Brieven van Paulus 3

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen verschenen:

 

 

Inleiding en Indeling 1 Timotheüs

Inleiding en Indeling 2 Timotheüs

Afscheidswoorden - 2 Tim. 4

Inleiding en Indeling brief aan Titus

De genade van God is verschenen - Titus 2

Inleiding en Indeling Filemon

Inleiding en Indeling brief aan de Hebreeën

Wij zien Jezus - Hebreeen 2

Betere Offers - Hebreeën 11

Mozes - Als geloof nee zegt - Hebreeën 11

De wedloop - Hebreeën 12

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op de Eerste brief aan Timotheüs

 

 

I. De achtergond

Het boek Handeling wordt afgesloten met de apostel Paulus als gevangene in Rome (Hand.28:30-31). Het Nieuwe Testament geeft ons verder geen beschrijving van Paulus’ latere jaren. De nu volgende chronologie wordt door de meeste onderzoekers gevolgd: Paulus werd door Ceasar vrijgelaten en aangemaand Rome te verlaten na de twee jaar van gevangenschap. Het zou in de lente van het jaar 62 zijn geweest dat Paulus met Lukas en Timotheüs Efeze bezochten, waar hij tot de ontdekking kwam dat zijn profetie over de ‘wolven’ (Hand.20:29-30) was uitgekomen, was de kerk was geïnfiltreerd door valse leraars. De waarschuwingen in 1 Timotheüs geven de indruk dat de valse leer hetzelfde was als het gnosticisme dat ingang had gevonden in de gemeente te Kolosse. Paulus diende een tijdlang in Efeze, en ging daarna naar Filippi. Hij liet Timotheüs als zijn plaatsvervanger achter in Efeze om de valse leraars te verwijderen. Hun vertrek was bedroevend, volgens 2Timotheüs 1:4.

II. De brief

Het lijkt alsof Paulus in Kolosse was, om zijn belofte om Filemon te bezoeken, toen hij de eerste brief aan de jonge Timotheüs schreef (Fil.22). Paulus was van plan om op korte termijn terug te keren naar Efeze (1Tim.3:14) maar de gang van zaken in Efeze waren zo dringend dat hij zijn advies aan Timotheüs hoe te handelen, niet durfde uitstellen. De brief zit vol met bemoediging voor de jonge Christelijk dienstknecht die veel moeilijkheden in de gemeente in de ‘grote stad’ het hoofd moest bieden. We noteren de volgende moeilijkheden:

(1) Timotheüs was een jonge man de oudere gelovigen wilde begeleiden (4:12, 5:1-2), maar dat was niet zo gemakkelijk.

(2) Timotheüs mistte Paulus en wilde stoppen (1:3; 2Tim.1:4).

(3) Timotheüs was geneigd om zijn herderlijke taken en zijn persoonlijk geestelijk leven als leider van de gemeente te verwaarlozen (4:11-16).

(4) Timotheüs had enige haastige gemaakt, speciaal in verband met taken in de gemeente, wat moeilijkheden had veroorzaakt.

(5) Timotheüs had een neiging zich bezig te houden met ascetisme en lichamelijke oefeningen dat hem eigenlijk geestelijk niet goed deed.

(6) Timotheüs had Paulus toegegeven dat ‘de begeerten van de jeugd’ (2Tim.2:22) hem parten speelden; niet verwonderlijk in een zondige stad als Efeze!

(7) Er waren valse leraars die het zwijgen moesten worden opgelegd (1:3vv.).

(8) Timotheüs had advies nodig om de moeilijkheden in de gemeente aan te pakken, specials met de leidinggevenden en weduwen (3:1vv.).

Een van de sleutelwoorden in 1 Timotheüs is ‘bevelen’ of ‘bevel’ (1:3,5,18; 4:11; 5:7; 6:13,17). Dat was een militaire term die gebruikt werd om de grenzen aan te geven van wat toelaatbaar was. God had het evangelie toevertrouwd aan Paulus (1:11), die het op zijn beurt had toevertrouwd aan Timotheüs (1:18-19; 6:20). Timotheüs was opgedragen deze schat te bewaren (2Tim.1:13-14) en het toe te vertrouwen aan betrouwbare mensen die op hun beurt het mochten toevertrouwen aan anderen (2Tim.2:2). Militair woordgebruik vinden we doorheen beide brieven aan Timotheüs (1:18; 5:14; 2Tim.2:3; 3:6). Het thema van de eerste brief aan Timotheüs is samengevat In 3:15 – ‘Hoe men zich als leden van de lokale gemeente dient te gedragen in het huis van God’. Het is een ‘handboek’ voor jonge voorgangers en de leden van de gemeente. De lokale gemeente is ‘de grondslag en het fundament van de waarheid’, toch wordt door mensen genegeerd en misbruiken het door het Woord niet te gehoorzamen. Wanneer we 1 Timotheüs bestuderen mag het ons ertoe aanzetten om betere Christenen en leden van de lokale gemeente te worden.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Eerste brief aan Timotheüs

I. De Gemeente en de boodschap (1)

A. Gezond onderwijs (1:1-11)

B. Prediking van een heerlijk Evangelie (1:12-17)

C. Verdediging van het geloof (1:18-20)

II. De Gemeente en haar leden (2-3)

A. Biddende mensen (2:1-8)

1. Voor bestuurders (2:1-3)

2. Voor zondaren (2:4-8)

B. Bescheiden vrouwen (2:9-15)

1. In kleding (2:9-10)

2. In gedrag (2:11-15)

C. Toegewijde functionarissen (3:1-13)

1. Opzieners (3:1-7)

2. Diakenen (3:8-13)

D. Goed gedragende gelovigen (3:14-16)

III. De Gemeente en haar dienaren (Hfdst.4)

A. Een goede dienaar (4:1-6)

B. Een godvruchtige dienaar (4:7-12)

C. Een groeiende dienaar (4:13-16)

IV. De Gemeente en haar dienst (Hfdst.5-6)

A. De oudere gelovigen (5:1-2)

B. De weduwen (5:3-16)

C. De gemeenteleiders (5:17-25)

D. De slaven (6:1-2)

E. De boelzoekers (6:3-5)

F. De rijken (6:6-19)

G. De intellectuelen (6:20-21) 

 ________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op Tweede brief aan Timotheüs

 

 

I. Achtergrond

We hebben geen informatie over Paulus’ reizen na zijn vrijlating uit de Romeinse gevangenschap. In Titus 3:12 vinden we een aanwijzing dat Paulus in Nikopolis (Griekenland) verblijft. Vandaar moet hij naar Troas zijn gegaan, waar hij, na een snel vertrek, zijn mantel, boeken en perkamenten heeft achtergelaten (2Tim.4:13), bij zijn gastheer Carpus. Hoe en waar hij opnieuw is gearresteerd weten we niet. Wat we wel weten is dat Nero een vervolging is begonnen tegen de Christenen, en dat Paulus’ tweede gevangenschap erg veel verschilde van zijn eerste (Hand.28). Nu was hij een gehate gevangene is een Romeinse gevangenis, niet een beschuldigd man in ‘zijn eigen gehuurde woning’ in afwachting van zijn proces. Wanneer we deze laatste brief van Paulus’ hart lezen, voelen we zijn eenzaamheid en hartzeer vanwege zijn proces en de zekere veroordeling en dood. ‘Alleen Lukas is bij mij’ schrijft hij en smeekt zijn zoon in het geloof, zo snel als mogelijk bij hem te komen.

Als de Alexander die in 2Timotheüs 4:14 vermeld wordt, dezelfde is als de man in Handelingen 19:33, dan is het mogelijk dat Paulus’ arrestatie plaatsvond in Efeze. Wanneer Paulus de oudsten van Efeze toespreekt, heeft hij het over ‘de aanslagen van de joden’ (Hand.20:19), en mogelijk heeft Alexander de kopersmid daar iets mee van doen. Sommige uitleggers denken dat Alexander verbonden was met de makers van de afgodsbeelden en dat hij niet gelukkig was met Paulus eerste ontsnapping uit Efeze.

Timotheüs was niet langer de leider in Efeze; Tychicus kwam in zijn plaats (4:12). Timotheüs was als evangelist werkzaam in de streken rond de stad Efeze. Paulus verwachtte dat Timotheüs naar Rome zou komen omdat hij wist dat hij in Troas verbleef (4:13) en Efeze (1:16-18). Deze steden lagen op de weg naar Rome.

II. Doel

De brief is erg persoonlijk van stijl. Paulus is alleen in Romer, wachtend op zijn proces en een zekere dood. Hij verlangt ernaar om zijn ‘zoon’ Timotheüs te zien om hem te bemoedigen en om zijn plaats in te nemen in de dienst van het Evangelie. Paulus’ heidendom en verval rondom hem. Hij vermeld in de eerste brief aan Timotheüs: ‘Sommigen zijn afgewezen’ (1:6) en ‘sommigen hebben schipbreuk geleden’ (1:19), ‘sommigen hebben zich afgewend’ (5:15), ‘sommige zijn afgedwaald’ (6:10, 6:21) – dit is het getuigenis in de eerste brief. Maar in de tweede brief aan Timotheüs lezen we niet sommigen maar allen ‘allen hebben zich van mij afgewend’ (1:15) en ‘allen hebben mij verlaten’ (4:16). De gemeente keerden zich van het geloof af, en Paulus dringt erbij Timotheüs op aan trouw te blijven en zijn dienst te vervullen. In deze brief zijn alle gevoelens en bezorgheden van de apostel verweven. Deze brief is geen zwanenzang van nederlaag; het is een lied van overwinning!

Wanneer we de hoofdstukindeling van deze brief volgen, zien we vier oproepen van Paulus voor Timotheüs om hem te bemoedigen en een trouw dienaar te blijven ondanks de teleurstellende situatie. Hoofdstuk 1 is het pastoraal beroep, waarin Paulus Timotheüs herinnerd aan zijn roeping en verantwoordelijkheden en voorrechten daarmee verbonden. Hoofdstuk 2 is een praktische oproep, waarin Paulus‘ ernaar zoekt om oplossingen aan te dragen voor sommige problemen waar Timotheüs mee kampt: zijn verdrukkingen voor de zaak van het Evangelie, valse leraars, en moeilijkheden in de gemeente. In hoofdstuk 3 doet Paulus een profetisch oproep, waarin hij de komende gebeurtenissen beschrijft en de benadrukt vast te houden aan het Woord. Tenslotte, in hoofdstuk 4 geeft hij persoonlijke raad van een bejaarde apostel en dringt er bij Timotheüs op aan trouw te blijven want hij (Paulus) zal binnenkort geëxecuteerd worden. Hij wilde niet dat Timotheüs ook zou eindigen als Demas (4:9).

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Tweede brief aan Timotheüs

I. De pastorale oproep (1)

A. De herinnering aan Gods roeping (1:1-6)

B. De bron van Gods genade (1:7-11)

C. De beloning bij Gods troon (1:12-18)

II. De praktische oproep (2)

A. Hoe om te gaan met lijden (2:1-13)

1. Het is een deel van je roeping (2:1-7)

2. Het is een voorrecht voor Christus te lijden (2:8-13)

B. Hoe om te gaan met valse leraars (2:14-23)

1. Het Woord van God recht snijden (2:14-15)

2. Verwerp leugens en fabels (2:16-18)

3. Zorg voor een christelijke levenswandel (2:19-23)

C. Hoe om te gaan met problemen in de gemeente (2:24-26)

III. De profetische oproep (3)

A. Een verklaring over de toekomst (3:1-9)

B. Een voorbeeld uit het verleden (3:10-13)

C. Een aansporing voor de toekomst (3:14-17)

IV. De persoonlijke opdracht (4)

A. Predik het Woord! (4:1-4)

B. Vervul je dienst! (4:5-8)

C. Haast je naar Rome te komen! (4:9-18)

D. Groet mijn vrienden in Christus! 4:9-22)

__________________________________________________________________________________

Wat zegt de BIjbel?

 

‘Afscheidswoorden’

 

 

2 Timotheüs 4:6-8

 

 

 

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

 

Inleiding

Laatste woorden van mensen, uitgesproken op hun sterfbedden, maken vaak indruk omdat daarin vaak hun ware aard naar voren komt. Ze willen vaak nog iets doorgeven aan de achterblijvers. We weten dat Beethoven stierf met een vuist naar de hemel opgeheven hij was teleurgesteld in het leven en vooral in Napoleon van wie hij zulke grote verwachtingen had. Ook in de Bijbel vinden we van verschillende personen ‘afscheidswoorden’ we denken maar aan Jakob, Mozes en Samuël. Van de apostel Paulus kennen we ook zijn afscheidswoorden gericht aan zijn kind Timotheüs, geschreven vanuit een Romeinse gevangenis, zoals hierboven aangehaald.

Toen Paulus zijn afscheidsbrief schreef aan zijn geliefde vriend en broeder Timotheüs schreef hij niet met angst en zorg maar met vrede in zijn hart. Hij weet dat hij zijn dood tegemoet gaat, maar het maakt hem niet bang. Hij weet dat zijn taak er bijna op zit, maar dat ontmoedigd hem niet. Zijn woorden spreken van moed en berusting in zijn situatie, en in deze houding van geloof, kijkt Paulus in drie richtingen en geeft getuigenis van zijn geloof en vertrouwen op God.

Paulus keek om zich heen

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.’

Paulus keek om zich heen en gaf te kennen dat hij er klaar voor was. Hij zag zichzelf niet als een gevangene die ter dood gebracht zou worden, maar als een offer ter heerlijkheid van God. Zijn leven wordt hem niet afgenomen; hij offert het voor de Heer. De Heer Jezus had zijn leven voor Paulus afgelegd, en nu mag de grote apostel zijn leven afleggen voor zijn Heer en Heiland. De woorden gericht tot Petrus door de Heer Jezus kunnen we zonder meer ook toepassen op Paulus: ‘Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou’ (Joh.21:18-19).

In zijn afscheidstekst vermijd Paulus het woordje ‘dood.’ Het is niet uit vrees voor de dood of uit vrees om te sterven om het woordje ‘dood’ te vermijden. Het is eenvoudig zo dat er voor een gelovige niet zo iets is als de dood. Het woord dat Paulus hier gebruikt is ‘vertrek’, en dat heeft in het Grieks meerdere betekenissen. Eén betekenis is, je tent inpakken en verder trekken, de manier waarop een soldaat dat zou doen als het leger verder trekt. Paulus zag zichzelf als een van Gods soldaten, levend in een tent – zijn sterfelijk lichaam. Hij wist dat de dood zijn tent zou wegnemen en dat hij in Gods heerlijkheid zou komen. Onze lichamen zijn tijdelijke woonplaatsen (Pred.12:7). Als de Heer ons naar huis roept, zullen we verheerlijkte lichamen ontvangen, permanente woonplaatsen, en die zullen we voor altijd houden.

Een andere betekenis is de meertouwen van een boot losmaken ter voorbereiding van het zee kiezen. Dat is wat er gebeurt als een gelovige sterft – hij verlaat de ligplaats van dit leven en deze wereld, en zet zeil naar de hemel en zijn eeuwige stranden. Paulus wist dat zijn dood een bevrijding was. De gevangenis was niet zijn permanente verblijfplaats. Zijn kleine ‘boot’ zou worden losgemaakt en hij zou aankomen aan de eeuwige kusten om de Heer Jezus te ontmoeten.

Kunt jij ook met evenveel vertrouwen om je heen kijken zoals Paulus, als je zou weten dat ook jij ‘geofferd’ zou worden?  Als je gelooft in de Heer Jezus, ben je daarvoor klaar, en is er niets te vrezen.

Paulus keek achterom

‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.’

Paulus keek niet alleen om zich heen toen hij aan het einde van zijn leven kwam; hij keek ook achterom. Omdat hij geloofde in de Heer Jezus, kon Paulus rondom zich kijken zonder vrees, en hij kon ook achterom kijken zonder spijt. Veel mensen vermijden terug te kijken op hun leven. En laten we wel zijn, er is ook een verkeerde manier om terug te kijken; het is niet goed om terug te kijken op zonden begaan in het verleden of misstappen en nederlagen. Dat maakt het mogelijk dat je vandaag ook faalt. Maar het is goed terug te kijken om te zien wat de Heer in ons en door ons heeft gewerkt. Toen Paulus terug keek, zag hij dat zijn leven niet altijd gemakkelijk was geweest. Er waren momenten van strijd geweest, er waren wedlopen gelopen, en er was een taak volbracht. Hij had tegen de wereld, het vlees en de duivel gestreden, stad na stad, en nu stond hij voor zijn laatste strijd in Rome. (Zie voor een overzicht van Paulus’ leven 2 Korinthiërs 11:23-28) Er waren tijden geweest dat hij dacht te zullen falen, maar de Heer had hem er altijd doorheen geholpen. Hij kon schrijven, ‘Ik heb de goede strijd gestreden’, en ook: ‘Ik heb mijn loop beëindigd.’ Dat was altijd Paulus’ grootste verlangen geweest: ‘Opdat ik mijn loop volbreng en de bediening, die ik van de Heer Jezus heb ontvangen…’ (Hand.20:24). Ieder van ons heeft een loop te volbrengen. God heeft aan een ieder een plaats gegeven en een taak om te doen. Onze tijden zijn in zijn hand. Sommigen is een korte tijd gegeven voor hun taak; anderen kregen meer tijd. Stefanus stierf als een jonge man; Paulus was het gegeven een langer leven te mogen hebben. Maar het is niet de lengte van je leven dat telt - het is de diepte en doel van je leven. Paulus had zijn loop beëindigd. Hij kon de Heer Jezus ontmoeten, hij wist dat zijn taak volbracht was hij had het geloof behouden. Zelfs in Paulus’ dagen waren er belijdende gelovigen die het geloof opgaven. Paulus waarschuwt Timotheüs met de woorden  dat: ‘De Geest nu uitdrukkelijk zegt, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen...’ (1 Tim.4:1). Het geloof hier betekent: ‘het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Judas vs.3) de inhoud van de christelijke leer dat lichaam van reddende waarheden waarvoor de Heer Jezus zijn leven heeft gegeven en dat we in de Bijbel, het Woord van God kunnen lezen. Als een goed dienaar, heeft Paulus dat geloof op vele manieren verdedigd, verkondigd en geleefd. Nu stond hij op het punt van het ‘podium’ te verdwijnen; het doek zou spoedig vallen!

Neem tijd om terug te kijken. Heb je de goede strijd gestreden? Ben je een overwinnaar of een slachtoffer? Ben je als een strijder op het slagveld, of een slachtoffer? Heb je jouw loop beëindigd? Heb je de wil van God gedaan vanuit je hart? En heb je het geloof behouden? Ben je trouw geweest aan het Woord van God en in het doorgeven ervan? Paulus kon zonder vrees om zich heen kijken maar ook zonder spijt achterom kijken. Ik hoop dat u en ik dat ook kunnen doen.

Paulus keek vooruit

‘Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

Paulus keek niet slechts rondom zich en achter zich, maar hij keek ook vooruit. Veel mensen zijn bang als het einde van hun leven zich aankondigt om vooruit te kijken. De Bijbel waarschuwt ons, ‘Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Heb.9:27). Maar Paulus had niets te vrezen als hij vooruit keek. Hij wist precies wat er zou gaan gebeuren: hij zou de Heer Jezus ontmoeten en van Hem de kroon der gerechtigheid ontvangen. Er is geen vrede te vergelijken met de vrede die wij in onze harten hebben wanneer we weten dat de toekomst veilig is. Paulus geloof berustte niet op de Romeinse wet, hoe goed die ook wel mocht zijn. Zijn geloof berustte niet op zijn vele vrienden, of op zichzelf en wat hij had gepresteerd. Zijn geloof was in God. Hij keek achterom zonder spijt; Hij keek om zich heen zonder angst; en hij keek vooruit zonder twijfel of vrees voor de dood  want hij vertrouwde op de Heer Jezus. Rome zou Paulus vermelden als een crimineel, maar in het boek van het leven van het Lam stond hij vermeldt als een kind van God. En hij zou uit de mond van zijn Heiland horen: ‘Goed gedaan, gij goede en getrouwe slaaf…’ (Math.25:21).

Op één of andere dag zal het leven van u en mij ook beëindigd worden. Niemand van ons kent de dag of het uur, en voor sommigen komt het misschien eerder dan verwacht. Ons ‘thuiskomen’ kan plotseling zijn; misschien hebben we iets meer tijd en kunnen we het leven de revue te laten passeren zoals Paulus dat deed in die Romeinse gevangenis. Of op een ziekbed afscheid nemen van onze geliefden. Ik hoop dat een ieder van ons in alle drie de richtingen kan kijken en daarna met hetzelfde klinkende getuigenis kan komen zoals Paulus dat in zijn laatste brief heeft geschreven. Wijdt je hart en leven aan de Heer Jezus. Wees Hem trouw, wat er ook gebeuren mag of mensen je aandoen. Het belangrijkste is niet de gunst van de mensen; het is goedkeuring van God.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de Brief aan Titus

 

 

I De persoon

Titus was een gelovige uit de Grieken (Gal.2:3), die door Paulus’ dienst voor Christus gewonnen was (Tit.1:4). We weten weinig over zijn afkomst; hij wordt in het boek Handelingen helemaal niet vermeld. Het schijnt dat hij een bekeerling uit de heidenen was en door Paulus’ in dienst genomen was. Hij assisteerde in de collecte voor de gelovigen te Jeruzalem (2Kor.2:12; 7:13,14; 8:12); en hij ontmoette Paulus in Troas met het verslag van de situatie in de gemeente te Korinthe (2Kor.2:12-13; 7:5-16). Titus nam de tweede brief aan de Korinthiërs van Paulus mee (2Kor.8:16-24). Titus was Paulus’ medewerker, die op Kreta was achtergelaten om de gemeente te besturen (Tit.1:5) totdat Paulus Thychicus en Artemas kon sturen om het werk van Titus over te nemen (Tit.3:12). Titus was in Rome tijdens Paulus’ tweede gevangenschap, en reisde vandaar naar Dalmatië voor een taak die de apostel hem had opgedragen (2Tim.4:10). Paulus waardering voor Titus is beschreven in 2Korinthiërs 8:23.

II. De brief

Paulus’ haast om Titus op Kreta achter te laten maakte het noodzakelijk om per brief zijn medewerker te bemoedigen en instructies te geven. De Kretenzen waren niet de gemakkelijkst mensen om mee om te gaan, zoals uit Titus 1:12-13 blijkt. We weten niet wie de gemeente in Kreta gesticht heeft, maar wat we wel weten is dat de organisatie van de gemeente en het geestelijk leven van de gelovigen ontregeld waren. Het schijnt dat de gemeente te lijden had van twee zaken: (1) bezoekende joden die wet en genade vermengden, en (2) onwetende gelovigen die de genade misbruikten. Paulus had meerdere doelen op het oog toen hij deze brief schreef: (1) Titus eraan herinneren de gemeente te ordenen en oudsten aan te stellen; (2) hem te waarschuwen voor valse leraars; (3) hem te bemoedigen in zijn pastorale taak onder de gelovigen van de gemeente; (4) duidelijk te maken hoe de genade van God in het leven van een gelovige een plaats dient te krijgen; (5) duidelijk te maken hoe hij met dwarsliggers in de gemeente moest omgaan.

III. De kern

Verschillende woorden in deze brief worden herhaald, dat maakt ons duidelijk welke last Paulus’ op zijn hart had. Er is een grote nadruk op ‘goede werken’ (1:16; 2:7,14; 3:1,5,8,14). Gered door genade betekent, gered om goede werken te doen. Het christelijk geloof en leven dienen zuiver te zijn (1:9,13; 2:1-2,8). Er dient een godvruchtig leven aanwezig te zijn (1:1; 2:12), geen werelds leven. Gods genade leidt een persoon tot een godvruchtig leven (1:4; 2:11vv.; 3:7,15). Een sleutelvers voor dit Bijbelboek kan zijn 3:8: ’Opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken’. We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan Titus

I. Persoonlijke groeten (1:1-14)

II. Organisatie in de Gemeente (1:15-16)

A. Vereisten van de oudsten (1:5-9)

B. Kenmerken van valse leraars (1:10-16)

III. Christelijke verplichtingen (2 – 3:11)

A. Oudere gelovigen (2:1-3)

B. Jonge mannen en vrouwen (2:4-8)

C. Dienstknechten (2:9-15)

D. Burgers (3:1-11)

IV. Afsluitende waarschuwingen (3:12-15)

______________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

'De genade van God is verschenen'

 

 

Titus 2:9-15

 

 

 ‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

Inleiding

Enige jaren geleden ben ik op het eiland Kreta geweest en heb ik de plaats mogen bezoeken waar vermoedelijk een christelijke gemeente is geweest. Er zijn twee theorieën betreffende het ontstaan van de christelijke gemeente aldaar. De eerste is dat zij is ontstaan doordat Kretenzers, die aanwezig waren tijdens het pinksterfeest in Jeruzalem en daar het evangelie hebben gehoord, tot geloof zijn gekomen en bij hun terugkeer een gemeente zijn gaan vormen (Hand.2:10-11). De tweede theorie is dat de apostel Paulus tijdens zijn bezoek aan Kreta daar een gemeente heeft gesticht. In Titus 1:5 schrijft de apostel immers, in zijn brief gericht aan Titus, dat hij hem - Titus - op Kreta heeft achtergelaten.

Je zou je kunnen afvragen of zo’n oude brief ons nog iets te zeggen heeft. Een antwoord vinden we bij Paulus, in wat hij in zijn brief aan Timotheüs - een ander geestelijk kind – heeft geschreven: ‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2Tim.3:16). Die volkomenheid ontbrak bij de gelovigen op Kreta, en misschien ook wel bij ons? Vandaar dat Paulus Titus de opdracht gaf om in orde te brengen hetgeen nog verbetering behoefde (Tit.1:5).

Vanwege de invloed van Judaïsten (1:10, 13), maar ook door de laksheid van de Kretenzers (1:12), is deze brief geschreven en werd de gehele gemeente (oude en jonge mannen, oude en jonge vrouwen en de slaven – Titus 2:1-9) aangemaand ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’ (Tit.2:10). Waarom? Omdat de genade van God verschenen was!

‘De genade van God is verschenen…’

Petrus noemt God: ‘de God van alle genade’ (1Petr.5:10), maar je zou kunnen zeggen dat Gods genade min of meer bedekt was. Daarmee bedoel ik te zeggen dat men toen nog niet wist wat de grondslag was waarop de mensen Gods genade ontvingen. De eerste mens waarvan wij weten dat hij deel kreeg aan Gods genade was Noach (Gen.6:8). Een andere persoon was Mozes, we lezen: ‘Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te stellen? En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons van hier niet optrekken. Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn. En de HERE zeide tot Mozes: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.’ (Ex. 33:14-17).

De genade van God is verschenen, wil zeggen, het is geopenbaard in de Persoon van zijn Zoon, de Heer Jezus. ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14). Daarom kon de apostel Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijven: ‘Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden’ (2Kor.8:9). En zoals de Heer Jezus ‘woorden van genade sprak, die van zijn lippen kwamen’ (Luk.4:22). zo mochten de apostelen en mogen ook wij op onze beurt het ‘evangelie van de genade van God’ (Hand.20:24) in deze wereld verkondigen aan alle mensen, want, zegt het vervolg van dit Bijbelgedeelte, het is:

‘… heilbrengend voor alle mensen…’

Een ander woord voor heil is verlossing of redding, dat is wat de genade brengt. De Heer Jezus wordt dan ook vaak in het nieuwe testament als Heiland vermeld. De Wet was voor Israël, de genade voor alle mensen, dat wil zeggen ze strekt zich uit tot alle mensen. Nog duidelijker verwoorden de Herziene Statenvertaling en de Telosvertaling het: ‘Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de wet en de profeten is getuigd: namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid’ (Rom.3:21-22). De Bijbel leert geen alverzoening (de foute leer dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden), maar ook geen beperking van een aantal uitverkorenen. Nee, wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17). ‘Want de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mat.20:28).

‘… om ons op te voeden…’

De Herziene Statenvertaling zegt: ‘En leert ons (onderwijst ons - Telos-vert.) de goddeloos-heid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen (ingetogen - Telos-vert.), rechtvaardig en godvruchtig te leven’ (Tit.2:12). Dus Gods genade brengt ons niet alleen het heil, maar vraagt ook om een veranderde levenshouding, want: ‘vrijgemaakt van de zonde bent u slaven van de gerechtigheid geworden’ (Rom.6:18).

Door onze wedergeboorte zijn wij in een nieuwe positie gekomen – in Christus zijn we een nieuwe schepping geworden – maar met veel dingen uit het verleden moeten we nog afrekenen. Dit betekent dus een actief handelen van onszelf. We zijn kinderen die opgevoed moeten worden naar de principes van onze hemelse Vader.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld’ (1Joh.2:15-16). Met drie gebieden van ons leven dienen we rekening te houden. Ten eerste: ‘de begeerte van het vlees’, wat kan duiden op (verkeerde) natuurlijke verlangens. Ten tweede: ‘de begeerte van de ogen’, wat een zucht kan zijn naar allerlei materiele verlangens, en ten slotte de begeerte van de menselijke geest, ‘een hovaardig leven’ of hoogmoed.

We moeten niet alleen dingen afleren maar ook aanleren: bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig leven. Ten eerste, een naar binnen gerichte actie: bezonnen leven. Het gaat er niet alleen om dat ons hart vernieuwd is, maar ook ons denken zal vernieuwd moeten worden; een verandering van binnenuit (Rom.12:1). Ten tweede, een naar buiten gerichte actie: rechtvaardig leven. Wanneer we trachten goed te doen aan alle mensen, is dat een blijk van een leven in gerechtigheid (Gal.6:9-10). En ten derde, een naar ‘boven’ gerichte actie: godvruchtig leven. We zijn niet meer van onszelf maar behoren aan Christus toe, opdat wij voor God vrucht zouden dragen (Rom.7:4; 1Kor.6:19-20).

‘… in de verwachting van de gelukzalige hoop…’

Van de gelovigen in Thessaloniki staat geschreven ‘hoe zij zich van de afgoden tot God bekeerd hadden, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1Thes.1:9-10). Zij hadden begrepen dat het één niet zonder het andere kan! We worden niet behouden door werken, maar door een geloof dat werkt! Het is een totaalpakket, niet alleen de voorrechten maar ook de verplichtingen!

En wij dienen God in het vooruitzicht van de komst van Jezus Christus, want dan zal alles wat we voor Hem hier op aarde hebben gedaan voor zijn rechterstoel geopenbaard worden en zullen we onze beloning ontvangen (2Kor.5:10). ‘En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen (Op.19:6-8). ‘Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen’ (2Tim.2:15). ‘Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen (Luk.9:26).

Mogelijke kennis van de belangrijkste zaken van het christelijk geloof ontslaat ons er niet van de nederigste taken van het christelijk leven te doen.

‘…Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

Gods genade is geopenbaard in de Heer Jezus, en opdat wij daaraan deel zouden kunnen krijgen was het nodig dat Hij voor ons aan het kruis van Golgotha zou lijden en sterven. De Heer Jezus heeft zich overgegeven voor de Gemeente (Ef5:25), voor mij (Gal.2:20) en voor onze zonden (Gal.1:4). Twee redenen worden ons hier gegeven waarvoor de Heer Jezus Zich heeft gegeven. Om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en om een eigen volk te hebben, volijverig in goede werken. De reiniging komt tot stand door het Woord van God. ‘Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord’ (Ef.5:29). Dat betekent niet alleen Gods Woord lezen, hoe goed dat ook is, maar het toepassen in ons leven. Het Woord van God was werkzaam in de gelovigen te Thessaloniki omdat ze het Woord hadden aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als het woord van God (1Thes.2:13-14). ‘Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2Tim.3:16 - HSV). Dat brengt ons bij het laatste onderwerp: goede werken.

De brief van Titus legt grote nadruk op goede werken (1:16; 2:7, 14; 3:1, 8, 14). We zijn niet behouden door goede werken (3:5) maar door een geloof dát werkt!. De apostel Petrus zegt het met andere woorden: ‘Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1Petr.2:9). Zoals al eerder gezegd, we worden opgeroepen ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’, want de genade van God is verschenen! (Tit.2:9).

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de Brief aan Filémon

 

 

I. De persoon

Filémon was een gelovige uit Kolosse (Fil.2; Kol.4:9, 16-17). Het is mogelijk dat zijn zoon Achippus, de gemeente in Ladicéa bestuurde (Kol.4:16-17); er was een gemeente in Filémons huis (vs.2). Filémon was tot geloof gekomen door Paulus’ dienst (vs.19), mogelijk te Efeze, omdat Paulus Kolosse persoonlijk nooit had bezocht.

II. De brief

Onésimus was een van Filémons slaven (vs.16) die zijn meester benadeeld had en naar Rome was gevlucht. Door de voorzienigheid van God, ontmoette deze weggelopen slaaf Paulus daar, die hem tot Christus leidde. Wettelijk, had Filémon deze slaaf ter dood kunnen laten brengen, maar Paulus trad voor hem tussenbeide en pleitte voor deze nieuwe gelovige en redde zijn leven.

Deze brief spreekt boekdelen omdat hij ons, op een levendige manier, het hart van de grote apostel toont. Zijn doelen met deze brief waren: (1) om Filémon te laten weten dat zijn slaaf het niet alleen goed maakte maar ook dat hij gered was; (2) om Filémon te vragen Onésimus te vergeven; (3) om Filémon te vragen een kamer voor hem in orde te maken omdat hij hem binnenkort hoopte te bezoeken.

Natuurlijk is hoofddoel van deze brief om Christus uit te beelden als de grote Redder van verloren zondaren. Net zoals Paulus bereid was de schulden van de weggelopen Onésimus te betalen, zo betaalde Christus de prijs voor zijn verloren kinderen. ‘Neem hem aan, als mijzelf’ (vs.17) schrijft de apostel Paulus, en herinnert aan het feit dat ‘wij aangenomen zijn in de Geliefde’ (Ef.1:6; 2Kor.5:21). De gelovige zal nooit in de hemel komen uit eigen verdienste. Als de gelovige voor de Vader staat, zal Christus zeggen: ‘Ontvang hem, als Mijzelf!’. Dank God dat wij bedekt zijn door Zijn gerechtigheid!

III. Slavernij

We moeten aanvaarden dat slavernij een geaccepteerd gebruik was in het Romeins rijk. Romeinen en Grieken brachten menigten van slaven (oud en jong) mee naar huis uit hun oorlogen, en het verhandelen van slaven maakte deel uit van het dagelijks leven. Paulus had een zwak voor slaven (1Kor.7:20-24; Kol.3:22-4:1; Ef.6:5-9) en bemoedigde hen om een goed christelijk getuigenis te tonen en indien mogelijk hun vrijheid te herkrijgen. We lezen niet dat Paulus de praktijk van slavernij aanviel; het Evangelie op zich, en hoe het geloof beleefd en geleefd werd in de vroege kerk, maakte dat het probleem geleidelijk aan oploste. Paulus’ brief aan Filémon is een klassiek voorbeeld hoe Christus huizen en de maatschappij kan veranderen door veranderede levens van haar onderdanen. Paulus ontweek het probleem van de slavernij niet, maar hij realiseerde zich dat de ware oplossing lag in mannen en vrouwen die hun hart aan Christus gaven.

---------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan Filémon

I. Groeten (vv. 1-3)

II. Paulus waardering voor Filémon (vv. 4-7)

III. Paulus oproep aan Onésimus (vv.8-17)

IV. Paulus garantie voor het verschuldigde (vv.18-25)

____________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de Brief aan de Hebreeën

 

 

De brief aan de Hebreeën stelt de lezer voor enkele interessante problemen. Het is een boek dat begint als een preek, en eindigt als een brief (13:22-25). Er wordt geen auteur vermeld, maar het doel van de brief is duidelijk. Sommige gedeelten van deze brief hebben christenen ertoe aangezet om het verkeerd toe te passen omdat het niet de gemakkelijkst Bijbelboek van het Nieuwe Testament is. We moeten er rekening mee blijven houden dat de brief oorspronkelijk bedoeld was om Gods volk te vermanen en te bemoedigen. Het is belangrijk de brief aan de Hebreeën te bestuderen in het geheel van Gods Woord en niet als een geïsoleerd Bijbelboek.

I. De boodschap

Het centrale thema is samengevat in 6:1: ‘Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan tot het volkomene’. De mensen aan wie de brief was geadresseerd waren geestelijk niet gegroeid (5:11-14) en waren op het niveau van kinderen. God had gesproken door het Woord, maar ze waren niet trouw om Hem te gehoorzamen. Ze negeerden Gods raad en verwijderden zich van zijn zegeningen. De schrijver probeert hen te bemoedigen om verder te gaan met hun geestelijk leven door hen te laten zien dat ze in Christus in het bezit zijn gekomen van ‘betere’ zegeningen. Hij is de ‘overste Leidsman en Voleinder van het geloof (12:2). De brief presenteert het christelijk geloof als beter en volmaakter dan het Judaïsme of welk ander religieus systeem ook. Christus is de betere Persoon (1-6); Zijn priesterschap is beter dan dat van de Levitische (7-10); en het principe van geloof is beter dan de wet (11-13).

II. De schrijver

Omdat er in de brief geen naam van de auteur vermeld is, hebben bijbelonderzoekers al eeuwenlang gediscussieerd wie dat wel geweest zou zijn. De vroegste tradities verwijzen naar Paulus. Anderen suggereerden Apollos, Lukas, Filippus de evangelist, Markus en zelfs Pricilla en Aquila! De schrijver is hoogstwaarschijnlijk een jood, omdat hij zichzelf identificeert met zijn joodse lezers (1:2; 2:1,3; 3:1; 4:1 enz.). Hij identificeert zich ook met Timotheüs (13:23), wat voor Paulus mogelijk was. De afsluitende zegenbede is typisch voor Paulus (zie 2Thes.3:17-18). De schrijver was in de gevangenis geweest (10:34; 13:19). De zaak lijkt beslist te worden door Petrus die vermeld dat Paulus ook aan dezelfde mensen in de verstrooiing had geschreven zoals ook Petrus had gedaan (2Petr.3:15-18, 3:1; 1Petr.1:1). Verder noemt Petrus brief ‘Schrift’ (2Petr.3:17). De enige brief in de Schrift die geadresseerd is aan joden en niet toegeschreven is aan een andere auteur is de brief aan de Hebreeën. Paulus moet de brief aan de Hebreeën geschreven hebben. Hen die op grond van stijl en woordkeuze beweren dat het niet van Paulus is dienen er rekening mee te houden dat elke schrijver vrij was zijn stijl aan de lezers en hoorders aan te passen.

III. De ‘waarschuwingen’

Petrus informeert ons dat sommige mensen de brief aan de Hebreeën niet goed begrepen hadden en deze ‘moeilijke dingen’ hadden verdraaid tot hun eigen verderf (2Petr.316). Dat gebeurde omdat zij de Schriften uit hun context trokken, om de brief dingen te laten zeggen die niet zo bedoeld waren. We moeten met het interpreteren van de brief aan de Hebreeën, rekening houden met het geheel van Gods Woord. De vijf waarschuwingen (13:22) zijn opgenomen in de indeling zodat je gemakkelijk de ontwikkeling van de brief kunt volgen. We geloven dat deze waarschuwingen zijn gericht tot gelovigen, omdat de schrijver zichzelf identificeert met de geadresseerden: ‘Wij moeten acht geven…’; ‘Hoe zullen we ontkomen…’; ‘Laat ons daarom…’; enz. Door te beweren dat gelovigen op grond van 6:4-5 verloren kunnen gaan is niet juist. Het gaat in dat gedeelte over mensen die de genade van God verkeerd geïnterpreteerd hebben en het onderwijs van eeuwige behoudenis en zekerheid niet geloven. Ze waren vergeten dat God zijn kinderen tuchtigt wanneer ze gezondigd hebben. We dienen Hebreeën te benaderen vanuit de idee dat het geschreven is aan gelovigen die in het gevaar verkeerden te vervallen in een vleselijke geestelijke staat van onvolwassenheid vanwege hun verkeerde houding ten opzichte van Gods Woord. Voor zo’n houding van ongehoorzaamheid waarschuwt Paulus, want dat brengt hen onder de tuchtigende hand van God en het verlies van beloning voor de rechterstoel van Christus (10:35-36; 11:26). Hebreeën leert niet dat God de zonden van gelovigen niet zal oordelen; maar een ware gelovige kan nooit verloren gaan.

IV. Sleutelwoorden

De sleutelwoorden zijn ‘beter’ (1:4; 6:9; 7:7,19,22; 8:6; 9:23; 10:34; 11:16,35,40; 12:24) en ‘volmaakt’ (2:10; 5:9,14; 6:1; 7:11,19,28; 9:9,11; 10:1,14; 11:40; 12:2,23).

-------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de Hebreeën

I. Een beter Persoon: Christus (1-6)

A. Christus vergeleken met de profeten (1:1-3)

B. Christus vergeleken met de engelen (1:4-2:18)

C. Waarschuwing: Laat ons niet afdrijven van het Woord (2:1-4)

D. Christus vergeleken met Mozes (3:1-4:13)

E. Waarschuwing: Laat ons niet twijfelen aan het Woord (3:7-4:13)

F. Christus vergeleken met Aäron (4:14-6:20)

G. Waarschuwing: Laten we niet traag worden ten opzichte van het Woord (5:11-6:20)

II. Een beter priesterschap: Christus en Melchizedek (7-10)

A. Een betere orde: Melchizedek, niet Aäron (7)

B. Een beter verbond: nieuw, niet oud (8)

C. Een beter heiligdom: hemels, niet aards (9)

D. Een beter offer: Gods Zoon, geen dieren (10)

E. Waarschuwing: Laten we het Woord niet verachten (10:26-29)0

III. Een beter principe: Geloof (11-13)

A. Voorbeelden van geloof (11)

B. De volharding van het geloof (12:1-17)

C. Waarschuwing: Een waarschuwing tegen ongehoorzaamheid ten opzichte van het Woord (12:18-29)

D. Het bewijs van geloof (13)

_________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘Wij zien Jezus!’

(Waarom Jezus Mens moest worden)

 Hebreeën 2:5-18

 

Inleiding

Veel gelovigen hebben moeite met het lezen en begrijpen van dit Bijbelboek, en het is ook zeker niet het gemakkelijkste boek van de Bijbel. Maar dat mag ons er toch niet van weerhouden om het te lezen. Iemand heeft eens gezegd: ‘Ik heb het niet zo moeilijk met de dingen die ik niet weet, maar met de dingen die ik wel weet!’ Bij het lezen is er altijd wel iets wat we wel begrijpen, dus waarom niet beginnen?

In hoofdstuk 1:1-3 kunnen we lezen dat de Heer Jezus hoger is dan de profeten van het Oude Testament. Christus is de Zoon van God; de profeten waren eigenlijk personen die geroepen waren om een dienst uit te oefenen. Christus schiep de werelden en hield ze in stand. Hij is Gods ‘offer’ voor zonden van de wereld. Christus stierf voor onze zonden. Nadat Hij het werk had volbracht zit Hij aan Gods rechterhand.

Hij was ook hoger dan de engelen (1:4-14). Maar in hoofdstuk 2 lezen we dan dat Hij ‘voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood’. Dat zou bij ons de vraag kunnen doen opkomen: ‘Hoe kon Jezus hoger zijn dan de engelen als Hij een menselijk lichaam had aangenomen?’ ‘Zijn engelen niet hoger omdat ze niet gelimiteerd zijn aan een menselijk lichaam?’ Het lijkt erop door het feit dat engelen ‘dienende geesten’ zijn zonder menselijke lichamen, ze voorrang hebben over de Heer Jezus die een lichaam had en ‘diende’ op aarde. Deze vragen worden beantwoord door de verklaring waarom de Heer Jezus een lichaam aangenomen heeft. Omdat de Heer Jezus het lichaam van een mens heeft aangenomen, wil dat niet zeggen dat zijn goddelijkheid daarmee ophield. Want Hij heeft in de gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, want Hij was God, maar heeft wel de gestalte van een slaaf aangenomen, en is de mensen gelijk geworden. Uiterlijk werd Hij als een mens bevonden, maar innerlijk bleef Hij Wie Hij was: ‘de Christus, die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid’ (Fil.2:6-8; Rom.9:5)

De schrijver van de brief geeft vier redenen in hoofdstuk twee waardoor hij verklaart waarom de mensheid van de Heer geen handicap was, noch een teken van inferioriteit (lager in rang), maar een tijdelijke noodzakelijkheid.

Zijn mensheid maakte het mogelijk om het ‘gebied’ dat de mens verloren had terug te winnen (vs.5-9)

De vermelding van de verzen 5-9 zijn uit Psalm 8:4-6. Toen God de eerste man en vrouw schiep, had Hij ze gezag over Zijn schepping gegeven (Gen.1:26-31). David verwonderde zich erover dat God zijn macht en heerlijkheid wilde delen met zwakke mensen! (vs.6) De mens was geschapen ‘een weinig minder dan de engelen’ (en daarom lager dan zij), maar aan de mens werden voorrechten gegeven veel hoger dan die van de engelen. God heeft namelijk nooit aan de engelen beloften gedaan dat zij zouden gaan regeren over ‘het toekomstige aardrijk’ (Hebr.2:5). Paulus zegt tegen de gelovigen in Korinthe: ‘Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? En de brief aan de Hebreeën zegt: Zijn zij (engelen) niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die de behoudenis zullen beërven? (Heb.1:14).

Maar we hebben hier te doen met een serieus probleem, want het is duidelijk dat de mens nu geen gezag meer uitoefent over de schepping. Het is waar de mens kan geen gezag uitoefenen over vissen, gevogelte en andere dieren. In feite, de mens heeft het al moeilijk genoeg zichzelf te controleren!

‘Maar nu zien we nog niet alles aan hem onderworpen’ (Hebr.2:5). ‘Maar wij zien Jezus!’ (2:9). De Here Jezus is Gods antwoord op het netelige vraagstuk waarvoor de mens gesteld werd. Jezus Christus werd mens zodat Hij kon lijden en sterven voor zonden van de mens en het gezag herstellen dat door de zonde verloren was gegaan. Jezus had gezag over de vissen (Mat.17:24-27; Luk.5:1-11; Joh.21:1-11), en over het gevogelte (Luk.22:34, 60), en over de wilde dieren (Mark.1:12-13), en het vee (Mark.11:1-7). De Here Jezus heeft het verloren gezag van de mens teruggewonnen. Nu ligt alles onder Zijn voeten (Ef.1:20-23). De mens was ‘gekroond met eer en heerlijkheid’ (vs.7), maar verloor zijn kroon en werd een slaaf van de zonde. Jezus Christus heeft die ‘eer en glorie’ herwonnen (vs.9), en de gelovigen van vandaag hebben deel aan Zijn koninklijk gezag (Op.1:5-6). Eens, wanneer Hij zijn koninkrijk zal oprichten, zullen we met Hem regeren in heerlijkheid en eer. De Here Jezus deed dit alles voor ons, verloren zondaars, vanwege de ‘genade van God’ (vs.9). Als Hij geen mens geworden was had Hij niet kunnen sterven en ‘de dood smaken (ondergaan)’ voor alle mensen. Het is waar dat engelen niet kunnen sterven; maar het is ook waar dat engelen geen verloren zondaars kunnen verlossen om het gezag van de mens herstellen.

Zijn mensheid maakte het mogelijk dat Hij veel zonen tot heerlijkheid kon leiden (vs.10-13)

Christus is niet slechts de ‘laatste Adam’, maar Hij is ook de overste Leidsman van onze behoudenis. Dat woord leidsman betekent ‘pioneer – iemand die de weg voor anderen opent.’ Christus gaf de heerlijkheid op om mens te worden. Hij keerde terug in die heerlijkheid toen Hij opstond en ten hemel voer (Hand.1:9; Joh.17:5). Nu deelt hij die heerlijkheid met allen die hun vertrouwen op Hem stellen (Joh.17:22-24). Hij brengt veel zonen en dochters in de heerlijkheid!

Christus verenigt zich met ons, en wij zijn verbonden met Hem: we zijn een geestelijke eenheid. In feite zijn wij ‘zijn broeders’ (Heb.2:12). De schrijver haalt Psalm 22:23 aan – een Messiaanse Psalm – waar Christus naar zijn Gemeente verwijst als zijn broeders. Dat houdt in dat wij en de Zoon van God dezelfde natuur hebben en tot dezelfde familie behoren. Wat een wonder van Gods genade!

De schrijver van de brief aan de Hebreeën haalt ook Jes.8:17-18 aan uit de Septuaginta. De directe verwijzing, is voor de profeet Jesaja en zijn uniek; zonen die betekenisvolle namen hadden gekregen (zie Jes.7:3; 8:1-4). Maar de uiteindelijke verwijzing geldt de Heer Jezus. Niet alleen zijn de gelovigen zijn broeders, maar we zijn ook zijn kinderen: ‘Zie Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’ (Heb.2:13). Als de Heer Jezus niet als mens in de wereld gekomen was, kan Hij ons ook niet van de aarde in zijn heerlijkheid brengen. De menswording, kruisiging en opstanding dienen samen te gaan. Ze leiden allen tot heerlijkheid.

Één zin uit Heb.2:10 dienen we te bespreken voor we verder gaan: ‘Want het paste Hem… de overste leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.’ Deze tekst zegt niet dat Jezus niet volmaakt was toen Hij op aarde was. Het woord ‘volmaakt’ betekent vertaald ‘compleet, effectief, voldoende.’ Jezus had niet een toereikende Redder en Hogepriester kunnen zijn als Hij niet mens was geworden en gestorven. ‘In de dagen dat Hij op aarde was, heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen. En Hij is uit de angst verhoord. ‘Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij toch gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden’ (Heb.5:7-8). ‘Geleerd’ wil zeggen ‘ervaren’ of ‘ondervonden’, niet dat Hij ooit ongehoorzaam was geweest en nu gehoorzaam is geworden!

Zijn mensheid maakte het mogelijk dat Hij satan kon ontwapenen en ons bevrijden van de dood (vs.14-16)

Engelen kunnen niet sterven. Jezus kwam niet om engelen te redden (zie Heb.2:16). Hij kwam om mensen te redden. Dat hield in dat Hij vlees en bloed moest aannemen en Mens worden. Alleen op die manier kon Hij sterven en door zijn dood de satan verslaan. Het woordje ‘te niet doen’ betekend niet ‘vernietigen’, want het is duidelijk dat de satan nog leeft en druk bezig is. Het woord betekent eerder niet meer doelmatig, zonder effect. Satan is niet vernietigd, maar wel ontwapend (Kol.2:15).

Op welke wijze had satan de macht over de dood? Het uiteindelijke gezag over de dood is in de handen van God (Deut.32:39; Mat.10:28; Op.1:18). Satan kan alleen dat doen wat God hem toelaat te doen (Job 1:12, 2:6). Maar omdat de satan de auteur van de zonde is (Joh.8:44), en de zonde de dood voortbrengt (Rom.6:23), is het in deze betekenis dat satan macht uitoefent over de dood. Jezus noemt hem een moordenaar (Joh.8:44). Satan gebruikt de vrees voor de dood als een vreselijk wapen om controle te krijgen over het leven van de mensen. Zijn koninkrijk is er een van duisternis en dood (Kol.1:13). Wij die in de Heer Jezus geloven zijn eens en voor altijd overgeleverd van satans autoriteit en van de verschrikkelijke angst voor de dood. De dood, sterven en opstanding van Christus hebben ons deze overwinning geschonken! (1Kor.15:55-58). Jezus Christus nam niet de natuur van de engelen aan om hen te redden (2Petr.2:4; Op.12:7-9). In plaats daarvan, werd Hij minder dan de engelen om Mens te worden! En niet een ‘man’ in algemene zin; maar Hij werd een Jood, een deel van ‘het zaad van Abraham’ (Heb.2:16). De Joden waren een veracht en gehaat ras, en toch werd de Heer Jezus een Jood.

Zijn mensheid maakte het mogelijk dat Hij een meevoelend Hoge Priester kon zijn voor zijn volk (vs.17-18)

Als louter geesten, die nooit hebben geleden, kunnen engelen zich niet met ons identificeren in onze zwakheden en noden. Maar Jezus wel! Toen Hij hier op aarde was, was Jezus ‘gelijk aan zijn broeders’ en ervoer de zwakte van de menselijke natuur. Hij wist wat het betekende een hulpeloze baby te zijn, een opgroeiend kind, een opgroeiende jongere. Hij kende de ervaringen van zorgen, honger en dorst (Joh.4:6-8). Hij wist wat het betekende veracht te zijn en verworpen, iemand die belogen werd en vals beschuldigd. Hij ervoer lichamelijk lijden, de dood. Dit alles waren ervaringen die Hem geschikt maakten voor zijn hemelse dienst als Hogepriester.

Als je een voorbeeld wilt van een man die geen barmhartig en trouwe Hogepriester was, dan lees de geschiedenis van Eli (1Sam.2:27-36). Daar vinden we een hogepriester die nog niet eens zijn eigen zonen berispte in hun wandel als gelovige. Eli veroordeelde zelfs Hanna toen hij haar beschuldigde van dronkenschap!

Jezus is beide, barmhartig en trouw: Hij is barmhartig voor mensen en trouw aan God. Hij kan nooit falen in zijn priesterlijke dienst. Hij werd het offer voor onze zonden opdat wij met God verzoend konden worden. Hij hoefde geen offer voor Zichzelf te maken, omdat Hij zonder zonde was. Maar wat als wij die gered zijn verzocht worden door de zonde? Hij staat klaar om ons te helpen! Hij werd verzocht toen Hij op aarde was, maar geen verzoeking overwon Hem. Omdat Hij elke vijand heeft verslagen, is Hij in staat ons die genade te geven die we nodig hebben om de vijand te verslaan. De woorden ‘te hulp komen’ (Heb.2:18) betekenen letterlijk ‘op het geschreeuw van een kind te hulp komen.’ Het betekent ‘hulp brengen ter gelegenertijd’. Engelen zijn in staat om ons te dienen (Hebr.1:14), maar zijn niet in staat om ons tegemoet te komen in tijden van verzoeking. Alleen de Heer Jezus kan dat, en Hij kan het doen omdat Hij mens geworden is en geleden en gestorven heeft.

Het is goed om het onderscheid te zien tussen de dienst van de Heer Jezus als Hogepriester en zijn dienst als Voorspraak (1Joh.2:1). Als onze Hogepriester, is de Heer in staat ons de genade te geven die nodig is om niet te zondigen in tijd van beproeving. Als we toch zondigen, dat vertegenwoordigt Hij ons als onze Voorspraak voor de troon van God en vergeeft ons als wij oprecht onze zonden belijden (1Joh.1:5-2:2). Beid aspecten van zijn hogepriesterschap maken deel uit van zijn dienst als bemiddelaar; en het is zijn dienst als Middelaar die onze eeuwige redding gegarandeerd.

Tenslotte

Als je dit gedeelte overdenkt, kun je alleen maar verbaasd zijn over de genade en wijsheid van God. Vanuit menselijk standpunt, lijkt het dwaas van God om mens te worden; maar het was juist deze daad van genade die het mogelijk maakte om ons te redden. Toen Jezus Christus Mens werd, werd hij niet minder dan de engelen, want in zijn lichaam bracht Hij iets tot stand waartoe engelen nooit toe in staat waren. Maar tezelfdertijd, maakte Hij het mogelijk dat wij kunnen delen in zijn heerlijkheid!

Hij schaamt zich er niet voor ons broeders en zusters te noemen. Zijn wij beschaamd om Hem Heer te noemen?

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Door geloof!

 

Hebreeën 11-12

 

 

 

 

 

Inleiding

Niemand was erbij toen de wereld geschapen werd, we geloven op grond van Gods Woord, dat God de wereld tot stand heeft gebracht door zijn Woord, de Heer Jezus (11:3). Zo begint de brief aan de Hebreeën immers ook: ‘In het laatst van deze dagen heeft God tot ons gesproken in de Zoon… door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft’ (Heb.1:2; Kol.1:16; Joh.1:3,10; Op.4:11). Nogmaals daar was niemand bij aanwezig: ‘Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden? (Job.38:4-7). En omdat niemand van ons bij de schepping aanwezig was wandelen we door geloof en niet door aanschouwen! ‘Door geloof’ is dan ook de hoofdgedachte van Hebreeën 11, het hoofdstuk van de ‘geloofsgetuigen’. Van alle daar vermelde personen wordt gezegd dat ze handelden door ‘geloof’! Om er maar een paar te noemen, Noach had nog nooit geen regen gezien (Gen.2:5), maar toch bouwde hij de ark tot behoudenis voor zijn huis (11:7). Abraham wist niet waar hij heenging en terecht zou komen, maar toch vertrok uit Ur de Chaldeeën (11:8). Mozes vertrok door geloof uit Egypte, en zag af van de rijkdommen en een hoge positie (11:24-26). Maar niet iedereen, die in hoofdstuk 11 genoemd wordt kwam er zonder kleerscheuren vanaf. We denken maar aan al die gelovigen die we verder in hoofdstuk 11 vinden: Gideon, Barak, Simson, Jefta, enz. enz. Ja, je kunt als gelovige, door geloof, veel tot stand brengen, zelfs koninkrijken onderwerpen, maar er kan je ook veel overkomen (11:36-38). Hoe dan ook, allen hebben door hun geloof getuigenis verkregen, ook al hebben ze de belofte niet ontvangen, want God had iets beters voor hen voorzien (11:39-40).

Geloof vs. Ongeloof

In de brief aan de Hebreeën hebben we niet alleen te maken met geloof, maar ook met ongeloof. Het is zelfs het onderwerp van één van de vele vermaningen die in deze brief zijn opgenomen: ‘Kijkt u uit, broeders, dat niet misschien in iemand van u een boos, ongelovig hart is, om af te vallen van de levende God’ (Heb.3:12). En verder: ‘Aan wie heeft Hij gezworen dat zij in zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen die ongehoorzaam geweest ware? En wij zien dat zij niet konden ingaan wegens ongeloof’. Maar wie konden wel de rust ingaan? ‘Wij die geloofd hebben, gaan in de rust, zoals Hij gezegd heeft’ (Heb.3:18; 4:3). De rust die hier bedoeld wordt is de rust, die na de oorlogen die gevoerd moesten worden om het land in bezit te nemen, die ervaren zou worden (3:11, 18; 4:4-5, 8; Deut.12:8-10; 25:19; Joz.1:13-15; 21:43-45; Ps.95). Waaruit bestond het ongeloof van ‘hen die niet konden ingaan?’ Het verhaal is bekend dat van de twaalf verspieders er tien waren die niet geloofden, niet vertrouwden op Gods Woord en daaraan ongehoorzaam waren. Slechts twee van de twaalf verspieders, Jozua en Kaleb, omdat zij de Here volkomen gevolgd hebben, mochten het land binnentrekken, in bezit nemen en van de rust genieten. Van de tien anderen kan gezegd worden: ‘dat het woord van de prediking hun geen nut bracht, omdat zij het niet geloof hoorden’ (Heb.4:2).

De wedloop

Geloof is ook nodig om de wedloop te lopen die ons in hoofdstuk 12 wordt voorgesteld. Sommige uitleggers denken dan ook dat ongeloof wordt bedoeld daar waar er sprake is van ‘de zonde die ons licht omstrikt’ (12:1). De apostel Paulus spreekt zijn verlangen en hoop uit, ‘dat hij zijn loop en bediening zou volbrengen” (Hand.20:24). En dat is hem, wellicht met vallen en opstaan, gelukt, want aan het einde van zijn leven kon hij getuigen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden’ (2Tim.4:7). Ook wij mogen de loop en bediening die we van God hebben ontvangen uitoefenen in het geloof dat wat God in ons begonnen te bewerken, Hij dat ook voleindigen zal (Fil.1:6). Een wedloop lopen, zoals in de tijd van de Romeinen, was geen gemakkelijke zaak, dat moest gepaard gaan met een behoorlijke voorbereiding en daaropvolgend regelmatige training. Alles wat je daarin kon hinderen moest worden afgelegd, opdat de zonde die je licht kon omstrikken je niet tot val zou kunnen brengen zodat je de eindstreep niet zou halen. Ik denk namelijk dat ‘de zonde’, zoals vermeld in vers 1, niet beperkt hoeft te worden tot ‘ongeloof’. Voorbeelden genoeg van gelovigen die de strijd hebben opgegeven en de wedloop niet hebben uitgelopen. We denken maar aan Demas, die de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen (2Tim.4:10). Sommige zijn van het geloof afgedwaald vanwege de geldzucht (1Tim.6:10). Meerderen hebben aangaande het geloof schipbreuk geleden vanzege diverse oorzaken (1Tim.1:19). En zo zouden we nog wel een poosje kunnen voortgaan met voorbeelden uit onze eigen omgeving denk ik. Maar dan past het ons niet om met de vinger te wijzen, maar uit te kijken dat wij die menen te staan zelf niet vallen (1Kor.10:12). Gelukkig zijn er ook genoeg positieve voorbeelden te vermelden, en de schrijver van de brief aan de Hebreeën, brengt ‘onze voorgangers in herinnering die het woord van God tot ons hebben gesproken, terwijl wij het einde van hun wandel beschouwt, om hun geloof na te volgen’ (Heb.13:7). En zo’n ‘voorganger’ was de Heer Jezus, waar we nu aandacht aan willen besteden.

Jezus de overste leidsman en voleinder van het geloof

Van alle geloofsgetuigen steekt de Heer Jezus er natuurlijk met kop en schouders bovenuit!

Hij is de overste leidsman, dat is ‘iemand die wegen voor anderen opent’, en voleinder van het geloof. Hij die op het einde van zijn leven kon zeggen: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven, en nu, verheerlijk Mij, U, Vader bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was’ (Joh.17:4-5). De Heer Jezus heeft het kruis verdragen, de schande veracht en de tegenspraak door de zondaren tegen Zich verdragen. Was het lijden van de Heer Jezus van de zijde van de mensen, profetisch beschreven in Psalm 69, al erg, wat te denken van het lijden van de Heer van de zijde van God, zoals beschreven in Psalm 22? Terecht kunnen we de uitspraak van Jeremia in het boek Klaagliederen op de Heer Jezus toepassen: ‘Raakt het u niet, gij allen die voorbijgaat? Aanschouwt en ziet, of er een smart is als de smart die mij werd aangedaan, waarmee de Here mij in kommer dompelde ten dage van zijn brandende toorn’ (Klg.1:12). Vaak wordt het lijden dat de Heer Jezus overkomen is van de kant van de mensen meer benadrukt dan het lijden van de zijde van God. Maar we zijn niet gered door Jezus’ komen in de wereld, maar door zijn dood op het kruis. Op dat kruis is Hij, die zonder zonde was en geen zonden had gedaan, tot zonde gemaakt opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem (2Kor.5:21). Daar was het waar Hij, de Rechtvaardige voor ons onrechtvaardigen heeft geleden en ons tot God heeft gebracht (1Petr.3:18). Daar waar Hij geroepen heeft: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten’ (Ps.22:2), bleef Hij ons nabij!

De vreugde die vóór Hem lag

‘Om de vreugde die voor Hem lag’. Wat moeten we daarbij denken? Wel ik denk aan twee zaken, (1) Zijn thuiskomen in de heerlijkheid die Hij verlaten had (Joh.13:1; 17:5), en (2) de ontmoeting met de Gemeente, zijn bruid, die Hij gekocht heeft met zijn eigen bloed (Hand.20:28; Ef.5:25, 27). De Heer Jezus is heengegaan om ons plaats te bereiden, en als Hij ons plaats bereid heeft, komt Hij weer terug om ons tot Hem te nemen, opdat ook wij zullen zijn waar Hij is, namelijk in het huis van de Vader (Joh.14:1-3). Hoewel het niet op zijn verschijnen in heerlijkheid bedoeld is maar op zijn verschijning ná de opstanding aan zijn discipelen, vergelijkt de Heer Jezus het als een kind dat geboren wordt; eerst pijn dan blijdschap (Joh.16:19-22). Zo zegt de brief aan de gemeente Efeze: ‘Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het woord, opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn’ (Ef.5:25-27). Judas vult aan: ‘Hem nu die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich, de enige God onze Heiland, door Jezus Christus onze Heer’ (Judas vers 24). Over dat weerzien in heerlijkheid kunnen we lezen in Openbaringen 4 en 5, waar de vierentwintig oudsten voor Hem neervallen en aanbidden en zeggen: ‘U bent geslacht en hebt voor God gekocht met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie’ en ‘Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen. (Op.5:9; 1:5-6).

Nawoord

Het mag duidelijk zijn dat de wedloop niet lopen om behouden te worden, want we worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt! De wedloop lopen is een beeld van het volhouden van een leven als gelovige in deze wereld, die door zijn handel en wandel getuigenis wil geven van zijn geloof. Daarin zijn helaas velen gestruikeld zoals dat in de gelijkenis van de zaaier en het zaad al door de Heer Jezus werd voorzegt. Maar voor een ware gelovige moet toch het verlangen er zijn om Hem welgevallig te zijn, en te zijn in de wereld, zoals Hij in de wereld is geweest (1Joh.4:17). Daar komt bij dat wij eenmaal rekenschap zullen mogen afleggen wat in het lichaam, hierop aarde is gedaan voor Hem (2Kor.5:10). Door geloof, want door geloof hebben de ouden getuigenis verkregen (Heb.11:1). U ook?

_____________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Een beter offer'

 Hebreeën 11:4

 

 

 

 

 

‘Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is’ (Hebreeën 11:4).

Inleiding

Kaïn en Abel hadden dezelfde afkomst, groeiden op in dezelfde omgeving, oefenden beiden een beroep uit en waren beiden religieus. Toch was Kaïn een moordenaar. Het grote verschil tussen Abel en Kaïn was geloof. Door zijn geloof werd Abel een martelaar en Kaïns ongeloof maakte van hem een moordenaar. Kaïn was religieus maar niet rechtvaardig. We moeten leren dat het geloof in Jezus Christus waard is om voor te sterven, en dat de wedloop uitlopen ons iets kost! (Hebreeën 12:1-3).

1. Abel was een gelovige

Wat is echt geloof? Er is wel gezegd: ‘echt geloof is God gehoorzamen ongeacht gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons of consequenties voor ons.’ Of Abel verwacht had dat hij voor zijn geloof in God zou moeten sterven weten we niet, maar in zijn geval was het wel de uiterste consequentie. De bijbel is eensluidend over het geloof van Abel, hij werd door de Heer Jezus een rechtvaardige genoemd (Mattheüs 23:35; Hebreeën 11:4) maar ook zijn werken waren rechtvaardig (1 Johannes 3:12).

Hoe was Abel een rechtvaardige geworden? Abel en Kaïn waren kinderen van Adam en Eva en evenals hun ouders zondaars. ‘Komt ooit een reine uit een onreine – niet één’ (Job 14:4).

‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12). Omdat daarom ieder mens schuldig voor God staat kon God genade bewijzen aan de mensheid, want ‘evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden’ (1 Korinthiërs 15:22).

Van wie had Abel zijn geloof? Hadden zijn ouders hem verteld hoe zij van God waren afgeweken en waarom een engel de ingang tot het paradijs bewaakte? Hadden ze hem onderwezen in de wijze waarom een mens tot God moet naderen? Het eerste offer dat gebracht geworden in de bijbel is het dier dat geslacht werd om Adam en Eva te bekleden (Genesis 3:21). Dit spreekt natuurlijk van Christus, Gods grootste offer. ‘Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld’ (Jesaja 61:10). Abel bracht God een offer van een dier want hij had begrepen dat er ‘zonder bloedstorting geen vergeving is’ (Hebreeën 9:22). Zó zal hij dat van zijn ouders geleerd hebben mogen we geloven.

2. Abel groeide in zijn geloof

Abel was niet alleen een rechtvaardige maar ook een aanbidder; een aanbidder die tot het altaar komt. Wanneer we, door het lezen van de bijbel, verstaan wie God is en wat Hij heeft gedaan om ons te kunnen redden dan zullen we tot aanbidding komen. Groei resulteert in aanbidding. Bij aanbidding gaat het om de Persoon van God niet om ons of onze redding.

Aanbidding dient niet alleen te bestaan uit woorden, maar woorden dienen gevolgd te worden door daden. Abel bracht ‘een van de eerstelingen zijner schapen’, hij gaf het beste van wat hij had aan God, en wat doen wij? Nee, we hebben vandaag geen tempels, altaren en dieren om te offeren, maar dat wil niet zeggen dat wij geen offers kunnen brengen! Het nieuwe testament onderwijst dat wij onze lichamen als een offer aan God kunnen toewijden (Romeinen 12:1). We kunnen God met onze mond loven en prijzen en goede werken doen (Hebreeën 13:15,16). Ons geld en andere materiële zaken kunnen een offer zijn (Filippi 4:10-18). Ook onze gebeden kunnen een offer voor Hem zijn (Psalm 141:2) maar een gebroken hart kan eveneens een offer zijn (Psalm 51:19). In elke geval willen wij, evenals David, de Here geen brandoffers brengen, die ons niets kosten (2 Samuël 24:24).

3. Abel was bereid om voor zijn geloof te lijden

‘Opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar’ (Mattheüs 23:35). Abel was de eerste in de rij van martelaren die vanwege hun geloof het leven lieten of lijden ondergingen. In Hebreeën 11 vinden we een opgave van mensen die om hun geloof in God vervolgd zijn geworden (Hebreeën 11:36v.). In dit hoofdstuk vinden we de namen van drie ongelovigen: Caïn (11:4), Esau (11:20; zie ook 12:14-17), en de Farao (11:23-29). Deze drie staan voor de drie vijanden die gelovigen hebben. Ten eerste de wereld (Farao, want Egypte is een beeld van de wereld). Jakobus zegt dat vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God (Jakobus 4:4). Ten tweede de begeerten van het vlees (Esau) ‘want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees’. Ten slotte de duivel (Caïn, want hij was uit de boze, volgens 1 Johannes 3:12) die zich kan vertonen als een engel van het licht of als een brullende leeuw.

Ook wij dienen hiermee rekening te houden want op een of andere manier zal ons geloof beproefd worden en de vraag is of wij bereid zijn de (ultieme) prijs te betalen. ‘Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden’ (Filippi 1:29).

4. Van Abels geloof ging een getuigenis uit

In de bijbel zijn geen woorden te vinden die Abel heeft uitgesproken en toch ‘spreekt’ hij tot ons (Hebreeën 11:4). We lezen hetzelfde van de schepping: ‘De hemelen vertellen Gods eer,

en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld’ (Psalm 19:1-5). De Here zei tot Kaïn, na de moord op zijn broeder Abel, ‘Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem’ (Genesis 4:10).

In de brief aan de Hebreeën wordt het bloed van de Heer Jezus vergeleken met het bloed van Abel: ‘tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel’ (Hebreeën 12:24). Abels bloed sprak vanuit de aarde, terwijl het bloed van Christus getuigenis droeg van de hemel. Abels bloed schreeuwde om wraak, terwijl het bloed van Christus spreekt van verzoening en genade. Vanwege het vergieten van het bloed van zijn broer werd Kaïn van Gods aanwezigheid verwijderd (Genesis 4:14) het bloed van Jezus Christus opent ons de weg om in Gods tegenwoordigheid te komen (Hebreeën 10:19-25). Het bloed van Abel spreekt ons van de dood, terwijl het bloed van Christus spreekt van eeuwig leven. Abel is dood, maar Jezus leeft! Abels bloed kon geen zonden wegwassen, maar Christus bloed reinigt ons van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9). Welk getuigenis gaat van ons geloof uit!

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 Mozes

‘Als geloof nee zegt!’

 

(Hebreeën 11:23-29)  

 

 

 

‘Maar indien het kwaad is in uw ogen, de HERE te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!’ (Jozua 24:15).

Inleiding

‘Wanneer het geloof ja zegt tegen God, moet het vanzelfsprekend nee tegen iets anders zeggen, anders maak je een compromis. Je maakt dan eigenlijk een overeenkomst tussen twee personen of zaken waarbij ieder iets toegeeft; dat is water bij de wijn doen! God vraagt totale toewijding of overgave aan Hem; we kunnen geen twee meesters dienen (Math. 6:24). Omdat Abraham God geloofde, verliet hij Ur der Chaldeeën en ging naar Kanaän. Hij vroeg geen garanties en deed geen pogingen om bepaalde gunsten te verkrijgen. Hij gehoorzaamde eenvoudig. Hij zei ja tegen God en nee tegen Ur der Chaldeeën. Beide beslissingen maakten hem tot een geloofsheld en is daarom opgenomen in het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën. Het is relatief gemakkelijk om ja tegen God te zeggen, maar moeilijker om nee tegen de wereld, het vlees of de duivel te zeggen. Lot zei ja tegen God maar heeft nooit nee tegen de wereld gezegd, en het einde van Lot was een grot waar donkerheid, dronkenschap en sexuele misstanden waren. Demas heeft de tegen-woordige wereld lief gekregen, en mij verlaten’ schrijft Paulus, in een tijd waarin hij dringend hulp nodig had. (2 Tim. 4:10). In zijn boek ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ schets de schrijver Bunyan ons dat velen onderweg op de weg bezweken omdat ze niet geleerd hadden om nee tegen de andere dingen te zeggen. In deze studie over het leven van Mozes gaan we na wanneer ‘nee’ gezegd werd door Mozes maar ook door zijn ouders, en daar beginnen we mee.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd’ (Hebr. 11:23).

1. Nee, tegen het gezag.

Wat een voorrecht om gelovige ouders te hebben! De ouders van Mozes leefden in een zeer moeilijke tijd, waarin de farao ‘listig met het volk handelde’ (Hand. 7:19vv). Hij behandelde het volk slecht en had bevolen dat ze hun jonge kinderen te vondeling moesten leggen, en dat alle jongetjes gedood moesten worden. ‘Werpt alle jongens die geboren worden, in de Nijl, maar alle meisjes moogt gij laten leven’ was wat de farao had geboden (Ex. 1:22). In die tijd werd Mozes geboren, als derde kind in het gezin van Amran en Jochebed, bepaald geen tijd waarin je uitzag naar nóg een kind, en als het dan ook nog een jongetje is… (Ex. 2:1; 6:19). Amran en Jochebed wisten dat Mozes niet zomaar een jongetje was want: ‘hij was mooi voor God’; het was een speciaal kind, dus verborgen zij het kind en na drie maanden legden zij het te vondeling (Hand. 7:20v; Hebr. 11:23v;   Ex. 2:2). God had een speciale bedoeling met Mozes; hij zou het volk uit Egypte leiden op weg naar het beloofde land.

Amran en Jochebed gingen dus in tegen het gebod van de farao om het kind te doden en terecht! Het is normaal dat een gelovige aan het gezag dat boven hem gesteld is gehoorzaamd, maar er kunnen zich situaties voordoen in het leven waarin burgelijke ongehoorzaamheid vereist is, dat je nee moet zeggen, zoals hier (Rom. 13:1-7; Tit. 3:1; 1 Petr. 2:13-17). Farao’s gebod geen immers regelrecht tegen Gods gebod in! Ze stonden in deze ‘ongehoorzaamheid’ niet alleen, ze volgden daarin de vroedvrouwen, want: ‘De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte haar gezegd had, maar lieten de jongens in leven’ (Ex. 1:17). Door het nee tegen farao’s gebod werd Mozes leven gered; wees blij wanneer je gelovige ouders hebt die resoluut in hun geloof zijn!

Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen’ (Hand. 5:29)

+++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding’ (Hebr. 11:24-26).

2. Nee, tegen de zonde.

Is het u al opgevallen dat de uitdrukking ‘door het geloof’ veel voorkomt in Hebreeën 11:23-29? ‘Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn’ (Hebr. 11:6) en dat is wat Mozes wilde, voor God welgevallig, aangenaam zijn. Daarom weigerde Mozes! Door het geloof had Mozes de kracht te weigeren om door te gaan als een zoon van Farao’s dochter; om te genieten van de zonde, de zonde, die ons zo licht in de weg staat, waardoor een groei in het geloof belemmerd wordt (Hebr. 12:1).

Zouden wij ooit van Mozes hebben gehoord als hij niet geweigerd had, als hij niet nee gezegd had? Misschien zou ergens op een tempelmuur, obelisk of pyramide een inscriptie gevonden zijn met zijn naam erop, en dat zou alles zijn. Maar vandaag hebben de meeste mensen wel eens van Mozes gehoord en is hij opgenomen in de lijst van geloofshelden in Gods Woord (Hebr. 11). Misschien zijn we geneigd om te denken: ‘Mozes had beter in Egypte kunnen blijven dat had hij veel meer voor het volk Israël  kunnen betekenen. Hij had immers door zijn positie invloed kunnen aanwenden ten gunste van het volk!’ Maar God had andere plannen met Mozes, Hij wilde door hem het volk uit Egypte verlossen. Hij handelde met Mozes anders dan met bijvoorbeeld, Jozef, Esther of Daniël die in eenzelfde positie waren en aan het hof moesten blijven. God gaat met een ieder van ons een eigen weg.

Mozes had een langetermijnvisie, hij zag de tijdelijkheid en betrekkelijkheid in van de genietingen van de zonde en van de schatten van Egypte en dat wilde hij niet, hij wilde iets beters, de smaad van Christus en de beloning van God.

Stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God’ (Rom. 6:13)

++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke’ (Hebr. 11:27).

3. Nee, tegen de wereld.

Het was de tweede keer dat Mozes Egypte verliet. De eerste keer op de vlucht vanwege de doodslag op een Egyptenaar en uit angst (Ex. 2:11-15). De tweede keer in de volle kracht van het geloof en ziende op de Onzienlijke! Mozes had geen vrees voor de toorn van de Farao want: ‘er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit’ (1 Joh. 4:18). Evenals Jozef is Mozes hier een prachtig beeld van de Heer Jezus. Beide mannen, Jozef en Mozes, wilden hun broeders redden maar werden ze afgewezen. Bij hun tweede ‘komst’ werden ze aanvaard (Hand. 7:12-13). Zo ook de Heer Jezus. Bij zijn eerste komst werd hij door het volk afgewezen, ze schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer’ (Joh. 19:15). Bij zijn tweede komst zal Hij door hen worden aangenomen (Zach. 12:10; Math. 24:30).

Egypte is een gekend beeld van de wereld, de wereld met al zijn geneugten en gemakken. Zo’n wereld kan een grote aantrekkingskracht hebben ook op het hart van een gelovige die niet wandelt in de kracht van Gods Geest. Lot is het klassiek voorbeeld van een gelovige die wel Egypte had verlaten, maar in zijn hart was ‘Egypte’ nog volop aanwezig. Van Demas moest de apostel helaas zeggen: ‘hij heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’ (2 Tim. 4:9). In de gelijkenis van de zaaier lezen we ‘dat wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht (Luk. 8:14).

Mozes, op weg naar het beloofde land, keerde zijn rug naar Egypte, de wereld, en had definitief afscheid genomen. Maar zo gemakkelijk was dat niet, Farao wilde hem en de Israëlieten terughalen om ze weer in zijn dienst te hebben. En die strijd zullen ook wij ervaren, de satan wil ons terug in zijn dienst, laten wij dan ook evenals Mozes ‘standvastig, bliujven als ziende de Onzienlijke’.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem’ (1 Joh. 2:15).

+++++++++++++++++++++++++

Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken’ (Hebr. 11:28).

4. Nee, tegen de farao.

De HERE, de God van Israël had tot Mozes en Aaron gezegd, zeg tegen de Farao: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren. Maar Farao zeide: Wie is de HERE, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan. Later kwam Farao daar schoorvoetend op terug, hij wilde ze laten gaan mits ze niet te ver weggingen, de mannen alleen zouden gaan en tenslotte wilde hij ze laten gaan maar ze mochten hun vee net meenemen. (8:28, 10:11, 10:24). Maar met al die voorstellen ging Mozes niet akkoord, hij luisterde niet naar de Farao, hij zei nee tegen de Farao en ja tegen de Here.

Nadat Farao zijn hart herhaaldelijk had verhard, verhardde de Here tenslotte zijn hart, zoals God had voorzien en voorzegd  (Ex. 4:21, 10:20, 11:10) De laatste plaag ging komen over Egypte, de dood van de eerstgeborenen van zowel van de Egyptenaren alsmede van de Israëlieten!  Maar de Here gaf een middel waardoor de eerstgeborene gespaard kon worden voor het oordeel, alleen die huizen zouden gespaard worden waar het bloed aan de deurposten gestreken was. Er was geloof voor nodig om te aanvaarden dat het bloed van een lam hen zou kunnen beschermen voor de dood van de eerstgeborenen. Ze hadden niets anders dan de belofte van God die had gezegd: ‘wanneer ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij!’ (Ex. 12:13). Die nacht moesten ze een keuze maken geloven in het gezag van de Farao’s woord of het gezag van Gods Woord. Mozes en vele anderen had dat geloof, hij vierde het Pascha, streek het bloed van het lam aan de deurpost en maakte zich op om te gaan naar het beloofde land. Heeft u ook dat geloof dat het bloed van hét Lam u kan redden en kan brengen in de hemel?

‘Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed’ (Openb. 1:5).

++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden’ (Hebr. 11:29)

5. Nee, in beproevingen.

U kent de geschiedenis. Mozes en het volk verkeerden in een uitzichtloze situatie ze stonden voor de Rode zee, en wat nu? Ze waren uit Egypte vertrokken en de reis naar het beloofde land was begonnen. Hun geloof zou tijdens die reis vele malen op de proef gesteld worden, en het begon al onmiddellijk na hun vertrek. Farao kwam namelijk tot de ontdekking dat hij een verkeerd besluit genomen had. ‘Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël uit onze dienst hebben ontslagen? Daarop spande hij zijn wagen aan en nam zijn volk met zich. Hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, alle volledig bemand’ (Ex. 14:6-7). Het zag er niet goed uit voor Mozes en het volk, de wildernis rondom hen, de Rode zee vóór hen en de Farao achter hen! Het volk werd bevreesd en er werd een oplossing voorgesteld: ‘laten we maar terugkeren naar Egypte, Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven’. Mozes zei: ‘houdt stand ‘, blijf waar je bent. Maar God zei: ‘Ga voorwaarts!’, God opende de zee en het volk trok er door  (Ex. 14:12-14).

Iemand heeft eens gezegd: ‘Je hebt nog nooit geleerd volledig op God te vertrouwen, dan wanneer je Hem hebt vertrouwd in onmogelijke situaties!’ Hoe vaak overkomt het ons dat wij in een situatie verkeren waarin, menselijkerwijs, geen uitkomst is, en wat doen we dan? Keren we terug, blijven we staan of gaan we door in het geloof dat God in staat onze ‘storm’ te veranderen in een ‘zachte koelte’?

‘Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ (Hebr. 13:5-6).

++++++++++++++++++++++++++++

Besluit

We hebben verschillende momenten in het leven van Mozes onderzocht en besproken en gezien dat een volledige toewijding en vertrouwen op God de beste manier is om van je leven als gelovige een succes te maken. Maar dan moeten we soms in geloof nee durven zeggen in diverse situaties om te ervaren dat een ja tegen God  de beste weg is.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 De Wedloop!

 

Hebreeën 12

 

 

Inleiding

‘Het is veel gemakkelijker naar de kerk te gaan, dan ‘kerk’ te zijn! Ik bedoel, om een levende steen te zijn in het huis van God, de Gemeente. Het leven van de eerste christenen was niet zonder moeite, zoals de Heer Jezus uit de synagoge werd gegooid (Luk.4:1-30), zo werden ook de apostelen en de gelovigen uit de synagoge gezet (Joh.9:34-38; Hand.13:46-52; 14:1-6; 17:1-9). Ook in de brief aan de Hebreeën lezen we ervan (10:32-34) en daarom hebben we volharding nodig, opdat u na de wil van God gedaan te hebben, de belofte ontvangt (10:36). In hoofdstuk 12 wordt daarom ook gesproken van een wedloop die vóór ons ligt (12:1), en zoals bij elke wedloop worden de prijzen aan de meet uitgereikt. Veel gelovigen geven op en dat hoeft niet, volharding is mogelijk ook in moeilijke omstandigheden. ‘Wij roemen in de verdrukking, daar wij weten dat verdrukking volharding werkt, en volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop’ (Rom.5:3-4). Het woord volharding wordt in de brief aan de Hebreeën twee keer op de Heer Jezus toegepast (Heb.12:2, 3) en eenmaal op de lijdende gelovige (12:7). De brief aan de Kolossenzen onderwijst ons ‘dat wij met alle kracht bekrachtigd zijn, naar de sterkte van zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld, met blijdschap’ (Kol.1:11). We hebben geduld nodig met moeilijke mensen en volharding in moeilijke omstandigheden. Opgevers zijn geen overwinnaars, en de gelovigen vermeld in hoofdstuk 11 hebben niet opgegeven! Echt geloof is gehoorzaamheid aan Gods Woord, ongeacht de gevoelens in ons, of de omstandigheden rondom ons, of consequenties voor ons.

Het voorbeeld van de Zoon van God (12:1-4)

Kijk om je heen!

Het eerste waar de schrijver onze aandacht op wil vestigen is die grote wolk van getuigen waarover het vorige hoofdstuk ging! Door ‘geloof’ lezen we, hebben ze het einde van hun loop volbracht. Het woordje ‘getuigen’ wil niet zeggen dat ze als het ware in de hemel zitten en naar beneden kijken hoe wij het doen, nee, zij dragen het getuigenis van het geloof in zichzelf! Wij mogen naar hen kijken om te leren hoe zij hun weg hebben uitgelopen. Je zult tot ontdekking komen dat zij, evenals wij, niet volmaakt waren, maar ze bleven volharden op de eenmaal ingeslagen weg. Vandaar dat de apostel spreekt van ‘de zonde die ons licht omstrikt’ en ‘met volharding de wedloop lopen’. Wat zij hebben ervaren in hun tijd en hun wedloop kunnen ook wij ervaren.

Let op jezelf!

Uiteraard kan het zien naar de overwinnaars een stimulans zijn, maar we moeten ook acht geven op onszelf (1Tim4:16). Paulus ziet de gelovige hier als atleten, zoals hij vaker doet (1Kor.9:24-27). Een atleet nu dient zich te onthouden van alles wat zijn prestaties kan beïnvloeden; hij moet zijn lichaam onderwerpen om het beste eruit te halen. Hij moet zo, als een getraind deelnemer, de wedloop lopen opdat hij de prijs ontvangt! Vandaar dat melding gemaakt wordt van ‘de zonde’ die ons licht omstrikt en ons volledig kan vangen zodat we tot niets meer in staat zijn.

Zie op Jezus!

Je kan teleurgesteld zijn in mede-gelovigen, in je gemeente waar je deel van uitmaakt, in jezelf, maar je kan nooit teleurgesteld zijn of worden in de Heer Jezus! Hij is het perfecte voorbeeld, de overste leidsman en voleinder van het geloof! Dus als we de wedloop lopen en het moeilijk krijgen dan worden we opgeroepen onze aandacht te vestigen op de Heer Jezus, Die, om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Van de apostel lezen we, toen hij op weg was naar Rome, en het moeilijk had moed vatte toen hij de broeders zag die hem tegemoet waren gekomen (Hand.28:15). We hebben allemaal de neiging de moed te laten zakken als de tegenstand groot is, of moe worden wanneer beproevingen te lang duren. Het gevaar bestaat dat we bezwijken in ons geloofswandel. De remedie is te zien op Jezus die om de vreugde die voor Hem lag alles heeft verdragen! Daarom mogen we zeggen dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden (Rom.8:18).

De garantie van Gods liefde (12:5-13)

Gods Woord

Werden we in vers 1 gewaarschuwd ‘voor de zonde die ons licht omstrikt’ hier worden we er nogmaals op gewezen, maar nu zegt de apostel dat er een strijd tegen de zonde is! We hebben tegenstand van buiten, maar ook een macht in ons midden, de zonde (Rom.7:16). We weten dat de gelovigen die Paulus op het oog heeft, veel tegenstand hebben gekend (10:32-34) en het is mogelijk dat ze moe werden en op het punt stonden te bezwijken omdat ze niet inzagen dat God men hen bezig was; ze waren wellicht vergeten dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die gelovigen! (Rom.8:28). Vervolging kan dan ook meer betekenen dan dat alleen! In de tijd dat Stéfanus gestenigd werd, ontstond er een grote vervolging tegen de gemeente, maar zij die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord (Hand.8:1, 4). Is het niet vaak zo, dat wij in onze wereld waarin de verzorgingsstaat alles regelt, tegenslagen alleen als iets negatiefs ervaren worden in plaats van het positieve daarin te gaan ontdekken. Vaak wordt tuchtiging verkeerd begrepen en men denkt dat het straf is op de ongehoorzaamheid van een gelovige. Maar God zal nooit een gelovigen straffen, wel tuchtigen, tot de orde roepen en dat altijd met het doel van goede gelovige een betere gelovige te maken. Dat doel is o.a. persoonlijke geestelijke groei (Joh.15:1-3).

Persoonlijke ervaringen

Verdragen wij de tuchtiging van God nog wel, of wijzen we ze af? God laat het toe dat zijn kinderen soms een moeilijke weg moeten gaan. U vindt dat moeilijk te begrijpen, maar want denkt u dan van bijvoorbeeld Jozef en Job en zoveel anderen? (Heb.11:32-38). Vergeet niet dat God met u bezig is wanneer u getuchtigd wordt, en dat maakt duidelijk dat u geen bastaard, maar een echt kind van God bent en dat God u geestelijk zó wil maken dat u meer op zijn Zoon gaat lijken en opdat Hij gestalte in mag krijgen! (Rom.8:29; Gal.4:20). Denk eraan dat we als kind ook een vader hadden die ons tuchtigde en waarvoor we ontzag hadden, zullen wij dan niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven? (12:9).

De resultaten

Onze vaders naar het vlees tuchtigden ons wel zoals goed dachten, maar God tot ons nut, opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen (12:10). Daarin zit het verschil, God bezorgt ons nooit onnodig leed, maar Hij heeft altijd een positief doel op het oog, ofwel ten goede voor onszelf of opdat hij ons in situaties brengt waarin we iets belangrijks voor Hem kunnen betekenen. Paulus, die om Christus wil in de gevangenis was geraakt, kon getuigen dat zijn gevangenschap veeleer tot bevordering van het evangelie had gediend (Fil.1:12). Jozef kon getuigen dat God hem naar Egypte had laten gaan om een groot volk in leven te behouden (Gen.50:20; 45:5, 7). Zou u geen ‘Paulus’ of ‘Jozef’ willen zijn? Nee, God tuchtigt ons tot ons nut opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen. Het is inderdaad zo dat alle tuchtiging op het ogenblijk dat ons het overkomt geen reden voor vreugde is maar voor droefheid, maar daarna geeft zij aan hen, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid! Behoort u bij de geoefenden?

Aansporingen (12:12-17)

De verzen 12-17 wordt door het woordje ‘daarom’ verbonden met de voorgaande verzen en de rest van dit hoofdstuk. Het is één van de vijf aansporingen in de brief aan de Hebreeën. De andere aansporingen of vermaningen in de brief zijn 2:1-4 (niet afdrijven van de behoudenis), 3-7-4:13 (een hard hart); 5:11-6:20 (niet traag worden); 10:26-39 (eigenzinnigheid) en de laatste mogelijke weigering om te luisteren. De bedoeling van deze aansporingen zijn om de aandacht van de gelovigen te vragen rekening te houden met Gods Woord, niet als een dreigement maar als een aansporing om te volharden, en opdat er geen verbittering optreedt vanwege de doorgemaakte tuchtigingen en beproevingen.

De aanwezigheid van Gods genade (12:17-29)

Kijk eens achterom (15-17

Aansporingen zijn nodig want kijkt u maar eens achterom en zie hoe het met Ezau is gegaan die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht. Het was een daad van onverschilligheid die hem daartoe dreef en hij mistte daarom de zegen die hij achteraf met tranen zocht, maar het was te laat! (Gen.25:27-34; 27:30-45). De verzen 14-17 spreken van geestelijke ijver, bitterheid ten opzichte van anderen (Deut.29:18), seksuele onreinheid, en een ongeestelijk leven. Je kunt denken dat Ezau een godslasterlijk en een moreel onrein persoon was, maar hij toonde zich eerder als een sympathieke man en een goede jager, en een man die zijn vader liefhad. Hij zou een fijne buurman kunnen zijn, maar hij had weinig of geen interesse in dingen van God. Ezau mag voor ons een waarschuwing hoe we niet moeten leven.

Kijk eens naar boven (18-24)

Wat een verschil met de openbaring van God in het oude en het nieuwe verbond; de Wet en de Genade! Wat een verschil tussen de berg Sinaï en de berg Sion. Dit was de stad waar de aartsvaders naar hadden uitgekeken (11:10, 16). ‘Want wij zijn niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, maar we zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen en tot Jezus!’ Geen vrees of angst, maar een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen. De engelen zijn daar, de gelovigen, maar heerlijkst is daar zien we Jezus! Vandaar de oproep: Kijkt u uit dat u Hem die spreekt niet afwijst! Dat wil je toch niet missen!

Kijk eens naar voren (25-29)

Het Jeruzalem hierbeneden is vernietigd door de Romeinen en wat er nu nog van te zien is is slechts een schaduw van haar vroegere glorie. Het Jeruzalem dat boven is eeuwig en zal voor altijd blijven bestaan; het is onwankelbaar! Met die heerlijkheid die voor ons ligt (Rom.8:18) moet het ons niet moeilijk vallen die genade vast te houden en, zolang we hier nog zijn, God te dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, vandaar de woorden ‘God is een verterend vuur’ waarmee dit hoofdstuk wordt afgesloten. Eerder is er al op gewezen dat het ‘vreselijk te vallen is in de handen van de levende God (10:31)! Door het offer van de Heer Jezus zijn wij, die veraf waren dichtbij gebracht (Ef.2:13) en de liefde bant alle vrees uit, maar we mogen nooit vergeten dat er een oneindige afstand is tussen de Schepper en zijn schepselen. ‘God is in de hemel, en wij zijn op aarde! (Pred.5:1). We mogen daarom dan ook respect, ontzag en eerbied vertonen door middel van onze wandel als zijn kinderen hier op aarde in het vooruitzicht eenmaal bij Hem te zijn. Ziet u er naar uit? Loopt u de wedloop uit om de prijs te ontvangen, dan ligt die heerlijkheid op u te wachten!

_______________________________________________________________