Kerkgeschiedenis Algemeen

 

 

In deze rubriek zijn de volgende onderwerpen opgenomen:

 

 

Europees christendom in de eenentwintigste eeuw

De Constantinische omwenteling.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Europees christendom in de eenentwintigste eeuw‘

 

Een overzicht.

Er is een tijd geweest dat Europa met recht naar zichzelf kon verwijzen als ‘een christelijk continent’. Europeanen hebben de mooiste gebouwen van het continent gebouwd om hun godsdienstoefeningen onderdak te bieden. Ze hebben fel gediscussieerd over het onderscheid tussen transsubstantiatie en consubstantiatie. Ze zijn als pelgrims, zendelingen en conquistadores naar alle windstreken van de aarde gevaren, met het doel de heiden tot het ware geloof te bekeren. Nu zijn de Europeanen de heidenen. Volgens de meest recente World Values Survey (2005-2008) woont 4 procent van de Noren en Zweden en 8 procent van de Fransen en Duitsers eens per week een kerkdienst bij, vergeleken met 36 procent van de Amerikanen., 44 procent van de Indiërs, 48 procent van de Brazilianen en 78 procent van de Afrikanen in het gebied ten zuiden van de Sahara. Voor een aantal in hoofdzaak katholieke landen als Italië (32 procent) en Spanje (16 procent) liggen de cijfers een stuk hoger. De enige landen waar de religieuze observantie lager is dan in protestants Europa zijn Rusland en Japan. Voor slechts één op de tien Duitsers en Nederlanders is God ‘zeer belangrijk’; bij de Fransen ligt dat aantal maar iets hoger. In vergelijking hiermee zegt 58 procent van de Amerikanen dat God zeer belangrijk is in hun leven. Het belang van God is nog groter in Latijns-Amerika en het Afrika ten zuiden van de Sahara, en het hoogst van alle in de moslimlanden in het Midden-Oosten. Alleen in China is God voor minder mensen (minder dan 5 procent) belangrijk dan in Europa. Iets minder dan een derde van de Amerikanen beschouwde de politici die niet in God geloven als ongeschikt voor een openbaar ambt, vergeleken met 4 procent van de Noren en Zweden, 9 procent van de Finnen, 11 procent van de Duitsers en Spanjaarden en 12 procent van de Italianen. Slechts de helft van de Indiërs en Brazilianen zou een atheïstisch politicus tolereren. Alleen in Japan is religie in de politiek minder belangrijk dan in West-Europa.

De Britse situatie is vooral zo interessant in het licht van de vastberadenheid waarmee de Britten hebben getracht hun eigen godsdienst in de negentiende eeuw te verspreiden. Volgens World Values Survey beweert vandaag de dag 17 procent van de Britten dat ze tenminste één keer per week een religieuze dienst bijwonen – meer dan in het continentale Europa, maar nog altijd minder dan de helft van het Amerikaanse cijfer. Toegegeven, de cijfers van het Verenigd Koninkrijk zijn licht gestegen sinds 1981 (toen slechts 14 procent zei eens per week een kerkdienst bij te wonen, en minder dan een vijfde zei dat God voor hem of haar zeer belangrijk was). Maar de surveys maken geen onderscheid tussen religies, dus geven ze het verval van het Britse christendom bijna zeker te laag op. Een onderzoek uit 2004 suggereerde dat in een gemiddelde week meer moslims dan anglicanen een kerk bezoeken. En bijna de volledige recente toename in het kerkbezoek wordt verklaard door de groei van niet-blanke gemeenten, in het bijzonder van evangelische kerken en die van de pinkstergemeente. Toen Christian Research op zondag 8 mei 2005 een telling bij 18.720 kerken hield, was het werkelijke cijfer van kerkbezoek amper 6,3 procent van de populatie, sinds 1998 15 procent minder. Bij nader inzien lijkt Groot-Brittannië zowel de ineenstorting van observantie als die van het geloof in West-Europa te belichamen.

De ontkerstening van Groot-Brittannië is een relatief recent verschijnsel. Britse protestanten waren in werkelijkheid nooit zo bijzonder kerks (bijvoorbeeld vergeleken met Ierse katholieken), maar tot eind jaren vijftig van de vorige eeuw was het lidmaatschap van een kerk, zo niet het kerkbezoek, qua aantal betrekkelijk hoog en stabiel. Nog in 1960 was amper een vijfde van de bevolking van het Verenigd Koninkrijk lid van een kerk. Maar in 2000 was dat gedeelte gedaald tot een tiende. Voor 1960 werden de meeste huwelijken in Engeland en Wales in een kerk bevestigd; maar toen begon de achteruitgang, die doorzette tot circa 40 procent eind jaren negentig van die eeuw. Gedurende het grootste deel van de eerste helft van de twintigste eeuw was het aantal kerkgangers goed voor 5 of 6 procent van de Engelse bevolking; pas na 1960 zakte het aandeel naar 2 procent. Cijfers voor de Church of Scotland laten een soortgelijke trend zien: gelijkmatig tot 1960, vervolgens dalend tot ongeveer 50 procent. Vooral de afname van het aantal confirmaties is opvallend. In 1910 waren er in Engeland 227.135 confirmaties; in 2007 waren het er amper 27.900 – en dat was 16 procent lager dan amper vijf jaar daarvoor. Tussen 1960 en 1970 daalde het confirmatiecijfer onder twaalf- tot twintigjarigen met meer dan de helft, en het bleef daarna zakken. Minder dan een vijfde van de gedoopten wordt nu geconfirmeerd. Voor de Church of Scotland is de terugval zelfs nog sneller gegaan.

Het lijkt zeker dat deze trends zich doorzetten. Praktiserende christenen worden ouder: 38 procent van de methodisten en de leden van de United Reformed Church was in 1999 bijvoorbeeld 56 jaar of ouder, vergeleken met 16 procent van de bevolking als geheel. Het is nog minder waarschijnlijk dat jongere Britten in God of de hemel geloven. Naar sommige maatstaven gemeten is Groot-Brittannië als een van de meest goddeloze samenlevingen ter wereld, met 56 procent van de bevolking die de kerk nooit bezoekt – het hoogste cijfer van West-Europa.

De survey ‘Soul of Britain’ (2000), uitgevoerd voor de tv-serie van Michael Buerk, liet een verbijsterende mate van religieuze verschrompeling zien. Slechts 9 procent van de ondervraagden meende dat het christelijk geloof de beste weg naar God was; 32 procent beschouwde alle religies als even geldig. Hoewel slecht 8 procent zichzelf als atheïst identificeerde, bekende 12 procent niet te weten wat ze moesten geloven. Meer dat twee derde van de respondenten zei geen helder gedefinieerde morele richtlijnen te herkennen, evenals een volle 85 procent van degenen die onder de 24 waren. (Bizar zei 45 procent van de ondervraagden dat deze teruggang in religie het land tot een slechtere plek had gemaakt).

Sommige van de beste schrijvers van de twintigste eeuw hadden een voorgevoel van de geloofscrisis van Groot-Brittannië. De Oxford-don C.S.Lewis (vandaag de dag het bekendst om zijn allegorische kinderverhalen) schreef The Screwtape Letters (1942) in de hoop dat spotten met de duivel dit tot staan kon brengen. Evelyn Waugh wist, toen hij na de oorlog zijn triologie Sword of Honour (1952-1961) schreef, dat hij het grafschrift van een oeroude vorm van het Engelse rooms-katholicisme schreef. Beiden voelden aan dat de Tweede Wereldoorlog een ernstige bedreiging voor het christelijk geloof betekende. Maar pas in de jaren zestig werden hun voorgevoelens van secularisatie bewaarheid. Waarom verloren de Britten hun historisch geloof? Net als bij zoveel moeilijke vragen lijkt deze op het eerste gezicht gemakkelijk te beantwoorden. Maar voor we het, zoals de dichter Philip Larkin de, neergang aan ‘de sixties’ – de Beatles, de anticonceptiepil en de minirok – wijten, moeten we onszelf eraan herinneren dat de Verenigde Staten deze aardse geneugten ook genoten, zonder dat ze zijn opgehouden een christelijk land te zijn. Vraag het veel Europeanen nu en ze zullen zeggen dat het geloof slechts een anachronisme is, een overblijfsel van middeleeuws bijgeloof. Ze zullen de geloofsijver van de Amerikaanse Biblebelt met rollende ogen aanzien – niet beseffend dat hun eigen gebrek aan geloof de werkelijke afwijking is.

 

Bron: Civilisation – Niall Ferguson

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

De Constantinische omwenteling.

 

 

 

 

  

Theologische veranderingen ten tijde van Constantijn de Grote en Augustinus.

Voorwoord.

De grootste verandering in de geschiedenis van de christelijke kerk is volgens veel uitleggers veroorzaakt in de periode dat keizer Constantijn zich tot het christelijke geloof ‘bekeerde’ en de kerkvader Augustinus vanwege zijn theologische inzichten betreffende verschillende aspecten van het christelijk geloof die de kerk tot op vandaag de dag hebben beïnvloed.

Wat eraan vooraf ging.

Om de verandering die er kwam ten tijde van Constantijn de Grote goed te begrijpen moeten we wel op de hoogte zijn hoe het met de kerk van Christus ging van zijn hemelvaart tot het jaar AD 312, de komst van Constantijn de Grote en gebeurtenissen daarna. De zeven zendbrieven vermeld in Openbaring 2 en 3 geven m.i. profetisch de geschiedenis van de Christelijke kerk weer. We beperken ons tot de eerste drie gemeenten, Efeze, Smyrna en Pergamus, die ruwweg de eerste zeshonderd jaar geschiedenis van het Christendom weergeven.

Eusebius (AD 260-340), die adviseur van keizer Constantijn de Grote was en hem heeft gedoopt, geeft een uitvoerige beschrijving van het wel en wee van de eerste christenen in zijn ‘Kerkgeschiedenis’. Na de ‘Efeze’ periode, het tijdperk van de eerste liefde beschreven in Openbaring 2:1-7 volgde de ‘Smyrna’ periode (Openbaring 2:8-11), een tijdperk dat gekenmerkt werd door vervolging van de kerk. Er wordt gesproken over: ‘een verdrukking van tien dagen’ waarmee de duur van de christenvervolging wordt aangeduid. Al in AD 156 werd Polycarpus, bisschop van Smyrna, levend op de helling of ‘pagos’ verbrand. Kort daarna werd de hele helling met het bloed geverfd van 1500 christenen, die daar tegelijk de marteldood stierven, en enkele dagen later nog eens 800.

Veel uitleggers zien in deze ‘tien dagen’ tien perioden of tien keizers, dus tien regeer-perioden van de opvolgende keizers tussen 170 en 313, waarin zeven grote christenvervolgingen plaatsvonden. Gerekend vanaf Ceasar Nero, die in AD 64 de troon besteeg, waren het tot en met keizer Diocletianus precies tien grote christenvervolgingen. Hieraan kwam een einde met de komst van keizer Constantijn toen een geheel nieuwe periode, Pergamum’ aanbrak (Openb. 2:12-17).

Deze periode werd getypeerd door het samengaan van Kerk en Staat, dat omschreven wordt met ‘de leer van Bileam’. Wat deze leer inhoudt wordt duidelijk door het lezen van Numeri 22-25 waar Bileam aan Balak voorstelde dat hij de Israëlieten zou uitnodigen voor hun ontuchtige feesten van Baäl-Peor, waar ze zich aan elkaar koppelden. De leer van Bileam en de naam Pergamum zijn dus nauw met elkaar verbonden en typerend voor het beginsel van de ‘koppeling’ van de Kerk aan de Staat.

Eusebius die leefde van AD 263-339 en zowel de ‘slechte’ als de ‘goede’ tijd heeft gekend is dan ook de ideale persoon om ons over die grote ‘constantinische’ verandering in te lichten. Bij de opening van de kathedraal in Tyrus (323?) putte Eusebius zich uit in lofuitingen aan God die Constantijn gezonden had als bevrijder van de kerk, de tweede Mozes! Wie zich een klein beetje verdiept in de geschiedenis van de kerk in de eerste twee eeuwen van de kerk begrijpt zijn reactie.

Constantijn de Grote. (AD 280-337)

De overwinning van Constantijn op Maxentius op 28 oktober 312 in de slag bij de Milvische brug, maakte hem tot de onbetwiste Augustus in het westen. Kort daarna, in februari 313 werd het edict van Milaan uitgevaardigd, in een decreet van Licinius en Constantijn de Grote, de twee heersers van het Romeinse Rijk. In dit decreet bezegelden zij hun alliantie en bepaalden dat er in het Romeinse Rijk voortaan vrijheid van godsdienst moest heersen. Vanaf dat moment veranderde niet alleen de houding van de Staat ten opzichte van de Kerk, maar het denken van de Kerk onderging eveneens een grote verandering.

In zijn onbekeerde staat was Constantijn, als Romeins keizer, drager van de keizerlijke waardigheid als hogepriester van de heidense religie. Na zijn ‘bekering’ tot het Christendom bracht hij deze waardigheid gewoon over op het Christendom. Op deze wijze werden kerk en Staat nauw aan elkaar verbonden en het duurde dan ook niet lang of de macht van de Staat stond ten dienste van allen die het in de Kerk voor het zeggen hadden, om hun beslissingen kracht bij te zetten. Natuurlijk was er reden om dankbaar te zijn voor de inmense wending die het lot van de Kerk genomen had, toen keizer Constantijn de Christenen erkende en de Christenvervolgingen een einde namen.

In het genoemde Edict van Milaan staat vermeld dat de Romeinse burgers vrij zijn zelf hun religie te kiezen en te belijden. Dit bekrachtigde het einde van de Christenvervolgingen, die in 305 of 306 in West-Europa werden beëindigd en in 311 in de oostelijke rijkshelft. Onder meer staat erin dat alle bezittingen, gebouwen en grond die de christelijke gemeenschap ontnomen waren, teruggegeven zullen worden. De aldus verkregen godsdienstvrijheid sloeg dan ook weldra door naar begunstiging: (erfrecht, geld voor kerkbouw, zondagswet), en stuk voor stuk werden de uitingen van het officiële heidendom afgeschaft. Dit leidde tenslotte tot de proclamatie van de Staatskerk door keizer Theodosius I in AD 380, waarbij alle onderdanen van het rijk werden verplicht om het katholieke geloof aan te hangen. Was het vreemd om te denken dat met de komst van Constantijn het rijk van Christus was aangebroken? Een verkeerde uitleg van Daniël 2:31-45 en 8:20-25 gaf aan die gedachte een Bijbelse basis.

Op grond van de veranderende situatie waarin het Christendom kwam te verkeren zijn daardoor of hieruit, mijns inziens, de volgende zaken ontstaan die min of meer met elkaar in verbinding staan of uit elkaar voortkomen.

Het caesaropapisme - de kerk werd dienstbaar aan de staat en de kerkelijke leiders aan de keizer (later andere staatshoofden) gemaakt.

Hieruit is het latere Pausdom ontstaan dat zijn officiële status kreeg onder Leo de Grote die van 440-461 bisschop van Rome was. De kerkelijke leiders waren Constantijn zeer erkentelijk voor zijn bescherming, en in ruil ontving hij van hen een erepositie die hem geenszins toekwam. De grond hiervoor was allang toebereid door de toenemende tendens tot centralisatie en opkomst van de bisschoppen en metropolieten. Na Jeruzalem, Byzantium het latere Constantinopel, Efeze en Alexandrië werd Rome steeds meer het centrum van de geestelijke macht, waardoor de latere Rooms-katholieke kerk is ontstaan. De latere Investituurstrijd in de elfde en twaalfde eeuw, waarbij het ging om de vraag wie hogere geestelijken in de Kerk mocht aanstellen, is daaruit ontstaan (Concordaat van Worms, 1122).

Antichiliasme of amillenniasme - de idee van een ‘christelijk’ rijk dat het zicht op het toekomstige messiaanse rijk verloren deed gaan.

Het chiliasme is de Bijbelse leer van een duizendjarig rijk. Men onderscheid pre- post- en amillennianisme. Het laatste vind zijn ontstaan doordat men ervan uitging dat met de komst van Constantijn het millennium of, anders gezegd het duizendjarig rijk (of Vrederijk) al aangebroken was. Dús… de komst van Jezus Christus werd op de lange baan geschoven want de paus was immers zijn plaatsbekleder! Aan hem, de paus, was absolute gehoorzaamheid vereist In de achiliastische visie regeert Christus (door zijn plaatsbekleder) niet alleen in geestelijke zin maar ook in politieke zin. Aan Christus is immers ‘alle macht gegeven in hemel en op aarde’?

Het substitutionalisme of vervangingstheologie - die de aan Israël toegezegde vervloekingen aan Israël overlaat en de aan Israël toegezegde zegeningen voor de kerk opeist.

Omdat men er , zoals gezegd, vanuit ging dat het Vrederijk al was aangebroken was er natuurlijk geen plaats meer voor Israël, zowel in het toenmalige heden als in de toekomst. De Kerk is de voortzetting van Israël en noemt zich het ‘geestelijke Israël’. Er is geen plaats meer voor Israël als volk, maar wel kunnen individuele Joden zich bekeren tot God waarna ze worden opgenomen in de Kerk. Het was dan ook een hele ‘verrassing’ toen er in mei 1948 weer een nieuwe staat Israël ontstond! Het heeft dan ook lang geduurd voordat de Rooms-katholieke kerk op 30 december 1993 met de staat Israël een basisakkoord heeft gesloten; nog geen erkenning want volgens de theologie van de RK-kerk had Israël niet alleen geen toekomst meer, maar zij – de RK-kerk - waren in de plaats van Israël gekomen!

Opkomende jodenvervolgingen - het einde van de Christenvervolgingen betekende het begin van de onderdrukking van de joden, omdat dezen zich niet wilden schikken in de christelijke kerk.

Van de Joden werd verwacht dat zij zich zouden laten opnemen in de Kerk, want er was immers buiten de Kerk geen toekomst meer voor hen! De naam Israël, die de Kerk had geclaimed, behoorde immers niet meer aan hen. Dat de Joden dat niet deden maakte dat ze in een kwaad daglicht kwamen te staan. Deze verwachting vinden we vele eeuwen later bij Luther ook die er van uitging dat de Joden zich wel bij hem zouden aansluiten. Toen dat niet gebeurde veranderde hij voor hen in een vijand. De eerste wetten tegen de joden vaardige Constantijn al uit in 315. Constantijn voerde verscheidene legislatieve maatregelen in met betrekking tot de joden: het werd hen verboden christelijke slaven te hebben of hun slaven te besnijden. Bekering van christenen tot het jodendom werd verboden. Bijeenkomsten voor religieuze diensten werden beperkt, maar het werd joden toegestaan jaarlijks Jeruzalem binnen te gaan op Tisja be'Aaw, waarop de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. (aan het einde van de Joodse Oorlog) werd herdacht. Constantijn dwong van het eerste concilie van Nicaea ook een verbod af tegen het vieren van Pasen op de dag voor het joodse Pesach op 14 Nissan. De Romeinse christenen zijn begonnen het paasfeest op de daaropvolgende zondag te vieren.

Het opkomend militarisme.

Tijdens de strijd om de pont Milvius liet Constantijn zijn soldaten een symbool aanbrengen op hun schilden, waarvan christenen geloven dat dit het labarum-symbool was. Het labarum was een militaire standaard, dat het Chi-Rho symbool P/X weergeeft, gevormd uit de eerste twee Griekse letters van het woord Christus. De verslagen van Eusebius – die zich waarschijnlijk op uitlatingen van Constantijn baseert die deze jaren later heeft gedaan – en Lactantius spreken elkaar deels tegen, maar zeggen eensgezind dat Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen. Het labarum en het ermee geassocieerde motto ‘in hoc signo vinces’ (in dit teken zal je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, wat zou hebben geleid tot zijn uiteindelijke bekering tot het christendom. Christus was sterker dan de Romeinze goden! Hiermee werd het ‘christelijk militarisme’ goedgekeurd en daarmee konden vele eeuwen later de kruistochten gesanctioneerd worden. Al in AD 314 besloot het concilie van Arles dat dienstweigeraars uit de kerk moesten worden gebannen.

Genezingswonderen - afname van genezingswonderen door de geestelijke verzwakking van de kerk en de vermenging van de genezingsbediening met heidense elementen.

In de eerste eeuwen lezen we nog dat genezingen en wonderen tot de ‘normale’ verschijnselen van de Kerk behoorden (zie ook: Eusebius’ Kerkgeschiedenis) maar na de constantinische wending verdwenen deze om verschillende oorzaken waarop ik hier niet nader inga.

Augustinus (AD 354-430).

Basileologie of kerkleer.

In de eerste eeuwen van de Kerk was er geen uniforme kerkleer, over een aantal elementaire zaken was men het over het algemeen genomen wel eens. Iedere gemeente was onafhankelijk van enige organisatie of verband van kerken. Echte behoefte aan een basileologie (theologische leer aangaande het koninkrijk van God) ontstond pas door de strijd tegen de Donatisten, aanhangers van Donatus (4e. eeuw), die zich afscheidden van de Rooms-Katholieke Kerk vanwege (vermeende) wantoestanden. Er ontstond daarom behoefte aan een kerkleer en een centraal gezag, dat in de loop van de tijd steeds meer richting Rome ging.

Door de komst van Augustinus versnelde dit proces zich. Augustinus heeft belangrijke bijgedragen geleverd op drie hoofdzaken van de christelijke theologie: de sacramentsleer, de genadeleer en de kerkleer, de laatste werd uitgewerkt in zijn beroemd werk ‘de civitate Dei’ (de stad, of staat Gods). Hij verdedigt tegenover geletterde heidenen het christendom als de ware godsdienst en geeft hij zijn ideeën over de sociale en maatschappelijke orde weer.

In zijn kerkleer heeft Augustinus twee belangrijke aspecten van de kerkleer verwerkt, namelijk dat een mens behouden wordt door de sacramenten van een georganiseerde, aardse Kerk, toegediend door gewijde priesters; het sacramentalisme en sacerdotalisme.

Het sacramentalisme – behoud en eeuwig leven is niet door geloof, maar door het ontvangen van de sacramenten.

Alleen de Kerk had de geldige sacramenten en omdat deze het heil bewerkten kon er buiten de Kerk geen sprake zijn van redding. Aan Augustinus wordt de uitspraak toegeschreven dat ‘God de zonden vergeeft, maar de Kerk bepaald de tijden waarop de mens boete kan doen, en buiten de Kerk worden geen zonden vergeven’.

Het sacerdotalisme – de bevoegdheid van de priester om namen de kerk de sacramenten uit te reiken.

In de Katholieke Kerk is een priester een man die, na een opleiding van 6 à 7 jaar aan een seminarie of ander vormingsinstituut, van een bisschop de priesterwijding ontvangt. Door deze sacramentele wijding krijgt hij verdere bevoegdheid om de zes andere sacramenten (eucharistie, doopsel, vormsel, biecht, ziekenzalving en huwelijk) toe te dienen. Een belangrijke functie is de offerhandeling, het misoffer in de katholieke theologie.

Hieronder nog enkele (krasse) uitspraken die aan Augustinus worden toegeschreven:

1. De kerk is een gemengd geheel en moet dat ook zijn. Stelling gebaseerd op (m.i. verkeerde uitleg) de gelijkenis van de tarwe en het onkruid (Math.13:24-31).

2. Een sacrament is de zichtbare vorm van een onzichtbare genade.

3. Het is onmogelijk voor zondige mensen om onderscheid te maken tussen reinen en onreinen, tussen waardige en onwaardige voorgangers.

4. Het gezag om te dopen bestaat alleen binnen de kerk, en bovenal bij die ambtsdragers die door de kerk zijn gekozen en aangesteld om de sacramenten te bedienen.

5. God heeft de wereld goed geschapen, vrij van besmetting en het kwade. Het kwaad komt ten gevolge van het misbruiken van de menselijke vrijheid.

6. De kerk is geen gemeenschap van volmaakte heiligen, maar een gemengd lichaam van heiligen en zondaars.

7. Omdat Christus de redder van allen is, volgt daaruit dat allen – ook kinderen – verlossing nodig hebben; die wordt hen mede door de doop geschonken.

8. De genade Gods aan mensen wordt bediend door de sacramenten. Buiten de kerk kan geen redding bestaan.

Conclusie

Wat was het gevolg van dit alles? Dat is moeilijk om in een paar woorden samen te vatten. De Gemeente werd Kerk. Waren de christelijke gemeenten in de eerste twee eeuwen nog onafhankelijk ná Constantijn verdween die onafhankelijkheid geleidelijk aan en ontstond de Rooms katholieke kerk en het pausdom dat in de vijfde eeuw zijn definitieve vorm kreeg onder Leo de Grote. Werd er in de eerste twee eeuwen nog de nadruk gelegd op wedergeboorte en tot het komen van een persoonlijke relatie met de Heer Jezus, dat werd vervangen door het toedienen van de sacramenten. Dit alles leidde ertoe dat in 380 de staatskerk werd uitgeroepen waardoor iedereen binnen het Romeinse rijk verplicht werd het katholieke geloof aan te hangen. Omdat er buiten de Kerk geen zaligheid te vinden was werd iedereen die de Kerk niet aanhing tot ketter verklaard. Dit verklaard de latere gebruiken om hele volken te kerstenen: ‘dwing ze om in te gaan’ want buiten de kerk is immers geen zaligheid. Zo zien we dus dat de Kerk heerste over de mensen als onderdaan van een ‘christelijk’ rijk en geestelijk door het systeem van de sacramenten en de bediening daarvan door ‘bevoegde’ geestelijken.

Geraadpleegde literatuur o.a.:

Handelingen der Gemeente – Matzken, R.H. dl.1, Kok Kampen isbn: 9024226252

Het verbond en het Koninkrijk van God – Ouweneel, W.J., dl.9 ODR-reeks, Medema, isbn: 9789063536183

De toekomst van God – Ouweneel W.J., dl.10 ODR-reeks, Medema, isbn: 9789063536473

Christelijke Theologie – Alister McGrath, uitg. Kok, isbn: 9024278031

Catholica – A.M. Heidt, uitg. Pax den Haag 1955

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX