Overige brieven

 

 

 In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

1 Petrus 3:18 - Drie redenen waarom Jezus moest sterven

1 Petrus 4 - De rest van mijn tijd

2 Petrus 3:1-18 - Afscheidswoorden van een apostel

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Drie redenen waarom Jezus moest sterven’ 

1 Petrus 3:18

 

Inleiding

Er zijn niet veel mensen die er aan twijfelen dat Jezus Christus werkelijk heeft bestaan, daarvoor zijn er gewoon teveel bewijzen om dat te loochenen. Over Jezus Christus en zijn volgelingen, de christenen, wordt niet alleen in de Bijbel gesproken maar ook andere geschiedschrijvers maken er melding van, zoals Tacitus en Flavius Josefus. Je moet trouwens wel met heel goede troeven komen om de aanwezigheid van het Christendom te kunnen verklaren mocht Jezus niet bestaan hebben!

Alle mensen worden groot en ouder, maar niet alle oudere mensen zijn volwassen. Zo worden ook alle mensen die in de Heer Jezus gaan geloven kinderen en worden ouder, maar niet alle oudere gelovigen worden volwassen. Paulus spreekt van kinderen in het geloof en volwassenen, in geestelijke en ongeestelijken (1 Kor.2:6,14). Zo zijn ook niet alle gelovigen in staat antwoord te geven waarom de Heer Jezus moest sterven.

Neen, het is niet de vraag of Jezus bestaan heeft, maar veel belangrijker is de vraag waarom en waarvoor Jezus geleefd en geleden heeft? Ik wil drie redenen noemen waarom de Heer Jezus gestorven is maar eerst de vraag: ‘Maakte het kruis deel uit van Gods plan? Beantwoorden.’

Maakte het kruis deel uit van Gods plan?

Iemand heeft eens de vraag gesteld: ‘Was het van het begin af Gods bedoeling dat Jezus naar het kruis zou gaan? Ik denk dat het antwoord op de vraag beantwoord moet worden met ‘Neen!’. Ik denk niet dat Jezus dat aan het begin van zijn loopbaan heeft gedacht. Hij kwam met de overtuiging dat de mensen Hem zouden volgen, niet doden.’ Tot zover de onbekende vraagsteller. Het is gemakkelijk aan te tonen dat deze vraagsteller op grond van Gods Woord ongelijk heeft met zijn stelling en dat de kruisiging van de Heer Jezus geen toevallige gebeurtenis was – een niet te voorziene gebeurtenis – maar dat het deel uitmaakte van het Goddelijk plan om de wereld te redden. Gods Woord maakt duidelijk dat het kruis van Christus geen overweging was die later is opgekomen, ook geen menselijk falen, maar dat de Heer Jezus ‘het Lam was geslacht vanaf de grondlegging der wereld’ (Op.13:8). Eerder had Petrus in zijn toespraak op de Pinksterdag gezegd dat de Heer Jezus, ‘door de bepaalde raad en voorkennis van God was overgegeven’ (Hand.2:23). Petrus was erbij toen het gebeurde; hij wist dat Golgotha geen verassing was voor de Heer Jezus. Jaren later, toen hij zijn eerste brief schreef, noemde Petrus de Heer Jezus het Lam was ‘voorgekend van vóór de grondlegging van de wereld (1 Petr.1:20). Kan het nog duidelijker? Paulus stemde overeen met Petrus dat het kruis een centrale plaats innam in het hart van God. Want, als God eeuwig leven beloofde ‘vóór de tijden der eeuwen’ (Tit.1:2), en als hij ‘ons in Hem heeft uitverkoren van vóór de grondlegging van de wereld’ (Ef.1:4) en onze namen schreef in het boek van het leven vanaf de grondlegging der wereld (Op.13:8) dan behoort Gods heilsplan tot zijn eeuwige goddelijke raad. Toen de Heer Jezus op aarde kwam, wist Hij dat Hij kwam om te sterven. ‘Want Jezus van het begin af wie het waren die niet geloofden, en wie het was die Hem zou overleveren’ (Joh.6:64). Luister ook maar eens hoe de Meester Zelf de Schriften verklaard aan de twee teleurgestelde discipelen op de weg naar Emmaüs toen hij tot hen zei: ‘Moest de Christus dit niet lijden, en zo zijn heerlijkheid binnengaan?’ (Luk.24:26). Het kruis was een Goddelijke afspraak, geen menselijk ongelukje; het was een door God gegeven mogelijkheid, geen menselijke optie. Later diezelfde avond, verscheen de Heer Jezus aan de elf apostelen en zei: ‘Zo staat er geschreven dat de Christus moest lijden en uit de doden opstaan op de derde dag’ (Luk.24:46). De Heer Jezus werd niet vermoord; Hij legde zijn leven vrijwillig af voor zijn schapen (Joh.10:15-18; 19:30; 2 Tim.2:5). Zijn dood was een noodzakelijkheid in het plan van God. Het is dan ook zeer ongewenst om stellingen over het christelijk geloof te poneren zonder het Woord van God te kennen en te raadplegen. De Heer Jezus zegde in Mattheüs 22:29 tegen de Sadduceeën (die niet geloofden in de opstanding en in een engel of geest): ‘U dwaalt, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God.’ Het is daarom erg belangrijk dat wij Gods Woord kennen om van daaruit een visie te onderbouwen De Heer Jezus opende de Schriften aan de Emmaüsgangers en het verstand van de discipelen opdat zij de Schriften verstonden (Luk.24:33,45). Daarvoor lezen we dat ze ‘de Schriften nog niet kenden’ (Joh.20:9). Paulus schrijft: ‘En wij hebben niet de Geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God geschonken zijn’ (1 Kor.2:12). Later schrijft Paulus aan Timotheüs ook: ‘omdat je van jongs af de heilige schriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door het geloof dat in Christus Jezus is’ (2 Tim.3:15). Geen of weinig kennis bezitten van Gods Woord is een grote tekortkoming in het leven van een gelovige en zal zich daardoor zelf nadeel berokkenen. Veel erger is wanneer mensen die belijden tot het volk van God te behoren het Woord van zich stoten: ‘Zie, het Woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?’ (Jer.8:9).

Nu dan drie redenen waarom de Heer Jezus gestorven is.

De Heer Jezus is gestorven opdat wij door Hem zouden leven

En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven’ (1 Joh.4:9).

Hoe kan een dood mens weer tot leven gebracht worden? Al vrij gauw nadat God de mens in de hof van Eden had geplaatst overtrad die het gebod om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad (Gen.2:17). De sanctie op die overtreding was dat ze zouden sterven. Dat betekende niet alleen de lichamelijke maar de geestelijke dood; het gescheiden zijn van God waardoor ze ‘kinderen van de toorn’ werden (Ef.2:1, 3; Kol.2:13a). Het probleem van de in de zonde gevallen mens is niet dat ze ziek zijn en een of andere behandeling nodig hebben, een opknapbeurt, maar dat ze dood zijn, dood ‘door overtredingen en zonden’ (Ef.2:1). Religie kan het uiterlijke van de mens misschien veranderen maar het is niet in staat om aan een dood mens nieuw leven te geven, daarvoor is meer nodig. Alleen God kan dat doen. Gods Woord noemt dat de ‘wedergeboorte’, geboren worden door Gods Woord en Geest (Joh.3:3; Tit.3:5). God heeft geen behagen in de dood van een goddeloze, maar veeleer daarin hij zich bekeert en leeft (Ez.33:11). ‘God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus’ (Ef.2:4-5). ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven’ (Joh.5:24). Het toepassen van het Woord van God in het leven van een zondaar is dus noodzakelijk om tot leven te komen. Gelukkig kan zelfs een ‘dode’ zondaar Gods stem horen want ‘het geloof komt uit het horen, en het horen door het woord van Christus’ (Rom.10:17). We komen tot leven door het onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23). Het offer van Jezus was noodzakelijk als basis waarop een zondig mens terug in een relatie met God gebracht kan worden. ‘Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold’ (Kol.2:13). Ieder die de Heer Jezus aanneemt wordt levend gemaakt in zijn dood en opstanding. Dit zien we geïllustreerd in de doop (Rom.6:4; 2 Kor.5:17). Wij zijn dan een ‘nieuwe schepping’ (Rom.6:4-5; 2 Kor.5). Een gebeurtenis uit het Oude Testament kan dat wat ik bedoel te zeggen illustreren. dat geloven aan Christus niet voldoende is om tot leven te komen, maar dat het tot een ‘aanraking’ moet komen. Leest u maar: ‘Daarna stierf Elisa en men begroef hem. Nu plachten de benden van de Moabieten bij het aanbreken van het jaar in het land te komen. Terwijl men eens bezig was iemand te begraven, zie, daar zagen zij een bende: toen wierpen zij de man in het graf van Elisa en liepen weg. En toen de man met het gebeente van Elisa in aanraking kwam, werd hij levend, en rees overeind op zijn voeten’ (2 Kon.13:20-21).Geloven aan Christus is niet voldoende om tot leven te komen, maar het moet tot een ‘aanraking’ het Hem komen. Geen religie maar een relatie!

De Heer Jezus is gestorven opdat wij voor Hem zouden leven

‘En dat hij voor allen is gestorven opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt’ (2 Korinthiërs 5:15)

De rest van de tijd… Leefden we vroeger, voordat we Christus leerden kennen, naar de wil van de wereld en niet naar de wil van God daar dient nu verandering in te komen. We hebben immers een nieuwe Meester! De apostel Petrus splitst het leven van de gelovige op in vóór en ná zijn bekering. Vroeger leefde zij naar de begeerten van mensen. Maar de rest van hun tijd wil hij, dat ze gaan leven naar de wil van God. Want, vervolgt hij, er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandelde in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij. (1 Petr.4:1-4). Het wordt niet alleen van ons verwacht om voor God vrucht te dragen, we zijn daarvoor ook in juiste een positie gekomen. We zijn namelijk het eigendom geworden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij God vrucht zouden dragen (Rom.7:4). Om het met de woorden van Lukas te zeggen: ‘dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Luk.1:74-75). Maar om goed te kunnen dienen zijn er drie ‘vijanden’ waarvan we bevrijd moeten zijn. Deze drie ‘vijanden’ zijn: de wereld, het vlees en de duivel (Ef.2:2; Jak.4:1-7). Het kenmerk van een gelovige dient er een te zijn van dienstbaarheid, zoals de Heer Jezus ons dat heeft voorgedaan. ‘Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mark.10:45). ‘Want niemand ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here’ (Rom.14:7-8). Als we werkelijk overtuigd zijn van de liefde van Christus die het mogelijk heeft gemaakt dat wij in Hem een nieuwe schepping zijn geworden, moet ons verlangen er dan niet toe uitgaan om ook anderen te bewegen die stap in het geloof te doen? Paulus omschrijft het zo: ‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt’ (2 Kor.5:14-15). Paulus spreekt zijn verlangen uit  tijdens zijn verblijf in de gevangenis in de stad Filippi: ‘dat Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin’ (Fil.1:21).

De Heer Jezus is gestorven opdat wij met Hem zouden leven

‘Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven’ (1 Thessalonicenzen 5:9-10).

De hemel was voor de Heer Jezus een realiteit! Om de ‘vreugde, die vóór Hem lag’ heeft Hij het kruis verdragen en de schande niet geacht (Hebr.12:2). Dit vooruitzicht gaf Hem de kracht om door te gaan in moeilijke tijden. Eeuwen vóór de Heer Jezus was de hemel hét motief om niet op te geven en door te gaan voor Abraham, Izak en Jacob. Zij verlangden naar een beter, dat is een hemels, vaderland, want God had hun een stad bereid (Hebr.11:16). De Heer Jezus geloofde niet alleen in de hemel maar ook in een weerzien met hen die Hem hebben aangenomen. De Bijbelse hoop op de hemel heeft drie onwankelbare zaken. Ten eerste de belofte die de Heer Jezus deed dat Hij ons plaats zou gaan bereiden: ‘Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben’ (Joh.14:1-2). Ten tweede heeft de Heer Jezus voor een weerzien gebeden: ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Joh.17:24). En tenslotte heeft de Heer Jezus ervoor betaald: ‘Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen’ (1 Petr.3:18).

Tenslotte

Jezus is gestorven opdat wij door Hem zouden leven, dat is redding. Jezus is gestorven opdat wij voor Hem zouden leven, dat is dienstbaarheid. Jezus is voor ons gestorven opdat wij met Hem zouden leven, dat is heerlijkheid. Hoe moeilijk de weg hier ook mag zijn wij ‘wij zullen in het huis des HEREN verblijven tot in lengte van dagen’ (Ps.23:6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘De rest van mijn tijd’ 

1 Petrus 4

 

 

 

Inleiding

Het vierde hoofdstuk van de eerste brief van Petrus laat zich gemakkelijk indelen zoals u hieronder kunt zien. Maar het is goed, voor het beter verstaan van deze brief, om de schrijver, zijn tijd en het onderwerp eerst te onderzoeken.

De apostel Petrus is de schrijver van de twee brieven die zijn naam dragen (1Petr.1:1, 2Petr.1:1, 3:1)). Door het schrijven van deze twee brieven gaf Petrus de vervulling aan de opdracht van Christus om de schapen en lammeren weiden (Joh.21:15-17). Het ‘Babylon’ van 1 Petrus 5:13 is waarschijnlijk Rome (zie Op.17:5, 18), waar Petrus kort voor zijn dood naar toe was gegaan om de gemeenten te dienen. Er is geen Schriftuurlijk bewijs dat Petrus een gemeente gesticht heeft in Rome en als ‘bisschop’ vijfentwintig jaar daar heeft gediend, zoals de traditie zegt. Er waren meerdere gemeenten in Rome toen Paulus de Romeinenbrief schreef (zie Rom.16). Paulus zou waarschijnlijk nooit naar Rome zijn gegaan wanneer Petrus daar geweest was. Paulus handelswijze was om naar die plaatsen te gaan waar geen andere apostelen waren geweest (Rom.15:20).

Petrus heeft zijn brieven waarschijnlijk geschreven rond het jaar 63-67 de tijd waarin de beruchte keizer Nero een verschrikkelijke vervolging van de christenen. Het was het hevigste in Rome zelf waar Nero Christenen verbrande om zijn tuinen te verlichten! Sommige bijbelleraars denken dat Paulus vrij werd gelaten in het voorjaar van 64 en naar Spanje reisde (Rom.15:28), en Petrus in de stad liet om te zorgen voor de gelovigen. Silas en Markus achtergelaten door Paulus zijn ook in Rome (1Petr.5:12-13). Nero verbrandde Rome in juli 64 en begon de vervolging in oktober van dat jaar. Petrus wist dat ‘de vuurgloed’ waarover hij schrijft vanuit Rome naar de andere provincies zou komen, en hij wilde de gelovigen bemoedigen (1Petr.4:12). Deze gelovigen, in Klein-Azië, hadden al te lijden van vervolgingen maar volgens Petrus zouden deze nog zouden toenemen (1Petr.1:6-7; 3:13-17; 4:12; 5:9-10)

Het hoofdthema van de eerste brief van Petrus is genade, het woord wordt in elk hoofdstuk gebruikt. Na het schrijven van de eerste brief was Petrus gearresteerd en veroordeeld; en hij schreef de tweede brief toen hij op de uitvoering van zijn veroordeling wachtte (2Petr.1:13-21). Petrus waarschuwde voor valse leer dat de gelovigen bedreigde (2Petr.3:17). In andere woorden, de twee brieven samen benadrukken de gevaren die de gemeente bedreigden van binnen en van buiten (Hand.20:29-30). Satan kan komen als een leeuw om te verslinden door vervolging (1 Petrus) of als een slang om te verleiden door valse leer (2 Petrus). Staat in de eerste brief het lijden op de voorgrond, in de tweede is het dan de heerlijkheid (vgl. Rom.8:18; Luk.24:26).

Verleden: het verleden verzaken (1-7)

‘En nu, Halleluja, de rest van mijn tijd, is gans aan de zaak van mijn Koning gewijd’ (Liedbundel Joh.de Heer 202)

Petrus splitst zijn leven hier op in twee delen, vóór en ná zijn bekering want hij spreekt over ‘de tijd die nog rest in het vlees’ (4:2). Hij kende het lied uit de bundel van Johannes de Heer natuurlijk niet maar ik ben er van overtuigd dat hij het van ganser harte meegezongen zou hebben! Wij zijn onttrokken aan de zonde en daardoor in staat gesteld om God te dienen. Of, volgens de evangelist Lukas: ‘dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Luk.1:74-75). Wat een verschil, te leven naar de wil van de heidenen of naar de wil van God! Het is dan ook belangrijk in het leven van een gelovige de ernst van de zonde in te zien die immers Christus naar het kruis heeft gebracht! De zonde was de oorzaak dat gelovigen die Christus toen nog niet kenden leefden ‘in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij’ (4:3). Het is daarom zaak nú ze Christus hebben leren kennen om ‘met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God’ (Kol.1:9-10). Ons voorbeeld, de Heer Jezus heeft gezegd: ‘Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen’ (Joh.4:34). Laat dat verlangen en voornemen bij ons ook zo zijn want ‘de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (1Joh.2:17).

Wanneer iemand zich tot God bekeert en Christus aanneemt en Hem wil volgen in zijn  dagelijks leven trekt hij uiteraard de aandacht van de ongelovigen. Het ‘bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid’ (4:4). ‘Welk een omkeer heeft God in mijn leven gewrocht, sinds Jezus nu woont in mijn hart’ om het nog maar eens met een uit ee bundel van Joh. De Heer te zeggen. Maar het is niet alleen bevreemding het kan ook vijandschap brengen want ‘zij belasteren u’ schrijft Petrus. Laster is het rondvertellen van slechte dingen over iemand, zonder dat daar bewijs voor is. Het volgen van Christus houdt lijden in, daarvan dienen we ons bewust te zijn (Fil.1:29). Hoe te handelen wanneer er over u gelasterd wordt? Wel Petrus heeft daarover in het voorgaande hoofdstuk dit ervan gezegd:

En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede? Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken. Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij, die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden. Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende’ (1Petr.3:13-17).

Heden: het geloof uitwerken (8-11)

De wetenschap dat ‘het einde van alle dingen nabijgekomen is’, wat hier waarschijnlijk het aanbreken van het Messiaans vrederijk betekend, wil zeggen dat we rustig verder onze weg moeten gaan en niet in apathie moeten vervallen. We dienen ‘handel drijven totdat Hij komt’ (Luk.19:13). Via het internet worden tegenwoordig allerlei speculaties met betrekking tot de wederkomst van Christus  aangereikt, de een nog spectaculairder dan de andere, en we dienen te onderscheiden wat naar de Schrift is. Men is er zo mee bezig dat sommigen zelfs de datum van Jezus’ komst menen te weten, ondanks de waarschuwingen in Mat.25:13 en Hand.1:6-8. Waakt en bidt vinden we enkele keren naast elkaar vermeld in het Nieuwe Testament en dat dient onze houding te zijn (Mark.14:38; Ef.6:18; Kol.4:2). Het is goed om het profetisch woord te onderzoeken (2Petr.1:19) maar het uitzien naar Jezus’ komst dient te resulteren in een heilig leven (1Joh.3:3) en onze dienst aan elkaar.

Drie keer vinden we het woordje ‘elkander’ in dit gedeelte. De liefde en de bereidheid tot vergeving tot elkaar staan voorop. Het bedekken van de zonden door de liefde betekent niet dat zonden moeten worden goedgepraat of door de vingers gezien. Neen, beleden zonden dienen bedekt te worden en mogen niet verder verspreid worden. In Genesis 9:23 vinden we deze tekst geïllustreerd toen Sem en Jafet het naakte lichaam van hun vader bedekten. De gastvrijheid was en is erg belangrijk in het Midden-Oosten en in de brief aan de Hebreeën worden ook wij opgeroepen dit niet te vergeten en in  de praktijk te brengen, het liefst zonder morren, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest (Hebr.13:2; zie Gen.19:1-3). Ik heb het voorrecht gehad vierendertig landen te mogen bezoeken en ik durf te zeggen dat wij nog wal wat te leren hebben in dat opzicht.

God heeft ons talenten gegeven, ieders naar zijn bekwaamheid (Mat.25:15). Deze gaven zijn ons niet gegeven om ze voor onszelf te houden maar om God en de mede-gelovigen mee te dienen. Daartoe behoort ook de bediening van het Woord. ‘Laat het woorden zijn als van God’ zou je kunnen interpreteren als ‘woorden die in overeenstemming zijn met Gods Woord’. Dus kennis van Gods Woord, dat zo schaars is in onze tijd, is noodzakelijk. ‘Want Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods’ (Joh.3:34). Welke dienst we ook mogen uitoefenen het gaat erom dat God door Jezus Christus verheerlijkt word. Aan het einde van zijn aards leven heeft de Heer Jezus kunnen zeggen: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Zou het niet geweldig zijn mochten wij deze woorden kunnen nazeggen wanneer wij aan het einde van ons leven zijn?

Toekomst: op de toekomst voorbereiden (12-19)

Voor de tweede keer wordt het woordje ‘bevreemd, bevreemden’ gebruikt maar wel in een totaal ander verband (4:4,12). We brengen ons in herinnering dat deze brief omstreeks het jaar 63 geschreven is, een tijd waarin de druk van de overheid ten opzichte van gelovigen meer en meer toenam en dat het in 64 onder keizer Nero tot een gewelddadige vervolging kwam. Deze vervolgingen duurden tot het jaar 312 en eindigden met de komst van keizer Constantijn de Grote onder wiens regering het Christendom tot de godsdienst van het Romeinse Rijk werd. ‘Lijden voor Christus’ maakt deel uit van elke gelovige wiens leven getuigt van een leven met Christus op school, werk of waar hij zich ook bevind. Hier gaat het niet om een vervolging vanwege de overheid. Petrus geeft de gelovigen van zijn tijd een aantal raadgevingen die ook nu nog de gelovigen kunnen helpen die lijden vanwege de Naam van Christus.

Ten eerste verwacht lijden (4:12). Lijden moest de gelovigen niet vreemd voorkomen want de Heer Jezus had al voorzegt dat hun dat overkomen kon. ‘Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld. Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar dit alles zullen zij u aandoen om mijn naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft’ (Joh.14:18-21). Maar iets verder op zegt Hij ook ter bemoediging: ‘Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen’ (Joh.16:33). De kerkgeschiedenis geeft meer dan voldoende getuigenis van het lijden van de gelovigen op alle plaatsen waar getuigenis word gegeven van Christus. Ten tweede verblijd je in het lijden (4:13-14). Bedoeld is niet het lijden vóór Christus maar het lijden mét Christus, ervaren in je eigen leven van wat ze Hem hebben aangedaan. De apostelen waren ‘verblijd, dat zij verwaardigd waren ter wille van de naam smadelijk behandeld te zijn’ (Hand.5:41). Paulus vond alles wat hij in zijn leven was geweest en had gedaan betrekkelijk veel belangrijker was ‘om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden’ (Fil.3:10; 1:29). Ten derde onderzoek jezelf in tijden van beproeving want het oordeel begint bij het huis Gods (4:15-18). Een oudtestamentische illustratie hiervan vinden we in Ezechiël 9. ‘Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf’ (2Kor.13:5). Job was nogal verzekerd van zichzelf toe hij sprak: ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn’ (Job 23:10). We mogen ons afvragen waarom we lijden, als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial? Of lijden we omdat we Christen zijn en God in het lijden verheerlijken? Het ‘ternauwernood behouden worden’  in vers 18 verwijst mogelijk naar de redding van Lot. Omdat in Petrus’ tweede brief Lot tot drie keer toe een ‘rechtvaardige’ wordt genoemd (2Petr.2:7,8).

Petrus eindigt dit gedeelte met de bede dat de gelovigen, nu ze zo’n moeilijke tijd tegemoet gaan, om steeds het goede te doen en zichzelf op te dragen aan God, de getrouwe Schepper (4:19). Met soortgelijke bewoordingen sprak de apostel Paulus de oudsten van de gemeente te Efeze toen hij bij zijn afscheid zei: ‘En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.’ (Hand.20:32).

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Afscheidswoorden van een apostel 

2 Petrus 3:1-18

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Na een korte groet (1:1) gaat Petrus krachtig in tegen stilstand en kortzichtigheid in het christenleven (1:2-11). Hij legt uit dat zijn dagen geteld zijn (1:12-15) en dat de gelovigen er goed aan doen te luisteren naar zijn boodschap en naar de woorden van de Boeken (1:16-21). Vervolgens geeft Petrus een scherpe waarschuwing tegen dwaalleraars (2:1-22). In de laatste dagen zullen er veel komen (2:1, 2), die alles zullen doen en zeggen om maar aan geld te komen (2:3) en zullen spotten met de dingen van God (2:2-10). Zij zullen doen waar ze zin in hebben (2:12-17); het zijn trotse bluffers (2:18, 19), die door God veroordeeld en gestraft zullen worden (2:3-10, 20-22). Petrus besluit zijn korte brief met de reden van zijn schrijven (3:1-18): hij herinnert hen eraan dat Gods woord de komst van deze valse leraars heeft voorspeld en geeft aan waarom de terugkomst van Christus (3:1-13) nog op zich laat wachten. En hij wil hen waarschuwen op hun hoede te zijn voor deze dwalingen en hen aanmoedigen te groeien in het geloof (3:14-18).

Nero begon een verschrikkelijke vervolging van de christenen in oktober van het jaar 64 n. Chr. Ze was het hevigste in Rome zelf, waar Nero zelfs christenen verbrandde om zijn tuinen te verlichten! Sommige bijbelleraars dat Paulus vrij werd gelaten in het voorjaar van 64 en naar Spanje reisde (Rom. 15:28), en Petrus in de stad liet om te zorgen voor de gelovigen. Silas en Markus, achtergelaten door Paulus, zijn ook in Rome (1 Petr. 5:12-13). Nero verbrandde Rome in juli en begon de vervolging in oktober van het jaar 64. Petrus wist dat ‘de vuurgloed’ (1 Petr. 4:12) vanuit Rome naar de andere provincies zou komen, en hij wilde de gelovigen bemoedigen. Deze gelovigen, in Klein-Azië, hadden al te lijden van vervolgingen, maar Petrus waarschuwt dat deze nog zullen toenemen (1 Petr. 1:6-7; 3:13-17; 4:12; 5:9-10).

Nu Petrus weet ‘dat het afleggen van zijn tent aanstaande is’ (1:14), (vgl. Paulus bij zijn afscheid in Efeze, Hand. 20) ligt het op zijn hart de gelovigen nog eenmaal te schrijven. Deze tweede brief is daarom een afscheidsbrief, waarin de apostel Petrus zijn laatste aanwijzingen vermeldt die hij nuttig acht voor hen die achterblijven in deze wereld. Hij benadrukt heel sterk in het eerste hoofdstuk dat de apostelen, en hij dus ook, geen navolgers zijn geworden van vernuftig verzonnen fabels, maar dat zij oog- en oorgetuigen van de majesteit van Christus zijn geweest! Verder drukt hij de gelovigen op het hart vast te houden aan Gods Woord ‘totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in hun harten’ (1:19). Maar ook legt hij in deze brief zijn (pastoraal) hart bloot: zie hoofdstuk 3.

We vinden in dit hoofdstuk viermaal het woord ‘geliefden’, waarna verschillende  aanwijzingen volgen, die wij nu willen bespreken.

I. Geliefden denk terug aan de woorden van de heilige apostelen (2 Petr. 3:1-7)

‘De bijbel is ons niet alleen gegeven om ons te informeren, maar om ons te transformeren’

‘Wees indachtig’ of ‘denk aan’

A. Petrus roept ons op om terug te denken aan de woorden van de profeten, en om terug te denken aan het gebod van de Heer en Heiland, die tevoren door de heilige profeten verkondigd zijn. We mogen ervan uitgaan dat het Woord van God een grote plaats innam in het leven van Petrus. Al in zijn eerste brief schrijft hij ‘dat wij wedergeboren zijn, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend woord’ (1 Petr. 1:23). En, gaat hij verder: ’Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis’ (1 Petr. 2:2). Maar ook in zijn tweede brief doet hij een vurige oproep en schrijft: ‘En zo hebben wij het profetisch woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats,  totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten’ (2 Petr. 1:19). En omdat het Woord van God in Petrus’ leven zo’n grote plaats innam en hij daardoor een positieve verandering in zijn leven had waargenomen, roept hij ons op om hem daarin te volgen. Hij is er altijd op uit om de gelovigen uit zijn tijd daaraan te herinneren, maar bij hem leeft ook de wens dat dat na zijn heengaan zo zal blijven (2 Petr. 1:12,13,15; 3:1), opdat ze gewapend zouden zijn tegen spotters en de valse profeten van de eindtijd.

B. De ongelovigen denken dat alles zo blijft als van het begin van de schepping en dat daar nooit verandering in zal komen; ze denken cyclisch, ‘de geschiedenis herhaalt zich’. Wij, de gelovigen’ weten beter, wij denken lineair, dat wil zeggen dat God ergens naar toe werkt, naar een bepaald doel! En niet alleen dat, maar ook geloven we dat God heeft ingegrepen in de geschiedenis van deze wereld! We hoeven maar te denken aan dingen die in het verleden geschied zijn: de schepping en de zondvloed, maar ook dingen die nog staan te gebeuren, namelijk het toekomstige oordeel. Dat horen de mensen niet graag, dat God zal komen om te oordelen, ze horen liever over een God van liefde en genade! Maar de boodschap van het oordeel komt veelvuldig in de Bijbel voor en, jawel, ook in het NT! In Handelingen 17 is de nadering van het komend oordeel zelfs de aanleiding dat Paulus ‘allen, overal oproept om zich te bekeren’. Maar wij wachten niet op het oordeel, maar op de komst van de Heer! De spotters zeggen wel: ‘waar blijft de belofte van zijn komst?’, maar wij weten beter want… (pt II.)

II. Geliefden het zij u niet onbekend dat God de belofte niet vertraagt (2 Petr. 3:8-10)

De wederkomst: ‘We weten niet wanneer het zal gebeuren, maar er wordt ons wel verteld wat er zal gebeuren!’

‘Wees niet onwetend’

Het is niet verwonderlijk dat het uitzicht op de wederkomst van Christus in Petrus’ tweede brief zo sterk op de voorgrond staat, zeker nu hij op het einde van zijn leven is gekomen.  Hij had daar zelfs al een ‘voorproefje’ van gehad toen hij met Jakobus en Johannes op de berg der verheerlijking was geweest, ze waren oog- en oorgetuigen geweest van de majesteit van de Here Jezus (Math.17; 2 Petr. 1:16). Maar zeker in een tijd van moeilijkheden en verdrukkingen leeft het verlangen op in onze harten naar de komst van de Heer Jezus, die aan alle ellende een eind zal maken. Alleen het wachten duurt ons soms wel wat lang, en zeker die gelovigen aan wie Petrus deze brief heeft geschreven. Zij leefden in bar slechte omstandigheden en die zouden nog verzwaren (1 Petr. 4:12). En als de Heer niet komt en God grijpt niet in, dan kan de gedachte opkomen dat Hij zijn belofte vertraagt.

Maar toch is dat niet zo, en Petrus benadrukt dat het zgn. ‘vertragen’ een bewijs is van Gods lankmoedigheid en ons de gelegenheid geeft dat we onze tijd benutten om aan anderen het evangelie te brengen opdat ze ook behouden worden en gevrijwaard voor het komende oordeel, want God wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.  ‘Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luidt het woord van de Here, Here. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?‘ (Ez. 18:23). Want dat er een oordeel komt over deze wereld is duidelijk: ‘de Rechter staat voor de deur!‘ (Jak. 5:9), en ‘de dag van de Heer zal komen...’ (2 Petr. 3:10). Tevens geeft vers 12 de indruk dat  wij die dag kunnen ‘verhaasten’ (vgl. Hand. 3:19-21). Hoe het ook zij, als de ‘duivel weet dat hij weinig tijd heeft’ (Op. 12:12), hoeveel temeer dienen wij onze tijd nuttig te gebruiken.

Hoe kunnen wij daaraan bijdragen? Wel, in het eerste gedeelte van hoofdstuk twee wordt onze aandacht gevestigd op de zondvloed en op Noach, de prediker van de gerechtigheid. Zijn ‘prediking’ was het bouwen van een boot. Eveneens in hetzelfde hoofdstuk vinden we als voorbeeld de steden Sodom en Gomorra, waarvoor Abraham voorbede heeft gedaan (Gen. 6, 18; 2 Petr. 2:5-6). Laten we hun voorbeeld maar navolgen.

III.Geliefden beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te zijn (2Petr. 3:11-14)

De wederkomst: Ik weet wanneer de Heer komt. Vandaag!

Wees ijverig

Waarom is het zo belangrijk te weten in welke tijdsperiode wij leven? Dat voorkomt dat wij in een droomwereld gaan leven die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Als wij zien op de dingen rondom ons heen, dan mogen we concluderen dat ‘Jezus’ komst niet ver meer af is’. Wij verwachten geen door mensen gemaakte wereldvrede, maar wij zien uit naar Christus, de werkelijke Vredevorst! En, zegt Johannes, als we deze hoop op Hem hebben, dan reinigen wij ons zoals Hij rein is (1 Joh. 3:3), en: ‘Laat wie heilig is, zich nog meer heiligen.’ (Op. 22:11). ‘Eindtijd’ betekent een tijd waarin keuzes dienen gemaakt te worden! Als we geloven in het bijbelse getuigenis ‘dat er in de laatste dagen zware tijden zullen zijn’ dan moet deze kennis een uitwerking hebben in mijn leven, anders neigen we ernaar slechts hoorders van het Woord te worden en geen daders (Jak. 1:22)!

In het evangelie naar Lukas vinden we twee voorbeelden hoe gelovigen zich dienen te gedragen in de tijd die onmiddellijk voorafgaat aan de komst van de Heer Jezus. Uit hetgeen geschreven staat in Lukas 12:35 weten we dat de lendenen omgord en uw lampen brandend dienen te zijn, om Hem, als Hij klopt, terstond open te doen. Het omgorden van de lenden wijst ons erop dat we klaar dienen te zijn voor onmiddellijk vertrek, zoals het volk Israël dat moest zijn bij het verlaten van het land Egypte (Ex. 12:11). Bij ‘brandende lampen’ denken we natuurlijk aan de gelijkenis van de tien maagden in Mattheüs 25, waar we lezen dat de dwaze maagden geen olie hadden en de wijze wel.

En Lukas 21:25-38 zegt:  ‘Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij.’ Maar ook: ‘Past op uzelf’, en ‘waakt en bidt’. Alhoewel deze profetieën niet direct op de Gemeente toepasbaar zijn maar eerder op het volk Israël in de toekomst, mogen we toch ook voor ons de conclusies trekken.

IV. Geliefden weest op uw hoede dat u niet afvalt (2Petr. 3:14-18)

De wederkomst: De waarde van profetie is niet speculatie maar motivatie.

Wees voorzichtig

‘Weet dit, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen zijn, want … ’ (1 Tim. 3:1). Hoe zullen we standhouden? Petrus wijst ons op de Here Jezus, ‘Die, om de vreugde die voor Hem lag het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. Want let op Hem die zo’n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt’ (Heb. 12:2).

Al in hoofdstuk 1:5 lezen we over een voortschrijding in het geloof. Zowel in het gewone leven als in het geestelijk leven is er groei nodig. In hoofdstuk 2:2 zien we dat Petrus de gelovigen aanspoort om ‘als pasgeboren kinderen te verlangen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis’. En zo zijn er meer bijbelteksten en ook voorbeelden te noemen waaruit blijkt dat groei niet alleen noodzakelijk, maar ook natuurlijk is. We dienen onze roeping en verkiezing vast te maken (2 Petr.1:10).

We dienen op te groeien in de genade, maar ook in de kennis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. ‘Christus, in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn’ (Kol. 2:3). Of zoals Paulus het uitdrukt in Filippenzen 3:10: ‘om Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, terwijl ik aan zijn dood gelijkvormig word.’

Zo zullen we stand kunnen houden in moeilijke tijden, tegen valse leer, tegen spotters. Het valt buiten het bestek van deze toespraak, maar ik denk aan Kaleb die veertig jaar met het volk Israël door de woestijn is getrokken en uiteindelijk als een van de twee verspieders aankwam. Hoe heeft hij het volgehouden? Wel, hij was verbonden met Jozua, een type van de Heilige Geest, die het volk het Heilige Land binnenleidde.

Laten we ons daarom bezighouden met de Bijbel, waarin we Christus vinden. We moeten Hem beter leren kennen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX