Brieven van Paulus

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

Onze toekomstige Heerlijkheid - Romeinen 8:18-30

God is vóór ons! - Romeinen 8:31-39

Maar nú geheel anders! - Romeinen 12-13

Zwak en sterk, samen één Kerk! - Romeinen 14-15

De volharing van Paulus - 2 Korinthiërs 5

Inleiding op de brief aan de Fippiërs

Paulus omstandigheden in Filippi

Nieuws uit Rome - Fillipenzen 1

Vier voorbeelden om na te volgen - Filippenzen 2

Om Hem te kennen! - Filippenzen 3

De eerste brief aan de Thessalonikers - Hoofdstuk 1

Afscheidswoorden - 2 Timotheüs 4

De genade van God is verschenen - Titus

Betere  Offers - Hebreeën 11:4

Mozes - Als geloof nee zegt - Hebreeën 11

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

Onze toekomstige heerlijkheid.

Romeinen 8:18-30

 

 

 

Inleiding

Het voegwoordje ‘want’ waarmee vers 18 begint, verwijst naar het voorgaande vers 17, dat een brug vormt met het volgende onderwerp: het lijden in de tegenwoordige tijd en de heerlijkheid. Het delen in de heerlijkheid van Christus komt ná het deelhebben aan Zijn lijden. De gedachte dat lijden voorafgaat aan een toekomstige heerlijkheid vinden we vaker terug in het Nieuwe Testament. ‘Moest de Christus dit niet lijden? en zo zijn heerlijkheid binnengaan?’ zei de Heer Jezus tegen de Emmaüsgangers (Luk.24:26). En Petrus schrijft over: ‘de Geest van Christus die in hen was, aanduidde toen hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus zou komen, en van de heerlijkheden daarna’ (1Petr.1:11). Typologisch vinden we die gedachte al terug in het leven van Jozef zoals beschreven in het boek Genesis. Deze gedachte zal voor de gelovigen in Rome, aan wie de brief, die omstreeks 57 n.Chr. is geschreven, gericht was, een nog diepere betekenis gekregen hebben toen enkele jaren later (64 n.Chr) onder keizer Nero de christenvervolgingen begonnen. De apostel Johannes, die in die tijd verbannen was naar het eiland Patmos, wist ondanks het lijden dat hij ondervond toch ‘dat de HEERE zal regeren voor eeuwig en altijd!’ (Ex.15:18; Ps.47:8-9). Over lijden kon ook de apostel Paulus meespreken en alle gelovigen die leefden in die tijd hadden het bepaald niet gemakkelijk (2Kor.6:1-13; 11:23-33). Petrus spreekt over ‘de vuurgloed in uw midden’ (1Petr.4:12). Om die reden richt de apostel de aandacht op de heerlijkheid die alle gelovigen wacht. Die heerlijkheid zal al ons tegenwoordig lijden doen verbleken en vergeten. ‘Die hoop moet al ons leed verzachten, Komt reisgenoten, ’t hoofd omhoog! Voor hen, die ’t heil des Heren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog.’ We moeten bedenken dat het lijden in deze tijd slechts tijdelijk is en dat de toekomstige heerlijkheid eeuwig is! ‘Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking, bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2Kor.4:17).

De uitdrukking ‘tegenwoordige tijd’ duidt aan dat er ook een ‘toekomstige’ tijd zal komen, en dat de huidige situatie niet zal blijven. Paulus sluit aan bij het joodse spraakgebruik, waarin tegenover de tegenwoordige tijd ‘de toekomstige eeuw’, de eeuw van het Messiaanse vrederijk, wordt geplaatst. In het Nieuwe Testament worden deze uitdrukkingen herhaaldelijk tegenover elkaar gesteld: ‘deze eeuw’ (Luk.16:8; 20:34; Rom.12:2; Gal.1:4; Tit.2:12; Hebr.9:9) tegenover ‘de toekomende eeuw’ (Mat.12:32; Mark.10:30. Ef.1:21; Hebr.2:5).

Over welke toekomstige heerlijkheid heeft de apostel Paulus het hier? De hemel zelf of de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarvan Petrus ons spreekt en waarvan we zo vaak lezen in het Oude Testament? Ik denk het laatste. De apostel Paulus contrasteert hier niet de hemel, het hiernamaals, met ons huidig bestaan. Het gaat hier helemaal niet om onze eigen zaligheid, maar om wat wij aan Goddelijke heerlijkheid zullen uitstralen op aarde, als wij mét Christus in ware gedaante openbaar worden. Het contrast is tussen ons bestaan nú in deze schepping, een bestaan dat gekenmerkt wordt door lijden, en ons bestaan stráks in deze schepping: de heerlijkheid van de openbaarwording van de zonen van God, wanneer het aanzien van deze schepping totaal veranderd zal worden. Het betreft de openbaarwording van de zonen van God (Rom.8:9); het is de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen (1Thes.3:13), wanneer Hij zal komen en op die dag verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en bewonderd zal worden in allen die geloofd hebben (2Thes.1:10). Zacharia spreekt over ‘En de Here mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem’ (14:5), terwijl Judas spreekt over Henoch die van dezen geprofeteerd heeft: ‘Zie de Heer is gekomen temidden van zijn heilige tienduizenden om oordeel uit te oefenen tegen allen’ (Jd:14). En Paulus zegt: ‘Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’ (Kol.3:4). Er zijn nog andere verzen die daarover spreken. Bijvoorbeeld 1Joh.3:2: ‘Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn.’ Het ogenblik van zijn verschijning zal immers ook het ogenblik zijn van de openbaring van hen ‘die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen’ (Op.17:14). Er is dus lijden in deze ‘tegenwoordige’ tijd en dat lijden beperkt zich niet alleen tot de mensen maar betreft ook de schepping.

De schepping zucht

De schepping wordt in vers 19 en 22 als een persoon voorgesteld. ‘De schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar omwille van hem die haar onderworpen heeft’ (vs.20). Toen God de schepping van hemel en aarde voltooid had, zag Hij dat al wat Hij gemaakt had zeer goed was (Gen.1:31), maar nu is het een zuchtende schepping. Er is lijden en dood als gevolg van de zonde die door de mens in de wereld is gekomen. ‘De aardbodem is omwille van u vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten, zolang gij leeft; en doornen en distelen zal hij u voortbrengen’ (Gen.3:17-18). Paulus gebruikt voor dit lijden van deze schepping uitdrukkingen als ‘zinloosheid’, ‘slavernij’ en ‘verderf’ waarvan ze hoopt vrijgemaakt te worden. Het zuchten van de schepping is dus niet iets van de laatste eeuwen maar is er altijd geweest, hoewel we kunnen constateren dat het zuchten sterker wordt de laatste decennia omdat de mens het heeft nagelaten een goede ‘bewaarder’ van de schepping te zijn. Dit ‘zuchten’ wordt zichtbaar in zaken zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, stormen, droogtes e.d. En de laatste jaren denken we ook aan berichten van ‘gaten in de ozonlaag, smelten van de poolkappen en daardoor het stijgen van het zeewater, het opraken van de wereldvoorraden aan olie en aardgas, een sterk groeiend aantal mensen en daardoor een dreigend gebrek aan water en voedsel, tsunami’s, epidemieën zoals ebola en een toenemend aantal orkanen mogelijk veroorzaakt door de stijging van de temperatuur’, en zo zouden we door kunnen gaan.

Paulus vergelijkt deze zuchtende schepping met een vrouw die in barensnood is. Barensnood betekent nieuw leven! Er is pijn, maar die pijn eindigt als het kind geboren is. Eens zal deze schepping vrijgemaakt zijn van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Het gaat hier niet om de hemel als woonplaats van God maar om de nieuwe hemelen en aarde waar gerechtigheid woont waarover Petrus spreekt (2Petr.3:13; Jes.35:1-9).

 Wij zuchten

Maar niet alleen de schepping zucht, ook wijzelf zuchten bij onszelf. De schepping zucht opdat zij vrijgemaakt zou worden van de ‘slavernij van de vergankelijkheid’, wij zuchten in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Paulus zegt dat wij ‘in deze tent zuchten’ en zijn verlangen is ‘met Christus te zijn want dat is verreweg het beste’ (2Kor.5:1-8: Fil.1:23). Principieel maken wij (geestelijk) al deel uit van die nieuwe schepping, maar lichamelijk horen we nog bij de oude, en dat brengt ‘zuchten’ met zich mee. Wij zijn al zonen van God (vs.14-15) maar ons lichaam heeft daar nog geen deel aan. Wij zijn in uiterlijke verschijningsvorm niet als zodanig herkenbaar. Maar dat komt! We zullen (zegt vers 29) straks aan het beeld van de Zoon gelijkvormig zijn. Ons lichaam zal delen in de verlossing, en in opstandingslichamen zullen we herkenbaar zijn in wat we echt zijn: zonen van God. Omdat wij bij onze bekering al de vreugde van het verbonden zijn met Christus en van alle daarmee verbonden hemelse zegeningen verkregen hebben (Ef.1:3), zien wij des te meer uit naar volledige verlossing. ‘Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen’ (Fil.3:20-21). We zijn gelijk aan de verspieders die al een voorsmaak hadden gehad toen ze het land gingen verspieden, maar ze moesten nog veertig jaar wachten alvorens ze het land mochten binnengaan en in bezit nemen (Joz.13). Totdat die tijd aanbreekt wachten we en hopen op wat wij niet zien om het met volharding te verwachten. Want wij zijn behouden geworden in de hoop (8:2). Welke hoop? ‘In de verwachting van de gelukkige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus’ (Tit.2:13). Het beste komt nog! We worden niet moedeloos wanneer we het lijden in deze wereld zien of misschien zelf ervaren, want wij weten dat het lijden tijdelijk is en de heerlijkheid eeuwig!

De Geest Die zucht

Leven in een schepping die zucht betekent dat we geconfronteerd kunnen worden met moeiten en lijden. We leven in een gevallen en gebroken wereld maar dat wil niet zeggen dat God ons daarin alleen laat, hoewel die gedachte wel bij ons op zou kunnen komen zoals bij de discipelen toen zij in een storm terecht waren gekomen en de Heer wekten met de woorden: ‘Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?’ (Mark.4:38). Het is wellicht zo dat wij denken dat de Heer slaapt als wij een keer in grote nood verkeren, maar we mogen weten dat Hij niet werkeloos toekijkt want: ‘Hij was afzonderlijk op de berg om te bidden!’ (Mat.14:23; Rom.8:34). Hij zorgt immers voor ons en leeft mee in onze moeiten want we lezen: ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’ (Jes.63:9). Jezus was verontwaardigd in de Geest, ontroerd en weende bij het graf van Lazarus (Joh.11:33-34). En toen de Heer Jezus tijdens zijn dienst op aarde met de gevolgen van de zonde geconfronteerd werd, zuchtte Hij en was verontwaardigd (Mark.7:34). Nu is het de heilige Geest die zucht, maar dat is niet alles want Hij bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen, de Geest komt onze zwakheid te hulp! Eerder in deze brief hebben we gelezen dat ‘toen wij nog krachteloos waren, is Christus te rechter tijd voor goddelozen gestorven’ (5:5). Hier is het de heilige Geest die ons tegemoet komt in onze zwakheid om voor ons te bidden, want wat wij naar behoren zullen bidden weten wij soms niet. Waaruit bestaat die zwakheid? Onze zwakheid bestaat hierin dat wij, levend in deze gecompliceerde wereld, niet altijd in staat zijn om Gods wil te kennen (Kol.1:9). De uitkomst van Gods plan in ons leven kunnen wij niet altijd doorgronden want ‘onnaspeurlijk zijn Zijn wegen (11:33). Een klein voorbeeld mag dit duidelijk maken. De apostel Paulus had het verlangen om de gelovigen in Rome te bezoeken maar hij was vele malen verhinderd geweest om tot hen te komen (1:15; 22). Paulus is later wel in Rome gekomen maar niet op de manier die hij voor ogen had! Maar doordat hij verhinderd was, heeft hij de brief aan de Romeinen geschreven waarvan wij nu nog de vruchten kunnen plukken! Lijken wij soms ook niet op Gideon die tegen de Engel des Heren zei: ‘Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn al de wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden…?’ (Richt.6:13). De Engel des Heren verantwoordde zich niet maar gaf Gideon de opdracht om Israël te verlossen. God zal ook aan ons geen verantwoording afleggen waarom hij bepaalde dingen toelaat in ons leven. Wij mogen erop vertrouwen dat ‘Gods weg de beste is’ (Ps.18:31), ook al menen wij het tegendeel. De heilige Geest bidt in overeenstemming met God voor ons opdat wij de wil van God ook zouden leren kennen om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te worden (vs.29).

Tot besluit

We mogen erop vertrouwen dat Gods plan met deze wereld voltooid zal worden maar ook zijn plan met ons. Dat plan van God met ons begon al vóór de grondlegging van de wereld want toen al waren we in Christus uitverkoren (Ef.1:4-5). Paulus schrijft aan de gelovigen te Thessaloniki: ‘Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Heer geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus’ (2Thes.2:13-14). De openbaring van deze heerlijkheid zal werkelijkheid worden als de Heer Jezus komt; dan zullen wij in gerechtigheid Zijn aangezicht mogen aanschouwen en ons verzadigen met zijn beeld (Ps.17:15). Jesaja zegt: ‘Uw ogen zullen de Koning in zijn schoonheid aanschouwen’ (Jes.33:17). Ik zie ernaar uit, u ook?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘God is vóór ons!’

 

Romeinen 8:31-39

 

 

Inleiding

Dit gedeelte van de brief aan de Romeinen behoort voor veel gelovigen tot de meest geliefde en het is natuurlijk ook een geweldig voorrecht te weten dat God vóór ons is, ook al is schijnbaar alles en iedereen tegen ons. Deze brief is aan het eind van de jaren vijftig geschreven aan de gelovigen te Rome, die tijdens het bewind van keizer Nero in het jaar 64 onder ernstige vervolgingen te lijden zouden krijgen. Helaas hebben veel gelovigen toen aan den lijve ervaren wat het betekende dat niets hen kon scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus is. ‘Wie zou tegen ons zijn?’ Zeker, we hebben een tegenstander, de Satan en zijn demonen, maar uiteindelijk zullen die worden verslagen. Elke tegenstander zal uiteindelijk het onderspit delven, want wij zijn meer dan overwinnaars!

God is vóór ons

De aartsvader Jakob heeft veel verdriet gehad over de vermeende dood van zijn zoon Jozef en op een bepaald moment heeft hij dat ervaren alsof alles tegen hem was (Gen.42:36). Ook al ervaren wij niet dat alle dingen meewerken ten goede, wij mogen er altijd van overtuigd zijn dat God vóór ons is, maar niet alleen God, ook de Heilige Geest (8:26), alle dingen (8:28) en de Heer Jezus (8:34). En dan te weten dat God eerst tegen ons was (Rom.2:1-10)!

Dat wil niet zeggen dat we in tijden van beproeving geen vragen hebben over het hoe, waarom en waarvoor, maar daarboven staat de zekerheid dat God vóór ons is. Onbegrijpelijk maar waar! De richter Gideon begreep dat niet en zei tegen de Here: ‘Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn dan al de wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden, als zij zeiden: Heeft de Here ons niet uit Egypte gevoerd?’ (Ri.6:13).

Wij mogen niet alleen zeggen: God is vóór ons, maar ook dat ‘alle dingen meewerken ten goede’. Hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen ook zijn, wij mogen weten ‘Gods weg is volmaakt’ (Ps.18:30-31). Wat een bemoediging om te weten dat God vóór ons is, ook al zuchten de schepping (8:22), wijzelf (8:23) en de heilige Geest (8:26). We weten dat God met ons bezig is opdat wij aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig worden en dat doet soms pijn (8:29)! Moest Petrus ook niet door zijn dood God verheerlijken (Joh.21:19)? God bezorgt zijn kind nooit onnodig leed! ‘Onthoudt Ge ons iets, wij zijn gewis, dat ‘t ons tot nut en voordeel is’.

Wie zou tegen ons zijn? Met deze retorische vraag vervolgt de apostel zijn brief. ‘De Here is met mij, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ zegt de psalmist (Ps.118:6; Heb.13:6). Zelfs de satan die ons aanklaagt, is onmachtig, want door zijn offer op het kruis heeft Christus hem ontwapend en openlijk tentoongesteld en over hem getriomfeerd (Kol.2:15). Voorwaarde is dat u en ik in een constante relatie blijven met de Heer Jezus. ‘U bent uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat Hij die in u is, groter is dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4). ‘Die in ons is’ is uiteraard de heilige Geest, van Wie wordt gezegd dat: ‘God ons niet heeft gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid’ (2Tim.1:7). Daarom kunnen wij zeggen: ‘Ik vermag alles door Hem die mij kracht geeft’ (Fil.4:13). Slechts dan zullen wij ‘meer dan overwinnaars’ zijn (Rom.8:37).

De Heer Jezus stierf voor ons

Niet alleen God is vóór ons, ook de Heer Jezus! Gods liefde voor ons blijkt uit de gave van zijn Zoon, Die Hij zelfs niet heeft gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven! (1Joh.4:9-10). God heeft niets achterwege gelaten voor onze redding. Tegen de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda sprak de Here: ‘Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen dat Ik er niet aan gedaan heb?’ (Jes.5:4). Niets heeft God onbeproefd gelaten. In het evangelie naar Mattheüs lezen we in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden dat de landman zijn slaven zond, maar toen die werden afgewezen zond hij ten slotte zijn zoon en zei: ‘Zij zullen mijn zoon ontzien‘ (Mat.21:36-37; 23:34-35; Heb.1:1). Hier in Romeinen 8:32 spreekt de heilige Geest over ‘dat God zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard’. We komen dat woord in een andere betekenis ook tegen in Genesis 22:12, waar gesproken wordt over ‘onthouden’. De tekst daar luidt: ‘En Hij zeide (tegen Abraham): Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden’. Terwijl God bij Abraham tussenbeide kwam om het leven van Isaak te sparen, ‘trok God zich terug’ toen de Heer Jezus op het kruis tot zonde werd gemaakt! Hij die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard!

Is de liefde van God voor ons geopenbaard in de gave van zijn Zoon, de liefde van de Heer Jezus is geopenbaard doordat Hij zijn leven voor ons heeft afgelegd (1Joh.3:16). Paulus maakt het heel persoonlijk wanneer hij zegt: ‘de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven’ (Gal.2:20). Maar Christus heeft Zichzelf ook gegeven en voor onze zonden geleden opdat Hij ons tot God zou brengen, Hij de Rechtvaardige voor ons onrechtvaardigen (1Petr.3:18; Gal.1:4). Wanneer Christus komt om ons te brengen in het huis van de Vader zal het geheel van de verlosten, de Gemeente waarvoor Hij Zichzelf heeft gegeven, voor Hem staan, heerlijk, zonder vlek of rimpel (Ef.5:25-27). Wat een geweldig vooruitzicht!

Maar het is nog niet gedaan, want Paulus gaat nog verder en zegt: ‘Zal God ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ Want als wij Gods kinderen zijn, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus (Rom.8:17). Wat dat allemaal inhoudt, daarvan kunnen we ons moeilijk een beeld vormen, het zal al onze verwachtingen te boven gaan. De koningin van Seba zei tot Salomo, die een type is van de Heer Jezus als de toekomstige Koning: ‘Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb, maar ik geloofde de woorden niet, totdat ik kwam en het met mijn eigen ogen zag; waarlijk de helft was mij niet aangezegd; gij hebt in wijsheid en welvaart de roep overtroffen, die ik vernomen had’ (1 Kon.10:6-7).

De Heer Jezus bidt voor ons

In de brief aan de Romeinen wordt duidelijk gemaakt dat de mens de door God gegeven wet niet kon houden en dat er buiten de wet om gerechtigheid van God geopenbaard is door geloof in de Heer Jezus, en dat God hem of haar die in geloof de toevlucht neemt tot de Heer Jezus, rechtvaardig verklaart (Rom.3:21,26). En dan zegt Paulus: ‘wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus’, en ‘zo is er dan geen veroordeling meer voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Rom.5:1; 8:1). Mocht de satan ons dan toch nog aanklagen, dan mogen we wijzen op Christus. God ziet ons in Christus aan. Zacharia 3:1-6 geeft ons hiervan een illustratie: ‘Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. De Here zeide echter tot de satan: De Here bestraffe u, satan, ja de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?’

Lag van vers 31 tot 33 de nadruk op God, vanaf vers 34 is dat op de Heer Jezus die gestorven is, ja, meer nog, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die voor ons bidt. Het is niet dat, nu de Heer Jezus aan de rechterhand van God is, Hij niet meer met ons wel en wee betrokken is, nee, als onze Hogepriester bidt Hij voor ons. Hij lijdt met ons mee (Hebr.4:15) en kan voor ons tussenbeide treden (Heb.7:25) en kan ons te hulp komen (Heb.2:18). Gods Woord onderwijst ons dat de Heer Jezus heeft gebeden voor zondaren (Jes.53:12), voor zwakken, voor volharding in het geloof (Luk.22:32), voor vijanden (Luk.23:34) en voor gelovigen (Joh.17:9). De Heer Jezus bidt voor ons en ook de Heilige Geest (8:26). Wat een bemoediging te mogen weten dat we een Hogepriester hebben die voor ons bidt, en ons te hulp komt in onze zwakheden (Heb.2:18). Het gaat hier om onze zwakheid, de neiging om te zondigen en niet voor gedane zonden. Dan zien we de Heer Jezus als onze Voorspraak. ‘En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus’ (1Joh.2:1; Joh:14:15,26; 15:26).

De Heer Jezus houdt van ons (8:34)

Vanaf dit vers gaat de apostel Paulus ons duidelijk maken dat externe oorzaken geen invloed hebben op onze relatie met Christus. Let wel: het gaat hier niet over de uitwerking van die relatie, want die luistert nauwkeurig of wij ons leven gericht hebben op Christus (1Joh.1:6). We kunnen het vergelijken met een huwelijk. Op een dag beloven een man en een vrouw elkaar trouw en zijn daardoor in een vaste relatie met elkaar. Het goed functioneren van die relatie is nu een verantwoordelijkheid van de beide partners, hun relatie zelf niet. Zo is het ook met ons. Door geloof en wedergeboorte zijn we een kind van God geworden, een relatie die niet meer ongedaan kan worden gemaakt! Dus wat er ook gebeurt, niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Als lijden komt, dan dient dat ons dichter bij Christus te brengen, want zijn nabijheid kan van een gevangenis een hemel maken. Voor ons, gelovigen die in landen wonen waar er vrede en welvaart is, is het niet zo eenvoudig te geloven dat lijden eigenlijk tot het christenzijn behoort. Maar een terugblik in de kerkgeschiedenis of een rondblik in onze huidige wereld zal er wel voor zorgen dat we ons dat bewust worden. Paulus haalt Psalm 44 aan om dat lijden te onderstrepen. ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. De gelovigen in Rome zouden het enkele jaren later, onder de regering van Nero, wel ervaren (1Petr.4:12-14).

Neen, breng de Heer Jezus in uw lijden, dan wordt het bittere zoet (Ex.15:25). Staande blijven in tijden van beproeving kun je niet in eigen kracht maar alleen door Hem die ons heeft liefgehad. En als we al meer dan overwinnaars zijn, dan is het ‘meer dan’ door Hem en niet door ons streven.

‘Ik ben verzekerd’, gaat Paulus verder, ‘dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God’. Gods liefde is zonder voorwaarden en niet gegrond op het feit hoe goed wij het wel in de praktijk zullen brengen, maar op het offer van Christus. Paulus’ zekerheid over zijn behoudenis was verankerd in Gods Woord. ‘Want ik weet Wie ik geloofd heb, en ik ben overtuigd dat Hij machtig is mijn aan Hem toevertrouwde pand te bewaren tot die dag’ (1Tim1:12). Omstandigheden van dood en leven, noch engelen of demonen, noch tegenwoordige of toekomstige dingen, niets kan ons scheiden van de liefde van God. ‘Opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God’ (Ef.3:17-19).

En met die gedachte, dat niemand ons uit Zijn hand kan rukken (Joh.10:29),sluit Paulus dit gedeelte af en gaat over tot de bespreking van Gods relatie en handelen met het volk Israël in verleden, heden en toekomst.

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Maar nú geheel anders!’

 

Romeinen 12-13

 

Inleiding

Het is algemeen aanvaard dat de brief aan de Romeinen door de apostel Paulus is geschreven omstreeks het eind van de jaren vijftig, vanuit Korinthe, waar hij toen verbleef. Hoe de gemeente in Rome is ontstaan, daarover kunnen we niets met zekerheid zeggen. Het vermoeden is dat Joden uit Rome, die op de Pinksterdag in Jeruzalem waren en daar het evangelie hoorden, tot bekering waren gekomen (Hand.22:10). Problemen tussen Joodse en heidense christenen (hoofdstuk 14 en 15) zijn voor Paulus mogelijk de aanleiding geweest om deze brief te schrijven, hen te willen bezoeken en dit bezoek aan te kondigen (1:15; 15:24-29).

Het is niet zo moeilijk om de brief van Paulus aan de Romeinen in te delen. In grote lijnen kun je stellen dat de hoofdstukken 1-8 beschrijven hoe de in zonde gevallen mensen weer in een herstelde relatie met God gebracht konden worden. Daarna, in hoofdstuk 9-11, behandelt de apostel het verleden, het heden en de toekomst van het volk Israël, terwijl het in hoofdstuk 12 tot het einde van de brief erover gaat hoe zij onze nieuwverworven positie in de praktijk dienen te brengen. Over het laatste gaat ons onderwerp, dat zich echter wel beperkt tot hoofdstuk 12 en gedeeltelijk hoofdstuk 13 van de brief aan de Romeinen. Het mag duidelijk zijn dat het onderwijs dat Paulus de gelovigen in Rome gaf, ook voor ons van toepassing is, zoals dat geldt voor de hele Schrift (Rom.15:4; 1Kor.10:6, 2Tim.3:16). Wanneer iemand in een levende relatie met de Heer Jezus is gekomen, wordt niet alleen zijn visie op het leven anders, maar ook zijn verhouding tot zichzelf, God, medegelovigen, andere mensen en de overheid!

Onze verhouding tot God (12:1)

‘Met beroep op de ontfermingen van God’ (12:1).

Hoofdstuk 12 begint met de verwijzing naar ‘de barmhartigheden Gods’; die barmhartigheid werd duidelijk gemaakt in de eerste acht hoofdstukken, waarin uitgelegd werd dat God de zondaars rechtvaardigt op grond van het geloof in de Heer Jezus. ‘Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (Klg.3:22). Een definitie van barmhartigheid is dat barmhartigheid het tonen van erbarmen is, van medelijden met mensen die het moeilijk hebben. Maar Gods barmhartigheid gaat veel verder, want de mens had het niet alleen maar moeilijk, hij was krachteloos, niet in staat om zijn situatie te veranderen, een zondaar en een vijand van God (Rom.5:6,8,10)! Daarom kon Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijven: ‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden en de God van alle vertroosting’ (2Kor.1:3). De God, die wij niet als Schepper hebben vereerd (Rom.1:21), is nu in Christus onze Vader geworden! Daarmee is onze verhouding tot God op slag veranderd en kunnen we met Paulus zeggen: ‘de God van Wie ik ben, die ik ook dien’ (Hand.27:24).

Deze uitspraak van Paulus: ‘De God van Wie ik ben’, leidt ons tot de diepgaande achterliggende betekenis van het kind zijn van God, de Vader. We zijn niet meer van onszelf, we zijn door God voor een prijs gekocht (1Kor.6:19)! Hij heeft een recht op ons verworven, naar lichaam, ziel en geest. De gelovige behoort nu tot Gods volk, een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte (1Petr.2:9). Er wordt wel gezegd dat eigendom altijd beperkt wordt door andermans rechten, door wetsvoorschriften en door regels van ongeschreven recht; dat is misschien juridisch wel zo geregeld, maar Gods eigendomsrecht op ons is ongelimiteerd. Eeuwig zijn eigendom, wat is er nog meer te wensen!

De verhouding tot onszelf (12:2-3)

‘(…) dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, (…) wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, (…) beproeft wat de wil van God is’ (12:1,2,3).

‘De God van Wie ik ben, die ik ook dien’ had Paulus tegen de mensen gezegd in het schip dat hem naar Rome zou brengen. Eigendom zijn en dienen horen bij elkaar en de dienst begint bij jezelf. Eigendom zijn van God wil ook zeggen dat je jezelf ondergeschikt maakt aan Hem. Dat is geen hersenspoeling zoals boze tongen weleens durven te beweren, want hersenspoeling is een behandeling waarbij iemand zodanig onder psychische druk wordt gesteld dat hij volkomen willoos en weerloos wordt. Onderwerping in de Bijbelse betekenis is een vrijwillige en van zichzelf uitgaande onderwerping aan God in het besef dat het doen van Gods wil altijd het beste is, in voor- en tegenspoed.

Die onderwerping legt beslag op je lichaam, verstand en wil. ‘En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus’ (1Thes.5:23). Let op dat het lichaam voor God belangrijk is. Het lichaam is geen kerker van de ziel (Plato en/of Socrates) want een dualisme tussen lichaam en ziel, waarbij de ziel goddelijke werkelijkheid is, terwijl het lichaam ten diepste tot het rijk van het kwaad behoort, is het christendom van huis uit vreemd. Neen, de Schrift leert ons dat het lichaam van de gelovige een tempel van de heilige Geest is en dat de Geest van God in hem of haar woont (1Kor.6:19; vgl.3:16). Vandaar de vermaning om onze lichamen te stellen tot een levende offerande voor God.

Maar niet alleen ons lichaam, ook ons denken moet op God gericht worden. De oproep is om ook te ‘bedenken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.3:2). We moeten vernieuwd worden in de geest van ons denken (Ef.4:23).

Het derde wat moet veranderen is de gerichtheid van onze wil. Petrus zegt dat de voorbijgegane tijd genoeg is geweest om de wil van de volken te volbrengen en we moeten de overige tijd in het vlees niet meer leven naar de begeerten van de mensen, maar naar de wil van God (1Petr.4:2-3).

Onze verhouding tot medegelovigen (12:4-17)

'Wat de broederliefde betreft, weest hartelijk voor elkaar; gaat elkaar voor in eerbetoon’

‘Weest onderling eensgezind’ (12:10,16). 

Alle gelovigen zijn leden van één lichaam en afzonderlijk leden van elkaar en hoe je met elkaar omgaat heeft in deze brief een grote plaats. Wellicht is de onenigheid onder de gelovigen in Rome wel aanleiding geweest van Paulus’ brief en zijn verlangen om hen te komen bezoeken. De gemeente bestond nog niet lang; op het moment dat hij deze brief schreef, misschien vijfentwintig jaar. Joden die Jeruzalem bezocht hadden en het evangelie hadden gehoord door de prediking van de apostel Petrus en tot bekering waren gekomen, waren teruggekeerd naar Rome en op die wijze was vermoedelijk de gemeente in Rome ontstaan (Hd.2:10). Later kwamen daar ook nog Griekse gelovigen bij, mensen uit de volkeren, en dat gaf aanleiding tot wrijving. Een bonte mengeling, en probeer daar maar eens een eenheid van te maken zonder dat dat ten koste gaat van de individualiteit van de gelovige! Een gouden regel om een goed samengaan te garanderen is er niet, maar een houding van nederigheid kan er wel toe bijdragen dat de praktische eenheid bevorderd wordt door ons laten en doen (vs.3). Daarom, ‘doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf; laat hij niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien’ (Fil.2:3-4).

De Schrift leert ons duidelijk dat we niet alleen zijn, maar dat we aan elkaar verbonden zijn in één Lichaam, met de opdracht elkaar te dienen met de gaven die we van God hebben ontvangen. We vinden een verwijzing naar gaven en talenten in de gelijknamige gelijkenis: ‘En de één gaf hij vijf talenten, de andere twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:15). Een andere verwijzing naar de gaven kunt u vinden in 1Korinthiërs 12:4-11; 28-31. Gaven zijn gegeven om ze te gebruiken ten dienste van elkaar. Het moet niet zo zijn in een gemeente dat slechts enkelingen zich inzetten voor het welzijn van de gemeente, maar dat elk zijn deel doet. God heeft het Lichaam zo samengesteld dat de leden voor elkaar gelijke zorg dragen (1Kor.12:25). In het streven naar het geestelijke moeten we trachten overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente (1Kor.14:12). Als elk lid van een gemeente, met betrekking tot de gaven, daarin zijn verantwoordelijkheid zou nemen, zou dat het welzijn van alle andere gelovigen bevorderen.

Onze verhouding tot ongelovigen (12:18-21)

‘Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen’ (Rom.12:18).

Gelukkig leven wij nu niet in dezelfde omstandigheden als de gelovigen aan wie Paulus schrijft. Wij worden als gelovigen niet vervolgd en dan is het redelijk eenvoudig in een goede verstandhouding met uw medemens te leven. Maar enkele jaren nadat Paulus deze brief aan de gelovigen te Rome had geschreven, veranderde de situatie wezenlijk doordat keizer Nero de gelovigen bloedig vervolgde. Mogelijk verwijst de apostel Petrus daarnaar in zijn eerste brief wanneer hij schrijft: ‘Geliefden, laat de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam’ (1Petr.4:12). De medemens begon zich vijandig te gedragen ten opzichte van de gelovigen en hoe ga je daarmee om? ‘Zegent wie u vervolgen; zegent en vervloekt niet’ en ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; behartigt wat goed is voor alle mensen’ (vs.14,17; Mat.5:38-48). Makkelijker gezegd dan gedaan! Dat ben ik met u eens. Laten we eens zien welke adviezen door Paulus gegeven worden: ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; behartigt wat goed is voor alle mensen. Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt de Heer. Maar als uw vijand honger heeft, geef hem te eten; als hij dorst heeft, geef hem te drinken; want door dit te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede’ (12:19-21). Dat is een les die de koning van Israël nog moest leren toen hij op het punt stond zijn vijand neer te slaan. Hij kreeg van Elisa echter de opdracht zijn vijand brood en water voor te zetten opdat ze zouden terugkeren naar hun heer (2Kon.6:21-23). David stond ook op het punt kwaad met kwaad te vergelden en Nabal, zijn bezittingen en zijn mensen te verdelgen. Gelukkig kon Abigaïl hem op andere gedachten brengen, zodat David niet het recht in eigen hand nam, waardoor hij zonder oorzaak bloed vergoten en zichzelf recht verschaft zou hebben. Toen David zijn voornemen om Nabal te doden losliet en het overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt, zien we God ook daadwerkelijk ingrijpen: ‘Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zeide hij: Geprezen zij de Here, die het rechtsgeding voor de schande, mij door Nabal aangedaan, gevoerd heeft en die zijn knecht van het kwade afgehouden heeft. De Here heeft het kwade van Nabal op diens eigen hoofd doen neerkomen’ (1Sam.25:1-39).

Onze verhouding tot de overheid (13:1-7)

‘Elke ziel zij aan de over haar gestelde overheden onderdanig’ (13:1).

Er zijn drie door God ingestelde instituties, het huwelijk, de overheid en de Gemeente. De overheid heeft een verantwoordelijkheid van God ontvangen waardoor haar gezag in de wereld ten uitvoer moet worden gebracht. Dit betekent niet, dat elke overheidsvorm uitdrukkelijk door God is ingesteld of dat God per se die en die regeerder aan de macht gebracht heeft. Het betekent wel, dat God het gezag heeft ingesteld en de overheid gezag verleent. Zo heeft de Heer Jezus het ook tegen Pilatus gezegd: ‘U zou geen enkele macht (gezag of bevoegdheid) tegen mij hebben, als het u niet van boven was gegeven’ (Joh.19:11). Pilatus was in zijn functie gesteld door de keizer van Rome, maar die had het gezag niet van zichzelf, maar van God. Hierbij moeten we denken aan Dan. 2:37, 38, waar we lezen hoe God gezag verleent aan Nebukadnezar, de eerste koning van de wereldrijken. En in feite moeten we nog verder terug, namelijk naar Gen.9:6, waar we de oorsprong van overheidsgezag onder de mensen vinden. Vandaar dat Petrus zegt: ‘Weest aan elke menselijke instelling onderdanig om ‘s Heren wil; hetzij aan een koning als hoogste, hetzij aan de stadhouders als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen’ (1Petr.2:13; Tit.3:1). Vergelijken we dit met een huwelijk, wat ook een instelling van God is, dan kunnen we zeggen dat God man en vrouw heeft samengevoegd omdat ze gebruik hebben gemaakt van Gods instelling. Het gaat er daarbij niet om of een huwelijk goed of slecht functioneert. Zo is ook elke regering, of die nu goed functioneert of niet, van God omdat het gezag van de overheid door God is ingesteld.

Wil dat dan zeggen dat we de overheid die over ons is gesteld, te allen tijde en in alle omstandigheden moeten gehoorzamen? Ik denk dat er omstandigheden zijn waarin we dat niet moeten doen. Een voorbeeld daarvan vinden we al heel vroeg in de Bijbel, namelijk in het boek Exodus. ‘Ook beval de koning van Egypte de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen, van wie de een Sifra heette en de ander Pua: Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, dan moet gij goed toezien bij de verlossing; indien het een zoon is, dan moet gij hem doden, maar indien het een dochter is, mag zij blijven leven. De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte haar gezegd had, maar lieten de jongens in leven’ (Ex.1:17). Een voorbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid vinden we in het boek Handelingen: ‘En de hogepriester ondervroeg hen en zei: Wij hebben u ernstig bevolen niet te leren in deze naam; en zie, u hebt Jeruzalem met uw leer vervuld en wilt over ons het bloed van deze mens brengen. Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen’ (Hand.5:27-29). Hoewel het in dit voorbeeld niet over overheden, koning of keizer gaat, maar over religieuze leiders, is het principe duidelijk. Gaat een gebod van een overheid in tegen een gebod van God, dan dienen wij God de voorrang te geven in ons handelen.

Ten slotte

‘Maar nú geheel anders!’ was de titel van deze studie. U bent wellicht door het lezen tot de ontdekking gekomen dat het Bijbels geloof niet slechts een verstandelijke overtuiging is dat God bestaat en zondaars vergeeft, maar dat het ons hele wezen raakt: lichaam, ziel en geest!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

'Zwak en sterk, samen één kerk! '

Romeinen 14:1 -15:7

 

 

 

 

Inleiding

‘Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, als broeders ook tezamen wonen.’ (Ps.133:1)

Wie ook maar een klein beetje op de hoogte is van de kerkgeschiedenis, weet hoe moeilijk het is geweest om als gelovigen in eenheid samen te komen. Het is een beetje kort door de bocht, maar we kunnen zeggen dat er tot aan Luther officieel maar één kerk was, de rooms- katholieke; het protestantisme maakte aan die ‘eenheid’ een einde. Maar daarmee hield het niet op, het was nog maar het begin. Calvijn en Zwingli hadden ieder weer een eigen visie op kerk-zijn en kwamen al gauw afzonderlijk samen. Later ontstonden naast de staatskerken de evangelische gemeenten in al hun diversiteit, en met het ontstaan van allerlei vormen van huisgemeenten is het einde van de verdeeldheid zeker nog niet in zicht.

Uit de brief aan de Romeinen, waarvan Paulus de schrijver is, weten wij dat hij het verlangen had om Rome te bezoeken. Dat verlangen om de gemeenten in Rome te bezoeken werd wellicht nog versterkt door het feit dat hij gehoord had van problemen onder de gelovigen daar (Rom.14). De verschillen die er waren, konden een aanleiding tot scheuring zijn en dat wilde de apostel voorkomen. De gemeente bestond nog niet lang; op het moment dat hij deze brief schreef misschien vijfentwintig jaar. Joden die Jeruzalem bezocht hadden en het evangelie hadden gehoord door de prediking van de apostel Petrus en tot bekering waren gekomen, waren teruggekeerd naar Rome en op die wijze was vermoedelijk de gemeente in Rome ontstaan (Hand.2:10). Later kwamen daar ook nog Griekse gelovigen bij, mensen uit de volkeren, en dat gaf aanleiding tot wrijving.

Elke gemeente, ook de onze, bestaat uit een diversiteit van mensen met een verschillende culturele achtergrond en maatschappelijke positie. Paulus spreekt ook nog over ‘zwakken’ en ‘sterken’ in het geloof, geestelijke en ongeestelijke gelovigen en kinderen en volwassenen in het geloof (Rom.14:1, 15:1; 2Kor.3:1; 1Kor.3:1; Heb.5:14). Verder kunnen we denken aan slaven en heren, rijk en arm, enz. Een bonte mengeling, en probeer daar maar eens een eenheid van te maken zonder dat dat ten koste gaat van de individualiteit van de gelovige!

Om een goed samengaan te verzekeren, gaf Paulus richtlijnen of principes die bruikbaar zijn voor elke situatie en in alle tijden, om een samengaan mogelijk te maken. Hij gaf er zes, en hoopte dat, als de gelovigen in Rome zich daaraan zouden houden, de problemen zouden verdwijnen.

Laten we maar eens zien welke deze zes richtlijnen zijn en er ons voordeel mee doen in de gemeente waar God u en mij heeft geplaatst.

1. Ben ik overtuigd van mijn doen en laten? (14:1-5)

‘Ieder zij in zijn eigen denken ten volle verzekerd’

In deze verzen gaat het over eten en het houden van speciale dagen. Het houden van wetten met betrekking tot het eten van voedsel was voor de gelovigen uit de Joden heel normaal (Lev.11:1-47; 7:22-27). Voor de gelovigen uit de heidenen was er geen enkel probleem,‘vlees is vlees’ was hun devies (vgl. 1Kor.8 en 9). De ‘zwakken’ aten alleen groenten (vegetarisme), de anderen aten alles, maar ze moesten verdraagzaamheid tonen in elkaars overtuiging. De apostel Paulus schrijft later aan de gelovigen in Korinthe: ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is’ (1Kor.10:23-24). We mogen de andere gelovige niet minachten, noch oordelen over wat hij eet of niet eet. Maar dat geldt niet alleen voor het gebruik van voedsel, maar ook als God bijvoorbeeld met iemand een andere weg gaat dan ons goed lijkt. De Heer Jezus zei tot Petrus: ‘Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij’ (Joh.21:22). Ik heb een ander niet te oordelen of te minachten, maar moet die ander hoger achten dan mijzelf (Fil.2:3-4).

Stel je het maar eens voor, Joden die eeuwenlang de sabbat hadden gehouden konden niet begrijpen dat gelovigen uit de heidenen zich daar niet aan hielden. De zgn. christelijke zondag bestond nog niet, die is er eerst gekomen onder keizer Constantijn de Grote, die dat in 321 na Christus invoerde. De eerste gelovigen kwamen samen op de eerste dag van de week (Hand.20), maar dat wil niet zeggen dat die dag een dag was waarop niet werd gewerkt, zeker niet als je slaaf was. ‘Deze [immers] stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.’ (Rom.14:5). Het geweten, of eigen besef, dient echter wel getoetst te worden aan de Bijbel en als er geen concrete geboden zijn, dienen we in gebed tot God ons geweten te oefenen om te weten te komen wat er gedaan moet worden.

2. Wat ik doe, doe ik dat voor de Heer? (14:6-9)

‘Want niemand van ons  leeft voor zichzelf’

Zes keer wordt in dit gedeelte de uitdrukking ‘voor of van de Heer’ gebruikt. Wij zijn niet meer van onszelf, want wij zijn voor een prijs gekocht en hebben de opdracht om God te verheerlijken (1Kor.6:19). ‘En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt’ (2Kor.5:15). In alle dingen hebben we ons dus af te vragen voor wie wij iets doen. De apostel Paulus vatte het zo kernachtig samen: ‘…naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’ (Fil.1:20-21).

Het gaat er niet alleen om voor Wie ik iets doe, maar ook wat ik doe. Mijn houding ten opzichte van mijn werkgever zal bepaald worden door mijn visie dat ik mijn werk doe voor de Heer. Er zijn maar weinig gelovigen die hun hobby als werk hebben, en velen zouden graag iets anders willen doen maar krijgen daarvoor niet de gelegenheid. Wat denkt u van de slaven in de tijd toen de brief aan de Romeinen geschreven werd? Paulus schrijft voor de slaven het volgende: ‘Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles, niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien, maar met eenvoud des harten in de vreze des Heren. Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen’ (Kol.3:22-24). ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods’ (1Kor.10:31).

3. Zullen mijn daden stand kunnen houden in het oordeel? (14:10-12)

‘Zo zal dan een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God’

Neen, wij hoeven over het doen en laten van de ander geen rekenschap af te leggen, dat mag die ander zelf doen. In Romeinen 14:10 werd al de vraag gesteld of het juist was elkaar te oordelen. Uit Romeinen 14:13 blijkt dat men dat wel deed; de woordjes ‘niet langer’ wijzen daar immers op! ‘Laten wij dan niet langer elkander oordelen’ Dit gedeelte eindigt met de vermelding dat ‘een ieder van ons voor zichzelf rekenschap zal geven aan God’ (Rm.14:12). Mogen we dan helemaal niet oordelen en moeten we alle misstanden die er kunnen zijn loslaten? Neen, als er openbare zonde is in het leven van een gelovige hebben wij (en ook de Gemeente: Mat.18:18) de plicht elkaar daarop te wijzen.

Het komen voor de rechterstoel van God of Christus betekent het ontvangen van loon voor gedane arbeid en gaat niet over het ontvangen van een eeuwig oordeel of niet (2Ko.5:10). En willen we loon ontvangen, dan zullen we erop moeten toezien hoe we hier en nu bezig zijn. Laten we maar eens lezen: ‘Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen’ (1Kor.3:14-15).

4. Ben ik een struikelblok voor anderen? (14:13-21)

‘Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert’

Zoals gezegd hebben we de ander niet te oordelen, maar we mogen onszelf oordelen of zien of er in ons leven iets is waardoor we een struikelblok voor de ander zijn. Paulus wijst ons erop om onszelf te onderzoeken of we nog in het geloof zijn (2Kor.13:5; Rom.12:2). Vergelijk dat eens met Markus 9:43-47, waar we lezen over het afhakken van je hand of voet en het uitrukken van het oog mochten die dingen je ergeren! U begrijpt dat we dit niet letterlijk dienen te nemen, maar geestelijk, door dingen waaraan we geen weerstand kunnen bieden in de kracht van de Geest weg te doen uit ons leven.

Paulus is hier heel praktisch in zijn onderricht, het gaat over schijnbaar onbenullige zaken zoals vlees eten, of iets onrein, wijn drinken, maar in de context van joden en heidenen in één gemeente begrijpen we de moeilijkheid daarvan. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: ‘Daarom, als voedsel mijn broeder een aanleiding tot vallen geeft, zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, om mijn broeder geen aanleiding tot vallen te geven’ (1Kor.8:13).

We mogen de vrijheid in Christus niet gebruiken om te zondigen, vrijheid mag niet leiden tot bandeloosheid! De werkelijke vrijheid is datgene te doen wat God van ons verlangt, ‘Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde’ (Gal.5:13).

5. Doe ik dingen op grond van het geloof? (14:22-23)

‘En al wat niet uit geloof is, is zonde’

‘Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus’ (Rom.10:17). Daarom is alles wat ik doe en niet gegrond is op Gods Woord, zonde. Maar niet alleen verkeerde dingen doen is zonde, ook als we weten goed te doen en we doen het niet. ‘Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde’ (Jak.4:17). Daarbij denk ik aan de profeet Jona, die wist dat hij ‘goed’ moest doen aan de stad Nineve door hen de prediking te brengen die God tot hem spreken zou. We weten nu hoe het gegaan is!

In vers 22 lezen we: ‘Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht’. Daarom dienen we ook voorzichtig te zijn bij twijfelachtige vragen en niet alleen te steunen op eigen inzicht. ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Maar ook zullen we moeten openstaan voor correctie door een andere broeder of zuster.

6. Behaag ik mijzelf? (15:1-7)

‘Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing’

Niet alleen de inhoud van deze perikoop geeft mij de overtuiging dat hij nog bij hoofdstuk 14 hoort; hij eindigt ook zoals het begon in 14:1, namelijk met de sterken en de zwakken. (We noemen dit in de theologie een ‘inclusio’. (Vergelijk het woordje incluis, dat ingesloten, meegerekend betekent).

Als u tot de ‘sterken’ behoort, dient u de zwakheden (niet de zonden!) van de zwakke broeder of zuster te dragen. Voorwaar een hele opdracht, maar dit behoort tot de taak van hen die geloven tot de ‘sterken’ te behoren. In 1Kor.10:32-33 schrijft de apostel Paulus deze woorden: ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.’

In ootmoedigheid dienen we de ander uitnemender te achten dan onszelf en niet alleen te letten op ons eigen belang, maar ook op het belang van anderen. ‘Laat die gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was’ (Fil.2:3-4). Jammer dat Paulus, verderop in die brief, over de gelovigen moest vaststellen: ‘allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus’ (Fil.2:21). Ons voorbeeld in alles is Christus, die in Johannes 8:29 zegt: ‘Ik doe altijd wat Hem behaagt.’ Laat die gezindheid ook in ons zijn, die ook in Christus Jezus was…!

Besluit

‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’

We weten niet met zekerheid van wie dit gezegde is; sommigen schrijven het toe aan Augustinus, anderen zien het als een gezegde van de remonstrantse kerk, maar ik geloof dat, als de christenen zich aan die principes houden en hadden gehouden in het verleden, het zeker had kunnen dienen tot meer verdraagzaamheid onder elkaar en grotere eenheid. ‘De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken. Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods’ (Rom.15:5-7).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

De volharding van Paulus

 

2 Korinthiërs 5:10-21 

 

 

 

Inleiding 

Ik kan me voorstellen dat de apostel Paulus in zijn leven vaak gedacht heeft aan een tekst die hijzelf aan de gelovigen te Rome had geschreven. Ik bedoel: ‘het lijden van de tegenwoordige tijd, niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid’ (Rom.8:18). Het lijden was hem immers niet vreemd! De Heer Jezus had dat immers ook tegen hem gezegd: ‘Ik zal u tonen hoeveel gij lijden zult voor mijn Naam!’ (Hand.9:16). En we lezen dan ook van slagen, schipbreuken en veel andere gevaren (2Kor.11:23-33). Volgens berekeningen heeft de apostel Paulus ongeveer 5.000 km. te voet en 9.000 km. per boot afgelegd. Al deze inspanningen waren voor hem geen reden om te stoppen met zijn bediening die hij van de Heer had ontvangen. In de praktijk zien we jammer genoeg dat veel gelovigen hun wandel met Christus om een of andere oorzaak opgeven. Dat moet ons niet verwonderen want ook dat had de Heer Jezus al voorzegt. In de gelijkenis van de zaaier en het zaad komt dat duidelijk naar voren. (Mat.13:1-9; 18-23). De vraag kan dan ook gesteld worden waarom de apostel Paulus wel doorging met de verkondiging van het Evangelie en niet stopte? Voor Paulus was het uitzicht van het gaan naar de hemel niet slechts een bestemming, maar het motiveerde hem ook, want wat God voor heeft gedaan moet ons motiveren om voor God iets te doen! 

In de tweede brief aan de Korinthiërs geeft Paulus vijf mogelijke redenen waarom hij is doorgegaan met zijn bediening… 

1. Verantwoording voor de rechterstoel van Christus (2Kor.5:9-10) 

‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2Kor. 5:10). 

De rechterstoel van Christus mag niet worden verward met de grote witte troon (Op.20:11-15), waar het gaat het over het oordeel over de ongelovige mensen en dat is hier niet het geval. Hier gaat het over de beoordeling van de gelovige en wat hij of zij met en in hun leven als kind van God hebben gedaan. Niet alleen de apostel Paulus maar ook wij hebben een verantwoordelijkheid om na onze bekering Christus te dienen. ‘Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam’ (2Kor.6:20). 

Wat wordt er geopenbaard? Sommigen denken aan ons karakter en de motieven waarom we iets voor de Heer gedaan hebben. Dat de motieven van christenen niet altijd goed zijn blijkt wel uit de brief aan Filippi: ‘Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling. Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben, maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken’ (Fil.1:15-17). We dienen voorzichtig te zijn in het beoordelen van de motieven van medegelovigen want: ‘Velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God’ (1Kor.4:5). 

Het tweede aspect is de beloning voor gedane diensten, hetzij goed hetzij kwaad. Hoe die beloning eruit zal zien weten we niet maar ‘God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen heb’ (Hebr.6:10). ‘Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’ (1Kor.15:58). Wat zal die beloning voor u inhouden: iets of niets? 

2. Paulus’ ontzag voor God (2Kor.5:11-13) 

Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar’ (2Kor.5:11). 

‘Vaak wordt met het woord ‘vreze’ vaak gedacht aan angst en bangheid, maar je het kun het woord ‘vreze’ ook weergeven met ‘ontzag’. Beide toepassingen zijn mogelijk. Paulus was niet bang voor God, hij kende God na zijn bekering en geloof in de Heer Jezus als een liefhebbende Vader die voor Hem zorgde. 

Hier gaat het over Paulus’ bezorgdheid over de ongelovigen die de Heer Jezus niet kennen als hun Redder en van wie geschreven staat dat ‘de vreze Gods staat hun niet voor ogen staat’ (Rom.3:18). De Bijbel kent maar twee soorten mensen: gelovigen en ongelovigen. Van de gelovige word gezegd: ‘wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld’ en van de ongelovige: ‘wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God’ (Joh.3:18). 

Paulus schrijft dat hij en ook de andere gelovigen wisten hoezeer de Here te vrezen is. Hoe wisten zij dat? Was dat niet doordat zij wisten dat God zijn eigen Zoon gegeven heeft en tot zonde heeft gemaakt opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem? (2Kor.5:21). Ja, God is liefde (1Joh.4:8) maar ook licht (1Joh.1:5), dat wil zeggen dat Hij ‘te rein van ogen is om het kwaad te zien, en het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab.1:13). Nee, God heeft ‘geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft’ (Ez.33:11). ‘Hij  wil niet, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen’ (2Petr.3:9). ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken.’ Het was niet alleen de wil van God dat zondaars behouden zouden worden maar ook de wens en het verlangen van Paulus want ‘vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God’ (Heb.10:31; 12:29). ‘Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur’ (Heb.12:28-29). 

3. Paulus: ‘Ik leef niet meer voor mijzelf!’ (2Kor.5:14-16) 

‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt’ (2Kor.5:14-15). 

Een derde reden voor Paulus om Christus te blijven dienen en te getuigen van de liefde van Christus was, dat hij tot het inzicht gekomen was dat hij niet meer voor zichzelf wilde leven.  Daarvan geeft hij op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament getuigenis. ‘Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’ (Gal.2:20). Paulus zag zichzelf als met Christus gestorven en daarom wilde hij dan ook in die nieuwheid van leven wandelen (Rom.6:4). 

Voor Paulus was de theorie ook de praktijk, hij had een groot besef van zijn positie in Christus maar ook van de daarbij horende verantwoordelijkheid! ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam’ (1Kor.6:19-20). Zijn grote overgave komt in het bijzonder tot uitdrukking in de brief aan de Filippiërs waar staat: ‘dat ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’(Fil.1:20). Paulus leefde voor Hem (2Kor.5:15), door Hem (1Joh.4:9) en nu met Hem (1Thes.5:10). ‘Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg’ (1Kor.11:1). Bent u Paulus al gevolgd? ‘Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden’ (1Petr.2:21). 

4. Belangrijkheid van zijn bediening van de verzoening (2Kor.5:17-19) 

‘En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’ (2 Kor.5:18-21).

 God is niet in oorlog met de mens, maar de mens is in oorlog met God! ‘Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten; maar indien een mens tegen de HERE zondigt, wie zal dan voor hem tussenbeide treden?’ (1Sam.2:25). Vers 20 begint met de woorden ‘wij zijn dus gezanten van Christus’, de Heer Jezus zegt ook tegen iedere gelovige ‘gij zult mijn getuigen zijn’ (Hand.1:8). Wat een voorrecht, maar ook wat een verantwoordelijkheid!

God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, die boodschap mogen wij de mensen voorhouden. Het Griekse woord voor verzoenen katallasso betekent ‘iemands vijandelijke houding in vriendschap veranderen, van mens tegenover mens of tegenover God’. ‘Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons,’ (Rom.5:10; 1Kor.7:11). Een oud lied zegt: ‘Kom, o kom met al uw noden, vrede wordt u aangeboden. Vlucht dan, eer u sterven moet, met uw zonde aan Jezus’ voet.’ Toen de Heer Jezus de ‘zeventig’ uitzond zei Hij o.a. tegen hen: ‘Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize’ (Luk.10:5). Bij zijn komen in de wereld kwam er plotseling bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende:  Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens’ (Luk.2:13-14). ‘Hij heeft vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren’ (Ef.2:17).

Onderschat deze taak niet, wij zijn gezanten van Christus, alsof God door onze mond de mens vermaand! God wil u en mij gebruiken in de opdracht het evangelie te verkondigen aan alle mensen, maar dan dienen we wel te weten wat de inhoud van dat evangelie is. Daarom schrijft Petrus:  ‘Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God’ (1Petr.4:11). Paulus vervat deze boodschap samen met de woorden: ‘laat u met God verzoenen. ’ ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Mat.11:28-30). 

5. Paulus’ trouw aan de opdracht van Christus (1Kor.4:1,2,5) 

Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken. Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God 

Veel gelovigen denken dat het de bedoeling is dat ze zoveel mogelijk voor de Heer moeten doen. De Bijbel legt meer de nadruk op betrouwbaarheid of trouw zoals de Herziene Voorhoeve vertaling het weergeeft: ‘Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden’ Trouw in het brengen van de boodschap die we ontvangen hebben. (Jona 3:2; Gal.1:6-12) maar ook trouw in de volharding als dienaren van Christus. Paulus kon aan de oudsten van de gemeente te Efeze betuigen: ‘U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht’ en ‘ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen (HV)’ (Hand.20:20, 27). ‘Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade’ (Hand.20:24). De voltooiing van  Paulus’ levenstaak kreeg zijn einde in Rome, van daaruit schrijft hij tijdens zijn gevangenschap aan Timotheüs dat de tijd van heengaan was aangebroken (2Tim.4:6). En hij beëindigd deze brief met de woorden: ‘Maar de Heer heeft me terzijde gestaan en me kracht gegeven, zodat ik de verkondiging tot een goed einde heb gebracht en alle volken de boodschap hebben gehoord. Ik ben gered uit de muil van de leeuw. De Heer zal me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen. Hem komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen’ (2Tim.4:17-18). Door de genade van God is Paulus trouw gebleven aan de inhoud van het evangelie en in de vervulling van de hem gegeven opdracht. ‘Dus volg mij na, zoals ik Christus navolg’ (1Kor.11:1). ‘Want trouw vindt men niet bij allen. Maar wèl getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze. En wij vertrouwen in de Here van u, dat gij, hetgeen wij u bevelen, niet alleen doet, maar ook zult doen’ (2Thes.2:2-4). 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

 

 

Inleiding op de brief aan de Filippiërs

 

 

Korte inhoud

De brief aan de gemeente te Filippi gaat over blijdschap. De gemeente in die Macedonische stad was voor Paulus een geweldige bemoediging geweest. De gelovigen in Filippi hadden een bijzondere band met Paulus en andersom, daarom schreef hij hen persoonlijk, als teken van zijn liefde en genegenheid. Ze hadden hem veel vreugde gegeven (4:1). De brief aan de Filippenzen is een blij boek, omdat het de nadruk legt op de echte blijdschap van het christenleven. Het begrip ‘blijdschap’ of ‘blij zijn’ komt 16 keer voor en de bladzijden van deze brief stralen deze positieve boodschap uit. Het hoogtepunt is de oproep: ‘Wees blij in de Here; ik zeg nog eens: Verheug u in Hem!’ (4:4).

Paulus had zijn leven toegewijd aan het dienen van Christus. Daarbij had hij verschrikkelijke armoede en grote rijkdom ervaren en alles wat daartussen ligt. Hij kon zelfs vanuit een gevangenis deze brief vol blijdschap schrijven. Wat de omstandigheden ook waren, Paulus had geleerd tevreden te zijn (4:11,12) en werkelijk blij, omdat hij al zijn aandacht en energie richtte op het kennen (3:8) en gehoorzamen van Christus (3:12,13).

Zijn wens om boven alles Christus te kennen, komt op een prachtige manier tot uitdrukking in de volgende woorden: ‘Echt, ik beschouw zelfs alles waardeloos, omdat niets méér waarde heeft dan het kennen van Christus Jezus. Ik heb alles als vuilnis weggegooid om Christus te kunnen ontvangen en één met Hem te zijn… Het enige wat ik wil, is Christus kennen en ervaren hoe groot de kracht is, waardoor Hij uit de dood is opgestaan. Ik wil ervaren wat het betekent om met Hem te lijden en te sterven om uiteindelijk te komen tot de opstanding uit de dood’ (3:8-10). Laten wij Paulus volgen in dat streven om Jezus Christus meer en meer te leren kennen. Dat is het geheim van een christenleven vol blijdschap.

De stad

De vroegere naam van Filippi was Krenides, naar het gelijknamige riviertje, maar kreeg de naam Filippi na de verovering van de stad op de Traciërs door de koning Filippus II van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. In 168 v.Chr. kwam het land onder Romeins bestuur en was vanaf 42 v.Chr. een Romeinse kolonie te midden van de Griekse cultuur, zoals de kerk een ‘kolonie van de hemel’ is hier op aarde (Fil.3:20). In datzelfde jaar vond in de omgeving van Filippi de slag plaats tussen Brutus en Cassius tegen de toen nog verbonden Antonius en Octavianus (de latere keizer Augustus) welke door de laatsten werd gewonnen en maakte daardoor de alleenheerschappij van de keizer over het Romeinse rijk mogelijk. Er bleven dan ook veel oud-militairen wonen. In 27 v.Chr. werd het een autonoom gouvernement. De stad lag aan de Via Egnatia en was daardoor verbonden met de stad Rome. Filippi en de omgeving waren in de oudheid bekend voor het goud dat er gevonden werd, maar het was ook een vruchtbaar landbouwgebied en bosgebied.

De Gemeente

De eerste gemeente ontstaan door de verkondiging van het evangelie door de apostel Paulus in Europa (Hand.16) tijdens zijn tweede zendingsreis. Nadat Paulus vertrok naar Thessalonika werd hij ondersteund door de gemeente in Filippi (Fil.4:15; 2 Kor.11:9). Vijf jaar later, tijdens zijn derde zendingsreis, bezocht Paulus Filippi nogmaals terwijl hij onderweg was naar Korinthe, en tevens tijdens de retourreis (Hand.20:1-6). Er was een grote verbondenheid tussen de gemeente van Filippi en de apostel Paulus. De gemeente bezorgde de apostel alleen maar vreugde! Geen wonder dat hij genoot van hun gemeenschap!

De brief

De brief is geschreven door Paulus in het jaar 62/63 tijdens zijn eerste gevangenschap in Rome (Hand.28:30) aan de gemeente in Filippi in Macedonië. Twee andere plaatsen van herkomst zijn Efeze en Antiochie maar door de meeste leraars wordt aan Rome de voorkeur gegeven (vgl.Fil.1:12; 4:22). De reden voor het schrijven van deze brief door Paulus was om de gelovigen in Filippi te bedanken voor de gift die hij had ontvangen via de dienst van Apafroditus. Deze bleef een tijd bij Paulus in Rome en diende daar in het evangelie, maar werd ziek, de dood nabij (Fil.2:25-27). Dat was de tweede reden voor Paulus om de gemeente in Filippi te schrijven. Toen de gemeente in Filippi daarover hun bezorgdheid uitdrukte stuurde Paulus hem terug zo spoedig als mogelijk was. Verder schreef hij hun trouw te zijn in hun wandel met de Heer en bemoedigde hen om de eenheid te handhaven in de gemeente.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Paulus’ omstandigheden tijdens zijn verblijf in Filippi

 

 

 

 

Brief aan de Filippiërs

 Paulus omstandigheden waren allesbehalve vreugdevol op het moment dat hij de brief aan de gemeente te Filippi schreef. (1) Hij was gearresteerd in Jeruzalem, naar Rome weggevoerd, en wachtte nu op zijn rechtszaak, (2) tevens had Paulus had vernomen dat er in de gemeente van Filippi mensen bezig waren die de Wet weer wilden invoeren (hfdst.3) en dat er verdeeldheid was onder de gelovigen (4:2), (3) dan waren er broeders die de gevangenschap van Paulus nog verzwaarden (1:17) en tenslotte (4) was Epafroditus erg ziek geweest, ‘de dood nabij’ (2:27). Paulus spreekt dan ook over ‘droefheid op droefheid’ in 2:27. En toch kan Paulus in elk hoofdstuk spreken over ‘blijdschap!’ Hoe was dat mogelijk in deze moeilijke omstandigheden? Nehemia geeft ons de oplossing als hij tegen het volk zegt: ‘weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de Here, die is uw toevlucht.’ (Neh.8:11). Hij bezat het ‘kinderlijk’ geloof dat God voor hem zou zorgen, vandaar dat zijn bezorgdheid niet uit ging naar zichzelf en zijn omstandigheden maar naar Christus en het evangelie. Vijf keer vermeldt hij in dit hoofdstuk het woord ‘evangelie’ (vs. 5,7,12,17, 27), en Christus’ naam wordt zeventien keer vermeld!

Paulus kon deze omstandigheden niet veranderen, nam ze aan vanuit Gods hand (vs. 13) met het doel om Christus te verheerlijken (vs. 20). Hij had geleerd ‘tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij was’ (4:11). Als Paulus niet zo op Christus was gericht, zou hij geklaagd hebben over de omstandigheden waarin hij als gelovige moest leven. Maar hij schrijft over geheel andere zaken aan de gelovigen in Filippi zoals we nog zullen zien…

Maar laten we eerst eens zien hoe Paulus in Filippi terechtgekomen was. Daarvoor moeten we naar Handelingen 16:6-10. Paulus komen in Europa was niet zonder (geestelijke) voorbereiding gegaan! Het was voor de apostel Paulus allemaal niet zo gemakkelijk gebleken om te weten wat hij moest doen. En wat hij gedacht had te doen ging niet door, en waar hij niet aan gedacht had gebeurde! Al was hij een apostel, hij wist toch niet altijd in welke richting God hem wilde hebben. Hij ging op weg, maar God sloot deuren, dus wachtte hij; en toen wees God hem de weg.

Wat hier gebeurt, is juist voor Europa heel essentieel. Dit is namelijk de intrede van het evangelie in Europa; of waren er in Rome in die tijd toch al christenen? De manier waarop dit gebeurt, is verbazingwekkend, zo niet schokkend te noemen. De Heilige Geest ‘duwt’ Paulus en de zijnen de goede kant op. Ondanks dat moeten zij (en wij eveneens) toch zelf handelen en nadenken over mogelijkheden om God te dienen en daarbij ook uitvoeren wat God van hen en ons vraagt. In deze geschiedenis zochten de apostelen ‘zelf’ naar de mogelijkheid om daadwerkelijk te kunnen vertrekken. Als wij net zoveel opofferen voor God als deze apostelen deden, zullen we heel veel van Gods leiding gaan ervaren in ons leven. Dit kan zelfs betekenen dat God in onze plannen, hoe goed die ook zijn, moet ingrijpen.

Laten we vervolgens een gaan kijken hoe de apostel in Rome terecht kwam. Het was altijd een groot verlangen van de apostel Paulus geweest om de gelovigen in Rome te bezoeken. (Rom. 1:8; 15:23). En zijn bedoeling was dat als hij naar Spanje zou reizen onderweg Rome zou bezoeken, en dat verlangen had Paulus (daar mogen we vanuit gaan) bij God bekend gemaakt (Fip. 4:6). Evenals u en ik had ook de apostel Paulus meerdere verlangens. Verlangen om andere gelovigen weer te zien, om naar huis te gaan, en verlangens om andere gelovigen te dienen met het evangelie. Daarin was de apostel niet anders dan wij, maar hij wist zich in zijn handelen afhankelijk van God, en kon niet, en wilde ook niet, datgene doen waar hij zin in had. ‘Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij!’, was zijn motief. Maar wat Paulus moest leren was, en wij ook, is: ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten” (Jes. 55:8-9).

Toch ging zijn verlangen om naar Rome te gaan ging in vervulling, maar zeker niet zoals Paulus het gedacht had…

Een voorbeeld van ‘Gods gedachten en wegen’ vinden we in het leven van Jozef, die later tegen zijn broers kon zeggen: ‘Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden heeft, maar God.’ (Gen.45:7).

Gods wegen zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan de onze (Jes.55:9), dat heeft evenals Paulus ook Jozef in zijn leven ervaren en hopelijk wordt onze ervaring dan ook dat ‘Gods weg volmaakt is.!’ (Psalm18:31). Al begrijpen wij veel dingen niet die gebeuren, toch mogen we weten dat God er een bedoeling mee heeft. ‘Vragend moet ik hier dikwijls gaan, boven zal ik het eens verstaan.’ Een gegeven waarin we niet alleen staan maar die alle gelovigen ondergaan. Al in Psalm 37 en 73 vinden we deze gedachte terug totdat de psalmist zegt: ‘Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging.’ En hoezeer moet dat het geval geweest zijn in het leven van Jozef en Paulus.

Wat lag ten grondslag aan zijn groot verlangen om naar Rome te gaan? In Handelingen 18 lezen we dat Paulus tijdens zijn verblijf in Korinthe, Aquila en Priscilla ontmoette die vanwege het bevel van Claudius dat alle Joden uit Rome moesten vertrekken, daar terecht waren gekomen. En van hun hoorde hij wellicht wat er zich in de gemeenten in Rome afspeelde en wat de problemen waren (Rom.14). Dat wekte bij Paulus niet alleen zijn interesse maar ook zijn bezorgdheid, maar hij zag ook kansen om de gelovigen aldaar te dienen met het evangelie (Rom.1:11-13). Dat er onder de gelovigen in Rome spanningen waren tussen de joden-christenen en de heiden-christenen over allerlei praktische zaken blijkt wel uit zijn brief aan de Romeinen (hoofdstuk 12 – 14). In ieder geval waren het zuivere motieven die hem bezighielden. Al jaren voordat hij in Rome aankwam had hij al de wens openlijk uitgesproken: ‘Nadat ik daar (Jeruzalem) ben geweest, moet ik ook Rome zien.’ (Hand. 19:21). Maar dat ging niet zomaar, want hij moest eerst de bijdrage voor de behoeftige gelovigen (die hij had ingezameld in Macedonië en Achaje) naar Jeruzalem brengen, om daarna naar Spanje te gaan. Hoe anders zou het verlopen! Jeruzalem heeft Paulus bereikt en Rome ook, maar we weten niet of hij Spanje ooit heeft kunnen bezoeken. In Jeruzalem aangekomen werd hij korte tijd daarna gearresteerd, waardoor ‘zijn’ plannen in duigen vielen. Maar in de gevangenis kreeg hij bezoek van de Heer die hem kwam zeggen: ‘Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.’ (Hand. 23:11). Later, toen hij terechtstond voor Festus, beriep hij zich op de keizer, waarop Festus hem antwoordde: ‘Op de keizer hebt u zich beroepen, naar de keizer zult u gaan.’ (Hand.  25:12). Paulus wens was geweest dat hij de gelovigen in Rome mocht bezoeken, maar hier is een uitbreiding van zijn wens in die zin dat hij ook het evangelie mocht gaan brengen tot in het huis van de keizer (Fil.1:12; 4:22).

Welke les kunnen wij hieruit leren? Wanneer je voortdurend bidt voor iets wat je erg bezighoudt, let dan op de manier waarop God je gebed verhoort. Paulus bad dat hij Rome mocht bezoeken om de christenen daar te onderwijzen. Toen hij tenslotte in Rome aankwam, was dat als gevangene (Hand. 28:16). Paulus bad om een veilige reis en kwam ook behouden aan, nadat hij gearresteerd en geslagen was, schipbreuk had geleden en was gebeten door een giftige slang. Vaak verhoort God ons gebed heel anders dan wij verwachten. Reken erop dat God je hoort wanneer je bidt; hoewel Hij de verhoring soms op onverwachte manieren doet. Daarom kon Paulus getuigen dat: ‘zijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het evangelie hebben gediend, zodat in het hele pretorium en aan alle overigen duidelijk is geworden dat ik in gevangenschap ben om Christus wil, en dat de meeste van de broeders in de Heer vertrouwen hebben gekregen door mijn gevangenschap, om des te overvloediger het woord van God zonder vrees te durven spreken’ (Fil. 1:12-14).

De lessen die wij uit dit gedeelte kunnen leren zijn: dat vanwege Paulus’ ketenen, Christus bekend werd (1:13), en dat vanwege Paulus’ critici, Christus gepredikt werd (1:18), en dat vanwege Paulus’ crisis, Christus grootgemaakt werd! (1:20).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Nieuws uit Rome’

 

De brief aan de Fillipenzen

Hoofdstuk 1

 

Inleiding

Stel je voor dat de apostel Paulus in zijn tijd de beschikking zou hebben gehad over de media waarover wij nu de beschikking hebben zoals bijvoorbeeld e-mail dan zouden wij de brief aan de gemeente te Filippi waarschijnlijk nooit hebben gekend. Of dat de gemeente in Filippi middels electronisch betalingsverkeer een gift had kunnen overmaken naar Paulus in Rome dan hadden we nooit van Epafroditus gehoord en van zijn belevenissen in Rome. Maar gelukkig was dat niet zo en bezitten wij nu de brief die de apostel Paulus vanuit Rome aan de gemeente te Filippi heeft geschreven en kunnen wij er ons voordeel mee doen en genieten van de inhoud.

1. Paulus’ blijdschap (1-11)

Ik heb geen grotere blijdschap dan hierover dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen’ (3 Joh.:4)

Uit de eerste verzen van dit hoofdstuk blijkt dat de apostel Paulus vaak terug dacht aan zijn verblijf in Filippi zoveel jaren geleden (Hand.16:11-40). Hoe Lydia de purper-verkoopster tot geloof in haar Heer en Heiland was gekomen en de waarzegster uit wie hij een geest had uitgedreven en de bekering van de cipier die hem in de gevangenis bewaakte. Zij waren nu die ‘heiligen in Christus Jezus’ die deel van de gemeente aldaar uitmaakten (vs.1). Maar de apostel dacht niet alleen aan de Filippiërs hij droeg ze ook op zijn hart en Paulus bad voor hen (vs.3,4,7). Die liefde was wederzijds en dat bleek mede door de financiële ondersteuning die de apostel uit Filippi mocht ontvangen. Al enige gemeente steunden zij Paulus en eerder had hij in Thessalonika een- en andermaal iets gestuurd voor wat hij nodig had (4:15-16). Het stemde Paulus tot grote blijdschap te horen en te ervaren dat de gemeente in Filippi gemeenschap had aan het evangelie.

De apostel was door God geroepen en aangesteld ‘als dienaar en getuige zowel van de dingen die u gezien hebt als van die waarin Ik nog aan u verschijnen zal’ (Hand.26:16-18, 20). In die hoedanigheid had hij eerst aan hen die in Damascus en in Jeruzalem en in heel het land van Judea woonden, en later aan de heidenen verkondigd dat zij tot inkeer moesten komen, zich tot God bekeren en werken doen die in overeenstemming zijn met de bekering (Hand.26:20). Die opdracht had hem dan uiteindelijk ook in Filippi gebracht. Maar hij was niet alleen geroepen om het Evangelie te verkondigen maar ook te verdediging en te bevestigen (vs.7,17). Paulus was een apostel die streed ‘voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ (Jd:3).

2. Paulus’ omstandigheden (12-13)

En ik wil dat u weet, broeders, dat wat er met mij is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend

Dat de apostel Paulus altijd al de wens en het voornemen had gehad om Rome te bezoeken is bekend. Daarover sprak hij al toen hij nog naar Macedonië en Achaje moest vertrekken om dan naar Jeruzalem te reizen (Hand.19:21) maar hij was telkens verhinderd (Rom.1:10,13,15, 15:23). Over de gebeurtenissen in Jeruzalem die tot zijn arrestatie leiden tot aan zijn aankomst in Rome, met een tussenstop van twee jaar als gevangene in Caesarea, kunt u lezen in het boek Handelingen vanaf hoofdstuk 21. Paulus’ wens om Rome te bezoeken ging in vervulling maar of de apostel het op deze manier had gedacht zal wel niet het geval geweest zijn. Maar ‘wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede’ (Rm8:28). De vervulling van deze tekst zien we vaak pas achteraf maar Paulus kon zeggen: ‘dat wat er met mij is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend’ (vs.12) en daar ging het de apostel om! Zijn omstandigheden hadden er  voor gezorgd dat ‘in het hele gerechtsgebouw en aan alle overigen bekend was geworden dat hij een gevangene was om Christus' wil, en dat het merendeel van de broeders in de Heere door zijn gevangenschap vertrouwen had gekregen om het Woord nog overvloediger onbevreesd te durven spreken’ Hij stelde de gelovigen in Filippi in kennis van zijn omstandigheden, niet om te klagen maar om hen duidelijk te maken dat: ‘het Woord van God niet gebonden is’ (2 Tim.2:9).

3. Paulus’ tegenstanders (14-18)

‘De eersten verkondigen Christus wel uit eigenbelang, niet zuiver, met de bedoeling aan mijn gevangenschap verdrukking toe te voegen’

Tegenstand of vervolging van de kant van ongelovigen is vervelend maar is gemakkelijker te verdragen dan zulke dingen te ondervinden van gelovigen. Van de Joden heeft Paulus veel tegenstand ervaren zoals hij de gelovigen in Thessalonika liet weten : ‘…Joden, die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde’  (1Thes.2:15-16). In zijn afscheidstoespraak aan de oudsten van de gemeente te Efeze  haalt Paulus dit ook aan: ‘U weet hoe ik, van de eerste dag af dat ik in Asia aankwam, heel de tijd in uw midden geweest ben en de Heere gediend heb met alle nederigheid en veel tranen, en onder verzoekingen die mij overkomen zijn door de aanslagen van de Joden’ (Hand.20:18-19).

Hier, in de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus over broeders die Christus wel verkondigen uit eigenbelang, niet zuiver, maar met bijbedoelingen namelijk om aan Paulus’ gevangenschap verdrukking toe te voegen. De kerkgeschiedenis leert dat gelovigen vaak tegenover elkaar stonden in plaats van naast elkaar. Het ‘ik ben van Paulus, ík van Apollos, ík van Kefas, en ík van Christus’ vinden we helaas de eeuwen door in de praktijk gebracht (1Kor.1:12). Gelukkig waren er ook andere gelovigen die de apostel steunden uit liefde, omdat zij wisten dat hij tot verdediging van het Evangelie aangesteld was’ (vs.17). Gelukkig is het niet altijd negatief en het is dan ook een verademing te lezen dat er broeders Paulus tegemoet kwamen in Italië en was aangekomen bij de Appiusmarkt en de Drie Tabernen. We lezen dan deze reactie van Paulus: ‘Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed’ (Hand.28:15).

4. Paulus’ toewijding (19-24)

Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst

Sommige mensen hebben uitgerekend dat de apostel Paulus voor de verspreiding van het evangelie tijdens zijn leven om en nabij 9000 km te voet heeft afgelegd en 6000 km op zee heeft doorgebracht. Over toewijding gesproken! Paulus was bereid zijn leven af te leggen voor het Evangelie. Op weg naar Jeruzalem verbleef Paulus vele dagen in Caesarea in het huis van Filippus de evangelist toen er een zekere profeet uit Judea kwam, van wie de naam Agabus was. En hij kwam naar hem toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren. Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan. Maar Paulus antwoordde: Wat doet u nu dat u huilt en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus (Hand.21:13). Paulus was bereid de uiterste consequentie op zich te nemen en zijn leven te geven hij telde zijn leven niet en achtte het niet kostbaar voor zichzelf (1 Joh.3:17; Hand.20:24). Paulus leefde in de overtuiging dat zijn lichaam een tempel van de Heilige Geest was en dat zijn  lichaam en geest van God was (1 Kor.6:19-20). Zijn verlangen was dat Christus grootgemaakt zou worden in zijn lichaam (vs20). Zoals Paulus zal elke gelovige ‘voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor.5:10). 

5. Paulus’ verlangen (vs.23)

Want ik word door deze twee gedrongen: ik heb de begeerte of verlangen om heen te gaan en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste, maar in het vlees te blijven is noodzakelijker voor u. Ook hier zien we dat Paulus zijn eigen verlangen ondergeschikt maakte aan de noodzaak om de gelovigen te blijven dienen. Het kan zeer goed mogelijk zijn dat de gevangenschap waarin de apostel zich bevond hem zwaar viel en hij uitzag naar die dag dat hij bij de Heer Jezus zou zijn. Omdat deze brief geschreven is kort voor zijn terechtstelling onder Nero moet de apostel ook al op een respectabele leeftijd zijn gekomen en de moeiten die het ouder worden met zich mee brengen aan de lijve ondervond. Hij schrijft hiervan in de brief aan de Korinthiërs met de volgende woorden: ‘Wij weten immers dat, wanneer ons aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Want in deze tent zuchten wij ook, en verlangen wij er vurig naar met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden, als wij maar bekleed en niet naakt zullen bevonden worden. Want ook wij, die in deze tent zijn, zuchten omdat we het zwaar te verduren hebben; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere, want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing. Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen. Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor.5:1-10).

6. Paulus’  slotwoord (24-29)

En dit vertrouw en weet ik dat ik zal blijven leven en bij u allen zal blijven tot uw vordering en blijdschap van het geloof 

In het geloof dat hij nog bij hen mag blijven besluit Paulus zijn inleiding van de brief met de volgende woorden: ‘Alleen, wandel het Evangelie van Christus waardig, opdat ik, of ik nu kom en u zie of dat ik afwezig ben, van uw zaken mag horen dat u vaststaat in één geest, en dat u samen eensgezind strijdt door het geloof in het Evangelie, en dat u zich in geen enkel opzicht schrik laat aanjagen door de tegenstanders. Voor hen is dit een duidelijk teken van verderf, maar voor u van zaligheid, en dat van God uit. Want aan u is het uit genade gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, omdat u dezelfde strijd hebt als die u bij mij gezien hebt en nu van mij hoort. (1:27-30).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

'Opdat u zijn voetstappen navolgt'

 

 

‘Vier voorbeelden om na te volgen’

 Filippenzen 2

 

 

‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1Kor.11:1).

 

 

 

 

 

Inleiding

De brief aan de gelovigen te Filippi is geschreven door Paulus in het jaar 62/63 tijdens zijn eerste gevangenschap in Rome (Hand.28:30; vgl. Fil.1:12; 4:22). De reden voor het schrijven van deze brief door Paulus was om de gelovigen in Filippi te danken voor de gift die hij had ontvangen via de dienst van Epafras of Epafroditus die een tijd bij Paulus in Rome was geweest en daar diende in het evangelie; hij werd toen ziek, de dood nabij (Fil.2:25-27). Dat was de tweede reden voor Paulus om de gemeente in Filippi te schrijven want toen de gemeente in Filippi daarvan hoorde en hun bezorgdheid uitdrukte stuurde Paulus hem terug, zo spoedig als mogelijk was. Verder schreef hij de gemeente trouw te zijn in hun wandel met de Heer en bemoedigde hen om de eenheid te handhaven. De gemeente is ontstaan door de verkondiging van het evangelie door de apostel Paulus (Hand.16) tijdens zijn tweede zendingsreis. Na Paulus’ vertrek naar Thessalonika werd hij ondersteund door de gemeente in Filippi (Fil.4:15; 2 Kor.11:9). Vijf jaar later, tijdens zijn derde zendingsreis, bezocht Paulus Filippi nogmaals terwijl hij onderweg was naar Korinthe, en tevens tijdens de retourreis (Hand.20:1-6). Er was een grote verbondenheid tussen de gemeente van Filippi en de apostel Paulus. De gemeente bezorgde de apostel alleen maar vreugde! Geen wonder dat hij genoot van hun gemeenschap!

Het spreekwoord zegt: ‘een goed voorbeeld doet goed volgen’. Deze gedachte komt overeen met wat we in de bijbel vinden, Israël was een voorbeeld voor ons maar dan vaak in het nagatieve waarvoor we gewaarschuwd worden (1Kor.10:6, 11). Van de Heer Jezus lezen we ‘dat hij ons een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u zijn voetstappen navolgt’ (1Petr.2:21). In hoofdstuk drie van de brief aan de Filippenzen komen we vier voorbeelden tegen waarbij van elk een kenmerk naar voren komt die ook deel kan uitmaken van ons geloofsleven als we daarnaar streven.

De Heer Jezus (Nederigheid)

‘Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was’ (Fil.2:5)

Een voorbeeld van nederigheid vinden we in het evangelie naar Johannes, toen de Heer Jezus de voeten van de discipelen begon te wassen en af te drogen (Joh.13:1-19). Dat voorbeeld was bedoeld voor ons want als de Heer en Meester dat doet hoeveel temeer wij, zijn discipelen! Uiteraard vinden we alle aspecten van de hieronder genoemde personen bij de Heer Jezus terug, maar in dit gedeelte wordt specifiek zijn nederigheid op de voorgrond geplaatst. Het was de Heer Jezus die van zichzelf kon zeggen: ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Mat.11:29). In die hoedanigheid was de Messias in het Oude Testament door de profeet Zacharia al aangekondigd: ‘Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong’ (Zach.9:9; 2Kor.10:1). Nederigheid kan ook wel worden omschreven als een manier van denken of voelen en in de brief aan de Filippenzen worden we dan ook opgeroepen om Jezus’ voorbeeld te volgen: ‘Want laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood’ (Fil.2:5-8). Om deze eigenschap in jouw leven te implementeren is niet zo eenvoudig want wij zijn van nature vaak hoogmoedig. Iemand heeft een gezegd: ‘De enige weg naar boven, is naar beneden’ en hij bedoelde daarmee dat: ‘Wie zichzelf zal verhogen zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden’ (Mat.23:12; 2Kor.8:9).

De Heer Jezus is in alles een voorbeeld voor ons, in zijn ijver (Joh.13:14), trouw (1 Joh.2:6) en toewijding (1 Petr.2:21) om er maar een paar te noemen. Dus wat dat aangaat hebben we geen andere voorbeelden nodig dan alleen de Heer, maar ook in gelovigen kunnen die kwaliteiten zichtbaar worden en daaraan kunnen wij ook een voorbeeld nemen.

Paulus (IJver)

‘In arbeid zeer overvloedig’ (2Kor.11:23)’

Men heeft uitgerekend dat de apostel Paulus in zijn dienst voor de Heer ongeveer 7800 km te voet heeft afgelegd, en ter zee ongeveer 9000 km; samen dus 16.800 km! Over ijver gesproken! Paulus was voor zijn bekering wat zijn ijver betreft een vervolger van de Gemeente (Fil.3:6) maar dat veranderde totaal toen hij een volgeling van de Heer Jezus werd. Van de Heer Jezus lezen we in de Psalmen dat ‘de ijver voor Gods huis Hem verteerde’ (Ps.69:10; Joh.2:17). IJver is een vurig streven naar een bepaald doel. De apostel Paulus was geroepen tot de verkondiging van het evangelie zoals het in het boek Handelingen door hemzelf wordt verwoord: ‘Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel watje van Mij hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen, terwijl Ik uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij (Hand.26:16-17). Maar zijn dienst beperkte zich niet alleen tot de verkondiging van het evangelie hij had ook nog een taak naar de armen toe. ‘Alleen moesten wij de armen gedenken, wat ik mij daarom ook beijverd heb te doen’ (Gal.2:10). Wanneer u het boek Handelingen leest dan zult u tot de erkenning komen dat de apostel onvermoeibaar was in zijn dienst als apostel van Christus. ‘Zijn zíj dienaars van Christus? – ik spreek als een onzinnige – ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren. Van de Joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen, driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en dag heb ik in volle zee doorgebracht. Dikwijls op reis, in gevaren van rivieren, in gevaren van rovers, in gevaren van volksgenoten, in gevaren door de volken, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders, in arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid; behalve wat van buiten komt, overvalt mij dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten’ (2Kor.11:23-28). Daarom was het advies van Paulus aan Timotheüs: ‘beijver je, je aan God beproefd, voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen’ (2Tim.2:15) want ‘vervloekt, wie het werk des Heren met lauwheid verricht’ (Jer.48:10).

Timotheüs (Trouw)

‘Want ik heb niemand van gelijke gezindheid als hij, die zo trouw uw belangen zal behartigen’ (Fil.2:20).

‘Trouw is niet het deel van allen’ moest de apostel Paulus aan de gelovigen te Thessaloniki schrijven ‘maar de Heer is trouw’ (2Thes.3:2). Wat een verademing moet het voor Paulus geweest zijn dat Timotheüs trouw was. Die trouw was gebleken uit wat hij had meegemaakt in zijn dienst in het evangelie. In die dienst was zijn geloof op de proef gesteld geweest maar hij was trouw gebleven aan zijn roeping en opdracht (Fil.2:22). In het Nieuwe Testament worden Paulus en Timotheüs vaak samen vermeld, zoals dat in het Oude Testament geld voor Jozua en Kaleb. Trouwens de betekenis van Kaleb betekend ‘hond’ en wat is er trouwer dan een hond? Een uitspraak van de Griekse wiskundige Pythagoras luidde: ‘Je kunt op de trouw van een hond rekenen tot zijn laatste snik, en die van een vriend tot de eerste teleurstelling!’ Als dat zo is dan is dan nu niet bepaald een compliment voor de mens. Maar wat te denken van Polycarpus die oudste was van de gemeente te Smyrna, het huidige Izmir in Turkije. Hij behoort tot de apostolische vaders, mensen die leerlingen waren geweest van de apostelen. Hij stierf als martelaar op de brandstapel in het jaar 156 n.Chr. Hij werd voor de keus gesteld: ‘zweren bij de goden van de keizer en Christus vloeken’. Polycarpus echter antwoordde: ‘Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heer, Christus gediend, en Hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?’. Ondanks alle dreigingen hield hij vol en daarmee ging het Woord van de apostel Johannes over Smyrna in vervulling: ‘Ik weet uw verdrukking en uw armoede – maar u bent rijk -, en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees niets van wat u zult lijden. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. (...) Wie overwint, zal geenszins van de tweeden dood schade lijden’ (Op. 2:9,10 en 11b). Van rentmeesters wordt vereist dat ze trouw worden bevonden en dat was Polycarpus en dat mogen ook wij zijn (1Kor.4:2-17). Veel gelovigen in de tijd van Polycarpus werden ook vervolgd en gedood; ook zij bleven trouw tot in de dood’, de kerkgeschiedenis legt daarvan getuigenis af.

Epafras (Toewijding)

‘Houdt zulke mannen in ere, want om het werk van Christus is hij de dood nabij geweest’ (Fil.2:30)

Van Epafras vermeld de apostel Paulus dat hij een broeder, medearbeider en medestrijder was (Fil.2:25). In het jaar 62 verbleef de apostel Paulus als gevangene in Rome. Het was daar dat Epafras, een gelovige uit de stad Kolosse de apostel Paulus bezocht en inlichtte over de situatie in de gemeente. Paulus zelf had de stad nooit bezocht en waarschijnlijk is Epafras de stichter van de gemeente geweest (Kol.1:7, 4:12). Kolosse lag op enige afstand van Laodicea en Hierapolis die aan weerszijden van het Lycusdal lagen, vandaag de dag beter bekend door het natuurwonder van de kalkrotsen van Pamukkele. De vraag die gesteld mag worden is: Waarom Paulus het nodig achtte om de gelovigen in Filippi in te lichten over de gezondheidstoestand van Epafroditus, die toch uit Kolosse kwam en niet uit Filippi? De gemeente van Filippi had Epafras verzocht naar Rome te gaan om de apostel Paulus op te zoeken en hij had zich daartoe bereid verklaart om deze moeilijke opdracht te doen (Fil.4:18). Waarschijnlijk was Epafras op weg naar Rome via Filippi gereisd en had daar dan ook de bijdrage van de gemeente bestemd voor Paulus meegenomen. In Rome is Epafras ziek geworden, de dood nabij, misschien wel een gevolg van de lange reis die hij had gemaakt! We moeten niet vergeten wat zo’n reis van Kolosse betekende! De afstand van Kolosse naar Rome bedraagt ongeveer 2100 KM en de afstand die men dagelijks kon afleggen bedroeg 30 km. Het is namelijk zo dat dat de afstand was die lag tussen de verschillende caravan serails (herbergen) waar men kon overnachten. Dus de reis moet enkele maanden geduurd hebben. Wellicht was de situatie waarin Epafras verkeerde de gelovigen in Filippi ter ore gekomen en daarom zond Paulus hem terug naar Filippi om hen gerust te stellen. Hij heeft dan aan Epafras een brief voor de gemeente meegegeven, die wij nu kennen als de brief aan de Filippenzen. Uit wat wij van Epafras kunnen weten uit het Nieuwe Testament kunnen we de conclusie trekken dat Epafras een evenwichtige, enthousiaste gelovige was, die voor velen tot zegen is geweest. Hij was een enthousiaste gelovige. Hij was een toegewijde gelovige!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Om Hem te kennen’

 

Filippenzen hoofdstuk 3

 

 

 

‘Want wij die leven, worden altijd aan de dood overgegeven om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees‘ (2Kor.4:11).

 

Inleiding

Nadat de apostel Paulus in hoofdstuk 1 heeft beschreven waaruit de gelovige leeft, namelijk door geloof dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben, gaat hij verder in het tweede hoofdstuk waarin hij duidelijk maakt dat Christus ons voorbeeld is en vermeld dan ook Paulus, Timotheüs en Epafras als zodanig. In dit hoofdstuk 3 bouwt hij daarop voort en wil ons duidelijk maken dat Christus ons doel moet zijn willen we standhouden en ons geloof verrijken. Het waren niet echt slechte dingen die Paulus van Christus afhielden maar hij moest er wel afstand van nemen. We krijgen in dit hoofdstuk drie beelden te zien waardoor de Heilige Geest wil duidelijk maken waar het werkelijk om gaat in het leven van een gelovige, dat van Paulus maar ook in ons leven, namelijk dat het leven van Christus in ons openbaar wordt (2Kor.411).

Er kan door allerlei oorzaken een stilstand in ons geestelijk leven ontstaan. In de gelijkenis van de zaaier en het zaad lezen we er een aantal: ‘de zorg van het leven’, ‘het bedrieglijke van de rijkdom’, ‘de begeerten naar de overige dingen’ en ‘genietingen van het leven’. En als het spreekwoord ‘stilstand is achteruitgang’ ergens waar is, dan is dat wel met het geestelijk leven van een gelovige, denkt u maar aan Jona, Abraham, David en veel anderen.

Voordat we iets voor de Heer kunnen en willen betekenen ‘in ons sterfelijk vlees’, zullen we moeten weten ‘Wie’ Hij is! De reden dat de Heer Jezus de twaalf apostelen riep was ‘opdat ze bij Hem zouden zijn’ en pas ná die ontmoeting kon Hij hen ‘uitzenden om te prediken en omdat ze macht (anderen: gezag) zouden hebben de demonen uit te drijven’ (Mark.3:14). De discipel moet worden als de Meester (Mat.10:25) en het is in die gezindheid die ook in Christus Jezus was (Fil.2:5) dat wij naar anderen toe kan gaan. We zullen bereid moeten zijn om alles achter ons te laten om Christus te winnen!

Paulus’ verleden (3:1-11)

‘Ik reken alles schade’

Religie is een meestal al eeuwenlang bestaand stelsel van rituelen en gedragsvoorschriften, gebaseerd op een geloof in een God. Paulus was religieus voordat hij tot geloof kwam, maar zijn religie kon hem niet redden. Hij moest zijn religie verliezen om het eeuwige leven te vinden. Geen religie, maar een relatie en dat was het waaraan het hem ontbrak! In dit hoofdstuk begint hij de gelovigen te waarschuwen voor een religie zonder Christus. Als we de werkelijke rijkdom zouden willen bezitten dan vinden we die in Christus, want ‘in Hem zijn al de schatten van wijsheid en kennis verborgen’ (Kol.2:3).

Paulus kon zich op veel dingen beroemen: Hij was besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër, wat ijver betreft een vervolger van de gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft die in de wet is, onberispelijk. Fil.3:5-7). Maar waar Paulus voordeel mee meende te hebben heeft hij om Christus' wil als schade beschouwd. Wat verloor Paulus en wat kreeg hij ervoor terug? Hij beschikte over de gerechtigheid die uit de wet is, die hem toegang tot de tempel verleende. Wat kreeg hij ervoor terug? De gerechtigheid die uit God is en die hem toegang tot de hemel – Christus - verleende! Ik denk daarbij aan de blindgeborene die van Jezus getuigde en door de farizeeën naar buiten werd gegooid, buiten het religieus centrum (Joh.9:34). Dat kan het gevolg zijn van het volgen van Jezus en met Hem in een relatie te treden, maar wat wordt je daardoor rijk!

Eeuwig leven betekent niet kennis hebben over Christus, maar Christus kennen (Joh.17:3). ‘En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen, en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwig leven’ (1Joh.5:20).

Paulus’ heden (3:12-17)

‘Ik jaag neer het doel’

Veel gelovigen kunnen het verleden niet achter zich laten en dat belemmert hun groei in het heden. Ze idealiseren het verleden soms en misschien komt dat doordat ze beschikken over een rijke fantasie en een slecht geheugen. Met andere woorden ze idealiseren het verleden. We kunnen de geschiedenis niet veranderen, maar er wel van leren. Anderen zijn te veel met de toekomstige dingen bezig en ‘vergeten’ het heden. Paulus wil het verleden vergeten en strekt zich uit naar wat voor hem ligt, en op weg daar naartoe is de verheerlijking van Christus zijn doel.

‘Een ding doe ik!’ Hoeveel gelovigen zijn er niet die zich met allerlei dingen bezighouden en daardoor nooit tot volle ontplooiing komen? ‘Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.2:3) ‘Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden’ (Mat.6:33). Wat zei de Heer tegen Petrus? ‘Ga weg, achter Mij, satan, je bent Mij een aanstoot, want bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.’ (Mat.16:23). Het doel van het leven als gelovige – tussen het verleden en de toekomst – is God te verheerlijken door te wandelen in goede werken die God tevoren heeft bereid (Ef.2:10).

Daar joeg Paulus naar, in de richting van het doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus. Maar er is een hele nieuwe generatie christenen opgestaan die gelooft dat het mogelijk is Christus ‘aan te nemen’ zonder de wereld vaarwel te zeggen (Tozer) maar dat is niet mogelijk. Tussen de gelovige en deze wereld staat het kruis van Golgotha! Weest samen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die zo wandelen als u ons tot voorbeeld hebt’ (3:17)

Paulus’ toekomst (3:18-21)

‘Totdat ik op het einde lette’

Niets houdt ons meer geestelijk actief dan de verwachting van de komst van de Heer. Paulus waarschuwt zijn lezers ‘niet te wandelen als vijanden van het kruis van Christus’. Hij drukt hier grote droefheid uit in een brief die overvloeit van blijdschap. Je relatie met Christus is bepalend voor je leven als gelovige, vroeg of laat wordt het duidelijk waar je ‘wortels’ zitten. Paulus is bedroefd over belijdende christenen die de vruchten produceren van een werelds persoon. Deze mensen bestempelt Paulus als vijanden van het kruis van Christus. Hij beschrijft ze als mensen die aardse dingen bedenken, wat betekend dat ze alleen denken aan wat de wereld hun te bieden heeft. Zij leven niet voor Christus maar voor het vlees, want ‘hun god is de buik’. En tenslotte is hun einde de ondergang. Hun heerlijkheid is in hun schande, zij bedenken aarde dingen. In de brief aan de gelovigen te Kolossen schrijft de apostel: ‘Als u met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn… bedenkt de de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kol.3:2-3). Het kruis verslaat de wereld en het vlees; het kruis spreekt van offers en lijden, en toch leven deze mensen voor de wereld en zoeken naar dingen voor hun eigen genoegen. Wat vreselijk, een vijand van het kruis van Christus te zijn, en toch een belijdend christen! Ons burgerschap is in de hemelen. ‘We zijn hemelburgers (geestelijke mensen) en geen hamburgers (vleselijke mensen)! Dit zegt Paulus met het oog op de komst van de Heer Jezus die het lichaam van onze vernedering zal verandering tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid. ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1Joh.3:3).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

De eerste brief aan

de Thessalonicenzen

Hoofdstuk 1

Inleiding

Het ontstaan van de gemeente te Thessalonika vinden we beschreven in het boek Handelingen vanaf hoofdstuk 16. Nadat de deuren in west-Anatolië, het huidige Turkije, gesloten werden kreeg de apostel Paulus de oproep: ‘Kom over naar Macedonië en help ons’ (Hand.16:9). De deur naar Europa ging open en dat was niet de enige maar meerdere ‘deuren’ gingen open. De eerste deur was dat de Heer het hart opende van Lydia, de purperverkoopster en op haar beurt opende zij de deur van haar huis. (16:14,15) Maar er was niet alleen voorspoed er kwam ook tegenstand en de deur van de gevangenis opende zich voor Paulus en Silas (16:23). Enige tijd later ging die deur weer open nu om ze vrij te laten waarna ze richting Thessalonika gingen (16:37).

Handelingen 17:1-15 verhaalt de stichting van de gemeente in Thessalonika. Paulus heeft daar korte tijd gediend, mogelijk slechts een maand, maar de Heer deed er een groot werk en het getuigenis van de gemeente was wijd en zijd bekend. Door tegenstand van de Joden moest Paulus de stad verlaten en toen hij via Berea in Athene kwam zond hij Timotheüs terug naar Thessalonika om te zien hoe de zaken er bij stonden (Hand.17:15). Paulus zelf reisde door naar de stad Korinthe vanwaar hij, nadat Timotheüs was teruggekeerd om verslag uit te brengen (3:6), de eerste brief aan de Thessalonikers schreef.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen is geschreven omstreeks het jaar 50 n.Chr. De tweede brief enige maanden later. De eerste brief handelt onder meer over de opname, de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente in de lucht, terwijl de tweede brief de zichtbare komst van Christus op aarde behandeld, om zijn vijanden te onderwerpen en het koninkrijk op te richten. ‘De Dag van de Heer’ vermeld in 2 Thessalonicenzen is die periode van verdrukking die over het aardrijk zal komen nadat de gemeente is weggenomen. De eerste brief aan de Thessalonicenzen onderwijst ons duidelijk dat de Gemeente niet door die grote verdrukking zal heengaan (1:10, 5:9).

Het zal je maar gebeuren dat een apostel zo’n prachtige en bemoedigende brief aan jouw gemeente zou schrijven. Het kan natuurlijk niet, maar mocht het kunnen dan zou je geneigd zijn om vol trots naast je schoenen te gaan lopen! Maar wat ook een bemoediging voor de apostel Paulus om zulke goede berichten te ontvangen via Timotheüs die daar op bezoek was geweest (3:6). ‘Goede tijding uit verre lande is koel water voor een dorstige ziel’ (Spr.25:25). In het boek Nehemia lezen we dat tijdens Nehemia’s afwezigheid in Jeruzalem: ‘het huis Gods aan zijn lot was overgelaten’ (Neh.13:6-14). Maar in Thessalonika was dat niet het geval! Deze gemeente in mag dan ook zeker model staan voor de gemeente waar u en ik aan verbonden zijn! Van de gelovigen in Thessalonika kon de apostel Paulus zeggen dat ze…

…uitverkoren mensen waren (1:4)

‘Wij weten immers, geliefde broeders, van uw verkiezing door God’ schrijft Paulus. Verkiezing tot het heil begint bij God. ‘Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren’ (Joh.15:16). ‘Hij heeft ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren’ (Ef.1:4). Hoe wist Paulus dat de gelovigen van de gemeente in Thessalonika uitverkoren[i] waren? Paulus noemt daarvoor drie redenen: het werk van hun geloof, de inspanning van hun liefde en de volharding van hun hoop op onze Here Jezus Christus. Geloof, hoop en liefde zijn de drie voornaamste kenmerken van het christelijke leven, en de drie grootste bewijzen van de uitverkiezing. Geloof, hoop en liefde zijn kenmerken van echt geloof (Kol.1:4-5; Rom.5:1-4).

Het negende en tiende  vers van hoofdstuk 1 loopt parallel met de drie genoemde kenmerken: het werk van geloof: (hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt); de arbeid van de liefde (om de levende en waarachtige God te dienen); volharding van de hoop (en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten);

Werk van het geloof – hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt

De boodschap van de apostel Paulus was dat alle mensen ‘met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming’ (Hand.26:19-20; 17:30). Dit geloof vond Paulus bij de Thessalonicensen. Want, schrijft hij: ‘toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, hebt u het ook aangenomen, niet als een mensenwoord, maar zoals het werkelijk is als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft’ (1 Thes.2:13). Echt geloof moet resulteren in een veranderd leven (Jak.2:14-26). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt!

Arbeid van de liefde – om de levende en waarachtige God te dienen

Ongelovigen leven voor zichzelf (Ef.2:1-3) maar gelovigen leven voor de ander! ‘Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten liefhebben’ en ‘Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven’ (1 Joh.3:11,16). De gelovige heeft een nieuw motief in zijn leven: ‘hij heeft Christus lief en de ander.

Volharding van de hoop – en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten

De ongelovigen hebben geen hoop. Gelovigen houden vol ook in tijden van moeiten omdat zij geloven dat de Heer Jezus eens zal komen om een einde te maken aan het lijden wat het leven in deze wereld met zich mee brengt (1 Petr.1:1-9; 4:12-16). De komst van de Heer is het steeds terugkerend onderwerp in de twee brieven van Paulus gericht aan de Thessalonicenzen. In de eerste brief gaat het over de komst van de Heer Jezus voor de Gemeente, een verborgen komst die elk moment kan gebeuren. In de tweede brief gaat het over de komst van Christus op aarde nadat er meerdere gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die aan zijn komst voorafgaan.

…een voorbeeldige gemeente vormden (1:7)

‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23).

Van ‘navolgers waren ze ‘voorbeelden’ geworden. Paulus was dankbaar voor hun geloof, hoop en liefde, en voor het feit dat deze christelijke eigenschappen zich openbaarden in hun werk, door volharding en geduld. Kunnen andere gelovigen aan ons zien dat we God toebehoren? Van de eerste gelovigen lezen we dat ze: ‘dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkwamen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk’ (Hand.2:46-47). Zijn wij c.q. onze gemeente een voorbeeld voor anderen? Het getuigenis van de gemeente te Thessalonika strekte zich uit tot alle gelovigen in Macedonië en Achaje. Ze waren navolgers van Paulus geworden zoals hij het was van Christus (1 Kor.11:1).

…ze enthousiaste gelovigen waren (1:8)

Is Gods kracht zichtbaar in mijn leven? Dat zal het geval zijn als u het Woord van God door het geloof aanneemt en de Geest van God laat werken in uw hart. Ze hadden het Woord ‘aangenomen niet als een woord van mensen, maar wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft’ (1 Thes.2:13). De gelovigen in Berea staat vermeld dat ze zich: ‘gunstig onderscheidden ten opzicht van die te Thessalonika, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren’ (Hand.17:11). Het onderzoeken en lezen van de Bijbel moet er toe dienen dat u een groot hart krijgt, geen groot hoofd! ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?’ (Luk.24:32). ‘De bijbel is ons niet alleen gegeven om ons te informeren, maar om ons te transformeren’ Deze gelovigen waren nog maar een korte tijd christen en toch gaven ze een geweldig getuigenis door het woord te verkondigen (1:8). Ze hoefden de apostel daar niet eens over in te lichten want die andere gelovigen vertelden zelf welk een ingang Paulus en zijn medewerkers bij hen hadden gehad.

…ze een verwachtingsvolle gemeente waren (1:9)

De komst van Christus hield de gelovigen in Thessalonika nogal bezig, dat blijkt wel als we de inhoud van de twee brieven aan hen gericht bestuderen. Hun houding was als van waakzame slaven die hun lendenen omgord en hun lampen brandende hadden. Ze waren gelijk aan mensen die op hun heer wachten (Luk.12:35-36). Als de wederkomst van de Heer Jezus hen zo bezig hield hoeveel te meer zou het bij ons moeten zijn, wij die zoveel dichter bij de komst van de Heer Jezus staan? ‘Want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen’ (Rom.13:11)? Een levend geloof in de komst van de Heer Jezus brengt altijd praktische consequenties met zich mee. ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3). En op de laatste bladzijde van de Bijbel lezen we: ‘De tijd is nabij. Wie onrecht doet, hij doet nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’ (Op.22:11). ‘De waarde van profetie is niet speculatie maar motivatie.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX



[i] Enkele belangrijke bijbelteksten i.v.m. uitverkiezing zijn: Romeinen 8:28 - 11:36; Efeze 1:3-11; 1 Thessalonicenzen 1:4; 2 Thessalonicenzen 2:13; 1 Petrus 5:13;  2 Petrus 1:10.

De stelling van Arminius (de ‘rekkelijken’)

Door een eeuwig, onveranderlijk raadsbesluit in Christus vóór de grondlegging der wereld, besloot God uit het gevallen en zondige mensengeslacht diegenen te bestemmen tot eeuwig leven, die door zijn genade in Jezus Christus geloven, en volharden in geloof en gehoorzaamheid.

Christus de Heiland der wereld stierf voor ieder mens, zodat hij door zijn dood aan het kruis verzoening en vergeving verwierf voor allen, op zodanige wijze echter dat alleen de gelovigen dit voorrecht werkelijk genieten.

De stelling van Gomarus (de ‘preciezen’)

Gomarus volgt de visie van Calvijn en diens leerling opvolger Beza in de predestinatieleer zoals vermeld in de Institutie van Calvijn als ‘de eeuwige raad van God, waardoor Hij bepaalde wat Hij met ieder mens van plan was. Want Hij schept niet ieder in dezelfde staat, maar stelt voor sommigen eeuwig heil vast, voor anderen eeuwige verwerping.’

De vijf belangrijkste punten van het Calvinisme zijn: (1) de totale verdorvenheid van de mens, (2) onvoorwaardelijke uitverkiezing, of een mens is uitverkoren heeft niets te maken met verdienste, kwaliteit of prestatie, (3) Christus is alleen voor uitverkorenen gestorven, (4) onweerstaanbare genade roept en verlost feilloos alle uitverkorenen, en (5) de volharding van de heiligen houdt in dat allen die werkelijk door God zijn uitverkoren niet verloren zullen gaan, maar zeker tot hun dood in het geloof zullen volharden.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Afscheidswoorden’

2 Timotheüs 4:6-8

 

 

 

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

Inleiding

Laatste woorden van mensen, uitgesproken op hun sterfbedden, maken vaak indruk omdat daarin vaak hun ware aard naar voren komt. Ze willen vaak nog iets doorgeven aan de achterblijvers. We weten dat Beethoven stierf met een vuist naar de hemel opgeheven hij was teleurgesteld in het leven en vooral in Napoleon van wie hij zulke grote verwachtingen had. Ook in de Bijbel vinden we van verschillende personen ‘afscheidswoorden’ we denken maar aan Jakob, Mozes en Samuël. Van de apostel Paulus kennen we ook zijn afscheidswoorden gericht aan zijn kind Timotheüs, geschreven vanuit een Romeinse gevangenis, zoals hierboven aangehaald.

Toen Paulus zijn afscheidsbrief schreef aan zijn geliefde vriend en broeder Timotheüs schreef hij niet met angst en zorg maar met vrede in zijn hart. Hij weet dat hij zijn dood tegemoet gaat, maar het maakt hem niet bang. Hij weet dat zijn taak er bijna op zit, maar dat ontmoedigd hem niet. Zijn woorden spreken van moed en berusting in zijn situatie, en in deze houding van geloof, kijkt Paulus in drie richtingen en geeft getuigenis van zijn geloof en vertrouwen op God.

Paulus keek om zich heen

‘Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.’

Paulus keek om zich heen en gaf te kennen dat hij er klaar voor was. Hij zag zichzelf niet als een gevangene die ter dood gebracht zou worden, maar als een offer ter heerlijkheid van God. Zijn leven wordt hem niet afgenomen; hij offert het voor de Heer. De Heer Jezus had zijn leven voor Paulus afgelegd, en nu mag de grote apostel zijn leven afleggen voor zijn Heer en Heiland. De woorden gericht tot Petrus door de Heer Jezus kunnen we zonder meer ook toepassen op Paulus: ‘Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou’ (Joh.21:18-19).

In zijn afscheidstekst vermijd Paulus het woordje ‘dood.’ Het is niet uit vrees voor de dood of uit vrees om te sterven om het woordje ‘dood’ te vermijden. Het is eenvoudig zo dat er voor een gelovige niet zo iets is als de dood. Het woord dat Paulus hier gebruikt is ‘vertrek’, en dat heeft in het Grieks meerdere betekenissen. Eén betekenis is, je tent inpakken en verder trekken, de manier waarop een soldaat dat zou doen als het leger verder trekt. Paulus zag zichzelf als een van Gods soldaten, levend in een tent – zijn sterfelijk lichaam. Hij wist dat de dood zijn tent zou wegnemen en dat hij in Gods heerlijkheid zou komen. Onze lichamen zijn tijdelijke woonplaatsen (Pred.12:7). Als de Heer ons naar huis roept, zullen we verheerlijkte lichamen ontvangen, permanente woonplaatsen, en die zullen we voor altijd houden.

Een andere betekenis is de meertouwen van een boot losmaken ter voorbereiding van het zee kiezen. Dat is wat er gebeurt als een gelovige sterft – hij verlaat de ligplaats van dit leven en deze wereld, en zet zeil naar de hemel en zijn eeuwige stranden. Paulus wist dat zijn dood een bevrijding was. De gevangenis was niet zijn permanente verblijfplaats. Zijn kleine ‘boot’ zou worden losgemaakt en hij zou aankomen aan de eeuwige kusten om de Heer Jezus te ontmoeten.

Kunt jij ook met evenveel vertrouwen om je heen kijken zoals Paulus, als je zou weten dat ook jij ‘geofferd’ zou worden?  Als je gelooft in de Heer Jezus, ben je daarvoor klaar, en is er niets te vrezen.

Paulus keek achterom

‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.’

Paulus keek niet alleen om zich heen toen hij aan het einde van zijn leven kwam; hij keek ook achterom. Omdat hij geloofde in de Heer Jezus, kon Paulus rondom zich kijken zonder vrees, en hij kon ook achterom kijken zonder spijt. Veel mensen vermijden terug te kijken op hun leven. En laten we wel zijn, er is ook een verkeerde manier om terug te kijken; het is niet goed om terug te kijken op zonden begaan in het verleden of misstappen en nederlagen. Dat maakt het mogelijk dat je vandaag ook faalt. Maar het is goed terug te kijken om te zien wat de Heer in ons en door ons heeft gewerkt. Toen Paulus terug keek, zag hij dat zijn leven niet altijd gemakkelijk was geweest. Er waren momenten van strijd geweest, er waren wedlopen gelopen, en er was een taak volbracht. Hij had tegen de wereld, het vlees en de duivel gestreden, stad na stad, en nu stond hij voor zijn laatste strijd in Rome. (Zie voor een overzicht van Paulus’ leven 2 Korinthiërs 11:23-28) Er waren tijden geweest dat hij dacht te zullen falen, maar de Heer had hem er altijd doorheen geholpen. Hij kon schrijven, ‘Ik heb de goede strijd gestreden’, en ook: ‘Ik heb mijn loop beëindigd.’ Dat was altijd Paulus’ grootste verlangen geweest: ‘Opdat ik mijn loop volbreng en de bediening, die ik van de Heer Jezus heb ontvangen…’ (Hand.20:24). Ieder van ons heeft een loop te volbrengen. God heeft aan een ieder een plaats gegeven en een taak om te doen. Onze tijden zijn in zijn hand. Sommigen is een korte tijd gegeven voor hun taak; anderen kregen meer tijd. Stefanus stierf als een jonge man; Paulus was het gegeven een langer leven te mogen hebben. Maar het is niet de lengte van je leven dat telt - het is de diepte en doel van je leven. Paulus had zijn loop beëindigd. Hij kon de Heer Jezus ontmoeten, hij wist dat zijn taak volbracht was hij had het geloof behouden. Zelfs in Paulus’ dagen waren er belijdende gelovigen die het geloof opgaven. Paulus waarschuwt Timotheüs met de woorden  dat: ‘De Geest nu uitdrukkelijk zegt, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen...’ (1 Tim.4:1). Het geloof hier betekent: ‘het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Judas vs.3) de inhoud van de christelijke leer dat lichaam van reddende waarheden waarvoor de Heer Jezus zijn leven heeft gegeven en dat we in de Bijbel, het Woord van God kunnen lezen. Als een goed dienaar, heeft Paulus dat geloof op vele manieren verdedigd, verkondigd en geleefd. Nu stond hij op het punt van het ‘podium’ te verdwijnen; het doek zou spoedig vallen!

Neem tijd om terug te kijken. Heb je de goede strijd gestreden? Ben je een overwinnaar of een slachtoffer? Ben je als een strijder op het slagveld, of een slachtoffer? Heb je jouw loop beëindigd? Heb je de wil van God gedaan vanuit je hart? En heb je het geloof behouden? Ben je trouw geweest aan het Woord van God en in het doorgeven ervan? Paulus kon zonder vrees om zich heen kijken maar ook zonder spijt achterom kijken. Ik hoop dat u en ik dat ook kunnen doen.

Paulus keek vooruit

Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook allen die zijn verschijning hebben liefgehad.’

Paulus keek niet slechts rondom zich en achter zich, maar hij keek ook vooruit. Veel mensen zijn bang als het einde van hun leven zich aankondigt om vooruit te kijken. De Bijbel waarschuwt ons, ‘Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Heb.9:27). Maar Paulus had niets te vrezen als hij vooruit keek. Hij wist precies wat er zou gaan gebeuren: hij zou de Heer Jezus ontmoeten en van Hem de kroon der gerechtigheid ontvangen. Er is geen vrede te vergelijken met de vrede die wij in onze harten hebben wanneer we weten dat de toekomst veilig is. Paulus geloof berustte niet op de Romeinse wet, hoe goed die ook wel mocht zijn. Zijn geloof berustte niet op zijn vele vrienden, of op zichzelf en wat hij had gepresteerd. Zijn geloof was in God. Hij keek achterom zonder spijt; Hij keek om zich heen zonder angst; en hij keek vooruit zonder twijfel of vrees voor de dood  want hij vertrouwde op de Heer Jezus. Rome zou Paulus vermelden als een crimineel, maar in het boek van het leven van het Lam stond hij vermeldt als een kind van God. En hij zou uit de mond van zijn Heiland horen: ‘Goed gedaan, gij goede en getrouwe slaaf…’ (Math.25:21).

Op één of andere dag zal het leven van u en mij ook beëindigd worden. Niemand van ons kent de dag of het uur, en voor sommigen komt het misschien eerder dan verwacht. Ons ‘thuiskomen’ kan plotseling zijn; misschien hebben we iets meer tijd en kunnen we het leven de revue te laten passeren zoals Paulus dat deed in die Romeinse gevangenis. Of op een ziekbed afscheid nemen van onze geliefden. Ik hoop dat een ieder van ons in alle drie de richtingen kan kijken en daarna met hetzelfde klinkende getuigenis kan komen zoals Paulus dat in zijn laatste brief heeft geschreven. Wijdt je hart en leven aan de Heer Jezus. Wees Hem trouw, wat er ook gebeuren mag of mensen je aandoen. Het belangrijkste is niet de gunst van de mensen; het is goedkeuring van God.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

'De genade van God is verschenen'

Titus 2:9-15  

 

 

‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

Inleiding

Enige jaren geleden ben ik op het eiland Kreta geweest en heb ik de plaats mogen bezoeken waar vermoedelijk een christelijke gemeente is geweest. Er zijn twee theorieën betreffende het ontstaan van de christelijke gemeente aldaar. De eerste is dat zij is ontstaan doordat Kretenzers, die aanwezig waren tijdens het pinksterfeest in Jeruzalem en daar het evangelie hebben gehoord, tot geloof zijn gekomen en bij hun terugkeer een gemeente zijn gaan vormen (Hand.2:10-11). De tweede theorie is dat de apostel Paulus tijdens zijn bezoek aan Kreta daar een gemeente heeft gesticht. In Titus 1:5 schrijft de apostel immers, in zijn brief gericht aan Titus, dat hij hem - Titus - op Kreta heeft achtergelaten.

Je zou je kunnen afvragen of zo’n oude brief ons nog iets te zeggen heeft. Een antwoord vinden we bij Paulus, in wat hij in zijn brief aan Timotheüs - een ander geestelijk kind – heeft geschreven: ‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2Tim.3:16). Die volkomenheid ontbrak bij de gelovigen op Kreta, en misschien ook wel bij ons? Vandaar dat Paulus Titus de opdracht gaf om in orde te brengen hetgeen nog verbetering behoefde (Tit.1:5).

Vanwege de invloed van Judaïsten (1:10, 13), maar ook door de laksheid van de Kretenzers (1:12), is deze brief geschreven en werd de gehele gemeente (oude en jonge mannen, oude en jonge vrouwen en de slaven – Titus 2:1-9) aangemaand ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’ (Tit.2:10). Waarom? Omdat de genade van God verschenen was!

‘De genade van God is verschenen…’

Petrus noemt God: ‘de God van alle genade’ (1Petr.5:10), maar je zou kunnen zeggen dat Gods genade min of meer bedekt was. Daarmee bedoel ik te zeggen dat men toen nog niet wist wat de grondslag was waarop de mensen Gods genade ontvingen. De eerste mens waarvan wij weten dat hij deel kreeg aan Gods genade was Noach (Gen.6:8). Een andere persoon was Mozes, we lezen: ‘Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te stellen? En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons van hier niet optrekken. Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn. En de HERE zeide tot Mozes: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.’ (Ex. 33:14-17).

De genade van God is verschenen, wil zeggen, het is geopenbaard in de Persoon van zijn Zoon, de Heer Jezus. ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14). Daarom kon de apostel Paulus aan de gelovigen te Korinthe schrijven: ‘Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden’ (2Kor.8:9). En zoals de Heer Jezus ‘woorden van genade sprak, die van zijn lippen kwamen’ (Luk.4:22). zo mochten de apostelen en mogen ook wij op onze beurt het ‘evangelie van de genade van God’ (Hand.20:24) in deze wereld verkondigen aan alle mensen, want, zegt het vervolg van dit Bijbelgedeelte, het is:

‘… heilbrengend voor alle mensen…’

Een ander woord voor heil is verlossing of redding, dat is wat de genade brengt. De Heer Jezus wordt dan ook vaak in het nieuwe testament als Heiland vermeld. De Wet was voor Israël, de genade voor alle mensen, dat wil zeggen ze strekt zich uit tot alle mensen. Nog duidelijker verwoorden de Herziene Statenvertaling en de Telosvertaling het: ‘Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de wet en de profeten is getuigd: namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid’ (Rom.3:21-22). De Bijbel leert geen alverzoening (de foute leer dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden), maar ook geen beperking van een aantal uitverkorenen. Nee, wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17). ‘Want de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mat.20:28).

‘… om ons op te voeden…’

De Herziene Statenvertaling zegt: ‘En leert ons (onderwijst ons - Telos-vert.) de goddeloos-heid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen (ingetogen - Telos-vert.), rechtvaardig en godvruchtig te leven’ (Tit.2:12). Dus Gods genade brengt ons niet alleen het heil, maar vraagt ook om een veranderde levenshouding, want: ‘vrijgemaakt van de zonde bent u slaven van de gerechtigheid geworden’ (Rom.6:18).

Door onze wedergeboorte zijn wij in een nieuwe positie gekomen – in Christus zijn we een nieuwe schepping geworden – maar met veel dingen uit het verleden moeten we nog afrekenen. Dit betekent dus een actief handelen van onszelf. We zijn kinderen die opgevoed moeten worden naar de principes van onze hemelse Vader.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld’ (1Joh.2:15-16). Met drie gebieden van ons leven dienen we rekening te houden. Ten eerste: ‘de begeerte van het vlees’, wat kan duiden op (verkeerde) natuurlijke verlangens. Ten tweede: ‘de begeerte van de ogen’, wat een zucht kan zijn naar allerlei materiele verlangens, en ten slotte de begeerte van de menselijke geest, ‘een hovaardig leven’ of hoogmoed.

We moeten niet alleen dingen afleren maar ook aanleren: bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig leven. Ten eerste, een naar binnen gerichte actie: bezonnen leven. Het gaat er niet alleen om dat ons hart vernieuwd is, maar ook ons denken zal vernieuwd moeten worden; een verandering van binnenuit (Rom.12:1). Ten tweede, een naar buiten gerichte actie: rechtvaardig leven. Wanneer we trachten goed te doen aan alle mensen, is dat een blijk van een leven in gerechtigheid (Gal.6:9-10). En ten derde, een naar ‘boven’ gerichte actie: godvruchtig leven. We zijn niet meer van onszelf maar behoren aan Christus toe, opdat wij voor God vrucht zouden dragen (Rom.7:4; 1Kor.6:19-20).

‘… in de verwachting van de gelukzalige hoop…’

Van de gelovigen in Thessaloniki staat geschreven ‘hoe zij zich van de afgoden tot God bekeerd hadden, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1Thes.1:9-10). Zij hadden begrepen dat het één niet zonder het andere kan! We worden niet behouden door werken, maar door een geloof dat werkt! Het is een totaalpakket, niet alleen de voorrechten maar ook de verplichtingen!

En wij dienen God in het vooruitzicht van de komst van Jezus Christus, want dan zal alles wat we voor Hem hier op aarde hebben gedaan voor zijn rechterstoel geopenbaard worden en zullen we onze beloning ontvangen (2Kor.5:10). ‘En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen (Op.19:6-8). ‘Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen’ (2Tim.2:15). ‘Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen (Luk.9:26).

Mogelijke kennis van de belangrijkste zaken van het christelijk geloof ontslaat ons er niet van de nederigste taken van het christelijk leven te doen.

‘…Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.’

Gods genade is geopenbaard in de Heer Jezus, en opdat wij daaraan deel zouden kunnen krijgen was het nodig dat Hij voor ons aan het kruis van Golgotha zou lijden en sterven. De Heer Jezus heeft zich overgegeven voor de Gemeente (Ef5:25), voor mij (Gal.2:20) en voor onze zonden (Gal.1:4). Twee redenen worden ons hier gegeven waarvoor de Heer Jezus Zich heeft gegeven. Om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en om een eigen volk te hebben, volijverig in goede werken. De reiniging komt tot stand door het Woord van God. ‘Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord’ (Ef.5:29). Dat betekent niet alleen Gods Woord lezen, hoe goed dat ook is, maar het toepassen in ons leven. Het Woord van God was werkzaam in de gelovigen te Thessaloniki omdat ze het Woord hadden aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als het woord van God (1Thes.2:13-14). ‘Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2Tim.3:16 - HSV). Dat brengt ons bij het laatste onderwerp: goede werken.

De brief van Titus legt grote nadruk op goede werken (1:16; 2:7, 14; 3:1, 8, 14). We zijn niet behouden door goede werken (3:5) maar door een geloof dát werkt!. De apostel Petrus zegt het met andere woorden: ‘Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1Petr.2:9). Zoals al eerder gezegd, we worden opgeroepen ‘om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken’, want de genade van God is verschenen! (Tit.2:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

‘Een beter offer'

Hebreeën 11:4

‘Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is’ (Hebreeën 11:4).

 

 

Inleiding

Kaïn en Abel hadden dezelfde afkomst, groeiden op in dezelfde omgeving, oefenden beiden een beroep uit en waren beiden religieus. Toch was Kaïn een moordenaar. Het grote verschil tussen Abel en Kaïn was geloof. Door zijn geloof werd Abel een martelaar en Kaïns ongeloof maakte van hem een moordenaar. Kaïn was religieus maar niet rechtvaardig. We moeten leren dat het geloof in Jezus Christus waard is om voor te sterven, en dat de wedloop uitlopen ons iets kost! (Hebreeën 12:1-3).

1. Abel was een gelovige

Wat is echt geloof? Er is wel gezegd: ‘echt geloof is God gehoorzamen ongeacht gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons of consequenties voor ons.’ Of Abel verwacht had dat hij voor zijn geloof in God zou moeten sterven weten we niet, maar in zijn geval was het wel de uiterste consequentie. De bijbel is eensluidend over het geloof van Abel, hij werd door de Heer Jezus een rechtvaardige genoemd (Mattheüs 23:35; Hebreeën 11:4) maar ook zijn werken waren rechtvaardig (1 Johannes 3:12).

Hoe was Abel een rechtvaardige geworden? Abel en Kaïn waren kinderen van Adam en Eva en evenals hun ouders zondaars. ‘Komt ooit een reine uit een onreine – niet één’ (Job 14:4).

‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12). Omdat daarom ieder mens schuldig voor God staat kon God genade bewijzen aan de mensheid, want ‘evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden’ (1 Korinthiërs 15:22).

Van wie had Abel zijn geloof? Hadden zijn ouders hem verteld hoe zij van God waren afgeweken en waarom een engel de ingang tot het paradijs bewaakte? Hadden ze hem onderwezen in de wijze waarom een mens tot God moet naderen? Het eerste offer dat gebracht geworden in de bijbel is het dier dat geslacht werd om Adam en Eva te bekleden (Genesis 3:21). Dit spreekt natuurlijk van Christus, Gods grootste offer. ‘Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld’ (Jesaja 61:10). Abel bracht God een offer van een dier want hij had begrepen dat er ‘zonder bloedstorting geen vergeving is’ (Hebreeën 9:22). Zó zal hij dat van zijn ouders geleerd hebben mogen we geloven.

2. Abel groeide in zijn geloof

Abel was niet alleen een rechtvaardige maar ook een aanbidder; een aanbidder die tot het altaar komt. Wanneer we, door het lezen van de bijbel, verstaan wie God is en wat Hij heeft gedaan om ons te kunnen redden dan zullen we tot aanbidding komen. Groei resulteert in aanbidding. Bij aanbidding gaat het om de Persoon van God niet om ons of onze redding.

Aanbidding dient niet alleen te bestaan uit woorden, maar woorden dienen gevolgd te worden door daden. Abel bracht ‘een van de eerstelingen zijner schapen’, hij gaf het beste van wat hij had aan God, en wat doen wij? Nee, we hebben vandaag geen tempels, altaren en dieren om te offeren, maar dat wil niet zeggen dat wij geen offers kunnen brengen! Het nieuwe testament onderwijst dat wij onze lichamen als een offer aan God kunnen toewijden (Romeinen 12:1). We kunnen God met onze mond loven en prijzen en goede werken doen (Hebreeën 13:15,16). Ons geld en andere materiële zaken kunnen een offer zijn (Filippi 4:10-18). Ook onze gebeden kunnen een offer voor Hem zijn (Psalm 141:2) maar een gebroken hart kan eveneens een offer zijn (Psalm 51:19). In elke geval willen wij, evenals David, de Here geen brandoffers brengen, die ons niets kosten (2 Samuël 24:24).

3. Abel was bereid om voor zijn geloof te lijden

‘Opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar’ (Mattheüs 23:35). Abel was de eerste in de rij van martelaren die vanwege hun geloof het leven lieten of lijden ondergingen. In Hebreeën 11 vinden we een opgave van mensen die om hun geloof in God vervolgd zijn geworden (Hebreeën 11:36v.). In dit hoofdstuk vinden we de namen van drie ongelovigen: Caïn (11:4), Esau (11:20; zie ook 12:14-17), en de Farao (11:23-29). Deze drie staan voor de drie vijanden die gelovigen hebben. Ten eerste de wereld (Farao, want Egypte is een beeld van de wereld). Jakobus zegt dat vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God (Jakobus 4:4). Ten tweede de begeerten van het vlees (Esau) ‘want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees’. Ten slotte de duivel (Caïn, want hij was uit de boze, volgens 1 Johannes 3:12) die zich kan vertonen als een engel van het licht of als een brullende leeuw.

Ook wij dienen hiermee rekening te houden want op een of andere manier zal ons geloof beproefd worden en de vraag is of wij bereid zijn de (ultieme) prijs te betalen. ‘Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden’ (Filippi 1:29).

4. Van Abels geloof ging een getuigenis uit

In de bijbel zijn geen woorden te vinden die Abel heeft uitgesproken en toch ‘spreekt’ hij tot ons (Hebreeën 11:4). We lezen hetzelfde van de schepping: ‘De hemelen vertellen Gods eer,

en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld’ (Psalm 19:1-5). De Here zei tot Kaïn, na de moord op zijn broeder Abel, ‘Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem’ (Genesis 4:10).

In de brief aan de Hebreeën wordt het bloed van de Heer Jezus vergeleken met het bloed van Abel: ‘tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel’ (Hebreeën 12:24). Abels bloed sprak vanuit de aarde, terwijl het bloed van Christus getuigenis droeg van de hemel. Abels bloed schreeuwde om wraak, terwijl het bloed van Christus spreekt van verzoening en genade. Vanwege het vergieten van het bloed van zijn broer werd Kaïn van Gods aanwezigheid verwijderd (Genesis 4:14) het bloed van Jezus Christus opent ons de weg om in Gods tegenwoordigheid te komen (Hebreeën 10:19-25). Het bloed van Abel spreekt ons van de dood, terwijl het bloed van Christus spreekt van eeuwig leven. Abel is dood, maar Jezus leeft! Abels bloed kon geen zonden wegwassen, maar Christus bloed reinigt ons van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9). Welk getuigenis gaat van ons geloof uit!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Mozes 

‘Als geloof nee zegt!’ 

(Hebreeën 11:23-29)  

 

 

 

 

‘Maar indien het kwaad is in uw ogen, de HERE te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!’ (Jozua 24:15).

Inleiding

‘Wanneer het geloof ja zegt tegen God, moet het vanzelfsprekend nee tegen iets anders zeggen, anders maak je een compromis. Je maakt dan eigenlijk een overeenkomst tussen twee personen of zaken waarbij ieder iets toegeeft; dat is water bij de wijn doen! God vraagt totale toewijding of overgave aan Hem; we kunnen geen twee meesters dienen (Math. 6:24). Omdat Abraham God geloofde, verliet hij Ur der Chaldeeën en ging naar Kanaän. Hij vroeg geen garanties en deed geen pogingen om bepaalde gunsten te verkrijgen. Hij gehoorzaamde eenvoudig. Hij zei ja tegen God en nee tegen Ur der Chaldeeën. Beide beslissingen maakten hem tot een geloofsheld en is daarom opgenomen in het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën. Het is relatief gemakkelijk om ja tegen God te zeggen, maar moeilijker om nee tegen de wereld, het vlees of de duivel te zeggen. Lot zei ja tegen God maar heeft nooit nee tegen de wereld gezegd, en het einde van Lot was een grot waar donkerheid, dronkenschap en sexuele misstanden waren. Demas heeft de tegen-woordige wereld lief gekregen, en mij verlaten’ schrijft Paulus, in een tijd waarin hij dringend hulp nodig had. (2 Tim. 4:10). In zijn boek ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ schets de schrijver Bunyan ons dat velen onderweg op de weg bezweken omdat ze niet geleerd hadden om nee tegen de andere dingen te zeggen. In deze studie over het leven van Mozes gaan we na wanneer ‘nee’ gezegd werd door Mozes maar ook door zijn ouders, en daar beginnen we mee.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd’ (Hebr. 11:23).

1. Nee, tegen het gezag.

Wat een voorrecht om gelovige ouders te hebben! De ouders van Mozes leefden in een zeer moeilijke tijd, waarin de farao ‘listig met het volk handelde’ (Hand. 7:19vv). Hij behandelde het volk slecht en had bevolen dat ze hun jonge kinderen te vondeling moesten leggen, en dat alle jongetjes gedood moesten worden. ‘Werpt alle jongens die geboren worden, in de Nijl, maar alle meisjes moogt gij laten leven’ was wat de farao had geboden (Ex. 1:22). In die tijd werd Mozes geboren, als derde kind in het gezin van Amran en Jochebed, bepaald geen tijd waarin je uitzag naar nóg een kind, en als het dan ook nog een jongetje is… (Ex. 2:1; 6:19). Amran en Jochebed wisten dat Mozes niet zomaar een jongetje was want: ‘hij was mooi voor God’; het was een speciaal kind, dus verborgen zij het kind en na drie maanden legden zij het te vondeling (Hand. 7:20v; Hebr. 11:23v;   Ex. 2:2). God had een speciale bedoeling met Mozes; hij zou het volk uit Egypte leiden op weg naar het beloofde land.

Amran en Jochebed gingen dus in tegen het gebod van de farao om het kind te doden en terecht! Het is normaal dat een gelovige aan het gezag dat boven hem gesteld is gehoorzaamd, maar er kunnen zich situaties voordoen in het leven waarin burgelijke ongehoorzaamheid vereist is, dat je nee moet zeggen, zoals hier (Rom. 13:1-7; Tit. 3:1; 1 Petr. 2:13-17). Farao’s gebod geen immers regelrecht tegen Gods gebod in! Ze stonden in deze ‘ongehoorzaamheid’ niet alleen, ze volgden daarin de vroedvrouwen, want: ‘De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte haar gezegd had, maar lieten de jongens in leven’ (Ex. 1:17). Door het nee tegen farao’s gebod werd Mozes leven gered; wees blij wanneer je gelovige ouders hebt die resoluut in hun geloof zijn!

Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen’ (Hand. 5:29)

+++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding’ (Hebr. 11:24-26).

2. Nee, tegen de zonde.

Is het u al opgevallen dat de uitdrukking ‘door het geloof’ veel voorkomt in Hebreeën 11:23-29? ‘Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn’ (Hebr. 11:6) en dat is wat Mozes wilde, voor God welgevallig, aangenaam zijn. Daarom weigerde Mozes! Door het geloof had Mozes de kracht te weigeren om door te gaan als een zoon van Farao’s dochter; om te genieten van de zonde, de zonde, die ons zo licht in de weg staat, waardoor een groei in het geloof belemmerd wordt (Hebr. 12:1).

Zouden wij ooit van Mozes hebben gehoord als hij niet geweigerd had, als hij niet nee gezegd had? Misschien zou ergens op een tempelmuur, obelisk of pyramide een inscriptie gevonden zijn met zijn naam erop, en dat zou alles zijn. Maar vandaag hebben de meeste mensen wel eens van Mozes gehoord en is hij opgenomen in de lijst van geloofshelden in Gods Woord (Hebr. 11). Misschien zijn we geneigd om te denken: ‘Mozes had beter in Egypte kunnen blijven dat had hij veel meer voor het volk Israël  kunnen betekenen. Hij had immers door zijn positie invloed kunnen aanwenden ten gunste van het volk!’ Maar God had andere plannen met Mozes, Hij wilde door hem het volk uit Egypte verlossen. Hij handelde met Mozes anders dan met bijvoorbeeld, Jozef, Esther of Daniël die in eenzelfde positie waren en aan het hof moesten blijven. God gaat met een ieder van ons een eigen weg.

Mozes had een langetermijnvisie, hij zag de tijdelijkheid en betrekkelijkheid in van de genietingen van de zonde en van de schatten van Egypte en dat wilde hij niet, hij wilde iets beters, de smaad van Christus en de beloning van God.

Stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God’ (Rom. 6:13)

++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke’ (Hebr. 11:27).

3. Nee, tegen de wereld.

Het was de tweede keer dat Mozes Egypte verliet. De eerste keer op de vlucht vanwege de doodslag op een Egyptenaar en uit angst (Ex. 2:11-15). De tweede keer in de volle kracht van het geloof en ziende op de Onzienlijke! Mozes had geen vrees voor de toorn van de Farao want: ‘er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit’ (1 Joh. 4:18). Evenals Jozef is Mozes hier een prachtig beeld van de Heer Jezus. Beide mannen, Jozef en Mozes, wilden hun broeders redden maar werden ze afgewezen. Bij hun tweede ‘komst’ werden ze aanvaard (Hand. 7:12-13). Zo ook de Heer Jezus. Bij zijn eerste komst werd hij door het volk afgewezen, ze schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer’ (Joh. 19:15). Bij zijn tweede komst zal Hij door hen worden aangenomen (Zach. 12:10; Math. 24:30).

Egypte is een gekend beeld van de wereld, de wereld met al zijn geneugten en gemakken. Zo’n wereld kan een grote aantrekkingskracht hebben ook op het hart van een gelovige die niet wandelt in de kracht van Gods Geest. Lot is het klassiek voorbeeld van een gelovige die wel Egypte had verlaten, maar in zijn hart was ‘Egypte’ nog volop aanwezig. Van Demas moest de apostel helaas zeggen: ‘hij heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’ (2 Tim. 4:9). In de gelijkenis van de zaaier lezen we ‘dat wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht (Luk. 8:14).

Mozes, op weg naar het beloofde land, keerde zijn rug naar Egypte, de wereld, en had definitief afscheid genomen. Maar zo gemakkelijk was dat niet, Farao wilde hem en de Israëlieten terughalen om ze weer in zijn dienst te hebben. En die strijd zullen ook wij ervaren, de satan wil ons terug in zijn dienst, laten wij dan ook evenals Mozes ‘standvastig, bliujven als ziende de Onzienlijke’.

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem’ (1 Joh. 2:15).

+++++++++++++++++++++++++

Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken’ (Hebr. 11:28).

4. Nee, tegen de farao.

De HERE, de God van Israël had tot Mozes en Aaron gezegd, zeg tegen de Farao: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren. Maar Farao zeide: Wie is de HERE, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan. Later kwam Farao daar schoorvoetend op terug, hij wilde ze laten gaan mits ze niet te ver weggingen, de mannen alleen zouden gaan en tenslotte wilde hij ze laten gaan maar ze mochten hun vee net meenemen. (8:28, 10:11, 10:24). Maar met al die voorstellen ging Mozes niet akkoord, hij luisterde niet naar de Farao, hij zei nee tegen de Farao en ja tegen de Here.

Nadat Farao zijn hart herhaaldelijk had verhard, verhardde de Here tenslotte zijn hart, zoals God had voorzien en voorzegd  (Ex. 4:21, 10:20, 11:10) De laatste plaag ging komen over Egypte, de dood van de eerstgeborenen van zowel van de Egyptenaren alsmede van de Israëlieten!  Maar de Here gaf een middel waardoor de eerstgeborene gespaard kon worden voor het oordeel, alleen die huizen zouden gespaard worden waar het bloed aan de deurposten gestreken was. Er was geloof voor nodig om te aanvaarden dat het bloed van een lam hen zou kunnen beschermen voor de dood van de eerstgeborenen. Ze hadden niets anders dan de belofte van God die had gezegd: ‘wanneer ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij!’ (Ex. 12:13). Die nacht moesten ze een keuze maken geloven in het gezag van de Farao’s woord of het gezag van Gods Woord. Mozes en vele anderen had dat geloof, hij vierde het Pascha, streek het bloed van het lam aan de deurpost en maakte zich op om te gaan naar het beloofde land. Heeft u ook dat geloof dat het bloed van hét Lam u kan redden en kan brengen in de hemel?

‘Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed’ (Openb. 1:5).

++++++++++++++++++++++++++++

‘Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden’ (Hebr. 11:29)

5. Nee, in beproevingen.

U kent de geschiedenis. Mozes en het volk verkeerden in een uitzichtloze situatie ze stonden voor de Rode zee, en wat nu? Ze waren uit Egypte vertrokken en de reis naar het beloofde land was begonnen. Hun geloof zou tijdens die reis vele malen op de proef gesteld worden, en het begon al onmiddellijk na hun vertrek. Farao kwam namelijk tot de ontdekking dat hij een verkeerd besluit genomen had. ‘Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël uit onze dienst hebben ontslagen? Daarop spande hij zijn wagen aan en nam zijn volk met zich. Hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, alle volledig bemand’ (Ex. 14:6-7). Het zag er niet goed uit voor Mozes en het volk, de wildernis rondom hen, de Rode zee vóór hen en de Farao achter hen! Het volk werd bevreesd en er werd een oplossing voorgesteld: ‘laten we maar terugkeren naar Egypte, Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven’. Mozes zei: ‘houdt stand ‘, blijf waar je bent. Maar God zei: ‘Ga voorwaarts!’, God opende de zee en het volk trok er door  (Ex. 14:12-14).

Iemand heeft eens gezegd: ‘Je hebt nog nooit geleerd volledig op God te vertrouwen, dan wanneer je Hem hebt vertrouwd in onmogelijke situaties!’ Hoe vaak overkomt het ons dat wij in een situatie verkeren waarin, menselijkerwijs, geen uitkomst is, en wat doen we dan? Keren we terug, blijven we staan of gaan we door in het geloof dat God in staat onze ‘storm’ te veranderen in een ‘zachte koelte’?

‘Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?’ (Hebr. 13:5-6).

++++++++++++++++++++++++++++

Besluit

We hebben verschillende momenten in het leven van Mozes onderzocht en besproken en gezien dat een volledige toewijding en vertrouwen op God de beste manier is om van je leven als gelovige een succes te maken. Maar dan moeten we soms in geloof nee durven zeggen in diverse situaties om te ervaren dat een ja tegen God  de beste weg is.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX