Wijsheidsboeken Prediker - Spreuken -Hooglied

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Inleiding op Spreuken

Inleiding en Indeling op het boek Prediker

Prediker - Deel 1 Inleiding en Indeling

Prediker - Deel 2 - Hoofdstuk 1:4-11

Prediker - Deel 3 - Hoofdstuk 1:12-2:2

Prediker - Deel 4 - Hoofdstuk 3

Prediker - Deel 5 - Hoofdstuk 4

Prediker - Deel 6 - Hoofdstuk 5:9 - 6:12

Prediker - Deel 7 - Hoofdstuk 7:1-29

Prediker - deel 8 - Hoofdstuk 8

Wordt vervolgd!

Inleiding en Indeling van het Hooglied

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op Spreuken

 

 

 

Titel

Een spreuk is kernachtige korte tekst met een algemene wijsheid of vermaning. Het Hebreeuwse woord voor ‘spreuken’ heeft de betekenis van een ‘vergelijking’. Als u het boek Spreuken leest zult u veel vergelijkingen of tegenstellingen tegenkomen. Zoals vaker in het Midden-Oosten gebruiken de mensen veel spreuken. Deze korte uitdrukkingen zijn gemakkelijk te onthouden, en ze bevatten veel wijsheid en weinig woorden.

Auteur

In Spreuken 1:1, 10:1 en 25:1 wordt Salomo gezien als de auteur van de meeste spreuken. 1Koningen 4:32 zegt dat Salomo meer dan 3000 spreuken heeft geschreven, en deze waren vermoedelijk in officiële documenten opgenomen. De mannen van Hizkia (een groep schrijvers in het gevolg van de koning die assisteerden in het overschrijven van de teksten) kopieerden uit het materiaal van Spreuken 25-29 (zie 25:1), terwijl koning Salomo zelf schreef of dicteerde de spreuken 1-24. In Spreuken 30-31 hebben we materiaal van andere schrijvers, hoewel veel uitleggers geloven dat ‘koning Lemuel’ in 31:1 Salomo is. Salomo was gekend voor zijn wijsheid, zelfs in zijn latere jaren toen hij van de Here afweek.

Onderwerp

Het sleutelwoord van het boek is ‘wijsheid’. Wij denken bij wijsheid vaak aan het intellectuele vermogen van de mens om praktische problemen op te lossen, maar in de Bijbel betekent wijsheid veel meer dan dat. Wijsheid heeft te maken met het hart en kennis met het verstand. Het is wijsheid om kennis in de praktijk om te zetten. Zo is er een woord van kennis, en een woord van wijsheid (1Kor.12:8). Er is een wijsheid van de wereld (1Kor.2:1-8) en wijsheid van Boven (Jak.3:13-18). In het boek Spreuken wordt de wijsheid uitgebeeld door een lieftallige vrouw die mensen oproept haar te volgen in een leven van voorspoed en succes. Dwaasheid wordt uitgebeeld door slechte vrouw die de dwazen verzoekt en oproept haar te volgen in het slechte. Uiteraard, is voor de gelovigen Jezus Christus de Wijsheid Gods (1Kor.1:24, 30; Kol.2:3). Wanneer je Salomo volgt in zijn beschrijving van de wijsheid in Spreuken 8:22-31, dan gaan je gedachten natuurlijk uit naar Jezus Christus. De wijsheid wordt beschreven in Spreuken 8 als iets goddelijks (vss.22-26), de schepper van alle dingen (vvs.27-29), en de geliefde van God (vss.30-31). Daarbij denk je aan 1 Joh.1:2 en Kol.1:15-19. Je leven toewijden aan God en Hem gehoorzamen is de ware wijsheid.

De dwaas

Spreuken richt zich tot drie soorten mensen die dringend wijsheid nodig hebben: de dwaas, de eenvoudige en de spotter (zie 1:22). De dwaas is de persoon die gesloten, traag, onzorgvuldig en zelfvoldaan is. Nabal in 1 Samuël 25 is daarvan een goed voorbeeld; de naam Nabal betekent immers ‘dwaas’. De dwaas heeft een hekel aan regels (1:7, 22), vertrouwt op zichzelf (12:15). Hij praat zonder na te denken (29:11) en spot met de zonde (14:9). De eenvoudigen zijn hen die alles en iedereen geloven (14:15) en hebben gebrek aan onderscheidingsvermogen. Ze worden gauw door anderen verleid en in de war gebracht, omdat ze geen inzicht hebben (7:7). Ze overzien de consequenties van hun beslissingen niet (22:3) en, als gevolg daarvan, komen ze in moeilijkheden. Zondaren spotten met Gods wijsheid omdat ze zover niet willen denken (14:6), maar ze zullen dat niet toegeven omdat ze alles beter weten (21:24). Het Hebreeuwse woord voor ‘spotters’ betekent letterlijk ‘een grote mond hebben’ en we kunnen daar gemakkelijk een beeld bij verzinnen als hen die spottend hun lippen optrekken. Ze trekken zich niets aan van bestraffing (9:7-8; 13:1) en het resultaat is dan uiteindelijk hun oordeel (19:29).

De wijze

Spreuken schetst ons het karakter van de wijze: zij luisteren naar de onderwijzing (1:5); gehoorzamen aan wat ze horen (1:8); nemen op wat ze leren (10:14); winnen anderen voor de Heer (11:30); vluchten voor de zonde (14:16); houden hun tong in bedwang (16:23); zijn ijverig in hun dagelijkse arbeid (10:5).

Waarde

De waarde van Spreuken voor ons is, dat het kan dienen als een reisgids voor benodigde praktische wijsheid in het dagelijks leven. Het leert ons allerlei dingen zoals het gebruik van de tong, geldzaken, vriendschappen, het huisgezin. Het zou goed voor de gelovigen zijn (en zeker voor de jongeren) om elke dag een hoofdstuk van Spreuken te lezen, dan lees je het boek in een maand uit. Vermeldingen van Spreuken in het Nieuwe Testament zijn: Rom.3:15 vs. Spr.1:16; Heb.12:5-6 en Op.3:19 vs. Spr.3:11-12; Jak.4:6 en 1Petr.5:5 vs.Spr.3:34; Rom.12:20 vs. Spr.25:21-22; en 2Petr.2:22 vs.Spr.26:11)

Interpretatie

Spreuken zijn algemene opmerkingen betreffende het leven en geen beloften die wij mogen claimen. Hoewel er soms grote beloften vermeld worden in het boek Spreuken. De basisvereisten om de spreuken toe te passen is de vreze des Heren (1:7), en gehoorzaamheid (3:5-6; zie Joh.7:17). Het doel van het boek is om de gelovige persoonlijke bekwaamheid te geven in relaties en ondernemingen. Het begin is daarom onderwerping aan God. Het is niet goed om een of twee spreuken los van de gehele inhoud van het boek toe te passen. Maar, er zijn voorbeelden waarbij dat wel kan, maar doet niets af aan de boodschap ervan. Niet alle gelovigen leven lang (3:1-2) of worden rijk (3:10). In sommige delen van de wereld, sterven gelovigen van de honger en armoede. Maar in het algemeen gesproken, hebben zij die God gehoorzamen aandacht voor hun lichaam en verzorgen het. Het boek Spreuken roept ons ertoe op om Gods wijsheid toe te passen in ons leven.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding en Indeling op het boek Prediker

 

 

 

Titel

De Nederlandse titel ‘Prediker’ komt uit het boek zelf: ‘Ik prediker, was koning over Israël te Jeruzalem’ (Pr.1:1, 12). De prediker bespreekt actuele zaken en probeert daaraan een conclusie te verbinden.

Schrijver

Salomon wordt gezien als de auteur (1:1-2, 12). Hij was bekend voor zijn grote wijsheid en rijkdom en ook voor zijn vreugde en genoegens. Er is geen enkele andere koning die past bij het beeld dat hier van de Prediker geschetst wordt dan Salomo.

Onderwerp

Het onderwerp van Prediker wordt vermeld in de verzen 1:1-3 en kunnen we als volgt omschrijven: ‘Is het leven werkelijk waard om geleefd te worden?’ Salomo kijkt naar de wereld met zijn tegenstrijdigheden en geheimen, en hij vraagt zich af of die eindeloze herhalingen het leven wel waarde geven. Mensen zwoegen in dit leven, sterven, en ander gaat er vandoor met het vermogen en brengen het erdoor. Salomo komt tot de conclusie dat het beste wat je kan doen is geniet nú van Gods zegeningen, vrees God en gehoorzaam zijn Woord. Natuurlijk weten wij, met de kennis van het Nieuwe Testament, dat ‘ons werk in de Heer niet tevergeefs is’ (1Kor.15:58).

Sommige sleutelwoorden en verzen in Prediker zijn: de mens (47 keer), arbeid (36 keer), onder de zon ((30), ijdelheid (37 keer), wijsheid (52 keer), en boos of kwaad (22 keer). Houdt rekening met het feit dat Salomo de dingen bekijkt zoals hij ze waarneemt ‘onder de zon’. Als je alles alleen maar bekijkt in het licht van het boek Prediker blijf je in het duister. Voor meer licht op allerlei zaken ‘onder de zon’ is de volledige openbaring van het Nieuwe Testament noodzakelijk. Men dient voorzichtig te zijn met aanhalingen van teksten uit het boek Prediker zonder rekening te houden met de context.

Problemen

Leert Prediker dat de mensen gelijk aan de dieren zijn, en dat er geen leven na de dood is? Neen! Lees de verzen waarin de dood ter sprake komt aandachtig: 2:14-16; 3:16-22; 6:1-6; 7:2-4; 9:1-4. Je zult tot de ontdekking komen dat Salomo wel gelooft in een leven na de dood. In 3:17 maakt hij melding van een toekomstig oordeel, en ook in 11:9 en 12:14. Als er geen leven na de dood is, hoe kan er dan sprake zijn van een oordeel? Wat er gebeurt men mens als met dier (3:19-20) is dat ze beide naar dezelfde plaats gaan – het stof. Maar let op! De geest van de mens keert terug tot God (vs.21) en 12:7 maakt dat nog duidelijker: Zoals ‘het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft’. Salomo beschikte niet over de volle openbaring van het Nieuwe Testament in verband met het leven, dood, opstanding en oordeel, maar hij spreekt het onderwijs van het NT ook niet tegen.

Leert Prediker ‘eet, drink en weest vrolijk?’ Nee, dat doet hij niet, maar wel dat we mogen genieten van Gods zegeningen als we daarvoor in de mogelijkheid zijn. Elk gedeelte van Prediker waarover ‘genieten’ gesproken wordt vinden we als ‘tegengewicht’ een gedeelte over ‘de dood’: 2:12-23 met 2:24-26; 3:16-21 met 3:12-15, 22; 6:1-7 met 5:18-20; en 9:1-4 met 8:15-17. Daarmee bedoeld Salomo te zeggen: ‘Met het oog op de kortheid van het leven en de zekerheid van de dood, geniet van Gods zegeningen, de opbrengst van je gezwoeg. En gebruik de ontvangen zegeningen tot zijn eer. Dit komt overeen met wat Paulus omschrijft in 1Tim.6:17. Salomo spoort de mens niet aan tot een ongebreideld leven en zwelgpartijen. Eigenlijk spoort hij ons aan om het leven te waarderen en van het goede te genieten.

Gods waarheid wordt geleidelijk aan ontwikkeld, er is een progressieve ontwikkeling waar te nemen in de Bijbel. We dienen Prediker daarom ook uit te leggen met gebruikmaking van het Nieuwe Testament. Als met de dood alles afgelopen is, dan is het leven niet waard om geleefd te worden. Maar als we de Heer Jezus kennen, als onze Heer en Heiland, wordt het leven een waardevol geloofsavontuur. En al ons zwoegen zal worden beloond en niet voor niets (1Kor.15:51-58). Verlossing en opstanding in Christus maken het leven waardevol. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (1Joh.2:17). ‘Hun werken volgen hen’ (Op.14:13). Salomo’s conclusie van hoofdstukken 11-12 dragen die gedachte uit: leef uit en door geloof, gehoorzaam God, en Hij zal voor de rest zorgdragen. Geniet van zijn zegeningen en investeer in je leven waar het werkelijk om gaat.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Prediker

I. Introductie (1:1-3)

 De eerste observaties (1:4-2:26)

A. De mens is slechts radertje in een groot geheel (1:4-11)

B. De mensen kunnen het leven niet doorgronden (1:12-18)

C. Rijkdom en plezier kunnen niet bevredigen (2:1-11)

D. Door de dood komt aan alles een einde (2:12-23)

E. Conclusie: Geniet van Gods zegen (2:24-26)

Meer diepere waarnemingen (3-10)

God heeft een doel met de ingewikkeldheid van het leven ((3)

Rijkdom en geluk kunnen God niet verheerlijken (4-)

De wijsheid van God is beter dan een leven vol dwaasheid (7-10)

De eindconclusie (11-12)

Leef door geloof (11:1-6)

Hou rekening met de dood (11:7-12:7)

Gehoorzaam God en heb ontzag voor Hem (12:8-14) 

________________________________________________________________________

 

Het boek Prediker

 Deel 1

 

 Het leven is als modern toneel, als je de helft begrijpt dan is het veel!

 

 

 

 

 

Algemene Inleiding

In ieder van ons schuilt wel een filosoof, waarmee ik bedoel dat ieder mens wel een of andere wereldbeschouwing heeft. Het boek Prediker, waarvan ik uitga Salomo de auteur is, behoort dan ook tot de zgn. Wijsheid geschriften van het Oude Testament. Als we mogen aannemen dat Salomo omstreeks 1000 v. Christus heeft geleefd, dan kunnen we met stelligheid zeggen dat hij de eerste filosoof was. De eerste filosofen traden rond 600 v.Chr. op en algemeen wordt Thales uit Milete en Anaximander als de vaders van de westerse filosofie beschouwd. Zij, en na hen vele anderen, ruilden de mythologische wereldbeschouwing in voor een min of meer ‘wetenschappelijke’ methode. Daarom kan Salomo met recht een filosoof genoemd worden, eeuwen eerder dat de eerste filosofen van de antieke wereld. Een filosoof is iemand die ‘liefde voor de wijsheid’ heeft, en in 1Koningen 3:1-15 vraagt Salomo van God een opmerkzaam hart, en God gaf hem ‘een wijs en verstandig hart’. Salomo ’s opgedane wijsheid kunnen we, los van het boek Prediker, tevens terugvinden in het Bijbelboek Spreuken.

God niet betrekken in ons denken, God daarvan uitsluiten (deïsme) - en in dit boek wordt dat duidelijk gemaakt door het sleutelwoord ‘onder de zon’, ontzegd ons een juiste kijk op de werkelijkheid. De naam van God wordt voor het eerst genoemd in 2:26. Wanneer er geen God is, dan is de wereld een gesloten, uniform en voorspelbaar systeem, waarin niets kan veranderen. Dat is een wereld waar geen antwoord op gebeden komen of wonderen kunnen gebeuren! Maar God heeft ‘ingebroken’ in deze wereld en heeft van Zich laten ‘horen’ doordat Hij liet de zon stilstaan (Joz.10), een doorgang door de Rode Zee maakte waardoor het volk Israël kon trekken, ook door de Jordaan (Ex.14, Jz3-4), onthield en gaf regen (Jak.5:17-18), en stilde de zee (Mark.4:35) en zal nog ‘inbreken’ om deze wereld te oordelen! (Op.6vv.; Ps.2).

Ook vandaag zijn er mensen die van mening zijn dat er geen God is en dat daarvan geen bewijzen zijn in de geschiedenis van onze planeet. Tegen ons en over die mensen zegt de apostel Petrus het volgende: ‘Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó als van het begin van de schepping. Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God de hemelen van oudsher waren, en een aarde bestaande uit water en door water, waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en worden bewaard tot de dag van het oordeel en van de ondergang van de goddeloze mensen’ (2Petr.3:3-7).

De naam

In de Engelse taal wordt dit Bijbelboek ‘Ecclesiastes’ genoemd, dat van het Griekse woord ekklesia komt, dat in het Nieuwe Testament is vertaald met ‘kerk’, ‘gemeente’ of ‘vergadering’. Het heeft de idee in zich van een prediker die een vergadering van mensen toespreekt (zie: 1:1-2; 12:8-10). De Nederlandse titel – Prediker – die aan dit boek gegeven is komt van het woord ‘Qohèlét’ en dat is iemand die het woord voert in een vergadering zoals we dat en vinden we in het begin van het boek 1:1 en in vers 12 waar staat ‘Ik, Prediker, was koning over Israël te Jeruzalem’ (zie ook: 7:27; 12:8-10). De prediker stelt een praktisch probleem, bespreekt het, en zoekt naar een conclusie.

De auteur

Hoewel door sommigen betwijfeld op grond van 1:16 en 2:7, teksten die in de verleden tijd staan, wordt Salomo algemeen aanvaard als de auteur; zie 1:1-2, 12. Hij was wijd en zijd bekend om zijn wijsheid, getuige de koningin van Sjeba: ‘De koningin van het Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met de mannen van dit geslacht en zal hen veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen’ (Luk.11:31). Toen zij bij Salomo was zei ze tot de koning: Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb. Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen’ (1Kon.10:6-7). Zoals blijkt uit de volgende tekst was de koningin van Sjeba ook buiten zichzelf toen ze zijn rijkdom, welvaart en dienst aan de Here zag. ‘Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd, het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzaten, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf’ (1Kon.10:4-5). Geen andere koning in het Oude Testament voldoet beter aan de beschrijving van de koning in het boek Prediker dan Salomo. De rijkdom en wijsheid van Salomo wordt ook vermeld in het Nieuwe Testament (o.a. Mat.6:29, 12:42).

Het doel

Het boek Prediker beschrijft de poging van een wijs man de zin van de dingen te begrijpen en waar geluk te vinden. Maar hij beperkt zich tot wat ‘onder de zon’ is (de zichtbare dingen). Het resultaat van dit onderzoek is dat alles ‘ijdelheid’ blijkt te zijn (zinloos en hopeloos) zolang men God erbuiten laat. De betekenis van het leven wordt pas duidelijk wanneer men erkent dat God aan het eind van dat leven zal beoordelen in hoeverre het met Zijn wet in overeenstemming was. Het boek laat ons zien dat de wijsheid van de mens zonder God dwaasheid is en dat alleen God zin aan het leven kan geven. Om die reden is het boek Prediker zeer actueel juist in onze tijd waarin met God buiten spel heeft gezet. Door de zogenaamde secularisatie van de maatschappij en cultuur, heeft God zich teruggetrokken en/of is de mens verduisterd.

Het Onderwerp

Het onderwerp wordt vermeld in 1:1-3, en kan worden omschreven als: ‘Is het leven werkelijk waard om geleefd te worden?’ Salomo kijkt naar het leven met zijn schijnbare tegenstellingen en geheimenissen, en hij verbaast zich of het ‘eindeloos herhalen’ van het bestaan het leven waard is. Mensen zwoegen hun hele leven, daarna sterven zij, en iemand minder belangrijk dan zij erven de rijkdom en verspillen het. Salomo komt tot de conclusie dat het beste wat je kan doen is om nù te genieten van Gods zegeningen, God te vrezen, en vast te houden aan zijn Woord. Natuurlijk weten wij met het licht vanuit het Nieuwe Testament, dat ‘ons werk is niet tevergeefs in de Heer’ (1Kor.15:58).

Sleutelwoorden

Enige sleutelwoorden in het boek prediker zijn: mens (47 keer), arbeid (36 keer), onder de zon (30 keer), ijdelheid (37 keer), wijsheid of wijs (52 keer), kwaad (22 keer). Realiseer je dat Salomo de zaken beredeneert die ‘onder de zon’ gebeuren, dat wil zeggen dat je alles ervaart zonder rekening te houden met God. Als je stopt met lezen van het boek Prediker en niet verder gaat, dan blijf je zitten met vragen; maar je moet doorgaan om te komen bij het Nieuwe Testament waar de gehele raad van God wordt ontvouwd. Veel religieuze of filosofische ingestelde mensen gebruiken vaak (uit hun verband gerukte) teksten uit dit boek om hun eigen denken te ondersteunen.

De problemen

Beschrijft Prediker dan niet dat mensen sterven zoals de dieren, en dat er geen leven na de dood is? Nee. Lees de gedeelten die ‘de dood’ behandelen zorgvuldig (2:14-16; 3:16-22; 6:1-6; 7:2-4; 9:1-4) en je zal zien dat Salomo zeker gelooft in een leven na de dood. In 3:17 vermeld hij een toekomstig oordeel, en ook in 11:9 en 12:14. Als er geen leven na de dood is, hoe kan er dan een toekomstig oordeel zijn? Het ‘ene lot’ dat zowel de mens als de dieren treft (3:19-20) is dat beiden naar dezelfde plaats gaan – het stof. Maar let op vers 21 waar we lezen dat de geest van de mens opstijgt tot God; zie ook 12:7. Salomo had niet de volle openbaring van het Nieuwe Testament betreffende het leven, dood, opstanding, en oordeel, maar hij weerspreekt het nieuwtestamentisch onderwijs niet.

Leert Prediker ‘Eet, drink en wees gelukkig?’ Nee. Het onderwijst wel dat we de van God ontvangen zegeningen mogen genieten als we kunnen. Tegenover elk onderdeel dat het onderwerp ‘genieten’ behandeld, staat een gedeelte over de ‘dood’ (2:12-23 met 2:24-26; 3:16-21 met 3:12-15; en 22; 6:1-7 met 5:18-20; en 9:1-4 met 8:15-17. Salomo zegt: ‘Met het oog op de kortheid van het leven en de zekerheid van de dood, geniet nù van Gods zegeningen en de opbrengst van je arbeid. Gebruik deze zegeningen ter ere van God.’ Dat stemt overeen met wat Paulus schrijft in 1Tim.6:17: ‘God die ons alles rijkelijk geeft om te genieten’. Salomo raadt ons niet aan om roekeloos te genieten of in dronkenschap te gaan leven. Eerder raadt hij ons aan om het leven te waarderen en te genieten van de daarmee verbonden zegeningen.

Gods waarheid is niet in één keer bekendgemaakt, er is een progressieve ontvouwing van de waarheid in de Bijbel die met de komst van het Nieuwe Testament voltooid is. Er is wel voortschrijding in ons inzicht van de Bijbel, maar dat is heel wat anders dan een voortschrijding van de ontvouwing van de waarheid door God, die is voltooid! ‘Het geloof dat eenmaal aan de heilige is overgeleverd (Judas vers 3; Kol.1:25). Daarom dienen wij bij de interpretatie van het boek Prediker rekening te houden met het Nieuwe Testament. Als de dood aan alles een einde maakt, dan is het leven niet waard geleefd te worden, en zijn de mensen inderdaad te beklagen. Maar als we Christus als onze Heiland en Heer kennen, dan wordt het leven een adembenemend geloofsavontuur. En al ons zwoegen betekend geen ijdelheid meer, maar we zullen ervoor beloond worden (1Kor.15:51-58). Redding en opstanding door Christus maakt het leven waardevol. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (1Joh.2:17). ‘Hun werken volgen hen’ (Op.14:13). Salomo ’s conclusie in de hoofdstukken 11-12 is dan ook: leef in geloof, gehoorzaam God, en Hij zal voor al het andere zorg dragen. Geniet nu van Zijn zegeningen en investeer je leven in de dingen waar het werkelijk om gaat.

Toepassing

Ook in onze huidige wereld is er ongerechtigheid t.o.v. de armen (4:1-3), corrupte politici (5:8), incompetente leiders (10:6-7), criminele mensen (8:11), materialisme (5:10), een verlangen naar de ‘goeie, ouwe tijd’ (7:10). Daarom is dit boek nog even actueel als in de tijd van de auteur. Het hart van de mens is te allen tijde boos (Gen.6:5).

 

Prediker

Hoofdstuk 1:4-11

Deel 2

Inleiding 

Het deïsme is de leer die God als Schepper erkent, maar gelooft dat Hij zich sinds de schepping niet meer met haar inlaat en dus het werk van de onderhouding loochent. Toch leert de Schrift ons dat God Zich wel degelijk met zijn schepping bezighoudt. Onze hoop is gevestigd op de levende God, die een Onderhouder is van alle mensen, schrijft de apostel Paulus aan zijn geestelijk kind Timotheüs (1Tim.4:10). En: ‘Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan, hoewel Hij Zich toch niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde’ (Hand.14:16-17). Wanneer we echter God uitsluiten (deïsme), en in dit gedeelte van het boek prediker wordt de naam van God niet genoemd, dan is de wereld een gesloten systeem, een uniform en voorspelbaar systeem, waarin niets kan veranderen. Dat is een wereld waar geen antwoord op gebeden kunnen komen of wonderen kunnen gebeuren!

Maar God heeft ingebroken; Hij liet de zon stilstaan (Joz.10), opende de Rode Zee en de Jordaan (Ex.14, Joz.3-4), onthield en gaf regen (Jak.5:17-18), en stilde de zee (Mark.4:35) en zal nog ‘inbreken’ om deze wereld te oordelen! (Op.6vv.; Ps.2). Maar de grootste gebeurtenis waarin God Zich heeft laten zien dat Hij wel bij zijn schepping en schepselen betrokken is natuurlijk doordat Hij zijn Zoon gezonden voor de zonden van wereld. Niet de mens heeft God gezocht, God heeft de mens opgezocht!

De vraag die beantwoordt moet worden is deze: ‘Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?’ (Pred.1:3).

1. Leven in cirkels! (1:4-7) – Prediker als wetenschapper

‘Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó als van het begin van de schepping’, zeiden de spotters in de dagen van de apostel Petrus (2Petr.3:4). Er is niets veranderd, want ook vandaag horen we hetzelfde: we leven in cirkels. Maar in het voorgaande hebben we gezien dat dat niet overeenkomt met wat Gods Woord ons leert. Er is wel beweging, maar geen vooruitgang, laat staan verandering. Zo, onder de zon, beschouwd Salomo de aarde, zon, wind en zee en hij ziet geen verandering, alleen herhaling, en dat is onuitsprekelijk vermoeiend (1:8). Salomo vermeld dezelfde elementen, aarde, zon, wind en zee, als de Siciliaanse natuurfilosoof Empedocles die enige eeuwen na hem leefde (495-435 v.Chr.) Alle veranderingen verklaart Empedocles door de tegengestelde krachten van haat en liefde waarmee deze vier substanties op elkaar inwerken. De zesde eeuw is wereldhistorisch van grote betekenis geweest omdat er zich belangrijke veranderingen in de geestesgeschiedenis van de mensheid voordeden. We denken maar aan Confusius in China en Boedha in India. Het ging de eerste natuurfilosofen erom om één beginsel te vinden waaruit alles verklaart kon worden. Salomo vermeld vier zaken waaruit blijkt dat er wel beweging is maar dat er niets verandert.

Niets veranderd (1:4-7)

De aarde – draait om de zon (vs.4)

‘Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden’ (Gen.8:22). De aarde is een stabiele factor, en geldt dat niet voor het gehele universum? ‘De hemelen vertellen Gods eer, het uitspansel verkondigt het werk van zijn handen!’ (Ps.19:2). ‘Buigt u neder voor de Here in heilige feestdos, beef voor zijn aangezicht, gij ganse aarde: vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt. (1Kron.16:29-30). ‘Vast staat nu de wereld, zij wankelt niet’ (Ps.93:1; 96:10). Dit is uiteraard spreektaal, want we weten dat de aarde om zijn eigen as draait en om de zon. Hier gaat het erom weer te geven dat er geen verandering is voor wat betreft onze planeet. De aarde zal altijd blijven bestaan, aldus Prediker.

De zon – van oost naar west (vs.5)

Wat is het nut eigenlijk van de zon? Dag en nacht wisselen elkaar af. ‘En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot tekenen, en tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren! En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo. En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; en ook de sterren. En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was’ (Gen.1:14-18). Zo gaat het eindeloos voort, zolang de aarde bestaat. Wel beweging maar geen verandering! ‘Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon, die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen. Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed’ (Ps.19:5-7).

De wind – van zuid naar noord (vs.6)

De aarde draait om de zon, en de zom komt op in het oosten en gaat onder in het westen en de wind van het zuiden naar het noorden en vervolgt zijn kringloop. In de bewing van aarde, zon en maan zit regelmaat, een zekere orde, maar er zit geen systeem in de beweging van de wind, die blijft voor ons verborgen. ‘De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is eenieder, die uit de Geest geboren is’ (Joh.3:8).

De zee – heen en weer (vs.7)

Als laatste observeert Prediker de zee en ziet het proces dat wij kennen als de waterkringloop. Zeewater verdampt van nature, maar onder invloed van de zon versnelt dat proces zich. Als de waterdamp boven land komt dan zal de waterdamp afkoelen en als waterdruppels vrijkomen. Deze vallen dan naar beneden als neerslag en loopt als oppervlaktewater, door rivieren en andere watergangen terug naar zee. De kringloop is hiermee rond.

Nu Salomo aan het einde is gekomen van zijn observatie van de aarde, zon, wind en water komt hij tot de conclusie dat er geen voordeel ‘onder zon’! Er is wel beweging maar geen verandering, alles is onuitsprekelijk vermoeiend en het oog wordt niet vol van het zien en het oor van het horen!

2. Er is niets nieuws (1:8-11) – Prediker als historicus

Is er wezenlijk iets verandert in de wereld vanaf de schepping tot op mijn tijd, vraagt Prediker zich af. Nee, zegt hij: Er is niets nieuws. De wetmatigheden die gelden voor deze aarde blijven hetzelfde zolang die bestaat. Wetenschappelijke wetten, ook wel natuurwetten genoemd, zijn vastgestelde wetmatigheden in bepaalde verschijnselen, die als universeel en onveranderlijk worden beschouwd. De handelswijzen zijn veranderd, maar de principes zijn onveranderd. We doden nu onze vijanden met een geweer en vroeger met een zwaard, maar dat is niet nieuw, alleen maar anders.

Maar mensen willen altijd iets nieuws. ‘Alle Atheners nu en de vreemdelingen, die zich daar ophielden, hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen’ (Hand.17:21). Maar als er werkelijk niets veranderd, doordat we in een gesloten systeem leven, kan er ook niets nieuws ontstaan en blijft alles hetzelfde!

Als God wordt buiten gesloten brengt de wereld niets nieuws tot stand, maar met God wel! Een nieuwe schepping wordt dan mogelijk, waarvan wij de eerstelingen zijn (2Kor.5:17) en kunnen we wandelen in nieuwheid van leven (Rom.6:4), en een nieuw lied zingen (Ps.40:3) en het heiligdom binnengaan via een nieuwe en levende weg (Heb.10:20) in de verwachting van een nieuwe hemel en aarde (Op.21:1, 5).

3. De ijdelheid van de wijsheid (1:12-18) – Prediker als filosoof

In ieder van ons schuilt wel een filosoof, waarmee ik bedoel dat ieder mens wel een of andere wereldbeschouwing heeft. Het boek Prediker, waarvan Salomo de auteur is, behoort dan ook tot de zgn. Wijsheidsgeschriften. Ook kan Salomo met recht een filosoof genoemd worden, dat is iemand die ‘liefde voor de wijsheid’ heeft, want in 1 Kon.3:1-15 vraagt Salomo van God een opmerkzaam hart, en God gaf hem “een wijs en verstandig hart’. Salomo’s opgedane wijsheid kunnen we terugvinden in de Bijbelboek Spreuken, Prediker en Hooglied. Dus, als er iemand is die ons de geheimen van het leven kan vertellen dan is het wel Salomo, of toch niet? De mens kan niets van alles wat gebeurt verstaan. Van Joost van den Vondels is de spreuk: ‘De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel’, en wordt strijd om de macht als een toneelstuk neergezet. Het probleem van het leven op te lossen en alle vragen te kunnen beantwoorden, zelfs daarin schiet de wijsheid tekort. Het voegt alleen maar toe aan smart en verdriet, want ‘wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. In de hof van Eden kwamen Adam en Eva in de positie, vanwege de zonde, om naast het goede ook het kwade te leren kennen en ze ervoeren daardoor verdriet (Gen.3:5). De mens is niet geëvolueerd, niet wijzer geworden, maar gedegradeerd, het hart is verduisterd geworden. (Rom.1:21; Ef.4:17). Iemand die geworsteld heeft met vragen betreffende het leven is uiteraard Job, maar hij kon het niet verklaren en moest leren te leven door geloof. Toen de Here Job vragen stelde, zoals: ‘Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers!’ moest Job het antwoord op alle vragen schuldig blijven. Uiteindelijk moest hij zijn onmacht toegeven en zei: ‘Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond’ (Job.38:4vv.; 39:37). Nee, onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.’ (1Kor.13:9; Jak.1:5). Waar wordt dan de wijsheid gevonden en waar is toch de verblijfplaats van het inzicht? Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht; (Job.28:12,28). We zullen nooit alles kunnen verklaren en ontdekken, ‘Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren’ (1Kor.13:9).

 

______________________________________________________________

 

Prediker

Hoofdstuk 1:12- 2:23

Deel 3

Inleiding

In de eerste elf verzen van het eerste hoofdstuk hebben we gedacht aan de eentonigheid van het leven; alles is onuitsprekelijk vermoeiend! In de resterende verzen van hoofdstuk 1 en daaropvolgend tweede hoofdstuk gaat het over bezittingen, rijkdom, wijsheid en het leven. We volgen Salomo als bouwer, econoom, filosoof en theoloog. God gaf het leven om ervan te genieten en om erin te investeren (1Tim.6:17-19), maar Salomo besloot ermee te experimenteren. Hij beproefde zijn hart met plezier te maken (vs.1-3), met werken (vs.4-6) en met het vergaren van rijkdom (vs.7-9), en hij ontdekte dat dit alles geen voldoening gaf. Het kan allemaal een zekere maken van genieten brengen als men ermee bezig is, maar als alles gedaan is, voelt men zich leeg (vs.10-11). Genieten zonder God is alleen maar vermaak; geen verrijking; van vermaak kun je niet leven. Op dit punt werd Salomo cynisch en kreeg een afkeer van het leven (vs.12-23; zie ook Ps.34:12-15; 1Petr.3:10-12). ‘Waarom zou ik al die moeite doen,’ vroeg hij zich af, als ik toch ga sterven? Wie zal zich mij herinneren?’ Het antwoord van Paulus hierop is te vinden in 1Korinthiërs 15:58, en dat van Johannes in 1Johannes 2:17. In plaats van te klagen over wat u niet hebt, moet u God danken voor wat u wel hebt en ervan genieten (vs.24-26). Tel uw zegeningen!

Salomo als filosoof - Het vergeefse van de wijsheid (1:12-18)

In ieder van ons schuilt wel een filosoof, waarmee ik bedoel dat ieder mens wel een of andere wereldbeschouwing heeft. Het boek Prediker, waarvan Salomo de auteur is, behoort dan ook tot de zgn. Wijsheidsgeschriften. Ook kan Salomo met recht een filosoof genoemd worden, dat is iemand die ‘liefde voor de wijsheid’ heeft, want in 1Koningen 3:1-15 vraagt Salomo van God een opmerkzaam hart, en God gaf hem “een wijs en verstandig hart’. Salomo’s opgedane wijsheid kunnen we terugvinden in de Bijbelboek Spreuken, Prediker en Hooglied. Dus, als er iemand is die ons de geheimen van het leven kan vertellen dan is het wel Salomo, of toch niet? De mens kan niets van alles wat gebeurt verstaan. Van Joost van den Vondels is de spreuk: ‘De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel’, en wordt strijd om de macht als een toneelstuk neergezet. Het probleem van het leven op te lossen en alle vragen te kunnen beantwoorden, zelfs daarin schiet de wijsheid tekort. Het voegt alleen maar toe aan smart en verdriet, want ‘wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. In de hof van Eden kwamen Adam en Eva in de positie, vanwege de zonde, om naast het goede ook het kwade te leren kennen en ze ervoeren daardoor verdriet (Gen.3:5). De mens is niet geëvolueerd, niet wijzer geworden, maar gedegradeerd, het hart is verduisterd geworden. (Rom.1:21; Ef.4:17). Iemand die geworsteld heeft met vragen betreffende het leven is uiteraard Job, maar hij kon het niet verklaren en moest leren te leven door geloof. Toen de Here Job vragen stelde, zoals: ‘Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers!’ moest Job het antwoord op alle vragen schuldig blijven. Uiteindelijk moest hij zijn onmacht toegeven en zei: ‘Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond’ (Job.38:4vv.; 39:37). Nee, onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.’ (1Kor.13:9; Jak.1:5). Waar wordt dan de wijsheid gevonden en waar is toch de verblijfplaats van het inzicht? Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht; (Job.28:12,28). We zullen nooit alles kunnen verklaren en ontdekken, ‘Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren’ (1Kor.13:9).

Salomo als theoloog - De onzekerheid van het leven (2:1-3, 20-23)

Een van de levensvragen waarmee alle mensen worstelen is de zekerheid van de dood. De dood is het einde van alles en voor iedereen, want door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood (Rom.5:12; 6:23). Het is de mens beschikt éénmaal te sterven (Heb.9:27) maar de onzekerheid is: wanneer? Vragen waar ook Job mee zat, want zei hij: ‘De een sterft in ongebroken kracht, volkomen rustig en vredig; zijn lendenen zijn vol vet, en het merg zijner beenderen blijft fris. De ander sterft bitter te moede, zonder het goede te hebben gesmaakt. Tezamen liggen zij neer in het stof, en het gewormte bedekt hen‘ (Job 21:23-26). Voor de rijke dwaas kwam de dood onverwacht, want God zei tot hem in die gelijkenis: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen en wat hebt u bereid en voor wie zal het zijn? (Luk.12:20). Ook in verband met de komst van de Heer Jezus in heerlijkheid en het daarmee gepaard gaand oordeel, staat geschreven: ‘En zij bemerkten het niet! (Mat.24:39). De dood is een ongenode ‘gast’, de laatste vijand en zijn komst is vaak onverwacht en ongewenst, maar er is niet aan te ontkomen, dat is zeker! Maar je kan je er wel op voorbereiden De vraag die blijft is dan ook, niet wanneer sterf ik, maar wat na dood? De Bijbel, bij monde van de Heer Jezus, is daar duidelijk over: ‘En weest niet bang voor hen die het lichaam doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel’ (Mat.10:28). Let wel: de hel of het eeuwige vuur is er niet voor mensen, maar voor de duivel en zijn engelen (demonen) (Mat.25:41). Het is naar de gedachten en wens van God dat een mens daarin terechtkomt maar veeleer dat hij zich bekeert en leeft; of is dat te veel gevraagd? (2Petr.3:9; Ez.18:23). Dus bereid u voor God te ontmoeten (Amos 4:12), want alleen die mens is voorbereid om te leven die ook voorbereid is op de dood!

Salomo als workaholic - Het vergaren van bezit (2:4-11)

Salomo moet een enorm druk leven hebben gehad als je afgaat op wat hij allemaal tot stand heeft gebracht. Uiteraard heeft hij zijn plannen gedelegeerd aan anderen om deze uit te werken, maar toch! ‘En niets dat mijn ogen wensten, ontzegde ik ze, noch hield ik mijn hart van enige vreugde terug, ja, mijn hart verheugde zich over al mijn zwoegen, en dit was wat al mijn gezwoeg mij opleverde. Toen ik mij nu wendde tot alle werken die mijn handen hadden gewrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen – zie, alles was ijdelheid en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon’ (2:10-11). De opsomming in 2:4-8 kan nog aangevuld worden met ‘huizen’ (1Kon.4:33), steden (2Kron.8:4-6), tuinen, wijngaarden, boomgaarden bossen (1Kon.4:33) en de watersystemen die daarvoor benodigd waren. En dan zijn grootste prestatie: de tempel in Jeruzalem (11Kon.5vv.), een van de grootste gebouwen van de antieke wereld; Iemand heeft eens gezegd: ‘Succes is erg plezierig, totdat je het hebt!’ Salomo vond voldoening in zijn werken (2:10), maar toen het eenmaal was volbracht zag hij dat het alleen maar ijdelheid en was en najagen van wind (2:11). We mogen niet de conclusie trekken dat Salomo werken veroordeelde, want het is een zegen van God. Adam had werk te doen, zelf vóór de zondeval. ‘En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren‘ (Gen.2:15). Salomo veroordeelde luiheid (1Kor.10:31; 2Thes.3:10), maar werk alleen kan hart van de mens niet bevredigen, hoe succesvol dat werk ook mag zijn (Jes.55:2). Een workaholic probeert steeds meer te verkrijgen, maar laten we tevreden zijn met wat we hebben (Heb.13:5).

Salomo als econoom - Het vergeefse van de rijkdom (2:12-18)

Niets is hier blijvend, dat is duidelijk. Je kan niet meenemen na de dood wat je bezit, wel wat je bent. ‘Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter (een soort insekt) ze bederft en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Mat.6:19-21). Salomo kreeg een afkeer van het leven en van al zijn zwoegen, want wat bracht het op voor de eeuwigheid, niets immers! We worden meerdere keren in de Bijbel gewaarschuwd voor de rijkdom. ‘Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord’ (1Tim.6:9). Met geld kun je je veel dingen veroorloven, maar je dient ervoor te zorgen dat je dan de dingen die je niet met geld kunt kopen niet kwijtraakt! Omdat je je bezittingen niet kunt meenemen – in het laatste hemd zitten geen zakken – ben je gedwongen om het aan anderen achter te laten, en wat doet deze ermee? Misschien is hij of zij die het erft wel een verkwister en brengt alles er door? Als je dat beseft wat voor vreugde heb je dan nog in dit leven onder de zon! Het is alles ijdelheid! De enige mogelijkheid is om je rijkdom vooruit te sturen; nú in dit leven, investeren in het koninkrijk van God! ‘Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op de onzekerheid van de rijkdom, maar op God die ons alles rijkelijk geeft om te genieten, om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam, om zij voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen’ (1Tim.6:17-19).

Conclusie: Geniet van het leven! (2:20-26)

Salomo had een hekel aan het leven en zou willen sterven, zoals: Job (Job3:21-7:15), Mozes (Num.11:15), Elia (1Kon.19:4) en Jona (Jona 4:3). Maar aan het einde van dit hoofdstuk 2 aanvaarde hij het leven zoals het was. (2:24-26). Als je deze wereld, en alles wat ermee verbonden is, overziet en God buiten beeld houdt dan is het allemaal vergeefs, maar met God krijgt alles zin en kun je ook van die rijkdom genieten waarvan je rentmeester mag zijn!

Prediker

Hoofdstuk 3

Deel 4

Inleiding.

Vier onderwerpen, die in de eerste twee hoofdstukken al werden aangestipt, worden nu verder uitgewerkt.

Evenwicht (vs.1-8). Als het leven ongewoon moeilijk is, zijn we geneigd slechts één kant van de situatie te zien. Met de beweringen in deze verzen herinnert Salomo ons eraan dat God de leiding heeft in ons leven en alles in evenwicht houdt. We voelen verdriet als er een sterfgeval is, maar blijdschap bij een geboorte. We huilen niet altijd, maar lachen ook niet altijd. Job had weet van dit principe, en dat gaf hem kracht in zijn beproevingen (Job 1:21).

Gods werk (vs.9-16). Het ziet er misschien nu niet naar uit, maar God zal iets moois tevoorschijn brengen uit alles wat er gebeurt (Rom.8:28; Jes.61:1-7). Hoe het zaad er ook uitziet, de bloem zal schoon zijn, dus geef God de tijd om te werken. U bent geschapen voor de eeuwigheid; in Christus bezit u nu al het eeuwige leven, het leven van God (1Joh.5:9-13).

Onrecht (vs.16-17). De gelovige ziet nu al uit naar een wereld waar recht en gerechtigheid tot norm zullen zijn, wanneer Christus komt. Vandaar dat de apostel Paulus aan de Romeinen schrijft dat de schepping zucht en verlangt naar de vrijmaking van de vergankelijkheid. Ook de gelovige zucht in verwachting van de verlossing (Rom.8).

Sterven (vs.18-22). Opnieuw ziet Salomo de werkelijkheid van de dood onder ogen, zoals op meerdere plaatsen in dit boek. Zowel mensen als dieren sterven en worden begraven, en hun lichamen gaan naar dezelfde plaats: het stof. De geest van de mens stijgt op naar God (vs.21). Eens zal God zelfs uit het stof iets moois tevoorschijn roepen (1Kor.15:35-58)!

Vier zaken te ontdekken om te geloven dat het leven niet zonder betekenis en eentonig is:

1. Kijk naar boven. (3:1-8) - God is in controle (Tijd)

Wij delen de tijd in in seconden, minuten, uren, dagen weken, maanden, jaren, eeuwen en millenia (Ps.90). En dit alles staat onder Gods controle voor wat betreft de wereld, maar ook onze levens. En als er bij ons de bereidheid is om ons leven onder ‘Zijn’ controle te stellen dat zal het leven niet eeontonig zijn, maar boeiend en niet zonder doel en betekenis! ‘Mijn tijden zijn in uw hand’ (Ps.31:16). ‘Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd!

Er is een tijd…

Baren en sterven: Abortus en euthanasie zijn ‘hot items’ in onze maatschappij, zaken waar ook wij mee te maken hebben of krijgen. Psalm 139:13 zegt dat wij in de moederschoot geweven zijn, dat is Gods werk en daar dienen wij van af te blijven. Wij zijn geschapen In Christus Jezus tot het doen van goede werken (Ef.210). Sommige mensen maken een eind aan het leven, vaak om het lijden te ontlopen, vóór Gods tijd.

Zaaiing en oogst. ‘Zolang de aarde bestaat zullen zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden’ (Gen.8:22). We zijn geroepen om de schepping te bewerken en te bewaren; we wijn rentmeesters. We zien vandaag de dag, meer dan ooit, dat de schepping zucht en in barensnood is.

Doden en helen. De medische wetenschap is op zo’n hoog peil gekomen dat het in staat is levens te rekken, zodat de vraag ontstaat wat het nog met ‘helen’ te maken heeft. Met wil met alle middelen het sterven voorkomen.

Afbreken en opbouwen. Alles verouderd en aan sleet onderhevig, dus soms moet je eerst afbreken om iets nieuws te kunnen bouwen. Niets is hier blijvend!

Wenen en lachen. We spreken van goede tijden en slechte tijden. Het leven gaat gepaard met een lach en een traan. Verdriet wordt afgewisseld door vreugde.

Klagen en dansen. Begrafenissen en trouwpartijen maken deel uit van het leven. Rouwen en feesten zijn de twee uitersten van ons menselijk bestaan.

Wegwerpen en verzamelen. Het land Israël is bezaaid met stenen, soms zoveel dat het land nutteloos is. Je kunt stenen weggooien, maar je kunt ze ook verzamelen om er iets nuttigs mee te doen, iets te bouwen bijvoorbeeld.

Afscheid en weerzien. Er is een tijd van komen en een tijd van gaan, ook wat ons leven betreft. Het komen in deze wereld hebben we niet in de hand, maar ons vertrek wel, door ons te bekeren tot Christus om het eeuwig leven te beërven!

Vinden en verliezen. Soms ben je om allerlei redenen de vreugde in je leven kwijt, soms door zonde zoals David. Hij smeekt om die blijdschap weer te mogen bezitten. (Ps.51).

Scheuren en naaien. Van het volk Israël was het kleed niet versleten tijdens de reis (Deut.8:4). Bij groot verdriet of gebeurtenis scheurde men de kleren van ontzetting, verdriet of woede, maar daarna, als de emoties tot bedaring waren gekomen, herstelde men de kleren weer.

Zwijgen en spreken. De Heer Jezus zweeg toen Hij door Herodus werd ondervraagd (Luk.23:9), daarvoor had de Heer Jezus gesproken en het evangelie verkondigd. In onze maatschappij is God het zwijgen opgelegd het gevolg is dat God niet meer spreekt tot de mens.

Liefhebben en haten. We dienen onze vijanden lief te hebben, dat is de algemene regel, maar er zijn ook uitzonderingen van zaken die we wel dienen te haten (2Kron.19:2; Ps.97:10; Spr.6:16vv.; Op.2:6).

Oorlog en vrede. We zijn geroepen tot vrede, maar we hebben vijanden waartegen we hebben te strijden: ons vlees of hartstochten, de wereld en de duivel (Jak.4:1, 4, 7).

2. Kijk naar binnen. (3:9-14) - Onze relatie met God (Eeuwigheid)

In vs. 10 komt God op het toneel, dat is de tweede keer in het boek dat van Hem melding wordt gemaakt (2:25). Heeft het leven waarde? Een filosoof heeft eens gezegd: Het leven van de mens heeft niet meer betekenis dan dat van een dier dat gaat van de ene verdwijning na de andere. Met andere woorden : Volgens hem heeft het leven geen zin of doel. Hij heeft gelijk het leven zonder God heeft geen betekenis; de mens is gelijk aan de dieren (3:19-21). Vers 9 sloot het vorige gedeelte af met de vraag die we al eerder zijn tegen gekomen in 1:3: ‘Welk voordeel heeft de werker van datgene waarvoor hij zich aftobt?’ In de volgende verzen staat de mens in relatie met God centraal.

Ten eerste, het leven is een gave van God (vs. 11). Doorheen heel de Bijbel is dít wel duidelijk: God is onze Schepper! In deze tijd, waar de wetenschap god is, denken ze daar anders over, maar in de Bijbel vinden we geen spoor terug van een eventueel evolutieproces. God schiep de mens, en de mens verschilt van de dieren daarin dat hij een ziel heeft en is daarom eeuwig; Hij heeft de eeuw in hun hart gelegd! (1Kon.17:21-22; Ps.95:6-7; Pred.12:7; Luk.8:55; Mat.10:28). Ten tweede, het leven is verbonden met de eeuwigheid (vs. 11). De mens is uniek, élk mens is uniek en daarom waardevol! En God heeft aan de mens een ‘bezigheid’ gegeven (vs. 11) namelijk on iets van het werk Gods in deze schepping te ontdekken, maar dan zal niet lukken omdat Hij de eeuw in het hart van de mens heeft gelegd; de mens is begrensd in het verstaan van de raad van God. Zijn gedachten en wegen zijn hoger en anders die die van de mens. Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen? (Rom.11:33). Ten derde, je kunt en mag nú van het leven genieten (vs. 12-14). (Zie: Pr.3:13; 6:2; 9:9; 1Tim.6:17). Je mag van het leven genieten, maar de grootste ‘opbrengst’ van het leven is wanneer je dat doet met God (2:25). Ondanks als het ‘zwoegen’ heeft het leven ook zijn plezierige kanten, want God heeft regen en vruchtbare tijden gegeven om onze harten te vervullen met voedsel en vreugde (Hand.14:17).

3. Kijk naar voren. (3:15-22)

A. De zekerheid van de dood

Nog maar eens wordt ons het tijdelijke van de mens voor ogen gesteld. Als er één ding zeker is in het menselijk bestaan dat is het de dood. En in dat verband is het mogelijk dat vers 3:15 daar mee te maken heeft. Mogelijk slaat dit op de verantwoording die we zullen afleggen, hetzij voor de rechterstoel van Christus (2Kor.5:10), hetzij voor de grote witte troon (Op.20:13), van wat we in en met ons leven hebben gedaan (vgl. 3:15 met 8:11). ‘Ik zeide bij mijzelf: Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd’ (vs.17). Dit impliceert dat er is een opstanding moet zijn en dat wordt uitvoerig besproken in het Nieuwe Testament (1Kor.15:29-50). Ja, het lot van de mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, uitgezonderd het oordeel. ‘De mens, die met zijn praal geen inzicht heeft, is gelijk aan de beesten, die vergaan’ wat dat aangaat heeft de mens niets voor boven de dieren (Ps.49:21). Toch is er een fundamenteel verschil tussen mens en dier en dat is dat de mens een ziel heeft en een dier niet. Dat verschil wordt duidelijk gemaakt in het Oude Testament: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’ (Gen.9:4) en ‘Want de ziel van het vlees is in het bloed’ (Lev.17:11). Dat de mens een ziel heeft vinden we aan het eind van het boek Prediker: ‘Het stof keert weer tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest keert weer tot God, die hem geschonken heeft. (Pred.12:7). In dat verband is het goed ook de volgende teksten te raadplegen: Gen.35:18; 1Kon.17:21-22; Mat.10:28; Luk.8:55; Jak.2:26. Als wij, als gelovigen en met de kennis van het Nieuwe Testament, naar ‘voren kijken’ denken we niet alleen maar aan de dood, maar eerder aan het eeuwig leven dat we door Christus mogen bezitten. Wij leven hier met het vooruitzicht van onze toekomst bij Christus.

B. Het eeuwig leven

Waar Salomo weinig of geen kennis van had, was wat er ná de dood gebeurde, daarvan is de openbaring hoofdzakelijk in het Nieuwe Testament gegeven. In geloof dat de opstanding, eeuwig leven in Gods heerlijkheid voor de gelovige onderwerpen die behoorden tot ‘de dingen die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ en door de Heer Jezus en de apostelen is geopenbaard (Mat.13:35; zie verder: Rom.11:25; 16:25; Ef.3:9, 5:32; Kol.1:26, 2:2; 1Kor.15:51). Wat er ná de dood gebeurd wordt ons duidelijk gemaakt in Lukas 16 waar sprake is van een plaats waar de doden verblijven, genaamd het dodenrijk. (Zie voor verdere uitleg de Rubriek: NT Evangeliën op de website). Er is een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Hand.24:15) en er is een opstanding ten leven en een opstanding van het oordeel (Joh.5:29). Een mens komt voor de Grote witte troon (Op.20:11) of voor de Rechterstoel van Christus (2Kor.5:10). Deze twee plaatsen dienen onderscheiden te worden. De Grote witte troon is voor de ongelovigen om geoordeeld te worden, de rechterstoel van Christus is voor de gelovigen om loon te ontvangen voor wat ze in het lichaam voor Christus hebben gedaan. De gelovige gaat na zijn sterven naar het paradijs. De volgende teksten verwijzen daarnaar: ‘Heen te gaan en met Christus te zijn is verreweg het beste’ (Fil.1:23), ‘Heden, of vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn’ (Luk.23:43), en ‘We willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen’ (2Kor.5:8). In die plaats, het Paradijs, verblijven de gelovigen tot het moment van de zgn. Opname, om dan samen met de nog levende gelovigen te worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht en zo zullen wij altijd met de Heer zijn (1Thes.4:17). Waar we daarna zullen verblijven wordt duidelijk door het lezen van enkele anderen teksten. De Heer Jezus gezegd: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat ze mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven’ (Joh.17:24). We zullen dus bij Hem zijn, en waar is dat dan, in het huis van de Vader! ‘Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd. Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’ (Joh.14:1-3).

Geniet van het leven: 3:12-15, 22 

Regels bij tegenslagen: (1) Ik zal niet klagen, (2) mijn omgeving niet beïnvloeden door een negatieve houding aan te nemen, (3) mijn zegeningen tellen, (4) en proberen tegenslag om te zetten in voordeel.

Het boek Prediker

hoofdstuk 4

Deel 5

 

Inleiding

We dienen rekening te houden met het feit dat we leven in een gebroken wereld, waarin niets perfect is. Dus mogen onze verwachtingen niet al te hoog gespannen zijn. De mens is van ‘nature’, misschien beter ‘vanwege de zonde’ altijd geneigd tot het kwaad. ‘De HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was’ (Gen.6:5; 8:21). Dat was in de tijd van Noach zo en dat is het nu nog; de kranten staan er vol van en het nieuws via radio en TV hebben vaak maar één onderwerp: geweld en onrecht! Hoe ga je daar als mens mee om? Hoe ga je daar als gelovige mee om? We zijn wel in deze wereld, maar niet van deze wereld (Joh.17:14). Dat maakt het alles nog gecompliceerder want vanuit Gods Woord beschikken wij ook over geheel andere normen dan die in de wereld gehanteerd worden. We worden, als gelovigen, geacht gehoorzaam te zijn aan de overheid (Rom.13:1), maar hoe ver moet je daarin gaan? Wanneer moet je meer gehoorzaamheid geven aan God dan aan de overheid (Hand.5:29)? Hoe gaat de mens om met recht en gerechtigheid in de rechtszaal, op de arbeidsmarkt, in het dagelijks leven, aan de hoven van koninklijke hoofden en tenslotte, maar niet minder belangrijk, in de kerken? Viif gebieden die we in onze maatschappij tegenkomen. Het laatste is uiteraard alleen van toepassing voor de samenkomsten van de gelovigen.

1. In de rechtszaal (Pred.3:16-17; 4:1-3)

‘Tranen der onderdrukten, en zij hadden geen trooster; maar aan de zijde hunner onderdrukkers was macht’ (Pred.4:1) 

Onrecht op de plaats des rechts! (3:16). Zoals bekend is de overheid door God ingesteld (Rom.13:1; 1Tim.2:1), maar wat als die overheid zelf corrupt wordt? Het is bekend dat het volk Israël over een adequaat juridisch systeem beschikte, gebaseerd op Goddelijke beginselen (Ex.18:13-27; Deut.17:19). Maar opdat deze beginselen en het juridisch systeem goed zouden worden toegepast werden door hen die daarmee belast waren, werden ze opgeroepen die regels eerlijk toe te passen: ‘Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen; gij zult de arme niet begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken: op rechtvaardige wijze zult gij uw naaste berechten’ (Lev.19:15; Deut.1:17). Daartoe werden ze opgeroepen bijvoorbeeld in Psalm 90: ‘God staat in de vergadering der goden, Hij houdt gericht te midden der goden. Hoelang zult gij onrechtvaardig richten, en de goddelozen gunst bewijzen? Richt de geringe en de wees, doet recht de ellendige en de behoeftige, bevrijdt de geringe en de arme, redt hem uit der goddelozen hand’ (Ps.90:1-4; Jes.56:1, 59:1vv.; Amos 1-2). Salomo was wijs en onpartijdig in zijn rechtspraak (1Kon.3:16-28), maar kon dat uiteraard niet garanderen voor iedereen die betrokken was bij de rechtspraak. ‘Zo priester, zo volk’ luidde het in Hosea 4:4. ‘Indien openbaring ontbreekt, verwildert het volk, maar heil hem die de wet bewaart’ (Spr.29:18). Dat gevolgen bij misbruik van het recht niet kunnen uitblijven is evident, Prediker noemt er drie: (1) Uitbuiting. ‘Voorts aanschouwde ik onder de zon de plaats des rechts: daar heerste het onrecht; en de plaats der gerechtigheid: daar heerste het onrecht. Ik zeide bij mijzelf: Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd’ (3:16-17). (2) Verdriet. ‘Daarna keek ik naar alle verdrukking en verdriet op aarde, ik zag de tranen van de onderdrukten, er was niemand die hen hielp’ (4:1). (3) Wantrouwen t.o.v. hen die macht hebben. Hun onderdrukkers gebruikten veel geweld, maar er was niemand die de onderdrukten hielp‘ (4:1).

2. Op de arbeidsmarkt (Pred.4:4-8)

Wat u ook doet, doet het van harte, als voor de Heer en niet voor mensen’ (Kol.3:23)

Adam en Eva hadden de taak gekregen om de hof van Eden te bewerken en te bewaren (Gen.2:15), door te werken konden ze hun creativiteit uiten en zichzelf ontplooien. Dat gold ook voor ná de zondeval, maar toen was het met veel moeite, ‘al zwoegende’ en ‘in het zweet uws aanschijns’. Maar werken dient er ook voor dat we onszelf en onze gezinnen kunnen onderhouden. ‘Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten’. Let op de woordjes ‘niet wil’ er staat niet ‘niet kan’! Er waren er in de gemeente sommigen die ongeregeld wandelden door niet te werken en Paulus beveelt hen om rustig werkend hun eigen brood te eten. (2Thes.3:10-12). In de voor ons liggende verzen kunnen we vier verschillende ‘arbeiders’ ontdekken en we beginnen met de ijverige werker van vers 4. Want ijverig was hij en bekwaam, maar zijn motivatie deugde niet, hij wilde de ander aftroeven! Als dat het motief is met wat je doet dan is het werk niet meer een lust maar een last en is het ijdelheid en najagen van wind! De tweede persoon (vs.5) op de arbeidsmarkt is het tegenovergestelde van de eerste, hij is namelijk een luiaard, die met zijn armen over elkaar afwacht op de dingen die komen. We weten uit het boek Spreuken dat Salomo niet veel op had met luiaards en de gevolgen die daarmee gepaard gingen was armoede. ‘Ik ging langs de akker van een luiaard en langs de wijngaard van een verstandeloos mens, en zie, hij was geheel begroeid met distels, met onkruid bedekt, zijn stenen muur was neergehaald. Toen ik dit aanschouwde, nam ik het ter harte, toen ik het zag, trok ik een les daaruit: nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met gevouwen handen, daar komt uw armoede aangelopen en uw gebrek als een gewapend man’ (Spr.24:30-34; 18:9). De volgende (vs.6) is een arbeider die zijn leven en werk in balans heeft. Dat is tegenwoordig een zeldzaamheid, de mensen jagen en zijn zo druk dat ze geen rust meer kunnen vinden, het gevolg is depressiviteit en ontevredenheid. ‘Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt’ (Heb.13:5; 1Tim.6:6). Tenslotte besteden we nog aandacht aan de alleenstaande, of de zelfstandige, maar een workaholic! (vs.7-8). Hij zwoegt, wordt rijk en ontzegd zich van alles om nog meer te krijgen, maar vraagt zich dan af voor wie doe ik dat eigenlijk? Ook dat is ijdelheid en een kwaad ding!

3. In het dagelijks leven. (Pred.4:9-12)

‘Maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen’ (1Kor.12:25)

‘Een goede buur is beter dan een verre vriend’, in de maatschappij hebben we elkaar als mens nodig, we noemen dat een samenleving en of dat nu op micro- of macroniveau is maakt niet uit. In onze westerse cultuur hebben we elkaar steeds minder nodig en viert het individualisme hoogtij. In landen waar men, door armoede of andere omstandigheden, op elkaar aangewezen is ziet men meer, wat wij zouden aanduiden een ‘wij-cultuur’. In het dagelijkse leven ervaren we allen toch dat ‘twee beter is dan één’. Hoe makkelijk is het niet wanneer je ergens mee bezig, bijvoorbeeld je huis of tuin opknappen, dat er een ‘helpende hand’ aanwezig is; even iets vasthouden of aanreiken kan al belangrijk zijn (vs.8). We hebben elkaar nodig in onze (levens-) wandel. Want gedurende die wandel kun je struikelen en vallen, en wie richt je weer op als je alleen bent? (vs.10). Wanneer iemand een put openlaat of wanneer iemand een put graaft en die niet afdekt, en een rund of ezel valt daarin, of een mens… (Ex.21:33). Maar ook geestelijk kun je vallen en is hulp gewenst (Gal.6:1-2). We hebben elkaar nodig bij koude, hoe zou je anders warm worden als je alleen bent (vs.11). En we hebben elkaar nodig in tijd van nood (vs.12). Hoe gevaarlijk is het niet om bij bergwandelingen alleen te gaan. Uit al die voorbeelden blijkt duidelijk dat we geen ‘eilandjes’ zijn maar dat we elkaar nodig hebben. ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’ (Gen.2:18) hoeven we niet uitsluitend toe te passen op het huwelijk, maar geldt ook voor de samenleving in haar geheel. Het is opvallend en niet voor niets hoe vaak we in het NT, het woordje ‘elkaar’ tegenkomen!

4. In het paleis. (Pred.4:13-16)

‘Toen dan de mensen het teken hadden gezien dat Jezus had gedaan… wilden ze Hem koning maken’ (Joh.6:14)

‘Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan’ (Dan.2:21). En nog: Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde’ (Spr.8:15). Rijken komen op en gaan weer ten onder, maar dat gebeuren staat onder controle van God. Hij regeert en heeft een plan en een doel op het oog, namelijk dat alle knie zich eenmaal zal buigen voor de Heer Jezus dé Koning der koningen en Heer der heren! Intussen zien we in deze wereld gebeuren wat ook al het geval was in de dagen van Salomo. Een oude dwaze koning die zich niet laat gezeggen en een arme jongeling die ambities heeft. Die oude koning is mogelijk ook eens arm en ambitieus geweest maar dat is geen garantie voor blijvend succes, zoals blijkt. Hij nam de waarschuwingen niet ter harte en ging zijn eigen weg en kwam ten val (vgl. 2Kron.35:22; Jer.44:15-vv.). ‘Houd maar op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren als gij toch afwijkt van verstandige woorden’ (Spr.9:27). Wie niet horen, moet voelen! De arme jongeling had een verkiezingsactie opgestart en het resultaat was dat er geen einde kwam aan al het volk waar hij het hoofd van was. Maar in latere dagen minderde dat enthousiasme en herhaalde de geschiedenis zich. Vertrouw niet op mensen, want de ene keer schreeuwen ze ‘Halleluja’, om dat op te volgen door ‘Kruisig Hem!’ (Mat.21:9; Luk.23:21). Dus is ook dat ijdelheid en najagen van wind!

5. In de Kerk. (Pred.4:17-5:1-6)

‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’ (Ps.133 :1)

Gelet op de context reken ik de eerste zes verzen van hoofdstuk 5 bij het voorgaande hoofdstuk. Het thema van dit gedeelte is ‘Het leven is niet eerlijk’ en dat kan ook het geval zijn in Gods huis, toen de tempel, nu de Gemeente of kerk zoals u wilt. Het is fijn en een voorrecht als broeders en zusters (gelovigen) samen komen om God te prijzen voor zijn weldaden (Ps.116:12v.) maar ook daar is er mogelijk onrecht, en worden er misschien verkeerde beslissingen genomen, dat zou niet mogen vandaar de oproep van Prediker om behoedzaam te zijn als je naar het huis van God gaat. Behoedzaam in het brengen van offers, gebeden en geloften. (1) Mattheüs adviseert ons als volgt: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave’ (Mat.5:23). En wat het gebed betreft, wat worden er vaak gebeden uitgesproken voor Gods aangezicht die volstrekt niet in overeenstemming zijn met het onderwijs van de Schrift. Soms bidden we verkeerd vanuit onze hartstochten. Jakobus zegt daarover: ‘U hebt niet, omdat u verkeerd bidt. U bidt en ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten’ (Jak.4:3). We weten soms niet wat we vragen, zoals de moeder van de zonen van Zebedeüs, die de Heer Jezus vroeg: Zeg, dat deze twee zonen van mij mogen zitten, één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand in uw koninkrijk’ (Luk.20:21). Daarom zou ons eerste gebed eigenlijk moeten zijn: ‘Heer, leer ons bidden’ (Luk.11:1). Petrus zwakte lag daarin dat hij soms ondoordachte uitspraken deed, zoals bijvoorbeeld: ‘Al zullen allen over U ten val komen, Ik zal nooit ten val komen’ en ‘Ook al moest ik met U sterven, Ik zal u geenszins verloochenen’. We zullen deze voorbeelden maar ter harte nemen en voorzichtig zijn met onze tong om ondoordachte beloften te doen, want wat we beloven moeten we inlossen (Ps.15:4).

_______________________________________________________________

Prediker

Hoofdstuk 5:9 – 6:12

Deel 6

 

Voorwoord

De indeling in hoofdstukken in het boek Prediker is soms onverklaarbaar. Terwijl de eerste zes verzen van hoofdstuk 5 eigenlijk meer bij hoofdstuk 4 passen, sluit de rest van hoofdstuk 5 wat gaat over ‘IJdelheid van de rijkdom’ eigenlijk beter aan bij hoofdstuk 6, gelet op de inhoud. Het valt op hoe vaak in Prediker gesproken wordt over geld, ook in de voor ons liggende gedeelten van hoofdstuk 5 en 6. Wij volgen het boek Prediker naar zijn inhoud, vandaar dat hoofdstuk 5 en 6 helemaal besproken worden.

Inleiding

Met geld kun je veel dingen kopen, maar je moet ervoor zorgen dat je de dingen die je niet met geld kunt kopen niet verliest! Vandaar dat Prediker in het boek Spreuken zegt: ‘Twee dingen vraag ik van U, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf: houd valsheid en leugentaal verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de Here, noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe’ (30:7-9). Arme mensen denken dat al hun problemen opgelost zouden zijn met meer geld, en de rijken hebben problemen vanwege hun geld! Geld verzadigt niet (vs.9) en garandeert geen rust (vs.11). Wees dankbaar dat God niet alleen zijn gaven met u deelt, maar u ook in staat stelt ervan te genieten. Niet iedereen is daartoe in staat. Aanvaardt wat u hebt en ‘Tel uw zegeningen, één voor één’. In plaats van om u heen te zien naar iets anders moet u wat u nu hebt aanvaarden als Gods geschenk. Dit impliceert niet dat u lui moet zijn of gelaten, want God verwacht van u dat u een goed gebruik maakt van wat Hij u schenkt (Mat.25:14-30). Geniet van wat u hebt. Wat tragisch om rijkdom te hebben en een lang leven en er niet van kunnen genieten (vs.1)! De arme wenst meer, terwijl de rijke wenst dat hij maar een beetje zou kunnen genieten van wat hij heeft (Spr.15:16-17). Dus: ‘Weest tevreden met wat u hebt’ (Heb.13:5).

Gevaren van rijkdom (5:9-19)

‘… en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij’ (Kol.3:5; Luk.12:15)

Zucht naar geld (5:9)

Er bestaan heel wat misverstanden met betrekking tot rijkdom, bijvoorbeeld dat geld voldoening geeft, maar dat is maar schijn, want wie geld liefheeft wordt van geld niet verzadigd! Voorbeelden daarvan zijn de gelijkenis van de rijke ‘dwaas(!)’ in Lukas waar we worden gewaarschuwd voor ‘alle hebzucht’ (12:15). Deze rijke man wordt door de Heer Jezus een ‘dwaas’ genoemd omdat hij kortzichtig is en niet rijk is in God (12:21). Het gaat niet om rijk te zijn, of veel rijkdom te bezitten, het gaat om de zucht naar geld, want dat is een wortel van alle kwaad! (1Tim.6:10). Er zijn veel misverstanden wanneer het gaat om rijkdom:

Geld lost niet elk probleem op! (5:10). Als je veel geld hebt of krijgt, krijg je ook meer ‘vrienden’ die het mee helpen te verteren en wat kan je dan anders doen dan toekijken, en je misschien ergeren. Maar geld, op zichzelf genomen, geeft eerder meer dan minder problemen.

Geld geeft geen goed gevoel! (5:11) ‘Beter is een weinig in de vreze des Heren, dan een grote schat en onrust daarbij’ (Spr.15:16). Rijkdom, en het behouden daarvan wanneer er een economisch crisis dreigt, kan iemand slapeloze nachten bezorgen. De machteloosheid slaat toe! Dus geld is geen garantie voor een goed gevoel, maar eerder het tegenovergesteld. De arme heeft niet te verliezen, is tevreden met wat God hem toebedeeld en slaapt met een tevreden gevoel.

Geld geeft geen zekerheid! (5:12-16). ‘Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen’ (Luk.12:13). De rijke man in de gelijknamige gelijkenis, zal vermoedelijk geen zoon gehad hebben waaraan hij zijn rijkdom schenken. Mocht hij die wel gehad hebben, dan heeft hij niets meer (Pred.5:13) want alles gaat bij zijn sterven naar de erfgenaam. En hijzelf? Hij gaat heen zoals hij gekomen is naakt!

Van de rijkdom genieten(5:17-19).

‘Het is voortreffelijk, te eten en te drinken en het goede te genieten’ (Pred.5:17)

Gelet op het bovenstaande zou je de gedachte kunnen krijgen dat alles wat met geld te maken heeft negatief is, maar dat is niet zo. De vraag is natuurlijk: ben je op een eerlijke manier aan je rijkdom gekomen, en hoe ga je met de jouw toevertrouwde rijkdom om? De verzen 17-19 maken duidelijk dat je ook van je welvaart kunt en mag genieten. Rijkdom werd door de Israëlieten gezien als een beloning voor zijn gehoorzaamheid aan de Wet (vgl. Mat.19:16-22). Ook de satan was die mening toegedaan, want omdat Job door u gezegend is met allerlei bezittingen, daarom vreest Job God (Job.1:8-10). Maar het blijft een hele opgave te zijn om rijk te zijn en goed met die rijkdom om te gaan. Dus de slotsom die Salomo – die zelf enorm rijk was – geeft is: ‘Twee dingen vraag ik van U, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf: houd valsheid en leugentaal verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de Here? noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe’ (Spr.30:7-9).

In hoofdstuk 6 confronteert Prediker ons met drie problemen: (1) Rijkdom zonder dat je ervan kunt genieten; (2) Werken zonder daaraan voldoening te beleven; en (3) Vragen zonder antwoorden te krijgen.

Rijk zijn zonder ervan te kunnen genieten (6:1-6)

‘Een man, aan wie God rijkdom en schatten en vermogen geeft, zodat hem niets ont-breekt, dat hij begeert, maar God stelt hem niet in staat daarvan te genieten’ (Pred.6:2)

Hierin is iets tegenstrijdig op te merken: aan de ene kant geeft God iemand rijkdom, maar het is ook God die hem niet in staat stelt daarvan te genieten? Hoe is dat te rijmen? Wanneer we erkennen dat God ons leven stuurt en leidt, en weten dat alles van Hem komt is daar misschien een antwoord in te ontdekken. ‘Job kon zeggen: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ Zo kan iemand, rijk geworden, tegenslag krijgen, bijvoorbeeld een ziekte, waardoor hij niet in staat is te genieten. Of iemand die uitkijkt naar de dag dat hij met pensioen zal gaan, een hartaanval krijgt en kort na zijn pensionering sterft (Luk.12:20). Of een rijk iemand krijgt problemen in de familie waaraan veel kosten verbonden zijn en het vermogen droogt op als sneeuw voor de zon. Twee hypothesen volgen die beide twee onmogelijkheden in zich houden, namelijk ‘het verwekken van 100 kinderen’ (6:3) en ‘tweeduizend jaar leven’ (6:6), maar als je er niet van kunt genieten, dan is dat ook ijdelheid en najagen van wind. Paulus schreef aan de gelovigen te Filippi: ‘Ik heb er mij echter bijzonder over verblijd in de Heer, dat u eindelijk uw denken aan mij verlevendigd heb; u hebt weliswaar aan mij gedacht, maar u had de gelegenheid niet. Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijdt; want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik ben. Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd te zijn als in honger lijden, zowel in overvloed hebben zijn als in gebrek lijden’. Daar gaat het om: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn!’ (Fil.4:11; Heb.13:5), en dat is allen maar mogelijk als je het leven aanvaard zoals het uit Gods hand komt.

Werken zonder voldoening (6:7-9)

‘Al het zwoegen van de mens is voor zijn mond, en toch wordt de begeerte niet vervuld’ (Pred.6:7)

De wijze, of rijke en de arme worden in deze verzen besproken, en wat ze begeren verkrijgen ze niet. Beide zwoegen om het begeerde te verkrijgen, de rijke om anderen voor hem te laten werken, de arme om te zwoegen met zijn handen. Maar de drijfveer voor beider zwoegen is niet juist, dat is de begeerte. Iets begeren, wat het ook mag zijn, zonder God erin te betrekken leidt tot niets. ‘En al wat u doet, in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God de Vader door Hem dankt’ (Kol.3:17). Wij mogen al onze verlangens of begeerten bekend maken bij God (Fil.4:6) en dan uitzien naar zijn leiding over het vervolg daarvan. Maar ook hier is de regel van toepassing: ‘Weest tevreden met wat gij hebt’ (Heb.13:5) en ‘Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn’ (1Tim.6:8)

Vragen zonder antwoorden (6:10-12)

‘Laten er vele woorden zijn, zij vermeerderen slechts de ijdelheid. Welk voordeel heeft de mens daarvan?’ (Pred.6:11).

 Ja, het leven is als een modern toneel, als je de helft kan begrijpen is het veel! Vragen en geen antwoorden! Het leven is gecompliceerd en omdat we niet op alle vragen antwoord krijgen is het beter het leven te accepteren zoals het komt (6:10). Niet discuteren (6:11) maar erop vertrouwen dat God weet wat goed voor je is (6:12). Geniet vandaag van wat u hebt en ‘leer zó je dagen te tellen opdat je een wijs hart krijgt’ (Ps.90:12). Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand. De slotsom van dit alles is: ‘Vragend moeten wij vaak gaan, Boven zullen we het eens verstaan!’

_______________________________________________________________

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Deze studies over het boek Prediker zullen de komende maanden telkens met nieuwe artikelen worden aangevuld. Ik hoop daarmee tegen de zomer van 2020 mee gereed te zijn.

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Prediker

Deel 7

Hoofdstuk 7:1-29

Inleiding

De ijdelheid van de wijsheid.

Gedachten van een volwassene over spelende kinderen:

‘Helaas, al spelend bekommeren de jongeren zich niet om hun ondergang.
Ze hebben geen idee van de kwalen die nog komen, ook geen zorgen dan alleen die van vandaag.
Maar ach, waarom zouden ze ook hun lot weten? Verdriet komt toch nooit te laat, en het geluk is snel vervlogen. Deze gedachte zou hun paradijs vernietigen.
Maar waar onwetendheid een zegen is, is het dwaasheid om wijs te zijn.

 

Inleiding

‘Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij zijn werken tonen uit zijn goede wandel in wijze zachtmoedigheid. Maar als u bittere jaloersheid en twistzucht in uw hart hebt, roemt en liegt dan niet tegen de waarheid. Dat is niet de wijsheid die van boven neerkomt, maar zij is aards, ongeestelijk, demonisch. Want waar jaloersheid en twistzucht is, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk. Maar de wijsheid die van boven is, is de eerste plaats rein, vervolgens vreedzaam, inschikkelijk, gezeglijk, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd’ (Jak.3:13-17)

‘Want in veel wijsheid ligt veel verdriet, en als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart’ (Pred.1:18). De woorden wijsheid, wijze of wijs worden ongeveer twaalf keer in dit hoofdstuk 7 gebruikt. Het is waar dat de menselijke wijsheid Gods raad niet kan doorgronden, maar God kan ons wel wijsheid geven om zijn wil te kennen en te doen. ‘Dat u vervuld mag worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht om de Heer waardig te wandelen tot al zijn welbehagen’ (Kol1:9-). Omdat we eenvoudigweg niet alles kunnen begrijpen, hoeft geen reden zijn om het op te geven. Vertrouw God en doe wat Hij van jou vraagt. Wijsheid kan niet alles verklaren, maar het kan toch drie positieve bijdragen leveren aan het leven.

Wijsheid kan het leven beter maken (7:1-10)

‘Want wie weet, wat goed voor de mens is in het leven gedurende de weinige dagen van zijn ijdel leven?’ (Pred.6:12)

1. Verdriet is beter dan gelach. (7:1-4)

Dit lijkt paradoxaal, maar bij nader inzien toch niet, want uit de context blijkt dat het om een diepere reden gaat dan oppervlekkig gedacht. Het leven is meer dan feesten en het is goed voor de mens daar eens bij stil te staan, vandaar dat het gaan een huis van rouw beter is. Want bij een treurig gelaat is het met het hart goed gestemd, en daar is het hart van wijzen op gericht (7:3).

2. Berisping is beter dan gevlei. (7:5-6)

We worden niet graag gecorrigeerd of op onze fouten gewezen, maar naar vermaning te luisteren zal ons kunnen bewaren voor dwaze daden. Veel oppervlakkig gepraat zonder inhoud – geknetter van dorens onder een pot – is de taal van de dwazen, het brengt niets waardevol voort. ‘Slaat een rechtvaardige mij, het is liefde, kastijdt hij mij, het is olie voor mijn hoofd, die mijn hoofd niet zal weigeren’ (Ps.141:5).

3. Eerlijkheid duurt het langst. (7:7-9)

Met steekpenningen wordt bedoeld ‘geld betaald om een bevoorrechte behandeling te verkrijgen’   Voorbeeld: `Het bedrijf wist met steekpenningen bouwopdrachten binnen te halen` of `De ambtenaar wordt verdacht van het aannemen van steekpenningen.’ Al in het boek Exodus wordt daarvoor gewaarschuwd: ‘Een geschenk zult gij niet aannemen, want een geschenk maakt zienden blind en verdraait de zaak der onschuldigen’ (Ex.23:8). De conclusie van Prediker is ‘dat het hart daardoor bederft!’

4. Vandaag is beter dan gisteren. (7:8-10)

Mensen die het verleden idealiseren, hebben of een slecht geheugen of veel fantasie. Natuurlijk kan het verleden wel ooit beter zijn geweest, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Een voorbeeld daarvan vinden we in het boek Ezra bij het leggen van het fundament van de tempel in Jeruzalem. ‘En al het volk juichte met groot gejuich en loofde de Here, omdat het fundament van het huis des Heren gelegd was. Maar vele van de priesters, van de Levieten en van de familiehoofden, de ouden die het eerste huis hadden gezien, weenden luid’ (Ezra 3:11-12).

Door de wijsheid hebben we een betere kijk op het leven (7:11-18)

‘Want bij u is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht.’(Ps3:10)

1. Rijkdom vs. Wijsheid. (7:11-12)

Rijkdom kan verloren gaan, wijsheid niet. Zonder wijsheid kan rijkdom tot een valstrik worden. Goed beheer van rijkdom vereist wijsheid, eenmaal zo toegepast kan het tot een zegen worden. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen!

2. Acceptatie. (7:13)

We kunnen Gods werk niet doorgronden (3:11, 11:5), en moeten leren te aanvaarden zoals het komt. We kunnen daarin ons vertrouwen stellen op de Schepper, die alles voortreffelijk heeft gemaakt.

3. Voor- en tegenspoed. (7:14)

Wijsheid hebben we ook nodig in tijden van beproeving (Jak.1:5). Het leven bestaat uit goede en slechte tijden; zouden wij het goede van God aannemen, en het slechte niet, vroeg Job zijn vrouw? Omdat we niet kunnen ontdekken van de toekomst (7:14) dienen we met beide rekening te houden: goed en slechte tijden. Gedenk dan heel de weg waarop de Here u heeft geleid, Hij heeft u verootmoedigd, maar ook voor u gezorgd (Deut.8:2-5). Dus: de Heer heeft genomen, de Heer heeft gegeven, de naam van de Heer zij geloofd (Job 1:21).

4. De rechtvaardige en de onrechtvaardige (7:15-18)

Dit doet ons denken aan de Psalmen 37 en 73 waar ook dit thema wordt besproken: Hoe komt dat het de goddeloze vaak voor de wind gaat en dat de rechtvaardige vaak de wind tegen heeft? De Psalmist had het daar ook moeilijk mee, zoals we dat ontdekken in Psalm 73:16-18, maar hij vond ook het antwoord: ‘Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette’. Salomo beperkt zijn oordeel van wat ‘onder de zon’ gebeurt, de Psalmist kijkt verder en let op hun einde, het oordeel van God.

Door de wijsheid staan we sterker is het leven (7:19-29)

 ‘De wijsheid geeft de wijze meer macht dan tien machthebbers in een stad bezitten’ (Pred.7:19)

Wat we in het leven kunnen tegenkomen en waar we mee om moeten gaan.

1e. Zonde. (vers 20)

In het gebed van Salomo bij de winwijding van de tempel vermelde hij al dat ‘Er is immers geen mens die niet zondigt’ (1Kon.8:46). Dat sloot ook Salomo zelf in, en helaas werd dat in zijn latere leven ook werkelijkheid (1Kon.11:1-13). ‘’Er is geen rechtvaardige, ook niet een; Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods’ was de conclusie van de apostel Paulus (Rom.3:10, 23).

2e. Roddel. (vers 21-22)

De zonde is ook de oorzaak van allerlei kwade praktijken, zoals roddel en kwaadsprekerij, omdat we vaak onze tong niet onder controle hebben. En zo’n klein lid als de tong, kan een heel bos in brandsteken (Jak.3:5-6). We kunnen een ander ervan beschuldigen ons te vervloeken, maar hoe is het bij onszelf?

3e. Onbekendheid met Gods handelen. (vers 23-25)

Al eerder in het boek is de Prediker tot het inzicht gekomen dat de mens van wat God doet niets kan ontdekken (3:11; 8:17). Daar schiet zelfs de wijsheid tekort, dus moeten we ons daarbij neerleggen, want ‘Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen’ (Rom.11:33).

4e. De zondige mens. (vers 26-29)

Vers 26 beging met de vrouw, en er is denk ik geen tekst uit het boek prediker dat verkeerd wordt geïnterpreteerd dat dit! Hoe dat komt omdat het vaak wordt gebruikt zonder rekening te houden met de context! Salomo zegt veel mooie dingen over de vrouw, dus het kan niet zo zijn dat hij het hier over diezelfde vrouw heeft. Hierna een paar uitspraken van Salomo uit het boek Spreuken: ‘Een degelijke vrouw is de kroon van haar man’ (Spr.12:4). ‘Wie een vrouw vond, heeft iets goeds gevonden en gunst van de Here verworven’ (Spr.18:22). ‘Huis en have is een erfdeel der vaderen, maar een verstandige vrouw is van de Here’ (Spr.19:14). En als kers op de taart heeft het boek Spreuken er nog een groot gedeelte van een hoofdstuk aan gewijd (Spr.31)! Over welke vrouw heeft Prediker het dan hier als hij spreekt van: ‘Een vrouw die een valstrik is en wier hart een net is, wier handen boeien zijn’? (7:26, 28). We mogen aannemen dat het hier over een prostituee gaat, die een man in verleiding kan brengen zodat ook deze zondigt. Vooral vandaag de dag is er geen grotere zonde te noemen dan op het gebied van de seksualiteit. Van overspel horen we dagelijks, met als gevolg scheidingen dat zijn beurt weer veel sociale problemen met zich meebrengt, en waarvan de eventuele kinderen de dupe zijn. Dit komt allemaal door de zonde die in de mens woont!

______________________________________________________________

Prediker

Deel 8

Hoofdstuk 8

Inleiding

We leven in een wereld waarin het kwade vaak de overhand heeft. We leven in een gebroken wereld, waarin, naast het kwade ook het goede aanwezig is. Het kwade noemen Christenen de zonde. ‘Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood’ (Rm.5:12). Door de aanwezigheid van de zonde is de schepping aan de vruchteloosheid en vergankelijkheid onderworpen (Rm.8:20), maar dat niet alleen ook in de onderlinge verhoudingen van de mensen gaat het vaak mis. De eerste gevolgen van de zonde zien we in de relatie tussen Adam en Eva. Ze ontdekten dat ze naakt waren, Eva haalde Adam over en hij op zijn beurt, begon haar te beschuldigen. Maar de uitwerking van de zonde beperkte zich niet tot de eerste mensen, maar werkt door in alle geledingen van het menselijk bestaan. Vandaar oorlogen, antisemitisme, misdaad, prostitutie, enz. Het verhaal gaat dat tijdens de Tweede Wereldoorlog een soldaat tegen de ander zei: ‘Waarom stopt God die oorlog niet? Waarop de ander antwoordde: ‘Omdat Hij niet begonnen is!’ Veel kwaad in de wereld ontstaat door de verbroken relatie tussen God en de mens en daardoor tussen de mensen onderling. Dat maakt het leven er niet gemakkelijker op en zeker niet voor een gelovige die zich aan de Bijbelse normen en waarden wil houden. Om dat te kunnen hebben we wijsheid nodig zoals het vorige hoofdstuk duidelijk heeft gemaakt. In hoofdstuk 8 kunnen we drie terreinen ontdekken waarin het kwaad een plaats heeft en de vraag is hoe wij daarmee om moeten gaan.

De overheid (8:1-9)

Heeft Salomo de wijsheid dan toch gevonden, omdat hij concludeert: ‘De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten, zodat de hardheid daarvan verandert’? Aan wie heeft hij gedacht toen dat werd opgeschreven, Mozes? (Ex.34:29). ‘Wie is als de wijze? En wie kent de verklaring der dingen?’. Wie weet hoe je moet omgaan met het gezag dat over je gesteld is? Daarvoor heb je wijsheid nodig! Het gezag is een instelling van God om deze wereld bewoonbaar en leefbaar te maken (Rom.13:1vv.). Helaas komt, door de zonde, wat die overheid doet, niet altijd overeen met Gods gedachten en zullen wij als gelovigen keuzes moeten maken die tegen het gezag van de over ons gesteld overheid kunnen ingaan. Wij dienen God meer te gehoorzamen dan mensen (Hand.5:29). Maar in het algemeen dienen we het bevel van de koning in acht te nemen (Pred.8:2).

Onrecht (8:10-14)

Ondanks het gegeven dat er een overheid is om het kwaad te beteugelen, blijft het onrecht aanwezig. De goddelozen van vers 10 waren vermoedelijk wel religieuze mensen die naar de tempel gingen en vereerd werden, terwijl de rechtvaardigen ervan verdreven werden. We denken maar aan de man die blind was geweest en weer kon zien na de ontmoeting met de Heer Jezus; hij werd uit de tempel gezet! (Joh.9:34-35). Mensen denken dat ze maar kunnen doen en laten wat ze willen, maar het vonnis komt! Leest u maar wat Maleachi daarover zegt: ‘Vermetel zijn uw woorden over Mij, zegt de Here. En dan zegt gij: Wat hebben wij dan onder elkander over U gesproken? Gij zegt: Nutteloos is het God te dienen; wat gewin geeft het, dat wij zijn geboden onderhouden en dat wij in rouw gaan voor het aangezicht van de Here der heerscharen? En nu, wij prijzen de overmoedigen gelukkig; niet alleen worden zij gebouwd, terwijl zij goddeloosheid bedrijven, maar ook verzoeken zij God, en ontkomen. Dan spreken zij die de Here vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste: De Here bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Here vrezen en zijn naam in ere houden. Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de Here der heerscharen, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient. Dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient’ (Mal.3:13-18). Er komt een dag dat alles openbaar gemaakt zal worden: ‘Wees dus niet bevreesd voor hen, want er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden, en er is niets verborgen wat niet bekend zal worden’ (Mat.10:26). Tot die tijd zullen we moeten leren omgaan met onrecht.

Verborgenheid (8:15-17)

De verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen’ (Deut.29:29). Ons kennen is ten dele (1Kor.13:9), en ook al hebben wij het profetisch woord tot onze beschikking er blijven nog genoeg vragen over. Ook Prediker kwam tot de conclusie dat we niet alles te weten kunnen komen (vs.17; 3:11; 7:14, 24). ‘O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen’ (Rom.11:33-36).

Besluit

Het onrecht zal blijven ook al is er een overheid door God ingesteld. We zullen moeten wandelen in geloof niet in aanschouwen; we kunnen niet alles verklaren. We mogen vertrouwen op God die alles bestuurt en alle dingen in zijn hand houdt; Hij heeft alles onder controle! Vandaar dat Prediker ons zegt van het leven te genieten, zoals hij dat eerder in zijn boek heeft gedaan. ‘Daarom prees ik de vreugde, omdat er niets beters is voor de mens onder de zon dan te eten en te drinken en zich te verheugen; en dat begeleide hem bij al zijn zwoegen gedurende de levensdagen die God hem geeft onder de zon’ (Pr.8:15).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding en Indeling op het Hooglied

 

 

Inleiding

De titel ‘Hooglied – in het Engels: Song of Songs - betekent het mooiste lied van allemaal. Omdat Salomo meer dan 1000 liederen schreef (1Kon.4:32), moet Hooglied de beste zijn. Het is een boek vol beeldtaal en symbolen, een boek dat geestelijke rijpheid vereist en geestelijk onderscheidingsvermogen om het boek te waarderen en ervan te genieten. Iedereen die de taal van dit boek misbruikt toont daarmee alleen maar zijn eigen vleselijk gedrag. We kunnen het boek niet vers-voor-vers behandelen maar we proberen wat duidelijkheid te brengen door een viervoudige benadering.

De letterlijke betekenis

Het gaat hier over een heerlijke liefdesgeschiedenis. Er zijn drie personen: een lief meisje, gedwongen om bij haar familie te werken (1:5-6; 2:15); haar geliefde, ongetwijfeld een buurjongen die haar hart gewonnen heeft, en een herder is (1:7); en koning Salomo, die gekend is voor de aantrekkingskracht die vrouwen op hem hadden (1Kon.11:3). Op een van zijn inspectiereizen trof hij dit lieflijke meisje en bracht haar in zijn paleis. Daar aangekomen kon ze alleen maar denken aan haar geliefde die thuis was achtergebleven (1:1-2:7). Ze vertelde de vrouwen van het harem (‘de dochters van Jeruzalem’ in 2:7, 3:5, 8:4) haar niet te dwingen haar geliefde in de steek te laten. In 2:8-3-5 herinnert ze zich haar geliefde en droomt zelfs van hem. Salomo bezoekt haar (3:6-4:16) om haar liefde te winnen, maar ze kan haar geliefde die thuis was achtergebleven niet vergeten. Haar geliefde ziet haar in een droom (5:1-6:3). Opnieuw probeert de koning haar voor zich te winnen (6:4-7:9), maar het meisje weigert (7:10-8:3). Ze is niet onder de indruk van de rijkdom van de koning, specerijen, land of zijn gevlei. Uiteindelijk overwint de ware liefde en het meisje wordt vrijgelaten. Ze gaat naar haar geliefde (8:4-14) en wordt weer met haar familie verenigd.

Natuurlijk stelt deze geschiedenis Salomo in een minder gunstig daglicht. Maar hij was ook niet trouw als het op familierelaties aankwam. Het is dan ook niet helemaal verkeerd Salomo als een type van een werelds iemand te zien, die probeert de geliefde van zijn of haar ware liefde af te houden. Dit zal duidelijker worden wanneer we verschillende interpretaties en toepassingen van deze geschiedenis behandelen.

Het Hooglied van Salomo verhoogt en wettigt het huwelijk. God heeft man en vrouw geschapen en het was Hij die ‘seks’ uitvond. De liefde tussen man en vrouw behoort een mooie ervaring te zijn, zoals in dit boek beschreven, maar de zonde kan ook dit bederven. In het boek Spreuken, waarschuwt Salomo tegen seksuele zonden, in het Hooglied prijst hij de schoonheid van het huwelijk.

De historische betekenis

Al in de vroegste tijden zagen de Joden in deze geschiedenis een beeld van de relatie tussen Jehova God en Israël. Israël was ‘gehuwd’ met de Heer op de berg Sinaï, toen het volk de Wet accepteerde. Jesaja 54 beschrijft deze huwelijksrelatie; zie ook Jeremia 3 en het boek Hosea. Helaas was Israël niet trouw ten opzichte van haar ‘Goddelijke Echtgenoot’ en speelde voor een overspelige vrouw, met de afgodische volken van de wereld. Ze onttrok zich aan haar Geliefde. Hoe dan ook, er zal een dag komen dat, zoals het meisje in het Hooglied, Israël naar haar geliefde zal terugkeren en de relatie hersteld zal worden.

De geestelijke betekenis

De huwelijksrelatie wordt ook beschreven tussen Christus en de Gemeente (Ef.5:23-33). Dit wordt niet alleen maar toegepast op de wereldwijde gemeente van Christus van alle tijden, maar ook op de plaatselijke uitdrukking daarvan (2Kor.11:2). Paulus zag elke gemeente als ‘gehuwd met Christus’ en in gevaar om verleid te worden in overspel met de satan en de wereld. Net zoals een man en vrouw één zijn en bij elkaar behoren, zo zijn ook Christus en de Gemeente een eenheid. Wij zijn ‘zijn gebeente, en zijn vlees’. Hij is in ons, wij in Hem. Hij heeft ons liefgehad en heeft zijn liefde getoond door voor ons te sterven op het kruis. Hij houdt nog van ons en toont zijn liefde door voor ons te zorgen, en ons te voeden door het Woord, en probeert van ons een geestelijke man of vrouw te maken. In de toekomst gaat Hij door met zijn zorg voor ons en zal zijn heerlijkheid met ons delen. De ‘bruiloft van het Lam’ is aanstaande (Op.19:7-9). Christus zal in heerlijkheid terugkeren en zijn bruid tot zich nemen.

De praktische betekenis

Dit boek presenteert het beeld van een trouwe liefde en diepe gemeenschap. De intieme termen illustreren de wonderlijke liefde tussen Christus en de gelovige. Laat ons eens zien hoe liefde en huwelijk het christelijke leven illustreren.

A. Verlossing

We zijn ‘gehuwd met Christus’ (Rom.7:4). Huwelijk houdt de hele persoon in – geest, hart, wil en het lichaam. Een jongen ontmoet een meisje en leert haar kennen met zijn verstand. Misschien verdiept deze vriendschap zich en het hart reageert. Maar hij is nog niet met haar getrouwd. Het is pas wanneer zij zegt ‘Ik wil’ wanneer hij getrouwd is. Veel mensen weten wel van Christus, en hebben soms emotionele gevoelens daarbij dat hen een gevoel van opwinding heeft bezorgd, maar ze hebben nog nooit ‘ja, ik wil’ gezegd en hun vertrouwen tot de Heer uitgesproken.

B. Toewijding

Als een man en een vrouw trouwen, is alles wat ze zijn en wat ze bezitten van hen samen. Hun lichamen zijn niet van zichzelf (1Kor.7:1-5); ze leven om elkaar te behagen. Datzelfde gaat op voor het christelijke leven (zie Rom.12:1-2), we leven om Hem te behagen en niet de wereld. Satan en de wereld (gelijk Salomo in dit verhaal) mag proberen ons te verleiden om de trouw aan de Heer op te geven (Jak.4:4), maar dat moeten we niet willen. Wanneer een man en een vrouw elkaar liefhebben, dan is geen offer te groot, geen last te zwaar (2Kor.11:2).

C. Gemeenschap

Dit is waarschijnlijk de grootste les van Hooglied – de diepe gemeenschap dat er behoort te zijn tussen twee personen die elkaar liefhebben. Waar Salomo ook ging met het meisje, haar hart was altijd bij haar geliefde. Ze sprak van hem, droomde van hem, en toen ze vrijkwam, snelde ze naar hem toe. Hebben wij deze soort liefde voor Christus? (Ps.45). Realiseren wij ons hoeveel Hij van ons houdt en naar gemeenschap verlangt met ons? In Hooglied 5 hebben we een interessant beeld van een gelovige en gemeenschap met Christus. Het meisje slaapt, maar de stem van haar geliefde is van buiten te horen. Hij wil zijn liefde met haar delen, maar ze is te lui om op te staan. ‘Ik heb mijn kleed reeds afgelegd, ik heb mijn voeten gewassen’ (5:3). Het is alsof zij wil zeggen: ‘Laat me nu met rust, ik lig net lekker’. Dan ziet ze zijn hand, zijn handen zijn doorboord. Dan staat ze op, maar helaas, haar geliefde is verdwenen. Hij heeft wat mirre aan de deur achtergelaten, maar wat is de zegen zonder hem die zegen schenkt? Om toch haar geliefde nog te vinden, rent het meisje in moeilijkheden en tucht.

Hoe vaak wil de Heer niet gemeenschap met ons gedurende de dag, maar zijn we teveel bezig met andere dingen. Zoals Martha (Luk.10:38-42), zijn we bezorgd over veel dingen. Hoeveel gelukkiger zou ons leven zijn als we ons hart zouden openen voor de roepstem van de Heer. Zoals man en vrouw aan elkaar denken wanneer ze gescheiden zijn gedurende de dag, zo hoort ook een gelovige te zijn en denken aan de gemeenschap met man of vrouw. In 1:1-7 ziet het meisje geen schoonheid bij haar zelf, maar in 1:14-17, beschrijft haar geliefde haar schoonheid met mooie woorden. Ze ziet haar zelf in 2:1 als een gewone roos, een gewone lelie, maar haar geliefde ziet haar als een mooie appelboom, als een lelie te midden van dorens (2:2-3)

D. Heerlijkheid

Het huwelijk heeft nog niet plaatsgevonden. We zijn ondertrouwd met de Heer, en de Heilige Geest is de ‘goddelijke verlovingsring’ (Ef.1:13-14). We hebben Hem nog niet gezien, maar toch hebben we Hem lief (1Petr.1:8). Maar op een dag zal de stem van de Bruidegom gehoord worden, en de Heer Jezus zal komen om zijn Gemeente tot zich te nemen. Dan zal de heerlijke bruiloft plaatsvinden (Op.19:1-9) en zullen we voor altijd bij de Heer zijn. Geen wonder dat het meisje in het Hooglied besluit met de woorden ‘Haast u mijn geliefde’ (8:14). Wij kunnen er alleen aan toevoegen: ‘Ja, kom spoedig. Ja, kom Heer Jezus’ (Op.22:20).

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van het boek Hooglied

I. De koning hoopt op zijn bruid (1:1-3:5)

Het banket in de feestzaal (1:2-2:7)

Het lentebezoek (2:8-17)

Het nachtelijk bezoek (3:1-5)

II. De koning maakt aanspraak op zijn bruid (3:6-5:1)

De majestueuze huwelijksprocessie (3:6-11)

De schoonheid van de bruid (4:1-5:1)

III. De koning spreekt met zijn vrouw

De afscheiding van haar man (5:2-9)

Haar bewondering voor haar man (5:10-16)

Hun ontmoeting in de tuin ((6:1-13)

Zijn bewondering voor zijn vrouw (7:1-9)

De bevredigende verbinding (7:10-8:14)

_____________________________________________________________