Bijbelse Onderwerpen 1

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

1. Van hen zijn de verbonden

2. Profetieën over de komst van de Messias

3. Profetie en Talen

4. De doop met de heilige Geest

5. Gedachten over het lijden

6. Leven in de verwachting van Jezus' komst

7. Advent

8. De lastering van de Geest.

9. Onbeantwoorde gebeden. 

10. De doop met de heilige Geest.

11. Lessen uit drie opstandingen

12. Maakte het kruis deel uit van Gods plan?

13. De symoboliek van de Bijbel

14. Kenmerken van een christen

15. Moeten Christenen de sabbat houden?

16. Licht en Duisternis

17. Je bent niet alleen

18. Zaterdag of zondag?

19. Ziekenzalving

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

Van hen zijn de verbonden

 

Voorwoord

Eén van de verschilpunten bij de bestudering van de eschatologie blijkt altijd weer de positie van het volk Israël te zijn. Is Israël opgegaan in de volken om nooit weer te verschijnen, is de Gemeente in plaats van Israël gekomen, of heeft Israël nog een glorierijke toekomst? Dat zijn vragen die gesteld worden, en ik hoop het laatste aan te tonen, namelijk, dat Israël tijdelijk terzijde is gesteld en tot grote heerlijkheid zal komen als de volheid der volken is aangebroken.

Ik wil die visie verdedigen vanuit de bespreking van de verbonden die we in het Oude Testament vinden in verbinding met hun eschatologische betekenis.

Vier van de vijf verbonden gesloten met het volk Israël zijn letterlijk, onvoorwaardelijk en eeuwig (voor altijd), gemaakt met het (verbonds-) volk Israël. Als we deze verschillende verbonden gaan bestuderen zullen we ontdekken dat er zeven belangrijke elementen zijn, namelijk: (1) een natie voor eeuwig, (2) een land voor eeuwig, (3) een Koning voor eeuwig, (4) een troon voor eeuwig, (5) een koninkrijk voor eeuwig, (6) een nieuw verbond, en (7) eeuwige zegeningen.

De vier onvoorwaardelijke verbonden.

1. Het Abrahamitisch verbond.

Dit verbond dient beschouwt te worden als basis voor het gehele onderwijs met betrekking tot de verbonden. Dit verbond hield in: (1) de belofte van een land (Gen.12:1; 13:14-15, 17), de belofte van nationaal en algemene zegen (Gen.12:3, 22:18; Gal.3:16), de belofte van nakomelingen om een groot volk te vormen (Gen.12:2, 13:16, 17:2-6);

2. Het Palestijns verbond.

Dit ‘verbond’ gaf aan Israël een vaste zekerheid van een uiteindelijk herstel en teruggave van het land (Deut.30:3-5; Ez.20:33-37, 42-44).

3. Het Davidisch verbond.

Dit verbond heeft te maken met de belofte van een dynastie, natie en troon (2Sam.7:11,13,16; Jer.33:20,21, 31:35-37).

4. Het Nieuwe verbond

Dit verbond heeft speciaal te maken met Israëls toekomstige geestelijke zegeningen en verlossing (Jer.31:31-40; Heb.8:6-13).

Je zou kunnen zeggen dat de landbelofte aan Abraham ontwikkeld zijn in het Palestijns verbond, de belofte van nakomelingen ontwikkeld zijn in het Davidisch verbond, en de belofte van zegeningen ontwikkeld zijn in het Nieuwe verbond.

Het voorwaardelijke verbond.

De bespreking van dit (Mozaistisch) verbond laten we rusten omdat deze  tijdelijk was; het functioneerde tot op de komst van het beloofde Zaad (Gal.3:24) en het heeft ook geen relevantie met het doel van dit artikel, namelijk de verbonden en hun eschatologische betekenis.

De bepaling van het verbond met Abraham.

Het verbond gesloten met Abraham in Genesis 12:1-3, is bevestigd en uitgebreid in Genesis 12:6-7; 13:14-17; 15:1-21; 17:1-14; 22:15-18 en bestaat uit de volgende basis beloften:

(1) Abrahams naam zal groot gemaakt worden.

(2) Hij zou tot een groot volk zou worden.

(3) Dat door hem alle geslachten des aardbodems gezegend zouden worden.

(4) Aan hem en zijn nakomelingen zou het land Palestina tot erfenis gegeven worden.

(5) Dat zijn nageslacht zo talrijk zou zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de oever van de zee.

(6) Dat ieder die Abraham zou vervloeken door God vervloekt zou worden.

(7) Dat hij de vader van een menigte van volken zou worden.

(8) Dat koningen uit hem zouden voorkomen.

(9) Het verbond zou eeuwig zijn ‘tot een eeuwige bezitting’.

(10) Het land Kanaän zou tot een eeuwige bezitting zijn.

(11) God zal Hem en zijn zaad tot een God zijn.

(12) Zijn zaad zal de poort van zijn vijanden bezitten.

(13) In zijn zaad zullen alle volkeren gezegend worden.

Als we deze uitwerking zouden analyseren zullen we ontdekken dat sommige beloften individueel op Abraham van toepassing zijn. Andere beloften zijn nationaal en van toepassing op Israël als volk. Tenslotte zijn er ook beloften die spreken van een universele zegen voor de volkeren.

De bepalingen van het Palestijns verbond.

Het zogenaamd Palestijns verbond is vermeld in Deuteronomium 30:1-10 en omhelst het volgende:

(1)  Het volk zal uit zijn land verdreven worden vanwege hun ontrouw (Deut.28:63-68; 30:1-3).

(2) Er zal een toekomstige inkeer zijn van Israël (Deut.2!:63-68; 30:1-3).

(3) Hun Messias zal terugkomen (Deut.30:3-6).

(4) Israël zal hersteld worden in het land ((Deut.30:5).

(5) Israël zal veranderd worden als volk (Deut.30:4-8; Rom.11:26-27).

(6) Israëls vijanden zullen geoordeeld worden (Deut.30:7).

(7) Het volk zal dan hun volle zegeningen ontvangen (Deut.30:9).

De bepalingen van het Davidisch verbond.

De belofte door God gedaan aan David zijn vermeld in 2 Samuël 7:12-16 en bestaat uit de volgende zaken:

(1) David zou een nakomeling krijgen die hem zou opvolgen en het koninkrijk oprichten.

(2) Deze zoon (Salomo) zou de tempel bouwen in plaats van David.

(3) De troon van dat koninkrijk zou bestaan voor eeuwig.

(4) De troon zou hem (Salomo) niet ontnomen worden hoewel zijn zonden tuchtiging rechtvaardigen.

(5) Davids huis, troon en koninkrijk zullen voor altijd zeker zijn.

De bepalingen van het Nieuw verbond.

Het nieuwe verbond dat aan Israël beloofd is wordt vermeld in Jeremia 31:31-34 en bevat de volgende beloften aan het volk Israël, die vervuld zullen worden in het Vrederijk:

(1)  Het Nieuwe verbond is een onvoorwaardelijk, genadeverbond gebaseerd op het ‘Ik wil’ van God. De veelvuldige aanhaling van dat begrip vinden we in Jeremia 31:31-34, conform Ez.16:60-62.

(2) Het Nieuwe verbond is een eeuwig verbond. Dat is inherent aan het gegeven dat het verbond onvoorwaardelijk is en gegeven in genade (Jes.61:2, conform Ez.37:26; Jer.31:35-37).

(3) Het Nieuwe verbond belooft ook het schenken van een vernieuwde geest en hart, wat we de wedergeboorte kunnen noemen (Jer.31:33, conform Jes.59:21).

(4) Het Nieuwe verbond voorziet herstelling van Gods eer en heerlijkheid (Hos.2:19-20, conform Jes.61:9)

(5) Vergeving van zonden maakt ook deel uit van het verbond, ‘want Ik zal hun ongerechtigheid verwijderen, en Ik zal hun zonden niet meer gedenken’ (Jer.31:34b).

(6) De inwoning van de Heilige Geest is ook in het verbond inbegrepen. Dat blijkt uit een vergelijking van Jer.31:33 met Ez.36:27).

(7) Het onderwijs van de Heilige geest zal geopenbaard worden, en de wil van God zal worden gekend door gehoorzame harten (Jer.31:34).

(8) Zoals altijd zal Israël, als het in het land is, gezegend worden met materiële zaken in overeenstemming met de inhoud van het nieuwe verbond (Jer.32:41; Jes.61:8; Ez.34:5-27).

(9) Het altaar zal weer herbouwd worden in Jeruzalem, wat er staat geschreven: ‘Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen (Ez.34:25-27).

(10) Oorlogen zullen ophouden en vrede zal heersen in overeenstemming met Hosea 2:18. Het feit dat dit een definitief karakter is geeft een extra bewijs dat het Vrederijk letterlijk genomen moet worden in zijn uiteindelijke vorm (Jes.2:4).

(11) Het bloed van de Heer Jezus is de grondslag voor al de zegeningen van het Nieuwe verbond, want ‘Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is’ (Zach.9:11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Profetieën over de komst van de Messias’

 

 

 

‘Toen nu Johannes in de kerker de werken van de Christus hoorde, zond hij door middel van zijn discipelen een vraag, en zei tot Hem: Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten?’ (Mat.11:3)

Een van de beste bijbelstudies ooit op aarde gehouden was het onderwijs dat de Heer heeft gegeven aan die twee gedesillusioneerde mensen die van Jeruzalem onderweg naar huis waren en wier hele wereld was ingestort na de berichten die ze hadden gehoord over de Heer Jezus. U weet wie ik bedoel, juist, de Emmaüsgangers. Ze wisten de recente gebeurtenissen wat de Heer Jezus betreft geen plaats te geven en waren verward. De Heer wees hun op de Schriften en dat ze alles moesten geloven wat de profeten hadden gesproken. Even later voegt de Heer de daad bij het woord en opent hen de Schriften: ‘En te beginnen met  Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond’ (Luk.24:27). Het openen van het Woord verspreidt licht (Ps.119:130) en hun verdriet veranderde in blijdschap toen ze tot de ontdekking kwamen Wie Hij was. Maar niet alleen dat, ook hun hart werd brandende door het openen van de Schriften! Hoe is het met uw hart gesteld wanneer u de Schrift opent?

Hetzelfde zien we gebeuren wanneer Filippus zijn vriend Natanaël vertelt wat hij in de Schriften ontdekt heeft: ‘Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth’ (Joh.1:46). En zo mag Filippus zijn vriend tot de Heer leiden.

Ook de religieuze leiders van Jeruzalem worden door de Heer verwezen naar de Schriften: ‘Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven’  (Joh.5:46). En in de gebeurtenis van Lazarus worden de vijf broers van de rijke man ook verwezen naar de Schriften: ‘Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit de doden op, zich niet laten overtuigen’ (Luk.16:31).

In de vier hierboven aangehaalde gebeurtenissen kunt u opmerken wat een belangrijke plaats het Woord van God heeft. De Heer Jezus vormt het hoofdonderwerp van het Oude Testament, en de Kerstperiode is de ideale tijd om te onderzoeken wat er van tevoren over Jezus’ wonderlijke geboorte is geschreven. Gaat u met mij mee om te ontdekken wat Mozes en de profeten hebben geprofeteerd over de komende Messias en wat de Schrift nog meer te zeggen heeft over de Heer Jezus?

Hij zou komen als een mens, niet als een engel

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad’ (Gen.3:15)

De Heer Jezus is niet gekomen om gevallen engelen te verlossen (Heb.2:16), maar mensen gevallen in de zonde, en daarom moest Hij de mensen gelijk worden (Fil.2:7-8). ‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14). ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven aan slavernij onderworpen waren. Want inderdaad, niet engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan’ (Heb.2:14-16).

Er is echter één groot en bijzonder belangrijk onderscheid in het Mens-zijn van de Heer Jezus ten opzichte van ons. Hij had wel een echt menselijk lichaam van vlees en bloed aangenomen, maar zonder de aanwezigheid van de inwonende zonde! Dat is nog wat anders dan wat de apostel Petrus zegt: ‘Hij die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in zijn mond gevonden’ (1Petr.2:22). Dat is waar, de Schrift spreekt ook over Christus als de Heilige, Die geen zonde gekend heeft, en dat gaat verder!

Over het zonder zonde zijn van de Heer is de Schrift duidelijk! ‘Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde’ (Heb.4:15). ‘En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde‘ (1Joh.3:5). Daarom kon de Heer Jezus zeggen: ‘Wie van u overtuigt Mij van zonde?’ (Joh.8:46). De Heer Jezus is wel tot zonde gemaakt op het kruis van Golgotha, Hij, de Rechtvaardige, voor ons onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1Petr.3:18). ‘Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem’ (2Kor.5:24).

Hij zou komen als een kind, niet als een volwassene

Nogmaals: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad’ (Gen.3:15)

De eerste Messiaanse profetie is Genesis 3:15, die spreekt van een nakomeling van het ‘zaad’ van de vrouw. Op Adam en Eva na, zijn we allemaal geboren uit een man en een vrouw. De andere uitzondering is de Heer Jezus, geboren uit een vrouw, zonder tussenkomst van een man. De Heer Jezus was door de heilige Geest verwekt bij Maria (Luk.1:31,35). De wijzen vroegen waar de koning van de Joden geboren was, de priesters en schriftgeleerden kenden het antwoord : in de kleine stad Bethlehem in Judea (Mat.2:6; Mi.5 :2). Maar ‘klein’ hoeft niet onbelangrijk te zijn. Toen God het volk Israël wilde oprichten, opdat via die weg de Messias in de wereld zou kunnen komen, schonk Hij een baby aan een kinderloos echtpaar (Gen.18:10). Die zoon, Izaäk, werd de vader van Jakob, die op zijn beurt de vader werd van de zonen van de stammen van Israël. Daarom wordt God genoemd: ‘de God van Abraham, Izaäk en Jakob’.

Toen het volk in slavernij in Egypte geraakt was, schonk God een baby aan een toegewijd joods echtpaar, en Mozes groeide op en werd de bevrijder van het volk Israël (Ex.2:1). Veel later, toen het volk Kanaän had veroverd, gingen ze de afgoden dienen en het licht van God was nog maar zwak. Maar God schonk een kind aan Elkana en Hanna ; Samuël groeide op en leidde het volk terug tot de dienst aan God (1Sam.1:19-20). God gebruikte twee weduwen – Naömi en Ruth – en Ruth huwde Boas, waaruit Obed geboren werd (Ruth4:13-22). Obeds achterkleinkind, David, werd geboren en God gebruikte hem om het koningschap te herstellen dat onder Saul in verval was geraakt (1Sam.16:4-13). De Heer Jezus werd geboren als nakomeling van David (Mat.1:1). Ja, baby’s zijn klein maar niet onbelangrijk en het is Gods antwoord aan een wereld verloren in schuld.

Hij zou komen als een man, niet als een vrouw

‘Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes, ook over hen die niet gezondigd hadden door te overtreden zoals Adam, die een voorbeeld is van Hem die zou komen’ (Rom.5:14)

De oudtestamentische profetieën spreken over de verwachte Messias altijd in termen van een man, nooit als een vrouw. Romeinen 5:12-21 laat ons zien dat Adam het hoofd was van het menselijk geslacht. De Heer Jezus kwam als de laatste ‘Adam’ om het menselijke ras te verlossen en een nieuwe heerschappij te creëren (1Kor.15:20-22, 45-49; 2Kor.5:17). ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jes.9:5). Heel opmerkelijk is de tekst in Openbaring 12:5, waar gesproken wordt over ‘een Zoon, een mannelijk kind. ‘En zij baarde een Zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon’. Een duidelijke verwijzing naar de Messias uiteraard. Deze Messias vinden we terug in Psalm 2. Deze Psalm geeft ons een vooruitblik over de toekomstige heerschappij van de Messias en daar is tot twee keer toe sprake van een ‘Zoon’. ‘Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg, Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!’ (Ps.2:7-12). Ook het Nieuwe Testament spreekt over ‘zoon van David’ of ‘zoon van Adam’ (Mat1:1; Luk.3:23,38).

Hij zou komen als een Jood, niet als iemand uit de volkeren

U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden’ (Joh.4:22)

In Genesis 12:1-3 sluit God een verbond met Abraham en zijn nageslacht en via hem zou de hele wereld gezegend worden. ‘De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.’ Die zegen komt via de Heer Jezus. ‘Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. (Gal.3:16-18). De Messias zou voortkomen uit de stam van Juda : ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10; Heb.7:14). Maar ook uit het geslacht van David (2Sam.7:12-16) en geboren uit een maagd. ‘Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Jes.7:14; Luk.1:34-38). Hij zou in Bethlehem geboren worden, een plaats in Israël. Gods zegen voor alle geslachten van de aardbodem zal komen via Abraham, de ‘vader’ van het volk Israël waaruit de Messias gekomen is (Gen.12:3).

Hij zou in Bethlehem geboren worden

‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël’ (Mi.5:2) 

In de bijbel zijn twee plaatsen vermeld met de naam Bethlehem, de ene ongeveer 12 km noordelijk van Nazareth, in Zebulon (Joz.19:15; Ri.12:8-10), het huidige Nazareth-Illit, en de andere zo’n 9 km ten zuidwesten van Jeruzalem, in Juda, waar de Heer Jezus werd geboren. Dat Bethlehem wordt bijna dertig keer vermeld in het Oude Testament en heeft een rijke geschiedenis, die in relatie staat met de Heer Jezus en ons kan helpen om beter te verstaan waarom Hij voor ons gekomen is.

Bethlehem betekent ‘broodhuis’ en Efrata betekent ‘vruchtbaar’, omdat het land rond Bethlehem erg vruchtbaar was. Het was bij de Joden algemeen bekend dat de Messias in Bethlehem geboren zou worden (Mi.5:2; Mat.2:5). Dat de Heer Jezus, het Brood van het leven, geboren zou worden in het ‘broodhuis’, is niet toevallig. God zond het volk Israël in de woestijn brood uit de hemel, het manna, maar Hij zond Jezus om leven te geven aan de hele wereld. Het kostte God niets om elke morgen het manna te geven, maar het kostte Jezus zijn leven om als ‘brood’ gegeven te worden aan een wereld van verloren zondaren. Eet het brood van deze wereld en je zal niet verzadigd worden, maar als je de Heer Jezus aanneemt en je ‘voedt’ met Hem, zal je nooit meer honger kennen. Het ‘aardse’ leven van de vleesgeworden Zoon van God begon in het ‘broodhuis’, en ons eeuwig leven begint wanneer we geloven in de Heer jezus als het ‘brood van het leven’.

Als de Heer Jezus niet in Bethlehem geboren was, zou de plaats alleen herinneren aan een aantal minder fraaie gebeurtenissen uit het verleden. Ten eerste, de dood van Rachel (Gen.35:16-20; Jer.31:15) en de dood van de onschuldige jongetjes (Mat.2:16-18). Maar er is nog een andere gebeurtenis die onze aandacht vraagt, namelijk het verlangen van David naar water uit de bron bij de poort van Bethlehem, waar hij vandaan kwam. Bethlehem is niet slechts een ‘broodhuis’, maar ook een plaats waar aan geestelijke dorst tegemoet gekomen kan worden. De Heer Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw die bij de bron van Jakob zat: ‘Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben; maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven‘ (Joh.4:13-14). De laatste uitnodiging in de bijbel vermeld, luidt: ‘En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet’ (Op.22:17). De Heer Jezus is gekomen om te voorzien in ‘brood’ maar ook in ‘water’; er is genoeg voor een ieder. Heeft u al van dat aanbod gebruik gemaakt? Misschien is de ‘kerstperiode’ de tijd om dat te doen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

  

 

Profetie en Talen

 

 

 

Voorwoord

Voor een goed verstaan van de uitleg van de onderwerpen: doop van de heilige Geest en het spreken in talen is het raadzaam om onderstaande artikelen als een eenheid te lezen.

De doop met de heilige Geest – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

Is zuchten tongentaal? – Rubriek: Vraag & Antwoord

Profetie en Talen – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

Kracht van Boven! - Rubriek: Nieuwe Testament – Handelingen

 

Inleiding

De discussie over dit onderwerp zal wel nooit verstommen zolang er gelovigen op aarde zijn en ook dit artikel zal daar geen verandering in brengen. Waarom dan toch dit artikel? Heel eenvoudig omdat het over een onderwerp gaat dat in de Bijbel staat. Of u een definitief antwoord krijgt op uw eventuele vragen in verband ermee, weet ik niet, maar misschien kunt u er uw voordeel mee doen. U mag mijn gedachten toetsen aan Gods Woord, want dat is de Waarheid (Joh.17:17). Zo is het mogelijk Augustinus die gezegd heeft: ‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’ en het is goed elkaar daaraan nog eens te herinneren. In het overdenken van dit onderwerp, dat ik als bijzaak beschouw, is verdraagzaamheid dan ook een vereiste. Persoonlijk heb ik in mijn jeugd enige tijd een Pinkstergemeente bezocht, waar ook het spreken in tongen gepraktiseerd werd. Dit om maar aan te geven dat ik weet waarover ik spreek.

Onderaan dit artikel kunt u een overzicht vinden van de Bijbelse woorden die met dit onderwerp verband houden. Voordat we beginnen met de bespreking van het onderwerp, raad ik u aan om in alle rust hoofdstuk 14 van de eerste brief aan de Korinthiërs te lezen, want meestal start de discussie over dit onderwerp zonder daarvan kennis te hebben genomen, is mijn ervaring, en dat is jammer.

Ik gebruik de Voorhoeve-vertaling van het Nieuwe Testament.

Vs.1-2 ‘Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooral, dat u mag profeteren. Want wie in een taal spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat het, maar in de geest spreekt hij verborgenheden’.

Want de liefde (hfdst.13) is de basis voor het streven naar de geestelijke gaven. Paulus valt met de deur in huis, want we worden opgeroepen om te jagen naar liefde en te streven naar het profeteren, want wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting (14:3) en het bouwt de Gemeente op (14:4). Daarmee plaats Paulus een geestelijke uiting, zoals het spreken in een taal, onmiddellijk op een lagere plaats (vgl.13:8). Wij dienen echter te streven naar de grootste genadegaven (12:31). Niemand verstaat het als iemand in een taal spreekt en daarom is uitleg vereist (vs.14, 27-28). Spreken in een taal verbonden met uitleg kan dan eigenlijk profetie worden.

We sommen een aantal specifieke opmerkingen over het spreken in een taal op:

(1) De gave van het spreken in een taal is een geestelijke gave van de Heilige Geest (12:28; 14:2,39).

(2) Spreken in een taal is een geestelijke gave die niet noodzakelijk is voor onze redding. Men stelt de doop met of in de heilige Geest als voorwaarde voor het spreken in tongen (12:30-31).

(3) De gave van het spreken in een taal staat op een lager niveau dan profeteren (14:4).

(4) Het uitoefenen van de gave van het spreken in talen in het publiek is verbonden aan de voorwaarde dat er uitleg van is (14:26-28).

Vs.3-4 ‘Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. Wie in een taal spreekt bouwt zichzelf op; maar wie profeteert, bouwt de gemeente op’

Hier vinden we een definitie van wat onder profeteren verstaan moet worden. Meestal denken wij bij het woord profeteren onmiddellijk aan spreken over toekomstige dingen en die betekenis kan het ook hebben, maar hier wordt spreken tot of voor mensen omschreven als woorden van God die dienen tot opbouwing, vermaning en vertroosting van de gemeente. ‘Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God’ (1Petr.4:11).

Er wordt van uitgegaan dat we overvloedig dienen te zijn in het opbouwen van de gemeente (14:12). Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op. Paulus sprak meer dan allen in talen, maar geeft toch de voorkeur aan profetie omdat dat de gemeente sticht (14:18). Spreken in een taal bouwt alleen de spreker op, niet de gemeente!

Vs.5 ‘En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. En wie profeteert, is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente opbouwing ontvangt’.

Het is duidelijk waaraan de Heilige Geest de voorkeur geeft! Hoewel de apostel wilde dat allen in talen zouden kunnen spreken, geeft hij toch de voorkeur aan profetie, tenzij het wordt uitgelegd, door degene die in tongen spreekt of door een andere uitlegger (14:27-28), want dan ontvangt de gemeente ook woorden tot opbouwing (14:12).

Wie in talen spreekt kan persoonlijk een mooie geestelijke ervaring ondervinden, maar als er geen vertaling is dient het niet tot opbouw van de gemeente (12:30; 14:13, 22-25, 27-28). Vandaar Paulus’ verlangen dat men zich zou uitstrekken tot de profetie, want profetie is een grotere en meer bruikbare gave dan spreken in een taal.

Vs.6-12 ‘En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek (of: in een vreemde taal spreek), welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek óf in openbaring, óf in kennis, óf in profetie, óf in leer?’ Zelfs de onbezielde dingen die geluid geven, hetzij fluit, hetzij harp, als zij geen onderscheid in de tonen geven, hoe zal men weten wat op de fluit of wat op de harp gespeeld wordt? Immers als de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich voor de oorlog gereedmaken? Evenzo ook u, als u door de taal geen verstaanbaar woord geeft, hoe zal men weten wat gesproken wordt? Want u zult in de lucht spreken. Er zijn wie weet hoeveel soorten geluiden in de wereld, en geen is zonder eigen klank. Als ik nu de betekenis van het geluid niet ken, zal ik voor hem die spreekt, een vreemdeling zijn, en hij die spreekt, zal voor mij een vreemdeling zijn. Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot de opbouwing van de gemeente’.

Paulus legt ook hier weer de nadruk op ten eerste de mindere waarde van het spreken in talen, en ten tweede de meerdere waarde van de profetie. Sommige uitleggers gaan ervan uit dat Paulus hier andere talen bedoelde dan de taal die ze in Korinthe spraken. God geeft ons geen gaven om onszelf te stichten, maar opdat de anderen stichting ontvangen. Paulus hecht grote waarde, of beter gezegd, geeft de voorkeur aan dat wat de gemeente opbouwt (14:3,12,17,26).

Vs.14 ‘Daarom moet hij die in een taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen. Want als ik in een taal bid, dan bidt mijn geest, maar mijn verstand is onvruchtbaar’.

Wil het spreken of bidden in een taal effect en betekenis hebben voor de gemeente, dan moet de spreker bidden om het te mogen uitleggen. In dit hoofdstuk gaat het telkens om de uitoefening van de gave van het spreken in talen in de gemeente; daarom dient er daar ook uitleg te zijn (14:27-28). Dit is een vereiste waartegen vaak gezondigd wordt! Is er geen uitlegger, dan dient de spreker of bidder te zwijgen.

Omdat hij niet de betekenis van zijn gebed kent, moet ook de bidder zelf om uitleg bidden, want met zijn geest bidt hij wel, maar het gaat zijn verstand te boven.

Vs.15-17 Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen. Anders, als u looft met de geest, hoe zal hij die de plaats van een onkundige inneemt, amen zeggen op uw dankzegging? Hij weet immers niet wat u zegt? Want u dankt wel goed, maar de ander wordt niet opgebouwd’.

Paulus sprak meer dan zij allen in talen, daarom spreekt hij hier in de eerste persoon.

Sommige uitleggers gaan ervan uit dat het ook hier gaat om bidden en zingen in een onbekende taal, omdat de onkundige immers niet weet wat er gezegd wordt. Hij wordt dan ook niet opgebouwd.

Vs.18-19 ‘Ik dank God, dat ik meer dan u allen in talen spreek: maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een taal’.

Hier ligt de nadruk op het gebruik van de gave van het spreken in een andere taal in de gemeente, te onderscheiden van persoonlijke private uitoefening. Het grote onderscheid, vijf ten opzichte van tienduizend, geeft duidelijk de belangrijkheid van de profetie aan boven het spreken in talen.

Vs.22-25 ‘Broeders, weest geen kinderen in uw overleggingen, maar weest kleine kinderen in de boosheid, en wordt in uw overleggingen volwassenen. In de wet staat geschreven: ‘Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heer. De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; en de profetie is niet voor de ongelovigen, maar voor de gelovigen. Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of een onkundige binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen beoordeeld; het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn  aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is’.

Hier geeft de apostel een andere verklaring voor de talen, namelijk dat ze tot een teken zijn, met andere woorden ze hebben een bepaalde betekenis. Voor wie? Voor ‘dit volk’. Dat is dan voor de ongelovigen van het volk Israël. En wat houdt die betekenis in? Oordeel! Hiervoor wordt het boek Jesaja als verduidelijking aangehaald (Jes.28:11-12). Het gaat hier om de Assyriërs die tot het volk zouden spreken in talen die het niet verstond, maar die niet tot hun bekering hebben geleid. Daarom dat ook hier weer de profetie de voorkeur geniet, zoals uit het vervolg blijkt.

Vs.26 ‘Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging: laat alles gebeuren tot opbouwing..

Hier vinden we aanwijzingen van hoe de gelovigen in de dienst samenkwamen: er was vrijheid, geen eenmansbediening, maar alles diende tot opbouw van de gelovigen.

Vs.27-28 ‘Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat het uitleggen. Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente en laat hij tot zichzelf spreken en tot God’.

Het is noodzakelijk dat, wanneer er in talen gesproken wordt, uitleg gegeven wordt! Zie vs.5 ‘Tenzij hij het uitlegt’, of ook vs.13 ‘Bidden dat hij het mag uitleggen’ en vs.27 ‘Laat één het uitleggen’. Uitleg wordt vaak achterwege gelaten, terwijl het spreken in talen wel uitgeoefend wordt. Dit gaat in tegen de duidelijk instructies van de apostel!

Vs.29-33 ‘En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen. En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen. Want u kunt allen, één voor één profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden. En de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen. Want God is niet een God van verwarring maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen’.

Twee of drie spreken in een taal of profeteren en de geesten van de profeten zijn aan elkaar onderworpen, want God is geen God van verwarring maar van vrede.

Vs.34-37 ‘Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is een schande voor een vrouw te spreken in de gemeente. Of is het woord van God van u uitgegaan? Of is het alleen tot u gekomen? Als iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, laat hij erkennen, dat wat ik u schrijf een gebod van de Heer is. Maar is iemand onwetend, hij zij onwetend’.

Is Gods Woord tijdgebonden wanneer het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat? Moeten we dit duidelijk bevel wegredeneren of ter harte nemen? Moeten we aan inlegkunde doen om het aan onze behoeften aan te passen of aan uitlegkunde en doen wat er staat? Paulus staat niet toe dat een vrouw leert of over een man heerst (1Tim2:12). Hoever mogen we gaan wanneer de vraag aan de orde komt over het functioneren van de vrouw in de gemeente? De Schrift is mijns inziens duidelijk, maar is dat haalbaar in onze tijd van emancipatie? Veel is mogelijk, niet alles is wenselijk.

Vs.39-40 ‘Daarom, mijn broeders, streef ernaar te profeteren, en verhindert het spreken in talen niet. Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren’.

Hoe we ook denken over het spreken in talen, we mogen het niet verhinderen. Verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar in de gemeente is hier de sleutel!

Samenvatting

Wanneer we een samenvatting maken, valt het op dat de apostel Paulus de gave van het spreken in talen relativeert ten opzichte van de profetie. Ik kom tot negen vermeldingen die dat aangeven:

1. We dienen te streven naar geestelijke gaven, maar vooral het profeteren. ‘Streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooal, dat u mag profeteren.’ (vs.1)

2. Als het gaat over opbouwing van de gemeente heeft de profetie de voorkeur. ‘Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op; maar wie profeteert bouwt de gemeente op.’ (vs.4)

3. Paulus uitte wel de wens dat allen in talen zouden spreken, maar nog meer dat ze zouden profeteren. ‘En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. Wie profeteert is meer dan wie in talen spreekt.’ (vs.5)

4. Als Paulus in de gemeente zou komen en in een vreemde taal zou spreken die niemand kon verstaan, welk nut zou dat hebben? ‘En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen?’ (vs.6)

5. Nogmaals geeft Paulus aan dat spreken in een andere taal geen nut heeft als het niet begrepen kan worden. ‘Evenzo ook u, als u door de taal geen verstaanbaar woord geeft, hoe zal men weten wat gesproken wordt? (vs.9)

6. De opbouwing van de gemeente krijgt voorrang boven alles. ‘Tracht overvloedig te zijn tot de opbouwing van de gemeente.’ (vs.12)

7. Heel sterk drukt Paulus zich hier uit in het voordeel van de profetie. ‘Liever vijf woorden met mijn verstand, dan tienduizend woorden in een taal.’ (vs.19)

8. De talen zijn een teken, dat wil zeggen: hebben een betekenis, namelijk voor de ongelovigen van het volk Israël (dit volk). ‘De talen zijn dus tot een teken, niet voor gelovigen, maar voor de ongelovigen.’ (vs.22)

9. Ongelovige bezoekers van de gemeente zullen tot de vaststelling komen dat er wartaal uitgeslagen wordt als er in talen gesproken of gebeden wordt en er geen uitleg is. ‘Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt?’ (vs.23)

10. Het is noodzakelijk dat er uitleg gegeven wordt wanneer er in een taal gesproken wordt, anders dient men te zwijgen. ‘Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen. Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente.’ (vs.5,13,27-28)

 

Tenslotte

 

Als het spreken in tongen of wat men daaronder ook mag verstaan zo belangrijk zou zijn is het dan niet vreemd dat we daarvan in het leven van de Heer Jezus niets tegenkomen? Op zijn minst hadden we daarvan toch een voorbeeld in de Schrift vermeld moeten zijn, maar we horen niets daarover. Reden voor mij om het spreken in tongen betrekkelijk te achten.

 

 

 

Woordverklaring

Woordverklaring volgens Strong-coderingen:

Hand.2:3,4 ‘talen’ – Grieks: ‘gloossa’, afleiding onzeker,

(1) de tong, een lichaamsdeel, een spraakorgaan

(2) een tong, de taal of het dialect dat een bepaald volk spreekt, te onderscheiden van die van andere volken.

Hand.2:8 ‘taal’ – Grieks: ‘dia’lektos’

(1) gesprek, taal, omgangstaal

(2) bepaalde taal, streektaal.

Hand.2:11 ‘talen’ -  gelijk aan Hand.2:4.

Hand.10:46 ‘talen’ - gelijk aan Hand.2:4

Hand.19:6 ‘talen’ - gelijk aan Hand.2:4

1Kor.14:2, 4, 5, 6, 9, 13, 14, 18, 19, 22, 23, 26, 39 ‘taal’ - gelijk aan Hand.2:4.

1Kor.14:21 ‘talen’ – Grieks: ‘hete’roglossos - iemand die een vreemde taal spreekt

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De doop met de heilige Geest

 

 

 

Voorwoord

Voor een goed verstaan van de uitleg van de onderwerpen: doop van de heilige Geest en het spreken in talen is het raadzaam om onderstaande artikelen als een eenheid te lezen. 

De doop met de heilige Geest – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen 

Is zuchten tongentaal? – Rubriek: Vraag & Antwoord 

Profetie en Talen – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen 

Kracht van Boven! - Rubriek: Nieuwe Testament – Handelingen

Inleiding

Het zelfstandig begrip ‘doop van de Heilige Geest’ kent het Nieuwe Testament niet; u zult er in een concordantie vergeefs naar zoeken. Op de vraag van de Joden aan Petrus ‘wat moeten wij doen?’, geeft hij als antwoord: ‘U zult de gave van de heilige Geest ontvangen’ (Hand.2:38).

Wat er gebeurde op die Pinksterdag, staat beschreven in Hand.2:1-13, het was de uitstorting van de Heilige Geest zoals die beloofd en aangekondigd werd door de Heer Jezus (Joh.7:39; 16:7; Hand.1:6; 2:33).

Wat is de betekenis geweest van die uitstorting? Dat vinden we beschreven in 1 Kor.12:13, waar geschreven staat: ‘Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt’. De Heilige Geest heeft ‘de verstrooide kinderen van God tot één vergaderd’ (Joh.11:52; 10:16).

De Gemeente wordt onder meer voorgesteld door het Lichaam (Ef.1:16-23; 4:7-16; Kol.1:15-18; Rom.12:4-8; 1 Kor.10:16-17; 12:8-13).

De uitstorting van de Heilige Geest is een eenmalig gebeuren geweest, met een eenmalig doel, namelijk de vorming van de Gemeente (1Kor12:13). Iedere zondaar die nu tot geloof komt, ontvangt de Heilige Geest en wordt toegevoegd aan het Lichaam van Christus, de Gemeente. In Handelingen 8 en 10 vinden we nog twee groepen die aan de Gemeente toegevoegd moesten worden, namelijk de Samaritanen en de heidenen.

Wat we wel lezen in Hand.2:4 is, dat de gelovigen ‘vervuld werden met de Heilige Geest’, en dat is ook een opdracht voor ons (Ef.5:18)!

Het Nieuwe Testament leert ons niets over een zgn. ‘tweede ervaring’ of doop met de Heilige Geest waarmee het spreken in tongen gepaard zou moeten gaan.

Welke Bijbelplaatsen spreken over de doop met de Heilige Geest?

Behalve een aantal tekstplaatsen in de evangeliën waar gesproken wordt over de ‘doop met de Heilige Geest (Mat.3:11; Mark.1:7; Luk.3:16; Joh.1:33), vinden we het verder in het NT slechts op drie andere plaatsen vermeld.

Twee keer komt het voor in het boek Handelingen, de eerste keer in Hand.1:5: ‘Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest worden gedoopt, niet vele dagen hierna’. De tweede plaats is Hand.11:15-16, maar dat is slechts een verwijzing van Petrus naar de gebeurtenis in Handelingen 2. De laatste plaats in het NT is 1Korinthiërs 12:13: ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt’.

Het begrip ‘doop met de Heilige Geest’ vinden we niet in de Bijbel, net zo min bijvoorbeeld als het begrip ‘drie-eenheid’ of ‘opname van de Gemeente’, maar uit het verdere onderwijs van de Bijbel blijken deze er wel te zijn.

Is de doop met de Heilige Geest een eenmalige historische gebeurtenis?

Uit de woorden van de Heer Jezus kunnen we concluderen dat met ‘de belofte van de Vader’ de doop met de Heilige Geest bedoeld wordt (vgl. Hand.1:4-5). De gebeurtenis die in Jeruzalem plaatsvond op de Pinksterdag (Hand.2:1-13), wordt dan ook door Petrus aangemerkt als de vervulling van deze belofte van de Vader (Hand.2:33).

De Heer Jezus zelf heeft de Geestesdoop voorzegd. Na zijn opstanding zei Hij tegen zijn volgelingen (Luk.24:49): ‘En zie, Ik zend de belofte van de Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit de hoogte.’ Blijkens Hand.1:8 wordt hier de gave van de Geest bedoeld. De ‘belofte van mijn Vader’ is dat wat de Vader beloofd heeft: de Heilige Geest, die al door de profeten was aangekondigd (Jes.32:15; 44:3; Ez.36:27; 37:14; Jl.2:28).

De Heilige Geest kan strikt genomen maar één keer uitgestort worden – er kan maar één Pinksteren zijn, zoals er ook maar één ‘Golgotha’ is geweest, en de Gemeente kan maar één keer ontstaan zijn.

Is de doop met de Heilige Geest hetzelfde als de vervulling met de Heilige Geest?

Daarover bestaat veel verwarring. Vooral in zgn. ‘Pinksterkringen’ wordt veel gesproken over de doop met de Heilige Geest als een tweede ervaring. Vaak bedoelen ze daar dan mee de ‘vervulling met de Heilige Geest’.

Ik geloof niet dat we de ‘doop met de Heilige Geest’ mogen gelijkstellen met de ‘vervulling met de Geest’, hoewel de ‘vervulling’ vaak dat is wat andere gelovigen met de Geestesdoop bedoelen.

Iemand heeft gesproken van ‘verkeerde benaming – echte ervaring’ en ‘de term is niet het punt’. Hoe we het ook noemen, het is belangrijk dat het volledige pakket aan doopzegeningen in ons tot leven gewekt wordt, hoe dat ook gebeurt. De pinksterwerkelijkheid is veel belangrijker dan de terminologie.’

Dit mag geen vrijbrief zijn om Bijbelse begrippen naar willekeur te gebruiken. Als de Bijbel spreekt over de ‘doop met de Heilige Geest’, dienen we te beseffen dat dat een eenmalige historische gebeurtenis was, met als doel de vorming van de nieuwtestamentische Gemeente, het lichaam van Christus. Elke volgende interactie tussen de gelovige en de Heilige Geest valt onder het hoofd ‘vervullingen’. Deze ‘vervullingen’ kunnen telkens weer optreden – zij zijn niet alleen bedoeld voor het begin van ons leven als christen, maar zijn telkens weer herhaalbaar.

Maar hoe u beide begrippen ook gebruikt, de opdracht voor elke gelovige blijft: ‘wordt vervuld met de Geest!’ (Ef.5:18).

Moet ik ook met de Heilige Geest worden gedoopt?

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat naast de waterdoop geen tweede Geestesdoop nodig is. ‘Want, wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt!’ (1 Kor.12:13). Zonder hier verder op in te gaan, kunnen we zeggen dat de volgorde is: de bekering, daarna de waterdoop en dan het ontvangen van Gods Geest. Wat wel mogelijk is, is dat door gebrek aan onderwijs, veel gelovigen niets weten over het ontvangen en de inwoning van de Heilige Geest (vgl. Hand.19:2) en dat daardoor ook niets van de vrucht van de Geest in hun leven terug te vinden is.

Wat is de betekenis van de doop met de Heilige Geest?

Zoals gezegd: naast de twee vermeldingen in het boek Handelingen, is de vermelding van de doop met de Heilige Geest in 1Korinthiërs 12:13 de enige andere, maar wel zeer belangrijke vermelding, want daaruit kunnen we leren wat de betekenis is. ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt’. Het ‘lichaam’ is een van de metaforen van de NT-Gemeente. Andere zijn o.a. Huis van God en Bruid van het Lam. In de brief aan de Efeziërs 1:22, maar ook wel op andere plaatsen, vinden we daarvan een bevestiging: ‘En Hij heeft alles aan zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is.’

De Geestesdoop heeft, zoals gezegd, op de Pinksterdag plaatsgevonden (Hand.2), waardoor de Gemeente is ontstaan. Op de Pinksterdag zijn de afzonderlijke gelovigen door de Geestesdoop tot het ene lichaam samengevoegd, en als mensen tot geloof komen in de Heer Jezus worden zij aan dat lichaam toegevoegd.

Door de Heer Jezus is deze ‘samenvoeging’ verwoord en aangekondigd in Johannes 10:16 ‘En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.’

Conclusie

Zoals altijd, dienen we Gods woorden met zorgvuldigheid en in hun juiste betekenis te gebruiken. We moeten ook oog hebben voor de terminologische verwarring die er op het christelijke erf soms heerst en ons kunnen inleven in de gedachtewereld van die ‘andere gelovige’, die vaak met andere woorden hetzelfde bedoelt. Zoals in dit artikel, dat iemand, als hij of zij spreekt over de ‘doop met de Heilige Geest’, de ‘vervulling met de Geest’ bedoelt! Iemand heeft gezegd: ‘de ervaringen met God die pinkstermensen hebben, zijn beter dan hun uitleg ervan’.

Ik hoop dat uw uitleg van de doop met de Heilige Geest net zo goed is als de vervulling met de Geest in uw leven!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Gedachten over het lijden

 

  

 

Als het kwaad Gods kinderen treft! 

 

 

 

Inleiding

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw baarde het boek van rabbi Harold Kushner ‘Als het kwaad goede mensen treft’ veel opzien. We gaan dat boek niet bespreken maar in dat boek kwam Kushner tot de conclusie dat het niet waar is dat God almachtig is en alles in de hand heeft: ‘Hij staat erbij en kijkt ernaar!’. Het volgende verhaal illustreert misschien wat Kushner bedoelde. Een directeur ontslaat personeelsleden. Daaraan kan de personeelschef niks veranderen. Wel kan hij troosten en bemoedigen en helpen om een nieuwe baan te vinden. In het denken van Kushner, en veel anderen, is God niet de directeur maar de personeelschef. Hij kan er ook niks aan doen wanneer iemand jammer genoeg ontslag krijgt. Andere factoren en krachten veroorzaken zo’n gebeurtenis. Het enige wat God kan doen is: troosten en helpen om zin te geven. Tot zover Kushner.

De verschijning van dat boek heeft grote invloed gehad op het denken van veel christenen over het lijden dat in deze wereld aanwezig is en ook hen treft. Want als er één zaak is waar ieder mens vroeg of laat mee te maken krijg,t is dat wel het lijden, in welke vorm dan ook. Lijden hoort bij deze gevallen schepping, we kunnen er niet aan ontkomen, hoogstens kunnen we proberen de pijn te verzachten. In dit artikel willen we niet gaan nadenken over het lijden dat de mensen in het algemeen overkomt, maar over het lijden dat ons als Gods kinderen kan overkomen. Ik geloof dat de eindconclusie totaal verschillend zal zijn van die van Kushner! Het lijden is het centrale thema van het Bijbelboek Job en dat was ook het uitgangspunt van Kushner. Wanneer we met lijden te maken hebben, dan komen ook bij ons de vragen naar boven. Is er een God? En als er een God is, wat voor een God is dat dan? Welke ‘spelregels’ gebruikt Hij dan? Is Hij vrij in zijn handelen, of is Hij gebonden aan zijn eigen schepping? Werkt Hij aan een plan voor ons of is Hij begrensd in zijn tussenkomst? Is het nodig om te bidden? Hebben wij gezaghebbende informatie van God en over God, of moeten we onze eigen conclusies maar trekken gebaseerd op de ervaringen van anderen?

God bezorgt ons nooit onnodig leed

‘Mijn tijden Heer zijn in uw hand; ik vrees niet, want ik weet: mijns Vaders hand veroorzaakt nooit zijn kind onnodig leed’ (Geestelijke Liederen 198)

Door te zeggen dat God ons nooit onnodig leed bezorgt, zeggen we tevens dat wij wel leed kunnen ervaren. Maar als gelovigen en Gods kinderen staan wij in een totaal andere relatie tot God dan een ongelovige. Hij is niet alleen onze Schepper, zoals Hij dat is van alle mensen, maar ook onze Vader. Het lijden is dan niet doelloos maar krijgt betekenis. Het was Job die tegen zijn vrouw zei: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en niet het kwade?’ (Job.2:10). Daarmee  gaf Job aan wat hij was, een gelovige, en in Wie hij geloofde, God. Job wist wel wat er gebeurde maar niet de reden van het leed dat over hem kwam. En toch kon hij zeggen: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ (1:21). In plaats van God te vervloeken, zoals satan verwachtte dat Job zou doen, loofde Job de Here! Iedereen kan zeggen ‘de Here heeft gegeven’ of ‘de Here heeft genomen’ maar het getuigt van echt geloof om in het midden van het lijden te zeggen : ‘De Naam des Heren zij geloofd!’ Daarom ligt er ook een wereld van verschil tussen Job en Noömi. Noömi had ook veel lijden in haar leven ervaren, maar de oorzaak daarvan lag veel meer in de beslissingen die zij en haar man genomen hadden. Zij zei: ‘de hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’ en ‘de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’ en ‘de Here heeft tegen mij getuigd en de Almachtige heeft mij kwaad aangedaan’ maar niet ‘de Naam des Heren zij geloofd!’ (Ruth1:13,20,21). Met die woorden beschuldigd ze God van het haar overkomen leed.

Wanneer Paulus schrijft: ‘Wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar zijn voornemen zijn geroepen’ (Rom.8:28), dan hebben we al een antwoord op de vraag naar de zin van het lijden waarmee wij geconfronteerd kunnen worden. Het is ten goede! We zouden meerdere oorzaken kunnen aanwijzen waardoor wij kunnen lijden. Ten eerste, lijden dat ons overkomt doordat andere mensen verkeerde beslissingen nemen. We hoeven maar te denken aan Jozua en Kaleb, die de gevolgen moesten dragen van de beslissing van de tien verspieders om het beloofde land niet binnen te trekken en daarom ook de veertig jaar door de woestijn moesten trekken. Of denken we aan Paulus, die schipbreuk leed ten gevolge van de verkeerde beslissing van de stuurman (Hand.27:11vv.). Lijden kan ons ook overkomen doordat wij verkeerde beslissingen nemen, zoals Jona die zijn eigen weg verkoos boven die van God en in grote moeilijkheden raakte. Verder kan ons leed treffen wanneer God in het spel is. We denken dan aan leed dat onze geestelijke groei moet bevorderen of leed dat dient ter voorbereiding op een toekomstige dienst, zoals bij Jozef, of leed waardoor we God mogen verheerlijken (Joh.21:19) of leed als vorm van tucht om ons te corrigeren van een verkeerde wandel (Hebr.12:5vv.). ‘Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar het hun goeddacht bestraft, maar Hij doet dat tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan zijn heiligheid’ (Hebr.12:10)

Ja, wel leed, maar nee, geen onnodig leed!

Gods bedoelingen zijn vaak verborgen

‘Moet ik vragend hier vaak gaan, Boven zal ik het eens verstaan!’ (Geestelijke Liederen 118)

Vragend moeten wij hier vaak gaan in het vertrouwen dat God er zijn bedoeling mee heeft. Het is geen wonder dat Job veel vragen had. Iemand heeft ongeveer driehonderd vragen in het gelijknamige boek geteld, waarvan een groot aantal door Job zelf gesteld. Een echt antwoord kreeg hij niet. Hoe graag had Job met God willen spreken om zich te verantwoorden. ‘Maar toch, ik wil tot de Almachtige spreken, ik wens mijn zaak te bepleiten bij God’ (Job 13:3). Maar toen Job in de gelegenheid kwam om dat te doen, zweeg hij en zei hij: ‘Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer; ja tweemaal, maar ik ga er niet mee voort‘ (39: 37,38). Wat wij in moeilijke tijden werkelijk nodig hebben, is geen verklaring van God, maar een openbaring van Hem. Die openbaring kreeg Job door de beschrijving van grote dieren en van Gods majesteit in de natuur (Job 38-39). Hij ‘zag’ een God die tot grote dingen in staat is en een God die krachtig bijstaat hen die tot Hem roepen (Luk.18:7). Toen antwoordde Job: ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as’ (Job 42:5,6). Wanneer wij ernstig lijden, dienen we Gods grootheid te zien om te weten dat Hij alles onder controle heeft. Wanneer situaties ons vermogen tot het uiterste op de proef stellen, hebben we Iemand nodig die daarboven staat; groter is dan dat. In de Bijbel hebben we een openbaring van God. We hebben ook openbaringen - een reeks van gebeurtenissen – van wat lijden kan betekenen vanuit Gods oogpunt. Als we deze ‘ljjdensverhalen’ goed begrijpen, dan kunnen die ons helpen om de beproevingen in dit leven beter te begrijpen en een plaats te geven.

Een schitterend oudtestamentisch verhaal illustreert dit door het leven van Jozef. Jozefs broers waren jaloers op hem, haatten hem en verkochten hem als slaaf. Jozefs vader was in de veronderstelling dat zijn geliefde zoon dood was, maar in werkelijkheid diende hij als slaaf in Egypte. Jozef bracht meerdere jaren in de gevangenis door, maar door een reeks wonderlijke gebeurtenissen werd hij onderkoning. Daardoor was hij later in staat zijn vader en broers tijdens een zware hongersnood in het leven te behouden (zie Genesis 37-50).

Vanuit menselijk oogpunt was dat wat Jozef was overkomen, slecht. Jaloersheid en haat zijn slechte eigenschappen. Het is slecht om van je vader gescheiden te worden om als slaaf verkocht te worden. Het is slecht om vals beschuldigd te worden waardoor je in de gevangenis terechtkomt. Maar uiteindelijk keerden al deze gebeurtenissen zich ten goede. Jozef zei tegen zijn broers: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (Gen.50:20; 45:5,7). Ja, ‘vragend moeten wij vaak gaan’; dat komt omdat Gods wegen onnaspeurlijk zijn (Rom.11:33) en zijn wegen hoger zijn en anders dan onze wegen (Jes.55:9). Maar geen nood, God is te vertrouwen: ‘U weet als Vader wat U doet, de weg die U bepaalt is goed.’ Laten we daarom al onze zorgen op Hem leggen want Hij zorgt voor ons! (1Petr.5:7).

God met ons!

Hij is aanwezig

We mogen nooit vergeten dat, wat ons ook overkomt en welk lijden we ook ondergaan, God ons nooit zal verlaten. In het boek Genesis lezen we in hoofdstuk 39 tot drie keer dat de Here met Jozef was (vs.2,21,23). Misschien ervaren wij Gods aanwezigheid niet meer of worden we overstelpt door verdriet (Joh.20:11-18); toch is Hij er, altijd en overal, zelfs in een vurige oven (Dan.3:24)! ‘Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand’ (Jes.41:10; Matt.28:20).

Hij lijdt mee

Dat de Heer meelijdt met ons, wordt duidelijk geïllustreerd tijdens de vervolging van de gemeente door Paulus, als de Heer tot hem zegt: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Hand.9:4). ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’ (Jes.63:9).

‘Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde.’ (Heb.4:15). De HSV- vertaling is hier minder duidelijk en spreekt van medelijden in plaats van mee te lijden. ‘Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden’.

Hij kan helpen

Toen Sadrak, Mesak en Abednego in grote nood waren, antwoordden ze koning Nebukadnessar, toen hij hen dreigde in de brandende vuuroven te gooien, met de woorden: ‘Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven en uit uw macht o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (Dan.3:17-18). ‘De hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen’ (Jes.59:1). ‘Want waarin Hij Zelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, kan Hij hen die verzocht worden, te hulp komen’ (Heb.2:18), maar wat zijn liefde wil bewerken ontzegt Hem zijn vermogen niet.

Het gebed

Christenen staan in relatie met een God die hoort als we tot Hem roepen. In het denken van Kushner is het enige wat God kan doen: troosten en helpen om zin te geven. Het nog net geen deïsme dat God als Schepper erkent, en gelooft dat Hij zich sinds de schepping niet meer met haar inlaat en dus het werk van de onderhouding loochent. ‘Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Here, onze God, telkens als wij tot Hem roepen?’ (Deut.4:7). We mogen en kunnen onze gevoelens en verlangens bij God bekendmaken (Fil.4:6).

Ten slotte

Er is nog veel meer te zeggen over dit onderwerp; het zal ons altijd bezig blijven houden zolang wij hier op aarde zijn. Maar we weten dat het lijden beperkt is tot de tegenwoordige tijd, eindig is en vervangen zal worden door heerlijkheid (Rom.8:18). We mogen dan ook uitzien naar die heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. ‘Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe. En dat niet alleen, ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van ons zoonschap: de verlossing van ons lichaam’ (Rom.8:22-23).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

 

 

Leven in de verwachting

van Jezus’ komst

 

Inleiding

Wanneer er belangrijke politieke of maatschappelijke veranderingen ontstaan, veroorzaken die bij een groot deel van de mensheid vaak een gevoel van onzekerheid en/of verwachting. En wat hebben we in het recente verleden niet allemaal zien veranderen! Schrijver dezes is geboren in 1947, toen er nog geen sprake was van een staat Israël of een verenigd Europa. En wat te denken van al die nieuwe uitvindingen en toepassingen van de technologie? Wie kan zich nog een wereld voorstellen zonder internet, om maar iets te noemen? Het is dan ook boeiend om een van de bekendste wetenschappers van vandaag aan het woord te laten en te horen wat zijn verwachtingen zijn voor de toekomst van de mensheid. Ik denk aan de beroemde wetenschapper Stephen Hawking, die op 17 november 2016 het volgende schreef: ‘Het menselijk ras heeft nog maar duizend jaar op deze planeet voordat het uitsterft.’ Dat zei hij tijdens een toespraak bij Oxford Union, schrijft The New York Post. ‘Ik denk niet dat we nog duizend jaar overleven zonder onze fragiele planeet te verlaten’, aldus de wetenschapper. Het is niet voor het eerst dat hij een dergelijke waarschuwing geeft; in 2011 zei hij ook al dat het tijd wordt om de aarde te verlaten, omdat onze zelfzuchtige en agressieve genen de mens op aarde de das om zullen doen. Volgens Hawking zijn de grootste boosdoeners op dit moment de vooruitgang in de technologie, de steeds groter wordende kans op een nucleaire oorlog en de gevaren van de klimaatverandering. Onze enige hoop is volgens hem een andere planeet vinden waar we kunnen leven. ‘We moeten de ruimte in blijven gaan voor de toekomst van de mensheid’, zei Hawking. De 74-jarige kosmoloog moedigde studenten dan ook aan om nieuwsgierig te blijven en herinnerde hen om ‘naar de sterren te kijken en niet naar je voeten.’ Tot zover Hawking. We gaan ons maar niet bezighouden met naar de sterren te kijken om te weten te komen waar het met deze wereld naartoe gaat, maar willen aan de hand van vijf teksten uit het Nieuwe Testament zien wat deze ons te zeggen hebben over de dingen die staan te gebeuren.

De planeet die aarde heette

‘Terwijl de mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen, want de krachten van de hemelen zullen wankelen’ (Luk.21:26).

De gebeurtenissen die de tijd zullen kenmerken voorafgaand aan de komst van Christus, zullen zulke proporties aannemen dat er bij de mensen een groot gevoel van onbehagen zal zijn, ook al weten ze niet wat er staat te gebeuren. De Bijbel laat ons echter niet in het ongewisse over de toekomst van planeet aarde, maar geeft een vrij nauwkeurig beeld van wat er in de nabije toekomst staat te gebeuren. Het evangelie naar Mattheüs spreekt over ‘volk dat op zal staan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, er zullen hongersnoden en aardbevingen zijn in verschillende plaatsen’ (Mat.24:6-7). De evangelist Lukas voegt eraan toe: ‘En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van zee en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen, want de krachten van de hemelen zullen wankelen’ (Luk.21:25-26). Benauwdheid onder de volken en mensen die het besterven van bangheid van de dingen die over het aardrijk komen zullen het leven van de mensen bepalen.

Het zal een tijd zijn die zich zal kenmerken door de grote veranderingen die zullen plaatsvinden op politiek en maatschappelijk terrein. Alle zekerheden die deze wereld kan bieden, zullen op losse schroeven komen te staan en zullen een groot gevoel van onzekerheid bij de mensen opwekken.

Wij als gelovigen hebben het profetisch Woord dat ons inlicht over de gebeurtenissen die zullen gaan plaatsvinden, maar de ongelovigen hebben niets wat hen daarover kan inlichten, zelfs Stephen Hawking niet, hoe geleerd die ook mag zijn. Hoe dat mogelijk is? De profeet Micha schrijft dat de volkeren de gedachten des Heren niet kennen en dat ze zijn raadslag niet verstaan, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer (Mi.4:12). Voor ons, gelovigen, getuigen de gebeurtenissen die er in de eindtijd zullen zijn van de komst van Christus. Die komst zal voor de gelovigen heil betekenen, maar voor de ongelovigen oordeel; daarover is Gods Woord zeer duidelijk, zoals we verder in dit artikel zullen zien. De Heer Jezus heeft gezegd dat er in die tijd ‘een grote verdrukking zal zijn zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen’ (Mat.24:21). Ondanks alle gebeurtenissen zullen de mensen het niet bemerken totdat deze tijd aanbreekt, zoals het was in die dagen vóór de zondvloed… en ze bemerkten het niet (Mat.24:38-39). Ze zou verachten dat bij zulke grote beroeringen in de wereld de mensen om genade zouden smeken, maar het tegendeel is waar. We lezen helaas tot vier keer toe: ‘Ze bekeerden zich niet!’ (Op.9:20,21; 16:9,11)

De tweede komst van Christus

‘Zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om de zonden van velen te dragen, de tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten’ (Heb.9:28).

De belofte dat de Heer Jezus terug zou komen werd door twee mannen, die bij de discipelen aanwezig waren tijdens de hemelvaart van de Heer, bevestigd met de woorden: ‘Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan’ (Hand.1:11). Zoals onze tekst al aangeeft, zal die tweede komst totaal verschillend zijn van de eerste komst als een kindje in een kribbe in Bethlehem!

De hierboven aangehaalde tekst uit de brief aan de Hebreeën laat zich niet zo gemakkelijk lezen en enige uitleg over wat ‘zonder zonde‘ wil zeggen is nodig, anders lopen we het gevaar dat men uit vers 28 de conclusie trekt dat de Heer Jezus gedurende zijn eerste komst wel belast was met de zonde. Dat dit niet juist is blijkt wel uit een groot aantal teksten uit het Nieuwe Testament waaruit duidelijk naar voren komt dat de Heer Jezus de zonde niet kende noch gezondigd heeft (bv.1Joh.3:5; Joh8:46; 2Kor.5:21; Heb.4:15, 7:26, 9:14; 1Pett.1:19, 2:22, 3:18).

De Engelse NIV vertaalt vers 28 als volgt: ‘And He will appear a second time, not to bear sin, but to bring salvation to those who are waiting for Him’. (En Hij zal een tweede keer verschijnen, niet om de zonde te dragen, maar om heil te brengen aan hen die op Hem wachten) Hierdoor wordt duidelijk waarin de eerste komst van de Heer verschilt van de tweede. De eerste komst had tot doel om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf op het kruis van Golgotha! (vs.26). De tweede komst is om zegen te brengen aan de gelovigen. Toen de Heer Jezus de discipelen uitleidde tot aan Bethanië, hief Hij zijn handen op en zegende hen. En zó, met zegen, zal Hij terugkomen (Luk.24:50; Hand.1:11). Wat uit deze tekst heel duidelijk naar voren komt is dat we nog een tweede komst van de Heer Jezus mogen verwachten! We zien hier een onmiskenbare parallel met twee oudtestamentische personen. Ik denk aan Jozef en Mozes, die beiden bij hun eerste komst werden afgewezen maar bij hun tweede komst werden geaccepteerd (Hand.7:13, 35-36). Deze volgorde vinden we ook bij de Heer Jezus: eerst lijden, dan heerlijkheid (Luk.24:26; 1Petr.1:11).

Op weg naar huis

‘Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus als Heiland verwachten’ (Fil.3:20).

Dit is de derde tekst waarin gesproken wordt van de verwachting van de komst van de Heer Jezus, met nú de nadruk op het burgerschap van de gelovige. Deze tekst moet de gelovigen in Filippi eraan herinnerd hebben dat hun eigenlijke thuis in Rome lag en niet in Filippi. Zoals bekend, was Filippi eigenlijk een kolonie voor ‘gepensioneerde’ soldaten van het Romeinse rijk. Ze leefden tijdelijk in een ander deel van het rijk dan waar ze thuishoorden. Een vagebond heeft geen huis, een vluchteling loopt weg van huis maar wij, pelgrims, zijn op weg naar huis!

Wanneer een kind geboren is, wordt het ingeschreven in de registers van de stad. Zo is het ook met zondaren die tot geloof in de Heer Jezus komen; ze worden dan hemelburgers en hun naam wordt ingeschreven in het boek van het leven (Fil.4:3). Een gelovige heeft eigenlijk een dubbel burgerschap – een aards en een hemels – en ons hemels burgerschap behoort van ons een betere burger in deze wereld te maken. In onze positie als pelgrims tonen we gelijkenis met de aartsvader Abraham die, toen hij geroepen werd, gehoorzaamde om uit te gaan naar de plaats die hij als erfdeel zou ontvangen (Heb.11:8).

Het is een voorrecht om een burger van de hemel te zijn, maar dat brengt ook verplichtingen met zich mee. De vijanden van het kruis van Christus bedenken aardse dingen (3:19), wij als hemelburgers worden geacht de dingen die boven zijn te zoeken en te bedenken. ‘Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God’ (Kol.3:2-3).

Werkend verwachten

‘… en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn’ (1Thes.1:10).

Door de prediking van de apostel Paulus waren de Thessalonicenzen in aanraking gekomen met het evangelie en hadden het woord aangenomen, niet als een woord van mensen, maar - zoals het werkelijk is - als Gods woord (1Thes.2:13). Dat had een grote verandering in hun leven gebracht. Ze hadden zich bekeerd van de afgoden om de levende God te dienen en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1:9). Het dienen van God bestond daarin dat ze vanuit Thessaloniki in Macedonië en Achaje en daarbuiten het evangelie uitdroegen (1:8). Ook al had de verwachting van de komst van de Heer Jezus een grote plaats in het leven van de gelovigen in Thessaloniki, getuige de inhoud van de twee brieven aan hen gericht, het maakte hen niet passief maar juist actief. Daaruit kunnen we leren dat de waarde van profetie niet is speculatie, maar juist motivatie. Kennis van het profetisch woord moet ons ertoe aanzetten een toegewijd leven te lijden. ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is, opdat ook wij zijn in deze wereld zoals Hij is’ (1Joh.3:3; 4:17).

‘God wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen’ (2Petr.3:9) en vanaf de dag dat de mens in de zonde is gevallen tot op vandaag doet Hij al het mogelijke om de mensen te redden en daarvoor wil Hij ook ons inschakelen om zijn liefde bekend te maken. De gelijkenis van de tien ponden leert ons dat we ‘zaken’ moeten blijven doen totdat de Heer terugkomt! (Luk.19:14).

De Heer Jezus, die opgevaren was naar de hemel, zal terugkomen om ons te redden voor de komende toorn, wat nog eens wordt vermeld in 1 Thessalonicenzen 5:9-10 en verder uitgelegd in 2 Thessalonicenzen 1:5-10. Wij verwachten dan ook niet de toorn van God, zoals de ongelovigen die te verwachten hebben, maar de komst van Christus zoals beschreven staat in 1 Thessalonicenzen 4:13-18; met andere woorden de Opname.

Eindelijk thuis

‘… in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus’ (Tit.2:13).

Wat een dag zal dat zijn wanneer we onze Heiland zullen zien in het huis van de Vader! Dat die hoop eens werkelijkheid zal worden, ligt verankerd in drie zekerheden. Ten eerste, de Heer Jezus heeft het ons beloofd: ‘In het huis van de Vader zijn vele woningen. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben (Joh14:1, 3). Ten tweede, Hij heeft ervoor gebeden: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven’ (Joh.17:24); en ten slotte, Hij heeft zijn leven gegeven op het kruis van Golgotha om ons de toegang tot het Vaderhuis mogelijk te maken. ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’ (1Pt.3:18). Wat een Heiland!

Wat zal ons te wachten staan wanneer we in die heerlijkheid zullen zijn? Ik geloof dat een van de eerste dingen zijn zal dat wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus ‘opdat ieder zou ontvangen wat hij in zijn lichaam heeft gedaan’ (2Kor.5:10). Voor alle duidelijkheid, het gaat hier niet over het oordeel dat plaats zal vinden voor de grote witte troon en bedoeld is voor de ongelovigen (Op.20:11-15). Het is ook niet zo dat wij behouden worden door de werken die wij hier hebben gedaan, de behoudenis is uit genade (Ef.2:8). ‘We worden niet behouden door werken, maar door een geloof dat werkt’. Wij worden wel beloond voor alles wat wij hier voor de Heer hebben mogen doen (1Kor15:51; Hebr:6:10; Op.22:12). Ik hoop dat u rijkelijk mag ontvangen!

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Advent

 

 

 

Inleiding

Het woord ‘advent’ komt van het Latijnse woord ‘adventus’ en betekent ‘komst’. Het verwijst naar Jezus Christus’ komen als een kind naar deze aarde, maar ook naar zijn beloofde terugkeer, beter bekend als de ‘tweede komst’. Al ver voordat het Kerstmis is, versieren veel mensen huizen en winkels met allerlei kerstdecoraties, waarvan de bekendste het kerststalletje is. Maar advent is veel meer dan een kindje in de kribbe, zoals we zullen zien.

Jezus’ eerste komst

De komst van de Messias werd op verschillende plaatsen in het Oude Testament aangekondigd en we weten uit het Nieuwe Testament dat een aantal gelovigen ernaar uitkeek (Luk.2:25, 38; 23:51; Joh.4:25)

Maar hoe konden ze de Messias herkennen? Christus’ eerste komst is de vervulling van een voortschrijding van heel specifieke profetieën. In Genesis 3:15 lezen we al dat het zaad van de vrouw, een nakomeling van Adam en Eva, Satan de kop zou vermorzelen. De verwachting was dat de Messias gelijkenis met Mozes zou hebben, want deze had in Deuteronomium 18:18 geschreven: ‘Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied’.

Gods verbond met Abraham hield in dat zijn nakomelingen, het volk Israël, in een heel specifieke relatie met Hem zouden komen te staan en dat via Abrahams lijn de aarde en haar inwoners gezegend zouden worden (Gen.12:1-3). De aartsvader Jakob voorzegde dat de Messias zou voortkomen uit de stam Juda (Gen.49:10). Gods belofte aan David was dat op een dag één van zijn nakomelingen op zijn troon voor eeuwig zou regeren (2Sam.7:12-16). Jesaja voorzegde dat de Messias uit een maagd geboren zou worden (Jes.7:14) en dat Bethlehem de plaats zou zijn van zijn geboorte (Mi.5:2).

Samengevat kunnen we vaststellen dat de Messias een mens zou zijn afkomstig van de stam Juda uit de koninklijke lijn van David, geboren uit een maagd in de stad Bethlehem. Daaruit mag afdoende blijken dat de Heer Jezus de door God gezondene is.

De mensheid van Jezus

Een andere kwestie die om een antwoord vraagt, is waarom nam God een menselijk lichaam aan? Het Nieuwe Testament bevestigt herhaaldelijk dat God de Zoon een menselijk lichaam heeft aangenomen, zodat Jezus volledig mens is. ‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14). Het woord vlees betekent vlees, botten en huid; Johannes bevestigt dat alleen zij die belijden dat Jezus Christus ‘in het vlees kwam’ God toebehoren (1Joh.4:2). Paulus zegt dat ‘Hij geopenbaard is het vlees’ (1Tim.3:16). Daarmee komt de schrijver van de brief aan de Hebreeën overeen: ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen’ (Heb.2:14). Gods heiligheid vereiste dat de zonde geoordeeld moest worden, en het loon van de zonde is de dood (Rom.6:23). Omdat Adam en Eva gezondigd hadden is de dood uitgegaan tot alle mensen. Om zondige mensen te verlossen, moest de Verlosser een mens zijn (Heb.2:14-15; Gal.4:4-5). De Verlosser moest echter niet slechts zonder zonde zijn, Hij mocht ook geen zonden gedaan hebben (Joh.8:46; 2Kor.5:21; Heb.4:15; 1Petr.2:22; 1Joh.3:5). Johannes de doper zei van Jezus: ‘Zie, het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh.1:29). Het woordje ‘Lam’ verwijst naar het lam van het Pascha, dat in elk opzicht volmaakt moest zijn (Ex.12:5). Dat impliceert dat de Heer Jezus ook in alle opzichten volmaakt moest zijn als vervangend offer voor de zonden van de mensheid.

Om heil te kunnen brengen moest de Verlosser goedmaken wat onze eerste ouders verkeerd hadden gedaan. De Heer Jezus wordt de tweede Adam genoemd omdat Hij herstelde wat Adam verloren had (1Kor.15:45). ‘Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid in Hem’ (2Kor.5:21). ‘Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigheid gesteld worden’ (Rom.5:19).

De Zoon van God werd volmaakt mens om zich volledig met de zondige mens te kunnen identificeren. Hij leefde een zondeloos leven, om zich als een volmaakt zoenmiddel te kunnen offeren in onze plaats, om op te staan uit de doden en de dood te overwinnen en gelovigen het eeuwig leven te kunnen geven. Vrijwillig nam de Heer Jezus dit werk op zich en aanvaardde het lijden om zijn Vader te verheerlijken, om daardoor de naam boven alle naam te ontvangen en om zondaars in heiligen te veranderen tot eer van God.

We mogen de Heer grootmaken omdat Hij zijn hemelse heerlijkheid heeft verlaten om mens te worden en vlees en bloed aan te nemen. Omdat de Heer Jezus dat heeft gedaan weten we dat Hij weet wie wij zijn en in welke omstandigheden wij hier op aarde leven (Heb.4:15). Maar we mogen ook naar voren kijken naar die dag wanneer we worden zoals Hij!

De godheid van Jezus

In de adventsperiode ligt de nadruk natuurlijk overwegend op de mensheid van de Heer Jezus, reden om ook aandacht te besteden aan zijn godheid. De Bijbel openbaart ons dat er één God is, bestaande uit drie personen die gelijk aan elkaar zijn en toch te onderscheiden: God de Vader en God de Zoon en God de heilige Geest. Let op het gebruik van het woordje en. De Vader en de Zoon en de heilige Geest staan niet in rangvolgorde, zoals rangen in een leger – de Vader eerst, de Geest het laatst en de Zoon tussen hen in – want elk van hen is de eeuwige God, en geen van de godheden is groter dan de ander. In de zendingsopdracht (Mat.28:19) noemt de Heer Jezus de Vader het eerst, dan de Zoon, dan de Geest, en Hij verbindt hen door het woordje en. In de zegenbede in 2 Korintiërs 13:14, plaatst Paulus de Zoon eerst, maar dat betekent niet dat Hij hoger of belangrijker is dan de Vader en de heilige Geest, want ook hier verbindt het kleine woordje en de drie als gelijken. Er zijn geen drie goden of verschillende namen voor één God die zichzelf openbaart op verschillende manieren en tijden. De drie-eenheid werkte tezamen in de schepping van hemel en aarde (Gen.1:1-2; Job.38:4; Ps.104:30; Kol.1:16-17). Ook al gebeurt de volle openbaring van de drie-enige God pas volledig in het Nieuwe Testament, de drie personen van de Godheid waren er al van het begin. Ze waren er al van eeuwigheid.

De engel Gabriël vertelde Maria hoe het wonder van de incarnatie zou plaatsvinden: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd’ (Luk.1:35). Elk deel van de Godheid zou een deel spelen – de Vader en de Geest en de Zoon. Laten we ons begeven naar de Jordaan waar Johannes de Doper Jezus van Nazareth doopte: ‘Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden Hem geopend, en Hij zag de Geest van God neerdalen als een duif en op Zich komen; en zie een stem uit de hemel zei: Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Mat.3:16-17). Nog een keer werkt de drie-eenheid samen: de Zoon gehoorzaamt, de Geest daalt neer en de Vader spreekt. Zo zijn er nog meer voorbeelden uit het Nieuwe Testament te noemen waaruit blijkt dat God uit drie personen bestaat en dat én de Vader én de Zoon én de Geest God is. (Luk.4:18; Jes.61:1-2; Hand.10:38; Joh.14:16-17, 26; 15:26; Heb.9:14; Hand.2:32-33).

Het doel van Jezus’ komst

Nog een vraag in verband met de advent, Jezus’ komst, vraagt om een antwoord. ‘Wat kwam de Heer Jezus op aarde doen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten we te rade gaan bij de eerste brief van Johannes waar herhaaldelijk gesproken wordt over ‘verschenen’ en ‘geopenbaard’ om het verschijnsel ‘vleeswording’ te beschrijven.

De zonde is het grootste probleem van de mensheid, en de Heer Jezus kwam om dat probleem op te lossen. ‘U weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen’ (Joh.3:5). God neemt de zonde ernstig, en dat zouden wij ook moeten doen. In zijn ‘verschijning’ maakte God zich één met de zondaar. Hij ‘werd vlees’ (Joh.1:14). In zijn leven liet de Heer Jezus zien dat Hij in volmaakte gehoorzaamheid ten opzichte van God hier op aarde wandelde, waardoor Hij in zijn sterven het volmaakte offer kon zijn. Het resultaat van Jezus’ leven, dood en opstanding is dat God zondaars heilig kan verklaren wanneer ze volledig vertrouwen op de Heer Jezus als hun Verlosser.

Jezus’ komst op de aarde was als het ware een oorlogsverklaring aan Satan. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken’ (1Joh.3:8). Dit vers benadrukt de realiteit van Satans bestaan en zijn tegenstand tegen God en Diens volk. We moeten de vijandschap en de bedrieglijkheid van de vijand van onze zielen niet onderschatten. Jezus deed dat zeker niet. Het woordje ‘verbreken’ in 1Joh.3:8 verwijst naar de macht van Gods Zoon. ‘Verbreken’ betekent de banden die iets samen houden verbreken. In plaats van een regelrechte confrontatie maakte de Heer Jezus op een rustige wijze in gehoorzaamheid aan de Schrift, in de kracht van de heilige Geest en in liefde tot zijn Vader, Satan onmachtig. Satan dacht dat het kruis Jezus’ einde betekende; het tegendeel was waar, het betekende het einde van Satans macht. Vandaag de dag is Satan nog steeds actief maar zijn nederlaag is zeker (Op.20).

Jezus’ komst naar deze aarde was een teken van Gods liefde. Hoe weten we dat God zondaars liefheeft? ‘Hierin is de liefde van God ten aanzien van ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden’ (1Joh.4:9-10). Wanneer we niet voelen dat God ons liefheeft, moeten we letten op wat de Bijbel zegt. God heeft zich naar ons uitgestrekt door zijn Zoon te zenden. God houdt van ons en de Zoon stierf voor onze zonden.

Jezus’ tweede komst

Jezus heeft beloofd dat Hij eens terug zou komen. ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’ (Joh.14:2-3). Het boek Openbaring eindigt met de woorden van de Heer Jezus: ‘Ja, Ik kom spoedig’ (Op.22:20). Vanaf de dag dat de Heer Jezus naar de hemel ging, hebben zijn discipelen uitgekeken naar zijn terugkeer. Er zijn verschillen in interpretatie hoe Jezus zal terugkomen, maar algemeen kunnen we zeggen dat iedere bijbelgetrouwe gelovige gelooft dat Hij terugkomt. Dat geloof in zijn terugkeer vinden we terug in de adventstijd.

Christus’ tweede komst is ook een motief om rein te leven. ‘Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1Joh.3:2-3). Omdat we de tijd van zijn terugkeer niet kennen en we Hem niet in een beschamende toestand willen ontmoeten, moeten we de zonde geen plaats in ons leven geven.

Voor ons zal de tweede komst een bevrijding zijn van lichamelijk beperkingen. Wanneer Christus uit de hemel verschijnt, zal Hij ‘het lichaam van onze vernedering veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid’ (Fp.3:21). Onze lichamen zijn aan verval onderhevig, daarom betekent Christus’ wederkomst dat we een nieuw, verheerlijkt lichaam zullen ontvangen, gelijk aan het lichaam van onze Heer.

De tweede komst van Christus luidt de ondergang van Satan in (Op.19-20). De oorlog die aan de gang is sinds de zondeval in Eden komt uiteindelijk tot een eind. Tegenstand van de Satan tegen Christus zal ophouden en Satan en zijn volgelingen zullen gestraft worden en een eeuwig oordeel ondergaan.

Christus’ tweede komst zal resulteren in een nieuwe hemel en aarde (Op.21-22). De beschrijving daarvan vermeldt wat er niet zal zijn: geen dood, rouw, geschrei, noch pijn (Op.21:4), geen nacht (vs.25), geen vervloeking (22:3). Er zal genezing zijn (22:4), er zal vrede zijn en we zullen onze Heiland zien van aangezicht tot aangezicht (1Thes.4:17).

De terugkeer van de Heer is alleen bestemd voor hen die in Hem geloven. Uiteindelijk zal elke knie zich voor Hem buigen en elke tong belijden dat Jezus Christus Heer is (Fil.2:10). De keuze is om nu voor Hem te buigen en ons te onderwerpen. Weigeren zal betekenen: gedwongen worden om zijn heerschappij te erkennen wanneer Hij komt om te heersen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De lastering van de Geest 

 

Mattheüs 12:31

 

 

 

Een vraag die regelmatig terugkomt is die over de lastering van of tegen de Geest zoals vermeld in Mattheüs 12:31 en Lukas 12:10. Meestal spreekt men dan over ‘de zonde van of tegen de Geest’ maar nergens wordt het zó in het Nieuwe Testament vermeld, want elke zonde is in wezen een zonde tegen de heilige Geest. Het lasteren van of tegen de heilige Geest wordt onderscheiden van het lasteren in algemene zin dat wel kan worden vergeven (vs.31), dus moet het een andere of diepere betekenis hebben.

In de context van Mattheüs 12 beschuldigden de farizeeën de Heer Jezus ervan dat hij de demonen uitdreef door Beëlzebul de overste van de demonen (vs.24). De Heer dient hen van repliek maar de kern van zijn antwoord is: ‘Als ik echter door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen’ (vs.28). Dat is hetzelfde dan te zeggen dat Hij de Messias was. Voordat deze confrontatie met de farizeeën plaatsvond had de Heer Jezus meerdere wonderen verricht die zonder uitzondering bewijzen of tekenen waren van het komende messiaans koninkrijk en zijn Messiasschap. ‘Blinden konden weer zien, kreupelen lopen, melaatsen gereinigd en doven konden weer horen!’ (Math.11:5: Luk..4:18-19; 7:18-23). Daardoor werd aangetoond dat Jezus de Messias was en door het uitdrijven van de demonen werd dat nog eens bevestigd. Daarom was de beschuldiging van de farizeeën dat Hij de demonen uitdreef door Beëlzebul een onvergeeflijke ‘lastering tegen het getuigenis van de Geest’ (Math.12:31; Mark.3:29; Luk.12:10).

Deze ‘lastering van of tegen de Geest’ is niet alleen het ontkennen van de gebeurtenissen als een daad van Gods Geest maar het bewust kwaadspreken daarvan. Ervan overtuigd zijn dat Jezus de demonen uitdreef door de Geest van God en dat toch loochenen en beweren dat Hij dat deed door de overste van de demonen, Beëlzebul. Nicodemus erkende zelfs dat niemand die tekenen kon doen die Jezus deed tenzij God met hem was (Jh.3:2).

De vraag die vaak gesteld wordt is of deze ‘zonde’ vandaag de dag ook nog gedaan kan worden.

Om daar een antwoord op te geven gaan we eerst kijken in het Oude Testament en wel Numeri 15.22-31. We vinden daar twee soorten zonden de onopzettelijke en de opzettelijk zonde of de zonde met voorbedachten rade. In de Herziene Statenvertaling wordt dit de zonde met ‘opgeheven hand’ genoemd. ‘Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden’ (Num.15:30). Lasteren tegen de heilige Geest spreekt van een bewuste daad van kwaadsprekerij. ‘Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad’ (Jes.5:20). De innerlijke drijfveren die de farizeeën tot zo’n onvergeeflijke daad van lastering hebben geleid zouden kunnen voortgekomen zijn uit jalousie of religieuze ijver.

Het punt is dat wij over wonderen door mensen twijfel kunnen hebben of ze van Goddelijke oorsprong zijn maar van wonderen door de Heer Jezus gedaan daarover kon geen twijfel bestaan tenminste als we in de Heer Jezus de Zoon van God herkennen. We mogen aannemen dat de farizeeën in de Heer Jezus niet de Zoon van God, de Messias zagen maar een slechts een bijzonder begaafd mens en daarom konden ze zijn werken toeschrijven aan Beëlzebul. Maar in de oorsprong van het werk van de Geest was geen twijfel mogelijk. Daarom kunnen we als antwoord geven op de vraag of deze ‘zonde’ nu nog gedaan kan worden dan ook als antwoord geven dat dit niet meer van toepassing is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Onbeantwoorde gebeden

 

 

 

 

‘God is in de hemel en gij zijt op de aarde’ (Pr5:1). Er is een grote afstand tussen de eeuwige God en de vergankelijke mens en toch kunnen wij met God communiceren! Maar dat niet alleen, we worden ook aangemoedigd om ‘met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd’ (Hebr.4:16). Dat niet elk gebed wordt verhoord is duidelijk, want het gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde. Onze wensen en verlangens hoeven niet altijd overeen te komen met Gods wil. Daarnaast kunnen er ook verhinderingen zijn waardoor onze gebeden niet verhoord kunnen worden. Daarover gaat dit artikel.

Zoals vaders en moeders er een plezier in hebben om aan de wensen van hun kinderen tegemoet te komen, zo doet het ook onze hemelse Vader plezier in het beantwoorden van onze gebeden. Maar gebed is meer dan tot God komen om je wensen aan Hem bekend te maken. Gebed is een geweldige ervaring van gemeenschap en aanbidding, waardoor we God en onszelf beter leren kennen. Gebed is een van de grootste voorrechten die wij als gelovigen hebben in ons christelijk leven, en God is verblijd in het beantwoorden van onze gebeden. De Heer Jezus zegt in Mattheüs 7:11: ‘Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.’

Dit brengt ons in aanraking met het probleem van onbeantwoorde gebeden. Sommige gelovigen argumenteren dat God de gebeden altijd beantwoord. Hij zegt of ja of nee of wacht! Ik geloof dat dit nogal een gemakkelijke manier is om het probleem van onbeantwoorde gebeden te verklaren. Het is waar dat God soms een antwoord op onze gebeden lang uitstelt. Zijn timing is anders dan de onze. Zie daarvoor eens de vertaling van Lukas 18:7 in de HSV-vertaling: ‘Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij hen soms lang laat wachten?’ Toen Lazarus ziek was zonden zijn zusters, Maria en Martha, daarvan een bericht aan de Heer Jezus maar Hij wachtte met te komen. Toen Hij uiteindelijk dan toch in Betanië kwam lag Lazarus al vier dagen in het graf. Het doel dat de Heer Jezus daarmee op het oog had was de verheerlijking van God door Lazarus uit de doden op te wekken (Joh.11:1-44). In dit geval was het uitstel nodig omdat het nog niet overeenkwam met Gods tijd.

Maar een antwoord op gebed kan ook zeer snel gebeuren. Ik denk aan de aanzegging door Jesaja aan Koning Hizkia dat hij zou sterven. Hizkia wendde zich tot God in zijn gebed en voordat Jesaja de de middelste voorhof had verlaten kwam het woord des Heren tot Hizkia met de mededeling dat hij nog vijftien jaar zou mogen leven (2Kon.20:1-6). Jesaja zegt: ‘Het zal geschieden, dat Ik antwoorden zal, voordat zij roepen; terwijl zij nog spreken, zal Ik verhoren.’ (Jes.65:24) Dat zou wenselijk zijn maar de ervaring leert dat dat zelden het geval is.

Wat de timing betreft kan het zijn dat God een antwoord op een gebed uitstelt of zelfs niet beantwoord omdat Hij een grotere zegen voor ons heeft. Hij deed het volk Israël honger lijden om hen het veel betere manna te eten te geven (Deut.8:3). Vaak lijken we op kleine kinderen die een goedkoop speeltje vragen en het onmiddellijk willen hebben. Zoals goede ouders het doen, geeft onze hemelse Vader niet altijd wat wij willen op een door ons gewenst moment omdat Hij iets veel beters voor ons heeft. Dus wanneer we bidden naar Gods wil kan het zijn dat we niet onmiddellijk antwoord krijgen. Word dan niet ongeduldig want het kan zijn dat God iets beters of anders voor ons heeft.

Maar we hebben het hier nog over beantwoorde gebeden. De Bijbel leert ons ook dat er situaties in ons leven zijn waardoor God onze gebeden niet kan horen of beantwoorden. Dit wordt niet veroorzaakt doordat God niet in staat is de gebeden te horen of te beantwoorden maar zijn een gevolg van de barrières die wij hebben opgericht in onze harten. Daarom zijn de problemen met betrekking tot onbeantwoorde gebeden ons probleem en niet Gods. Ook al weet God alles en ziet Hij alles en is almachtig, God zal gebeden die niet naar zijn wil zijn niet beantwoorden omdat ze niet overeenstemmen met zijn met Gods karakter.

Wat zijn die barrières die de communicatie met God ernstig verstoren? Laten we een aantal van deze barrières die een verhoring van gebeden verhinderen, eens nader bekijken.

Zonde

De eerste barrière is zonde in ons leven. Psalm 66:18 zegt: ‘Had ik onrecht beoogd in mijn hart, dan zou de Here niet hebben gehoord.’ Het gaat er in deze Psalm niet over dat ieder mens een zondige natuur heeft. Elk mens die op deze aarde leeft of heeft geleefd heeft een zondige natuur, met één grote uitzondering, de Heer Jezus. Hij ‘heeft geen zonde gekend’ (2Kor.5:21). ‘Hij heeft geen zonden gedaan’ (1Petr.2:22). ‘In Hem is geen zonde (1Joh.3:5).

Maar ook al hebben wij een zondige natuur dat betekent niet dat daarom onze gebeden verhinderd worden. Het zijn onze zonden die een antwoord op onze gebeden tegenhouden! Het gaat dan wel over zonden waarvan we weet hebben maar waar we verder niets mee (willen) doen. Zolang die zonden niet beleden zijn zal God mij niet horen als ik bid. Zo tot God naderen is een hypocriete manier van bidden. 1Johannes 1:6 zegt: ‘Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet.’ We zeggen het ene en doen het andere. Het ontkennen van je zonden is een ernstige zonde in Gods ogen want ‘Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet’ (vs.10). Veel mensen roepen eerst om God wanneer ze in grote nood zijn. Maar dan zegt God tot hen: ‘Kijk, je hebt niets gedaan om je zonden te belijden terwijl je je daarvan bewust was en nu roep je mij aan? Wanneer wij met betrekking tot een gekende zonde in ons hart God aanroepen zal hij niet horen voordat er belijdenis komt. We moeten een zonde niet toestaan om in ons leven te blijven maar er zo snel mogelijk komaf mee maken. De Heer Jezus zegt: ‘Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u’ (Math.5:29,30). Natuurlijk bedoelde de Heer niet dat we ons fysiek oog moesten uitrukken, dat zou geen geestelijke vrucht voortbrengen. Hij zegt: ‘Ga radicaal met je zonde om voordat het zich verspreid en je hele lichaam en geest aantast.’

Daarom moeten we, voordat wij in gebed gaan onze zonde belijden en gereinigd worden door het bloed van Christus om voor een heilige God te verschijnen. ‘Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kunt aanschouwen’ (Hab.1:13). Voordat in het Oude Testament de priesters tot God konden naderen dienden ze gereinigd te worden. Ze dienden hun voeten en handen te wassen bij het koperen wasvat eerst daarna konden ze naderen tot God. Ook wij zijn priesters en hebben dezelfde reiniging nodig. ‘Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid’ (1Joh.1:9; Ps.51:7).

Hartstochten

De eerste barrière was zonde in het leven van een gelovige. Een tweede barrière dat een verhindering van onze gebeden kan zijn is egoïsme, een zelfzuchtige houding. ‘Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten?’ (Jak.4:1). Jakobus probeert ons duidelijk te maken dat God ons niet hoort wanneer wij, wat wij vragen, in onze hartstochten willen doorbrengen; voor eigen plezier en voordeel. Dit Bijbelgedeelte zegt: ‘Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en na-ijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen’ (Jak.4:2-3). De geloofsgemeenschap waartoe Jakobus behoorde ging blijkbaar door een moeilijke periode. ‘Gij zijt moorddadig en na-ijverig, gij vecht en gij strijdt!’ Waar zulke praktijken plaats vinden kan God de gebeden zeker niet verhoren en daar kwam nog bij dat het gebed gebruikt werd om het in hun hartstochten door te brengen! In het zogenaamde ‘Onze Vader’ zien we dat Gods belangen vóór de onze komen. ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede’ (Math.6:9-10). Alleen wanneer we hebben gebeden voor de dingen die God betreffen kunnen we vervolgen met: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, enz.’ Dat laat tevens zien dat het niet verkeerd is om voor onszelf te bidden. Wanneer je het boek van de Psalmen leest kun je opmerken dat bijvoorbeeld David vaak voor hemzelf bad. Voor reiniging, kracht, bescherming en verlossing van zijn vijanden. In het Nieuwe Testament bad de Heer Jezus tijdens verschillende gelegenheden voor Hemzelf. Ook Paulus en andere gelovigen deden zo. Zelfzuchtig bidden is echter heel iets anders dan voor jezelf bidden. We bidden voor onszelf om anderen daarmee te dienen. We bidden voor onze noden opdat we indien mogelijk tegemoet kunnen komen aan de noden van anderen. Dat is anders dat wat we lezen in Jakobus 2:2-3: ‘Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.’ Het doel van het gebed is om de wil van God te doen. De apostel Johannes maakt dat duidelijk in 1Johannes 5:14-15: ‘En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.’ Dus wanneer we bidden naar Gods wil mogen we een verhoring verwachten. Maar het gaat erom dat Gods wil op aarde mag geschieden. Daarom dienen we de Bijbel te onderzoeken om te ‘erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene’ (Rom.12:2).

Onenigheid

Een derde barrière voor gebed is onenigheid in het gezin. De basis daarvoor is 1 Petrus 3:7 waar Petrus zegt: ‘Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook medeërfgenamen zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.’ De betekenis van het woord ‘belemmeren, hinderen’ heeft in het origineel een interessante betekenis. Het betekend een weg opbreken om te verhinderen dat een leger verder kan trekken. In de antieke wereld werd deze methode vaak gebruikt. De soldaten barricadeerden de weg met stenen, bomen en ander materiaal om het verder optrekken van de vijandige legers te verhinderen. Op die manier betekent 1Petrus 3:7 dat de gebeden van echtparen verhinderd zijn zolang de barrières niet weggenomen zijn en er terug harmonie in de relatie is.

Gebed in het gezin is belangrijk. Het is belangrijk dat ouders dagelijks een tijd van gebed hebben en dat de kinderen opgroeien in een christelijke sfeer. Dit gedeelte in de eerste brief van Petrus laat ons de belangrijkheid zien van onze relatie met alle mensen en speciaal de relatie tussen man en vrouw. We moeten goed handelen met alle mensen. Wanneer we niet in overeenkomst met het Woord van God ons leven en onze huwelijkspartner niet behandelen als gelijken in Christus, dan zal God onze gebeden niet kunnen verhoren. Die houding is niet alleen bepalend voor het christelijk gezin maar dat betreft ook de gemeente waar we mee verbonden zijn. Ik denk aan Math.5:23 waar staat: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.’ Ook een vorm van een relatieprobleem die het brengen van een offer belemmerd en is het gebed ook geen offer waarmee we tot God naderen?

Voordat we een opwekking in onze gemeente mogen verwachten dient die opwekking plaats hebben gevonden in het gezin. Het Woord van God en het gebed dienen een duidelijke plaats te hebben binnen het gezin. Is dat aanwezig dan mogen we niet alleen antwoord op ons gebed verwachten maar zullen we ook goed kunnen functioneren in de dienst aan God zowel binnen als buiten de gemeente.

Gods Woord

Zonde in ons leven, verkeerde gezindheid en onenigheid in het gezin veroorzaken problemen in je gebedsleven. Een vierde hindernis is het verwerpen van Gods Woord. ‘Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel’ (Spr.28:9). Het Woord van God en gebed gaan altijd samen. ‘Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden’ (Joh.15:7). In Handeling 6:4 lezen we dat de apostelen zich hielden aan het gebed en de bediening van het Woord. Het Woord van God en gebed dienen samen te gaan want in het Woord openbaart Gods zijn gedachten, hart en wil. Als we ons die zaken eigen maken kunnen we een beroep doen, door ons gebed, op zijn beloften, zijn wil en voorzienigheid voor onze noden. Gebed is niet iets wat we zo maar doen. Gebed is het resultaat van het werk van Gods Geest die door het Woord werkt in onze harten. Wanneer we zijn Woord verwerpen kan God ons gebed niet aanhoren en antwoorden. Het zou afbraak doen aan zijn heiligheid.

God verlangt ernaar om antwoord te geven op onze gebeden. Jammer genoeg is Hij niet altijd in staat dat te doen omdat er barrières opgericht zijn tussen onszelf en Hem. Weigeren om je zonde te belijden, bidden met zelfzuchtige motieven, onenigheid in het gezin of tussen gelovigen en de verwerping van het Woord van God zijn allen barrières voor ons gebedsleven. We moeten onze harten onderzoeken en God vragen om kracht van de heilige Geest opdat we in staat zouden zijn die barrières te slechten.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De doop met de heilige Geest.

 

 

 

 

 

I. Welke Bijbelplaatsen spreken over de doop met de heilige Geest?

Behalve een aantal tekstplaatsen in de Evangeliën waar gesproken wordt over de ‘doop met de heilige Geest (Math.3:11; Mark.1:7; Luk.3:16; Joh.1:33) vinden we het verder in het NT slechts op drie andere plaatsen vermeld.

Twee keer komt het voor in het boek de Handelingen 1:5 en 11:16. De eerste keer in Hand.1:5:  ‘Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de heilige Geest worden gedoopt, niet vele dagen hierna’. De tweede plaats is Hand..11:15-16, maar dat is slechts een verwijzing van Petrus naar de gebeurtenis in Handelingen 2. De laatste plaats in het NT is 1 Korinthiërs 12:13 ‘Immers wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.’  

Het begrip ‘doop met de heilige Geest’ vinden we niet in de Bijbel, net zo min bijvoorbeeld als het begrip ‘drie-eenheid’ of ‘de opname’, maar uit het verdere onderwijs van de Bijbel blijken deze er wel te zijn.

II. Is de doop met de heilige Geest een éénmalige historische gebeurtenis?

Uit de woorden van de Heer Jezus kunnen we concluderen dat met ‘de belofte van de Vader’ de doop met de heilige Geest bedoeld wordt (vgl. Hand.1:4-5). De gebeurtenis die in Jeruzalem plaatsvond op de Pinksterdag (Hand.2:1-13) wordt dan ook door Petrus aangemerkt als de vervulling van deze belofte van de Vader (Hand.2:33).

De Heer Jezus zelf heeft de Geestesdoop voorzegd. Na zijn opstanding zei Hij tegen zijn volgelingen (Luk.24:49): ‘En zie, Ik zend de belofte van de Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit de hoogte.’ Blijkens Hand.1:8 wordt hier de gave van de Geest bedoeld. De ‘belofte van mijn Vader’ is dat wat de Vader beloofd heeft: de heilige Geest, die al door de profeten was aangekondigd (Jes.32:15, 44:3; Ez.36:27; 37:14; Joël 2:28).

De heilige Geest kan strikt genomen maar één keer uitgestort worden – er kan maar één Pinksteren zijn en de Gemeente kan maar één keer ontstaan zijn.

III. Is de doop met de heilige Geest hetzelfde als de vervulling met de heilige Geest?

Daarover bestaat veel verwarring. Vooral in zgn. ‘Pinksterkringen’ wordt veel gesproken over de doop met de Heilige Geest als een tweede ervaring. Vaak bedoelen ze daar dan mee de ‘vervulling met de heilige Geest’.

Ik geloof niet dat we de ‘doop met de heilige Geest’ mogen gelijkstellen met de ‘vervulling met de Geest’, hoewel de ‘vervulling’ vaak dat is wat andere gelovigen met de Geestesdoop bedoelen.

Iemand heeft gesproken van ‘verkeerde benaming – echte ervaring’ en ‘De term is niet het punt. Hoe we het ook noemen, het is belangrijk dat het volledige pakket aan doopzegeningen in ons tot leven gewekt wordt, hoe dat ook gebeurt. De pinksterwerkelijkheid is veel belangrijker dan de terminologie.’

Dit mag geen vrijbrief zijn om Bijbelse begrippen naar willekeur te gebruiken. Als de Bijbel spreekt over de ‘doop met de heilige Geest’ dienen we te beseffen dat dat een éénmalige historische gebeurtenis was, met doel de vorming van de NT Gemeente, het lichaam van Christus. Elke volgende interactie tussen de gelovige en de heilige Geest valt onder het hoofd ‘vervullingen’. Deze ‘vervullingen’ kunnen telkens weer optreden – zij zijn zowel bedoeld voor het begin van ons leven als christen als telkens weer herhaalbaar.

Maar hoe u beide begrippen ook gebruikt de opdracht voor elke gelovige blijft:  ‘wordt vervuld met de Geest!’ (Ef.5:18)

IV. Moet ik ook met de heilige Geest worden gedoopt?

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat naast de waterdoop geen tweede Geestesdoop nodig is. ‘Want, wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt!’ (1 Kor.12:13). Zonder hier daarop verder in te gaan kunnen we zeggen dat de volgorde is: eerst de bekering, daarna de waterdoop en dan het ontvangen van Gods Geest. Wat wel mogelijk is, dat door gebrek aan onderwijs, veel gelovigen niets weten over het ontvangen en de inwoning van de heilige Geest (vgl. Hand.19:2) en dat daardoor ook niets van de vrucht van de Geest in hun leven terug te vinden is.

V. Wat is de betekenis van de doop met de heilige Geest?

Zoals gezegd naast de twee vermeldingen in het boek Handelingen is de vermelding van de doop met de Heilige Geest in 1 Korinthiërs 12:13 de enige andere, maar wel een zeer belangrijke, want daaruit kunnen leren wat de betekenis is, ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt’. Het ‘lichaam’ is één van de metaforen van de NT Gemeente. Andere zijn o.a. Huis van God en Bruid van het Lam. In de brief aan de Efeziërs 1:22, maar ook wel op andere plaatsen, vinden daarvan een bevestiging: ‘En Hij heeft alles aan zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is.’

De Geestesdoop heeft zoals gezegd op de Pinksterdag plaatsgevonden (Hand.2) waardoor de NT Gemeente is ontstaan. Op de Pinksterdag zijn de afzonderlijke gelovigen door de Geestesdoop tot het ene lichaam samengevoegd, en als mensen tot geloof komen in de Heer Jezus worden zij aan dat lichaam toegevoegd.

Door de Heer Jezus is deze ‘samenvoeging’ verwoord en aangekondigd in Johannes 10:16 ‘En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.’

VI. Conclusie.

Zoals altijd dienen we met zorgvuldigheid met Gods Woord in ons spreken en de woorden in hun juiste betekenis te gebruiken. We moeten ook oog hebben voor de terminologische verwarring die er soms heerst op het christelijke erf en ons kunnen inleven in de gedachtewereld van die ‘andere gelovige’ die vaak met andere woorden hetzelfde bedoeld. Zoals in dit artikel, dat iemand, als hij of zij spreekt over de ‘doop met de heilige Geest’ de ‘vervulling met de Geest’ bedoeld!

Iemand heeft gezegd: ‘de ervaringen met God die pinkstermensen hebben, is beter dan hun uitleg ervan’

Ik hoop dat uw uitleg van de doop met de heilige Geest net zo goed is als de vervulling met de Geest in uw leven!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Lessen uit drie

opstandingen

 

 

 

 

 

 

Inleiding

‘…doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie’ (Mat.11:5).

Zonder twijfel heeft de Heer Jezus meerdere doden opgewekt dan de evangeliën vermelden maar we tellen er maar drie: de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, de zoon van de weduwe van Naïn en een speciale vriend van de Heer Jezus, Lazarus. Wanneer we deze drie opstandingen nader bekijken kunnen we enkele basis waarheden ontdekken in verband met het geestelijk leven dat ontstaat wanneer je de Heer Jezus leert kennen en een nieuw leven in Hem ontvangt. Het dochtertje van Jaïrus was slechts twaalf jaar oud toen ze stierf. De zoon van de weduwe was een jonge man, misschien in zijn late tienerjaren, maar ook hij stierf. We krijgen de indruk dat Lazarus al een wat oudere man was, maar ook Hij stierf. Wat we van deze drie personen kunnen leren is dat de dood geen rekening houd met leeftijd. ‘En hij stierf’ is het terugkerend refrein in Genesis 5. Jonge mensen kunnen sterven, oude mensen moeten sterven. De dood is het gevolg van de zonde en betreft het hele menselijke ras. ‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Rom.5:12).

Het dochtertje van Jaïrus (Luk.8:40-42; 49-56)

‘Zij stond dadelijk op en Hij beval, dat men haar te eten zou geven’ (Lk8:55).

Toen de Heer Jezus aankwam bij het huis van Jaïrus was het meisje juist gestorven. De ontbinding van het lichaam was nog niet begonnen waardoor het leek alsof ze sliep. Daarom lachtten de mensen Jezus uit omdat zij wisten dat zij gestorven was. Het was voor iedereen duidelijk dat het dochtertje dood was en haar opstanding was dan ook een groot wonder. Het vond plaats voor de ogen van haar ouders die versteld stonden over het gebeurde. De Heer Jezus vatte de hand van het kind en zei: Kind, sta op! en de geest van het meisje keerde terug (vgl. Pred.12:7) en zij stond dadelijk op. Doden opwekken is niet gegeven aan mensen, alleen God kan dat. ‘Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil’ (Joh.5:21). Als de opstanding van de doden een beeld is van de geestelijke opwekking van een dode zondaar, dan zouden allen die hun vertrouwen op Christus hebben gesteld als bewijs daarvan een wandel in nieuwheid van leven moeten hebben. ‘Opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen’ (Rom.6:4). ‘Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.3:1-2). Door het ontvangen van een nieuwe natuur ontstaat er ook een verlangen naar de dingen van God. Zoals kleine kinderen verlangen naar voedsel, zo zou er bij ons een verlangen moeten zijn naar Gods Woord (1 Petr.2:2-3) daarom beval Jezus dat men haar te eten zou geven. We herkennen de stem van de Goede Herder, de stem die ons uit de doden riep, en zullen geen bedriegers volgen (Joh.10:4-5; 27-30). Alleen de Goede Herder kan ons weiden in grazige weiden en ons verzadigen met zijn Woord. Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten; want uw naam is over mij uitgeroepen, HERE, God der heerscharen (Jer.15:16). Dat is de les die we kunnen leren uit de opstanding van het dochtertje van Jaïrus een wandel in nieuwheid van het leven en een oprecht verlangen naar de dingen van boven.

De zoon van de weduwe van Naïn (Luk.7:11-17).

‘De dode richtte zich op en begon te spreken’ (Lk7:15).

Was het toevallig dat Jezus juist die dag naar Naïn reisde en deze begrafenisstoet ontmoette? Naar joods gebruik werd de doden dezelfde dag nog begraven dus de zoon van de weduwe was nog niet lang geleden gestorven (Deut.21:23; Hand.5:5-10). Het sterven van haar zoon moet een grote teleurstelling voor de moeder geweest zijn omdat ze ook haar man al eerder ten grave had moeten dragen. De Man van Smarten kon volledig met haar meevoelen want Hij werd met ontferming over haar bewogen toen Hij haar zag. Die ontferming en medeleven die de Heer Jezus hier openbaarde mag ons vrijmoedigheid geven om te naderen tot de troon van genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd (Hebr.4:16). Medeleven is wel eens gedefinieerd als: ‘jouw pijn in mijn hart!’. Hier geen aanraking van de Heer Jezus met de dode maar met de baar, maar wel sprak hij tot de jongeling: ‘Jongeling, Ik zeg u, sta op!’ Ook hier was iedereen overtuigd dat de jongeling dood was en vrees beving allen toen de dode overeind ging zitten en begon te spreken. Wat de jongeling gezegd heeft zouden we natuurlijk graag willen weten maar we vernemen er niets over. Misschien had hij evenals Paulus ook onuitsprekelijke woorden gehoord en was het hem niet geoorloofd om te spreken (2 Kor.12:4). In elk geval als er nieuw leven in ons hart is ontstaan dan zal dan zichtbaar worden in wat we zeggen. Als mijn hart veranderd door het geloof in Christus, dan zal mijn spreken ook veranderd moeten zijn want ‘uit de overvloed des harten spreekt de mond’ (Mat.12:34). Het is verbazend hoeveel nadruk Gods Woord legt op ons spreken. ‘Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander’ (Ef.4:25). Dat is de positieve benadering; de negatieve is Kolosse 3:9 ‘Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd’. Onze woorden dienen in overeenstemming te zijn met onze positie in Christus dus ‘moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond’ (Kol.3:8). ‘Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten, hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven.’ (Kol.4:6). ‘Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid.’ (Ef.4:31). Geen verbaal geweld! Ons spreken zal God dienen te verheerlijken. Zou de indruk juist zijn dat de jongeling nooit is opgehouden te spreken over Jezus en wat Deze voor hem gedaan had? ‘Komt, hoort, en ik wil vertellen, gij allen die God vreest, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel’ (Ps.66:16). ’Want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben’ (Hand.4:20). Van de Heer Jezus staat geschreven dat ‘woorden van genade, van zijn lippen kwamen’ (Luk.4:22), is dat bij ons ook het geval? De les die we uit de opstanding van de zoon van de weduwe kunnen leren is ons afte vragen wat en hoe wij spreken.

Jezus’ vriend Lazarus (Joh.11:32-44)

‘Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan’ (Jh11:44).

Lazarus’ lichaam was al in staat van ontbinding want het was al de vierde dag en je kon de lijklucht al ruiken! (Joh.11:39). Mocht er aan de andere twee opstandingen nog twijfel bestaan of ze werkelijk gestorven waren, hier was het meer dan duidelijk. Lazarus bewees dat hij leefde door uit het graf te komen ook al was hij nog gebonden met grafdoeken, wat op zich al een wonder was. De ervaring die Lazarus meemaakte is een mooie illustratie wat er gebeurt met een zondaar wanneer hij tot geloof komt. Lazarus was dood, zoals alle zondaars dood zijn. Lazarus stond uit de dood op door de kracht van God, en iedere zondaar die in Jezus gelooft en nieuw leven heeft ontvangen gaat van de dood over naar het leven. Lazarus werd bevrijd van zijn grafkleren en ontving nieuwe. Waarom zou een levende persoon gekleed gaan als een dode en ruiken naar de dood? Wellicht heeft de apostel Paulus gedacht aan Lazarus toe hij aan de gelovigen in Efeze schreef: ‘Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (Ef.4:22-24). Mensen die tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen hebben behoefte om hun grafkleren uit te doen om de nieuwe kleren aan te trekken. ‘Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper. Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld’ (Kol.3:9-10, 12). Die tot leven zijn gekomen door het geloof in Christus zullen daarvan getuigenis geven door in ‘nieuwheid van dit leven te wandelen (Rom.6:4).

We vinden Lazarus later zitten aan de tafel met Jezus (Joh.12:2), zoals alle gelovigen met Christus gezeten zijn in de hemelse gewesten (Ef.2:6) en genieten van het geestelijk voedsel en de gemeenschap met Christus. Vanwege de grote verandering van Lazarus, die dood geweest was en weer leefde, wilde iedereen hem zien. En deze ‘levende getuige’ werd door God gebruikt om mensen tot geloof te brengen (Joh.12:9-11). Er zijn geen woorden die Lazarus gesproken zou hebben vermeld in het evangelie, maar zijn dagelijkse wandel was genoeg om mensen te overtuigen. Vanwege zijn sterk getuigenis werd Lazarus vervolgd door de religieuze leiders die hem wilden doden om het bewijs van zijn opstanding te doen verdwijnen.

Tenslotte

Jezus Christus heeft niet alleen maar het leven en geeft het leven; Hij is het leven. Hij heeft gezegd dat een ander nooit kan zeggen: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’ (Joh.11:25-26). De apostel Johannes schreef: ‘Het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is’ (1 Joh.1:2). ‘In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen’ (Joh.1:4). Daarom is het van groot belang dat zondaars in de Heer Jezus gaan geloven omdat zij op alleen op die manier eeuwig leven kunnen ontvangen ‘En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.’ (1 Joh.5:11-12). Wat een paradox: Hij stierf opdat wij zouden leven! Wat een tragedie: dit leven is beschikbaar voor iedereen die in Jezus gaan geloven, en toch zijn er zo weinig die zich bekeren en geloven. Als het maar niet is omdat wij verzuimd hebben om hun het Goede Nieuws te vertellen!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Maakte het kruis deel uit van Gods plan?

 

 

 

 

Iemand heeft eens de vraag gesteld: ‘Was het van het begin af Gods bedoeling dat Jezus naar het kruis zou gaan? Ik denk dat het antwoord op de vraag beantwoord moet worden met ‘Neen!’. Ik denk niet dat Jezus dat aan het begin van zijn loopbaan heeft gedacht. Hij kwam met de overtuiging dat de mensen Hem zouden volgen, niet doden. Tot zover de onbekende vraagsteller. Het is gemakkelijk aan te tonen dat deze vraagsteller op grond van Gods Woord ongelijk heeft met zijn stelling en dat de kruisiging van de Heer Jezus geen toevallige gebeurtenis was – een niet te voorziene gebeurtenis – maar dat het deel uitmaakte van het Goddelijk plan om de wereld te redden. Gods Woord maakt duidelijk dat het kruis van Christus geen overweging was die later is opgekomen, ook geen menselijk falen, maar dat de Heer Jezus ‘het Lam was geslacht vanaf de grondlegging der wereld’ (Op.13:8). Eerder had Petrus in zijn toespraak op de Pinksterdag gezegd dat de Heer Jezus, ‘door de bepaalde raad en voorkennis van God was overgegeven’ (Hand.2:23). Petrus was erbij toen het gebeurde; hij wist dat Golgotha geen verassing voor de Heer Jezus was. Jaren later, toen hij zijn eerste brief schreef, noemde Petrus de Heer Jezus het Lam was ‘voorgekend van vóór de grondlegging van de wereld (1 Petr.1:20). Kan het nog duidelijker? Paulus stemde overeen met Petrus dat het kruis een centrale plaats innam in het hart van God. Want, als God eeuwig leven beloofde ‘vóór de tijden der eeuwen’ (Tit.1:2), en als hij ‘ons in Hem heeft uitverkoren van vóór de grondlegging van de wereld’ (Ef.1:4) en onze namen schreef in het boek van het leven vanaf de grondlegging der wereld (Op.13:8) dan behoort Gods grote heilsplan tot zijn eeuwige goddelijke raad. Toen de Heer Jezus op aarde kwam, wist Hij dat Hij kwam om te sterven. ‘Want Jezus van het begin af wie het waren die niet geloofden, en wie het was die Hem zou overleveren’ (Joh.6:64). Luister ook maar eens hoe de Meester Zelf de Schriften verklaard aan de twee ontmoedigde discipelen op de weg naar Emmaüs toen hij tot hen zei: ‘Moest de Christus dit niet lijden, en zo zijn heerlijkheid binnengaan?’ (Luk.24:26) Het kruis was een Goddelijke afspraak, geen menselijk ongelukje; het was een door God gegeven mogelijkheid, geen menselijke optie. Later diezelfde avond, verscheen de Heer Jezus aan de elf apostelen en zei: ‘Zo staat er geschreven dat de Christus moest lijden en uit de doden opstaan op de derde dag’ (Luk.24:46). De Heer Jezus werd niet vermoord; Hij legde zijn leven vrijwillig af voor zijn schapen (Joh.10:15-18; 19:30; 2 Tim.2:5). Zijn dood was een noodzakelijkheid in het plan van God. Het is dan ook zeer ongewenst om stellingen over het christelijk geloof te poneren zonder het Woord van God te kennen. De Heer Jezus zegt in Mattheüs 22:29 tegen de Sadduceeën (die niet geloofden in de opstanding en in een engel of geest): ‘U dwaalt, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God.’ Het is daarom erg belangrijk dat wij Gods Woord kennen om van daaruit een visie te onderbouwen De Heer Jezus opende de Schriften aan de Emmaüsgangers en het verstand van de discipelen opdat zij de Schriften verstonden (Luk.24:33,45). Daarvoor lezen we dat ze ‘de Schriften nog niet kenden’ (Joh.20:9). Paulus schrijft: ‘En wij hebben niet de Geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God geschonken zijn’ (1 Kor.2:12). Later schrijft Paulus aan Timotheüs ook: ‘omdat je van jongs af de heilige schriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door het geloof dat in Christus Jezus is’ (2 Tim.3:15). Geen of weinig kennis bezitten van Gods Woord is een grote tekortkoming in het leven van een gelovige en zal zich daardoor zelf nadeel berokkenen. Veel erger is wanneer mensen die belijden tot het volk van God te behoren het Woord van zich stoten: ‘Zie, het Woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?’ (Jer.8:9). 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De symboliek van de bijbel.

 

 

 

 

In de bijbel wordt veel gebruik gemaakt van de symboliek die vaak ontleend is aan de levenloze natuur, plantenwereld, dierenwereld, mensenwereld en/of de cultuurwereld.

Onder symbolisme verstaat men in de hermeneutiek*: ‘Een symbool die op een beeldende wijze inzicht geeft in een werkelijkheid die aan het normale waarnemings-vermogen onttrokken is. Het wijst boven zichzelf uit naar verborgen diepten van de werkelijkheid, en alleen door het symbool – en op geen enkele andere manier – kunnen we toegang krijgen tot deze verborgen werkelijkheid. 

Verklaringswijzen

Toekomstige gebeurtenissen worden geopenbaard door types, gelijkenissen, dromen, gezichten en symbolen. In deze korte studie beperken we ons tot de symboliek in het boek Openbaring. De bijbelse symboliek verklaren is niet zo gemakkelijk en het wordt wellicht daarom te pas en te onpas gebruikt, of moet ik zeggen misbruikt? In het algemeen gesproken kan men vier verklaringswijzen aanvoeren voor de verklaring van de bijbelse symboliek. Ten eerste, rechtstreeks uit een bijbelboek verklaarde symbolen. Ten tweede, uit de samenhang van een bijbelboek verklaarde symbolen. Ten derde, uit het geheel van de bijbel verklaarde symbolen en tenslotte, uit niet-bijbelse bronnen verklaarde symbolen.

Enkele voorbeelden

We beperken ons tot enkele symbolen vermeld in het boek Openbaring.

1. Rechtstreeks uit een bijbelboek verklaarde symbolen.

- Openb.1:16, 20 - Zeven sterren = engelen van de zeven gemeenten.

- Openb.1:13, 20 - Zeven kandelaars = zeven gemeenten.

- Openb.17:1, 15 - Vele wateren = volken, menigten, naties.

2. Uit de samenhang van een bijbelboek verklaarde symbolen.

- Openb.9:1 De uit de hemel op de aarde gevallen ster blijkt in Openb.9:1 de engel

  van de afgrond te zijn.

- Openb.17:1, 5) – De hoer = de grote stad Babylon (17:18) = de vrouw op de zeven

   heuvelen (= Rome 17:9) en wordt verklaard door het contrast met de bruid,

   de vrouw van het Lam (17:1 en 21:9).

- Openb.19:11-16, 19) – De ruiter op het witte paard blijkt volgens de beschrijving

  Christus te zijn.

3. Uit het Oude Testament verklaarde symbolen.

- Openb.2:7 – Het verborgen manna (Ex.16:33v.; Hebr.9:4)

- Openb.5:5 -  De leeuw uit de stam van Juda (Gen.49:9).

- Openb.19:20 – de poel van vuur (Jes.30:33).

4. Uit niet-bijbelse bronnen verklaarde symbolen.

- Openb.2:17 – de witte steen. Komt nergens verder voor in de bijbel. Diverse

   mogelijkheden worden gegeven uit de (Romeinse) cultuur.

- Openb.3:18 – de ogenzalf. De plaats Laodicea was bekend om haar ogenzalf.

- Openb. 5:1; 6:1-17; 8:1) – Het boek met de zeven zegels. Deze boekrol was een

   papyrus rol die opgerold was en niet eerder kon worden gelezen totdat de zegels

   verbroken werden.

Symbolisch of letterlijk?

Sommige bijbelonderzoekers nemen alles letterlijk, anderen nemen alles symbolisch.

Anderen zeggen: ‘wat je letterlijk kunt nemen moet je letterlijk nemen, en wat je niet letterlijk kunt nemen moet je symbolisch opvatten.’ Maar daarmee is het probleem nog niet voldoende opgelost. Alles symbolisch verklaren brengt grote problemen met zich mee. Hoe kun  je alles verklaren? Wat betekenen bomen, bergen, rivieren, afgrond, gras, graan enz. als ze niet voldoen aan de hierboven geschetste mogelijkheden tot verklaring van de  symbolen? Over wat we letterlijk of symbolisch dienen op te vatten is het laatste woord nog niet gesproken en we dienen dan ook voorzichtig te zijn met onze conclusies.

Getallen

Dit is een ingewikkelde kwestie. Als er gesproken wordt in Openbaring 7 en 14 over de 144.000 verzegelden moeten we ons afvragen is dit een exact aantal of is het een symbolisch getal dat het om een volmaakte hoeveelheid hoeveelheid gaat namelijk 12 x 12.000?

Een verklaring van de getallen in de bijbel zijn in meerdere werken te vinden en kortheidshalve verwijs ik naar de hieronder vermelde literatuurlijst.

Aangehaalde werken :

Pentecost, J.D., Things to Come, 1958, Dunham Publishing Company, USA.

Ouweneel, W.J., De Openbaring van Jezus Christus, 1988, uitg.Medema, Vaassen.

Van der Haagrn, C., Profetisch Perspectief, zonder jaar, Zoeklicht, Doorn.

Grant, F.W., The Numerical Structure of Scripture, 1899, New York.

Den Heyer, Cees, Symbolen in de Bijbel, 2000, uitg. Meinema, Zoetermeer.

_________________________________

*Hermeneutiek is de studie en toepassing van de methodologische beginselen van het interpreteren en uitleggen; in het bijzonder het algemene beginsel van bijbelse interpretaties (exegese)’.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Kenmerken van een christen

1 Petrus 2:21-24

 

 

 

Inleiding

‘Als dat een christen is, dan geef mijn portie maar aan Fikkie’ was eens de titel van een traktaat. Veel ongelovigen weten precies wat een christen wel en niet mag doen en als ze niet voldoen aan hun normen dan heeft voor hen het christelijke geloof afgedaan. De Indiase geweldloosheidsactivist Mahatma Ghandi (1869-1948) schijnt ooit eens gezegd te hebben: ‘Iedereen zou meer moeten leven als Jezus Christus’. Gandhi was een christen geweest als hij niet door christenen was behandeld als uitschot. Hij was een Hindu, maar had een erg nauwe band met het christendom en bewonderde Jezus enorm. Vaak citeerde hij uit de Bergrede (Mat.5-7). Toen de zendeling E. Stanley Jones, Gandhi ontmoette vroeg hij hem: ‘Meneer Gandhi, u citeert vaak de woorden van Christus, waarom is er dan zo’n duidelijke afkeer bij u om een volgeling van Hem te worden?’. Gandhi antwoordde: ‘O, ik verwerp Christus niet. Ik houd van hem. Het is alleen dat zoveel christenen niet lijken op hun Christus’. Hij voegde eraan toe: ‘Als christenen echt zouden leven naar wat ze lezen in de bijbel, zou heel India nu christen zijn’. Gandhi stond jaren daarvoor op het punt christen te worden toen hij in Zuid-Afrika woonde en werkte. Hij ontdekte dat er een kerkdienst bij hem in de buurt was en besloot er naartoe te gaan. Bij de deur werd hij tegengehouden door een blanke man die tegen hem zei. ‘Waar ga jij naartoe, kleurling?’ En hij werd de deur gewezen. De apartheid van de blanke christen ging lijnrecht in tegen de woorden van Degene die hij zei te volgen. Gandhi besloot geen christen te worden. Hoog tijd om te onderzoeken wat de bijbel zegt waaraan we dienen te voldoen opdat wij geen struikelblok voor een ander zouden zijn.

1. Aannemen is volgen

Om een kind van God te worden moet je de Heer Jezus aannemen, zo leert het evangelie van Johannes ons. ‘Allen die Hem aangenomen hebben, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden, hun die in zijn naam geloven’ (Joh.1:12v.). Dat is mooi. Maar wat betekent ‘aannemen’ hier? Voor waar aannemen wat ons over Jezus verteld is? Heel wat meer dan dat. Je moet Hem niet alleen aannemen als je Verlosser, maar ook als Heer en Meester. Wat dat is, zien we bijvoorbeeld bij Paulus toen hij de gelovigen in Thessaloniki schreef: ‘u bent navolgers geworden van ons en van de Heer, nadat u het woord aangenomen hebt onder veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest’ (1Thes.1:7). Echt de Heer en het woord van God aannemen leidt ertoe dat je leeft vanuit de kracht en blijdschap van de Heilige Geest en dat je een navolger van de Heer wordt. En dat zal, als het echt is, net als bij de Thessalonicenzen voor iedereen zichtbaar worden. De Heer navolgen kun je niet in het verborgene doen. Gelijk een stad, die op een berg ligt niet verborgen kan blijven (Mat.5:14). ‘Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden, die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen’ (1Petr.2:21-24).

‘Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft’ (1Joh.2:6).

2. Volgen is gehoorzamen

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’ (Joh.3:16). Dit is de meest bekende tekst in de hele bijbel. Maar wat betekent ‘geloven’ hier? Het antwoord op die vraag vinden we in hetzelfde hoofdstuk. Volgens vs.36 staat het tegenover ‘ongehoorzaam’ zijn: ‘Wie in de zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem’! In de Zoon geloven houdt dus op z’n minst in: de Zoon gehoorzamen. ‘Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft’ (Joh.14:21). De apostel Paulus wilde heidenen tot gehoorzaamheid brengen door woord en daad’ (Rom.15:18). Veel bijbellezers hebben het moeilijk met de hardheid waarmee God optrad tegen Israëlieten die zondigden. Neem bijvoorbeeld de ‘sabbatschender’ in het boek Numeri die, omdat hij op de sabbat hout sprokkelde, ter dood gebracht moest worden (Num.15:32-39). Wij zouden ons daar wellicht niet zo druk over maken, maar God wel. Zondigen betekent aan Gods wet en wil ongehoorzaam zijn, op die manier is de zonde in de wereld gekomen! Het boek Numeri maakt wel onderscheid tussen opzettelijke zonden (met voorbedachten rade) en onopzettelijke zonden (Num.15:22-31). De sabbatschender behoorde op de hoogte te zijn van Gods wil betreffende de geboden in verband met de sabbat (Ex.20:8-11; 31:12-17) en kon zich niet beroepen op onwetendheid. Hij sprokkelde hout voor het maken van een vuur, maar dat was verboden want er staat geschreven: ‘Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken op de sabbatdag’ (Ex.35:3). Het ‘harde’ handelen van God staat hier niet ter discussie, maar wel de ongehoorzaamheid van de mens. Een kenmerk van een gelovige behoort er een te zijn van gehoorzaamheid aan Gods Woord. ‘Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is’ (Rom.6:17).

‘Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?’ (Luk.6:46).

3. Gehoorzamen is overgave

‘Dit is het woord van het geloof dat wij prediken: dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis’ (Rom.10:8-10). Hier is niet eens sprake van de zondenkwestie -– hoewel die op zichzelf natuurlijk heel belangrijk is – maar van overgave aan Christus. Er is geen behoudenis mogelijk als je Jezus niet als Heer (Meester) belijdt, allereerst in je woorden, en vervolgens ook in je daden, die de oprechtheid van je woorden moeten aantonen. ‘Heiligt Christus als Heer in uw harten’ (1Petr.3:15). Overgave betekent ook een volledig vertrouwen hebben op God in alle situaties van het leven: ‘Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ (Hebr.13:5-6). Hoe wij slapen kan soms een bewijs zijn in hoeverre we op God vertrouwen (Ps. 4-5). Overgave wordt soms omschreven als een totale toewijding. Het bidden met opgeheven handen kan een uitdrukking betekenen van overgave, zoals soldaten die hun handen opheffen wanneer ze de strijd niet meer aankunnen (1Tim.2:8). Wij mogen al onze bezorgdheid op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (Petr.5:7). ‘Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden’ (Mat.6:31-33).

‘Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (Gal.2:19-20).

4. Overgave is voor Jezus leven

De apostel Petrus deelde zijn leven op in twee delen; vóór en ná zijn bekering (1Petr.4:2-3). De rest van zijn tijd was volledig aan de Heer gewijd, want het was Paulus duidelijk dat Christus voor allen gestorven is, ‘opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt’ (2Kor.5:15). ‘Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij’ (1Petr.4:3). Als je zegt dat de Heer voor jou en je zonden is gestorven, zie dan hier de consequentie: Hij is voor jou gestorven opdat jij niet meer voor jezelf leeft, maar voor Hem. Je kunt iemand pas een gelovige noemen als je aan zijn leven kunt zien, dat hij echt voor de Heer leeft. ‘Want niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf; want hetzij wij leven, wij leven voor de Heer; hetzij wij sterven, wij sterven voor de Heer; hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de Heer’ (Rom.14:7v.). Wij leven door het offer van de Heer Jezus in het verleden gebracht (1Joh.4:9) en in de toekomst zullen we voor altijd met de Heer leven (1Thes.4:18) en intussen mogen we voor de Heer leven (2Kor.5:15). 

‘Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’ (Fil.1:21)

5. Voor Jezus leven is vrucht dragen

‘Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem soms behouden?’ (Jak.2:14). Precies! Een zogenaamd geloof dat niet door goede werken waargemaakt wordt, is een dood geloof (vs.17). En dus kunnen we iemand pas een echte gelovige noemen als zijn geloof zichtbaar is geworden in zijn werken. Een boom die goed genoemd wordt, maar geen goede, of zelfs helemaal geen vruchten voortbrengt, is gewoon niet goed. ‘Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg’ (Joh.15:2). We mogen geen oordeel uitspreken over iemands behoudenis want we kennen het hart van de ander niet, maar wel mogen we letten op zijn belijdenis in woord en daad. ‘Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis’ (Rom.10:9-10). ‘De Here kent de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid’ (2Tim.2:19). We dienen vrucht voor te brengen die in overeenstemming met onze bekering is (Mat.3:8). Paulus zei tegen koning Agrippa: ‘Daarom ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest, maar ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming’ (Hand.26:19-20).

‘Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt’ (Mat.3:8).

6. Vrucht dragen betekent heilig leven

Ook gelovigen kunnen zondigen, maar de belofte dat, wanneer wij onze zonden belijden, God getrouw en rechtvaardig is om ons de zonde te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid, helpt ons er weer bovenop (1Joh.1:9). Prachtig, dat is volkomen waar. Maar waaraan kunnen wij onder andere zien of die belijdenis werkelijk oprecht was, en of de belofte van de vergeving dus inderdaad van toepassing is? Salomo zegt: ‘Wie zijn overtredingen (…) belijdt en nalaat, die vindt ontferming’ (Spr.28:13). Wie zijn zonden belijdt, maar er vervolgens gewoon in blijft volharden, alsof er niets gebeurd is, hoeft niet op Gods vergeving te rekenen. Ik heb het er niet over dat een gelovige toch weer in een bepaalde zonde kan vallen, en dan na belijdenis opnieuw vergeving ontvangt, maar ik heb het over mensen die hun zonden wel belijden, maar gewoon blijven doorleven in die zonden alsof er niets veranderd is. En misschien is er bij hen ook wel niets veranderd. ‘Wanneer hij nu aan een van deze dingen vermeld in Leviticus 5:1-5 schuldig is, dan zal hij belijden, waarin hij gezondigd heeft’. David zei: ‘Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden’ (Ps.32:5) 

‘En velen van hen, die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden’ (Hand.19:18)

Ten slotte

Je zou het allemaal zo kunnen samenvatten. Het gaat er niet alleen om dat je weet hoe je in de hemel kunt komen, maar vooral ook dat je weet hoe je de aarde moet doorkomen. Als je weet dat de Heer Jezus voor je zonden is gestorven, heb je de weg naar de hemel gevonden. Je bent ‘bekwaam om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht’ (Kol.1:12). Maar je moet hier op aarde zijn wat er vlak aan voorafgaat: ‘vervuld met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Heer waardig te wandelen tot al zijn welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God, met alle kracht bekrachtigd, naar de sterkte van zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap’ (Kol.1:9-11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Moeten Christenen de  Sabbat houden?

 

 

 

Het eerste bericht over de zevende dag

Het eerste bericht over de zevende dag, als een bijzondere dag, vinden we in Genesis 2: ‘Toen nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op daarop gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken’ (Gen.2:2-3). God rustte op de zevende dag, en zegende en heiligde die. Hij was uiteraard niet moe van Zijn scheppingswerk, want Hij wordt niet moe of mat (Jes.40:28). Hij rustte omdat Zijn werk volbracht was. Dit betekent niet dat Hij nooit meer zou gewerkt hebben. De schepping was wel voltooid maar ze moest onderhouden worden. Van Christus wordt gezegd: ‘Hij draagt alle dingen door Zijn krachtige woord’ (Heb.1:3). Er moest gewerkt worden; werken hoort bij de schepping. Ook Adam en Eva moesten werken, zowel vóór de zondeval als erna. Dit onderhouden van de schepping deed niets af aan de scheppingsrust van God.

Gods rust verstoord

De zondeval verstoorde Gods scheppingsrust. Door de zonde van Adam en Eva kwam er een vloek over de aarde. De Heer moest nu werken aan het werk van de verlossing. Dit komt tot uiting in Joh.5:17: ‘Maar Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’. Dit zei de Heer Jezus toen Hij iemand op de sabbat genezen had. Dit toont duidelijk aan dat de sabbatsrust van de schepping verstoord was en God nu het verlossingswerk moest volbrengen. Dat werk werd voltooid op Golgotha, na een lange weg sinds de zondeval.

De sabbat niet aan Adam en Eva opgelegd

Nergens in Genesis vinden we de sabbat voorgeschreven. Pas nadat Israël uit Egypte gevoerd werd wordt voor het eerst over het houden van de sabbat gesproken, bij het verschaffen van het manna: ‘Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! ... Zes dagen zult gij het [manna] verzamelen; doch op de zevende dag is het sabbat ... Ziet, omdat de HEERE u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u op de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag! ... Alzo rustte het volk op de zevende dag’ (Ex.16:23-30).

Uit deze verzen volgt duidelijk dat de sabbat bij Israël nog niet bekend was. Als dan in Exodus 20 de wet gegeven wordt, bij de Sinaï, wordt het sabbatsgebod herhaald als het vierde van de tien geboden.

Aan Israël gegeven

In de Schrift lezen we duidelijk dat de wet aan Israël is gegeven en niet aan de heidenen. De Joden zijn ‘onder de wet’ - de heidenen zijn ‘zonder wet’ (Rom.2:12, 14, 17; 3:19; 1 Kor.9:20, 21). Mensen die beweren dat de sabbat vanaf de schepping de mens is opgelegd, kunnen dat onmogelijk aan de hand van de Schrift bewijzen. In de hele geschiedenis van de aartsvaders wordt over de sabbat met geen woord gerept. Een gebod over de sabbat wordt dus voor het eerst aan het volk Israël gegeven. We lezen: ‘Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u … Dat dan de kinderen Israëls de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond’ (Ex.31:13, 16; zie ook Ez.20:12).

De sabbat is een teken van het verbond dat de Heer met Israël gemaakt had. Deze uitspraak zou zijn betekenis verliezen indien de sabbat aan de hele mensheid was opgelegd. Lees ook: ‘Want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij de sabbatdag houden zult’ (Deut.5:15). Ook volgend Schriftwoord toont aan dat de sabbat specifiek aan Israël werd voorgeschreven: ‘Met een wolkkolom hebt U hen overdag geleid en met een vuurkolom 's nachts, om de weg waarop zij zouden gaan voor hen te verlichten. Op de berg Sinaï bent U neergedaald en hebt U vanuit de hemel met hen gesproken, en U hebt hun rechtmatige bepalingen, betrouwbare wetten en goede verordeningen en geboden gegeven. Uw heilige sabbat hebt U hun doen kennen, en geboden, verordeningen en een wet hebt U voor hen uitgevaardigd door de dienst van Mozes, Uw dienaar’ (Neh.9:12-14). Kan het nog duidelijker…?

Uit werken van de wet geen rechtvaardiging

De sabbat of rustdag op de zevende dag, behoort tot de wet waarvan God had gezegd dat als de mens deze zou gehoorzamen hij daardoor zou leven (Lev.18:5). Nu horen we in het Nieuwe Testament dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet (Rom.3:20; Gal.2:16; 3:11). De wet is goed maar wij konden wegens onze vleselijkheid haar niet gehoorzamen - ze heerste over ons (Rom.6:14). Het sabbatsgebod behoort tot deze wet welke de mens niet kon houden en rechtvaardigen. Van het wetsbestel verlost

Na Jezus’ offer op Golgotha geldt voor ieder die in Hem gelooft dat hij niet meer onder het wetsbestel staat maar onder de genade: ‘Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade’ (Romeinen 6:14). Sommigen zeggen nu dat wij niet meer onder de ceremoniële wet staan maar nog wel onder de morele wet, maar als we verder lezen zien we dat dit niet juist is: ‘Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn?’ (Rom.6:15). Het gaat hier wel degelijk over de morele geboden, die van ‘Gij zult”‘ en ‘Gij zult niet’.

Het is niet zo dat omdat wij niet onder de wet staan, wij daarom mogen zondigen. Negen van de tien geboden worden in het Nieuwe Testament teruggevonden, maar niet als onderdeel van het wetsbestel. Dit wetsbestel getuigde van slavernij (Gal.4:1-3, 10; 5:1-3), maar de nieuwtestamentische geboden zijn voorschriften van genade. Een eerste voorbeeld: ‘Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid, ieder met zijn naaste; wij zijn immers leden van elkaar’ (Ef. 4:25). Dit voorschrift komt neer op ‘Gij zult niet liegen’ maar de motivatie ervan houdt nu verband met wat wij in Christus geworden zijn: leden van elkaar en leden van het Lichaam van Christus, de Gemeente. Een tweede voorbeeld: ‘Wie gestolen heeft, moet niet meer stelen, maar moet zich liever inspannen om met de handen goed werk te doen, opdat hij iets kan meedelen aan wie gebrek heeft’ (Ef.4:28).

Het ‘Gij zult niet stelen’ krijgt hier nu een positieve benadering: goed werken opdat je aan anderen kan geven, in plaats van hen iets af te nemen. Dit gaat verder dan de wet. Enkel de genade leert ons hoe we moeten handelen - zie Tit.2:11 - ‘Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen. Zij voedt ons ertoe op - met verloochening van de goddeloosheid en de wereldse begeerten - bezonnen en rechtvaardig en godvruchtig te leven in deze tegenwoordige wereld, waarbij wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en onze Zaligmaker, Jezus Christus. Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Spreek over deze dingen, roep ertoe op en weerleg met alle gezag. Laat niemand u verachten’ (Tit.2:11-15). Wanneer we geleid worden door het genadebestel en ons door de liefde van Christus laten leiden, vervullen wij de wet (Rom.13:10, vgl. Rom.8:1-4) én doen we meer dan wat de wet.

Geen Sabbat opgelegd

Negen van de tien geboden van de wet worden op een of andere manier in het Nieuwe Testament herhaald, maar dan in genadetermen. Enkel het sabbatgebod komt er niet in voor. Het houden van bepaalde dagen wordt zelfs helemaal niet voorgeschreven, integendeel: ‘Laat dus niemand u veroordelen inzake eten of drinken, of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan, of sabbatten. Deze zaken zijn een schaduw van de toekomstige dingen, maar de belichaming ervan is Christus’ (Kol.2:16-17). Dit Schriftwoord veroordeelt juist het houden van de sabbat. Zie ook Gal.4: ‘U onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren. Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen’ (Gal:10-11). Paulus maakt voor de sabbat geen uitzondering! Mag men dan geen bepaalde dagen in acht nemen? Toch wel, als men daar maar geen gebod van maakt. Wij leven immers in de vrijheid van de Geest (2Kor.3:17; Gal.2:4; 5:1). Zie wat Paulus zegt: ‘De een acht de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Laat ieder in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd zijn. Wie de dag in ere houdt, houdt hem in ere voor de Heere en wie de dag niet in ere houdt, houdt hem niet in ere voor de Heere’ (Rom.14:5-6a).

De eerste dag van de week

Op de sabbat lag Jezus in het graf! Pas toen die voorbij was, vroeg op de eerste dag van de week, vond men Zijn graf leeg (zie Mat.28:1-7; Mark.16:1-8; Luk.23:56 - 24:6). Die dag was de heerlijke opstandingsdag. Op die dag verscheen de Heer ook aan Zijn discipelen (zie Joh.20:19-29). Hieruit volgt het gebruik (geen gebod!) van het vieren van het Avondmaal op de eerste dag van de week, de zondag: ‘En op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus hen toe’ (Hand.20:7).

Dit komt overeen met de feesten vermeld in Leviticus 23 waar gesproken wordt over ‘de dag na de sabbat’ (23:11,15). In vers 11 heeft dat betrekking op de eerstelingsgarve, een type van de opstanding van Christus die opstond op de eerste dag van de week; de dag na de sabbat. Daarna wordt het wekenfeest beschreven, type van het Pinksterfeest. We lezen: ‘U moet dan vanaf de dag na de sabbat gaan tellen, vanaf de dag dat u de schoof van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn. Tot de dag na de zevende sabbat moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de HEERE een nieuw graanoffer aanbieden.’ Aanvankelijk kwamen de gelovigen nog elke dag bij elkaar om het Avondmaal te vieren (‘brood te breken’; Hand.2:42, 46). In Handelingen 20:7 zien we echter dat men dit elke eerste dag van de week is gaan doen … ‘totdat Hij komt’ (1Kor.11:26).

Geen ‘Dag des Heren’ ingesteld

Velen begrijpen uit de term ‘de dag des Heeren’ in Op.1:10 dat Johannes op ‘zondag’ zijn visioenen kreeg. Daaruit trekt men de conclusie dat de eerste dag van de week ‘de dag des Heren’ kan genoemd worden en als zodanig is ingesteld. Dit is een vergissing. Wat is ‘de dag des Heren’ in Op.1:10? Johannes kwam ‘in’ of ‘op’ (Grieks: en, dat zowel in als op kan betekenen) ‘de dag des Heren’. De meesten denken dat hier de eerste dag van de week, de zondag, is bedoeld, maar anderen geven er de voorkeur aan om in Op.1:10 aan de alom bekende ‘dag des Heren’ (OT: ‘dag van Jahweh’) te denken, het thema van het boek Openbaring.

In tegenstelling tot het wetsverbond is er in het nieuwe verbond (Nieuwe Testament)  geen enkele dag ingesteld, en dus ook geen dag des Heren. Men kan wel spreken van een ingestelde Avond-maalviering (1Kor.11:23-26) en een vroeg gebruik (Hand.20:7) om op de eerste dag van de week het Avondmaal te vieren. Maar in de gehele Bijbel slaat de uitdrukking ‘de dag des Heren’ ALTIJD op de tijd van de eindgerichten, en nooit op iets anders. Johannes kwam in de geest IN ‘de dag des Heren’, de eindtijd van de gerichten; hij kwam niet OP de zondag ‘in de geest’. Trouwens, er is iets wat dit kracht bijzet: Johannes hoorde achter zich ‘een luide stem, als van een bazuin’. De Bazuin kondigt ‘de dag des Heren’ aan: Jl.2:1-2; Zef.1:14-16. Zie verder alle schriftplaatsen over ‘de Dag des Heren’: Jes.2:12, 13:6, 9, 10; Ez.13:5; 30:3; Joël 1:15; 2:1, 11, 31; 3:14; Am.5:18-20; Ob.15; Zef.1:7, 14; Mal.4:5; Hand.2:20; 1Thes.5:2; 2Petr3:10; Op.1:10.

De Rust ingaan

Temidden van een goddeloze en afvallige wereld is er voor de gelovigen rust: ‘Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel’ (Mat.11:28). Dit is de rust van het geweten en de geest van de mens, die hij verkrijgt door bekering en geloof in Christus’ verlossende werk, en door een discipel van Hem te worden. In de toekomst komt er nog een sabbatsrust voor Gods volk. Israël zou na de woestijnreis rust vinden in Kanaän, maar door hun ongehoorzaamheid vielen ze in de woestijn (Heb.4:6). De rest van het volk kwam in Kanaän maar ze vonden geen rust. Het Messiaanse koninkrijk van rust en vrede kon niet opgericht worden. Zij die Kanaän binnengingen waren even zondig als zij die in de woestijn vielen. Daarom gaf God door David een nieuwe boodschap van rust: ‘Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals in de dagen van Massa in de woestijn … Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!’ (Ps.95:7, 8, 11).

Met het voorbeeld van het volk dat Zijn rust niet inging worden zij gewaarschuwd. Zij hadden toen niet geluisterd, en ook niet toen Jezus op aarde was. Maar die rust blijft Gods plan, maar werd toekomstig wanneer Christus’ koninkrijk zal opgericht worden. Er blijft een sabbatsrust over voor Gods volk (Heb.4:9). Het gelovige deel van Israël zal de rust ingaan in het beloofde land (Jes. 32:1-4, 16-20). Christenen zullen de rust genieten wanneer ze met Christus zullen regeren in Zijn koninkrijk (Rom.8:17). Maar in geestelijke zin is voor ons de rust reeds aangebroken doordat wij rusten in het werk van Christus. Dit is een voortdurende geloofswandel en niet zomaar een wekelijkse rust op een ingestelde dag, zoals de sabbatdag.

---------------------------------------------------------------------------------------

Deels verwerkt bronmateriaal: ‘Zaterdag of Zondag?’ - J.G. Fijnvandraat.

Bron: www.verhoevenmarc.be

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Licht en Duisternis

 

 

 

 

‘Wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat’ (Joh. 12:35)

Inleiding

De viering van Kerstmis wordt geassocieerd met licht. Mensen versieren hun huizen met kleurige lichtjes, zowel binnen als buiten, en van de dorpen tot de grootste steden worden de winkelstraten versierd om de ‘kerstsfeer’ op te roepen en te stimuleren. Zelfs de president van de Verenigde Staten verlaat jaarlijks zijn Oval Office om de verlichting van de kerstboom van het Witte Huis te ontsteken.

Kerstverlichting is meer dan decoratie, het is ook herinnering wat gebeurde op die eerste ‘Kerstmis’ zolang geleden. Toen Jezus Christus werd geboren, was de wereld in duisternis gehuld en leefde men in angst voor de dood. ‘Het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan’ zegt Mattheüs 4:16; een aanhaling van Jesaja 9:2. ‘Ik ben als een licht in de wereld gekomen’, heeft Jezus gezegd, ‘opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve’ (Johannes 12:46). Dat is de derde en de laatste keer in het Evangelie van Johannes dat Hij naar Zichzelf verwijst als ‘het Licht van de wereld’ (zie: Johannes 8:12; 9:5).

Het enige letterlijke ‘licht van de wereld’ dat we hebben is de zon, het centrum van ons universum en een beeld van onze God (Psalm 84:12; Maleachi 4:2). Gods heerlijkheid wordt vergeleken met de zon (Mattheüs 17:2; Handelingen 26:13-15; Openbaring 1:16), en het licht van de zon brengt leven op aarde. Als de zon niet zou schijnen, is er op aarde geen leven mogelijk; en als het licht en warmte te hoog zouden oplopen zou alles verbranden en sterven. De priester Zacharia vergelijkt de geboorte van Jezus met het aanbreken van een nieuwe dag voor een wereld in duisternis. De Heer zou aan zijn volk willen geven ‘kennis van heil in de vergeving van hun zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes’ (Lukas 1:77-79). Je kan concluderen dat Zacharia bekend was met de tekst van Jesaja 9.

Het licht van Gods heerlijkheid wekte en alarmeerde de herders en de blijde boodschap van de engelen deed hen naar Bethlehem gaan om de Heiland te zien. Het licht van de ster leidde de wijzen naar Jeruzalem, en het licht van Micha’ profetie, samen met de ster, leidde hen naar Bethlehem (Mattheüs 2:1-12; 2 Petrus 1:19). De herders en de wijzen zouden, samen met David, kunnen zeggen: ‘In uw licht zien we het licht’ (Psalm 36:10). Omdat God het licht van zijn heerlijkheid zond, het licht van de ster, en het licht van zijn Woord, waren de herders en de wijzen in staat om het Licht van de wereld te ontdekken.

De oude Simeon zag Jezus en zei tegen de Heer: ‘mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël’ (Lukas 21:30-32). Het licht van Gods heerlijkheid was niet meer waargenomen op aarde vanaf het vertrek uit de tempel in de dagen van de joodse ballingschap (Ezechiël 10-11) maar nu was het teruggekeerd! ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid’ (Johannes 1:14). Maar het licht van het heil was ook bestemd voor de volkeren, want Mattheüs past Jesaja’s profetie toe op de volkeren of heidenen (Mattheüs 4:12-17). Inderdaad is Jezus ‘het licht van de wereld’ en ‘de Heiland van de wereld’ (1 Johannes 4:14).

Waarom zien behoeftige zondaars het Licht niet waardoor ze, door genade, behouden kunnen worden? Sommigen hebben nog nooit gehoord van ‘de tijden van grote vreugde’, en het is onze verantwoordelijkheid hen daarvan op de hoogte te brengen. Sommigen verontschuldigen zich in plaats van eerlijk te zijn met zichzelf en de Heer en minachten Gods boodschap. Anderen wandelen zo in geestelijke en morele duisternis dat ze weigeren om tot het Licht te komen. ‘Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen’ (Johannes 3:19-20). Deze Kerst maakt het ook voor u mogelijk ‘om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petrus 2:9). Of heeft u nog geen antwoord gegeven op Gods aanbod?

Licht en duisternis. We gaan na wat de Bijbel daar nog meer over heeft te zeggen in het verleden, heden en toekomst.

1. Verleden (Verlossing)

‘Gedurende drie dagen kon niemand een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle Israëlieten hadden licht, waar zij woonden’ (Ex. 10:23).

Het verhaal van de tien plagen is bekend. We beperken ons dan ook tot de gebeurtenissen tijdens de laatste drie plagen.

De achtste plaag bracht gedurende drie dagen al een vorm van duisternis teweeg door de sprinkhanen die in grote aantallen aanwezig waren: ‘Zij bedekten de gehele oppervlakte van het land, zodat het land erdoor verdonkerd werd en zij vraten al het veldgewas af en alle vruchten van de bomen, die de hagel had overgelaten, zodat er geen groen meer overbleef aan boom of veldgewas in het gehele land Egypte’ (Exodus 10:5, 15)

De negende plaag bracht totale duisternis: ‘er was gedurende drie dagen een dikke duisternis in het gehele land Egypte. Gedurende drie dagen kon niemand een ander zien’ (Exodus 10:22-23).  In Exodus 11 zien we hoe Mozes direct na de negende plaag aan de farao de tiende, laatste en vreselijkste plaag aankondigt: de eerstgeborenen van Egypte zullen te middernacht sterven. Deze plaag zal aan Israël voorbijgaan, maar niet zomaar vanzelfsprekend: de eerstgeborenen van Israël zijn van nature immers niet beter dan de eerstgeborenen van Egypte? Alleen door te schuilen achter het bloed van het paaslam, dat onschuldig in hun plaats sterft, zullen zij veilig zijn wanneer de verderfengel met het oordeel voorbijgaat (Pascha = Voorbijgaan). ‘Ook ons Pascha is geslacht: Christus (1 Kor. 5:7). Tijdens de drie dagen van dikke duisternis hebben de Israëlieten licht in hun woonplaatsen want hebben zij het paaslam al in huis; in de nacht na deze drie dagen sterven de eerstgeborenen van Egypte, en slacht Israël in elk gezin het paaslam, eet het en brengt het bloed aan op de deurposten. In alle huizen van Egypte is groot verdriet, maar de Israëlieten trekken eindelijk met grote blijdschap en in haast weg uit Egypte.

Het Pascha moesten de kinderen Israëls voortaan elk jaar vieren, als een gedachtenismaaltijd vanwege de bescherming tegen de verderfengel (door het bloed van het lam) en de verlossing uit Egypte. Zo hebben zij het ook gevierd bij de aanvang van de woestijnreis bij de berg Sinaï (Num. 9:1-14) en bij de aankomst in het beloofde land (Joz. 5:10v.). Direct aansluitend op het Pascha moesten zij het ‘feest van de ongezuurde broden’ vieren: alle ‘zuurdeeg van slechtheid en boosheid’ (vgl. 1 Kor. 5:8) moes uit hun huizen worden weggedaan. Ook dat moest elk jaar worden herhaald: wie eenmaal achter het bloed van het Lam geschuild heeft en aan het oordeel ontkomen is, moet ook verder een leven van ‘reinheid en waarheid’ leiden (1 Kor. 5:7v.). Heeft u ook hét Lam in huis? Zo ja, dan bent u niet in de duisternis zoals de mensen van deze wereld maar heeft u ‘Licht’ in uw huis.

2. Heden (Wandel)

 ‘Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben’ (Joh.8:12).

Wie eenmaal achter het bloed van het Lam geschuild heeft en aan het oordeel ontkomen is, moet ook verder een leven van ‘reinheid en waarheid’ leiden (1 Kor. 5:7v.) hebben we hierboven gezegd. Daar juist de eerstgeborenen achter het bloed geschuild hadden, werden zij op bijzondere wijze Jahweh toegewijd (Ex. 13:1v., 13-16; 34:19). De gelovigen in Thessaloniki hadden begrepen dat ‘tot geloof komen’ ook een vervolg moest hebben. ‘Want zelf verhalen zij van ons, hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1 Thes. 1:9-10). En aan Titus schrijft de apostel Paulus: ‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus’  (Tit. 2:11-13). Veel mensen maken zich er al te gemakkelijk vanaf door te beweren dat ze God kennen terwijl ze Hem niet dienen in deze wereld.  Zacharia (de vader van Johannes de Doper) dacht er anders over en profeteerde: ‘dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Luk. 1:74-75).

Het volk Israël werd ook verlost opdat ze God zouden dienen. We vinden tot zes keer de oproep vermeld in het boek Exodus: ‘laat mijn volk gaan, om Mij te dienen in de woestijn’ (Ex. 7:16; 8:1, 20 9:1, 13; 10:3). Het volk Israël en ook wij zijn verlost met een doel! De verlossing is niet alleen het einde van ons oude leven, maar het begin van een nieuw leven. De apostel splitst zijn leven in tweeën wanneer hij schrijft over de ‘tijd die nog rest’. ‘Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, te leven. Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij’ (1 Petr. 4:1-3). Hij spreekt hier over de tijd vóór en ná zijn bekering. Hoe ziet uw leven na uw bekering eruit?

‘Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts’ (Efeze 5:8).

3. Toekomst (Vreugde)

‘En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden’ (Openbaring 22:5).

Aan alles komt een einde, ook aan onze dienst voor de Heer hier in deze wereld. Het is een groot voorrecht om verlost te zijn door het bloed van het Lam. Het is een eer het Lam te dienen en te volgen waarheen het ook gaat (vgl. Openb. 14:4). Het is een geweldig vooruitzicht straks het Lam te ontmoeten in zijn heerlijkheid. Dan zal het verlangen van de Heer Jezus vervuld worden, Hij heeft immers aan de Vader gevraagd: ‘Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Joh. 17:24). We kunnen niet bevroeden hoe het dan zal, het gaat ons voorstellingsvermogen te boven, gelijk geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’ (1 Kor. 2:9).

De apostel beschrijft het nieuwe Jeruzalem als een stad waarvan de poorten nooit gesloten zullen worden des daags, want daar zal geen nacht zijn (Openb. 21:25). Daar zal geen nacht meer zijn (Openb. 20:5). Hier komen de eerste en de laatste bladzijden van de Bijbel bij elkaar. ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht‘ (Gen. 1:1-5). God maakte scheiding tussen het volk Israël en het volk Egypte, tussen gelovigen en ongelovigen en in de toekomst zal er geen nacht (duisternis) meer zijn en zullen wij geen licht van zon meer nodig hebben, want God zal ons verlichten. God is liefde, God is Licht.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Je bent niet alleen!

 

 

 

 

Inleiding

Vaak ontstaat de bewustwording van het feit dat je als gelovige niet alleen bent, enige tijd na je bekering. Je bent persoonlijk door God geroepen en hebt persoonlijk de Heer Jezus aangenomen als je Heiland en Verlosser. Maar dan, na enige tijd, kom je tot de ontdekking dat je niet alleen bent en te maken hebt met andere gelovigen, en dat je daar samen mee moet leven in hetzelfde huis, de Gemeente. Men zegt dat wij vandaag de dag in een ik’-tijdperk leven, een tijd van individualisme. Soms noemen we dat wel een ‘ik-cultuur’, dat tegenovergesteld staat aan de ‘wij-cultuur’. Een gemeente zou gekenmerkt moeten worden door een wij’-cultuur, want je bent niet alleen!

Om dit beter te begrijpen is het goed aandacht te schenken aan een aantal beelden die we in het Nieuwe testament van de Gemeente kunnen vinden.

We zijn kinderen dezelfde familie.

“Ziet, welk een liefde de Vader ons gegeven heeft, dat wij kinderen van God genoemd zouden worden, en wij zijn het ook!” (1 Joh. 3:1). Wij zijn kinderen van God geworden door het wonder van een nieuwe geboorte, want “Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren” (1 Joh. 5:1). Het is een wonder dat God ons tot zijn kinderen gemaakt heeft! Wie kan dat wonder bevatten als we beseffen dat we deel hebben gekregen aan de goddelijke natuur, dat we nu al mogen genieten van zijn liefde en zorg, en dat we eenmaal zijn heerlijkheid mogen binnengaan!

Maar Gods familie is groot en bevindt zich in de hele wereld en strekt zich uit over vele generaties. Ik heb het voorrecht gehad veel te mogen reizen en heb in veel landen en culturen andere gelovigen ontmoet. Nationale, culturele of kerkelijke muren speelden eigenlijk nooit een rol in het erkennen van elkaar als kinderen van God, want we behoren allen tot dezelfde Vader ‘die God en Vader is van allen’ (Efeze 4:6).

Ook al weten we dat God volmaakt is, zijn ‘familie’ op aarde is dat niet. En waar je ook komt in de wereld, je zult merken dat mensen overal hetzelfde zijn. Dat je in elke gemeente of kerk gelovigen tegen komt waarop je trots kunt zijn, maar ook gelovigen waarover je dat minder kunt zijn. We zullen dat moeten aanvaarden en ernaar streven de ander liefde te hebben.

We zijn leden van hetzelfde Lichaam

Meerdere plaatsen in het Nieuwe testament beschrijven de Gemeente als een lichaam, in het bijzonder 1 Korinthiërs 12:12-31. Paulus beschrijft daar, dat het lichaam bestaat uit vele leden met elke een eigen functie (vs.14). Hij zou dit beeld gebruikt kunnen hebben omdat we allemaal een lichaam hebben en weten hoe het functioneert, en omdat het lichaam het ideale beeld is van eenheid en diversiteit. Iedere gelovige behoort tot het lichaam van Christus, de Gemeente, want “wij zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt” (vs.13). En in dit lichaam heeft iedere een taak te vervullen op zo’n wijze dat het lichaam zou groeien en goed zou functioneren. Iedereen is nodig en niemand mag er vanuit gaan dat het ene lid belangrijker is dan de ander. (Dat was het probleem in de gemeente van Korinthe.) Een geestelijk gezonde gemeente is die waarin de verschillende ‘leden’ hun gave kennen en gebruiken in de dienst van Christus en zijn Lichaam. ‘Samen in de Naam van Jezus’ dient de slogan te zijn voor een gemeente die goed wil presteren. Met andere woorden, er zijn geen ‘individualisten’ die denken dat ze het alleen wel kunnen!

We zijn soldaten van hetzelfde leger.

Sommige mensen houden niet van de militaire beelden die we in de bijbel vinden (2 Tim. 2:1-4; Efeze 6:10-18), dat kan komen omdat ze het misschien niet goed begrijpen. Het Nieuwe testament spreekt overduidelijk van een vijand, strijd en wapens. ‘Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Efeze 6:12). ‘Want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken” (1Kor. 10:4).  In een leger heb je verschillen in rang en verantwoordelijkheid, maar één ding is duidelijk ‘een oorlog voer je niet alleen!’ In een leger heb je een opperbevelhebber die bevelen geeft, geen verzoeken waarover gedebatteerd gaat worden door de soldaten! Als alle ‘soldaten’ die bevelen gehoorzamen en uitvoeren bestaat er een grotere kans de vijand te overwinnen. Overwinning hangt af van de strategie, diversiteit van bekwaamheden, flexibiliteit en energie. Onze wapens (energie) zijn, gebed, het Woord van God en de kracht van de inwonende Heilige Geest. Maar je dient ook flexibel te zijn opdat je de strategie kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden. Geestelijke principes veranderen nooit, strategieën om die principes uit te voeren wel.  Toegewijde soldaten houden hun ogen open en zijn waakzaam en helpen hun kameraden in de strijd, zelfs al het zover komt dat ze hun eigen leven op het spel moeten zetten. In tegenstelling wat je vaak ziet in oorlogsfilms, is er geen plaats voor een ‘éénmansoorlog’ in het echt. Het is ‘één voor allen, allen voor één! We zijn een Band of Brothers’

We zijn atleten in hetzelfde team.

Paulus gebruikt beelden uit de atletiek in zijn brieven, zoals rennen (Gal. 2:2; Filp. 2:16, 3:12-14), worstelen (Kol. 4:12), boxen (1 Kor. 9:25-27), en kampvechten (2 Tim. 2:5). Hij benadrukt het werken als een team, want zonder teamwerk kan er geen overwinning zijn. Filippi 1:27 en 4:3 gebruiken het ontwerp van ‘teamwerk’ in de dienst van de lokale gemeente. Het Griekse woord is sunathleo dat ‘samen streven’ betekent. Filp. 4:3 kan worden omschreven als ‘die mijn teamleden waren in de zaak van het evangelie.’ Als je een Gemeente vind waar God de eer krijgt en waarvan de leden geen aanspraak op ‘wie wat’ gedaan heeft, dan heb je een ‘dreamteam’ gevonden. Jammer genoeg zijn er altijd mensen die deel uitmaken van het team en toch ‘de eerste willen zijn’ (3 Joh. :9) en het daardoor de anderen moeilijk maken. Wat voor verschil maakt het wie er de punten ‘scoort’ als je de wedstrijd wint? Zeker zijn er in de wereld superatleten, maar die winnen niet altijd omwille van hun bekwaamheid. Supersterren zijn ‘super’ omdat ze beseffen dat zij niet de enige sterren zijn in het heelal en dat ze vallende sterren zouden zijn geweest als het team er niet geweest was. Stel je voor dat je een voetbalwedstrijd alleen zou moeten spelen!

Besluit

Er zijn nog andere beelden mogelijk voor de Gemeente waar we naar zouden kunnen kijken en het gegeven benadrukken dat we als gelovige niet geïsoleerd kunnen leven en ons ten volle ontplooien met ons van God gegeven gaven.

We horen bij elkaar, we beïnvloeden elkaar, en we hebben elkaar nodig. Het beeld is duidelijk: je bent of onbezorgde gelovige en gaat alleen je weg, of je bent een zorgzame gelovige die samen met andere gelovigen op weg gaat. Dat is wat Paulus in gedachten had toen hij schreef: ‘Doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf, laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder, ook op die van anderen zien’ (Filp. 2:2-3).

Anderen… in de familie… in het Lichaam… in het leger… in het team… Anderen. Je bent niet alleen!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Zaterdag of Zondag ?

 

 

 

 

Een humoristisch stukje

In het Nieuw Israëlitisch Weekblad las ik eens een humoristisch stukje. De schrijver vertelde dat hij naast een christelijke dame gewoond had, die hem graag tot het christelijk geloof wilde bekeren. Op een keer opende ze het gesprek met de woorden: ‘Ja, jullie vieren op zaterdag zondag, niet waar?’. Welwillend merkte hij in zijn artikel op, dat hij maar niet geprobeerd had dit misverstand weg te nemen.

Aan dit voorval moest ik denken toen de redaktie van het Zoeklicht mij vroeg een artikel te schrijven over de vraag waarom we als christenen de zondag als een bijzondere dag vieren en niet de zaterdag. Ik heb daarin graag toegestemd, maar wil daarbij niet een andere fout maken door te stellen dat wij op zondag de joodse sabbat houden. Hoe ik dat bedoel zal wel duidelijk worden.

Genesis 2:2,3

Het eerste bericht over de zevende dag als een bijzondere dag treffen we aan in Gen. 2: 2 en 3. We lezen daar dat God op de zevende dag rustte van al het werk, dat Hij gemaakt had en dat Hij de zevende dag zegende en heiligde omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk dat Hij scheppende tot stand gebracht had.

Uiteraard rustte God niet op de zevende dag omdat Hij moe zou zijn van het scheppingswerk. We lezen immers van Hem dat Hij niet moede of mat wordt (Jes. 40:28). God rustte omdat het werk volbracht was. Van het scheppingswerk kon gezegd worden, dat het zeer goed was (Gen.1:31). De Here God kon dus met voldoening terugzien op dat werk en Hij deed dat op de zevende dag. Het valt dan ook niet te ontkennen, dat God toen aan de zevende dag een bijzondere plaats gegeven heeft.

Uit het rusten van God op de zevende dag van de scheppingsweek mogen we niet concluderen dat God daarna nooit meer gewerkt zou hebben. Het scheppingswerk was wel voltooid, maar de schepping moest daarna onderhouden worden. We lezen dat God de zon doet opgaan, dat Hij regen en dauw schenkt, enz. In het Nieuwe Testament staat dat Christus alle dingen draagt door het woord van zijn kracht (Hebr. 1:3). Dat is zeker niet alleen van toepassing op de schepping na de zondeval, maar gold ook al daarvoor. Een argument voor deze stelling is, dat Adam en Eva de opdracht kregen om de hof te bebouwen en te bewaren. Er moest dus gewerkt worden. Werken is niet een gevolg van de zondeval, maar hoort bij de schepping. Dit geeft reden aan te nemen dat God ook gewerkt heeft om de schepping te laten gedijen. De schepping is niet een onafhankelijke grootheid, niet een zichzelf in leven houdend systeem. Dit onderhouden van de schepping tastte echter de scheppingsrust van God niet aan.

De zondeval

Er heeft zich evenwel iets voorgedaan, dat de scheppingsrust van God wel verstoord heeft en dat is de zondeval. De schepping is niet die zeer goede zaak gebleven die ze was. Adam en Eva zijn in opstand gekomen tegen God en over de aarde is een vloek gekomen. Gods rust was verstoord. De Here God moest aan een nieuw werk beginnen, het werk van de verlossing. Dit komt heel duidelijk uit in Joh. 5:17. De Here Jezus zegt daar:‘Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook’. Dat zegt de Heiland als de Joden Hem hebben aangevallen omdat Hij de verlamde bij het badwater Bethesda op de sabbat genezen had. Dit illustreert duidelijk dat de sabbatrust van de schepping verstoord is en God een nieuw werk, het verlossingswerk moest volbrengen. Dat werk zelf vond plaats op Golgotha, maar de weg erheen werd vanaf de zondeval bereid.

Adam en de sabbat

Vaak wordt gezegd, dat het onderhouden van de sabbat al aan Adam en Eva is voorgeschreven. We lezen echter met geen woord in Gen. 2 dat dit gebeurd is. Eerst als het volk Israël geroepen is uit Egypte wordt bij het verstrekken van het manna gesproken over de sabbat. Als het volk op de zesde dag tweemaal zoveel inzamelt als anders zegt Mozes: ‘Dit is wat de Here gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here’ (Ex. 16:23). In vers 26 lezen we ‘zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat’ Vers 29 onderstreept het sabbatsgebod nog eens met de woorden: ‘Bedenkt, dat de Here u de sabbat gegeven heeft’. Het gevolg van dit voorschrift lezen we in vers 30: ‘Toen rustte het volk op de zevende dag’. Uit deze verzen laat zich duidelijk afleiden, dat de sabbat bij Israël nog niet bekend was.

In het kader van de wetgeving bij de Sinaï wordt het sabbatsgebod herhaald als het vierde van de tien geboden.

Nu blijkt uit de Schrift duidelijk dat de wet aan Israël is gegeven en niet aan de heidenen is opgelegd. We lezen immers van Joden ‘onder de wet’ en van volken ‘zonder wet’ (zie Rom. 2:12,14,17; 3:19;1Kor. 9:20,21). Als men beweert, zoals sommigen doen, dat de sabbat vanaf de schepping aan de mens is opgelegd dan is dat een bewering die niet vanuit de Schrift bewezen kan worden.

Nu kan men een vergelijking trekken met het voorschrift aangaande de reine en de onreine dieren en stellen dat bij de wetgeving eerst officieel aan Israël de voorschriften aangaande reine en onreine dieren werden gegeven, maar dat dit onderscheid toch ook aan Noach al bekend was (vgl. Lev. 11 met Gen. 7:2). Zo kan het sabbatsvoorschrift dus ook al gegolden hebben voordat we van een officieel gebod daarover lezen.

Dit mag zo zijn maar ten opzichte van de sabbat vinden we een dergelijke aanwijzing juist niet. Als het sabbatsgebod wel aan de mensheid zou zijn gegeven, maar door ontrouw zou zijn veronachtzaamd dan mochten we enige aanwijzing hierover verwachten maar bij het sluiten van het verbond met Noach en in heel de geschiedenis van de aartsvaders wordt over de sabbat met geen woord gerept. En als men een parallel wil trekken met het voorschrift voor reine en onreine dieren, laat men dan bedenken, dat dit voorschrift voor christenen uit de heidenen is opgeheven (zie Hand. 10:9-16; 1Tim. 4:4).

Israël en de wet

Een gebod aangaande de sabbat wordt dus eerst aan het volk Israël gegeven. In Ex. 31:13 lezen we: ‘maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u’. Dit wordt nog eens herhaald in vers 17: ‘Tussen Mij en de Israëlieten is deze (de sabbat) een teken voor altoos’ (zie ook Ezech.20:12). De sabbat gold voor Israël als een teken van het verbond dat de Here met het volk had gemaakt. Deze uitspraak zou zijn waarde verliezen wanneer het sabbatsgebod algemeen aan de mensheid was opgelegd. Men kan dan niet meer van een specifiek teken voor Israël spreken.

Kenmerkend is ook de verklaring van het sabbatsgebod aan Israël in Deut. 5:15. Deze luidt: ‘want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Here, uw God, geboden de sabbatdag te houden’.

Tenslotte is er nog het woord van Neh. 9:14:‘Ook hebt gij hen uw heilige sabbat doen kennen en hun geboden, inzettingen en een wet gegeven door de dienst van uw knecht Mozes’. Ook dat bewijst dat specifiek aan Israël de sabbat is voorgeschreven.

Betekenis van de sabbat voor Israël

Het geven van de sabbat aan Israël had tweeërlei karakter. Enerzijds was het een goedgunstige gavevan God als een herinnering aan Gods rusten op de zevende dag. God verplichtte het volk dat als het ware model stond voor de mensheid, niet zeven dagen achter elkaar te werken, maar schonk de mens een rustdag ‘zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij rusten, opdat uw rund en uw ezel uitrusten en de zoon van uw slavin en de vreemdeling adem scheppen’ (Ex. 23:12). Hier zien we uitkomen wat de Here Jezus later gezegd heeft: ‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat’ (Mark. 2:27). Dat is echter niet het enige aspect. De sabbat werd aan Israël ook opgelegd als een gebod en daarvan geldt hetzelfde als van het voorschrift aangaande het verzamelen van het manna, dat God daarmee Israël op de proef stelde of het zou wandelen naar zijn wet (zie Ex. 15:25; 16:4).

Wat de joodse sabbat betreft gaf God duidelijke voorschriften. Iemand die op die dag hout verzamelde moest gedood worden (Num.15:32-36). Op die dag mocht men geen last dragen (Jer. 17:21) en in huis geen vuur aansteken (Ex. 35:3).

Het bovenstaande moet ons als christenen er al voor waarschuwen om het sabbatsgebod dat aan de Joden is gegeven van de zaterdag naar de zondag over te brengen. We hebben namelijk geen enkel recht om de sabbat van dag te laten veranderen. De zondag is de eerste dag van de week en die spreekt niet van Gods scheppingsrust, de zevende dag doet dat wel. Bovendien hebben we geen enkel recht de eisen van het sabbatsgebod af te zwakken.

‘Maar, zal iemand zeggen, ‘hebben we dan wel het recht de sabbat af te schaffen?’. De vraag is echter wat God onthult over de christen en de wet en daarmee over de christen en de sabbat.

Uit werken der wet geen rechtvaardiging

Het gebod om op de zevende dag te rusten was begrepen in de geboden waarvan God gezegd had dat als de mens die zou doen, hij dan leven zou (Lev. 18:5). Nu weten we uit het Nieuwe Testament en het kon al afgeleid worden uit het Oude Testament, dat de mens niet gerechtvaardigd kon worden uit werken van de wet (Rom. 3:20; Gal. 2:16; 3:11). De wet is in wezen goed, maar ze was zwak vanwege onze vleselijke natuur(Rom. 6:14).Welnu het sabbatsgebod behoort dus tot een wetsysteem, dat de mens niet rechtvaardigen kan.

Niet meer onder de wet

Nadat Jezus Christus het verlossingswerk op Golgotha had volbracht, geldt van ieder die in Hem gelooft, dat hij niet meer onder het bestel van de wet staat, maar onder het bestel van genade. We lezen dit heel duidelijk in de brief aan de Romeinen, waarin de leer van het heil wordt beschreven. Rom. 6:14 luidt: ‘Immers de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.’

Veelal wordt deze tekst zo uitgelegd, dat we niet meer onder de ceremoniële wet staan maar wel onder de morele wet. Dat klopt echter niet, want vers 15 vervolgt met: ‘Zullen wij zondigen omdat we niet onder de wet, maar onder de genade zijn?’

Het gaat dus wel degelijk om de morele geboden. Met deze opmerking gaat Paulus in tegen een gevolgtrekking die men ook nu nog wel maakt. Zodra een gelovige zegt, dat hij niet onder de wet is (een zuiver schriftuurlijke uitspraak !!) krijgt hij veelal de tegenwerping te horen: ‘ Wou jij dan beweren dat je wel stelen mag en liegen.....’. Dat is echter een totaal foute conclusie!

Negen geboden in nieuwe verpakking

Het feit dat we ons niet onder het wetsbestel van de Sinaï bevinden, wil namelijk niet zeggen dat we mogen doen wat we zelf willen. God is onze Heer, Hij is onze Gebieder. We hebben dus met zijn woord rekening te houden. Het uiterst merkwaardige is nu, dat in de brieven van het Nieuwe Testament negen van de tien geboden teruggevonden worden. Ze worden echter niet voorgeschreven als onderdelen van een wetsbestel van‘Gij zult’ en ‘Gij zult niet’. Een wetsbestel dat voor Israël getuigde van slavernij (Gal.4:1-3,10; 5:1-3). Nee, ze worden gegeven als voorschriften van de genade. Een tweetal voorbeelden zijn voldoende om het verschil te laten zien. In Ef. 4:25 schrijft Paulus: ‘Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander’.

Dit voorschrift komt op hetzelfde neer als: ‘Gij zult niet liegen’ en toch is het anders, de motivatie houdt verband met wat we in Christus geworden zijn: leden van elkaar als leden van het Lichaam van Christus, dat wil zeggen van de Gemeente.

Het tweede voorbeeld is nog sprekender. In vers 28 van Ef. 4 lezen we: ‘Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan meedelen aan de behoeftige’.

In plaats van het negatieve: ‘Gij zult niet stelen’ hier een positieve benadering: met je handen goed werk verrichten zodat je wat kunt meedelen aan een ander in plaats van anderen iets af te nemen. Hier zien we wat het betekent dat we niet onder de wet, maar onder de genade zijn. Het is de genade, die ons onderwijst hoe we te handelen hebben, zie daarvoor Titus 2:11-15! Als we ons door de genade laten onderwijzen en door de liefde van Christus laten leiden, vervullen we de wet (Rom.13:10, vgl. Rom. 8:1-4), ja doen we meer dan wat de wet eist.

Geen sabbatsvoorschrift

Zo worden alle geboden van de wet op de een of andere manier in het Nieuwe Testament herhaald, maar ‘in de verpakking van genade’. Alleen één gebod komen we niet tegen en dat is het vierde gebod betreffende de sabbat. Nu zou iemand kunnen zeggen: ‘Maar dat gebod is zo vanzelfsprekend, dat het niet herhaald behoeft te worden’. Maar het omgekeerde is juist waar. Dat je niet mag stelen, liegen, doodslaan enz. is veel en veel vanzelfsprekender dan dat we de sabbat zouden moeten houden. Welnu, waarom negen geboden wel en het sabbatsgebod niet?! Dat is op zichzelf al een aanwijzing, dat wij niet onder het sabbatsgebod staan. Maar dat is niet alles. Het is namelijk niet zo, dat er niets over het houden van bepaalde dagen gezegd wordt. Dat gebeurt wel degelijk! Maar hoe?! Het houden van bepaalde dagen wordt in die gevallen namelijk helemaal niet voorgeschreven. Integendeel, neem het woord uit Kol. 2:16 ‘Laat dan niemand u blijven oordelen in zake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moet, terwijl de werkelijkheid van Christus is’ Dit woord betreft het onderhouden van dagen en veroordeelt juist dat men iemand de sabbat wil voorschrijven.

Eveneens wordt in Gal.4:10,11 in afkeurende zin gesproken over hen, die van het houden van feesten en dagen een probleem maken. We lezen daar ‘Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar. Ik vrees, dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen heb’

Met geen woord lezen we hier dat Paulus voor de sabbat een uitzondering maakt! Mag men dan geen bepaalde dagen in acht nemen? Zeker wel, mits men er maar geen gebod van maakt. We leven in de vrijheid van de Geest en Paulus brengt dat heel duidelijk naar voren met de volgende woorden: ‘Deze (immers) stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef tenvolle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here... ’ (Rom. 14:5,6a)

De eerste dag van de week

Nu is er wel degelijk een dag waar het Nieuwe Testament bijzondere aandacht aan schenkt. Dat is echter niet de zevende dag van de week, maar de eerste. Jezus Christus werd door zijn volk verworpen en op vrijdag gekruisigd en door Jozef van Arimatheá in diens nieuwe graf gelegd. Op de sabbat lag Jezus in het graf.!! Wat een schril contrast met de sabbat van rust na de scheppingsweek. Toen de sabbat voorbij was, zeer vroeg op de eerste dag van de week gingen de vrouwen naar het graf om hun Meester te zalven, want daarvoor hadden ze op vrijdag geen tijd gehad. Ze kwamen bij het graf en vonden het leeg. Jezus Christus, de Heer, was opgestaan op de eerste dag van de week. (zie Matth. 28:1-7;Mark. 16:1-8; Luk. 23:56-24:6).Wat een glorieuze dag, deze eerste dag van de week. Het is de opstandingsdag. Op de avond van die dag verschijnt Jezus Christus te midden van zijn discipelen en toont hun de tekenen in zijn handen en in zijn zijde om te laten zien, dat Hij het zelf is, de opgestane Heer. Thomas is er die eerste keer niet bij en daarop verschijnt de Heiland op de volgende eerste dag der week opnieuw in de kring van de discipelen om zich ook aan Thomas te openbaren (zie Joh. 20:19-29). De discipelen hebben het belang van die eerste dag leren begrijpen. In 1Kor. 16: 9 geeft Paulus immers deze aanwijzing: ‘Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb: elke eerste dag van de week legge ieder van u naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op....

Het bijzondere karakter van deze dag komt ook uit in Hand. 20:7 waar we lezen: ‘En toen wij op de eerste dag van de week samengekomen waren om brood te breken...’ In het begin kwamen de gelovigen elke dag bij elkaar om het avondmaal te vieren (‘brood te breken’, Hand. 2:42,46). Uit dit vers 7 van Hand. 20 laat zich afleiden dat ze het elke eerste dag van de week zijn gaan doen. Op de opstandingsdag kwamen ze bij elkaar om te denken aan hun Heer die zijn leven gegeven had, maar die ook de dood had overwonnen. Bij de tekenen van brood en wijn dachten ze aan zijn lijden en sterven en aan zijn opstanding. Zo verkondigden zij zijn dood. Als discipelen van Hem mogen ook wij dat doen: ‘totdat Hij komt’ (1Kor. 11:26)

Des Heren dag

Graag wil ik wijzen op nog een tekst die het belang van de eerste dag van de week onderstreept al wordt die aanduiding niet gebruikt. Ik denk aan Openb.1:10.waar Johannes getuigt: ‘Ik nu was in vervoering des geestes op de dag des Heren’. Velen menen dat de uitdrukking ‘dag des Heren’ hier de toekomstige oordeelstijd aanduidt. Johannes zou dan in geestvervoering in de tijd verplaatst zijn naar die toekomende dag. Er zijn echter twee redenen om hier niet aan de dag des Heren in de gebruikelijke zin te denken. Ten eerste wordt er in het boek de Openbaring veel beschreven wat aan de eigenlijke dag des Heren voorafgaat. Ten tweede is de uitdrukking hier anders. De volgorde is omgedraaid. Om het met een Nederlandse weergave duidelijk te maken: er staat niet ‘de dag des Heren’, zoals op andere plaatsen (zie bijv. 1Thess. 5:2), maar ‘des Heren dag’. Eenzelfde constructie als ‘des Heren avondmaal’ (1Kor.11:20). Het gaat dus om de dag die de Here toebehoort en dan is er reden om aan de eerste dag van de week, ofwel aan de zondag te denken.

Geen sabbatsgebod, wel een bijzondere dag

We hebben geen sabbatsgebod, maar bezitten wel een bijzondere dag die we aan de Here mogen wijden: de eerste dag van de week. Op die dag komen we samen om te denken aan onze opgestane Heer. Dan wijden we die dag aan Hem. Leven we in landen waar we op die dag vrij hebben dan zullen we dat als een bijzondere zegen van de Heer ervaren en die dag op gepaste wijze doorbrengen. Christenen die leven in een moslimland zullen dikwijls gedwongen zijn op die dag gewoon hun werk te doen. Er zijn er die dan ‘s morgens vroeg of ‘s avonds na het werk samenkomen om de christelijke bijeenkomst te houden tot eer van God en tot zegen van henzelf.

Laten we waar mogelijk van die dag een feestdag maken, een dag aan de Here gewijd.

Rust

Dit artikel wil ik besluiten met een woord over ‘rust’. De zevende dag van de schepping sprak van rust. Zoals gezegd is Gods sabbatrust verbroken. God is gaan werken aan het werk van de verzoening. Te midden van een onrustige, van God afgevallen wereld is er nu een rust, een rust voor de gelovigen. Jezus Christus heeft gezegd: ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matth. 11:28). Dat is de rust voor het geweten van de mens, die als zondaar zich tot God bekeert met belijdenis van zijn zonden en die gelooft in Jezus Christus als Degene die voor zijn schuld wilde sterven op Golgotha’s kruis.

Ieder die zo tot Jezus Christus komt wordt een leerling van Hem en door te leren van de Meester vinden we rust voor onze ziel (Matth. 11:29). We hebben dan rust en vrede voor ons hart te midden van alle moeite en zorg hier op aarde.

Vervolgens is er in de toekomst een sabbatrust voor het volk van God. Aan Israël werd die rust in het vooruitzicht gesteld. Het volk zou na de woestijnreis rust vinden in het land Kanaän. Door hun ongehoorzaamheid vielen de Israëlieten echter in de woestijn (Hebr. 4:6). De rest van het volk werd door Jozua wel in het land gebracht, maar werkelijke rust vonden ze niet. Het messiaanse koninkrijk van rust en vrede kon niet worden opgericht. Het volk dat het land introk was even boos en zondig als zij die in de woestijn vielen. Daarom liet God door David een nieuwe boodschap van rust aankondigen, wanneer Hij zegt ‘Och of gij heden naar zijn stem hoordet! Verhardt uw harten niet...’ En Hij ze waarschuwt met het voorbeeld van het volk dat zijn rust niet inging (Ps. 95:7,8 en 11). Het volk heeft toen echter niet geluisterd en ook niet toen Jezus Christus op aarde kwam. Daarmee is de rust niet uit Gods agenda geschrapt, maar ze wordt aangekondigd als een rust in de toekomst wanneer Christus Zijn koninkrijk zal oprichten. Er blijft inderdaad een sabbatrust over voor het volk van God (Hebr. 4:9). Het gelovige deel van Israël zal die rust ingaan in het beloofde land (Jes. 32:1-4, 16-20). De christenen zullen met Christus de rust genieten als ze met Hem regeren in Zijn koninkrijk, want ze zijn erfgenamen van God en mede-ërfgenamen van Christus ( Rom. 8:17).

In geestelijke zin is voor ons de rust al aangebroken doordat we rust gevonden hebben in het werk van Jezus Christus. God geve dat!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Ziekenzalving

 

 

 

 

 

 

Een mogelijke verklaring van het gebruik van het zalven van zieken en bidden voor de zieken.

(Jakobus 5:14-16)

‘Lijdt iemand onder u? Laat hij bidden. Is iemand welgemoed? Laat hij lofzingen. Is iemand onder u ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen en laten zij over hem bidden en hem zalven met olie in de naam van de Heer. En het gebed van het geloof zal de zieke behouden en de Heer zal hem oprichten; en als hij zonden gedaan heeft, zal het hem vergeven worden. Belijdt dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond mag worden.’ (Vertaling Telos/Voorhoeve)

De laatste jaren wordt er steeds meer het ‘zalven met olie van gelovigen’ gepraktiseerd. Ik heb gehoord dat er zelfs voorgangers zijn die een flesje olie op zak hebben, in geval van… Het geeft de indruk dat het een ‘tovermiddel’ is, die te pas en te onpas gebruikt wordt. Ik denk niet dat Jakobus ons een ‘blanco formule’ gegeven heeft om zieken te genezen. Uit mijn eigen ervaring is het toch zo geweest dat sommigen genezen werden en anderen ziek bleven of zelfs stierven. Er is namelijk ook: ‘zonde tot de dood’ waarvoor we niet hoeven te bidden (1 Joh. 5:16; 1 Kor. 11:30). ‘Bidden, heeft iemand eens gezegd, is niet dat de wil van de gelovige in de hemel geschied, maar dat Gods wil op aarde geschied!’

Ik ben van mening dat het hier in Jakobus 5 gaat om een lid van de gemeente die gezondigd heeft en onder tucht van de gemeente is geplaatst. Ik plaats dit gedeelte dan ook in die context, maar wil ook nog opmerken dat het boek Jakobus de gelovigen ziet alsnog verbonden aan de Joodse wet en gebruiken. Laten we dit gedeelte wat nader bezien.

De persoon is ziek vanwege zonden (vss. 14-16).

De Griekse tekst luidt: ‘Als hij door blijft gaan met zondigen.’ Dit sluit aan bij 1 Korinthe 11:30 - ‘Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.’ Jakobus beschrijft een lid van de gemeente die ziek is en onder de tucht van God staat. Dat verklaart waarom de oudsten van de gemeente erbij geroepen worden: deze mens kan niet naar de gemeente komen om zijn zonde te belijden, en vraagt daarom om de komst van de leiders van de gemeente. De oudsten hebben de taak om toe te zien op de tucht van de gemeente (vgl. Math. 16:19; 18:15-20).

De betreffende persoon belijdt zijn zonden (vs. 16).

In de eerste gemeenten werd tucht in de gemeente uitgeoefend. 1 Korinthe 5 is daarvan een goed voorbeeld. Paulus deelde de gelovigen in de gemeente mee de zondaar uit hun midden weg te doen totdat hij/zij zich bekeerde van zijn/haar zonden. Het kleine woordje ‘daarom’ in vers 16 in enkele vertalingen verduidelijkt dit: ‘Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt (5:16). Sommige vertalingen spreken van ‘misdaden’ en niet van ‘zonden. Het Griekse woord ‘hamartia’ staat wel degelijk voor zonden. Hetzelfde woord wordt in Jakobus 1:15 gebruikt.

De betreffende persoon wordt genezen door het gebed van geloof (vs. 15).

Het is niet de zalving die geneest, maar God, middels het gebed. Het Griekse woord wat met zalving vertaald wordt, is een medische term; het zou ook vertaald kunnen worden met ‘massage’. Dit geeft misschien aan dat Jakobus een geneeskrachtige werking verondersteld die gepaard dient te gaan met gebed om genezing door God te verkrijgen. God kan genezen met of zonder oorzaak; in elk geval, het is God die geneest.

Maar wat is ‘het gebed van het geloof’ dat de zieke geneest? Het antwoord vinden we in 1 Johannes 5:14-15 ‘En dit is de vrijmoedigheid die wij jegens Hem hebben, dat als wij iets bidden naar zijn wil, Hij ons hoort. En als wij weten dat Hij ons hoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij de beden hebben die wij van Hem hebben gebeden.’ Het ‘gebed van het geloof’ is een gebed dat gedaan wordt als we de wil van de Heer kennen.’ De oudsten zoeken naar de wil van God in een zaak, en bidden in overstemming daarmee.

Bij zieken is het niet altijd duidelijk hoe we moeten bidden. Paulus had dat probleem ook; lees Rom. 8:26. Is het Gods wil om te genezen? Is het Gods bedoeling zijn kind thuis te halen? Ik weet het niet; daarom dien ik te bidden, ‘als het uw wil is, genees uw kind.’ Hen die beweren dat God elke zieke geneest, en dat het Gods bedoeling is dat er geen zieken kunnen zijn, ontkennen de Schrift en de ervaring. Dat wil niet zeggen dat God er onverschillig onder blijft, maar, zoals Jesaja 63:9 zegt: ‘In al hun benauwdheden was ook Hij benauwd.’ Maar als we de innerlijke overtuiging hebben door het Woord en de Geest dat het Gods wil is te genezen, dan kunnen we het ‘gebed van het geloof’ bidden en mogen we verwachten dat God zal genezen. Let er op dat het niet de individuele persoon is die bidt – het zijn de oudsten van de gemeente – geestelijke mensen – die Gods wil zoeken en bidden. Jakobus leert ons niet om te bidden voor een genezer. De zaak ligt in de handen van de oudsten van de plaatselijke gemeente.

We vinden een aantal praktische lessen die we niet over het hoofd moeten zien. Ten eerste, ongehoorzaamheid aan God kan leiden tot ziekte. Dat was de ervaring die David had toen hij probeerde zijn zonde te verbergen (Ps. 32). Ten tweede, zonde kan de hele gemeente verontreinigen. We zondigen nooit alleen, want zonde heeft in zich te groeien en te verontreinigen. Deze persoon moest zijn zonde aan de gemeente belijden omdat hij tegen de gemeente gezondigd had. Ten derde, er is genezing (fysiek en geestelijk) als met de zonde is afgerekend. ‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt, en nalaat, vindt ontferming’ (Spr. 28:13). Jakobus schreef: ‘Maak er een gebruik van de zonden aan elkaar te belijden’ (letterlijke vertaling). Verberg je zonden niet voor elkaar en stel belijdenis niet uit. De ‘belijdenis’ waarover Jakobus schrijft werd temidden van de gelovigen gedaan. Hij suggereert niet dat we onze zonden dienen te belijden aan een priester of voorganger. We belijden onze zonden ten eerste aan de Heer (1 Joh. 1:9), maar we dienen ze ook te belijden aan hen die er ook door ‘geraakt’ zijn. Persoonlijke zonde dient persoonlijk beleden te worden. Publieke zonden dienen publiek beleden te worden.

Laat het ons duidelijk zijn dat we altijd met en vóór elkaar kunnen bidden als er noden zijn. Wil men toch de zalving in de praktijk brengen dan blijft de vraag op welke wijze dat dient te gebeuren, de Bijbel geeft ons daarover geen uitsluitsel.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX