Brieven van de apostel Paulus 1

Wat zegt de Bijbel?

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Inleiding en Indeling op de brief aan de Romeinen

Contrasten in Romeinen 8

Onze toekomstige Heerlijkheid - Romeinen 8:18-30

God is vóór ons! - Romeinen 8:31-39

Maar nú geheel anders! - Romeinen 12-13

Zwak en sterk, samen één Kerk! - Romeinen 14-15

Inleiding en Indeling 1 Korinthiërs

De volharding van Paulus - 2 Korinthiërs 5

Inleiding en Indeling 2 Korinthiërs

 ___________________________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding op de brief aan de Romeinen

 

 

I. De belangrijkheid

Het is niet alleen vanwege het feit dat voor een aantal belangrijke mensen in het christendom de brief aan de Romeinen van grote betekenis en invloed is geweest, zoals Augustinus, Luther en Wesley, dat we ons met deze brief zullen bezighouden, maar ook vanwege drie volgende redenen:

(1) Het presenteert o.a. de volgende leerstellige onderwerpen - gerechtigheid, heiliging, aanneming, oordeel en eenwording met Christus.

(2) Het presenteert waarheden m.b.t. de verschillende bedelingen in hoofdstuk 9-11, en laat ons de relatie zien tussen Israël en de Gemeente in het eeuwige plan van God.

(3) Het presenteert praktische waarheden, en leert ons het geheim van de overwinning van de christen over het vlees, de dienst die gelovigen tot elkaar hebben en hun relatie om te besturen.

II. De achtergrond

Paulus was op zijn derde zendingsreis toen hij deze brief schreef, waarschijnlijk vanuit Korinthe in het jaar 57/58. Hij was al lang van plan geweest de gelovigen in Rome van wie hij velen kenden (hfdst.16) te bezoeken, en deze brief bereidde de weg. We weten niet hoe de gemeente is Rome is ontstaan, Paulus was er nooit geweest en ook de traditie dat Petrus de stichter is geweest vindt geen steun in de geschiedenis of de bijbel. Vermoedelijk hebben mensen die in Jeruzalem zijn geweest en het evangelie daar gehoord hebben het meegenomen (Hand.2:10). Uit hoofdstuk 16 blijkt dat er niet één maar meerdere gemeenten waren.

III. De reden voor Paulus om deze brief te schrijven

Paulus schrijft de brief aan de Romeinen om de volgende redenen:

(1)  Om de gelovigen in Rome voor te bereiden op zijn bezoek en om hen duidelijk te maken waarom hij niet eerder was gekomen (15:23-29).

(2) Om hen te onderwijzen in het basisonderwijs van het christelijk geloof.

(3) Om hen de relatie tussen Israël en de Gemeente uit te leggen, omdat joodse gelovigen hen dreigden te beïnvloeden (hfdst.9-11).

(4) Om hen te herinneren aan hun plichten als christenen ten opzichte van elkaar en de overheid ((hfdst.13).

(5) Hij geeft antwoord op valse beschuldigingen over hem (3:8; 6:1).

IV. Onderwerp

Wellicht is het meest belangrijke onderwerp wel de gerechtigheid van God. Het woord ‘gerechtigheid’ wordt in een of andere vorm meer dan veertig keer in deze brief gebruikt. In de hoofdstukken 1-3 vinden we de noodzakelijkheid voor gerechtigheid beschreven. In 4-8 de manier hoe God daarin voorziet. In 9-11 zien we hoe Israël God gerechtigheid verwerpt. In 12-16 hoe de ontvangen gerechtigheid in de praktijk moet worden gebracht.

‘Godsdiensten zijn het zoeken van de mens naar God; het evangelie is Gods zoeken naar de mens. Er zijn vele godsdiensten, maar slechts een evangelie.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Brief aan de Romeinen 

I. Inleiding (1:1-17)

A. Begroeting (1:1-7)

B. Verklaring (1:8-17)

II. Zonde (1:18-20 – gerechtigheid nodig)

A. De heidenen onder de zonde (1:18-32)

B. De joden onder de zonde (2:1-3:8)

C. De hele wereld onder de zonde (3:9-20)

III. Verlossing (3:21-5:21 – gerechtigheid toegeschreven)

A. Rechtvaardiging verklaard (3:21-31)

B. Rechtvaardiging uitgedrukt: voorbeeld Abraham (4:1-25)

C. Rechtvaardiging ervaren (5:1-21)

IV. Heiliging (6-8 – gerechtigheid geschonken)

A. Onze nieuwe positie in Christus (6)

B. Onze nieuwe problemen in het vlees (7)

C. Onze nieuwe kracht in de Geest (8)

V. Soevereiniteit (9-11 – gerechtigheid verworpen)

A. Verleden: Israëls verkiezing

B. Heden: Israëls verwerping

C. Toekomst: Israëls verlossing

VI. Dienst (12:1-15:13 – rechtvaardigheid in de praktijk)

A. Overgave aan God (12)

B. Onderdanigheid aan de overheid (13)

C. Aandacht schenken aan de zwakken (14:1-15:13)

VII. Conclusie (15:14-16:27)

A. Paulus’ trouw in zijn dienst (15:14-21)

B. Paulus’ toekomst in de dienst (15:22-33)

C. Paulus’ vrienden in de dienst (16:1-23)

D. Zegenwensen (16:24-27)

______________________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

Contrasten in Romeinen 8

 

 

 

 

 

‘(18) Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid, die aan ons geopenbaard zal worden. (19) Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God. (20) Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die (haar) onderworpen heeft, (21) in de hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. (22) Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe. (23) En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam’ (Rom.8:18-23)

De apostel Paulus geeft ons in dit gedeelte van de brief aan de Romeinen een aantal contrasten of tegenstellingen.

Toekomst vs. verwachting

De eerste vergelijking is toekomst en verwachting (vs.19, 23). We lezen in dit gedeelte het woord ‘toekomst ‘ en ‘verwachting’. Wellicht heeft ook u allerlei verwachtingen in het leven waarvan u hoopt dat ze ingevuld zullen worden. In vs.19-21 lezen wat de verwachting van de schepping is nl. de vrijmaking van de slavernij van de vergankelijkheid. Deze verwachting richt zich op de toekomst wanneer Christus zal verschijnen. De verwachting van de gelovigenis de verlossing van hun lichaam (Fil.4:20). Beiden zien uit naar die dag die omschreven wordt in Openbaring 21, wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen aanbreken.

Lijden vs. heerlijkheid

De tweede vergelijking is die van vers 18 - het lijden en de heerlijkheid. ‘Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.’ De schepping was goed. God zag dat wat Hij gemaakt had zeer goed was. Maar vandaag is de schepping zuchtend. Maar eens zal het weer een glorieuze schepping zijn. Het schema wat God in deze schepping heeft gelegd is lijden en heerlijkheid. We zien dit in de natuur. Tijdens de winter en de herfst, althans in veel delen van de wereld, kun je het lijden en zuchten van de schepping opmerken. Maar dan in de lente en zomer ontplooit zich de heerlijkheid. Dit was ook zo in het leven van de Heer Jezus – eerst het lijden dan de heerlijkheid (Luk.24:26). In de eerste brief van Petrus vinden we dit thema ook terug – eerst het lijden dan de heerlijkheid (1Petr.1:11). De discipelen wensten de heerlijkheid zonder het lijden. De duivel geeft je lijden zonder heerlijkheid. Maar het leven van een gelovige bestaat eerst uit het lijden en de heerlijkheid. Zo heeft God dit patroon ingesteld

Gods doel met deze schepping was vanaf het begin heerlijkheid. Toen kwam de zonde in de wereld en daarmee gepaard het lijden. In Romeinen 5 legt Paulus uit hoe door de val van eerste mensen de zonde kwam, lijden dood en veroordeling in de wereld. Maar in de Heer Jezus hebben we de verzekering van een toekomstige heerlijkheid. Paulus drukt zich in de tweede brief aan de Korintiërs zo uit: ‘Daarom worden wij niet moedeloos, maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid, daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig’ (2Kor.4:16-18). Onze uiterlijke mens vervalt. We worden ouder, en het verval van ons lichaam doet zijn intrede. Maar de innerlijke mens wordt vernieuwd van dag tot dag. We gaan meer en meer op de Heer Jezus gelijken. De verdrukking is licht en slechts tijdelijk wanneer we het vergelijken met de eeuwige heerlijkheid die voor ons ligt wanneer de Heer Jezus komt. Nu ervaren we lijden, maar in de toekomstige vrijheid van de kinderen van God, zal er heerlijkheid zijn.

Verwachting vs. openbaring

In Romeinen 8:19 vinden we een derde vergelijking. ‘Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.’ De schepping verwacht met reikhalzend verlangen naar de komst van Christus. Dat kun je van de mensen die in die schepping leven niet zeggen. De mensen leven alsof Christus nooit is gestorven voor hun zonden en alsof Hij nooit terug zou komen. Maar de schepping wacht, verwachtend de komst van de Heer jezus. Het gaat hier over een ernstig verlangen, als een persoon die op het puntje van zijn stoel zit, uitziende naar de dingen die gaan komen. Het tegenbeeld van verwachting is openbaring. De schepping ziet uit naar het openbaar worden van de zonen Gods. De woorden ‘openbaar worden’ is hetzelfde woord als het woord ‘apokalyps’ in het Bijbelboek Openbaring. Er komt een tijd dat de zonen Gods openbaar worden. Nu kan de wereld nog niet zien wie we werkelijk zijn. De heerlijkheid die God nu al in ons heeft gelegd is nog niet zichtbaar. ‘Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen, want wij zullen Hem zien zoals Hij is’ (1Joh.3:2). We weten niet wanneer de Heer Jezus terugkomt, maar wanneer Hij komt zullen de beloofde heerlijkheid binnengaan en zijn heerlijkheid zal zichtbaar worden, de ‘het openbaar worden der zonen Gods.’

In vers 17 spreekt Paulus over onze erfenis. ‘En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; als wij inderdaad met Hem lijden, opdat ook wij met Hem verheerlijkt worden.’ De Heer Jezus is al verheerlijkt. Wij zijn in Christus; daarom hebben we de zekerheid van onze toekomstige heerlijkheid. Wij zijn mede-erfgenamen; wat wil zeggen wat de Heer Jezus erft, erven wij. De Heer Jezus heeft de Vader gebeden: ‘Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven’ (Joh.17:24). Vandaag leven wij in de verwachting, maar wanneer de Heer Jezus terugkomt zullen we leven in de openbaring van die heerlijkheid. God zal verheerlijkt zijn wanneer de Gemeente zonder vlek of rimpel en wij veranderd voor Hem zullen staan (Ef.5:27).

Uitzichtloosheid vs. hoop

In Romeinen 8:20 is er nog een tegenstelling op te merken: een tegenstelling tussen uitzichtloosheid en hoop. ‘Want de scheppingis aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar omwille van hem, die haar onderworpen heeft.’ Het woord ‘vruchteloosheid’ betekend ‘ijdelheid’ of ‘doelloosheid’. In het Oude Testament is het de naam van Abel. Adam en Eva noemden hun zoon Abel dat ‘ijdelheid’ betekend. Je vindt het woord ‘ijdelheid’ en ‘ijdelheden’ zo’n achtendertig keer in het boek Prediker. ‘IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!’ (Pred.1:2). Het is het woord voor ‘damp’ of ‘adem.’

Er schijnt geen oorzaak te vinden zijn voor de dingen die in de wereld gebeuren. Wanneer je de krant leest of naar het nieuws kijkt, zeg je wel eens: ‘Wat is er allemaal aan de hand in de wereld!’ Het lijkt alles zo zinloos. Maar als contrast met de vruchteloosheid van de schepping, hebben we een gezegende hoop door Jezus Christus. God heeft zijn schepping onder controle. Hij werkt aan zijn plan met deze wereld en dat plan betekend hoop. Hoop in de Bijbel is niet zomaar hoop. Het is niet als een kind dat op zijn verjaardag een fiets hoopt te krijgen. Onze hoop is een zekerheid. Het is een gezegende hoop op de toekomst, en deze zekerheid controleert het heden. God heeft een plan met deze wereld en dat plan zal volvoert worden.

We hebben een levende hoop. ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd voor u’ (1Petr.1:3-4). Nu is de wereld onderworpen aan de vruchteloosheid, maar wanneer de Heer Jezus terugkomt, zullen we vervulling van deze gezegende hoop ervaren, ‘de schepping zelf zal zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God’ (Rom.8:21).

Gebondenheid vs. vrijheid

In Romeinen 8:21 vinden we een vijfde tegenstelling: de tegenstelling tussen de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid en de vrijheid van Gods kinderen. ‘Dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.’ Nu weten we waarom de schepping wacht op de komst van de Heer Jezus: De schepping kan niet worden bevrijd totdat wij zijn bevrijd! De schepping kan niet de heerlijkheid ervaren voordat wij die ervaren. Daarom moet de schepping wachten op de komst van Christus. Daarom wacht de Gemeente op de terugkeer van de Verlosser.

De schepping is gebonden. Vanwege de zonde is de schepping aan de vergankelijkheid onderworpen (vs.21). De schepping zal worden bevrijd. Bevrijd van wat? Van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid. Wat is die vergankelijkheid? De gebondenheid van verval, gebonden van het verval. De wet van de zonde en dood is werkzaam in de natuur. Er is dood en de dood leidt tot verval. Uit het verval komt zaad, en van het zaad komt leven, en dat herhaalt zich: leven, dood, verval. Ons lichaam is onderworpen aan de wet van de zonde en dood. Wanneer we sterven, keren onze lichamen terug tot stof. Wanneer de Heer Jezus tergkomt zullen we een verheerlijkt lichaam ontvangen. We kunnen deze cirkel van leven en dood niet doorbreken. Het lijkt erop dat in de lente de schepping vecht om iets nieuws voort te brengen, iets nieuws dat voor altijd zal blijven. Dat komt de herfst en wat ontstaan is in de lente vervalt. Een zullen we in de heerlijkheid zijn, daar is geen dood, geen verval, geen verderf, geen … We zijn op weg naar onze erfenis die God voor ons heeft weggelegd.

Zuchten vs. verlossing

Dit is de laatste tegenstelling: de tegenstelling tussen zuchten en verlossing (Rom.8:22-23). ‘Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.’ De schepping zucht als een vrouw die een kind baart. In de lente brengt de schepping iets nieuws voort, daarna vervalt het weer en sterft, zoals in voorgaande jaren. ‘En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam’ (vs.23). We zuchten niet omdat we reuma, hoofdpijn of andere ziekten. Zelfs ongelovigen zuchten omdat ze last van hun lichaam hebben.  We zuchten innerlijk omdat we wachten op de komst van de Heer Jezus. We zuchten voor de heerlijkheid. De hele schepping zucht voor de heerlijkheid, en u en ik, de gelovigen zuchten voor die heerlijkheid. Wij hebben de Geest als eerste gave ontvangen. Dat betekent dat wij het onderpand van onze heerlijkheid in onze harten hebben. We weten dat we naar de hemel gaan omdat de heilige Geest in onze harten woont. God zegt: ‘Hier is mijn onderpand. De heilige Geest is Mijn onderpand, Mijn zekerheid dat eens Ik jou in Mijn heerlijkheid zal opnemen’ We zullen verheerlijkte lichamen ontvangen, lichamen zoals Christus lichaam. We zullen niet langer lijden onder dood en verval of pijn en lijden dat wij nu ervaren. We zullen genieten van ‘de heerlijkheid der kinderen Gods’ (vs.21).

Romeinen 8:30 bevestigd dat wij al verheerlijkt zijn. ‘Die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt’ (vs.30). Er staat niet dat Hij ons zal verheerlijken, wij zijn al verheerlijkt in Hem. Waar wachten we dan op? We wachten op de openbaar wording van die heerlijkheid. We wachten op onze aanneming, de verlossing van ons lichaam. Onze innerlijke mens is al verlost, maar het lichaam nog niet. Eens zal ook ons lichaam bevrijd worden en zal onze verlossing compleet zijn.

Wat zegt dit ons als gelovigen? In elk geval weten we dat het lijden niet voor altijd is.  Lijden zal voor de ongelovigen voor altijd zijn.  Als je de Heer Jezus niet kent als je persoonlijke Verlosser, wees erop voorbereid dat je voor eeuwig zal lijden. Je moet de Verlosser nu vertrouwen om van lijden en dood verlost te zijn. ‘Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden’ (vs.18).

Nu mijden, mensen pijn en wenen. Ze gaan gebukt onder allerlei moeilijkheden en strijd. Laten we doen wat de gehele schepping doet: laten we uitzien naar de verlossing van dood en lijden en wachten op Jezus’ komst. Alle vergankelijkheid van dit leven zal eenmaal vervangen worden door de vervulling van de hoop. De gebondenheid aan de vergankelijkheid zal worden vervangen voor de heerlijkheid van de kinderen Gods. Het zuchten zal plaats maken voor aanneming en de verlossing van onze lichamen. Wat een geweldige dag zal het zijn wanneer de Heer Jezus terugkomt om ons in de hemel te brengen waar wij zullen genieten van zijn heerlijkheid.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

  

Onze toekomstige heerlijkheid.

Romeinen 8:18-30

 

 

 

Inleiding

Het voegwoordje ‘want’ waarmee vers 18 begint, verwijst naar het voorgaande vers 17, dat een brug vormt met het volgende onderwerp: het lijden in de tegenwoordige tijd en de heerlijkheid. Het delen in de heerlijkheid van Christus komt ná het deelhebben aan Zijn lijden. De gedachte dat lijden voorafgaat aan een toekomstige heerlijkheid vinden we vaker terug in het Nieuwe Testament. ‘Moest de Christus dit niet lijden? en zo zijn heerlijkheid binnengaan?’ zei de Heer Jezus tegen de Emmaüsgangers (Luk.24:26). En Petrus schrijft over: ‘de Geest van Christus die in hen was, aanduidde toen hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus zou komen, en van de heerlijkheden daarna’ (1Petr.1:11). Typologisch vinden we die gedachte al terug in het leven van Jozef zoals beschreven in het boek Genesis. Deze gedachte zal voor de gelovigen in Rome, aan wie de brief, die omstreeks 57 n.Chr. is geschreven, gericht was, een nog diepere betekenis gekregen hebben toen enkele jaren later (64 n.Chr) onder keizer Nero de christenvervolgingen begonnen. De apostel Johannes, die in die tijd verbannen was naar het eiland Patmos, wist ondanks het lijden dat hij ondervond toch ‘dat de HEERE zal regeren voor eeuwig en altijd!’ (Ex.15:18; Ps.47:8-9). Over lijden kon ook de apostel Paulus meespreken en alle gelovigen die leefden in die tijd hadden het bepaald niet gemakkelijk (2Kor.6:1-13; 11:23-33). Petrus spreekt over ‘de vuurgloed in uw midden’ (1Petr.4:12). Om die reden richt de apostel de aandacht op de heerlijkheid die alle gelovigen wacht. Die heerlijkheid zal al ons tegenwoordig lijden doen verbleken en vergeten. ‘Die hoop moet al ons leed verzachten, Komt reisgenoten, ’t hoofd omhoog! Voor hen, die ’t heil des Heren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog.’ We moeten bedenken dat het lijden in deze tijd slechts tijdelijk is en dat de toekomstige heerlijkheid eeuwig is! ‘Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking, bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2Kor.4:17).

De uitdrukking ‘tegenwoordige tijd’ duidt aan dat er ook een ‘toekomstige’ tijd zal komen, en dat de huidige situatie niet zal blijven. Paulus sluit aan bij het joodse spraakgebruik, waarin tegenover de tegenwoordige tijd ‘de toekomstige eeuw’, de eeuw van het Messiaanse vrederijk, wordt geplaatst. In het Nieuwe Testament worden deze uitdrukkingen herhaaldelijk tegenover elkaar gesteld: ‘deze eeuw’ (Luk.16:8; 20:34; Rom.12:2; Gal.1:4; Tit.2:12; Hebr.9:9) tegenover ‘de toekomende eeuw’ (Mat.12:32; Mark.10:30. Ef.1:21; Hebr.2:5).

Over welke toekomstige heerlijkheid heeft de apostel Paulus het hier? De hemel zelf of de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarvan Petrus ons spreekt en waarvan we zo vaak lezen in het Oude Testament? Ik denk het laatste. De apostel Paulus contrasteert hier niet de hemel, het hiernamaals, met ons huidig bestaan. Het gaat hier helemaal niet om onze eigen zaligheid, maar om wat wij aan Goddelijke heerlijkheid zullen uitstralen op aarde, als wij mét Christus in ware gedaante openbaar worden. Het contrast is tussen ons bestaan nú in deze schepping, een bestaan dat gekenmerkt wordt door lijden, en ons bestaan stráks in deze schepping: de heerlijkheid van de openbaarwording van de zonen van God, wanneer het aanzien van deze schepping totaal veranderd zal worden. Het betreft de openbaarwording van de zonen van God (Rom.8:9); het is de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen (1Thes.3:13), wanneer Hij zal komen en op die dag verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en bewonderd zal worden in allen die geloofd hebben (2Thes.1:10). Zacharia spreekt over ‘En de Here mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem’ (14:5), terwijl Judas spreekt over Henoch die van dezen geprofeteerd heeft: ‘Zie de Heer is gekomen temidden van zijn heilige tienduizenden om oordeel uit te oefenen tegen allen’ (Jd:14). En Paulus zegt: ‘Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’ (Kol.3:4). Er zijn nog andere verzen die daarover spreken. Bijvoorbeeld 1Joh.3:2: ‘Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn.’ Het ogenblik van zijn verschijning zal immers ook het ogenblik zijn van de openbaring van hen ‘die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen’ (Op.17:14). Er is dus lijden in deze ‘tegenwoordige’ tijd en dat lijden beperkt zich niet alleen tot de mensen maar betreft ook de schepping.

De schepping zucht

De schepping wordt in vers 19 en 22 als een persoon voorgesteld. ‘De schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar omwille van hem die haar onderworpen heeft’ (vs.20). Toen God de schepping van hemel en aarde voltooid had, zag Hij dat al wat Hij gemaakt had zeer goed was (Gen.1:31), maar nu is het een zuchtende schepping. Er is lijden en dood als gevolg van de zonde die door de mens in de wereld is gekomen. ‘De aardbodem is omwille van u vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten, zolang gij leeft; en doornen en distelen zal hij u voortbrengen’ (Gen.3:17-18). Paulus gebruikt voor dit lijden van deze schepping uitdrukkingen als ‘zinloosheid’, ‘slavernij’ en ‘verderf’ waarvan ze hoopt vrijgemaakt te worden. Het zuchten van de schepping is dus niet iets van de laatste eeuwen maar is er altijd geweest, hoewel we kunnen constateren dat het zuchten sterker wordt de laatste decennia omdat de mens het heeft nagelaten een goede ‘bewaarder’ van de schepping te zijn. Dit ‘zuchten’ wordt zichtbaar in zaken zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, stormen, droogtes e.d. En de laatste jaren denken we ook aan berichten van ‘gaten in de ozonlaag, smelten van de poolkappen en daardoor het stijgen van het zeewater, het opraken van de wereldvoorraden aan olie en aardgas, een sterk groeiend aantal mensen en daardoor een dreigend gebrek aan water en voedsel, tsunami’s, epidemieën zoals ebola en een toenemend aantal orkanen mogelijk veroorzaakt door de stijging van de temperatuur’, en zo zouden we door kunnen gaan.

Paulus vergelijkt deze zuchtende schepping met een vrouw die in barensnood is. Barensnood betekent nieuw leven! Er is pijn, maar die pijn eindigt als het kind geboren is. Eens zal deze schepping vrijgemaakt zijn van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Het gaat hier niet om de hemel als woonplaats van God maar om de nieuwe hemelen en aarde waar gerechtigheid woont waarover Petrus spreekt (2Petr.3:13; Jes.35:1-9).

 Wij zuchten

Maar niet alleen de schepping zucht, ook wijzelf zuchten bij onszelf. De schepping zucht opdat zij vrijgemaakt zou worden van de ‘slavernij van de vergankelijkheid’, wij zuchten in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Paulus zegt dat wij ‘in deze tent zuchten’ en zijn verlangen is ‘met Christus te zijn want dat is verreweg het beste’ (2Kor.5:1-8: Fil.1:23). Principieel maken wij (geestelijk) al deel uit van die nieuwe schepping, maar lichamelijk horen we nog bij de oude, en dat brengt ‘zuchten’ met zich mee. Wij zijn al zonen van God (vs.14-15) maar ons lichaam heeft daar nog geen deel aan. Wij zijn in uiterlijke verschijningsvorm niet als zodanig herkenbaar. Maar dat komt! We zullen (zegt vers 29) straks aan het beeld van de Zoon gelijkvormig zijn. Ons lichaam zal delen in de verlossing, en in opstandingslichamen zullen we herkenbaar zijn in wat we echt zijn: zonen van God. Omdat wij bij onze bekering al de vreugde van het verbonden zijn met Christus en van alle daarmee verbonden hemelse zegeningen verkregen hebben (Ef.1:3), zien wij des te meer uit naar volledige verlossing. ‘Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen’ (Fil.3:20-21). We zijn gelijk aan de verspieders die al een voorsmaak hadden gehad toen ze het land gingen verspieden, maar ze moesten nog veertig jaar wachten alvorens ze het land mochten binnengaan en in bezit nemen (Joz.13). Totdat die tijd aanbreekt wachten we en hopen op wat wij niet zien om het met volharding te verwachten. Want wij zijn behouden geworden in de hoop (8:2). Welke hoop? ‘In de verwachting van de gelukkige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus’ (Tit.2:13). Het beste komt nog! We worden niet moedeloos wanneer we het lijden in deze wereld zien of misschien zelf ervaren, want wij weten dat het lijden tijdelijk is en de heerlijkheid eeuwig!

De Geest Die zucht

Leven in een schepping die zucht betekent dat we geconfronteerd kunnen worden met moeiten en lijden. We leven in een gevallen en gebroken wereld maar dat wil niet zeggen dat God ons daarin alleen laat, hoewel die gedachte wel bij ons op zou kunnen komen zoals bij de discipelen toen zij in een storm terecht waren gekomen en de Heer wekten met de woorden: ‘Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?’ (Mark.4:38). Het is wellicht zo dat wij denken dat de Heer slaapt als wij een keer in grote nood verkeren, maar we mogen weten dat Hij niet werkeloos toekijkt want: ‘Hij was afzonderlijk op de berg om te bidden!’ (Mat.14:23; Rom.8:34). Hij zorgt immers voor ons en leeft mee in onze moeiten want we lezen: ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’ (Jes.63:9). Jezus was verontwaardigd in de Geest, ontroerd en weende bij het graf van Lazarus (Joh.11:33-34). En toen de Heer Jezus tijdens zijn dienst op aarde met de gevolgen van de zonde geconfronteerd werd, zuchtte Hij en was verontwaardigd (Mark.7:34). Nu is het de heilige Geest die zucht, maar dat is niet alles want Hij bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen, de Geest komt onze zwakheid te hulp! Eerder in deze brief hebben we gelezen dat ‘toen wij nog krachteloos waren, is Christus te rechter tijd voor goddelozen gestorven’ (5:5). Hier is het de heilige Geest die ons tegemoet komt in onze zwakheid om voor ons te bidden, want wat wij naar behoren zullen bidden weten wij soms niet. Waaruit bestaat die zwakheid? Onze zwakheid bestaat hierin dat wij, levend in deze gecompliceerde wereld, niet altijd in staat zijn om Gods wil te kennen (Kol.1:9). De uitkomst van Gods plan in ons leven kunnen wij niet altijd doorgronden want ‘onnaspeurlijk zijn Zijn wegen (11:33). Een klein voorbeeld mag dit duidelijk maken. De apostel Paulus had het verlangen om de gelovigen in Rome te bezoeken maar hij was vele malen verhinderd geweest om tot hen te komen (1:15; 22). Paulus is later wel in Rome gekomen maar niet op de manier die hij voor ogen had! Maar doordat hij verhinderd was, heeft hij de brief aan de Romeinen geschreven waarvan wij nu nog de vruchten kunnen plukken! Lijken wij soms ook niet op Gideon die tegen de Engel des Heren zei: ‘Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn al de wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden…?’ (Richt.6:13). De Engel des Heren verantwoordde zich niet maar gaf Gideon de opdracht om Israël te verlossen. God zal ook aan ons geen verantwoording afleggen waarom hij bepaalde dingen toelaat in ons leven. Wij mogen erop vertrouwen dat ‘Gods weg de beste is’ (Ps.18:31), ook al menen wij het tegendeel. De heilige Geest bidt in overeenstemming met God voor ons opdat wij de wil van God ook zouden leren kennen om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te worden (vs.29).

Tot besluit

We mogen erop vertrouwen dat Gods plan met deze wereld voltooid zal worden maar ook zijn plan met ons. Dat plan van God met ons begon al vóór de grondlegging van de wereld want toen al waren we in Christus uitverkoren (Ef.1:4-5). Paulus schrijft aan de gelovigen te Thessaloniki: ‘Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Heer geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus’ (2Thes.2:13-14). De openbaring van deze heerlijkheid zal werkelijkheid worden als de Heer Jezus komt; dan zullen wij in gerechtigheid Zijn aangezicht mogen aanschouwen en ons verzadigen met zijn beeld (Ps.17:15). Jesaja zegt: ‘Uw ogen zullen de Koning in zijn schoonheid aanschouwen’ (Jes.33:17). Ik zie ernaar uit, u ook?

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘God is vóór ons!’

 

Romeinen 8:31-39

 

 

Inleiding

Dit gedeelte van de brief aan de Romeinen behoort voor veel gelovigen tot de meest geliefde en het is natuurlijk ook een geweldig voorrecht te weten dat God vóór ons is, ook al is schijnbaar alles en iedereen tegen ons. Deze brief is aan het eind van de jaren vijftig geschreven aan de gelovigen te Rome, die tijdens het bewind van keizer Nero in het jaar 64 onder ernstige vervolgingen te lijden zouden krijgen. Helaas hebben veel gelovigen toen aan den lijve ervaren wat het betekende dat niets hen kon scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus is. ‘Wie zou tegen ons zijn?’ Zeker, we hebben een tegenstander, de Satan en zijn demonen, maar uiteindelijk zullen die worden verslagen. Elke tegenstander zal uiteindelijk het onderspit delven, want wij zijn meer dan overwinnaars!

God is vóór ons

De aartsvader Jakob heeft veel verdriet gehad over de vermeende dood van zijn zoon Jozef en op een bepaald moment heeft hij dat ervaren alsof alles tegen hem was (Gen.42:36). Ook al ervaren wij niet dat alle dingen meewerken ten goede, wij mogen er altijd van overtuigd zijn dat God vóór ons is, maar niet alleen God, ook de Heilige Geest (8:26), alle dingen (8:28) en de Heer Jezus (8:34). En dan te weten dat God eerst tegen ons was (Rom.2:1-10)!

Dat wil niet zeggen dat we in tijden van beproeving geen vragen hebben over het hoe, waarom en waarvoor, maar daarboven staat de zekerheid dat God vóór ons is. Onbegrijpelijk maar waar! De richter Gideon begreep dat niet en zei tegen de Here: ‘Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn dan al de wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden, als zij zeiden: Heeft de Here ons niet uit Egypte gevoerd?’ (Ri.6:13).

Wij mogen niet alleen zeggen: God is vóór ons, maar ook dat ‘alle dingen meewerken ten goede’. Hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen ook zijn, wij mogen weten ‘Gods weg is volmaakt’ (Ps.18:30-31). Wat een bemoediging om te weten dat God vóór ons is, ook al zuchten de schepping (8:22), wijzelf (8:23) en de heilige Geest (8:26). We weten dat God met ons bezig is opdat wij aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig worden en dat doet soms pijn (8:29)! Moest Petrus ook niet door zijn dood God verheerlijken (Joh.21:19)? God bezorgt zijn kind nooit onnodig leed! ‘Onthoudt Ge ons iets, wij zijn gewis, dat ‘t ons tot nut en voordeel is’.

Wie zou tegen ons zijn? Met deze retorische vraag vervolgt de apostel zijn brief. ‘De Here is met mij, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ zegt de psalmist (Ps.118:6; Heb.13:6). Zelfs de satan die ons aanklaagt, is onmachtig, want door zijn offer op het kruis heeft Christus hem ontwapend en openlijk tentoongesteld en over hem getriomfeerd (Kol.2:15). Voorwaarde is dat u en ik in een constante relatie blijven met de Heer Jezus. ‘U bent uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat Hij die in u is, groter is dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4). ‘Die in ons is’ is uiteraard de heilige Geest, van Wie wordt gezegd dat: ‘God ons niet heeft gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid’ (2Tim.1:7). Daarom kunnen wij zeggen: ‘Ik vermag alles door Hem die mij kracht geeft’ (Fil.4:13). Slechts dan zullen wij ‘meer dan overwinnaars’ zijn (Rom.8:37).

De Heer Jezus stierf voor ons

Niet alleen God is vóór ons, ook de Heer Jezus! Gods liefde voor ons blijkt uit de gave van zijn Zoon, Die Hij zelfs niet heeft gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven! (1Joh.4:9-10). God heeft niets achterwege gelaten voor onze redding. Tegen de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda sprak de Here: ‘Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen dat Ik er niet aan gedaan heb?’ (Jes.5:4). Niets heeft God onbeproefd gelaten. In het evangelie naar Mattheüs lezen we in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden dat de landman zijn slaven zond, maar toen die werden afgewezen zond hij ten slotte zijn zoon en zei: ‘Zij zullen mijn zoon ontzien‘ (Mat.21:36-37; 23:34-35; Heb.1:1). Hier in Romeinen 8:32 spreekt de heilige Geest over ‘dat God zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard’. We komen dat woord in een andere betekenis ook tegen in Genesis 22:12, waar gesproken wordt over ‘onthouden’. De tekst daar luidt: ‘En Hij zeide (tegen Abraham): Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden’. Terwijl God bij Abraham tussenbeide kwam om het leven van Isaak te sparen, ‘trok God zich terug’ toen de Heer Jezus op het kruis tot zonde werd gemaakt! Hij die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard!

Is de liefde van God voor ons geopenbaard in de gave van zijn Zoon, de liefde van de Heer Jezus is geopenbaard doordat Hij zijn leven voor ons heeft afgelegd (1Joh.3:16). Paulus maakt het heel persoonlijk wanneer hij zegt: ‘de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven’ (Gal.2:20). Maar Christus heeft Zichzelf ook gegeven en voor onze zonden geleden opdat Hij ons tot God zou brengen, Hij de Rechtvaardige voor ons onrechtvaardigen (1Petr.3:18; Gal.1:4). Wanneer Christus komt om ons te brengen in het huis van de Vader zal het geheel van de verlosten, de Gemeente waarvoor Hij Zichzelf heeft gegeven, voor Hem staan, heerlijk, zonder vlek of rimpel (Ef.5:25-27). Wat een geweldig vooruitzicht!

Maar het is nog niet gedaan, want Paulus gaat nog verder en zegt: ‘Zal God ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ Want als wij Gods kinderen zijn, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus (Rom.8:17). Wat dat allemaal inhoudt, daarvan kunnen we ons moeilijk een beeld vormen, het zal al onze verwachtingen te boven gaan. De koningin van Seba zei tot Salomo, die een type is van de Heer Jezus als de toekomstige Koning: ‘Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb, maar ik geloofde de woorden niet, totdat ik kwam en het met mijn eigen ogen zag; waarlijk de helft was mij niet aangezegd; gij hebt in wijsheid en welvaart de roep overtroffen, die ik vernomen had’ (1 Kon.10:6-7).

De Heer Jezus bidt voor ons

In de brief aan de Romeinen wordt duidelijk gemaakt dat de mens de door God gegeven wet niet kon houden en dat er buiten de wet om gerechtigheid van God geopenbaard is door geloof in de Heer Jezus, en dat God hem of haar die in geloof de toevlucht neemt tot de Heer Jezus, rechtvaardig verklaart (Rom.3:21,26). En dan zegt Paulus: ‘wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus’, en ‘zo is er dan geen veroordeling meer voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Rom.5:1; 8:1). Mocht de satan ons dan toch nog aanklagen, dan mogen we wijzen op Christus. God ziet ons in Christus aan. Zacharia 3:1-6 geeft ons hiervan een illustratie: ‘Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. De Here zeide echter tot de satan: De Here bestraffe u, satan, ja de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?’

Lag van vers 31 tot 33 de nadruk op God, vanaf vers 34 is dat op de Heer Jezus die gestorven is, ja, meer nog, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die voor ons bidt. Het is niet dat, nu de Heer Jezus aan de rechterhand van God is, Hij niet meer met ons wel en wee betrokken is, nee, als onze Hogepriester bidt Hij voor ons. Hij lijdt met ons mee (Hebr.4:15) en kan voor ons tussenbeide treden (Heb.7:25) en kan ons te hulp komen (Heb.2:18). Gods Woord onderwijst ons dat de Heer Jezus heeft gebeden voor zondaren (Jes.53:12), voor zwakken, voor volharding in het geloof (Luk.22:32), voor vijanden (Luk.23:34) en voor gelovigen (Joh.17:9). De Heer Jezus bidt voor ons en ook de Heilige Geest (8:26). Wat een bemoediging te mogen weten dat we een Hogepriester hebben die voor ons bidt, en ons te hulp komt in onze zwakheden (Heb.2:18). Het gaat hier om onze zwakheid, de neiging om te zondigen en niet voor gedane zonden. Dan zien we de Heer Jezus als onze Voorspraak. ‘En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus’ (1Joh.2:1; Joh:14:15,26; 15:26).

De Heer Jezus houdt van ons (8:34)

Vanaf dit vers gaat de apostel Paulus ons duidelijk maken dat externe oorzaken geen invloed hebben op onze relatie met Christus. Let wel: het gaat hier niet over de uitwerking van die relatie, want die luistert nauwkeurig of wij ons leven gericht hebben op Christus (1Joh.1:6). We kunnen het vergelijken met een huwelijk. Op een dag beloven een man en een vrouw elkaar trouw en zijn daardoor in een vaste relatie met elkaar. Het goed functioneren van die relatie is nu een verantwoordelijkheid van de beide partners, hun relatie zelf niet. Zo is het ook met ons. Door geloof en wedergeboorte zijn we een kind van God geworden, een relatie die niet meer ongedaan kan worden gemaakt! Dus wat er ook gebeurt, niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Als lijden komt, dan dient dat ons dichter bij Christus te brengen, want zijn nabijheid kan van een gevangenis een hemel maken. Voor ons, gelovigen die in landen wonen waar er vrede en welvaart is, is het niet zo eenvoudig te geloven dat lijden eigenlijk tot het christenzijn behoort. Maar een terugblik in de kerkgeschiedenis of een rondblik in onze huidige wereld zal er wel voor zorgen dat we ons dat bewust worden. Paulus haalt Psalm 44 aan om dat lijden te onderstrepen. ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. De gelovigen in Rome zouden het enkele jaren later, onder de regering van Nero, wel ervaren (1Petr.4:12-14).

Neen, breng de Heer Jezus in uw lijden, dan wordt het bittere zoet (Ex.15:25). Staande blijven in tijden van beproeving kun je niet in eigen kracht maar alleen door Hem die ons heeft liefgehad. En als we al meer dan overwinnaars zijn, dan is het ‘meer dan’ door Hem en niet door ons streven.

‘Ik ben verzekerd’, gaat Paulus verder, ‘dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God’. Gods liefde is zonder voorwaarden en niet gegrond op het feit hoe goed wij het wel in de praktijk zullen brengen, maar op het offer van Christus. Paulus’ zekerheid over zijn behoudenis was verankerd in Gods Woord. ‘Want ik weet Wie ik geloofd heb, en ik ben overtuigd dat Hij machtig is mijn aan Hem toevertrouwde pand te bewaren tot die dag’ (1Tim1:12). Omstandigheden van dood en leven, noch engelen of demonen, noch tegenwoordige of toekomstige dingen, niets kan ons scheiden van de liefde van God. ‘Opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God’ (Ef.3:17-19).

En met die gedachte, dat niemand ons uit Zijn hand kan rukken (Joh.10:29),sluit Paulus dit gedeelte af en gaat over tot de bespreking van Gods relatie en handelen met het volk Israël in verleden, heden en toekomst.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

‘Maar nú geheel anders!’

 

Romeinen 12-13

 

Inleiding

Het is algemeen aanvaard dat de brief aan de Romeinen door de apostel Paulus is geschreven omstreeks het eind van de jaren vijftig, vanuit Korinthe, waar hij toen verbleef. Hoe de gemeente in Rome is ontstaan, daarover kunnen we niets met zekerheid zeggen. Het vermoeden is dat Joden uit Rome, die op de Pinksterdag in Jeruzalem waren en daar het evangelie hoorden, tot bekering waren gekomen (Hand.22:10). Problemen tussen Joodse en heidense christenen (hoofdstuk 14 en 15) zijn voor Paulus mogelijk de aanleiding geweest om deze brief te schrijven, hen te willen bezoeken en dit bezoek aan te kondigen (1:15; 15:24-29).

Het is niet zo moeilijk om de brief van Paulus aan de Romeinen in te delen. In grote lijnen kun je stellen dat de hoofdstukken 1-8 beschrijven hoe de in zonde gevallen mensen weer in een herstelde relatie met God gebracht konden worden. Daarna, in hoofdstuk 9-11, behandelt de apostel het verleden, het heden en de toekomst van het volk Israël, terwijl het in hoofdstuk 12 tot het einde van de brief erover gaat hoe zij onze nieuwverworven positie in de praktijk dienen te brengen. Over het laatste gaat ons onderwerp, dat zich echter wel beperkt tot hoofdstuk 12 en gedeeltelijk hoofdstuk 13 van de brief aan de Romeinen. Het mag duidelijk zijn dat het onderwijs dat Paulus de gelovigen in Rome gaf, ook voor ons van toepassing is, zoals dat geldt voor de hele Schrift (Rom.15:4; 1Kor.10:6, 2Tim.3:16). Wanneer iemand in een levende relatie met de Heer Jezus is gekomen, wordt niet alleen zijn visie op het leven anders, maar ook zijn verhouding tot zichzelf, God, medegelovigen, andere mensen en de overheid!

Onze verhouding tot God (12:1)

‘Met beroep op de ontfermingen van God’ (12:1).

Hoofdstuk 12 begint met de verwijzing naar ‘de barmhartigheden Gods’; die barmhartigheid werd duidelijk gemaakt in de eerste acht hoofdstukken, waarin uitgelegd werd dat God de zondaars rechtvaardigt op grond van het geloof in de Heer Jezus. ‘Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (Klg.3:22). Een definitie van barmhartigheid is dat barmhartigheid het tonen van erbarmen is, van medelijden met mensen die het moeilijk hebben. Maar Gods barmhartigheid gaat veel verder, want de mens had het niet alleen maar moeilijk, hij was krachteloos, niet in staat om zijn situatie te veranderen, een zondaar en een vijand van God (Rom.5:6,8,10)! Daarom kon Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijven: ‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden en de God van alle vertroosting’ (2Kor.1:3). De God, die wij niet als Schepper hebben vereerd (Rom.1:21), is nu in Christus onze Vader geworden! Daarmee is onze verhouding tot God op slag veranderd en kunnen we met Paulus zeggen: ‘de God van Wie ik ben, die ik ook dien’ (Hand.27:24).

Deze uitspraak van Paulus: ‘De God van Wie ik ben’, leidt ons tot de diepgaande achterliggende betekenis van het kind zijn van God, de Vader. We zijn niet meer van onszelf, we zijn door God voor een prijs gekocht (1Kor.6:19)! Hij heeft een recht op ons verworven, naar lichaam, ziel en geest. De gelovige behoort nu tot Gods volk, een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte (1Petr.2:9). Er wordt wel gezegd dat eigendom altijd beperkt wordt door andermans rechten, door wetsvoorschriften en door regels van ongeschreven recht; dat is misschien juridisch wel zo geregeld, maar Gods eigendomsrecht op ons is ongelimiteerd. Eeuwig zijn eigendom, wat is er nog meer te wensen!

De verhouding tot onszelf (12:2-3)

‘(…) dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, (…) wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, (…) beproeft wat de wil van God is’ (12:1,2,3).

‘De God van Wie ik ben, die ik ook dien’ had Paulus tegen de mensen gezegd in het schip dat hem naar Rome zou brengen. Eigendom zijn en dienen horen bij elkaar en de dienst begint bij jezelf. Eigendom zijn van God wil ook zeggen dat je jezelf ondergeschikt maakt aan Hem. Dat is geen hersenspoeling zoals boze tongen weleens durven te beweren, want hersenspoeling is een behandeling waarbij iemand zodanig onder psychische druk wordt gesteld dat hij volkomen willoos en weerloos wordt. Onderwerping in de Bijbelse betekenis is een vrijwillige en van zichzelf uitgaande onderwerping aan God in het besef dat het doen van Gods wil altijd het beste is, in voor- en tegenspoed.

Die onderwerping legt beslag op je lichaam, verstand en wil. ‘En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus’ (1Thes.5:23). Let op dat het lichaam voor God belangrijk is. Het lichaam is geen kerker van de ziel (Plato en/of Socrates) want een dualisme tussen lichaam en ziel, waarbij de ziel goddelijke werkelijkheid is, terwijl het lichaam ten diepste tot het rijk van het kwaad behoort, is het christendom van huis uit vreemd. Neen, de Schrift leert ons dat het lichaam van de gelovige een tempel van de heilige Geest is en dat de Geest van God in hem of haar woont (1Kor.6:19; vgl.3:16). Vandaar de vermaning om onze lichamen te stellen tot een levende offerande voor God.

Maar niet alleen ons lichaam, ook ons denken moet op God gericht worden. De oproep is om ook te ‘bedenken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.3:2). We moeten vernieuwd worden in de geest van ons denken (Ef.4:23).

Het derde wat moet veranderen is de gerichtheid van onze wil. Petrus zegt dat de voorbijgegane tijd genoeg is geweest om de wil van de volken te volbrengen en we moeten de overige tijd in het vlees niet meer leven naar de begeerten van de mensen, maar naar de wil van God (1Petr.4:2-3).

Onze verhouding tot medegelovigen (12:4-17)

'Wat de broederliefde betreft, weest hartelijk voor elkaar; gaat elkaar voor in eerbetoon’

‘Weest onderling eensgezind’ (12:10,16). 

Alle gelovigen zijn leden van één lichaam en afzonderlijk leden van elkaar en hoe je met elkaar omgaat heeft in deze brief een grote plaats. Wellicht is de onenigheid onder de gelovigen in Rome wel aanleiding geweest van Paulus’ brief en zijn verlangen om hen te komen bezoeken. De gemeente bestond nog niet lang; op het moment dat hij deze brief schreef, misschien vijfentwintig jaar. Joden die Jeruzalem bezocht hadden en het evangelie hadden gehoord door de prediking van de apostel Petrus en tot bekering waren gekomen, waren teruggekeerd naar Rome en op die wijze was vermoedelijk de gemeente in Rome ontstaan (Hd.2:10). Later kwamen daar ook nog Griekse gelovigen bij, mensen uit de volkeren, en dat gaf aanleiding tot wrijving. Een bonte mengeling, en probeer daar maar eens een eenheid van te maken zonder dat dat ten koste gaat van de individualiteit van de gelovige! Een gouden regel om een goed samengaan te garanderen is er niet, maar een houding van nederigheid kan er wel toe bijdragen dat de praktische eenheid bevorderd wordt door ons laten en doen (vs.3). Daarom, ‘doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf; laat hij niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien’ (Fil.2:3-4).

De Schrift leert ons duidelijk dat we niet alleen zijn, maar dat we aan elkaar verbonden zijn in één Lichaam, met de opdracht elkaar te dienen met de gaven die we van God hebben ontvangen. We vinden een verwijzing naar gaven en talenten in de gelijknamige gelijkenis: ‘En de één gaf hij vijf talenten, de andere twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:15). Een andere verwijzing naar de gaven kunt u vinden in 1Korinthiërs 12:4-11; 28-31. Gaven zijn gegeven om ze te gebruiken ten dienste van elkaar. Het moet niet zo zijn in een gemeente dat slechts enkelingen zich inzetten voor het welzijn van de gemeente, maar dat elk zijn deel doet. God heeft het Lichaam zo samengesteld dat de leden voor elkaar gelijke zorg dragen (1Kor.12:25). In het streven naar het geestelijke moeten we trachten overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente (1Kor.14:12). Als elk lid van een gemeente, met betrekking tot de gaven, daarin zijn verantwoordelijkheid zou nemen, zou dat het welzijn van alle andere gelovigen bevorderen.

Onze verhouding tot ongelovigen (12:18-21)

‘Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen’ (Rom.12:18).

Gelukkig leven wij nu niet in dezelfde omstandigheden als de gelovigen aan wie Paulus schrijft. Wij worden als gelovigen niet vervolgd en dan is het redelijk eenvoudig in een goede verstandhouding met uw medemens te leven. Maar enkele jaren nadat Paulus deze brief aan de gelovigen te Rome had geschreven, veranderde de situatie wezenlijk doordat keizer Nero de gelovigen bloedig vervolgde. Mogelijk verwijst de apostel Petrus daarnaar in zijn eerste brief wanneer hij schrijft: ‘Geliefden, laat de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam’ (1Petr.4:12). De medemens begon zich vijandig te gedragen ten opzichte van de gelovigen en hoe ga je daarmee om? ‘Zegent wie u vervolgen; zegent en vervloekt niet’ en ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; behartigt wat goed is voor alle mensen’ (vs.14,17; Mat.5:38-48). Makkelijker gezegd dan gedaan! Dat ben ik met u eens. Laten we eens zien welke adviezen door Paulus gegeven worden: ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; behartigt wat goed is voor alle mensen. Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt de Heer. Maar als uw vijand honger heeft, geef hem te eten; als hij dorst heeft, geef hem te drinken; want door dit te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede’ (12:19-21). Dat is een les die de koning van Israël nog moest leren toen hij op het punt stond zijn vijand neer te slaan. Hij kreeg van Elisa echter de opdracht zijn vijand brood en water voor te zetten opdat ze zouden terugkeren naar hun heer (2Kon.6:21-23). David stond ook op het punt kwaad met kwaad te vergelden en Nabal, zijn bezittingen en zijn mensen te verdelgen. Gelukkig kon Abigaïl hem op andere gedachten brengen, zodat David niet het recht in eigen hand nam, waardoor hij zonder oorzaak bloed vergoten en zichzelf recht verschaft zou hebben. Toen David zijn voornemen om Nabal te doden losliet en het overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt, zien we God ook daadwerkelijk ingrijpen: ‘Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zeide hij: Geprezen zij de Here, die het rechtsgeding voor de schande, mij door Nabal aangedaan, gevoerd heeft en die zijn knecht van het kwade afgehouden heeft. De Here heeft het kwade van Nabal op diens eigen hoofd doen neerkomen’ (1Sam.25:1-39).

Onze verhouding tot de overheid (13:1-7)

‘Elke ziel zij aan de over haar gestelde overheden onderdanig’ (13:1).

Er zijn drie door God ingestelde instituties, het huwelijk, de overheid en de Gemeente. De overheid heeft een verantwoordelijkheid van God ontvangen waardoor haar gezag in de wereld ten uitvoer moet worden gebracht. Dit betekent niet, dat elke overheidsvorm uitdrukkelijk door God is ingesteld of dat God per se die en die regeerder aan de macht gebracht heeft. Het betekent wel, dat God het gezag heeft ingesteld en de overheid gezag verleent. Zo heeft de Heer Jezus het ook tegen Pilatus gezegd: ‘U zou geen enkele macht (gezag of bevoegdheid) tegen mij hebben, als het u niet van boven was gegeven’ (Joh.19:11). Pilatus was in zijn functie gesteld door de keizer van Rome, maar die had het gezag niet van zichzelf, maar van God. Hierbij moeten we denken aan Dan. 2:37, 38, waar we lezen hoe God gezag verleent aan Nebukadnezar, de eerste koning van de wereldrijken. En in feite moeten we nog verder terug, namelijk naar Gen.9:6, waar we de oorsprong van overheidsgezag onder de mensen vinden. Vandaar dat Petrus zegt: ‘Weest aan elke menselijke instelling onderdanig om ‘s Heren wil; hetzij aan een koning als hoogste, hetzij aan de stadhouders als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen’ (1Petr.2:13; Tit.3:1). Vergelijken we dit met een huwelijk, wat ook een instelling van God is, dan kunnen we zeggen dat God man en vrouw heeft samengevoegd omdat ze gebruik hebben gemaakt van Gods instelling. Het gaat er daarbij niet om of een huwelijk goed of slecht functioneert. Zo is ook elke regering, of die nu goed functioneert of niet, van God omdat het gezag van de overheid door God is ingesteld.

Wil dat dan zeggen dat we de overheid die over ons is gesteld, te allen tijde en in alle omstandigheden moeten gehoorzamen? Ik denk dat er omstandigheden zijn waarin we dat niet moeten doen. Een voorbeeld daarvan vinden we al heel vroeg in de Bijbel, namelijk in het boek Exodus. ‘Ook beval de koning van Egypte de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen, van wie de een Sifra heette en de ander Pua: Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, dan moet gij goed toezien bij de verlossing; indien het een zoon is, dan moet gij hem doden, maar indien het een dochter is, mag zij blijven leven. De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte haar gezegd had, maar lieten de jongens in leven’ (Ex.1:17). Een voorbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid vinden we in het boek Handelingen: ‘En de hogepriester ondervroeg hen en zei: Wij hebben u ernstig bevolen niet te leren in deze naam; en zie, u hebt Jeruzalem met uw leer vervuld en wilt over ons het bloed van deze mens brengen. Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen’ (Hand.5:27-29). Hoewel het in dit voorbeeld niet over overheden, koning of keizer gaat, maar over religieuze leiders, is het principe duidelijk. Gaat een gebod van een overheid in tegen een gebod van God, dan dienen wij God de voorrang te geven in ons handelen.

Ten slotte

‘Maar nú geheel anders!’ was de titel van deze studie. U bent wellicht door het lezen tot de ontdekking gekomen dat het Bijbels geloof niet slechts een verstandelijke overtuiging is dat God bestaat en zondaars vergeeft, maar dat het ons hele wezen raakt: lichaam, ziel en geest!

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

'Zwak en sterk, samen één kerk! '

Romeinen 14:1 -15:7

 

 

 

 

Inleiding

‘Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, als broeders ook tezamen wonen.’ (Ps.133:1)

Wie ook maar een klein beetje op de hoogte is van de kerkgeschiedenis, weet hoe moeilijk het is geweest om als gelovigen in eenheid samen te komen. Het is een beetje kort door de bocht, maar we kunnen zeggen dat er tot aan Luther officieel maar één kerk was, de rooms- katholieke; het protestantisme maakte aan die ‘eenheid’ een einde. Maar daarmee hield het niet op, het was nog maar het begin. Calvijn en Zwingli hadden ieder weer een eigen visie op kerk-zijn en kwamen al gauw afzonderlijk samen. Later ontstonden naast de staatskerken de evangelische gemeenten in al hun diversiteit, en met het ontstaan van allerlei vormen van huisgemeenten is het einde van de verdeeldheid zeker nog niet in zicht.

Uit de brief aan de Romeinen, waarvan Paulus de schrijver is, weten wij dat hij het verlangen had om Rome te bezoeken. Dat verlangen om de gemeenten in Rome te bezoeken werd wellicht nog versterkt door het feit dat hij gehoord had van problemen onder de gelovigen daar (Rom.14). De verschillen die er waren, konden een aanleiding tot scheuring zijn en dat wilde de apostel voorkomen. De gemeente bestond nog niet lang; op het moment dat hij deze brief schreef misschien vijfentwintig jaar. Joden die Jeruzalem bezocht hadden en het evangelie hadden gehoord door de prediking van de apostel Petrus en tot bekering waren gekomen, waren teruggekeerd naar Rome en op die wijze was vermoedelijk de gemeente in Rome ontstaan (Hand.2:10). Later kwamen daar ook nog Griekse gelovigen bij, mensen uit de volkeren, en dat gaf aanleiding tot wrijving.

Elke gemeente, ook de onze, bestaat uit een diversiteit van mensen met een verschillende culturele achtergrond en maatschappelijke positie. Paulus spreekt ook nog over ‘zwakken’ en ‘sterken’ in het geloof, geestelijke en ongeestelijke gelovigen en kinderen en volwassenen in het geloof (Rom.14:1, 15:1; 2Kor.3:1; 1Kor.3:1; Heb.5:14). Verder kunnen we denken aan slaven en heren, rijk en arm, enz. Een bonte mengeling, en probeer daar maar eens een eenheid van te maken zonder dat dat ten koste gaat van de individualiteit van de gelovige!

Om een goed samengaan te verzekeren, gaf Paulus richtlijnen of principes die bruikbaar zijn voor elke situatie en in alle tijden, om een samengaan mogelijk te maken. Hij gaf er zes, en hoopte dat, als de gelovigen in Rome zich daaraan zouden houden, de problemen zouden verdwijnen.

Laten we maar eens zien welke deze zes richtlijnen zijn en er ons voordeel mee doen in de gemeente waar God u en mij heeft geplaatst.

1. Ben ik overtuigd van mijn doen en laten? (14:1-5)

‘Ieder zij in zijn eigen denken ten volle verzekerd’

In deze verzen gaat het over eten en het houden van speciale dagen. Het houden van wetten met betrekking tot het eten van voedsel was voor de gelovigen uit de Joden heel normaal (Lev.11:1-47; 7:22-27). Voor de gelovigen uit de heidenen was er geen enkel probleem,‘vlees is vlees’ was hun devies (vgl. 1Kor.8 en 9). De ‘zwakken’ aten alleen groenten (vegetarisme), de anderen aten alles, maar ze moesten verdraagzaamheid tonen in elkaars overtuiging. De apostel Paulus schrijft later aan de gelovigen in Korinthe: ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is’ (1Kor.10:23-24). We mogen de andere gelovige niet minachten, noch oordelen over wat hij eet of niet eet. Maar dat geldt niet alleen voor het gebruik van voedsel, maar ook als God bijvoorbeeld met iemand een andere weg gaat dan ons goed lijkt. De Heer Jezus zei tot Petrus: ‘Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij’ (Joh.21:22). Ik heb een ander niet te oordelen of te minachten, maar moet die ander hoger achten dan mijzelf (Fil.2:3-4).

Stel je het maar eens voor, Joden die eeuwenlang de sabbat hadden gehouden konden niet begrijpen dat gelovigen uit de heidenen zich daar niet aan hielden. De zgn. christelijke zondag bestond nog niet, die is er eerst gekomen onder keizer Constantijn de Grote, die dat in 321 na Christus invoerde. De eerste gelovigen kwamen samen op de eerste dag van de week (Hand.20), maar dat wil niet zeggen dat die dag een dag was waarop niet werd gewerkt, zeker niet als je slaaf was. ‘Deze [immers] stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.’ (Rom.14:5). Het geweten, of eigen besef, dient echter wel getoetst te worden aan de Bijbel en als er geen concrete geboden zijn, dienen we in gebed tot God ons geweten te oefenen om te weten te komen wat er gedaan moet worden.

2. Wat ik doe, doe ik dat voor de Heer? (14:6-9)

‘Want niemand van ons  leeft voor zichzelf’

Zes keer wordt in dit gedeelte de uitdrukking ‘voor of van de Heer’ gebruikt. Wij zijn niet meer van onszelf, want wij zijn voor een prijs gekocht en hebben de opdracht om God te verheerlijken (1Kor.6:19). ‘En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt’ (2Kor.5:15). In alle dingen hebben we ons dus af te vragen voor wie wij iets doen. De apostel Paulus vatte het zo kernachtig samen: ‘…naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’ (Fil.1:20-21).

Het gaat er niet alleen om voor Wie ik iets doe, maar ook wat ik doe. Mijn houding ten opzichte van mijn werkgever zal bepaald worden door mijn visie dat ik mijn werk doe voor de Heer. Er zijn maar weinig gelovigen die hun hobby als werk hebben, en velen zouden graag iets anders willen doen maar krijgen daarvoor niet de gelegenheid. Wat denkt u van de slaven in de tijd toen de brief aan de Romeinen geschreven werd? Paulus schrijft voor de slaven het volgende: ‘Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles, niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien, maar met eenvoud des harten in de vreze des Heren. Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen’ (Kol.3:22-24). ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods’ (1Kor.10:31).

3. Zullen mijn daden stand kunnen houden in het oordeel? (14:10-12)

‘Zo zal dan een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God’

Neen, wij hoeven over het doen en laten van de ander geen rekenschap af te leggen, dat mag die ander zelf doen. In Romeinen 14:10 werd al de vraag gesteld of het juist was elkaar te oordelen. Uit Romeinen 14:13 blijkt dat men dat wel deed; de woordjes ‘niet langer’ wijzen daar immers op! ‘Laten wij dan niet langer elkander oordelen’ Dit gedeelte eindigt met de vermelding dat ‘een ieder van ons voor zichzelf rekenschap zal geven aan God’ (Rm.14:12). Mogen we dan helemaal niet oordelen en moeten we alle misstanden die er kunnen zijn loslaten? Neen, als er openbare zonde is in het leven van een gelovige hebben wij (en ook de Gemeente: Mat.18:18) de plicht elkaar daarop te wijzen.

Het komen voor de rechterstoel van God of Christus betekent het ontvangen van loon voor gedane arbeid en gaat niet over het ontvangen van een eeuwig oordeel of niet (2Ko.5:10). En willen we loon ontvangen, dan zullen we erop moeten toezien hoe we hier en nu bezig zijn. Laten we maar eens lezen: ‘Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen’ (1Kor.3:14-15).

4. Ben ik een struikelblok voor anderen? (14:13-21)

‘Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert’

Zoals gezegd hebben we de ander niet te oordelen, maar we mogen onszelf oordelen of zien of er in ons leven iets is waardoor we een struikelblok voor de ander zijn. Paulus wijst ons erop om onszelf te onderzoeken of we nog in het geloof zijn (2Kor.13:5; Rom.12:2). Vergelijk dat eens met Markus 9:43-47, waar we lezen over het afhakken van je hand of voet en het uitrukken van het oog mochten die dingen je ergeren! U begrijpt dat we dit niet letterlijk dienen te nemen, maar geestelijk, door dingen waaraan we geen weerstand kunnen bieden in de kracht van de Geest weg te doen uit ons leven.

Paulus is hier heel praktisch in zijn onderricht, het gaat over schijnbaar onbenullige zaken zoals vlees eten, of iets onrein, wijn drinken, maar in de context van joden en heidenen in één gemeente begrijpen we de moeilijkheid daarvan. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: ‘Daarom, als voedsel mijn broeder een aanleiding tot vallen geeft, zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, om mijn broeder geen aanleiding tot vallen te geven’ (1Kor.8:13).

We mogen de vrijheid in Christus niet gebruiken om te zondigen, vrijheid mag niet leiden tot bandeloosheid! De werkelijke vrijheid is datgene te doen wat God van ons verlangt, ‘Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde’ (Gal.5:13).

5. Doe ik dingen op grond van het geloof? (14:22-23)

‘En al wat niet uit geloof is, is zonde’

‘Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus’ (Rom.10:17). Daarom is alles wat ik doe en niet gegrond is op Gods Woord, zonde. Maar niet alleen verkeerde dingen doen is zonde, ook als we weten goed te doen en we doen het niet. ‘Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde’ (Jak.4:17). Daarbij denk ik aan de profeet Jona, die wist dat hij ‘goed’ moest doen aan de stad Nineve door hen de prediking te brengen die God tot hem spreken zou. We weten nu hoe het gegaan is!

In vers 22 lezen we: ‘Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht’. Daarom dienen we ook voorzichtig te zijn bij twijfelachtige vragen en niet alleen te steunen op eigen inzicht. ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Maar ook zullen we moeten openstaan voor correctie door een andere broeder of zuster.

6. Behaag ik mijzelf? (15:1-7)

‘Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing’

Niet alleen de inhoud van deze perikoop geeft mij de overtuiging dat hij nog bij hoofdstuk 14 hoort; hij eindigt ook zoals het begon in 14:1, namelijk met de sterken en de zwakken. (We noemen dit in de theologie een ‘inclusio’. (Vergelijk het woordje incluis, dat ingesloten, meegerekend betekent).

Als u tot de ‘sterken’ behoort, dient u de zwakheden (niet de zonden!) van de zwakke broeder of zuster te dragen. Voorwaar een hele opdracht, maar dit behoort tot de taak van hen die geloven tot de ‘sterken’ te behoren. In 1Kor.10:32-33 schrijft de apostel Paulus deze woorden: ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.’

In ootmoedigheid dienen we de ander uitnemender te achten dan onszelf en niet alleen te letten op ons eigen belang, maar ook op het belang van anderen. ‘Laat die gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was’ (Fil.2:3-4). Jammer dat Paulus, verderop in die brief, over de gelovigen moest vaststellen: ‘allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus’ (Fil.2:21). Ons voorbeeld in alles is Christus, die in Johannes 8:29 zegt: ‘Ik doe altijd wat Hem behaagt.’ Laat die gezindheid ook in ons zijn, die ook in Christus Jezus was…!

Besluit

‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’

We weten niet met zekerheid van wie dit gezegde is; sommigen schrijven het toe aan Augustinus, anderen zien het als een gezegde van de remonstrantse kerk, maar ik geloof dat, als de christenen zich aan die principes houden en hadden gehouden in het verleden, het zeker had kunnen dienen tot meer verdraagzaamheid onder elkaar en grotere eenheid. ‘De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken. Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods’ (Rom.15:5-7).

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op de eerste brief aan de Korinthiërs

 

 

I. De stad

Zonder twijfel was Korinthe de belangrijkste stad van Griekenland. Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie en lag op een ideale plaats aan de meest belangrijkste weg van het Romeinse rijk die liep van oost naar west. Korinthe was de vierde grootste stad van het Romeinse rijk en was bekend voor zijn handel, cultuur en verdorvenheid. Iedereen wist was een ‘Korinthiës meisje’ was, en een ‘Korinthiës feest’ was het toppunt van luxe en vrijheid. Korinthe was het middelpunt van de verering van Venus en een aantal andere mysteriegodsdiensten uit Egypte en Asia.

II. De Gemeente

Paulus bezocht Korinthe tijdens zijn tweede reis, nadat hij, zonder resultaat, Athene had bezocht (Hand.18:1-17). Hij werd bevriend met twee joodse tentenmakers, Aquila en Pricilla, en verbleef anderhalf jaar in Korinthe. Hij discuteerde, week na week, met de Joden in de synagoge, en Silas en Timotheüs voegden zich bij hem nadat hun taak in Berea er op zat. De overste van de synagoge kwam tot geloof en werd gedoopt door Paulus (Hand.18:8; 1Kor.1:14-16). De Heer gaf Paulus een speciale bemoediging om in Korinthe te blijven (Hand.18:9); maar na anderhalf jaar, vertrok hij naar Efeze. Hij verliet een Gemeente die rijkelijk voorzien van was van geestelijke zegeningen (1Kor.1:4-7), maar zeer op de proef werd gesteld door wereldse wijsheid en de zondigheid van de stad.

III. De briefwisseling

Paulus verbleef drie jaar in Efeze (Hand.19:1vv.). Het is mogelijk dat hij een tweede bezoek aan Korinthe maakte (2Kor.13:1) om sommige problemen recht te zetten. Eenmaal terug in Efeze, schreef hij hun een krachtige brief over hoererij (1Kor.5:9), maar deze brief is verloren geraakt. Op hun beurt schreef de Gemeente van Korinthe een brief aan Paulus, mogelijk verstuurd met Stefanus, Fortunatus en Achaïcus, die leden van de gemeente waren (1Kor.16:17). Deze brief bevatte meerdere vragen over de leer en de praktijk, vragen die Paulus beantwoordde (maar bestrafte hen ook voor hun zonden) in 1 Korinthe (zie: 1Kor.7:1; 8:1; 11:17). Hij zond Timotheüs vooruit om de leiders te helpen de eenheid en reinheid in de gemeente te herstellen (Hand.19:22; 1Kor.4:17; 16:10-11). Het is mogelijk dat de drie Korinthische gelovigen vermeld in 1Kor.16:17 de eerste brief aan de Korinthiërs met zich mee hadden genomen.

Timotheüs keerde naar Paulus terug met het bericht dat de Gemeente de brief had ontvangen maar dat nog niet alles in orde was. Paulus zond daarop Titus naar Korinthe om te zien of de gelovigen zijn gezag als apostel gehoorzaamden (2Kor.7:13-15). Titus ontmoette Paulus (2Kor.7:6-17) met het goede nieuws dat de overtreder (1Kor.5) bestraft was geweest en dat de Gemeente Paulus’ bevel had opgevolgd. Daarop schreef Paulus, samen met Timotheüs (2Kor.1:1), om de gemeente te prijzen en ze te bemoedigen door te gaan en het tot een goed einde te brengen. Titus bracht deze brief naar Korinthe en verbleef daar om te helpen met het in orde brengen van de giften voor de arme gelovigen in Jeruzalem (2Kor.12:17-18; 8:6). Uiteindelijk bracht Paulus nog eenmaal een bezoek aan Korinthe (Hand.20:1-4).

Paulus had twee belangrijke motieven om de eerste brief aan de Korinthiërs te schrijven: (1) om ze terecht te wijzen voor de zonden die in de Gemeente werden toegelaten (1-6); en (2) om hun vragen over het christelijk onderwijs en praktijk te beantwoorden. Hij had van zonde gehoord via het huishouden van Chloë (1:11) en van Stefanas, Fortunatus en Achaïcus (16:17). Zijn eigen bezoek aan Korinthe bracht hem informatie over de verdeeldheid en discussies in de Gemeente op. Geen enkele andere brief in het Nieuwe Testament treedt zo krachtig op met problemen in een plaatselijke Gemeente als Korinthe en wellicht is er geen andere brief die zo genegeerd wordt!

-------------------------------------------------------------------------------------

 

Indeling van de Eerste brief aan de gemeente te Korinthe

 

I. Vermaningen: De aanwezigheid van zonde (1:4-6:20)

 

A. Verdeeldheid in de Gemeente (1:4-4:21)

 

1. Leven niet in overeenstemming met hun roeping (1:4-16)

 

2. Het niet goed begrijpen van het evangelie (1:17-2:16)

 

3. Het niet goed begrijpen van hun taak (3:1-4:21)

 

B. Tucht in de Gemeente (5)

 

C. Meningsverschillen (6:1-8)

 

D. Gevaar van vermenging met de wereld (6:9-20)

 

II. Onderricht: Antwoord op vragen (7-16)

 

A. Vragen over het huwelijk (7)

 

B. Vragen over afgoderij (8-10)

 

1. Het voorbeeld van Christus (8)

 

2. Het voorbeeld van Paulus (9)

 

3. Het voorbeeld van Israël (10)

 

C. Vragen over gang van zaken in de Gemeente (11)

 

D. Vragen over geestelijke gaven (12-14)

 

1. Oorsprong en doel van de gaven (12)

 

2. Het gebruik van de gaven – de liefde (13)

 

3. Principes van geestelijke aanbidding (14)

 

E. Vragen over de opstanding (15

 

1. Bewijzen van de opstanding (15:1-34)

 

2. Gang van zaken bij de opstanding (15:35-49)

 

3. Volgorde van de opstanding (15:50-58)

 

F. Vragen betreffende de giften (16:1-12

 

Afscheidswoorden (16:13-24)

_________________________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

De volharding van Paulus

 

2 Korinthiërs 5:10-21 

 

 

 

Inleiding 

Ik kan me voorstellen dat de apostel Paulus in zijn leven vaak gedacht heeft aan een tekst die hijzelf aan de gelovigen te Rome had geschreven. Ik bedoel: ‘het lijden van de tegenwoordige tijd, niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid’ (Rom.8:18). Het lijden was hem immers niet vreemd! De Heer Jezus had dat immers ook tegen hem gezegd: ‘Ik zal u tonen hoeveel gij lijden zult voor mijn Naam!’ (Hand.9:16). En we lezen dan ook van slagen, schipbreuken en veel andere gevaren (2Kor.11:23-33). Volgens berekeningen heeft de apostel Paulus ongeveer 5.000 km. te voet en 9.000 km. per boot afgelegd. Al deze inspanningen waren voor hem geen reden om te stoppen met zijn bediening die hij van de Heer had ontvangen. In de praktijk zien we jammer genoeg dat veel gelovigen hun wandel met Christus om een of andere oorzaak opgeven. Dat moet ons niet verwonderen want ook dat had de Heer Jezus al voorzegt. In de gelijkenis van de zaaier en het zaad komt dat duidelijk naar voren. (Mat.13:1-9; 18-23). De vraag kan dan ook gesteld worden waarom de apostel Paulus wel doorging met de verkondiging van het Evangelie en niet stopte? Voor Paulus was het uitzicht van het gaan naar de hemel niet slechts een bestemming, maar het motiveerde hem ook, want wat God voor heeft gedaan moet ons motiveren om voor God iets te doen! 

In de tweede brief aan de Korinthiërs geeft Paulus vijf mogelijke redenen waarom hij is doorgegaan met zijn bediening… 

1. Verantwoording voor de rechterstoel van Christus (2Kor.5:9-10) 

‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2Kor. 5:10). 

De rechterstoel van Christus mag niet worden verward met de grote witte troon (Op.20:11-15), waar het gaat het over het oordeel over de ongelovige mensen en dat is hier niet het geval. Hier gaat het over de beoordeling van de gelovige en wat hij of zij met en in hun leven als kind van God hebben gedaan. Niet alleen de apostel Paulus maar ook wij hebben een verantwoordelijkheid om na onze bekering Christus te dienen. ‘Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam’ (2Kor.6:20). 

Wat wordt er geopenbaard? Sommigen denken aan ons karakter en de motieven waarom we iets voor de Heer gedaan hebben. Dat de motieven van christenen niet altijd goed zijn blijkt wel uit de brief aan Filippi: ‘Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling. Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben, maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken’ (Fil.1:15-17). We dienen voorzichtig te zijn in het beoordelen van de motieven van medegelovigen want: ‘Velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God’ (1Kor.4:5). 

Het tweede aspect is de beloning voor gedane diensten, hetzij goed hetzij kwaad. Hoe die beloning eruit zal zien weten we niet maar ‘God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen heb’ (Hebr.6:10). ‘Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’ (1Kor.15:58). Wat zal die beloning voor u inhouden: iets of niets? 

2. Paulus’ ontzag voor God (2Kor.5:11-13) 

Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar’ (2Kor.5:11). 

‘Vaak wordt met het woord ‘vreze’ vaak gedacht aan angst en bangheid, maar je het kun het woord ‘vreze’ ook weergeven met ‘ontzag’. Beide toepassingen zijn mogelijk. Paulus was niet bang voor God, hij kende God na zijn bekering en geloof in de Heer Jezus als een liefhebbende Vader die voor Hem zorgde. 

Hier gaat het over Paulus’ bezorgdheid over de ongelovigen die de Heer Jezus niet kennen als hun Redder en van wie geschreven staat dat ‘de vreze Gods staat hun niet voor ogen staat’ (Rom.3:18). De Bijbel kent maar twee soorten mensen: gelovigen en ongelovigen. Van de gelovige word gezegd: ‘wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld’ en van de ongelovige: ‘wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God’ (Joh.3:18). 

Paulus schrijft dat hij en ook de andere gelovigen wisten hoezeer de Here te vrezen is. Hoe wisten zij dat? Was dat niet doordat zij wisten dat God zijn eigen Zoon gegeven heeft en tot zonde heeft gemaakt opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem? (2Kor.5:21). Ja, God is liefde (1Joh.4:8) maar ook licht (1Joh.1:5), dat wil zeggen dat Hij ‘te rein van ogen is om het kwaad te zien, en het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab.1:13). Nee, God heeft ‘geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft’ (Ez.33:11). ‘Hij  wil niet, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen’ (2Petr.3:9). ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken.’ Het was niet alleen de wil van God dat zondaars behouden zouden worden maar ook de wens en het verlangen van Paulus want ‘vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God’ (Heb.10:31; 12:29). ‘Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur’ (Heb.12:28-29). 

3. Paulus: ‘Ik leef niet meer voor mijzelf!’ (2Kor.5:14-16) 

‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt’ (2Kor.5:14-15). 

Een derde reden voor Paulus om Christus te blijven dienen en te getuigen van de liefde van Christus was, dat hij tot het inzicht gekomen was dat hij niet meer voor zichzelf wilde leven.  Daarvan geeft hij op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament getuigenis. ‘Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’ (Gal.2:20). Paulus zag zichzelf als met Christus gestorven en daarom wilde hij dan ook in die nieuwheid van leven wandelen (Rom.6:4). 

Voor Paulus was de theorie ook de praktijk, hij had een groot besef van zijn positie in Christus maar ook van de daarbij horende verantwoordelijkheid! ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam’ (1Kor.6:19-20). Zijn grote overgave komt in het bijzonder tot uitdrukking in de brief aan de Filippiërs waar staat: ‘dat ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’(Fil.1:20). Paulus leefde voor Hem (2Kor.5:15), door Hem (1Joh.4:9) en nu met Hem (1Thes.5:10). ‘Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg’ (1Kor.11:1). Bent u Paulus al gevolgd? ‘Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden’ (1Petr.2:21). 

4. Belangrijkheid van zijn bediening van de verzoening (2Kor.5:17-19) 

‘En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’ (2 Kor.5:18-21).

 God is niet in oorlog met de mens, maar de mens is in oorlog met God! ‘Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten; maar indien een mens tegen de HERE zondigt, wie zal dan voor hem tussenbeide treden?’ (1Sam.2:25). Vers 20 begint met de woorden ‘wij zijn dus gezanten van Christus’, de Heer Jezus zegt ook tegen iedere gelovige ‘gij zult mijn getuigen zijn’ (Hand.1:8). Wat een voorrecht, maar ook wat een verantwoordelijkheid!

God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, die boodschap mogen wij de mensen voorhouden. Het Griekse woord voor verzoenen katallasso betekent ‘iemands vijandelijke houding in vriendschap veranderen, van mens tegenover mens of tegenover God’. ‘Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons,’ (Rom.5:10; 1Kor.7:11). Een oud lied zegt: ‘Kom, o kom met al uw noden, vrede wordt u aangeboden. Vlucht dan, eer u sterven moet, met uw zonde aan Jezus’ voet.’ Toen de Heer Jezus de ‘zeventig’ uitzond zei Hij o.a. tegen hen: ‘Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize’ (Luk.10:5). Bij zijn komen in de wereld kwam er plotseling bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende:  Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens’ (Luk.2:13-14). ‘Hij heeft vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren’ (Ef.2:17).

Onderschat deze taak niet, wij zijn gezanten van Christus, alsof God door onze mond de mens vermaand! God wil u en mij gebruiken in de opdracht het evangelie te verkondigen aan alle mensen, maar dan dienen we wel te weten wat de inhoud van dat evangelie is. Daarom schrijft Petrus:  ‘Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God’ (1Petr.4:11). Paulus vervat deze boodschap samen met de woorden: ‘laat u met God verzoenen. ’ ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Mat.11:28-30). 

5. Paulus’ trouw aan de opdracht van Christus (1Kor.4:1,2,5) 

Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken. Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God 

Veel gelovigen denken dat het de bedoeling is dat ze zoveel mogelijk voor de Heer moeten doen. De Bijbel legt meer de nadruk op betrouwbaarheid of trouw zoals de Herziene Voorhoeve vertaling het weergeeft: ‘Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden’ Trouw in het brengen van de boodschap die we ontvangen hebben. (Jona 3:2; Gal.1:6-12) maar ook trouw in de volharding als dienaren van Christus. Paulus kon aan de oudsten van de gemeente te Efeze betuigen: ‘U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht’ en ‘ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen (HV)’ (Hand.20:20, 27). ‘Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade’ (Hand.20:24). De voltooiing van  Paulus’ levenstaak kreeg zijn einde in Rome, van daaruit schrijft hij tijdens zijn gevangenschap aan Timotheüs dat de tijd van heengaan was aangebroken (2Tim.4:6). En hij beëindigd deze brief met de woorden: ‘Maar de Heer heeft me terzijde gestaan en me kracht gegeven, zodat ik de verkondiging tot een goed einde heb gebracht en alle volken de boodschap hebben gehoord. Ik ben gered uit de muil van de leeuw. De Heer zal me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen. Hem komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen’ (2Tim.4:17-18). Door de genade van God is Paulus trouw gebleven aan de inhoud van het evangelie en in de vervulling van de hem gegeven opdracht. ‘Dus volg mij na, zoals ik Christus navolg’ (1Kor.11:1). ‘Want trouw vindt men niet bij allen. Maar wèl getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze. En wij vertrouwen in de Here van u, dat gij, hetgeen wij u bevelen, niet alleen doet, maar ook zult doen’ (2Thes.2:2-4). 

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

Inleiding op de Tweede brief aan de Korinthiërs

 

 

 

I. Achtergrond

Lees nog eens de inleiding van de eerste brief aan de Korinthiërs voor de achtergrond en de stichting van de Gemeente daar.

Paulus schreef de eerste brief aan de Korinthiërs vanuit Efeze, waar hij drie jaar was geweest. Hij verzond deze brief door Timotheüs (1Kor.4:17), maar de problemen in de Gemeente bleven toenemen. Wellicht was Timotheüs aangeboren verlegenheid mede de oorzaak dat de gelovigen niet gehoorzaamden aan Paulus’ opdrachten. Hoe dan ook, Paulus zond Titus naar Korinthe om zeker te zijn dat ze de apostolische bevelen van Paulus zouden gehoorzamen (2Kor.7:13-15). De discussie vermeld in Handelingen 19:23-41 dwong Paulus om Efeze te verlaten. Paulus had de Korintiërs beloofd hen te bezoeken (1Kor.16:1-7), maar door allerlei oorzaken werd het steeds maar uitgesteld. Paulus had gehoopt Titus te Troas te ontmoeten (2Kor.2:12-13), maar dat mislukte. Wanneer je 2Kor.1-2 leest, voel je de last en moeite van Paulus, zowel fysiek als geestelijk. Ondertussen predikte Paulus in Troas en maakte zich op om naar Macedonië te gaan. Hij ontmoette tenslotte Silas, wellicht in Filippi (2Kor.7:5-6), en Titus bracht Paulus het goede nieuws dat de meerderheid in Korinthe achter hem stond en zijn opdrachten gehoorzaamden. Het was die blijdschap dat Paulus ertoe aanzette om de tweede brief aan de Korinthiërs te schrijven.

II. Doel

Paulus had meerdere doelen op het oog toen hij deze brief schreef:

(1) De Gemeente te bevelen de overtreder te oordelen (1Kor.5), en hen aan te moedigen hem te vergeven en aan te nemen (2Kor.2:6-11).

(2) Waarom hij zijn eerdere plannen had moeten wijzigen en hen niet had bezocht zoals beloofd (1Kor.16:3-7; 2Kor.1:15-22).

(3) Om hen van antwoord te dienen die aan zijn apostelschap twijfelden (2Kor.10-12).

(4) Om hen van antwoord te dienen die hem oordeelden met verkeerde motieven (2Kor.4:1-2).

(5) Om de Gemeente te bemoedigen deel te nemen aan de collecte voor de gelovigen in Jeruzalem (2Kor.8-9).

(6) Hen voor te bereiden op zijn toekomstig bezoek (2Kor.13).

Deze brief staat in contrast met de toon van de eerste brief aan de Korinthiërs, het is veel persoonlijker en laat duidelijk de diepe emoties van de toegewijde apostel zien. In de eerste brief aan de Korinthiërs krijgen we een kijkje in de ‘keuken’ van de Gemeente, in twee Korinthiërs zien we het ‘open hart’ van de apostel en krijgen we zicht op zijn ijver en bezorgdheid voor het werk van de Heer. In de eerste brief is Paulus de leraar die antwoord geeft op vragen en zaken rechtzet; in deze tweede brief is hij de liefhebbende herder, de dienstknecht van Christus, die zijn leven toewijdde opdat zijn geestelijke kinderen zullen ijveren in hun christelijke wandel.

Geen enkele andere brief in het Nieuwe Testament toont ons het ware karakter van de christelijke dienst als deze. Geen enkele andere brief zegt ons meer over vrijgevigheid, lijden en geestelijke overwinning.

--------------------------------------------------------------------------------------

Indeling van de Tweede brief aan de gemeente te Korinthe

I. Paulus’ verklaring van zijn taak (1-5)

A. Lijden maar niet verslagen (1)

B. Verdriet, maar niet wanhopig (2)

C. Geestelijk, niet vleselijk (3)

D. Oprecht, niet bedrieglijk (4)

E. Ernstig, niet onverschillig (5)

II. Paulus’ vermaningen voor de Gemeente (6-9)

A. Paulus’ dienst onderzocht (6:1-13)

B. Paulus verdedigd afscheiding van de zonde (6:14-7:1)

C. Paulus verzoek tot verzoening in de Heer (7:2-16)

D. Paulus verzoek tot deelname in de bijdragen (8-9)

III. Paulus’ verdediging van zijn apostelschap (10-13)

A. Pauls verdedigd zijn manier van doen (10)

B. Paulus verklaard zijn motieven (11)

C. Paulus verklaart zijn verdiensten (12)

D. Paulus vertelt over zijn dienst (13)

______________________________________________________________