Onbeantwoorde Gebeden

Gebeden uit Gadera

 

 De Bezetene van Gadera

 Lukas 8:26-40

 

Inleiding

Ik weet niet hoe en waar u uw stille tijd houdt, maar de meeste gelovigen zullen dat niet doen op een begraafplaats, zoals deze bezetene, maar eerder in een slaap- of woonkamer. Bidden kun je op veel plaatsen, achter het stuur van je auto, tijdens je werk of gewoon thuis voor het slapen gaan of ’s-morgens bij het ontwaken. Dat er op de meest onwaarschijnlijke plaatsen wordt gebeden, is niet nieuw maar van alle tijden. Nehemia bad in het paleis van koning Artachsasta (Neh.2:4), Jona bad in de buik van het zeemonster (Jona 2:1), Daniël bad in een leeuwenkuil (Dan.6:19) en we lezen in de Bijbel dat Paulus in de gevangenis bad (Hand.16:25) en zelfs aan boord van een schip toen hij op weg naar Rome was (Hand.27:35). Maar hier hebben we iemand, een bezetene – die tussen de graven woonde - waarvan de inwonende demonen hun wens aan Jezus bekendmaakten. Een vreemde plaats nietwaar? Maar waar u ook bent en welk gebed u ook opzendt, God is aanwezig en hoort! ‘Here, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, Here, Gij kent het volkomen… Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht? Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er’ (Ps.139:1-4, 7,8).

In dit gedeelte uit de Bijbel zien we dat er drie ‘gebeden’ zijn vermeld. Het eerste is de smeekbede van de demonen ‘dat Hij hun niet zou gebieden in de afgrond te gaan’ (vs.31). Het tweede verzoek aan Jezus is om weg te gaan. ‘En de hele volksmassa van de streek vroeg Hem van hen weg te gaan’ (vs.37). Het derde gebed was van de bezetene die genezen was en die ‘bad bij Hem te mogen zijn’ (vs.38). Het eigenaardige is dat de eerste twee gebeden ingewilligd werden en het derde niet. Dat laatste mag ons verbazen en roept misschien vragen bij ons op, maar laten we eerst nagaan waarom de Heer Jezus zo handelde.

De vraag van de demonen

‘En zij smeekten Hem dat Hij hun niet zou gebieden in de afgrond te gaan.’

Tijdens de oversteek van Galilea naar de streek van de Gerasenen, het huidige Gerasj, zo’n 35 km ten noorden van Amman in Jordanië, raakten de discipelen in een grote storm, maar de Heer Jezus bestrafte de wind en er ontstond een grote stilte. Wat een contrast toen ze dan vanuit die grote stilte aan de overkant van het meer aankwamen en daar iemand ontmoetten die in grote onrust verkeerde. Het was een man die door demonen bezeten was, naakt rondliep en in de graven verbleef. De demon die bezit van hem genomen had was zich onmiddellijk bewust van Wie daar aankwam en schreeuwde: ‘Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de allerhoogste? Ik bid U, pijnig mij niet.’ Voor hem bestond er geen twijfel over Wie de Heer Jezus was, hij erkende in Hem de Zoon van God de Allerhoogste. Veel mensen vinden Jezus nog wel een interessante persoonlijkheid, maar daar blijft het vaak bij; de demonen echter werden bevangen door een geweldige angst. Jakobus zegt: ‘U gelooft, dat God één is? Daar doet u goed aan; de demonen geloven dat ook en zij sidderen’ (Jak.2:16). Tegen rondtrekkende Joodse bezweerders die de naam van de Heer Jezus uitspraken over hen die boze geesten hadden, zei de boze geest: ‘Jezus ken ik wel en van Paulus weet ik, maar wie bent u?’ (Hand.19:13,15). Demonen erkenden de Heer Jezus als de Zoon van God en als de Heilige van God (Mat.8:29; Mark.1:24). Er is wel gesuggereerd dat aan de demonen een beperkte mate van kennis geopenbaard is omtrent de Persoon van de Heer Jezus en ook betreffende hun lot. Het laatste bleek uit wat ze daar zelf over zeiden. ‘Bent U hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen? (Mat.8:29) en ‘Bent U gekomen om ons te verderven?’ (Mark.1:24) en ‘En zij smeekten Hem dat Hij hun niet zou gebieden in de afgrond te gaan’ (Luk.8:31). Judas, de schrijver van de gelijknamige brief en de broer van de Heer Jezus, zegt daarover: ‘Engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard’ (Jd:6).

Terugkomend op ons onderwerp, zien we dat demonen niet aan de godheid van de Heer Jezus twijfelden, noch aan de realiteit van de hel. Ze geloofden ook in de mogelijkheid van ‘gebed’ want ze smeekten de Heer Jezus hen niet in de afgrond te zenden, maar hun toe te staan in de varkens te gaan die daar op de berg weidden, en zo geschiedde. Hun gebed werd verhoord; ze gingen in de kudde varkens, die zich van de steilte in het meer stortte en verdronk. Verder blijkt duidelijk uit dit Bijbelgedeelte dat de duivel in staat is mensen onder zijn invloed te krijgen en dat demonen er bezit van kunnen nemen. Maar het belangrijkste wat we dienen te weten is dat de Heer Jezus macht en gezag heeft over de duivel en zijn demonen. Als we de Heer Jezus toestaan ons te ‘regeren’, zal de duivel van ons vluchten! En zo zien we de bezetene, bevrijd uit de macht van de boze, zitten aan de voeten van de Heer Jezus, gekleed en goed bij zijn verstand!

De vraag van de inwoners

‘En de hele volksmassa van de streek der Gadarenen vroeg Hem van hen weg te gaan’

De Heer Jezus willigde niet alleen het gebed van de demonen in om in de varkens te gaan, maar ook dat van de inwoners van de stad, die Hem smeekten hun gebied te verlaten. Als een lopend vuur zal het verslag van de varkenshoeders de ronde hebben gedaan in de streek: alle varkens waren dood en de bezetene genezen! Dat wilden de bewoners weleens met eigen ogen zien en veel mensen gingen op weg. Iedereen was wellicht op de hoogte van de situatie van de bezetene. Mogelijk had hij jarenlang de streek geteisterd met zijn abnormaal gedrag en was hij de schrik van de streek geworden. En nu? ‘Zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de demonen warenuitgegaan, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand’. Wat ketenen, voetboeien en banden niet konden, de bezetene in bedwang houden, kon de Heer Jezus wel. Wat een geweldige verandering van de bezetene en wat een getuigenis van de macht van de Heer Jezus! Deze man was overgegaan van de duisternis naar het licht, en van de macht van satan naar God (Hand.26:18)! Een totale verandering had plaatsgevonden, zowel van binnen als van buiten: goed bij zijn verstand en gekleed en zittend aan de voeten van de Heer.

De aandacht van de inwoners ging echter meer uit naar de varkens dan naar de man. We mogen aannemen dat het hier waarschijnlijk niet over joden ging maar over heidenen, want het is moeilijk voorstelbaar dat joden varkens hielden, omdat het onreine dieren waren (Lev.11:7; Deut.14:8). Het verlies van de varkens was uiteraard een economische tegenslag die voor hen veel belangrijker was dan de genezing van de bezetene. Misschien vreesden ze dat nog meer zulk soort genezingen door de hand van de Heer zouden plaatsvinden en dat de schade zou oplopen, daarom vroegen ze Hem de streek te verlaten. Ook in onze dagen horen we van getuigenissen van mensen die diep in de macht van de zonde leefden en op wonderlijke wijze tot bevrijding kwamen en daarvan getuigenis geven. Maar dat wil niet zeggen dat de omgeving daar altijd positief op reageert. Het lijkt wel dat ze liever hebben dat zo iemand blijft in de positie waarin hij of zij was voor de bekering. Ze kunnen niet begrijpen dat zulke mensen opeens naar de kerk gaan, de Bijbel beginnen te lezen en Jezus volgen. Van mensen die een ontmoeting met de Heer Jezus hebben gehad en de beslistheid tonen ‘om de overige tijd in het vlees, niet meer te leven naar de begeerten van de mensen, maar naar de wil van God‘ vinden de ongelovigen het ‘vreemd, dat u zich niet mee stort in dezelfde uitspattingen van liederlijkheid en zij lasteren u’ (1Petr.4:2,4).

Het verzoek van de inwoners van de streek aan de Heer Jezus om weg te gaan werd ingewilligd en zij vertrokken naar de overkant. Daar wachtte hen een heel andere menigte op, die naar Hem uitzag (Luk.8:40). Nee, de Heer Jezus zal zich nooit aan iemand opdringen, als je Hem niet wil ontmoeten zal Hij vertrekken. Hij staat aan de deur en Hij klopt om binnen gelaten te worden (Op.3:20).

De vraag van de nieuwe gelovige

‘De man nu van wie de demonen waren uitgegaan, bad Hem bij Hem te mogen zijn.’

De vraag van de demonen om in de varkens te mogen gaan werd ingewilligd, evenals het verzoek van de Gaderenen aan de Heer Jezus hun gebied te verlaten, maar het verzoek van de man om bij Jezus te mogen zijn werd niet gehonoreerd!

Nadat de man van de demonen was bevrijd, wilde hij bij de Heer Jezus blijven, begrijpelijk want bij Hem had hij bevrijding gevonden en genezing. Hij was een nieuwe schepping geworden, al het oude was voorbijgegaan (2Kor.5:17). Zijn ziel was tot rust gekomen en dat hij bij Hem wilde zijn was begrijpelijk (Luk.8:38). Het was een oprecht verlangen en gebed van deze man en het mag ons dan ook verwonderen dat de Heer Jezus dit niet toestond en hem naar huis terugstuurde. Welke lessen mogen we hieruit trekken? We kunnen twee redenen bedenken:

Ten eerste, het christelijk leven begint thuis.

De Heer Jezus werd verzocht te vertrekken, maar Hij wilde het gebied toch niet achterlaten zonder een getuigenis; de man moest blijven en zijn dienst begon thuis! Ze konden Jezus wegsturen maar niet zijn boodschap! Daar mocht hij de Heer Jezus dienen door te laten zien hoe hij veranderd was. Hij was nu geheel anders omdat hij Christus had leren kennen (Ef.4:20 NBG). Belijden een nieuwe schepping in Christus te zijn en daarnaar te leven zijn twee verschillende zaken. We behoren, wil ons getuigenis oprecht zijn, ook in nieuwheid van leven te wandelen (Rom.6:4). We horen niets van de resultaten van zijn getuigenis, maar het moet wel grote indruk hebben gemaakt. Zijn vroegere omgeving kende hem immers het beste en kon de verandering niet loochenen. Wat was hun antwoord? We weten het niet, maar Gods Woord keert nooit ledig terug, het doet alles wat Hem behaagt en volbrengt waartoe Hij het zendt (Jes.55:11). Zoals deze man moesten ook enkele jaren later de apostelen hun verkondiging beginnen in Jeruzalem (Hand.1:8).

Ten tweede, het christelijk werk begint met verkondigen.

Het leven als gelovige begint thuis en het kan gevolgd worden door de verkondiging van de grote daden van God buitenshuis (1Petr.2:9-10). ‘En hij ging weg en verkondigde door de hele stad alles wat Jezus hem had gedaan en dat God zich over hem had erbarmd’ (Mark.5:19). Een getuige van Christus te zijn is voor iedereen weggelegd (Luk.24:46-48; Hand.1:8), maar de verkondiging van de Blijde Boodschap heeft mogelijk meer te zien met kennis van Gods Woord en geestelijke gaven. In zekere zin is de Heer nu ook weggestuurd en zijn wij hier achtergelaten als zijn discipelen om het Evangelie te verkondigen. ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend ook Ik u’ (Joh.20:21). Hij is als ‘een man van hoge geboorte die reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren. Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat Ik kom’ (Luk.19:12-13).

Dit alles laat ons zien dat, hoewel de Heer Jezus het gebed van de demonen en de inwoners inwilligde, hij een bedoeling heeft gehad met het niet voldoen aan het gebed van de bezetene. Hij had een taak voor de nieuwe gelovige, die Jezus’ beslissing zonder morren aanvaardde, ook al zal hij de betekenis daarvan pas later hebben begrepen. Vaak heeft God bedoelingen met ons leven waarvan wij dat niet zo zien of ervaren. Maar ook al wordt ons gebed niet onmiddellijk verhoord of anders verhoord dan wij wensen, we mogen op de Heer vertrouwen dat Hij zijn plan met ons wil vervullen. Het gaat het er uiteindelijk maar om dat God in het leven van de bezetene verheerlijkt wordt en ook in dat van ons.

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 XXXXXXXXXXXXXXXX