luk.21:24 (gedeeltelijk) in vervulling is gegaan, en we sinds die tijd ook het begin beleven van een geestelijk herstel in Israël (de Jezus-belijdende Joden die hun Joodse identiteit bewaren net als in Handelingen!). Toch is de Gemeente nog altijd op aarde. In dat laatste hebben deze gelovigen zich dus vergist (ze hebben Israël en de Gemeente te veel gescheiden) maar in het eerste bleken ze volkomen gelijk te hebben gehad, en dat terwijl iets dergelijks in hun tijd, gezien de politieke situatie (Ottomaanse rijk), onmogelijk leek! Dat laatste zou toch wel meer aandacht mogen krijgen m.i. bij hen die geen heilshistorische toekomst meer zien voor het etnische Israël (tenzij dan natuurlijk door individuele bekering). Het moge overigens duidelijk zijn dat ik zelf ook nog vragen genoeg heb hoor, en dat ik graag van anderen wil blijven leren.

Aanvulling

Allereerst: er is duidelijk geen enkel verlossingsplan buiten Jezus om. Hij kwam zelfs in de eerste plaats voor zijn volk (Mat.1:21; Joh.11:51). Genesis 3:16 is inderdaad de eerste (nog vage) verwijzing naar de Verlosser. Na Adam ging het slecht met de mensheid en kwam de zondvloed. Daarna kwam het bijzondere plan van God om één man uit te kiezen (Abraham) en uit hem een volk te vormen en aan hem/hen bijzondere beloften te doen. En het zou uit dat volk zijn dat de Messias zou voortkomen. Helaas verwierp dat volk (als geheel en de leiders in het bijzonder) hun Messias. Ook na de opstanding van Jezus kreeg het volk nog een kans zijn Messias aan te nemen waarna Jezus zou terugkomen en het vrederijk zou aanbreken (Hand.3:20,21). Ook die kans grepen ze helaas niet zodat het oordeel over Jeruzalem moest komen. Ondertussen bleek dat God een bijzonder plan had met deze verwerping, hoewel Hij die natuurlijk niet gewild heeft (Hand.2:23; 4:28). Petrus spreekt over de "bepaalde raad en voorkennis van God". Dat plan was dat God ook uit de volken een volk voor zijn naam zou vergaderen (Hand.15:14). Paulus spreekt over het geheimenis van de Gemeente, de verborgenheid van Christus, die in andere geslachten de zonen van de mensen niet is bekend gemaakt (Ef.3:5). Het plan was onbekend in het OT.

Ik begrijp dan ook niet wat voor bijbelse grond er kan zijn om te spreken van een Kerk van Adam af? Waar spreekt de Bijbel in OT of NT in deze zin over de Kerk, dus als een geheel van alle mensen die de genade van God ontvingen? Integendeel, Jezus spreekt in toekomstige zin over de Kerk, zoals ik heb aangetoond (Matt 16:18: Ik ZAL bouwen), en Paulus geeft allerlei kenmerken van de Gemeente die onmogelijk op gelovigen in het OT en op Israël van toepassing kunnen zijn. Het is toch goed om met al deze Bijbelse gegevens rekening te houden.

Als je zegt dat de kerk nu is: "mensen uit de heidenen in Israël opgenomen", dan is volgens jou de kerk dus nu Israël. Maar waar vinden we zoiets in de Bijbel? Benamingen hebben toch een betekenis. Als ik 1 % wijn neem en voeg daar 99% water bij, kan ik dat dan nog "wijn" noemen? Ik denk dat ik dan de grootste problemen krijg met de "Autoriteit van waren".

Tot slot: wat Israël betreft: zowel het OT als het NT laten duidelijk zien dat Gods beloften onberouwelijk zijn (Rom.11:29) en dat uiteindelijk heel Israël behouden zal worden (Rom.11:25), als de volheid van de volken zal zijn ingegaan (m.i. in de boom der belofte). God gaat in de eeuwen van de (openlijke) terzijdestelling van Israël zijn verborgen weg met het volk. En dat zal enkel genade zijn en enkel in en door de Messias van Israël.

Kunnen er in de toekomst nog dierenoffers gebracht worden?

Regelmatig wordt de vraag gesteld: hoe kunnen er in de toekomst nog dierenoffers worden gebracht nu het Ene, Ware Offer, nl. dat van Jezus Christus, is gebracht? De reden voor deze vraag is het feit dat orthodoxe Joden uitkijken naar de herbouw van de tempel (en ook een deel van de messiasbelijdende Joden doet dat) en het feit dat in de toekomstige tempel van Ezechiël (Ez.40-44) ook weer van dierenoffers wordt gesproken. Allereerst is het goed te beseffen dat ook in het OT de dierlijke offers NOOIT zonden konden wegnemen (Hebr.10:4). Hun waarde lag alleen in het VOORUITZIEN naar het Ware Offer. Als we dat eenmaal goed gaan beseffen is het ook niet meer zo moeilijk om te beseffen dat er ook offers in de toekomst gebracht worden die geen enkele verzoenende waarde IN ZICHZELF hebben, maar waarvan de waarde alleen gelegen is in het feit dat ze TERUGVERWIJZEN naar het Ene, Ware Offer. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met het avondmaal, dat ook geen enkele verzoenende waarde in zichzelf heeft, maar alleen een maaltijd ter gedachtenis aan het lijden en sterven van de Heer Jezus is. Het is natuurlijk begrijpelijk dat niet-Joodse christenen niet bepaald uitkijken naar het opnieuw brengen van dierenoffers. De offerdienst is aan Israël gegeven en niet aan hen. Maar het gaat dan ook om Joden en niet om christenen uit de volken.

In dit verband is het van groot belang dat ook na de Pinksterdag de apostelen opgingen naar de tempel op het uur van het gebed, het negende (dat is 3 uur ’s middags), Hand.3:1. Allereerst is het belangrijk te zien dat zij als Joden gewoon verder gingen met het bezoeken van de tempel (Hand.2:46), zoals we ook verder in Handelingen lezen dat Paulus overal de synagoges en de tempel bezocht. Maar vervolgens is het opmerkelijk dat juist het derde uur wordt genoemd. Dat is nl. het uur van het dagelijks avondbrandoffer (Ex.29:38-46), waaraan zij dus kennelijk ook deelnamen. Door het offer van Jezus waren zij niet opgehouden Joden te zijn, integendeel, door hun geloof in de Messias van Israël en zijn offer waren ze juist "ware" Joden (Godlovers) geworden! En dus was het voor hen volkomen normaal dat ze verder gingen met dat wat zij als Joden altijd al gedaan hadden. Zo kon Paulus zelfs aan het einde van het boek Handelingen zeggen dat hij (als Jood) nooit iets gedaan had tegen de voorvaderlijke gebruiken! (Hand.28:17). En wie Paulus enigszins kent weet dat hij niet iemand is die mensen wilde behagen (zie Gal.1:10!). En wat dierenoffers betreft lezen we zelfs dat hij meewerkte aan de offers die nodig waren voor de reiniging van vier mannen die een gelofte hadden gedaan (Hand.21:26). Uit dit alles zien we dat het helemaal niet vreemd is dat ook na het "eens en voor altijd" gebrachte Ware Offer van Jezus, toch nog dierlijke offers worden gebracht. Maar zoals gezegd, hebben die, evenmin als de offers uit het OT, verzoenende waarde in zichzelf. Ze verwijzen terug naar het Ware Offer, Jezus Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd (Heb.9:14).

Aanvulling:

Er zullen zeker rituele wetten voor de offers zijn. Die offers zullen gebracht worden door de priesters (zie bijv. Ez.46:2). Het offeren was trouwens altijd al het werk van de priesters en niet van de hogepriester. Daarenboven moeten we bedenken dat de Heer Jezus een opstandingslichaam heeft (zie zijn "verschijningen" de 40 dagen na zijn opstanding) en dus niet als gewoon mens op aarde zijn vaste woonplaats heeft, evenmin als de opgewekte gelovigen. De vorst die dan ook genoemd wordt in Ezechiël 45 en 46 is dan ook niet de Heer Jezus maar een representant, die zelf zonen heeft en ook een zondoffer voor zichzelf moet brengen (Ez.45:22).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX