Geschriften van Johannes

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Zonde die licht omstrikt - 1 Johannes 1:5-2:6

Geroepen tot Gemeenschap - 1 Johannes 1

Hij die komt! - Openbaring 22

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘De zonde die ons licht omstrikt’

 

1 Johannes 1:5–2:6

 

‘Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die ons licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt’ (Heb.12:1).

 

Inleiding

We hebben allemaal verschillende zwakheden maar we hebben wel allemaal één gemeenschap-pelijke vijand: de zonde die in ons woont! En die ‘vijand’ kan ons danig parten spelen in ons leven als gelovige. Deze strijd van de gelovige tegen de zonde beschrijft de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen hoofdstuk 7-9, en hij maakt daar duidelijk dat eventuele zonden die wij doen als oorzaak de macht van de zonde heeft die in ons woont, ook al zijn we gelovig! Die ‘macht’ in ons kan ervoor zorgen dat onze wandel als gelovige mogelijk in tegenspraak is met de leer waarin wij zijn onderwezen, en dat zou niet zo mogen zijn. Gelovigen die zondigen zijn niet in de Bijbel vermeld om ons te ontmoedigen, maar om ons te waarschuwen. Let wel: de zonde is geen vijand van buitenaf maar een macht van binnenuit. (1Joh.2:16). God is licht, maar zonde is duisternis! Het nieuwe testament noemt het christelijk leven een ‘wandel’, en we moeten leren te wandelen in het licht. Maar daarvoor is het nodig de zonde geen plaats in ons leven te geven opdat de gemeenschap met Christus niet onderbroken wordt (Rom.6:14). In zijn eerste brief gaat de apostel Johannes uitvoerig op het probleem van de zonde in.

Van de hand van Johannes zijn er drie geschriften in het Nieuwe Testament opgenomen, waarin het verleden, heden en toekomst aan bod komen. Het eerste geschrift handelt over het verleden, toen het Woord vleesgeworden was en de Heer Jezus hier op aarde wandelde om als het offer voor de zonde op het kruis van Golgotha te sterven, voor de redding van de in zonde gevallen mens. In het boek Openbaring, ook van de hand van de apostel Johannes en dat gaat over de toekomst, ligt de nadruk op onze toekomstige heerlijkheid, Christus komt voor ons als het overwinnende Woord dat de machten van de duisternis zal werpen in de poel van vuur en zwavel. En tenslotte ligt in zijn brieven de nadruk op de praktische heiligheid wat een dagelijkse ervaring moet zijn in het leven van een gelovige omdat Christus, het levende Woord in ons woont.

Deze dingen schrijven wij u…

‘Deze dingen schrijven of verkondigen wij u’, is een terugkerend refrein en we vinden het vijf keer vermeld in de eerste brief van Johannes. Hiermee geeft hij de verschillende redenen aan waarom deze brief geschreven is. Dit schrijven wij u ‘opdat ook u met ons gemeenschap zouden hebben’ (1:3). Gemeenschap heeft te maken met onze relatie met Christus, niet met onze eenheid, dat is het zoon- of kindschap. Ons dagelijkse omgang (gemeenschap) is veranderlijk; ons zoon- of kindschap niet. Dit schrijven wij u ‘opdat uw blijdschap volkomen is’ (1:4). Blijdschap of vreugde is het resultaat van een innige gemeenschap met Christus. Dit schrijven wij u ‘over hen die u misleiden’ (2:26). We worden gewaarschuwd voor valse leraren waren die er toen en altijd zullen zijn. Dit schrijven wij u ‘opdat u weet dat u eeuwig leven hebt’ (5:13). In het evangelie verteld Johannes hoe we zijn gered, maar hier dat we zeker van onze redding kunnen zijn (de nadruk ligt op ‘geboren zijn uit God’: 3:9, 4:7, 5:1,4,18). Tenslotte, dit schrijven wij u ‘opdat u niet zondigt (2:1). De straf over de zonde is door Christus op zich genomen, maar de kracht van de zonde in het dagelijks leven is een andere zaak en daar gaat dit artikel over. Er is immers geen mens die niet zondigt (1Kon.8:46; Pred.7:20) en er ook niemand, behalve de Heer Jezus die zonder zonde was (1Joh.3:5; 2Kor.5:21), die niet in zonde geboren is (Ps.51:7; Rom.5:12, 7:17). Ook wij, kinderen van God, zullen er ook vroeg als laat ook mee te maken krijgen: de strijd tegen de zonde.

De zonde toelaten – (1Joh.1:7)

De voorwaarde voor gemeenschap is een wandel in het licht. ‘Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar’ (1:7). Dat is de voorwaarde: wandelen in het licht. Er staat niet ‘overeenkomstig het Licht’, want dat is niet mogelijk. Er is er maar Eén geweest die voortdurend in het licht van God gewandeld heeft en daarvan heeft God getuigd door tot driemaal toe te zeggen: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik mijn welbehagen heb’ (Luk.3:22; 9:35; Mat.17:5). God is Licht en in Hem is geheel geen duisternis, Hij is te rein van ogen om het kwaad te kunnen aanschouwen. Met Hem hebben wij te doen, Hem mogen wij hier vertonen, openbaren. Hem die zelfs zijn Zoon niet heeft gespaard om ons te kunnen redden, Hij doet vandaag een beroep op uw en mijn hart. O, Heer, schep mij een rein hart, opdat U in alle dingen de eerste plaats zou innemen! Alle dingen van het leven zijn zo betrekkelijk zo vergankelijk, maar de dingen van Gods Koninkrijk zijn eeuwig. Wat is de oorzaak dat zoveel christenen na korte of langere tijd afhaken en soms zelfs terug de wereld ingaan? Het is al te eenvoudig daarvoor de schuld af te schuiven, op de voorganger, de gemeente of de omstandigheden. Neen laten we de oorzaak zoeken in ons eigen hart, zoals David zei: ‘Mijn zonde staat bestending voor mij’. Voor zover u de Heer Jezus kent als uw persoonlijke Heiland, mag u weten een kind van God te zijn, maar kent u ook het zoonschap, dat spreekt van volwassenheid, van groei, van stabiliteit, een leven waarin de zonde geen plaats kan hebben.

De zonde verbergen - (1Joh.1:5-6, 8, 10; 2:4)

‘Als wij zeggen dat wij gemeenschap hebben…!’ Woorden dienen in overeenstemming zijn met onze wandel. De apostel Paulus heeft het in de eerste brief aan de Korinthiërs over iemand die beweert een broeder te zijn maar in zonde leeft. Wie wij in Christus geworden zijn dient zichtbaar te worden in ons leven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1Petr.1:16). We moeten onze zonden niet verbergen maar veroordelen. Johannes stelt het zwart-wit in deze brief Er zijn twee manieren waarop de gemeenschap verbroken kan worden, namelijk door oorzaken van binnen en van buiten. De duivel zal altijd, zo lang we leven, proberen ons te verleiden om dingen te doen waardoor we afdwalen van Gods weg. Daartoe zoekt hij aanknopingspunten in ons hart, want hij weet voor welke dingen wij gevoelig zijn. Kennen wij onze zwakke punten, en wapenen wij ons ertegen? Maar ook zorgen, tegenslagen, moeiten, verdriet kunnen ervoor zorgen dat de praktische gemeenschap verbroken wordt. Wat God zoekt in deze tijd zijn stabiele gelovigen, die niet door de eerste de beste storm omvallen, maar doorheen die storm gevormd zijn om in zijn dienst kunnen volharden. Onderkennen wij de macht van de duivel, de vader van de leugen de mensenmoordenaar van den beginnen? Kennen wij ons eigen hart en onze zwakheden en zijn wij ertegen gewapend om weerstand te bieden in tijd van verzoeking? Daarbij denk ik aan de persoon van Jozef in het Oude Testament, toen hij verzocht werd door de vrouw van Potifar. Maar hij kende zichzelf en God! Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God, waren zijn woorden. En die verzoeking was niet een eenmalige gebeurtenis, maar zij sprak tot hem dag aan dag. En dat is wat de duivel doet, dag aan dag proberen ons te verleiden om te zondigen. ’Zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11). Dat plezier gunnen we hem toch niet?!

De zonden belijden – (1Joh.1:7, 9)

‘Als wij zeggen dat wij geen zonden hebben, dan misleiden wij onszelf, anderen en God!’ We moeten oppassen dat we niet in een vorm van schijnheiligheid geraken, en ons beter voordoen dan we werkelijk zijn. In de Heer Jezus hebben we een Hogepriester, die voor ons bidt in tijden van verzoeking en beproeving, en een Voorspraak die voor ons tussenbeide kan treden wanneer we gezondigd hebben. God wil dat we niet zondigen, dat is het doel, maar helaas is het vlees zwak en zondigen we. De Heer Jezus is het zoenoffer voor onze zonden en Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden. Leest u maar eens over de zonden waarvan mensen gereinigd zijn (1Kor.6:10-12). ‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming’ (Spr.28:13). Duidelijker kan het niet belijden en nalaten, want anders kan zo’n belijden in twijfel worden getrokken. ‘Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden’ (Ps.32:5). Ontdek zelf maar wat het gevolg is van een oprechte bevrijding en lees aandachtig Psalm 51, een Psalm die geschreven is nadat de profeet Natan bij David was gekomen om met hem te spreken over zijn zonde met Bathseba! (2Sam.11-12).

De zonde overwinnen – (1Joh.2:1-3, 5-6)

‘Ik ellendig mens, verzucht Paulus, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? (Rom.6:24). In de brief aan de Romeinen, in het bijzonder in hoofdstuk 6, wordt het probleem van de zonde, als macht die in ons woont, besproken. Wanneer we zondigen is dat een gevolg van de zonde die in woont, want als dat doe wat ik niet wil, doe ik het niet maar de zonde die in mij woont (Rom.6:17). Uiteraard spreekt dat ons niet vrij van onze eigen verantwoordelijkheid! We moeten ervoor waken dat de zonde, die als een belager aan de deur ligt (Gen.4:7), niet regeert in ons sterfelijk lichaam om zijn begeerten te gehoorzamen (Rom.6:12). ‘Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. Daarna als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen  geworden is, brengt zij de dood voort’ (Jak.1:14-15). Een heel proces, maar wel effectief als we zien hoeveel gelovigen, in onze tijd, aan de zonde ten prooi vallen! Maar dat hoeft niet zo te zijn, want de heilige Geest, die elke ware gelovige heeft ontvangen, is groter dan hij die in de wereld is (1Joh.4:4). De zonde en onze oude natuur (het vlees of ons eigen ik) zijn harde leermeesters. De ongelovige is een slaaf van de zonden (Ef.2:1-3), maar ook veel gelovigen dienen de zonde ook al is de macht van de zonde door Christus verbroken. Wanneer je Romeinen 5 leest dan kun je ontdekken dat Christus voor de zonden van de ongelovigen is gestorven, maar dan komt hoofdstuk 6 waar je kunt lezen dat je in Christus vrijgemaakt bent van de wet van de zonde. In de eerste tien verzen van hoofdstuk 6 leren we dat de gelovige dood is voor de zonde (vs.2); dat het vlees is gekruisigd (vs.6); en de gelovige bevrijd is van de zonden (vs.7). De oude natuur hoeft niet meer als koning heersen over de gelovige die deze waarheid kent er rekening mee houdt en zich toewijdt aan de Heer. ‘Daarom dan, broeders, zijn wij schuldenaars, niet aan het vlees om naar het vlees te leven; want als u naar het vlees leeft, zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt zult u leven’ (Rom.8:12-13). Niemand kan twee meesters dienen, door onze nieuwe positie in Christus hebben we nieuwe Meester en ook een nieuwe natuur. We zijn nu dienaren van de gerechtigheid in plaats van slaven van de zonde! Het is daarom niet genoeg te weten dat Christus voor ons gestorven is; we moeten ook weten dat wij in Christus gestorven zijn, ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij! (Gal.2:20). Het is niet genoeg te weten dat we een nieuwe natuur ontvangen hebben; we moeten ook beseffen dat onze oude natuur of: mens) met Christus gekruisigd is! Daarom: ‘Wandel door de Geest en u zult zeker de begeerte van het vlees niet volbrengen. Want het vlees begeert tegen de Geest in, en de Geest tegen het vlees in; en die staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u zou willen’ (Gal.5:16-17). Pas dus op voor de zonde die ons licht omstrikt, want het zijn de kleine vossen, die de wijngaarden verderven! (Hoogl.2:15).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Geroepen tot gemeenschap’

 

1 Johannes 1

                                                          

‘God is getrouw, door wie u geroepen bent tot de gemeenschap van zijn Zoon Jezus Christus onze Heer’ (1 Kor.1:9).

 

Inleiding

Voor zover ik weet kunnen alle voertuigen zowel voor- als achteruit, behalve een vliegtuig, en daarom zou ik een vliegtuig willen vergelijken met het leven van een gelovige. Zoals een vliegtuig alleen maar vooruit kan, zo is het ook bij ons als gelovigen. We kunnen als we met de Heer leven eigenlijk alleen maar vooruit. Het is vanzelfsprekend dat een kind van God groeit in zijn geloof, en als dat ontbreekt is er iets mis en zullen we onszelf moeten onderzoeken of wij nog wel in het geloof zijn (2Kor.13:5).

Maar zoals een vliegtuig brandstof nodig heeft om te kunnen opstijgen, zal ook de gelovige een bron van energie moeten bezitten om op een hoger niveau te kunnen komen. En daarover heeft hij inderdaad de beschikking, namelijk de inwonende heilige Geest. Paulus zegt: ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid’ (2Tim.1:7). Echter er kunnen bij een vliegtuig allerlei defecten voorkomen, door menselijk falen of materiaal problemen of iets dergelijks, en dat kan ook bij een gelovige het geval zijn. Vandaar dat er na elke vlucht controles plaatsvinden om te zien of er geen gebreken zijn. Ook wij moeten zo nu en dan eens in de spiegel kijken hoe het met ons geloof staat. ‘Onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf’ (2Kor.13:5). Om ongevallen te voorkomen willen we een aantal voorwaarden noemen die dat moeten voorkomen. Als een vliegtuig zonder brandstof valt dan kennen we de gevolgen, het stort neer! Als de Heilige Geest in ons leven wordt uitgeblust, bedroeft of iets dergelijks, dat mogen we er zeker van zijn dat het in ons leven bergafwaarts zal gaan! Dus houdt u in een goede conditie!

2. Wat is gemeenschap?

In Engelse Bijbelvertalingen wordt ons woord gemeenschap omschreven door ‘fellowship’, dat je zou kunnen vertalen met ‘kameraadschappelijkheid, omgang’. Maar er ligt ook de gedachte in ‘van iets gemeenschappelijks te bezitten’. De Griekse term koinõnia betekend onder andere ‘deelname’ of ‘betrokkenheid’.

In Mat.23:30 en Luk.5:10 zien we dat gemeenschap ook kan inhouden deelgenoot zijn in één of andere praktijk of bezigheid. In het Oude Testament komt het woord bijna niet voor als uitdrukking van geestelijke omgang, maar meestal in betrekking tot seksuele relaties.

Het wordt gebruikt als: ‘ergens aandeel of deel aan hebben of iets meedelen’, bv. financiën: (Rom.12:13;15:26; Gal.6:6; Fil.4:15; 2Kor.8:4, 9:13; Hebr.13:16). Het gaat hier om meer dan slechts het delen van goederen of gelden! Het was meer dan een gebaar, het was een teken van vriendschap en acceptatie. Vriendschap is een hoge uitdrukking van gemeenschap. De eerste christenen handhaafden de dagelijkse gemeenschap (Hand.2:42), die verder wordt beschreven in Handelingen 4 en 5.

Andere vormen van gemeenschap zijn ook mogelijk: ‘gemeenschap hebben met de zonden van anderen’ (1Tim.6:22), of ‘gemeenschap hebben met boze werken’ (2Joh. vs.11), en zelfs met demonen! (1Kor.10:20).

De gelovige heeft gemeenschap met het lijden van Christus (Fil.3:10; 1Petr.4:13), het lijden van de apostel Paulus (2Kor.1:7), en gemeenschap met het lijden van vervolgde gelovigen (Hebr.10:33). Er wordt ook gesproken over ‘gemeenschap met het bloed en lichaam van Christus’ (1 Kor.10:16). Wordt hiermee de gemeenschap van de Geest bedoeld? (2Kor.13:14; Fil.2:1). Wij zijn ‘deelgenoten van de Goddelijke natuur’ (2Petr.1:4) en van de heerlijkheid die zal worden geopenbaard‘ (1Petr.5:1). Maar in 1Kor.9:11 staat dat we door God geroepen zijn tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, en daar willen wij ons nu mee bezig houden.

3. Hoe kom je en ervaar je de gemeenschap met God?

‘God is getrouw, door Wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here’ (1Kor.1:9). Je moet dus door God geroepen zijn. Zij beperkt zich ook niet tot alleen de Heer Jezus, maar strekt zich uit tot God, de Heilige Geest en de andere gelovigen (2Kor.13:13; 1Joh.1:4-5).

Er zijn drie kenmerken van echte christelijke gemeenschap: (1) Zij is gebaseerd op het getuigenis van Gods Woord. Zonder deze onderliggende kracht is ‘gemeenschappelijkheid’ niet mogelijk. (2) Zij is wederzijds, bepaald door de eenheid van alle gelovigen. (3) Zij wordt elke dag vernieuwd door de Heilige Geest. Bij echte christelijke gemeenschap gaan het sociale en geestelijke samen en dat kan alleen door een levende relatie met Christus. ‘Ze hadden alle dingen gemeenschappelijk’, ze waren een van hart en ziel (Hand.2:44; 4:32).

4. Voorwaarden om in gemeenschap te blijven. (Een wandel in het licht)

‘Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar’ (1:7).  Dat is de voorwaarde: wandelen in het licht. Er staat niet ‘overeenkomstig het Licht’, want dat is niet mogelijk. Er is er maar Eén geweest die voortdurend in het licht van God gewandeld heeft en daarvan heeft God getuigd door tot driemaal toe te zeggen: ‘dit is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik mijn welbehagen heb’. God is Licht en in Hem is geheel geen duisternis, Hij is te rein van ogen om het kwaad te kunnen aanschouwen. Met Hem hebben wij te doen, Hem mogen wij hier vertonen, openbaren. Hem die zelfs zijn Zoon niet heeft gespaard om ons te kunnen redden, Hij doet vandaag een beroep op uw en mijn hart. O, Heer, schep mij een rein hart, opdat U in alle dingen de eerste plaats zou innemen! Alle dingen van het leven zijn zo betrekkelijk zo vergankelijk, maar de dingen van Gods Koninkrijk zijn eeuwig. Wat is de oorzaak dat zoveel christenen na korte of langere tijd afhaken en soms zelfs terug de wereld ingaan? Het is al te eenvoudig daarvoor de schuld af te schuiven, op de voorganger, de gemeente of de omstandigheden. Neen laten we de oorzaak zoeken in ons eigen hart, zoals David zei: ‘mijn zonde staat bestending voor mij’. Voor zover u de Heer Jezus kent als uw persoonlijke Heiland, mag u weten een kind van God te zijn, maar kent u ook het zoonschap, dat spreekt van volwassenheid, van groei, van stabiliteit?

5. Belemmeringen voor gemeenschap. (De zonde nalaten)

Er zijn twee manieren waarop de gemeenschap verbroken kan worden, namelijk door oorzaken van binnen en van buiten. De duivel zal altijd, zo lang we leven, proberen ons te verleiden om dingen te doen waardoor we afdwalen van Gods weg. Daartoe zoekt hij aanknopingspunten in ons hart, want hij weet voor welke dingen wij gevoelig zijn. Kennen wij onze zwakke punten, en wapenen wij ons ertegen? Maar ook zorgen, tegenslagen, moeiten, verdriet kunnen ervoor zorgen dat de praktische gemeenschap verbroken wordt. Wat God zoekt in deze tijd zijn stabiele gelovigen, die niet door de eerste de beste storm omvallen, maar doorheen die storm gevormd zijn om in zijn dienst kunnen volharden. Onderkennen wij de macht van de duivel, de vader van de leugen de mensenmoordenaar van den beginnen? Kennen wij ons eigen hart en onze zwakheden en zijn wij ertegen gewapend om weerstand te bieden in tijd van verzoeking? Daarbij denk ik aan de persoon van Jozef in het Oude Testament, toen hij verzocht werd door de vrouw van Potifar. Maar hij kende zichzelf en God! Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God, waren zijn woorden. En die verzoeking was niet een eenmalige gebeurtenis, maar zij sprak tot hem dag aan dag. En dat is wat de duivel doet, dag aan dag proberen ons te verleiden om te zondigen. ’Zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11). Dat plezier gunnen we hem toch niet?!

6. Kenmerken van gemeenschap. (liefde en eenheid)

Er zijn meerdere kenmerken:

(1)   Zij is gebaseerd op het getuigenis van Gods Woord.

Zonder deze onderliggendekracht is gemeenschap niet mogelijk. ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken (Joh.14:23).

(2)   Zij is wederzijds, bepaald door de eenheid van alle gelovigen.

‘Heb de broederschap lief’ (1Petr.2:17) en ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde hebt onder elkander’ (Joh.13:35).

(3)   Zij wordt elke dag vernieuwd door de Heilige Geest.

Bij echte christelijke gemeenschap gaan het sociale en geestelijke samen en dat kan alleen door een levende relatie met Christus. Elke gelovige is een eiland op zich, maar er zijn genoeg mogelijkheden om bruggen naar elkaar te leggen. De uitnodiging tot die gemeenschap komt ook van de Here Jezus: ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij’ (Op.3:20).

Wie met pek omgaat wordt er mee besmet, zegt een spreekwoord. En Paulus zegt in 1Kor.15:34 ‘Verkeerde omgang bederft goede zeden’. Dat is negatief geformuleerd en ik wilde deze woorden eens positief gaan gebruiken. ‘Goede omgang doet verkeerde zeden teniet.’ Als u een dagelijks leven in gemeenschap met de Heer heeft dan zal de omgeving ongetwijfeld daarvan iets gaan merken. En wat zijn dan de kenmerken van gemeenschap? Ten eerste de liefde en de eenheid die overal waar gelovigen zijn gevonden moet worden. ‘Hieraan zullen ze allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt (Joh.13:35) en ‘opdat zij allen een zijn... opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden. Het dienstmeisje zei tegen Petrus: ‘ook u was met Jezus’ (Joh.18:17), zij herkende hem. De Here Jezus zegt in Mattheüs 11:29: ‘Leert van mij…’, hetgeen later Paulus omschrijft als: ‘die gezindheid zij in u, die ook in Christus Jezus was’ (Fil.2).

7. Gevolgen van gemeenschap. (groei in geestelijk inzicht)

‘Groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus’ (2Petr.3:18).

Dat is toch wat wij ons tot doel hebben gesteld, ‘om Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding?’ We moeten dat doel voor ogen houden: Wij zien Jezus! Uiteindelijk gaat het daarom dat wij meer inzicht krijgen Wie het is, die onze Heer en Heiland is. Christus moet gestalte in u en mij krijgen en dat kan alleen als wij aan de bovenstaande voorwaarden voldoen. Wilt u een succesvol christelijk leven? Dan zult u in uw leven rekening moeten houden met de voorwaarden hierboven vermeld. Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. Als dat in uw en mijn leven realiteit is dat kan God doorheen ons werken en zullen we zijn zegen ervaren en voor anderen een zegen kunnen zijn! Een stabiel christelijk leven: niet meer als een golf van de zee, die door de wind voortgedreven en opgejaagd wordt (Jak.1).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 Hij, Die komt!

Openbaring 22:6-21

 

Inleiding

Een ‘eindtijdperiode’ in de Bijbel vertoont nooit een opgang in godsdienstig of moreel opzicht, maar altijd een neergang! Zo ook de tijd waarin wij leven! In 1 Kor. 10:9 lezen we dat ‘op ons, de einden van de eeuwen zijn gekomen’. En als Judas in zijn brief toen al sprak van ‘het laatst van de tijd’ (Jud. :18) en de apostelen van ‘het laatst van de dagen’ (2 Petr. 3:3) of ‘het laatste uur’ (1 Joh. 2:18), dan is het meer dan waarschijnlijk dat wij leven in de tijd die voorafgaat aan de komst van de Heer Jezus Christus.

De reacties op deze komende gebeurtenis kunnen zeer verschillend zijn. De één vindt het een beangstigend idee, de ander ziet er naar uit. Dit heeft natuurlijk alles van doen met de houding die je inneemt tegenover God.

De Bijbel omschrijft vrij nauwkeurig hoe de wereld er zal uitzien voor de komst van Christus. We horen van ‘valse christussen en profeten’, ‘oorlogen en geruchten van oorlogen’, ‘volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk’, ‘hongersnoden en aardbevingen’, ‘de wetteloosheid zal toenemen en de liefde van velen bekoelen’. Ik denk dat we met deze gegevens een heel herkenbaar beeld hebben van de wereld waarin wij leven. Nu zijn er altijd mensen die daarop zeggen ‘maar deze dingen zijn er altijd geweest, dus kun je op grond daarvan niet zeggen dat Jezus spoedig komt’. Natuurlijk zijn al deze dingen er geweest en kunnen we de berichten daarvan terugvinden in de (Bijbelse) geschiedenis, maar nog nooit in de geschiedenis van deze wereld zijn ze voorgekomen in zo’n grote mate en hevigheid! We worden nu verontrust over berichten van een gat in de ozonlaag, het smelten van de poolkap en daardoor het stijgen van het zeewater, het opraken van de wereldvoorraden aan olie en aardgas, een sterk toenemend aantal mensen en daardoor een gebrek aan water en voedsel, om maar te zwijgen van de huidge economische crisis die veel onrust veroorzaakt in de hele wereld

Maar er is nog iets anders, en dat is het ontstaan van de staat Israël in 1948! En dit is voor veel gelovigen een teken dat God bezig is met voorbereidingen zodat de profetieën betreffende het herstel van Israël spoedig in vervulling kunnen gaan. De terugkeer van veel joden naar Israël en het ontstaan van de staat in 1948, zijn aanwijzingen dat tal van voorzeggingen uit de bijbel betreffende een herstel van Israël aanstaande is. Voor de ongelovigen zal dat niets zeggen, maar voor ons gelovigen daarom des te meer, want daaraan voorafgaand zal de opname van de Gemeente plaatsvinden!

Het is natuurlijk zeer interessant te weten hoe de toekomst er zal uitzien, maar die kennis kan niet zonder gevolg blijven, en daarover willen we het hebben, want de waarde van profetie is niet speculatie, maar motivatie! We gaan dat doen aan de hand van de drie ‘Ik kom spoedig’-uitspraken uit het laatste hoofdstuk van het boek de Openbaring.

De waarde van profetie is niet speculatie, maar motivatie!

1. En zie, Ik kom spoedig                                               

Gelukkig (of zalig) hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart (vs. 7).

Door te zeggen ‘En zie, Ik kom spoedig’ vraagt de Heer de aandacht van de hoorders en lezers. Hij bemoedigt hen door te herhalen en te bevestigen wat Hij al eerder gezegd had, namelijk dat Hij spoedig komt. ‘De dingen die met spoed moeten gebeuren’ (vs.6) vinden hun hoogtepunt in Zijn komst. Aan deze kernachtige belofte verbindt Hij een zaligspreking, het zesde van de zeven die in het boek Openbaring voorkomen. Deze zaligspreking is een verkorte vorm van de eerste, wat zegt: ‘Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij’ (Op. 1:3) en heeft betrekking op het omgaan met het boek Openbaring. ‘Bewaren’ is natuurlijk niet het passieve optreden van de knecht die het hem toevertrouwde pond in de grond ‘bewaarde’ (Luk. 19:20-24), maar een zorgvuldig en ijverig gebruik er van. Christus duidt de inhoud van de Openbaring aan als ‘profetie’. Tot de komst van de Heer moet de kerk op aarde het profetisch woord bestuderen, erdoor worden gecorrigeerd en getroost. ‘U doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten’ (2 Petr. 1:19, Mat. 16:3 (!), vgl. 1 Thes. 5:19). Hoe is het in ons leven v.w.b. het gebruik van de Bijbel als leidraad voor ons leven? Gebed en Bijbellezen zijn de twee meest noodzakelijke dingen om een goed geestelijk leven te kunnen waarborgen. En juist in de eindtijd is dat meer dan nodig! De Bijbel die ons vertelt hoe de wereld er in de eindtijd zal uitzien, vertelt ons ook hoe wij ons dan hebben te gedragen. Jouw visie op de tijd waarin je leeft wordt weerspiegeld door het gedrag dat je openbaart. ‘En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1Joh. 3:2). En dit is nu juist wat het boek Openbaring ons laat zien: ‘Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, zich nog meer heiligen’ (Op. 22:11). Een gewaarschuwd man telt voor twee; we hoeven maar te denken aan de gelijkenis van de tien maagden! Als de Heer Jezus in het evangelie naar Lukas spreekt over de eindtijdgebeurtenissen laat Hij ook een waarschuwend geluid horen: ‘Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij’ (Luk. 21:28). Maar vervolgens ook: ‘Past echter op uzelf, dat uw harten niet misschien worden bezwaard door roes en dronkenschap en zorgen van het leven, en die dag u plotseling overvalt als een strik’ (vs. 34). En verder: ‘Waakt echter, terwijl u te allen tijde bidt dat u in staat zult zijn te ontkomen aan dit alles wat staat te gebeuren, en te bestaan voor de Zoon des mensen’ (vs. 36). ‘Bereid u om uw God te ontmoeten’ (Am. 4:12), ‘O Israël, want nog een zeer korte tijd en Hij die komt, zal komen en niet uitblijven’ (Hebr. 10:37).

2. Zie, Ik kom spoedig          

‘…en mijn loon is bij mij’ (vs. 12).

Loon wordt uitgekeerd na gedane arbeid, dat is zo in de maatschappij en ook in Gods koninkrijk. Er wordt nog wel eens geringschattend gesproken over ‘loon ontvangen’ voor gelovigen, maar dat is een miskenning van de waarde die God er aan geeft. Gelovigen die zich onderwerpen aan het gezag van het Woord van God zijn bruikbaar voor de Meester en zullen loon ontvangen (2 Tim. 2:21; 3:17; 1 Kor. 3:14). Natuurlijk werken we niet om het eeuwig leven te verdienen of omdat het ‘moet’, maar omdat we God liefhebben, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft! ‘Wat ik ben is Gods gave aan mij, wat ik van mijzelf maak is mijn gave aan God’! Liefde vraagt om wederliefde! Er wordt in het Nieuwe Testament gesproken over goede werken als vrucht van het geloof[1].

Terugkerend naar ons thema, dan zien we in de Bijbel dat God trouwe dienstknechten beloont (Luk. 12:35-48). God zal ons niet belonen op grond van kwantiteit maar op grond van kwaliteit. ‘Verder wordt hier van een rentmeester vereist, dat men trouw wordt bevonden’ (1 Kor. 4:2). ‘Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor zijn naam’ (Hebr. 6:10). ‘En wie plant en wie begiet zijn één; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid. We moeten bouwen op het fundament, dat is Christus, maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt, want de dag zal het aan het licht brengen. Als iemand werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen; als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden’ (1 Kor. 3:8-15).

Het gedeelte van Openbaring waarmee wij ons bezighouden roept sterke herinneringen op aan het Oude Testament (Jes. 40:10, 62:11), terwijl de Heer Jezus de rol van rechter vervult (Hand. 10:42; 17:31) die in het Oude Testament de Here God heeft. ‘Zie, de Here zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen: zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit’. Terwijl het woord ‘loon’ vaak een positieve inhoud heeft (vgl. Op. 11:18) zal Christus als Rechter, afhankelijk van iemands werk, positief (beloning) of negatief (straf) beoordelen. Hij vergeldt namelijk ‘ieder zoals zijn werk is’. Het enkelvoud ‘zijn werk’ karakteriseert iemands leven als één geheel.

Waaruit dat loon precies zal bestaan is niet bekend, maar het zal onze stoutste verwachtingen overtreffen, daarvan kunnen we zeker zijn!

3. Ja, Ik kom spoedig!                                                           

Amen, kom, Heer Jezus (vs. 20)! 

‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet’ (Op. 22:17). Deze woorden spreken een verlangen uit dat we vaker in de Bijbel tegenkomen. We denken maar aan David die heeft gezegd: ‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?’ (Ps. 42:3). De apostel Paulus heeft dit verlangen zo uitgedrukt: ‘Ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste’ (Fil. 1:23). Van Abraham staat geschreven dat hij ‘verlangde naar een beter, dat is een hemels vaderland’ (Hebr. 11:15). Dit ‘verlangen’ maakt deel uit van alle gelovigen die zijn verschijning liefhebben (2 Tim. 4:8). Maar hoe wij ook verlangen, Hij verlangt nog meer dan wij!

Dit is de laatste bladzijde van de Bijbel, Gods handelen met deze wereld is daarmee voltooid. Maar voordat Hij deze laatste bladzijde ‘omslaat’ doet God nog een laatste oproep aan allen die nog geen beslissing genomen hebben. God wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dan allen tot behoudenis komen. Heb jij Gods stem gehoord? En wat is je antwoord? Heb je dorst, zoals David? En ben je al bij Hem gekomen, bij de Bron van levend water? Wil je wel, maar weet je niet hoe? Kom maar zoals je bent, Hij wacht op jou. Hij heeft gedachten van vrede over jou en niet van onheil, om je een hoopvolle toekomst te geven (Jer. 29:11). Of kun jij leven met de gedachte van een God die jou zal moeten oordelen? Denk er dan aan, ‘dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God. Immers onze God is een verterend vuur!’ (Heb. 10:31; 12:29). Mag ik het eens concreet maken en de twee mogelijkheden die er zijn tegenover elkaar zetten, en zou je dan willen zeggen waar jij het liefste de eeuwigheid zou willen doorbrengen?

‘Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Zij zullen als straf lijden het eeuwig verderf, verwijderd van het aangezicht van de Heer’ (Op.  21:8; 2Thes. 1:9).

Of:

‘En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging van de troon van God en van het Lam. En er zal geen enkele vervloeking meer zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn slaven zullen Hem dienen, en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. En er zal geen nacht meer zijn en lamplicht en zonlicht hebben zij niet nodig, want de Heer, God, zal over hen lichten; en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheid’ (Op. 22:1-5).

De keus zal niet moeilijk zijn denk ik, maar je dient hem wel te maken. ‘Heden, als u zijn stem hoort, verhardt uw harten niet.’ (Heb. 4:7)

Besluit

Het boek is uit, het verhaal stopt, of toch niet? Is het een never-ending-story? En hoe gaat het dan verder? De Bijbel laat ons met veel vragen zitten voor wat betreft ‘hetgeen hierna komen zal’. Ik denk dat ons voorstellingsvermogen ontoereikend is om te kunnen vatten ‘wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’, nl. ‘wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen’ (1 Kor. 2:9).

              O, welk een vreugd, zal het wezen, Daar als de wond’ren te zien,Van de heilige stad met de straten van goud, Maar ’t heerlijkst is: dààr zien wij Jezus! 

De genade van de Heer Jezus Christus zij met alle heiligen. Amen. (Op. 22:21)


Rom.6, 1Kor.3:13-15, Ef.2:8-9, Jak.2:17,26

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX