Diverse Onderwerpen 1

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Van hen zijn de verbonden

Profetieën over de komst van de Messias

Profetie en Talen

De doop met de heilige Geest

Gedachten over het lijden

Leven in de verwachting van Jezus' komst

Advent

De lastering van de heilige Geest

Onbeantwoorde gebeden

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

Van hen zijn de verbonden

 

Voorwoord

Eén van de verschilpunten bij de bestudering van de eschatologie blijkt altijd weer de positie van het volk Israël te zijn. Is Israël opgegaan in de volken om nooit weer te verschijnen, is de Gemeente in plaats van Israël gekomen, of heeft Israël nog een glorierijke toekomst? Dat zijn vragen die gesteld worden, en ik hoop het laatste aan te tonen, namelijk, dat Israël tijdelijk terzijde is gesteld en tot grote heerlijkheid zal komen als de volheid der volken is aangebroken.

Ik wil die visie verdedigen vanuit de bespreking van de verbonden die we in het Oude Testament vinden in verbinding met hun eschatologische betekenis.

Vier van de vijf verbonden gesloten met het volk Israël zijn letterlijk, onvoorwaardelijk en eeuwig (voor altijd), gemaakt met het (verbonds-) volk Israël. Als we deze verschillende verbonden gaan bestuderen zullen we ontdekken dat er zeven belangrijke elementen zijn, namelijk: (1) een natie voor eeuwig, (2) een land voor eeuwig, (3) een Koning voor eeuwig, (4) een troon voor eeuwig, (5) een koninkrijk voor eeuwig, (6) een nieuw verbond, en (7) eeuwige zegeningen.

De vier onvoorwaardelijke verbonden.

1. Het Abrahamitisch verbond.

Dit verbond dient beschouwt te worden als basis voor het gehele onderwijs met betrekking tot de verbonden. Dit verbond hield in: (1) de belofte van een land (Gen.12:1; 13:14-15, 17), de belofte van nationaal en algemene zegen (Gen.12:3, 22:18; Gal.3:16), de belofte van nakomelingen om een groot volk te vormen (Gen.12:2, 13:16, 17:2-6);

2. Het Palestijns verbond.

Dit ‘verbond’ gaf aan Israël een vaste zekerheid van een uiteindelijk herstel en teruggave van het land (Deut.30:3-5; Ez.20:33-37, 42-44).

3. Het Davidisch verbond.

Dit verbond heeft te maken met de belofte van een dynastie, natie en troon (2Sam.7:11,13,16; Jer.33:20,21, 31:35-37).

4. Het Nieuwe verbond

Dit verbond heeft speciaal te maken met Israëls toekomstige geestelijke zegeningen en verlossing (Jer.31:31-40; Heb.8:6-13).

Je zou kunnen zeggen dat de landbelofte aan Abraham ontwikkeld zijn in het Palestijns verbond, de belofte van nakomelingen ontwikkeld zijn in het Davidisch verbond, en de belofte van zegeningen ontwikkeld zijn in het Nieuwe verbond.

Het voorwaardelijke verbond.

De bespreking van dit (Mozaistisch) verbond laten we rusten omdat deze  tijdelijk was; het functioneerde tot op de komst van het beloofde Zaad (Gal.3:24) en het heeft ook geen relevantie met het doel van dit artikel, namelijk de verbonden en hun eschatologische betekenis.

De bepaling van het verbond met Abraham.

Het verbond gesloten met Abraham in Genesis 12:1-3, is bevestigd en uitgebreid in Genesis 12:6-7; 13:14-17; 15:1-21; 17:1-14; 22:15-18 en bestaat uit de volgende basis beloften:

(1) Abrahams naam zal groot gemaakt worden.

(2) Hij zou tot een groot volk zou worden.

(3) Dat door hem alle geslachten des aardbodems gezegend zouden worden.

(4) Aan hem en zijn nakomelingen zou het land Palestina tot erfenis gegeven worden.

(5) Dat zijn nageslacht zo talrijk zou zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de oever van de zee.

(6) Dat ieder die Abraham zou vervloeken door God vervloekt zou worden.

(7) Dat hij de vader van een menigte van volken zou worden.

(8) Dat koningen uit hem zouden voorkomen.

(9) Het verbond zou eeuwig zijn ‘tot een eeuwige bezitting’.

(10) Het land Kanaän zou tot een eeuwige bezitting zijn.

(11) God zal Hem en zijn zaad tot een God zijn.

(12) Zijn zaad zal de poort van zijn vijanden bezitten.

(13) In zijn zaad zullen alle volkeren gezegend worden.

Als we deze uitwerking zouden analyseren zullen we ontdekken dat sommige beloften individueel op Abraham van toepassing zijn. Andere beloften zijn nationaal en van toepassing op Israël als volk. Tenslotte zijn er ook beloften die spreken van een universele zegen voor de volkeren.

De bepalingen van het Palestijns verbond.

Het zogenaamd Palestijns verbond is vermeld in Deuteronomium 30:1-10 en omhelst het volgende:

(1)  Het volk zal uit zijn land verdreven worden vanwege hun ontrouw (Deut.28:63-68; 30:1-3).

(2) Er zal een toekomstige inkeer zijn van Israël (Deut.2!:63-68; 30:1-3).

(3) Hun Messias zal terugkomen (Deut.30:3-6).

(4) Israël zal hersteld worden in het land ((Deut.30:5).

(5) Israël zal veranderd worden als volk (Deut.30:4-8; Rom.11:26-27).

(6) Israëls vijanden zullen geoordeeld worden (Deut.30:7).

(7) Het volk zal dan hun volle zegeningen ontvangen (Deut.30:9).

De bepalingen van het Davidisch verbond.

De belofte door God gedaan aan David zijn vermeld in 2 Samuël 7:12-16 en bestaat uit de volgende zaken:

(1) David zou een nakomeling krijgen die hem zou opvolgen en het koninkrijk oprichten.

(2) Deze zoon (Salomo) zou de tempel bouwen in plaats van David.

(3) De troon van dat koninkrijk zou bestaan voor eeuwig.

(4) De troon zou hem (Salomo) niet ontnomen worden hoewel zijn zonden tuchtiging rechtvaardigen.

(5) Davids huis, troon en koninkrijk zullen voor altijd zeker zijn.

De bepalingen van het Nieuw verbond.

Het nieuwe verbond dat aan Israël beloofd is wordt vermeld in Jeremia 31:31-34 en bevat de volgende beloften aan het volk Israël, die vervuld zullen worden in het Vrederijk:

(1)  Het Nieuwe verbond is een onvoorwaardelijk, genadeverbond gebaseerd op het ‘Ik wil’ van God. De veelvuldige aanhaling van dat begrip vinden we in Jeremia 31:31-34, conform Ez.16:60-62.

(2) Het Nieuwe verbond is een eeuwig verbond. Dat is inherent aan het gegeven dat het verbond onvoorwaardelijk is en gegeven in genade (Jes.61:2, conform Ez.37:26; Jer.31:35-37).

(3) Het Nieuwe verbond belooft ook het schenken van een vernieuwde geest en hart, wat we de wedergeboorte kunnen noemen (Jer.31:33, conform Jes.59:21).

(4) Het Nieuwe verbond voorziet herstelling van Gods eer en heerlijkheid (Hos.2:19-20, conform Jes.61:9)

(5) Vergeving van zonden maakt ook deel uit van het verbond, ‘want Ik zal hun ongerechtigheid verwijderen, en Ik zal hun zonden niet meer gedenken’ (Jer.31:34b).

(6) De inwoning van de Heilige Geest is ook in het verbond inbegrepen. Dat blijkt uit een vergelijking van Jer.31:33 met Ez.36:27).

(7) Het onderwijs van de Heilige geest zal geopenbaard worden, en de wil van God zal worden gekend door gehoorzame harten (Jer.31:34).

(8) Zoals altijd zal Israël, als het in het land is, gezegend worden met materiële zaken in overeenstemming met de inhoud van het nieuwe verbond (Jer.32:41; Jes.61:8; Ez.34:5-27).

(9) Het altaar zal weer herbouwd worden in Jeruzalem, wat er staat geschreven: ‘Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen (Ez.34:25-27).

(10) Oorlogen zullen ophouden en vrede zal heersen in overeenstemming met Hosea 2:18. Het feit dat dit een definitief karakter is geeft een extra bewijs dat het Vrederijk letterlijk genomen moet worden in zijn uiteindelijke vorm (Jes.2:4).

(11) Het bloed van de Heer Jezus is de grondslag voor al de zegeningen van het Nieuwe verbond, want ‘Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is’ (Zach.9:11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Profetieën over de komst van de Messias’

 

 

 

‘Toen nu Johannes in de kerker de werken van de Christus hoorde, zond hij door middel van zijn discipelen een vraag, en zei tot Hem: Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten?’ (Mat.11:3)

Een van de beste bijbelstudies ooit op aarde gehouden was het onderwijs dat de Heer heeft gegeven aan die twee gedesillusioneerde mensen die van Jeruzalem onderweg naar huis waren en wier hele wereld was ingestort na de berichten die ze hadden gehoord over de Heer Jezus. U weet wie ik bedoel, juist, de Emmaüsgangers. Ze wisten de recente gebeurtenissen wat de Heer Jezus betreft geen plaats te geven en waren verward. De Heer wees hun op de Schriften en dat ze alles moesten geloven wat de profeten hadden gesproken. Even later voegt de Heer de daad bij het woord en opent hen de Schriften: ‘En te beginnen met  Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond’ (Luk.24:27). Het openen van het Woord verspreidt licht (Ps.119:130) en hun verdriet veranderde in blijdschap toen ze tot de ontdekking kwamen Wie Hij was. Maar niet alleen dat, ook hun hart werd brandende door het openen van de Schriften! Hoe is het met uw hart gesteld wanneer u de Schrift opent?

Hetzelfde zien we gebeuren wanneer Filippus zijn vriend Natanaël vertelt wat hij in de Schriften ontdekt heeft: ‘Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth’ (Joh.1:46). En zo mag Filippus zijn vriend tot de Heer leiden.

Ook de religieuze leiders van Jeruzalem worden door de Heer verwezen naar de Schriften: ‘Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven’  (Joh.5:46). En in de gebeurtenis van Lazarus worden de vijf broers van de rijke man ook verwezen naar de Schriften: ‘Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit de doden op, zich niet laten overtuigen’ (Luk.16:31).

In de vier hierboven aangehaalde gebeurtenissen kunt u opmerken wat een belangrijke plaats het Woord van God heeft. De Heer Jezus vormt het hoofdonderwerp van het Oude Testament, en de Kerstperiode is de ideale tijd om te onderzoeken wat er van tevoren over Jezus’ wonderlijke geboorte is geschreven. Gaat u met mij mee om te ontdekken wat Mozes en de profeten hebben geprofeteerd over de komende Messias en wat de Schrift nog meer te zeggen heeft over de Heer Jezus?

Hij zou komen als een mens, niet als een engel

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad’ (Gen.3:15)

De Heer Jezus is niet gekomen om gevallen engelen te verlossen (Heb.2:16), maar mensen gevallen in de zonde, en daarom moest Hij de mensen gelijk worden (Fil.2:7-8). ‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14). ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven aan slavernij onderworpen waren. Want inderdaad, niet engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan’ (Heb.2:14-16).

Er is echter één groot en bijzonder belangrijk onderscheid in het Mens-zijn van de Heer Jezus ten opzichte van ons. Hij had wel een echt menselijk lichaam van vlees en bloed aangenomen, maar zonder de aanwezigheid van de inwonende zonde! Dat is nog wat anders dan wat de apostel Petrus zegt: ‘Hij die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in zijn mond gevonden’ (1Petr.2:22). Dat is waar, de Schrift spreekt ook over Christus als de Heilige, Die geen zonde gekend heeft, en dat gaat verder!

Over het zonder zonde zijn van de Heer is de Schrift duidelijk! ‘Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde’ (Heb.4:15). ‘En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde‘ (1Joh.3:5). Daarom kon de Heer Jezus zeggen: ‘Wie van u overtuigt Mij van zonde?’ (Joh.8:46). De Heer Jezus is wel tot zonde gemaakt op het kruis van Golgotha, Hij, de Rechtvaardige, voor ons onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1Petr.3:18). ‘Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem’ (2Kor.5:24).

Hij zou komen als een kind, niet als een volwassene

Nogmaals: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad’ (Gen.3:15)

De eerste Messiaanse profetie is Genesis 3:15, die spreekt van een nakomeling van het ‘zaad’ van de vrouw. Op Adam en Eva na, zijn we allemaal geboren uit een man en een vrouw. De andere uitzondering is de Heer Jezus, geboren uit een vrouw, zonder tussenkomst van een man. De Heer Jezus was door de heilige Geest verwekt bij Maria (Luk.1:31,35). De wijzen vroegen waar de koning van de Joden geboren was, de priesters en schriftgeleerden kenden het antwoord : in de kleine stad Bethlehem in Judea (Mat.2:6; Mi.5 :2). Maar ‘klein’ hoeft niet onbelangrijk te zijn. Toen God het volk Israël wilde oprichten, opdat via die weg de Messias in de wereld zou kunnen komen, schonk Hij een baby aan een kinderloos echtpaar (Gen.18:10). Die zoon, Izaäk, werd de vader van Jakob, die op zijn beurt de vader werd van de zonen van de stammen van Israël. Daarom wordt God genoemd: ‘de God van Abraham, Izaäk en Jakob’.

Toen het volk in slavernij in Egypte geraakt was, schonk God een baby aan een toegewijd joods echtpaar, en Mozes groeide op en werd de bevrijder van het volk Israël (Ex.2:1). Veel later, toen het volk Kanaän had veroverd, gingen ze de afgoden dienen en het licht van God was nog maar zwak. Maar God schonk een kind aan Elkana en Hanna ; Samuël groeide op en leidde het volk terug tot de dienst aan God (1Sam.1:19-20). God gebruikte twee weduwen – Naömi en Ruth – en Ruth huwde Boas, waaruit Obed geboren werd (Ruth4:13-22). Obeds achterkleinkind, David, werd geboren en God gebruikte hem om het koningschap te herstellen dat onder Saul in verval was geraakt (1Sam.16:4-13). De Heer Jezus werd geboren als nakomeling van David (Mat.1:1). Ja, baby’s zijn klein maar niet onbelangrijk en het is Gods antwoord aan een wereld verloren in schuld.

Hij zou komen als een man, niet als een vrouw

‘Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes, ook over hen die niet gezondigd hadden door te overtreden zoals Adam, die een voorbeeld is van Hem die zou komen’ (Rom.5:14)

De oudtestamentische profetieën spreken over de verwachte Messias altijd in termen van een man, nooit als een vrouw. Romeinen 5:12-21 laat ons zien dat Adam het hoofd was van het menselijk geslacht. De Heer Jezus kwam als de laatste ‘Adam’ om het menselijke ras te verlossen en een nieuwe heerschappij te creëren (1Kor.15:20-22, 45-49; 2Kor.5:17). ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jes.9:5). Heel opmerkelijk is de tekst in Openbaring 12:5, waar gesproken wordt over ‘een Zoon, een mannelijk kind. ‘En zij baarde een Zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon’. Een duidelijke verwijzing naar de Messias uiteraard. Deze Messias vinden we terug in Psalm 2. Deze Psalm geeft ons een vooruitblik over de toekomstige heerschappij van de Messias en daar is tot twee keer toe sprake van een ‘Zoon’. ‘Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg, Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!’ (Ps.2:7-12). Ook het Nieuwe Testament spreekt over ‘zoon van David’ of ‘zoon van Adam’ (Mat1:1; Luk.3:23,38).

Hij zou komen als een Jood, niet als iemand uit de volkeren

U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden’ (Joh.4:22)

In Genesis 12:1-3 sluit God een verbond met Abraham en zijn nageslacht en via hem zou de hele wereld gezegend worden. ‘De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.’ Die zegen komt via de Heer Jezus. ‘Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. (Gal.3:16-18). De Messias zou voortkomen uit de stam van Juda : ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10; Heb.7:14). Maar ook uit het geslacht van David (2Sam.7:12-16) en geboren uit een maagd. ‘Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Jes.7:14; Luk.1:34-38). Hij zou in Bethlehem geboren worden, een plaats in Israël. Gods zegen voor alle geslachten van de aardbodem zal komen via Abraham, de ‘vader’ van het volk Israël waaruit de Messias gekomen is (Gen.12:3).

Hij zou in Bethlehem geboren worden

‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël’ (Mi.5:2) 

In de bijbel zijn twee plaatsen vermeld met de naam Bethlehem, de ene ongeveer 12 km noordelijk van Nazareth, in Zebulon (Joz.19:15; Ri.12:8-10), het huidige Nazareth-Illit, en de andere zo’n 9 km ten zuidwesten van Jeruzalem, in Juda, waar de Heer Jezus werd geboren. Dat Bethlehem wordt bijna dertig keer vermeld in het Oude Testament en heeft een rijke geschiedenis, die in relatie staat met de Heer Jezus en ons kan helpen om beter te verstaan waarom Hij voor ons gekomen is.

Bethlehem betekent ‘broodhuis’ en Efrata betekent ‘vruchtbaar’, omdat het land rond Bethlehem erg vruchtbaar was. Het was bij de Joden algemeen bekend dat de Messias in Bethlehem geboren zou worden (Mi.5:2; Mat.2:5). Dat de Heer Jezus, het Brood van het leven, geboren zou worden in het ‘broodhuis’, is niet toevallig. God zond het volk Israël in de woestijn brood uit de hemel, het manna, maar Hij zond Jezus om leven te geven aan de hele wereld. Het kostte God niets om elke morgen het manna te geven, maar het kostte Jezus zijn leven om als ‘brood’ gegeven te worden aan een wereld van verloren zondaren. Eet het brood van deze wereld en je zal niet verzadigd worden, maar als je de Heer Jezus aanneemt en je ‘voedt’ met Hem, zal je nooit meer honger kennen. Het ‘aardse’ leven van de vleesgeworden Zoon van God begon in het ‘broodhuis’, en ons eeuwig leven begint wanneer we geloven in de Heer jezus als het ‘brood van het leven’.

Als de Heer Jezus niet in Bethlehem geboren was, zou de plaats alleen herinneren aan een aantal minder fraaie gebeurtenissen uit het verleden. Ten eerste, de dood van Rachel (Gen.35:16-20; Jer.31:15) en de dood van de onschuldige jongetjes (Mat.2:16-18). Maar er is nog een andere gebeurtenis die onze aandacht vraagt, namelijk het verlangen van David naar water uit de bron bij de poort van Bethlehem, waar hij vandaan kwam. Bethlehem is niet slechts een ‘broodhuis’, maar ook een plaats waar aan geestelijke dorst tegemoet gekomen kan worden. De Heer Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw die bij de bron van Jakob zat: ‘Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben; maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven‘ (Joh.4:13-14). De laatste uitnodiging in de bijbel vermeld, luidt: ‘En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet’ (Op.22:17). De Heer Jezus is gekomen om te voorzien in ‘brood’ maar ook in ‘water’; er is genoeg voor een ieder. Heeft u al van dat aanbod gebruik gemaakt? Misschien is de ‘kerstperiode’ de tijd om dat te doen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

  

 

Profetie en Talen

 

 

 

Voorwoord

Voor een goed verstaan van de uitleg van de onderwerpen: doop van de heilige Geest en het spreken in talen is het raadzaam om onderstaande artikelen als een eenheid te lezen.

De doop met de heilige Geest – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

Is zuchten tongentaal? – Rubriek: Vraag & Antwoord

Profetie en Talen – Rubriek: Bijbelse Onderwerpen

Kracht van Boven! - Rubriek: Nieuwe Testament – Handelingen

 

Inleiding

De discussie over dit onderwerp zal wel nooit verstommen zolang er gelovigen op aarde zijn en ook dit artikel zal daar geen verandering in brengen. Waarom dan toch dit artikel? Heel eenvoudig omdat het over een onderwerp gaat dat in de Bijbel staat. Of u een definitief antwoord krijgt op uw eventuele vragen in verband ermee, weet ik niet, maar misschien kunt u er uw voordeel mee doen. U mag mijn gedachten toetsen aan Gods Woord, want dat is de Waarheid (Joh.17:17). Zo is het mogelijk Augustinus die gezegd heeft: ‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’ en het is goed elkaar daaraan nog eens te herinneren. In het overdenken van dit onderwerp, dat ik als bijzaak beschouw, is verdraagzaamheid dan ook een vereiste. Persoonlijk heb ik in mijn jeugd enige tijd een Pinkstergemeente bezocht, waar ook het spreken in tongen gepraktiseerd werd. Dit om maar aan te geven dat ik weet waarover ik spreek.

Onderaan dit artikel kunt u een overzicht vinden van de Bijbelse woorden die met dit onderwerp verband houden. Voordat we beginnen met de bespreking van het onderwerp, raad ik u aan om in alle rust hoofdstuk 14 van de eerste brief aan de Korinthiërs te lezen, want meestal start de discussie over dit onderwerp zonder daarvan kennis te hebben genomen, is mijn ervaring, en dat is jammer.

Ik gebruik de Voorhoeve-vertaling van het Nieuwe Testament.

Vs.1-2 ‘Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooral, dat u mag profeteren. Want wie in een taal spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat het, maar in de geest spreekt hij verborgenheden’.

Want de liefde (hfdst.13) is de basis voor het streven naar de geestelijke gaven. Paulus valt met de deur in huis, want we worden opgeroepen om te jagen naar liefde en te streven naar het profeteren, want wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting (14:3) en het bouwt de Gemeente op (14:4). Daarmee plaats Paulus een geestelijke uiting, zoals het spreken in een taal, onmiddellijk op een lagere plaats (vgl.13:8). Wij dienen echter te streven naar de grootste genadegaven (12:31). Niemand verstaat het als iemand in een taal spreekt en daarom is uitleg vereist (vs.14, 27-28). Spreken in een taal verbonden met uitleg kan dan eigenlijk profetie worden.

We sommen een aantal specifieke opmerkingen over het spreken in een taal op:

(1) De gave van het spreken in een taal is een geestelijke gave van de Heilige Geest (12:28; 14:2,39).

(2) Spreken in een taal is een geestelijke gave die niet noodzakelijk is voor onze redding. Men stelt de doop met of in de heilige Geest als voorwaarde voor het spreken in tongen (12:30-31).

(3) De gave van het spreken in een taal staat op een lager niveau dan profeteren (14:4).

(4) Het uitoefenen van de gave van het spreken in talen in het publiek is verbonden aan de voorwaarde dat er uitleg van is (14:26-28).

Vs.3-4 ‘Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. Wie in een taal spreekt bouwt zichzelf op; maar wie profeteert, bouwt de gemeente op’

Hier vinden we een definitie van wat onder profeteren verstaan moet worden. Meestal denken wij bij het woord profeteren onmiddellijk aan spreken over toekomstige dingen en die betekenis kan het ook hebben, maar hier wordt spreken tot of voor mensen omschreven als woorden van God die dienen tot opbouwing, vermaning en vertroosting van de gemeente. ‘Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God’ (1Petr.4:11).

Er wordt van uitgegaan dat we overvloedig dienen te zijn in het opbouwen van de gemeente (14:12). Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op. Paulus sprak meer dan allen in talen, maar geeft toch de voorkeur aan profetie omdat dat de gemeente sticht (14:18). Spreken in een taal bouwt alleen de spreker op, niet de gemeente!

Vs.5 ‘En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. En wie profeteert, is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente opbouwing ontvangt’.

Het is duidelijk waaraan de Heilige Geest de voorkeur geeft! Hoewel de apostel wilde dat allen in talen zouden kunnen spreken, geeft hij toch de voorkeur aan profetie, tenzij het wordt uitgelegd, door degene die in tongen spreekt of door een andere uitlegger (14:27-28), want dan ontvangt de gemeente ook woorden tot opbouwing (14:12).

Wie in talen spreekt kan persoonlijk een mooie geestelijke ervaring ondervinden, maar als er geen vertaling is dient het niet tot opbouw van de gemeente (12:30; 14:13, 22-25, 27-28). Vandaar Paulus’ verlangen dat men zich zou uitstrekken tot de profetie, want profetie is een grotere en meer bruikbare gave dan spreken in een taal.

Vs.6-12 ‘En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek (of: in een vreemde taal spreek), welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek óf in openbaring, óf in kennis, óf in profetie, óf in leer?’ Zelfs de onbezielde dingen die geluid geven, hetzij fluit, hetzij harp, als zij geen onderscheid in de tonen geven, hoe zal men weten wat op de fluit of wat op de harp gespeeld wordt? Immers als de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich voor de oorlog gereedmaken? Evenzo ook u, als u door de taal geen verstaanbaar woord geeft, hoe zal men weten wat gesproken wordt? Want u zult in de lucht spreken. Er zijn wie weet hoeveel soorten geluiden in de wereld, en geen is zonder eigen klank. Als ik nu de betekenis van het geluid niet ken, zal ik voor hem die spreekt, een vreemdeling zijn, en hij die spreekt, zal voor mij een vreemdeling zijn. Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot de opbouwing van de gemeente’.

Paulus legt ook hier weer de nadruk op ten eerste de mindere waarde van het spreken in talen, en ten tweede de meerdere waarde van de profetie. Sommige uitleggers gaan ervan uit dat Paulus hier andere talen bedoelde dan de taal die ze in Korinthe spraken. God geeft ons geen gaven om onszelf te stichten, maar opdat de anderen stichting ontvangen. Paulus hecht grote waarde, of beter gezegd, geeft de voorkeur aan dat wat de gemeente opbouwt (14:3,12,17,26).

Vs.14 ‘Daarom moet hij die in een taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen. Want als ik in een taal bid, dan bidt mijn geest, maar mijn verstand is onvruchtbaar’.

Wil het spreken of bidden in een taal effect en betekenis hebben voor de gemeente, dan moet de spreker bidden om het te mogen uitleggen. In dit hoofdstuk gaat het telkens om de uitoefening van de gave van het spreken in talen in de gemeente; daarom dient er daar ook uitleg te zijn (14:27-28). Dit is een vereiste waartegen vaak gezondigd wordt! Is er geen uitlegger, dan dient de spreker of bidder te zwijgen.

Omdat hij niet de betekenis van zijn gebed kent, moet ook de bidder zelf om uitleg bidden, want met zijn geest bidt hij wel, maar het gaat zijn verstand te boven.

Vs.15-17 Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen. Anders, als u looft met de geest, hoe zal hij die de plaats van een onkundige inneemt, amen zeggen op uw dankzegging? Hij weet immers niet wat u zegt? Want u dankt wel goed, maar de ander wordt niet opgebouwd’.

Paulus sprak meer dan zij allen in talen, daarom spreekt hij hier in de eerste persoon.

Sommige uitleggers gaan ervan uit dat het ook hier gaat om bidden en zingen in een onbekende taal, omdat de onkundige immers niet weet wat er gezegd wordt. Hij wordt dan ook niet opgebouwd.

Vs.18-19 ‘Ik dank God, dat ik meer dan u allen in talen spreek: maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een taal’.

Hier ligt de nadruk op het gebruik van de gave van het spreken in een andere taal in de gemeente, te onderscheiden van persoonlijke private uitoefening. Het grote onderscheid, vijf ten opzichte van tienduizend, geeft duidelijk de belangrijkheid van de profetie aan boven het spreken in talen.

Vs.22-25 ‘Broeders, weest geen kinderen in uw overleggingen, maar weest kleine kinderen in de boosheid, en wordt in uw overleggingen volwassenen. In de wet staat geschreven: ‘Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heer. De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; en de profetie is niet voor de ongelovigen, maar voor de gelovigen. Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of een onkundige binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen beoordeeld; het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn  aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is’.

Hier geeft de apostel een andere verklaring voor de talen, namelijk dat ze tot een teken zijn, met andere woorden ze hebben een bepaalde betekenis. Voor wie? Voor ‘dit volk’. Dat is dan voor de ongelovigen van het volk Israël. En wat houdt die betekenis in? Oordeel! Hiervoor wordt het boek Jesaja als verduidelijking aangehaald (Jes.28:11-12). Het gaat hier om de Assyriërs die tot het volk zouden spreken in talen die het niet verstond, maar die niet tot hun bekering hebben geleid. Daarom dat ook hier weer de profetie de voorkeur geniet, zoals uit het vervolg blijkt.

Vs.26 ‘Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging: laat alles gebeuren tot opbouwing..

Hier vinden we aanwijzingen van hoe de gelovigen in de dienst samenkwamen: er was vrijheid, geen eenmansbediening, maar alles diende tot opbouw van de gelovigen.

Vs.27-28 ‘Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat het uitleggen. Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente en laat hij tot zichzelf spreken en tot God’.

Het is noodzakelijk dat, wanneer er in talen gesproken wordt, uitleg gegeven wordt! Zie vs.5 ‘Tenzij hij het uitlegt’, of ook vs.13 ‘Bidden dat hij het mag uitleggen’ en vs.27 ‘Laat één het uitleggen’. Uitleg wordt vaak achterwege gelaten, terwijl het spreken in talen wel uitgeoefend wordt. Dit gaat in tegen de duidelijk instructies van de apostel!

Vs.29-33 ‘En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen. En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen. Want u kunt allen, één voor één profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden. En de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen. Want God is niet een God van verwarring maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen’.

Twee of drie spreken in een taal of profeteren en de geesten van de profeten zijn aan elkaar onderworpen, want God is geen God van verwarring maar van vrede.

Vs.34-37 ‘Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is een schande voor een vrouw te spreken in de gemeente. Of is het woord van God van u uitgegaan? Of is het alleen tot u gekomen? Als iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, laat hij erkennen, dat wat ik u schrijf een gebod van de Heer is. Maar is iemand onwetend, hij zij onwetend’.

Is Gods Woord tijdgebonden wanneer het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat? Moeten we dit duidelijk bevel wegredeneren of ter harte nemen? Moeten we aan inlegkunde doen om het aan onze behoeften aan te passen of aan uitlegkunde en doen wat er staat? Paulus staat niet toe dat een vrouw leert of over een man heerst (1Tim2:12). Hoever mogen we gaan wanneer de vraag aan de orde komt over het functioneren van de vrouw in de gemeente? De Schrift is mijns inziens duidelijk, maar is dat haalbaar in onze tijd van emancipatie? Veel is mogelijk, niet alles is wenselijk.

Vs.39-40 ‘Daarom, mijn broeders, streef ernaar te profeteren, en verhindert het spreken in talen niet. Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren’.

Hoe we ook denken over het spreken in talen, we mogen het niet verhinderen. Verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar in de gemeente is hier de sleutel!

Samenvatting

Wanneer we een samenvatting maken, valt het op dat de apostel Paulus de gave van het spreken in talen relativeert ten opzichte van de profetie. Ik kom tot negen vermeldingen die dat aangeven:

1. We dienen te streven naar geestelijke gaven, maar vooral het profeteren. ‘Streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooal, dat u mag profeteren.’ (vs.1)

2. Als het gaat over opbouwing van de gemeente heeft de profetie de voorkeur. ‘Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op; maar wie profeteert bouwt de gemeente op.’ (vs.4)

3. Paulus uitte wel de wens dat allen in talen zouden spreken, maar nog meer dat ze zouden profeteren. ‘En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. Wie profeteert is meer dan wie in talen spreekt.’ (vs.5)

4. Als Paulus in de gemeente zou komen en in een vreemde taal zou spreken die niemand kon verstaan, welk nut zou dat hebben? ‘En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen?’ (vs.6)

5. Nogmaals geeft Paulus aan dat spreken in een andere taal geen nut heeft als het niet begrepen kan worden. ‘Evenzo ook u, als u door de taal geen verstaanbaar woord geeft, hoe zal men weten wat gesproken wordt? (vs.9)

6. De opbouwing van de gemeente krijgt voorrang boven alles. ‘Tracht overvloedig te zijn tot de opbouwing van de gemeente.’ (vs.12)

7. Heel sterk drukt Paulus zich hier uit in het voordeel van de profetie. ‘Liever vijf woorden met mijn verstand, dan tienduizend woorden in een taal.’ (vs.19)

8. De talen zijn een teken, dat wil zeggen: hebben een betekenis, namelijk voor de ongelovigen van het volk Israël (dit volk). ‘De talen zijn dus tot een teken, niet voor gelovigen, maar voor de ongelovigen.’ (vs.22)

9. Ongelovige bezoekers van de gemeente zullen tot de vaststelling komen dat er wartaal uitgeslagen wordt als er in talen gesproken of gebeden wordt en er geen uitleg is. ‘Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt?’ (vs.23)

10. Het is noodzakelijk dat er uitleg gegeven wordt wanneer er in een taal gesproken wordt, anders dient men te zwijgen. ‘Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen. Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente.’ (vs.5,13,27-28)

 

Tenslotte

 

Als het spreken in tongen of wat men daaronder ook mag verstaan zo belangrijk zou zijn is het dan niet vreemd dat we daarvan in het leven van de Heer Jezus niets tegenkomen? Op zijn minst hadden we daarvan toch een voorbeeld in de Schrift vermeld moeten zijn, maar we horen niets daarover. Reden voor mij om het spreken in tongen betrekkelijk te achten.

 

 

 

Woordverklaring

Woordverklaring volgens Strong-coderingen:

Hand.2:3,4 ‘talen’ – Grieks: ‘gloossa’, afleiding onzeker,

(1) de tong, een lichaamsdeel, een spraakorgaan

(2) een tong, de taal of het dialect dat een bepaald volk spreekt, te onderscheiden van die van andere volken.

Hand.2:8 ‘taal’ – Grieks: ‘dia’lektos’

(1) gesprek, taal, omgangstaal

(2) bepaalde taal, streektaal.

Hand.2:11 ‘talen’ -  gelijk aan Hand.2:4.

Hand.10:46 ‘talen’ - gelijk aan Hand.2:4

Hand.19:6 ‘talen’ - gelijk aan Hand.2:4

1Kor.14:2, 4, 5, 6, 9, 13, 14, 18, 19, 22, 23, 26, 39 ‘taal’ - gelijk aan Hand.2:4.

1Kor.14:21 ‘talen’ – Grieks: ‘hete’roglossos - iemand die een vreemde taal spreekt

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Gedachten over het lijden

 

  

 

Als het kwaad Gods kinderen treft! 

 

 

 

Inleiding

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw baarde het boek van rabbi Harold Kushner ‘Als het kwaad goede mensen treft’ veel opzien. We gaan dat boek niet bespreken maar in dat boek kwam Kushner tot de conclusie dat het niet waar is dat God almachtig is en alles in de hand heeft: ‘Hij staat erbij en kijkt ernaar!’. Het volgende verhaal illustreert misschien wat Kushner bedoelde. Een directeur ontslaat personeelsleden. Daaraan kan de personeelschef niks veranderen. Wel kan hij troosten en bemoedigen en helpen om een nieuwe baan te vinden. In het denken van Kushner, en veel anderen, is God niet de directeur maar de personeelschef. Hij kan er ook niks aan doen wanneer iemand jammer genoeg ontslag krijgt. Andere factoren en krachten veroorzaken zo’n gebeurtenis. Het enige wat God kan doen is: troosten en helpen om zin te geven. Tot zover Kushner.

De verschijning van dat boek heeft grote invloed gehad op het denken van veel christenen over het lijden dat in deze wereld aanwezig is en ook hen treft. Want als er één zaak is waar ieder mens vroeg of laat mee te maken krijg,t is dat wel het lijden, in welke vorm dan ook. Lijden hoort bij deze gevallen schepping, we kunnen er niet aan ontkomen, hoogstens kunnen we proberen de pijn te verzachten. In dit artikel willen we niet gaan nadenken over het lijden dat de mensen in het algemeen overkomt, maar over het lijden dat ons als Gods kinderen kan overkomen. Ik geloof dat de eindconclusie totaal verschillend zal zijn van die van Kushner! Het lijden is het centrale thema van het Bijbelboek Job en dat was ook het uitgangspunt van Kushner. Wanneer we met lijden te maken hebben, dan komen ook bij ons de vragen naar boven. Is er een God? En als er een God is, wat voor een God is dat dan? Welke ‘spelregels’ gebruikt Hij dan? Is Hij vrij in zijn handelen, of is Hij gebonden aan zijn eigen schepping? Werkt Hij aan een plan voor ons of is Hij begrensd in zijn tussenkomst? Is het nodig om te bidden? Hebben wij gezaghebbende informatie van God en over God, of moeten we onze eigen conclusies maar trekken gebaseerd op de ervaringen van anderen?

God bezorgt ons nooit onnodig leed

‘Mijn tijden Heer zijn in uw hand; ik vrees niet, want ik weet: mijns Vaders hand veroorzaakt nooit zijn kind onnodig leed’ (Geestelijke Liederen 198)

Door te zeggen dat God ons nooit onnodig leed bezorgt, zeggen we tevens dat wij wel leed kunnen ervaren. Maar als gelovigen en Gods kinderen staan wij in een totaal andere relatie tot God dan een ongelovige. Hij is niet alleen onze Schepper, zoals Hij dat is van alle mensen, maar ook onze Vader. Het lijden is dan niet doelloos maar krijgt betekenis. Het was Job die tegen zijn vrouw zei: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en niet het kwade?’ (Job.2:10). Daarmee  gaf Job aan wat hij was, een gelovige, en in Wie hij geloofde, God. Job wist wel wat er gebeurde maar niet de reden van het leed dat over hem kwam. En toch kon hij zeggen: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ (1:21). In plaats van God te vervloeken, zoals satan verwachtte dat Job zou doen, loofde Job de Here! Iedereen kan zeggen ‘de Here heeft gegeven’ of ‘de Here heeft genomen’ maar het getuigt van echt geloof om in het midden van het lijden te zeggen : ‘De Naam des Heren zij geloofd!’ Daarom ligt er ook een wereld van verschil tussen Job en Noömi. Noömi had ook veel lijden in haar leven ervaren, maar de oorzaak daarvan lag veel meer in de beslissingen die zij en haar man genomen hadden. Zij zei: ‘de hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’ en ‘de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’ en ‘de Here heeft tegen mij getuigd en de Almachtige heeft mij kwaad aangedaan’ maar niet ‘de Naam des Heren zij geloofd!’ (Ruth1:13,20,21). Met die woorden beschuldigd ze God van het haar overkomen leed.

Wanneer Paulus schrijft: ‘Wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar zijn voornemen zijn geroepen’ (Rom.8:28), dan hebben we al een antwoord op de vraag naar de zin van het lijden waarmee wij geconfronteerd kunnen worden. Het is ten goede! We zouden meerdere oorzaken kunnen aanwijzen waardoor wij kunnen lijden. Ten eerste, lijden dat ons overkomt doordat andere mensen verkeerde beslissingen nemen. We hoeven maar te denken aan Jozua en Kaleb, die de gevolgen moesten dragen van de beslissing van de tien verspieders om het beloofde land niet binnen te trekken en daarom ook de veertig jaar door de woestijn moesten trekken. Of denken we aan Paulus, die schipbreuk leed ten gevolge van de verkeerde beslissing van de stuurman (Hand.27:11vv.). Lijden kan ons ook overkomen doordat wij verkeerde beslissingen nemen, zoals Jona die zijn eigen weg verkoos boven die van God en in grote moeilijkheden raakte. Verder kan ons leed treffen wanneer God in het spel is. We denken dan aan leed dat onze geestelijke groei moet bevorderen of leed dat dient ter voorbereiding op een toekomstige dienst, zoals bij Jozef, of leed waardoor we God mogen verheerlijken (Joh.21:19) of leed als vorm van tucht om ons te corrigeren van een verkeerde wandel (Hebr.12:5vv.). ‘Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar het hun goeddacht bestraft, maar Hij doet dat tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan zijn heiligheid’ (Hebr.12:10)

Ja, wel leed, maar nee, geen onnodig leed!

Gods bedoelingen zijn vaak verborgen

‘Moet ik vragend hier vaak gaan, Boven zal ik het eens verstaan!’ (Geestelijke Liederen 118)

Vragend moeten wij hier vaak gaan in het vertrouwen dat God er zijn bedoeling mee heeft. Het is geen wonder dat Job veel vragen had. Iemand heeft ongeveer driehonderd vragen in het gelijknamige boek geteld, waarvan een groot aantal door Job zelf gesteld. Een echt antwoord kreeg hij niet. Hoe graag had Job met God willen spreken om zich te verantwoorden. ‘Maar toch, ik wil tot de Almachtige spreken, ik wens mijn zaak te bepleiten bij God’ (Job 13:3). Maar toen Job in de gelegenheid kwam om dat te doen, zweeg hij en zei hij: ‘Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer; ja tweemaal, maar ik ga er niet mee voort‘ (39: 37,38). Wat wij in moeilijke tijden werkelijk nodig hebben, is geen verklaring van God, maar een openbaring van Hem. Die openbaring kreeg Job door de beschrijving van grote dieren en van Gods majesteit in de natuur (Job 38-39). Hij ‘zag’ een God die tot grote dingen in staat is en een God die krachtig bijstaat hen die tot Hem roepen (Luk.18:7). Toen antwoordde Job: ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as’ (Job 42:5,6). Wanneer wij ernstig lijden, dienen we Gods grootheid te zien om te weten dat Hij alles onder controle heeft. Wanneer situaties ons vermogen tot het uiterste op de proef stellen, hebben we Iemand nodig die daarboven staat; groter is dan dat. In de Bijbel hebben we een openbaring van God. We hebben ook openbaringen - een reeks van gebeurtenissen – van wat lijden kan betekenen vanuit Gods oogpunt. Als we deze ‘ljjdensverhalen’ goed begrijpen, dan kunnen die ons helpen om de beproevingen in dit leven beter te begrijpen en een plaats te geven.

Een schitterend oudtestamentisch verhaal illustreert dit door het leven van Jozef. Jozefs broers waren jaloers op hem, haatten hem en verkochten hem als slaaf. Jozefs vader was in de veronderstelling dat zijn geliefde zoon dood was, maar in werkelijkheid diende hij als slaaf in Egypte. Jozef bracht meerdere jaren in de gevangenis door, maar door een reeks wonderlijke gebeurtenissen werd hij onderkoning. Daardoor was hij later in staat zijn vader en broers tijdens een zware hongersnood in het leven te behouden (zie Genesis 37-50).

Vanuit menselijk oogpunt was dat wat Jozef was overkomen, slecht. Jaloersheid en haat zijn slechte eigenschappen. Het is slecht om van je vader gescheiden te worden om als slaaf verkocht te worden. Het is slecht om vals beschuldigd te worden waardoor je in de gevangenis terechtkomt. Maar uiteindelijk keerden al deze gebeurtenissen zich ten goede. Jozef zei tegen zijn broers: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (Gen.50:20; 45:5,7). Ja, ‘vragend moeten wij vaak gaan’; dat komt omdat Gods wegen onnaspeurlijk zijn (Rom.11:33) en zijn wegen hoger zijn en anders dan onze wegen (Jes.55:9). Maar geen nood, God is te vertrouwen: ‘U weet als Vader wat U doet, de weg die U bepaalt is goed.’ Laten we daarom al onze zorgen op Hem leggen want Hij zorgt voor ons! (1Petr.5:7).

God met ons!

Hij is aanwezig

We mogen nooit vergeten dat, wat ons ook overkomt en welk lijden we ook ondergaan, God ons nooit zal verlaten. In het boek Genesis lezen we in hoofdstuk 39 tot drie keer dat de Here met Jozef was (vs.2,21,23). Misschien ervaren wij Gods aanwezigheid niet meer of worden we overstelpt door verdriet (Joh.20:11-18); toch is Hij er, altijd en overal, zelfs in een vurige oven (Dan.3:24)! ‘Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand’ (Jes.41:10; Matt.28:20).

Hij lijdt mee

Dat de Heer meelijdt met ons, wordt duidelijk geïllustreerd tijdens de vervolging van de gemeente door Paulus, als de Heer tot hem zegt: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Hand.9:4). ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’ (Jes.63:9).

‘Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde.’ (Heb.4:15). De HSV- vertaling is hier minder duidelijk en spreekt van medelijden in plaats van mee te lijden. ‘Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden’.

Hij kan helpen

Toen Sadrak, Mesak en Abednego in grote nood waren, antwoordden ze koning Nebukadnessar, toen hij hen dreigde in de brandende vuuroven te gooien, met de woorden: ‘Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven en uit uw macht o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (Dan.3:17-18). ‘De hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen’ (Jes.59:1). ‘Want waarin Hij Zelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, kan Hij hen die verzocht worden, te hulp komen’ (Heb.2:18), maar wat zijn liefde wil bewerken ontzegt Hem zijn vermogen niet.

Het gebed

Christenen staan in relatie met een God die hoort als we tot Hem roepen. In het denken van Kushner is het enige wat God kan doen: troosten en helpen om zin te geven. Het nog net geen deïsme dat God als Schepper erkent, en gelooft dat Hij zich sinds de schepping niet meer met haar inlaat en dus het werk van de onderhouding loochent. ‘Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Here, onze God, telkens als wij tot Hem roepen?’ (Deut.4:7). We mogen en kunnen onze gevoelens en verlangens bij God bekendmaken (Fil.4:6).

Ten slotte

Er is nog veel meer te zeggen over dit onderwerp; het zal ons altijd bezig blijven houden zolang wij hier op aarde zijn. Maar we weten dat het lijden beperkt is tot de tegenwoordige tijd, eindig is en vervangen zal worden door heerlijkheid (Rom.8:18). We mogen dan ook uitzien naar die heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. ‘Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe. En dat niet alleen, ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van ons zoonschap: de verlossing van ons lichaam’ (Rom.8:22-23).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

 

 

Leven in de verwachting

van Jezus’ komst

 

Inleiding

Wanneer er belangrijke politieke of maatschappelijke veranderingen ontstaan, veroorzaken die bij een groot deel van de mensheid vaak een gevoel van onzekerheid en/of verwachting. En wat hebben we in het recente verleden niet allemaal zien veranderen! Schrijver dezes is geboren in 1947, toen er nog geen sprake was van een staat Israël of een verenigd Europa. En wat te denken van al die nieuwe uitvindingen en toepassingen van de technologie? Wie kan zich nog een wereld voorstellen zonder internet, om maar iets te noemen? Het is dan ook boeiend om een van de bekendste wetenschappers van vandaag aan het woord te laten en te horen wat zijn verwachtingen zijn voor de toekomst van de mensheid. Ik denk aan de beroemde wetenschapper Stephen Hawking, die op 17 november 2016 het volgende schreef: ‘Het menselijk ras heeft nog maar duizend jaar op deze planeet voordat het uitsterft.’ Dat zei hij tijdens een toespraak bij Oxford Union, schrijft The New York Post. ‘Ik denk niet dat we nog duizend jaar overleven zonder onze fragiele planeet te verlaten’, aldus de wetenschapper. Het is niet voor het eerst dat hij een dergelijke waarschuwing geeft; in 2011 zei hij ook al dat het tijd wordt om de aarde te verlaten, omdat onze zelfzuchtige en agressieve genen de mens op aarde de das om zullen doen. Volgens Hawking zijn de grootste boosdoeners op dit moment de vooruitgang in de technologie, de steeds groter wordende kans op een nucleaire oorlog en de gevaren van de klimaatverandering. Onze enige hoop is volgens hem een andere planeet vinden waar we kunnen leven. ‘We moeten de ruimte in blijven gaan voor de toekomst van de mensheid’, zei Hawking. De 74-jarige kosmoloog moedigde studenten dan ook aan om nieuwsgierig te blijven en herinnerde hen om ‘naar de sterren te kijken en niet naar je voeten.’ Tot zover Hawking. We gaan ons maar niet bezighouden met naar de sterren te kijken om te weten te komen waar het met deze wereld naartoe gaat, maar willen aan de hand van vijf teksten uit het Nieuwe Testament zien wat deze ons te zeggen hebben over de dingen die staan te gebeuren.

De planeet die aarde heette

‘Terwijl de mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen, want de krachten van de hemelen zullen wankelen’ (Luk.21:26).

De gebeurtenissen die de tijd zullen kenmerken voorafgaand aan de komst van Christus, zullen zulke proporties aannemen dat er bij de mensen een groot gevoel van onbehagen zal zijn, ook al weten ze niet wat er staat te gebeuren. De Bijbel laat ons echter niet in het ongewisse over de toekomst van planeet aarde, maar geeft een vrij nauwkeurig beeld van wat er in de nabije toekomst staat te gebeuren. Het evangelie naar Mattheüs spreekt over ‘volk dat op zal staan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, er zullen hongersnoden en aardbevingen zijn in verschillende plaatsen’ (Mat.24:6-7). De evangelist Lukas voegt eraan toe: ‘En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van zee en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen, want de krachten van de hemelen zullen wankelen’ (Luk.21:25-26). Benauwdheid onder de volken en mensen die het besterven van bangheid van de dingen die over het aardrijk komen zullen het leven van de mensen bepalen.

Het zal een tijd zijn die zich zal kenmerken door de grote veranderingen die zullen plaatsvinden op politiek en maatschappelijk terrein. Alle zekerheden die deze wereld kan bieden, zullen op losse schroeven komen te staan en zullen een groot gevoel van onzekerheid bij de mensen opwekken.

Wij als gelovigen hebben het profetisch Woord dat ons inlicht over de gebeurtenissen die zullen gaan plaatsvinden, maar de ongelovigen hebben niets wat hen daarover kan inlichten, zelfs Stephen Hawking niet, hoe geleerd die ook mag zijn. Hoe dat mogelijk is? De profeet Micha schrijft dat de volkeren de gedachten des Heren niet kennen en dat ze zijn raadslag niet verstaan, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer (Mi.4:12). Voor ons, gelovigen, getuigen de gebeurtenissen die er in de eindtijd zullen zijn van de komst van Christus. Die komst zal voor de gelovigen heil betekenen, maar voor de ongelovigen oordeel; daarover is Gods Woord zeer duidelijk, zoals we verder in dit artikel zullen zien. De Heer Jezus heeft gezegd dat er in die tijd ‘een grote verdrukking zal zijn zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen’ (Mat.24:21). Ondanks alle gebeurtenissen zullen de mensen het niet bemerken totdat deze tijd aanbreekt, zoals het was in die dagen vóór de zondvloed… en ze bemerkten het niet (Mat.24:38-39). Ze zou verachten dat bij zulke grote beroeringen in de wereld de mensen om genade zouden smeken, maar het tegendeel is waar. We lezen helaas tot vier keer toe: ‘Ze bekeerden zich niet!’ (Op.9:20,21; 16:9,11)

De tweede komst van Christus

‘Zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om de zonden van velen te dragen, de tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten’ (Heb.9:28).

De belofte dat de Heer Jezus terug zou komen werd door twee mannen, die bij de discipelen aanwezig waren tijdens de hemelvaart van de Heer, bevestigd met de woorden: ‘Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan’ (Hand.1:11). Zoals onze tekst al aangeeft, zal die tweede komst totaal verschillend zijn van de eerste komst als een kindje in een kribbe in Bethlehem!

De hierboven aangehaalde tekst uit de brief aan de Hebreeën laat zich niet zo gemakkelijk lezen en enige uitleg over wat ‘zonder zonde‘ wil zeggen is nodig, anders lopen we het gevaar dat men uit vers 28 de conclusie trekt dat de Heer Jezus gedurende zijn eerste komst wel belast was met de zonde. Dat dit niet juist is blijkt wel uit een groot aantal teksten uit het Nieuwe Testament waaruit duidelijk naar voren komt dat de Heer Jezus de zonde niet kende noch gezondigd heeft (bv.1Joh.3:5; Joh8:46; 2Kor.5:21; Heb.4:15, 7:26, 9:14; 1Pett.1:19, 2:22, 3:18).

De Engelse NIV vertaalt vers 28 als volgt: ‘And He will appear a second time, not to bear sin, but to bring salvation to those who are waiting for Him’. (En Hij zal een tweede keer verschijnen, niet om de zonde te dragen, maar om heil te brengen aan hen die op Hem wachten) Hierdoor wordt duidelijk waarin de eerste komst van de Heer verschilt van de tweede. De eerste komst had tot doel om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf op het kruis van Golgotha! (vs.26). De tweede komst is om zegen te brengen aan de gelovigen. Toen de Heer Jezus de discipelen uitleidde tot aan Bethanië, hief Hij zijn handen op en zegende hen. En zó, met zegen, zal Hij terugkomen (Luk.24:50; Hand.1:11). Wat uit deze tekst heel duidelijk naar voren komt is dat we nog een tweede komst van de Heer Jezus mogen verwachten! We zien hier een onmiskenbare parallel met twee oudtestamentische personen. Ik denk aan Jozef en Mozes, die beiden bij hun eerste komst werden afgewezen maar bij hun tweede komst werden geaccepteerd (Hand.7:13, 35-36). Deze volgorde vinden we ook bij de Heer Jezus: eerst lijden, dan heerlijkheid (Luk.24:26; 1Petr.1:11).

Op weg naar huis

‘Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus als Heiland verwachten’ (Fil.3:20).

Dit is de derde tekst waarin gesproken wordt van de verwachting van de komst van de Heer Jezus, met nú de nadruk op het burgerschap van de gelovige. Deze tekst moet de gelovigen in Filippi eraan herinnerd hebben dat hun eigenlijke thuis in Rome lag en niet in Filippi. Zoals bekend, was Filippi eigenlijk een kolonie voor ‘gepensioneerde’ soldaten van het Romeinse rijk. Ze leefden tijdelijk in een ander deel van het rijk dan waar ze thuishoorden. Een vagebond heeft geen huis, een vluchteling loopt weg van huis maar wij, pelgrims, zijn op weg naar huis!

Wanneer een kind geboren is, wordt het ingeschreven in de registers van de stad. Zo is het ook met zondaren die tot geloof in de Heer Jezus komen; ze worden dan hemelburgers en hun naam wordt ingeschreven in het boek van het leven (Fil.4:3). Een gelovige heeft eigenlijk een dubbel burgerschap – een aards en een hemels – en ons hemels burgerschap behoort van ons een betere burger in deze wereld te maken. In onze positie als pelgrims tonen we gelijkenis met de aartsvader Abraham die, toen hij geroepen werd, gehoorzaamde om uit te gaan naar de plaats die hij als erfdeel zou ontvangen (Heb.11:8).

Het is een voorrecht om een burger van de hemel te zijn, maar dat brengt ook verplichtingen met zich mee. De vijanden van het kruis van Christus bedenken aardse dingen (3:19), wij als hemelburgers worden geacht de dingen die boven zijn te zoeken en te bedenken. ‘Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God’ (Kol.3:2-3).

Werkend verwachten

‘… en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn’ (1Thes.1:10).

Door de prediking van de apostel Paulus waren de Thessalonicenzen in aanraking gekomen met het evangelie en hadden het woord aangenomen, niet als een woord van mensen, maar - zoals het werkelijk is - als Gods woord (1Thes.2:13). Dat had een grote verandering in hun leven gebracht. Ze hadden zich bekeerd van de afgoden om de levende God te dienen en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1:9). Het dienen van God bestond daarin dat ze vanuit Thessaloniki in Macedonië en Achaje en daarbuiten het evangelie uitdroegen (1:8). Ook al had de verwachting van de komst van de Heer Jezus een grote plaats in het leven van de gelovigen in Thessaloniki, getuige de inhoud van de twee brieven aan hen gericht, het maakte hen niet passief maar juist actief. Daaruit kunnen we leren dat de waarde van profetie niet is speculatie, maar juist motivatie. Kennis van het profetisch woord moet ons ertoe aanzetten een toegewijd leven te lijden. ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is, opdat ook wij zijn in deze wereld zoals Hij is’ (1Joh.3:3; 4:17).

‘God wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen’ (2Petr.3:9) en vanaf de dag dat de mens in de zonde is gevallen tot op vandaag doet Hij al het mogelijke om de mensen te redden en daarvoor wil Hij ook ons inschakelen om zijn liefde bekend te maken. De gelijkenis van de tien ponden leert ons dat we ‘zaken’ moeten blijven doen totdat de Heer terugkomt! (Luk.19:14).

De Heer Jezus, die opgevaren was naar de hemel, zal terugkomen om ons te redden voor de komende toorn, wat nog eens wordt vermeld in 1 Thessalonicenzen 5:9-10 en verder uitgelegd in 2 Thessalonicenzen 1:5-10. Wij verwachten dan ook niet de toorn van God, zoals de ongelovigen die te verwachten hebben, maar de komst van Christus zoals beschreven staat in 1 Thessalonicenzen 4:13-18; met andere woorden de Opname.

Eindelijk thuis

‘… in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus’ (Tit.2:13).

Wat een dag zal dat zijn wanneer we onze Heiland zullen zien in het huis van de Vader! Dat die hoop eens werkelijkheid zal worden, ligt verankerd in drie zekerheden. Ten eerste, de Heer Jezus heeft het ons beloofd: ‘In het huis van de Vader zijn vele woningen. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben (Joh14:1, 3). Ten tweede, Hij heeft ervoor gebeden: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven’ (Joh.17:24); en ten slotte, Hij heeft zijn leven gegeven op het kruis van Golgotha om ons de toegang tot het Vaderhuis mogelijk te maken. ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’ (1Pt.3:18). Wat een Heiland!

Wat zal ons te wachten staan wanneer we in die heerlijkheid zullen zijn? Ik geloof dat een van de eerste dingen zijn zal dat wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus ‘opdat ieder zou ontvangen wat hij in zijn lichaam heeft gedaan’ (2Kor.5:10). Voor alle duidelijkheid, het gaat hier niet over het oordeel dat plaats zal vinden voor de grote witte troon en bedoeld is voor de ongelovigen (Op.20:11-15). Het is ook niet zo dat wij behouden worden door de werken die wij hier hebben gedaan, de behoudenis is uit genade (Ef.2:8). ‘We worden niet behouden door werken, maar door een geloof dat werkt’. Wij worden wel beloond voor alles wat wij hier voor de Heer hebben mogen doen (1Kor15:51; Hebr:6:10; Op.22:12). Ik hoop dat u rijkelijk mag ontvangen!

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Advent

 

 

 

Inleiding

Het woord ‘advent’ komt van het Latijnse woord ‘adventus’ en betekent ‘komst’. Het verwijst naar Jezus Christus’ komen als een kind naar deze aarde, maar ook naar zijn beloofde terugkeer, beter bekend als de ‘tweede komst’. Al ver voordat het Kerstmis is, versieren veel mensen huizen en winkels met allerlei kerstdecoraties, waarvan de bekendste het kerststalletje is. Maar advent is veel meer dan een kindje in de kribbe, zoals we zullen zien.

Jezus’ eerste komst

De komst van de Messias werd op verschillende plaatsen in het Oude Testament aangekondigd en we weten uit het Nieuwe Testament dat een aantal gelovigen ernaar uitkeek (Luk.2:25, 38; 23:51; Joh.4:25)

Maar hoe konden ze de Messias herkennen? Christus’ eerste komst is de vervulling van een voortschrijding van heel specifieke profetieën. In Genesis 3:15 lezen we al dat het zaad van de vrouw, een nakomeling van Adam en Eva, Satan de kop zou vermorzelen. De verwachting was dat de Messias gelijkenis met Mozes zou hebben, want deze had in Deuteronomium 18:18 geschreven: ‘Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied’.

Gods verbond met Abraham hield in dat zijn nakomelingen, het volk Israël, in een heel specifieke relatie met Hem zouden komen te staan en dat via Abrahams lijn de aarde en haar inwoners gezegend zouden worden (Gen.12:1-3). De aartsvader Jakob voorzegde dat de Messias zou voortkomen uit de stam Juda (Gen.49:10). Gods belofte aan David was dat op een dag één van zijn nakomelingen op zijn troon voor eeuwig zou regeren (2Sam.7:12-16). Jesaja voorzegde dat de Messias uit een maagd geboren zou worden (Jes.7:14) en dat Bethlehem de plaats zou zijn van zijn geboorte (Mi.5:2).

Samengevat kunnen we vaststellen dat de Messias een mens zou zijn afkomstig van de stam Juda uit de koninklijke lijn van David, geboren uit een maagd in de stad Bethlehem. Daaruit mag afdoende blijken dat de Heer Jezus de door God gezondene is.

De mensheid van Jezus

Een andere kwestie die om een antwoord vraagt, is waarom nam God een menselijk lichaam aan? Het Nieuwe Testament bevestigt herhaaldelijk dat God de Zoon een menselijk lichaam heeft aangenomen, zodat Jezus volledig mens is. ‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14). Het woord vlees betekent vlees, botten en huid; Johannes bevestigt dat alleen zij die belijden dat Jezus Christus ‘in het vlees kwam’ God toebehoren (1Joh.4:2). Paulus zegt dat ‘Hij geopenbaard is het vlees’ (1Tim.3:16). Daarmee komt de schrijver van de brief aan de Hebreeën overeen: ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen’ (Heb.2:14). Gods heiligheid vereiste dat de zonde geoordeeld moest worden, en het loon van de zonde is de dood (Rom.6:23). Omdat Adam en Eva gezondigd hadden is de dood uitgegaan tot alle mensen. Om zondige mensen te verlossen, moest de Verlosser een mens zijn (Heb.2:14-15; Gal.4:4-5). De Verlosser moest echter niet slechts zonder zonde zijn, Hij mocht ook geen zonden gedaan hebben (Joh.8:46; 2Kor.5:21; Heb.4:15; 1Petr.2:22; 1Joh.3:5). Johannes de doper zei van Jezus: ‘Zie, het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh.1:29). Het woordje ‘Lam’ verwijst naar het lam van het Pascha, dat in elk opzicht volmaakt moest zijn (Ex.12:5). Dat impliceert dat de Heer Jezus ook in alle opzichten volmaakt moest zijn als vervangend offer voor de zonden van de mensheid.

Om heil te kunnen brengen moest de Verlosser goedmaken wat onze eerste ouders verkeerd hadden gedaan. De Heer Jezus wordt de tweede Adam genoemd omdat Hij herstelde wat Adam verloren had (1Kor.15:45). ‘Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid in Hem’ (2Kor.5:21). ‘Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigheid gesteld worden’ (Rom.5:19).

De Zoon van God werd volmaakt mens om zich volledig met de zondige mens te kunnen identificeren. Hij leefde een zondeloos leven, om zich als een volmaakt zoenmiddel te kunnen offeren in onze plaats, om op te staan uit de doden en de dood te overwinnen en gelovigen het eeuwig leven te kunnen geven. Vrijwillig nam de Heer Jezus dit werk op zich en aanvaardde het lijden om zijn Vader te verheerlijken, om daardoor de naam boven alle naam te ontvangen en om zondaars in heiligen te veranderen tot eer van God.

We mogen de Heer grootmaken omdat Hij zijn hemelse heerlijkheid heeft verlaten om mens te worden en vlees en bloed aan te nemen. Omdat de Heer Jezus dat heeft gedaan weten we dat Hij weet wie wij zijn en in welke omstandigheden wij hier op aarde leven (Heb.4:15). Maar we mogen ook naar voren kijken naar die dag wanneer we worden zoals Hij!

De godheid van Jezus

In de adventsperiode ligt de nadruk natuurlijk overwegend op de mensheid van de Heer Jezus, reden om ook aandacht te besteden aan zijn godheid. De Bijbel openbaart ons dat er één God is, bestaande uit drie personen die gelijk aan elkaar zijn en toch te onderscheiden: God de Vader en God de Zoon en God de heilige Geest. Let op het gebruik van het woordje en. De Vader en de Zoon en de heilige Geest staan niet in rangvolgorde, zoals rangen in een leger – de Vader eerst, de Geest het laatst en de Zoon tussen hen in – want elk van hen is de eeuwige God, en geen van de godheden is groter dan de ander. In de zendingsopdracht (Mat.28:19) noemt de Heer Jezus de Vader het eerst, dan de Zoon, dan de Geest, en Hij verbindt hen door het woordje en. In de zegenbede in 2 Korintiërs 13:14, plaatst Paulus de Zoon eerst, maar dat betekent niet dat Hij hoger of belangrijker is dan de Vader en de heilige Geest, want ook hier verbindt het kleine woordje en de drie als gelijken. Er zijn geen drie goden of verschillende namen voor één God die zichzelf openbaart op verschillende manieren en tijden. De drie-eenheid werkte tezamen in de schepping van hemel en aarde (Gen.1:1-2; Job.38:4; Ps.104:30; Kol.1:16-17). Ook al gebeurt de volle openbaring van de drie-enige God pas volledig in het Nieuwe Testament, de drie personen van de Godheid waren er al van het begin. Ze waren er al van eeuwigheid.

De engel Gabriël vertelde Maria hoe het wonder van de incarnatie zou plaatsvinden: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd’ (Luk.1:35). Elk deel van de Godheid zou een deel spelen – de Vader en de Geest en de Zoon. Laten we ons begeven naar de Jordaan waar Johannes de Doper Jezus van Nazareth doopte: ‘Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden Hem geopend, en Hij zag de Geest van God neerdalen als een duif en op Zich komen; en zie een stem uit de hemel zei: Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Mat.3:16-17). Nog een keer werkt de drie-eenheid samen: de Zoon gehoorzaamt, de Geest daalt neer en de Vader spreekt. Zo zijn er nog meer voorbeelden uit het Nieuwe Testament te noemen waaruit blijkt dat God uit drie personen bestaat en dat én de Vader én de Zoon én de Geest God is. (Luk.4:18; Jes.61:1-2; Hand.10:38; Joh.14:16-17, 26; 15:26; Heb.9:14; Hand.2:32-33).

Het doel van Jezus’ komst

Nog een vraag in verband met de advent, Jezus’ komst, vraagt om een antwoord. ‘Wat kwam de Heer Jezus op aarde doen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten we te rade gaan bij de eerste brief van Johannes waar herhaaldelijk gesproken wordt over ‘verschenen’ en ‘geopenbaard’ om het verschijnsel ‘vleeswording’ te beschrijven.

De zonde is het grootste probleem van de mensheid, en de Heer Jezus kwam om dat probleem op te lossen. ‘U weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen’ (Joh.3:5). God neemt de zonde ernstig, en dat zouden wij ook moeten doen. In zijn ‘verschijning’ maakte God zich één met de zondaar. Hij ‘werd vlees’ (Joh.1:14). In zijn leven liet de Heer Jezus zien dat Hij in volmaakte gehoorzaamheid ten opzichte van God hier op aarde wandelde, waardoor Hij in zijn sterven het volmaakte offer kon zijn. Het resultaat van Jezus’ leven, dood en opstanding is dat God zondaars heilig kan verklaren wanneer ze volledig vertrouwen op de Heer Jezus als hun Verlosser.

Jezus’ komst op de aarde was als het ware een oorlogsverklaring aan Satan. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken’ (1Joh.3:8). Dit vers benadrukt de realiteit van Satans bestaan en zijn tegenstand tegen God en Diens volk. We moeten de vijandschap en de bedrieglijkheid van de vijand van onze zielen niet onderschatten. Jezus deed dat zeker niet. Het woordje ‘verbreken’ in 1Joh.3:8 verwijst naar de macht van Gods Zoon. ‘Verbreken’ betekent de banden die iets samen houden verbreken. In plaats van een regelrechte confrontatie maakte de Heer Jezus op een rustige wijze in gehoorzaamheid aan de Schrift, in de kracht van de heilige Geest en in liefde tot zijn Vader, Satan onmachtig. Satan dacht dat het kruis Jezus’ einde betekende; het tegendeel was waar, het betekende het einde van Satans macht. Vandaag de dag is Satan nog steeds actief maar zijn nederlaag is zeker (Op.20).

Jezus’ komst naar deze aarde was een teken van Gods liefde. Hoe weten we dat God zondaars liefheeft? ‘Hierin is de liefde van God ten aanzien van ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden’ (1Joh.4:9-10). Wanneer we niet voelen dat God ons liefheeft, moeten we letten op wat de Bijbel zegt. God heeft zich naar ons uitgestrekt door zijn Zoon te zenden. God houdt van ons en de Zoon stierf voor onze zonden.

Jezus’ tweede komst

Jezus heeft beloofd dat Hij eens terug zou komen. ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’ (Joh.14:2-3). Het boek Openbaring eindigt met de woorden van de Heer Jezus: ‘Ja, Ik kom spoedig’ (Op.22:20). Vanaf de dag dat de Heer Jezus naar de hemel ging, hebben zijn discipelen uitgekeken naar zijn terugkeer. Er zijn verschillen in interpretatie hoe Jezus zal terugkomen, maar algemeen kunnen we zeggen dat iedere bijbelgetrouwe gelovige gelooft dat Hij terugkomt. Dat geloof in zijn terugkeer vinden we terug in de adventstijd.

Christus’ tweede komst is ook een motief om rein te leven. ‘Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1Joh.3:2-3). Omdat we de tijd van zijn terugkeer niet kennen en we Hem niet in een beschamende toestand willen ontmoeten, moeten we de zonde geen plaats in ons leven geven.

Voor ons zal de tweede komst een bevrijding zijn van lichamelijk beperkingen. Wanneer Christus uit de hemel verschijnt, zal Hij ‘het lichaam van onze vernedering veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid’ (Fp.3:21). Onze lichamen zijn aan verval onderhevig, daarom betekent Christus’ wederkomst dat we een nieuw, verheerlijkt lichaam zullen ontvangen, gelijk aan het lichaam van onze Heer.

De tweede komst van Christus luidt de ondergang van Satan in (Op.19-20). De oorlog die aan de gang is sinds de zondeval in Eden komt uiteindelijk tot een eind. Tegenstand van de Satan tegen Christus zal ophouden en Satan en zijn volgelingen zullen gestraft worden en een eeuwig oordeel ondergaan.

Christus’ tweede komst zal resulteren in een nieuwe hemel en aarde (Op.21-22). De beschrijving daarvan vermeldt wat er niet zal zijn: geen dood, rouw, geschrei, noch pijn (Op.21:4), geen nacht (vs.25), geen vervloeking (22:3). Er zal genezing zijn (22:4), er zal vrede zijn en we zullen onze Heiland zien van aangezicht tot aangezicht (1Thes.4:17).

De terugkeer van de Heer is alleen bestemd voor hen die in Hem geloven. Uiteindelijk zal elke knie zich voor Hem buigen en elke tong belijden dat Jezus Christus Heer is (Fil.2:10). De keuze is om nu voor Hem te buigen en ons te onderwerpen. Weigeren zal betekenen: gedwongen worden om zijn heerschappij te erkennen wanneer Hij komt om te heersen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De lastering van de Geest 

 

Mattheüs 12:31

 

 

 

Een vraag die regelmatig terugkomt is die over de lastering van of tegen de Geest zoals vermeld in Mattheüs 12:31 en Lukas 12:10. Meestal spreekt men dan over ‘de zonde van of tegen de Geest’ maar nergens wordt het zó in het Nieuwe Testament vermeld, want elke zonde is in wezen een zonde tegen de heilige Geest. Het lasteren van of tegen de heilige Geest wordt onderscheiden van het lasteren in algemene zin dat wel kan worden vergeven (vs.31), dus moet het een andere of diepere betekenis hebben.

In de context van Mattheüs 12 beschuldigden de farizeeën de Heer Jezus ervan dat hij de demonen uitdreef door Beëlzebul de overste van de demonen (vs.24). De Heer dient hen van repliek maar de kern van zijn antwoord is: ‘Als ik echter door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen’ (vs.28). Dat is hetzelfde dan te zeggen dat Hij de Messias was. Voordat deze confrontatie met de farizeeën plaatsvond had de Heer Jezus meerdere wonderen verricht die zonder uitzondering bewijzen of tekenen waren van het komende messiaans koninkrijk en zijn Messiasschap. ‘Blinden konden weer zien, kreupelen lopen, melaatsen gereinigd en doven konden weer horen!’ (Math.11:5: Luk..4:18-19; 7:18-23). Daardoor werd aangetoond dat Jezus de Messias was en door het uitdrijven van de demonen werd dat nog eens bevestigd. Daarom was de beschuldiging van de farizeeën dat Hij de demonen uitdreef door Beëlzebul een onvergeeflijke ‘lastering tegen het getuigenis van de Geest’ (Math.12:31; Mark.3:29; Luk.12:10).

Deze ‘lastering van of tegen de Geest’ is niet alleen het ontkennen van de gebeurtenissen als een daad van Gods Geest maar het bewust kwaadspreken daarvan. Ervan overtuigd zijn dat Jezus de demonen uitdreef door de Geest van God en dat toch loochenen en beweren dat Hij dat deed door de overste van de demonen, Beëlzebul. Nicodemus erkende zelfs dat niemand die tekenen kon doen die Jezus deed tenzij God met hem was (Jh.3:2).

De vraag die vaak gesteld wordt is of deze ‘zonde’ vandaag de dag ook nog gedaan kan worden.

Om daar een antwoord op te geven gaan we eerst kijken in het Oude Testament en wel Numeri 15.22-31. We vinden daar twee soorten zonden de onopzettelijke en de opzettelijk zonde of de zonde met voorbedachten rade. In de Herziene Statenvertaling wordt dit de zonde met ‘opgeheven hand’ genoemd. ‘Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden’ (Num.15:30). Lasteren tegen de heilige Geest spreekt van een bewuste daad van kwaadsprekerij. ‘Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad’ (Jes.5:20). De innerlijke drijfveren die de farizeeën tot zo’n onvergeeflijke daad van lastering hebben geleid zouden kunnen voortgekomen zijn uit jalousie of religieuze ijver.

Het punt is dat wij over wonderen door mensen twijfel kunnen hebben of ze van Goddelijke oorsprong zijn maar van wonderen door de Heer Jezus gedaan daarover kon geen twijfel bestaan tenminste als we in de Heer Jezus de Zoon van God herkennen. We mogen aannemen dat de farizeeën in de Heer Jezus niet de Zoon van God, de Messias zagen maar een slechts een bijzonder begaafd mens en daarom konden ze zijn werken toeschrijven aan Beëlzebul. Maar in de oorsprong van het werk van de Geest was geen twijfel mogelijk. Daarom kunnen we als antwoord geven op de vraag of deze ‘zonde’ nu nog gedaan kan worden dan ook als antwoord geven dat dit niet meer van toepassing is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Onbeantwoorde gebeden

 

 

 

 

‘God is in de hemel en gij zijt op de aarde’ (Pr5:1). Er is een grote afstand tussen de eeuwige God en de vergankelijke mens en toch kunnen wij met God communiceren! Maar dat niet alleen, we worden ook aangemoedigd om ‘met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd’ (Hebr.4:16). Dat niet elk gebed wordt verhoord is duidelijk, want het gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde. Onze wensen en verlangens hoeven niet altijd overeen te komen met Gods wil. Daarnaast kunnen er ook verhinderingen zijn waardoor onze gebeden niet verhoord kunnen worden. Daarover gaat dit artikel.

Zoals vaders en moeders er een plezier in hebben om aan de wensen van hun kinderen tegemoet te komen, zo doet het ook onze hemelse Vader plezier in het beantwoorden van onze gebeden. Maar gebed is meer dan tot God komen om je wensen aan Hem bekend te maken. Gebed is een geweldige ervaring van gemeenschap en aanbidding, waardoor we God en onszelf beter leren kennen. Gebed is een van de grootste voorrechten die wij als gelovigen hebben in ons christelijk leven, en God is verblijd in het beantwoorden van onze gebeden. De Heer Jezus zegt in Mattheüs 7:11: ‘Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.’

Dit brengt ons in aanraking met het probleem van onbeantwoorde gebeden. Sommige gelovigen argumenteren dat God de gebeden altijd beantwoord. Hij zegt of ja of nee of wacht! Ik geloof dat dit nogal een gemakkelijke manier is om het probleem van onbeantwoorde gebeden te verklaren. Het is waar dat God soms een antwoord op onze gebeden lang uitstelt. Zijn timing is anders dan de onze. Zie daarvoor eens de vertaling van Lukas 18:7 in de HSV-vertaling: ‘Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij hen soms lang laat wachten?’ Toen Lazarus ziek was zonden zijn zusters, Maria en Martha, daarvan een bericht aan de Heer Jezus maar Hij wachtte met te komen. Toen Hij uiteindelijk dan toch in Betanië kwam lag Lazarus al vier dagen in het graf. Het doel dat de Heer Jezus daarmee op het oog had was de verheerlijking van God door Lazarus uit de doden op te wekken (Joh.11:1-44). In dit geval was het uitstel nodig omdat het nog niet overeenkwam met Gods tijd.

Maar een antwoord op gebed kan ook zeer snel gebeuren. Ik denk aan de aanzegging door Jesaja aan Koning Hizkia dat hij zou sterven. Hizkia wendde zich tot God in zijn gebed en voordat Jesaja de de middelste voorhof had verlaten kwam het woord des Heren tot Hizkia met de mededeling dat hij nog vijftien jaar zou mogen leven (2Kon.20:1-6). Jesaja zegt: ‘Het zal geschieden, dat Ik antwoorden zal, voordat zij roepen; terwijl zij nog spreken, zal Ik verhoren.’ (Jes.65:24) Dat zou wenselijk zijn maar de ervaring leert dat dat zelden het geval is.

Wat de timing betreft kan het zijn dat God een antwoord op een gebed uitstelt of zelfs niet beantwoord omdat Hij een grotere zegen voor ons heeft. Hij deed het volk Israël honger lijden om hen het veel betere manna te eten te geven (Deut.8:3). Vaak lijken we op kleine kinderen die een goedkoop speeltje vragen en het onmiddellijk willen hebben. Zoals goede ouders het doen, geeft onze hemelse Vader niet altijd wat wij willen op een door ons gewenst moment omdat Hij iets veel beters voor ons heeft. Dus wanneer we bidden naar Gods wil kan het zijn dat we niet onmiddellijk antwoord krijgen. Word dan niet ongeduldig want het kan zijn dat God iets beters of anders voor ons heeft.

Maar we hebben het hier nog over beantwoorde gebeden. De Bijbel leert ons ook dat er situaties in ons leven zijn waardoor God onze gebeden niet kan horen of beantwoorden. Dit wordt niet veroorzaakt doordat God niet in staat is de gebeden te horen of te beantwoorden maar zijn een gevolg van de barrières die wij hebben opgericht in onze harten. Daarom zijn de problemen met betrekking tot onbeantwoorde gebeden ons probleem en niet Gods. Ook al weet God alles en ziet Hij alles en is almachtig, God zal gebeden die niet naar zijn wil zijn niet beantwoorden omdat ze niet overeenstemmen met zijn met Gods karakter.

Wat zijn die barrières die de communicatie met God ernstig verstoren? Laten we een aantal van deze barrières die een verhoring van gebeden verhinderen, eens nader bekijken.

Zonde

De eerste barrière is zonde in ons leven. Psalm 66:18 zegt: ‘Had ik onrecht beoogd in mijn hart, dan zou de Here niet hebben gehoord.’ Het gaat er in deze Psalm niet over dat ieder mens een zondige natuur heeft. Elk mens die op deze aarde leeft of heeft geleefd heeft een zondige natuur, met één grote uitzondering, de Heer Jezus. Hij ‘heeft geen zonde gekend’ (2Kor.5:21). ‘Hij heeft geen zonden gedaan’ (1Petr.2:22). ‘In Hem is geen zonde (1Joh.3:5).

Maar ook al hebben wij een zondige natuur dat betekent niet dat daarom onze gebeden verhinderd worden. Het zijn onze zonden die een antwoord op onze gebeden tegenhouden! Het gaat dan wel over zonden waarvan we weet hebben maar waar we verder niets mee (willen) doen. Zolang die zonden niet beleden zijn zal God mij niet horen als ik bid. Zo tot God naderen is een hypocriete manier van bidden. 1Johannes 1:6 zegt: ‘Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet.’ We zeggen het ene en doen het andere. Het ontkennen van je zonden is een ernstige zonde in Gods ogen want ‘Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet’ (vs.10). Veel mensen roepen eerst om God wanneer ze in grote nood zijn. Maar dan zegt God tot hen: ‘Kijk, je hebt niets gedaan om je zonden te belijden terwijl je je daarvan bewust was en nu roep je mij aan? Wanneer wij met betrekking tot een gekende zonde in ons hart God aanroepen zal hij niet horen voordat er belijdenis komt. We moeten een zonde niet toestaan om in ons leven te blijven maar er zo snel mogelijk komaf mee maken. De Heer Jezus zegt: ‘Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u’ (Math.5:29,30). Natuurlijk bedoelde de Heer niet dat we ons fysiek oog moesten uitrukken, dat zou geen geestelijke vrucht voortbrengen. Hij zegt: ‘Ga radicaal met je zonde om voordat het zich verspreid en je hele lichaam en geest aantast.’

Daarom moeten we, voordat wij in gebed gaan onze zonde belijden en gereinigd worden door het bloed van Christus om voor een heilige God te verschijnen. ‘Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kunt aanschouwen’ (Hab.1:13). Voordat in het Oude Testament de priesters tot God konden naderen dienden ze gereinigd te worden. Ze dienden hun voeten en handen te wassen bij het koperen wasvat eerst daarna konden ze naderen tot God. Ook wij zijn priesters en hebben dezelfde reiniging nodig. ‘Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid’ (1Joh.1:9; Ps.51:7).

Hartstochten

De eerste barrière was zonde in het leven van een gelovige. Een tweede barrière dat een verhindering van onze gebeden kan zijn is egoïsme, een zelfzuchtige houding. ‘Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten?’ (Jak.4:1). Jakobus probeert ons duidelijk te maken dat God ons niet hoort wanneer wij, wat wij vragen, in onze hartstochten willen doorbrengen; voor eigen plezier en voordeel. Dit Bijbelgedeelte zegt: ‘Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en na-ijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen’ (Jak.4:2-3). De geloofsgemeenschap waartoe Jakobus behoorde ging blijkbaar door een moeilijke periode. ‘Gij zijt moorddadig en na-ijverig, gij vecht en gij strijdt!’ Waar zulke praktijken plaats vinden kan God de gebeden zeker niet verhoren en daar kwam nog bij dat het gebed gebruikt werd om het in hun hartstochten door te brengen! In het zogenaamde ‘Onze Vader’ zien we dat Gods belangen vóór de onze komen. ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede’ (Math.6:9-10). Alleen wanneer we hebben gebeden voor de dingen die God betreffen kunnen we vervolgen met: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, enz.’ Dat laat tevens zien dat het niet verkeerd is om voor onszelf te bidden. Wanneer je het boek van de Psalmen leest kun je opmerken dat bijvoorbeeld David vaak voor hemzelf bad. Voor reiniging, kracht, bescherming en verlossing van zijn vijanden. In het Nieuwe Testament bad de Heer Jezus tijdens verschillende gelegenheden voor Hemzelf. Ook Paulus en andere gelovigen deden zo. Zelfzuchtig bidden is echter heel iets anders dan voor jezelf bidden. We bidden voor onszelf om anderen daarmee te dienen. We bidden voor onze noden opdat we indien mogelijk tegemoet kunnen komen aan de noden van anderen. Dat is anders dat wat we lezen in Jakobus 2:2-3: ‘Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.’ Het doel van het gebed is om de wil van God te doen. De apostel Johannes maakt dat duidelijk in 1Johannes 5:14-15: ‘En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.’ Dus wanneer we bidden naar Gods wil mogen we een verhoring verwachten. Maar het gaat erom dat Gods wil op aarde mag geschieden. Daarom dienen we de Bijbel te onderzoeken om te ‘erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene’ (Rom.12:2).

Onenigheid

Een derde barrière voor gebed is onenigheid in het gezin. De basis daarvoor is 1 Petrus 3:7 waar Petrus zegt: ‘Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook medeërfgenamen zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.’ De betekenis van het woord ‘belemmeren, hinderen’ heeft in het origineel een interessante betekenis. Het betekend een weg opbreken om te verhinderen dat een leger verder kan trekken. In de antieke wereld werd deze methode vaak gebruikt. De soldaten barricadeerden de weg met stenen, bomen en ander materiaal om het verder optrekken van de vijandige legers te verhinderen. Op die manier betekent 1Petrus 3:7 dat de gebeden van echtparen verhinderd zijn zolang de barrières niet weggenomen zijn en er terug harmonie in de relatie is.

Gebed in het gezin is belangrijk. Het is belangrijk dat ouders dagelijks een tijd van gebed hebben en dat de kinderen opgroeien in een christelijke sfeer. Dit gedeelte in de eerste brief van Petrus laat ons de belangrijkheid zien van onze relatie met alle mensen en speciaal de relatie tussen man en vrouw. We moeten goed handelen met alle mensen. Wanneer we niet in overeenkomst met het Woord van God ons leven en onze huwelijkspartner niet behandelen als gelijken in Christus, dan zal God onze gebeden niet kunnen verhoren. Die houding is niet alleen bepalend voor het christelijk gezin maar dat betreft ook de gemeente waar we mee verbonden zijn. Ik denk aan Math.5:23 waar staat: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.’ Ook een vorm van een relatieprobleem die het brengen van een offer belemmerd en is het gebed ook geen offer waarmee we tot God naderen?

Voordat we een opwekking in onze gemeente mogen verwachten dient die opwekking plaats hebben gevonden in het gezin. Het Woord van God en het gebed dienen een duidelijke plaats te hebben binnen het gezin. Is dat aanwezig dan mogen we niet alleen antwoord op ons gebed verwachten maar zullen we ook goed kunnen functioneren in de dienst aan God zowel binnen als buiten de gemeente.

Gods Woord

Zonde in ons leven, verkeerde gezindheid en onenigheid in het gezin veroorzaken problemen in je gebedsleven. Een vierde hindernis is het verwerpen van Gods Woord. ‘Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel’ (Spr.28:9). Het Woord van God en gebed gaan altijd samen. ‘Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden’ (Joh.15:7). In Handeling 6:4 lezen we dat de apostelen zich hielden aan het gebed en de bediening van het Woord. Het Woord van God en gebed dienen samen te gaan want in het Woord openbaart Gods zijn gedachten, hart en wil. Als we ons die zaken eigen maken kunnen we een beroep doen, door ons gebed, op zijn beloften, zijn wil en voorzienigheid voor onze noden. Gebed is niet iets wat we zo maar doen. Gebed is het resultaat van het werk van Gods Geest die door het Woord werkt in onze harten. Wanneer we zijn Woord verwerpen kan God ons gebed niet aanhoren en antwoorden. Het zou afbraak doen aan zijn heiligheid.

God verlangt ernaar om antwoord te geven op onze gebeden. Jammer genoeg is Hij niet altijd in staat dat te doen omdat er barrières opgericht zijn tussen onszelf en Hem. Weigeren om je zonde te belijden, bidden met zelfzuchtige motieven, onenigheid in het gezin of tussen gelovigen en de verwerping van het Woord van God zijn allen barrières voor ons gebedsleven. We moeten onze harten onderzoeken en God vragen om kracht van de heilige Geest opdat we in staat zouden zijn die barrières te slechten.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De doop met de heilige Geest.

 

 

 

 

 

I. Welke Bijbelplaatsen spreken over de doop met de heilige Geest?

Behalve een aantal tekstplaatsen in de Evangeliën waar gesproken wordt over de ‘doop met de heilige Geest (Math.3:11; Mark.1:7; Luk.3:16; Joh.1:33) vinden we het verder in het NT slechts op drie andere plaatsen vermeld.

Twee keer komt het voor in het boek de Handelingen 1:5 en 11:16. De eerste keer in Hand.1:5:  ‘Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de heilige Geest worden gedoopt, niet vele dagen hierna’. De tweede plaats is Hand..11:15-16, maar dat is slechts een verwijzing van Petrus naar de gebeurtenis in Handelingen 2. De laatste plaats in het NT is 1 Korinthiërs 12:13 ‘Immers wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.’  

Het begrip ‘doop met de heilige Geest’ vinden we niet in de Bijbel, net zo min bijvoorbeeld als het begrip ‘drie-eenheid’ of ‘de opname’, maar uit het verdere onderwijs van de Bijbel blijken deze er wel te zijn.

II. Is de doop met de heilige Geest een éénmalige historische gebeurtenis?

Uit de woorden van de Heer Jezus kunnen we concluderen dat met ‘de belofte van de Vader’ de doop met de heilige Geest bedoeld wordt (vgl. Hand.1:4-5). De gebeurtenis die in Jeruzalem plaatsvond op de Pinksterdag (Hand.2:1-13) wordt dan ook door Petrus aangemerkt als de vervulling van deze belofte van de Vader (Hand.2:33).

De Heer Jezus zelf heeft de Geestesdoop voorzegd. Na zijn opstanding zei Hij tegen zijn volgelingen (Luk.24:49): ‘En zie, Ik zend de belofte van de Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit de hoogte.’ Blijkens Hand.1:8 wordt hier de gave van de Geest bedoeld. De ‘belofte van mijn Vader’ is dat wat de Vader beloofd heeft: de heilige Geest, die al door de profeten was aangekondigd (Jes.32:15, 44:3; Ez.36:27; 37:14; Joël 2:28).

De heilige Geest kan strikt genomen maar één keer uitgestort worden – er kan maar één Pinksteren zijn en de Gemeente kan maar één keer ontstaan zijn.

III. Is de doop met de heilige Geest hetzelfde als de vervulling met de heilige Geest?

Daarover bestaat veel verwarring. Vooral in zgn. ‘Pinksterkringen’ wordt veel gesproken over de doop met de Heilige Geest als een tweede ervaring. Vaak bedoelen ze daar dan mee de ‘vervulling met de heilige Geest’.

Ik geloof niet dat we de ‘doop met de heilige Geest’ mogen gelijkstellen met de ‘vervulling met de Geest’, hoewel de ‘vervulling’ vaak dat is wat andere gelovigen met de Geestesdoop bedoelen.

Iemand heeft gesproken van ‘verkeerde benaming – echte ervaring’ en ‘De term is niet het punt. Hoe we het ook noemen, het is belangrijk dat het volledige pakket aan doopzegeningen in ons tot leven gewekt wordt, hoe dat ook gebeurt. De pinksterwerkelijkheid is veel belangrijker dan de terminologie.’

Dit mag geen vrijbrief zijn om Bijbelse begrippen naar willekeur te gebruiken. Als de Bijbel spreekt over de ‘doop met de heilige Geest’ dienen we te beseffen dat dat een éénmalige historische gebeurtenis was, met doel de vorming van de NT Gemeente, het lichaam van Christus. Elke volgende interactie tussen de gelovige en de heilige Geest valt onder het hoofd ‘vervullingen’. Deze ‘vervullingen’ kunnen telkens weer optreden – zij zijn zowel bedoeld voor het begin van ons leven als christen als telkens weer herhaalbaar.

Maar hoe u beide begrippen ook gebruikt de opdracht voor elke gelovige blijft:  ‘wordt vervuld met de Geest!’ (Ef.5:18)

IV. Moet ik ook met de heilige Geest worden gedoopt?

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat naast de waterdoop geen tweede Geestesdoop nodig is. ‘Want, wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt!’ (1 Kor.12:13). Zonder hier daarop verder in te gaan kunnen we zeggen dat de volgorde is: eerst de bekering, daarna de waterdoop en dan het ontvangen van Gods Geest. Wat wel mogelijk is, dat door gebrek aan onderwijs, veel gelovigen niets weten over het ontvangen en de inwoning van de heilige Geest (vgl. Hand.19:2) en dat daardoor ook niets van de vrucht van de Geest in hun leven terug te vinden is.

V. Wat is de betekenis van de doop met de heilige Geest?

Zoals gezegd naast de twee vermeldingen in het boek Handelingen is de vermelding van de doop met de Heilige Geest in 1 Korinthiërs 12:13 de enige andere, maar wel een zeer belangrijke, want daaruit kunnen leren wat de betekenis is, ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt’. Het ‘lichaam’ is één van de metaforen van de NT Gemeente. Andere zijn o.a. Huis van God en Bruid van het Lam. In de brief aan de Efeziërs 1:22, maar ook wel op andere plaatsen, vinden daarvan een bevestiging: ‘En Hij heeft alles aan zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is.’

De Geestesdoop heeft zoals gezegd op de Pinksterdag plaatsgevonden (Hand.2) waardoor de NT Gemeente is ontstaan. Op de Pinksterdag zijn de afzonderlijke gelovigen door de Geestesdoop tot het ene lichaam samengevoegd, en als mensen tot geloof komen in de Heer Jezus worden zij aan dat lichaam toegevoegd.

Door de Heer Jezus is deze ‘samenvoeging’ verwoord en aangekondigd in Johannes 10:16 ‘En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.’

VI. Conclusie.

Zoals altijd dienen we met zorgvuldigheid met Gods Woord in ons spreken en de woorden in hun juiste betekenis te gebruiken. We moeten ook oog hebben voor de terminologische verwarring die er soms heerst op het christelijke erf en ons kunnen inleven in de gedachtewereld van die ‘andere gelovige’ die vaak met andere woorden hetzelfde bedoeld. Zoals in dit artikel, dat iemand, als hij of zij spreekt over de ‘doop met de heilige Geest’ de ‘vervulling met de Geest’ bedoeld!

Iemand heeft gezegd: ‘de ervaringen met God die pinkstermensen hebben, is beter dan hun uitleg ervan’

Ik hoop dat uw uitleg van de doop met de heilige Geest net zo goed is als de vervulling met de Geest in uw leven!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX