Eschatologie

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Opmerking:

Onderstaande artikelen bevatten vaak veel minder bekende theologische uitdrukkingen en woorden. Voor de verklaring daarvan kunt u deze meestal wel vinden in de 'Theologische Woordenlijst' in de Rubriek: Woordenlijst op deze site.

 

Inhoud van deze Rubriek:

De weerhouder

Rede over de laatste dingen

Het Posttribulationisme

De zeventig jaarweken van Daniël

Trilogie van de Toekomst - Israël

Trilogie van de Toekomst - De volken

Trilogie van de Toekomst - De Gemeente

Drie komsten van Christus?

De Grote Verdrukking

De twee beesten in Openbaring 13

Imminentie

Mattheüs 24 - Een exegese

Signalen van de eindtijd

Leven wij in de eindtijd?

Het Midtribulationisme

Bijbelse Profetie

Is Christus' komst aan voorwaarden gebonden

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Gratis e-books

Gratis e-books te downloaden via 

https://unravelations.weebly.com/

Gratis te downloaden zijn de volgende titels: 

49 redenen voor de opname vóór de grote verdrukking

49 profetiën die de afgelopen eeuw vervuld werden

49 argumenten tegen preterisme (wordt begin 2019 verwacht)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXX

 

 

 

De 'weerhouder' 

Wie of wat is de ‘weerhouder’ vermeld in 2 Thessalonicenzen 2?

 

 

 

‘Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want die (dag van de Heer) komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is. Herinnert u zich niet dat ik u dit heb gezegd, toen ik nog bij u was? En nu, u weet wat hem tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij, die nu tegenhoudt, blijft totdat hij weggenomen wordt. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en teniet zal doen door de verschijning’ (2Thes.2:3-8).

Wanneer we ervan uitgaan dat de Schrift zichzelf ‘uitlegt’ doordat we Schrift met Schrift vergelijken, kunnen we duidelijkheid krijgen over het woord God. De heilige Geest wil ons in alle waarheid leiden als wij onze gedachten en meningen daaraan ondergeschikt maken (Joh.16:13). Dat is in de praktijk niet zo eenvoudig. In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende mogelijkheden geopperd wat we onder ‘de weerhouder’ moeten verstaan. Ik geef hieronder een aantal visies weer zonder daarop uitvoerig in te gaan en ik verwijs daarbij naar de bestaande literatuur daarover.

1. De menselijke regeringen en wetten

De visie dat de ‘weerhouder’ de menselijke regeringen en wetten waren.

‘In de tijden van het Babylonische rijk, werden de woorden (wetten) door een koning vastgesteld, overgenomen door de Perzische machthebber, daarna door de Grieken, en vervolgens door de Romeinen, die in de tijd van de apostelen aan de macht waren. Deze invloed was het geweldige systeem van de wet en recht in de gehele Romeinse wereld; dit hield de wetteloosheid en de ‘wetteloze’ in toom. Want de lijn van de heersers, ondanks het falen van sommige, had dezelfde invloed.’

Deze visie weerlegt zichzelf omdat de laatste wereldmacht die er voor de komst van Christus zal zijn, de zonde juist zal bevorderen en zich tegenover God zal opstellen en het slechte zal bevorderen!

2. Het Romeinse rijk

Sommige uitleggers hebben gedacht dat de ‘weerhouder’ het Romeinse Rijk is tijdens Paulus leven. Een voorstander van deze visie zegt:

‘De oudste en beste interpretatie is dat Paulus aarzelde om in woorden uit te drukken wat hij meende, want hij bedoelde het Romeinse Rijk. De onpersoonlijke invloed was het systeem van wet en recht in de Romeinse maatschappij; dit hield wetteloosheid tegen en beteugelde de ‘wetteloze’. Bovendien had de reeks van keizers, met uitzondering van een aantal slechte, dezelfde invloed.’

Deze visie is vergelijkbeer met de eerste en het commentaar hetzelfde.

3. De satan

Een voorstander van deze visie schrijft:

‘Waarom moet iedereen de conclusie hebben dat de weerhouder iets goeds is? Kan niet de weerhoudende kracht de satan zelf zijn? Heeft hij niet een plan om de zoon van het verderf te openbaren, zoals God een bepaalde tijd had om zijn Zoon in het vlees te zenden?’

Commentaar hierop is: We kunnen er niet van uitgaan dat satans huis verdeeld is. (Mark.3:25).

4. De engel Michaël

Michaël weerhoudt satanische geestelijke machten, en in de rabbijnse tradities en de Septuaginta van Daniël 12:1, wordt gezegd dat Michael 'voorbijgaat' wanneer de antichrist zijn tent in Judea opricht (Dan.11:45) vlak voordat de grote verdrukking begint (Dan.12:1).

5. De Kerk

Het is een bekend beeld dat de gelovigen als zout gezien worden, dat voor bederf bewaard, en als een licht, dat een heiligend werktuig is, een verdrijver van de duisternis. Je zou er mee eens kunnen zijn dat de kerk één als weerhouder zou kunnen zijn.

Stanton schrijft: ‘…de kerk is geen volmaakt organisme, volmaakt in God, zeker, maar praktisch gezien, niet altijd zonder blaam of onberispelijk. Zoals menselijke regering, wordt de kerk door God gebruikt om de volle openbaring van de zoon van het verderf in deze tegenwoordige eeuw tegen te gaan, maar Hij die eigenlijk tegenhoudt is niet de gelovige, maar de Ene die de gelovige kracht geeft, de inwonende heilige Geest (Joh.16:7; 1Kor.6:19). Gescheiden van Zijn aanwezigheid, hebben noch kerk, noch overheid de mogelijkheid om het plan van de satan te verhinderen.’

6. De Heilige Geest

De vijfde interpretatie is dat de ‘weerhouder’ de heilige Geest is. Voor zover ik weet is in de Evangelische wereld dit de meest gangbare visie. Hiervoor zijn vijf redenen te noemen:

(1) Met inachtneming van de beschikbare teksten, moet de heilige Geest de weerhouder zijn. Alle andere suggesties voldoen nog lang niet aan de vereisten ...

(2) De goddeloze is een persoonlijkheid en zijn activiteiten omvatten het rijk van het spirituele. De tegenhouder moet ook een persoonlijkheid en een spiritueel wezen zijn ... om de Antichrist in toom te houden tot het moment waarop hij herleeft. Alleen vertegenwoordigingen of onpersoonlijke spirituele machten zouden ontoereikend zijn.

(3) Om alles te bereiken dat bereikt moet worden, moet de weerhouder lid zijn van de Godheid. Hij moet sterker zijn dan de man van de zonde en sterker dan de satan die deze bekrachtigt. Om het kwaad in de loop van de tijd tegen te houden, moet de bedwinger eeuwig zijn ... Het terrein van de zonde is de hele wereld: daarom is het noodzakelijk dat de bedrieger iemand is die niet beperkt is door tijd of ruimte.

(4) De tijd is in zekere zin de 'bedeling van de Geest', want hij werkt op een manier die begonnen is met de komst van de Geest op Pinksteren en zal eindigen met een omkering van Pinksteren, namelijk het verwijderen van de Geest. Dit betekent niet dat Hij niet werkzaam zal zijn, alleen dat Hij niet langer blijvend aanwezig zal zijn.

(5) Het werk van de Geest sinds Zijn komst heeft de beperking van het kwaad omvat ... Johannes 16: 7-11, 1 Johannes 4: 4. Hoe anders zal het zijn in de verdrukking.

(6) Hoewel de Geest niet in de dagen van het Oude Testament op aarde woonde, oefende hij een toch remmende invloed uit (Jes.59:19).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Rede over de laatste dingen’

 Mattheüs 24

 

 

Gelet op de openingswoorden is het in het Mattheüs evangelie het erom te doen Jezus voor te stellen als de Messias, de Zoon van Abraham en de Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messias schap bewijzen en het koninkrijk der hemelen op aarde aankondigt. Onderstaand overzicht maakt bovenstaande visie duidelijk. Doel van dit artikel is om aan te tonen dat het in Mattheüs 24 gaat over de toekomstige gebeurtenissen die het volk Israël aangaan en niet de Gemeente.

Overzicht van het Evangelie naar Mattheüs

1. De afkomst van de Messias van David (1:1)

2. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

3. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

4. Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)

5. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5), de stad van de grote Koning (5:35)

6. De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (5-7). Uitzending van de discipelen gepaard gaande met de krachten van het koninkrijk (10:1-15)

8. Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)

9. Verwerping van de Koning (11:2; 14:1) wat in principe al gebeurd door de arrestatie en de moord op Johannes de Doper

10. De definitieve verwerping van Koning Jezus (12:22-32, 46; 13:2)

11. Het Koninkrijk wordt (in verborgen vorm) aangekondigd (13)

12. Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (16:18)

13. Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)

14. Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijdestelling van Israël (21:43)

15. Weeklacht over Jeruzalem (23:37)

16. Rede over de laatste dingen waarin het oordeel over Israël, Christenheid en de volkeren (24-25)

17. Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

Indeling van het Evangelie naar Mattheüs

We kunnen het evangelie naar Mattheüs als volgt indelen:

Hfdst. 1-10   - De aankondiging en openbaring van de Koning.

Hfdst. 11-13 - De tegenstand van de Koning.

Hfdst. 14-20 - De terugtrekking van de Koning.

Hfdst. 21-27 - De verwerping van de Koning.

Hfdst. 28      -  De opstanding van de Koning.

Bespreking hoofdstuk 24

In de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden (Mat.21:33-46) maakte de Heer Jezus duidelijk dat de zoon van de wijngaardenier (Jezus) zou worden gedood. Over zijn dood had de Heer Jezus al eerder gesproken (Mat.16:21; 20:18-19). De verwachtingen van de discipelen waren tot dusver geweest dat ze met Jezus op twaalf tronen zouden zitten (Mat.19:28) ze zien dan ook door deze aankondigingen van het aangekondigd sterven van de Heer Jezus hun ‘dromen’ in rook opgaan. Daar komt bij dat de Heer Jezus zich uiterst kritisch had uitgelaten over de joodse leiders (Mat.23:1-36) tot slot van zijn verwijten aan hun adres spreekt Hij de weeklacht over Israël en Jeruzalem uit, met de woorden: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt dit tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik u kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten. Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’ (Mat.23:37-39). Na deze woorden zien we dan de Heer Jezus met zijn discipelen vertrekken naar de Olijfberg waar Hij zijn bekende rede over de toekomst van het volk Israël gaf. De vragen die de discipelen Hem toen stelden waren: (1) Wanneer de verwoesting van de tempel zou plaatsvinden, (2) wat het teken van zijn komst zou zijn, ze bedoelden, wanneer het koninkrijk zou komen, en (3) wat het teken van het einde van de eeuw zou zijn, ze bedoelden hoe het zou gaan in de tijdsperiode dat zou eindigen met Jezus’ komst. In de twee andere evangeliën die deze rede ook vermelden vinden we verdere informatie met betrekking tot de gestelde vragen. De eerste vraag vinden we beantwoord in Lukas 21:5-36. Mattheüs 24 en Markus 13 beantwoorden de tweede en derde vraag.

Voor Israël

In Mattheüs 16 en 18 was er al sprake van een toekomstige Gemeente. De Heer Jezus sprak erover met de woorden: ‘Ik zal mijn gemeente bouwen’. Over de betekenis en de uitleg daarover moesten de discipelen wachten wat de apostel Paulus daarover zou openbaren, want het was een verborgenheid of geheimenis die van alle eeuwen en geslachten verborgen was geweest, maar die nu geopenbaard is aan zijn heiligen (Ef.3:9; 5:32; Kol.1:26, 2:2). Het is dan ook verwonderlijk, mede gelet op het bovenstaande, dat er toch nog uitleggers zijn die Mattheüs 24 toepassen op de Gemeente en er zelfs de Opname in willen zien. Dat is des te verwonderlijker omdat we in deze rede uitdrukkingen lezen, die onmogelijk toepasbaar kunnen zijn op de Gemeente! Bijvoorbeeld: ‘het evangelie van het koninkrijk’, ‘de gruwel van de verwoesting’, ‘de heilige plaats’, ‘zij die in Judea zijn’, ‘dat uw vlucht niet op de sabbat gebeurt’, ‘alle stammen van het land’, ‘leert van de vijgenboom deze les’. Al deze uitdrukkingen kunnen zeer wel toegepast worden op het volk Israël maar onmogelijk op de Gemeente. Verwijzingen naar de Gemeente en/of de Opname van de Gemeente vinden we dan in deze rede niet, ook omdat, naast de Gemeente, ook de Opname een verborgenheid was die pas door de apostel Paulus is bekendgemaakt (1Thes.4:15-18; 1Kor.15:51-53). Het is vreemd dat sommigen uitleggers ondanks het bovenstaande toch de Gemeente willen zien in Mattheüs 24 en dat komt vermoedelijk omdat men het onderscheid tussen Israël en de Gemeente niet kent.

De ‘uitverkorenen’

Maar om ‘hard’ te kunnen maken dat het in Mattheüs 24 wel over de Gemeente gaat beroept met zich op de uitdrukking ‘de uitverkorenen’ die voorkomt in de verzen 22, 24 en 31 (zie ook Markus 13). ‘Uitverkoren’ is echter een algemene term, die op verschillende groepen mensen en zelfs engelen kan slaan Het wordt gebruikt voor gelovigen in het algemeen, niet- als wel behorend bij de Gemeente (Luk.18:7; Joh.6:70, 15:16,19; Hand.1:2, 9:15, 15:7; Rom.8:33, 11:7; Kol.3:12; 1Tim.5:21; 2Tim.2:10; Tit.1:1) op engelen (1Tim.5:21) en op het volk Israël (bv. Jes.43:20 en veel andere plaatsen in het OT en in het NT in Rom.11:7).

Om terug te keren naar Mattheüs 24 moeten we zeggen dat met de ‘uitverkorenen’ hier steeds bedoeld wordt Zijn uitverkoren aardse volk Israël (Gaebelein) ook met het oog op de vele andere uitdrukkingen die alleen maar op Israël toepasbaar kunnen zijn. Dit verklaart dan ook waarom men in het boek Openbaring, tijdens de verdrukking die dan op aarde zal zijn, de uitverkorenen met de Gemeente identificeert, hetgeen wij afwijzen. De verlegenheidsredenering om van ‘de discipelen’ van vers 1 de ‘uitverkorenen’ te willen maken slaat dan ook nergens op, want het gaat om de ‘uitverkorenen in die dagen’, dat wil zeggen in de oordelen van de eindtijd.

Nogmaals de ‘uitverkorenen’

Blijft de vraag wie deze ‘uitverkorenen dan wel zijn? We dienen ze te zien als de 144.000 joden (en niet de Gemeente) zoals die vermeld worden in het boek Openbaring (7:3-8; 14:1) en mogelijk ook hen die in de Grote Verdrukking door hun getuigenis tot geloof gekomen zijn (Op.7:9-14). Maar we dienen dezen wel te onderscheiden van de Gemeente. De ‘uitverkorenen’ van Mattheüs 24:30 te vereenzelvigen met de Gemeente, zoals gebeurt, brengt verwarring en geeft eerder de indruk van ‘inlegkunde’ dan ‘uitlegkunde’. De rede over de laatste dingen op de Olijfberg heeft niets met de Gemeente te maken. Mogelijk speelt het standpunt dat men inneemt hier een rol, ik bedoel het midtribulationisme en/of posttribulationisme, want die visies gaan ervan uit dat de Gemeente door de Grote Verdrukking moet gaan en dan mag daarvan een vermelding in Mattheüs 24 toch niet ontbreken? Maar een dergelijke uitleg geeft ook blijk van het onvoldoende kennen van het onderscheid tussen Israël en de Gemeente.

De typologie

Het mag de lezer dan ook duidelijk zijn dat wij in ‘de rede over de laatste dingen’ niet geloven dat we in de verzen 36-38 de Opname van de Gemeente vinden. Het vermelden van Noach (als type van Israël) en de zondvloed is geheel in overeenstemming met de inhoud van dit hoofdstuk en demonstreert nog maar eens dat het over Israël gaat. Henoch is een type van de Gemeente die vóór de zondvloed (Grote Verdrukking) werd weggenomen. Noach leefde aan het eind van een tijdperk en werd met zijn gezin behouden door de zondvloed heen, waarna een nieuw tijdperk aanbrak. Dat we hierin een typische overeenkomst vinden met het overblijfsel van Israël, dat aan het eind van een tijdperk zal leven, is wel bekend. Zoals de tijd van Noach eindigde met de zondvloed, zal ook ons tijdperk eindigen met oordelen. In de dagen van Noach kwam het oordeel plotseling over de mensen en zo zal het ook zijn bij de komst van de Zoon des mensen. Twee klassen van mensen waren er in Noach’s dagen, namelijk de ongelovige menigte, die door het oordeel werd weggevaagd, en Noach en zijn huis, (hij met de zijnen), die gered en niet door het oordeel getroffen werden. Zo zal het ook zijn bij de komst van de Zoon des mensen. De ongelovigen zullen in die dag van oordeel worden weggenomen, de rechtvaardigen zullen op de aarde worden achtergelaten om de zegeningen te ontvangen en het Koninkrijk in te gaan, dat dan zal worden opgericht met kracht door de Messias. Bij de komst van de Heer als Bruidegom voor Zijn Gemeente, heeft ‘weggenomen’ en ‘achtergelaten’ precies een tegenovergestelde betekenis. De ware gelovigen zullen in heerlijkheid worden opgenomen, in wolken de Heer tegemoet in de lucht, de ongelovigen, de naamchristenen worden achtergelaten, overgeleverd aan het oordeel. Sommigen ontkennen dat het woord ‘weggenomen’ in onze tekst betekenen zou ‘weggenomen door het gericht’. De samenhang, de verwijzing naar Noach en de zondvloed, maken echter duidelijk dat dit de betekenis moet zijn. Het is buiten twijfel, dat zij die door de zondvloed werden weggenomen niet werden opgenomen.

De zeventigste jaarweek

Zonder daarover uitgebreid op in te gaan moeten we ook enige aandacht schenken aan de 70 jaarweken zoals vermeld Daniël, hoofdstuk 9. Van de 70 jaarweken zijn er 69 al voorbij en er wacht nog één jaarweek in vervulling te gaan, de laatste. Wij zien hier in de Grote Verdrukking (Mat.24:21) waardoor Israël heen zal moeten gaan. De zeventig jaarweken zijn bestemd voor Israël, ‘over uw volk en uw heilige stad’ (Dan.9:24). Dat betekend dat er in de eindtijd weer een volk Israël aanwezig zal zijn en in 1948 in de staat Israël dan ook uitgeroepen. Een ‘doorn’ in het oog van de vergeestelijkingstheologie, die leert dat Israël heeft afgedaan en dat de Kerk hun plaats definitief heeft ingenomen in het handelen van God met betrekking tot deze aarde. Hoe kan met zonder daarvoor bewijs aan te voeren blijven leren dat onder de ‘uitverkorenen’ de Gemeente dient te worden verstaan? Is het onwil of spelen vooringenomenheid en onvoldoende kennis van Gods Woord hier een rol van betekenis 

Conclusie en slotwoord

Gelet op het bovenstaande is de conclusie duidelijk: De rede over de laatste dingen in Mattheüs 24 heeft niets met de Gemeente te maken maar alles met het volk Israël. Er is geen enkele reden aan te wijzen waarom we de vermelding van de ‘uitverkorenen’ op de Gemeente mogen toepassen, integendeel alles duidt erop dat het om Israël gaat dat in de eindtijd weer haar plaats mag innemen in Gods handelen. Dat houdt in dat de Gemeente dan niet meer aanwezig zal zijn opdat deze is opgenomen de Heer tegemoet in de lucht (1Thes.4:13-18; 1Kor.15:51-52).

Tot besluit van dit artikel wil ik eindigen met de oproep van de Heer Jezus om gereed te zijn wanneer hij komt: ‘Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en niet hebben toegelaten, dat zijn huis doorgraven werd. Daarom weest ook gij gereed want in welke ure gij het niet meent, komt de Zoon des mensen’ (vs. 43 en 44). Met deze woorden van waarschuwing en vermaning om te waken, besluit de Heer deze voorzeggingen. Zij moeten wachten op de zichtbare komst van de Messias, de Zoon des mensen die zal verschijnen op de Olijfberg waar zijn voeten zullen staan; de Gemeente heeft te wachten op haar Heer, die zonder verdere aankondiging elk moment kan verschijnen.

Enkele geraadpleegde werken:

The Bible Exposition Commentary NT

Things to Come, Pentacost, J.D.

De openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Verder nog de website van Marc verhoeven

Inleiding tot de studie der profetie – Tapernoux

De Openbaring – Voorhoeve

Website: www.bijbelstudiesgerardwesterman.be

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het Posttribulationisme

 

‘Gewogen en te licht bevonden’

 

 

 

 

Voorwoord

Vanaf zijn verschijnen rond het jaar 1830, is het pretribulationisme (de leer dat de Gemeente wordt opgenomen vóór de Grote Verdrukking) bestreden, vooral door het kamp van de posttribulationisten (opvatting dat de Gemeente wordt opgenomen nà de Grote Verdrukking), de tot dan toe heersende leer omtrent de laatste dingen. De reden die aan deze bestrijding ten grondslag lag en ligt was dat het een nieuwe leer was en niet apostolisch; dus niet door de apostelen gekend of geleerd. Als het waar is dat een nieuwe leer die niet apostolisch is, niet juist kan zijn en verworpen moet worden, dan zou je diezelfde vraag aan de posttribulationisten kunnen stellen: Is het posttribulationisme een apostolische leer? Dat betwijfelen we en proberen we in dit artikel aan te tonen. Daarbij beroepen wij ons uitsluitend op de Bijbel, Gods Woord, en hopen dat de lezers hetzelfde doen. Als we het posttribulationisme moeten verwerpen, wat uit dit artikel zal blijken, is dat niet omdat het niet apostolisch is, maar omdat het niet in overeenstemming is met Gods Woord.

We stellen dat: ‘Schriftuitleg niet een zaak is van een soort ijzeren logica, maar van een zo veel mogelijk luisteren naar de Schrift zélf, en Schrift met Schrift vergelijken, om zo tot een uitleg te komen die zo veel mogelijk recht doet aan alle Schriftgegevens. Wie eenmaal de ‘sleutel’ tot de juiste uitleg in de Schrift zelf heeft ontdekt, zal ervaren dat met de goede ‘sleutel’ het ‘slot’ van elke deur die tot een bepaald exegetisch probleem toegang geeft, soepel opengaat. Wie bovendien één ‘deur’ soepel opengekregen heeft, zal ontdekken dat andere ‘deuren’ dan des te gemakkelijker opengaan. Maar wie met de verkeerde ‘sleutel’ werkt (bijv. een posttribulationistische of een achiliastische sleutel), zal elk ‘slot’ slechts met moeite en veel geknars kunnen forceren. Bovendien zal elke volgende ‘deur’ nog moeilijker opengaan dan de vorige. Nogmaals: wie een ‘logisch bewijs’ voor een bepaalde uitleg verwacht, zal altijd bedrogen uitkomen. Maar de Schriftonderzoeker die open, eerlijk en zo onbevooroordeeld mogelijk verschillende exegetische benaderingen met elkaar vergelijkt, zal o.i. zeker tot de ontdekking komen met welke sleutel de vele ‘deuren’ in het Boek het gemakkelijkst geopend kunnen worden.’

Inleiding

Posttrib gelooft dat Christus naar de aarde zal terugkeren, de zijnen zal opnemen (wat dat dan ook mag betekenen) en daarna onmiddellijk zijn koninkrijk zal oprichten. Walfoord onderscheidt binnen het posttribulationisme vier verschillende posities en dat maakt het beoordelen van de juistheid ervan er niet gemakkelijker op. Posttribulationisme gaat vaak samen met het amillennialisme, dat niet in een letterlijke duizendjarige regering van de Heer Jezus op aarde gelooft. Het rooms-katholicisme bracht de amillenniale bal aan het rollen, en dit werd bestendigd door de hervormers, zoals Maarten Luther en Johannes Calvijn, met dit verschil, uiteraard, dat niet de roomse kerk maar de protestantse kerk Israël had vervangen. (Zie: Rubriek Kerkgeschiedenis-Kerkgeschiedenis Algemeen-Constantinische Omwenteling). Het amillennialisme is de meest algemene eschatologie onder belijdende christenen. Het is de zienswijze van rooms-katholieken en veel protestanten, maar komt de laatste jaren helaas ook in evangelische kerken voor. 

Ik citeer.(Profetisch Perspectief – C. van der Haagen):Augustinus achtte het Messiaanse rijk begonnen, toen de satan door Jezus was overwonnen bij zijn kruisdood op Golgotha. Als gevolg van deze leer ontstond omstreeks het jaar 1000 een paniekachtige toestand. In dat jaar werd immers algemeen het einde der wereld verwacht? Toen dit alles een grote misvatting bleek te zijn geweest, werd uitgemaakt, dat het rijk van Christus was aangebroken bij de overgang van de Romeinse keizer Constantijn naar het Christendom. Toen werd de satan immers gebonden, waardoor er een einde kwam aan de Romeinse christenvervolgingen? Toen zegevierde het Evangelie immers over het heidense Rome en werd de christelijke godsdienst zelfs tot staatsgodsdienst verheven? Nog altijd heerst deze jammerlijke dwaling in onze kerken; nu al zeventien eeuwen lang. Hieruit is ook te verklaren, dat het concrete getal duizend niet gehandhaafd kan worden in verband met de duur van het Christusrijk. Dit getal is immers nu al bijna zevenhonderd jaar overschreden…’

 

Gemakshalve kort ik de termen posttribulationisme en pretribulationisme in dit artikel af tot respectievelijk posttrib en pretrib. Omdat het niet mogelijk is alle uitgangspunten te behandelden en kritieken uitvoerig weer te geven, verwijs ik de lezer die dit onderwerp verder wil uitdiepen dringend naar de literatuurlijst die onderaan dit artikel vermeld is.

De belangrijkste uitgangspunten van het posttribulationisme

Het posttribulationisme wordt wel genoemd ‘de eschatologie van de ontkenning’ omdat een reeks van bijbelse onderwerpen die gerelateerd kunnen worden aan de leer omtrent de laatste dingen niet of nauwelijks gehonoreerd worden. Die ‘ontkenningen’ zijn:

1e. Het posttribulationisme ontkent de leer van de bedelingen (dispensationalisme).

2e. Het posttribulationisme ontkent het verschil tussen Israël en de Gemeente.

3e. Het posttribulationisme ontkent het onderwijs omtrent inhoud en doel van de Verdrukkings-periode.

4e Het posttribulationisme ontkent het verschil in de komst van Christus voor de Gemeente (de Opname) en Zijn tweede komst voor Israël en de volken, en maakt dit tot één gebeurtenis.

5e. Het posttribulationisme ontkent de mogelijkheid van een onmiddellijke komst van Christus en leert dat er aan de komst van Christus allerlei tekenen vooraf moeten gaan.

6e. Het posttribulationisme ontkent elke toekomstige vervulling van de profetie van Daniël 9:24-27 betreffende de laatste jaarweek en leert dat deze al een historische vervulling heeft gehad.

7e. Het posttribulationisme past bijbelgedeelten die bestemd zijn voor Gods programma voor Israël (bijvoorbeeld Mat.13; Mat.24-25; Openb.4-19), toe op de Gemeente.

8e. Het posttribulationisme gelooft niet in een mogelijk ‘hersteld Romeins Rijk’ in de eindtijd (Dan.2:37-45).

Uit dit zeer beknopt overzicht worden we bevestigd in de overtuiging dat de posttribulationistische visie meer berust op de ontkenning van het onderwijs van de pretribulationisten, dan op een positieve uitleg van hun eigen overtuiging via de Schrift. Het verder onderzoek zal dat bevestigen. Een voorbeeld mag dit misschien nu al verduidelijken. In een behandeling van Mattheüs 24 leest de spreker de verzen 29-31, die gaan over de komst van de Heer Jezus, en roept daarbij triomfantelijk uit: ‘Zie je wel, dat is de Opname!’ maar geeft daarbij geen enkele uitleg en staaft zijn mening niet met Bijbelteksten. En met de beste wil ter wereld kan ik daar ook geen Opname ‘in lezen’. Wat ik daar lees is de zichtbare komst van de Heer Jezus zoals beschreven in onder andere Dan.7:13; Zach.12:10; 14:3-4; Op.1:7.

De belangrijkste argumenten van het posttribulationisme

1. Het historisch argument

Posttrib zegt dat pretrib een nieuwe leer is die ongeveer 185 jaar geleden voor het eerst werd geleerd. Deze leer is volgens posttrib niet apostolisch en wordt daarom verworpen. Dat zou aangetoond moeten worden! We zouden het ook kunnen omkeren en zeggen dat posttrib een nieuwe leer was van rond de vierde eeuw en dus niet waar kan zijn. Omdat er in de eerste eeuwen geen discussie bestond omtrent pretrib en posttrib is het misschien verhelderend te zien hoe de theologie van de eerste christenen betreffende het chiliasme beïnvloed en veranderd werd toen Constantijn keizer en Augustinus de grondlegger werd van de katholieke leer. Ik doe dat omdat veel posttribulationisten ook amillennialisten zijn. Ik citeer: ‘Het prechiliasme was wijdverbreid in de vroege kerk en pas sinds Augustinus op grote schaal vervangen door diens vergeestelijkingstheologie’. Daniel Whitby, die algemeen beschouwd wordt als de grondlegger van het postchiliasme (!), heeft het zo uitgedrukt: het prechiliasme is tweehonderd vijftig jaar lang door de beste christenen als een apostolische traditie beschouwd. Vele kerkvaders in de tweede en derde eeuw, in alle delen van de toenmalige christenheid, spreken over deze leer als de overlevering van de Heer en zijn apostelen en van al de ouden die vóór hen leefden. Zij delen ons zelfs de woorden mee waarin deze leer was overgeleverd en de Schriftplaatsen die toen aldus uitgelegd werden, en zeggen dat deze leer aanvaard was door allen die orthodox waren. Peters geeft een lijst van historici die deze feiten bevestigen. Ook geeft hij een zeer uitgebreide opsomming van alle vooraanstaande prechiliasten uit de eerste drie eeuwen. Bovendien benadrukt hij, dat uit de eerste twee eeuwen geen enkele persoon bekend is die het chiliasme bestreden heeft.’ De leer van de apostelen werd toen al verlaten en dat gebeurde ook met het pretribulationisme.

(Zie: Rubriek Kerkgeschiedenis-Kerkgeschiedenis Algemeen-Constantinische Omwenteling)

2. Het argument tegen een onmiddellijke komst van Christus

Postrib gelooft niet dat de Heer Jezus ieder moment kan komen voor de Gemeente, terwijl alle Bijbelgedeelten over de opname juist verwijzen naar een direct aanstaande gebeurtenis. Alleen de tweede (zichtbare) komst van Christus wordt voorafgegaan door bepaalde tekenen. Het posttribulationisme heeft moeite deze twee gebeurtenissen te onderscheiden omdat ze m.i. het verschil tussen de Gemeente en Israël niet onderscheiden en daarom stellen zij dat het om dezelfde gebeurtenis gaat. Posttrib beweert dat gebeurtenissen zoals de voorzegde verwoesting van Jeruzalem, Petrus’ dood, de gevangenneming van Paulus en het aangekondigde programma zoals vermeld in Mattheüs 28:19-20, een onmiddellijke terugkeer onmogelijk maken; de Heer kon niet komen voordat deze gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden.

Posttrib ziet niet in dat dezelfde mensen die deze toekomstige gebeurtenissen aankondigden, zelf geloofden dat de geplande gebeurtenissen onderbroken konden worden door de Opname (Vergelijk ook eens Handelingen 4:19-21) (Uitvoerig: Pentecost blz.168, 180 en 202).

(Zie: Rubriek Eschatologie – Imminentie)

3. De belofte van de verdrukking

Posttrib is het niet eens met het onderscheid dat Pretrib maakt tussen Israël en de Gemeente. Posttrib gelooft dat Christus naar de aarde zal terugkeren en de zijnen zal opnemen (wat dat dan ook mag betekenen) om onmiddellijk zijn koninkrijk op te richten. Ze citeren meerdere teksten waaruit moet blijken dat Christus’ tweede komst een openbare en zichtbare zal zijn en volgend op de Grote Verdrukking. Posttrib zegt: ‘Onze kijk op deze kwestie is gebaseerd op het feit dat veel van de adviezen die aan de kerk(!) gegeven zijn voor de eindtijd, betekenisloos zouden zijn als de kerk(!) niet door de Grote Verdrukking zou gaan. Bijvoorbeeld, tegen de kerk(!) wordt gezegd om naar de bergen te vluchten als bepaalde gebeurtenissen zich voordoen, bijvoorbeeld wanneer de gruwel van de verwoesting zal staan in de heilige plaats (Mat.24:1-20)’. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe belangrijk het kennen van het onderscheid tussen Israël en de Gemeente wel is, en als men dat verschil wél zou zien, dat dan dit gedeelte van Mattheüs en andere gedeelten van de Bijbel veel gemakkelijker uit te leggen zouden zijn! Met andere woorden, vertaal in dit voorbeeld ‘kerk’ door ‘Israël’ en het probleem is opgelost. Maar als je dit onderscheid niet wil zien, blijf je blind en zal je elke ‘deur’ met moeite open krijgen! (Lees nogmaals het voorwoord)

4. De historische vervulling van Daniël 9:24-27

Posttrib leert dat de zeventig jaarweken in hun totaliteit in de geschiedenis vervuld zijn, ook de zeventigste, maar daarover is geen uniformiteit binnen posttrib. Volgens sommige uitleggers begon de laatste - zeventigste - jaarweek met het openbare optreden van Johannes de doper of die van de Here Jezus. Men stelt dat de laatste jaarweek begint met de dienst van de Here Jezus, dat de vervulling van de eerste 3½ jaar in het leven van Jezus gebeurd is en dat Hij in het midden van de zeventigste jaarweek omgekomen is. Het verbond dat Dan.9:27 vermeldt, zou dan het verbond van de genade zijn, gesloten door zijn bloed.

Er zijn een aantal mogelijkheden om het aanvangsjaar van de 70 jaarweken vast te leggen, maar de meest gewenste is wel het jaar 445 v.Chr. (Ezra1). Als dat juist is – nogmaals, hier gaat de voorkeur van de meeste Bijbeluitleggers naartoe - dan kan de laatste jaarweek nooit samenvallen met het leven van de Here Jezus, omdat de 490 jaar dan eindigen ná het leven van de Here Jezus.

Pretrib zegt dat de tussenperiode tussen de negenenzestigste en de zeventigste jaarweek het tijdvak is van de Gemeente en dat Gods programma voor Israël tijdelijk is onderbroken. Pas als de Gemeente van de aarde is opgenomen, zal dat programma worden afgerond met de zeventigste jaarweek, waarin de ongelovige massa van Israël geoordeeld en het overblijfsel gelouterd zal worden om daarna het Vrederijk in te gaan.

5. Het argument van de opstanding

Posttrib stelt dat de opstanding op één dag (van 24 uur) plaatsvindt (Joh.8:25; 11:24) en dat kan dus niet (gedeeltelijk i.v.m. de Opname) jaren vóór de verschijning van Christus geplaatst worden. McPherson (posttrib) zegt: ‘Het is duidelijk dat de opstanding van de heilige doden plaatsvindt tijdens de opname van de kerk (1Thes.4:16). Daarom, waar de opstanding is, daar is ook de Opname. Bij het onderzoeken van gedeelten die van de opstanding van de heilige doden spreken, wat de eerste opstanding is (Op.20:5-6), zien we dat deze eerste opstanding verbonden wordt met de komst van de Heer (Jes.26:19), de bekering van Israël (Rom.11:15), de invoering van het Koninkrijk (Luk.14:14-15; Op.20:4-6), het geven van de beloningen (Op.11:15-18); de Grote Verdrukking gaat eraan vooraf’ (Dan.12:13).

De dag van Johannes 5:25 duurt al bijna 2000 jaar. Er is dus geen reden waarom de ‘dag’ van de opstanding er één van 24 uur zou moeten zijn. Trouwens, de ‘eerste opstanding’ kan toch al niet tot één dag beperkt worden, aangezien deze al begonnen is met de opstanding van Christus (1Kor.15:23). De dag van de opstanding duurt dus al bijna tweeduizend jaar. Een ‘dag’ kan een langere periode zijn dan 24 uur. Ik denk aan de tekst in Jes.61:1-2, waar gesproken wordt over het ‘uitroepen van een jaar van het welbehagen van de Heren en een dag der wrake van onze God’ (Luk.4:18-19). Het jaar van welbehagen duurt ook al zo’n tweeduizend jaar.

6. Het argument van de tarwe en het onkruid

Posttrib zegt dat uit Mattheüs 13:24-30, 36-43 blijkt dat de tarwe (volgens posttrib de Gemeente of Kerk) en de dolik (volgens posttrib de wereld) samen blijven voortbestaan tot aan de oogst (de voleinding van de eeuw); de Gemeente wordt dus niet eerder weggenomen. Op welke gronden wordt aangetoond dat de tarwe de Gemeente is? Dit argument gaat uit van een verkeerde vooronderstelling. De tarwe is niet het beeld van de Gemeente, maar van ‘de zonen van het koninkrijk’ (vs.38), en deze omvatten ook de gelovigen van ná de Opname van de Gemeente. Daar komt nog bij dat het hier helemaal niet over de Gemeente kan gaan, omdat dat nog een verborgenheid was en pas later door de apostel Paulus zou worden geopenbaard, evenals de Opname. De Gemeente wordt eerst in Mattheüs 16 en 18 vermeld en aangekondigd als iets toekomstigs. Het gaat in Mattheüs 13 niet over de toekomstige voortgang van de Gemeente maar van het Koninkrijk.

Nog meer tegenwerpingen 

1. Verschil Gemeente en Israël

Het verschil tussen de Gemeente en Israël wordt niet onderscheiden. Daarom zullen volgens posttrib beide de laatste jaarweek (Grote Verdrukking) meemaken. Posttribulationisten verbreken daarom de eenheid van de zeventigste jaarweek van Daniël. Echter de profetie betreffende de zeventig jaarweken is gericht aan en gaat over Israël (uw volk) en Jeruzalem (uw heilige stad). Men onderscheidt niet (en dat kan in hun eigen visie ook niet) dat de laatste jaarweek – de zeventigste – bestemd is voor het toekomstige volk Israël. Daar komt nog bij dat er binnen posttrib hierover verschillend wordt gedacht en dat maakt de verwarring over Gods programma met betrekking tot de Gemeente en Israël nog groter.

Hierbij een kort overzicht van specifieke kenmerken van de Gemeente die niet toegepast kunnen worden op Israël. (1) Er was nog geen eenheid van gelovigen die samengebracht waren in één Lichaam, de Gemeente (1Kor.12:13). (2) De Heer Jezus spreekt over de Gemeente als iets toekomstigs (Mat.16:18). (3) De Gemeente was een verborgenheid, door de apostel Paulus geopenbaard (Kol1:29; Ef.3:4). (4) Johannes de Doper behoorde niet tot de Gemeente, wat blijkt uit Mat.11:11; Joh.3:29. (5) De Gemeente heeft als grondslag het offer van Christus (Ef.2:14-16). (6) Bij zijn verheerlijking in de hemel is Christus als Hoofd gegeven aan de Gemeente (Ef.1:19-23). (7) De Gemeente is gebouwd op het fundament van de apostelen en (NT-ische) profeten. (8) De Gemeente is de tempel van de heilige Geest (1Kor.3:16). (9) Het lichaam van Christus is het geheel van allen die gedoopt zijn in de heilige Geest (1Kor.12:13). Tot zover deze specifieke kenmerken, die u verder zelf kunt uitwerken.

2. De Opname en de komst van Christus

In tegenstelling tot pretrib onderscheidt posttrib geen afzonderlijk verschijnen van de Heer Jezus om de Gemeente in het Vaderhuis te brengen. Dit is volgens pretrib de Opname. Men spreekt bij posttrib wel over de Opname, maar dat doet geen recht aan de inhoud van de betreffende teksten, namelijk dat de Heer Jezus komt en wij Hem tegemoet gaan in de lucht (1Thes.4:13-18). Posttrib zegt dat de Heer, op weg zijnde naar de aarde, de gelovigen opneemt om onmiddellijk met hen naar de aarde terug te keren om het Koninkrijk op te richten. Men gelooft niet in het ‘Hem tegemoet gaan in de lucht om altijd met de Heer te zijn’. Vergelijk Johannes 14:1-3, waar we dezelfde volgorde vinden: Heengaan, terugkeren en tot Mij nemen. Het zal dan ook voor posttrib niet gemakkelijk zijn om het ‘Hem tegemoet gaan’ te verklaren. Maar ook hier is het niet onderkennen van het onderscheid tussen Israël en de Gemeente weer de oorzaak dat men niet kan inzien dat er verschillende komsten van Christus zijn, omdat men binnen posttrib slechts één komst onderscheidt.

3. Het beeld van Daniël

Posttrib onderscheidt in het beeld van Nebukadnezar vier koninkrijken, waarvan het Romeinse het laatste is als afgerond in de geschiedenis. Daarna zal het rijk van Christus komen, dat geestelijk verschenen is bij de geboorte van de Heer Jezus en waarvan de werkelijke vervulling zal beginnen bij Diens wederkomst. Postrib ziet echter geen twee vormen van het Romeinse Rijk; de benen in de eerste vorm in het verleden (Oost- en West-Romeinse Rijk) en de tien tenen als tweede vorm in de eindtijd, zoals pretrib wel doet. Dit standpunt is moeilijk vol te houden in het licht van Daniël 2, want volgens Daniël 2:40, 44 zal dat vierde rijk door Christus vernietigd worden bij zijn komst. Dat is echter niet gebeurd bij zijn eerste komst, want toen was het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt en het heeft nog bestaan tot 476 na Christus. Het vernietigen van dat vierde rijk kan volgens Posttrib ook niet gebeuren bij zijn wederkomst, omdat de tien tenen volgens posttrib geen hersteld Romeins Rijk in de toekomst voorstellen. Pretrib zegt dat de twee benen het beeld zijn van het Romeinse Rijk in het verleden (Oost- en West- Romeinse Rijk) en dat de tien tenen een beeld zijn van het toekomstige Romeinse Rijk (tien tenen- tien koningen Op.17:16).

Wat de profeet Daniël over dat toekomstig Romeins rijk zegt komt treffend overeen met de huidige situatie van de EU (Dan.2:43): ‘Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem.’ Gedurende eeuwen heeft men geprobeerd dat oude Romeinse Rijk weer gestalte te geven en men heeft dat geprobeerd door middel van geweld. We denken maar aan Karel de Grote, Napoleon en als laatste Adolf Hitler. Deze allen hebben gefaald. Maar de manier waarop het huidige Europa is gevormd, komt overeen met onze tekst 2:43: vrijwillig, door huwelijksgemeenschap. Het vervolg van de tekst, dat luidt dat ze ‘met elkander geen samenhangend geheel vormen’, vinden we treffend terug in de huidige Europese Unie, de eindtijdvorm van het oude Romeinse Rijk. Eén ding is zeker: er zal in de eindtijd vlak vóór de komst van Christus een Romeins Rijk aanwezig moeten zijn!

4. Typologie

Typologie is de leer van de typen, voorafschaduwingen van latere geestelijke werkelijkheden. Het posttribulationisme wordt niet ondersteund door de typologie van de Bijbel. Het is waar dat typologie nooit als bewijs kan dienen, wel kan zij het ‘bewijs’ ondersteunen. Waarom zou Mattheüs 24:36-41 geen type kunnen zijn van het volk Israël in de eindtijd, want dat is toch wat de Heer Jezus doet? In dit Bijbelgedeelte wordt het volk vergeleken met de mensen in de tijd van Noach. Ook toen was de grote massa ongelovig; zij vierden feest zonder zich iets van God aan te trekken. Alleen Noach wandelde met God. Toen kwam het oordeel dat de goddelozen verdelgde, maar de rechtvaardigen werden behouden in de ark, dat is Christus (1Petr.3:20). Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Het volk zal uiteenvallen in twee groepen: zij die worden weggenomen door het oordeel en zij die zullen achterblijven om het koninkrijk te beërven. Overal worden de goddelozen door het oordeel weggevaagd en wat zal overblijven, zal het ware Israël zijn, het ware volk van God, dat het land zal bezitten in zijn volle uitgestrektheid. Nogmaals: Mattheüs 24:36-41 heeft geen betrekking op de Opname van de Gemeente maar op het volk Israël en het wel of niet ingaan in het Vrederijk.

En als Noach als een type van het gelovige deel van het volk Israël gezien kan worden, dat door het oordeel behouden wordt, waarom zou Henoch dan geen type van de Opname van de Gemeente kunnen zijn die vóór het oordeel (zondvloed) weggenomen wordt?

5. De laatste bazuin

Posttrib gaat ervan uit dat de ‘laatste bazuin’ vermeld in de eerste brief aan de Korinthiërs (1Kor.15:52) dezelfde is als de ‘zevende bazuin’ vermeld in Openbaring (Op.11:15-18).

Bij het opbreken van een Romeins legerkamp werden bazuinen geblazen en bij de derde ‘laatste’ bazuin zette het leger zich in beweging. Daarom hoeft de bazuin vermeld door Paulus in 1Kor.15 niet dezelfde te zijn als de bazuin bij Johannes. De bazuin in 1Kor.15 is voor de Gemeente, die in Op.11 voor de wereld. De bazuin van 1Kor.15 wordt de bazuin van God genoemd (vgl. 1Thes.4:16), terwijl de bazuin van Op.11 de bazuin van een engel is.

Praktische consequenties

1. Omdat men ervan uitgaat dat de gelovigen door de Grote Verdrukking moeten en alle verschrikkingen die dan zullen plaatsvinden moeten meemaken, is van een blijde verwachting naar de wederkomst van Christus geen sprake.

2. Men zal ook vrij nauwkeurig het tijdstip van de terugkomst van Jezus kunnen bepalen, omdat bijvoorbeeld het verbreken van het verbond op de helft van de laatste jaarweek een duidelijk moment weergeeft.

3. Omdat men de profetie van Daniël 9 betreffende de zeventig jaarweken als vervuld beschouwt, heeft men geen oog voor de profetische betekenis van die laatste jaarweek voor Israël.

4. Omdat men het verschil tussen Israël en de Gemeente niet onderscheidt en de 70 jaarweken al als vervuld ziet, zeggen huidige gebeurtenissen zoals het ontstaan van de staat Israël, de opkomst van de Messias-belijdende gelovigen, de inname van Oost-Jeruzalem in 1967, het ontstaan van de Europese Unie als mogelijke herrijzenis van het vroegere Romeinse Rijk, weinig of niets.

Vraag

Bij het schrijven van dit artikel kwam bij mij telkens de vraag naar boven wat het probleem is van posttrib om geen onderscheid te (willen) zien tussen Israël en de Gemeente? Is het gebrek aan Schriftkennis, volharden in de vergeestelijkingstheorie van Augustinus die nog altijd in de rooms-katholiek kerk en veel protestantse kerken geleerd wordt of, in het ergste geval, antisemitisme? Ik raad de lezers dan ook aan om dat onderwerp eens ernstig te onderzoeken.

Conclusie

Er is nog veel meer te zeggen over het Posttribulationisme, maar gelet op het bovenstaande kunnen we niet anders dan tot de conclusie komen dat we het moeten afwijzen. Posttrib onderbouwt de eigen visie te weinig of ontwijkt een Bijbelse uitleg. Een voorbeeld mag dit duidelijk maken. Hoewel overtuigend kan worden aangetoond dat Mattheüs 24 gaat over en bestemd is voor Israël, is hun visie dat het hier over de Gemeente gaat, inclusief de Opname, zonder dit Bijbels te onderbouwen. Het ‘bewijs’ dat hiervoor geleverd wordt zijn twee woordjes, namelijk ‘discipelen’ en ‘uitverkoren’ en dat is wel een zeer magere onderbouwing!

(Zie Rubriek Eschatologie - Mattheüs 24)

Literatuurlijst

Things to Come, Pentecost, J.D.

De Openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Brennpunkte Biblischer Prophetie - John F. Walvoord

Enz.

Andere werken

Openbaring - Dr. H.R. van de Kamp - Commentaar op het NT

De komst van Christus - Glashouwer en Verweij

Studiebijbel - deel 10 – Openbaring

The Bible Exposition Commentary OT en NT – Wiersbe

Evangelical Dictionary of Theology - Elwell

Enz. 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

De 70 Jaarweken van Daniël

 

 

 

 

 

 

 

 

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)

Daniëls “70 Jaarweken” profetie is een van de meest verbazingwekkende en belangrijke profetieën in de Schrift. Een Boek dat de toekomst in detail voorzegt met een volmaakte nauwkeurigheid is een Goddelijk Boek!

“Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. 25 U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht [KJV: “the street shall be built again, and the wall”] zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. 26 Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. 27 Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vastbesloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste” (Daniël 9:24-27).

De 70 weken zijn weken van jaren (70 x 7 = 490 profetische jaren [van 360 dagen]). Dit is evident door de vervulling. Tijdens deze 70-jarige periode zullen Gods oordelen over Israël volbracht worden en Christus zal terugkomen om het koninkrijk op te richten. De engel vertelt Daniël dat de profetie betrekking heeft op zijn eigen volk, de Joden, en op de heilige stad, welke Jeruzalem is (Daniël 9:24). De eerste 69 weken (69 x 7 = 483 profetische jaren [van 360 dagen]) lopen van de tijd dat het bevel werd gegeven om “Jeruzalem te herbouwen” na de Babylonische ballingschap tot de tijd de “Messias uitgeroeid” wordt.

Er zijn twee bevelen van Perzische koningen met betrekking tot de herbouw van Jeruzalem. Ten eerste was er het bevel in 536 v.C. van Cyrus voor Zerubbabel om de tempel te bouwen (Ezra 1:1-3). Ten tweede was er het bevel in 444 v.C. door Artaxerxes voor Nehemia om de muren van de stad te herbouwen (Nehemia 2:1-8). Vermits Daniël 9:25 in het bijzonder spreekt van de herbouw van de stad (straten en muur/omwalling/grachten), blijkt het dat Artaxerxes’ bevel de 69 weken deed ingaan. Er zijn diverse moeilijkheden met het bepalen van de exacte datums die daarbij betrokken zijn. Twee van deze gaan zo: Ten eerste, Joden en Babyloniërs en Perzen gebruikten verschillende kalenders met verschillende maanden. De Juliaanse of Romeinse kalender is anders [evenals de Gregoriaanse kalender in onze tijd]. Daarom is het moeilijk precies te weten in welk jaar van onze kalender Christus werd geboren en wanneer Hij stierf. Ten tweede, de Joodse en Perzische kalenders telden jaren van 360 dagen in plaats van de 365 [365,2425 gemiddeld] dagen in onze Gregoriaanse kalender1. Dit betekent dat 483 profetische jaren in Daniël 9 = 69 x 7 x 360 = 173.880 dagen, of 173.880: 365,2425 = 476,0672 onze [Greg. kal.] jaren. Door een bepaalde berekening werd het bevel van Artaxerxes aan Nehemia gegeven in 445 v.C.. en door een andere berekening was dit 444 v.C. Sir Robert Anderson, een jurist en rechercheur bij Scotland Yard en briljant bijbelstudent, concludeerde dat het bevel werd gegeven op 14 maart 445 vC. en Christus reed Jeruzalem op een ezel binnen op 6 april 32 nC. Hij documenteerde deze positie in zijn 1895-boek The Coming Prince. Vanuit ons perspectief 2500 jaar later is het moeilijk de exacte datums te kennen van de profetie, maar het belangrijkste is dat de Joden in die dagen wisten hoe deze datums te berekenen, en zij hadden geen excuus om niet exact te weten wanneer de Messias in de wereld zou komen of wat er kon gebeuren wanneer Hij kwam. Wij stemmen in met volgende verklaring:

“Als Gabriël zelf zegt dat Jezus exact 483 jaar later zou afgesneden worden, wie ben ik dan om te argumenteren wanneer het decreet uitkwam, in 456, 457 of 458, gewoon omdat ik de mathematische bekwaamheid niet heb om het precies vast te pinnen? Ik geloof dat er genoeg bewijs is om aan iedereen aan te tonen dat deze profetie van de 490 jaren de tijdsspanne vormt vanaf dat Artaxerxes zijn bevel gaf om Jeruzalem te herstellen totdat Jezus kwam om Zijn bediening te vervullen op aarde” (“The Beginning of the 490 Years”, http://dedication.www3.50megs.com/457.html). Daniël’s profetie beschrijft vier grote gebeurtenissen die gebeurden na het bevel om Jeruzalem te herbouwen. Ten eerste, de straten en muren moesten herbouwd worden. Dit werd gecompleteerd in 7 weken of 49 jaar (Daniël 9:25). Het bevel om Jeruzalem te herbouwen werd gegeven in 444 v.C. De muren werden het volgende jaar gecompleteerd, en het werk zal blijkbaar nog 48 jaar voortgeduurd hebben voor de herbouw van de stad. Dit werd volbracht in “beroerde tijden”, zoals we zien in Nehemia. Ten tweede, 69 weken na het bevel werd de Messias “uitgeroeid, maar niet voor Hemzelf”, en dat betekent Zijn dood aan het kruis voor de zonden van de mensheid (Daniël 9:25-26). Zijn dood was plaatsvervangend. De 69 weken (483 dagen volgens de Joodse kalender en 476 jaren volgens onze kalender) eindigde toen de Messias kwam als “de Vorst” (vers 25). Dit gebeurde toen Christus Jeruzalem binnenkwam op een ezel, enkele dagen vóór Zijn kruisiging en Hij werd toegejuicht als “de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heere” (Zacharia 9:9; Lukas 19:37-38). Ten derde, De stad en de tempel werden verwoest (Daniël 9:26). Dit gebeurde in 70 nC. door de Romeinse legers onder generaal Titus. Ten vierde, “tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen”. Dit is een perfecte beschrijving van de laatste 2000 jaar van Israëls geschiedenis, en dit beschrijft ook wat met Israël zal gebeuren juist vóór de wederkomst van Christus. Zelfs vandaag, alhoewel Israël terug is in het land, kent ze geen vrede, en ze zal geen vrede hebben totdat ze berouw krijgt, zich bekeert en haar Messias, Jezus, ontvangen zal. De finale week, of zeven jaren, van Daniëls profetie moet nog vervuld worden (Daniël 9:27), en het is deze periode die Jezus beschrijft in Mattheüs 24. Tussen de 69ste en 70ste week (tussen Daniël 9:26 en 9:27) bevindt zich de kerkbedeling, welke een “verborgenheid” of “geheimenis” wordt genoemd omdat ze niet onthuld was aan de oudtestamentische profeten (Efeziërs 3:3-6). De kerkbedeling is als een vallei die de oudtestamentische profeten niet zagen, namelijk tussen de twee pieken van de eerste en tweede komst van Christus [zie plaatje hierna]. Paulus beschrijft de kerkbedeling als de tijd van Israëls blindheid in Romeinen 11:25-27.

De finale week, of zeven jaren, van Daniëls profetie is verdeeld in twee delen (Daniël 9:27). Aan het begin van de zeven jaren zal de Antichrist een vals vredesverbond sluiten met Israël. Het is mogelijk dat in die tijd de Joodse tempel zal herbouwd worden in Jeruzalem. Halverwege deze zeven jaren zal de Antichrist dit verbond verbreken en zichzelf tot God verheffen. Vergelijk 2 Thessalonicenzen 2:3-4. Deze gebeurtenis markeert het begin van de 3,5 jaar van de Grote Verdrukking. Jezus zei over die gebeurtenis “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats …” (Mattheüs 24:15).

Openbaring 6-19 beschrijft dezelfde tijdsperiode (de laatste “week” van Daniëls visioen) en ook Openbaring verdeelt de tijd in twee periodes van 3,5 jaar. Tijdens de eerste helft van de Verdrukking zullen de Twee Getuigen van Openbaring 11 prediken gedurende 1260 dagen, of 3,5 jaar (Openbaring 11:3). Tijdens de tweede helft zal de Antichrist 42 maanden of 3,5 jaar heersen (Openbaring 13:5), en het bekeerde Israël zal de wildernis in vluchten voor 1260 dagen of 3,5 jaar (Openbaring 12:6).

Bron: Website: www.verhoevenmarc.be

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Trilogie van de Toekomst

 

Israël

 

 

 

Voorwoord

Zijn toespraak tot de Verenigde Naties van 22 september 2016 begon premier Netanyahu van Israël met de woorden: ‘Wat ik nu ga zeggen zal u shockeren: Israël heeft een mooie toekomst bij de VN’. Ik betwijfel of hij deze woorden na de resolutie van 23 december 2016 nog zou zeggen. Want in die resolutie veroordeelde de VN het Israëlische nederzettingenbeleid in de zgn. Palestijnse gebieden. Dat kon gebeuren omdat Amerika zich onthield van stemming en zijn vetorecht niet gebruikte om Israël te steunen. Dat was een unicum! Israël beschuldigde daarom de Amerikaanse president Barack Obama ervan ‘onder één hoedje te spelen met de Palestijnen in een beschamende manoeuvre tegen Israël in de VN’. De toespraak van Netanyahu en de tekst van de resolutie tegen Israël, die aan de basis van dit artikel liggen, kunt u lezen in de Rubriek Israël op deze website. Via YouTube kunt u ook de toespraak beluisteren die premier Netanyahu gehouden heeft op de Algemene Vergadering van de VN, met Nederlandse ondertiteling. Ga naar: https://youtu.be/33dYKifz91E

Maar het is waar en premier Netanyahu heeft gelijk: er staat Israël nog een mooie toekomst te wachten, maar voor het zover is zal er nog een moeilijke tijd komen, de zgn. Grote Verdrukking! Want de Bijbel is duidelijk over de gebeurtenissen van het volk Israël in de eindtijd; het land en volk zullen steeds meer alleen komen te staan. Zodra er wat rust is gekomen in Syrië en in de omringende landen, zal wellicht alle aandacht op Israël gericht worden en wat zullen de gevolgen daarvan zijn? Zacharia zegt dat Jeruzalem in de eindtijd een schaal der bedwelming voor alle volkeren zal zijn en een steen die alle natiën zullen moeten heffen en dat ten slotte alle volkeren der aarde ten strijde zullen trekken tegen Jeruzalem.

Zoals gezegd: wij bezitten Gods Woord en hoeven niet te speculeren over Israëls toekomst. Wij hebben in de Bijbel het profetisch woord waarop we acht dienen te geven (2Petr.1:19) en het boek van de profeet Zacharia spreekt duidelijke taal, vooral in de hoofdstukken 12-14 die we gaan overdenken.

Inleiding

In de hoofdstukken 12-14 neemt Zacharia ons mee naar de eindtijd. Ik geloof dat hij de gebeurtenissen van het laatste gedeelte van de laatste jaarweek van Daniël beschrijft (Dan.9:24-27), want we bevinden ons hier vlak voor de komst van de Heer Jezus op de Olijfberg. Zacharia beschrijft de aanval van de volken tegen Jeruzalem. Het Joodse volk ondergaat ernstige beproevingen: de tijd van ‘Jacobs benauwdheid’ is aangebroken (Jer.30:7), waarna de Heer zal terugkeren in kracht en grote heerlijkheid om zijn volk te bevrijden en om het beloofde koninkrijk te vestigen. Een opwindend scenario! Het is geen fantasie; het is Gods Woord dat zegt dat het zal gebeuren! Wanneer we deze hoofdstukken bestuderen, vinden we zeventien keer de vermelding van de woorden ‘Te dien dage’. ‘Die dag’ is de ‘Dag des Heren’, de dag van wraak en oordeel waarover andere profeten al schreven (Joël 3:9-16; Sef.1) en waarover de Heer Jezus sprak in Mattheüs 24:4-31 en de apostel Johannes in Openbaring 4-19.

Zacharia beschrijft drie belangrijke gebeurtenissen:

1. God zal Israël bevrijden (Zach.12:1-9; 14:1-7)

Judea en Jeruzalem staan centraal in de profetie van Zacharia, liefst vierenveertig keer wordt de

stad vermeld in het boek Zacharia, waarvan vijfentwintig keer in de laatste drie hoofdstukken. In

hoofdstuk 1:14 sprak de Here: ‘Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand’. Veertien keer wordt door Jesaja God genoemd als de ‘Verlosser voor Israël’. God is zijn volk niet vergeten, maar zijn timing is niet altijd zoals wij het zouden wensen; Hij houdt zich echter altijd aan zijn beloften, ook ten opzichte van het volk Israël. De voorbereidingen voor die toekomstige verlossing zien wij nu al in wording.

Jeruzalem zal worden belegerd (Zach.12:1-3; 14:1-2)

De profetie opent met een bevestiging van Gods almacht en kracht. Let op de vermelding van ‘alle volken’ en ‘alle natiën’ in Zacharia 12:2-3,6,9; 14:2,12,14,16, want bij deze aanval zullen de legers van de hele wereld betrokken zijn en hij maakt deel uit van de beroemde ‘slag van Armageddon’ beschreven in Joël 3:9-16; Mattheüs 24:27-30; Openbaring 9:13-18; 16:13-16 en 19:17-21. We weten dat Rusland (de koning van het verre noorden) een permanente militaire basis heeft in Syrië. We horen van samenwerking tussen Rusland, Syrië en Iran. Amerika en Europa zijn nadrukkelijk aanwezig in het Midden-Oosten. ‘Alle volken en natiën’ die optrekken naar Israël, is verre van denkbeeldig vandaag de dag!

Drie ‘krachten’ zullen betrokken zijn in het bijeenkomen van dit grote leger: (1) de volkeren komen overeen in hun opstand tegen God en zijn volk (Ps.2:1-3); (2) Satan en zijn demonen gebruiken hun invloed om de volkeren bijeen te brengen (Op.16:12-14); en (3) God oefent zijn macht uit om hen bijeen te brengen (Zach.14:2; Openb.16:16; Ez.38:1-6).

Om Jeruzalems situatie ‘te dien dage’ te beschrijven, gebruikt Zacharia de metafoor van een schaal (of kelk of beker) en een steen. Een schaal is een bekende Bijbelse voorstelling voor het oordeel. (Ps.75:9; Jes.51:17, 21-23; Jer.25:15-28; Ezech.23:31-33; Hab.2:16; Openb.14:10; 16:19; 18:6). De volken zijn van plan Jeruzalem te veroveren, maar wanneer ze beginnen met de ‘schaal te drinken’ zullen ze ziek en dronken worden. De geschiedenis leert ons dat elke natie die geprobeerd heeft om Israël te vernietigen, zichzelf heeft vernietigd. En als de volken tezamen Gods volk aanvallen, zal het niet anders gaan! Sommige vijanden zullen de stad binnenvallen, de vrouwen misbruiken, en de helft van de inwoners gevangennemen. Maar in de hoop om de stad en het volk te vernietigen, zullen ze teleurgesteld worden, want God zal ervoor zorgen dat de stad als een onwrikbare ‘steen’ zal zijn. Deze ‘steen’ zal uiteindelijk de vijandelijke legers vernietigen (Dan.2:45).

De komst van de Messias (Zach.14:3-7)

Het mag duidelijk zijn dat het hier niet over de Opname gaat, de komst van Christus voor de Gemeente. Nee, het gaat uiteraard over zijn komst voor Israël. ‘Ze zullen de Zoon des Mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid (Matth.25:30; Openb.1:7). De Heer Jezus is van de Olijfberg naar de hemel opgenomen met de belofte ‘dat Hij zo zal komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan’ (Hand.1:9-11) en zo zal het ook gebeuren. Hij komt vanuit de hemel naar de aarde, en zal staan op diezelfde Olijfberg, waardoor er een grote aardbeving zal komen die het gebied aanzienlijk zal veranderen (Jes.29:6; Openb.16:18-19). Daardoor zal er een nieuw dal ontstaan, dat een ontsnappingsroute zal worden voor velen van het volk. Er zullen ook veranderingen zijn in de hemelen: ‘de zon zal u niet meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten’ (Jes.60:19-20).

‘De Here is een krijgsheld’ zong het volk nadat het uit Egypte was bevrijd (Ex.15:3), maar dat aspect van God wordt vaak ontkend of tegengesproken, of is niet meer gekend vandaag de dag. Er is een generatie die weinig of niets weet over ‘te strijden voor het geloof’, of over een Verlosser die eenmaal zal strijden tegen de naties (Openb.19:11-21).

Voordat het volk Israël het land binnentrok, beloofde Mozes dat God voor hen zou vechten (Deut.1:30; 3:22). ‘Wie is toch de Koning der ere?’ was een vraag van David en het antwoord was ‘De Here, sterk en geweldig, de Here, geweldig in de strijd’ (Ps.24:8). Jesaja kondigde aan ‘De Here trekt uit als een held; als een krijgsman doet hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja, schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen zijn vijanden’ (Jes.42:13). Onze God heeft veel geduld gehad met de volkeren, maar er komt een dag waarop Hij de strijd met hen zal aanbinden en zegevieren.

De Heer zal de vijanden verslaan (Zach.12:4-9; 14:12-15)

Verwarring (14:13), een plaag (14:12) en speciale kracht voor de strijders (12:5) zijn de dingen waardoor God de overwinning geeft over de binnenvallende legers. De paarden panieken vanwege hun blindheid en de berijders zullen door waanzin bezeten worden en elkaar bevechten (14:13). God zal waken over zijn volk en erop toezien dat ze bevrijd worden. Hij zal maken dat de Joden als vuur zijn en de vijanden als droge stoppels. Jezus Christus zal zijn grote macht openbaren wanneer Hij het volk verdedigt en de vijanden verslaat.

Terwijl de inwoners van Jeruzalem hier centraal staan, wordt er aandacht geschonken aan welke plaats Juda zal innemen in de strijd. De binnenvallende legers zullen via Juda moeten om Jeruzalem in te komen (12:2); maar God zal over het volk van Juda waken en hen vanwege David bevrijden (vers 4, 7). Het vertrouwen en de moed van het volk in Jeruzalem is een bemoediging voor Juda, dat dapper was in de strijd, en God zal het mogelijk maken om te overwinnen (vs.5-6). De zwakste Joodse strijder zal de kracht als van David bezitten, die tienduizenden vijanden versloeg (1Sam.18:7). Het leger van de Heer zal voortgaan als de Engel des Heren die 185.000 Assyrische soldaten sloeg in één nacht (Jes.37:36).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Trilogie van de Toekomst

 

De Volken

 

 

 

 

De volken

‘Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan, hoewel Hij zich toch niet onbetuigd heeft gelaten, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven, en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde’ (Hand.14:16)

De studie van het ontstaan, de verstrooiing en de geschiedenis van de volken is een boeiende bezigheid. Psalm 67 maakt ons duidelijk dat God vanaf het begin ook het heil van de volken op het oog heeft. De eerste vermelding van de volken vinden we in Genesis 10, waar we er zeventig tellen. Deze volken verdeelden zich na de vloed over de aarde en toen een gedeelte oostwaarts trok en in de vlakte van Sinear kwam, bouwden ze daar een stad met een toren waarvan de top tot de hemel reikte. ’De Here zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn’ (Gen.11:6). God maakte daarom een einde aan hun plannen door hun taal te verwarren zodat zij elkaar niet meer verstonden, wat de oorzaak was van hun verstrooiing over de aarde. Vanaf dat moment horen wij weinig of niets meer over de verdere gebeurtenissen van veel volken. De Bijbel zegt dat ‘Hij (God) in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen heeft laten gaan’ (Hand.14:16). In de brief aan de Romeinen spreekt Paulus er met andere woorden over en zegt dat God de volken heeft overgegeven aan onreinheid, onterende hartstochten en aan een verkeerd denken (Rom.1:24,26,28). Het gebruik van het woord overgeven zou je kunnen omschrijven als: ‘in iemands macht of gebruik overgeven’.

Wanneer God dan de volken op hun eigen wegen laat gaan en ze verdwijnen in de grijsheid van de geschiedenis, horen we eeuwen niets meer van hen totdat ze weer ‘ontdekt’ worden door de pioniers van de late middeleeuwen, zoals Columbus en veel andere ontdekkingsreizigers. Er zijn in de wereldgeschiedenis machtige rijken geweest, we denken maar aan de Inca’s, Azteken en vele anderen, maar omdat ze niet in een relatie stonden met het volk Israël horen we via de Bijbel niets over hun gebeurtenissen. God had aangegeven dat hij de mensheid niet meer zou oordelen door water, waarvan de regenboog getuigenis gaf; Hij liet hen op hun eigen wegen gaan. Hij zorgde wel voor die volken door hen uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven, en hun harten te vervullen met voedsel en vreugde (Hand.14:17).

Roeping Abraham en ontstaan Israël

‘De Here nu zeide tot Abraham: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis. Ik zal u tot een groot volk maken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ (Gen.12:1-3)

God maakt een nieuw begin. Niet door een nieuw oordeel te veroorzaken zoals eerder de zondvloed, maar door één enkel echtpaar uit die volken te roepen en af te zonderen. God roept Abraham met wie Hij zich verbindt met een onvoorwaardelijk verbond. ‘De Here nu zeide tot Abraham: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ (Gen.12:1-3). Door de roeping van Abraham en de belofte aan hem gedaan, zou God zich voorzien van een volk, het latere volk Israël, dat tot een getuigenis voor de volken zou moeten zijn, maar daarin zijn ze tekortgeschoten. ‘Als u van uzelf vertrouwt dat u een leidsman bent van blinden, een licht voor hen die in de duisternis zijn (…)’ (Rom.2:19). Gelukkig is uit het volk de Messias geboren, die dat tekort ruimschoots heeft gecompenseerd! Hij die in Genesis 49 al was aangekondigd en vele jaren later in deze wereld is gekomen, van Hem werd geprofeteerd: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Maar aan de taak waarin het volk Israël in het verleden tekortschoot, zal het in het Vrederijk voldoen. Psalm 67 zegt: ‘God zij ons genadig en zegene ons, Hij doet zijn aanschijn bij ons lichten; opdat men op aarde uw weg kenne, onder alle volken uw heil’ en ‘God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen’ (Psalm 67:2, 8).

Terzijdestelling Israël

Maar zij spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk, tot de grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk zo hoog opsteeg dat er geen genezing meer mogelijk was’ (2Kron.36:15-16).

De geschiedenis van het volk Israël is niet erg fraai, maar is die van het Christendom dat wel?

De parallellen zijn duidelijk! Zowel bij Israël als het Christendom zien we dat, naargelang de tijd verstreek, er steeds meer verval en verdeeldheid kwam en dat men zich steeds meer van God en zijn geboden afkeerde. Dus laten we niet hoogmoedig worden, want zien wij niet de geschiedenis van het volk Israël herhaald in onze dagen? (Rom.11:21).

Het volk Israël had enorme voorrechten ontvangen, want aan hen waren de woorden van God toevertrouwd (Rom.3:2). Van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar het vlees de Christus, zegt Paulus (Rom.9:4-5). Maar ondanks al die voorrechten hebben ze als getuigenis van God gefaald. Het gevolg was dat God het volk in ballingschap zond.

Een ander gevolg van Israëls zonde was dat de heerlijkheid van God zich terugtrok, een heerlijkheid die pas zou terugkeren in de Persoon van Christus en zal terugkeren in de nieuwe tempel in het toekomstig Vrederijk (Ez.10:18; 43:2). Israël werd formeel Lo-Ammi – niet mijn volk

(Hos.1:8). Zo was de situatie van Israël: er was geen davidische koning meer op de troon, de Sjechina had zich teruggetrokken en de tempel was verwoest. Israëls rol als middel waardoor God de wereld regeerde en waarvan Jeruzalem het middelpunt was, was voorlopig uitgespeeld en het zou die plaats weer innemen wanneer de tijden der volken vervuld waren, dat is bij de komst van de Messias op de Olijfberg.

Tijden der volken

‘U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd’ (Dan.2:37).

De ‘tijden der volken’ is de tijd tussen het zich terugtrekken van de Sjechina in de hemel en haar terugkeer in de nieuwe tempel die in Jeruzalem zal verrijzen. Dat betekent dat niet langer Jeruzalem het centrum van de wereld is, maar dat het volkerenhoofd (het hoofd van de opeenvolgende wereldrijken) het middelpunt van de wereld vormt. Deze periode dat de heidense wereldmachten aan de macht zijn, duurt totdat de tijd komt voor ‘heiligen van de Allerhoogste’ om het koninkrijk te bezitten (Dan7:27).

We zullen bij het lezen van het boek Daniël tot de ontdekking komen dat er vier wereldmachten op het toneel zullen verschijnen totdat het rijk van Christus komt en er een einde aan zal maken. Die wereldmachten zijn: de Babyloniërs, de Meden en de Perzen, de Grieken en de Romeinen (Dan.2:31-49). Wereldmachten die niet naast elkaar zullen optreden maar elkaar zullen opvolgen. Het verrassende is dat het Romeinse Rijk eigenlijk nooit echt verdwenen is. Het heeft volgens het beeld van Daniël twee vormen, één voor zijn begintijd en één voor de eindtijd. Het eerste wordt uitgebeeld door de twee benen van het beeld, Oost- en West-Romeinse Rijk, en het laatste door tien tenen. Wat veel Bijbeluitleggers denken, is dat we nu de herleving van het Romeinse Rijk zien door het ontstaan van de Europese Unie. Wat Karel de Grote, Napoleon en Hitler door geweld niet is gelukt, hebben we na de Tweede Wereldoorlog zien gebeuren door een vreedzaam samengaan van de landen van Europa. Heel treffend vinden we dat omschreven in het boek Daniël als hij spreekt over dat herleefde Romeinse Rijk: ‘Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkaar geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem’ (Dan.2:43). Dit rijk zal in de nabije toekomst nog een belangrijke rol spelen in relatie met de staat Israël, waarop we hier niet verder ingaan.

Israël in de verstrooiing

‘En zij zullen vallen door het scherp van het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door de heidenen worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld’ (Luk.21:24).

Het Joodse volk dat in Jezus’ tijd leefde en dat Hem heeft verworpen is in het jaar 70 definitief door de Romeinen uit het land verwijderd. Toen zijn de tempel en de stad verwoest en in rook opgegaan.

Het tijdperk van de Wandelende Jood was nu een feit voor heel het volk Israël. In het Bijbelboek Deuteronomium was dat al aangekondigd als waarschuwing, maar helaas is het realiteit geworden. ‘Zoals de Here er behagen in had om u wél te doen en u talrijk te maken, zo zal de Here er behagen in hebben om u te gronde te richten en te verdelgen; en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen. De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen. Daarbij zult u onder die volken niet tot rust komen en uw voetzool zal geen rustplaats hebben, want de HEERE zal u daar een bevend hart, kwijnende ogen en een treurende ziel geven. Uw leven zal voor u aan een zijden draad hangen; u zult nacht en dag beangst zijn en uw leven niet zeker zijn. 's Morgens zult u zeggen: Was het maar avond!  En 's avonds zult u zeggen: Was het maar morgen! vanwege de angst die uw hart bevangen heeft en vanwege het schouwspel dat uw ogen zien. De HEERE zal u in schepen naar Egypte laten terugkeren, over de weg waarvan ik u gezegd heb: Die zult u nooit meer zien. Daar zult u uzelf als slaven en slavinnen aan uw vijanden willen verkopen, maar er zal geen koper zijn’ (Deut.28:63-67). Wie een klein beetje op de hoogte is van de geschiedenis van de Joden in de achter ons liggende eeuwen, zal zich hierin herkennen. Een weg van uitzonderlijk lijden dat zijn hoogtepunt vond in de uitroeiing van zes miljoen mensen in het rijk van Hitler!

Wisseling van de ‘wacht’

‘Zij dan die waren samengekomen, vroegen Hem aldus: Heer, zult u in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?’ (Hand.1:6).

De meest wonderlijke gebeurtenis van de twintigste eeuw is wel de terugkeer van veel joden naar het toenmalige Palestina en de oprichting van de staat Israël in 1948. Vooral de inname van Oost-Jeruzalem in 1967 wekte veel opschudding, ook in de kringen van veel Bijbeluitleggers. Want daarmee kwam voor het eerst in zo’n tweeduizend vijfhonderd jaar de stad Jeruzalem in haar totaliteit weer onder Joods bestuur. Sommigen vinden dat met deze gebeurtenis de ‘volheid van de tijden van de volken’ is aangebroken (Luk.21:24). Wat vinden we in de Bijbel aan zaken die aanwezig moeten zijn voordat de Messias komt? Ten eerste spreekt de Bijbel over het herstel van het vroegere Romeinse Rijk, zoals gezegd zien velen daarin de huidige Europese Unie. Ten tweede moet er een volk en land Israël zijn om de Messias te kunnen ontvangen, dat is gerealiseerd in 1948. Ten derde moet er weer een tempel in Jeruzalem zijn, waar zich de antichrist zal zetten (2Thes.2:4). De plannen daarvoor zijn al in voorbereiding. Ten vierde moet de laatste jaarweek van Daniël ingaan door het sluiten van een verbond (Dan.9:25-27). Maar vóór dit alles zal de opname van de gelovigen c.q. Gemeente plaatsvinden, waarna God de draad met het volk Israël weer opneemt.

Komst van de Messias

‘Want de Israëlieten moeten veel dagen zonder koning en zonder vorst blijven, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod en afgodsbeelden. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HEERE, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de HEERE en Zijn goedheid wenden, in later tijd’ (Micha 3:4-5).

De laatste jaarweek zal als hoogtepunt hebben de verbreking van het verbond op de helft van die jaarweek. Dus na drie en een half jaar (Dan.9:27), waarna de Grote Verdrukking een aanvang kan nemen, de zogenaamde ‘benauwdheid van Jakob’. ‘Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden’ (Jer.30:7). In Mattheüs spreekt de Heer Jezus ook daarover: ‘Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen’ (Mat.24:21). De volken zullen optrekken naar Jeruzalem. ‘Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen, de stad zal genomen worden’ (Zach.14:2). Jeremia geeft aan dat er desondanks nog hoop is want, zegt hij: ‘maar daaruit zal hij gered worden!’ door de komst van de Messias. ‘Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg’ (Zach.14:3).

Het Vrederijk

‘Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE’ (Zach.14:16; Micha 4:1vv.).

Het Vrederijk van de Messias zal ongekende rust en voorspoed brengen voor Israël, maar ook voor de volken. De Heer Jezus zal Koning zijn over de gehele aarde, want zo was het voorzegd: ‘Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit’ (Ps.2:8; Zach.14:9). Want God had gezegd: ‘Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg’ (Ps2:6). Om ons tot de volkeren te beperken, deze zullen optrekken naar Jeruzalem omdat daar weer de plaats zal zijn waar de Here troont. ‘In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart achternagaan’ (Jer.3:17). ‘Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken’ (Jes.56:7). ‘Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem’ (Jes.2:2-3).

We eindigen met een Psalm die spreekt over het heil van de volken: ‘Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm. Een lied. God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe Zijn aanschijn bij ons lichten; opdat men op aarde Uw weg kenne, onder alle volken uw heil. Dat de volken U loven, o God; dat de volken altegader U loven. Dat de natiën zich verheugen en jubelen, omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt, en de natiën op de aarde leidt. Dat de volken U loven, o God, dat de volken altegader U loven. De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons; God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen.’ (Ps.67).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Trilogie van de Toekomst

 

De Gemeente

 

 

 

Inleiding

Dit is het derde deel in de reeks ‘Triologie van de Toekomst’. In belangrijkheid komt het voor ons op de eerste plaats omdat wij, Nieuw-Testamentische gelovigen, er deel van uitmaken. Met alle gebeurtenissen van de laatste decennia worden we min of meer gedwongen om ons met onze toekomst bezig te houden. Want als er sprake is van de opkomst van een groots westers machtsblok dat met Israël ‘bevriend’ is (de EU), als Israël – hoofdzakelijk in ongeloof – terugkeert naar zijn land en daar een eigen staat sticht (in 1948), als daar een einde is gekomen aan de ‘tijden van de volken’ (volgens sommigen in 1967), als daar een Messias-belijdend ‘overblijfsel’ wordt gevormd (momenteel 15.000 gelovigen in Israël), als er zelfs sprake is van een tempelbouw in Jeruzalem (heeft de schrijver van dit artikel zelf waargenomen) en als de Bijbels voorzegde afval van het geloof in het westen ongekend is (in 2016 ging 6% van de gelovigen in Vlaanderen nog naar de kerk), dan is de wederkomst van Christus nabij.

Voordat we aan onze toekomst denken, blikken we eerst terug op het ontstaan en de geschiedenis van de Gemeente.

De Gemeente, een verborgenheid

U zult tevergeefs in het Oude Testament zoeken naar een vermelding over de Gemeente. Dat komt omdat de Gemeente tot aan Handelingen 2 niet bestond. Het was een verborgenheid en die werd pas na de opstanding en hemelvaart door de apostel Paulus bekendgemaakt. ‘Die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten’ (Ef.3:5). Van een kerk van Adam af, zoals dat vaak geleerd wordt, heeft de Bijbel dan ook geen weet.

De Gemeente aangekondigd

In de Evangeliën wordt slechts twee keer gesproken over de Gemeente en dan nog als iets toekomstigs. De eerste tekst is vermeld in Mattheüs 16:18 : ‘En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op  deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen’. De tweede tekst staat ook in het Mattheüsevangelie: ‘Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor zijn u als de heiden en de tollenaar’ (Mat.18:17).

De ‘geboorte’ van de Gemeente

De komst van de heilige Geest was door de Heer Jezus zelf aangekondigd. ‘Want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt’ (Joh.7:37-39). En ook: ‘Want als Ik niet wegga, zal de Voorspraak niet tot u komen’ (Joh.16:7). Na de opstanding en hemelvaart van de Heer Jezus lezen we dan over de komst van de heilige Geest (Hand.2:1-4). De uitstorting van de heilige Geest is een eenmalige geschiedkundige gebeurtenis en diende ervoor om de gelovigen uit de Joden en die uit de heidenen tot één Lichaam te dopen, dat is de Gemeente van Jezus Christus. ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt’ (1Kor.12:13).

De geschiedenis van de Gemeente

Het boek Openbaring is in de eerste plaats een profetisch boek! Natuurlijk kan en mag een praktische uitleg altijd mogelijk zijn, zoals met alle Bijbelboeken, maar de eerste betekenis is profetisch: ‘Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen’ (Op.1:3, 22:7,10,18,19).

Het Nieuwe Testament geeft ons op zijn minst vier beelden van de Gemeente: Lichaam, Kudde, Bruid en Huis van God. In deze studie van de Gemeente beperken wij ons tot de Gemeente als huis van God, met andere woorden de Gemeente gezien in haar verantwoordelijkheid op aarde vanaf haar ontstaan in Handelingen 2 tot aan de Opname (1Thes.5:17). Ik ben van mening dat

haar geschiedenis wordt weergegeven in de hoofdstukken 2 en 3 van het boek Openbaring. We zien daar zeven gemeenten die een weergave zijn van de geschiedenis van het Christendom. Een geschiedenis die goed begint maar slecht eindigt. Alles wat God aan de menselijke verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd, volgt dat patroon, denk bijvoorbeeld maar aan de schepping, het volk Israël, het koningschap. Alles begon goed maar eindigde slecht, ook het Christendom. (Meer hierover in ‘De Toekomst van God’*)

De toekomst van de Gemeente

In tegenstelling tot de toekomst van Israël en de volken, die aards is, is de toekomst van de Gemeente hemels. De wederkomst van de Heer Jezus verschilt ook met die voor Israël en de volken*. De komst voor Israël en de volken was al in het Oude Testament aangekondigd en beschreven en ook het Nieuwe Testament spreekt erover. Bij het lezen van die betreffende tekstgedeelten zien we dat het altijd over een zichtbare komst gaat, zelfs plaats en wijze ervan worden vermeld. Deze komst wordt voorafgegaan door allerlei ‘tekenen’.

Heel anders is het bij de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente; dan gaat het over een onzichtbare ‘komst’ die zonder voorafgaande tekenen elk moment kan plaatsvinden. De komst van de Heer Jezus voor de Gemeente werd geopenbaard door de prediking die de apostel Paulus was toevertrouwd. Dat is ook een bevestiging voor de stelling dat er twee (weder-) komsten moeten zijn, zoals gezegd één voor Israël en de volken en één voor de Gemeente. Waarom zou anders Paulus het (nog eens) moeten bekendmaken als het al in het Oude Testament vermeld was ? Zoals gezegd geeft het Nieuwe Testament meerdere zogenaamde verborgenheden vrij door de prediking van de apostel Paulus, waaronder de wederkomst van de Heer Jezus voor de Gemeente, beter bekend onder de benaming: de Opname.

Schriftplaatsen

Deze visie over de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente berust in hoofdzaak op vier Schriftplaatsen:

Johannes 14:2-3 ‘In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u een plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’

1 Korinthiërs 15:51 ‘Zie, ik zeg u een verborgenheid: Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden’

Filippenzen 3:20-21 ‘Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen’

1 Thessalonicenzen 4:15-17 ‘Want dit zeggen wij u door het woord van de Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan. Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen, de HEER tegemoet in de lucht; en zó zullen wij altijd met de Heer zijn.’

Tijdstip

Dat is dan duidelijk, zult u zeggen, maar dat blijkt niet zo te zijn en dat heeft alles te maken met het tijdstip waarop deze ‘Opname’ zal plaatsvinden. Het definiëren van dat tijdstip heeft op zijn beurt van alles te maken met de Grote Verdrukking en/of de ure van verzoeking die over de hele aarde zal komen. Een periode van 7 jaar waarin verschillende oordelen deze aarde zullen treffen. Waarom 7 jaar? Dat heeft weer te maken met een profetie van de profeet Daniël (Dan.9).

U ziet het al, het begint ingewikkeld te worden, en dat is ook zo. Of hebben wij het ingewikkeld gemaakt? Aan u de keus.

Verschillende visies

De belangrijkste standpunten in de discussie wanneer de Opname zal plaatsvinden, zijn: (1) de Opname vindt plaats vóór de Grote Verdrukking; (2) de Opname vindt plaats in het midden van de Grote Verdrukking en (3) de Opname vindt plaats ná de Grote Verdrukking. Maar de discussie gaat vooral over het standpunt van 1 en 2. In de literatuur spreekt men meestal van pretrib, midtrib of posttrib, afgeleid van het Engelse woord voor verdrukking: tribulation.

Mijn overtuiging

Mijn persoonlijke overtuiging wil ik omschrijven als: pretribulationistisch-prechiliastisch. Een hele mond vol, maar het betekent in gewone mensentaal dat ik geloof dat de Opname zal plaatsvinden vóór de Grote Verdrukking en voordat het 1000-jarig Vrederijk aanbreekt.

De volgorde van het profetisch gebeuren volgens mij is: (1) de Opname van de Gemeente, (2) de Grote Verdrukking of beter gezegd de ure van verzoeking (een periode van 7 jaar) waarin de antichrist zich zal openbaren, (3) de zichtbare komst van Christus voor Israël en de volken en (4) de oprichting van het rijk van Christus, ook wel het 1000-jarig Vrederijk genoemd. 

Geen speculatie, maar motivatie

In de inleiding van dit artikel heb ik al duidelijk gemaakt waarom ik geloof dat de komst van Christus nabij is en ik ga daar niet verder op in, omdat het dit artikel onnodig lang zou maken. Voor meer uitleg daarover en over veel andere zaken met betrekking tot de eindtijd verwijs ik graag naar de literatuurlijst aan het einde van dit artikel. Wat ik wel wil doen is waarschuwen voor twee zaken.

Ten eerste zijn er veel christenen die zich te buiten gaan aan allerlei speculaties om maar te weten te komen wanneer de komst van de Heer zal zijn, en die daardoor ingaan tegen het woord van de Heer (Hand.1:7; Mark.13:32).

Ten tweede moet de overtuiging dat we leven in de tijd vlak voor de komst van de Heer, leiden tot een actief en heilig christelijk leven. Mag ik naar een paar teksten verwijzen in de hoop dat die u iets te zeggen hebben?

1 Johannes 3:2-3 ‘Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’

Openbaring 22:10-11 ‘En hij zei tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, nog meer gerechtigheid doen; en die heilig is, zich nog meer heiligen’

Romeinen 13:11 ‘En dit te meer omdat wij de tijd kennen, dat het uur voor u al daar is om uit de slaap te ontwaken; want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen’

Lukas 12:35-37 ‘Laten uw lendenen omgord en de lampen brandend zijn, en weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen. Gelukkig zijn die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen’

Als ik u door het lezen van dit artikel aangezet hebt tot een heilig leven in de verwachting van de komst van de Heer, heb ik mijn doel bereikt met het schrijven dit artikel!

‘De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen’

Literatuurlijst

*Zie het artikel ‘Drie komsten van Christus ’ in de rubriek Eschatologie op deze website.

*Zie het artikel ‘Het Midtribulationisme’ in de rubriek Eschatologie op deze website.

*De Toekomst van God’ Ouweneel, W.J., ISBN: 978-90-6353-647-3 - uitg. Medema.

*Things to Come – Pentacost, J.D.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Drie komsten van Christus?

 

 

 

 

De drie komsten: 

1. Zijn geboorte als kind in Bethlehem voor de gehele wereld 

(Micha 5:1 en de Evangeliën)

2. De (onzichtbare) komst van de Heer Jezus voor de Gemeente.

(1 Th.4:15-18; Jh14:1-3; 1Kor15:51-52; Fl3:20-21; Kol3:4)

3. De (zichtbare) komst van de Heer Jezus in heerlijkheid voor Israël en de wereld. (Hd1:11; Mt24; Zc14:5; Rm8:17; Kol3:4; 1Th3:13; 1Th4:14; Op17:14; 19:11-14)

Kenmerken van Christus' komst als kind in Bethlehem:

1) Aangekondigd in Genesis 3:15.

2) Aan Abraham voorzegd (Gen.12:1-3).

3) Zou voortkomen uit de stam Juda (Gen.49:10).

4) Zou gelijkenis met Mozes Hebben (Deut.18:18).

5) Beloofd aan David (2Sam.1:12-16).

6) Geboren uit een maagd (Jes.7:14).

7) Geboorteplaats Bethlehem (Micha 5:2).

8) Gekomen om te lijden

Verschillen en kenmerken van Christus' komst voor de Gemeente:

1) Wegneming van de heiligen.

2) De heiligen opgenomen in de hemel.

3) Komst vóór de Bruid.

4) Bij de 2e. Komst begint de ure der verzoeking c.q. Grote Verdrukking;

5) De 2e. Komst kan elk ogenblik gebeuren.

6) De 2e. Komst brengt vertroosting.

7) De 2e. Komst staat in relatie tot de Gemeente.

8) De 2e. Komst is een verborgenheid.

9) Bij de 2e. Komst worden gelovigen beoordeeld.

10) De 2e. Komst laat de schepping onaangeroerd.

11) De 2e. Komst heeft geen gevolgen voor de volkeren.

12) Bij de 2e. Komst worden Israël ‘s beloften niet ingelost.

13) De 2e. Komst staat niet in verband met geweld.

14) De 2e. Komst is vóór de toorn.

15) De 2e. Komst is alleen voor gelovigen.

16) De 2e. Komst is ‘De komst van de Heer’ (Fp4:5).

17) De verwachting van de Gemeente is om bij de Heer te zijn.

Verschillen en kenmerken van Christus' komst voor Israël en de wereld:

1) Verschijning van de Heer.

2) De komst naar de aarde.

3) Komst mét de Bruid.

4) Bij de 3e. Komst begint het Vrederijk.

5) De 3e. Komst vooraf tekenen.

6) De 3e. Komst brengt oordeel.

7) De 3e Komst staat in relatie met Israël.

8) De 3e. Komst was geopenbaard in NT en OT.

9) Bij de 3e. Komst worden de ongelovigen geoordeeld.

10) Bij de 3e. Komst wordt de schepping bevrijd.

11) De 3e. heeft wel gevolgen voor de volkeren.

12) Bij de 3e. Komst worden Israël ‘s beloften wel ingelost.

13) De 3e. Komst staat wel in verband met geweld.

14) De 3e. Komst is ná de toorn.

15) De 3e. Komst voor alle mensen.

16) De 3e. Komst is die van het ‘koninkrijk is nabij’ (Mt24:14).

17) De verwachting van Israël is het komen van het Koninkrijk.

Nawoord

Er zijn er die niet geloven in een tweeërlei komst van de Heer Jezus, namelijk eerst voor de Gemeente (de Opname) en daarna voor Israël. De (zichtbare) komst van de Heer voor Israël is al in het OT uitvoerig aangekondigd (o.a.: Zach.14), de (onzichtbare) komst voor de Gemeente was een verborgenheid. De Gemeente werd wel door de Heer Jezus aangekondigd (Mt16 en 18), maar het was een verborgenheid die pas later door de apostel Paulus is bekend gemaakt (o.a. Ef.1:9-11; 3:9), evenzo was de Opname van de Gemeente een verborgenheid. (Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-52; 1 Thes.4:13-18).

Als er oorspronkelijk maar één komst zou zijn  (die in het OT geopenbaard is), wat is dan het bijzondere aan de verborgenheid die Paulus ons moest openbaren?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

De Grote Verdrukking

 

 

 

 

 

 

De tijd tussen de opname van de Gemeente (Op.17:14, 19:11,4) is de ‘ure der verzoeking’ die over het hele aardrijk komt (Op.3:10). Deze periode omvat de laatste de laatste halve jaarweek, d.i. 1260 dagen 5Op.11:3; 12:6), 42 maanden (Op.11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’, d.i. drieëneenhalfjaar (Op.12:14).

De vraag of de Gemeente door de Grote Verdrukking zal gaan, is niet eerder te beantwoorden voordat we hebben vastgesteld wat die ‘Grote Verdrukking’ eigenlijk inhoudt. Deze periode valt in en samen met de laatste, zeventigste, week van Daniels profetie van de zeventig jaarweken (Dan.9), en wordt vele malen in de profetieën beschreven, onder allerlei verschillende namen.

1.) ‘de tijd van grote benauwdheid’ (Dan.12:1); ‘een tijd van benauwdheid voor Jakob’ (Jer.30:7; Dan.12:1; Mt24:21). Deze uitdrukking staat in verbinding met het volk Israël tijdens de laatste halve jaarweek.

2.) ‘het uur van de verzoeking’ (Op.3:10); ‘het uur van zijn oordeel' (Op.14:7; 18:10; vgl. 16:7; 19:2). Staat in verband met het oordeel over de aarde en de volkeren.

3.)  ‘de grote verdrukking’ (Op.2:22; 7:14; Mat.24:21). Staat in verband met het oordeel over de valse kerk, het grote Babylon. (vgl. Op;2:22).

4.)  ‘de dag des Heren’ (o.a. Jes.2:12; 13:6-9; Ez.13:5; Joel 1:15; 2:1,11,31;

3:14; Amos 5:18-20, Ob.:15; Zef.1:7,14; 1 Thes.5:2; 2 Thes.2:2; 2 Petr.3:10). Is de gehele periode van oordelen die over de aarde komen.

5.)  ‘de dag van de verborgenheid/toorn des Heren’ (Zef.1:18; 2:2; vgl. 7Jes.61:2).

6.)  kortweg ‘de gramschap’ (Jes.10:25; 26:20v.; Dan.8:19; 11:36); ‘de toorn’ (1 Thes.1:10; 5:9; Op.6:16v.; 11:18); ‘de grimmigheid’ (al of niet in combinatie met ‘toorn’) (Op.14:8,10,19; 15:1,7; 16:1,19; 19:15). Deze uitdrukking ‘gramschap’ is vaak in de profetieën een aanduiding van Gods oordelen over het goddeloze volk Israël tijdens de laatste halve week. 

Het karakter van de zeventigste jaarweek is, dat het een periode van Gods toorn, grimmigheid en wraak is over de goddeloze volken in het algemeen en de onbekeerlijke massa van Israël in het bijzonder. Dit punt is van enorme betekenis, omdat het direct duidelijk maakt dat de gemeente in die periode niet op aarde thuishoort. De tussenperiode tussen de negenenzestigste en de zeventigste jaarweek is het tijdvak van de christelijke gemeente, dat Gods ‘programma’ voor Israël naar zijn wijs bestel heeft onderbroken. Pas als de gemeente van de aarde is weggenomen, zal dit ‘programma’ worden afgerond met de zeventigste jaarweek, waarin de ongelovige massa van Israël geoordeeld en het overblijfsel gelouterd wordt om vervolgens het vrederijk binnen te gaan.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

De twee beesten in Openbaring 13

 

 

 

 

 

Het beest uit de zee.

In Openbaring volgt een beschrijving van de twee beesten, de menselijke werktuigen die door satan in de eindtijd gebruikt worden.

De profetie ziet het eerste van de twee beesten opstijgen uit de zee (vs.1), een beeld van de woelige en opstandige volkeren (vgl. 17:15); d.w.z. het komt voort uit de chaotische toestanden die na de opname van de Gemeente in Europa zullen heersen. Uit die troebelen zal de Romeinse dictator naar voren komen. We weten dat het Romeinse rijk tijdens de zeventigste week van Daniël (zie Dn9:27) zal bestaan. De alleenheerser van dit rijk zal zijn satanische macht vooral in de tweede helft van die jaarweek uitoefenen.

Uit de beschrijving die van het beest gegeven wordt, kunnen we onmiskenbaar opmaken dat het hier om het herstelde Romeinse rijk gaat. Het heeft tien horens en zeven koppen, die we terugvinden in Op17:3,7-12. De zeven koppen zijn zeven bergen (17:9), namelijk die waarop Rome is gebouwd. De tien horens zijn tien koningen; dat is het Romeinse rijk in zijn laatste bestaansvorm, die begint met de vereniging van de tien koningen en daarop uitloopt dat zij al hun macht leggen in handen van het beest (17:12v.). Het beest stelt dus het Romeinse rijk zelf als zijn laatste hoofd voor. ‘En op zijn horens tien diademen’ – het symbool van koninklijk gezag – ‘en op zijn koppen namen van lastering’ (vs.1); het gaat dus om een politieke macht die zich tegen God verheft en zijn heerlijkheid smaadt.

 

Het beest uit de aarde.

Het tweede beest komt niet uit de zee, maar uit de aarde (vs.11); het heeft dus zijn oorsprong niet in de woelige zee, maar in een wereld van orde en stabiliteit. We zullen dan ook zien dat het hier gaat om de heerser van Israël, terwijl het bij het eerste beest om de heidense volkerenwereld ging. Dit tweede beest is dus een Jood, terwijl de leider van het Romeinse rijk een heiden is. Het beest uit de aarde is de valse koning van Israël, de valse Messias. Het eerste beest bezit meer macht en wordt dan ook, aangeduid als ‘het’ beest (vs.14-18). De politieke macht van het tweede beest is slechts beperkt; het is de leider van Palestina. Maar op godsdienstig vlak zal hij de valse profeet genoemd worden (16:13; 19:20; 20:10) en zal hij een aanzienlijke invloed uitoefenen over de hele aarde. Hij zal rechtstreeks in verbinding staan met et eerste beest. Hij is de Antichrist, dia las afvallige Jood de Messias loochent, maar die ook het fundament van het christendom loochent, nl. de Vader en de Zoon (1Jh2:22; 4:3; 2Jh:7). Hij zal tegelijkertijd geestelijk leider van het judaïsme én van de afvallige christenheid zijn, en zal een nieuwe godsdienst onder hen invoeren: de verafgoding van het eerste beest. Hij zal hen tot de aanbidding van dit beest aanzetten om een einde te maken aan alle aanbidding van God.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 Imminentie 

Inleiding

Wat verstaan we in de eschatologie (leer van de laatste dingen) onder imminentie? De meest gangbare verklaring van het woord is: boven het hoofd hangend, naderend, iets dat elk moment kan gebeuren zonder voorafgaande tekenen of waarschuwingen. In de eschatologie wordt het gebruikt door hen (de pretribulationisten) die geloven dat de wederkomst van Christus voor de Gemeente (de zgn. Opname) spoedig kan gebeuren en wel zonder voorafgaande tekenen.

De doctrine van de imminentie

Aan Israël zijn tekenen gegeven die aan de (tweede) komst van Christus zouden voorafgaan opdat ze in de verwachting van zijn komst zouden leven als deze dingen gaan gebeuren. Dag en uur blijven wel voor het volk Israël verborgen, maar door de tekenen die geschieden kunnen ze toch een redelijk vermoeden hebben van de tijd van de komst van de Messias.

Aan de Gemeente zijn geen tekenen gegeven. De Gemeente leefde en leeft in de verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus om hen te brengen in zijn heerlijkheid (Joh.14:2-3; 17:24; Hand.1:11; 1Kor.15:51-52; Fil.3:20; Kol.3:4; 1Thes.1:10; 1Tim.6:14; Jak.5:8; 2Petr.3:3-4). Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:6, Titus 2:13 en Openbaring 3:3 roepen de gelovigen op om uit te zien naar de komst van de Heer Jezus en niet uit te zien naar bepaalde tekenen. Het is natuurlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die voorafgaan aan de laatste jaarweek, zoals beschreven in Daniël 9, en die in vervulling gaan zoals beschreven in het boek Openbaring vanaf hoofdstuk 4-19, hun schaduw vooruitwerpen, maar nergens worden de gelovigen opgeroepen om op deze gebeurtenissen te letten, wel om hun aandacht te vestigen op de altijd aanwezige mogelijkheid van de onmiddellijke komst van de Heer Jezus.

Het onderwijs betreffende de imminente komst van de Heer Jezus is geen uitvinding van de laatste jaren, zoals wel gesuggereerd is, maar maakte deel uit van het geloof van de eerste gelovigen en kerkvaders. Thiessen, H.C. schrijft in zijn boek ‘Will the Church Pass Through the Tribulation’ hierover het volgende:

‘Pretribulationisten geloven ook in de komst van Christus vóór het duizendjarig vrederijk. De Heer had hen geleerd Hem elk moment te verwachten, en in hun dagen naar zijn komst uit te zien. Niet alleen dat, maar de komst zou ook onmiddellijk kunnen gebeuren zonder aankondiging door middel van tekenen. Alleen de Alexandrijnse kerk ging hiermee niet akkoord, maar die verwierp ook wel andere fundamentele leerstukken. Daarom mogen we stellen dat de vroege kerk voortdurend leefde in de verwachting van de komst van hun Heer.’

Hoewel de eschatologie in het vroege Christendom nog niet op alle punten duidelijk was, was de onmiddellijke wederkomst van Christus voor de gelovigen geen punt van discussie. De vroege kerkvaders, maar ook de hervormers Luther, Calvijn, John Knox en Latimer waren die mening toegedaan.

Luther: ‘Laten we niet denken dat de komst van de Heer veraf is. Laten we de hoofden opheffen en laten we onze Verlosser met verlangen verwachten’.

Calvijn: ‘De schrift is eenduidig in het verlangen naar de komst van de Heer’.

Knox: ‘De Heer zal terugkeren en dat met spoed’.

Latimer: ‘Misschien kan Hij komen in mijn dagen, zo oud als ik ook ben, of in de dagen van mijn kinderen’.

Cyprian, die leefde rond het jaar 200, zegt: ‘We zouden onszelf tegenspreken en ongeloofwaardig zijn wanneer we zouden bidden: dat Uw koninkrijk spoedig mag komen, en tegelijk verlangen naar een lang leven hier op aarde!’

Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen. Er is altijd een verwachting geweest op een spoedige komst van de Heer in hun dagen.

Tegenwerpingen

Tegenstanders van het geloof in een onmiddellijke en spoedige komst van de Heer voeren daarvoor de volgende argumenten aan. De aankondiging van de verwoesting van de tempel (Luk.21:20), de zendingsopdracht om het Evangelie te prediken in de gehele wereld (Matth.28:19-20), het sterven van de apostel Petrus zoals vermeld in Johannes 21:19, dat zou moeten voorafgaan aan de terugkeer van de Heer, de belofte die de Heer Jezus gaf aan Johannes dat hij zou blijven totdat Hij zou komen (Joh.21:22), de opdracht die aan de apostel Paulus gegeven was om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en de geschiedenis van de Kerk zoals die zich zou ontwikkelen volgens Openbaring 2 en 3, maakten volgens tegenstanders het geloof in een onmiddellijke en spoedige terugkeer van de Heer onmogelijk. Eerst moesten deze dingen gebeuren, anders kon de Heer Jezus niet terugkeren, zo stelden zij.

Antwoord

De hierboven vermelde argumenten falen hierin, dat de personen over wie het gaat zelf geloofden dat de normale gang van zaken zou kunnen worden onderbroken door de komst van de Heer.

Petrus: tot wie de Heer had gezegd dat hij door zijn dood Christus zou verheerlijken (Joh.21:18-19) en toch moedigt hij zijn lezers aan met de woorden: ‘Omgord daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus’ (1Petr.1:13).

Paulus: had de taak ontvangen om het evangelie aan alle volken te verkondigen (Hand.22:21, 26:16-18) en toch roept hij de gelovigen voortdurend op, met het oog op de komst van de Heer een heilig leven te leiden (Tit.2:11-13; 1Kor.15:51; Fil.3:20; 1Thes.1:9-10, 4:17-18).

Johannes:tot wie de Heer had gezegd dat‘hij zou blijven tot de komst van de Heer’ (Joh.21:22), getuigt toch in zijn eerste brief: ‘Kinderen, het is het laatste uur en zoals u gehoord hebt dat de antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het het laatste uur is’ (1Joh.2:18).

De apostelen: hadden de grote opdracht te horen gekregen om het evangelie wereldwijd uit te dragen (Matth.28:19) en toch lieten ze niet na de gelovigen te vertellen over de nabije komst van de Heer.

De vroege kerk riep de gelovigen toch op de Heer te verwachten (Openb.22:7, 12, 20). En in Eusebius’ kerkgeschiedenis vinden we veel vermeldingen van gelovigen die in zijn tijd leefden en getuigenis gaven van de spoedige komst van de Heer Jezus. Eusebius leefde van 260-340.

Nogmaals: Het getuigenis van de Bijbel en het getuigenis van de kerk doorheen alle eeuwen mag niet zomaar naast ons neer worden gelegd, maar dient serieus te worden genomen.

Zoals gezegd houden de tegenwerpingen er geen rekening mee dat God de vrijheid heeft en bij machte is om een aangekondigd ‘programma’ te wijzigen. Nemen we als voorbeeld de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden in Mattheüs 21:33-46, waar het oorspronkelijke plan van God was dat zijn Zoon koning zou worden, maar teniet gedaan werd doordat landlieden de erfgenaam verwierpen en doodden. De verwachting van de heer des huizes was dat ze zijn zoon zouden ontzien en hem zouden aanvaarden. ‘Maar toen de landlieden echter zijn zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hebben doden. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’. Op dat moment gaat het oorspronkelijke plan van God een andere richting op, want: ‘het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.’ Hier zien we dat een definitieve verandering plaats heeft gevonden. Een ander voorbeeld waarin een mogelijke verandering wordt aangekondigd is Handelingen 3:19-21, waar Petrus het volgende zegt: ‘Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van de verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher.’ We zien dus dat een verandering in het eerdere plan van God erin zou hebben geresulteerd dat, als het Israëlische volk massaal de Messias zou hebben aangenomen, het Vrederijk zou zijn aangebroken en er geen sprake zou zijn geweest van een Gemeente uit de volken. De hierboven vermelde tegenargumenten, zoals de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld, de verwoesting van de tempel en het aangekondigd sterven van de apostel Petrus, zouden dan ook niet doorgegaan zijn.

Samenvatting

Hoewel de argumenten die door de tegenstanders zijn aangevoerd, op het eerste gezicht overtuigend lijken, blijkt bij nader onderzoek dat ze de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan en daarom dienen te worden afgewezen.

Geraadpleegde werken:

Things to Come, Pentecost, J.D.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

De Openbaring van Jezus Christus, Ouweneel, W.J.

The Bible Exposition Commentary, Wiersbe, W.W.

Brennpunkte biblischer Prophetie, Walvoord, J.F.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Mattheüs 24

Een exegese.

 

 

 

Inleiding

Het is bedroevend te merken hoe weinig christenen de ‘rede over de laatste dingen’ van de Heer Jezus vermeld in Mattheüs 24 en 25 goed begrijpen. Vooral de dingen die onmiskenbaar op Israël slaan, worden dikwijls geldig geacht voor de Gemeente. De beschreven eindtijdervaringen voor Israël in de verdrukking, worden dan toegekend aan de Gemeente in háár eindtijd, vlak vóór de opname. Het is echter belangrijk dat wij een goed inzicht hebben in het wezen en de aard van de verschillen tussen enerzijds die van Israël en anderzijds die van de Gemeente. Als we dan het profetische Schriftwoord in wijsheid en nederigheid naspeuren, dan krijgen deze profetieën een geheel ander aanzien. De ‘laatste dagen’ voor de Gemeente zijn namelijk niet die van Israël, en anderzijds liggen de ‘laatste dagen’ van Israël in het tijdvak van de zevenjarige verdrukking en hebben op hun beurt helemaal niets met de Gemeente te maken!

De context

Om een juiste uitleg van hoofdstuk 24 te kunnen garanderen is het noodzakelijk ten opzichte van de andere Evangeliën na te gaan welke de plaats van het Evangelie naar Mattheüs inneemt in het Nieuwe Testament. Met andere woorden volgens de ‘regels van de kunst’ moeten we rekening houden in welke context (omstandigheden, ervaringshorizon, heersende opvattingen e.d.) het Evangelie van Mattheüs is geplaatst en dus ook de context van hoofdstuk 24.

Chafer schrijft: ‘The address is to Jerusalem’s children, which, in this instance is a representation of the nation Israel. … the entire discourse from Matthew 24:4 on, … immediately spoken to His disciples who are still classed as Jews and represented a people who will pass through the experiences described in this address, is directed toward the entire nation and especially to those who will endure the trials depicted therein. The phrase, ‘I would have gathered thy children together‘,… not only discloses that He speaks to Israel, but refers to the fulfillment of much prophecy respecting the final regathering of Israel into their own land. … ‘Your house’ is a reference to the house of Israel which became centered in the kingly line of David. … The term ‘desolate’ is one of several words used to describe Israel’s situation in the world throughout this age. … ‘Ye shall not see me’ is an assertion which anticipates His total absence, respecting His peculiar relation to Israel ‘till’ He returns, at which time ‘every eye shall see him’ (Rev.1:7), ‘and they shall see the Son of man coming in the clouds of heaven with power and great glory’ (Matt.24:30) (See: Things to Come page 275).

Wiersbe zegt hierover: ‘We must keep in mind that the “atmosphere” of this discourse is Jewish. Jesus talked about Judea (Matt.24:16), the Sabbath (Matt.24:20), and the prophecies of Daniël concerning the Jewish people (Matt.24:15). The full truth about the Rapture of the church (1 Cor.15:51ff. 1 Thes.4:13-18) had not yet been revealed, for it was a mystery (Eph.3:1-12). (The Bible Exposition Commentary NT)

Niet alleen de opname was een geheimenis dat pas later door Paulus geopenbaard is maar ook de Gemeente was nog niet ontstaan. Dit gebeurde in Handelingen 2 met de uitstorting van de heilige Geest waardoor alleen, gelovige jood en Griek, tot één lichaam werden gedoopt (1 Kor.12:13).

Door het vermelden van het geslachtregister van de Heer Jezus aan het begin van het Evangelie zien we dat Mattheüs het erom te doen geweest is om de Heer Jezus voor te stellen als de beloofde Messias, de Zoon van Abraham en Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk aankondigt.

De andere Evangeliën benadrukken een ander kenmerk van de Heer Jezus. Markus laat ons de Heer Jezus zien als de ‘dienstknecht’, Lukas als ‘de Zoon des mensen’ en Johannes tenslotte als ‘Zoon van God’.

Een overzicht van het Evangelie naar Mattheüs maakt dat duidelijk:

 1. De afkomst van de Messias van David (1:1)

 2. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

 3. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

 4. Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)

 5. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5), en de stad van de grote Koning (5:35)

 6. De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (hfdst.5-7.)

 7. Uitzending van de discipelen gepaard gaande met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)

 8. Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)

 9. Verwerping van de Koning. (11:2; 14:1) (In principe is dit al gebeurd door de arrestatie en moord op Johannes de Doper)

10. De verwerping van Koning Jezus definitief (12:22-32, 46; 13:2)

11. Koninkrijk is verborgen vorm word aangekondigd (Mt13)

12. Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (Mt16:18)

13. Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)

14. Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijde stelling van Israël (21:43)

15. Weeklacht over Jeruzalem (23:37)

16. Rede over de laatste dingen waarin het oordeel over Israël, Christenheid en de volkeren (Mt24-25)

17. Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

18. De opstanding, hemelvaart en de opdracht en uitzending van Jezus’ discipelen (Mt28)

We kunnen het evangelie naar Mattheüs dan ook als volgt indelen:

Hoofdstuk 1-10   - De aankondiging en openbaring van de Koning.

Hoofdstuk 11-13 - De tegenstand van de Koning.

Hoofdstuk 14-20 - De terugtrekking van de Koning.

Hoofdstuk 21-27 - De verwerping van de Koning.

Hoofdstuk 28      -  De opstanding van de Koning.

De sleutel tot begrip

Een eerste maar beperkte vervulling van de ‘profetie over de laatste dingen’ kwam tot stand in 70 n.Chr., toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden over de hele wereld werden verspreid (diaspora). In die tijd werd echter het gedeelte van Mt24:29-31 (Mk13:24-27; Lk21:25-27) niet vervuld, namelijk: de wederkomst van de Heer.

Wij die vlak voor de wederkomst leven moeten deze profetische schriftplaatsen nu bezien in de grotere dimensie die ze hebben, namelijk de uiteindelijke en algehele vervulling. Ze hebben nu een relevante betekenis voor enerzijds de Gemeente, die door haar Heer vóór de zevenjarige verdrukking in de lucht zal opgenomen worden naar het vaderhuis, en anderzijds de Joden die tijdensdeze verdrukking tot bekering zullen komen en daarna hun Messias op aarde zullen zien verschijnen. Nu is het beslist zo dat de periode van de Gemeente niets van doen heeft met het Joodse tijdperk, en omgekeerd. In de verdrukkingstijd neemt God de draad met Israël terug op en dan is het gemeente- of genadetijdperk afgesloten. Israël en Gemeente staan op totaal verschillende verbondsgronden. Christenen verwachten hun Heer altijd: de Heer komt voor de belijdende kerk op een uur dat niemand kent. Christenen moeten beslist geen tekenen afwachten en zij zullen de komende Antichrist en de verdrukking geenszins meemaken. Joden echter krijgen tekenen waarnaar zij in de verdrukkingstijd zullen uitkijken als bakens van waarschuwing, attentie en bemoediging.

Joden, Christenen en Volken

In deze bespreking volgen wij ‘de rede over de laatste dingen’ in de versie volgens Mattheüs. Mattheüs 24-25 laat zich opsplitsen in drie thematische delen die toepasselijk zijn voor Joden, Christenen en de Volken:

  1. Joden: in Mt24:1-35 zijn alle kenmerken Joods en van toepassing op de Joden.

  2. Christenen: in Mt24:36 tot Mt25:30 gaat het over waakzaamheid voor ‘de dag des Heren’ en de voorafgaande komst van de Heer tot zijn bruid, de Gemeente.

  3. Volken: in Mt25:31-46 gaat het over het oordeel over de Volken, aan het begin van het vrederijk.

De vraag over de laatste dingen

Als we naar Mattheüs 24 kijken, dan zien we in de eerste drie verzen de behandelde onderwerpen van de profetie, overeenkomstig de vragen van Jezus’ discipelen, en dat zijn:

  1. Het tijdstip waarop de tempel zal afgebroken worden.

  2. Het teken van Christus’ komst (Gr. parousia, tegenwoordigheid, aankomst)

  3. Het teken van de voleinding van de “eeuw” (Gr. aionos, tijdperk).

Nu zijn de tempel en de vraag naar tekenen eigen aan de Joden (1Kor1:22; Mat12:38; Joh4:48). We hebben hier te doen met een vraag van de Joden en voorde Joden. Dit heeft niets met de Gemeente te maken, maar alles met Israël. De Gemeente kan er wel wat uit leren, zoals uit de gehele Schrift trouwens (Rm15:4), maar dat is wat anders dan de profetie rechtstreeks op haar toepassen!

In 70 n.Chr. werd de profetie betreffende de tempel vervuld. Deel II en III van de profetie echter werden toen niet vervuld. Dit komt omdat het gemeentetijdperk nog tussen de Israëltijdperken in geschoven moest worden, als een ent op de edele olijfboom, waarvan tijdelijk takken waren afgebroken. Maar dat was op het moment van de profetie nog een ‘verborgenheid’ (Rm11:16-25; Ef3:3-6; Kol1:24-27).

Het begin van de weeën: de eerste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek. Dit gedeelte is niet voor de Gemeente bedoeld want zij moet geen tekenen afwachten maar hun Heer altijd verwachten. Ook de uitdrukking ‘wie zal volharden tot het einde zal behouden worden’ (Mt24:13) kan niet op de Gemeente slaan, want voor hen is behoud geen zaak van eigen volharding. Nergens in het Nieuwe Testament wordt tot christen-gelovigen gezegd dat zij voor hun behoud moeten volharden. Gód is hun volharding (Rm15:5; 1Kor1:11)! De kerk, gezien als christelijk getuigenis op aarde (met daarin ware en naamchristenen), wordt gevraagd te waken. De Gemeente wordt ook niet misleid door het optreden van valse christussen. De Gemeente verwacht geen op aarde verschijnende Christus, maar een opname, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes4:17), naar het Vaderhuis (Jh14:3). Het gaat hier over Israëlieten die zullen leven ná de opname van de Gemeente. Zij zullen dan pas tot bekering komen en gaan uitkijken naar de (weder)komst van hun Messias. Zij krijgen waarschuwingen te horen opdat zij - in de verdrukkingstijd die dan is losgebarsten - zouden ‘volharden tot het einde’. Zij krijgen o.a. te horen dat dit nog maar een ‘begin van de weeën is’ die over de aarde komen. Deze periode is de eerste halve jaarweek, naar analogie met de tweede helft van deze profetische ‘week’ in Dn9:27. Daarna moet de verschrikkelijke ‘grote verdrukking’ komen. Wat hier wordt beschreven komt overeen met Openbaring 6: de verbreking van de eerste zes zegels. In die tijd wordt niet meer het evangelie van de genade gepredikt, maar ‘het evangelie van het koninkrijk’ (Mt24:14), en door de Joden (zie de ‘twee getuigen’ in Op11).

De grote verdrukking: de laatste 3,5 jaren van de zeventigste jaarweek

Bemerk goed de Joodse kenmerken: ‘heilige plaats’ (de herbouwde tempel!), ‘Jeruzalem’, ‘zij die in Judea zijn’ en ‘sabbat’. Deze passage heeft geheel niets met de Gemeente van doen, maar alles met de Joden, die in hun land zijn teruggekeerd. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt: de Gemeente wordt niet misleid door valse christussen. Zij ziet niet uit naar een op aarde verschijnende Christus, maar zij verwacht een plotselinge, hemelse opname die zij altijd moet verwachten, onafgezien gebeurtenissen of tijden.

Hier begint de ‘grote verdrukking’. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de ‘week’ in Dn9:27. Deze is 1260 dagen (Op11:3; 12:6), 42 maanden (Op11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Dn7:25; 12:7; Op12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op12:7-9).

In Dn12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een ‘gruwel’ zal worden opgericht (Dn9:27 en 12:11; Mt24:15; Mk13:14). Dit is het zichtbare begin van de ‘grote verdrukking’ (Mt24:21; Mk13:19; Op7:14). Dit is de ‘tijd van benauwdheid voor Jakob’ (Jr30:7; zie ook Dn12:1).

De wederkomst van Christus op aarde: terstond ná de grote verdrukking

De Heer verschijnt nu zichtbaar voor iedereen die op aarde leeft. Dit is niet bedoeld voor de Gemeente, want hun opname is reeds achter de rug. Bij de opname verschijnt de Heer voor de Gemeente alléén, zijn bruid, wanneer ze wordt opgenomen, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Th4:17). Hier in Mt24:30 komt de Heer fysisch terug op aarde, op dezelfde wijze als dat hij van zijn discipelen was vertrokken, bij de hemelvaart: ‘En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren’ (Hd1:10-11). ‘Degenen die Hem doorstoken hebben’ - zie in Op1:7 - slaat op de Joden, zoals uit Zc12:10-14 blijkt. Maar bij ‘al de geslachten der aarde’, zoals we hier lezen, kan men naast Israël ook denken aan alle volken van de aarde. Was het immers niet een Romeinse soldaat die Hem feitelijk doorstak? En heeft niet elke bewuste ongelovige Hem eigenlijk doorstoken?

De tijdslijn maakt nu een sprong en loopt verder in Mat25:31, waar het oordeel over de volkeren begint. Eerst echter zijn er nog een paar excursies die betekenis hebben voor Israël én de Gemeente.

De gelijkenis van de vijgenboom

‘Wanneer gij al deze dingen zult zien’ (vs. 33): zoals betoogd moet de Gemeente geen tekenen afwachten, maar in alle tijden en omstandigheden haar Heer verwachten (Tt2:13; 1Th1:10; Fil 3:20). De Schriftplaatsen over de Opname spreken nooit over voorafgaande tekenen: Mt24:36-44; Jh14:1-3; 1Kor15:51-55; 1Th1:9, 10. Deze gelijkenis heeft daarom weer niets van doen met de Gemeente.

De vijgenboom is Israël (vgl. Lk13:6-9). Uit de vijgenboom-gelijkenis mag Israël leren, dat wanneer zij ‘al deze dingen’ zullen zien gebeuren, de zomer nabij is, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs. 33). Het uitlopen van de vijgenboom is in de eerste plaats een beeld van ‘deze dingen’, namelijk de ontwikkelingen die precies gebeuren zoals de Heer ze in zijn rede heeft voorzegd.

Zoals gezegd is de vijgenboom een beeld van Israël. Als de takken van de vijgenboom zacht worden en de bladeren uitlopen, dan betekent dit dat Israël aan een geestelijk ontwaken is begonnen. Dat zal niet gebeuren vóór maar wel ná de opname van de Gemeente. Het gaat hierover niets anders dan ontwikkelingen vlak ná het Gemeentetijdperk, wanneer God de draad met Israël weer opneemt en zij ‘ontwaken’ zullen als een vijgenboom in de lente.

In Lk21:29-31 spreekt de Heer niet enkel over de vijgenboom maar ook over alle bomen: ook de naties van de eindtijd komen tot ontwaken. Wij zien in onze tijd dat Israël aan een nationale heropstanding bezig is, sinds 1948, maar dat is niet de eigenlijke vervulling van Jezus’ woorden. De woorden van de Heer betreffen het Israël van de eindtijd, ná het Gemeentetijdperk, in de zeventigste jaarweek. In Jezus’ rede van de laatste dingen is eerder een geestelijk ontwaken bedoeld. Wij kunnen in de huidige nationale ontwikkelingen wel een voorbode zien, namelijk dat ook de geestelijke heropstanding niet meer veraf kan zijn, maar de tempel is nog niet herbouwd, de eredienst is nog niet hersteld en de Joden zijn nog steeds ‘verhard’ (Rm11:25). Als echter (een deel van) Israël geestelijk zal ontwaken dàn is de zomer nabij, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs. 33).

Dit geslacht

‘Dit geslacht’ (vs. 34) is het Joodse volk, zowel de tijdgenoten van Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer (vs. 30).

‘Dit geslacht’ is niet een periode van één generatie, zoals sommige christenen denken (en ook sekten, zoals de Jehovah-getuigen). De Heer Jezus bedoelt hiermee de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, doorheen de eeuwen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat ‘Al deze dingen zullen geschied zijn’ (vs. 34). Dit is de hele periode van de verwerping van Israël en gelijk ook de tussenvoeging van de Gemeente (Rm11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren: ‘Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ (Rm11:32-33).

Vergelijk voor de betekenis van ‘dit geslacht’ ook Dt32:5, 20; Ps12:8. Zie ook de Appendix, om te zien dat er in de context van Jezus’ woorden geen periode wordt bedoeld maar een ‘verkeerd geslacht, een ongelovig volk.

Geen berekeningen maken

Een belangrijk argument hierbij is hetgeen staat in M24:36: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.’ Deze Schriftplaats mogen we niet uithollen door te gaan beweren dat één geslacht gelijk staat aan één generatie, of nog erger: één geslacht = 40 jaar. Nu ishet wel zo dat de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. binnen zo’n tijdvak is te plaatsen, achteraf bekeken, maar dat betekent niet dat wij zo mogen berekenen. Trouwens, in 70 n.Chr. werd de profetie niet vervuld want ‘die dag’, of ‘de dag des Heren’, en ‘de wederkomst des Heren’ is toen niet gebeurd.

Trouwens, wáár zouden wij de berekening van ‘één geslacht’ in de eindtijd moeten starten? 1948, 1967, 1973, 1980 ...? En ten aanzien van wie? De Joden? Maar die worden pas geestelijk hersteld in de verdrukking en dan pas geldt de gelijkenis van de vijgenboom. De Gemeente? Die hoort niet naar tekenen te zien maar moet de Heer altijd verwachten. Er als we dan al ergens een startdatum (eigenmachtig) zouden gevonden hebben, dan laat het woord van de Heer in Mt24:36 zeker niet toe van 30 of 40 jaar af te tellen tot alles zou zijn geschied. Neen, berekeningen maken is voor ons uit den boze! Slechts in de verdrukkingstijd zullen de Joden twee keer 3,5 jaar of 1260 dagen kunnen aftellen, daarnaast geholpen door zichtbare tekenen. Tekenen en berekenen is voor de Joden, en de Joods bedelingen, maar de Gemeente heeft daar helemaal niets mee te maken.

De Zoon des mensen komt op een onbekend tijdstip

Dit gedeelte kan onmogelijk op Israël van toepassing zijn. Hier is geen sprake meer van uitkijken naar tekenen, maar van een onbekend tijdstip waarop de Heer komt. Dit is de komst voor de Gemeente. Daarachter ligt er nog een bekend tijdstip waarop de Heer komt, voor Israël en de overblijvende volken, aan het eind van de grote verdrukking. Daartussen liggen de zeven jaren van de 70e. jaarweek of de ‘Dag des Heren’.

Van die onbekende dag waarop de Heer zijn Gemeente ophaalt en aanstonds de ‘Dag des Heren’ begint, staat er: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen’ (Mt24:36). Dit is niet Jezus’ zichtbare komst op het einde van de grote verdrukking, want dat is een bekende dag. Men kan na de opname zeven jaren op de kalender uitzetten. En als men dat toch nog te riskant vindt: als de ‘gruwel der verwoesting’ (Mt24:15) in de tempel komt te staan, dan kan men beslist 3,5 jaar (Dn7:25; 12:7; Op12:14), of 1260 dagen (Op11:3; 12:6), of 42 maanden (Op11:2; 13:5) op de kalender uitzetten om precies te weten wanneer de Heer komt.

Het onbekende tijdstip van Jezus’ komst (Mt24:36), is niet alleen onbekend voor ongelovigen maar ook voor gelovigen, ja zelfs voor de Zoon des mensen. Dit moeten we goed onderscheiden van Jezus’ komen ‘als een dief’ (1Th5:2; 2Pet 3:10; Op3:3; 16:15), namelijk voor degenen die niet waakzaam zouden zijn of in ongeloof vertoeven. Voor dezen komt de Heer altijd als een dief, maar gelovigen zijn altijd waakzaam: zij houden er altijd rekening mee dat de Heer vandaag nog kan komen, en zij leven er helemaal naar toe, ook al weten zij ‘dag nog uur’.

De wereld zal erg verrast worden door de plotselinge opname van de Gemeente. In die tijd zullen zij hun gewone gangetje gaan en eten, drinken, huwen … alsof er niets aan de hand is. Er is in de passage geen sprake van een grote verdrukking maar eerder van een relatieve vrede! Niemand had ermee gerekend dat er zo’n ingrijpende gebeurtenis zou plaatsvinden. Als gevolg daarvan worden zij nu verrast door de plotselinge wegname (opname) van vele mensen, waarbij zelfs familieleden. Daarop komt de hele wereld in beroering en de verdrukkingstijd begint.

De tekst van Mat.24:37-41 luidt volgens een aantal bijbelvertaling 'de één zal aangenomen worden en de ander zal verlaten worden'. NBG en HSV hebben: 'aangenomen' en 'achtergelaten' De TELOS-vertaling (Voorhoeve) heeft hier terecht ‘meegenomen’ en ‘achtergelaten’. Omdat het hier om een eindoordeel en het begin van het vrederijk gaat, betekent ‘meenemen’ hier: wegrukken door het oordeel; en ‘achterlaten: op aarde laten, opdat de betreffende gelovigen het vrederijk kunnen binnengaan.

Ouweneel schrijft in zijn ‘Jeruzalem, de stad van de grote Koning’ op pag.157 over dit gedeelte: ‘Zo zien we dus dat bij de wederkomst van de Heer het overblijfsel zal worden verlost, maar het goddeloze volk zal worden verdelgd. Deze tegenstelling winden we ook in de woorden van de Heer in Mt24:37-41. Daar wordt het volk vergeleken met mensen in de tijd van Noach. Ook toen was de grote massa ongelovig; zij vierden feest zonder zich iets van God aan te trekken. Alleen Noach wandelde met God. Toen kwam het oordeel dat de goddelozen verdelgde, maar de rechtvaardigen werden behouden in de ark, dat is Christus (1Pt3:20v.). Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Het volk zal uiteenvallen in twee groepen: zij die worden weggenomen door het oordeel (de vertaling ‘aangenomen’ is hier onjuist) en zij die zullen achterblijven om het koninkrijk te beërven. Overal worden de goddelozen door het oordeel weggejaagd, het ware volk van God dat het land zal bezitten in zijn volle uitgestrektheid van Gn15:18 (zie Ps37:9-11,20,28v.,34).’

Pentecost zijn visie sluit daarbij aan want we lezen in Things to Come pag.162 het volgende:

‘Again, this passage is in that discourse in which the Lord outlines His program for Israël, who is already in the tribulation period. The one is taken is taken to judgment and the one left is left for the millennial blessing. Such is not the prospect for the church.’

De dag des Heren begint dus wanneer Hij Zijn gemeente onverwachts opneemt (1Kor15:51-52), vóór alle oordelen die over de wereld komen. De opname op zich is reeds een oordeel, voor de naamchristenen en ongelovigen die achtergelaten worden. De Heer redt zijn Gemeente echter van de komende toorn (1Th1:10; 5:9), de grote verzoeking (Op3:10,11). In Op 4 en 5 zien we de opgenomen Gemeente vertegenwoordigd in de 24 oudsten. Wanneer in Op 6 de verdrukkingstijd losbarst is er geen sprake meer van de Gemeente. In Op 1 tot 3 komt de naam ‘Gemeente’ 19 maal voor; daarna niet meer, dan is alles terug kenmerkend Joods: het Gemeentetijdperk is voorbij.

Deze komende ‘toorn’ is niet de hel. Van de hel waren de Thessalonikers reeds gered; daartoe hadden zij zich bekeerd (Jh5:24; Rm8:1). De ‘toorn’ is hetgeen beschreven staat in Js61:2; Rm2:5; 1:18, 24-28; 5:9; Op6:17;11:18; 15:1. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (zie Op 5) vanaf Op 6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn. Het verschijnen van de Antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dn9:27; 2Th2:9-12; Op6:1, 2). Deze toorn duurt de volle zeven jaar, de zeventigste jaarweek. Dit alles is de “Dag des Heren” (2Th2) en dat wordt de Gemeente bespaard.

De opname van de Gemeente (2Th2), de tempel van de Heilige Geest, geeft aanleiding tot het uitbreken van de verdrukkingstijd die overeenkomt met de laatste jaarweek in Daniël 9. God neemt dan de draad weer op met Israël (Rm11). Israël zal geestelijk opstaan en alle gebeurtenissen voltrekken zich zoals de Heer die heeft voorzegd. Uit die vervullingen kan Israël opmaken dat de Messias en Zijn vrederijk nabij is, voor de deur. Met het boek Daniël of Openbaring kunnen zij dan zelfs precies berekenen wanneer hun Heer komt.

Drie gelijkenissen over de periode van de Christenheid

In de volgende gelijkenissen staat enerzijds deafwezigheid van de Heer en anderzijds Zijn komst voor de Gemeente centraal. Ze handelen over verantwoordelijkheid, waakzaamheid, beloning en oordeel. Dit is de ingeschoven periode van de Gemeente, en de belijdende Christenheid in het algemeen. We lezen niets over de verdrukkingstijd, Judea, Jeruzalem of tempel. Het gaat hier niet over een dienst die met Israël en de heilige plaats in verbinding staat, maar over de dienst in het geestelijke huis van God (1Petrus2) waarvan alle christenen deelnemen. We zien in de beloning van de trouwe slaaf dat dit niet op Israël kan slaan, want Israël wordt niet gesteld over al Jezus’ bezittingen, maar christenen zijn mede-erfgenamen. De verklaring van de gelijkenissen laat ik voorlopig achterwege want dit valt buiten de huidige scope.

Het oordeel over de volken

Dit gedeelte vindt rechtstreeks aansluiting bij Mt24:31 alwaar sprake is van het bijeen vergaderen van de uitverkoren, de getrouwe Joden. Hier echter worden de volken verzameld en gescheiden als schapen en bokken. De troon die we hier zien is deze van bij het begin van het duizendjarig vrederijk. Alle nog levende volken worden ervoor verzameld. Zij worden beoordeeld over de manier waarop zij de predikers van het Koninkrijk hebben behandeld (Mt24:14). Dit mogen we niet verwarren met de ‘grote witte troon’ uit Op20:11, die helemaal aan het eind van het duizendjarig vrederijk komt, en dan zullen ook de doden geoordeeld worden.

Appendix: Uitverkorenen

In Mattheüs 24:22 vinden we de uitdrukking ‘de uitverkorenen’ in het Grieks ‘eklek’tos’ wat je zou kunnen vertalen als ‘uitverkoren door God’. Sommigen uitleggers passen dit toe op christen-gelovigen om zo hun uitleg dat het in Mattheüs 24 over christenen gaat te onderbouwen. Het woordje ‘uitverkorenen’ c.q. uitverkoren’ wordt in Gods Woord op vele plaatsen gebruikt bijvoorbeeld voor de Messias (Jes.42:1) en het volk Israël (Jes.43:20). Om op grond van dit woordje te beweren dat het in Mattheüs 24 om christenen gaat is ongegrond.

Appendix: De uitdrukking geslacht

Volledige opzoeking in het Nieuwe Testament van de Statenvertaling 1977. Uit de opzoeking volgt dat de uitdrukking ‘dit geslacht’, in Mt24:34, Mk13:30 en Lk21:32, enkel refereert naar het Joodse volk als zodanig, niet een periode van één generatie. Zelfs Hb3:10 heeft het niet over één generatie, maar over de weerspannige Joden.

Zie hierna de context van de uitdrukking ‘dit geslacht:

1. De uitdrukking ‘dit ... geslacht’

Mt11:16 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 12:41,42,45 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:21 (demonen); 23:36 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Mt24:34 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Mk8:12 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 9:29 (demonen); Mk13:30 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Lk7:31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 11:29 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 30 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 32 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 50-51 (ongelovige Joodse volk); 17:25 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); Lk21:32 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Hd2:40 (ongelovige Joden in de tijd van Pinksteren)

Hb3:10 (ongelovige Joden in de woestijn)

Maar ook de uitdrukking ‘geslacht’, zonder aanwijzend voornaamwoord (die/dat) wordt gebruikt. Merk dan op dat enkel Mt1:17 van ‘generaties’ spreekt, als voortplantingsreeks binnen een familie, met name binnen het geslachtsregister van Jezus Christus. Dit staat echter geheel buiten elke betekenis van ‘geslacht’ in de rest van het Nieuwe Testament, en kan dan ook niet gelieerd worden aan de betekenis van ‘dit geslacht’.

Zie hierna de betekenis van de uitdrukking ‘geslacht’:

2. De uitdrukking ‘geslacht...’

Mt1:1 (familie); Mt1:17 (voortplantingsreeks binnen een familie); 12:39 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:4 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:17 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 19:28 (stammen van Israël); 24:30 (volken)

Mk8:38 (zondige mensheid); 9:19 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Lk1:48,50 (alle mensen van alle tijden); 1:61 (familie); 2:4 (familie); 9:41 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 16:8 (groep van de gelovigen); 22:30 (stammen van Israël)

Hd3:25 (mensen van alle tijden); 4:6 (familie); 7:13,14,19 (familie); 8:33 (afkomst); 13:26 (familie); 17:26,28,29 (genus); 26:7 (stammen van Israël)

Gl1:14 (mensen van eenzelfde leeftijdsgroep)

Ef3:15 (familie); 3:21 (alle mensen van alle tijden)

Fp2:15 (zondige mensheid); 3:5 (volk Israël)

Ko1:26 (mensen van alle tijden)

1Tm1:4 (afkomst)

Tt3:9 (afkomst)

Hb7:3,6 (afkomst)

1Pt2:9 (groep, volk)

Op1:7 (alle mensen in de tijd van de wederkomst); 5:9 (mensen van alle tijden); 7:4-8 (volk Israël); 7:9 (mensen van alle volken); 11:9 (mensen van alle volken); 13:7 (mensen van alle volken); 14:6 (mensen van alle volken); 21:12 (stammen van Israël); 22:16 (familie)

Conclusie

De Schriftuurlijke conclusie kan niet anders zijn dan dat de uitdrukking ‘dit geslacht’ (Mt24:34, Mk13:30 en Lk21:32), enkel te maken heeft met het Joodse volk als zodanig en niet een bepaald tijdperk van één generatie. Pas ná het Gemeentetijdperk, en niet ervóór, zal God de draad met Israël terug opnemen: in de verdrukking. Dan pas wordt Israël geestelijk hersteld en komen zij tot bekering. Vóór deze verdrukking moeten wij niet ‘één generatie’ van Israël afmeten. Pas in de verdrukking zullen de tekenen der tijden duidelijk worden.

Vóór de verdrukking is er slechts één belangrijke gebeurtenis, en gelijk ook een teken voor Israël en de wereld: de opname van de Gemeente. Dit zal als een totale verassing komen en aanleiding geven tot de verdrukking.

Wel is het waar dat het ‘wereldtoneel’ voor de aanstaande gebeurtenissen in onze tijden wordt opgezet, zowel met betrekking tot de volken, de (moslim)vijanden van Israël, de oprichting van de staat Israël, de terugkeer van Joden, het gedeeltelijke bezit van Jeruzalem, enz. Maar dit is niet het ‘begin van de weeën’ (‘beginsel der smarten’ - Statenvertaling) van Mt24:8, waarbij de tekenen der tijden duidelijk worden voor de Joden, en die hen ook tot bekering zullen leiden.

Vóór de verdrukking is er beslist geen tijdperk van ‘één generatie’ van Joden waarop ook maar iets van de rede der laatste dingen van de Heer van toepassing is. De Gemeente heeft die tekenen niet nodig, en Israël zou ze in haar onbekeerde toestand niet kunnen zien. Er zijn wel twee perioden met tekenen over de laatste dingen: 1e. de periode 33-70 n. Chr, en 2e. de ‘zeventigste jaarweek’ (de verdrukking).

Zoals reeds betoogd moeten wij vóór de Opname geen tekenen der tijden verwachten, noch voor de Gemeente, noch voor Israël. De Schrift wijst eerder op het tegendeel: het leven gaat zijn gewone gangetje totdat plots de Gemeente wordt opgenomen (Mt24:38). Daarna zal het Joodse volk de tekenen zien die haar toebehoren, en tot bekering komen.

Nagekomen opmerking

1e. Als we er van uit gaan dat het in Mattheüs wel over christenen zou gaan dan moeten we ons afvragen hoe het zal gaan op het moment het de Heer Jezus komt. Is er dan een opname? Gaat jood en christenen het Vrederijk binnen? Wat blijft over van de bijzondere roeping en positie van de gelovigen van de Gemeente?

2e. Op grond van welke tekst uit Mattheüs 24 baseren zich hen die leren dat het hier om christenen gaat?

3e. Is het voldoende om op grond van één woordje (de uitverkorenen’ vs.22) de visie te baseren dat daarmee christenen bedoeld worden?

4e. Als geen ‘opname’ is en maar één (weder)komst van Christus dan is een verdere openbaring van het geheimenis van de komst van Christus door Paulus totaal overbodig want Jezus’ zichtbare komst op de Olijfberg is voldoende omschreven in het Oude Testament.

Enkele aangehaalde werken:

The Bible Exposition Commentary NT

Things to Come, Pentacost, J.D..

De openbaring van Jezus Christus, deel 1 en 2, Ouweneel, W.J.

De toekomst van God, Ouweneel, W.J.

Verder nog de website van Marc verhoeven

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Signalen van de eindtijd

 

 

 

Inleiding

Dat de wereld na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend veranderd is zal wel niemand ontkennen, daarvoor zijn er voorbeelden in overvloed te noemen. Maar er zullen maar weinig mensen zijn die beseffen dat wij leven in de voorlaatste fase van de geschiedenis die God met deze wereld schrijft. Ook onder christenen is het besef dat we leven in de eindtijd jammer genoeg vaak niet of nauwelijks (meer) aanwezig. Veel gebeurtenissen die in relatie staan met voorzeggingen in de Bijbel betreffende de eindtijd hebben intussen plaatsgevonden of zijn bezig zich verder te ontwikkelen. In de zeventiger jaren was er over de eindtijd en de komst van de Heer Jezus - mede onder invloed van de boeken van Hal Lindsey – veel aandacht voor maar de belangstelling in de ‘dingen die spoedig gebeuren moeten’ is daarna echter geleidelijk aan weggeëbd. (Maar misschien was Lindsey iets te populair en zag hij in toenmalige actuele gebeurtenissen teveel een vervulling van de profetie.) Vandaar dat het misschien goed is om die belangstelling weer eens aan te wakkeren want de signalen zijn te duidelijk om ze te negeren ook nu de Amerikaanse president Trump op 6 december 2017 Jeruzalem als hoofdstad van Israël heeft erkend! Ik plaats deze signalen in chronologische volgorde. Natuurlijk is het niet mogelijk overal uitvoerig over uit te wijden.

Babylon, de grote hoer

Veel Bijbeluitleggers zijn van mening dat de beschrijving van de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3 de profetische geschiedenis is van de christelijke kerk. Het begint met de gemeente te Efeze die haar eerste liefde heeft verlaten (2:4) en eindigt met de gemeente te Laodicea waar de Heer Jezus buiten de deur staat (3:20). De opname van de Gemeente wordt maakt een einde aan die geschiedenis van de kerk op aarde en wordt vanaf hoofdstuk 4 gezien in de hemel. Maar daarmee eindigt het christendom niet want Laodicea zal overgaan in het grote Babylon van de eindtijd. In Openbaring 17 zien we dat daar nog een geestelijke macht is die heerschappij voert over de koningen van de aarde.

Is het mogelijk dat de Wereldraad van Kerken (Engels: World Council Of Churches) opgericht in 1948 een voorloper is van dit grote Babylon? Het hoofddoel van de oecumenische beweging is immers om kerken van alle denominaties en sekten en ten uiteindelijk alle religieuze organisaties samen te brengen in één Oecumenische Kerk Wereldkerk. Het streven naar deze (valse) eenheid is gebaseerd op Johannes 17:21 en de oprichting in 1948 van de Wereldraad van Kerken kunnen we uniek in de geschiedenis van de Christenheid noemen en staat mijns inziens in verband met de eindtijd en de wederkomst van Christus. Nooit eerder is er na de Reformatie zo’n streven naar eenheid en organisatie geweest. Wie zich daarin meer wil gaan verdiepen kan daarvoor terecht op diverse websites.

Ontstaan van Europa

Na de Tweede Wereldoorlog beperkte zich het streven naar eenheid niet alleen tot de Christenheid. We zouden eerder kunnen stellen dat het streven van de Wereldraad van Kerken gebeurde naar het voorbeeld van de Verenigde Naties. Deze organisatie, opgericht in 1945, streefde naar het samenbrengen van alle volken op deze aarde. Daarnaast was er in Europa ook een streven naar eenheid ontstaan na de Tweede Wereldoorlog. Veel eerder waren daartoe al pogingen ondernomen o.a. door Karel de Grote, Napoleon en Hitler maar allen faalden. Hun pogingen van na de Tweede Wereldoorlog verschilden niet in hun doelstelling, namelijk alle landen van Europa verenigen, maar wel in hun manier. De eerste gebruikten militaire macht, de tweede gingen met overleg tewerk. Het Verdrag van Rome werd getekend in 1953 in de zaal van het Capitolijnse musea in Rome en was een verdrag waardoor de Europese Economische Gemeenschap gevestigd werd. Maar wat heeft dat met de eindtijd te maken vraagt u zich misschien af? Daartoe moeten we teruggrijpen op het boek Daniël en in het bijzonder zijn beschrijving van het zgn. statenbeeld in hoofdstuk 2. Kort samengevat zien daar dat, nadat Israël terzijde is gesteld, er vier wereldmachten opkomen waaraan God gezag verleend. Dit zijn respectievelijk: het Babylonische, het Medische-Perzische, het Griekse en het Romeinse rijk. Dat laatste rijk zal dan tenietgedaan worden door de komst van Christus die Zijn Rijk zal stichten. Dat betekend dan ook dat er voor de komst van Christus weer een ‘Romeins rijk’ aanwezig moet zijn. Vele uitleggers zien dan ook in de huidige Europese Unie van dat Romeins rijk de herleving. Treffend is de profetie van Daniël: ‘Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem’ (Daniël 2:43). Is dat niet wat wij vandaag zien een wankele eenheid? De ‘brexit’, het verlaten van het Verenigd Koninkrijk van de Europese Unie is daarvan al een bewijs. Maar er circuleren geruchten dat ook andere landen de EU willen verlaten in de toekomst.

Ontstaan van de staat Israël

Iemand schijnt eens gezegd te hebben: ‘Dat er zonder de holocaust geen staat Israël zou zijn geweest’. Ik denk dat er zonder de holocaust ook wel een staat Israël zou zijn geweest omdat Gods Woord ons dat voorzegt. ‘Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël’ (Ez.37:12). Misschien is de stichting van de staat Israël door de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog versneld, dat zou kunnen. Hoe dan ook in 1948 was het zover en riep David Ben-Goerion op 14 mei in Tel-Aviv de staat Israël uit.

In het jaar 70 n.Chr. werd Jeruzalem door de Romeinse bevelhebber Titus verwoest en werden de joden in ballingschap gevoerd. Maar er is een heilig ‘totdat’ waarvan het Oude en het Nieuwe Testament getuigen namelijk dat er voor Israël herstel is. ‘Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan. En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob’ (Rom.11:25-26). In de 19e eeuw ontstond er onderseculiere joden van Oost-Europa een ideologie, zionisme genaamd, die streefde naar het stichten van een nationale Joodse staat. Het zionisme was een antwoord op enerzijds de voortdurende antisemitische vervolgingen waaraan Joden in Europa blootstonden. Theodor Herzl publiceerde in 1896 het boek Der Judenstaat (= De Jodenstaat), waarin hij de aanzet gaf tot het georganiseerd zionisme. Sinds de oprichting van de zionistische beweging verhuisde een steeds groter deel van de Joodse wereldbevolking naar Israël. In 2000 woonde ongeveer 40% van alle Joden in Israël. Het huidige volk Israël verkeert nog in een staat van ongeloof maar daarin zal verandering komen en wie weet hoe snel? ‘Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen. En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen’ (Ez.37:5, 8).

Het jaar 1967

De Zesdaagse Oorlog was een oorlog die tussen 5 en 10 juni 1967 werd uitgevochten tussen Israël en zijn Arabische buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië. De term ‘Zesdaagse Oorlog’ is kort na de gebeurtenissen verzonnen door Moshe Dayan in een bewuste toespeling op de zes dagen der schepping in het Bijbelboek Genesis. Door het innemen van de Gazastrook, het schiereiland Sinaï, de Westelijke Jordaanoever (inclusief oostelijk Jeruzalem) en de Hoogten van Golan, verviervoudigde het door Israël gecontroleerde gebied tot 88.000 vierkante kilometer. Na felle gevechten werd heel Jeruzalem door het Israëlische leger veroverd en Allon en Begin stelden voor om de Oude Stad, het historische centrum, van Jeruzalem in te nemen. De bevelhebber van het Centrale Commando Uzi Narkiss, Moshe Dayan en Yitzak Rabin gingen op 7 juni 1967 om 13:00 uur de Oude Stad binnen via de Leeuwenpoort. Ze zullen toen wel niet beseft hebben dat ze daarmee, volgens veel Bijbeluitleggers, de profetie van de Heer Jezus vervulden zoals vermeld in Lukas 21:24. ‘Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn’. Vanaf die tijd is Jeruzalem een steen die alle natiën moeten heffen (Zach.12:3). Er moet nog heel veel gebeuren voordat ‘alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt en van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren’ in de stad van de Grote Koning (Zach.14:16; Math.5:35).

De Messias-belijdende gelovigen

Na de gebeurtenissen van de Zesdaagse Oorlog kregen veel Joodse mensen de overtuiging dat ze leefden in bijzondere tijden. Bij mijn laatste bezoek aan Israël in 2017 vertelde men mij in het informatiecentrum in Tiberias (Galilee Experience) dat er 35 Messias-belijdende gemeenten in Israël waren en ruim 10-15.000 gelovigen. Meerdere keren heb ik op het Tempelplein in Jeruzalem gelovigen ontmoet die probeerden andere Joden met het evangelie te bereiken door traktaten te verdelen; wat daar natuurlijk niet toegestaan is! Deze beweging is echter niet meer te stoppen en ook wereldwijd neemt het aantal Messiasbelijdende Joden toe. God is bezig zich een ‘rest’ te vormen waaruit Hij het nieuwe volk Israël zal gaan vormen. Dat er weer Joden in het land Israël zal zijn blijkt overduidelijk uit de verzen 15-22 van de eindtijdrede in Mattheüs 24. En wat te denken van honderdvierenveertigduizend de verzegelden uit alle stammen van de Israëlieten (Openb.7:4;141, 3). Op de bekering van Israël is het nog wachten maar Gods Woord is daar duidelijk over. De ‘tijden van verkwikking’ (Hand.3:19-21) komen niet eerder dan dat Zij over Hem, Die zij doorstoken hebben rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene (Zach.12:10).

De komende tempel

Ik ben vaak in Israël geweest maar in 2014 had ik voor het eerst het voorrecht een bezoek te mogen brengen aan het Visitors Center van het Temple Institute te Jeruzalem. In dit centrum kun je kennisnemen van de voortgang van de voorbereidingen van de bouw van een tempel. Verschillende attributen worden daar getoond: vaten, kleding van de Hogepriester en ook een klein model van een stenen altaar gemaakt in overeenstemming met de Tora, transporteerbaar en helemaal klaar voor gebruik.  Dit centrum biedt gasten de mogelijkheid om een video te bekijken waarin de geschiedenis van de Heilige Tempel wordt vertoond. De taak van het Temple Institute zoals zij dan zien en zeggen is: ‘om in de profetische tijd waarin wij leven (!) en als leden van het menselijk ras te proberen de herbouw van de Heilige Tempel te voltooien om daarmee de woorden van de profeet Jesaja in vervulling te doen gaan: ‘Want mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken’ (Jes.56:7).

Uit de brief aan de Thessalonicenzen blijkt dat er vlak voor de komst van de Heer Jezus weer een tempel zal zijn want ‘de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet’ (2Thes.2:4). Ook in het boek Openbaring wordt gesproken over een tempel: ‘En mij werd een meetlat gegeven, die op een staf leek. En de engel was erbij komen staan en zei: Sta op en meet de tempel van God, het altaar en hen die daarin aanbidden. Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang’ (Openb.11:1-2). De ‘derde tempel’ zoals het door orthodoxe Joden genoemd wordt zal niet de tempel zijn die in het boek Ezechiël beschreven wordt (Ez.40-42) maar de tempel waarin de Antichrist zich zal vertonen.

Tenslotte

De eerste komst van de Heer Jezus – geboren als kind in Betlehem – kon aan de hand van de profetie van Daniël vrij nauwkeurig bepaald worden want: ‘Vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden’ (Dan.9:25-27). 445 (v.Chr) – 483 (69x7) = 38 (n.Chr). Houden we nog rekening met een verschil van 3-4 jaar dan komen we ongeveer op 33 n.Chr. Let wel het gaat hier niet om het tijdstip van zijn geboorte maar van het sterven van de Messias! Het NT vermeld dat er in die tijd joden waren die de Messias verwachten (Luk.2:25, 38; 23:51; Joh.4:25).

Een profetie voor wat betreft het tijdstip voor de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente is ons niet gegeven, eerder het tegenovergestelde. ‘En Hij zei tegen hen: Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft’ (Hand.1:7). En: ‘Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader’ (Mark.13:32). Ondanks deze woorden van de Heer Jezus zijn er in het verleden maar ook nu nog, veel pogingen gedaan om dat tijdstip te berekenen maar ze faalden allen. Op de vraag van de discipelen: ‘Wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?’ geeft de Heer Jezus in algemene zin wel een antwoord op de dingen die zullen gebeuren maar vermeld er gelijk bij dat, ook al gebeuren deze dingen, dat dat het einde nog niet is. (Matth.24:3-7). Voor de Gemeente (de Opname) kan de Heer Jezus elk moment komen, aan het volk Israël zijn er tekenen gegeven die verder in hoofdstuk 24 van het Mattheüs evangelie vermeld zijn.

De zes gebeurtenissen die ik hierboven vermeld heb, heb ik dan ook bewust geen tekenen genoemd maar signalen, die aangeven dat we in de eindtijd leven vlak voor de komst van de Heer Jezus. Wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart’ (2Petr.1:19).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Leven wij in de eindtijd?’

 

 

 

 

‘En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is’ (1 Kor.10:10).

Inleiding

De hierboven vermelde tekst uit de eerste brief aan de Korinthiërs is duidelijk: wij leven in het einde der tijden! Er zijn jammer genoeg in de christelijke wereld veel gelovigen die in hun denken lijken op de boze slaaf in de gelijkenis van de goede en boze slaaf en niet geloven dat wij in de eindtijd leven, de tijd die voorafgaat aan de komst van Christus, en in hun hart zeggen: ‘Mijn heer blijft uit!’ (Mat.24:49). Wat wordt er tegenwoordig op dat terrein nog onderwezen op bijbelscholen, theologische opleidingen en kerken? Ik vrees het ergste, want in gesprekken met de voorstanders van de idee dat we niet leven in de eindtijd bemerk ik zelfs een zekere afkeer aan de gedachte van een nabije wederkomst van Christus. Onvoorstelbaar! Zelfs in Petrus’ tijd waren er al mensen die de komst van de Christus in twijfel trokken. ‘Dit vooral moet u weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is’ (2 Petr.3:3-4). De kennis van Gods Woord in onze tijd is vaak ver zoek en zoals Jezus in zijn dagen tegen de  Sadduceeën zei: ‘Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods’ (Mat.22:29) kunnen wij dat vandaag de dag tegen veel ‘theologen’ zeggen. De Bijbel is echter vol van verwachting naar de komst van Christus. Zelfs  de schepping ziet met reikhalzend verlangen uit en verlangt naar het openbaar worden der zonen Gods en zucht en is in barensnood. (Rom.8:19,22). Ik begrijp echt wel dat bijvoorbeeld de ‘vervangingstheologie’ een gezond verstaan van de Schrift veel christenen in de weg staat en dat mens de wederkomst van Christus naar een verre toekomst schuift. Dit komt vooral voor in de RK-kerk en veel protestantse kerken. (De vervangingstheologie of het substitutionalisme is de leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen). Maar daarmee is de vraag naar Jezus’ wederkomst niet opgelost, hoogstens naar de achtergrond gedrongen! Een ander probleem is het postmoderne denken, waarin ieder zijn eigen gelijk heeft en er geen absolute waarheid meer is. Indirect staat daarmee staat ook het gezag van Gods Woord ter discussie want veel christenen hebben dat postmoderne denken overgenomen: ‘Ieder zijn eigen waarheid!’

Het getuigenis van de Schrift

Het Nieuwe Testament geeft op meerdere plaatsen getuigenis van de (spoedige) komst van de Heer Jezus. Die verwachting hield niet op nadat de Heer ten hemel was gevaren. Paulus schrijft al in de brief aan de Romeinen: ‘Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij’ (Rom.13:11). En in de brieven aan de Thessalonicenzen schrijft hij er uitvoerig over. Hij verwachtte Jezus’ komst nog tijdens zijn leven wanneer hij schrijft: ‘Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here weze’ (1 Thes.4:15-18). En dat ook Jakobus de Heer verwachtte in zijn de tijd blijkt wel uit het volgende: ‘Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij. Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur’ (Jak.5:7-9). Zo zijn er nog veel meer gedeelten uit het Nieuwe Testament te noemen. De apostel Paulus sprak in zijn brieven de verwachting uit dat Jezus spoedig en tijdens zijn leven zou wederkeren (Rom.16:20, 1 Kor.1:7-8, 10:11, 15:51; Fil 1:10,

4:5; 1 Thes.3:13, 4:15, 4:17, 5:23; 1 Tim.6:14; Hebr.1:1-2, 10:37). Jacobus, Petrus en Johannes waren het met hem eens (Jak.4:5, 5:8; 1 Petr.1:5, 7, 20, 4:7; 1 Joh.2:18, 4:3, 2:28, 3:2). Dat de Heer nog niet gekomen is en het ‘zie Ik kom spoedig’ nog niet vervuld is geworden heeft te maken met de houding van de christenen en de grote omwenteling die plaatsvond met de komst van Constantijn de Grote in het begin van de vierde eeuw. De verwachting van een spoedige komst van Christus kreeg een bestemming in een verre toekomst. Echter in het begin van de negentiende eeuw is er weer licht gekomen op het profetische woord en is de komst van de Heer Jezus op de voorgrond gekomen. Momenteel zie je echter ook dat het wachten op Hem velen moe heeft gemaakt en zijn weer in slaap zijn gevallen (zie de gelijkenis van de tien maagden in de rubriek ‘Gelijkenissen’).

Het getuigenis van de eerste christenen

De christenen die leefden in de tijd dat de apostelen nog onder hen waren geloofden in een nabije wederkomst Jezus. Maar ook daarna vinden we deze verwachting! Het latere premillennialisme is een viesie die gelooft dat Jezus fysiek aanwezig zal zijn bij zijn wederkomst, voordat het duizendjarig vrederijk aanbreekt. (Ik ben geen voorstander van deze visie omdat het niet onderscheid tussen de komst van Christus voor de Gemeente en Israël, maar breng het onder de aandacht om te laten zien dat er toen al een verwachting was van Jezus’ spoedige komst.) Het premillennialisme is grotendeels gebaseerd op een letterlijke uitleg van Openbaring 20:1-6. Deze profetie beschrijft Jezus wederkomst na een periode van geloofsvervolging. Satan is voor duizend jaar geketend in de diepte. Na afloop van de duizend jaar zal Satan nog voor korte tijd worden losgelaten. Deze periode zou voorafgaan aan het uiteindelijke laatste oordeel en de opstanding der gelovigen. De eerste kerkvaders geloofden ook in een letterlijke uitleg van Openbaring 20:1-6. Justinus de Martelaar (100/114-165) en Ireneüs (140-202) kwamen bekend te staan als de felste uitdragers van dit idee. Tertullianus schrijft: ‘Wat voor een schouwspel is die snelle naderende terugkomst van onze Heer! Hij zal dan hoog verheven worden. Hij zal dan degene zijn die triomfeert! Wat een opgetogenheid zal er dan heersen onder de engelen! Wat een glorierijke opstanding van de heiligen! Wat een koninkrijk van de rechtvaardige zal er hierna zijn! Hoe groot zal de stad van het nieuwe Jeruzalem zijn! Ja, en er zullen andere zaken zijn: de dag van het oordeel’ Met de komst van Constantijn (312) en de daarmee gepaard gaande vervangingstheologie (de kerk heeft de plaats van Israël ingenomen) en later de geschriften van Augustinus verdween die verwachting totaal.

De tekenen der tijden

1. Israël

De Heer Jezus verweet de Farizeeën en de Sadduceeën dat ze het aanzien van de lucht wel wisten te onderscheiden, maar de tekenen der tijden niet (Mat.16:3). Het enige profetische boek van het Nieuwe Testament de Openbaring van Johannes is ons gegeven ‘om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden’ (Openb.1:1). Samen met het Oude Testament en gedeelten uit de brieven en boeken van het Nieuwe Testament wordt het ons gegund een blik in de toekomst te kunnen werpen. Eén van die tekenen der tijden is de gedeeltelijke terugkeer van joden naar hun land van herkomst Israël dat in 1948 is ontstaan. Maar niet alleen Israël ook de landen rondom Israël zijn de vorige eeuw weer ontwaakt en onafhankelijke staten geworden na jarenlange overheersing door het Ottomaanse rijk. Met het oog op die toekomstige gebeurtenissen ‘sprak Hij (Jezus) een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is. Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Luk.21:29-33). Om Israël kan geen christen heen en wie zijn bijbel een klein beetje kent weet dat deze terugkeer en ontstaan niet zonder (profetische) betekenis is! Het ontstaan van de staat Israël in 1948 heeft veel christenen aan het denken gezet en de eschatologie – de bijbelse theologische leer aangaande de laatste dingen - heeft daardoor weer een plaats gekregen in de dogmatiek. De verovering van oud-Jeruzalem in 1967 gaf het nog een extra impuls.

2. Messias belijdende joden

Het ontstaan van de Messias belijdende gelovigen viel samen met de hierboven vermelde  gebeurtenissen. Voor de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er nauwelijks Messias belijdende joden in Israël vandaag wordt hun aantal boven de tienduizend geschat. Tijdens een bezoek aan een Messias belijdende gemeenschap in Tiberias in 2009 verstrekte men mij deze aantallen en inmiddels zal dat wel zijn opgelopen. Dit is nooit eerder voorgekomen in Israëls geschiedenis sinds haar ontstaan in 1948. De verovering van Jeruzalem in 1697 heeft daar zeker toe bijgedragen. Ook elders in de wereld zijn er vele Messias belijdende gemeenten ontstaan. De bijbel leert dat er in de eindtijd een rest (overblijfsel) in het land aanwezig zal zijn om de Messias te verwelkomen bij zijn komst en wellicht mogen we in de Messias belijdende gelovigen daarvan een voorbode zien. In het boek Handelingen zien we het omgekeerde, van wat nu gebeurd namelijk dat de eerste gemeenten bestonden uit joodse christenen waaraan later gelovigen uit de volkeren werden toegevoegd. Ik denk dan ook dat we met de komst van de Messias belijdende joden in een overgangsfase zitten. Na de opname van de Gemeente zal Israël weer als getuigenis van God dienen in deze wereld. Daarvoor is het nodig dat het volk Israël voorbereid wordt op de komst van de Messias; bekerring en berouw zal nodig. Wat we nu zien is een volk dat weer woont in het land van hun vaderen maar nog in ongeloof. ‘Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen.’ (Ez.37:7-8).

3. Ontstaan hersteld Romeinse rijk

In het boek Daniël vinden we de bekende beschrijving van de vier wereldrijken die in Gods bestuur met deze wereld de plaats van Israël hebben ingenomen ‘totdat de tijden der volkeren zouden zijn vervuld’ (Luk.21:24). Ná het vierde (Romeinse) rijk zou het rijk van Messias komen. Uit de geschiedenis weten we dat met de verwerping van de Messias dit rijk er (nog) niet gekomen is hoewel met de komst van Constantijn in 312 gemeend heeft dat met het christendom het rijk van de Christus gekomen was. Tertullianus (ca. 160 – ca. 230) schrijft: ‘Er bestaat voor ons nog een andere, nog grotere noodzaak, om te bidden voor de keizers en tevens voor de voorspoed van het rijk en de macht van Rome; wij weten namelijk, dat de grote catastrofe, welke de gehele wereld te wachten staat en het einde der tijden zelf, dat ons bedreigt met afschuwelijke rampen, vertraagd wordt door het uitstel dat aan het Romeinse Rijk verleend wordt. Dit einde nu wensen wij niet te beleven en terwijl wij bidden dat het uitgesteld wordt, werken wij mee aan de lange duur van het Romeinse Rijk’.  Voor de komst van het Messiaanse rijk dient er weer een Romeins te zijn. Na de tweede wereldoorlog hebben we dit ‘rijk’ dan ook gestalte zien krijgen in wat nu de Europese Unie genoemd wordt. De profetie van Daniël daaromtrent is dan ook veelzeggend: ‘En dat gij de voeten en de tenen gezien hebt deels van pottenbakkersleem en deels van ijzer, betekent, dat dit een verdeeld koninkrijk wezen zal: wel zal het iets van de hardheid van het ijzer aan zich hebben, juist zoals gij gezien hebt ijzer gemengd met kleiachtig leem, en de tenen der voeten deels van ijzer en deels van leem; ten dele zal dat koninkrijk hard zijn, en ten dele zal het broos zijn. Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem’ (Dan.2:41-44). De huidige Europese Unie is werkelijk ontstaan door een vrijwillig samengaan – door huwelijksgemeenschap zegt Daniël - van vele landen maar ze vormen geen hechte eenheid, of met de woorden van Daniël: ‘geen samenhangend geheel’. In het verleden zijn meerdere pogingen ondernomen om door geweld tot een verenigd Europa te komen. In 800 door Karel de Grote, in de negentiende eeuw door Napoleon en in de twintigste eeuw door Hitler maar geen van de drie is er in geslaagd. Vandaar dat de huidige Europese Unie een teken is dat we leven in de tijd die voorafgaat aan de komst van de Messias. ‘Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar’ (Dan.2:44-45).

4. Verval van het (Europese) christendom

Op mijn website – in de rubrieken eschatologie en christendom -  kunt u enkele artikelen vinden die dit onderwerp uitvoerig behandelen en ik verwijs u daar graag naar.

Ten slotte

Ik geloof dat we er zeker van kunnen zijn dat wij leven de laatste dagen, de tijd die voorafgaat aan de kost van de Heer Jezus voor de Gemeente en vervolgens voor Israël en de volken. ‘Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon’ (Hebr.1:1-2). Die verwachting betekent niet dat we maar rustig moeten afwachten, maar dat we actief bezig dienen te zijn met de verkondiging van het evangelie van de genade Gods. We dienen te zijn als waakzame slaven die hun lendenen omgord hebben en hun lampen brandende (Luk.12:35). Ook mogen we niet vervallen in speculaties over dag en uur.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het Midtribulationisme

 

 

 

In de tijd dat ik in veel gemeenten in Vlaanderen mocht dienen met het Woord kreeg ik vaak de vraag hoe ik dacht wat de Bijbel leerde over de zgn. 'Opname'. Persoonlijk ben ik de overtuiging toegedaan dat de Gemeente zal worden opgenomen vóór de Grote Verdrukking. Om niet telkens te moeten herhalen wat ik denk over de visie die leert dat de Gemeente in het midden van de Grote Verdrukking wordt opgenomen volgen hierna mijn bezwaren. Daarbij wens ik niet exclusief te zijn en mijn visie voor de enige te houden. Ik raad dan ook een ieder aan die daarin belangstelt om de Schrift daarover te onderzoeken.

Een aantal bezwaren tegen het zogenaamde ‘midtribulationisme’, een in het Nederlandse taalgebied weinig bekende opvatting die voor het eerst in 1955 bekend geraakte werd. Het is een visie die leert dat de opname van de Gemeente zou plaatsvinden in het midden van de laatste jaarweek van Daniël.

Helaas zijn er in deze visie onderling veel verschillen, daarom is het onmogelijk op alle visies in te gaan. De onderstaande tegenwerpingen zijn  dan ook opgesteld met het oog op de meest voorkomende ideeën binnen het midtribulationisme.

1. Het midtribulationisme onderscheidt niet dat de zeventigste jaarweek vermeld in Daniël 9 niet voor de gemeente bestemd is, maar voor Israël. In Daniël 9:24 staat: ‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad’. Dus de laatste, de zeventigste jaarweek, is ook voor Israël.

2. Het maakt onvoldoende onderscheid tussen Israël en de Gemeente in het algemeen en in het boek Openbaring in het bijzonder. Volgens de midtribulationisten zouden de 144.000 Israëlieten samen met de Gemeente (de grote schare) op aarde worden gezien. Geen enkele bijbeltekst maakt echter aantoonbaar dat de Gemeente in het boek Openbaring van hoofdstuk 4:1 tot 19:6 nog op aarde voorkomt.

3. De midtribulationisten zien de ‘schare uit de de Grote verdrukking’ als de Gemeente. De reden die ze hiervoor aangeven is, omdat deze schare gewassen is in bloed van het Lam. Met redeneerd dan dat ‘gewassen zijn door het bloed van het Lam’ alleen mogelijk is als de heilige Geest nog op aarde is. Dit is niet steekhoudend want zijn niet alle zonden van alle gelovigen van alle tijden ‘gewassen door het bloed van het Lam?’ Davids zonden werden toch ook weggewassen? (Psalm 51)

4. Het midtribulationisme kan niet uitgaan van de mogelijkheid van een onmiddellijke komst van de Heer Jezus voor zijn Gemeente aangezien de Gemeente eerst nog de gebeurtenissen van de eerste helft van de laatste jaarweek zou moeten meemaken.

5. Het midtribulationistme ziet niet in dat heel de periode van Openbaring 6–19 er een is van oordelen, niet alleen die van de laatste halve jaarweek (zie o.a. 6:16).

6. Het midtribulationisme ziet in de twee getuigen in Openbaring 11 eenbeeld van de Gemeente, hiervoor is geen enkel aantoonbaar verband. Dat doen ze omdat de ‘opname’ van de Gemeente ergens moeten plaatsten in het boek Openbaring want in Openbaring 19:6-10 vinden we de Gemeente al in de heerlijkheid. De vraag is dan ook hoe zijn ze daar gekomen?

7. Omdat de wederkomst, in de midtribulationistische visie, niet eerder kan plaatsvinden dan na de eerste helft van de laatste jaarweek, is het gebod om waakzaam te zijn overbodig (Mattheüs 25:13). We kunnen immers de komst van de Heer Jezus c.q. de Opname immers redelijk exact berekenen.

8. Nogmaals: De komst van Christus is exact te berekenen, namelijk drie en half jaar na de sluiting van het verbond (Daniël 9:27) en daarom wordt het woord ‘gij kent noch de dag noch het uur’ krachteloos.

9. Als het waar zou zijn dat de gelovigen van de Gemeente door het eerste gedeelte van de Grote Verdrukking heen moeten is een blijde verwachting nog moeilijk denkbaar, omdat de gehele laatste jaarweek er een is van oordelen die in kracht en zwaarte niet te vergelijken zijn met de verdrukkingen die we nu doormaken. (Mattheüs 24:21)

10. Mattheüs 24 beschrijft de gebeurtenissen in de eindtijd voor het volk Israël, niet voor de Gemeente. De verzen 40-41 gaan dan ook niet over de opname van de Gemeente. De term ‘uitverkorenen’ vermeld in Mattheüs 24:22 slaat terug op de voorgaande verzen, evenals ‘discipelen’ in Mattheüs 24:1 slaan op de volgende verzen van Mattheüs 24, en het is duidelijk dat het daar over de joden, het land Israël en de stad Jeruzalem gaat.

11. Het gevolg van de visie van het midtribulationisme is dat alle gelovigen tot nu toe tevergeefs verlangd hebben naar de komst van de Heer Jezus, want die komst kon en kan immers niet eerder komen dan nà de eerste helft van de laatste jaarweek. Dus in deze visie kon Jezus gisteren niet komen, en Hij kan het ook vandaag niet, noch morgen!

12. Het midtribulationisme erkent geen zgn. bedelingenleer; een theologisch systeem dat gelooft dat God zijn handelswijze verandert met de mensheid gedurende de verschillende tijdperken, wat de Bijbel wel doet. Zie bijvoorbeeld Galaten 4 dat spreekt van Wet en Genade tijdperk 

13. Het midtribulationisme gelooft niet in een tweeërlei komst van de Heer Jezus, namelijk eerst voor de Gemeente (de Opname) en daarna voor Israël. De (zichtbare) komst van de Heer voor Israël is al in het OT uitvoerig aangekondigd (o.a.: Zacharia 14), de (onzichtbare) komst voor de Gemeente was een verborgenheid, die pas door de apostel Paulus is bekend gemaakt (1 Korinthiërs 15:51-52; Efeze 1:9-11; 3:9). Als er maar één komst van Christus zou zijn dan slaat het openbaren van die verborgenheid van de apostel nergens op, want in het OT vinden we daarover immers alle gegevens. Het moet dus iets anders zijn dan in het OT bedoeld.

14. Het midtribulationisme deelt de laatste jaarweek op in twee delen, wat de Schrift niet doet. Wij menen dan ook op grond van 1 Thessalonicenzen 1:10 waar staat: ‘Jezus die ons redt van de komende toorn’ en 1 Thessalonicenzen 5:9 waar staat: ‘God heeft ons niet bestemd tot toorn’ en Openbaring 3:10 waar staat: ‘Zal Ik u ook bewaren voor het uur van de verzoeking’, dat de Gemeente opgenomen zal worden voor dat moment.

15. Het midtribulationisme geeft een verschillende inhoud aan de begrippen ‘Gods toorn’ en de ‘Grote Verdrukking’. Dit is niet aantoonbaar.

16. Het midtribulationisme past de gelijkenis van de dolik en de tarwe in het Mattheüs evangelie toe op de Gemeente, terwijl het echter spreekt van ‘de zonen van het koninkrijk’ (vs.38), en dezen omvatten ook de gelovigen van na de opname van de gemeente. (Mattheüs 13:24-30)

17 Het midtribulationisme ziet in de ‘weerhouder’ (2 Thessalonicenzen 2:1-9) de satan, de aartsengel Michaël, het Romeinse rijk, de menselijke wetten of de kerk als instituut. Om dit aan te kunnen tonen is er veel ‘inlegkunde’ nodig! O.i. is ‘hetgeen weerhoudt’ de heilige Geest c.q. de Gemeente waarin de heilige Geest woont.

18. Het argument dat er geen mensen meer tot geloof kunnen komen in de grote verdrukking, omdat de heilige Geest er niet meer is vanwege de opname van de Gemeente, is niet juist. De heilige Geest werkte ook vóórdat de Geest op aarde kwam wonen (Genesis 1:1; 2 Samuël 23:2; Psalm 51:13; Richteren 13:24; 14:6, 19) en zal dat ook daarna nog zijn.

20. Het midtribulationisme deelt het boek Openbaring niet in zoals dat door de Heer Jezus zelf aangegeven is (Openbaring 1:19). Er zijn natuurlijk andere indelingen mogelijk zoals een verdeling met gebruikmaking van het getal zeven (gemeenten, zegels, bazuinen en schalen), of volgens de voornaamste series visioenen, of een indeling volgens ‘terugkerende formuleringen’ zoals ‘in de Geest’ of ‘ik zag’, maar de veiligste is wel die indeling die door de Schrift direct ondersteund wordt: ‘Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal’ (Openbaring 1:19).

21. Hoewel het geen ‘echt’ bewijs is wordt het midtribulationisme ook niet gesteund door de typologie van de bijbel, zoals Henoch (een beeld van de Gemeente) die vóór de zondvloed werd opgenomen en Noach (een beeld van Israël) er doorheen moest en behouden er doorheen kwam.

22. Regelmatig wordt het verwijt gehoord dat gelovigen die geloven dat de Opname voor de Grote Verdrukking gebeurt, Gods handelen alleen beperken tot de Gemeente en dat God momenteel geen bemoeienis met Israël heeft. Natuurlijk heeft God bemoeienis met Israël, trouwens met alle volkeren, maar niet intrinsiek, dat wil zeggen Hij handelt nu in deze tijd door de Gemeente. Zien we niet juist Gods handelen daarin dat er sinds 1948 weer een staat Israël is?

23. De opmerking: ‘Wat hebben we dan aan de rest van Openbaring als we toch al vanaf hoofdstuk 4 verdwenen zijn?’ Niet alles wat in de bijbel staat gaat over ons (de Gemeente) maar is wel bestemd voor ons, dus ook vanaf Openbaring 4 (Romeinen 15:4; 1 Korinthiërs 10:6). Maar dit argument geldt ook voor de midtribulationisten, want je kunt ook zeggen: ‘wat hebben zij aan de rest van de Openbaring als ze toch in de tweede helft van de Grote Verdrukking niet meer op aarde zijn?’

24. Het midtribulationisme ziet niet in dat de ‘laatste bazuin’ in 1 Korinthiërs 15:52 niet dezelfde is als de laatste bazuin van Openbaring 11:15-18. De laatste bazuin in 1 Korinthiërs  is bestemd voor de Gemeente en spreekt over de opstanding en wordt bovendien de bazuin van God genoemd (1 Thes.4:16). De bazuin in Op. is de laatste bazuin voor de wereld; spreekt over oordeel en is de bazuin van een engel.

25. De gezegde: ‘dat het veiliger is te geloven dat Jezus’ komst in het midden van de Grote Verdrukking zal plaatsvinden, want dan ben je erop voorbereid, dan te geloven dat de opname voor de Grote Verdrukking zal zijn kunnen plaatsvinden want dan zou je verrast en teleurgesteld zijn.’ Dit zouden we kunnen plaatsen in de rubriek ‘verlegenheidsredeneringen’ en laat zien dat men er met bijbelse argumenten niet uitkomt. De houding van de midtribulationisten is dan ook vaak dat ze met angst de toekomst tegemoet zien en de komst van de Heer Jezus vaak ver voor zich uitplaatsen. Een blijde verwachting is vaak ver zoek.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Bijbelse Profetie

 

 

 

 

I. Inleiding

Onze huidige tijd is er een van revolutionaire veranderingen waar geen enkele andere tijd mee te vergelijken en geconfronteerd is. Het is dan ook niet vreemd dat veel mensen, christenen en ook niet-christenen, zich vragen beginnen te stellen over de toekomst.

In de christelijke traditie wordt Bijbelse profetie nadrukkelijk onderscheiden van waarzeg-gerij, wichelarij, uitleggen van voortekenen, tovenarij, bezweringen en ondervragen van (geesten van) doden (spiritisme).

Ongeveer een vierde van de Bijbel is profetie, redenen genoeg om ons daarmee bezig te houden, om te ontdekken dat God in controle is en bezig is zijn plan ten uitvoer te brengen.

‘En zo hebben wij het profetisch woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten’ (2Pt1:19)

1. Wat is profetie?

Het begrip profetie in Bijbelse zin heeft een bredere betekenis dan alleen een toekomstvoorspelling. Zo'n 'godsspraak door profetenmond' kan troostend, vermanend of oordelend van aard zijn, ook geuit worden in de vorm van een (lof)lied (zoals bij Mozes, Mirjam, Hanna, Maria en in de Psalmen) en soms ook betrekking hebben op een gebeurtenis in de nabije of verre toekomst. Profeet zijn is spreken namens God tot mensen, zowel voorzeggend als voortzeggend (1Pt4:11; Ez37:7; Am3:8).

Veel oudtestamentische profetieën riepen op tot herstel of handhaving van de Wet, en kondigden oordelen aan als het verbond met God verbroken werd. In Bijbelse tijden werden door middel van profetie mensen geroepen tot het koningschap (zoals Saul, David, Jehu) of tot gemeentelijke taken (zie bijvoorbeeld Hd13:2). Bijbelse profeten profeteerden volgens eigen zeggen niet uit zichzelf (vgl. Am3:7; Jr23:18). Apostel Petrus schreef hierover: ‘Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’ (2Pt1:21). De profeet Jeremia beschreef in zijn zielenstrijd dat de kracht van de Gods Geest voor een goedwillende profeet nagenoeg onweerstaanbaar was (Jr20:7-9).

Ook het tweede deel van de Bijbel, het Nieuwe Testament, is vol profetie. Zacharias en Elizabeth, Maria, Simeon en Anna (Luk.1) profeteerden. Johannes de Doper en Jezus traden op als profeet. Zij deden dit op de grens van het oude en het nieuwe verbond (Lk22:20).
Verder komen we mannen en vrouwen tegen die profeteren, bijvoorbeeld de profeten Agabus (Hd11:27-10, 21:10-11), Judas en Silas (Hd15:32), de vier dochters van Filippus (Hd21:9) en anderen (Hd11:27, 13:1). De christelijke gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en (nieuwtestamentische) profeten (1Ko12:28, Ef4:11), waarvan Jezus zelf de hoeksteen is (Ef2:20). In de Openbaring aan Johannes - een profetisch boek - lezen we over Gods dienstknechten, zijn profeten (Op10:8; 11:18; 18:20; 22:6,9).

2. Wat is het doel van profetie?

Profetie is ons niet gegeven voor speculatie, maar voor motivatie.

Het doel van de profetie is niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar om ons praktisch geloofsleven een extra stimulans te geven tot een heilig leven. Met het oog op de wederkomst van de Heer Jezus schrijft de apostel Johannes: ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ en ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’ (1Jh3:3; Op22:11). Maar dat niet alleen. God heeft geweldige plannen met zijn schepping en wil ons daarover inlichten opdat ook wij ons daarin zouden verheugen. ‘Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten’ (Am3:7).

In de Bijbel zien we hoe het plan van God, om zijn Christus in de wereld te brengen, zich geleidelijk ontwikkeld. Dat plan heeft zijn begin in het boek Genesis en vindt zijn uiteinde-lijke vervulling in het boek Openbaring. Dat maakt de Bijbel tot een heel bijzonder ‘boek’ en is niet te vergelijken met welk ander boek ook. Omdat God ‘zijn plan’ op Schrift heeft laten stellen, is die God ook verifieerbaar, we kunnen Hem niet alleen volgen maar ook ontdekken dat zijn beloften waar zijn. Veel profetieën hebben hun vervulling al gekregen bij de eerste komst van de Heer Jezus, we denken maar aan zijn komen, lijden en sterven, veel profetieën zullen nog vervuld worden bij zijn wederkomst. Laten we maar eens als voorbeeld Handelingen 2 nemen waar we een gedeeltelijke of voorvervulling zien van de profetie van Joël wanneer hij spreekt over de uitstorting van Gods Geest in de laatste dagen (Hd2:17-21). Lukas – de schrijver van het boek Handelingen – zegt niet dat de profetie vervuld is tijdens de Pinksterdag in Jeruzalem gebeurde, maar dat er eenzelfde manifestatie van Gods Geest zal zijn voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. Het doel van profetie is de openbaring van de Heer Jezus. In de Bijbel – Gods Woord - gaat het allemaal om Christus, ‘want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie’ (Op19:10). Het plan van God vind zijn hoogtepunt in de verhoging van Christus. ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader! (Fp2:9-11).

3. Waarom zouden we de profetie bestuderen?

De Heer Jezus zegt in Johannes 15:15 ‘U heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.’ Gelukkig heeft God zijn plan niet voor ons verborgen gehouden en het te kennen zal tot grote zegen voor ons kunnen zijn. Paulus zegt: ‘God heeft ons het geheimenis van zijn wil doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten’ (Ef1:9-10). In de profetie getuigt Christus aangaande Christus. Dat is precies de inhoud van 1Pt1:10v.: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna.’

De leer omtrent ‘de laatste dingen’ de zgn. eschatologie is het wat in onze tijd de meeste aandacht trekt, maar we moeten niet vergeten dat dit slechts een onderdeel uit maakt van de profetie. Er zijn een aantal redenen waarom in onze tijd er een vernieuwde aandacht voor de toekomstige dingen is, en dat niet slechts bij christenen. Was in de jaren zestig het verslag van de Club van Rome dat furore maakte en veel mensen aan het nadenken zette waar we met de planeet aarde naar toe gingen. De boeken van Hall Lindsey hebben dan ook veel mensen bepaald bij wat de Bijbel daarover te zeggen had. De laatste jaren zijn veel mensen opgeschrikt door de dvd ‘An inconvenient thruth’ en het onlangs verschenen boek ‘Onze Toekomst’ van Al Gore. Al Gore is voormalig vicepresident van de Verenigde Staten en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. In zijn laatste boek ‘Onze toekomst’ schetst hij de donkere wolken die zich aan de horizon samenpakken. Hij beschrijft ‘zes krachten die onze wereld veranderen.’ Ik geef ze hier kort weer. Het ontstaan van een mondiale economie met talloze kruisverbanden. Het ontstaan van een wereldwijd communicatienetwerk zoals het internet. Het ontstaan van volledig nieuwe machtsverhoudingen op politiek, economisch en militair gebied, denk maar aan de rol van China de laatste decennia. Het ontstaan van een snelle groei van de wereldbevolking en daarmee gepaard gaande verbruik van grondstoffen, water tekorten, enz. Het ontstaan van revolutionaire nieuwe technologieën op het gebied van biologie, biochemie, genetica en andere materialen waardoor grenzen overschreden kunnen worden die we ons nooit hebben kunnen voorstellen. Het ontstaan van een radicale nieuwe relatie tussen de samengebalde kracht van menselijke beschaving en de ecologische systemen van de aarde zoals het klimaat en de atmosfeer. Christenen kunnen we naast deze zaken verder denken aan het ontstaan in 1948 van het volk Israël. Maar ook het ontstaan van de Europese Unie waarin velen de wedergeboorte van het antieke Romeinse Rijk in menen te herkennen. Voor hen die geïnteresseerd zijn in de rol en betekenis van Europa in de wereld is het interessant kennis te nemen van het boek van Niall Ferguson ‘Beschaving: Het Westen en de Rest’. De vraag die Ferguson zich stelt is, hoe het mogelijk is dat Europa na haar ondergang in 476 in de vijftiende eeuw een wedergeboorte (renaissance) heeft gekend en zo’n dominerende invloed heeft gehad in en over de ‘Rest van de wereld’. En, ten tweede, vraagt Ferguson zich af: zou het Westen nog eens ten onder kunnen gaan en weer opstaan? Boeiende vragen ook voor christenen. Volgens Time behoort hij tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld.

4. Hoe dienen we de profetie bestuderen?

Van de volkeren wordt gezegd dat zij ‘de gedachten des Heren niet kennen en zijn raad niet verstaan’ (Mi4:12). Welk mens kan ons zeggen wat de toekomst zal brengen? De mens die niet eens weet, hoe morgen zijn leven zal zijn? (Jk4:14) Voor betrouwbare informatie betreffende het plan van God en de toekomstige dingen zijn wij geheel en al aangewezen op Gods openbaring daarvan in de Bijbel – Gods Woord – en door de verlichting van zijn Geest. ‘Vraagt Mij naar de toekomstige dingen’ zegt de Here God (Js45:11). God is immers die God die ‘van de beginne de afloop verkondigt en vanouds wat nog niet geschied is’ (Js46:10). Al Gods plannen waren nog niet geopenbaard in het Oude Testament, dat blijkt wel uit de woorden van de Heer Jezus die heeft gezegd: ‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ (Mt13:34). Wanneer de Heer Jezus de komst van de heilige Geest aankondigt word daarvan gezegd dat: ‘Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd’ (Jh14:26). Maar niet alleen dat, ook zou de Geest ons in de hele waarheid leiden en de toekomstige dingen zou Hij ons verkondigen (Jh16:13, 14). Met andere woorden we krijgen door de Geest inzicht in de evangeliën, de leer van het Bijbelse geloof en leven vermeld in de diverse brieven, en ook in de leer omtrent de laatste dingen, de eschatologie, hoofdzakelijk vermeld in enkele brieven en het boek Openbaring.

De apostel Paulus heeft het voorrecht gekend enkele van die geheimenissen, of verborgenheden te duiden. ‘Thans verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vul in mijn vlees aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, dat is de gemeente, waarvan ik een dienaar geworden ben overeenkomstig het rentmeesterschap van God dat mij gegeven is voor u, om het woord van God te voleindigen: de verborgenheid, die van alle eeuwen en geslachten verborgen is geweest, maar die nu geopenbaard is aan zijn heiligen. Aan hen heeft God bekend willen bekend maken welke de rijkdom is van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de volken, welke is Christus in u, de hoop van de heerlijkheid’ (Ko1:24vv.:). Die geheimenissen waren ten eerste dat de Heer Jezus het middelpunt van Gods plannen was (Rm16:25; 1Ko2:7v; Ef1:9v.). Ten tweede de Gemeente, haar ontstaan en bestemming (Ef3:9, 5:32; Ko1:26, 2:2). Ten derde de opname en Christus’ verschijning in heerlijkheid (1Ko15:51; 1Th4:15vv.) en tenslotte Gods plannen met het volk Israël (Rm11:25).

We dienen ons dus afhankelijk van Gods Geest en Woord op te stellen in het onderzoek van Gods plan. Het Woord dient gezag te hebben over ons leven en denken. ‘Uw Woord is de Waarheid!’ (Jh17:17). Om niet te ontsporen in allerlei speculaties is het noodzakelijk dicht bij het licht van Gods Woord te blijven. Veel zaken, waarover we nù nog geen duidelijkheid hebben, zullen duidelijk worden als de tijd daarvoor aangebroken is. ‘Maar, zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’ (1 Kor.2:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

 

'Is Christus komst aan voorwaarden gebonden?'

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

De recente gebeurtenissen in het midden-oosten gelijken volgens veel christenen op het eindtijdscenario dat de Bijbel ons geeft. Daarmee verbonden is de gedachte aan de spoedige (weder-) komst van de Heer Jezus. Velen gelovigen verwijzen naar een tekst uit Jezus’ ‘rede over de laatste dingen’ en beweren dat er eerst nog allerlei zaken moeten gebeuren voordat het zo ver is en Jezus kan komen. Die tekst is uit het Mattheüs evangelie: ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (Math. 24:14). Dit is voor velen dé bewijstekst dat de Heer Jezus niet eerder kan komen dan dat het evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld verkondigd moet zijn. Zelfs lied 551 uit de Opwekkingsbundel wijst in die richting. ‘Maar ik weet dat die dag die straks komen zal, niet eerder komt en ik weet dat de klank van bazuingeschal, niet eerder komt, voordat alle mensen weten wat Jezus heeft gedaan’

Maar is de komst van de Heer Jezus wel aan voorwaarden gebonden? Kan Hij niet eerder terugkomen voordat er bepaalde gebeurtenissen moeten plaatsvinden? Had Hij gisteren, vorig jaar of honderd jaar geleden niet kunnen komen? Kan Hij vandaag ook (nog) niet komen? Als dat zo is, hebben dan de gelovigen – en misschien ook u - in alle voorgaande eeuwen een verkeerde verwachting gehad en hebben ze vergeefs gehoopt op zijn komst? Christenen die geloven dat er vóór de komst van de Heer Jezus nog allerlei dingen moeten gebeuren vinden we hoofdzakelijk onder de zgn. 'midtribulationisten', dat zijn zij die geloven dat de gelovigen van de Gemeente de eerste helft van de grote verdrukking nog mee moeten meemaken. (zie daarvoor mijn artikel 'Het Midtribulationisme in deze rubriek). En als er dan bepaalde voorwaarden zijn die aan zijn komst moeten voorafgaan, welke zijn die dan? Of is er meer aan de hand? Over welke komst spreken we eigenlijk?

Deze en andere vragen vereisen een antwoord en ik wil daar graag een poging toe doen, en dat is niet zo gemakkelijk als het op het eerste gezicht lijkt te zijn.

Twee vragen.

We keren terug naar de hierboven aangehaalde tekst uit Mattheüs 24:14 en stellen daarbij twee belangrijke vragen die we vervolgens proberen te beantwoorden.

De eerste vraag is: gaat het in het genoemde tekstgedeelte wel over de wederkomst van Jezus? En de tweede vraag is: ‘wat wordt er bedoeld met: dit evangelie van het Koninkrijk’?

Ad.1. We moeten oppassen dat we in deze tekst de wederkomst van Jezus niet ‘inlezen’. Het gaat hier niet over de wederkomst van Jezus maar over het einde. Wat er hier bedoeld wordt met het einde is het einde van een tijdperk, de tijden der volkeren (Luk. 21:24). De Telos-vertaling heeft hier en elders: ‘de voleinding van de eeuw’. De wederkomst van Jezus wordt in Mattheüs 24:29-44 beschreven.

Ad.2. De aanduiding: ‘het evangelie van het Koninkrijk’ komt niet voor in het evangelie naar Johannes en het boek Handelingen, wel in Mattheüs, Lukas en Markus. In Hand. 20:24 spreekt de apostel Paulus over het ‘evangelie van de genade van God’. En in het boek Openbaring 14:6  wordt ook nog gesproken over het ‘eeuwig Evangelie’. Deze verschillende benamingen duiden op  een verschillend doel en inhoud. Het evangelie van het Koninkrijk was gericht aan het joodse volk, waarvan de grondslag gelegd is in de zgn. Bergrede, Mattheüs 5:1–7:29. De nadruk in Mattheüs 24:14 ligt daarom dan ook op het woordje ‘dit’. Dit evangelie – het evangelie van het Koninkrijk - zal door de 144.000 uit de stammen van Israël verkondigd worden aan het joodse volk en de volkeren (Openb. 7) voordat het einde komt (Openb. 7).

Twee volken, twee komsten.

In het evangelie naar Mattheüs wordt twee keer gesproken over de Gemeente en dan nog als iets dat in de toekomst ligt: ‘Ik zal mijn Gemeente bouwen’ (Math. 16:18; 18:17). Dat was slechts een aankondiging van wat ging gebeuren maar wat het betekende was nog verborgen. Aan de apostel Paulus was de eer deze verborgenheid (mysterie, geheimenis) bekend te maken (Kol. 1:25-29). Sedert het ontstaan van de Gemeente op de Pinksterdag in Handelingen 2 zijn er nu drie groepen van mensen, de Joden, Grieken (of volken) en de gemeente van God (1 Kor. 10:32). Israël is tijdelijk terzijde gesteld maar zal in de (nabije) toekomst weer een belangrijke plaats innemen in het handelen van God met deze wereld. Maar dan zal eerst de Gemeente plaats moeten maken en daarover spreekt de apostel Paulus ook. Hij heeft de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente mogen bekendmaken.

Alleen al omdat het nieuwe testament in dit verband spreekt over een verborgenheid (mysterie, geheimenis) moet het ons duidelijk zijn dat deze komst onderscheiden dient te worden van de komst van de Heer Jezus voor het volk Israël en de volken. Al er geen speciale komst van Christus voor de Gemeente was dan had Paulus zich ook niet zo druk moeten maken om die ‘verborgenheid’ te openbaren; de komst van Christus was toch al voldoende beschreven in het oude testament? (bv. Zach. 14:3vv.). We spreken ook wel over de ‘zichtbare komst’ van Jezus voor Israël en de ‘onzichtbare’ voor de Gemeente, die ook wel de Opname wordt genoemd.

Dat dit onderscheid door velen niet word gezien vinden we zelfs terug in het al genoemde lied 551 uit de Opwekkingsbundel. Die tekst slaat op de tweede komst van de Heer Jezus nl. voor Israël en de volken wanneer Jezus komt met bazuingeschal (Math. 24:31).

De rede over de laatste dingen.

De rede over de laatste dingen, door de Heer Jezus uitgesproken op de Olijfberg, was naar aanleiding van vragen die de discipelen Hem stelden. De eerste vraag was: ‘wanneer’ zullen deze dingen (de verwoesting van de tempel) zijn?  Het antwoord op deze vraag vinden we niet hier maar in Lukas 21:20-24. De tweede vraag is: ‘wat is het teken van uw komst?’. Het antwoord hierop vinden we in Mattheüs 24:29-44. De derde vraag is: ‘wat is het teken van de voleinding van de eeuw?’ Het antwoord daarop vinden we in Mattheüs 24:4-8.

Na deze korte indeling van Jezus’ rede moeten we de vraag beantwoorden aan wie is deze rede gericht, of anders gezegd over wie gaat het in deze rede? Uit de inhoud van de rede word al gauw duidelijk dat het hier gaat over de gebeurtenissen die in verband staan met het volk Israël. We lezen dan ook van: ‘de heilige plaats’, ‘die in Judea zijn’, ‘bidt dat uw vlucht niet op de sabbat gebeurt’ en ‘alle stammen van het land’. (Math. 24:15, 16 , 20, 30). Het argument dat wel eens wordt gebruikt om ‘te bewijzen’ dat het hier over de Gemeente gaat, door te beweren dat Jezus tot de ‘discipelen’ spreekt en dat wij dat ook zijn, is weinig steekhoudend. Men moet dan ook eens uitleggen wat de reden is waarom er na het boek Handelingen nooit meer over discipelen wordt gesproken. Trouwens de Gemeente was toen de rede werd uitgesproken nog een verborgenheid en niet bekend aan de discipelen.

Voorwaarden?

In de inleiding is de vraag gesteld: ‘wat zijn de (vermeende) voorwaarden die aan Jezus’ komst moeten voorafgaan? Zijn die er? Ja, en nee! Aan de komst van de Heer Jezus voor het volk Israël gaan er tekenen (voorwaarden) vooraf, dat in tegenstelling van de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente waaraan geen tekenen gegeven zijn waardoor de mogelijkheid bestaat dat de Heer Jezus op elk moment kan of heeft kunnen komen.

Er is wel eens gezegd dat christenen die geloven dat ze niet de eerste helft van de Grote Verdrukking hoeven mee te maken een grote teleurstelling te verwerken krijgen als hun visie niet juist zou blijken te zijn en dat christenen die geloven dat ze wel door de eerste helft van de Grote Verdrukking meemaken deze teleurstelling niet zullen kennen. Deze redenering is leuk gevonden maar mist elke bijbelse onderbouwing en bewijst natuurlijk nog niets en trekt het gezag van Gods Woord in twijfel. Wat als je deze redenering toepast op de bv. de opstanding van Christus?  Ik verwijs nog maar eens naar mijn artikel over het Midtribulationisme in deze rubriek.

Dit artikel wil slechts een inleiding zijn op het onderwerp dat met de technische theologische term ‘imminence’ bekend is. De hieronder vermelde bibliologie kan u verder helpen in het bestuderen van dit en veel andere eschatologische onderwerpen.

Geraadpleegde commentaren:

Ouweneel, W.J. 1988 / 90. De Openbaring van Jezus Christus: Bijbelstudies over het boek Openbaring, dl. 1-2, Vaassen: Medema.

Ouweneel, W.J. 2012. De toekomst van God: Ontwerp van een eschatologie. Heerenveen: Medema (afk.: EDR 10).

Arno C. Gaebelein. 1970. Gaebeleins’s Concise Commentary on the whole Bible. Loizeaux Brothers: Neptune, New Yersey.

J. Dwight Pentecost. 1958. Things to Come: A study in Biblical eschatology. Zondervan: Grand Rapids.

Warren W. Wiersbe. 1989. The Bible Exposition Commentary, vol.1. Chariot Victo Publishing: Colorado, USA.

John F. Walvoord. 1992. Brennpunkte biblischer Prophetie: Was kommt auf uns zu? Hänssler Verlang, Stuttgart.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX