Boeken van Mozes

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

Genesis 5 - Henoch, geloven in crisistijden

Genesis 6 - Noach, geloven in crisistijden

Genesis 10-12 - De Nieuwe Wereld - Zie rubriek: Leven van Abraham

Genesis 12 - Abraham naar Egypte - Zie Rubriek: Leven van Abraham

Genesis 14 - Strijd en Overwinning - Zie Rubriek: Leven van Abraham

Genesis 22 - Zo gingen die beiden tezamen - Zie Rubriek: Leven van Abraham

Genesis 37-50 – Jozef en zijn broeders

Exodus 14-15 - Op weg naar huis

Leviticus 23 - De Feesten des Heren

Numeri 12 - De Opstand van Mirjam

Deuteronomium 34 - De dood van Mozes

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

'Henoch, geloven in Crisistijden'

 

 

 

‘Door het geloof werd Henoch weggenomen opdat hij de dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen, want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had’.

(Hebreeën 11:5)

Inleiding

Henoch werd omringd door een wereld die geen rekening hield met God en schijnbaar aan niets gebrek had, behalve aan God! (Mat. 24:38). Dat mogen we niet vergeten. Henoch werd voortdurend verzocht om te geloven dat de wereld waarin hij leefde, en het doen en laten van de mensen die er leefden, normaal waren. Een komend oordeel! Hoe kom je daarbij? Zonde, wat is dat? Een vergelijking met onze tijd lijkt gerechtvaardigd.

Maar Henoch wandelde door geloof en werd niet beïnvloed door wat hij om zich heen zag. Hij wandelde met God en dat weerhield hem ervan om ‘besmet’ te worden door de invloeden van de wereld waarin hij leefde. ‘Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren’ (Jak. 1:27). Gedurende driehonderd jaar wandelde Henoch met God, van zijn vijfenzestigste jaar tot op het moment dat hij werd weggenomen! Wat een voorbeeld voor velen die geneigd zijn het vroegtijdig te willen opgeven.

Wat waren de geestelijke bronnen die Henoch bezat om stand te houden ‘in crisistijden’?

1. Hij geloofde God (Hebr. 11:6)

Uit Genesis 5:21-22 kunnen we opmaken dat Henoch de eerste vijfenzestig jaar van zijn leven niet met God wandelde. Nieuw leven in een gezin roept verantwoordelijkheden naar boven die voordien niet gekend waren, en misschien kunnen we daaruit de verandering, na de geboorte van Metuselach, opmaken.

Hebreeën 11:6, dat in verband staat met vers 5, geeft op zijn minst aan dat Henoch God zocht en zich afvroeg hoe hij Hem zou kunnen behagen. Henoch moest, zoals iedere gelovige, geloven dat God bestaat en dat Hij een beloner is van hen die Hem zoeken, want zonder geloof is het niet mogelijk Hem te behagen.

Het is natuurlijk maar speculatie, maar het kan zijn dat Henoch een waarschuwing van God heeft ontvangen over het komende oordeel, zoals ook Noach een godsspraak ontvangen had. Het was misschien wel deze openbaring die hem deed veranderen van een ongelovige in een gelovige, omdat hij God geloofde. Hij nam Gods Woord voor waarheid aan en vanaf toen begon hij zijn tijdgenoten te waarschuwen voor het komende oordeel (Jud.: 14-15).

2. Hij wandelde met God (Gen. 5:22, 24)

Geestelijke geboorte dient te leiden tot geestelijke groei en volwassenheid. Noach wandelde met God evenals ook Abraham, Isaak en Jakob dat na hem deden. Wandelen met God betekent rekening houden met God en zijn Woord! Toen Jakob (hier Israël geheten) Jozef zegende, zei hij: ‘God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag’ (Gen. 48:15). ‘Wandelen voor Gods aangezicht’ heeft te maken met ons diepste innerlijk, zoals ook Salomo zegt: ‘Indien uw zonen op hun weg acht geven en in trouw, met hun gehele hart en met hun gehele ziel, voor mijn aangezicht wandelen, dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël’ (2Kon. 2:4). Ook wij worden in het Nieuwe Testament aangespoord om ‘eerbaar te wandelen’ (Rom. 13:13), ‘te wandelen door de Geest’ (Gal. 5:16), ‘te wandelen in liefde’ (Ef. 5:2), en ‘te wandelen in het licht’ (1Joh. 1:7).

Onze wandel met God begint met een stap in geloof te zetten en de Heer Jezus als Redder aan te nemen. Als u en ik met God willen wandelen, dienen we tijd vrij te maken voor gemeenschap, gebed en het lezen van Gods Woord. Tenzij we wachten op God en Hem aanbidden, zullen we nooit in staat zijn succesvol met Hem te wandelen. Maleachi 2:6 geeft ons een perfecte beschrijving van wat het betekent voor een gelovige om te wandelen met God: ‘Betrouwbaar onderricht in de wet was in zijn mond en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden. In vrede en in oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij van ongerechtigheid terug’.

3. Hij behaagde God (Hebr. 11:5)

We hebben drie mogelijke keuzes: we kunnen onszelf behagen, we kunnen mensen behagen of we kunnen God behagen. Als we onszelf behagen, dan voldoen we zeker niet aan de christelijke norm (vgl. Rom. 15:1-3). Als we proberen om mensen te behagen, zullen we enorm tekortschieten (Gal. 1:10). Dus blijft er maar één goede keuze over en die is om God te behagen zoals de Heer Jezus dat deed. Hij kon zeggen: ‘Ik doe altijd wat Hem behaagt’ (Joh. 8:29).

Hebreeën 11:6 geeft aan dat de eerste stap om God te behagen het naar Hem zoeken is. Dat wil niet zeggen dat God ‘verborgen’ of ‘moeilijk te vinden’ is. Het betekent daar eerder dat we moeten zoeken hoe we God kunnen behagen. Maar dan een zoeken in de zin van Ps. 42:1-3: ‘Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God’. Dat dient de houding te zijn van de gelovige die naar God zoekt om Hem te behagen. Gods antwoord voor die gelovige vinden we in Jeremia 29:12-13: ‘Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart’. God zoekt onze gemeenschap en geniet ervan. ‘Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis en zijn banier over mij was de liefde’ (Hoogl. 2:4). Is de eerste stap God te behagen, de tweede is het genieten van de gemeenschap met Hem. De derde stap is het gelijkvormig worden aan het beeld van zijn Zoon (Rom. 8:29). De Vader werd verheerlijkt door de Zoon (Mat. 3:17), en God zal verblijd zijn als wij worden zoals Hij (2Kor. 3:18). Het is de gemeenschap met Hem die ons doet veranderen.

4. Hij ging naar God (Hebr. 11:5)

‘En hij stierf’, zo luidt het getuigenis over de ‘oudvaders’ in Genesis 5, behalve over Henoch. Van hem staat geschreven ‘en hij was niet meer, want God had hem opgenomen’ [1].

Henoch was bereid om God te ontmoeten (vgl. Amos 4:12). Omdat hij driehonderd jaar met God had gewandeld betekende dat voor hem geen al te grote overgang, want hij had gedurende al die tijd ‘de dingen gezocht die boven waren, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God’ (Kol. 3:1). God was voor Henoch geen ‘grote onbekende’. Neen, daar zou hij geen vreemde God tegenkomen, het was zijn Vader en zijn God, om het maar eens met een frase uit een oud lied te zeggen.

Besluit

Henochs voorbeeld is een bemoediging om vol te houden in moeilijke tijden. Als wij met God wandelen, hoeven we de wereld rondom ons niet te vrezen. Te leven in een wereld van verval en doelloosheid, doet de ware gelovige verlangen naar de hemel die voor hem ligt (Rom. 8:23). Als wij, net zoals Henoch, geloven in God, wandelen met God, en God (willen) behagen, dan zullen we eens in zijn heerlijkheid worden opgenomen om eeuwig bij Hem te zijn (Joh. 17:24).

‘Geloven in crisistijden’ is mogelijk want, ‘al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ (1Joh. 5:4).


[1] Veel uitleggers zien in Henoch dan ook een type van de opname van de gemeente, en in Noach een beeld van het gelovig overblijfsel van Israël, dat door de Grote Verdrukking gaat (de zondvloed) en behouden wordt.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

'Noach, geloven in crisistijden'

 

 

 

 

 

 

‘En Noach deed, naar alles wat de Here hem geboden had’.

(Genesis 6:22)

Inleiding

Alles in de praktijk brengen wat God geboden heeft, is niet gemakkelijk als je leeft in een wereld die snel haar einde tegemoet gaat. In de tijd van Noach waren hij en zijn familie de enige gelovigen, dat maakte het er voor hen niet gemakkelijker op. Toch wordt er in de geschiedenis van Noach tweemaal melding gemaakt van het feit dat Noach deed ‘wat de Here geboden had’ (Gen. 6:22, 7:5).

Mocht het mogelijk zijn om Noach te transporteren (beamen) naar onze tijd, dan zou hij niet vreemd opkijken, zijn wereld vertoonde dezelfde zondige symptomen als de onze. We zullen dan ook beter begrijpen hoe moeilijk het voor Noach en zijn familie moet zijn geweest om te volharden in hun wandel met God. In de Evangeliën vergelijkt de Heer Jezus de tijd die onmiddellijk voorafgaat aan zijn komst, met die van de dagen van Noach (Mat. 24:37-39, Luk. 17:26-27).

Zonder veel moeite kunnen ook wij onze tijd met die van Noach vergelijken, op meerdere gebieden was het een crisistijd! Leven in een crisistijd betekent meer dan ooit: keuzes maken! We lezen in Openbaring 22:11: ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’. En de apostel Johannes zegt ons met het oog op de komst van de Heer Jezus: ‘Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1Joh. 3:3).

Als we het leven van Noach onderzoeken, kunnen we vaststellen dat: ‘geloven in crisistijden’ mogelijk is, ook nú, tenminste als we…

1. Wandelen met God

Net zoals zijn beroemde voorvader Henoch dat deed, wandelde ook Noach met God (Gen. 5:22, 6:9). Hij was rechtvaardig voor God en onberispelijk ten opzichte van zijn buren. ‘Onberispelijk’ betekende niet ‘zondeloos’, want dat kan alleen van de Heer Jezus gezegd worden, maar het betekende dat de mensen Noach niet van zonde konden beschuldigen. Zijn rechtvaardigheid kwam voort uit zijn geloof in God, want Noach had genade gevonden in de ogen van de Heer, en in Gods belofte (Gen. 6:8). Noachs gerechtigheid was niet het gevolg van zijn goede werken, maar zijn goede werken waren het gevolg van zijn rechtvaardigheid! Hij en zijn familie werden gered op dezelfde wijze als nu mensen gered worden - door genade en door het geloof in Jezus Christus (Ef. 2:8, Hebr. 11:7) – en dat geloof werd zichtbaar in hun leven. Wij hebben ook de opdracht gekregen om ‘te wandelen in liefde’ (Ef. 5:2), ‘te wandelen als kinderen van het licht’ (Ef. 5:8), ‘te wandelen in de Geest’ (Gal. 5:16, 25) en ‘te wandelen als wijzen’ (Ef. 5:15).

Het woord – de godsspraak of goddelijke aanwijzing (Hebr. 11:7) - dat tot hem was gekomen, was niet zonder gevolg gebleven. Van de gelovigen in Thessaloniki kon worden gezegd dat ze het woord van God hadden ontvangen, en het hadden aangenomen, niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam was in hen, die geloofden (vgl. 1Thess. 2:13). ‘Wandelen met God’ zou ik daarom willen omschrijven als ‘rekening houden met God en zijn geboden’.

2. Bereid zijn Gods geboden te gehoorzamen

‘Door het geloof heeft Noach eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis’ (Hebr. 11:7). Het hoofddoel van de bouw van een ark was om het mensdom en alle schepselen waarin een levensgeest was, in stand te houden. God gaf Noach alle instructies die hij nodig had om de ark te kunnen bouwen, zoals hij later ook aan Mozes zijn instructies gaf om de tabernakel te bouwen (Ex. 25:9, 40; Hebr. 8:5) en aan David voor de bouw van de tempel (1Kron. 28:11-19).

Omdat het nog nooit op aarde geregend had (Gen. 2:5) moeten de mensen wel verwonderd geweest zijn over de activiteiten van Noach en zijn medewerkers, om een boot te bouwen op droog land. Er zal wel heel wat gespot en gelachen geweest zijn! Met betrekking tot de laatste dagen zegt de apostel Petrus ook dat er ‘spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst?’ (2Petr. 3:3). Zulke mensen gaan voorbij aan de lankmoedigheid van God, Die niet wil dat er iemand verloren gaat, en de mogelijkheid die Hij biedt om te ontkomen aan het oordeel wat aanstaande is (vs. 9). De belofte aan Jozua, ‘dat hij op al zijn wegen het doel zou bereiken en voorspoedig zou zijn’, gaat vooraf aan de opdracht om ‘nauwgezet te handelen overeenkomstig alles wat in het wetboek geschreven is!' (Jozua 1:8).

In hoeverre houdt u rekening met God en zijn Woord?

3. Volharden in de prediking van het Evangelie

Werd de ark gebouwd ‘tot behoudenis van Noachs huis’, een ander gevolg van de bouw van de ark (of van zijn geloof) was ‘dat hij daardoor de wereld veroordeelde’! (Hebr. 11:7). Honderd en twintig jaar ‘predikte’ Noach geduldig tot de mensen en werkte aan de ark. Dat is een lange tijd, maar wel een bewijs van Gods lankmoedigheid met de mens. Dat wil niet zeggen dat de dag van het oordeel niet komt, maar omdat God niet wil dat iemand verloren gaat, laat hij tot dan de prediking van het evangelie van Gods genade doorgang vinden.

Voormalig minister van buitenlandse zaken van de VS, Henry Kissinger, schijnt eens gezegd te hebben: “Deze week kan er geen crisis komen, want mijn agenda is al vol”! In diezelfde week kwam het bekende Watergate-schandaal dat leidde tot zijn aftreden! Crisissen komen, of onze agenda nu volgeboekt is of niet.

De dagen van Noach worden door de Heer Jezus vergeleken met een crisistijd. Een tijd die voorafgaat aan zijn komst om deze wereld te oordelen. Het zal voor de mensen van deze wereld ook een onverwachte komst zijn. ‘Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen’ (1Thess. 5:3).

Als u acht geeft op het profetisch woord (2Petr. 1:19), weet u hoe de geschiedenis van deze wereld eindigt, maar die wetenschap brengt een tweezijdige verantwoordelijkheid met zich mee. ‘Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede’ (2Pet. 3:14). En: ‘Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is, overreden wij de mensen’ (2Kor. 5:11).

Profetie is ons niet gegeven tot speculatie, maar tot motivatie!

4. Standhouden en volharden in ons geloof

Noachs voorbeeld werd tot zegen, niet slechts voor hemzelf, maar ook voor zijn huisgenoten. Want we lezen dat hij eerbiedig de ark toebereid heeft tot redding van zijn huisgezin (Hebr. 11:7, 1Petr. 3:20). Dat wil niet zeggen dat Noachs vrouw en kinderen door zijn voorbeeld behouden werden, want iedere zondaar dient persoonlijk te geloven in de Heer Jezus om behouden te worden. Maar we zien hier iets van wat Gods bedoeling is en wat omschreven wordt als: ‘Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’ (Hand. 16:31). Dat was de boodschap aan Cornelius en zijn huisgenoten (Hand. 11:13-14), aan de gelovigen in Korinthe (Hand. 18:8) en aan de gemeente te Filippi (Hand. 16:14-15).

Een grote verantwoordelijkheid voor een huisvader! Er is een groot contrast tussen Noach en Lot (Gen. 19) als het gaat over hun invloed op hun gezin. Omdat Noach God vertrouwde en met Hem wandelde, was hij in staat zijn gezin te ‘winnen’ voor de Heer. Lot was een gelovige, maar wandelde niet met God. ‘Toen ging Lot heen en sprak tot zijn schoonzoons, die met zijn dochters zouden trouwen, en zeide: Staat op, verlaat deze plaats, want de HERE gaat de stad verwoesten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand, die schertste’ (Gen. 19:14). Lots ‘voorbeeld’ resulteerde daarin dat zijn vrouw God niet gehoorzaamde en omkwam. Zijn dochters betrokken hun vader in incest en hun kinderen werden de twee grootste vijanden van het volk Israël. Laten we deze waarschuwingen ter harte nemen en onze verantwoordelijkheid als ouders op ons nemen! ‘Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods’ (2Petr. 3:11-12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Op weg naar huis!

Exodus 14-15

 

 

 

Inleiding

Het Pascha, beschreven in Exodus 13, is een illustratie van de verlossing van een gelovige door het bloed van het Lam. Maar er is meer in het leven van een gelovige dan bevrijd te zijn van het oordeel. Israëls ervaringen tijdens de reis van Egypte naar Kanaän zijn illustraties van de strijd en de overwinningen in het leven van een gelovige (vgl. Rom. 15:4; 1Kor. 10:6). God wilde Israël in Kanaän en ze zijn er na een reis van vele jaren ook gekomen. Hoe, maar vooral waardoor ze er gekomen zijn, vinden we onder andere in deze twee hoofdstukken van het boek Exodus beschreven.

Wij, gelovigen, zijn ook op reis, op weg naar ons hemels huis! Als u ook deze reis maakt en zou twijfelen of u het wel zult kunnen volhouden, dan mag u weten dat u niet alleen bent maar dat God op dezelfde wijze met u zal gaan zoals Hij vroeger met de Israëlieten ging, want …

… God kiest de weg (Ex. 13:17-18)

Als Mozes en het volk de route hadden mogen kiezen, hadden ze vermoedelijk de meest voor de hand liggende en kortste route genomen, waardoor ze snel het beloofde land zouden hebben bereikt. Volgens Deuteronomium 1:2 was het ’elf dagreizen van de Horeb in de richting van het gebergte Seïr tot Kades-Barnea’, dit is te vergelijken met de route van Egypte langs de kust (Gaza) naar Kanaän. Maar God koos de weg en die duurde uiteindelijk veertig jaar. Daar had Hij zijn redenen voor want ‘Hij leidde hen niet op de weg naar het land van de Filistijnen, hoewel deze de naaste was, want God zei: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee’ (Deut. 13:17-18).

‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jes. 55:8-9). Wat in de gedachten van het volk een omweg moet hebben geleken, bleek Gods weg te zijn.

In ons leven is het niet anders en wij moeten leren dat Gods weg volmaakt is en dat we zelf onze weg niet hoeven te kiezen (Ps. 18:31). Een lied uit de bundel van Joh. De Heer zegt: “Laat mij niet mijn lot beslissen: zo ik mocht, ik durfde niet. Ach, hoe zou ik mij vergissen, als Gij mij de keuze liet”. Neen, niet zelf kiezen maar wel God vragen naar zijn weg! Zoals David zingt in Psalm 143:8: ‘Maak mij bekend de weg die ik gaan moet’. We weten uit Psalm 103:7 dat God dan ook zulk een gebed wil beantwoorden. ‘Hij maakte Mozes - en ook David mogen we aannemen - zijn wegen bekend’ (Ps. 103:7).

… God bemoedigt (Ex.13:19)

De brief aan de Hebreeën wijst ons er in hoofdstuk 10 vanaf vers 35 op dat het leven van een gelovige vol moeilijkheden kan zijn en dat een bemoediging op zijn tijd nodig is. Zo doet ook de schrijver (Paulus?) het met de woorden: ‘Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is’ (Hebr. 10:35).

Het gebeente van Jozef dat werd meegenomen naar het beloofde land, moet een bemoediging voor het volk zijn geweest omdat het liet zien dat God zijn beloftes aan Jozef trouw bleef en dat zou ook met het volk als geheel het geval zijn (Gen. 50:24-25, Hebr. 11:22). Twijfelde er iemand uit het volk aan Gods beloften en trouw, dan hoefde hij of zij maar te kijken naar de overblijfselen van Jozef die de hele reis door de woestijn werden meegedragen. Dat herinnerfe hen eraan dat ‘God geen man is dat Hij liegen zou; of een mensenkind dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?’ (Num. 23:19).

‘Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (2 Kor. 1:20). Dat mag ook voor ons een bemoediging zijn.

… God geeft leiding (Ex.13:21-22, 14:19-20)

‘De HERE ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk’.

Ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg dat veel gelovigen veel vragen hebben om de leiding van God in hun leven te verstaan. Het was voor de Israëlieten nogal gemakkelijk: ze hoefden maar te zien naar de wolk- of vuurkolom en wisten waar te gaan! Uit het boek Handelingen hoofdstuk 16:6-10 geloof ik op te kunnen maken dat de apostel Paulus het er ook moeilijk mee had om te weten wat hij moest doen. Hoe kunnen wij nu Gods leiding weten, nu dit zichtbaar teken er niet meer is? Is dat niet door drie heel belangrijke zaken: zijn Woord, de heilige Geest en het gebed?

Ten eerste zijn Woord. Psalm 73:24 zegt ons: ’Gij zult mij leiden door uw raad’. Ten tweede de inwonende heilige Geest, waardoor de Heer Jezus kon zeggen: ‘Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld’ (Mat. 28:20). En ten derde het gebed waardoor we zoals Mozes God kunnen vragen: ‘Maak mij toch uw wegen bekend’ (Ex. 33:13).

… God strijdt voor ons (Ex.14:14, 25)

Exodus 13:18 zegt ons dat de Israëlieten ‘Ten strijde toegerust optrokken uit het land Egypte’. Dat duidde er al op dat het volk strijd stond te wachten. Strijd staat ook ons te wachten op weg naar het hemelse vaderland. Om stand te houden heeft God ons een wapenrusting gegeven die tot onze beschikking staat (Ef. 6:11-18). En wanneer wij tekortschieten, grijpt Hij in. ‘Ik zal voor u strijden en gij zult stil zijn’ (Ex. 14:14). Nee, we hebben niet zoals de Israëlieten te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:12).

We hebben de belofte dat ‘als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ (Rom. 8:31). In dat geloof mogen we gaan en ons bewust zijn van zijn hulp en nabijheid in tijden van nood. ‘Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad’ (Rom. 8:37). Ik geloof dat we dit gedeelte niet beter kunnen afsluiten dan metde tekst van lied 124 uit de Opwekkingsbundel:

Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser.

Niet eenzaam ga ik op de vijand aan.

Sterk in uw kracht, gerust in uw bescherming.

Ik bouw op U en ga in uwe naam.

 

Gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend.

En telkens meer moet ik uw kracht verstaan.

Toch rijst in mij een lied van overwinning.

Ik bouw op U en ga in uwe naam.

 

Ik bouw op u, mijn Schild en mijn Verlosser.

Gij voert de strijd, de huld' is u gewijd.

In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan.

In rust met U die mij hebt voortgeleid.

… God zorgt voor ons

‘Kan God een dis (d.i. een maaltijdstafel) aanrichten in de woestijn?’, was de vraag, die het volk Israël zichzelf stelde (Ps. 78:19). Gelet op de omstandigheden was dat een terechte vraag denk ik. Ik heb het voorrecht gehad een aantal keren de Sinaïwoestijn te bezoeken en kan terecht getuigen wat de Israëlieten eerder al hadden gezegd: ‘heel die grote en vreselijke woestijn’ (Deut. 1:19). Of op een andere plaats: ‘die u deed gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water’ (Deut. 8:15). Het is geen plaats om hoge verwachtingen te hebben betreffende voedsel en water. Maar wat de mens niet kon verwachten realiseerde God ‘die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben’ (Deut. 8:15-16). Het manna was de gehele reis door de woestijn aanwezig, maar bij aankomst in het beloofde land hield het op (Joz. 5:12).

Wat is ons voedsel nu? Is dat niet Christus zelf? (Joh. 6:58-59). ‘Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten’ (Joh. 6:32-35). Daarom: ‘Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?’ (Mat. 6:31). Want wie zich met Christus voedt zal niet tekort komen. Gelooft u dat?

… God brengt ons thuis

Na veertig jaar door de woestijn te zijn getrokken zat de reis erop, ze kwamen eindelijk thuis! Met een verwijzing naar Psalm 84 zouden we kunnen zeggen: ‘Zij gingen voort van kracht tot kracht om voor God te verschijnen in Sion’. Ze konden achterom kijken en Gods handelen opmerken. ‘Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kende en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat. Het kleed dat gij draagt, is niet versleten en uw voet is niet gezwollen in deze veertig jaar. Erken dan van harte, dat de HERE, uw God, u vermaant, zoals een man zijn zoon vermaant, en onderhoud de geboden van de HERE, uw God, door in zijn wegen te wandelen en Hem te vrezen. Want de HERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de bergen ontspringen; een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en honig; een land, waarin gij niet in armoede uw brood zult eten, waarin gij aan niets gebrek zult hebben; een land, waarvan de stenen ijzer zijn en uit welks bergen gij koper zult houwen. Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf. Neem u ervoor in acht, dat gij de HERE, uw God, niet vergeet door zijn geboden, zijn verordeningen en zijn inzettingen, die ik u heden opleg, te verwaarlozen, opdat, wanneer gij eet en verzadigd wordt, goede huizen bouwt en die bewoont, uw runderen en kleinvee zich vermenigvuldigen en uw zilver en goud zich vermeerderen, ja, al wat gij hebt, zich vermeerdert, uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft, die u deed gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen’ (Deut. 8:2-16).

Ik geloof dat als wij eens ‘Thuis’ komen wij hetzelfde zullen kunnen opmerken als wat hierboven vermeld is en dat ook wij zullen zeggen: niet mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. Maar gij zult aan de Here uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven’ (Deut. 8:17).

Besluit

Zowel Mozes (Deut. 8) als Jozua (Joz. 24) als de psalmdichter (Ps. 78, 105) riepen het volk op om achterom te kijken en de trouw van God doorheen de geschiedenis te zien. Wanneer wij terugkijken tijdens ons leven, zullen we mogen zien dat Gods weg de beste weg was. Dat hij ons geleid heeft, voor ons gestreden heeft, voor ons gezorgd heeft, waar het nodig was hulp heeft geboden, en ons uiteindelijk thuis gebracht heeft. Zullen we Hem daarvoor niet prijzen?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Feesten des Heren

Leviticus 23

 

 

Inleiding

De ‘feesten des Heren’ zou beter vertaald worden door ‘de hoogtijdagen des Heren’. Slechts drie van de zeven hoogtijdagen in Leviticus 23 worden ‘feesten’ genoemd: het feest van de ongezuurde broden, het weken- of pinksterfeest en het loofhuttenfeest (Deuteronomium 16:16). Deze drie worden ook genoemd in Exodus 23:14-17. In die Schriftgedeelten wordt aan de mannelijke personen bevolen om drie maal in het jaar naar Jeruzalem te trekken om voor het aangezicht des Heren te verschijnen. Dat waren de drie hoogtijdagen bij uitstek. De grote verzoendag wordt uitvoerig besproken in Leviticus 16.

In Leviticus 23 zien we alle hoogtijdagen in een bepaald verband samengevoegd en op die manier geven ze een profetisch overzicht van de wegen van God met deze aarde. Het nut,  belangrijkheid en toepasbaarheid van het oude testament voor ons wordt krachtig in het nieuwe testament ondersteund. ‘Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden’ (Romeinen 15:4). En: ‘Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden’ (1 Korinthiërs 10:1-6). Verder wijst de apostel Paulus ons erop dat de vermelding van heel ‘gewone’ dingen zoals Abraham zijn twee vrouwen Sara en Hagar in de brief aan de Galaten meer te betekenen hadden dan de oppervlakkige lezer zou vermoeden. ‘Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder’ (Galaten 4:21-26).

Het mag duidelijk zijn dat dan ook de hoogtijdagen in het boek Leviticus betekenis voor ons, gelovigen van het nieuwe testament, hebben.

De sabbat

Uit het boek Exodus blijkt onomstotelijk dat de sabbat voor altijd een teken was tussen God en de Israëlieten (Exodus 31:1-17). Uit het boek Nehemia blijkt dat de sabbat voor het eerst aan Israël gegeven was na hun aankomst bij de Sinaï. ‘Op de berg Sinaï zijt Gij nedergedaald en hebt met hen gesproken uit de hemel, en hun rechtvaardige verordeningen, betrouwbare wetten, goede inzettingen en geboden gegeven. Ook hebt Gij hen uw heilige sabbat doen kennen en hun geboden, inzettingen en een wet gegeven door de dienst van uw knecht Mozes’ (Nehemia 9:13-14). Verder blijkt uit de Psalmen dat de Wet nooit gegeven is aan de volken. ‘Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja’ (Psalm 147:21-20).

Behoort de sabbat ook tot de hoogtijdagen des Heren? In Leviticus 16:3 wordt als eerste de sabbat genoemd. Heel vreemd want de sabbat was niet een bepaalde feesttijd in het jaar. De andere zeven feesten waren op een speciale tijd, de sabbat niet, die kwam elke zaterdag, elke laatste dag van de week weer terug. Toch staat de sabbat hier ook bij. Er staat in vers 1 ‘De feesttijden des HEREN’. Als eerste wordt dan de sabbat genoemd, dus men zou zeggen dat die erbij hoort. Maar in vers 4 wordt het herhaald: ‘Dit zijn de feesttijden des HEREN’, het pascha tot en met het loofhuttenfeest worden dan genoemd. Later, in vers 37 en 38 zegt God weer: ‘Dit zijn de feesttijden des HEREN…behalve de sabbatten des HEREN’ Dus de sabbatten horen er op zich zelf niet bij maar hebben er wel alles mee te maken. Zoals al opgemerkt geven de zeven hoogtijdagen een profetisch overzicht van de wegen van God met deze aarde. Die wegen zijn begonnen met een sabbat en ze zullen eindigen met een sabbat zoals ook Leviticus 16 begint en eindigt met een sabbat. De sabbat is een beeld van de rust van God. Op de zevende scheppingsdag heeft God gerust, maar die rust werd verstoord door de zonde van de mens. Er blijft dus nog een sabbatsrust over (Hebreeën 4:1-11). Die sabbatsrust is de rust van God in het Vrederijk, wanneer dan alle dingen zullen gesteld zijn onder zijn voeten. Het Vrederijk loopt na duizend jaren uit in de eeuwige toestand van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daar gaat het naar toe. Dat is de achtste dag van het loofhuttenfeest, helemaal aan het eind.

1. Het Pascha (Leviticus 23:4-5)

Van de feesten vermeld in Leviticus 23 is het Pascha wel de meest bekende. Het was een bevrijdingsfeest en het verhaal staat in Exodus 12. Een onschuldig lam stierf voor de eerstgeborene. Wanneer het bloed van het geslachte lam aan de deurpost werd aangebracht ging de verderfengel voorbij! ‘Wanneer ik het bloed zie, dan ga ik u voorbij’ (Ex.12:13)

Het lam is uiteraard een beeld van de Heer Jezus, het Lam van God dat zijn bloed vergoot op het kruis voor een wereld verloren in schuld. Dat deze toepassing juist is blijkt wel uit de eerste brief aan de Korinthiërs: ‘Want ook ons paaslam is geslacht: Christus’ (1 Korinthiërs 5:7). Het lam moest onberispelijk zijn, zonder enig gebrek (Exodus 12:5 - HSV). De Heer Jezus was zonder zonde (1 Johannes 3:5), kende geen zonde (2 Korinthiërs 5:21) en heeft geen zonden gedaan (1 Petrus 2:2), een volmaakt Lam.

De eerstgeborenen werden niet gered door het lam te aanbidden, of door er zorg voor te dragen of het lam lief te hebben. Het lam moest geslacht worden en het bloed moest aan de deurposten van het huis aangebracht worden. We worden niet gered doordat Jezus een goed voorbeeld gegeven heeft of een goed leraar was. We worden gered doordat de Heer Jezus zijn leven en bloed gegeven heeft op het kruis. ‘Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden’ (1 Johannes 1:7).

De Israëlieten aten van het lam en dat gaf hen als het ware kracht voor de reis die ze gingen maken. Geen buitenstaander mocht er van eten (Exodus 12:43-51). Geen ongelovige heeft een plaats aan het avondmaal, er valt voor hem of haar immers niets te vieren!

Het Pascha was het begin van de Joodse religieuze kalender. Voor ons, die hun geloof op Christus gesteld hebben, is het een begin van een nieuw leven. (2 Korinthiërs 5:21).

2. Feest van de ongezuurde broden Leviticus 23:6-8)

Het feest van de ongezuurde broden is nauw verbonden met het pascha. ‘Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid’ (1 Korinthiërs 5:8). Zuurdeeg spreekt altijd van boosheid, slechtheid. (Efeze 4:31-32; Lukas 12:1; Galaten 5:7-9; Markus 8:15 en ‘het zuurdeeg van de Sadduceeën’ Mattheüs 16:6). Deelnemen aan het pascha, in ons geval het avondmaal, of zoals in Handelingen wordt gezegd ‘het breken van het brood’, is verbonden met een reine wandel. ‘Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker’ (1 Korinthiërs 11:27-28).

De huizen moesten van zuurdeeg gereinigd worden. ‘Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid’ (Exodus 12:15). De voetwassing, die spreekt van de verontreinigingen die wij in onze wandel in deze wereld kunnen opdoen, ging aan de maaltijd vooraf (Johannes 13:1-11).

‘Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen’ (Mattheüs 5:23-2). 

3. De eerstelingsgarve (Leviticus 23:9-14)

Op de dag na de sabbat die volgde op het pascha, dat is de eerste dag van de week was, nam een priester de eerste schoof van de oogst en bewoog het voor het aangezicht van de Here. Het was een teken dat het eerste en het beste aan de Here toebehoorde, en werd gedaan voordat het volk van de oogst nam (Exodus 23:19; Nehemia 10:34-37; Spreuken 3:9). Het was tevens een blijk van dankbaarheid aan God die voor hen zorgde door van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven (vgl. Handelingen 14:17). Het volk mocht niet eerder van de oogst eten voordat de eerstelingsgarve aan de Here was gegeven (Leviticus 23:14, een oudtestamentisch beeld van Mattheüs 6:33.

Er ligt een diepere betekenis in deze ceremonie want ‘Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn’ (1 Korinthiërs 15:20). De Heer Jezus vergeleek zijn dood en begrafenis met het planten van een zaad. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’ (Johannes 12:24.). In de eerste brief aan de Korinthiërs bouwt Paulus op die gedachte verder (1Korinthiërs 15:36-37). De priester bewoog niet zo maar een af andere tak van een willekeurige boom voor Gods aangezicht, maar de eerste schoof van de oogst. De Heer Jezus is de eerste van de ‘opstandingsoogst’.

Het gegeven dat deze ceremonie plaatsvond op de eerste dag van de week, is vol betekenis; De Heer Jezus stond op uit de dood op de eerste dag van de week ‘Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had’ (Markus 19:9, 1; Mattheüs 28:1). Zoals gezegd komt dit tijdstip overeen met het gebruik van het beweegoffer in Leviticus: ‘Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn’ (Leviticus 23:15).

Hierna een tussenruimte van 49 dagen

4. Het weken- of pinksterfeest (Leviticus 23:15-21)

Het wekenfeest duurde maar één dag. Het wordt ook wel het Pinksterfeest genoemd (Handeling 2:1) wat ‘vijftigste’ betekend en omdat het feest zeven weken na het feest van de eerstelingsgarve werd gehouden viel het ook op de eerste dag van de week. In plaats dat de priester een schoof voor het aangezicht van God bewoog, waren het nu twee broden. Het graan was meel geworden en daarvan waren broden gemaakt. De vervulling van dit beeld vinden we terug in Handelingen 2 toen vijftig dagen na de opstanding van Christus de heilige Geest werd uitgestort en de Gemeente ontstond, die bestond uit gelovigen uit de joden en de heidenen. Dit wordt uitgebeeld door de twee broden. Deze gebeurtenis gaf het einde van de oogst aan en het volk werden er op attent gemaakt de armen te gedenken. ‘Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen’ (Leviticus 2322; Deuteronomium 24:19-22; Ruth 2).

De Geest verenigde de gelovigen in het Lichaam van Christus: ‘want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt’ (1 Korinthiërs 12:13). Maar de Geest gaf ook kracht en vervulde de gelovigen voor de dienst (Handelingen1:8; 4:8, 31).

Na dit feest volgde er een periode van ongeveer vier maanden zonder feesten. Dit kan onze huidige tijd weergeven, de tijd van de Gemeente, de tijd van het evangelie van de genade (Handelingen 20:24). Een tijd waarin we mogen zaaien in afwachting van de bazuin die ons thuis zal roepen.

5. De dag van bazuingeklank (Leviticus 23:23-25)

Na een tijd zonder speciale hoogtijdagen kent de zevende maand de laatste drie hoogtijdagen. Het getal zeven is belangrijk in Gods kalender voor Israël. Er zijn zeven feesten, drie daarvan in de zevende maand. De sabbat is de zevende dag van de week. Het wekenfeest is  vijftig dagen na de eerstelingsgarve (zeven maal zeven dagen plus één). Het feest van de ongezuurde broden en het loofhuttenfeest duurden allebei zeven dagen. Het getal zeven staat symbolisch voor volheid, vervulling. Het is compleet, er hoeft niets aan worden toegevoegd.

Er worden drie gelegenheden vermeld waarop de bazuin werd geblazen, om het volk bijeen te roepen, als oproep tot de oorlog en op speciale dagen zoals de nieuwe maan (Numeri 10:1-10). De dag van bazuingeklank werd gehouden op de eerste dag van de zevende maand en luidde het nieuwe civiele jaar in en niet het religieuze jaar. (Rosh Hashanah betekent begin van het jaar).

De profetische betekenis kan gevonden worden in het feit dat het volk Israël verstrooid geworden is over de gehele wereld (Leviticus 26:27-33; Deuteronomium 28:58-67) maar God zou ze weer terugbrengen in het land in het laatste der dagen (Jesaja 11:1-12; 27:12-13; Mattheüs 24:29-31). Toen dan in mei 1948 de staat Israël werd uitgeroepen zagen velen dat als een begin van de vervulling van Gods belofte.

Deze toepassing kunnen we ook maken voor de Gemeente. Sommigen, die gestorven zijn,  zijn ons al voorgegaan, en die nog leven zijn verstrooid over de hele wereld en in allerlei verschillende kerken. Maar ook voor de gelovigen, hen die wedergeboren zijn, komt het moment dat ze opgeroepen worden om samen te komen: ‘Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen’ (1 Thessalonicenzen 4:15-17).

6. De grote Verzoendag (Leviticus 23:20-32)

Na alles wat er gebeurd is met het volk Israël in het verleden is het logisch dat er een verzoening tot stand komst voordat ze hun Messias zullen ontmoeten. Daarom zien we in de Verzoendag een beeld van de toekomstige reiniging voordat het volk Israël hun Messias zal ontmoeten die hen zal bevrijden, reinigen en het koninkrijk zal oprichten, de zevende maand Met het blazen van de bazuin om het volk bijeen te brengen, zal ook in de toekomst gebeuren. ‘Maar het zal te dien dage geschieden, dat de HERE de aren zal dorsen van de Rivier af tot de Beek van Egypte toe, en gij zult ingezameld worden één voor één, kinderen Israëls. En het zal te dien dage geschieden, dat er op een grote bazuin geblazen zal worden, en zij die verloren waren in het land Assur en die verdreven waren in het land Egypte, zullen komen en zich nederbuigen voor de HERE op de heilige berg te Jeruzalem’ (Jesaja 27:12-13). In het evangelie naar Mattheüs verwijst de Heer Jezus hiernaar (Mattheüs 24:29-31).

Zoals de Verzoendag een dag van inkeer en berouw was, zo zullen ze berouw tonen wanneer ze hun Messias zullen ontmoeten (Zacharia 12:10-14). God zal over hen ‘de Geest der genade en der gebeden’ uitgieten’ (vs.10) en ze zullen zich bekeren van hun zonden en in Hem geloven. ‘Zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene’ (Zacharia 12:10). Israëls bekering en geloof zal leiden tot hun reiniging. ‘Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging’ (Zacharia 13:1). De Messias die gestorven is zal hun tot zond- en brandoffer zijn, en ze zullen een nieuwe start maken als een vergeven volk, geliefd door God. Wat de Heer gezegd heeft over het Joodse overblijfsel die terugkeerde uit Babylon zal ook van toepassing zijn op het volk in die grote dag: ‘In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des HEREN, zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven’ (Jeremia 50:20).

7. Het Loofhuttenfeest (Leviticus 23:33-44)

De jaarlijkse Verzoendag werd gevolgd door het Loofhuttenfeest. Ook in de toekomst wanneer het Vrederijk word opgericht, zoals God dat aan zijn volk beloofd heeft: ‘En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde.’ (Jesaja 11-12; 32; 35).

Het was een feest om het volk er aan te herinneren hoe ze in hutten hebben gewoond toen God ze uitleidde uit Egypte. ‘Zeven dagen lang moeten jullie in hutten wonen, elke geboren Israëliet moet in een loofhut wonen, om jullie kinderen eraan te herinneren dat ik de Israëlieten in hutten liet wonen toen ik hen uit Egypte uitleidde’ (Leviticus 23:42-43).

Het Loofhuttenfeest is een beeld van het toekomstig Koninkrijk die God heeft bereid voor zijn volk Israël. ‘Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen (regen) valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de HERE de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren’ (Zacharia 14:16-19).

Het beste komt nog voor het volk Israël. Het verstrooide volgt zal worden bijeen vergaderd, ze zullen worden gereinigd, en daarna juichen over alles wat God voor hen heeft gedaan. Maar ook de christenen is het beste nog toekomstig, want we zullen met de Heer Jezus zijn, met alle gelovigen van alle tijden en ons verheugen in Zijn aanwezigheid.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘De opstand van Mirjam’

Numeri 12

 

 

 

 

‘Hierom schrijf ik dit uit de verte, om bij mijn komst niet streng te moeten optreden naar de bevoegdheid, die de Here mij heeft gegeven om op te bouwen en niet om af te breken’ (2 Kor.13:10; 10:8).

 

Inleiding Numeri

Numeri ontleent zijn Latijnse naam aan de tellingen van Israëls strijders. De oude generatie werd geteld bij de berg Sinaï (Num.1-4) en de nieuwe in de vlakten van Moab (Num.26-27).

Dit boek beschrijft hoe God de oude generatie opzij zette vanwege hun ongeloof (Num.1-20) en daarna een nieuwe generatie toerustte om het beloofde land in bezit te nemen (Num.21-36). Het boek gaat ook over de omzwervingen die God zijn volk veertig jaar lang in de woestijn liet maken totdat de oude generatie, van twintig jaar en ouder, was uitgestorven. Ze geloofden God niet, en hun ongeloof kostte hun de erfenis. Het nieuwtestamentische  commentaar hierop is de Brief aan de Hebreeën. Als u niet door geloof deel krijgt aan uw geestelijke erfenis in Christus (Ef.1:3), zult u wandelen in ongeloof en uzelf beroven van de zegeningen die God voor u in petto heeft.

De geografie van de Bijbel leert ons een heleboel. Israël in Egypte beeldt onze verloren toestand van slavernij aan de wereld uit. Israël in Kanaän illustreert de aanspraak die we maken op onze erfenis door het geloof, en ons genieten van de volheid van Gods zegeningen. Israël in de woestijn is een beeld van vleselijke christenen wier ongeloof en ongehoorzaamheid hen verhinderen deel te krijgen aan alles wat God voor hen ter beschikking heeft.

Voorwoord

Ongeveer elf maanden verbleef het volk Israël bij de berg Sinaï. Ze kwamen er in de derde maand na hun uittocht uit Egypte (Ex.19:1), en het was nu de tweede maand van het tweede jaar. Gedurende hun verblijf had God hun de Wet gegeven en was de tabernakel gebouwd en gewijd. Mozes had de priesters en de Levieten gewijd, de soldaten geteld, en de stammen georganiseerd. Israël was nu een volk klaar voor de reis naar het beloofde land.  Desondanks was de geschiedenis van het volk Israël voor het grootste gedeelte voor de komende 38 jaar (Num.10:11-22:1) er een van ongeloof en falen. Er waren jaren waarin het volk opstond tegen Mozes en Gods wil weerstond. Vanwege hun ongeloof te Kadesh-Barnea, moest Israël achtendertig jaar door de wildernis trekken, gevolgd door een spoor van graven van hen die vielen. Van die generatie bleven alleen Jozua en Kaleb over. De eerste tien hoofdstukken staan in schril contrast met de laatste hoofdstukken. In de eerste tien hoofdstukken vinden we een volk dat de geboden van God gehoorzaamde. ‘De Israëlieten deden het. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.’ (1:54; 2:34; 3:16,51; 4:49; 5:4; 8:3,20,22; 9:5,23). Omdat ze God gehoorzaamden hadden de Israëlieten  niets te verliezen en wonnen alles, toch weigerden ze Hem te vertrouwen en te gehoorzamen. Pas in Numeri 26 veranderde hun houding, toen Mozes een nieuwe telling van het volk deed en hen voorbereidde om het beloofde land binnen te gaan om hun erfenis in bezit te nemen. Het heeft Mozes niet aan kritiek ontbroken toen hij het volk Israël uit Egypte leidde op weg naar het beloofde land! In Numeri 11 lezen we: ‘Toen het volk aan het klagen was, was het kwaad in de oren des HEREN’ (Num.11:1). Ze werden in hun geklaag gevolgd door het samenraapsel (Num.11:4). En als ‘klap op de vuurpijl’ stonden Aäron en Mirjam tegen Mozes op! Wellicht heeft Paulus hieraan gedacht toen hij in de brief aan de Hebreeën schreef: ‘Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen’ (Hebr.13:7). Laten we drie gebeurtenissen van het volk in ogenschouw nemen en laten we er onze lessen uit trekken en leren wat het betekent God te gehoorzamen.

Mirjams opstand

De betekenis van de naam Mirjam is onduidelijk. Men denkt wel eens aan ‘weerspannige’. De eerste keer dat we kennismaken met Mirjam in de Bijbel is als ze aan het oppassen is op haar broertje Mozes. Haar moeder had Mozes in een biezen kistje gelegd en het in het riet aan de oever van de Nijl gezet. Mirjam stond op enige afstand om te zien wat er met hem zou gaan gebeuren. Door haar optreden kwam Mozes later terecht aan het hof van de farao, nadat hij door zijn moeder enkele jaren was opgevoed. Door deze gebeurtenis was Mirjam wellicht een heel belangrijke vrouw geworden in het leven van haar broer Mozes. Mede door hem had ze een belangrijke positie te midden van het volk. Toen Mozes trouwde met een Ethiopische kwam haar positie wellicht in het geding, althans zo kan zij het hebben opgevat. Mirjam was van nature een leidster; had zij niet het voortouw genomen bij de uittocht uit Egypte en waren niet alle vrouwen haar gevolgd in de reidans (Ex.15:20)?

Aäron en Mirjam werden jaloers op het gezag dat God Mozes had gegeven, en ze wilden dat hij het met hen deelde. Misschien reageerden ze op wat God had gedaan voor de zeventig oudsten (Ex.11). Mozes verdedigde zich niet, hij wachtte op het optreden van God. Als wij onszelf verdedigen, verhindert dat misschien dat God ons verdedigt. ‘Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen?’ (1 Kor.6:7). Op de dood na was melaatsheid het ergste wat Mirjam kon overkomen. Zij was de aanvoerdster van de opstand en daarom is er geen oordeel over Aäron. Wat gebeurt het vaak dat men zich om hulp wendt tot precies diegene die men heeft bekritiseerd! In zijn zachtmoedigheid verheugde Mozes zich niet over de bestraffing van zijn zuster; integendeel, hij bad voor haar (Mat.5:43-48). De zonde van kritiek is ernstiger dan de mensen beseffen en had grote gevolgen (Mat.7:1-5; Jak.4:12).

De gevolgen van Mirjams opstand

1. Door haar zonde werd Mirjam melaats.

Melaatsheid is in de Bijbel bij uitstek het beeld van de zonde die zichtbaar is geworden (Lev.13:1-6; 14:1-8; 15:8). Aäron kende de betekenis van melaatsheid en vroeg Mozes om voor hen tussenbeide te komen. Aäron geeft niet de schuld aan Mirjam maar betrekt zichzelf erbij in. Hij zegt tot Mozes: ‘Ach mijn heer, reken ons toch de zonde niet toe, die wij in onze dwaasheid begaan hebben’ (Num.12:11). Aäron was de hogepriester die voor het volk tussenbeide mocht komen maar hij had nu zelf nood aan een middelaar! Door Mirjams melaatsheid wist het hele volk dat zij gezondigd had.

2. Door haar zonde werd Mirjam buiten de gemeenschap gesloten.

Iemand die melaats was moest door de priester zeven dagen worden opgesloten en kwam dus buiten de gemeenschap te staan (Lev.13:4). Om te voorkomen dat hij met zijn volksgenoten in aanraking zou komen, moest een melaatse de kleren scheuren, het hoofdhaar moest loshangen en de bovenlip moest bedekt zijn en de melaatse moest roepen: 'Onrein, onrein!’ ‘Zolang hij de plaag heeft, blijft hij onrein; hij is onrein; afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn’ (Lev.13:45-46).

3. Door haar zonde hield Mirjam het optrekken van het volk op.

De gevolgen van haar opstand tegen het gezag dat Mozes van de Here ontvangen had, nog een andere consequentie, namelijk het volk moest wachten totdat Mirjam ontslagen werd van haar afzondering. Zeven dagen dienden ze te wachten en konden niet optrekken. Zonde in het leven van een gelovige heeft vaak ook gevolgen voor zijn naasten. Om maar een voorbeeld te geven: de tien verspieders die God niet vertrouwden werden gestraft en moesten veertig jaar door de woestijn trekken. Jozua en Kaleb hadden andere gedachten maar waren wel gedwongen die lange reis mee te maken.

Toepassing

Wij weten dat deze gebeurtenis is vermeld in het Oude Testament opdat wij daar ons voordeel mee zouden doen (1 Kor.15:4; 1 Kor.10:6). De les is duidelijk! Christenen van wie de zonde openbaar is geworden dienen door de Gemeente daarover aangesproken te worden en als er geen belijden en berouw is, is het uiterste middel om zo iemand tot andere gedachten te brengen, het buitensluiten uit de gemeenschap (Mat.18:15-17; 1 Kor.6:9-13).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

Afscheid van Mozes

 

Deuteronomium 34:1-8

 

 

Inleiding

De Pentateuch, de vijf boeken van Mozes, begint met de schepping van hemel en aarde en wordt afgesloten met de beschrijving van de dood van Mozes. Het boek Deuteronomium neemt in de Pentateuch een heel aparte plaats in. Het geeft de toespraken van Mozes in de velden van Moab weer, te beginnen met een beschrijving van en een waarschuwende terugblik op de woestijnreis. Daarna volgt zijn grote rede waarin hij de wet van de tien geboden herhaalt en uitwerkt en die het volk op het hart bindt opdat het de zegeningen van het land zal bezitten. Dát is hier het grote punt: de voorbereiding op het land, niet zozeer het naderen tot God in het heiligdom, zoals in Exodus en Leviticus. Daarom vinden we vervolgens aanwijzingen over de plaats waar het volk God in het lánd zou gaan dienen. Aan het eind van het boek wijst Mozes Jozua als zijn plaatsvervanger aan, zingt hij zijn machtige, profetische lied en geeft hij het volk zijn zegen, elke stam afzonderlijk. Een aanhangsel beschrijft ten slotte zijn dood.

Heeft Mozes over zijn eigen dood en begrafenis geschreven? Dat is een vraag die je nog weleens hoort uit de hoek van de liberale theologie, met het doel de Bijbel in diskrediet te brengen. Ik denk van niet. Mogelijk is het door Mozes’ opvolger, Jozua, gedaan en als een aanhangsel aan het boek toegevoegd. Het komt ook in onze tijd voor dat iemand anders een boek afsluit bij een onverwacht overlijden van de schrijver. Daar is niets mis mee.

Mozes was niet bang om de berg op te gaan, want hij ging ‘als een arbeider die zich niet hoeft te schamen’ (2Tim.2:15). Mozes had het volk uit Egypte gehaald en was er veertig lange jaren mee door de woestijn gereisd op weg naar het beloofde land. Zijn taak was nu volbracht en hij was klaar om God te ontmoeten en zijn loon te ontvangen (2Kor.5:10).

Mozes, de knecht des Heren 

‘Toen stierf Mozes, de knecht des Heren, aldaar in het land Moab, volgens des Heren Woord’ (vs.5)

Wat een voorrecht om een ‘knecht des Heren’ genoemd te worden! Mozes was dat omdat hij daarvoor gekozen had, want ‘Mozes weigerde een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden, omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde, en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte’ (Heb.11:24-26). Die beslistheid was een belangrijk kenmerk van Mozes’ karakter. Hij was trouw in heel Gods huis (Heb.3:5). Zijn eerbied voor Gods Naam was diepgeworteld, zijn toewijding voor Gods zaak was compleet en zijn vertrouwen in Gods Woord was groot. Hij was een trouwe knecht van God van de dag af dat hij geroepen werd bij het brandende braambos tot aan het uur dat hij de berg Nebo op ging om te sterven. Mozes was vertrouwd geraakt met de dood, want een hele generatie was Mozes daarin al voorgegaan, ze waren allen gevallen in de woestijn (Heb.3:16-19). Alleen Jozua en Kaleb behoorden tot de gelukkigen die het land zouden beërven, omdat ze de Here trouw waren gebleven (Num.14).

Mozes heeft het resultaat van zijn arbeid niet mogen meemaken. Hoe vaak horen of lezen we niet van gelovigen die maaien waar anderen hebben gezaaid? David mocht ook de tempel niet bouwen, hij mocht wel de voorbereidingen treffen. Zijn zoon Salomo heeft het dan mogen voltooien. De taak die God ons geeft is altijd beperkt omdat het Zijn werk is!

‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven’ (1Kor.3:6)

Mozes ging overeenkomstig het Woord 

‘Toen stierf Mozes, de knecht des Heren, aldaar in het land Moab, volgens des Heren Woord’ (vs.5) 

God had een afspraak met Mozes. Het volk zou binnenkort het beloofde land binnentrekken en Mozes wist dat hij dat niet zou meemaken. In het boek Numeri lezen we dat Mozes en Aäron gezondigd hadden tegen de Here door op de rots te slaan in plaats van ertegen te spreken. Een foutje zouden wij zeggen, maar voor de Here betekende dat veel meer. Het is niet belangrijk wat wij zonde noemen, maar wat God zonde noemt. Het gevolg van het niet doen van wat God had geboden, was dat ze het land niet in mochten. ‘Maar de Here zeide tot Mozes en Aäron: Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land dat Ik hun geef’ (Num.20:12). Aäron is dan kort daarna, na het vertrek uit Kades, bij de berg Hor gestorven; ook volgens het Woord van God (Num.20:24). Mirjam was al eerder te Kades gestorven (Num.20:1). God houdt Zich aan zijn afspraak. Het was dan ook geen verrassing voor Mozes dat ook hij, voordat het volk het land zou binnentrekken, zou sterven ‘volgens des Heren Woord’. Hij had genoeg aanwijzingen gehad om in te zien dat ook hij binnenkort zou sterven en hij was bereid om zijn God te ontmoeten. En u?

‘Bereid u om uw God te ontmoeten’ (Amos 4:12)

Mozes mocht het land zien

‘Toen beklom Mozes uit de velden van Moab de berg Nebo, de top van de Misga, die tegenover Jericho ligt, en de Here liet hem het gehele land zien’ (Deut.34:1)

Hij ging naar boven om te sterven, maar hij mocht eerst het land nog zien. De ‘droom’ die hij al die jaren met zich mee had gedragen zou nu werkelijkheid worden. Hij mocht het land niet fysiek binnentrekken, maar in de Geest wel. Mozes had de Here nog eens gevraagd om het land te mogen binnentrekken, zo groot was zijn verlangen om het te zien, maar de Here had gezegd: ‘Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak’ (Deut.3:26). Een aantal keren ben ik in de gelegenheid geweest om de berg Nebo te bezoeken en je hebt vandaar een geweldig uitzicht over de vlakte van Jericho. Ik heb mij laten vertellen dat je bij goed zicht de Middellandse Zee kunt zien. In deze laatste ontmoeting op aarde laat de Here Mozes het gehele land zien en verzekert hem nog eens dat het dit land was dat Hij onder ede aan Abraham, Izaäk en Jakob beloofd had hen te zullen geven. Wat is onze ‘droom’ gedurende onze aardse reis? Misschien heeft u ‘in de Geest’ daarvan al een glimp opgevangen tijdens uw aardse reis en heeft het uw verlangen aangewakkerd. Vroeg of laat zullen u en ik ook naar boven gaan en zal het gelovig aanschouwen worden. Dan ‘zullen wij Hem zien zoals Hij is’ (1Joh.3:2). ‘Wij zullen in gerechtigheid zijn aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken ons verzadigen met zijn beeld’ (Ps.17:15). Vele jaren later is Mozes toch nog in het land geweest toen hij met de Heer Jezus op de berg der verheerlijking was (Mat.17:3).

‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?’ (Ps.42:3).

Mozes ontmoet zijn God

‘Toen stierf Mozes, de knecht des Heren, aldaar in het land Moab, volgens des Heren woord’ (vs.6)

Mozes ging naar boven naar de berg Nebo, de top van de Pisga. Wat een gedachte! In de Geest de berg op naar de ‘poort des hemels’ (Gen.28:17) om voor Gods aangezicht te verschijnen. Om ‘met Christus te zijn’, zou Paulus later zeggen (Fil.1:23). Zij die al in gemeenschap met God op de top van de berg leven, zoals Abraham (Gen.18), hoeven niet ver meer te gaan als ze naar huis worden geroepen. Mozes stierf naar Gods Woord (vs.5). Ook wij sterven naar Gods woord, want ‘het is elk mens gezet om eens te sterven’ (Heb.9:27). Ook wij, Gods kinderen, zullen eenmaal onze God ontmoeten en op die ‘reis’ en die ontmoeting kan niemand je vergezellen.

Er is ook nog een ander aspect dat vermeld dient te worden en dat gaat over de beloning die we zullen ontvangen. Gods Woord is daar duidelijk over en we moeten dat niet minimaliseren. Alle gelovigen zullen namelijk ook eenmaal voor de rechterstoel van Christus komen te staan om te ontvangen naar wat in hun lichaam is gedaan, hetzij goed hetzij kwaad (2Kor.5:10). Mozes had geen gemakkelijk leven gehad en soms op het punt gestaan om het bijltje erbij neer te gooien, maar hij was trouw aan God gebleven. Hij had met tranen gezaaid en zou nu met gejuich gaan oogsten (Ps.126:5). ‘God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten’ (Heb.6:10); dat is van toepassing op Mozes maar ook op elke gelovige. ‘Uw, mijn, ons werk voor de Heer is niet vergeefs’ (1Kor.15:58).

Mozes ging naar huis bij God. Sterven in Gods nabijheid is eigenlijk overgaan in zijn eeuwig blijvende aanwezigheid. ‘Gelukkig de doden die in de Heer sterven’ (Op.14:13). Mozes zou ‘in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen’ (Ps.23:6).

‘Daar komt geen vreemde God mij tegen, neen, het is mijn Vader en mijn God’

Mozes’ begrafenis

‘En Hij begroef hem... en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag’ (vs.6)

Er was niemand aanwezig toen Mozes stierf dan God alleen. Wij zouden wensen dat onze man of vrouw, kinderen of vrienden rondom ons sterfbed zouden staan om afscheid te nemen en ons te troosten; Mozes was alleen! Hij leefde alleen en stierf alleen! Maar een mooier ‘sterfbed’ dan Mozes heeft niemand gehad. Hij was nu veilig in Jezus’ armen! Zijn taak zat erop, hij had de goede strijd gestreden, zijn loop beëindigd en het geloof behouden en nu lag voor hem gereed de kroon van de gerechtigheid (2Tim.4:7-8). En God begroef Mozes, zijn knecht, heel persoonlijk, heel intiem. De duivel meende nog een recht op Mozes’ lichaam te hebben (Judas:9), maar God had hem begraven in een dal en niemand wist waar het graf van Mozes was. Het lichaam behoort de Heer toe evenals de geest (1Kor.6:19). ‘Strijd’ de Heer ook nu niet om ons lichaam (Rom.12:1)?

Voordat Mozes stierf heeft hij zijn opvolger Jozua aangesteld (Deut.31:1-8), zijn (afscheids-) lied gezongen (Deut.32) en het volk nog gezegend, elke stam afzonderlijk (Deut.33). ‘Toen Mozes stierf was zijn oog niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken’ (vs.7). Wellicht zal het er lichamelijk anders aan toe gaan bij ons dan bij Mozes (Ps.90:10). Maar wat de ‘nieuwe mens in Christus’ aangaat, diens oog zal niet verduisterd, noch diens kracht gebroken zijn. ‘Wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht. Zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat’ (Jes.40:31). Zij die in de Heer sterven, sterven in zijn kracht. Door Hem zal ons oog niet verduisteren en onze kracht niet wijken.

'God begraaft wel zijn knecht, maar Zijn werk gaat door!'

Slotwoord

De dood is iets waarover de mensen niet graag spreken, terwijl ze echt wel weten dat niemand eraan ontkomt. In de brief aan de Hebreeën staat ‘dat het de mensen gezet is om eenmaal te sterven’ (Heb.9:27). En omdat de mensen de dood wegdrukken uit hun gedachten, komen ze er ook niet aan toe om zich erop voor te bereiden. Hoe kun je je ook op de dood voorbereiden, die kennis is immers in onze geseculariseerde wereld verdwenen. Door de moderne medische wetenschap wordt ook de angst voor de dood voor een groot deel weggenomen door allerlei vormen van pijnstillers. Ook de kijk op de dood in onze tijd en in de westerse cultuur is totaal anders. Hoe vaak hoor je niet zeggen: dat de dood bij het leven hoort! Voorbereiden om een ontmoeting met God? Kom nou! Bangmakerij. God is toch dood?

Maar de Bijbel zegt dat we te maken hebben met een ‘Levende God’! Wanneer zal ik, zult u komen om voor Gods aangezicht te verschijnen? (Ps.42:3). Het leven is kort en het is vrijwel zeker dat u Mozes’ leeftijd niet zult bereiken. Misschien behoort u tot de sterken en wordt u tachtig jaar, maar vergeet uw afspraak niet, waarvan God alleen het tijdstip weet, en bereid u voor want ‘Het is vreselijk om te vallen in de handen van de levende God’ (Heb.10:31). Het is nu nog de tijd van genade, dus laat u met God verzoenen (2Kor.5:21). God heeft geen behagen in de dood van de zondaar, maar veeleer daarin dat hij zich bekeert en leeft (Ez.18:23). 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX