Het leven van de aartsvader Jakob

 

 

 

Het leven van de aartsvader Jakob

 

 

 

 

1. Jakob in Kanaän - deel 1 - Genesis 27-28:9

2. Jakob in Haran - deel 2 - Genesis 28:10-31

3. Jakob terug naar Kanaän - deel 3 - Genesis 32-33

4. Jakob in Egypte - deel 4 - Genesis 45-50 

5. Inleiding: Jakobs leven in vier periodes 

6. Acht begrafenissen - Gen.35-48

7. Laatste woorden van Jakob

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

 Jakob in Kanaän

Deel 1

Jakob op de vlucht

Genesis 27-28:9

 

Inleiding

‘Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ (Gal.6:7)

Uit de eerste verzen van hoofdstuk 27 krijgen we een beeld voor ogen van Isaak als van een uitgeblust en apathisch persoon. ‘Toen Isaak oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zeide tot hem: Hier ben ik. En hij zeide: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet’ (27:1-2). En zo dacht Esau er ook over: ‘De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande’ (27:41). Het is goed om voorbereidingen te treffen voordat je sterft (2Kon.20:1), maar Isaak zou hierna nog 43 jaar leven. Misschien dacht Isaak aan zijn dood omdat zijn broer Ismaël ook gestorven was; hij was honderdzevenendertig geworden (25:17).

Uit het feit dat hij Esau roept om een ‘smakelijk gerecht’ voor hem klaar te maken blijkt nogmaals zijn voorkeur voor deze zoon. Verder lijkt het er op dat Isaak meer belangstelling heeft in de dingen van ‘beneden’ dan in de ‘dingen’ die van boven zijn. Verder lezen we in deze hoofdstukken hoe Jakob, geholpen door zijn moeder, wordt gezegend wordt door Isaak. Esau is daardoor geërgerd en zint erop zijn broer te doden. Jakob vlucht daarop naar Haran waar de broer van zijn moeder verblijft om een vrouw te zoeken. Esau, op zijn beurt, gaat naar de broer van zijn vader en neemt zich daar nog een vrouw.

Het gezinsleven

Het was een dag zoals elk ander, maar deze dag zou grote veranderingen brengen in het gezin van Isaak en Rebecca; het gezin zou elkaar vallen! Een dag om nooit te vergeten…! Bij het lezen van deze twee hoofdstukken van het boek Genesis krijg je de indruk dat tussen Isaak en Rebecca een verwijdering was opgetreden. De eenheid die er in het begin van het huwelijk was en die gezien werd in het samen bidden voor een kind, ontbreekt hier. Het is hier meer tegen elkaar dan vóór elkaar of naast elkaar. Je hebt twee mogelijkheden in een huwelijk: je groeit naar elkaar toe of je groeit uit elkaar. De oorzaak weten we niet of het moet zo zijn dat met het ouder worden ook de karaktereigenschappen van beiden meer aan het licht kwamen. In het begin van hun huwelijk lezen we al van de voorkeuren van Isaak en Rebecca voor respectievelijk Jakob en Esau. ‘En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief’ (25:28). Rebecca toont zich hier de actieve, die grote invloed uitoefent op Jakob om de zegen te krijgen in plaats van Esau. Die inspanningen had ze zich kunnen getroosten, of was ze vergeten wat God eerder tegen haar gezegd had? (25:23). Tot driemaal toe lezen we dat Rebecca Jakob een opdracht geeft (27:8,13,42). Zo wordt duidelijk dat er tussen Isaak en Rebecca totaal geen communicatie aanwezig was en dat ze naast elkaar aan hun eigen plannen werkten. Rebecca wordt hierna niet meer genoemd in de Bijbel, met uitzondering van de vermelding waar ze ligt begraven: ‘Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Isaak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven’ (49:31). Hoe en waar ze gestorven is vermeld Gods Woord niet. Helaas hebben Jakob en zijn moeder Rebecca elkaar nooit meer teruggezien… Jakob en Esau vinden we nog één keer samen terug aan het graf van hun vader Isaak (35:29).

Jakob ontfutseld Esau het eerstgeboorterecht (27:29-34)

‘Muren hebben oren’ en hier waren de ‘oren’ Rebecca, die op de hoogte kwam van de plannen van Isaak, die tegen beter weten is Esau wilde zegenen in plaats van Jakob zoals de Here geboden voorzegt had en waarvan Isaak zeker van op de hoogte moet zijn geweest. Wat zou u nog willen doen voordat u zou sterven? De Bijbel lezen, samenkomen met de familie om God te prijzen en loven? Isaak wilde graag nog een keer lekker eten! Dat gaf Rebecca gelegenheid om op dat verlangen in te spelen zodat Isaak de Zegen zou ontvangen en niet de ongoddelijke Esau. Esau die twee Hethietische vrouwen had genomen tot ergernis van zijn ouders. Het blijft een raadsel waarom Rebecca haar man Isaak niet met zijn verkeerde beslissing geconfronteerd heeft. Haar plan werkte en Jakob kreeg de zegen. Beiden Isaak en Rebecca kenden de gedachten van de Here betreffende Jakob, maar Isaak wilde daaraan geen gehoor geven en Rebecca dacht dat ze God een handje moest helpen om Jakob de zegen te doen beërven. ‘Want dit is het woord van de belofte: Rond deze tijd zal Ik komen, en dan zal Sara een zoon hebben. En dit niet alleen, maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man, namelijk Izak, onze vader. Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden – opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept – werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen. Zoals geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat’ (Rom.9:9-13; Mal.1:3).

Eerder hebben we gelezen dat Ezau zijn eerstgeboorterecht heeft veracht (25:29-34) en ‘verkocht’ voor een linzengerecht, maar hij schrikt wakker wanneer hij hoort dat de daarbij behorende zegen ook aan zijn neus voorbijgaat door de list van Rebecca en Jakob. ‘Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht, want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor berouw, hoewel hij die met tranen zocht’ (Heb.12:16-17). Berouw ja, maar geen echte bekering. Hij vond het verlies van het eerstgeboorterecht en de zegen spijtig, maar hij had geen berouw over wat hij had gedaan. Ezau’s tranen konden Isaaks daad niet meer ongedaan maken. De gevolgen waren dramatisch voor elk van de betrokkenen zoals we nog zullen zien.

Jakob bedriegt zijn vader Isaak (27:18-29)

Jakob’s naam kan betekenen ‘hij houdt de hiel vast’ of ‘bedrieger’ (vs.36). Die laatste betekenis hoort helemaal thuis bij zijn handelen met zijn vader in deze verzen. Jakob stapelt de ene leugen op de andere. ‘Ik ben Esau’ was de eerste leugen tegenover zijn vader. ‘Uw eerstgeborenen’ was de tweede, gevolgd door ‘ik heb gedaan, zoals gij tot mij gesproken hebt’. Isaak was verbaasd en zei tot zijn zoon: Wat hebt gij het spoedig gevonden, mijn zoon! En hij zeide: Omdat de Here, uw God, mij deed slagen. ‘De Here, uw God’ zo zou Esau het gezegd hebben; niet ‘mijn God’ want hij was een ongoddelijke! Jakob spreekt zoals Esau gesproken zou hebben. Maar God had Jakob helemaal niet laten slagen, maar Rebecca! ‘Toen zeide Isaak tot Jakob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad mijn zoon Esau zijt of niet. Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaak, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. Jakob had die vraag al verwacht want hij op aanraden van zijn moeder maar die had de vellen van de geitebokjes over zijn handen en over zijn gladde hals getrokken (vs.16). Dat er toch nog twijfel bestond blijkt uit de volgende vraag van Isaak: ‘Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zeide: Ja’ (27:24). Toen ging Isaak eten van het wildbraad van zijn zoon, maar dat was geen wildbraad maar een gerecht van geitenbokjes. Rebecca moet een goede kokkin zijn geweest om het vlees van geitenbokjes gelijk te doen smaken als wildbraad. Het bedrog was compleet. Isaak bedroog zijn vader, Rebecca haar man! Maar al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaald haar wel! Jakob heeft zijn voeten nog niet gelicht of Ezau komt bij Isaak en het bedrog wordt ontdekt.

Jakob wordt met de dood bedreigd en vlucht (27:41-28:9)

Niet alleen Isaak, ook Esau voelt zich bedrogen door zijn broer: ‘Noemt men hem niet terecht Jakob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen’ (27:36). ‘En Esau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide bij zichzelf: De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jakob doden’ (27:41). Rebecca was op de hoogte van zijn plannen en raadde Jakob aan te vluchten, en zo gebeurde het. Jakob werd een eenzame vluchteling, gedwongen om zijn huis te verlaten. Ook al vertrok hij met de zegen van zijn vader (en Isaak wist toen wat hij deed), toch stond hem een onbekende toekomst te wachten. Hij zou twintig jaar weg blijven. Geen bemoedigend begin voor een nieuw hoofdstuk in zijn leven! Maar God had nog steeds de touwtjes in handen (Rom.8:28).

De zegen van Jakob en Esau

De zegen van Jakob

‘God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volken zullen u dienen, en natiën zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend’ (27:28-29).

Deze zegen sluit wat eerder tot Abraham is gezegd (Gen.12:1-3) en sluit ook aan bij hetgeen vermeld is in 17:6 ‘Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen’. Deze zegen wordt door Jakob later gegeven aan Juda. ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Deze zegen kon natuurlijk niet bestemd zijn voor de goddeloze Esau!

De zegen van Esau

‘Zie, ver van de vette streken der aarde zal uw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels van boven. Maar van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen. En het zal geschieden, wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk van uw hals zult afrukken’ (27:39-40) 

De Edomieten, de nakomelingen van Esau, zouden leven in een minder vruchtbaar land dan Palestina. Evenals Ismaël (16:12) zou ook Esau leven van het zwaard, en in onderworpenheid aan zijn broeder. Edom is het tegenwoordige Jordanië (32:3-5: 36:1). De Edomieten zijn altijd vijandig gebleven tegenover de nakomelingen van Jakob en namen elke gelegenheid te baat om hen te benadelen. Dit wordt voortdurend door de profeten vermeld (Jer.49:7-22; Ez.25:12-14; Amos 1:11-12; Ob.1:10-14). Tijdens de aanval van Babel op Jeruzalem waren de Edomieten bij moedigden de aanval aan. ‘Reken, o Here, de kinderen Edoms de dag van Jeruzalem toe; hun die zeiden: Breekt af, breekt af, tot op de grond ermee! (Ps.137:7). Jeremia profeteerde dat ze gestraft zouden worden voor de zonde tegen hun broeder (Klaagl.4:21). ‘Verblijd en verheug u maar, gij dochter van Edom, gij, die woont in het land Us – ook tot u zal de beker komen, gij zult dronken worden en u ontbloten.’

Tenslotte

Isaak en Rebecca hun rol in Gods geschiedenis is beëindigd en ze verdwijnen van het podium om plaats te maken voor de geschiedenis van Jakob. We komen niet meer te weten hoe het huwelijksleven van Isaak en Rebecca verder is verlopen; we weten zelfs niet wanneer Rebecca is gestorven. Hoe hebben ze hun huwelijk zelf ervaren, terugkijkend op de achter hun liggende jaren? Zijn ze geestelijk weer dichter bij elkaar gekomen naarmate ze ouder werden? We zullen het niet te weten komen, God heeft het niet nodig geacht ons daarover in te lichten (Joh.20:30-31). Hoe goed het huwelijk ook was begonnen (24) het bleek geen garantie voor een goed einde. Aan elk huwelijk dient ‘gewerkt’ te worden en dat ‘tot de dood ons scheidt’! Maar laten we hen niet te hard oordelen, want hoe zal ons huwelijk eindigen?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Jakob in Haran

Deel 2

Genesis 28:10 - 30:24

 

‘Een vagebond heeft geen huis, een vreemdeling is weg van huis, een pelgrim is op weg naar huis, een vluchteling loopt weg huis’

 

Inleidend overzicht van Jakobs verblijf bij Laban (Gen.29-31)

‘Zo zond Isaak Jakob weg’ (Gen.28:5), maar in Hosea 12:13 lezen we iets anders: ‘Jakob vluchtte naar het veld van Aram.’ Jakob is nu los van zijn familie en vooral van zijn moeder, en zal moeten leren op eigen benen te staan. Jakob is een vluchteling geworden, maar God laat hem niet in de steek. Hij verschijnt aan Jakob in Bethel (‘huis Gods’) aan de top van een ladder die de hemel met de aarde verbindt en waarlangs engelen opklimmen en neerdalen (vgl. Joh.1:51). God maakt hem geen verwijten, maar belooft hem te bewaren en te zegenen.

Jakob komt in Mesopotamië aan bij zijn oom Laban en wordt onmiddellijk verliefd op diens jongste dochter Rachel. Om haar als vrouw te ontvangen, zal hij zeven jaar bij Laban moeten werken (vgl. Hos.12:13). De bedrieger Jakob ervaart nu zelf wat bedrog is, want als de vereiste tijd voorbij is, krijgt hij niet Rachel maar haar oudere zuster Lea tot vrouw. Als troost geeft Laban hem direct daarna ook Rachel, maar daarvoor moet Jakob nog eens zeven jaar voor Laban werken. Beide vrouwen krijgen van hun vader ook nog een slavin cadeau; Rachel heeft Bilha als slavin en Lea Zilpa. Omdat Lea de onbeminde is, geeft de Here haar het eerste kinderen. Zij baart achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. De jaloerse Rachel ziet dat zij onvruchtbaar blijft en wil daarom kinderen hebben via haar slavin Bilha. Bilha schenkt het leven aan Dan en Naftali. Lea, die intussen ook geen kinderen meer krijgt, doet nu hetzelfde met haar slavin Zilpa, en deze baart aan Jakob Gad en Aser. Daarna baart Lea zelf nog Issaschar en Zebulon en ook haar dochter Dina. Eindelijk verhoort God ook Rachels gebeden, en brengt deze haar zoon Jozef ter wereld. Vanwege Jakobs liefde voor Rachel wordt Jozef zijn lievelingszoon, die later in feite ook het eerstgeboorterecht ontvangt (vgl. Gen.49:26; Deut.33:16). Met de hier nog ontbrekende zoon van Rachel – Benjamin - zijn dit de twaalf stamvaders van Israël, menselijk gezien de vrucht van de ruzies van twee vrouwen. Maar in de naamgeving van hun zonen zien we ook geloof bij deze vrouwen.

Toen Jozef geboren werd wil Jakob wel terug naar Kanaän. Maar eerst moet Laban tegen wil en dank (maar in Gods voorzienigheid) Jakob rijk maken, en dan is het de Here die Jakob aanspoort naar huis te gaan. Ook in Genesis 30 en 31 zien we hoe Gods wegen en Jakobs listen op eigenaardige wijze vervlochten zijn. Jakobs trucs helpen niet werkelijk: de ware hulp komt van God. Onder alle bedrog van Laban blijft Jakob echter geduldig, en dat wijst erop dat hij Gods tucht over hem erkend heeft: wie bedrog doet, bedrog ontmoet. Maar dan komt -  na twintig jaar! - eindelijk weer Gods stem tot Jakob en deze gaat maar al te graag terug naar zijn land. Maar omdat hij nog steeds weinig vertrouwen in God heeft, gaat hij stiekem weg en haalt zich zo de woede van Laban op de hals. Laban is woedend over de vlucht van Jakob en over de diefstal van zijn huisgoden (waaraan Rachel schuldig is, maar dat blijft verborgen). God komt echter voor Jakob tussenbeide en Jakob en Laban sluiten zelfs een verbond.

Chronologie

Jakob was geen jonge man meer toen hij naar Haran vluchtte. Hij was op zijn minst zevenenzeventig jaar. In Genesis 47:9 zegt Jakob tot Farao, dat toen hij naar Egypte ging: ‘Het getal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd en dertig’. Jozef was zeventien toen hij naar Egypte verkocht werd en dertig toen hij aan Farao werd voorgesteld (41:46). Voeg daarbij dertien jaar, de zeven jaar van overvloed en twee jaar van hongersnood, dat maakt dat Jozef ongeveer negenendertig jaar moet zijn geweest toen Jakob naar Egypte kwam. Dat betekend dat Jakob eenennegentig jaar was toen Jozef geboren werd, en Genesis 30:25-26 geeft aan dat toen Jozef geboren was, Jakob al veertien jaar gediend had voor zijn vrouwen. Dat maakt dat Jakob zevenenzeventig jaar was toen hij naar zijn oom Laban ging in Haran.

Jakobs droom te Betel (28:10-22)

God is zeven keer aan Jakob verschenen (31:3, 11-13; 32:1-2; 32:24-30; 35:1, 9-13; 46:1-4). Visoenen gescheiden van het Woord van God kunnen misleiden, daarom sprak God tot Jakob om hem te verzekeren van de juistheid van het visioen. Een mens wordt niet behouden door visioenen of engelen maar door het Woord van God. De eerste verschijning van was aan het begin van Jakobs reis naar Haran. Dit moet voor hem, die eigenlijk op de vlucht was voor zijn broer die hem wilde doden, een grote bemoediging zijn geweest. Die nacht deed Jakob verschillende ontdekkingen, die ertoe bijdroegen zijn leven te veranderen. Hij ontdekte dat God met hem was en voor hem aan het werk was, en een volmaakt plan voor zijn leven had. Jakob mocht dan gescheiden zijn van zijn huis, hij was niet gescheiden van de hemel (Joh.1:52). Gods engelen zelf zorgden voor hem (Heb.1:14). ‘Als de nacht het donkerst is, zie je de sterren op hun helderst.’

Bij het ontwaken begon Jakob zijn dag met God te aanbidden en zijn harde hoofdkussen te veranderen in een heilig altaar. Hij gaf de plaats een nieuwe naam: ‘Huis van God’. Elke plaats waar God ons tegemoet treedt, wordt een heiligdom. Jakobs geloof was nog maar zwak, maar hij greep zich vast aan Gods beloften, ook al schuilt er iets van ‘loven en bieden’ in zijn gelofte om God de tienden te geven. Jakob maakte een nieuw begin, en twintig jaar laten zou hij als een meer gerijpt gelovige naar Bethel terugkeren

De belofte aan Abraham gedaan (Gen.12) en die aan Isaak herhaald werd (Gen.26:4), wordt hier aan Jakob gegeven. ‘En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ 28:13-14). Zo gaat Jakob op weg naar Haran met Gods belofte en Zijn persoonlijke aanwezigheid (vs.15) en doet een gelofte: ‘En indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die ik ga, mij zal geven brood om te eten en klederen om aan te trekken, en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer, dan zal de Here mij tot een God zijn. En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven. Persoonlijk geef ik de voorkeur om aan het begin van deze belofte niet te lezen ‘als God met mij zal zijn’ maar ‘omdat God met mij zal zijn.’

Jakobs dienst voor Labans dochters (29-30:24)

Jakob verbleef ongeveer twintig jaar bij zijn oom Laban, een tijd waar hij, door moeilijkheden en tegenslagen heen, geestelijk werd voorbereid en gevormd voor zijn verdere leven.

Onder Gods voorzienigheid kwam Jakob terecht bij de herders van Laban maar voordat zij, op vraag van Jakob, Laban van zijn komst konden inlichten, verscheen Rachel, de dochter van Laban, ten tonele. Jakob was op slag verliefd op haar. Het eerste wat hij deed was de herders weg sturen zodat hij met Rachel alleen zou zijn. Let op hoe Jakob zich voor haar uitsloofde; hij wentelde de steen van de put en drenkte haar vee, waarna hij haar kuste en weende. Was het een welkomstkus, weende hij om meelij op te wekken? In ieder geval hij liep nogal hard van stapel! Hij werd hartelijk welkom geheten in het huis van Laban. Jakob ‘vertelde dit alles aan Laban’ (vs.13). Ook hoe hij zijn broer en vader bedrogen had? Na een maand werd Jakob het aanbod gedaan als knecht bij Laban in dienst te komen en omdat er ook iets tegenover zou moeten staan vroeg Laban wat Jakob verlangde waarop Jakob zei: ‘Ik u zeven jaren dienen om uw jongste dochter Rachel, en die zeven jaren waren in zijn ogen als enkele dagen omdat hij haar liefhad’ (29:16,20). Zo werd de erfgenaam een knecht. Maar de ‘bedrieger’ werd bedrogen! In plaats van zijn geliefde Rachel gaf Laban hem haar zuster Lea en als bijvrouw Zilpa, want zei Laban: ‘Zo doet men niet hier ter plaatse, dat men de jongste ten huwelijk geeft vóór de eerstgeborene. Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor de dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult. En Jakob deed zo; hij bracht de bruiloftsweek met haar ten einde; daarop gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha, haar tot een slavin. (Jakob) kwam ook tot Rachel, en hij had Rachel lief, in tegenstelling met Lea. Aldus diende hij bij hem nog eens zeven jaren‘ (29:26-30). Jakob had zijn vader Isaak voorgelogen door te zeggen dat hij de eerstgeborene was (27:19), nu wordt hij zelf door de eerstgeborene bedrogen (29:26).

De rest van hoofdstuk 29 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 30 gaat over de kinderen die Jakob kreeg bij zijn vrouwen. Tenslotte kreeg ook Rachel, die geen kinderen kreeg, toch een kind Jozef die een belangrijke plaats in het leven van Jakob zou innemen.

Jakob verwerft zijn kudde (30:25-43)

Nu Jozef geboren was en Jakob Laban veertien jaar had gediend wilde hij naar zijn thuisland. Hij wilde op eigen benen staan en zijn gezin onderhouden maar daar moest hij ook financieel in staat zijn. Jakob was die veertien jaar waarin hij Laban gediend had voor zijn vrouwen tot een zegen geweest. Nu was hij ook nog bereid om hem te dienen om voor zijn eigen huis te werken. Voor deze dienst wilde Jakob niet werken op de condities die Laban wilde; hij had met zijn oom nu voldoende ervaring op dat gebied opgedaan. Jakob zou weer de kuddes van zijn oom weiden en alles wat zwart is onder de schapen, en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten zou zijn eigendom worden. In de manier waarop Jakob met de kudden omging opdat er zwarte en gespikkelde dieren zouden komen was de hand van God (31:7,9). ‘Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit, en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels’ (30:43), waardoor Jakob in staat was om zijn familie te onderhouden. Deze handelswijze zette kwaad bloed bij Laban waardoor de noodzaak ontstaan was dat hij afscheid moest nemen zoals we in het vervolg zullen zien.

 

Jakobs verbond met Laban (31:22-55)

 

Er waren een aantal redenen te noemen waarom Jakob weg wilde. De verhouding met Laban was niet optimaal: ‘Het gezicht van Laban, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren’ (31:2). Hij wilde zich zelfstandig maken en wonen met zijn gezin, en hij moest zijn eerder gedan belofte inlossen (28:20-22). Maar ook was er de opdracht van God om te vertrekken (31:3).

 

De manier waarop Jakob vertrok was verre van netjes en daarin herkennen we het ware karakter van Jakob. Hij had Laban niet eens de gelegenheid gegeven van zijn dochters en kleinkinderen afscheid te nemen (31:27-28). Toen Laban weg was ‘vluchtte’ Jakob met alles wat hij had (31:21). Zoals hij was gekomen, als een vluchteling, zo vertrok hij ook weer. Hij had angst voor Laban, maar ‘vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar’ (Spr.29:25). Zijn vrees voor Laban was niet nodig geweest, want de Here had al tot Laban gesproken in een droom Jakob geen kwaad te doen (31:24,29). De ware reden dat Laban Jakob achterna ging was eigenlijk een andere: hij was zijn goden kwijt! Op de een of andere manier was hij erachter gekomen dat zijn terafim weg was. Laban kreeg toestemming het te zoeken in de bezittingen van Jakob maar vond ze niet. Rachel had ze en verborg ze en bedroog haar vader. En dat komt Jakob aan het woord en al de opgekropte woede, die hij al die tijd in zijn hart verborgen had, komt eruit! (31:38-42). Tenslotte sloten ze een verbond maar de nauwkeurige lezer zal opmerken dat daarmee de relatie tussen Laban en Jakob niet echt was opgelost. ‘De Here houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander gescheiden zullen zijn’ (31:49). ‘De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn zonen en dochters en zegende hen, en Laban keerde terug naar zijn woonplaats’ (31:55). Zo ging Jakob heen op weg naar Kanaän.

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Jakob terug naar Kanaän 

Deel 3

Hoofdstuk 32–33

‘Op weg naar huis’

 

Inleiding

Deze hoofdstukken vermelden zeven cruciale momenten in Jakobs leven op zijn weg naar Betel. Ze geven ons drie levendige beelden zien van een man die het conflict uitbeeldt tussen de geest en het vlees, de oude en de nieuwe mens.

Esau kwam er aan, en Jakob stond op het punt zijn zondig verleden te ontmoeten! Zou Esau hem vergeven of met hem vechten? Zou Jakob alles verliezen wat hij verkregen had? Het is jammer als het verleden ons achtervolgd. Niet de afstand of een twintig jarig verblijf in een ander land was in staat zijn verleden te veranderen. Jakob kon de geschiedenis niet veranderen, maar de geschiedenis zou hem veranderen! Maar voor hij Esau ontmoette had hij eerst nog drie andere ontmoetingen.

Jakob de worstelaar (32) - Drie ontmoetingen

Hij ontmoette engelen (32:1-20)

Jakob verwachtte een veldslag en daaraan probeerde hij te ontkomen maar ‘tijdens de strijd is er geen verlof’ (Pred.8:8). Paulus kon zeggen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden’ (2Tim.4:7); zijn wij gereed om de strijd aan te gaan? Hij was niet uit op verzoening (vs.8). Hij zag het leger van engelen dat hem beschermde, maar zelfs dat moedigde zijn geloof niet aan. Mahanaïm betekend ‘dubbel kamp’ – zijn kamp en dat van Gods engelen. Als Jakob zich zijn ervaringen met God te Bethel had herinnerd, zou hij niet bang zijn geweest voor Ezau (28:13-15). Het ene moment bad Jakob om Gods hulp en het volgende bedacht hij een nieuwe manier om zijn broer vreedzaam te stemmen. Hij herinnerde God aan zijn geweldige beloften en handelde vervolgens alsof nooit tot hem had gesproken. Hij verdeelde zijn leger in tweeën (vs.7) en negeerde de bescherming van het leger Gods. Toen hij die stappen had gedaan had vroeg hij om Gods hulp! Dit is het gedrag van een gelovige die door God moest worden verbroken. Hij bad om te worden gered van Ezau (vs.11), maar voor hem was het meest nodig om gered te worden van zichzelf.

Hij ontmoette God (32:21-26)

Als we allen onze weg met God gaan beginnen de dingen goed te gaan. Christus kwam om met Jakob te worstelen, en die worsteling duurde de hele nacht. Let op dat Jakob niet worstelde om een zegen te ontvangen van God; hij verdedigde zichzelf en weigerde om zich over te geven. De Heer wilde Jakob ‘breken’ op een plaats waar hij voluit kon zeggen: ‘Niet ik, maar Christus’ (Gal.2:20). De hele nacht verdedigde hij zichzelf en weigerde zich over te geven of toe te geven dat hij gezondigd had. Toen verzwakte God Jakob, en de worstelaar kon zich alleen nog maar vastklemmen aan de Engel met wie hij worstelde. Nu, in plaats van een zegen te beramen of om er om te bedelen, vroeg hij God om een zegen – en ontving deze.

Hij ontmoette zichzelf (32:27-32)

We leren ons zelf pas goed kennen als we onszelf zien in het licht van God. ‘Hoe is uw naam?’ (vs.27) was de vraag die Jakob dwong om zijn ware ik te bekennen. Toen Jakob zichzelf zag en zijn zonden beleed, kon hij worden veranderd. God gaf hem een nieuwe naam – ‘Israël, strijder Gods’, of ‘een door God geregeerd man.’ De manier waardoor Gods kracht zich kan openbaren is door onze zwakheid (2Kor.12:9). Jakob werd verbroken om te worden genezen en verzwakt om te worden versterkt. Toen hij zich overgaf, won hij, en werd hij een ‘vorst voor God’. God gaf hem een nieuwe start en een nieuwe kracht om ‘te wandelen door de Geest’ en niet meer in het vlees. Dit werd zichtbaar in zijn nieuwe manier van gaan, want hij mankte voor de rest van zijn leven. Zijn kreupele gang zou een voortdurende herinnering zijn dat God de leiding zou hebben in zijn leven. ‘God strijd tegen ons met zijn linkerhand en voor ons met zijn rechter,’ schreef Calvijn. Als we God zijn gang laten gaan is dat het aanbreken van een nieuwe dag, waardoor Jakob in staat was om zijn broer te ontmoeten (vs.31).

Jakob en Esau (33)

Het zou fantastisch geweest zijn als Jakob in overeenstemming met zijn nieuwe naam en positie was gaan leven, maar dat deed hij niet: alle begin is moeilijk! Dit hoofdstuk begint met ‘Jakob’ de oude naam en niet ‘Israël’ de nieuwe, en we zien hem ‘zijn ogen opslaan’ – wandelen naar wat hij ziet, niet door geloof? Kijk maar wat Jakob verloor door zijn geestelijke voorrechten niet te claimen:

Zijn heup (33:3)

Hij boog voor Esau, in plaats dat hij naar hem toe wandelde (strompelde) om hem te ontmoeten als man-tegenover-man. Het is altijd jammer dan een ‘kind van God’ kruipt voor een man van de wereld! Het is beter kreupel te gaan in geloof dan buigen in zelfvertrouwen.

Zijn kracht (33:1-2, 8-11)

Jakob was weer aan het plannen, door te onderhandelen met de vijand. Had God hem niet van zijn hulp verzekerd? Had God niet hem beloofd overal door te helpen?

Zijn getuigenis (33:12-17)

Jakob loog tegen Esau over de kudden en ging in tegenovergestelde richting. Totdat hun vader overleed hebben Jakob en Esau elkaar niet meer gezien. Zonder twijfel heeft Esau Jakob gevraagd hoe het hem was vergaan nadat ze uit elkaar waren gegaan.

Zijn tent (33:17)

Jakob bouwde een huis en vestigde zich in Sukkot.

Zijn visoen (33:19)

Hij trok verder en sloeg zijn kamp op vlakbij de stad Sichem, niet gelijk Lot (13:13). Hij verloor het zicht op de stad Gods (Heb.11:13-16).

Zijn dochter (Hoofdstuk.34)

Evenals Lot, plaatste Jakob zijn gezin op een plaats van verzoeking en toen zijn dochter op onderzoek uitging in de stad, werd ze verkracht. Het is spijtig om te zeggen, maar Jakob zonen waren leugenaars gelijk hun vader. In feite gebruikten ze het (heilig) gebruik van de besnijdenis om hun boos opzet te doen slagen. De verzen 30-13 suggereren dat Jakob meer bezorgd was om zijn eigen hachje dan om de zonden van zijn familie.

Wanneer is dit allemaal begonnen? Toen Jakob naliet om te gaan leven volgens de normen die bij zijn nieuwe positie hoorden. Waarom gaan veel gelovigen hun eigen weg en zondigen en falen? Omdat zij niet leven volgens hun hemelse positie in Christus (Ef.4:1vv.).

Jakob de reiziger (35-36)

Let erop in deze hoofdstukken hoe vaak Jakob heeft gereisd (35:5,16,21). God had hem geroepen om naar Betel op te trekken (vs.1), terug naar de plaats van het visioen en de belofte. Als iemand is teruggevallen (zoals Jakob), dan is er geen andere oplossing dan terug te gaan naar de plaats waar de toewijding plaats had gevonden en zijn beloften te herbevestigen. Voordat Jakob zijn gezelschap naar het altaar kon brengen moest hij zijn ‘huis reinigen.’

De vreemde goden en de sieraden die met heidense godenverering verbonden waren moesten begraven worden. De enige plaats voor de zonde is het graf. In dit hoofdstuk vinden we vier begrafenissen: het begraven van de afgoden (vs.4), Debora (vs.8), Rachel (vs.19), en Isaaks begrafenis (vs.29).

Jakob keerde naar Betel terug en bouwde een altaar. God ontmoette hem op een nieuwe wijze en herinnerde hem aan zijn naam, Israël. God herbevestigde zijn beloften die Hij had gegeven aan Abraham en Isaak, en Jakob beantwoordde die door een steen op te richten en die te zalven zoals hij dat jaren daarvoor ook had gedaan. Een teruggevallen gelovige hoeft zich niet opnieuw te bekeren om met God in orde te komen. Hij moet alleen de eerdere ervaring terug bevestigen.

Eigenaardig is het dat Rachel al snel stierf nadat Jakob in zijn gemeenschap met God was hersteld. Grote geestelijke ervaringen zijn geen garantie voor vrijwaring van zorgen en beproevingen in het leven. Maar nu was Jakob ook beter in staat om het verdriet re dragen omdat hij opnieuw een altaar had gebouwd en zijn gemeenschap met God was hersteld. Alles wat Jakob ook verloren mocht hebben werd vergoed omdat hij God had ontmoet bij het altaar.

Er zijn niet alleen zorgen in het gezin van de toegewijde gelovigen, maar er zijn ook zonden (vs.22). Ruben was geboren met grote verwachtingen (29:32), en Jakob zei aan het einde van zijn leven dat hij veel had kunnen bereiken (49:3). Maar Ruben was niet stabiel; hij mistte het goddelijke karakter (49:4) en de consequentie daarvan was dat hij zijn eerstgeboorterecht kwijtraakte (1Kron.15:1-2) en die moest overlaten aan Juda en Jozef. Zonde brengt nooit zegen voort; het is altijd duur om te zondigen. De laatste verzen gaan over de begrafenis van Isaak door Jakob en Esau. Jakob had gedacht om zijn moeder terug te zien, maar zij stierf voordat hij thuiskwam. Hoofdstuk 36 laat ons de geschiedenis van Esau zien, want God zou hem tot een machtig volk maken. Ongelukkig werden de Edomieten eeuwenlang de vijanden van Gods volk.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Jakob in Egypte

Genesis 45-50 

Deel 4

 

 

Inleiding

Eigenlijk waren het vaak door omstandigheden dat Jakob op reis te ging. Hij trok naar Haran naar Laban, de broer van zijn moeder, uit vrees voor zijn broer Esau die hem wilde doodden. Hij vluchtte voor zijn neef Laban, in verband met de verstoorde verhouding met hem, en ging terug naar Kanaän. Door een hongersnood ging hij noodgedwongen naar Egypte, waar hij bleef tot aan zijn dood. Hij had zijn ‘reis’ erop zitten en kon nu achteromkijken om te overdenken hoe God hem al die jaren geleid had. Hij kon om zich heen kijken en genieten van zijn kinderen en kleinkinderen. En hij kon vooruitzien naar de ontmoeting die hij binnenkort zou hebben met ‘de Herder Israëls’. Wanneer Jakob de zonen van Jozef zegent besluit hij met de woorden: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend’ (48:3). De geschiedenis van Jozef is eigenlijk onderdeel van de geschiedenis van Jakob.

Jakobs laatste reis (Gen. 45-46)

De oorzaak van Jakobs laatste reis lag al in Genesis 37 waar Jozef, door zijn vader naar zijn boers gezonden, door hen verkocht werd en in Egypte terechtkwam. Dit gebeurde met Gods toelating en onder Zijn voorzienigheid. ‘God zond een man voor hen uit’ (Ps.105:17). Dat Jakob ooit nog eens naar Egypte zou gaan daar zal hij zeker nooit aan gedacht hebben. Abraham die zich eerder al door een hongersnood gedrongen voelde om uit eigen beweging naar Egypte te gaan, had daar slechte ervaringen opgedaan en het was Isaak verboden geweest om er naartoe te gaan (26:2). Toen men Jakob de boodschap had gebracht dat Jozef nog leefde kon hij het niet geloven; zijn hart bleef er koud onder, maar de bewijzen daarvan waren zo overtuigend dat Jakob bereid was om naar Egypte te gaan (45:25-28). Maar Jakob ging met de toestemming van God, die tot hem sprak in nachtgezichten en zei: ‘Jakob, Jakob. En hij zeide: Hier ben ik. Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken’ (46:1:4). ‘Toen ging Jakob uit Berseba op weg, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, benevens hun kinderen en hun vrouwen, op de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren. Zij namen ook mee hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn kroost met hem. Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en zijn gehele kroost bracht hij met zich naar Egypte. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig’ (46:5-7,27). Maar Stefanus zegt in het boek Handeling dat het aantal personen dat op weg ging vijfenzeventig was. ‘En Jozef zond hen weg en riep zijn vader Jakob bij zich en al zijn verwanten, totaal vijfenzeventig zielen’ (Hand.7:14). (Zie voor een verklaring van de verschillen in aantallen personen die naar Egypte trokken mijn website: www.bijbelstudiesgerardwesterman.be in de rubriek: Vragen & Antwoorden).

Jakobs ontmoeting met Jozef en de Farao (Gen.46-47)

Juda werd door Jakob vooruit gezonden om zijn komst aan te kondigen en ondertussen maakte Jozef zich op om zijn vader tegemoet te gaan. ‘En Jozef spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. Toen zeide Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft’ (46:29-30). Had Jakob gedacht dat hij binnenkort zou sterven (45:28), hij zou echter nog zeventien jaar leven (47:9;28). De eerste zeventien van Jozefs leven en de laatste zeventien jaar van zijn eigen leven heeft Jakob nog in de nabijheid van Jozef mogen meemaken.

Jozef ging ook hier met beleid te werk door zijn familie en hun beroep vooraf aan de Farao aan te kondigen; ‘want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel (46:34).

In tegenstelling met Abraham gaf Jakob ten opzichte van de farao een schitterend getuigenis. Abraham leidde Farao om de tuin door te zeggen dat Sara zijn zuster was, maar Jakob zegende Farao (47:10). ‘Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere’ (Heb.7:7). De enige zegen die deze wereld kan ontvangen komt door de God van het volk Israël: ‘want de behoudenis (of: heil) is uit de Joden (Joh.4:22). Er was een zegen toegezegd vóór Abraham, maar ook een zegen dóór Abraham: ‘En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden’ (Gen.22:18).

Verder beschrijft hoofdstuk 47 de wijze waarop Jozef het land Egypte bestuurde. We zouden dezelfde toewijding aan Christus moeten hebben zoals de Egyptenaren dat aan Jozef hadden: ze gaven hem hun geld, land, bezittingen en hun eigen lichaam (Rom.12:1-2).

Jakobs laatste zegen (Gen.48)

Jakob werd ziek en Jozef werd ervan op de hoogte gebracht en ging naar zijn vader met zijn twee zonen Manasse en Efraïm. Had Jozef een voorgevoel van wat er zou gebeuren? Het eerste wat Jakob doet is Manasse en Efraïm de plaats geven die voorbehouden was aan Ruben en Simeon: ‘Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn’ (48:5). Ruben was de eerstgeborene maar door zijn zonde raakte hij het recht van de eerstgeborene kwijt. ‘De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël’ (1Kron.5:1-2; Gen.35:22). Simeon was een broer van Levi en hadden Lea als moeder en waren mannen van geweld en namen wraak op hun zuster Dina door de mannen van Sichem te doden (Gen.34). De nakomelingen van Simeon werden later opgenomen in de stam van Juda (Joz.19:1) en Levi werd later de priesterlijke stam die geen erfenis voor zich hadden.

Omdat Jakob blind was (48:11) moest hij Jozef vragen wie deze jongens waren. Dat doet ons denken aan Isaak die vanwege zijn blindheid door Jakob bedrogen werd (27:1). Wat we eerder hebben gezien bij Set en Kaïn, Isaak en Ismaël, Jakob en Esau zien we hier nog maar eens herhaald bij Manasse en Efraïm, Jakob plaatste Efraïm vóór Manasse. ‘Hij neemt de eerste weg om het tweede te stellen’ (Heb.10:9).

Jakob gaf ook een zegen aan Jozef in de naam van de God die voor hem als een Herder was geweest. ‘En Israël zeide tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt. (48:21-22).

Jakobs laatste boodschap (Gen. 49)

Jakob riep zijn zonen bij zich om hen te zegenen en afscheid te nemen om hun bekend te maken wat ze in de toekomende dagen zouden meemaken (49:1). Omdat deze toepspraak van Jakob zeer gedetailleerd is, heb ik dit hoofdstuk verder uitgewerkt in een apart artikel onder de titel: ‘De laatste woorden van Jakob’ in de rubriek: Het leven van Jakob op mijn website.

Jakobs voorbereidingen (Gen. 49-50)

‘Het is de mens gezet om eenmaal te sterven’ en dat gold ook voor Jakob (Heb.9:27). Hij had zijn voorbereidingen getroffen door de zonen van Jozef te zegenen (48) en daarna zijn eigen zonen (49). Zijn aardse reis zat er op. Veel mensen treffen wel voorbereidingen als ze op vakantie gaan of een reis maken, maar niet voor hun laatste reis. Jakob had zijn hele leven met God geworsteld, maar God had overwonnen. Jakob was klaar om voor zijn Schepper en God te verschijnen, maar er was nog een laatste opdracht voor zijn zonen over: hij wenste begraven te worden in het land Kanaän. ‘Daarna gaf hij hun bevel en zeide tot hen: Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd, begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk in het veld van de Hethiet Efron, in de spelonk in het veld van Makpela, dat tegenover Mamre in het land Kanaän ligt, welk veld Abraham gekocht heeft van de Hethiet Efron tot een eigen grafstede. Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaak en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven; het veld met de spelonk daarin, is gekocht van de Hethieten.  Nu alles gedaan en gezegd was trok hij zijn voeten terug op het bed en gaf de geest’ (49:29-32). Jakob stierf op de leeftijd van honderdzevenenveertig jaar.

Jozef beweende zijn vader maar niet als mensen die geen hoop hebben (1Thes.4:13). Hoe langer iemand leeft hoe moeilijker het is om afscheid te nemen. De gedachtenis aan iemand die je liefhebt of die veel voor je heeft betekend zal nooit verdwijnen, maar het verdriet zal met de jaren minder worden. Je hoort wel eens zeggen bij een begrafenis: ‘Sterkte met het verlies’. Dat is goed bedoeld maar als je weet waar iemand heen is gegaan ben je hem of haar niet kwijt! Het is een groot voorrecht als je weet dat iemand bij de Heer is en dat je als gelovigen elkaar weer zult zien.

Na een periode van veertig dagen waarin het lichaam van Jakob gebalsemd werd, en een periode van zeventig dagen van rouw, kreeg Jozef de toestemming van de Farao om zijn vader naar Kanaän te brengen. Jakobs zonen stonden samen aan het gaf van hun vader, samen verenigd. Begrafenissen brengen vaak familieleden weer bij elkaar, dat was het geval bij Isaak en Ismaël bij de dood van Abraham, en bij Esau en Jakob bij de dood van Isaak. Jakob was thuis! Thuis in zijn land en thuis bij zijn Schepper, de God van Israël. De 'strijder Israëls had de goede strijd gestreden en kon gaan rusten.

Tenslotte

Hiermee is de geschiedenis van Jakob beëindigd en daarmee ook het boek Genesis. De geschiedenis van Jozef, die eigenlijk onderdeel uitmaakt van Jakobs geschiedenis, vormt als het ware een brug met het boek Exodus, om te kunnen begrijpen hoe het volk Israël in Egypte terecht was gekomen..

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Jakobs leven in vier periodes

 ‘Jakob - Israël’

 (Genesis 29-31)

 

Inleiding

In Genesis 27 begint de geschiedenis van Jakob, de vader van de twaalf stammen van Israël. Zijn leven kan verdeeld worden in vier perioden:

(1) In Kanaän, waaruit hij na zijn bedrog moet vluchten (Gen.27 en 28);

(2) In Mesopotamië, bij Laban, de broer van zijn moeder, die hij twintig jaar dient en wiens dochters hij huwt; daar worden ook elf van zijn twaalf zonen geboren (Gen.29-31);

(3) Dan keert Jakob met zijn familie en zijn kudden naar Kanaän terug, waar Benjamin geboren wordt, waar hij Jozef ‘verliest’ en waar hij tot zijn 130ste levensjaar woont (Gen.32-45);

(4) Zijn laatste zeventien levensjaren brengt hij door in Egypte, waar zijn lievelingszoon Jozef onderkoning is (Gen.46-50).       

Eerste periode: 77 jaar (Gen.27 en 28).

Nadat Jakob eerst Esau diens eerstgeboorterecht ontnomen had, ontfutselt hij nu Isaaks patriarchale zegen. Isaak is daar trouwens ook zelf schuldig aan, want hij wil die zegen aan Esau geven hoewel hij Gods verkiezing van Jakob kent. Rebekka is ook schuldig, want zij zet Jakob aan tot zijn bedrog. Maar ook Esau is schuldig, want hij heeft zelf vrijwillig zijn eerstgeboorterecht verkocht en moet de consequenties aanvaarden. Zij krijgen ook allemaal hun verdiende loon: Isaak wordt bedrogen en beschaamd (hij kan zijn zoon niets verwijten). Rebekka verliest voor altijd haar lievelingszoon, die hals-over-kop moet vluchten voor de woede van Esau, en daardoor wordt de vervulling van de zegen door zijn eigen schuld voor vele jaren uitgesteld. ‘Zo zond Isaak Jakob weg’ (Gen.28:5), maar in Hosea 12:13 lezen we iets anders: ‘Jakob vluchtte naar het veld van Aram.’ Esau heeft voor altijd de grootste zegen verspeeld (vgl. Hebr.12:17). Jakob is nu een vluchteling geworden, maar God laat hem niet in de steek. Hij verschijnt aan Jakob in Bethel (‘huis Gods’) aan de top van een ladder die de hemel met de aarde verbindt en waarlangs engelen opklimmen en neerdalen (vgl. Joh.1:51). God maakt hem geen verwijten, maar belooft hem te bewaren en te zegenen.

Tweede periode: 20 jaar (Gen.29-31)

Jakob komt in Mesopotamië aan bij zijn oom Laban en wordt onmiddellijk verliefd op diens jongste dochter Rachel. Om haar als vrouw te ontvangen, zal hij zeven jaar bij Laban moeten werken (vgl. Hos.12:13). De bedrieger Jakob ervaart nu zelf wat bedrog is, want als de vereiste tijd voorbij is, krijgt hij niet Rachel maar haar oudere zuster Lea tot vrouw. Als troost geeft Laban hem direct daarna ook Rachel, maar daarvoor moet Jakob wel nog eens zeven jaar voor Laban werken. Beide vrouwen krijgen van hun vader ook nog een slavin cadeau. Omdat Lea de onbeminde is, geeft de Here haar het eerste kinderen. Zij baart achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. De jaloerse Rachel ziet dat zij onvruchtbaar blijft en wil daarom kinderen hebben via haar slavin Bilha. Bilha schenkt het leven aan Dan en Naftali. Lea, die intussen ook geen kinderen meer krijgt, doet nu hetzelfde met haar slavin Zilpa, en deze baart aan Jakob Gad en Aser. Daarna baart Lea zelf nog Issaschar en Zebulon en ook haar dochter Dina. Eindelijk verhoort God ook Rachels gebeden, en brengt deze haar zoon Jozef ter wereld. Vanwege Jakobs liefde voor Rachel wordt Jozef zijn lievelingszoon, die later in feite ook het eerstgeboorterecht ontvangt (vgl. Gen.49:26; Deut.33:16). Met de hier nog ontbrekende zoon van Rachel (Benjamin) zijn dit de twaalf stamvaders van Israël, menselijk gezien de vrucht van de ruzies van twee vrouwen. Maar in de naamgeving van hun zonen zien ze ook geloof bij deze vrouwen.

Als Jozef geboren is wil Jakob wel terug naar Kanaän. Maar eerst moet Laban tegen wil en dank (maar in Gods voorzienigheid) Jakob rijk maken, en dan is het de Here die Jakob aanspoort naar huis te gaan. Ook in Genesis 30 en 31 zien we hoe Gods wegen en Jakobs listen op eigenaardige wijze vervlochten zijn. Jakobs trucs helpen niet werkelijk: de ware hulp komt van God. Onder alle bedrog van Laban blijft Jakob echter geduldig, en dat wijst erop dat hij Gods tucht over hem erkend heeft: wie bedrog doet, bedrog ontmoet. Maar dan komt (na twintig jaar!) eindelijk weer Gods stem tot Jakob en deze gaat maar al te graag terug naar zijn land. Maar omdat hij nog steeds weinig vertrouwen in God heeft, gaat hij stiekem weg en haalt zich zo de woede van Laban op de hals. Laban is woedend over de vlucht van Jakob en over de diefstal van zijn huisgoden (waaraan Rachel schuldig is, maar dat blijft verborgen). God komt echter voor Jakob tussenbeide en Jakob en Laban sluiten zelfs een verbond.

Derde periode: 33 jaar (Gen.32-45)

Nu is Jakob op weg naar Kanaän, maar hij ziet vreselijk op tegen de ontmoeting met Esau. De Here laat hem een ‘leger Gods’ zien, maar dat maakt zijn vrees voor het leger van Esau er niet minder op. Nog steeds geeft Jakob de voorkeur aan zijn eigen listen, ondanks zijn gebeden. Hij is zelfs bereid zijn gezin aan Esau op te offeren. Maar dan krijgt hij met God Zelf te maken. De Man die op klaarlichte dag bij Abraham op bezoek was (Gen.18), vecht in het holst van de nacht met Jakob. Hier (in Pniël) ligt het ware keerpunt in Jakobs geschiedenis; Jakob wordt ongeneeslijk getroffen in zijn mannelijke kracht en waardigheid en weet zich voortaan geheel afhankelijk van Gods zegen. Zo overwint hij door te verliezen: ‘In zijn mannelijke kracht streed hij met God. Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte hem om genade’ (Hos.12:4,5). Nu is zijn naam niet meer Jakob (‘bedrieger’, ‘hielenlichter’; vgl. Gen.25:26; Hos.12:4a) maar Israël (‘strijder Gods’ of ‘vorst Gods’). Hiermee is de naam van zijn nageslacht, het volk Israël, geboren. Nu volgt de ontmoeting met Esau, die God al evenzeer voor Jakob gunstig laat verlopen. Overigens is Jakob er niet gerust op en hij schudt Esau zo gauw mogelijk met list van zich af. Zijn hele, kruiperige houding tegenover Esau is trouwens nogal beschamend. Ook is Jakob niet voortvarend genoeg: hij had moeten doorreizen naar Bethel om er zijn gelofte te vervullen (vgl. Gen.27:19-22; 31:13; 35:1-3). In plaats daarvan bouwt hij een huis in Sukkot en koopt land in Sichem. Hij bouwt er wel een altaar, maar God verschijnt daar niet aan hem. Als Jakob in Sichem blijft hangen, moet hij daar trieste ervaringen opdoen waarvan van dochter Dina het schandelijke middelpunt is. De eigengereidheid van de vader weerspiegelt zich in de zonen. Jakobs ‘kwade reuk’ in de streek (Gen.34:30) drijft hem op Gods bevel naar de plaats Bethel.

In Bethel zal Jakob eindelijk weer op zijn uitgangspunt, eindelijk thuis zijn. Hij voelt nu opeens de noodzaak zijn familie te reinigen van de afgoden. Nu komt zijn altaar op de ‘goede plek’ te staan: God is niet alleen Jakobs, God, God is de God van zijn huis (‘Bethel’) waar Hij Zich aan Zijn volk openbaart. Nu kan Jakob pas werkelijk zijn nieuwe naam ‘Israël’ gaan dragen en ook God noemt Zich hier bij de naam die Zijn speciale relatie tot de aartsvaders kenmerkt, God de Almachtige, de naam die Hij tegenover Abraham noemde, die Isaak kende en die ook Jozef kende.

Jakob trekt verder om zijn vader Isaak terug te zien. Onderweg sterft Rachel bij de geboorte van haar zoon Benjamin. Even verder zondigt Ruben en verliest zijn eerstgeboorterecht. Jakob bereikt tenslotte Isaak (Rebekka is kennelijk al gestorven), die daarna nog enkele tientallen jaren leeft; na zijn dood wordt hij begraven door Isaak en Esau. In Genesis 36 wordt de genealogie van Esau vermeld. Als Jakobs nazaten nog arme pelgrims zijn, heeft de goddeloze wereld van Esau zich al sterk gemaakt. Zo ging het ook met Kaïn (Gen.4), Cham (Gen.10) en Ismaël (Gen.25). Gods groei gaat altijd langzamer, maar is wel duurzamer! Vroegrijp, vroeg rot!

Vierde periode: tot het einde van zijn leven - (zeventien jaar: Gen.46-50)

Jakob trekt met heel zijn familie naar Egypte om zijn zoon Jozef, de vizier van Egypte, te ontmoeten. Op de grens van het beloofde land (in Berseba) brengt hij offers aan de God van zijn vader Isaak. Vreest hij wellicht een verkeerde weg te gaan? Hij weet van de geschiedenis van zijn vaderen in Genesis 12 en 26! Jakob angstvalligheid staat in mooi contrast tot zijn vroeger eigenmachtig handelen. Maar God bemoedigt Jakob in een droom naar Egypte te reizen. Het is Gods voorzienigheid, niet alleen dat Jakob en Jozef elkaar zullen terugzien, maar ook dat God de nakomelingen van Jakob (= Israël) in Egypte wel in het afgelegen land Gosen brengt. Daar mogen zij zich vrij en rustig tot een groot volk ontwikkelen zonder gevaar te lopen zich met de Kanaänieten (of de Egyptenaren) te vermengen (vgl. Gen.34:1v.; 43:32; 46:10,34).

De finale

Aangrijpend is de ontmoeting tussen vader en zoon: Juda die vooruitgestuurd wordt, Jozef die zijn vader tegemoet reist, zijn vader die hem om de hals valt en lang aan zijn hals weent. Even indrukwekkend is het tafereel dat we zien hoe Jakob de farao zegent. Wel wat anders dan Abrahams ontmoeting met de toenmalige farao (Gen12:18v.)! De grootste man van de toenmalig bekende wereld is minder dan Gods arme pelgrim (vgl. Heb.7:7). Iemand die zelf zozeer Gods zegen ervaren heeft, kan ook anderen zegenen. Het is alsof we Paulus voor Agrippa zien staan, die net als Jakob tegenover de vorst wat hemzelf betreft alleen maar op ellendige omstandigheden kan wijzen, maar een machtig God bezit (Hand.26:27-29)

Jakob blijft nog zeventien jaar pelgrim, verheven boven het gewoel van Egypte. Nooit horen we over een verzoek of eis van hem aan de farao of aan Jozef aangaande zijn leven in Egypte; maar wel over zijn dood. Jozef moet hem zweren hem niet in Egypte maar in Kanaän te begraven, bij zijn vaderen. Deze eis toont Jakobs geloof in de opstanding!

Zijn laatste levensdagen worden door grote geloofsdaden gekenmerkt: zijn sterfbed wordt het absolute hoogtepunt (vgl. Heb.11:21). Ten eerste adopteert Jakob de twee ‘Egyptische’ zonen van Jozef, Manasse en Efraïm. Het gevaar was dat zij buiten de beloften zouden vallen (vgl. Ezra 10:2v.) en onder de Egyptenaren zouden opgaan; daarom maakt Jakob hen tot zijn eigen zonen, zodat zij volwaardig als afzonderlijke stammen zouden meetellen. Daarbij krijgt de jongere Efraïm het eerstgeboorterecht, niet Manasse (net zomin als vroeger Ismaël en Esau). Jozef begrijpt dit eerst niet, maar de blinde Jakob ‘ziet’ hier scherper dan de grote ziener Jozef. Jakob zal wel teruggedacht hebben aan het ziekbed van zijn blinde vader Isaak, waar hij zelf op heel wat minder fraaie wijze de zegen in de wacht sleepte… Waarschijnlijk wijst Jakobs profetie in Gen.48:19 al op Efraïms latere superioriteit over de tien stammen (vgl. 1 Kon.11 en 12).

De machtige rede van Jakob tot zijn twaalf zonen (Gen.49) heeft een profetische strekking zoals uit vers een blijkt. Jakob herhaalt zijn eis in Kanaän begraven te worden en sterft op de leeftijd van honderd zevenenveertig jaar (Gen.47:28).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 Acht begrafenissen

Een overzicht van het leven van Jakob

(Genesis 35 - 48)

 

‘Opdat ik niet droefheid op droefheid had’ (Fil.2:27)

 

Inleiding

Na zijn broer het eerstgeboorterecht te hebben ontfutseld en zijn vader Isaak te hebben bedrogen gaat Jakob, op aanraden van zijn moeder Rebekka, naar Laban een broer van zijn moeder in Haran ongeveer 800 KM van hem verwijderd. Daar is Jakob twintig jaar gebleven, en zijn vier vrouwen ontmoet, waarna hij teruggekeerde naar Kanaän waar hij korte tijd later door God wordt geroepen om zich reisvaardig te maken en naar Betel te gaan, een plaats waar hij eerder een belofte aan God had gedaan.

Maar Jakob gaat niet rechtstreeks naar Betel dat hebben we gezien in hoofdstuk 33 waar we hebben gelezen dat hij na zijn ontmoeting met Esau zich naar Sukkot begaf en Sichem. Daar gebeurde dan de verkrachting van Dina.

De Jakob die we in hoofdstuk 34 zien is een totaal andere dan in hoofdstuk 35! We lezen in Genesis 35 dat Jakob met het oog op zijn ontmoeting met God voorbereidingen treft. De vraag die wij onszelf zouden moeten stellen is: ‘Hoe bereiden wij ons voor op een ontmoeting met God?’ Een ontmoeting met een God waarvan de profeet Habakuk zegt: “Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te aanschouwen’ (1:13) Jesaja zegt: ‘Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk dat onrein van lippen is, en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien’ (Jes.6:5) Als Jesaja zo onder de indruk was van wat hij gezien had, hoeveel temeer past het dan ons om ons voor te bereiden op zo’n ontmoeting!

De eerste begrafenis (35:4)

De voorbereidingen voor die ontmoeting zijn:

(1) Reiniging. Dit duidt op een nieuw begin. Zoals vuil, verontreinigd de zonde ons en moet worden verwijderd. (Ps.51:2; Jes.1:16; 2Kor.7:1; 1Joh.1:9).

(2) Verwisseling van klederen. Onze oude kleren zijn een beeld van ons oude leven met zijn tekortkomingen (Jes.64:6), maar God geeft ons uit genade ‘nieuwe kleren’ opdat we opdat we met een schone lei kunnen beginnen (Gen.3:21; Jes.61:10; Zach.3:11-5; Luk.15:22; Op.3:18)

(3) Huis van God. Betel betekend ‘huis van God’ – in het Nieuwe Testament wordt de Gemeente ook voorgesteld als een huis van God. (1Tim.3:15; 1Petr.2:5). Petrus zegt dat wij levende stenen zijn om dat huis te vormen en we worden genoemd een ‘heilig en koninklijk priesterdom’ (1Petr.2:4-10). ‘De heiligheid is uw huis tot sieraad’ (Psalm 93:5). Jakob heeft zeker geen onbezorgde oude dag gehad dat blijkt uit de verdere gebeurtenissen in zijn leven het begon met de dood van Debora.

De tweede begrafenis – Debora (35:8) Als tweede werd Debora begraven voor velen een aanleiding om te denken dat Rebekka gestorven was en dat Rebekka nu deel ging uitmaken van Jakobs huis. Was zij de brengster van het nieuws?

De derde begrafenis - Rachel (35:19)

In hoofdstuk 30:1 had Rachel gezegd: ‘Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik’ Haar ‘wens’ werd hier vervuld!

De zonde van Ruben (25:22)

Vondel heeft eens gezegd: ‘Het leven is een pijp kaneel, elk zuigt eraan en krijgt zijn deel.’  Een waar woord zeker als we dit hoofdstuk op ons laten inwerken. Paulus spreekt ook over ‘droefheid op droefheid’ (Fil.2:27). Ruben lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader. In die tijd was het nemen van de vrouw van je vader een poging tot machtsovername. Later spreekt Jakob Ruben er nog over aan (Gen.49:3; 48:5; Pr.8:11).

De vierde begrafenis - Isaak (35:29)

Isaak is de oudste van de aartsvaders geworden, honderdtachtig jaar. Hij werd begraven in de spelonk van Makpela waar ook Abraham, Sara, Rebekka en Lea begraven lagen, en waar later Jakob ook zou begraven worden (Gen.49:30-32).

De zevende begrafenis – Jozef (37:34-35)

‘Dit alles is tegen mij’ en ‘kwaad zijn al mijn levensjaren geweest zijn woorden door Jakob uitgesproken. (Gen.42:36; 47:9). Nee, hij heeft geen gemakkelijk leven gehad, maar was dat ook niet doordat hij zo vaak zijn eigen weg ging? (Gen.35:3).

Zijn eigen begrafenis

Toch een omkeer want Jakob zegt ook: ‘God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood’ (Gen.48:15).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Afscheidswoorden van Jakob 

Genesis 49

 

 

 

Inleiding

Vaak wordt de inhoud van Genesis 49 weergegeven met de uitdrukking ‘de zegen van Jakob’, maar de enige keer dat het woord ‘zegen’ of ‘zegeningen’ vermeld wordt is bij Jozef (Gen.49:25-26). Jakob zag zijn afscheidswoorden meer als profetie: ‘opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal’ (Gen.49:1). Jakob is wel erg duidelijk in zijn uitspraken geweest en heeft een aantal tamelijk harde woorden tegen zijn zonen gezegd. Daardoor openbaarde Jakob het karakter van zijn zonen en soms hun zonde.

Maar er was nog iets anders dat het vermelden waard is: de profetische inhoud van Jakobs toespraak. Hij verzekerde elke stam van een toekomstige plaats in het beloofde land. Maar ook getuigt zijn toespraak van een prachtige openbaring van de genade van God, die zo veel jaren voor Jakob had gezorgd (48:15-16). En tenslotte was er een openbaring van de Messias, die was beloofd aan Jacobs nakomelingen. Aanwijzingen daarvoor vind je in de woorden ‘Silo’ (vs.10), heil (Yeshua vs.18), Machtige, Herder, en Steenrots (v.24), en de Almachtige (vs.25). Al deze uitdrukkingen spreken van onze Heiland, Jezus Christus.

Terwijl hij tot hen sprak, volgde Jakob de volgorde van de geboorte van de zonen, te beginnen met Lea's zes zonen en hij besluit met Rachels twee zonen, Jozef en Benjamin.

‘En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal. Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jakob, luistert naar Israël, uw vader’ (Gen.49:1)

Ruben - Wat een mens zaait, zal hij oogsten

‘Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen. Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn legerstede beklommen’ (Gen.49:3-4).

Jakobs woorden waren een openbaring van het karakter en de houding van zijn kinderen, maar ook een voorzegging betreffende hun toekomst. Drie van zijn zonen moesten ondervinden hoe hun daden in het verleden verricht, hun de volle toekomstige erfenis kostte, de eerste is Ruben. Het: ‘wat een mens zaait, hij ook zal oogsten’ (Gal.6:7) werd in het leven van Ruben helaas bewaarheid. God gaf Jakob zes zonen bij zijn vrouw Lea, de vrouw die hij eigenlijk niet wilde. (Gen.29:31-35; 30:14-21). Zij is de moeder geworden van Levi, die de stamvader van de priesterlijke lijn is geworden, en Juda, die de stamvader van de koninklijke lijn is geworden. Jacob sprak rechtstreeks tot Ruben, zijn oudste zoon, maar wat hij te zeggen had was niet erg complimenteus. Het: ‘Gij zult gewaar worden, dat uw zonde u vinden zal’ vond zijn vervulling, want een oude zonde die Ruben had begaan werd hem fataal zodat hij zijn privileges als de eerstgeboren zoon verloor (Gen.35:22; Num.32:23). Jakob gaf die zegen aan Jozef en zijn twee zonen (1Kron.5:1-2). Ruben zou als eerstgeborene een voorbeeld geweest moeten zijn voor zijn broers, maar hij bleek iemand met een zwak karakter, die zijn familie te schande maakte door het bed van zijn vader te verontreinigen. ‘En toen Israël in dit land woonde, ging Ruben heen en lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader, en Israël hoorde het.’ (Gen.35:22; vgl. 1Kor. 5:2)

Het ‘onstuimig als water’ (Gen.49:4 HSV) spreekt zowel van kracht als zwakte. Water heeft geen kracht in zichzelf, maar bruisend water kan zeer vernietigend zijn. In de Bijbel is het moeilijk een lid van de stam van Ruben te vinden die zich onderscheidde als leider. En als er toch iemand was die leiding gaf dan was dat in negatieve zin, zoals Dathan en Abiram, die leiding gaven aan de opstand van Korach, wat tot de dood van duizenden mensen leidde. Zij waren afstammelingen van Ruben (Num.16:1). De stam van Ruben vestigde zich aan de oostkant van de Jordaan, het zogenaamde ‘Overjordaanse’, met de stam van Gad en de halve stam van Manasse, omdat het land er goed was voor hun kudden. De volle zegen van het land Israël hebben ze daarom gemist. Het leger van Ruben gaf geen gehoor aan de oproep van Deborah en Barak toen ze vochten tegen de Kanaänieten. (Ri.5:15-16) Wellicht ontbrak het hun aan vastberadenheid en moed om strijd te voeren. Jaren later verbeterde dat en stuurden ze wel strijders naar David om hem te assisteren bij Hebron. (1Kron.12:37). De les die wij van Rubens leven kunnen leren is, dat we ons bewust moeten zijn wat we doen, want: ‘één daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit!’

Simeon & Levi - Eenheid maakt macht!

‘Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël’ (Gen.49:5-7).

Zoals u hierboven hebt kunnen lezen was Rubens zonde de lust, maar Simeon en Levi waren schuldig aan (zinloos) geweld en toorn, de mannen van Sichem aangedaan die hun zuster Dina hadden verkracht. Dina had daar ook niet heen moeten gaan want ‘kijken is bezwijken!’. Misschien kan het ‘voorbeeld’ van Dina een waarschuwing bevatten voor onze jongeren.

Door een list namen Simeon en Levi, broeders van Dina, wraak en overvielen de argeloze stad en doodden al wie mannelijk was. Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met de scherpte des zwaards. De zonen van Jakob wierpen zich op de verslagenen en plunderden de stad, hun kleinvee en rundvee, hun ezels en al wat in de stad en op het veld was, namen zij mee. En hun gehele bezit, al hun kleine kinderen en hun vrouwen namen zij gevangen en zij maakten die buit, evenals alles wat in de huizen was. Toen zeide Jakob tot Simeon en Levi: ‘Gij hebt mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten, terwijl ik slechts met weinige lieden ben; als zij tegen mij samenspannen, zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.’ Maar zij zeiden: ‘Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?’ (Gen.34:31). Was het verkeerd hun zuster te wreken voor het haar aangedane leed?

Simeon en Levi waren één in hun streven naar wraak voor hun onteerde zuster maar God heeft het zo laten gebeuren dat deze twee stammen in de toekomst niet meer in de gelegenheid kwamen dat ze samen nog iets konden doen. De stam van Simeon is min of meer opgegaan in de stam Juda (Joz.19:1, 9), en aan de stam van Levi werden achtenveertig steden gegeven om te bewonen, verdeeld over het hele land (Joz.21). Inderdaad, de broeders werden verdeeld en verstrooit onder Israël. De nieuwtestamentische tegenhangers van Simeon en Levi zijn Johannes en Jakobus die door de Heer Jezus ‘zonen des donders’ worden genoemd (Mark.3:17). Ook zij waren geneigd om vuur uit de hemel te laten komen om de Samaritanen te verdelgen gelijk Elia dat had gedaan (1Kon.18). Johannes en Jakobus worden door de Heer Jezus daarover aangesproken met de woorden: ‘U weet niet van welke geest u bent!’ (Luk.9:55) De les die wij kunnen leren uit het ‘voorbeeld’ van Simeon en Levi is en dat ‘we langzaam dienen te zijn tot toorn; want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort.’ (Jak.1:19-20)

Juda -Totdat Hij komt!

‘Juda, ù zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. Een leeuwenwelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad. Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk’ (Gen.49:8-12)

Jakob had gesproken over de zonden van Ruben, Simeon, en Levi, maar hij zei niets over de raad die Juda zijn broers gaf om Jozef te verkopen als slaaf (Gen.37:26-27). Jacob zal pas achteraf beseft hebben dat wat Juda had gedaan Jozefs leven had gered en dat het uiteindelijk ten goede was gekomen voor Jakobs familie (Gen.45:5-8; 50:20; Ps.105:17). Jacob zei ook niets over de zonde van Juda met Tamar (Gen.38). Jacobs waardering voor Juda was misschien geleidelijk aan gestegen, omdat Jozef zijn vader Jakob verteld had over Juda’s medelijden met zijn vader en zijn pleidooi voor zijn jongste broer en dat hij zich had aangeboden als borg voor Benjamin (Gen.44:18-35). Toen Jakob met zijn gezin naar Egypte vertrok, was het Juda die door Jacob vooruit werd gestuurd om zijn komst voor te bereiden (Gen.46:28). Juda had fouten gemaakt, maar hij had ook een aantal goede dingen gedaan voor zijn vader en zijn familie, en dat maakte het verschil tussen hem en zijn drie andere broers. Omdat God Juda aangesteld had als de koninklijke stam, was het logisch om de stam met de leeuw, de koning van de dieren te associëren. (Num.24:9; Ez.19:1-7; Mi.5:8 en Op.5:5) Jacob vergelijkt Juda met een welp van een leeuw (Gen.49:9). Wie zou een leeuw durven wekken als hij rust na het eten van zijn prooi, of een leeuwin terwijl ze haar jongen bewaakt? Hij richtte de koninklijke stam die Israël haar koningen gaf met als definitief hoogtepunt de komst Jezus, de Christus (Hebr.7:14). De naam ‘Silo’ in vers 10 heeft aanleiding gegeven tot veel interpretaties en speculaties, maar het meest redelijke is dat het verwijst naar de Messias (Num.24:17). De zinsnede zou kunnen worden vertaald als ‘totdat Hij komt wiens recht het is’. De oude rabbijnse geleerden gaven Silo als naam aan de beloofde Messias, die als enige het recht had om heerschappij op te eisen over Gods volk, Israël. De beschrijving in vers 11-12 gaat zeker verder dan de tijd van Juda en spreekt over de zegeningen van het Koninkrijk, wanneer de Messias zal regeren over Israël. Dit zijn metaforen die duidelijk willen maken dat het land zó rijk en het volk zó welvarend is dat ze ongepaste dingen doen en zich geen zorgen te maken over de gevolgen daarvan. Tijdens het Koninkrijk, wanneer de Messias regeert, zullen de mensen genieten van rijkdom en voorspoed, omdat de zonde en de duivel hun verwoestend werk niet meer kunnen doen.

Zebulon - Klein, maar dapper!

‘Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn’ (Gen.49:13)

Hoewel niet direct aan de Middellandse Zee, werd de stam van Zebulon het land toegewezen dat dicht genoeg bij de zee lag om handel te kunnen drijven die winstgevend zouden zijn. Zebulon was gelegen op een belangrijke route die goederen vervoerde van de kust via het meer van Galilea naar Damascus. Mozes zei van Zebulon: ‘Verheug u, gij Zebulon, over uw tochten, en gij, Issakar, over uw tenten. Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeën en met de meest verborgen schatten van het strand.’ (Deut.33:19; Joz.19:10-16). De Joden waren niet echt een zeevarend volk, maar de stam van Zebulon deed zaken met de Feniciërs ten oosten van hen en voerden goederen in van de bevolking ten westen van hen. Ze waren niet alleen handelaren maar ook moedige mensen van wie de krijgers een uitstekende reputatie hadden. ‘Van Zebulon, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg met allerlei wapentuig: vijftigduizend, die zich zonder aarzeling in slagorde zouden opstellen’ (1Kron.12:33). Deborah en Barak prezen de mannen van Zebulon voor hun inzet bij de bestrijding van Sisera. In vergelijking met andere stammen viel Zebulon positief op: ‘Gilead bleef rustig aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom toefde het bij de schepen? Aser zat aan het strand der wijde zee, bleef rustig wonen aan zijn zeeboezems. Maar Zebulon is een volk, dat zijn leven op het spel zette’ (Richt.5:17-18). Elon, één van de richters, was van deze stam. ‘Na hem richtte de Zebuloniet Elon Israël. Hij richtte Israël tien jaar. En de Zebuloniet Elon stierf en werd begraven te Ajjalon, in het land Zebulon’ (Ri.12:11-12). In het Nieuwe Testament wordt een profetie uit Jesaja 9 aangehaald en toegepast op de komst en de prediking van de Heer Jezus. ‘Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide: Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan’ (Mat.4:12-16).

De les die wij van Zebulon kunnen leren is om ons leven voor de broeders te geven mocht dat gevraagd worden. Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten, zoals het volk van Zebulon zijn leven op het spel zette’ (1Joh.3:16; Ri.5:17-18).

Issakar - Een bonkige ezel!

‘Issakar is een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt; als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst’ (Gen.49:14-15)

Het zal je maar gezegd worden: je bent te vergelijken met ‘een bonkige ezel’, niet erg complimenteus toch? Vandaag de dag denken wij van een ezel als een onwaardig lastdier, maar in het Oude Testament, reden koningen op ezels (1Kon.1:38). Het beeld in Gen.49:14-15 is dat van sterke mensen die niet bang zijn om lasten te dragen. De mensen van Issakar bewerkten met toewijding het land. Ze waren tevreden met hun lot en maakten er het beste van. Deze stam leverde geen grote helden, maar hun dagelijkse arbeid was tot zegen voor anderen. Immers, niet iedereen in Israël was uitverkoren om een Juda of een Jozef te zijn! Je moet ook mensen hebben die de lasten van anderen willen dragen (Gal.6:2). Issakar was gelegen in het oostelijke gedeelte van de vruchtbare vlakte van Jizreël (Joz.19:17-23), ingeklemd tussen Zebulon en de rivier de Jordaan. De richter Tola was van Issakar (Richt.10:1-2). De mannen van Issakar vochten tegen Sisera (Richt.5:15). Toen het volk David koning wilde maken waren er ook mannen van Issakar bij aanwezig: ‘Van de Issakarieten, die de juiste tijden kenden, zodat zij wisten wat Israël doen moest: tweehonderd aanvoerders van hen met al hun broeders over wie zij het bevel voerden’ (1Kron.12:32). Die de juiste tijden kenden! De Issakarieten begrepen dat het koningschap van Saul op zijn einde liep en dat David hem zou opvolgen. De inwoners van Jeruzalem hebben de juiste tijden niet verstaan, want toen de Heer Jezus de stad naderde voordat Hij gekruisigd zou worden en over haar weende moest vaststellen: ‘Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen’ (Luk.19:42). En hoe is met ons, verstaan wij de tekenen der tijden? (Mat.16:3). Veel van de mannen van deze stam waren dapper in de strijd: ‘En hun broeders uit alle geslachten van Issakar, dappere helden, waren allen tezamen, zevenentachtigduizend, in het register ingeschreven’ (1Kron.7:5).

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

We hebben nu de zes zonen besproken die Jakob had gekregen van zijn vrouw Lea. We gaan verder en bespreken Dan en Naftali, kinderen die Jakob bij Bilha, de slavin van Rachel verwekte.

Van Lea's zes zonen, verloren drie hun zegeningen van God vanwege hun zonden: Ruben, Simeon, en Levi. Ze herinneren ons eraan dat zuiverheid en zelfbeheersing essentieel zijn om een goddelijk karakter te kunnen openbaren. Zebulon en Issakar waren ‘gewone mensen’, die de andere stammen dienden. Ze stonden niet bekend om eventuele heldendaden. We hebben ook boeren en handelaren nodig om de machinerie van het leven soepel te laten lopen (1Kron.12:39-40). ‘Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild’ (1Kor.12:18). Er was ook maar één zoon - Juda -  die uitverkoren was om de koninklijke stam te zijn. We mogen tevreden te zijn met de plaats die God ons in het Lichaam – zijn Gemeente – heeft gegeven. Zelfs ‘bonkige ezels’ kan God gebruiken!

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Dan - Hij heeft recht verschaft

‘Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls. Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterovervalt. Op uw heil wacht ik, o HERE’ (Gen.49:16-17)

De naam Dan betekent ‘rechter’. ‘Toen zeide Rachel: God heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij mij verhoord en mij een zoon gegeven; daarom gaf zij hem de naam Dan’ (Gen.30:6).  Zijn stam bracht één van de meest bekende richters voort, Simson (Richt.13:2). De stam van Dan kreeg een stuk vruchtbaar land aan de Middellandse Zee op Filistijns grondgebied (Joz.19:40-48). Met het doel om meer land te winnen gingen ze naar het noorden en streden tegen de mensen van Lesem en namen het land in (v.47; Richt.18:1-29). Door Dan met een slang te associëren, openbaarde Jakob zijn sluwe karakter en zijn gewoonte van het maken van plotselinge aanvallen op zijn vijanden. De verovering van de weerloze mensen van Laïs met gebruikmaking van een list is daarvan een voorbeeld. Het opstellen van een afgod op hun grondgebied laat zien dat ze niet geheel aan de Heer toegewijd waren (Richt.18:30). Twee eeuwen later zou koning Jerobeam ook één van zijn afgodische gouden kalveren in Dan oprichten. We lezen: ‘Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Dan’ (1Kon.12:28-30). Dan is weggelaten uit het geslachtsregister in 1Kron.2-10 en in de vermelding van de stammen in Op.7:1-8. Is dit vanwege hun afgoderij? Echter, wanneer Ezechiël het plaatsen van de stammen beschrijft tijdens het Vrederijk, had hij wel een plaats voor Dan.Dit zijn de namen van de stammen: In het uiterste noorden, langs de weg naar Chetlon, Lebo-Hamat en Chasar-Enon, bij de grens met Damascus in het noorden, aan de kant van Hamat, krijgt Dan zijn deel, van de oost- tot de westgrens. Grenzend aan Dan krijgt Aser een deel, van oost naar west(Ez.48:1-2). De uitroep van Jakob: ‘Op uw heil wacht ik, o Here’ (Gen.49:18),suggereert dat Jacob in gemeenschap was met de God, terwijl hij sprak tot zijn zonen. Vroeg hij God om speciale kracht om af te maken wat hij te zeggen had? Of was het om aan te geven dat de Heer hem spoedig zou opnemen in zijn heerlijkheid? Het woord vertaald met heil (redding) is Yeshua, dat brengt ons tot de naam Jozua dat ‘Jehovah is redding’ betekend, waarvan Jezus de Griekse vorm is.

Gad

‘Gad, een bende zal hem belagen, maar hij zal hun hielen belagen’ (Gen.49:19)

Zijn naam kan zowel ‘geluk’ als ‘een troep’ betekenen (Gen.30:11). Vanwege de ligging van de stam aan de oostkant van de Jordaan, konden vijandelijke troepen hun grondgebied gemakkelijk binnen vallen. Jacob verzekerde de Gadieten dat er geen verovering definitief zouden zijn, maar dat ze uiteindelijk hun vijanden zouden veroveren. De Gadieten waren grote krijgers (Joz.22:1-6). Mozes vergeleek ze met een dappere leeuw die zou kunnen verscheuren de armen en hoofden van zijn vijanden (Deut.33:20). De duivel gaat rond als een brullende leeuw schreef, vele jaren geleden, de apostel Petrus aan de gelovigen in de verstrooiïng. Wij volgen de ‘Leeuw van Juda’ die aan onze kant staat en gezegd heeft dat ‘de poorten van de hades de Gemeente niet zullen overweldigen. We mogen weten dat de duivel van ons zal vluchten als wij tot God naderen (Jak.4:7-8). De dag zal eenmaal aanbreken dat: ‘de God des vredes de satan onder uw voeten zal vertreden’ (Rom.16:20).

Aser

‘Aser, zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren’ (Gen.49:20)

De naam Aser betekent ‘gezegend’ of ‘gelukkig’ (Gen.30:13). Hij was de achtste zoon van Jakob en de tweede van Zilpa, de slavin van Lea. Omdat de stam van Aser niet in staat was om de inwoners van hun grondgebied te verdrijven; zij vestigden zij zich als een agrarisch volk, om te profiteren van de vruchtbare grond dat God hen had gegeven (Joz.19:24 -30). Hun erfdeel lag in het noorden van Israël aan de Middellandse zee. ‘Aser heeft de inwoners van Akko niet verdreven, noch die van Sidon, noch die van Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob; zodat de Aserieten woonden te midden der Kanaänieten, die er inheems waren, want zij verdreven hen niet’ (Ri.1:31-32) . Mozes zei dat Aser ‘zeer gezegend’ was, daarmee verwijzend naar zijn rijkdom van olijfolie en de veiligheid van haar steden. Vergelijk Mozes’ zegen in Deut.33:24-25 – ‘Van Aser zeide hij: Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie. IJzer en koper mogen uw grendels zijn, uw sterkte moge zijn als uw levensduur’. Inderdaad, Aser's eten was rijk, en de stam leverde zelfs speciale lekkernijen ‘geschikt voor een koning.’ Wat leveren wij aan onze Koning, de Heer Jezus? Dragen wij vrucht voort voor de Heer? ‘Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen’ (Hebr.13:15-16).

Naftali - Worstelaar of Strijder

‘Naftali is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen’ (Gen.49:21)

Over Naftali zei Mozes in zijn zegen: ‘Naftali is door de Heer ruim bedeeld, rijk gezegend door zijn gunst. Laat hij het westen en zuiden veroveren’ (Deut.33:23). Na de intocht in het beloofde land kreeg hij een gebied in het noorden, dat ten oosten grensde aan het meer van Gennesaret en aan de bovenloop van de Jordaan (Joz.20:7). Zebulon en Naftali waren een deel van het gebied genaamd ‘Galilea der heidenen’, waarvan gesproken is door de profeet Jesaja (9:1-2) en waar de bediening van de Heer Jezus begon (Mat.4:12-16). Ze waren werkelijk rijk gezegend en waren ruim bedeeld. Merk op dat Zebulon en Naftali werden onderscheiden voor hun moed in de strijd (Ri.5:18). Zijn naan betekend strijder en hij deed zijn naam eer aan. Barak diende Debora als aanvoerder en bevrijdde Israël van Jabin de koning van Kanaän en hij streed ook in de slag tegen Sisera (Ri.4-5). Nakomelingen van Naftali streden tegen de Midianieten (Ri.6-7). Het beeld van ‘een losgelaten hinde’ suggereert een vrijgevochten mens, niet gebonden aan traditie. De stam was gelegen in het heuvelland. Dus de omschrijving van Naftali als een hinde werd wellicht met oog daarop gekozen. De laatste zin in Jacobs zegenbede: ‘hij laat schone woorden horen’ suggereert dat ze poëtische mensen waren die zich goed konden uiten. Het bezit van de mogelijkheden om mooie woorden te spreken of diplomatiek te handelen, maakten hun tot ideale boodschappers. De nakomelingen van de twee zonen van Bilha lijken te contrasteren volkeren. De stam Dan wendde zich af van het geloof in de ware God en vertrouwde in de afgoden. Maar Naftali heeft geen veroordeling te horen gekregen. Vele jaren later toen de Assyriërs het noordelijk koninkrijk van Israël binnenvielen, was Naftali een van de eerste stammen die werden gedeporteerd. ‘In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglatpileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galila, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur’ (2Kon.15:29). Maar daarmee is het niet gedaan want in het boek Openbaring lezen we dat Naftali deel uitmaakt van 144.000. ‘En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvieren-veertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls, uit de stam Naftali twaalfduizend verzegelden’ (Op.7:6).

Jozef - De uitverkorene onder de broeders

‘Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is; door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders’ (Gen.49:22-26)

Het is niet mogelijk een kort overzicht over Jozef te geven, zijn geschiedenis beslaat immers dertien hoofdstukken van het boek Genesis. Hij is het voorbeeld (type) bij uitstek van de Heer Jezus in het Oude Testament! Jacob gebruikte het woord ‘zegenen’ minstens zes keer in zijn toespraak over Jozef. Hij was de gezegende onder de broeders. De boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar hij dreigde niet (1Petr.2:23), vergold geen kwaad met kwaad maar met goed (Rom.12:17v.). Jakob vergeleek Jozef met een wijnstok die vrucht droeg. Hij was geplaatst aan dé bron en groeide over de muur (Ps.1:3). Jozef zijn geschiedenis speelt zich af in vier verschillende plaatsen. (1) Jozef in Kanaän, als de lieveling van zijn vader (Gen.37). (2) Jozef in Egypte als slaaf en gevangene (Gen.39-40). (3) Jozef als onderkoning van Egypte (Gen.41-45). (4) Jozef en Jakob beiden in Egypte (Gen.46-50). Zijn geschiedenis wordt ons zo uitgebreid verteld, omdat zij ons verklaart hoe de aartsvaders in Egypte terechtkomen en hoe uit de familie van Jakob het volk Israël groeit. Maar Jozefs verhaal is ook zo uitvoerig omdat hij één van de mooiste typen van Christus in het Oude Testament is, als de Lieveling van zijn vader, als de Vernederde én als de Verhoogde, als de Redder der wereld die zegen en heil brengt zowel voor Israël als voor de volken (Hand.7:9-14, 51-53; Fil.2:6-11). Jozef is niet alleen maar een type van de Heer Jezus maar mag ook ons voorbeeld zijn. Leest u zijn geschiedenis maar eens.

Benjamin - Zoon van mijn rechterhand

‘Benjamin is een verscheurende wolf; in de morgen verslindt hij zijn prooi en tegen de avond verdeelt hij de buit.’ (Gen.49:27)

Benjamin was de jongste van Jakobs kinderen en dan denk je al gauw aan lieflijk, zacht, en eventueel verwend, maar dat blijkt uit niets. Het is ook zeker niet het imago van zijn nazaten, Benjaminieten. Benjamins geboorte kent enkele bijzonderheden. Hij is in tegenstelling tot zijn broers niet geboren in Haran, maar in de buurt van Efrata. Zijn naam kreeg hij aanvankelijk van zijn moeder, maar zijn vader veranderde die. Zijn geboorte betekende de dood van zijn moeder. Daarom kreeg hij de naam Ben-oni, ‘zoon van mijn ongeluk’. Jakob veranderde die naam in Benjamin ‘zoon van mijn rechterhand’. Zijn moeder kermt, zijn vader juicht. De dood van zijn moeder wekt, als ik de beschrijving lees, geen positief beeld op van hoe Jakob over haar denkt. Begraven ‘langs de weg’ zonder een teken van rouw, duidt dat op een verkoeling van liefde? Als Jozef uit het beeld van zijn vader weggevaagd is door de verkoop naar Egypte, valt de volle nadruk op Benjamin als zoon van Jakobs rechterhand. Jakob heeft Benjamin nodig, maar hij herinnert hem ook altijd weer aan zijn oudere broer. Benjamin kan Jakob niet troosten over het verlies van zijn zoon. En het wordt nog erger. Benjamin, het kind van zijn rechterhand, gaat hem ook nog ontvallen, wanneer Jozef van zijn broers eist dat zij hun jongste broer bij een volgend bezoek meebrengen. Benjamin, de zoon van de vertroosting, wordt hier zoon van smart. Jakobs beschrijving van Benjamin is als een ‘verscheurende wolf’, dat ziet er bloeddorstig uit. Nazaten van Benjamin worden in het Oude Testament regelmatig ten tonele gevoerd als krijgslustig en dapper. De kracht van Benjamin wordt echter lang niet altijd aangewend voor de goede zaak. Aan het einde van het boek Richteren wordt ons het verhaal verteld waarin Benjaminieten zich op een schandelijke manier vergrijpen aan de bijvrouw van een levitische man. Hier is Benjamin de wolf, het verscheurende dier zonder redelijk besef.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX