Evangeliën 3

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Inleiding en Indeling van het evangelie naar Johannes

Zeven tekenen in het Johannes evangelie

Genezing van een blindgeborene - Joh.9

Vragend moeten wij vaak gaan - Joh.11

Waarvoor de Heer Jezus gekomen is - Joh.14

Worden als de Meester - Joh.15

Petrus tussen twee vuren - Joh.18 en 21

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op het evangelie naar Johannes

 

 

I. Het onderwerp van het Evangelie

A. Sleutelvers: Johannes 20:30-31

Johannes’ onderwerp is Jezus Christus, de Zoon van God. Zijn evangelie gaat over de tekenen die de Heer Jezus tijdens zijn leven heeft gedaan, tekenen die zijn Godheid bevestigden. Deze tekenen werden gezien door betrouwbare getuigen (Zijn discipelen en anderen) en zijn daarom betrouwbaar. Johannes verlangen is dat mensen gaan geloven in Jezus Christus als hun Heer en door zijn Naam nieuwe leven ontvangen.

B. Vergelijking met de andere evangeliën

De eerste drie evangeliën worden wel de ‘synoptische evangeliën’ genoemd, afgeleid van het Griekse woord dat ‘tezamen zien’ betekend. Mattheüs, Markus en Lukas beschrijven het leven van de Heer Jezus in een gelijke manier, elk van hen met een eigen klemtoon:

- Mattheüs laat ons de Heer Jezus als de Koning van de Joden zien.

- Markus toont ons de Heer als de Dienstknecht, en ‘zijn’ evangelie richt zich tot de Romeinen.

- Lukas beschrijft Jezus als de ‘Zoon des Mensen’, en richt zich tot de Grieken.

- Johannes presenteert de Heer Jezus als de Zoon van God en schrijft voor de hele wereld.

Terwijl de eerste drie evangeliën hoofdzakelijk de gebeurtenissen in het leven van Jezus behandelen, beschrijft Johannes de geestelijke betekenissen van deze gebeurtenissen. Hij gaat verder en presenteert waarheden die in de andere evangeliën niet benadrukt worden. Bijvoorbeeld, alle vier de evangeliën vermelden de spijziging van de 5000, maar alleen Johannes geeft een uitvoerig relaas van het Brood van het leven (Joh.6) en verklaart de betekenis van het wonder. Daarom gebruikt Johannes het woord ‘teken’ in plaats van ‘wonder’, want een ‘teken’ is een wonder dat een boodschap in zich bergt.

C. Sleutelwoorden

Wanneer je het Johannes evangelie zal je opmerken hoe vaak dezelfde woorden herhaald worden: leven, geloof, licht en duisternis, waarheid, getuige, wereld, heerlijkheid, ontvangen, Vader, kom, eeuwig en eeuwigdurend. Deze kernwoorden vatten de boodschap van dit evangelie samen.

II. Christus in het Evangelie

Johannes legt de klemtoon op de persoon van Jezus Christus en ook op diens werken. Hij vermeld zeven boodschappen waarin Christus naar Zichzelf wijst en zijn dienst verklaard. Er zijn zeven ‘Ik ben’ in dit evangelie: 6:35,41,48,51; 8:12; 9:5; 10:7,9; 10:11,14; 11:25; 14:6; 15:1,5.

Deze zeven ‘Ik ben’ uitspraken spreken van zijn Godheid; want Gods naam is ‘Ik ben’ (Zie: Ex.3:14). Let ook op de andere gelegenheden waarop de Heer Jezus deze ‘Ik ben’ gebruikt en op Zichzelf toepast: 4:26; 8:28,58; 13:19; 18:5-6,8. Wanneer je dit evangelie leest kom je uiteraard tot de overtuiging dat Jezus de Zoon van God is!

III. Tekenen in het Evangelie

Van de vele wonderen die de Heer Jezus heeft verricht, heeft Johannes er zeen gebruikt om zijn Godheid aan te tonen. (De achtste in hoofdstuk 21 was uitsluitend gericht tot de discipelen en leiden de afsluiting van dit evangelie in.) Deze zeven tekenen waren in een speciale volgorde gegeven (Zie: 4:54, ‘Dit tweede teken’) en beelden de boodschap van het evangelie uit. De eerste drie laten ons zien hoe het evangelie de zondaar bereikt:

1. Water in wijn (2:1-11) – redding is door het Woord

2. Genezing van de zoon van de hoofdman (4:46-54) – redding is door geloof

3. Genezing van de verlamde (5:1-9) – redding is door genade

De laatste vier tekenen laten het resultaat zien van het heil in de zondaar:

4. Spijziging van de 5000 (6:1-14) – redding brengt voldoening

5. Bedaren van de storm (6:16-21) – redding brengt vrede

6. Genezing van de blinde (9:1-7) – redding brengt licht

7. Opwekking van Lazarus (11:38-45) – redding geeft leven

Natuurlijk laat ook elk wonder de Goddelijkheid van Christus zien (Zie: 5:20,36). Deze tekenen worden ook benut voor Christus’ toespraken en interviews. Nicodemus kwam tot Jezus door de tekenen die Hij had verricht (3:2); de genezing van de verlamde (5:1-9) leidde tot de toespraak in 5:10-47; de spijziging van de 5000 wat de basis voor de boodschap van het Brood van het leven in hoofdstuk 6; de uitsluiting van de genezen blinde man (9:34) bracht de boodschap van de Goede herder tot stand die niemand verwierp (hfdst.10).

IV. Geloof en ongeloof in het Evangelie

Een ander belangrijk onderwerp in het Johannes evangelie is het conflict tussen geloof en ongeloof. Johannes begint met de verwerping van Jezus door het volk (1:11), dat uiteindelijk leidde tot diens kruisiging. Door het hele evangelie zie je dat de meeste Joden weigeren om het bewijs te accepteren en werden harder en harder in hun afwijzing. Aan de andere kant zie je een kleine groep mensen bereid om Christus te aanvaarden – de discipelen, de overste en zijn familie, de Samaritaanse, een verlamde, een blinde, enz. Dat zie je ook vandaag de dag: de wereld wil niet in Christus geloven, maar hier en daar zie je mensen die overtuigd zijn en accepteren Jezus als de Zoon van God.

De Joden beginnen met hun twistgesprekken met Christus na het wonder in hoofdstuk 5, omdat Jezus iemand op de sabbat geneest. In de hoofdstukken 7-12 wordt het conflict ernstiger, en verschillende keren probeert men Christus te arresteren. Het hoogtepunt vinden we in de hoofdstukken 18-19 waarin ze Jezus arresteren en Hem kruisigden.

We vinden drie crisissen vermeld in het evangelie naar Johannes, (1) toen de menigte Hem verliet toen ze Hem koning wilden maken (6:66-71); (2) toen het volk weigerde Hem te gehoorzamen (12:12-50); en (3) toen ze Hem kruisigden (19:13-22). In die eerste crisis wilden ze Hem koning maken, maar verlieten Hem toch. In de tweede crisis huldigden ze Hem als koning, maar verwierpen Hem toch. In de derde crisis riepen ze ‘We hebben geen koning dat de keizer!’ (19:15). Hij is de Weg, maar wilden niet met Hem wandelen; Hij is de Waarheid, maar ze wilden Hem niet geloven; Hij is het Leven, maar ze doden Hem.

---------------------------------------------------------------------------------------

 Indeling van het Evangelie naar Johannes

I. Proloog (1:1-18)

II. Periode van bekendmaking

A. Christus en de discipelen (1:19-2:12)

B. Christus en de Joden (2:13-3:36)

C. Christus en de Samaritanen (4:1-54)

D. Christus en de joodse leiders (5:1-47)

E. Christus en de menigten (6:1-71)

Crisis nr. 1: Zij wilden met Hem niet wandelen (6:66-67)

III. Periode van conflicten

A. Strijd over Mozes (7:1-8:11)

B. Strijd over Abraham (8:12-59)

C. Strijd over Zijn Zoonschap (9:1-10:42)

D. Strijd over Zijn macht (11:1-12:11)

Crisis nr. 2: Ze geloofden Hem niet (12:12-50)

IV. Periode van hoogtepunten

A. Hoogtepunt i.v.m. de voorbereiding op de kruisiging (13:1-17:26)

B. Hoogtepunt van het ongeloof van de Joden (18:1-19:42)

Crisis nr. 3: Ze kruisigden Hem (19:13-22)

C. Hoogtepunt van het geloof van de discipelen (20:1-31)

V. Epiloog (21:1-25)

________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Zeven tekenen in het Evangelie naar Johannes

 

 

 

Inleiding 

Terwijl de eerste drie evangeliën grotendeels overeenkomen in het verhalen van de gebeurtenissen in het leven van de Here Jezus, verschilt Johannes daarin dat hij de geestelijke betekenis verstrekt. Hij gaat dieper en presenteert waarheden die in de andere evangeliën niet benadrukt worden. Bijvoorbeeld, alle vier de evangeliën vermelden de spijziging van de 5000, maar alleen Johannes vermeld de grote toespraak over het Brood des levens in Johannes 6, dat de betekenis van het wonder verklaart. Daarom gebruikt Johannes ook het woord ‘teken’ in plaats van ‘wonder’ want een teken is een wonder dat een boodschap in zich bergt. ‘Joden begeren tekenen’ (1Kor.1:22).

Christus in het evangelie naar Johannes.

Johannes benadrukt de Persoon van Christus en ook Zijn werk. Hij geeft meerdere boodschappen waarin Jezus over Zichzelf spreekt en Zijn opdracht verklaart. Merk op dat er zeven vermeldingen zijn met ‘Ik Ben’.

Ik ben het brood des Levens; Ik ben het Licht van de Wereld; Ik ben de Deur van de schapen; Ik ben de Goede Herder; In ben de Opstanding en het Leven; Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, en tenslotte Ik ben de Ware Wijnstok.

De tekenen in het evangelie naar Johannes.

Van de vele tekenen die de Here Jezus heeft gedaan, selecteert Johannes er zeven om Zijn Godheid te bewijzen. (Het achtste in hoofdstuk 21 was alleen voor de discipelen en vormde een afsluiting van het evangelie.) Deze zeven tekenen zijn in een bepaalde volgorde gegeven (merk op in 4:54, ‘dit tweede teken nu heeft Jezus weer gedaan’) en geven een beeld van de redding of verlossing.

De eerste drie tekenen laten zien hoe de zondaar de redding ontvangt:

1. Water verandert in wijn (2:1-11) – verlossing door het Woord

2. Genezing van de zoon van een hoveling (4:46-54) – verlossing door geloof

3. Genezing van de verlamde (5:1-9) – verlossing door genade

De laatste vier tekenen laten het resultaat of de gevolgen van die redding zien in het leven van de gelovige:

4. Spijziging van de vijfduizend (6:1-14) – verlossing geeft bevrediging

5. Het stillen van de storm (6:16-21) – verlossing geeft vrede

6. Genezing van de blinde (9:1-7) – verlossing brengt licht

7. Opwekking van Lazarus (11:38-45) – verlossing geeft leven

1. Water verandert in wijn - Verlossing door Gods Woord (2:1-11)

(1) De mensen hadden dorst, hetgeen een beeld moet zijn van deze wereld zonder Christus. De Bijbel nodigt dorstige zondaars uit om te komen en te drinken. (Joh.4:13, 7:37, Jes.55:1, Op. 22:17)

(2) Lege watervaten symboliseren het menselijk hart, leeg en hard. Het Woord van God vergelijkt het hart met vaten. (2Kor.4:7, 2Tim.2:20)

(3) Water is in de Bijbel een beeld van Gods Woord. (Ef. 5:26, Joh.15:3)

(4) Als het Woord in het hart van de zondaar geraakt, dan kan Christus een wonder werken en vreugde brengen. Filippus vulde de Ethiopiër met het Woord en toen hij tot geloof kwam, gebeurde het wonder van de redding, hij ging zijn weg met blijdschap. (Hand.8:39). In het OT werd water veranderd in bloed (Ex.7:19), wat spreekt van oordeel. Maar Christus veranderde water in wijn, wat spreekt van genade en vreugde. Wijn symboliseert de Heilige Geest (Ef. 5:18) en de vreugde: ‘De wijnstok, die God en mensen vrolijk maakt’ (Ri.9:13, Ps.104:15).

2. Genezing van de zoon van de hoveling – Verlossing door geloof (4:46-54)

Dit is het tweede van de zeven wonderen in Johannes. Deze tekenen laten zien hoe een persoon gered wordt en gevolgen daarvan daarna. De eerste twee tekenen hadden plaats in Kana in Galilea. Het water dat werd veranderd in wijn laat zien dat de redding door het Woord is. De genezing van de zoon in dit hoofdstuk laat ons zien dat de behoudenis door het geloof is. De zoon lag stervend in Kapernaüm, ongeveer 24 KM. van Kana. De man vroeg Christus met hem mee te komen want hij geloofde niet dat Hij op een afstand kon genezen. (vgl. Ook Maria’s reactie in Joh.11:21). Jezus ging niet met de man mee, maar zei tegen hem: ‘Ga heen, uw zoon leeft’. En de man geloofde het woord dat Jezus tot hem zei. Voor de man had een tocht naar het huis slechts drie uur of vier uur gekost, maar vers 52 (gisteren) geeft weer dat hij verder in Kana bleef. De jongen was om een uur ’s middags genezen, en de volgende dag kwam de vader thuis. Dit bewijst dat hij echt geloof had in het woord van Christus, want hij haastte zich niet naar huis om te zien wat er gebeurd was. Dit is de weg waardoor wij gered zijn, door ons geloof te baseren op Gods Woord. ‘Christus zegt het, ik geloof het, dat geeft zekerheid!’ De hoveling bleef kennelijk in Kana, deed zijn zaken, en ging de volgende dag naar huis. Hij had ‘blijdschap en vrede in het geloof’ (Rom.15:13) want hij vertrouwde alleen op het woord van Christus. Hij was niet verrast als zijn knechten hem vertelden ‘Uw zoon leeft’. Hij vroeg slechts wanneer de genezing was ingetreden en verifieerde dat het het uur was dat Jezus tot hem gesproken had. Het resultaat: zijn gehele huis geloofde in de Heer. ‘Geloof komt door het horen en het horen door het Woord van God’ (Rom.10:17). Jezus geeft in vers 48 de reden waarom mensen niet geloven: zij wilden tekenen en wonderen zien (Joh.2:23). Houdt in gedachten dat de satan ook in staat is wonderen en tekenen te doen om te misleiden (2Thes.2:9-10). Als jouw geloof gebaseerd is op gevoelens, dromen, visioenen, stemmen, of iets dergelijks, dan ben je op gevaarlijk terrein. Het is het geloof in het Woord dat ons de zekerheid van het eeuwig leven kan geven (1Joh.5:9-13)

3. Genezing van een verlamde – Verlossing door genade (5:1-9)Dit wonder completeert de drie wonderen die laten zien hoe een persoon wordt gered. Het eerste (water in wijn) laat ons zien dat redding gebeurt door het Woord van God. De tweede (de genezing van de zoon van de hoveling) toont os dat de behoudenis is door het geloof. Dit derde wonder laat ons zien dat redding is door genade. Deze man was in een meelijwekkende toestand. Vanwege zijn zonde in het verleden (zie vs.14) was hij getroffen door deze ziekte, meer dan achtendertig jaar. Hij was omringd door dezelfde soort mensen, die allen de droevige toestand tonen van de verlorenen: krachteloos (Rom.5:6), blind, kreupel (niet in staat om goed te wandelen - Ef.2:1-3), verlamd, en wachtend tot er iets zou gebeuren (zonder hoop – Ef.2:12). Als deze mensen in het water gingen als de engel kwam, zouden ze genezen worden; maar ze hadden geen kracht om er te geraken! Dat gelijkt op de zondaar van vandaag; als zij Gods volmaakte Wet zouden kunnen houden, zou hij gered kunnen worden; maar daartoe is hij niet in staat. Maar zie de genade van God aan het werk! ‘Bethesda’ (vs.2) betekend ‘huis van genade’, en dat is het voor die man geworden. Wat betekent genade eigenlijk? Het betekend goedheid voor hen die het niet verdienen. Jezus zag de menigte zieke mensen – maar Hij koos er maar één uit en genas hem! Deze man verdiende het niet meer dan de anderen, maar God koos hem uit. Dit is een mooi beeld van verlossing, en het moet ons nederig maken, wij die weten dat we uitverkoren zijn ‘in hem’ en dat niet vanwege onze eigen verdiensten maar door zijn genade (Ef.1:4). Wat Christus zegt in 5:21 wordt hier toegepast: Hij geeft leven aan wie Hij wil. We kunnen de genade van God niet verklaren (Rom.9:14-16), maar als het niet door Gods genade was, dan zou niemand gered kunnen worden (Rom.11:32-36).

Neem kennis van de volgende punten: Er waren vijf zuilengangen, en vijf is in de Bijbel het getal van genade; en de vijver was bij de Schaapspoort, wat duidt op een offer. Het Lam van God moest sterven voordat Gods genade naar de zondaar kon stromen. Christus genas hem op de sabbat, daardoor bewees Hij dat de wet niets te doen had met de genezing. Hij genas Zelf deze man, alleen in Christus is de redding. De man klaagde, ‘ik heb geen mens’ (vs.7), maar er waren wel mensen maar die konden hem niet helpen zoals Christus dat deed. De verloren zonder heeft geen hulp nodig, maar genezing. De man ging naar de tempel, vermoedelijk om te aanbidden (Hand.3:1-8), en getuigde openlijk dat Christus hem had genezen (vs.15). Er is geen bewijs dat deze man Jezus vertrouwde voor zijn eeuwig heil. Toe Jezus op de sabbat genas, betekende dat het begin van de haat en tegenstand van de religieuze leiders. Dit conflict groeide uit en leidde uiteindelijk tot de kruisiging van Christus.      

4. De spijziging van de vijfduizend – Verlossing geeft voldoening (6:1-14)

De eerste drie wonderen tonen hoe iemand wordt gered; door het Woord, door geloof en door genade. De laatste vier wonderen in het Johannes evangelie illustreren de resultaten van de redding. Het vierde wonder (de spijziging van de 5000) laat ons zien dat redding de innerlijke noden van het hart bevredigd, Jezus is het Brood van het Leven. Dit wonder herinnert ons er ook aan, dat hoewel de redding van God geschonken is uit genade, God mensen gebruikt om zijn evangelie te verkondigen. Jezus gaf het brood en de vis aan zijn discipelen, en zij deelden het met de mensen. ‘Hoe zullen zij horen zonder dat iemand predikt’ (Rom.10:14). Als, zoals de kleine jongen in Joh.6:9, willen wij Hem alles geven, Hij zal het nemen, breken, en het gebruiken om anderen te zegenen.

Christus is het Brood des levens. Het is interessant het manna te vergelijken met Christus.

(1) Het kwam ’s nachts van de hemel; Christus kwam van de hemel toen de mensen in de duisternis waren.

(2) Het geleek op de dauw; Christus kwam, geboren uit de Heilige Geest.

(3) Het was niet verontreinigt door de aarde; Christus was zondeloos en gescheiden van de zondaars.

(4) Het was klein, rond en wit, hetgeen Christus’ nederigheid, eeuwigheid en reinheid suggereert.

(5) Het was zoet om te proeven; Christus is liefelijk voor hen die in Hem geloven.

(6) Het moest genomen en gegeten worden; Christus moet ontvangen en toegeëigend worden (1:12-13)

(7) Het kwam als een vrije gift; Christus is de gift van God aan de wereld.

(8) Er was voldoende voor iedereen; Christus is voldoende voor allen.

(9) Als je het manna niet oppakte vertrapte je het; als je Christus niet aanvaard, verwerp je Hem en loopt ‘op’ Hem (Heb.10:26-31).

(10) Het was voedsel voor de woestijn; Christus is ons voedsel voor onze pelgrimsreis hier op aarde.

5. Het stillen de storm – Verlossing geeft vrede (6:16-21)

Jezus wilde geen Koning zijn van een groep van mensen die alleen maar geïnteresseerd waren in hoe hun maag gevuld zou kunnen worden (vs.26). Hij verliet de menigte en zond de discipelen over de zee, wel wetende dat ze in een storm terecht zouden komen. Dat lijkt op de kerk van vandaag: we spannen ons in om de stormen van satan tegen te gaan, maar de Heer is op de berg om voor ons te bidden en eens zal Hij komen om vrede te brengen. Het schip kwam op een wonderlijke manier aan de andere kant toen Jezus aan boord kwam. Redding brengt vrede in het hart – vrede met God (Rom.5:1) en de vrede van God (Fil.4:4-7).

6. Genezing van de blinde – Verlossing geeft licht (9:1-7)

A. De man had de karakteristieken van een verloren zondaar:

(1) Hij was blind (Ef.4:18 Joh.3:3 2 Kort.4:3-6) niet gered, alhoewel intellectueel zoals Nicodemus, kunnen ongelovigen nooit de geestelijke zaken verstaan. (1Kor.2:14-16)

(2) Hij bedelde. De niet geredden zijn arm vanuit Gods punt gezien, alhoewel ze misschien rijk zijn in de ogen van de wereld. Ze bedelen voor iets dat hun diepste noden kan bevredigen.

(3) Hij was hulpeloos

B. Het middel toont hoe Jezus een zondaar redt.

(4) Hij kwam tot de man in genade.

(5) Hij trok de aandacht van de man door zijn ogen met slijk te bestrijken

(6) Hij genas de man door zijn macht

(7) Daardoor werd God verheerlijkt

(8) Het werd door anderen opgemerkt.

7. Opwekking van Lazarus – Verlossing geeft leven (11:38-45)

Hier zien we de redding uitgebeeld in de opstanding uit de dood, en het ontvangen van het leven. Het woord leven is zesendertig keer vermeld in dit evangelie. Lazarus representeert de redding van de zondaar op zeven verschillende manieren, die we elk zullen bezien.

1. Hij was dood.

De niet geredde persoon is niet slechts ziek; hij of zij is geestelijk dood (Ef.2:1-3, Kol.2:13). Als iemand lichamelijk dood is, heeft hij geen reactie op dingen zoals voedsel, temperatuur of pijn. De niet geredde mens heeft geen interesse voor God, Bijbel, Christenen en kerk, totdat de Heilige Geest in zijn hart begint te werken. God waarschuwde Adam dat ongehoorzaamheid de dood zou betekenen (Gen.2:15-17) – psychisch dood (scheiding van de ziel van het lichaam) en geestelijk dood (de scheiding van de ziel van God). Openbaring 20:14 noemt dat de tweede dood, dat is de eeuwige dood.

2. Hij was in verval geraakt

Er worden drie opwekkingen vermeld in de evangeliën, naast die van de Heer zelf. Christus wekte een twaalfjarig meisje op die gestorven was (Luk.8:49-56), een jonge man die al enige uren gestorven was (Luk.7:11-17), en een oudere man die al vier dagen in zijn graf lag (Joh.11). Zij presenteren een beeld van drie verschillende soorten zondaars:

1. Het kleine meisje: Kinderen zijn zondaars, maar het verderf heeft nog niet plaatsgevonden.

2. De jonge man: Jonge mensen zijn zondaars waar de zonde zich begint te openbaren.

3. De oudere man: Volwassenen zijn zondaars wiens zonde duidelijk kan worden gezien.

Het punt is dat ze alle drie dood waren, de een niet meer dan de ander. Het enige verschil lag in de mate van ‘verderf’.

1. Hij werd opgewekt en ontving leven 11:41-44

2. Hij werd vrijgemaakt 11:44

3. Hij getuigde naar anderen11:45

4. Hij had gemeenschap met Christus 12:1-2

5. Hij werd vervolgd 12:10-11

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Genezing van een blindgeborene

Johannes 9

 

 

 

‘Groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus’ (2 Petrus 3:18)

Inleiding

De eerste drie evangeliën komen grotendeels overeen in de weergave van de gebeurtenissen in het leven van de Here Jezus. Het evangelie naar Johannes wijkt daarvan af door er ook de geestelijke betekenis aan te verbinden. Bijvoorbeeld, alle vier de evangeliën vermelden de spijziging van de 5000, maar alleen Johannes verbindt daarmee de grote toespraak over het Brood des levens in Johannes 6, dat de betekenis van het wonder verklaart. Daarom gebruikt Johannes ook het woord ‘teken’ in plaats van ‘wonder’ want een teken is een wonder dat een boodschap in zich bergt. ‘Joden begeren tekenen’ (1Kor.1:22). Van de vele tekenen die de Here Jezus heeft gedaan, selecteert Johannes er zeven om Zijn Godheid te bewijzen. (Het achtste in hoofdstuk 21 was alleen voor de discipelen en vormde een afsluiting van het evangelie.) Deze zeven tekenen zijn in een bepaalde volgorde gegeven (zie: 4:54, ‘dit tweede teken nu heeft Jezus weer gedaan’) en geven een beeld van de redding of verlossing. Wanneer we de zeven gelijkenissen de revue laten passeren dan kunnen we een bepaalde geestelijke volgorde ontdekken.

De eerste drie tekenen laten zien hoe de zondaar de redding ontvangt:

1. Water verandert in wijn (2:1-11) – verlossing door het Woord

2. Genezing van de zoon van een hoveling (4:46-54) – verlossing door geloof

3. Genezing van de verlamde (5:1-9) – verlossing door genade

De laatste vier tekenen laten het resultaat of de gevolgen van die redding zien in het leven van de gelovige:

4. De spijziging van de vijfduizend (6:1-14) – verlossing geeft bevrediging

5. Het stillen van de storm (6:16-21) – verlossing geeft vrede

6. Genezing van de blinde (9:1-7) – verlossing brengt licht

7. Opwekking van Lazarus (11:38-45) – verlossing geeft leven

1. Blindgeboren

‘Tenzij iemand opnieuw geboren wordt kan hij het koninkrijk van God niet zien’ (Joh.3:3)

Blindheid is een groot handicap en gaat gepaard met veel praktische problemen voor hen die daaraan lijden. Nog een grotere handicap is echter geestelijke blindheid, omdat dat gevolgen met zich meebrengt die zich niet beperken tot deze wereld en dit aardse leven maar zich voor de eeuwige bestemming van de mens. De blindgeborene in dit gedeelte van de Schrift is dan ook een goed voorbeeld van elk mens die geboren wordt. Want in zekere zin worden we allemaal blind geboren, ik bedoel geestelijk blind! Dat blijkt duidelijk wanneer de Heer Jezus Nicodemus confronteerd met geestelijke waarheden zoals de wedergeboorte (Joh.3:1-12). Van de Joden, en Nicodemus was er zo een, zegt de apostel Paulus, dat ‘er een bedekking op hun hart ligt bij het lezen van het oude testament, een bedekking die alleen door Christus te niet gedaan kan worden’ (2Kor.3:15-14). Die ‘blindheid’ was de oorzaak dat Nicodemus, de leraar van Israël (!) niet begreep toen Deze hem over de wedergeboorte sprak. Maar Paulus zegt ook dat de volken ‘verduisterd zijn in hun verstand zijn, en vreemd aan het leven van God’ (Ef.4 :18). Die ‘blindheid’ geldt voor alle mensen: ‘Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God’ (Rom.3:23). Maar we moeten niet vergeten te vermelden dat we ook te maken hebben met de duivel, de god van deze eeuw, die probeert dat de mensen in de duisternis blijven! ‘Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan; in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evnagelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen’ (2Kor.4:3-4). De genezing van de blindgeboren, van wie de naam niet is vermeld, is dan ook een prachtig beeld van de zondaar die door Christus uit zijn duisternis bevrijdt wordt. Hij, maar elke zondaar, was blind, arm (hij bedelde) en kon zichzelf niet helpen, en had hulp nodig om uit zijn duisternis getrokken te worden en overgebracht te worden in het koninkrijk van de Zoon (Kol.1:13). De vraag van de discipelen, die vroegen wie het was die gezondigd had, de blinde of zijn ouders (vs.2), is daarmee beantwoordt.

2. Genezing

‘Ik ben het licht der wereld, wie in Mij geloofd wandelt niet meer in de duisternis’ (Joh.8:12)

De hulp die de blindgeborene nodig had om hem uit zijn duisternis te bevrijden, was nabij en kwam in de persoon van de Heer Jezus, wie anders? Van eeuwigheid af is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend, dus moet het wel Iemand zijn die door God gezonden is (vs.32). Woorden die de blindgeborenen na zijn genezing zei tegen de farizeeën. Tegen alle joodse gebruiken in genas Jezus de blindgeborene, wat Hem uiterst kwalijk werd genomen door de farizeeën, die daaruit de conclusie trokken ‘dat deze mens niet van God is! (vs.14, 16). Maar de Heer Jezus bewees genade en maakte duidelijk dat de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Daarom is de Zoon des mensen Heer ook van de sabbat (Mark.2:23-28). Dit ‘overtreden’ van het sabbatgebod door de Heer Jezus bracht de farizeeën iedere keer in het verweer (Luk.14:1-6). Terwijl de discipelen zich afvroegen wat de oorzaak van de blindheid was, bewees de Heer Jezus genade.

Door het slijk dat de Heer Jezus op de ogen van de man aanbracht daagde Hij hem als het ware uit zich te gaan wassen. Het zal de blingeborene zeker geïirriteerd hebben, zoals het ook voor veel mensen irritant is om met Gods Woord geconfronteerd te worden (Hand.2:37). Jezus genas de man door zijn kracht, dat bleek toen de blinden Hem gehoorzaamde en zich ging wassen in de vijver Siloam en werd verlost van zijn blindheid (Heb.5:9). Zoals door de Heer Jezus gezegd was deze ziekte ter verheelijking van God (9:3), zoals we dat ook tegenkomen bij de ziekte en opwekking van Lazarus, de broer van Maria en Martha. Tegen hen zei de Heer Jezus : ‘Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de heerlijkheid van God, opde Zoon van God er door wordt verheerlijkt’ (Joh.11:14)

3. Groei

‘Wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk vrucht draagt en groeit in de kennis van God’ (Kol.1:10)

Eenmaal genezen van zijn blindheid zien we een opmerkelijke groei bij de blindgeborene, en is dat niet vaak zo wanneer iemand tot geloof komt? Was de Bijbel eerst een gesloten boek, nadat iemand door geloof en bekering, de heilige Geest heeft ontvangen, merken we vaak een grote honger naar Gods Woord en daardoor een geweldige groei in korte tijd! (1Petr.2:2). Denk maar aan de apostelen die gedurende veertig dagen Jezus hadden gezien en met hen had gesproken over de dingen die het koninkrijk van God betreffen’ (Hand.1:3). Hij werd maar niet moe om zijn getuigenis te geven, eerst aan zijn buren, de farizeeërs, (zelfs twee keer vs.27) en uiteraard zijn ouders (9 :8, 13, 18). Wie hem had genezen, was het wat ze hem vroegen, ‘de mens die Jezus heet’ was zijn eerste antwoord 9 :11). In zijn antwoord aan de farizeeën zien dat hij al wat meer over Jezus zegt: ‘Hij is een profeet!’ (9 :18). Even later wanneer hij voor de tweede keer gehoord wordt door de farizeeën gaat hij nog dieper op zijn Genezer is en zegt : ‘Als Deze niet an God was…’ (9:33). Maar de climax in het benoemen van Jezus bereikt hij in het gesprek dat hij heeft met Hem en als antwoord op Jezus’ vraag ‘Gelooft u in de Zoon des mensen’ belijdt hij ‘Ik geloof, Heer en Hij aanbad Hem (9:36-38). Spreuken 4 :18 zegt: ‘Maar het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag’, en de juistheid van dit vers bewijst de blindgeborene! De blindgeboren was in aanraking geweest met de Heer Jezus, het Licht van de wereld’ ; hij was blind geweest maar nu kon hij zien, dat was zijn getuigenis (9 :25)! Jezus kon zeggen : ‘Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben’ (8:12). Een gelovige is iemand die ‘licht’ in zijn  hart heeft (2Kor.4:6) en is een licht in de wereld mag zijn (Mat.5:14). Hij wandelt in het licht (1Joh.1:7) en brengt vruchten van het licht voort (Ef.5:8-9).

4. Tegenstand

‘De Joden waren al overeengekomen dat, als iemand Hem als Christus beleed, hij uit de synagoge zou worden gebannen’ (vs. 22).

De farizeeën waren snel in het veroordelen van iemand dat zien we in deze geschiedenis duidelijk geïllusteerd, maar ook later in het boek Handelingen (bv. Hand.23:1-3). We hebben een machtige tegenstander die er op uit is het werk van God tegen te staan en de gelovigen aan te klagen (Zach.3:1). En hoewel we weten dat de Heer Jezus Overwinnaar is en de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd heeft (Kol.2:15, zien we nú nog niet alles aan Hem onderworpen (Heb.2:8). Als u het nieuwe testament leest dan wordt u op praktisch elke bladzijde met die werkelijkheid geconfrondteerd! 

Ook in de geschiedenis van de genezeing van de blingeborene zien we een ongehoorde vijandschap. In plaats van blij te zijn met de blinde die nu kon zien, kleineren en werpen ze hem de tempel uit! Ook de ouders zouden hetzelfde zijn ondergaan, daarom zeiden ze tegen de farizeeën: ‘Hij is volwassen, vraagt het hemzelf’ (9:23). De Heer Jezus had tegen zijn discipelen gezegd dat de blinde niet gezondigd had, nog zijn ouders (9:3), de farizeeën waren van oordeel: ‘U bent geheel in zonden geboren’ (9:34). Dat was op zich niet onjuist, maar dat waren ze zelf ook, er is namelijk niemand die goed is allen hebben gezondigd! (Ps.51:7; Rom.3:23). De farizeeën zeiden: ‘Deze mens is niet van God’, de blinden getuigde: ‘Als Deze niet van God was, zou hij helemaal niets kunnen doen’ (9:16, 33). Ze noemden Jezus zelfs een zondaar, terwijl Jezus daarvoor hen gevraagd had: ‘Wie van u overtuigd Mij van zonde? 8:46).   Ook waren ze niet bereid te luisteren (vs. 27) en gingen uit van hun eigen gelijk, ook toen de blindgeborene hen de dwaasheid van hun redenering (9:30-33). Hetzelfde licht dat de ene persoon uit de duisternis leidt, kan een ander verblinden (9:39-44). De farizeeën beweerden zij konden zien, en waren daarom schuldig omdat ze het getuigenis van de man die genezing was negeerden. Het evangelie brengt verschillende reakties bij de mensen naar boven, de blinde ontvangt de waarheid en wordt ziende; hen die van zichzelf vertrouwden dat ze rechtvaardig waren (Luk.18:9vv.) verwierpen de waarheid en werden daardoor nog meer blind dan dat ze al waren.

5. Heerlijkheid

‘Maar wij zien Jezus gezeten aan de rechterhand van God met heerlijkheid en eer gekroond’ (Heb.2:9; 10:12:9)

Zoals gezegd de blindgeborene werd de tempel uitgezet, maar werd opgevangen door de Heer Jezus, Die hem opzocht (9:34-35). Hij ging uit buiten de legerplaats, zijn smaad dragend (Heb.13:14), maar had nergens beter terecht kunnen komen dan in de nabijheid van de Vorst des levens, het Licht van de wereld! De man had de religie ingeleverd voor een relatie! En daar maakte de Heer Jezus Zichzelf aan hem bekend als de Zoon des Mensen. De Heer Jezus openbaard zijn heerlijkheid aan Gods kinderen en niet aan de wereld, ook niet de religieuze wereld! Dat brengt de blindgeboren tot er kenning en aanbidding (9:38)! We hebben juist gezien wat die religieuze wereld met Christus heeft gedaan en nog doet. En daarmee wordt dit hoofdstuk afgesloten, namelijk met de woorden: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zouden zien, en die zien, blind worden’. En op de vraag van de farizeeën: ‘zijn wij soms ook blind’, kan de Heer allen maar zeggen: ‘Als u blind was zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde’ (9:40-41). ‘Deze dingen zijn voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kleine kinderen geopenbaard (Mat.11:25). De blindgeborene die nu genezen was kon zijn weg met blijdschap en zou niet meer in de duisternis wandelen want hij had het Licht van de wereld leren kennen (Luk.8:12). En als hij nu om zich heen keen kon hij zien op Jezus, de overste leidsman en voleinder van het geloof, die om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God (Heb.12:2). Nee, de blindgeborene zag niet niet alles aan Hem onderworpen, en als er nog moeilijke momenten in zijn leven als gelovige zouden komen dan kon hij naar boven kijken maar hij Jezus kon zien zitten gekroond met heerlijkheid en eer! (Heb.2:9).

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 Vragend moeten wij vaak gaan

 

Joh. 11 en Gen. 37-50

 

 

 

‘Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan' (Joh.13:7).

 Inleiding

Er is een christelijk lied dat de volgende woorden bevat: ‘Moet ik vragend hier vaak gaan, boven zal ik ’t eens verstaan’ (Geestelijke Liederen 118). Deze woorden zijn mij altijd bijgebleven, en zeker in moeilijke tijden tot troost geweest. In ieders leven komen er gebeurtenissen voor waar we geen weg mee weten en waarvoor we geen antwoorden hebben. Waarom, waarom, waarom? Een eeuwenoude vraag!

Al in het Oude Testament vinden we dat, bijvoorbeeld bij Asaf, de schrijver van Psalm 73, wanneer hij zegt naar aanleiding van het raadsel van de voorspoed van de goddelozen: ‘ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen’ (vs.16). Het antwoord is te vinden in vs.17 waar hij zegt: 'ik kon het niet begrijpen, totdat ik in Gods heiligdommen inging', of om het met de woorden uit het bovenvermelde lied zeggen: ‘boven zal ik ‘t eens verstaan.’

Job is hét klassieke voorbeeld als we met vragen worstelen over lijden en tegenslag. Iemand heeft meer dan honderd vragen geteld in het boek Job, en de meeste zijn door hem zelf gesteld.

We willen twee voorbeelden uit de Bijbel nemen, een uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament, om te zien hoe gelovigen in andere tijden omgingen met zulke vragen.

Maria en Martha (zie: Joh. 11)

'Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag' (Joh. 11:17). De Heer Jezus was niet in Bethanië toen Hij het bericht van Maria en Martha ontving, dat hun broer, Lazarus, ziek was (Joh. 11:3). Wat is dat een enerverende week voor Maria en Martha geweest. Ze hadden nagedacht over het antwoord van de Heer Jezus en begrepen niet wat het betekende: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’ (Joh. 11:4). ‘Niet ten dode?’ Maar Lazarus was gestorven! Hoe kon God hierdoor verheerlijkt worden?

De boodschapper moet er ook door van in de war zijn geraakt. Hoe blij moet hij geweest zijn toen hij het antwoord van de Heer Jezus ontvangen had, en wat moet hij gerend hebben om de zusters het goede nieuws te brengen! Maar toen hij in Bethanië aankwam, ontdekte hij dat hun broer al gestorven was! Hij gaf het antwoord van de Heer Jezus door aan de zusters, maar vroeg zich waarschijnlijk af wat het betekende. Het ging niet zoals het zou moeten! En hij was de enige niet, ook Thomas maakte, door wat hij tegen zijn medediscipelen zei, duidelijk dat hij het ook niet begreep. ‘Thomas dan, genaamd Didymus, zeide: Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’ (Joh. 11:16). En Martha doet er nog een schepje bovenop door tegen de Heer Jezus te zeggen: ‘Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn’ (Joh. 11:21). Toch kwam er even later een ongelofelijke wending in de zaak toen de Heer Jezus Lazarus opwekte uit de dood!

‘Mijn tijden zijn in uw hand’, schreef David in Psalm 31:16, en er is geen beter tijdschema dan dat. We begrijpen misschien nú niet alles wat God zegt of doet, maar eens zal het ons duidelijk worden. En daarom komt hier het geloof om de hoek kijken. Als we kunnen vertrouwen op Gods Woord en wachten op zijn tijd, dat weten we dat alle dingen meewerken ten goede. Leg jouw tijden in zijn hand. En denk eraan, 'Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd' (Pred. 3:11).

‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’ (Joh. 13:7).

2. Jozef (zie: Gen. 37-50)

Een van de meest mooie en aangrijpende gebeurtenissen vinden we terug in het leven van Jozef. Van de kant van de mens gezien werd hij door zijn broers gehaat, verworpen en verkocht naar Egypte. Van de kant van God zien we het heel anders, want we lezen in Psalm 105:16-17: ‘Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een man voor hen uit.’ De mens wikt en God beschikt!

De vraag is: wat heeft Jozef daar van geweten? Hij zal toch zeker de eerste tijd met veel vragen hebben geworsteld? En wat heeft die onzekerheid met hem gedaan? Uit de beschrijving van zijn leven zien we dat hij een opmerkelijk stabiel geloofsleven heeft geleid. We hoeven maar te denken aan de tijd dat hij bij Potifar in huis diende en verzocht werd door diens vrouw. Ook toen hield hij rekening met God! Leest u maar: ‘Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef, en zij zeide: Kom bij mij liggen. Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer bemoeit zich, met mij naast zich, met niets van wat er in huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven; niemand is in dit huis machtiger dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God? En ofschoon zij dag aan dag tot Jozef sprak, voldeed hij niet aan haar wens bij haar te gaan liggen en omgang met haar te hebben’ (Gen. 39:7-10). Een voorbeeld voor veel jongeren vandaag de dag om ook rekening te houden met God en zich onbesmet van de wereld te bewaren en de begeerten van de jeugd te ontvluchten! (Jak. 1:27; 2 Tim. 2:22).

Toch moet Jozef in de verdere jaren in Egypte gegroeid zijn in de kennis en de genade van de Heer Jezus en het verstaan van de raad Gods (2 Petr.3:18), wanneer hij zegt, als hij zich aan zijn broeders bekend maakt, ‘Toen zeide Jozef tot zijn broeders: Komt toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zeide: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte’ (Gen. 45:4-8).

Ook hier vinden we weer die twee kanten wanneer we lezen ‘uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt’ en ‘Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God.’ Een schitterend voorbeeld waarin we de raad van God zien samenwerken met de (zondige) wegen van de mens. Na het sterven van Jakob troostte Jozef zijn broers nog eens met de woorden: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden.’

‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’ (Joh. 13:7).

Tenslotte

Bovenstaande voorbeelden illustreren voldoende dat Gods weg de beste is, en dat Hij zijn kinderen nooit onnodig leed zal doen overkomen. En mocht u eens in een situatie komen waarin u Gods handelen niet kunt volgen, dan mag u leven in de zekerheid dat u ‘het na dezen zult verstaan!’

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

Waarvoor de Heer Jezus gekomen is

Johannes 14

 

 

 

Inleiding

We kunnen het Johannes evangelie indelen naar het voorbeeld van de tabernakel in het OT in: (1) de voorhof, (2) heilige en (3) het heilige der heiligen. En als we die vergelijking maken, zien we dat de Here Jezus in de hoofdstukken 1–12 leert en spreekt tot alle mensen. We kunnen dat vergelijken met de voorhof in de tabernakel waar ook iedereen mocht komen. In de hoofdstukken 13-16 spreekt de Heer Jezus tot zijn discipelen, en dat gedeelte kunnen we vergelijken met het Heilige waar alleen de priesters mochten komen. En tenslotte spreekt Hij tot zijn Vader in de hoofdstukken 17-19, als de Hogepriester die alleen het Heilige der Heilige mocht betreden. De laatste hoofdstukken vormen dan de afsluiting van het evangelie en de overgang naar het boek Handelingen. Het is alsof Johannes, ‘de discipel die de Here Jezus liefhad’ en die aan zijn borst leunde, ook de diepste inzichten in de Persoon van de Here Jezus heeft ontvangen. Misschien dat daarom ook zijn evangelie het meest geliefd is.

Hoofdstuk 14 begint met de bekende woorden ‘Laat uw hart niet ontroerd worden’ en besluit met bijna dezelfde woorden ‘Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden’ (vs.27). Waarom zegt de Here Jezus dit? Wel daarvoor zijn drie oorzaken. (1) In het voorgaande hoofdstuk (vs.21) vinden we de voorzegging door de Heer Jezus wie Hem zou verraden; Judas zoals wij weten. (2) Als Judas dan is weggegaan zegt de Here Jezus tegen de discipelen in vers 33, dat Hij nog maar een korte tijd bij hen zal zijn en (3) als ‘klap op de vuurpijl’ voorzegt de Here Jezus dan ook nog de verloochening van Petrus! (vs.38). Niet bepaald opbeurende zaken voor de discipelen, vandaar dat de Heer Jezus hen wilde bemoedigen met één van zijn laatste boodschappen.

De Heer Jezus is gekomen om ons plaats te bereiden

‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Jh.17:24).

De Heer Jezus had het huis van de Vader verlaten en staat nu kort voor zijn terugkeer. Nog weinige dagen scheiden Hem van het weerzien met de Vader en de heerlijkheid die Hij had bij de vader had (Joh.17:5). Maar het belangrijkste werk waarvoor de Heer Jezus op aarde was gekomen lag nog vóór Hem, het kruis van Golgotha. Maar Hij kon nog niet zeggen: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Het grootste ‘werk’ moest nog volbracht worden, Hij was het Lam van God tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld (1 Petr.1:20). Het is zonder twijfel de moeilijkste periode in Jezus’ leven hier op aarde geweest ook omdat hij alle dingen van tevoren wist die zouden gaan gebeuren (Joh.6:64; 13:11). ‘En vóór het Paasfeest, toen Jezus wist, dat zijn ure gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde’ (Joh.13:1). De vreugde die voor Hem lag moet dan ook van bijzondere betekenis voor de Heer zijn geweest, want om die vreugde heeft Hij het kruis verdragen (Hebr.12:2). Stond die vreugde niet synoniem voor het terugkeren naar het huis van de Vader? Jezus had gezegd: ‘Ik ga u plaats bereiden’ Je kunt je afvragen voor wie heeft Jezus plaats bereid, voor wie is die belofte bedoeld? De Heer Jezus spreekt tot en over zijn discipelen, mensen die ‘alles achter zich hadden gelaten en Jezus waren gevolgd’ (Mat.19:27-28; Mark.10:28; Hand.9:2). In het gebed van de Heer Jezus tot de Vader vraagt de Heer Jezus: ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Joh.17:24). Wanneer zal die belofte van de Heer Jezus aan zijn discipelen in vervulling gaan? Wel de Heer zegt het zelf: ‘wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben’ (vs.3). Bij zijn wederkomst zal Hij ons brengen in het huis van de Vader en niet eerder. We dienen dan ook onderscheid te maken tussen het ‘paradijs’, waar de ontslapenen nú verblijven (Luk.23:43; 2 Kor.12:4) en het huis van de Vader. Bent u erbij?

De Heer Jezus is gekomen om ons de weg bekend te maken

‘Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh.14:6)

De uitspraak van de Heer Jezus: ‘En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg’ ontlokte bij Thomas de vraag: ‘Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? De Het antwoord van de Heer Jezus is meer dan duidelijk: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven’ (Joh.14:3-5). ‘De route is minder belangrijk als we maar weten dat de weg naar huis leidt’ is een spreuk uit het Zen-boedhisme. Dat is een halve waarheid of beter gezegd een onwaarheid. De weg is wel belangrijk omdat er maar één weg is en dat is Jezus Zelf! ‘En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden’ (Hand.4:12). ‘Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ (1 Tim.2:5-6). De behoudenis en het daarmee verbonden vooruitzicht op de hemel is niet te verkrijgen door goede werken, religieuze plechtigheden of door geld. Veel mensen willen op een door hun gekozen manier de hemel bereiken, maar, ‘soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.14:12). Ik denk dat Gods Woord duidelijke taal spreekt over de Weg ter redding. Op veel plaatsen in het Nieuwe Testament wordt de aandacht op Jezus gericht als het gaat om weg tot behoudenis.

De Heer Jezus is gekomen om ons de Vader te verklaren                     

‘Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:8).

Blijkt er iets van ongeloof en teleurstelling door in de woorden van de Heer Jezus wanneer hij tegen Filippus zegt: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus?’ (Joh.14:9). Wat was er niet allemaal gebeurt de achterliggende drie jaar? ‘Blinden waren ziende geworden, lammen wandelden, melaatsen waren gereinigd en doven hoorden en doden waren opgewekt en armen hadden het evangelie ontvangen’ (Mat.11:5). Er is over de Heer Jezus in het evangelie van Johannes een viervoudig getuigenis waaruit duidelijk blijkt dat Hij de Zoon van God, ja God Zelf is (Fil.2:5-8). We vinden dat in hoofdstuk 5:30-47: ‘Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.  Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar; een ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes gezonden en hij heeft van de waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet. Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben. Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt? Denkt niet, dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven?’

De apostel Johannes begint zijn evangelie met de woorden: ‘Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard (Jh1:18; 6:46). Verder leert het Nieuwe Testament ons dat de Heer Jezus ‘de uitstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen is’ (Hebr.1:3)  en ‘het beeld van (de onzichtbare) God’ (2 Kor.4:4; Kol.1:15). Thomas heeft het later begrepen toen hij tegen Jezus zei: ‘Mijn Here en mijn God!’ (Joh.20:28).

De Heer Jezus is gekomen om de Vader te verheerlijken

‘Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en zijn werk volbreng’ (Joh.4:34).

Bij zijn komen in de wereld had de Heer Jezus gezegd: ‘Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen’ (Hebr.10:6-7). In het evangelie naar Lukas ontdekken we dat de wet van Mozes en de profeten en de psalmen op Jezus betrekking hebben (Luk.24:27, 44). De Heer Jezus verweet de Joden niet dat zij de Schriften onderzochten, dat was goed, maar dat zij niet tot Hem wilden komen waarvan de Schriften getuigenis gaven (Joh.5:39-40). Iemand heeft eens gezegd: ‘Alléén door het lezen van de Bijbel kom je niet in de hemel’. Je moet Jezus Christus aannemen waarnaar de Schriften verwijzen; geen religie, maar relatie!. We lezen het Woord van God, om de God van het Woord te leren kennen. We lezen in de Psalmen: ‘Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste’ (Ps.40:9). Bij zijn komen in de wereld had de Heer Jezus gezegd: ‘Ik ben van de hemel neergedaald, niet opdat Ik mijn wil zou doen, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden’ (Joh.6:38) en nu, bij zijn gaan uit de wereld: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Zijn hele leven was het de Heer Jezus zijn verlangen om ’altijd dat te doen wat Hem (God) welbehaaglijk was’ (Joh.8:29). Laten we in gedachten Jezus volgen terwijl Hij afdaalt van de Olijfberg en Hem vinden in de hof van Getsemane. ‘Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Mat.26:39; Hebr.5:7,8). Geweldig hoever de Heer Jezus is gegaan in zijn verheerlijking van zijn God en Vader. ‘Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus’ (Hebr.10:10).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Worden als de Meester!’

 Johannes 15:1-17

 

 

 

Inleiding

Een mogelijke indeling van het evangelie naar Johannes, is naar het voorbeeld van de tabernakel in het Oude Testament. Hoofdstuk 1-12, waar de Heer Jezus tot alle mensen sprak, kun je gelijkstellen met de Voorhof, die toegankelijk was voor alle Israëlieten. In hoofdstuk 13-16 spreekt de Heer Jezus tot zijn discipelen en dat verwijst naar het Heilige, waar alleen de priesters mochten komen. Hoofdstuk 17 dan, waar de Heer Jezus spreekt tot zijn Vader, is te vergelijken met het Heilige der Heiligen, alleen toegankelijk voor de Hogepriester. De rest van het Evangelie is dan te lezen als een ‘nawoord’.

De hoofdstukken 13-16 kun je dan ook opvatten als ‘hoger onderwijs’ voor Jezus’ discipelen. In hoofdstuk dertien demonstreert de Heer Jezus zijn discipelen in de voetwassing hoe hun houding ten opzichte van elkaar dient te zijn. In het volgende hoofdstuk spreekt Hij dan over hun gemeenschappelijke toekomst in het Vaderhuis. En ten slotte, in hoofdstuk vijftien, de bekende gelijkenis van de Wijnstok en de ranken, waar we ons nu in willen verdiepen.

Meester en Slaven

‘Een discipel is niet boven zijn meester, en een slaaf niet boven zijn heer. Het is de discipel genoeg dat hij wordt als zijn meester, en de slaaf wordt als zijn heer’ (Mat.10:24-25) 

Toen de Heer Jezus zijn twaalf discipelen, die Hij ook apostelen noemde, tot zich riep en hen aanstelde, was dat met het doel dat zij bij Hem zouden zijn en Hij hen zou uitzenden om te preken (Mark.3:14). In het jodendom was de persoon van een leraar zeer belangrijk, niet alleen om wat hij leerde, maar ook wat zijn persoon betreft. Een leerling wilde zijn zoals de leraar. De apostel Paulus was opgevoed aan de voeten van Gamaliël (Hand.22:3) en omdat hij daarnaar verwijst moet dat voor hem wel belangrijk geweest zijn. Gamaliël was geëerd door het hele volk (Hand.5:34). Iets van die gedachte vinden we terug wanneer Paulus zegt: ‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1Kor.11:1).

Discipelschap begint bij het leren kennen van de Meester. Dat is dan ook de reden dat de Heer Jezus zijn twaalf apostelen bij Zich wilde hebben, opdat ze zouden leren Wie Hij is. Wanneer bij ons het verlangen ontstaat om aan anderen het evangelie te brengen, dan moeten we begrijpen dat onze dienst begint bij het leren kennen van de Opdrachtgever, want Hij is zachtmoedig en nederig van hart (Mat.11:29). Vandaar dat er staat: ‘dat zij bij Hem zouden zijn, opdat Hij hen zou (kunnen) uitzenden opdat ze het evangelie van het koninkrijk zouden verkondigen’ (Mark.3:14). Want in de gezindheid waarmee de Heer Jezus de mensen zag en Zich tot hen wendde, dienen ook wij Hem te volgen. ‘Want laat die gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was…’ (Fil.2:5). ‘Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben’ (Mat.9:36). Vandaar het verlangen van de apostel Paulus ‘om Hem te kennen’ (Fil.3:10). Helaas moest de Heer Jezus tegen Filippus zeggen: ‘Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend?’ (Joh.14:9). Hoe staat het met onze kennis van de Heer Jezus?

Ranken en Vruchten

‘Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht.’ (Joh.15:5)

Het is duidelijk dat je verbonden moet zijn met de Heer om vrucht te kunnen voortbrengen, want ‘zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Joh.15:5). Maar wat verstaat u onder ‘vrucht’? Veel gelovigen denken dan onmiddellijk aan het brengen van het evangelie aan anderen opdat die tot geloof komen, en dan zien ze dat als een vrucht, wat op zich niet verkeerd is. Zo spreekt ook Paulus ervan wanneer hij aan de gelovigen te Rome schrijft dat hij zich dikwijls had voorgenomen hen te bezoeken, om ook onder hen enige vrucht te hebben (Rom.1:13). Maar dat is niet alles, er is meer!

Vruchten kunnen ook uw praktische heiliging zijn (Rom.6:22), de verandering van uw gezindheid als vrucht van de Geest (Gal.5:22), vrucht dragen in alle goed werk (Kol.1:10) en ook uw lofprijs aan God als een vrucht van de lippen (Heb.13:15). Dus laat u zich niet beperken!

In veel gelijkenissen verwijst de Heer Jezus naar wat we in de schepping kunnen waarnemen, zo ook wat betreft het dragen van vrucht door een rank die verbonden is met een wijnstok. Wanneer een plant vrucht voortbrengt, dan mag je ervan uitgaan dat er leven is en ook dat de wortels een gezonde activiteit hebben (Ps.1:3). Maar ook dient de rank zo af en toe gereinigd of gesnoeid te worden om meer of veel vrucht te kunnen voortbrengen. Vrucht voortbrengen geschiedt geleidelijk, zoals we dat ook in de natuur zien, en het komt niet door inspanning. Voorwaarde is dat de rank verbonden blijft met de wijnstok! Vrucht voortbrengen is het uiteindelijke doel van een gelovige, want de Heer heeft ons gesteld opdat we heengaan en vrucht dragen voor God (Rom.7:4). Vruchten die ontstaan, zijn bestemd voor God en anderen. Maar centraal staat het woord ‘Wie in Mij blijft’, daar staat of valt uw hele leven als gelovige mee.

Discipelen en Geboden

‘Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult mijn discipelen zijn’ (Joh.15:8) 

Discipelschap begint dus niet met het aanschaffen van een boekje over dat onderwerp, of het volgen van een cursus, maar komt voort uit je relatie met de Heer. Om die relatie te onderhouden en verder te ontwikkelen, is het Woord van God van fundamenteel belang. Door het Woord zijn we immers wedergeboren en het dient voor onze groei als gelovige (1Petr.1:23; 2:2). Psalm 119 is een lofzang op het Woord van God; elk vers, op vijf na, verwijst ernaar in veel verschillende benamingen. Iemand heeft eens gezegd als commentaar bij vers 11, dat Gods Woord het ‘beste boek op de beste plaats met de beste bedoeling’ is. Maar dat niet alleen. Het liefhebben van Gods Woord is een bewijs van uw liefde voor God. Want: ‘Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft’ (Joh.14:21) en ‘Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren’ (Joh.14:23). Om in die liefde te blijven is het bewaren van Gods geboden een voorwaarde (Joh.15:10). Bewaren wil zeggen: het Woord een plaats geven in je leven, toepassen en naleven. Dit wordt duidelijk gemaakt in de gelijkenis van de wijze en de dwaze man: ‘Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg? Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u laten zien aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan een man die een huis bouwde: hij groef en diepte uit en legde het fundament op de rots. Toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet doen wankelen, want het was op de rots gefundeerd. Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een man die een huis bouwde op de aarde zonder fundament. Toen de waterstroom ertegenaan sloeg, stortte het meteen in, en de val van dat huis was groot’ (Lk.6:46-49). Kunt u met David zeggen: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag’ (Ps.119:97)?

Vrienden en Geheimen

‘U bent mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied’ (Joh.15:15)

Rank, discipel, vriend, daaraan kunnen we geestelijke groei bespeuren. Groeien door het Woord is groeien in de kennis en de genade van de Heer Jezus Christus (2Petr.3:18). Wie heeft, ontvangt meer. ‘Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert wat de elementen van het begin van de uitspraken van God zijn, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een klein kind; maar het vaste voedsel is voor volwassenen, die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel het goede als het kwade te onderscheiden’ (Hebr.5:12-14).

Van Mozes lezen we dat de Here met hem sprak ‘van aangezicht tot aangezicht, zoals een man sprak met zijn vriend’ (Ex.33:11), en Abraham, van wie de Here dacht: ‘Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen’ (Gen.18:17), werd een vriend van God genoemd (Jak.2:23). Tegen vrienden zeg je dingen die je niet tegen een ander zou kunnen zeggen. Dat kan soms niet mogelijk zijn omdat het geestelijk niveau laag is van een gelovige en daardoor vaak ook de belangstelling in het Woord van God. ‘En met vele zulke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen; maar zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen, maar afzonderlijk verklaarde Hij alles aan zijn eigen discipelen’ (Mark.4:33-34). Vooral zij die ‘als pasgeboren kinderen verlangen naar het Woord’ (1Petr.2:2) hebben daarmee een goudmijn waarin je kan delven zonder eind. ‘Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord bekend gemaakt heb’ (vs.15). Gedurende zijn verblijf op aarde heeft de Heer al ‘dingen uitgesproken die van de grondlegging van de wereld af verborgen waren geweest’ (Mat.13:35), maar ook door de arbeid van de apostel Paulus zijn we verder ingelicht over allerlei verborgenheden (Rom.11:25; Ef.5:22; 1Kor.15:51). Bent u erin geïnteresseerd? De heilige Geest wil u daarin helpen en zal u alles in herinnering brengen wat de Heer heeft gezegd en zal u in de hele waarheid leiden en de toekomstige dingen verkondigen (Joh.14:26; 16:13).

 

_______________________________________________________________

Excursen*

In het kader van dit artikel was het niet mogelijk om aan twee onderwerpen in het lopende verhaal uitleg te geven, daarom zal ik ze hieronder afzonderlijk kort behandelen.

Kan een gelovige verloren gaan?

‘Als iemand niet in Mij blijft wordt hij buitengeworpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij verbranden’ (Joh.15:6)

Het is niet toegelaten om op grond van deze gelijkenis een leer te ontwikkelen waardoor zou blijken dat een gelovige verloren zou kunnen gaan. Daarin gaat men voorbij aan het doel van een gelijkenis. Hier gaat het over het dragen van vrucht door een discipel van de Heer. Het zou immers ook in tegenspraak zijn met eerdere woorden van de Heer zoals: ‘Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen’ en ‘Mijn schapen horen mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit mijn hand’ (Joh.6:37 en 10:27-30). Maar ook het verdere onderwijs van de Schrift leert niet dat een wedergeboren persoon verloren kan gaan. Niets of niemand kan ons scheiden van de liefde van Christus! (Rom.8:39).

Gebed

‘Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen’ (Joh.15:7)

Als u al wat langer als gelovige op weg bent, weet u dat niet alles wat wij bidden wordt verhoord zoals wij wensen. Gebed schept verwachtingen en die komen niet altijd overeen met Gods wil. Het voorwerp of onderwerp van gebed dient overwogen te worden in het licht van geheel Gods Woord alvorens het bij God bekend te maken. Bijvoorbeeld, we kunnen verkeerd bidden (Jak.4:3). Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde. Het thema van dit artikel was ‘Worden als de Meester’ en dat geldt ook voor het gebed. De Heer Jezus was zeer bescheiden in het vragen om dingen aan zijn Vader. Bij zijn gevangenneming in Gethsémané zou Hij hebben kunnen bidden om twaalf legioenen engelen die Hem terzijde zouden staan, maar Hij heeft dat niet gedaan (Mat.26:53). De Heer Jezus bezat niets om zijn hoofd neer te leggen (Mat.8:20) en ook wij moeten leren tevreden te zijn met wat God ons toebedeelt (Fil.4:11; 1Tim.6:6,8; Hebr.13:5). De weinige keren dat de Heer Jezus iets wilde, was het ter verheerlijking van God (Joh.17:24). Mag dat ook voor onze gebeden zo zijn! Vergeet niet dat wij al rijkelijk gezegend zijn met allerlei geestelijke zegeningen! (1Kor.1:5-7; Ef.1:3).

 *Een excurs is een passage buiten het hoofdthema van de tekst om.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Petrus tussen twee vuren’

Johannes 18:18 en 21:9

 

 

Inleiding

De persoon van de apostel Petrus spreekt echt wel tot ieders verbeelding, maar hoe zou dat komen? Misschien wel omdat we van hem zo veel in onszelf terugvinden? Is het zijn enthousiasme, zijn vaak krachtdadige uitspraken, of zijn het meer de tragische gebeurtenissen in Petrus’ leven die ons aanspreken? Hij had niet alleen het hart op de tong, maar ook op de juiste plaats; je wist wat je aan hem had! In zijn toewijding aan de Heer wilde hij zijn leven voor de Heer afleggen (Joh.13:38) en was hij zelfs bereid met Hem te sterven en Hem niet te verloochenen (Mat.26:35). In zijn ijver voor de Heer overschatte hij zichzelf toen hij tegen de Heer zei: ‘Al zullen allen over U ten val komen, Ik zal nooit ten val komen’ (Mat.26:33). Toch zou Petrus de Heer tot driemaal toe verloochenen (Mark.14:72) en ontkennen dat hij een discipel van de Heer was (Mark.14:71). Hij ging soms onbezonnen te werk, zoals toen hij met een zwaard het rechteroor van de slaaf van de hogepriester afsloeg tijdens de arrestatie van de Heer Jezus (Joh.18:10-11). Hij bedacht niet altijd de dingen van God en reageerde daarom soms niet juist (Mat.16:23; Kol.3:1-2). Maar naast die tragische momenten die zich in Petrus’ leven voordeden, zijn er ook heel mooie uitspraken van hem in de Schrift vermeld die getuigen van zijn grote liefde voor de Heer Jezus. Waren die er niet geweest, dan hadden we misschien een vertekend beeld van hem overgehouden. Op de ‘uitnodiging’ van de Heer Jezus om mee te gaan met hen die niet meer met Hem wilden wandelen, reageerde Petrus met de onvergetelijke woorden: ‘Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven’ (Joh.6:68). En op de vraag van de Heer: ‘Wie zegt u dat Ik ben?’ antwoordde Simon Petrus: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mat.16:16). Redenen genoeg om ons te verdiepen in wat er gebeurde ‘tussen de twee vuren’, maar voordat we dat doen gaan willen we eerst eens zien hoe Petrus een discipel van de Heer Jezus is geworden.

Petrus’ roeping - Lukas 5

‘Bekering is een beslissing die een proces inleidt’

Petrus’ bekering had plaatsgevonden doordat zijn broer Andreas hem tot de Heer Jezus had geleid (Joh.1:42). Deze ontmoeting was een beslissing voor Petrus om vanaf dat moment niet meer te leven naar de begeerten van de mensen, maar om de overige tijd niet meer in het vlees te leven, maar naar de wil van God (1Petr.4:2). Dat nieuwe leven, naar de wil van God, kreeg zijn aanvang toen hij geroepen werd tot een fulltime dienst tijdens die wonderbaarlijke visvangst op het meer van Gennézareth (Luk.5:10-11). Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes hadden de Heer Jezus al een jaar eerder ontmoet (Joh.1:35-42), hadden Hem voor een korte tijd gevolgd, en waren daarna teruggegaan naar hun oude beroep. In Lukas 5:11 roept de Heer Jezus zijn discipelen op om alles te verlaten en Hem te volgen. Het is mogelijk dat zeven van de discipelen vissers waren (Joh.21:2) en wellicht was dat niet zonder reden. Vissers weten hoe ze samen moeten werken, ze geven niet vlug op, ze zijn moedige en harde werkers. Dat zijn uitmuntende en noodzakelijke kwaliteiten voor discipelen van de Heer, zoals later zou blijken tijdens de verspreiding van het Evangelie na de hemelvaart van de Heer, want dat ging niet altijd zo gemakkelijk. We lezen dat de discipelen de netten aan het wassen waren voor een volgende vangst, nadat ze de hele nacht zich hadden ingespannen en niets hadden gevangen (Luk.5:5). Hierdoor toonden ze hun volharding, die ze nodig zouden hebben in hun latere dienst als ‘vissers van mensen’!

Ook hier vinden we Petrus weer als woordvoerder van de andere discipelen. Op het voorstel van de Heer Jezus om naar de diepte te varen en daar hun netten uit te werpen, antwoordde Petrus: ‘Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen’. Zo geschiedde en zij vingen een grote massa vissen, zodat de beide schepen bijna zonken. Hier toonde Petrus zich op zijn best door aan de knieën van de Heer Jezus te vallen, te erkennen dat hij een zondig mens was en daardoor Jezus de eer voor deze grote vangst te geven. Als succes je nederig maakt, dan beurt een nederlaag je op. Als succes je ‘opblaast’, dan zal een nederlaag je onderuithalen.

Dat was het begin van Petrus’ loopbaan als apostel voor de besnedenen (Gal.2:7), die begon aan het meer van Gennézareth en eindigde in Rome, zoals we weten. Door geloof liet Petrus alles achter en volgde de Heer. De latere belofte van Petrus dat hij bereid was vóór en mét de Heer te sterven, kwam tot vervulling. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jonger was, gordde jij jezelf en wandelde je heen waar jij wilde; maar wanneer je oud zult zijn, zul je je handen uitstrekken en een ander zal je gorden en je brengen waarheen je niet wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor een dood hij God zou verheerlijken. En nadat Hij dit had gezegd, zei Hij tot hem: Volg Mij!’ (Joh.21:18-19). Tot dusver had Petrus levende vissen gevangen die stierven en als voedsel dienden, nu zou hij dode vissen - zondaars - vangen, die zouden leven!

Petrus’ uitspraken

‘Om met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven’ (Hand.11:23).

Petrus, die eens aan de knieën van de Heer Jezus had gelegen, verwijderde zich steeds meer van Hem. Was hij zich dat bewust? Zoals reeds vermeld, is de bekering een daad die leidt tot een proces, namelijk het proces van geestelijke groei. Christus moet gestalte in u en mij krijgen, Hij moet meer en ik moet minder worden; niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij! En dat proces verloopt meestal niet zo gemakkelijk, we hoeven maar te denken aan de gelijkenis van de zaaier en het zaad (Mark.4:1-20). Petrus heeft dat goed begrepen, want hij maant de gelovigen later in zijn leven aan om ‘op te groeien in de genade en kennis van de Heer Jezus’ (2Petr.3:18). Waarom zegt hij dat? Tegen planten hoef je niet te zeggen dat ze moeten groeien, dat doen ze gewoon. Bij mensen moet dat echter wel, omdat wijzelf de groei kunnen bevorderen of vertragen, afhankelijk van onze geestelijke houding. Daardoor kan het door onze foute houding gebeuren dat we de gemeenschap met de Heer Jezus verstoren.

Maar toch, Petrus, die ooit tegen de Heer Jezus de woorden gesproken had ‘Ook al moest ik met U sterven, ik zal U geenszins verloochenen’ en ‘Al zullen allen over U ten val komen, ik zal nooit ten val komen’, moest al erg snel ervaren dat hij deze woorden niet waar kon maken. Petrus verwijderde zich geleidelijk aan steeds meer van de Heer Jezus. Toen Petrus door de Heer Jezus geroepen werd, had Hij gezegd: ‘Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’ (Mat.4:19). Maar het duurde niet lang of Petrus liep vooraan; beter gezegd, hij liep de Heer Jezus vóór de voeten. De Heer moest tegen hem zeggen: ‘Ga weg, achter Mij!’ (Mat.16:23). Ziet u de verwijdering aankomen? Jezus had Petrus geroepen om achter Hem aan te lopen (Mat.4:19, maar nu liep hij voor de Heer (Mat.16:23)) en later volgde hij de Heer vanuit de verte (Mat.26:58), waarna de verloochening volgde.

Hoe is het met onze relatie met de Heer gesteld? Allerlei zaken kunnen aanleiding zijn of worden om ons van de Heer te verwijderen, waardoor we onszelf en de Heer te kort doen. Dat is de les van Petrus’ verwijdering; laten we ze ter harte nemen.

Petrus’ verloochening - het eerste kolenvuur

‘En Petrus zat samen met de dienaren zich te warmen bij het vuur’ (Mark.14:54).

Wanneer je zit in de kring van spotters (Ps.1:1), mag je ervan uitgaan dat je meegesleept wordt in het verkeerde. Door bemiddeling van Johannes verkreeg Petrus toegang tot het voorhof waar de Heer Jezus naartoe was gebracht (Joh.18:15-18) en daar vervoegde hij zich niet bij de Heer, maar bij de anderen. Het onvermijdelijke gebeurde, te midden van de slaven en de dienaars verloochende Petrus de Heer driemaal (Luk.22:17,25,26). Hoe was het zover gekomen? Jakobus leert ons dat de zonde niet zomaar uit de lucht komt vallen, maar dat er trappen van verval zijn. ‘Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt. Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood’ (Jak.1:14-15).

Er zijn een aantal gebeurtenissen aan te wijzen die hebben geleid tot Petrus’ verloochening van de Heer. Toen de Heer Jezus in gebed was in de hof van Gethsemane: ‘Vader niet mijn wil, maar Uw wil geschiede’, lag Petrus te slapen (Mark.14:37). Hij was dus niet op de hoogte van de naderende gebeurtenissen. Petrus had al eerder op een belangrijk moment in zijn leven geslapen, namelijk op de berg der verheerlijking (Luk.9:32), en in het boek Handelingen vinden we hem slapende in de gevangenis, maar daar als een heel andere Petrus en als bewijs van zijn vertrouwen in God. Petrus had een te groot zelfvertrouwen. ‘Heer, ik ben bereid met U zelfs in de gevangenis en in de dood te gaan’, had hij gezegd (Luk.22:33). Petrus had nog niet geleerd dat hij ‘zonder de Heer niets kon doen’ (Joh.15:5) en kende zijn eigen zwakheid niet. Hij kreeg vrees voor mensen op het moment dat hij zijn eerdere uitspraak, nl. dat hij bereid was met de Heer in de gevangenis te gaan, waar had kunnen maken. ‘Vrees voor mensen spant een strik’ (Spr.29:2

In Lukas 22:54-62 lezen we het aangrijpend relaas over hoe Petrus zijn Heer verloochende. Daar liet Petrus de Heer Jezus in de kou staan, want ‘de slaven en dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen; en ook Petrus stond zich bij hen te warmen’ (Joh.18:18). Aangrijpend is echter de reactie van de Heer Jezus op zijn verloochening: ‘De Heer keerde Zich om en keek Petrus aan (Luk.22:61); en Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En toen de haan kraaide herinnerde Petrus zich het woord van de Heer’. Eén blik van de Heer Jezus was voldoende om Petrus tot berouw te brengen, want ‘hij ging naar buiten en weende bitter’ (Luk.22:62).

Petrus’ herstel – het tweede kolenvuur

‘Toen zij dan aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur’ (Joh.21:9).

Hoofdstuk 20:30-31 vormt de eigenlijke afsluiting van het Johannesevangelie, en het lijkt vreemd dat Johannes het eenentwintigste hoofdstuk er nog aan toevoegt. Er zijn daarvoor drie redenen. Ten eerste, er waren geruchten dat de discipel Johannes niet sterven zou (21:23) en door deze ‘toevoeging’ werden deze geruchten ontkracht. Ten tweede laat het ons zien dat de Here Jezus meerdere keren verscheen aan de discipelen om hen voor te bereiden op de komst van de heilige Geest (zie: Hand.1:2-3). Ten derde moest er een openlijk herstel plaatsvinden van Petrus, die de Heer Jezus verloochend had, een herstel waarvan iedereen op de hoogte was, omdat hij daarna zo’n belangrijke plaats zou gaan innemen, waarvan we kunnen lezen in het boek Handelingen.

Persoonlijk en openbaar herstel

De roeping van Petrus vond plaats bij het meer, maar ook zijn herstel. Petrus had de Heer Jezus verloochend bij een kolenvuur en hier aan het meer van Gennézareth wordt hij hersteld, ook bij een kolenvuur! Is het niet vreemd dat Petrus zonder enig voorbehoud naar de Heer Jezus gaat, alsof er niets gebeurd is!? (Joh.21:7). Er zijn goede redenen om aan te nemen dat, op grond van een aantal Schriftplaatsen, er al een eerdere ontmoeting tussen de Heer Jezus en Petrus heeft plaatsgevonden, waarbij de dingen die verkeerd waren gegaan uitgesproken zijn geweest. We lezen immers dat de Heer Jezus eerst aan Petrus was verschenen (Luk.24:34; Mark.16:7; 1Kor.15:5). Als dat juist is, dan had er vergeving plaatsgevonden en wandelde Petrus opnieuw in het licht; de verbroken gemeenschap was hersteld. Maar er moest nog iets worden rechtgezet, want de andere discipelen wisten natuurlijk wat er voorgevallen was en zouden zich vragen hebben kunnen stellen. Vandaar dat we in het verdere gedeelte van hoofdstuk 21 het openbaar herstel van Petrus vinden. De Heer herstelt Petrus daar in het openbaar en ter bevestiging geeft hij hem de opdracht de lammeren te weiden en de schapen te hoeden.

Ten slotte

Eén zaak die we natuurlijk ook niet mogen vergeten, is dat de Heer voor Petrus gebeden heeft! ‘Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden!’ (Luk.22:32). Dat gebed heeft zeker aan Petrus’ herstel bijgedragen. Dat mag elke gelovige die in een soortgelijke situatie komt, tot troost en bemoediging zijn. ‘Christus Jezus is het die gestorven is, ja nog meer, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt’ (Rom.8:34).

______________________________________________________________