Evangeliën Mattheüs en Markus

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

Inleiding op het evangelie naar Mattheüs

Mattheûs 5-21-26 – Een ieder beproeve zichzelf

Mattheüs 6 - Het Onze Vader

Mattheüs 14 – Storm op zee

Mattheüs 17 - Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien

Markus 2 - Genezing van een verlamde

Markus 9 en10 – Onderlinge verhoudingen

Lukas 1 - Lofzangen in Lukas

Lukas 2:36-38 - Misschien vandaag!

Lukas 2 - Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen

Lukas 3-4 – Kracht voor de reis

Lukas 5 – Vragen bij discipelschap

Lukas 13 - Genezing kromgebogen vrouw

Lukas 15 – Gelijkenis van de verloren zoon

Zeven tekenen in het Johannes evangelie

Johannes 11 – Vragend moeten wij vaak gaan

Johannes 14 - Waarvoor de Heer Jezus gekomen is

Johannes 15 - Worden als de Meester

Johannes 18 en 21 - Petrus tussen twee vuren

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

 

 

 

Inleiding op het evangelie naar Mattheüs

 

 

 

 

Geschreven door de discipel en apostel Mattheüs (zie 9:9; 10:3) tussen de jaren 45 en 70, mogelijk vanuit Palestina (of Antiochië?), waarschijnlijk aan Joodse christenen. Blijkens de openingswoorden is het Mattheüs erom te doen Jezus voor te stellen als de Messias, de Zoon van Abraham en de Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn? De Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk der hemelen op aarde aankondigt. Het is dus een passende overgang van het oude naar het nieuwe testament. Zevenmaal wordt de Here Jezus de ‘zoon van David’ genoemd: 1:1,9,27; 12:23; 15:22; 20:30; 21:9,42. Alleen in Mattheüs wordt gesproken over ‘het Koninkrijk des hemels’. Alleen in Mattheüs wordt over ‘de troon van zijn heerlijkheid gesproken (19:28; 25:31).

Overzicht:

1. In het oude testament wordt een komende Koning (Messias) beloofd (2Sam.7:12-14).

2. Tussen het oude en het nieuwe testament liggen de zgn. vierhonderd ‘stille’ jaren.

3. Dan wordt in het NT de Messias aangekondigd hetgeen blijkt uit verschillende gegevens in het Evangelie naar Mattheüs:

a. Zijn afkomst is uit het geslacht van David (1:1)

b. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

c. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

d. Johannes de Doper komt en kondigt het koninkrijk aan (3:1)

e. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5) en de stad van de grote Koning (5:35)

f. Vanaf hoofdstuk 5 tot 8 worden in de Bergrede de beginselen van het Koninkrijk aangekondigd

g. Uitzending van de discipelen gaan gepaard met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)

h. Het aangekondigde heil is in principe bestemd voor Israël (10:5; 15:34)

i. Verwerping van de Koning (principieel al geschied in de verwerping van Johannes de Doper (11:2; 14:1).

j. Verwerping wordt definitief in de hoofdstukken 12:22-32, 46 en 13:2.

k. Het Koninkrijk in verborgen vorm zoals vermeld in hoofdstuk 13

l. Daaropvolgend de aankondiging van de Gemeente (16:18)

m. Gelijk daaropvolgend de aankondiging van het lijden van de Heer Jezus (16:21)

n. Intocht in Jeruzalem (21:5), vervloeking van de vijgenboom (21:43) hetgeen de terzijdestelling van Israël aangeeft.

o. Weeklacht over Jeruzalem (23:37) een aansluitend de ‘rede over de laatste dingen’ (hfdst.24 en 25) de oordelen over Israël, Christenheid en de volkeren.

p. Tenslotte de definitieve verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

q. De opstanding en de ‘grote opdracht’.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Mattheüs spreekt niet over zichzelf maar over Jezus Christus. Als het ware is dit evangelie een brug tussen het Oude- en Nieuwe testament, zoals het boek Handelingen dat is als overgang tussen de evangeliën en de rest van het Nieuwe Testament.

1. Mattheüs introduceert een nieuw boek.

Dat nieuw boek in het Nieuwe Testament. Mattheüs vormt daarvoor de ideale verbinding. Het boek Genesis is het oudtestamentische boek van de generaties (5:1) het geeft verslag van de ‘Adam familie’. Als je deze lijst leest dan valt op dat je iedere keer weer leest ‘en hij stierf’, daardoor illustreert het Oude Testament ‘dat het loon van de zonde de dood is’ (Rom.6:23). Maar als je het geslachtsregister in Mattheüs leest wordt de geboorte benadrukt en niet de dood! Het Nieuwe Testament heeft als boodschap dat ‘de gift van God het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heer’ (Rom.6:23). Het OT is het boek van de beloften, het NT van de vervullingen. Zijn geboorte in Bethlehem (Jes.7:14), Jezus in Egypte (Hos.11:1)). Mattheüs vermeldt 129 vermeldingen of verwijzingen naar het OT in zijn evangelie. Hij schreef hoofdzakelijk voor Joden om hen te laten zien dat Jezus de beloofde Messias was.

2. Mattheüs introduceert een nieuwe Koning.

3.  Mattheüs introduceert een nieuw volk.

I. De openbaring van de Koning (1 – 10)

-De persoon van de Koning (1 – 4)

-Zijn afstamming en geboorte (1 – 2)

Zoon van David (Mat.1:1) ‘Zie de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Jes.7:14). ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons gegeven…Groot zal de Heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David’ (Jes.9:5-6).

2. Zijn heraut (3)

‘Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Doper; maar de geringste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij’ (Mat.11:11). ‘En als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen’ (Mat.11:14 + Mal.4:5).

3. Zijn verzoeking en begin van Zijn dienst (4)

-De doop.

‘Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Mat.3:7). ‘Want wij hebben geen hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde’ (Heb.4:15).

4. De beginselen van de Koning (5 – 7)

-De Bergrede

‘Voorwaar, Ik zeg u, Want Ik zeg u, Maar Ik zeg u… Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen’ (Mat.5:17). Hoofdstuk 6 verhouding mens-mens, mens-God en mens tot zichzelf.

-De macht van de Koning (8 – 10)

‘Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doe dan Deze gedaan heeft?’ (Joh.7:31) ‘Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten?’ (Mat.11:3)

5. De opstand tegen de Koning (11 – 13)

-Zijn heraut verworpen (11:1-19)

‘Toen echter Herodes de viervorst door hem aan de kaak werd gesteld inzake Herodias, de vrouw van zijn broer, en inzake alle boze dingen die Herodes had gedaan, voegde hij bij dit alles ook dit dat hij Johannes in de gevangenis opsloot’ (Luk.3:19). ‘En de (scherprechter) ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis’ (Mark.6:27). ‘En zijn discipelen kwamen en namen het lichaam weg en begroeven het. En zij kwamen het Jezus berichten’ (Mat.14:12).

-Zijn werken ontkent (11:20-30)

‘Toen begon Hij de steden waar zijn meeste krachten waren gebeurd, te verwijten dat zij zich niet hadden bekeerd’ (Mat.11:20). ‘Komt allen tot Mij (11:28). Dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard’ (Mat.11:25).

-Zijn beginselen geweigerd (12:1-21)

‘Daarom is het geoorloofd op de sabbat goed te doen’ (Mat.12:12).

-Zijn persoon aangevallen (12:22-50)

‘Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de overste van de demonen’ (Mat.12:24). ‘Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen’ (Mat.27:42).

6. Dit voorgaande resulteert in de gelijkenissen van het Koninkrijk (13)

‘Tot hen die buiten zijn komt alles in gelijkenissen’ (Mark.4:11). ‘Al deze dingen sprak Jezus in gelijkenissen tot de menigten’ (Mat.13:34). ‘Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ (Mat.13:35).

7. De terugtrekking van de Koning (14-20)

-Vóór Petrus’ belijdenis (14:1-16:12)

-Petrus’ belijdenis: de gemeente (16:13-28)

‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mat.16:16). ‘Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen’ (Mat.16:18).

-Eerste vermelding van de kruisiging (16:21).

‘Van toen af begon Jezus zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden’ (Mat.16:21).

-Ná Petrus’ belijdenis (17-20)

-Tweede vermelding van de kruisiging (17:22-23)

-Derde vermelding van de kruisiging (20:17-19)

-Ná Petrus’ belijdenis

‘Om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht’ (Heb.12:2).

-Verheerlijking op de berg.

-Tweede vermelding van de kruisiging 

Uitbreiding van 1e aankondiging door de opstanding te vermelden. En op de derde dag zal Hij worden opgewekt (Mat.17:23).

-Derde vermelding van de kruisiging

Hier worden kruisigen, geselen en bespotting genoemd (Mat.20:19).

8. De verwerping van de Koning (21-27)

-Zijn openbare presentatie aan de Joden (21:1-16)

‘Zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier’ (Mat.21:5).

-Zijn conflict met de religieuze leiders (21:17-23:39).

Gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden (Mat.21:33-46).

-Zijn profetieën van het toekomstig Koninkrijk (24-25)

‘Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van uw komst? (Mat.24:4).

9. Zijn lijden en sterven (26-27)

‘Op het feest-niet op het feest’ (Mat.26:1,5). ‘Niet mijn wil, maar uw wil geschiedde’ (Mat.26:39).’Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ (Mat.27:46).

10. De opstanding van de Koning (28)

‘Hij is hier niet, want Hij is opgewekt’ (Mat.28:6; Hand.1:1-11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Storm op zee

Mattheüs 14:22-36

 

 

 

 

 

Ooit in een storm op zee geweest? Ik wel, en dat komt omdat ik in mijn jonge jaren zeeman ben geweest. Ik kan u verzekeren dat het geen pretje is dat mee te maken! En als een storm op zee geen pretje is, dan ook zeker geen ‘storm’ in je leven! Stormen zullen komen in ons leven, en we dienen daarop voorbereid te zijn, maar als je in een ‘storm’ terechtkomt kun je er zeker van zijn dat:

… Hij jou hier heeft gebracht.

Wanneer we de bijbel lezen, ontdekken we, dat er twee soorten stormen zijn: stormen waarin we ons zelf begeven en stormen waarin God ons zendt. Beide hebben een verschillend doel, de een om te corrigeren, de ander om ons te doen groeien in het geloof.

De storm vermeld in Mattheüs 14 kwam terwijl de discipelen de wil van God deden. Wist de Heer Jezus dat de storm kwam? Zeker! Stuurde Hij ze vrijwillig de storm in? Ja! Zij waren veiliger in de storm in de wil van God dan aan land buiten de wil van God. We moeten onze veiligheid nooit beoordelen alleen op grond van de omstandigheden. Jona was in een storm omdat hij God ongehoorzaam was en gecorrigeerd moest worden. De discipelen waren in een storm omdat zij Christus gehoorzaamden en moesten groeien in hun geestelijke ontwikkeling. Jezus had hen eerder op de proef gesteld, toen Hij met hen in de boot was (Mat.8:23-27). Maar nu stelde hij hen op de proef terwijl hij niet in de boot was. Veel gelovigen hebben de misvatting dat het blijven in de wil van God betekent dat er geen tegenslag zal zijn. Maar dat is niet waar. ‘In de wereld hebben jullie verdrukking,’ beloofde de Heer Jezus (Joh.16:33). Als we in een storm zijn omdat we de Heer gehoorzaamd hebben, moeten we bedenken dat Hij ons daar heeft gebracht en dat Hij voor ons kan zorgen.

… Hij bidt voor jou.

Deze gebeurtenis kunnen we zien als een beeld van de gemeente van God. Gods volk is op de zee (te midden van de volkeren), in het midden van een storm. De Heer Jezus is in de hemel ‘om voorbede voor ons te doen’ (Rom. 8:34). Hij zag de discipelen en kende hun moeite (Mark. 6:48), zoals Hij ook ons ziet en onze noden kent. Hij voelt de last die wij voelen en weet waar we doorheen gaan (Hebr. 4:14-16). Jezus bad voor de discipelen, dat hun geloof niet zou ophouden. Als ik wist dat de Heer Jezus in de kamer naast die van mij was, zou die gedachte geen nieuwe moed geven om vol te houden in de storm en Zijn wil te doen? Natuurlijk zou dat zo zijn. Hij is niet in de naaste kamer, maar Hij is in de hemel om voor ons tussenbeide te komen, terwijl de Geest in ons woont. Hij ziet je noden, Hij kent je angsten, en Hij heeft jouw situatie onder controle.

… Hij bij je is.

Soms voelen we ons in de steek gelaten door de Heer Jezus als we door moeilijke tijden gaan. In de Psalmen klaagt David dat God ver weg is en zich niet om hen bekommert. Toch weet hij dat God uiteindelijk zal redden. Zelfs de apostel Paulus kwam in een situatie zo moeilijk, dat hij ‘uitermate bezwaard was geworden, boven vermogen, zodat hij zelfs aan het leven wanhoopte’. Jezus komt altijd bij ons in de stormen van het leven. ‘Als gij door het water trekt, ben Ik met u’ (Jes. 43:2). Hij komt misschien niet op het moment dat wij verwachten, want Hij weet wanneer we Hem het meest nodig hebben. Hij wachtte tot het scheepje ver genoeg van de wal af was, zodat alle menselijke hoop vervlogen was. Hij beproefde de discipelen in hun geloof, en dat hield in, afzien van elke menselijke steun. Waarom wandelde Jezus op het water? Om zijn discipelen te laten zien dat wat zij vreesden (de zee) slechts een opstapje was zodat Hij kon komen. Vaak vrezen we de moeilijkheden van het leven (zoals een operatie of een sterfgeval), om alleen maar te ontdekken dat we daarna dat ervaringen de Heer Jezus dichter bij ons brengen. Waarom herkenden ze de Heer Jezus niet? Omdat ze niet naar Hem uitkeken. Hadden ze in geloof gewacht, dan zouden ze Hem onmiddellijk hebben herkend. In plaats daarvan hielden ze Hem voor een spook. Vrees en geloof kunnen niet samen gaan in ons leven, want vrees verblindt onze geloofsogen voor de aanwezigheid van de Heer.

… Hij jou wil helpen om te groeien.

Dat was mogelijk de eigenlijke bedoeling van de storm, opdat de discipelen zouden groeien in hun geloof. Hoe dan ook, er zou een dag komen dat de Heer Jezus hen zou verlaten, en ze veel stormen zouden moeten doorstaan in zijn dienst. Ze moesten leren op Hem te vertrouwen, ook al was Hij niet lichamelijk aanwezig, of als het leek dat Hij niet ingreep.

Nu wordt onze aandacht verplaatst naar Petrus. Voordat we hem bekritiseren dat hij zinkt, laten we hem eren voor dit groot voorbeeld van geloof. Hij durfde anders te zijn. Iedereen kan in de boot zitten en wachten. Maar het vergt bij iemand echt geloof om de boot te verlaten en op het water te wandelen. Wat was de oorzaak dat Petrus begon te zinken? Zijn geloof begon te wankelen omdat hij zijn ogen niet meer op de Heer gericht hield en op de omstandigheden zag. ‘Waarom heb je getwijfeld?’ vroeg Jezus hem (Mat.14:31). Petrus begon met groot geloof maar eindigde met een klein geloof omdat hij, twee mogelijkheden zag in plaats van één. Wel moeten we Petrus prijzen omdat hij terwijl hij zonk, schreeuwde om hulp van de Heer. Hij begon te roepen toen ‘hij begon te zinken’, en niet toen hij al verdronken was. Misschien kwam deze gebeurtenis in Petrus’ gedachten toen hij zijn eerste brief schreef: ‘want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeken’ (1 Petr.3:12). Deze ervaring was moeilijk voor Petrus, maar het hielp hem om te groeien in het kennen van zichzelf en van de Heer.

De stormen van het leven zijn niet gemakkelijk, maar zijn noodzakelijk. Zij leren ons om alleen op de Heer te vertrouwen en zijn woord te gehoorzamen, wat de omstandigheden ook mogen zijn.

Hij jou er door brengt.

Als Jezus zegt ‘Kom!’, dan zegt Hij dat om door dat woord zijn bedoeling te voltooien. Omdat Hij ‘de overste leidsman en voleinder van ons geloof is’ (Hebr. 12:2), zal Hij waar Hij mee begint ook voleindigen. Wij mogen onderweg falen, maar uiteindelijk komt God tot zijn doel. Petrus en de Heer Jezus wandelden samen naar het schip. Petrus’ ervaring was een zegen voor de andere discipelen en ook voor zichzelf. Toen ze de kracht van de Heer Jezus zagen doordat hij de storm overwon en de zee tot kalmte kwam, konden ze alleen maar op hun knieën vallen en Hem aanbidden. Toen Jezus de eerste storm stilde (Mat.8:23-27), zeiden de discipelen: ‘Wat voor Iemand is Deze?’. Maar nu was hun getuigenis duidelijk: ‘Werkelijk, U bent Gods Zoon!’

De discipelen hadden geholpen om 5000 mensen te voeden, en God liet het toe dat ze door een storm gingen. In het boek Handelingen (4:4), wonnen ze 5000 mensen en toen begon de storm van vervolging. Zonder twijfel herinnerden de discipelen zich hun stormervaring met de Heer en vatten moed. Dit wonder verheerlijkt het koningschap van Jezus Christus. Petrus wist dat de Heer Jezus Koning van de schepping was, incluis de wind en de golven. Zijn woord is wet en de elementen moeten Hem gehoorzamen. We zouden het voorbeeld van de discipelen moeten navolgen, aan zijn voeten buigen, en erkennen dat Hij de Koning der koningen en de Heer der heren is!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

Een ieder beproeve zichzelf

Mattheüs 5:21-26

 

 

 

‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant betaald hebt’ (HSV).

Inleiding

Studies over het avondmaal gaan vaak voorbij aan het gegeven van de gemeenschap die die gelovigen met God hebben en de onderlinge gemeenschap van de gelovigen met elkaar. Die gemeenschap komt tot uitdrukking aan de tafel van de Heer in het breken van het brood en het drinken van de wijn: ‘De drinkbeker der dankzegging, die wij met dankzegging zegenen, is die niet de gemeenschap met het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn, één lichaam, want wij allen hebben deel aan het ene brood’ (1 Kor.10:16-17). In veel gemeenten wordt de eigen persoonlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot deelname aan het avondmaal sterk benadrukt en de gezamenlijke verwaarloosd.  Evangelische gemeenten kennen in het algemeen geen collectieve schuldbelijdenis in de samenkomst. Zij gaan ervan uit dat de gelovigen zich geestelijk op de bijeenkomst hebben voorbereid, zichzelf ‘beproefd’ hebben, om met 1 Kor.11:28,31 te spreken, en eventuele geschillen met medegelovigen uit de weg te hebben geruimd, in de geest van Mat.5:23v. Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

‘Ben ik mijns broeder hoeder?’

Zoals gezegd is de ene kant van de zaak dat een ieder voor zijn eigen oordeel aan het avondmaal zit, maar wil dat zeggen dat iedereen altijd en onder alle omstandigheden daaraan kan deelnemen? Het onderwijs van de Heer Jezus kan ons hierbij tot hulp zijn wanneer hij zegt: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave’ (Math.5:22). Toegegeven, het gaat hier niet over het avondmaal maar mogen of moeten wij de principes die gelden in het naderen tot God in het Oude Testament niet nakomen in het Nieuwe Testament? Trouwens ook wij hebben een altaar, waarvan zij die de tabernakel dienen, geen recht hebben te eten. (Heb.13:10). Ook wij brengen offers als priesters, dus laten wij ook tot God naderen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag. Immers, onze God is een verterend vuur. (Heb.12:28-29; 13:15-16). Als het naderen tot God in het Oude Testament al als zo’n serieuze zaak werd beschouwd hoeveel te meer nu voor ons gelovigen die een veel dieper inzicht van God (kunnen) hebben dan de oudtestamentische gelovigen! God zou nooit een offer accepteren wanneer iemand zijn broeder slecht behandeld had en zich niet verzoend had. In het Oude Testament accepteerde God alleen offers van hen die een rein hart ten opzichte van Hem en zijn naaste had. (Gen.4:4-7; Spr.15:8; Jes.1:10-15; Jer.6:20; Am.5:21-24).

De Didache (volledige titel - De leer van de Heer aan de volken door middel van de twaalf apostelen) geeft een heel vroege vorm (1e. of 2e. eeuw?) van een kerkorde in twee delen met een slotsom. In verband met het avondmaal luidt het daarin als volgt: ‘Op de dag des Heren zult u samenkomen, het brood breken en dankzeggen na openlijk uw zonden beleden te hebben, opdat uw offer rein mag zijn. Niemand die een geschil met zijn vriend heeft, moet met u samenkomen zolang ze niet verzoend zijn opdat uw offers niet ontwijd wordt. Dit is toch wat de Heer hierover heeft gezegd: ‘Op elke plaats en tijd moet men Mij een rein offer brengen omdat Ik een groot Koning ben, zegt de Heer, en mijn naam wonderbaarlijk is onder de heidenen’.

Wie in toorn leeft met zijn broeder en hem de vreselijkste scheldwoorden naar het hoofd slingert, staat net zo goed schuldig als iemand die uit wraak zijn naaste doodt. De woorden die de Heer hier gebruikt: leeghoofd, dwaas, hebben in het spraakgebruik van toen een veel venijniger inhoud dan die wij er nu aan toekennen. Hoe vaak gebeurt het niet dat Christenen in onmin met elkaar leven, en toch maar vrolijk in het zelfde gebouw samenkomen om God te ontmoeten. En dan maar, alsof er geen stofje aan de lucht is, lofliederen ter eer van God zingen. Dat is geen waar Christendom. God moet dat oordelen. Als onze broeder iets tegen ons heeft moeten we ons eerst met hem verzoenen voordat we met onze ‘offeranden’ voor God kunnen verschijnen. Hieruit blijkt dat de bergrede van de Heer niet een nieuwtestamentische wet is om het leven te verwerven, maar dat ze het gedrag aangeeft waardoor volgelingen van de Heer Jezus gekenmerkt moeten worden. En als we deze vergevingsgezindheid niet kennen en haat koesteren tegen een familielid, een buurman, of iemand op ons werk, dan blijkt daaruit dat we zelf de genade van God, die ons alle zonden wil vergeven als we met berouw tot Hem komen, nog niet kennen. En dan is dit voorschrift van de Heer voor zo iemand een oproep om zich te bekeren en met zijn zonden tot het kruis van Golgotha te gaan. Dan pas kan men in de kracht van God de minste zijn en de naaste vergeven en vriendelijk jegens hem zijn.

Ik naar hem/haar of hij/zij naar mij?

‘Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft. Maar als u niet vergeeft, zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven’ (Mk11:24-26).

Dit is een van de lessen die de Heer Jezus heeft gegeven over gebed. Bidden dienen de we te doen in overeenstemming naar de wil van God (1 Joh.5:14-15). We dienen in Hem te blijven en zijn woorden in ons, dan mogen we bidden en het zal gebeuren (Joh.15:7). Gebed is niet gelijk aan een schakelaar die we aan en uit kunnen zetten wanneer er zich een probleem voordoet. Gebed moet deel uitmaken van je blijvende gemeenschap met God. De verhoring van ons gebed is ook niet afhankelijk van onze houding staand, liggend of met opgeheven handen, de houding van ons hart is bepalend. Echt gebed houdt geloof in maar ook vergeving. De gelovige dient in gemeenschap met God en zijn broeders en/of zusters te zijn als God de gebeden wil verhoren (Math.5:21-26; 6:14-15; 18:15-35). Uit onze bereidheid tot vergeving blijkt dat ons hart oprecht voor God is, en dat we ons onderwerpen aan zijn wil, en dat maakt het voor God mogelijk om ons gebed te verhoren (Ps.66:18). Geloof werkt door liefde (Gal.5:6). Wanneer ik geloof in God heb, dan zal ik ook liefde voor mijn broeder en/of zuster hebben en bereid zijn te vergeven en dan hoeft de vraag: ‘Ik naar hem/haar of hij/zij naar mij?’ ook niet door mij beantwoord te worden. Als die gezindheid in u is die ook in Christus Jezus was (Fil.2:5) hoeft het voor niemand moeilijk te zijn om te zeggen: ‘Vader, vergeef hen!’ (Luk.23:34). In Mattheüs ging het over ‘dat uw broeder iets tegen u heeft’ en in Markus ‘als u tegen iemand iets hebt’ in beide gevallen dient er verzoening tot stand te komen. ‘Wees op uw hoede. Als nu uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem.En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal per dag naar u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, dan zult u hem vergeven’ (Luk.17:3-4).

En wat als er geen verzoening plaatsvindt?

Heeft de Gemeente een opdracht te vervullen als er geen verzoening komt tussen twee gelovigen? Kan de Gemeente toelaten dat wanneer twee gelovigen openlijk in onmin met elkaar leven toelaten zijn zij ‘onbeproefd’ aan het avondmaal deelnemen? Mag de Gemeente de toegang tot het avondmaal weigeren in zo’n situatie? Dient de Gemeente geen actie te ondernemen ter bescherming van zulke gelovigen opdat zij niet onder het oordeel van God vallen? (1 Kor.11:29). Dient de Gemeente geen toezicht te houden over de tafel van de Heer en de heiligheid van God of doen we of onze neus bloedt en laten we alles maar op zijn beloop? Heeft de Gemeente niet het gezag in geval van grove zonde iemand uit hun midden weg te doen die niet in oprechtheid en in waarheid deelneemt aan ons ‘Pascha’? (1 Kor.5:2; 12-13). Vragen die ik graag ter beantwoording aan u voorleg.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het Onze Vader

Mattheüs 6:9-13 

 

 

 

Inleiding

Dat het gebed een essentieel onderdeel van het geestelijk leven dient uit te maken, blijkt wel uit de woorden van de Heer Jezus tegen de discipelen wanneer hij zegt: ‘dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden (Luk.18:1; Ps.109:4). Dat bidden niet tot de gemakkelijkste zaken van een gelovige behoort, blijkt wel uit de vraag die de discipelen aan de Heer Jezus stellen: ‘Heer, leer ons bidden’ (Luk.11:1). Het ‘Onze Vader’ kan ons daarin wellicht tot hulp zijn. Het is echter geen gebed dat we zonder nadenken moeten nazeggen, daarvoor is de inhoud ervan veel te diep, zoals we zullen zien.

Het gedeelte dat we voor onze aandacht hebben vinden we in Mattheüs 6, waarvan de eerste achttien verzen in drie gedeelten zijn te verdelen naar aanleiding van het drievoudig ‘Voorwaar’ in 6:3, 5 en 16. De verzen in Mattheüs 6:1-4 heeft de liefdadigheid als onderwerp, de verzen 5-15 gaan over het bidden (het onderwerp waarover wij willen nadenken), en de verzen 16-18 gaan over het vasten. Het ‘Onze Vader’ bevat naast de inleiding van het gebed, zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken hebben met de noden van hen die bidden.

Voordat het ‘Onze Vader’ wordt voorgesteld, leert de Heer Jezus hoe we dienen te bidden, niet zoals de huichelaars, want die bidden om zich aan de mensen te vertonen, maar bidt in het verborgene, de binnenkamer. Dit betekent niet dat de Heer bidden in het openbaar verbiedt, maar daar dienen we er ook voor te waken dat bidden geen ‘preken’ wordt. Zoals ook het vervolg duidelijk maakt, niet door de veelheid van woorden, want uw Vader weet wat u nodig hebt voordat u het Hem vraagt. De heidenen dachten dat ze om de veelheid van woorden verhoord zouden worden, maar dat bleek geen garantie te zijn (Hand.19:34; vgl. 1Kon.18:25-29). Het is dan ook niet gewenst het ‘Onze Vader’ gedachteloos na spreken en te herhalen, zoals vaak gebeurt op allerlei gelegenheden. Het is meer bedoeld als een model opdat we niet op dezelfde wijze  zouden bidden als de volken. Waarom bidden? Omdat God gebeden (gevraagd) wil worden, waarvan de Bijbel op meerdere plaatsen getuigenis geeft. Het ‘Onze Vader’ is dan ook een geweldig voorbeeld van een gebed bestaande uit weinig woorden, maar met grote diepgang.

1. Onze Vader die in de hemelen bent. (Relatie)

Dat dit gebed niet voor iedereen bedoeld is blijkt wel uit de eerste twee woorden: ‘Onze Vader’. Het gaat daar over een Vader die de ‘onze’ genoemd wordt. Alleen een kind kan zeggen ‘vader’, ook in de geestelijke betekenis. Het woordje ‘Vader’ veronderstelt geestelijke verwantschap. De eerste vraag die we dan ook dienen te beantwoorden is: ‘Ben ik een kind van dé Vader’ en als u dat niet bent kunt u zich afvragen: ‘Hoe kan ik dan een kind van de Vader worden’? Het gaat in deze beginwoorden heel duidelijk over een relatie of verwantschap. De Bijbel laat ons niet in onzekerheid hoe een mens een kind van God kan worden. De apostel Johannes zegt in het Evangelie: ‘Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn’ (Joh.1:12-13).

Maar er is meer dan het komen in een relatie met God, als Vader. Na het tot stand komen van deze verticale verbinding door het geloof in het volbrachte offer van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha, is er ook een horizontale relatie ontstaan, namelijk met de andere kinderen van de Vader, onze broeders en zusters. Deze relatie blijkt wel uit het woordje ‘Onze’, dat een gezamenlijke afkomst veronderstelt. In Johannes 20:17 wordt deze al aangekondigd door de Heer Jezus wanneer Hij tot Maria Magdalena zegt: ‘Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ (Joh.20:17).

De apostel Petrus spreekt over een ‘broederschap’. ‘Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.’ (1Petr.2:17) Op meerdere plaatsen spreekt het Nieuwe Testament over de gelovigen die tot de Gemeente behoren, als een lichaam. ‘Zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander’ (Rom.12:5). 

Het ‘Onze Vader’ bevat zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken met de noden van hen die bidden.

2. Moge uw naam worden geheiligd. (Eerbied)

Ook al zijn wij, door het geloof, een kind van God, dan wil dat nog niet zeggen dat er geen ontzag meer nodig is als we tot God naderen. We dienen altijd te blijven gedenken ‘dat God in de hemel is en wij op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn en wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken’ (Pred.5:1). ‘Heiligt de Christus in uw harten als Here’, leert ons Petrus (1Petr.3:15). We moeten dus weten wat ‘geheiligd’ of ‘heiligen’ in de Bijbelse zin betekent. Heilig of heiligen betekent ‘afzonderen’ of ‘afgezonderd’; apart gesteld. We komen de idee van apart stellen al tegen in het eerste Bijbelboek: ’En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht’ (Gen.2:3). In die zin kan Petrus het bedoeld hebben wanneer hij zegt: ‘Heiligt de Christus in uw harten’, geeft de Heer Jezus (God) een aparte plaats in uw hart en leven. Al in het Oude Testament zien we dat de Israëlieten een afgezonderd volk waren, gewijd aan God en zijn dienst (Num.16:9; vgl. 1Petr.2:9).

Maar ook God Zelf is de Heilige, afgezonderd van alle andere ‘goden’. ‘Zo zegt de HERE, de Koning en Verlosser van Israël, de HERE der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God’ (Jes.44:6). ‘Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige’ (Jes.40:25). De hemel is Gods heilige plaats, waar Hij woont, omringd door zijn heilige engelen. De serafs in het roepingsvisioen roepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol (Jes.6:1-3).  Dus wanneer wij in gebed tot God naderen, laten wij dan God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag’ (Hebr.12:28). Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken (Ex.20:7). De Herziene Statenvertaling voegt als noot toe: ijdel gebruiken - d.w.z. onnodig en ondoordacht gebruiken, misbruiken.

3. Moge uw koninkrijk komen. (Verlangen)

Veel gelovigen die vermeld zijn in de Evangeliën hebben uitgekeken naar de komst van het Koninkrijk en/of de Messias. We denken maar aan Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte (Mark.15:43), of Anna en vele anderen, die de verlossing van Jeruzalem verwachtten (Luk.2:38), of de Samaritaanse vrouw, die wist dat de Messias zou komen (Joh.4:25). Voor hen betekende deze verwachting wellicht de bevrijding van het Romeinse juk en het herstel van het koninkrijk van Israël, maar ik geloof dat in het ‘Onze Vader’ er nog iets anders mee bedoeld wordt, namelijk een betekenis voor vandaag, maar ook voor de (nabije) toekomst. In Johannes 18:36 zegt de Heer Jezus: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, wat duidt op een andere invulling dan een zichtbaar koninkrijk voor Israël. Dit wordt nog duidelijker wanneer we lezen ‘Want zie, het koninkrijk van God is midden onder u’ (Luk.17:21). Dat zou kunnen duiden op de verwerkelijking van de normen van het koninkrijk in onze harten, terwijl de Koning nog afwezig is. Markus 10:41-45 geeft ons daar een impressie van: ‘Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zó is het echter onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.’ Tot aan de komst van de Koning mogen wij dat koninkrijk al gestalte geven in ons leven, denk daaraan wanneer u bidt: ‘Moge uw koninkrijk komen’.

4. Moge uw wil gebeuren, zoals in de hemel, zo ook op aarde. (Vervulling)

Moge uw wil gebeuren, zoals in de hemel. Hoe Gods wil gedaan wordt in de hemel, daarvan vinden we een beschrijving in de Psalmen: ‘De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles. Looft de HERE, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord. Looft de HERE, al zijn heerscharen, gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt. Looft de HERE, al zijn werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof de HERE, mijn ziel’ (Ps.103:19-22). God heerst over alles, zijn engelen doen wat Hij zegt, gehoorzaam aan het Woord dat Hij spreekt, zijn dienaren doen wat Hem behaagt. Zó zou het ook op aarde moeten zijn bij zijn dienaren, bij ons. Dat is wat je eigenlijk bidt, vraagt als je het Onze Vader uitspreekt. Iemand heeft eens gezegd: ‘Bidden is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar dat Gods wil op aarde geschiedt.’

Dit brengt ons bij de vraag: ‘Hoe weet ik wat Gods wil is?’ In de brief aan de Efeziërs worden de gelovigen opgeroepen ‘om te verstaan wat de wil van de Heer is’ (Ef5:17). Het gaat er dan wel over de geopenbaarde wil van God die we in de Bijbel kunnen ontdekken. ‘De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons’ (Deut.29:29). Het kennen, ontdekken van Gods wil, dient er toe te leiden dat we die ook uitvoeren, zoals bij zijn engelen en dienaren in de hemel. Dat is wat de apostel de gelovigen in Kolosse probeert duidelijk te maken wanneer hij hun schrijft: ‘Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God’ (Kol.1:9-10). Het doen van Gods wil zou een voorrecht voor ons moeten zijn, geen verplichting of last. De Heer Jezus zegt: ‘dat we moeten leren onderhouden (doen) alles wat Hij geboden heeft’ (Mat.28:19).

Alleen de Heer Jezus heeft Gods wil op aarde volledig tot uitdrukking gebracht, het was Zijn voedsel dat Hij de wil deed van Hem die Hem gezonden had en dat Hij zijn werk volbracht  (Joh.4:34). Hij had lust om Gods wil te doen, Gods wet was in zijn binnenste (Ps.40:9). Die bereidheid, die overgave om de wil van God te doen bracht Hem naar Golgotha, en in de hof van Gethsémané bevestigt Hij nogmaals zijn bereidheid wanneer Hij zegt: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.’ (Mat.26:39). En wat waren de gevolgen van die bereidheid om Gods wil te volbrengen? De brief aan de Hebreeën zegt: ‘Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd’ (Heb.10:10).

Het ‘Onze Vader’ bevat zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken met de noden van hen die bidden.

5. Geef ons heden ons toereikend brood. (Heden)

Dit lijkt ons, in het rijke Europa, misschien een overbodig gedeelte van het Onze Vader, maar in veel andere landen in de wereld ligt dat heel wat anders, zoals ik uit eigen ervaring mag weten. Tijdens een reis naar Cuba in 2008 raakte ik in één maand zes kilo gewicht kwijt door gebrek aan voldoende voeding! Dan wil je wel bidden: ‘Geef mij heden het toereikend brood!’ In veel landen op het Afrikaans continent horen we met regelmaat van hongersnoden en allerlei tekorten aan noodzakelijke levensmiddelen en water. En dat terwijl er in België per persoon jaarlijks 314 tot 372 kilogram nog perfect eetbaar voedsel wordt weggegooid (gegevens over 2012).  In Nederland zal het wel niet veel anders zijn. De apostel Paulus schrijft aan Timotheüs: ‘Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn’ (1Tim.6:8). De Heer Jezus zegt ons dat we ons niet bezorgd moeten maken wat we eten en waarmee we ons zouden kleden, want naar al die dingen zoeken de volken, maar dat we eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid moeten zoeken (Mat.6:31-34). De keuze die Salomo heeft gemaakt mag ons tot voorbeeld en bemoediging zijn bij het maken van keuzes. Toen hem gevraagd werd door de Here: ‘Wat zal ik u geven?’, was Salomo’s antwoord: ‘Geef dan uw knecht een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte’. Het antwoord van de Here bleef niet uit: ‘Ik geef u een wijs en verstandig hart… en ook wat gij niet gevraagd hebt, geef Ik u’ (1Kon.3:5, 9, 12). Salomo had voorrang gegeven aan Gods belangen en kreeg al het andere erbij.

‘Geef ons heden ons toereikend brood!’ Maar er is meer dan het voedsel dat bestemd is om ons lichaam in stand te houden, ook ons geestelijk leven dient gevoed te worden. ‘Want niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door de mond van God uitgaat’ (Mat.4:4; Deut.8:3). Ik denk dat we niet gauw een maaltijd zullen overslaan, maar hoe staat het met ons geestelijk voedsel, slaan we dat wel over? Is dat zo belangrijk zult u denken? Wel, we zijn door dat Woord van God, het onvergankelijk zaad, tot wedergeboorte gekomen. Om te groeien in ons geestelijk leven hebben we voedsel nodig, wat kan dat anders zijn dan het Woord van God? (1Petr.1:23, 2:2) En wat te denken van Gods Woord voor leiding in het leven? In Psalm 43 wordt de wens uitgesproken om leiding op weg naar Gods heilige berg, met de woorden: ‘Zend uw licht en uw waarheid; mogen die mij geleiden, mij brengen naar uw heilige berg en naar uw woningen, zodat ik kan gaan tot Gods altaar, tot de God mijner jubelende vreugde, en U love met de citer, o God, mijn God!’ (Ps.43:3-4). Als we niet voldoende ‘eten’, kan het wel eens zijn dat we in een situatie komen waarin de profeet Elia zich bevond en waarin we aangemaand worden om te eten want anders zou de reis voor ons te ver kunnen zijn (1Kon.19:7). ‘Jezus riep zijn discipelen tot Zich en zeide: Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten. En zonder voedsel wegzenden wil Ik hen niet, zij mochten eens onderweg bezwijken’ (Mat.5:32). Als ik terugzie op mijn leven als gelovige, meen ik te mogen stellen dat veel broeders en zusters ‘onderweg’ zijn bezweken door gebrek aan voeding. De Heer Jezus zegt: ‘Ik ben het brood des levens’, laten we ons met Hem voeden.

6. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren hebben vergeven. (Verleden)

Dit gedeelte gaat over de bereidheid om te vergeven. Wij vragen vergeving van God nadat – of zoals - wij onze schuldenaren hebben vergeven. ‘Zoals’ kan ook duiden op de wijze van vergeving. Dezelfde volgorde en de wijze waarop vinden we ook in de brief aan de Kolossers: ‘…elkaar vergevend, als de één tegen de ander een verwijt heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo ook u’ (Kol.3:12). In het Onze Vader gaat het over de bereidheid om te vergeven: ‘Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven’ (Matt.6:14). De vergeving die wij van God ontvangen wordt hier als voorwaardelijk gesteld! Dat de bereidheid tot vergeving zo benadrukt wordt in Gods Woord en dat het gerelateerd wordt aan onze verhouding met en tot God moet ons de belangrijkheid doen inzien. De Heer Jezus wijdt er zelfs een gelijkenis aan in Mattheüs 18:21-35, die besluit met de woorden: ‘Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u? En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben. Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft’ (Ef.4:32). ‘En wanneer u staat te bidden, vergeeft als u iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft’ (Mark.11:25). Zoals we hebben gezien is de bereidheid tot vergeving van fundamentele aard in onderlinge relaties. Zonder die bereidheid is geestelijke groei niet mogelijk en kunnen we geblokkeerd of verbitterd worden.

Niet alleen de bereidheid tot vergeving dient er te zijn in het leven van een gelovige, maar ook wij dienen onze zonden te belijden, want er is geen mens die niet zondigt (1Kon.8:46). Zonde belijden, vergeving ontvangen, dat is de volgorde! ‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming’ (Spr.28:13). Het kan gebeuren dat wij in een houding geraken van die farizeeër die zei: ‘O, God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen’ en dat we onze eigen zonden niet meer zien (Luk.18:11). Het is zelfs mogelijk dat wij onze eigen foute beslissingen vergeten, maar onze beslissingen zullen ons niet vergeten. Het is mogelijk dat wij onze tekortkomingen, ‘de balk in ons eigen oog’, zelfs niet zien en dat wij er door een ander op attent gemaakt moeten worden (Luk.6:41; 7:44-46). Het is mogelijk dat wij een verkeerd beeld hebben van wat zonde is. Paulus roept ons op ons te reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest (2Kor.7:1). We vinden in de verloren zoon de ‘bevlekking van het vlees’ en bij zijn broer de ‘bevlekking van de geest’. Het ene valt meer op dan het andere, maar beide zijn even erg. De schriftgeleerden en Farizeeën zijn uitstekende representanten van de laatste groep (Mat.23:27-28).

Voor alle duidelijkheid moet gezegd worden dat hier niet bedoeld is dat we vergeving slechts kunnen verkrijgen van God als we de zonden van anderen vergeven. Dat zou betekenen dat we onze vergeving kunnen ‘verdienen’ door anderen te vergeven. Nee, het gaat erom dat wij, onder de indruk van Gods vergeving van onze zonden, dezelfde gezindheid vertonen naar onze schuldenaars. Dit wordt duidelijk gemaakt in de verzen 14-15.

7. Leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. (Toekomst)

Het is volgens Jakobus niet mogelijk dat wij door God verzocht worden, daarom is de betekenis van het woordje verzoeking beter te vertalen met beproeving of test zoals meerdere vertalingen dat ook doen (Jak.1:2).

Het ‘leid ons’ geeft aan dat we iemand laten voorgaan. ‘Satan verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te halen, God beproeft ons om het beste in ons naar boven te halen.’ Satan, de brullende leeuw en de engel van het licht, wil niet dat Gods Naam geheiligd wordt, zijn Koninkrijk komt en zijn wil geschiedde, dus zal hij er alles aan doen om te voorkomen dat wij staande blijven in ons geloof. En ook al worden wij verzocht, dan hebben wij de belofte van God dat het ons vermogen niet te boven zal gaan. ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt’ (1Kor.10:13).

Beproevingen maken deel uit van het geloofsleven en doen zich voor in verschillende vormen (Mark.4:19; Joh.16:33; Hand.14:22). Dat er beproevingen zijn en komen, vinden we in de gelijkenis van het zaad: ‘Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig’ (Luk.8:13). Iemand heeft eens gezegd: ‘Een geloof dat niet beproefd mag worden is niet waard een geloof genoemd te worden.’ Dit komt bijzonder tot uitdrukking in het leven van Job, die kon zeggen: ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud tevoorschijn’ (Job23:10). Daarom is in dit verband het gebed ook zo belangrijk. In de hof van Gethsémané zei de Heer Jezus tot Petrus: ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Mat.26:40).

Er zijn redenen te noemen waarom beproevingen deel uitmaken van het leven van een gelovige. Beproevingen van ons geloof zijn nodig opdat wij onszelf en God zouden leren kennen. ‘Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden’ (Deut.8:2). Beproevingen hebben een doel. In het geval van de apostel Paulus was dat een doorn in het vlees die voorkwam dat hij zich zou gaan verheffen. ‘Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen’ (2Kor.12:1-10).

Een verkeerde reactie op een beproeving kan echter van een beproeving een verzoeking maken. Een voorbeeld van een beproeving van het geloof die in een verzoeking eindigde, vinden we in het leven van Abraham, toen hij zonder opdracht van God naar Egypte trok, waarvan de gevolgen zich tot op vandaag uitstrekken omdat Abraham bij zijn  Egyptische slavin Hagar, Ismaël verwekte (Gen.12:16-20; 16). Lot was niet bestand tegen zijn verlangen naar de rijkdommen van Egypte en verliet Abraham, waarna hij in velerlei verzoekingen kwam. ‘Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte’ (Gen.13 en 19). Elimelek en Noömi, ten slotte, kozen een eigen weg door naar Moab te gaan omdat er gebrek aan brood in het land was ontstaan. Dat bracht veel ellende teweeg in hun leven. ‘In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Betlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Noömi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Betlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. Toen stierf Elimelek, de man van Noömi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren.Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man’ (Ruth1:2-5).

Besluit

‘Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.’ Deze doxologie (lofprijzing) wordt niet gevonden in de oudste geschriften en ook niet in Lukas 11.  Wellicht gebruikte de vroegere kerk het als een afsluiting.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien’

Mattheüs 17

 

Inleiding

Toen de Heer Jezus voor de eerste keer zijn discipelen toevertrouwde dat hij naar Jeruzalem zou gaan om daar verworpen en gekruisigd te worden reageerde Petrus met de woorden: ‘Heer, dat zal u geenszins gebeuren!’ (Mat.16:22). Hoe goed bedoeld het ook geweest mag zijn het toont ons ook hoe weinig Petrus begreep van Wie de Heer Jezus was en wat het doel van zijn komst was. We lezen niet wat de reactie van de andere discipelen geweest is, maar hoogstwaarschijnlijk waren ze dezelfde mening toegedaan. Mogen wij Petrus’ reactie kwalijk nemen? Ik geloof van niet want de verwachting van de discipelen was gericht op een herstel van het koninkrijk van Israël en van de troon van David. Maar toch volgt op Petrus’ belijdenis een bestraffing van de Heer Jezus omdat hij niet de dingen van God bedacht, maar van de mensen (16:23). De Heer Jezus nam niet Petrus’ onwetendheid van de Schrift kwalijk ‘Want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan’ (Joh.20:9), maar zijn menselijke wijze van denken, want die willen immers altijd het lijden ontwijken. Aansluitend gaf de Heer Jezus de discipelen een les in zelfopoffering en een belofte. ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk’ (Mat.16:28).

Na zes dagen nam de Heer Jezus Petrus, Jacobus en zijn broer Johannes mee op een hoge berg en zagen zij zijn heerlijkheid. Over deze ervaring schreef Petrus later: ‘we waren ooggetuigen van zijn majesteit… en wij hoorden deze stem uit de hemel komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren’ (2Petr.1:16,18). Dus laten we maar eens kijken wat Petrus daar gezien en gehoord heeft en welke lessen wij daaraan kunnen ontlenen.

Het Koninkrijk komt

De belofte van de Heer Jezus dat sommigen de Zoon des mensen zullen zien komen in zijn koninkrijk werd werkelijkheid na zes dagen. Zou dat een heenwijzing kunnen zijn naar het komende Vrederijk? In ieder geval was Petrus ‘ooggetuige van zijn majesteit’ geweest (2Petr.1:16). Aan Petrus’ protest dat Jezus naar het kruis zou gaan om te sterven, lag zijn overtuiging ten grondslag dat de Koning niet verslagen zou worden maar de vijanden. ‘Zijn’ koning zou de vervallen troon van David weer herstellen en een tijd van voorspoed en zegen zou voor Israël aanbreken. Zo was het ook beschreven en voorzegt door de Oudtestamentische profeten en die gedachte leefde bij de discipelen en zo was het door de Heer Jezus beloofd (Mat.19:28).

De Heer Jezus ontkende dat ook niet en liet Petrus en de andere discipelen weten dat die profetieën ook eens werkelijkheid zouden worden en dat deed Hij door zijn verheerlijking op de berg. We zien hetzelfde in het boek Handelingen waar de discipelen de Heer vroegen of hij ‘in deze tijd het koninkrijk voor Israël zou herstellen’ (Hand.1:6). Ook daar lezen we niet dat de Heer die vraag ontkennend beantwoord, alleen het tijdstip is niet bekend. Let wel: het gaat over het herstel, niet over de oprichting van het koninkrijk. De vervallen tent van David zal weer opgericht worden wanneer de Heer Jezus zou terugkomen (Hand.15:16).

Een reden voor Petrus om zijn tweede brief te schrijven was dat er spotters waren die zeiden ‘Waar blijft de belofte van zijn komst?’ (2Petr.3:4). Maar Jezus komt want dat heeft Hijzelf beloofd! (Joh.14:3; Hand.1:1). Er komt een dag, en wie weet hoe gauw, dat er een stemmen uit de hemel zullen klinken die zeggen: ‘Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid’ (Op.11:15). Daarom het (profetisch) Woord is betrouwbaar en we doen er goed aan daarop acht te geven’ (2Petr.1:19).

Eerst lijden dan heerlijkheid

Het was niet gemakkelijk voor het volk om een goed beeld te krijgen hoe de komende Messias zich zou presenteren. In de ene profetie zag men een lijdende Messias, in de andere een machtige koning. Zouden er twee zijn, een lijdende en een heersende Messias? Of zou de een aan de ander vooraf gaan? Dat het een en dezelfde Persoon zou zijn was voor de mensen verborgen, maar werd later in het Nieuwe Testament geopenbaard. Wij weten nu dat lijden vooraf gaat aan de heerlijkheid en zo heeft Petrus het later ook begrepen zoals zijn beide brieven ons laten zien. In de eerste brief ligt de nadruk op het lijden, in de tweede staat meer de heerlijkheid op de voorgrond maar beiden horen bij elkaar. Was het niet de Geest die al eerder had getuigd van het lijden dat over Christus zou komen en van de heerlijkheid daarna? (1Petr.1:11). De Emmaüsgangers hadden het voorrecht van de Heer Jezus Zelf te horen hoe het in elkaar zat. ‘Moest de Christus dit niet lijden, en zo zijn heerlijkheid binnengaan? En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond’ (Luk.24:26,27).

Mozes en Elia die ook aanwezig waren met de Heer ‘spraken met Hem over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen’ (Luk.9:30,31). ‘Want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn’ (Luk.13:33,34). De uitgang (exodus) van de Heer Jezus moest plaatsvinden in Jeruzalem, in de stad van de Grote Koning! (Mat.5:35). Daar is Hij gekruisigd, gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. Daar in die stad zal Hij ook eenmaal wederkomen in heerlijkheid zoals we weten uit de Schrift. ‘Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de Here, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem’ (Zach.14:3-5). Ja, u leest het goed u zult daarbij zijn ‘wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd’ (2Thes.1:10).

De Koning in zijn verhoging

Hoofdstuk 16 speekt over de Koning in zijn vernedering (21-28), in hoofdstuk 17 zien we de Koning in zijn verhoging (1-8). Door zijn daden had de Heer Jezus al zijn heerlijkheid getoond (Joh.2:11) maar hier op de berg toonde de Heer Jezus zijn heerlijkheid in zijn Persoon. Het was een heerlijkheid die van binnenuit kwam, een heerlijkheid die voordien verborgen was doordat Hij Zichzelf ontledigd had en de gestalte van een slaaf had aangenomen (Fil.2:7). We lezen dat zijn gedaante werd veranderd, en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht (vs.2). Wat veel gelovigen hebben gevraagd en begeerd was werkelijkheid geworden voor de drie discipelen, Mozes en Elia. En wanneer Petrus dan het voorstel doet om voor ieder een tent te maken dan is voor God de tijd gekomen om voor iedereen duidelijk te maken dat de Heer Jezus niet op één lijn geplaatst kan worden met Mozes, Elia of wie dan ook! ‘Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb, hoort Hem’ (vs.5). Zo, had ook Petrus het gehoord verteld hij later: ‘Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam’ (2Petr.1:17).

Jesaja had al iets mogen ‘zien’ van de koning in zijn heerlijkheid want hij schrijft: ‘Mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien’ (Jes.6:5). En toen Jesaja, in opdracht van God, tot het volk moest zeggen: ‘Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen’ (Jes.6:9,10) ’dan zei hij dat ‘omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak’ (Joh.12:41).

Wanneer ‘de Heer, onze God, de Almachtige, zijn koningschap heeft aanvaard’ (Op19:6) dan zal het lied ‘k Zal eens mijn Heiland in heerlijkheid zien, schitt’rend in schoonheid en pracht’ werkelijkheid geworden zijn. Ik zie er in elk geval naar uit; u ook!

De krachten van de toekomende eeuw

Wanneer de Heer Jezus met de drie discipelen van de berg is afgedaald komt hij als het ware in een totaal andere werkelijkheid; een wereld waarin lijden een belangrijke plaats inneemt. Zien we in de verzen 1-8 de Vader en de Zoon op de berg in heerlijkheid, in de verzen 14-20 zien we een vader en zoon in een plaats van vernedering. De vraag of Elia niet eerst moet komen om alles te herstellen is terecht, zo staat het ook vermeld in het Oude Testament (Mal.4:5,6). Maar de Heer Jezus leert ze dat Elia al gekomen is in de persoon van Johannes de doper en als zij het willen aannemen, hij is de Elia die zou komen (Mat.11:14). Johannes, geboren uit Zacharia en Elisabeth, zou voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaders te doen terugkeren tot de kinderen (Luk.1:17). De Koning was aangekondigd door Johannes de doper maar ze hadden zijn getuigenis verworpen zoals ze dat ook met de Koning zouden doen.

Dat de Heer Jezus de beloofde Messias was mocht overduidelijk blijken uit zijn werken. Toen Johannes de doper in de gevangenis zat moesten zijn discipelen hem berichtten dat ‘blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd (Mat.11:4,5). Geen twijfel mogelijk zou je denken zodat zelfs Nicodemus, een Farizeeër een overste van de joden, moest erkennen ‘dat niemand deze tekenen kan doen, tenzij God met hem is’ (Joh.3:2). ‘Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofde zij niet in Hem’ en ‘die geloofden beleden Hem niet, opdat zij niet uit de synagoge werden gebannen’. (Joh.12:37,42). De (enige!) zoon van de vader uit de menigte werd genezen door de Heer Jezus, daar waar de discipelen faalden vanwege hun kleingeloof. Genezingen zijn in onze tijd nogal een ‘hot item’ en er is veel verwarring daarover. Tijdens de genezing van Petrus’ schoonmoeder zag Mattheüs daarin een vervulling van een tekst uit Jesaja 53: ‘Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen’ (Mat.8:17; Jes.53:4). Er zijn uitleggers die van mening zijn dat genezing in de verzoening begrepen is en dat elke gelovige zich ook nu daarop kan beroepen om genezing te ontvangen. Maar Mattheüs schreef dit toen de Heer Jezus hier op aarde was, niet op het kruis. Natuurlijk is het offer van de Heer Jezus op het kruis de basis voor elke zegening die we mogen genieten. Er komt een dag dat elke gelovige een nieuw lichaam zal ontvangen omdat de Heer Jezus daarvoor is gestorven, maar dat is niet voor nu en we kunnen dat nu ook niet ‘claimen’. In de Schrift is genezing een beeld van heil (Ps.103:3; Mat.9:1-8); toen Petrus Jesaja 53:4 aanhaalde, paste hij het op die wijze toe (1Petr.2:24). Er is wel op gewezen dat Jesaja 53 een chronologisch overzicht is van Jezus’ activiteiten hier op aarde.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 Genezing van een verlamde. 

Markus 2:1-12

 

Vergeving

 

Inleiding

De Heer Jezus won aan bekendheid en populariteit tijdens zijn optreden Galilea. Wanneer Hij in Kapernaüm kwam, zijn thuisbasis wanneer Hij in die streken was, verzamelden zich veel mensen bij het huis. De meesten van hen waren op sensatie belust, om te zien of Hij nog wonderen zou doen. Maar Hij sprak tot hen het woord waar ze echter minder aandacht voor hadden. Maar zijn bekendheid trok ook de aandacht van de farizeeën en schriftgeleerden die daar ook aanwezig waren. De Heer Jezus stelde hun niet teleur; Hij sprak tot hen het woord, genas een verlamde en gebruikte de gelegenheid om duidelijk te maken Wie Hij was doordat Hij zonden te vergaf. Dit maakte zo’n indruk op de aanwezigen dat ze, na deze gebeurtenissen, buiten zichzelf waren, God verheerlijkten en zeiden: Zoiets hebben wij nog nooit gezien! Laten wij ook de gebeurtenissen volgen en zien of ook wij tot diezelfde conclusie en reactie komen…

De Heer Jezus keek naar boven en zag de vier mannen.

‘Draag elkanders lasten, en zo zult u de wet van Christus vervullen’ (Gal.6:2)

Niet alle ziekte is een gevolg van de zonde (vgl. Joh.9:1-3, 11:4), maar in dit geval zou dat wel eens de reden kunnen zijn van zijn verlamming omdat de Heer Jezus tegen deze verlamde man zei: Kind, uw zonden worden, of zijn, u vergeven! Wat de achterliggende oorzaak ook geweest mag zijn, daar hadden zijn vrienden geen aandacht voor, zij waren bekommerd om de situatie waarin deze man zich bevond. Anders dan in Bethesda, waar een man lag die al achtendertig jaar wiek was en niemand had die hem hielp (Joh.5:7), had deze verlamde vier vrienden die zich om hem bekommerden. Deze vrienden waren ernstig bezorgd over de toestand van hun vriend en wilden hem daadwerkelijk helpen. Ze hadden het geloof dat Jezus kon en ook wilde helpen. Ze baden niet alleen voor deze man maar gaven hun gebed ‘handen en voeten.’ Ze lieten zich niet ontmoedigen door de omstandigheid dat er bij de deur geen plaats meer was door de grote menigte. Ze werkten samen. Ze durfden het aan om iets heel ongewoons te doen, nl. de dakbedekking weg te nemen. Komen wij met al onze noden en noden van anderen ook in zo’n geloof tot de Heer Jezus als deze vier mannen. ‘Jezus keek naar boven en zag hun geloof! Vergelijk eens Johannes 11 waar de zusters, Maria en Martha, bericht naar Jezus zonden omtrent de ziekte van hun broer Lazarus. Ook daar zien we bezorgdheid voor iemand die in grote nood was. Martha had daarvoor geloof want zei ze later tot de Heer Jezus: ‘Heer, als U hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn’ (vs. 21). Ik geloof dat ook wij de plicht hebben elkaars lasten te dragen om de wet van Christus te vervullen (Gal.6:2). We worden opgeroepen acht op elkaar te geven (Heb.10:24).

De Heer Jezus keek naar beneden en zag de verlamde man.

‘Looft de Here, mijn ziel, die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest. ’(Ps.103:13)

Wat de vier mannen en de verlamde zouden hebben verwacht gebeurde niet. In plaats dat de Heer Jezus de verlamde genas, zei Hij tegen hem dat zijn zonden vergeven waren! Daarvoor waren ze niet gekomen! Maar wat de mannen en de verlamde niet zagen, zag de Heer Jezus wel, de dieperliggende nood en mogelijk ook de achterliggende oorzaak van zijn verlamming. De genezing van de verlamde was een groot wonder, maar zoals elke genezing is het slechts een tijdelijke oplossing! De vergeving van zonde is een veel groter wonder want dat strekt zich uit tot in de eeuwigheid! Het komt tegemoet aan de grootste nood, het is betaald met de hoogste prijs en het schenkt de grootste zegen en heeft een eeuwig resultaat. Maar ik geloof dat er nog een andere reden was waarom de Heer Jezus zo handelde. Zowel bij de blinde in Johannes 9:1-3 als bij Lazarus in Johannes 11:1-5 moesten de werken van God openbaar worden ter wille van Diens heerlijkheid. Met andere woorden het was de Heer Jezus te doen opdat God verheerlijkt zou worden en dat gebeurde ook zoals we lezen in Markus 2:12, ‘Allen waren buiten zichzelf en verheerlijkten God!’ Maar ook de genezing bleef niet uit waarop de Heer Jezus de vraag stelde wat gemakkelijker was, zeggen ‘Uw zonden worden u vergeven?’ of ‘Sta op, neem uw rustbed op en loop?’

De Heer Jezus keek om zich heen en zag de farizeeën en de schriftgeleerden.

‘En zij hielden Hem nauwlettend in het oog met de bedoeling Hem op een woord te vangen en Hem dan over te leveren.’ (Luk.20:20)

De aanwezige farizeeën en wetgeleerden (Luk.5:17v.) waren niet slechts uit nieuwsgierigheid naar Kapernaüm gekomen maar vooral om te zien of ze Jezus ergens op konden betrappen dat tegen hun principes was. Hun hart was niet oprecht, ze probeerden de Heer Jezus te beschuldigen van iets wat verkeerd was in hun ogen! ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op Hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen’ (Luk.6:7). Wanneer ze iets vroegen was het vaak om Hem te verzoeken (Mat.22:35). Die vijandschap van de kant van de schriftgeleerden en de overpriesters liep in de loop van Jezus’ openbaar optreden zo hoog op dat ze naar een manier zochten om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor Hem, omdat heel de menigte versteld stond over Zijn onderricht (Mark.11:18). Het is dan ook te begrijpen waarom de Heer Jezus ze zo zwaar veroordeelde in zijn rede tegen de schriftgeleerden en farizeeën in Mattheüs 23! Diezelfde houding vinden we in hun handelen tegen de apostelen en het is dan ook niet verwonderlijk waarom Stéfanus spreekt van ‘Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u’ (Hand.7:51vv.). Ook de apostel Paulus ondervond veel tegenstand van de Joden (1Thes.2:14-16).

De Heer Jezus keek naar binnen en zag het hart

‘Jezus zelf vertrouwde Zichzelf hun niet toe… want Hij wist zelf, wat in de mens was.’ (Joh.2:25)

Als de Farizeeën en Schriftgeleerden hadden beseft wie de Heer Jezus was en als hun hart oprecht geïnteresseerd geweest was voor zijn boodschap, dan zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1Kor.2:8). Nee, ze beseften niet Wie het was die tot hen sprak, maar de Heer Jezus kende de gedachten van hun hart. ‘Graf en verderf liggen open voor de HEERE – hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen’ (Spr.15:11). Om duidelijk te maken Wie Hij was stelde Hij hun de vraag wat gemakkelijker was, tegen de verlamde zeggen ‘Uw zonden worden vergeven’ of ‘Neem uw rustbed op en leef’? Uiteraard was het eerste gemakkelijker dat het tweede, dus om aan te tonen dat de Heer Jezus macht had om zonden te vergeven deed Hij de verlamde lopen. Het was de Here die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest (Ps.103:3). De Heer Jezus noemt Zichzelf hier met de titel ‘Zoon des mensen’ wat een messiaanse titel was (Dan.7:13-14) en dat wordt zo’n zeventien keer in het Markus evangelie vermeld wordt. Maar hun hart is verduisterd en verhard en de farizeeërs en schriftgeleerden komen niet tot het besef Wie de Heer Jezus is. Dat is des te verwonderlijker omdat ze ijverige onderzoekers van de Schrift waren, maar tot Jezus wilden ze niet komen en dat was nu juist het probleem! (Joh.5:39). Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). Allen waren buiten zichzelf over de dingen gebeurd waren, behalve de farizeeën en schriftgeleerden… Een paar verzen verder, bij de roeping van Levi, vinden we ze weer en zeiden: Zie, Hij eet en drinkt met de tollenaars en zondaars… Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?’ (Jer.17:9).

Zie ook het onderwerp: Vergeving in de rubriek ‘Kleine Dogmatiek

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Onderlinge relaties

Markus 9-10

 

 

 

Inleiding

Bij het lezen van de evangeliën overkomt het iedereen wel eens, denk ik, dat je jezelf afvraagt waarom zo veel verschillende onderwerpen achter elkaar beschreven staan, schijnbaar zonder enige onderlinge samenhang. Omdat ik geleerd heb elk gedeelte van Gods Woord in zijn ‘context’ te lezen, probeer ik bij het lezen altijd een verbindende ‘schakel’ te vinden. Context wil zeggen: ‘het geheel waarin een onderdeel geplaatst is, de samenhang’.

Ook in de diverse perikopen van Markus 9:38 tot 10:16 heb ik dat geprobeerd en ik meen de verbindende schakel te hebben gevonden in het begrip ‘relaties’. Relaties tussen mensen onderling en tussen mensen en bezittingen. Er zijn meerdere redenen op te noemen waarom deze perikopen bij elkaar horen. Ten eerste bevinden ze zich tussen de tweede en derde aankondiging van het lijden van de Heer Jezus (Mark.9:30 en 10:32). Ten tweede heeft Markus 9:35 als onderwerp ‘wie de eerste wil zijn’ en dat vinden we weer terug in 10:31 met de woorden: ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’. Ten derde hebben alle gedeelten als centraal onderwerp: ‘onze relatie tot elkaar, de naaste, enz’. Ten vierde begint Markus 9:36 met een kind en eindigt Markus 10:13 ermee. Hoofdstuk 10:17-31 vormt een uitzondering omdat het daar gaat over onze relatie tot bezittingen.

De grootste onder de discipelen (9:33-37) - Houding ten opzichte van elkaar

‘En wees tegenover elkaar met nederigheid omgord’ (1Petr.5:5).

Nadat drie van de discipelen met de Heer op de berg der verheerlijking waren geweest en nadat de Heer Jezus voor de tweede keer met hen sprak over zijn lijden en sterven (Mark.8:31-33 en 9:30-32), lijkt het ons onwezenlijk dat de discipelen het er met elkaar over hadden ‘wie van hen de grootste zou zijn’. De Heer had gesproken over zijn heengaan en mogelijk kwam daardoor de gedachte bij de discipelen op wie dan de opvolger moest zijn. De wereldse filosofie is dat je 'groot' bent als anderen voor je werken, maar de boodschap van de Heer Jezus is dat groot-zijn zichtbaar wordt in het dienen van de ander. De Heer Jezus zegt in Mattheüs 23:11-12: ‘De grootste van u echter zal uw dienstknecht zijn. Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (vgl. Mark.10:43-44). Wat was toch ook alweer de sleuteltekst in dit evangelie? Juist, ‘Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen!’ (10:45). De Heer Jezus leert ons in Mattheüs 23 dat wij allen broeders zijn, en dat Hij de Meester is. Ware nederigheid betekent: zelfkennis, zelfacceptatie, je niet méér voordoen dan je bent, en jezelf geven aan de ander.

Wie niet tegen ons is… (9:38-41) - Houding ten opzichte van anderen

‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid, en in alles de liefde’.

‘Doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender  achten dan zichzelf’ (Fil.2:3). Er was wellicht jaloersheid in het hart van de discipelen omdat zij hadden gefaald in het uitdrijven van een stomme geest (Mark.9:18), terwijl anderen wel succes hadden. Deze anderen waren bovendien mensen die ‘ons niet volgen!’ (Mark.9:38). Een jaloezie die ook bij ons kan opkomen als we horen dat in andere gemeenten, kerkgenootschappen of zelfs werelddelen Gods Geest overduidelijk aan het werk is en schijnbaar niet bij ons.

Het antwoord van de Heer is duidelijk: ‘Wie niet tégen ons is, is vóór ons’. Met het oog op andere gelovigen zouden ook wij de raad van Gamaliël ter harte moeten nemen, die zei: ‘Blijft af van deze mensen en laat hen begaan; want als deze raad of dit werk uit mensen is, zal het verbroken worden. Als het echter uit God is, zult u hen niet kunnen verbreken, opdat u niet misschien ook strijders tegen God blijkt te zijn’ (Hand.5:34-39). Laten wij ons verheugen in de zegen die God schenkt, waar of hoe dat dan ook mag plaatsvinden. 'Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan' (Rom.14:4).

Verleiding tot zonde (9:42-50) - Houding ten opzichte van onszelf

'Onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf' (2Kor.13:5).

Leer en praktijk vallen in het christelijk geloof niet te scheiden. Vanaf het begin van ons christen-zijn moeten we ‘veranderen in ons denken’, zodat het nieuwe leven dat we in Christus ontvangen hebben tot volle ontplooiing kan komen, opdat wij in ‘nieuwheid van leven’ wandelen (Rom.6:5). Dat vergt een verandering van ons gehele mens-zijn. De vraag is hier dan ook of wij voor de ander een struikelblok of een zegen zijn. In dit gedeelte van Markus worden de hand (vgl. Ef.4:28 ‘Laat hij die een dief was, niet meer stelen’), de voet (vgl. Spr.1:15 ‘Mijn zoon, ga niet met hen - de zondaars - op weg; weerhoud uw voet van hun pad’) en het oog (vgl. Job31:1 ‘Ik had met mijn ogen een verbond gesloten’) genoemd. De zonde heeft gevolgen die ook na onze bekering niet zijn weggenomen. Tegenover de andere mens en/of gelovige moeten we mildheid tonen, maar naar onszelf toe is soms een radicale oplossing noodzakelijk. Ik bedoel niet dat we werkelijk onze hand of voet moeten afhakken of ons oog moeten uitrukken, maar we moeten aan onszelf werken in de kracht van de Heilige Geest opdat deze dingen geen aanleiding zouden zijn om te zondigen. We moeten leren onszelf te beoordelen en te veroordelen in datgene waar het fout zit in ons leven, het belijden en wegdoen (1Kor.11:28). Dat betekent niet slechts het verkeerde na te laten en te veroordelen, maar ook het goede te doen. Jakobus zegt in dit verband: ‘Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde’ (Jak.4:17). In Markus 9:42 lezen we dat ons handelen als gelovige, voor een ander een aanleiding kan zijn tot vallen.

Over echtscheiding (10:1-12) - Houding ten opzichte van de partner

‘Vrouwen, weest aan uw man onderdanig, mannen, hebt uw vrouw lief’ (Ef.5:22, 25).

Het is niet mijn bedoeling het onderwerp echtscheiding te bespreken, en in dit kort bestek is dat ook niet mogelijk. Dat was trouwens ook niet de bedoeling van de Farizeeën, het ging hen om de vraag: wat zijn de wettelijke mogelijkheden voor een scheiding? Deze vraag stond in verband met de uitleg van Deut.24:1-5. De wet van Mozes zegt niet dat overspel grond voor een scheiding was. De overspeler of overspeelster moest door steniging ter dood worden gebracht (Deut.22:22, Lev.20:10, Joh.8:1-11). Denk in dit verband eens aan David en Bathseba (2Sam.11-12; Ps.51). De Heer sluit de mogelijkheid van een scheiding niet uit maar zegt tot hen: ‘Om de hardheid van uw hart heeft hij u dit gebod geschreven’. Mattheüs voegt toe: ‘maar van den beginne is het zo niet geweest’ (Mat.19:8). De scheidbrief diende om de vrouw te beschermen, zodat men niet om allerlei onbenullige redenen zijn vrouw kon wegsturen. De woorden ‘om de hardheid van uw hart’ zijn veelzeggend! We worden in onze dagen overspoeld door echtscheidingen en ook gelovigen ontkomen er niet aan. Het is dan ook goed om eens na te denken over ons huwelijk en onszelf de vraag te stellen: Hoe is mijn verhouding tot mijn vrouw of man? Is mijn huwelijk een weerspiegeling van wat de Heer

Kinderen gezegend (10:13-16) - Houding ten opzichte van kinderen

‘Immers, kinderen behoren niet voor hun ouders te sparen, maar ouders voor hun kinderen’ (2Kor.12:14).

Eerst huwen, dan kinderen krijgen. De volgorde is logisch. Kinderen zijn afhankelijk van anderen, ze aanvaarden zichzelf zoals ze zijn, ze zijn zichzelf. Kinderen zijn hulpeloos, niet bij machte om zichzelf te redden, totaal afhankelijk van de genade en ontferming van God. Wat doen kinderen als ze zich verwonden of een probleempje hebben? Ze gaan ermee naar hun moeder of vader. Het onderwerp hier is onze verhouding tot de kinderen en vooral hun mogelijkheden om met God in contact te komen. We zullen waarschijnlijk allemaal tegen abortus zijn, maar er wordt in deze dagen ook veel 'geestelijke' abortus gepleegd doordat kinderen de omgang met de Heer Jezus wordt ontzegd! Brengen wij onze kinderen bij de Heer, of houden wij ze van de Heer af? Wat sparen wij voor de kinderen? Ik ga er niet van uit dat wat de apostel Paulus schrijft in 2Kor.12:14, over financiën gaat; dat blijkt wel uit het volgende vers, waar hij spreekt over ‘mijzelf opofferen voor uw zielen’. In hoever offeren wij, ouders, onszelf op voor onze kinderen? Ik stel deze vraag niet als een theoreticus vanuit een ivoren toren, maar als vader en grootvader van zeven kinderen en drieëntwintig kleinkinderen. Misschien kan het voorbeeld van Job hier tot hulp zijn: ‘Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job zijn kinderen en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd. Zo deed Job altoos weer.’ (Job1:5) Op die wijze bracht Job zijn kinderen tot God en wij mogen hem daarin navolgen door onze kinderen tot bij de Heer Jezus te brengen.

Materialisme (10:17-31) – Houding ten opzichte van je bezittingen

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is’ (1Joh.2:15).

De westerse wereld waarin wij leven is, in vergelijking met vele andere continenten en culturen, een zeer materialistische wereld. Ik ben in meer dan vierendertig landen en in verschillende continenten geweest en denk dat ik dat mag zeggen. Heeft de overvloed aan consumptiegoederen de mensen gelukkiger gemaakt? Zolang wij bezittingen hebben is er niets aan de hand, maar als de bezittingen ons ‘hebben’, gaat er van alles mis. In de gelijkenis van de zaaier zien we wat de gevolgen zijn wanneer ‘de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere’ een plaats krijgen in het hart en leven van een gelovige; het Woord wordt verstikt en onvruchtbaar (Mark.4:19). Een Bijbels voorbeeld vinden we in de persoon van Demas, van wie Paulus schrijft: ‘Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’ (2Tim.4:10). Materialisme is een sterk verlangen naar bezit en geld, maar bedenk dat ‘de wortel van alle kwaad de geldzucht is. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord’ (1Tim.6:10). De woorden van de discipelen: ‘wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd’, zijn een mogelijke reactie op wat de Heer Jezus eerder tegen de rijke man had gezegd: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij’ (Mark.10:21). Wat is uw reactie?

Het is goed om geld te hebben om allerlei dingen te kunnen kopen; maar zorg ervoor dat je de dingen die je niet met geld kunt kopen daardoor niet verliest!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX