Vragen Algemeen 1

Wat zegt de Bijbel

 

 

In deze rubriek vind u de volgende vragen:

 

 

19. De aanstelling van Matthias als apostel.

18. Met hoeveel personen trok Jacob naar Egypte?

17. Wat hoorden Paulus' reisgenoten?

16. Boet iedereen voor zijn eigen zonde?

15. Het huwelijk van Abraham en Ketura

14. Wie doodde Goliath?

13. Kan God berouw hebben?

12. Heeft Mozes God gezien?

11. Opstanding van ontslapen heiligen

10. Bijbel in tegenspraak

9. Waar kreeg Caïn, de broer van Abel zijn vrouw vandaan?

8. Welke Bijbelvertaling gebruiken?

7. Is zuchten, tongentaal?

6. Het getal 666

5. Wie zijn de priesters vermeld in Exodus 19?

4. Was de komst van de Messias aangekondigd?

3. Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?

2. Over het eten van bloed

1. Wanneer is Christus gestorven en opgestaan?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De aanstelling van Matthias als apostel.

 

 

 

Een vraag regelmatig aan de orde komt bij de bespreking van het boek Handelingenstaat in verband met de aanstelling van de twaalfde apostel Matthias, die Judas moest vervangen nadat hij was afgeweken en naar zijn eigen plaats was gegaan.

De kern van de vraag zouden we als volgt kunnen omschrijven: ‘Was deze keuze en aanstelling mensenwerk of was het Gods werk?’ en nog: ‘Had niet Paulus aangewezen moeten worden in plaats van Matthias?’

Om maar met het laatste te beginnen, want die is het meest gemakkelijk te beantwoorden.

1e. Paulus was toen nog niet bekeerd.

2e. Paulus voldeed niet aan de voorwaarden vermeld in Handelingen 1:21-22.

3e. Paulus is persoonlijk door de Heer Jezus geroepen en aangesteld (Hand.9:1-19; 26:16-18; 1Kor.1:1)

4e. Paulus was door God aangewezen als apostel van de heidenen (volkeren) de onbesnedenen (Gal.2:7-9), deze aanstelling was dus niet met het oog op het  volk Israël.

5e. In 1Kor.15:5 spreekt Paulus over het feit dat de Heer Jezus aan de twaalvenverschenen is, dit sluit hem zelf uit. Het moet dan wel Matthias zijn geweest want Judas heeft nooit de opgestane Heer gezien want hij was al gestorven.

De tweede vraag: ‘Was de aanstelling en de procedure tot die aanstelling mensenwerk of Gods werk?’ moeten we leren zien in licht van het koninkrijk voor Israël dat toen nog hersteld zou kunnen worden (Hand.3:17-21). Aan de apostelen was beloofd dat ze op twaalf tronen zouden zitten (Mat.19:27-28; Lk22:30).  Daarom was het (toen) nodig dat er na de dood van Judas een ander moest komen. Dit was geen verzinsel van Petrus en de andere broeders (1:15) maar op grond van duidelijke profetieën, zoals Psalm 41:10 en 69:26. Na raadpleging van het Woord God, gebed en het werpen van het lot wees God Matthias aan.

Na de dood van Jacobus, in Handelingen 12, was een plaatsvervanger niet meer nodig omdat de terzijdestelling van Israël toen definitief was.

De redenering dat er later van Matthias niets meer vernomen is niet doorslaggevend als onderbouw voor de visie dat zijn aanstelling slechts mensenwerk was, want behalve van Petrus en Paulus vinden we ook van de overigen van de oorspronkelijke twaalf apostelen niets meer terug in het NT.

Met betrekking tot het werpen van het lot moeten we niet denken aan ‘strootjes trekken’ of iets dergelijks, maar het gebruik van de Urim en Tummim zoals voorgeschreven in het oude testament (Lv8:8; 1Kron.26:13; Ezra 2:63; Neh.7:65; Ex.28:15; 1Sam.28:6). Spreuken 16:33 zegt daarvan: ‘Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing daarvan is van de Here.’ Dus geen mensenwerk! (Vgl. Jona 1:7)

1 De vermelding van ‘de twaalven’ wordt sommige uitleggers gezien als een technische term (zie ook Joh.20:24). Hoewel dit mogelijk kan zijn, is ook bovenstaande visie mogelijk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

 

 

Met hoeveel zielen trok Jakob naar Egypte?

 

 

 

Vraag:

Hoe groot was het aantal zielen dat met Jakob naar Egypte trok? In Genesis staat zeventig maar in Handelingen vijfenzeventig?

Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig’ (Gen.46:27; Deut.10:22).

‘En Jozef zond hen weg en riep zijn vader Jakob bij zich en al zijn verwanten, totaal vijfenzeventig zielen’ (Hand.7:14).

Antwoord:

Dit verschil in aantallen heeft alles te maken met welke vertaling gebruikt wordt, de Masoretische Hebreeuwse tekst of de Septuaginta de Griekse vertaling van het Oude Testament, en welke telling men aanhoudt. In elke geval betekent het niet dat de Bijbel zich tegenspreekt.

Stefanus maakt gebruik van Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, omdat het Grieks bij zijn joods publiek in gebruik was. De Septuaginta geeft in Exodus 1:5 dan ook het getal van vijfenzeventig personen aan in tegenstelling tot de Hebreeuwse tekst die zeventig personen vermeld. De Dode Zee rollen, die in het Hebreeuws zijn opgesteld, komen overeen met de Septuaginta.

De Masoretische tekst geeft in Genesis 46:26-27 het getal van zesenzestig personen aan maar rekent de vrouwen van de zonen van Jakob niet mee. Met de twee zonen van Jozef die in Egypte waren geboren kwam het totaal op zeventig.

De Septuaginta zegt dan weer dat er zesenzestig personen naar Egypte trokken. De zonen van Jozef Manasse en Efraïm kregen negen zonen, waarmee het totaal op vijfenzeventig kwam. De vijf kinderen van Efraïm en Manasse worden vermeld in 1Kron.7:14vv.

 

Beide getallen, zeventig of vijfenzeventig zijn correct het hangt ervan af of Jozefs kleinkinderen in de telling zijn begrepen of niet.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Wat hoorden Paulus’ reisgenoten?

 

 

Vraag:

Wat hebben de reisgenoten van de apostel gehoord? De ene tekst zegt dat ‘zij wel de stem hoorden’, maar een andere tekst zegt ‘maar de stem die hoorden zij niet’!

‘De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen’ (Hand.9:7).

‘Zij nu die met mij waren, zagen wel het licht, <en werden zeer bevreesd>, maar de stem van Hem die tot mij sprak, hoorden zij niet’ (Hand.22:9).

Antwoord:

In de twee verslagen die de apostel Paulus geeft van zijn bekering op de weg naar Damascus schijnen er tegenstrijdigheden te zijn. In het Grieks is er echter geen sprake van tegenstrijdigheden omdat het Grieks verschil kent tussen een geluid horen als een geluid en een stem verstaan als gesproken woorden.

Wanneer we dan de twee uitdrukkingen samenvoegen, zien we dat Paulus’ reisgenoten de stem hoorden als een geluid, maar ze konden de boodschap niet verstaan zoals Paulus dat wel kon.

Dit kan men vergelijken met wat we vinden bij Jezus’ rede over zijn dood in het Johannes evangelie: ‘Er kwam dan een stem uit de hemel: Ik heb Hem verheerlijkt én Ik zal Hem opnieuw verheerlijken. De menigte dan die daar stond en dit had gehoord, zei dat er een donderslag was geweest. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Jezus antwoordde en zei: Niet om Mij is deze stem er geweest, maar om u’ (Joh.12:28-30).

We zien een parallel met wat de reisgenoten zagen. In de ene tekst ‘zagen ze niemand’ en in de andere tekst ‘zagen ze wel het licht’.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen?’

(Genesis 18:23)

 

 

Vraag:

Is er geen onrechtvaardigheid bij God wanneer onschuldigen worden gedood om de zonde van iemand anders? Ieder zal toch om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden? Ik denk hierbij aan de dood van Korach en de anderen.

Aangehaalde Bijbelteksten:

‘Toen trokken zij weg uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram, en Datan en Abiram traden naar buiten en stonden aan de ingang van hun tenten met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen. Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden. Maar, indien de Here iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Here gesmaad hebben. Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have. Zo daalden zij, met al de hunnen, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen’ (Deut.16:27-33).

‘De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood gebracht worden; ook zullen de kinderen niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden’ (Deut.24:16).

Voorbeelden van uitzonderingen op de regel dat een ieder voor zijn eigen zonden zal geoordeeld worden:

(1) De dood van het kind dat uit David en Batseba geboren was (2Sam.12:15-23).

(2) De dood van Achan en zijn familie en bezittingen (Joz.7:25-26).

(3) Het oordeel over Korach, Datan en Abiram hun familie en de helpers (Num.16:20-35).

(4) De Gibeonieten en het huis van Saul (2Sam.21:1-14)

(5) De volkstelling door David (2Sam.241:17 en 1Kron21:1-17).

(6) De grootste uitzondering is wel de Heer Jezus Christus die om uw en mijn zonden is gestorven.

Antwoord:

De normale gang van zaken (sorry voor deze wijze van uitdrukken!) wordt verwoord in Deut.24:16: ‘Een ieder zal voor zijn eigen zonde ter dood worden gebracht’ zoals ook uit onderstaande teksten blijkt.

‘In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden. Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden’ (Jer.31:29-30; Ez.18:1-20).

‘Zodra hij het koningschap vast in handen had, doodde hij de dienaren die zijn vader, de koning, hadden gedood. Maar de kinderen van de moordenaars bracht hij niet ter dood, overeenkomstig hetgeen geschreven staat in het wetboek van Mozes, waar de Here geboden heeft: De vaders zullen niet om de kinderen ter dood gebracht worden, ook zullen de kinderen niet om de vaders ter dood gebracht worden; maar ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden (2Kon.14:5-6).

Hoewel dit geldige principe van handelen met een persoon ten opzichte van zijn of haar eigen daden norm is, komt in de Schrift duidelijk naar voren dat God altijd nog het recht behoudt in bijzondere omstandigheden daarop uitzonderingen te maken.  

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het huwelijk van Abraham en Ketura

 

 

 

 

 

‘En Abraham nam wederom een vrouw, Ketura geheten. En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. En Joksan verwekte Seba en Dedan. En de zonen van Dedan waren de Assurieten, de Letusieten en de Leümieten. En de zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaä. Deze allen waren de zonen van Ketura. Abraham nu gaf alles wat hij had aan Isaak, maar aan de zonen van de bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken, en hij zond hen, nog bij zijn leven, weg van zijn zoon Isaak, oostwaarts, naar het Oosterland’ (25:1-6). Het mag ons vreemd voorkomen dat Abraham nog kinderen kon verwekken omdat de Schrift ons leert dat zijn eigen lichaam al afgestorven was (Rom.4:19; Heb.11:12). Elders wordt Ketura Abrahams bijvrouw genoemd (1Kron1:32) en zo’n vermelding is alleen maar zinvol wanneer Sara nog in leven was. De vermelding dat Abraham ‘wederom’ een vrouw nam kan ook vertaald worden als ‘weer’ een vrouw, of ‘nog’ een vrouw.

Waarom wordt dan deze vermelding van Ketura dan toch vermeld na de dood van Sara? Ik geloof dat het gedaan is om de typologische uitleg in het boek Genesis in stand te houden. We zien in Genesis 21 de geboorte van Isaak als type van de Heer Jezus. In hoofdstuk 22 het lijden, sterven en de opstanding van Isaak als type van de Heer Jezus. In hoofdstuk 23 het sterven van Sara als type van de terzijdestelling van het volk Israël. In hoofdstuk 24 de uitzending van de knecht Eliëzer als type van de Heilige Geest; de roeping van de bruid; als type van de Gemeente; het gaan naar de bruidegom; als type van de opname van de Gemeente. En tenslotte in hoofdstuk 25 het tweede ‘huwelijk’ van Abraham als type van het herstel van het volk Israël.

(Zie voor de typologische uitleg ook mijn artikel: ‘Zo gingen die beiden tezamen’ deel 8 in de rubriek: Leven van Abraham)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Wie doodde Goliath?

 

 

 

 

Vraag:

1 Samuël 17:50 zegt dat David Goliat doodde maar in 2 Samuël 21:19 staat dat Elchanan de zoon van de Betlehemiet Jaär-Oregim dat heeft gedaan. Wie is het nu?

Teksten:

‘Toen de Filistijn tot de aanval overging en al nader kwam, David tegemoet, haastte David zich en snelde op de slagorde toe, de Filistijn tegemoet, stak zijn hand in de tas, nam er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong, en hij voorover ter aarde viel. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij versloeg de Filistijn en doodde hem; en David had geen zwaard in zijn hand. David snelde toe, bleef bij de Filistijn staan, greep diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Hij hieuw hem het hoofd ermee af’ (1Sam.17:48-51)

‘Opnieuw was er strijd met de Filistijnen te Gob; en Elchanan, de zoon van de Betlehemiet Jaäre-Oregim, versloeg de Gatiet Goliat, die een speer had met een schacht als een weversboom’ (2Sam.21:19).

‘Opnieuw was er strijd met de Filistijnen, en Elchanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broeder van de Gatiet Goliat, die een spies had met een schacht als een weversboom’ (1Kron.20:5).

Antwoord:

1 Samuël 17:50 zegt dat David Goliath’s hoofd afsloeg met zijn eigen zwaard, nadat hij hem geveld had met een slinger en een steen. Maar 2Sam.21:19 zegt in de Masoretische tekst dat ‘Elchanan de Gatiet Goliath versloeg. Zoals deze de tekst weergeeft is het duidelijk in tegenspraak met 1Sam.17. Gelukkig hebben we 1Kron.20:5 die uitkomst biedt door te zeggen dat Elchanan de broer van de Gatiet Goliath versloeg. Het is heel waarschijnlijk dat de Masoretische vertaling van 2Sam19 het gevolg is van een fout van de overschrijver. Met andere woorden: in de passage in 2Sam.21 is een aantoonbare fout van de overschrijver waar te nemen. Het voert te ver om in het kader van dit artikel daarop in te gaan. Het Oude Testament dat in de tijd van Ezra en Nehemia gereedkwam werd samengesteld door de Sopherim, die het Oude Testament nauwkeurig bestudeerden en met de uiterste zorg kopieerden. Masoreten waren joodse geleerden wiens taak het was de heilige tekst te voorzien van leestekens en klinkers.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Kan God berouw hebben?

 

 

 

Vraag:

Nadat Saul had gefaald om de Amalekieten uit te roeien, was het God die tegen Samuël zei: ‘Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld’ (1Sam.15:11). Maar in 1Sam.15:29 zegt Samuël tegen Saul: ‘Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben’. Hoe kan in de ene passage God zeggen dat Hij berouw heeft terwijl een paar verzen verderop vermeld staat dat Hij geen berouw kent? Is de Bijbel hier niet met zichzelf in tegenspraak? Kan God berouw hebben of niet?

Antwoord

De verklaring die God aan Samuël gaf, betekent nog niet dat God toegaf of van gedachten veranderde, maar dat God diep emotioneel verdriet uitte over Sauls falen en de moeite die het Israël zou toebrengen. God koos Saul uit om koning te worden in Israël om bepaalde opdrachten uit te voeren waarvoor Saul geschikt was. Spijt hebben van een actie die moest worden genomen, is een ervaring die we allemaal wel eens hebben gehad. God verandert eigenlijk niet van gedachten, maar Hij ervaart wel diep emotioneel verdriet over de dingen die mensen (verkeerd) doen. Als we aannemen dat de Bijbel Gods Woord is, is het niet aannemelijk dat het zichzelf zou tegenspreken. Zelfs in een niet-geïnspireerd geschrift zou het vreemd zijn als iemand zich op eenzelfde bladzijde zou tegenspreken. Er moet met deze verzen dus iets anders aan de hand zijn. Welnu vers 11 bevat een reactie van God over het optreden van Saul, waarbij God als het ware op zijn beslissing zou terugkomen en de verkiezing van Saul zou willen ‘terugdraaien’. Maar in dat opzicht kent God geen berouw. Hij hoeft nooit terug te komen op Zijn beslissingen. Met vers 35 moet dus wat anders bedoeld zijn dan dat God op menselijke wijze berouw zou hebben, omdat het zo verkeerd afgelopen was met Saul. Berouw hebben betekent in dit geval dat iets je niet onbewogen laat, maar dat het je aan je hart gaat. Dat moet met vers 11 bedoeld zijn.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

Heeft Mozes God gezien?

 

 

 

 

 

 

Vraag:

Spreekt de Bijbel zich niet tegen wanneer het de ene keer zegt dat Mozes sprak met de Here van aangezicht tot aangezicht terwijl iets verderop de Here zegt dat niemand zijn aangezicht kan zien?

Bedoeld zijn de volgende Bijbelteksten:

‘En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend; dan keerde’ (Ex.33:11)

en

‘Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.’ (Ex.33:20)

Antwoord:

Dit is niet de enige plaats in de Bijbel waar men een contradictie tussen verschillende Bijbelteksten meent te vinden en ook is Mozes ook niet de enige die Here van aangezicht tot aangezicht heeft gezien want ook Jakob spreekt van zo’n ontmoeting. ‘En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’ (Gen.32:30).

Daar staan een aantal andere Bijbelteksten tegenover die zeggen dat ‘niemand God kan zien’.  ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard’ (Joh.1:18). ‘Hij die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan’ (1Tim.6:16). ‘Niemand heeft ooit God aanschoud. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en Zijn liefde is in ons volmaakt’ (1Joh.4:12).

Er is echter geen sprake van een contradictie. Twee van deze zogenaamd tegenstrijdige teksten staan namelijk vlak achter elkaar, in hetzelfde verhaal: Exodus 33:11 en 33:20. Kennelijk vond de auteur van deze passage het niet vreemd om in vers 11 te schijven dat Mozes met God sprak ‘van aangezicht tot aangezicht’, om vervolgens Gods uitspraak te citeren dat niemand ooit Gods gezicht kan zien. In Exodus 33:11-23 verdient vers 18 onze speciale aandacht, want daar vinden we de verklaring waarom God in vers 20 zegt dat Mozes zijn aangezicht niet kan zien. In vers 18 vraagt Mozes God immers om zijn heerlijkheid (of glorie) te mogen zien. We mogen zulke teksten natuurlijk nooit tegen elkaar uitspelen, maar moeten ze beide tot hun recht laten komen.

Wat heeft Mozes en ook anderen dan gezien wanneer we lezen: ‘En zij zagen de God van Israël’ en zij aanschouwden God en zij aten en zij dronken’ (Ex.24:10,11). We moeten beseffen, dat het bij zulke uitdrukkingen gaat om standaarduitdrukkingen.’ Van aangezicht tot aangezicht’ betekent: direct, zonder tussenkomst van een ander. Daarom hoeven deze uitspraken in Ex.33 niet inhouden dat ze Gods aangezicht aanschouwden of God werkelijk zagen. Ook Deut.4:12,15 maakt duidelijk dat de Israëlieten niet God zelf hebben gezien, maar slechts de verschijning van Zijn heerlijkheid, Zijn afstraling. Johannes 14:9 geeft wellicht de oplossing voor dit probleem want in de toekomst zal de heerlijkheid van God in de Heer Jezus geopenbaard zijn. ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’. ‘Opdat ze mijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was’ (Joh.17:24,5). Als er met het oog op de toekomst sprake is van het zien van God dan kunnen we ons voorstellen dat het betekend dat we Hem zien en Zijn heerlijkheid in de persoon van de Jezus Christus. Christus is immers ‘de uitstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr.1:3).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Opstanding van ontslapen heiligen

 

 

 

 

Vraag

Om welke heiligen gaat het in Mattheüs 27:52-53?

‘En de graven werden geopend en vele lichamen van ontslapen heiligen werden opgewekt; en gingen uit de graven na zijn opwekking en kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen’.

Antwoord 

Deze vraag kunnen we ook niet rechtstreeks vanuit Gods Woord beantwoorden. We moeten door afleiding trachten een antwoord te vinden.

Denken we er aan, dat de opstanding van deze mensen als een bevestiging van de opstanding van Christus bedoeld is, dan is het aannemelijk te veronderstellen dat het gaat om gelovigen, die de inwoners van Jeruzalem aan wie ze verschenen bekend moeten zijn geweest. Natuurlijk kunnen het ook heiligen uit de oude dag zijn geweest, waarbij God dan – net als op de berg der verheerlijking – door innerlijke verlichting duidelijk maakte wie ze waren. Dan echter is het tekenend karakter minder duidelijk.

Door de uiterste kortheid van deze passage en het gebrek aan parallelle voorvallen blijven we met meer vragen dan antwoorden zitten.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Spreekt de Bijbel zichzelf tegen?

 

 

 

Vraag

Twee teksten uit het boek Handelingen die gaan over de ontmoeting van Paulus met de Heer Jezus.

Het ene is van de schrijver Lukas die deze ontmoeting beschrijft en de ander het verhaal van de gebeurtenis zelf uit de mond van de apostel Paulus. In het eerste verslag ‘hoorden zij wel de stem’ en in het tweede verslag ‘hoorden zij niet’.

‘De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen’ Handelingen 9:7 (Voorhoeve/TELOS-vertaling)

‘Zij nu die met mij waren, zagen wel het licht en werden zeer bevreesd, maar de stem van Hem Die tot mij sprak, hoorden zij niet’ Handelingen 22:9 (Voorhoeve/TELOS-vertaling)

Antwoord

De schijnbare tegenspraak is slechts verbaal, dus in de vorm van communicatie waarbij men zich uit met woorden (en/of geluiden). Het Griekse woord voor ‘horen’ (akouo) kan verschillende betekenissen hebben., zoals ook in het Engels. Het kan betekenen een stem horen (Hand.9:7), maar het kan ook betekenen dat men de betekenis begrijpt van wat gezegd was.

De Engelse NIV-vertaling geeft de beide betekenissen correct weer:

‘The men travelling with Saul stood there speechless; they heard the sound but did not see anyone’ (Acts 9:27).

‘My companions saw the light, but they did not understand the voice of him who was speaking to me’ (Acts 22:9).

In het Nederlands lijken de beide verzen met elkaar in strijd. In het Grieks wordt bij 'horen' echter de ene keer de tweede, de andere keer de vierde naamval gebruikt en dat maakt een verschil. Je moet de teksten zo lezen:

'daar zij wel de stem (het stemgeluid) hoorden, (maar niet verstonden wat er gezegd werd), maar niemand zagen’ (Handelingen 9:7). 

'zij....zagen wél het licht (niet de persoon), maar de stem van hem die tot mij sprak hoorden (d.w.z. verstonden) zij niet' Handelingen 22:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Waar kreeg Caïn, de broer van Abel zijn vrouw vandaan?

 

 

‘En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw en zij werd zwanger en baarde Henoch; daarna werd hij de stichter van een stad en hij noemde deze stad naar zijn zoon Henoch’ (Gen.4:17).

Vraag:

Dit is een vraag die veel gesteld wordt? want zegt men: ‘Er waren na de moord op zijn broer Abel immers geen vouwen waarmee Caïn zou kunnen trouwen. De enige mensen waren Adam, Eva en Caïn; Abel was dood. Toch zegt de Bijbel dat Caïn trouwde en kinderen had.

Antwoord:

Omdat er slechts één menspaar was - Adam en Eva - moet Caïn dus getrouwd zijn geweest met zijn zuster of eventueel een nicht. De Bijbel leert dat Adam, nadat hij Set verwekt had zonen en dochteren verwekte (Gen.5:4). Omdat Adam 930 oud geworden is was er tijd genoeg om veel kinderen te verwekken. Caïn kon één van zijn zusters tot vrouw hebben genomen. Een andere mogelijkheid was dat hij huwde met een van de dochter van zijn broers. Een huwelijk tussen broers en zusters was niet verboden. Pas toen de wet aan Mozes gegeven was horen wij daarvan. ‘De schaamte van uw zuster, de dochter van uw vader of de dochter van uw moeder, geboren in huis of geboren daarbuiten, haar schaamte zult gij niet ontbloten’ (Lev.18:9; 20:17).

Deze vraag wordt op deze manier door gelovigen beantwoord. Veel moeilijker is het voor hen die de evolutieleer aanhangen; hoe gaan zij deze vraag beantwoorden?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Welke Bijbelvertalingen gebruiken?

 

 

 

 

Omdat er enorm groot aanbod is van Bijbels in verschillende vertalingen vraag ik mij af welke ik moet gebruiken?

Omdat de meeste mensen geen kennis hebben van de Hebreeuwse of Griekse taal was het noodzakelijk dat de Bijbel in de verschillende volkstalen beschikbaar werden gesteld. Voor de invoering van de boekdrukkunst werden boeken en andere geschriften met de hand overgeschreven als men meerdere exemplaren wilde maken. Boeken waren toen dus letterlijk handschriften. Een typische oplage van een handschrift was vaak maar enkele honderden exemplaren of zelfs maar enkele tientallen. Zo zijn dan ook veel boeken uit de oudheid en middeleeuwen voor altijd verloren gegaan toen het laatste exemplaar ervan verdween. Met de introductie van de mechanische drukkunst werd een oplage al snel enkele duizenden exemplaren en was het gevaar van definitief verloren gaan van een bepaald werk een heel stuk kleiner geworden. Hiermee werd de verspreiding van kennis en nieuwe inzichten geweldig versneld. Het belang van de boekdrukkunst voor de massale verspreiding en het behoud van kennis is dan ook zeer groot. Omdat de boekdrukkunst in de 17e. eeuw in Europa tot grote bloei kwam werd het mogelijke de Bijbel in grote aantallen te drukken tegen een relatieve lage prijs. Zo kwam iedereen in de gelegenheid de Bijbel te onderzoeken.

Onder Bijbelvertaling verstaan we het weergeven van de inhoud van de Bijbel in een andere taal. Meestal is de grondtekst de brontaal (Hebreeuws, Aramees of Grieks), maar er kan ook een vertaling van een vertaling gemaakt zijn. De kans op onnauwkeurigheden wordt dan wel groter. Er zijn vertalingen van de volledige Bijbel in meer dan 450 talen. Delen van de Bijbel van zijn vertaald in meer dan 2.000 talen.

Vertalingen in het Nederlands

1. Vóór de Statenvertaling

Rijmbijbel (1271) Hernse Bijbel (1361), Delftse Bijbel (1477) Van Liesveltvertaling (1526-1542)?Leuvense Bijbel' van Nicolaas van Winghe (1548), 'Moerentorfbijbel' (1599), Deux-Aesbijbel,(1561-1568), Statenvertaling (1637), Herziene Statenvertaling (1977), Nieuwe herziene Statenvertaling (2010)

2. Na de Statenvertaling, 1637 tot 1975

Willem Antony van Vloten, Palmbijbel (1818-1830), Nieuwe Testament van Visschering (1854 en 1859), Voorhoevevertaling (1877), Telosvertaling (1985), Professorenbijbel (eind 19e eeuw), Leidsche Vertaling (1914), Theodorus van Tichelen (1926), Petrus Canisiusvertaling (1939), NBG-vertaling (1951)

3. Vanaf 1975

Willibrordvertaling (1975 en 1995), Groot Nieuws Bijbel (1983 en 1996), Het Boek (1987), Nieuwe Bijbelvertaling (NBV, 2004), Naardense Bijbel (2004 en 2014), BasisBijbel (BB, 2013), Bijbel in Gewone Taal (BGT, 2014)

Je ziet er schijnt geen eind aan te komen. Mijn persoonlijke voorkeur en gaat uit naar de Nieuwe herziene Statenvertaling van 2010 en voor wat betreft het Nieuwe Testament de Telosvertaling (ook genoemd de Voorhoeve vertaling). Voor theologen, verkondigers van het Woord en ieder die zich op één of andere manier met het onderzoek van de Bijbel bezighoud is het raadzaam meerdere Bijbelvertalingen te raadplegen.

Het is, gelet op de grote aantal verschillende vertalingen van de Bijbel in de Nederlandse taal dan ook bijzonder naïef en arrogant om te beweren dat er maar één betrouwbare vertaling is. Je kunt natuurlijk een persoonlijke voorkeur hebben maar een vertalingen is slechts een vertaling…

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Is zuchten tongentaal?

 

 

 

 

 

Voorwoord 

Voor een goed verstaan van de uitleg van de onderwerpen: doop van de heilige Geest en het spreken in talen is het raadzaam om onderstaande artikelen als een eenheid te lezen. 

De doop met de heilige Geest – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

Is zuchten tongentaal? – Rubriek: Vraag & Antwoord 

Profetie en Talen – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen 

Kracht van Boven! - Rubriek: Nieuwe Testament – Handelingen

 

Inleiding

In de discussie over het ‘spreken in tongen’ verwijzen de voorstanders van het spreken in tongen regelmatig naar Romeinen 8:26 als ondersteuning van hun visie. ‘En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wat wij naar behoren zullen bidden, weten wij niet, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorzoekt, weet wat de bedoeling van de Geest is, want Hij bidt in overeenstemming met God, voor heiligen’.

Tegenstanders van het spreken in tongen, de zogenaamde ‘glossolalie’, stellen dan weer dat tongentaal de enige wondergave was die bij de Heer Jezus niet voorkwam.

Als het ‘zuchten’ in Romeinen 8:26 op tongentaal zou doelen zou men, menen sommigen, uit het verband tussen ‘verzuchting’ en ‘zuchten’ in Mark.7:34 misschien kunnen opmaken dat de Heer Jezus in tongen sprak bij de genezing van de doofstomme.

Maar de gave van het spreken in tongen, zoals door sommigen in Romeinen 8:26 bedoeld, vooronderstelt een tekort, namelijk niet weten wat te bidden en dat is moeilijk voorstelbaar bij de Heer Jezus. Ook wanneer men ervan uitgaat dat het spreken in tongen bedoeld zou kunnen zijn daar waar gewone taal tekortschiet kan dat nooit het geval zijn bij de Heer Jezus.

Er staat in genoemde tekst ook niet dat de heilige Geest doorheen ons bidt, maar dat Hijzelf bidt voor heiligen tot God.

Samenvattend mogen we vaststellen dat Romeinen 8:26 te weinig houvast geeft om als een bevestiging te gelden voor het spreken in tongen. 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX.

 

 

 

Het getal 666

 

 

 

 

 

 

 

 

Vraag:

Zullen wij de openbaring van de persoon die aangeduid wordt door het getal 666 zoals vermeld in het boek Openbaring nog meemaken?

Antwoord:

Bedoeld Bijbelgedeelte is Openbaring 13:11-18. Het gaat hier om de openbaring van de Antichrist, het tweede beest die in dit hoofdstuk vermeld wordt. Deze openbaard zich tijdens de Grote Verdrukking die aanvangt aan het begin van de tweede helft van de laatste jaarweek (Zie: Dan.9).

Dat beest zal ervoor zorgen dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam. Het getal van het beest is zeshonderdzesenzestig (Op.13:17-18).

Maar het antwoord van de vraag is afhankelijk van waar de gelovigen van de Gemeente zich op dat moment bevinden. Je zou ook kunnen zeggen hoe deel ik het boek Openbaring in? De sleuteltekst voor de indeling van het boek Openbaring is hoofdstuk 1:19, waar staat: ‘Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna gebeuren zal’. Het ‘wat u hebt gezien’ is de beschrijving van de Heer Jezus in hoofdstuk 1. Het ‘wat is’ is de geschiedenis van de kerk vanaf Jezus’ hemelvaart tot aan zijn wederkomst voor de Gemeente (de Opname) en wordt beschreven in hoofdstuk 2 en 3. Het ‘wat hierna gebeuren zal’ beschrijft de periode ná de Opname en beslaat de hoofdstukken 4-19. Vergelijk hoofdstuk 4:1 waar staat: ‘Hierna zag ik’ en ‘wat hierna moet gebeuren’. Het ‘Hierna’ duidt op de tijd ná de ‘kerkgeschiedenis’ of ‘de Opname’. Vergeet ook niet dat het boek Openbaring profetie is (1:3) en dat geldt ook voor hoofdstuk 2 en 3, maar dat staat een praktische toepassing uiteraard niet in de weg.

Ik ga op grond van de Schrift ervan uit dat de Opname van de gelovigen zal plaatsvinden vóór de Grote Verdrukking wat dus betekent dat ik het gebeuren in hoofdstuk 13 niet zal meemaken. De aanloop naar dat aanstaand gebeuren is wellicht al zichtbaar en dat leert mij alleen maar dat de komst van Christus voor de Gemeente aanstaande is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Wie zijn de priesters vermeld in Exodus 19?

 

‘En ook de priesters die tot de Here naderen, zullen zich heiligen, opdat de Here niet tegen hen losbreke’ (Ex.19:22)

 

 

 

Over welke priesters gaat het hier want het Aäronitisch priesterschap was op dat moment nog niet ingesteld. In Exodus 19 gaat het over de verschijning van de Here op de berg Sinaï. Mozes bracht de woorden van het volk over dat gezegd had, nadat Mozes hen de woorden die de Here hem geboden had voorgelegd: Alles wat de Here gesproken heeft zullen zij doen? (19:8). Mozes bracht dit antwoord over aan de Here die daarop antwoordde dat Hij zou neerdalen op de berg Sinaï en aan het volk verschijnen. Vanwege die ontmoeting moest het volk zich heiligen. Toen Mozes het geheiligde volk de Here tegemoet leidde, stelden zij zich op onder aan de berg. De Here daalde neer op de berg Sinaï en Mozes klom naar boven. Mozes moest het volk waarschuwen de niet doordringen tot de Here om iets te zien. En ook de priesters, die tot de Here naderen zullen zich heiligen, opdat de Here niet tegen hen losbreke.

Zoals gezegd was het Aäronitisch priesterschap op dat moment nog niet ingesteld, dat gebeurde pas in hoofdstuk 28-29. Het moet daarom een verwijzing zijn naar de ‘eerstgeborene’ van elke familie die toegewijd en de Here geheiligd waren (13:1-2). Veel later werden de eerstgeborenen vervangen door de stam van Levi (Num.3:12, 45).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Was de komst van de Messias aangekondigd? 

 

 

 

In zijn Kerkgeschiedenis verwijst Eusebius (270-340 n.Chr.) naar Genesis 49 en zegt dat de komst van de Christus niet onverwacht is gekomen. Want doordat Herodus op de troon zat ten tijde van de geboorte van de Heer Jezus is de profetie dat zegt: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10) in vervulling gegaan want hij was de eerste vreemdeling die over het joodse volk regeerde. Zolang de joden de mogelijkheid hadden om onder hun eigen inheemse heersers te leven, was die voorzegging nog niet uitgekomen; van Mozes’ tijd tot de regering van Augustus hadden zij hun eigen leiders. Tijdens Augustus’ bewind echter kreeg Herodus als eerste vreemdeling uit handen van de Romeinen de regering van de joden toebedeeld. Omdat de regering over de joden in vreemde handen was gekomen, moest volgens de profetie De gene Die de volken verwachtten spoedig komen; Zijn verschijnen stond a.h.w. voor de deur; want met Herodus was de relmatige opvolging door eigen inheemse regeerder en vorsten ten einde gekomen. (Eusebius, Boek Een 1.6-1.4). De ‘Silo’ uit Juda blijkt de grote zoon van David te zijn, die soms zelfs ‘David’ heet: ‘want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Tot zover de visie van Eusebius.

Dat er joden waren die de Christus verwachtten wordt duidelijk uit een aantal plaatsen in het Nieuwe Testament duidelijk. ‘En zie, een man, genaamd Jozef, die raadsheer was, een goed en rechtvaardig man 51– deze had niet ingestemd met hun raad en bedrijf –, van Arimatea, een stad der Joden, die het Koninkrijk Gods verwachtte’ (Luk.23:50-51). Ook mogen we die verwachten bespeuren bij de Samaritaanse vrouw: ‘’De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen’ (Joh.4:25). En tenslotte bij Simeon want ‘hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had’ (Luk.2:26) en Anna ‘sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luk.2:38). Deze verwachting kan ook gebaseerd zijn op hetgeen we vinden in het boek Daniël, meer in het bijzonder hoofdstuk 9:24-27 betreffende de zeventig jaarweken.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’

 

Lukas 18:1-8

 

De woorden ‘Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ vormen de afsluiting van de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Men gebruikt het echter vaak om in vraag te stellen of er in de eindtijd nog wel gelovigen zullen zijn maar daar heeft het niets mee te maken. De context waarin dit vers staat geeft daartoe ook geen enkele aanleiding. De gelijkenis werd gegeven het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen.

Jezus’ vraag, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde? werd niet gesteld uit onwetendheid. Ook was het niet de vraag of alle gelovigen weg zouden zijn bij zijn komst. Daarentegen spoort de Heer de dispelen eigenlijk aan om trouw aan het gebed te blijven, om ze in het bidden te bemoediging. Het duurde lang voordat de weduwe recht verkreeg maar ze bleef volharden. Hulp is opkomst en het schijnbare uitstel is van kortere duur dan gedacht. Echte gelovigen die volhardend wachten en geduld oefenen zullen er weinige zijn wanneer de Zoon komt. Wanneer Jezus komt ziet hij uit naar gelovigen die volharden in het gebed en naar Hem uitzien en daar gaat het in dit gedeelte van de Schrift om. Je kan dan ook beter lezen: zal Hij dan dat geloof vinden op aarde?

Uiteraard kun je je wel afvragen of er nog geloof c.q. gelovigen zullen zijn vlak voor de komst van de Heer en het antwoord is: Ja! De vraag die je dan moet stellen is: Wat voor geloof? In de hoofdstukken 2 en 3 van het boek Openbaring zien we in de zeven gemeenten de geschiedenis van de Kerk op aarde en het eindigt met Laodicea, een gemeente waar de Heer buiten staat! En na Laodicea komt het grote Babylon de hoer (Kerk) van de eindtijd. Dus geloof, gelovigen zullen er wel zijn maar dat heeft niets meer met het Bijbels geloof te zien.

Bijbelgedeelten zoals 1 Timotheüs 4 en 2 Timotheüs 3 schetsen ons een donker beeld dat helaas overeenkomt met de situatie waarin wij hier in West-Europa mee geconfronteerd worden. Nee, de eindtijd zal niet gekenmerkt worden door veel geloof c.q gelovigen. Acht mensen werden gered in Noachs dagen en slecht vier uit Sodom in Lots dagen waarvan er nog één onderweg verloren ging, dus U bent gewaarschuwd.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Over het eten van bloed’

 

 

Er is altijd veel discussie geweest onder christenen of wij bloed mogen gebruiken als voedsel dat komt omdat veel gelovigen niet bekend zijn met wat de Bijbel hierover zegt. Dus om op die vraag een antwoord te krijgen zullen we Gods Woord moeten raadplegen.

De eerste vermelding om geen bloed te eten vinden we in Genesis 9:1-4 en is gericht tot de volkeren. ‘En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde. En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven. Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid. Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten.’ Let wel het gaat hier over alle mensen want van het volk Israël of de Gemeente was uiteraard nog geen sprake!

Na de torenbouw van Babel en de roeping van Abraham uit Ur der Chaldeeën laat God de volkeren op hun eigen wegen gaan (Hand.14:16), of zoals de brief aan de Romeinen zich uitdrukt: ‘Hij heeft hen overgegeven’. (Rom.1:24,26,28). Zoals we weten is uit Abraham het volk Israël ontstaan. Vandaar dat het gebod van Genesis herhaald wordt voor het volk Israël in het boek Leviticus. ‘Dit zij een altoosdurende inzetting voor uw geslachten in al uw woonplaatsen: gij zult volstrekt geen vet en geen bloedeten’ (Lev.3:17). Dit gebod wordt verder uitgewerkt en het waarom verduidelijkt in Leviticus 17:10-14: ‘Ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven, die enig bloed eet – tegen zo iemand, die dat bloed gegeten heeft, zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel. Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Niemand van u zal bloed eten. Ook de vreemdeling, die in uw midden vertoeft, zal geen bloed eten. En ieder van de Israëlieten en van de vreemdelingen, die in uw midden vertoeven, die een stuk wild of gevogelte jaagt, dat gegeten mag worden, zal het bloed daarvan uitgieten en dat bedekken met aarde. Want, wat de ziel van alle vlees betreft – het bloed ervan is zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Gij zult van generlei vlees bloed eten, want de ziel van alle vlees is het bloed: ieder die het eet, zal uitgeroeid worden.’

In het eerste boek Samuël vinden we een illustratie hoe ernstig men het gebod opnam. ‘En zij versloegen op die dag de Filistijnen van Mikmas tot Ajjalon, ofschoon het volk zeer uitgeput was. Daarom viel het volk aan op de buit; zij namen kleinvee, runderen en kalveren, slachtten die op de grond, en het volk at ervan met bloed en al. Toen deelde men Saul mee: Zie, het volk zondigt tegen de Here door te eten met bloed en al. En hij zeide: Gij bezondigt u; wentelt ogenblikkelijk een grote steen hier naar mij toe. Saul zeide ook: Verspreidt u onder het volk en zegt hun: ieder moet zijn rund of stuk kleinvee tot mij brengen; slacht het hier, dan kunt gij het eten. Maar zondigt niet tegen de Here door het met bloed en al te eten. Toen bracht ieder van het gehele volk die nacht zijn rund met zich, en zij slachtten ze aldaar. Saul bouwde de Here een altaar’ (1Sam.14:31-35)

We slaan de verdere gebeurtenissen van het volk Israël over en vinden dan in het Nieuwe Testament waar de Gemeente de plaats heeft ingenomen van het volk Israël als getuigenis van God op aarde.  Het gebod om geen bloed te eten wordt herhaald omdat gelovigen uit de volkeren daarvan geen kennis (meer) hadden; de joden wel uiteraard! Op de apostelvergadering in Jeruzalem komt men, voor wat betreft hen die gelovig zijn geworden uit de volkeren tot de conclusie: ‘Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’ (Hand.15:20, 29; 21:25) Ook de heilige Geest is die mening toegedaan: ‘Want het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wèl doen.’ (Hand.15:28-29).

Het is dus zeker geen typisch Joods gebruik maar belangt alle mensen aan. Op grond van het bovenstaande geloven veel christenen dat ze zich dienen te onthouden van gerechten met bloed aangemaakt; o.a. bloedworst. Dat is dus wat anders dan een biefstuk waarin zich nog vleesvocht bevindt; het dier is dan al geslacht. Redenen om zich niet aan dit gebod te houden zijn er veel, zoals: ‘Maar bloedworst is toch lekker!’ Dat kan waar zijn maar dat is niet de norm voor het handelen van een gelovige, dat is Gods Woord. Ook neemt men soms de gelegenheid te baat om dit gebod uit te spelen tegen wat Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs schrijft: ‘Eet alles wat op de vleesmarkt verkocht wordt, zonder te onderzoeken om het geweten’ (1Kor.10:25). Dit is slechte exegese, want daar gaat het over het probleem van vlees dat mogelijk als godenoffer in de heidense tempels heeft gediend en dat heeft absoluut niets te zien met een opheffing van het gebod in Handelingen 15. Zo’n uitleg is niet op Gods Woord gebaseerd en kan men niet serieus nemen, het riekt naar inlegkunde. Wel ben ik benieuwd waarom men er altijd toe neigt om onder het gebod uit komen; wat is de diepere reden, want zoals gezegd het kan geen exegetische zijn!? Ongehoorzaamheid aan Gods Woord?

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Wanneer is Christus gestorven en opgestaan?

 

 

 

Opstanding van Christus na 3 dagen en 3 nachten,

Vraag

We lezen in Mat.12:40 dat Christus drie dagen en drie nachten in het graf zou zijn. Algemeen wordt echter aangenomen dat de Heer op vrijdagavond is gestorven en op zondagmorgen is opgestaan. Dan is hij echter slechts twee nachten in het graf geweest.

Volgens het boekje ‘De opstanding was niet op zondag’ is de situatie als volgt geweest: Jezus is de 14de Abib of Nisan gekruisigd. Die dag was een woensdag (volgens joodse kalender uit te rekenen).

De volgende dag, donderdag de 15de Nisan, was het ‘een grote sabbat’. Dat is een sabbat die niet altijd op zaterdag valt (grote sabbat bedoeld in Mat.27:62; Luk.23:54; Joh.19:42),

De volgende dag was vrijdag, waarop Maria Magdalena specerijen kocht, na het bereiden hiervan rustte ze zaterdag naar het gebod omdat het (een gewone) sabbat was,

Antwoord

Volgens deze opvatting zou de volgorde als volgt zijn:

a. Christus stierf op woensdag na het negende uur (is 15.00 uur volgens onze tijdrekening) en werd nog voor de grote sabbat begon begraven,

b. Tijdens de grote sabbat (donderdag) lag hij in het graf. Zie voor deze sabbat: Mat.27:62; Mark.16:1; Luk.23:54; Joh.19:42.

c. Tijdens de vrijdag lag Hij eveneens in het graf.

d. Op sabbat (zaterdag) was Hij tot 15.00 uur in het graf. Drie dagen en drie nachten zijn namelijk 72 uur (Jh 11:9 ‘Zijn er niet 12 uren in een dag’, dus ook in een nacht!).

e. Op de eerste dag van de daarop komende week (zondag) was Christus dus al opgestaan (vgl. Mark.16:2 met Mat.28:6; Mark.16:6; Luk.24:6).

De Emmaüsgangers spreken over drie dagen na deze dingen en dat is vanaf donderdag gerekend precies drie dagen (Luk.24:13, 21).

Wat moeten we hiervan denken? Klopt dat? Zie het volgende antwoord.

De aanduiding dat de Heer Jezus drie dagen en drie nachten’ in het graf zou vertoeven, komen we tegen in Mat.12:40 en dat naar aanleiding van Jona 1:17. Vergelijk voor deze tijdsaanduiding 1Sam30:12 en Est4:16.

Daarnaast zijn er teksten die zeggen dat Christus ‘binnen’, ‘in’ of ‘na’ (hangt van de vertaling af) drie dagen zou opstaan (Mat.26:61; 27:64; Mark.8:31; 9:31; 10:34; 14:58; Joh.2:20). Belangrijk is dat er sprake is van opstaan in drie dagen in Mat.27:40; Mark.15:29, waarbij er geen verschil is tussen de St.Vert., de Nieuwe Vert. NBG en de Telosweergave. Nog belangrijker is een vierde uitdrukking, namelijk dat de Heer op de derde dag of ten derde dage zou opstaan. We vinden dat in Mat.16:21; 17:23; 20:19; Luk.9:22; 18:33 en over de vervulling spreken Luk.24:7, 46; Hand.10:40 en 1Kor.15:4.

Welnu, deze laatste drie uitspraken die dateren uit de tijd nadat Christus daadwerkelijk is opgestaan, sluiten absoluut uit dat met ‘drie dagen en drie nachten’ drie volle etmalen zijn bedoeld ofwel een periode van 72 uur. Eveneens sluiten ze uit dat ‘opstaan na drie dagen’ per se inhoudt opstaan na drie ‘volle’ dagen.

Ten overvloede zij gewezen op het feit, dat de uitdrukking ‘op de derde dag’ vaker in het Oude Testament voorkomt en dan verschillende keren in een zodanig verband dat er gewezen wordt op de dag die volgt op twee voorafgaande dagen. Zie hiervoor Lev.7:16, 17; 19:7; Num.7:24 en vergelijk dat met vs.10 en 18. Zie ook Hos.6:2 waar de derde dag een dag van levendmaking is!!

Al met al zitten we nu nog met de vraag hoe we de uitdrukking ‘opstaan ten derde dage’ moeten rijmen met de uitdrukking ‘drie dagen en drie nachten’ en met de uitdrukking ‘na drie dagen’.

Welnu, het Hebreeuws kent geen woord voor ‘etmaal’ maar spreekt in dat geval van ‘dag en nacht’. Zo heeft het ook geen woord voor ‘heelal’ maar spreekt over ‘hemel en aarde’. Verder moeten we bedenken dat de Joden een gedeelte van een dag - nacht voor een geheel rekenden. We zien dat ook bij de opgave van de regeringsjaren van de koningen. Een gedeelte van een jaar werd voor een heel jaar gerekend. De uitdrukking ‘drie dagen en drie nachten’ is dus niet zo exact bedoeld als wij dat in ons westers spraakgebruik opvatten en de uitdrukking ‘na drie dagen’ betekent niet automatisch ‘na drie volle dagen’ maar kan evengoed betekenen ‘ten derde dage’. We hebben een heel mooi voorbeeld om dit duidelijk te maken in de uitspraak van Est.4:16 waar we lezen dat Esther haar oom Mordechaï oproept om met alle Joden drie dagen zowel des daags als des nachts te vasten. Zij zal dat ook doen met haar dienaressen en dan zo zegt ze zal ze tot de koning gaan. In Est.5:1 staat dan echter dat ze op de derde dag opstaat en naar de koning gaat!!

Gaan we ervan uit dat de Heiland op vrijdagavond na 15.00 uur is gestorven en op zondagmorgen vroeg opgestaan, dan telt het stuk van de vrijdag tot 18.00 uur voor een dag, de zaterdag is een dag en de tijd van zaterdag 18.00 tot aan het moment van de opstanding geldt als de derde dag.

In feite is met het bovenstaande al heel wat weerlegd wat bij de tweede vraag naar voren wordt gebracht. We lopen de argumenten echter stuk voor stuk na.

- Dat Jezus Christus op de 14 Abib of Nisan is gekruisigd is duidelijk, maar wie bewijst dat die 14 e een woensdag was? Anderen zeggen dat te bewijzen valt dat het een vrijdag was. De meningen zijn dus verdeeld. Daar komt bij dat we helemaal niet met zekerheid kunnen zeggen in welk jaar Christus gekruisigd is. Bij de overgang op de christelijke jaarrekening zijn er in ieder geval fouten gemaakt. Dat blijkt al hieruit dat Herodes de Grote alle kinderen beneden twee jaar laat doden. Maar deze Herodes is volgens onze berekening in het jaar 4 voor Christus gestorven!!. Er komt ook nog bij dat het jaar 0 niet in de berekening is opgenomen. Christus is dus zeker niet in het jaar 33 n. Chr. gestorven. Hoe wil men nu met zekerheid zeggen welk joods jaar het was en op welke dag 14 nisan toen viel? Dit punt kunnen we dus gevoeglijk schrappen.

- Dat er buiten de zaterdag ook andere rustdagen gehouden werden, die dan sabbat genoemd werden is waar. Maar dat is slechts in een enkel geval zo. Dat zien we b.v. in Lev.23:32 waar de tiende dag een sabbat der rust genoemd wordt, vgl. Lev.16:29-31. Zo kunnen we misschien ook zeggen dat de eerste en de zevende dag van het feest der ongezuurde broden (Lev.23:7, 8) en de eerste en de achtste dag van het Loofhuttenfeest (Lev.23:39) een sabbat waren, maar dat staat niet met zoveel woorden in Lev.23. Het waren bijzondere feestdagen waarop gerust werd, maar of je ze sabbat mag noemen is nog de vraag. Als er verder over ‘de sabbat’ gesproken wordt in Lev.23 en dat geldt ook voor de rest van de Schrift dan is dat de zaterdag. Als dus in Joh.19:31 gezegd wordt dat de lichamen niet op de sabbat aan het kruis mochten blijven dan is dat niet een bepaalde doordeweekse feestdag of rustdag, maar gewoon de sabbat, de zaterdag. En als er tussen gevoegd is ‘de dag van die sabbat was groot’ dan gaat het niet om een of andere bijzonder heerlijke rustdag, want nergens in Lev.23 lezen we over een bijzonder heerlijke rustdag ofwel ‘een grote sabbat’. Nee, dan gaat het om een zaterdag, maar dan een zaterdag (sabbat) die een extra tintje had om zo te zeggen, namelijk omdat hij viel op de 15 Nisan de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden. Dit is de logische, voor de hand liggende verklaring. De idee dat er een bijzonder ‘grote’ sabbat zou zijn op een of andere feestdag ergens midden in de week is pure gissing. Schriftbewijs ontbreekt ervoor. Maar als een sabbat (7de dag) samenviel met een of andere feestdag dan is het heel begrijpelijk dat die sabbat als extra belangrijk werd beschouwd.

- dat Maria Magdalena op vrijdag specerijen kocht is een bewering die erop berust, dat de sabbat genoemd in Mark.16:1 een doordeweekse, heel bijzondere, rustdag zou zijn. Daarover is al genoeg gezegd. Maar laten we het eens aannemen. Laten we ook eens aannemen dat de Heer op woensdag is gestorven, zoals in de genoemde brochure beweerd wordt, dan is het volkomen onbegrijpelijk dat Maria Magdalena niet diezelfde vrijdag de Heer is gaan zalven. Daar zou ze zich door de Romeinse wacht (wist ze daar eigenlijk wat van?) niet van hebben laten weerhouden. Dat geldt ook voor het geval Christus op donderdag zou zijn gestorven, zoals door anderen voorgestaan wordt. Vervolgens is het dan in het licht van Joh.11:39 totaal onaannemelijk dat ze op de vierde dag het lichaam nog zou willen gaan balsemen. Dat had immers totaal geen zin meer!! Na de periode van vrijdagavond tot zondagmorgen (en dat heel vroeg !!) had dat nog wel zin.

- De Schrift spreekt niet over twee sabbatten die hier in het geding zouden zijn. De mededelingen zijn eenvoudig deze:

a. de Heer stierf op ‘de dag van de voorbereiding, dat is de voorsabbat’ (Mark.15:42),

b. ‘de volgende dag, dat is na de voorbereiding’ (Mat.27:62). Dat was dus de sabbat, zaterdag,

c. ‘En toen de sabbat voorbij was’ (Mark.16:1) vond de opstanding plaats.

Dit zijn de drie dagen waarover de Schrift spreekt en over geen andere.

- De berekening van de 72 uren heeft geen enkele zin omdat de uitdrukking drie dagen en drie nachten niet westers exact opgevat mag worden. Net zo min als Joh.6:27 puur letterlijk opgevat mag worden in de zin dat we niet voor ons ‘natje en droogje’ zouden behoeven te werken. We moeten vragen naar de bedoeling van zulk soort uitdrukkingen. Als de Heer spreekt over de 12 uren in een dag dan is dat in een heel ander verband, namelijk om de tijd te gebruiken die God ons in een dag geeft. Daarmee is helemaal niet gezegd dat overal waar het woord dag staat er exact een periode van 12 uur mee bedoeld is. De meer dan eens herhaalde voorzegging dat de Heer op de derde dag zou opstaan is hier doorslaggevend.

- Luk.24:13 slaat terug op vers 1 en ziet dus op de eerste dag van de week. Vers 21 spreekt niet over drie dagen na deze dingen maar zegt dat het op dat moment al de derde dag was. Dat klopt weer met vers 7 waar de Heer het tegen de discipelen herhaalt dat hij op de derde dag moest opstaan. Waarom van de donderdag af gerekend? Volgens de brochure was Christus toch woensdags om 15.00 gestorven? En de Emmaüsgangers gaan niet verder dan het feit dat men Christus gekruisigd heeft. Met ‘deze dingen’ bedoelen ze dus alles tot en met de kruisiging en sinds die kruisiging was het nu de derde dag! Als de schrijver van de brochure gelijk heeft dan is donderdag de eerste, vrijdag de tweede en zaterdag de derde dag. De Schrift zegt echter dat ze de eerste dag der week als de derde dag beschouwen.

Laten we tenslotte nog de teksten vergelijken die spreken over de eerste dag van de week:

Mat.28:1 Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week (het daggedeelte dus) ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien.

Mark.16:1 En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria de moeder van Jacobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven. En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon op ging.

Luk.23:56; 24:1. Na de terugkeer van het graf bereidden de vrouwen specerijen en balsems, op de sabbat rustten ze en op de eerste dag der week toen het nog zeer vroeg was kwamen ze bij het graf.

Joh.20:1 Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena ‘s morgens vroeg toen het nog donker was naar het graf.

Deze teksten zijn duidelijk. Ze gaan allemaal over ‘de’ sabbat en dat is in alle gevallen de zaterdag. Enige moeilijkheid geeft Mark16:1 in vergelijking met Luk.23:56. Volgens de eerste van deze twee teksten hebben de vrouwen zaterdags laat, na de sabbat, dus na 18.00 uur specerijen gekocht om er zondagmorgen vroeg mee naar het graf te gaan. Volgens Luk.23:56 hebben ze de specerijen en balsems vrijdag nadat ze bij het graf geweest zijn al bereid.

Het is mogelijk dat ze vrijdagavond al met specerijen die ze hadden bezig geweest zijn en dat ze er daarna nog meer bijgekocht hebben. In ieder geval geeft het geen pas deze schijnbare tegenstrijdigheid op te lossen door een extra, bijzondere sabbat in te lassen. In Mark.16:1, 2 wordt geen enkele ruimte gelaten tussen de sabbat en de eerste dag van de week. Deze laatste volgt direct op de sabbat, zo is de voorstelling en dan moeten we niet gaan manipuleren door er een bijzondere sabbat van te maken en een aantal dagen in te lassen waar de tekst niets van weet. Kortom in al deze teksten is sprake van de sabbat zonder enige bijzonderheid. Het gaat dus om de zaterdag.

Bron: http://www.jaapfijnvandraat.nl

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX