Evangeliën

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

Inleiding op het evangelie naar Mattheüs

Mattheûs 5-21-26 – Een ieder beproeve zichzelf

Mattheüs 6 - Het Onze Vader

Mattheüs 14 – Storm op zee

Mattheüs 17 - Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien

Markus 9 en10 – Onderlinge verhoudingen

Lukas 2:36-38 - Misschien vandaag!

Lukas 2 - Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen

Lukas 3-4 – Kracht voor de reis

Lukas 5 – Vragen bij discipelschap

Lukas 13 - Genezing kromgebogen vrouw

Lukas 15 – Gelijkenis van de verloren zoon

Zeven tekenen in het Johannes evangelie

Johannes 11 – Vragend moeten wij vaak gaan

Johannes 14 - Waarvoor de Heer Jezus gekomen is

Johannes 15 - Worden als de Meester

Johannes 18 en 21 - Petrus tussen twee vuren

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

 

 

 

Inleiding op het evangelie naar Mattheüs

 

 

 

 

Geschreven door de discipel en apostel Mattheüs (zie 9:9; 10:3) tussen de jaren 45 en 70, mogelijk vanuit Palestina (of Antiochië?), waarschijnlijk aan Joodse christenen. Blijkens de openingswoorden is het Mattheüs erom te doen Jezus voor te stellen als de Messias, de Zoon van Abraham en de Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn? De Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk der hemelen op aarde aankondigt. Het is dus een passende overgang van het oude naar het nieuwe testament. Zevenmaal wordt de Here Jezus de ‘zoon van David’ genoemd: 1:1,9,27; 12:23; 15:22; 20:30; 21:9,42. Alleen in Mattheüs wordt gesproken over ‘het Koninkrijk des hemels’. Alleen in Mattheüs wordt over ‘de troon van zijn heerlijkheid gesproken (19:28; 25:31).

Overzicht:

1. In het oude testament wordt een komende Koning (Messias) beloofd (2Sam.7:12-14).

2. Tussen het oude en het nieuwe testament liggen de zgn. vierhonderd ‘stille’ jaren.

3. Dan wordt in het NT de Messias aangekondigd hetgeen blijkt uit verschillende gegevens in het Evangelie naar Mattheüs:

a. Zijn afkomst is uit het geslacht van David (1:1)

b. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)

c. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)

d. Johannes de Doper komt en kondigt het koninkrijk aan (3:1)

e. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5) en de stad van de grote Koning (5:35)

f. Vanaf hoofdstuk 5 tot 8 worden in de Bergrede de beginselen van het Koninkrijk aangekondigd

g. Uitzending van de discipelen gaan gepaard met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)

h. Het aangekondigde heil is in principe bestemd voor Israël (10:5; 15:34)

i. Verwerping van de Koning (principieel al geschied in de verwerping van Johannes de Doper (11:2; 14:1).

j. Verwerping wordt definitief in de hoofdstukken 12:22-32, 46 en 13:2.

k. Het Koninkrijk in verborgen vorm zoals vermeld in hoofdstuk 13

l. Daaropvolgend de aankondiging van de Gemeente (16:18)

m. Gelijk daaropvolgend de aankondiging van het lijden van de Heer Jezus (16:21)

n. Intocht in Jeruzalem (21:5), vervloeking van de vijgenboom (21:43) hetgeen de terzijdestelling van Israël aangeeft.

o. Weeklacht over Jeruzalem (23:37) een aansluitend de ‘rede over de laatste dingen’ (hfdst.24 en 25) de oordelen over Israël, Christenheid en de volkeren.

p. Tenslotte de definitieve verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)

q. De opstanding en de ‘grote opdracht’.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Mattheüs spreekt niet over zichzelf maar over Jezus Christus. Als het ware is dit evangelie een brug tussen het Oude- en Nieuwe testament, zoals het boek Handelingen dat is als overgang tussen de evangeliën en de rest van het Nieuwe Testament.

1. Mattheüs introduceert een nieuw boek.

Dat nieuw boek in het Nieuwe Testament. Mattheüs vormt daarvoor de ideale verbinding. Het boek Genesis is het oudtestamentische boek van de generaties (5:1) het geeft verslag van de ‘Adam familie’. Als je deze lijst leest dan valt op dat je iedere keer weer leest ‘en hij stierf’, daardoor illustreert het Oude Testament ‘dat het loon van de zonde de dood is’ (Rom.6:23). Maar als je het geslachtsregister in Mattheüs leest wordt de geboorte benadrukt en niet de dood! Het Nieuwe Testament heeft als boodschap dat ‘de gift van God het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heer’ (Rom.6:23). Het OT is het boek van de beloften, het NT van de vervullingen. Zijn geboorte in Bethlehem (Jes.7:14), Jezus in Egypte (Hos.11:1)). Mattheüs vermeldt 129 vermeldingen of verwijzingen naar het OT in zijn evangelie. Hij schreef hoofdzakelijk voor Joden om hen te laten zien dat Jezus de beloofde Messias was.

2. Mattheüs introduceert een nieuwe Koning.

3.  Mattheüs introduceert een nieuw volk.

I. De openbaring van de Koning (1 – 10)

-De persoon van de Koning (1 – 4)

-Zijn afstamming en geboorte (1 – 2)

Zoon van David (Mat.1:1) ‘Zie de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Jes.7:14). ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons gegeven…Groot zal de Heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David’ (Jes.9:5-6).

2. Zijn heraut (3)

‘Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Doper; maar de geringste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij’ (Mat.11:11). ‘En als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen’ (Mat.11:14 + Mal.4:5).

3. Zijn verzoeking en begin van Zijn dienst (4)

-De doop.

‘Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Mat.3:7). ‘Want wij hebben geen hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde’ (Heb.4:15).

4. De beginselen van de Koning (5 – 7)

-De Bergrede

‘Voorwaar, Ik zeg u, Want Ik zeg u, Maar Ik zeg u… Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen’ (Mat.5:17). Hoofdstuk 6 verhouding mens-mens, mens-God en mens tot zichzelf.

-De macht van de Koning (8 – 10)

‘Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doe dan Deze gedaan heeft?’ (Joh.7:31) ‘Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten?’ (Mat.11:3)

5. De opstand tegen de Koning (11 – 13)

-Zijn heraut verworpen (11:1-19)

‘Toen echter Herodes de viervorst door hem aan de kaak werd gesteld inzake Herodias, de vrouw van zijn broer, en inzake alle boze dingen die Herodes had gedaan, voegde hij bij dit alles ook dit dat hij Johannes in de gevangenis opsloot’ (Luk.3:19). ‘En de (scherprechter) ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis’ (Mark.6:27). ‘En zijn discipelen kwamen en namen het lichaam weg en begroeven het. En zij kwamen het Jezus berichten’ (Mat.14:12).

-Zijn werken ontkent (11:20-30)

‘Toen begon Hij de steden waar zijn meeste krachten waren gebeurd, te verwijten dat zij zich niet hadden bekeerd’ (Mat.11:20). ‘Komt allen tot Mij (11:28). Dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard’ (Mat.11:25).

-Zijn beginselen geweigerd (12:1-21)

‘Daarom is het geoorloofd op de sabbat goed te doen’ (Mat.12:12).

-Zijn persoon aangevallen (12:22-50)

‘Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de overste van de demonen’ (Mat.12:24). ‘Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen’ (Mat.27:42).

6. Dit voorgaande resulteert in de gelijkenissen van het Koninkrijk (13)

‘Tot hen die buiten zijn komt alles in gelijkenissen’ (Mark.4:11). ‘Al deze dingen sprak Jezus in gelijkenissen tot de menigten’ (Mat.13:34). ‘Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ (Mat.13:35).

7. De terugtrekking van de Koning (14-20)

-Vóór Petrus’ belijdenis (14:1-16:12)

-Petrus’ belijdenis: de gemeente (16:13-28)

‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mat.16:16). ‘Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen’ (Mat.16:18).

-Eerste vermelding van de kruisiging (16:21).

‘Van toen af begon Jezus zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden’ (Mat.16:21).

-Ná Petrus’ belijdenis (17-20)

-Tweede vermelding van de kruisiging (17:22-23)

-Derde vermelding van de kruisiging (20:17-19)

-Ná Petrus’ belijdenis

‘Om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht’ (Heb.12:2).

-Verheerlijking op de berg.

-Tweede vermelding van de kruisiging 

Uitbreiding van 1e aankondiging door de opstanding te vermelden. En op de derde dag zal Hij worden opgewekt (Mat.17:23).

-Derde vermelding van de kruisiging

Hier worden kruisigen, geselen en bespotting genoemd (Mat.20:19).

8. De verwerping van de Koning (21-27)

-Zijn openbare presentatie aan de Joden (21:1-16)

‘Zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier’ (Mat.21:5).

-Zijn conflict met de religieuze leiders (21:17-23:39).

Gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden (Mat.21:33-46).

-Zijn profetieën van het toekomstig Koninkrijk (24-25)

‘Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van uw komst? (Mat.24:4).

9. Zijn lijden en sterven (26-27)

‘Op het feest-niet op het feest’ (Mat.26:1,5). ‘Niet mijn wil, maar uw wil geschiedde’ (Mat.26:39).’Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ (Mat.27:46).

10. De opstanding van de Koning (28)

‘Hij is hier niet, want Hij is opgewekt’ (Mat.28:6; Hand.1:1-11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Storm op zee

Mattheüs 14:22-36

 

 

 

 

 

Ooit in een storm op zee geweest? Ik wel, en dat komt omdat ik in mijn jonge jaren zeeman ben geweest. Ik kan u verzekeren dat het geen pretje is dat mee te maken! En als een storm op zee geen pretje is, dan ook zeker geen ‘storm’ in je leven! Stormen zullen komen in ons leven, en we dienen daarop voorbereid te zijn, maar als je in een ‘storm’ terechtkomt kun je er zeker van zijn dat:

… Hij jou hier heeft gebracht.

Wanneer we de bijbel lezen, ontdekken we, dat er twee soorten stormen zijn: stormen waarin we ons zelf begeven en stormen waarin God ons zendt. Beide hebben een verschillend doel, de een om te corrigeren, de ander om ons te doen groeien in het geloof.

De storm vermeld in Mattheüs 14 kwam terwijl de discipelen de wil van God deden. Wist de Heer Jezus dat de storm kwam? Zeker! Stuurde Hij ze vrijwillig de storm in? Ja! Zij waren veiliger in de storm in de wil van God dan aan land buiten de wil van God. We moeten onze veiligheid nooit beoordelen alleen op grond van de omstandigheden. Jona was in een storm omdat hij God ongehoorzaam was en gecorrigeerd moest worden. De discipelen waren in een storm omdat zij Christus gehoorzaamden en moesten groeien in hun geestelijke ontwikkeling. Jezus had hen eerder op de proef gesteld, toen Hij met hen in de boot was (Mat.8:23-27). Maar nu stelde hij hen op de proef terwijl hij niet in de boot was. Veel gelovigen hebben de misvatting dat het blijven in de wil van God betekent dat er geen tegenslag zal zijn. Maar dat is niet waar. ‘In de wereld hebben jullie verdrukking,’ beloofde de Heer Jezus (Joh.16:33). Als we in een storm zijn omdat we de Heer gehoorzaamd hebben, moeten we bedenken dat Hij ons daar heeft gebracht en dat Hij voor ons kan zorgen.

… Hij bidt voor jou.

Deze gebeurtenis kunnen we zien als een beeld van de gemeente van God. Gods volk is op de zee (te midden van de volkeren), in het midden van een storm. De Heer Jezus is in de hemel ‘om voorbede voor ons te doen’ (Rom. 8:34). Hij zag de discipelen en kende hun moeite (Mark. 6:48), zoals Hij ook ons ziet en onze noden kent. Hij voelt de last die wij voelen en weet waar we doorheen gaan (Hebr. 4:14-16). Jezus bad voor de discipelen, dat hun geloof niet zou ophouden. Als ik wist dat de Heer Jezus in de kamer naast die van mij was, zou die gedachte geen nieuwe moed geven om vol te houden in de storm en Zijn wil te doen? Natuurlijk zou dat zo zijn. Hij is niet in de naaste kamer, maar Hij is in de hemel om voor ons tussenbeide te komen, terwijl de Geest in ons woont. Hij ziet je noden, Hij kent je angsten, en Hij heeft jouw situatie onder controle.

… Hij bij je is.

Soms voelen we ons in de steek gelaten door de Heer Jezus als we door moeilijke tijden gaan. In de Psalmen klaagt David dat God ver weg is en zich niet om hen bekommert. Toch weet hij dat God uiteindelijk zal redden. Zelfs de apostel Paulus kwam in een situatie zo moeilijk, dat hij ‘uitermate bezwaard was geworden, boven vermogen, zodat hij zelfs aan het leven wanhoopte’. Jezus komt altijd bij ons in de stormen van het leven. ‘Als gij door het water trekt, ben Ik met u’ (Jes. 43:2). Hij komt misschien niet op het moment dat wij verwachten, want Hij weet wanneer we Hem het meest nodig hebben. Hij wachtte tot het scheepje ver genoeg van de wal af was, zodat alle menselijke hoop vervlogen was. Hij beproefde de discipelen in hun geloof, en dat hield in, afzien van elke menselijke steun. Waarom wandelde Jezus op het water? Om zijn discipelen te laten zien dat wat zij vreesden (de zee) slechts een opstapje was zodat Hij kon komen. Vaak vrezen we de moeilijkheden van het leven (zoals een operatie of een sterfgeval), om alleen maar te ontdekken dat we daarna dat ervaringen de Heer Jezus dichter bij ons brengen. Waarom herkenden ze de Heer Jezus niet? Omdat ze niet naar Hem uitkeken. Hadden ze in geloof gewacht, dan zouden ze Hem onmiddellijk hebben herkend. In plaats daarvan hielden ze Hem voor een spook. Vrees en geloof kunnen niet samen gaan in ons leven, want vrees verblindt onze geloofsogen voor de aanwezigheid van de Heer.

… Hij jou wil helpen om te groeien.

Dat was mogelijk de eigenlijke bedoeling van de storm, opdat de discipelen zouden groeien in hun geloof. Hoe dan ook, er zou een dag komen dat de Heer Jezus hen zou verlaten, en ze veel stormen zouden moeten doorstaan in zijn dienst. Ze moesten leren op Hem te vertrouwen, ook al was Hij niet lichamelijk aanwezig, of als het leek dat Hij niet ingreep.

Nu wordt onze aandacht verplaatst naar Petrus. Voordat we hem bekritiseren dat hij zinkt, laten we hem eren voor dit groot voorbeeld van geloof. Hij durfde anders te zijn. Iedereen kan in de boot zitten en wachten. Maar het vergt bij iemand echt geloof om de boot te verlaten en op het water te wandelen. Wat was de oorzaak dat Petrus begon te zinken? Zijn geloof begon te wankelen omdat hij zijn ogen niet meer op de Heer gericht hield en op de omstandigheden zag. ‘Waarom heb je getwijfeld?’ vroeg Jezus hem (Mat.14:31). Petrus begon met groot geloof maar eindigde met een klein geloof omdat hij, twee mogelijkheden zag in plaats van één. Wel moeten we Petrus prijzen omdat hij terwijl hij zonk, schreeuwde om hulp van de Heer. Hij begon te roepen toen ‘hij begon te zinken’, en niet toen hij al verdronken was. Misschien kwam deze gebeurtenis in Petrus’ gedachten toen hij zijn eerste brief schreef: ‘want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeken’ (1 Petr.3:12). Deze ervaring was moeilijk voor Petrus, maar het hielp hem om te groeien in het kennen van zichzelf en van de Heer.

De stormen van het leven zijn niet gemakkelijk, maar zijn noodzakelijk. Zij leren ons om alleen op de Heer te vertrouwen en zijn woord te gehoorzamen, wat de omstandigheden ook mogen zijn.

Hij jou er door brengt.

Als Jezus zegt ‘Kom!’, dan zegt Hij dat om door dat woord zijn bedoeling te voltooien. Omdat Hij ‘de overste leidsman en voleinder van ons geloof is’ (Hebr. 12:2), zal Hij waar Hij mee begint ook voleindigen. Wij mogen onderweg falen, maar uiteindelijk komt God tot zijn doel. Petrus en de Heer Jezus wandelden samen naar het schip. Petrus’ ervaring was een zegen voor de andere discipelen en ook voor zichzelf. Toen ze de kracht van de Heer Jezus zagen doordat hij de storm overwon en de zee tot kalmte kwam, konden ze alleen maar op hun knieën vallen en Hem aanbidden. Toen Jezus de eerste storm stilde (Mat.8:23-27), zeiden de discipelen: ‘Wat voor Iemand is Deze?’. Maar nu was hun getuigenis duidelijk: ‘Werkelijk, U bent Gods Zoon!’

De discipelen hadden geholpen om 5000 mensen te voeden, en God liet het toe dat ze door een storm gingen. In het boek Handelingen (4:4), wonnen ze 5000 mensen en toen begon de storm van vervolging. Zonder twijfel herinnerden de discipelen zich hun stormervaring met de Heer en vatten moed. Dit wonder verheerlijkt het koningschap van Jezus Christus. Petrus wist dat de Heer Jezus Koning van de schepping was, incluis de wind en de golven. Zijn woord is wet en de elementen moeten Hem gehoorzamen. We zouden het voorbeeld van de discipelen moeten navolgen, aan zijn voeten buigen, en erkennen dat Hij de Koning der koningen en de Heer der heren is!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

Een ieder beproeve zichzelf

Mattheüs 5:21-26

 

 

 

‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant betaald hebt’ (HSV).

Inleiding

Studies over het avondmaal gaan vaak voorbij aan het gegeven van de gemeenschap die die gelovigen met God hebben en de onderlinge gemeenschap van de gelovigen met elkaar. Die gemeenschap komt tot uitdrukking aan de tafel van de Heer in het breken van het brood en het drinken van de wijn: ‘De drinkbeker der dankzegging, die wij met dankzegging zegenen, is die niet de gemeenschap met het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn, één lichaam, want wij allen hebben deel aan het ene brood’ (1 Kor.10:16-17). In veel gemeenten wordt de eigen persoonlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot deelname aan het avondmaal sterk benadrukt en de gezamenlijke verwaarloosd.  Evangelische gemeenten kennen in het algemeen geen collectieve schuldbelijdenis in de samenkomst. Zij gaan ervan uit dat de gelovigen zich geestelijk op de bijeenkomst hebben voorbereid, zichzelf ‘beproefd’ hebben, om met 1 Kor.11:28,31 te spreken, en eventuele geschillen met medegelovigen uit de weg te hebben geruimd, in de geest van Mat.5:23v. Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

‘Ben ik mijns broeder hoeder?’

Zoals gezegd is de ene kant van de zaak dat een ieder voor zijn eigen oordeel aan het avondmaal zit, maar wil dat zeggen dat iedereen altijd en onder alle omstandigheden daaraan kan deelnemen? Het onderwijs van de Heer Jezus kan ons hierbij tot hulp zijn wanneer hij zegt: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave’ (Math.5:22). Toegegeven, het gaat hier niet over het avondmaal maar mogen of moeten wij de principes die gelden in het naderen tot God in het Oude Testament niet nakomen in het Nieuwe Testament? Trouwens ook wij hebben een altaar, waarvan zij die de tabernakel dienen, geen recht hebben te eten. (Heb.13:10). Ook wij brengen offers als priesters, dus laten wij ook tot God naderen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag. Immers, onze God is een verterend vuur. (Heb.12:28-29; 13:15-16). Als het naderen tot God in het Oude Testament al als zo’n serieuze zaak werd beschouwd hoeveel te meer nu voor ons gelovigen die een veel dieper inzicht van God (kunnen) hebben dan de oudtestamentische gelovigen! God zou nooit een offer accepteren wanneer iemand zijn broeder slecht behandeld had en zich niet verzoend had. In het Oude Testament accepteerde God alleen offers van hen die een rein hart ten opzichte van Hem en zijn naaste had. (Gen.4:4-7; Spr.15:8; Jes.1:10-15; Jer.6:20; Am.5:21-24).

De Didache (volledige titel - De leer van de Heer aan de volken door middel van de twaalf apostelen) geeft een heel vroege vorm (1e. of 2e. eeuw?) van een kerkorde in twee delen met een slotsom. In verband met het avondmaal luidt het daarin als volgt: ‘Op de dag des Heren zult u samenkomen, het brood breken en dankzeggen na openlijk uw zonden beleden te hebben, opdat uw offer rein mag zijn. Niemand die een geschil met zijn vriend heeft, moet met u samenkomen zolang ze niet verzoend zijn opdat uw offers niet ontwijd wordt. Dit is toch wat de Heer hierover heeft gezegd: ‘Op elke plaats en tijd moet men Mij een rein offer brengen omdat Ik een groot Koning ben, zegt de Heer, en mijn naam wonderbaarlijk is onder de heidenen’.

Wie in toorn leeft met zijn broeder en hem de vreselijkste scheldwoorden naar het hoofd slingert, staat net zo goed schuldig als iemand die uit wraak zijn naaste doodt. De woorden die de Heer hier gebruikt: leeghoofd, dwaas, hebben in het spraakgebruik van toen een veel venijniger inhoud dan die wij er nu aan toekennen. Hoe vaak gebeurt het niet dat Christenen in onmin met elkaar leven, en toch maar vrolijk in het zelfde gebouw samenkomen om God te ontmoeten. En dan maar, alsof er geen stofje aan de lucht is, lofliederen ter eer van God zingen. Dat is geen waar Christendom. God moet dat oordelen. Als onze broeder iets tegen ons heeft moeten we ons eerst met hem verzoenen voordat we met onze ‘offeranden’ voor God kunnen verschijnen. Hieruit blijkt dat de bergrede van de Heer niet een nieuwtestamentische wet is om het leven te verwerven, maar dat ze het gedrag aangeeft waardoor volgelingen van de Heer Jezus gekenmerkt moeten worden. En als we deze vergevingsgezindheid niet kennen en haat koesteren tegen een familielid, een buurman, of iemand op ons werk, dan blijkt daaruit dat we zelf de genade van God, die ons alle zonden wil vergeven als we met berouw tot Hem komen, nog niet kennen. En dan is dit voorschrift van de Heer voor zo iemand een oproep om zich te bekeren en met zijn zonden tot het kruis van Golgotha te gaan. Dan pas kan men in de kracht van God de minste zijn en de naaste vergeven en vriendelijk jegens hem zijn.

Ik naar hem/haar of hij/zij naar mij?

‘Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft. Maar als u niet vergeeft, zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven’ (Mk11:24-26).

Dit is een van de lessen die de Heer Jezus heeft gegeven over gebed. Bidden dienen de we te doen in overeenstemming naar de wil van God (1 Joh.5:14-15). We dienen in Hem te blijven en zijn woorden in ons, dan mogen we bidden en het zal gebeuren (Joh.15:7). Gebed is niet gelijk aan een schakelaar die we aan en uit kunnen zetten wanneer er zich een probleem voordoet. Gebed moet deel uitmaken van je blijvende gemeenschap met God. De verhoring van ons gebed is ook niet afhankelijk van onze houding staand, liggend of met opgeheven handen, de houding van ons hart is bepalend. Echt gebed houdt geloof in maar ook vergeving. De gelovige dient in gemeenschap met God en zijn broeders en/of zusters te zijn als God de gebeden wil verhoren (Math.5:21-26; 6:14-15; 18:15-35). Uit onze bereidheid tot vergeving blijkt dat ons hart oprecht voor God is, en dat we ons onderwerpen aan zijn wil, en dat maakt het voor God mogelijk om ons gebed te verhoren (Ps.66:18). Geloof werkt door liefde (Gal.5:6). Wanneer ik geloof in God heb, dan zal ik ook liefde voor mijn broeder en/of zuster hebben en bereid zijn te vergeven en dan hoeft de vraag: ‘Ik naar hem/haar of hij/zij naar mij?’ ook niet door mij beantwoord te worden. Als die gezindheid in u is die ook in Christus Jezus was (Fil.2:5) hoeft het voor niemand moeilijk te zijn om te zeggen: ‘Vader, vergeef hen!’ (Luk.23:34). In Mattheüs ging het over ‘dat uw broeder iets tegen u heeft’ en in Markus ‘als u tegen iemand iets hebt’ in beide gevallen dient er verzoening tot stand te komen. ‘Wees op uw hoede. Als nu uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem.En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal per dag naar u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, dan zult u hem vergeven’ (Luk.17:3-4).

En wat als er geen verzoening plaatsvindt?

Heeft de Gemeente een opdracht te vervullen als er geen verzoening komt tussen twee gelovigen? Kan de Gemeente toelaten dat wanneer twee gelovigen openlijk in onmin met elkaar leven toelaten zijn zij ‘onbeproefd’ aan het avondmaal deelnemen? Mag de Gemeente de toegang tot het avondmaal weigeren in zo’n situatie? Dient de Gemeente geen actie te ondernemen ter bescherming van zulke gelovigen opdat zij niet onder het oordeel van God vallen? (1 Kor.11:29). Dient de Gemeente geen toezicht te houden over de tafel van de Heer en de heiligheid van God of doen we of onze neus bloedt en laten we alles maar op zijn beloop? Heeft de Gemeente niet het gezag in geval van grove zonde iemand uit hun midden weg te doen die niet in oprechtheid en in waarheid deelneemt aan ons ‘Pascha’? (1 Kor.5:2; 12-13). Vragen die ik graag ter beantwoording aan u voorleg.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Het Onze Vader

Mattheüs 6:9-13 

 

 

 

Inleiding

Dat het gebed een essentieel onderdeel van het geestelijk leven dient uit te maken, blijkt wel uit de woorden van de Heer Jezus tegen de discipelen wanneer hij zegt: ‘dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden (Luk.18:1; Ps.109:4). Dat bidden niet tot de gemakkelijkste zaken van een gelovige behoort, blijkt wel uit de vraag die de discipelen aan de Heer Jezus stellen: ‘Heer, leer ons bidden’ (Luk.11:1). Het ‘Onze Vader’ kan ons daarin wellicht tot hulp zijn. Het is echter geen gebed dat we zonder nadenken moeten nazeggen, daarvoor is de inhoud ervan veel te diep, zoals we zullen zien.

Het gedeelte dat we voor onze aandacht hebben vinden we in Mattheüs 6, waarvan de eerste achttien verzen in drie gedeelten zijn te verdelen naar aanleiding van het drievoudig ‘Voorwaar’ in 6:3, 5 en 16. De verzen in Mattheüs 6:1-4 heeft de liefdadigheid als onderwerp, de verzen 5-15 gaan over het bidden (het onderwerp waarover wij willen nadenken), en de verzen 16-18 gaan over het vasten. Het ‘Onze Vader’ bevat naast de inleiding van het gebed, zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken hebben met de noden van hen die bidden.

Voordat het ‘Onze Vader’ wordt voorgesteld, leert de Heer Jezus hoe we dienen te bidden, niet zoals de huichelaars, want die bidden om zich aan de mensen te vertonen, maar bidt in het verborgene, de binnenkamer. Dit betekent niet dat de Heer bidden in het openbaar verbiedt, maar daar dienen we er ook voor te waken dat bidden geen ‘preken’ wordt. Zoals ook het vervolg duidelijk maakt, niet door de veelheid van woorden, want uw Vader weet wat u nodig hebt voordat u het Hem vraagt. De heidenen dachten dat ze om de veelheid van woorden verhoord zouden worden, maar dat bleek geen garantie te zijn (Hand.19:34; vgl. 1Kon.18:25-29). Het is dan ook niet gewenst het ‘Onze Vader’ gedachteloos na spreken en te herhalen, zoals vaak gebeurt op allerlei gelegenheden. Het is meer bedoeld als een model opdat we niet op dezelfde wijze  zouden bidden als de volken. Waarom bidden? Omdat God gebeden (gevraagd) wil worden, waarvan de Bijbel op meerdere plaatsen getuigenis geeft. Het ‘Onze Vader’ is dan ook een geweldig voorbeeld van een gebed bestaande uit weinig woorden, maar met grote diepgang.

1. Onze Vader die in de hemelen bent. (Relatie)

Dat dit gebed niet voor iedereen bedoeld is blijkt wel uit de eerste twee woorden: ‘Onze Vader’. Het gaat daar over een Vader die de ‘onze’ genoemd wordt. Alleen een kind kan zeggen ‘vader’, ook in de geestelijke betekenis. Het woordje ‘Vader’ veronderstelt geestelijke verwantschap. De eerste vraag die we dan ook dienen te beantwoorden is: ‘Ben ik een kind van dé Vader’ en als u dat niet bent kunt u zich afvragen: ‘Hoe kan ik dan een kind van de Vader worden’? Het gaat in deze beginwoorden heel duidelijk over een relatie of verwantschap. De Bijbel laat ons niet in onzekerheid hoe een mens een kind van God kan worden. De apostel Johannes zegt in het Evangelie: ‘Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn’ (Joh.1:12-13).

Maar er is meer dan het komen in een relatie met God, als Vader. Na het tot stand komen van deze verticale verbinding door het geloof in het volbrachte offer van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha, is er ook een horizontale relatie ontstaan, namelijk met de andere kinderen van de Vader, onze broeders en zusters. Deze relatie blijkt wel uit het woordje ‘Onze’, dat een gezamenlijke afkomst veronderstelt. In Johannes 20:17 wordt deze al aangekondigd door de Heer Jezus wanneer Hij tot Maria Magdalena zegt: ‘Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ (Joh.20:17).

De apostel Petrus spreekt over een ‘broederschap’. ‘Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.’ (1Petr.2:17) Op meerdere plaatsen spreekt het Nieuwe Testament over de gelovigen die tot de Gemeente behoren, als een lichaam. ‘Zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander’ (Rom.12:5). 

Het ‘Onze Vader’ bevat zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken met de noden van hen die bidden.

2. Moge uw naam worden geheiligd. (Eerbied)

Ook al zijn wij, door het geloof, een kind van God, dan wil dat nog niet zeggen dat er geen ontzag meer nodig is als we tot God naderen. We dienen altijd te blijven gedenken ‘dat God in de hemel is en wij op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn en wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken’ (Pred.5:1). ‘Heiligt de Christus in uw harten als Here’, leert ons Petrus (1Petr.3:15). We moeten dus weten wat ‘geheiligd’ of ‘heiligen’ in de Bijbelse zin betekent. Heilig of heiligen betekent ‘afzonderen’ of ‘afgezonderd’; apart gesteld. We komen de idee van apart stellen al tegen in het eerste Bijbelboek: ’En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht’ (Gen.2:3). In die zin kan Petrus het bedoeld hebben wanneer hij zegt: ‘Heiligt de Christus in uw harten’, geeft de Heer Jezus (God) een aparte plaats in uw hart en leven. Al in het Oude Testament zien we dat de Israëlieten een afgezonderd volk waren, gewijd aan God en zijn dienst (Num.16:9; vgl. 1Petr.2:9).

Maar ook God Zelf is de Heilige, afgezonderd van alle andere ‘goden’. ‘Zo zegt de HERE, de Koning en Verlosser van Israël, de HERE der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God’ (Jes.44:6). ‘Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige’ (Jes.40:25). De hemel is Gods heilige plaats, waar Hij woont, omringd door zijn heilige engelen. De serafs in het roepingsvisioen roepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol (Jes.6:1-3).  Dus wanneer wij in gebed tot God naderen, laten wij dan God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag’ (Hebr.12:28). Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken (Ex.20:7). De Herziene Statenvertaling voegt als noot toe: ijdel gebruiken - d.w.z. onnodig en ondoordacht gebruiken, misbruiken.

3. Moge uw koninkrijk komen. (Verlangen)

Veel gelovigen die vermeld zijn in de Evangeliën hebben uitgekeken naar de komst van het Koninkrijk en/of de Messias. We denken maar aan Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte (Mark.15:43), of Anna en vele anderen, die de verlossing van Jeruzalem verwachtten (Luk.2:38), of de Samaritaanse vrouw, die wist dat de Messias zou komen (Joh.4:25). Voor hen betekende deze verwachting wellicht de bevrijding van het Romeinse juk en het herstel van het koninkrijk van Israël, maar ik geloof dat in het ‘Onze Vader’ er nog iets anders mee bedoeld wordt, namelijk een betekenis voor vandaag, maar ook voor de (nabije) toekomst. In Johannes 18:36 zegt de Heer Jezus: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, wat duidt op een andere invulling dan een zichtbaar koninkrijk voor Israël. Dit wordt nog duidelijker wanneer we lezen ‘Want zie, het koninkrijk van God is midden onder u’ (Luk.17:21). Dat zou kunnen duiden op de verwerkelijking van de normen van het koninkrijk in onze harten, terwijl de Koning nog afwezig is. Markus 10:41-45 geeft ons daar een impressie van: ‘Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zó is het echter onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.’ Tot aan de komst van de Koning mogen wij dat koninkrijk al gestalte geven in ons leven, denk daaraan wanneer u bidt: ‘Moge uw koninkrijk komen’.

4. Moge uw wil gebeuren, zoals in de hemel, zo ook op aarde. (Vervulling)

Moge uw wil gebeuren, zoals in de hemel. Hoe Gods wil gedaan wordt in de hemel, daarvan vinden we een beschrijving in de Psalmen: ‘De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles. Looft de HERE, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord. Looft de HERE, al zijn heerscharen, gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt. Looft de HERE, al zijn werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof de HERE, mijn ziel’ (Ps.103:19-22). God heerst over alles, zijn engelen doen wat Hij zegt, gehoorzaam aan het Woord dat Hij spreekt, zijn dienaren doen wat Hem behaagt. Zó zou het ook op aarde moeten zijn bij zijn dienaren, bij ons. Dat is wat je eigenlijk bidt, vraagt als je het Onze Vader uitspreekt. Iemand heeft eens gezegd: ‘Bidden is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar dat Gods wil op aarde geschiedt.’

Dit brengt ons bij de vraag: ‘Hoe weet ik wat Gods wil is?’ In de brief aan de Efeziërs worden de gelovigen opgeroepen ‘om te verstaan wat de wil van de Heer is’ (Ef5:17). Het gaat er dan wel over de geopenbaarde wil van God die we in de Bijbel kunnen ontdekken. ‘De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons’ (Deut.29:29). Het kennen, ontdekken van Gods wil, dient er toe te leiden dat we die ook uitvoeren, zoals bij zijn engelen en dienaren in de hemel. Dat is wat de apostel de gelovigen in Kolosse probeert duidelijk te maken wanneer hij hun schrijft: ‘Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God’ (Kol.1:9-10). Het doen van Gods wil zou een voorrecht voor ons moeten zijn, geen verplichting of last. De Heer Jezus zegt: ‘dat we moeten leren onderhouden (doen) alles wat Hij geboden heeft’ (Mat.28:19).

Alleen de Heer Jezus heeft Gods wil op aarde volledig tot uitdrukking gebracht, het was Zijn voedsel dat Hij de wil deed van Hem die Hem gezonden had en dat Hij zijn werk volbracht  (Joh.4:34). Hij had lust om Gods wil te doen, Gods wet was in zijn binnenste (Ps.40:9). Die bereidheid, die overgave om de wil van God te doen bracht Hem naar Golgotha, en in de hof van Gethsémané bevestigt Hij nogmaals zijn bereidheid wanneer Hij zegt: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.’ (Mat.26:39). En wat waren de gevolgen van die bereidheid om Gods wil te volbrengen? De brief aan de Hebreeën zegt: ‘Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd’ (Heb.10:10).

Het ‘Onze Vader’ bevat zes vragen, de eerste drie hebben betrekking op de dingen die God aangaan, de laatste drie hebben te maken met de noden van hen die bidden.

5. Geef ons heden ons toereikend brood. (Heden)

Dit lijkt ons, in het rijke Europa, misschien een overbodig gedeelte van het Onze Vader, maar in veel andere landen in de wereld ligt dat heel wat anders, zoals ik uit eigen ervaring mag weten. Tijdens een reis naar Cuba in 2008 raakte ik in één maand zes kilo gewicht kwijt door gebrek aan voldoende voeding! Dan wil je wel bidden: ‘Geef mij heden het toereikend brood!’ In veel landen op het Afrikaans continent horen we met regelmaat van hongersnoden en allerlei tekorten aan noodzakelijke levensmiddelen en water. En dat terwijl er in België per persoon jaarlijks 314 tot 372 kilogram nog perfect eetbaar voedsel wordt weggegooid (gegevens over 2012).  In Nederland zal het wel niet veel anders zijn. De apostel Paulus schrijft aan Timotheüs: ‘Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn’ (1Tim.6:8). De Heer Jezus zegt ons dat we ons niet bezorgd moeten maken wat we eten en waarmee we ons zouden kleden, want naar al die dingen zoeken de volken, maar dat we eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid moeten zoeken (Mat.6:31-34). De keuze die Salomo heeft gemaakt mag ons tot voorbeeld en bemoediging zijn bij het maken van keuzes. Toen hem gevraagd werd door de Here: ‘Wat zal ik u geven?’, was Salomo’s antwoord: ‘Geef dan uw knecht een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte’. Het antwoord van de Here bleef niet uit: ‘Ik geef u een wijs en verstandig hart… en ook wat gij niet gevraagd hebt, geef Ik u’ (1Kon.3:5, 9, 12). Salomo had voorrang gegeven aan Gods belangen en kreeg al het andere erbij.

‘Geef ons heden ons toereikend brood!’ Maar er is meer dan het voedsel dat bestemd is om ons lichaam in stand te houden, ook ons geestelijk leven dient gevoed te worden. ‘Want niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door de mond van God uitgaat’ (Mat.4:4; Deut.8:3). Ik denk dat we niet gauw een maaltijd zullen overslaan, maar hoe staat het met ons geestelijk voedsel, slaan we dat wel over? Is dat zo belangrijk zult u denken? Wel, we zijn door dat Woord van God, het onvergankelijk zaad, tot wedergeboorte gekomen. Om te groeien in ons geestelijk leven hebben we voedsel nodig, wat kan dat anders zijn dan het Woord van God? (1Petr.1:23, 2:2) En wat te denken van Gods Woord voor leiding in het leven? In Psalm 43 wordt de wens uitgesproken om leiding op weg naar Gods heilige berg, met de woorden: ‘Zend uw licht en uw waarheid; mogen die mij geleiden, mij brengen naar uw heilige berg en naar uw woningen, zodat ik kan gaan tot Gods altaar, tot de God mijner jubelende vreugde, en U love met de citer, o God, mijn God!’ (Ps.43:3-4). Als we niet voldoende ‘eten’, kan het wel eens zijn dat we in een situatie komen waarin de profeet Elia zich bevond en waarin we aangemaand worden om te eten want anders zou de reis voor ons te ver kunnen zijn (1Kon.19:7). ‘Jezus riep zijn discipelen tot Zich en zeide: Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten. En zonder voedsel wegzenden wil Ik hen niet, zij mochten eens onderweg bezwijken’ (Mat.5:32). Als ik terugzie op mijn leven als gelovige, meen ik te mogen stellen dat veel broeders en zusters ‘onderweg’ zijn bezweken door gebrek aan voeding. De Heer Jezus zegt: ‘Ik ben het brood des levens’, laten we ons met Hem voeden.

6. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren hebben vergeven. (Verleden)

Dit gedeelte gaat over de bereidheid om te vergeven. Wij vragen vergeving van God nadat – of zoals - wij onze schuldenaren hebben vergeven. ‘Zoals’ kan ook duiden op de wijze van vergeving. Dezelfde volgorde en de wijze waarop vinden we ook in de brief aan de Kolossers: ‘…elkaar vergevend, als de één tegen de ander een verwijt heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo ook u’ (Kol.3:12). In het Onze Vader gaat het over de bereidheid om te vergeven: ‘Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven’ (Matt.6:14). De vergeving die wij van God ontvangen wordt hier als voorwaardelijk gesteld! Dat de bereidheid tot vergeving zo benadrukt wordt in Gods Woord en dat het gerelateerd wordt aan onze verhouding met en tot God moet ons de belangrijkheid doen inzien. De Heer Jezus wijdt er zelfs een gelijkenis aan in Mattheüs 18:21-35, die besluit met de woorden: ‘Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u? En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben. Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft’ (Ef.4:32). ‘En wanneer u staat te bidden, vergeeft als u iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft’ (Mark.11:25). Zoals we hebben gezien is de bereidheid tot vergeving van fundamentele aard in onderlinge relaties. Zonder die bereidheid is geestelijke groei niet mogelijk en kunnen we geblokkeerd of verbitterd worden.

Niet alleen de bereidheid tot vergeving dient er te zijn in het leven van een gelovige, maar ook wij dienen onze zonden te belijden, want er is geen mens die niet zondigt (1Kon.8:46). Zonde belijden, vergeving ontvangen, dat is de volgorde! ‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming’ (Spr.28:13). Het kan gebeuren dat wij in een houding geraken van die farizeeër die zei: ‘O, God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen’ en dat we onze eigen zonden niet meer zien (Luk.18:11). Het is zelfs mogelijk dat wij onze eigen foute beslissingen vergeten, maar onze beslissingen zullen ons niet vergeten. Het is mogelijk dat wij onze tekortkomingen, ‘de balk in ons eigen oog’, zelfs niet zien en dat wij er door een ander op attent gemaakt moeten worden (Luk.6:41; 7:44-46). Het is mogelijk dat wij een verkeerd beeld hebben van wat zonde is. Paulus roept ons op ons te reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest (2Kor.7:1). We vinden in de verloren zoon de ‘bevlekking van het vlees’ en bij zijn broer de ‘bevlekking van de geest’. Het ene valt meer op dan het andere, maar beide zijn even erg. De schriftgeleerden en Farizeeën zijn uitstekende representanten van de laatste groep (Mat.23:27-28).

Voor alle duidelijkheid moet gezegd worden dat hier niet bedoeld is dat we vergeving slechts kunnen verkrijgen van God als we de zonden van anderen vergeven. Dat zou betekenen dat we onze vergeving kunnen ‘verdienen’ door anderen te vergeven. Nee, het gaat erom dat wij, onder de indruk van Gods vergeving van onze zonden, dezelfde gezindheid vertonen naar onze schuldenaars. Dit wordt duidelijk gemaakt in de verzen 14-15.

7. Leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. (Toekomst)

Het is volgens Jakobus niet mogelijk dat wij door God verzocht worden, daarom is de betekenis van het woordje verzoeking beter te vertalen met beproeving of test zoals meerdere vertalingen dat ook doen (Jak.1:2).

Het ‘leid ons’ geeft aan dat we iemand laten voorgaan. ‘Satan verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te halen, God beproeft ons om het beste in ons naar boven te halen.’ Satan, de brullende leeuw en de engel van het licht, wil niet dat Gods Naam geheiligd wordt, zijn Koninkrijk komt en zijn wil geschiedde, dus zal hij er alles aan doen om te voorkomen dat wij staande blijven in ons geloof. En ook al worden wij verzocht, dan hebben wij de belofte van God dat het ons vermogen niet te boven zal gaan. ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt’ (1Kor.10:13).

Beproevingen maken deel uit van het geloofsleven en doen zich voor in verschillende vormen (Mark.4:19; Joh.16:33; Hand.14:22). Dat er beproevingen zijn en komen, vinden we in de gelijkenis van het zaad: ‘Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig’ (Luk.8:13). Iemand heeft eens gezegd: ‘Een geloof dat niet beproefd mag worden is niet waard een geloof genoemd te worden.’ Dit komt bijzonder tot uitdrukking in het leven van Job, die kon zeggen: ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud tevoorschijn’ (Job23:10). Daarom is in dit verband het gebed ook zo belangrijk. In de hof van Gethsémané zei de Heer Jezus tot Petrus: ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Mat.26:40).

Er zijn redenen te noemen waarom beproevingen deel uitmaken van het leven van een gelovige. Beproevingen van ons geloof zijn nodig opdat wij onszelf en God zouden leren kennen. ‘Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden’ (Deut.8:2). Beproevingen hebben een doel. In het geval van de apostel Paulus was dat een doorn in het vlees die voorkwam dat hij zich zou gaan verheffen. ‘Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen’ (2Kor.12:1-10).

Een verkeerde reactie op een beproeving kan echter van een beproeving een verzoeking maken. Een voorbeeld van een beproeving van het geloof die in een verzoeking eindigde, vinden we in het leven van Abraham, toen hij zonder opdracht van God naar Egypte trok, waarvan de gevolgen zich tot op vandaag uitstrekken omdat Abraham bij zijn  Egyptische slavin Hagar, Ismaël verwekte (Gen.12:16-20; 16). Lot was niet bestand tegen zijn verlangen naar de rijkdommen van Egypte en verliet Abraham, waarna hij in velerlei verzoekingen kwam. ‘Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte’ (Gen.13 en 19). Elimelek en Noömi, ten slotte, kozen een eigen weg door naar Moab te gaan omdat er gebrek aan brood in het land was ontstaan. Dat bracht veel ellende teweeg in hun leven. ‘In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Betlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Noömi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Betlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. Toen stierf Elimelek, de man van Noömi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren.Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man’ (Ruth1:2-5).

Besluit

‘Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.’ Deze doxologie (lofprijzing) wordt niet gevonden in de oudste geschriften en ook niet in Lukas 11.  Wellicht gebruikte de vroegere kerk het als een afsluiting.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien’

Mattheüs 17

 

Inleiding

Toen de Heer Jezus voor de eerste keer zijn discipelen toevertrouwde dat hij naar Jeruzalem zou gaan om daar verworpen en gekruisigd te worden reageerde Petrus met de woorden: ‘Heer, dat zal u geenszins gebeuren!’ (Mat.16:22). Hoe goed bedoeld het ook geweest mag zijn het toont ons ook hoe weinig Petrus begreep van Wie de Heer Jezus was en wat het doel van zijn komst was. We lezen niet wat de reactie van de andere discipelen geweest is, maar hoogstwaarschijnlijk waren ze dezelfde mening toegedaan. Mogen wij Petrus’ reactie kwalijk nemen? Ik geloof van niet want de verwachting van de discipelen was gericht op een herstel van het koninkrijk van Israël en van de troon van David. Maar toch volgt op Petrus’ belijdenis een bestraffing van de Heer Jezus omdat hij niet de dingen van God bedacht, maar van de mensen (16:23). De Heer Jezus nam niet Petrus’ onwetendheid van de Schrift kwalijk ‘Want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan’ (Joh.20:9), maar zijn menselijke wijze van denken, want die willen immers altijd het lijden ontwijken. Aansluitend gaf de Heer Jezus de discipelen een les in zelfopoffering en een belofte. ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk’ (Mat.16:28).

Na zes dagen nam de Heer Jezus Petrus, Jacobus en zijn broer Johannes mee op een hoge berg en zagen zij zijn heerlijkheid. Over deze ervaring schreef Petrus later: ‘we waren ooggetuigen van zijn majesteit… en wij hoorden deze stem uit de hemel komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren’ (2Petr.1:16,18). Dus laten we maar eens kijken wat Petrus daar gezien en gehoord heeft en welke lessen wij daaraan kunnen ontlenen.

Het Koninkrijk komt

De belofte van de Heer Jezus dat sommigen de Zoon des mensen zullen zien komen in zijn koninkrijk werd werkelijkheid na zes dagen. Zou dat een heenwijzing kunnen zijn naar het komende Vrederijk? In ieder geval was Petrus ‘ooggetuige van zijn majesteit’ geweest (2Petr.1:16). Aan Petrus’ protest dat Jezus naar het kruis zou gaan om te sterven, lag zijn overtuiging ten grondslag dat de Koning niet verslagen zou worden maar de vijanden. ‘Zijn’ koning zou de vervallen troon van David weer herstellen en een tijd van voorspoed en zegen zou voor Israël aanbreken. Zo was het ook beschreven en voorzegt door de Oudtestamentische profeten en die gedachte leefde bij de discipelen en zo was het door de Heer Jezus beloofd (Mat.19:28).

De Heer Jezus ontkende dat ook niet en liet Petrus en de andere discipelen weten dat die profetieën ook eens werkelijkheid zouden worden en dat deed Hij door zijn verheerlijking op de berg. We zien hetzelfde in het boek Handelingen waar de discipelen de Heer vroegen of hij ‘in deze tijd het koninkrijk voor Israël zou herstellen’ (Hand.1:6). Ook daar lezen we niet dat de Heer die vraag ontkennend beantwoord, alleen het tijdstip is niet bekend. Let wel: het gaat over het herstel, niet over de oprichting van het koninkrijk. De vervallen tent van David zal weer opgericht worden wanneer de Heer Jezus zou terugkomen (Hand.15:16).

Een reden voor Petrus om zijn tweede brief te schrijven was dat er spotters waren die zeiden ‘Waar blijft de belofte van zijn komst?’ (2Petr.3:4). Maar Jezus komt want dat heeft Hijzelf beloofd! (Joh.14:3; Hand.1:1). Er komt een dag, en wie weet hoe gauw, dat er een stemmen uit de hemel zullen klinken die zeggen: ‘Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid’ (Op.11:15). Daarom het (profetisch) Woord is betrouwbaar en we doen er goed aan daarop acht te geven’ (2Petr.1:19).

Eerst lijden dan heerlijkheid

Het was niet gemakkelijk voor het volk om een goed beeld te krijgen hoe de komende Messias zich zou presenteren. In de ene profetie zag men een lijdende Messias, in de andere een machtige koning. Zouden er twee zijn, een lijdende en een heersende Messias? Of zou de een aan de ander vooraf gaan? Dat het een en dezelfde Persoon zou zijn was voor de mensen verborgen, maar werd later in het Nieuwe Testament geopenbaard. Wij weten nu dat lijden vooraf gaat aan de heerlijkheid en zo heeft Petrus het later ook begrepen zoals zijn beide brieven ons laten zien. In de eerste brief ligt de nadruk op het lijden, in de tweede staat meer de heerlijkheid op de voorgrond maar beiden horen bij elkaar. Was het niet de Geest die al eerder had getuigd van het lijden dat over Christus zou komen en van de heerlijkheid daarna? (1Petr.1:11). De Emmaüsgangers hadden het voorrecht van de Heer Jezus Zelf te horen hoe het in elkaar zat. ‘Moest de Christus dit niet lijden, en zo zijn heerlijkheid binnengaan? En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond’ (Luk.24:26,27).

Mozes en Elia die ook aanwezig waren met de Heer ‘spraken met Hem over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen’ (Luk.9:30,31). ‘Want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn’ (Luk.13:33,34). De uitgang (exodus) van de Heer Jezus moest plaatsvinden in Jeruzalem, in de stad van de Grote Koning! (Mat.5:35). Daar is Hij gekruisigd, gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. Daar in die stad zal Hij ook eenmaal wederkomen in heerlijkheid zoals we weten uit de Schrift. ‘Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de Here, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem’ (Zach.14:3-5). Ja, u leest het goed u zult daarbij zijn ‘wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd’ (2Thes.1:10).

De Koning in zijn verhoging

Hoofdstuk 16 speekt over de Koning in zijn vernedering (21-28), in hoofdstuk 17 zien we de Koning in zijn verhoging (1-8). Door zijn daden had de Heer Jezus al zijn heerlijkheid getoond (Joh.2:11) maar hier op de berg toonde de Heer Jezus zijn heerlijkheid in zijn Persoon. Het was een heerlijkheid die van binnenuit kwam, een heerlijkheid die voordien verborgen was doordat Hij Zichzelf ontledigd had en de gestalte van een slaaf had aangenomen (Fil.2:7). We lezen dat zijn gedaante werd veranderd, en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht (vs.2). Wat veel gelovigen hebben gevraagd en begeerd was werkelijkheid geworden voor de drie discipelen, Mozes en Elia. En wanneer Petrus dan het voorstel doet om voor ieder een tent te maken dan is voor God de tijd gekomen om voor iedereen duidelijk te maken dat de Heer Jezus niet op één lijn geplaatst kan worden met Mozes, Elia of wie dan ook! ‘Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb, hoort Hem’ (vs.5). Zo, had ook Petrus het gehoord verteld hij later: ‘Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam’ (2Petr.1:17).

Jesaja had al iets mogen ‘zien’ van de koning in zijn heerlijkheid want hij schrijft: ‘Mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien’ (Jes.6:5). En toen Jesaja, in opdracht van God, tot het volk moest zeggen: ‘Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen’ (Jes.6:9,10) ’dan zei hij dat ‘omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak’ (Joh.12:41).

Wanneer ‘de Heer, onze God, de Almachtige, zijn koningschap heeft aanvaard’ (Op19:6) dan zal het lied ‘k Zal eens mijn Heiland in heerlijkheid zien, schitt’rend in schoonheid en pracht’ werkelijkheid geworden zijn. Ik zie er in elk geval naar uit; u ook!

De krachten van de toekomende eeuw

Wanneer de Heer Jezus met de drie discipelen van de berg is afgedaald komt hij als het ware in een totaal andere werkelijkheid; een wereld waarin lijden een belangrijke plaats inneemt. Zien we in de verzen 1-8 de Vader en de Zoon op de berg in heerlijkheid, in de verzen 14-20 zien we een vader en zoon in een plaats van vernedering. De vraag of Elia niet eerst moet komen om alles te herstellen is terecht, zo staat het ook vermeld in het Oude Testament (Mal.4:5,6). Maar de Heer Jezus leert ze dat Elia al gekomen is in de persoon van Johannes de doper en als zij het willen aannemen, hij is de Elia die zou komen (Mat.11:14). Johannes, geboren uit Zacharia en Elisabeth, zou voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaders te doen terugkeren tot de kinderen (Luk.1:17). De Koning was aangekondigd door Johannes de doper maar ze hadden zijn getuigenis verworpen zoals ze dat ook met de Koning zouden doen.

Dat de Heer Jezus de beloofde Messias was mocht overduidelijk blijken uit zijn werken. Toen Johannes de doper in de gevangenis zat moesten zijn discipelen hem berichtten dat ‘blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd (Mat.11:4,5). Geen twijfel mogelijk zou je denken zodat zelfs Nicodemus, een Farizeeër een overste van de joden, moest erkennen ‘dat niemand deze tekenen kan doen, tenzij God met hem is’ (Joh.3:2). ‘Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofde zij niet in Hem’ en ‘die geloofden beleden Hem niet, opdat zij niet uit de synagoge werden gebannen’. (Joh.12:37,42). De (enige!) zoon van de vader uit de menigte werd genezen door de Heer Jezus, daar waar de discipelen faalden vanwege hun kleingeloof. Genezingen zijn in onze tijd nogal een ‘hot item’ en er is veel verwarring daarover. Tijdens de genezing van Petrus’ schoonmoeder zag Mattheüs daarin een vervulling van een tekst uit Jesaja 53: ‘Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen’ (Mat.8:17; Jes.53:4). Er zijn uitleggers die van mening zijn dat genezing in de verzoening begrepen is en dat elke gelovige zich ook nu daarop kan beroepen om genezing te ontvangen. Maar Mattheüs schreef dit toen de Heer Jezus hier op aarde was, niet op het kruis. Natuurlijk is het offer van de Heer Jezus op het kruis de basis voor elke zegening die we mogen genieten. Er komt een dag dat elke gelovige een nieuw lichaam zal ontvangen omdat de Heer Jezus daarvoor is gestorven, maar dat is niet voor nu en we kunnen dat nu ook niet ‘claimen’. In de Schrift is genezing een beeld van heil (Ps.103:3; Mat.9:1-8); toen Petrus Jesaja 53:4 aanhaalde, paste hij het op die wijze toe (1Petr.2:24). Er is wel op gewezen dat Jesaja 53 een chronologisch overzicht is van Jezus’ activiteiten hier op aarde.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Onderlinge relaties

Markus 9-10

 

 

 

Inleiding

Bij het lezen van de evangeliën overkomt het iedereen wel eens, denk ik, dat je jezelf afvraagt waarom zo veel verschillende onderwerpen achter elkaar beschreven staan, schijnbaar zonder enige onderlinge samenhang. Omdat ik geleerd heb elk gedeelte van Gods Woord in zijn ‘context’ te lezen, probeer ik bij het lezen altijd een verbindende ‘schakel’ te vinden. Context wil zeggen: ‘het geheel waarin een onderdeel geplaatst is, de samenhang’.

Ook in de diverse perikopen van Markus 9:38 tot 10:16 heb ik dat geprobeerd en ik meen de verbindende schakel te hebben gevonden in het begrip ‘relaties’. Relaties tussen mensen onderling en tussen mensen en bezittingen. Er zijn meerdere redenen op te noemen waarom deze perikopen bij elkaar horen. Ten eerste bevinden ze zich tussen de tweede en derde aankondiging van het lijden van de Heer Jezus (Mark.9:30 en 10:32). Ten tweede heeft Markus 9:35 als onderwerp ‘wie de eerste wil zijn’ en dat vinden we weer terug in 10:31 met de woorden: ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’. Ten derde hebben alle gedeelten als centraal onderwerp: ‘onze relatie tot elkaar, de naaste, enz’. Ten vierde begint Markus 9:36 met een kind en eindigt Markus 10:13 ermee. Hoofdstuk 10:17-31 vormt een uitzondering omdat het daar gaat over onze relatie tot bezittingen.

De grootste onder de discipelen (9:33-37) - Houding ten opzichte van elkaar

‘En wees tegenover elkaar met nederigheid omgord’ (1Petr.5:5).

Nadat drie van de discipelen met de Heer op de berg der verheerlijking waren geweest en nadat de Heer Jezus voor de tweede keer met hen sprak over zijn lijden en sterven (Mark.8:31-33 en 9:30-32), lijkt het ons onwezenlijk dat de discipelen het er met elkaar over hadden ‘wie van hen de grootste zou zijn’. De Heer had gesproken over zijn heengaan en mogelijk kwam daardoor de gedachte bij de discipelen op wie dan de opvolger moest zijn. De wereldse filosofie is dat je 'groot' bent als anderen voor je werken, maar de boodschap van de Heer Jezus is dat groot-zijn zichtbaar wordt in het dienen van de ander. De Heer Jezus zegt in Mattheüs 23:11-12: ‘De grootste van u echter zal uw dienstknecht zijn. Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (vgl. Mark.10:43-44). Wat was toch ook alweer de sleuteltekst in dit evangelie? Juist, ‘Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen!’ (10:45). De Heer Jezus leert ons in Mattheüs 23 dat wij allen broeders zijn, en dat Hij de Meester is. Ware nederigheid betekent: zelfkennis, zelfacceptatie, je niet méér voordoen dan je bent, en jezelf geven aan de ander.

Wie niet tegen ons is… (9:38-41) - Houding ten opzichte van anderen

‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid, en in alles de liefde’.

‘Doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender  achten dan zichzelf’ (Fil.2:3). Er was wellicht jaloersheid in het hart van de discipelen omdat zij hadden gefaald in het uitdrijven van een stomme geest (Mark.9:18), terwijl anderen wel succes hadden. Deze anderen waren bovendien mensen die ‘ons niet volgen!’ (Mark.9:38). Een jaloezie die ook bij ons kan opkomen als we horen dat in andere gemeenten, kerkgenootschappen of zelfs werelddelen Gods Geest overduidelijk aan het werk is en schijnbaar niet bij ons.

Het antwoord van de Heer is duidelijk: ‘Wie niet tégen ons is, is vóór ons’. Met het oog op andere gelovigen zouden ook wij de raad van Gamaliël ter harte moeten nemen, die zei: ‘Blijft af van deze mensen en laat hen begaan; want als deze raad of dit werk uit mensen is, zal het verbroken worden. Als het echter uit God is, zult u hen niet kunnen verbreken, opdat u niet misschien ook strijders tegen God blijkt te zijn’ (Hand.5:34-39). Laten wij ons verheugen in de zegen die God schenkt, waar of hoe dat dan ook mag plaatsvinden. 'Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan' (Rom.14:4).

Verleiding tot zonde (9:42-50) - Houding ten opzichte van onszelf

'Onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf' (2Kor.13:5).

Leer en praktijk vallen in het christelijk geloof niet te scheiden. Vanaf het begin van ons christen-zijn moeten we ‘veranderen in ons denken’, zodat het nieuwe leven dat we in Christus ontvangen hebben tot volle ontplooiing kan komen, opdat wij in ‘nieuwheid van leven’ wandelen (Rom.6:5). Dat vergt een verandering van ons gehele mens-zijn. De vraag is hier dan ook of wij voor de ander een struikelblok of een zegen zijn. In dit gedeelte van Markus worden de hand (vgl. Ef.4:28 ‘Laat hij die een dief was, niet meer stelen’), de voet (vgl. Spr.1:15 ‘Mijn zoon, ga niet met hen - de zondaars - op weg; weerhoud uw voet van hun pad’) en het oog (vgl. Job31:1 ‘Ik had met mijn ogen een verbond gesloten’) genoemd. De zonde heeft gevolgen die ook na onze bekering niet zijn weggenomen. Tegenover de andere mens en/of gelovige moeten we mildheid tonen, maar naar onszelf toe is soms een radicale oplossing noodzakelijk. Ik bedoel niet dat we werkelijk onze hand of voet moeten afhakken of ons oog moeten uitrukken, maar we moeten aan onszelf werken in de kracht van de Heilige Geest opdat deze dingen geen aanleiding zouden zijn om te zondigen. We moeten leren onszelf te beoordelen en te veroordelen in datgene waar het fout zit in ons leven, het belijden en wegdoen (1Kor.11:28). Dat betekent niet slechts het verkeerde na te laten en te veroordelen, maar ook het goede te doen. Jakobus zegt in dit verband: ‘Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde’ (Jak.4:17). In Markus 9:42 lezen we dat ons handelen als gelovige, voor een ander een aanleiding kan zijn tot vallen.

Over echtscheiding (10:1-12) - Houding ten opzichte van de partner

‘Vrouwen, weest aan uw man onderdanig, mannen, hebt uw vrouw lief’ (Ef.5:22, 25).

Het is niet mijn bedoeling het onderwerp echtscheiding te bespreken, en in dit kort bestek is dat ook niet mogelijk. Dat was trouwens ook niet de bedoeling van de Farizeeën, het ging hen om de vraag: wat zijn de wettelijke mogelijkheden voor een scheiding? Deze vraag stond in verband met de uitleg van Deut.24:1-5. De wet van Mozes zegt niet dat overspel grond voor een scheiding was. De overspeler of overspeelster moest door steniging ter dood worden gebracht (Deut.22:22, Lev.20:10, Joh.8:1-11). Denk in dit verband eens aan David en Bathseba (2Sam.11-12; Ps.51). De Heer sluit de mogelijkheid van een scheiding niet uit maar zegt tot hen: ‘Om de hardheid van uw hart heeft hij u dit gebod geschreven’. Mattheüs voegt toe: ‘maar van den beginne is het zo niet geweest’ (Mat.19:8). De scheidbrief diende om de vrouw te beschermen, zodat men niet om allerlei onbenullige redenen zijn vrouw kon wegsturen. De woorden ‘om de hardheid van uw hart’ zijn veelzeggend! We worden in onze dagen overspoeld door echtscheidingen en ook gelovigen ontkomen er niet aan. Het is dan ook goed om eens na te denken over ons huwelijk en onszelf de vraag te stellen: Hoe is mijn verhouding tot mijn vrouw of man? Is mijn huwelijk een weerspiegeling van wat de Heer

Kinderen gezegend (10:13-16) - Houding ten opzichte van kinderen

‘Immers, kinderen behoren niet voor hun ouders te sparen, maar ouders voor hun kinderen’ (2Kor.12:14).

Eerst huwen, dan kinderen krijgen. De volgorde is logisch. Kinderen zijn afhankelijk van anderen, ze aanvaarden zichzelf zoals ze zijn, ze zijn zichzelf. Kinderen zijn hulpeloos, niet bij machte om zichzelf te redden, totaal afhankelijk van de genade en ontferming van God. Wat doen kinderen als ze zich verwonden of een probleempje hebben? Ze gaan ermee naar hun moeder of vader. Het onderwerp hier is onze verhouding tot de kinderen en vooral hun mogelijkheden om met God in contact te komen. We zullen waarschijnlijk allemaal tegen abortus zijn, maar er wordt in deze dagen ook veel 'geestelijke' abortus gepleegd doordat kinderen de omgang met de Heer Jezus wordt ontzegd! Brengen wij onze kinderen bij de Heer, of houden wij ze van de Heer af? Wat sparen wij voor de kinderen? Ik ga er niet van uit dat wat de apostel Paulus schrijft in 2Kor.12:14, over financiën gaat; dat blijkt wel uit het volgende vers, waar hij spreekt over ‘mijzelf opofferen voor uw zielen’. In hoever offeren wij, ouders, onszelf op voor onze kinderen? Ik stel deze vraag niet als een theoreticus vanuit een ivoren toren, maar als vader en grootvader van zeven kinderen en drieëntwintig kleinkinderen. Misschien kan het voorbeeld van Job hier tot hulp zijn: ‘Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job zijn kinderen en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd. Zo deed Job altoos weer.’ (Job1:5) Op die wijze bracht Job zijn kinderen tot God en wij mogen hem daarin navolgen door onze kinderen tot bij de Heer Jezus te brengen.

Materialisme (10:17-31) – Houding ten opzichte van je bezittingen

‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is’ (1Joh.2:15).

De westerse wereld waarin wij leven is, in vergelijking met vele andere continenten en culturen, een zeer materialistische wereld. Ik ben in meer dan vierendertig landen en in verschillende continenten geweest en denk dat ik dat mag zeggen. Heeft de overvloed aan consumptiegoederen de mensen gelukkiger gemaakt? Zolang wij bezittingen hebben is er niets aan de hand, maar als de bezittingen ons ‘hebben’, gaat er van alles mis. In de gelijkenis van de zaaier zien we wat de gevolgen zijn wanneer ‘de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere’ een plaats krijgen in het hart en leven van een gelovige; het Woord wordt verstikt en onvruchtbaar (Mark.4:19). Een Bijbels voorbeeld vinden we in de persoon van Demas, van wie Paulus schrijft: ‘Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’ (2Tim.4:10). Materialisme is een sterk verlangen naar bezit en geld, maar bedenk dat ‘de wortel van alle kwaad de geldzucht is. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord’ (1Tim.6:10). De woorden van de discipelen: ‘wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd’, zijn een mogelijke reactie op wat de Heer Jezus eerder tegen de rijke man had gezegd: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij’ (Mark.10:21). Wat is uw reactie?

Het is goed om geld te hebben om allerlei dingen te kunnen kopen; maar zorg ervoor dat je de dingen die je niet met geld kunt kopen daardoor niet verliest!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Misschien vandaag!

 

Anna

 

Lukas 2:36-38

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Stel je nu eens voor dat Anna die bewuste dag dat de Heer Jezus door zijn ouders naar de tempel werd gebracht, tegen haar gewoonte in thuis was gebleven, dan had ze de mooiste dag van haar leven gemist; de dag waarvan ze al jarenlang had gehoopt om hem mee te mogen maken! Maar gelukkig, ze was trouw in haar dienst voor God, ze had een levende hoop en haar hart was gericht op de komst van de Messias, die ze vol verlangen verwachtte. Zo ging ze dag aan dag naar de tempel en in haar hart zei ze: ‘Misschien vandaag, misschien vandaag!’. En op die dag was het dan zover, haar verwachting werd werkelijkheid; de Messias was daar! Hoe kwam het dat zij, en ook anderen, er zo zeker van was dat de komst van de Messias aanstaande was? Was die komst aangekondigd?

Was de komst van de Messias aangekondigd?

Er waren meer Joodse mensen die de komst van de Messias verwachtten; dat wordt wel duidelijk uit een aantal Schriftplaatsen van het Nieuwe Testament. Ten eerste, Jozef van Arimathea: ‘een man genaamd Jozef, die raadsheer was en een goed en rechtvaardig man (deze had niet ingestemd met hun raad en handelwijze), van Arimathea, een stad van de Joden, die het koninkrijk van God verwachtte’ (Luk.23:50-51). Ook mogen we die verwachting bespeuren bij de Samaritaanse vrouw, toen ze tot de Heer Jezus zei: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus wordt genoemd; wanneer Die is gekomen, zal Hij ons alles verkondigen’ (Joh.4:25). En verder nog Simeon, een man rechtvaardig en godvrezend, die de vertroosting van Israël verwachtte. Hij had een goddelijke aanwijzing ontvangen door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer had gezien’ (Luk.2:25-26). En ten slotte de weduwe Anna, die ‘sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luk.2:38). Aan haar willen we in dit artikel wat meer aandacht geven.

Maar hoe kwamen deze personen erbij om de Messias te verwachten? In zijn Kerkgeschiedenis verwijst Eusebius (270-340 n.Chr.) daarvoor naar Genesis 49 en zegt dat de komst van de Christus niet onverwacht is gekomen. Want doordat Herodus op de troon zat ten tijde van de geboorte van de Heer Jezus, is de profetie in vervulling gegaan die zegt: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10), want Herodus was de eerste vreemdeling die over het Joodse volk regeerde. Zolang de Joden de mogelijkheid hadden om onder hun eigen inheemse heersers te leven, was die voorzegging nog niet uitgekomen; van Mozes’ tijd tot de regering van Augustus hadden zij hun eigen leiders. Tijdens Augustus’ bewind echter kreeg Herodus als eerste vreemdeling uit handen van de Romeinen de regering over het Joodse volk toebedeeld. Omdat de regering over de Joden in vreemde handen was gekomen, moest volgens de profetie degene Die de volken verwachtten spoedig komen; Zijn verschijnen stond a.h.w. voor de deur, want met Herodus was, zoals gezegd, aan de regelmatige en rechtmatige opvolging door eigen inheemse regeerders en vorsten een einde gekomen (Eusebius, Boek Een 1.6-1.4). De ‘Silo’ uit Juda blijkt de grote zoon van David te zijn, die soms zelfs ‘David’ heet: ‘want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Tot zover Eusebius. Maar misschien kenden ze ook de profetie van Daniël (Dan.9:24-27). Want die profetie brengt ons tot de tijd dat ‘een gezalfde (Messias) zal worden uitgeroeid’. Dat houdt in dat zijn komst iets eerder te verwachten was.

Anna was trouw in haar dienst aan God

Veel mensen van het Joodse volk die de tempel bezochten, zullen Anna wel gekend hebben, want zij kwam daar dagelijks. Sommigen kenden haar persoonlijk en spraken met haar over hun gezamenlijke verwachting, de komst van de Messias (Luk.2:36-38). Anna was een arme weduwe die niet in de mogelijkheid geweest zal zijn om de rollen van de profeten aan te schaffen. Mogelijk heeft ze anderen horen spreken over de naderende komst van de Messias. Misschien was een tekst van de profeet Maleachi wel haar favoriet: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:1). En Hij kwam! Op die bewuste dag toen Anna naar haar gewoonte de tempel binnenkwam, zag ze Simeon staan met een echtpaar en een baby. Simeon was luidop God aan het loven: ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël’ (Luk.2:29-32).

De trouw die Anna had getoond in het dagelijks bezoeken van de tempel werd beloond! Ze kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde God (Luk.2:38). Ze zou allerlei redenen kunnen hebben gehad om niet naar de tempel te gaan, bijvoorbeeld haar leeftijd had een excuus kunnen zijn. Ze was al vierentachtig jaar, of zoals andere uitleggers willen, 104 of 105. In ieder geval was ze op hoge leeftijd gekomen, zegt Lukas. ‘Ouderdom komt met gebreken’ zegt een spreekwoord, en ook Anna zal wel moeiten in het lichaam hebben gehad, maar dat was geen reden om niet naar de tempel te gaan. Neen, ‘één ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel’ (Ps.27:4).

Een andere reden om de tempel niet te bezoeken had kunnen zijn dat ze het niet eens was met de dienst zoals die in de praktijk gehouden werd. Anna wist dat de leiders van het volk huurlingen waren en geen herders en dat ze weinig aandacht voor het volk hadden. Was het niet de Heer Jezus die de tempel was binnengegaan en de kooplieden uiteen begon te drijven en tot hen zei: ‘Er staat geschreven: En mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt’ (Luk.19:46). Een rovershol! Maar dat weerhield haar er niet van de tempel te bezoeken, dag aan dag. Ze was een profetes en sommigen zagen uit naar een ontmoeting met haar om woorden van troost te horen. En ze was op de juiste plaats, op het juiste moment!

Anna was gemotiveerd door hoop

Oudere mensen, ook gelovigen, hebben de neiging om in het verleden te gaan leven en te spreken over ‘die goede oude tijd’. Dat zijn mensen die of een grote fantasie hebben of een slecht geheugen! Anna’s ogen waren gericht op de toekomstige dingen. Aan gebeurtenissen uit het verleden kunnen we prettige herinneringen hebben, maar we kunnen niet in het verleden leven, ook al leeft het verleden in ons. Telkens als Anna de tempel bezocht zal ze wellicht gedacht hebben: ‘Misschien vandaag! Misschien vandaag! Gelovigen toen werden gemotiveerd door een baby in een kribbe, wij mogen gemotiveerd zijn door de wederkomst van de Heer. Natuurlijk was de komst van de Heer Jezus als een kind noodzakelijk, want door deel te nemen aan bloed en vlees, met andere woorden door Mens te worden, werd het voor Hem mogelijk om door zijn dood te niet te doen, hem die de macht over de dood had, dat is de duivel (Hebr.2:14). Wij vereren een opgestane Heer, want ‘wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor eenieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond’ (Heb.2:9). We verwachten de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus (Tit.2:13). ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is! (1Joh.3:3).

Anna’s aandacht was gericht op de Heer

Haar hoop werd niet beschaamd. Het wachten duurde lang maar was niet tevergeefs. God was en is altijd op tijd. ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon (Gal.4:4). Jozef en Maria hadden hun offers gebracht en de Heilige Geest leidde Simeon en Anna naar de tempel (Luk.2:27). Er zullen wel veel meer mensen de tempel bezocht hebben, maar Simeon en Anna stonden bij de Heer en verheugden zich dat de beloofde Messias in de wereld was gekomen, om verlossing te bewerken. Simeon mocht de Heiland zelfs in zijn armen nemen. Wat tragisch voor de mensen die die dag ook naar de tempel waren gekomen en de Heer niet opgemerkt hebben! En wij? Beleven wij zijn aanwezigheid in onze samenkomsten? Anna is een goed voorbeeld voor ons om niet alleen met kerst, maar elke dag van het jaar, de Heer voor ogen te hebben. Om dat te beleven is het niet nodig naar een of ander religieus gebouw te gaan. Natuurlijk is het niet meer dan normaal om regelmatig met andere gelovigen God groot te maken in de onderlinge samenkomst (Heb.10:23), maar elke dag zouden we tijd moeten vrijmaken om bij Hem te zijn om de dag met Hem te beginnen (Mark.3:14). Het mag geen verschil maken hoe we ons voelen of wat ons bezighoudt, maar laten we altijd God prijzen voor zijn genade! ‘Here, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens leg ik het U voor, en zie uit’ (Ps.5:4).

Anna deed haar naam eer aan

Anna’s naam betekent ‘genade’. Ondanks haar ouderdom en ongetwijfeld daarmee gepaard gaande lichamelijke bezwaren, ontving ze genade om met vasten en bidden haar geloof tot uitdrukking te brengen. ‘Geestelijke’ oefeningen zijn belangrijk om ons sterk te maken en in goede conditie te houden, vooral als we ouder worden. De apostel Paulus zou vele jaren later aan Timotheüs schrijven dat ‘de oefening van het lichaam van weinig nut is, doch dat de godsvrucht nuttig is tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toekomst’ (1Tim.4:8). Wat de apostel Johannes bij zijn vriend Gaius wenste te zien, zou ook ons verlangen moeten zijn. ‘Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’ (3Joh:2). In Anna werd Gods kracht zichtbaar, want zijn genade was haar genoeg (2Kor.)! Anna kon instemmen met de apostel Paulus en zeggen: ‘Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest’ (1Kor.15:10).

Anna was ook een dankbaar iemand. Als je haar zou hebben gevraagd hoe het met haar ging en hoe ze zich voelde, zou je verwacht hebben dat ze een uitvoerig verslag zou geven van haar fysieke toestand, zoals dat vaak met oude mensen het geval is. Maar in plaats daarvan prijst ze de Heer voor zijn goedheid. Ze zou nooit weten wat de apostel Paulus later zou schrijven in 1Thes.5:16 ‘Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u’. Maar ze kende die blijdschap toen al! Wij verdienen geen genade en kunnen ze niet kopen, we kunnen ze slechts ontvangen en God ervoor danken.

Anna was een getuige

Je hoort de mensen weleens zeggen dat kerst een feest is voor kinderen. Maar kijk eens naar die groep mensen in de tempel en je weet beter. We zien Jozef en Maria, Simeon, Anna en de Heer Jezus, degene waar het allemaal om ging! Hij was het middelpunt van hun verlangen, blijdschap en verering. Maria was een teenager, Jozef was twee keer zo oud als zij, Simeon en Anna waren al op hoge leeftijd. Toen de Heer Jezus geboren werd, zagen we alleen maar volwassen mensen. En tegen die mensen getuigde Anna ‘en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luk.2:38). Waar spreekt u over met de mensen die u omringen? Bent u ook overtuigd van de wederkomst van de Heer Jezus en is uw hoop daarop gevestigd? Nee, we hebben geen tijdsaanduiding van zijn komst dan alleen: ‘Misschien vandaag!’

Anna leefde aan het einde van de periode van Gods handelen die werd afgesloten door de komst van de Messias en ik ben ervan overtuigd dat wij in een soortgelijk tijdperk leven. De tekenen wijzen in de richting dat de komst van de Heer Jezus niet meer veraf kan zijn. Mag ik een paar van die aanwijzingen noemen? Het ontstaan van de staat Israël in 1948, het ontstaan van de Europese Unie (een mogelijk hersteld Romeins Rijk), het brengen van Oost-Jeruzalem onder Israëlisch bestuur in 1967 (het einde van de tijden der volkeren?), het ontstaan van een groot aantal Messias-belijdende gemeenten in Israël sinds 1967 en het verval van het christendom, vooral in West-Europa. Mijn hoop is gericht op de komst van de Heer Jezus en ik leef in die verwachting gelijk een Anna in haar tijd. En u?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen!

Lukas 2:21–38

 

 

 

‘Weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten’

Inleiding

Wat zijn uw verwachtingen? Verwacht u de komst van de Heer Jezus? En bent u dan ook ‘gelijk aan mensen die op hun heer wachten, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen?’ (Lukas 12:36). Ik geloof dat wij in een wereld leven die vergelijkbaar is met de wereld van toen, zo’n tweeduizend jaar geleden. Het volk van God, Israël, in verval en onder het gezag van de Romeinen. Het was ‘vrede op aarde’ door de Pax Romana, maar het was een schijnvrede. En wat maar aan weinigen bekend was, het was een wereld die aan de vooravond stond van de komst van de Zoon des Mensen. Het Koninkrijk was nabij!

En toch hadden ze kunnen weten dat de komst van de Messias niet meer lang op zich zou laten wachten! Het volk Israël had immers het ‘profetisch Woord’ ter beschikking, waarin de komst van de Messias te voren werd aangegeven? Petrus zegt het als volgt: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna’ (1 Petrus 1:10-11).

Uit de bekende profetieën van Daniël had men nauwkeurig de tijd kunnen berekenen ‘wanneer een Gezalfde (Messias) zou worden uitgeroeid' (Daniël 9:24-26). De 70 jaarweken beslaan een periode van 490 jaar. Negenenzestig jaarweken zijn 483 jaar gerekend vanaf 445 v.Chr.; 69 weken x 7 = 483 jaren. Wat ons dan bij het jaar 38 n.Chr. brengt. We weten dat de Heer Jezus geboren is ongeveer 5 v.Chr. De laatste jaarweek (zeven jaar) vindt dan haar vervulling in de eindtijd.

Het tijdstip van de geboorte kon men wel niet bepalen, maar wel de plaats waar de Messias geboren zou worden. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (Micha 5:1). Toch had het volk Israël zich niet opgemaakt voor de ontmoeting met zijn Messias. ‘Bereid u om uw God te ontmoeten, o Israël’ (Amos 4:12).

En toch… waren er enkelen onder het volk die wel de ‘vertroosting van Israël’ verwachtten! We denken maar aan Jozef van Arimathea, die ook zelf het koninkrijk van God verwachtte (Markus 15:43). De Samaritaanse vrouw, die tegen Jezus zei: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt (Johannes 4:25). Johannes de Doper; die twijfelde echter aan de juistheid van zijn verwachting en liet vragen: ‘Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten? (Mattheüs 11:3), en Simeon en Anna, die een persoonlijke ontmoeting hebben gehad met de Heiland der wereld waarvan we lezen in Lukas 2. We lezen daar over drie ‘ontmoetingen’.

1. Ontmoeting met ‘Mozes’ (2:21-24)

De eerste ontmoeting in Lukas 2 is die met Mozes in de betekenis van het voldoen aan de verplichtingen van ‘de Wet’. Jezus was geboren onder de wet (Galaten 4:4) en moest daarom besneden worden op de achtste dag. ’Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten’ (Genesis 19:9-12). 'En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen’ (Luk.2:21). De naam Jezus betekend ‘de Heer brengt redding’.

Maar er was nog een verplichting betreffende de wet van Mozes en die betrof Maria: zij moest gereinigd worden (en niet Jezus, zoals sommigen onterecht beweren). ‘Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. Drieëndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn’ (Lev. 12:2-4). Tussen vers 21 en 22-24 ligt dus een periode van 33 dagen.

Maar er was een derde ‘ontmoeting’ met betrekking tot de wet van Mozes. ‘En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here (Exodus 13:2, 12, 15).

De vierde en laatste ‘ontmoeting’ met de wet van Mozes was dat Maria een offer moest brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven (Leviticus 12:1-8). Maria en Jozef waren te arm om een lam als offer te brengen, terwijl Jezus zelf het Lam was!

2. Ontmoeting met Simeon (2:25-35)

Simeon zijn naam betekent ‘verhoring’ en dat komt helemaal overeen met wat we van hem lezen in dit evangelie, zijn gebed werd letterlijk verhoord want hij had een goddelijke aanwijzing ontvangen dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer had gezien. De heilige Geest staat centraal in dit gedeelte. De heilige Geest was op hem, hij had door de Geest een aanwijzing ontvangen en hij kwam door (in de kracht van) de Geest in de tempel juist op het tijdstip dat Jozef en Maria binnenkwamen. Toeval? Wat een geweldige beschrijving krijgen we nog van hem: ‘deze man was rechtvaardig en godvrezend en hij verwachtte de vertroosting van Israël.' Hij was er dus helemaal klaar voor om de Christus, de Heer, te ontmoeten! ‘En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3).

Simeon had een bijzonder inzicht van Wie er ging komen, let maar eens op de verschillende wijzen waarmee hij de Christus benoemt. ‘De vertroosting van Israel, de Christus, uw behoudenis, een licht tot openbaring, heerlijkheid voor uw volk Israël, een teken’. In de verzen 29-33 beschrijft hij de Here Jezus en het doel waarvoor Hij gekomen was. ‘mijn ogen hebben uw behoudenis gezien’ (vs. 30), ‘een licht tot openbaring voor de volkeren (vs. 32) en ‘tot heerlijkheid voor uw volk Israël' (vs. 32)

In de verzen 34-35 spreekt hij profetisch over het werk van de Heiland en wat dat teweeg zou brengen bij de mensen en heel speciaal bij Maria. De profetie (2:34-35) heeft drie elementen: (1) Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en (2) tot een teken, dat weersproken wordt – en (3) door uw (Maria) eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.

Simeon kon in vrede heengaan want zijn ogen hadden Gods behoudenis gezien. Hij heeft de Heer Jezus in zijn armen mogen nemen en we mogen geloven dat hij nu ‘veilig is in Jezus' armen, veilig aan Jezus’ hart!’ Ik zou wensen dat ieder mens Jezus zou mogen ‘zien’ voordat hij of zij sterft!

3. Ontmoeting met Anna (2:36-38)

Anna haar naam betekende ‘genade’. Al vroeg weduwe geworden en daardoor het leven in zijn volheid geproefd, was ze toch niet bitter geworden, maar beter. Zij is een voorbeeld voor allen die tegenslag in hun leven hebben, maar ook voor oudere gelovigen die denken niets voor God te kunnen betekenen wanneer ze op leeftijd zijn gekomen (Psalm 92:15). En nu ze vierentachtig jaar oud is (!), lezen we nog zov eel geweldige dingen over haar. Kwam Simeon geleid door de Geest in de tempel, Anna was er thuis, ze week niet uit de tempel. ‘Wist u niet dat Ik in de dingen van mijn Vader moet zijn?’, liet de Heer Jezus zijn ouders weten (Lukas 2:49). En Anna was volop bezig in de dingen van de Heer met vasten en bidden, dag en nacht. Dat was haar dienst aan God (Romeinen 12:1). Evenals de herders kon ook Anna niet zwijgen over alles wat ze gehoord en gezien had (Lukas 2:20,38). Anna sprak waar haar hart van vol was en daarvan liep haar mond over. Ook hier zien we dat er nog meer mensen van het volk in de verwachting leefden van de komst van de Messias. Er wordt gesproken over ‘allen die de verlossing van Jeruzalem verwachtten’. Zoals geschreven staat in Jesaja: ‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de HERE naar Sion wederkeert. Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de HERE heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. De HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God’ (52:7-10).

Besluit.

‘Wij hebben de Heer gezien’ (ná zijn opstanding) hadden de discipelen tegen Thomas gezegd (Johannes 20:25). Simeon en Anna hadden de Heer Jezus gezien en later vele anderen. Johannes zegt: ‘wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Johannes 1:14).

Vele andere hadden de wens om Jezus te zien: ‘Er waren enige Grieken onder hen, die opgingen om op het feest te aanbidden: dezen dan gingen tot Filippus, die van Betsaïda in Galilea was, en vroegen hem en zeiden: Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’ (Johannes 12:20-21). Ik hoop dat u ook behoort bij die mensen die Jezus hebben ‘gezien’ of de wens hebben om Jezus te ‘zien’.

Ik spreek de hoop uit dat u ook behoort tot die gelovigen die uitzien naar de komst van de Heer Jezus in heerlijkheid en dat u ooggetuigen wordt van zijn Majesteit! (2 Petrus 1:16)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Kracht voor de reis Lukas 3 en 4

 

 

 

 

Inleiding

Dat de Heilige Geest een belangrijke plaats innam in het leven van de Heer Jezus blijkt duidelijk uit de diverse gedeelten in Lukas 3 en 4. De invloed van de Heilige Geest in het leven en de werken van de Heer Jezus is van grote betekenis geweest, en mag dienen als een voorbeeld voor ons.

De ‘wapenen’ die de Heer Jezus gebruikte tijdens de verzoeking in de woestijn – het gebed, het Woord van God en de Heilige Geest – zijn dezelfde als die ook ons ter beschikking staan. Laten we nu de vier vermeldingen over de Heilige Geest in Lukas 3 en 4 onderzoeken, want het onderwijs dat we hierover ontvangen kan bijzonder nuttig voor ons zijn.

1. Ontvangen van de Heilige Geest (Luk. 3:21-22)

‘Het gebeurde nu, terwijl Apollos in Korinthe was, dat Paulus, na de hoger gelegen streken doorreisd te hebben, in Efeze kwam en er enige discipelen vond; en hij zei tot hen: Hebt u wel de Heilige Geest ontvangen, toen u tot geloof kwam? Zij echter zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of de Heilige Geest er is’ (Hand. 19:1-2).

Een aantal jaren geleden, tijdens één van mijn vele reizen naar Roemenië in de jaren negentig, kwam ik weer eens bij vrienden op bezoek met mijn onlangs nieuw gekochte auto. In tegenstelling tot mijzelf, hadden die een grote interesse voor auto’s en vroegen mij: ‘En wat voor een motor heeft hij’ Waarop ik tot hun verbazing antwoordde: ‘Ik weet niet eens of er een motor in zit!’ (Ik had namelijk nog nooit onder de motorkap gekeken!)

Veel gelovigen die tot bekering zijn gekomen en de Heer Jezus als hun Heiland kennen, hebben vaak door gebrek aan onderwijs maar weinig besef van de inwoning van de Heilige Geest; ze weten vaak niet dat hun lichaam een tempel is van de Heilige Geest. Datzelfde gebrek komen we ook tegen bij de gelovigen van de gemeente in Korinthe, aan wie de apostel Paulus schrijft: ‘Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?’ (1 Kor. 6:19). Vond Paulus het zo belangrijk dat ze zouden weten dat de Heilige Geest in hen woonde? Het was van grote praktische betekenis, zoals uit het vervolg blijkt: ‘Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!’ (1 Kor. 6:20). Of zoals Paulus het van zichzelf zegt, ‘dat Christus wordt grootgemaakt in mijn lichaam’ (Fil. 1:20).

2. Vol van de Heilige Geest (Luk. 4:1)

‘Jezus nu, vol van de Heilige Geest…’ Zó ging de Heer Jezus de woestijn in voor de confrontatie met de duivel! Deze wereld wordt door christenen wel vergeleken met een woestijn, en dat is hij ook. Een woestijn is vol gevaren en begaanbare paden zijn er vaak niet, dus is het kennen van Gods wil en weg nodig. De inwoning van de Heilige Geest hebben houdt niet automatisch in dat een gelovige ook met de Heilige Geest vervuld is! Dat blijkt uit wat Paulus aan de gelovigen in Efeze schrijft: ‘En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest’ (Ef. 5:18) ‘Vervuld zijn’ met de Heilige Geest heeft als doel dat de Efeziërs, maar ook wij, ‘tot elkaar zouden spreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer.’ (Ef.5:19). Maar dat is niet alles, want wat er in vers 18 voorafgaat, leert ons ook dat de ‘vervulling’ ertoe dient dat wij Gods wil zouden verstaan opdat wij als wijzen zouden wandelen en niet als onwijzen (Ef. 5:16, 17). Paulus en Timotheüs hielden niet op voor de gelovigen in Kolosse te bidden dat ze ‘vervuld zouden worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Heer waardig te wandelen tot al zijn welbehagen.’ (Kol. 1:9,10)

Gelet op het voorgaande mag het duidelijk zijn dat ook voor ons de opdracht ‘wordt vervuld met de Geest’ van grote betekenis is.

3. Leiding door de Heilige Geest (Luk. 4 :1)

Het volgende waar onze aandacht op gevestigd wordt, is de vermelding dat de Heer Jezus ‘door de Geest geleid werd in de woestijn.’ Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament vinden we voorbeelden van leiding van gelovigen of het volk van God als geheel. Vrijwel onmiddellijk denken we dan aan de wolkkolom en vuurkolom (Sjechina) die voor het volk Israël uitging (Ex. 13:21v.; Num. 9:17-21).

Asaf zegt in Ps. 78:14: ‘Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht.’ Ik heb onlangs deze beschrijving daarover gelezen: ‘Leiden’ is niet gewoon ‘de weg wijzen’. Dat is wat een wegwijzer doet, die tegelijk zelf op zijn eigen plek blijft staan. Nee, de Sjechina c.q. Geest is een Aanvoerder, Een die de weg wijst en tevens zelf meegaat, ja, vooropgaat, en die zijn reisgenoten de kracht tot de reis geeft.

Een nieuwtestamentisch voorbeeld van leiding van God in het leven van een gelovige vinden we onder andere in Handelingen 16:6vv., waar we over het zoeken van Gods wil lezen door de apostel Paulus wanneer hij tot twee keer toe verhinderd werd om het Woord in Asia en Bitynië te verkondigen. ’s Nachts krijgt Paulus dan een gezicht, een Macedonisch man stond daar en smeekte hem: ‘Kom over naar Macedonië en help ons.’ Paulus en zijn medereizigers maakten daaruit op dat God hen had geroepen om in Macedonië het evangelie te verkondigen.

Betrekkelijk gemakkelijk zult u zeggen, maar in mijn leven ervaar ik dat niet op die wijze! Heeft u de Heilige Geest ontvangen? Bent u vol van de Heilige Geest? Dan mag u weten dat Diezelfde Geest ook ú wil leiden, zoals vroeger het volk Israël en de apostel Paulus! ‘Want allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods’ (Rom. 8:14). 

4. Kracht van de Heilige Geest (Luk. 4:14)

De Heilige Geest is zowel een Persoon als een kracht. Meerdere teksten in de Bijbel maken ons duidelijk dat het om twee verschillende zaken gaat. In de context van dit artikel willen we aandacht besteden aan de Heilige Geest als kracht. Van de Heer Jezus lezen we dat Hij was ‘gezalfd met de Heilige Geest en met kracht’ (Hand. 10:38). Na zijn terugkeer uit de woestijn lezen we: ‘En Jezus keerde in de kracht van de Geest terug naar Galilea’ (Luk. 4:14) . Ook wij hebben die kracht nodig voor onze verdere reis. Op een dieptepunt in het leven van de profeet Elia ontving hij bezoek van een engel die hem koeken en water bracht. Nadat Elia gegeten en gedronken had, legde hij zich weer neer, maar de engel raakte hem voor de tweede keer aan en zei: ‘Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn.’ ‘Toen stond Elia op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods’ Horeb’ (1 Kon. 19:1-8). Als wij ons niet voeden met Gods Woord en wandelen in de kracht van de Geest kan het gevaar bestaan dat voor ons de reis ook te lang zal zijn en dat we de eindstreep niet halen!

Paulus kon zeggen: ‘Ik vermag alle dingen door Hem die mij kracht geeft’ (Fil. 4:13). Die kracht hebben we allen nodig; kracht om te strijden, en om uit en in te gaan, hoe lang de reis ook duurt en hoe oud we ook worden! (Joz. 14:11, 12).

Die kracht heeft de Heer Jezus ook beloofd aan hen die Hem zouden volgen: ‘Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult mijn getuigen zijn’ (Hand. 1:8)

5. Zalving met de heilige Geest. (Luk. 4:18)

Hier ligt de nadruk op de dienst die de Heer Jezus gaat vervullen. Merk de logische volgorde op die Lukas ons laat zien. Ten eerste het ontvangen van de Geest, daarna de verzoeking in de woestijn waarin de Heer Jezus liet zien dat Hij de Zoon van God was en trouw was aan God, en dan nu zijn definitieve aanvang van zijn dienst. Zou Petrus hieraan gedacht hebben toen hij de woorden vermeld in Handelingen 10:34–43 uitsprak? ‘De Heer Jezus was de Christus – Gezalfde!'

Tenslotte

‘Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, liefde en van bezonnenheid’ (2 Tim. 1:7). Kent u die kracht?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Vragen bij discipelschap

Lucas 5:1-11

 

 

 

 

Inleiding.

Het zou voor Simon (hierna: Petrus) één van de gedenkwaardigste dagen van zijn leven blijven, toen hij aan het meer van Gennézareth door de Heer Jezus werd geroepen als ‘visser van mensen.’ Die dag, toen de Heer Jezus bij hem in boot stapte, zal Petrus de draagwijdte daarvan niet begrepen hebben. Het zou echter een dag worden om nooit te vergeten! De Heer Jezus wilde Petrus testen voor zijn nieuwe taak, en we kunnen op z’n minst vier vragen stellen bij de gebeurtenissen hier beschreven, en ons antwoord daarop zal duidelijk maken of wij (voor-)bereid zijn om de Heer Jezus te volgen.

Hoe ga ik om met teleurstelling?

De discipelen hadden de hele nacht gevist en niets gevangen, dat moet een grote teleurstelling voor hen zijn geweest. Alle moeite voor niets! Maar toch gaven ze niet op, want we zien dat ze bezig waren de netten te spoelen om zich voor te bereiden voor de volgende vangst. Ik ben geen visser en ook geen ‘nachtmens’, maar als ik de hele nacht had gevist en niets gevangen, dan zou ik mijn netten niet hebben gespoeld, maar zou ze verkocht hebben! Maar echte vissers geven niet zo gauw op, en dat kan een reden zijn dat er ten minste zeven discipelen vissers waren. U bent misschien ook wel eens gaan ‘vissen’ zonder iets te vangen. Ik bedoel, u hebt misschien ook wel eens pogingen ondernomen om mensen voor het evangelie te ‘vangen’, en ondanks veel inspanningen geen resultaat gezien. Als je Gods Woord onderzoekt zal je tot de ontdekking komen dat je niet de enige bent die teleurstellingen heeft gekend in zijn dienst voor God (Elia – 2Kn19). Maar toch was deze teleurstelling voor Petrus de weg naar succes! Hij had geen controle over de vis in de zee, maar wel over zijn vertrouwen en de vastberadenheid van zijn eigen hart. Soms is het je eigen schuld dat je niets vangt, soms de schuld van anderen, maar hier maakt het deel uit van Gods plan! Zoals de Heer Jezus macht heeft om geen vissen in het net te laten komen, heeft Hij ook de macht om dat wél te doen. Petrus zou ondervinden dat succes heel dichtbij lag, dus geef niet te gauw op! Hij was geslaagd voor de eerste test: hij gaf niet op!

Hoe ga ik om met gezag?

Petrus had er geen bezwaar tegen dat de Heer Jezus in zijn boot kwam om de massa toe te spreken. De Heer nam het gezag van Petrus over en vroeg hem iets van het land af te varen, en terwijl Hij zat, leerde Hij de menigten. Zo moest ook Petrus luisteren naar Gods boodschap; en als je Gods Woord hoort, kan dat geloof in je bewerken (Rom.10:17). De uitdaging volgt onmiddellijk wanneer de Heer Jezus Petrus beveelt: “Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst” (5:4).  Welk recht heeft Jezus om bezit te nemen op het meest waardevolle van een visser, zijn netten? Eerst vroeg Jezus om zijn boot, daarna zijn netten, en wat zou nog volgen? De Heer wilde de visser!

Het zal niet gemakkelijk voor Petrus geweest zijn om als ervaren visser te gehoorzamen aan een timmerman! Maar de reactie van Petrus op het bevel van de Heer Jezus toont zijn vertrouwen in Hem. “Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen.” Het ging helemaal tegen zijn gevoelens en vakmanschap in, maar hij gehoorzaamt. Iemand heeft eens gezegd, ik citeer: ‘Echt geloof betekent gehoorzaamheid aan God, ongeacht de gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!’

God beloont geloof, geloof dat zich openbaart door gehoorzaamheid. De sleutel van een succesvol christelijk leven is gehoorzaamheid aan Gods Woord. We lezen dan ook: “En toen zij dit hadden gedaan, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden” (5:6). Petrus slaagde voor de tweede test en dat brengt ons tot de volgende vraag: Hoe gaan we om met succes?

Hoe ga ik om met succes?

Het eerste wat Petrus deed was ‘zijn’ succes met anderen delen (5:7). God zegent ons, niet om die zegen voor ons te houden, maar om die te delen met anderen. 'Ik zal jou zegenen' had God tegen Abraham gezegd, 'en jij zult tot een zegen zijn' (Gen.12:2). 'Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen' (Hand.20:35).

Maar er was nog een tweede reactie van Petrus! Hij werd nederig door Gods zegen! Het was een grote beproeving voor Petrus om vanuit zijn boot naar de mensen te roepen: ‘Kijk eens wat ik gedaan heb! Ik ben een succesvol man!’ Maar in plaats daarvan valt hij aan de knieën van de Heer Jezus en zegt: “Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens” (5:8). Als je zó met succes kunt  omgaan, zal teleurstelling je niet ontmoedigen. Maar als succes je hoogmoedig maakt, zal teleurstelling je ontmoedigen en misschien ervoor zorgen dat je eronderdoor gaat. Voor Paulus bestond ook het gevaar dat succes hem hoogmoedig zou maken en daarom, zegt Paulus: ‘is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven” (2 Kor.12:7).

Gelukkig heeft de Heer Jezus niet gedaan wat Petrus Hem vroeg 'Heer, ga uit van mij!’ Hij had een plan met Petrus en wilde het tegenovergestelde bereiken, namelijk dat Christus in Petrus’ leven de eerste en de enige plaats zou krijgen. Zó zou Petrus tot een zegen kunnen zijn, en is dat ook geweest, voor velen.

Petrus was geslaagd voor de derde test: Hij wist om te gaan met succes.

Hoe ga ik om met onevenwichtigheid?

Petrus had door dit wonder ondervonden, dat alles wat hij bezat aan ervaring en bekwaamheid niet voldoende was om succes te hebben. Hij moest opnieuw beginnen en leren dat hij ‘zonder Hem niets kon doen’ (Joh.15:5). Daardoor zou Petrus onzeker kunnen worden, en om die reden waren de hier opgedane lessen een goede basis voor de tijd die ging komen, wanneer hij als ‘visser van mensen’ de Heer ging dienen (Hand.2). Teleurstelling en succes wisselen elkaar af in het leven, en de vraag is, welke reacties dat bij mij teweegbrengt? Word ik als ‘een golf van de zee, heen en weer geslingerd door mijn gevoelens en emoties, of blijf ik ‘een rots, rustig te midden van de golven'?

We moeten ervoor zorgen dat we ‘geen verdeeld hart’ hebben (Mat.6:19-22) en geen ‘twee heren dienen’ (Mat.6:24), maar dat we “zien op Jezus, de overste leidsman en voleinder van het geloof. Want let op Hem die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt” (Hebr.12:2, 3).

De Heer Jezus riep Petrus, en ook ons, tot een leven van geloof in Hem. Dat betekent dat Hij voor ons voorgaat en de weg bereidt (Ef.2:10). Het geloofsleven is geen ‘sprong in het duister’, omdat we Hem volgen die ‘het Licht van de wereld is’ (Joh.8:12). We worden geleid door het Woord van God, dat een lamp voor onze voeten is en een licht op ons pad (Ps.119:105).

Petrus slaagde voor de vierde test: hij verliet alles en volgde Hem. Durft u de uitdaging aan? 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Genezing van een kromgebogen vrouw

Lukas 13:10-17

 

 

Inleiding

Zijn wij begaan met menselijke noden? We zien hier een vrouw die al achttien jaar ziek was, ze was kromgebogen en kon zich niet oprichten. Deze gebeurtenis vinden we alleen terug in het evangelie naar Lukas. Het sleutelvers van het Lukasevangelie zegt dat: ‘De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was’ (Luk.19 :10), en we zien de Zoon hier in actie komen omdat Hij was begaan met mensen, want de Schrift zegt: ‘Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben’ (Mat.9 :36). Mensen helpen in hun nood maakte ook deel uit van Jezus’ bediening, want in Lukas 4 lezen we: ‘Hij (God) heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren’ (Luk.4:18-19).

Verder wil dit bijbelgedeelte de aandacht vestigen op de ‘onvruchtbaarheid’ van het volk Israël waarop de Heer Jezus zinspeelt in de gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom in de voorafgaande verzen (13 :6-9). De Wet kon wel een ziekte vaststellen maar niet genezen. In plaats dat we bij de Farizeeërs en schriftgeleerden liefde, gerechtigheid, nederigheid en genade ten opzichte van Gods volk vaststellen, vond hij arrogantie en wetticisme. Ze waren niet alleen in staat deze vrouw te helpen, maar weigerden dat zelfs omdat het op een sabbatdag gebeurde. Al eerder had de Heer Jezus hen verweten dat ze huichelaars waren (Luk.12:56) en ook bij deze gebeurtenis. Een treffend voorbeeld van hun huichelarij vinden we in het evangelie naar Mattheüs, waar de Heer Jezus tot de Farizeeën en de schriftgeleerden had gezegd: ‘Waarom overtreden uw discipelen de overlevering der ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Hij antwoordde hun en zeide: Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering (zelfs) het gebod Gods? Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt: Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren. Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering. Huichelaars, terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, zeggende: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’ (Mat.15:1-9).

1. Bevrijding (13:10-13, 16)

‘Hij was bezig te leren in een der synagogen op sabbat. En zie, er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten. Toen Jezus haar zag, sprak Hij haar toe en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid; en Hij legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en zij verheerlijkte God. Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?’

Het is opmerkelijk dat we deze vrouw in de synagoge vinden. Veel gelovigen die tegenslag hebben verlaten eerder de kerk en God in plaats van God te blijven zoeken in hun nood (vgl. Luk.2:37-38). Vandaar dat we ook worden opgeroepen om ‘onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen’ omdat Hij daar aanwezig is, en waar Hij is, is zegen te verwachten! (Heb.10:25). Achttien jaar had ze al een geest van zwakheid! (Andere vertalingen spreken van ziekte) De Heer Jezus zei dat ze gebonden was en losgemaakt moest worden. Er was er maar Eén die dat kon en dat was Jezus. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou’ (1Joh.3:8; Mat.12:24). Het is opmerkelijk dat Jezus haar riep en niet zij Hem. Dat duidt er wellicht op dat de Heer Jezus het er niet alleen om ging haar te genezen van haar gebondenheid, maar ook dat hij de Farizeeën en schriftgeleerden een les in barmhartigheid wilde leren. Hij zag haar, riep haar en zei tot haar: ‘Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid’ en legde haar de handen op. Alle activiteit gaat van de Heer uit want ‘Christus is, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen gestorven (Rom.5:6).

2. Tegenstand (13:14-15)

‘Maar de overste der synagoge, het kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zeide tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dàn om u te laten genezen en niet op de sabbatdag. Maar de Here antwoordde hem en zeide: Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?’

Bij eerdere gelegenheden had de Heer Jezus er al op gewezen dat de ‘sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat’ en dat ‘de Zoon des mensen heer is, ook over de sabbat’ (Luk.6:1-11). De Heer Jezus heeft zeven wonderen op een sabbatdag verricht (Mark.1:21-28; 1:29-31; 3:1-6; Luk.13:10-17, 14:1-6; Joh.5:1-18). De overste van de synaoge richtte zijn klacht aan de menigte, niet aan de Heer Jezus. Ze hadden meer liefde voor hun os of ezel dan voor deze vrouw! Jezus noemt ze huichelaars. Huichelaars of hypocrieten zijn mensen die voordoen bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houden. In Jezus’ beroemde rede tegen de Farizeeën en schriftgeleerden vinden we van hun huichelarij talloze voorbeelden (Mat.23). De overste van de synagoge zei: ‘kom maar gedurende de week, maar niet op de sabbat’. Zou hij, of de eventuele andere aanwezige Farizeeën of schriftgeleerden, ze hebben kunnen genezen? En als hij de macht had mensen te genezen, waarom had hij hen dan niet eerder genezen? In het volgende hoofdstuk vinden we een gelijke kwestie (Luk.14:1-6). De Heer Jezus geeft twee voorbeelden uit de praktijk van het dagelijkse leven om aan te tonen dat het geoorloofd was goed te doen op sabbatdag en om de Farizeeën en schriftgeleerden op hun hypocriete houding te wijzen. Hier antwoordde de de Here hen en zeide: ‘Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken?’ En in hoofdstuk 14:5: ‘Als een zoon of een os van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op de sabbatdag?’

3. Reacties (13:17)

‘En toen Hij dit zeide, schaamden zich al zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden’

We vinden drie reacties op de genezing van deze vrouw. Ten eerste zijzelf: het was er een van dank en verheerlijking van God. Het gaat niet om de genezing van deze vrouw, het gaat erom dat God wordt grootgemaakt. ‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’ (Mat.5:16). De omstanders verheugden zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden. Bij de genezing van de verlamde in ditzelfde evangelie lezen we dat: ‘ontzetting allen beving en zij verheerlijkten God, en werden met vrees vervuld, zeggende: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien’ (Luk.5:26). De tegenstanders werden beschaamd, wellicht om het feit dat Jezus hen de les had gespeld!

‘Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw’ (Mt.23 :23).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Tafelgesprekken

Lukas 14:1-24

 

 

 

Inleiding

Zou u willen dat Jezus eens bij u op bezoek kwam? U heeft wellicht ook wel eens het tekstbordje zien hangen in een woning met de tekst: 'Jezus Christus is het Hoofd van dit huis, de stille Toehoorder van elk gesprek en de ongeziene Gast bij elke maaltijd’. Dit zijn mooie gedachten en gewetensvol omgaan daarmee zou het leven in elk gezin beter maken. Maar ik vraag me wel eens af hoeveel van ons werkelijk de Heer Jezus aan hun tafel zouden willen,want Hij kan een ‘lastige’ Gast zijn! Een Farizeeër ontdekte dat toen Hij de Heer Jezus uitnodigde op een ontbijt op de sabbat. Was het met bijbedoelingen dat hij Hem op de Sabbat uitnodigde? ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden’ (Luk. 6:7; 14:1). In ieder geval ging het die morgen anders dan zij gedacht zullen hebben, want die ‘tafelgesprekken’ waren allesbehalve vrijblijvend; de Heer Jezus gebruikte deze gelegenheid immers om een aantal gelijkenissen te vertellen en daarin onderwees hij vier belangrijke lessen, die ook voor ons hun nut kunnen hebben.

Een les in barmhartigheid (14:1-6)

‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.'

(Mark. 2:27; Joh. 4:16v)

Dat de sabbat een heilige dag was voor de Israëlieten mag duidelijk zijn. De straffen op het overtreden van de sabbat waren zwaar. ‘Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten’ (Ex. 31:14). Dat het God serieus was kunnen we leren uit het voorbeeld van de sabbatschender in Numeri 15:32-36. Mocht er dan niets gedaan worden op de sabbat? Het is interessant te zien dat er op de sabbat een extra offer gebracht moest worden boven het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer (Num. 28:10). Wie ooit een bezoek aan Israël heeft gebracht zal weten dat er in de hotels een speciale ‘sabbatlift’ is, een lift die op de sabbat automatisch op elke verdieping stopt zodat de mensen niet op de knoppen hoeven te drukken en daarmee het sabbatgebod zouden overtreden. Ik heb vaak meegemaakt dat wij pas na het einde van de sabbat het hotel in mochten en dan warm eten kregen dat de vrijdag voor de sabbat al was klaargemaakt. En zo zijn  er nog veel meer zaken te noemen. De Farizeeën en schriftgeleerden gingen zo ver in hun ijver dat ze de Heer Jezus probeerden te doden na de genezing op de sabbat van de verlamde bij de vijver van Bethesda. ‘Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde’ (Joh. 5:18). Terugkerend naar ons Bijbelgedeelte in het evangelie naar Lukas zien we dat Jezus op de hoogte was van wat de Farizeeën en de schriftgeleerden dachten (o.a. Luk. 6:8; 9:47; 11:47) en Hij pareerde dat met de vraag: ‘Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?’ (vs.3).

Hierop konden of wilden ze geen antwoord geven.

Een mooi voorbeeld op welke manier de Heer Jezus de sabbat ondergeschikt achtte aan bepaalde omstandigheden, vinden we in het Lukasevangelie toen Jezus en de discipelen door de korenvelden wandelden  en de discipelen aren plukten, stuk wreven en aten. Toen de Farizeeën Hem daarover aanspraken, antwoordde de Heer hen naar de geschiedenis van David uit het Oude Testament (1 Sam. 21:1-6). ‘Hebt gij dan ook dit niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen?’ (Luk. 6:3). Uit deze en andere voorbeelden blijkt dat ‘de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.’ (Mark.2:27; Joh.4:16v)

Een les in nederigheid (14:7-11)

‘Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (Matt. 23:12)

Uit deze gelijkenis kunnen we een belangrijke les leren die niet alleen op de Farizeeën en schriftgeleerden van toepassing is maar ook op onszelf: een les in nederigheid! In de wereld is het de normaalste zaak om met list of geweld de eerste te willen worden. Maar ook in het Koninkrijk van God vinden we soortgelijke taferelen. ‘Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar’ (Mat.11:12). Dit is geen gemakkelijk vers om te duiden waar of over wie het hier gaat. De oppositie tegen de aankondiging van het koninkrijk der hemelen kwam van de Farizeeën, die het religieuze systeem vertegenwoordigden, en één van de geweldenaars was Herodes Antipas, die Johannes de Doper gevangen nam. Vandaag de dag is het niet anders, ook nu zien we religieuze leiders die graag de eerste plaats innemen (Mat.23:1-11) en zien we dat de gelovigen in veel delen van de wereld vervolgd worden door de overheid.

De principes om in het koninkrijk der hemelen de eerste plaats te willen innemen verschillen echter fundamenteel van de wereldse principes en zijn veel moeilijker in de praktijk te brengen.  ‘Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar’, dat was het antwoord dat de Heer Jezus gaf naar aanleiding van de discussie die de discipelen hadden gehad over ‘wie de grootste (of: de belangrijkste) was’ (Mark. 9:35). Om in te zien wat het betekent om jezelf te vernederen, hebben we Iemand die ons is voorgegaan wiens voorbeeld we mogen volgen (1 Petr.2:21). In de brief aan de Fillipenzen worden we opgeroepen om dezelfde gezindheid te tonen die ook de Heer Jezus heeft getoond: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader’ (Fil. 2:5-11). Hieruit wordt duidelijk hoe we eerste plaats kunnen bereiken in het Koninkrijk der hemelen; na vernederen volgt verhoging, of om het met de woorden van de apostel Petrus te zeggen: ‘Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd’ (1 Petr. 5:5-7).

Een les in weldadigheid (14:12-14)

‘… de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen’  (Hand. 20:35).

In het boek Zacharia roept God het volk op tot barmhartigheid: ‘Zo zegt de HERE der heerscharen: spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid’  (Zach. 7:9)

Barmhartigheid wordt wel eens met de volgende definitie omschreven: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren.’

Uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan weten we dat de priester en de Leviet daarin bepaald niet uitblonken. De Farizeeën stonden bekend als geldzuchtigen (Luk. 16:14).

God is ons voorgegaan in barmhartigheid, zo kunnen wij te weten komen uit het Oude Testament, en ook wij zijn gered ‘niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid’ (Tit. 3:5). Jakobus is vrij sterk in zijn benadrukking van barmhartigheid wanneer hij spreekt over weldadigheid: ‘Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft’ (Jak.2:13).

Dat de Farizeeën en de schriftgeleerden uitermate gewiekst waren in het omzeilen van de wet, blijkt wel uit Markus 7:6-13, waar de Heer Jezus tot hen zegt: ‘Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.’ Wat was hier het geval? Wel, door te zeggen dat een zaak waardoor ze hun ouders hadden kunnen helpen, een aan God gewijde offergave was, ontkwamen ze aan hun verplichtingen ten opzichte van hun ouders en stelden Gods wet buiten werking.

Wat was hier het geval? Ze nodigden mensen uit, vrienden, buren, bloedverwanten, voor een maaltijd met de bijbedoeling dat ze hun investering er wel weer uit zouden krijgen; met andere woorden dat het hun niets zou kosten. Ware barmhartigheid is zich ontfermen en schenken (Ps. 37:21). En zij (en ook wij) hoeven niet bang te zijn dat het niet vergolden zal worden, want het zal ons vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen (Luk. 14:14). Gezegde: ‘Je kunt je beloning geen twee keer ontvangen. Je krijgt ze nú van mensen, of morgen van God.’ We zijn geroepen om wel te doen: ‘God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen’ (1 Tim. 6:18). Laten we dan geven zonder bijbedoelingen en we zullen Gods zegen ervaren en zullen er echt niet armer van worden! ‘Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden’ (Spr. 11:24).

Een les in prioriteiten stellen (14:15-24)

‘Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient.’ (Luk. 19:42)

‘First things first’ is een bekend Engelse gezegde, of in het Nederlands: ‘Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’. De gelijkenis van het grote avondmaal volgt naar aanleiding van de voorgaande verzen, die iemand ertoe brachten om op te merken dat ‘hij gelukkig is die brood zal eten in het koninkrijk van God’. We kunnen deze gelijkenis in drie hoofdpunten samenvatten: (1) de voorbereiding, (2) de uitnodiging en (3) de gevolgen.

1. De voorbereiding – ‘Komt, want het is nu gereed’

‘Komt, want het is nu gereed’ moest de slaaf tot de genodigden zeggen. Alle voorbereidingen waren getroffen en het moment was gekomen om aan te schuiven. Zoveel eeuwen later mogen ook wij de mensen uitnodigen en zeggen: ‘Zie, nú is het de tijd des welbehagens’ zie, nú is het de dag des heils’ (2 Kor. 6:2). ‘Heden, indien gij zijn stem hoort’ en ‘En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet’ (Hebr. 4:7; Op.22:17). Er is geen tweede kans.

2. De reacties – ‘Houd mij voor verontschuldigd’

De reacties op de uitnodiging zijn zonder meer teleurstellend te noemen en we begrijpen de toorn van de heer des huizes. Als het selchts een gelijkenis was konden we er wellicht nog mee leven, maar als we uit deze gelijkenis mogen leren dat de ‘uitnodiger’ God is, die zijn Zoon gegeven heeft opdat wij ‘brood zouden kunnen eten in het koninkrijk van God’,dan begrijpen wij hoeveel pijn het God moet doen wanneer mensen zijn aanbod van liefde en genade afslaan.

Ook in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden vinden we een eenzelfde afwijzing. Maar we lezen daar wat meer over de verwachtingen van de heer des huizes, want hij dacht: mijn zoon zullen zij ontzien. Leest u maar: ‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem’ (Mat. 21:33-39).

Deze verwerping van het heil moet God in zijn hart geraakt hebben!

3. De gevolgen – ‘Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is’

Hoe erg het ook is, de Bijbel leert ons heel duidelijk dat de verwerping van het heil wat we ontvangen kunnen in Christus, oordeel inhoudt. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee en wijzen erop dat God een God van liefde is en dat nooit zal doen. De Bijbel leert ons het tegendeel en dat is de norm die we dienen te hanteren als we over zulke zaken spreken. Een voorbeeld daarvan zien we bij de apostel Paulus wanneer hij in Athene het Evangelie verkondigt en spreekt in dergelijke bewoordingen: ‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’ (Hand. 17:30-31). Dus: ‘Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De gelijkenis van de verloren zoon

Lukas 15:11-24

 

 

 

Inleiding

Dat de Heer Jezus vaak tot de mensen sprak door middel van gelijkenissen is bekend. In het bijzonder in het evangelie naar Lukas vinden we er een groot aantal. Op die manier probeerde de Heer Jezus het hart van de mensen te bereiken met geestelijke waarden. Iemand heeft eens gezegd: ‘Een gelijkenis is een aards verhaal met een hemelse boodschap’. (Zie mijn artikel ‘Inleiding in de gelijkenissen’) De mensen zeiden: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!’ (Joh. 7:46; Math.7:28-29; Luk.4:22)

Tot welke mensen sprak de Heer Jezus in gelijkenissen en in het bijzonder de gelijkenis van de verloren zoon? De eerste verzen van hoofdstuk vijftien geven ons het antwoord: ‘Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen’ (Luk.15:1-3). Twee soorten mensen: de tollenaars die een slechte reputatie hadden omdat ze de mensen vaak financieel benadeelden maar ook de zondaars dat wil zeggen hen die zich nog aan de wet hielden en ook niet deelnamen aan het joodse religieuze leven. In het kort gezegd ‘zondaars’. De tweede groep luisteraars bestond uit de Farizeeën en schriftgeleerden dat waren mensen die van zichzelf vertrouwden dat ze rechtvaardig waren (Luk.18:9). De personen vermeld in de gelijkenis van de verloren zonen hebben geen naam maar toch is het niet moeilijk om ze te identificeren. De vader representeert God in de persoon van Jezus. ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh14:9). De jongste zoon vertegenwoordigt de tollenaars en de zondaars die hun geestelijke erfenis hadden verloren en op zoek waren naar een nieuw begin. In de oudste zoon zien we de Farizeeën en de schriftgeleerden die van zichzelf vonden dat ze al rechtvaardig waren.

Drie gelijkenissen

In zijn toespraak tot hen vertelde de Heer Jezus drie gelijkenissen: de gelijkenis van het verloren schaap, de gelijkenis van de verloren munt en tenslotte de gelijkenis van de verloren zoon. Het schaap liep verloren omdat het geen herder had (Jes.53:6), de munt raakte verloren wegens onoplettendheid en de zoon raakte verloren vanwege zijn opstandigheid. Let erop dat één schaap van de honderd verloren raakte (1%), dat één munt van de tien zoek raakte (10%) en één van de twee zonen verloren ging (50%).

1. Een opstandige zoon

Toen de Heer Jezus de gelijkenis begon met de woorden: ‘Iemand had twee zonen’ zullen de luisteraars misschien wel gedacht hebben dat het zou gaan om Adam en zijn zonen Abel en Kain of Abraham en zijn zonen Izaäk en Ismaël of Izaäk en zijn zonen Jakob en Ezau maar er word geen naam vermeld. Dat de jongste zoon zijn aandeel van het bezit van zijn vader opvroeg was geen ‘slip of the tongue’ maar maakte deel uit van de plannen die hij in zijn hart meedroeg. Zijn hart was al in dat verre vreemde land lang voordat hij er kwam.  Hetzelfde kunnen we zeggen van Lot die wel uit Egypte was geraakt, maar in zijn hart had Egypte nog wel plaats, dat bleek toen hij de keuze moest maken en zich van Abram moest afscheiden. ‘Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte’ (Gen.13:10). Zo lang Lot in de nabijheid van Abram bleef ging het goed met hem maar toen hij op eigen benen in het leven moest staan ging het verkeerd. Het verdere verloop van zijn leven en einde is bekend. Een moeder kan haar kind niet het hele leven lang voeden; er komt een tijd dat het kind zelfstandig moet gaan functioneren (Gen. 21:8; 1 Sam.1:24).

Het is niet waar dat mensen geen keuzes maken, ze maken wel keuzes maar vaak de verkeerde. De jongste zoon maakte de keuze om naar zijn deel van de bezittingen van zijn vader te vragen, daardoor liet hij eigenlijk blijken dat hij zijn vader dood wenste. Zolang de jongste zoon thuis was bleek uit niets dat hij zondige neigingen had maar eenmaal op eigen benen in dat verre land openbaarde de zonde zich in een losbandig leven. ‘Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen’ (Mat.15:19). Wat de jongste zoon wilde was vrijheid – vrij van het gezag van zijn vader en van de kritische geest van zijn broer, maar hij wist niet wat werkelijke vrijheid was. Vrijheid betekent verantwoordelijkheid. Vrijheid is een leven in gehoorzaamheid aan de Waarheid en gemotiveerd door liefde. Jezus zei tot de Joden, die in Hem geloofden: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh.8:31-32).

2. Een verloren zoon

Eenmaal in het verre land aangekomen begon hij te genieten van zijn vermeende vrijheid, het feest kon beginnen, aan geld en vrienden geen gebrek. Spreuken zegt: ‘Wie wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader; maar wie met hoeren verkeert, brengt zijn vermogen door’ (Spr.29:3; Luk.15:30). Maar het ‘feest’ duurde niet lang want hij had zijn vermogen er snel doorgejaagd. Zware tijden doemden aan de horizon; er kwam een zware hongersnood in dat land. Was deze hongersnood door God beschikt zoals de storm die God beschikte bij Jona om de jongste zoon tot andere gedachten te brengen  (Jona 1:4,17, 4:6,7,8). ‘Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?’ (Rom.2:4). ‘Hij begon gebrek te lijden’ maar zat nog niet helemaal aan de grond want hij probeerde zichzelf nog te redden door voor een boer de varkens te hoeden. Op zich was het al een grote vernedering dat een jood op onreine dieren moest passen maar dat bracht hem nog niet tot nadenken. Pas toen hij nul op zijn verzoek kreeg om van de schillen te mogen eten die de varkens kregen, zag hij zijn hopeloze situatie in. Het proces van inkeer begon. Hoe vaak horen we van getuigenissen van gelovigen die helemaal vastgelopen waren in hun leven en toen tot God riepen. ‘Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet; hongerig waren zij, ja dorstig, hun ziel versmachtte in hen. Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid, en Hij redde hen uit hun angsten’ (Ps.107:4-6). ‘Toen kwam hij tot zichzelf’ en dacht aan het huis van zijn vader en alles wat hij daar kon krijgen. Het is altijd een voordeel dat kinderen een goede herinnering met zich meedragen aan hun huis waar ze als kind zijn opgegroeid. De jongste zoon besefte dat hij door iedereen verlaten was en zei tot zichzelf: ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners’ (Luk.15:17-19). ‘En hij stond op en ging naar zijn vader! Bij het voornemen voegde hij de daad (2 Kor.8:10-11). Na een duidelijke erkenning van zijn hopeloze situatie waarin hij geraakt was door zijn opstandigheid volgde een duidelijke belijdenis: ‘Ik heb gezondigd!’

3. Een liefdevolle vader

De vader was niet achter zijn zoon aangegaan om hem te zoeken maar hij bleef thuis en stond op de uitkijk en toen hij hem in de verte zag komen werd hij met ontferming bewogen en liep hij snel op hem af, viel hem om de hals en kuste hem innig. Het was niet gebruikelijk dat oudere mannen in het oosten snel liepen maar er was nog een andere reden dan alleen zijn terugkeer naar huis. Ik ken maar een Bijbels voorbeeld van een oude man die rende en dat was Abraham (Gen.18:6). Volgens de wet was de verloren zoon een weerspannige zoon, een doorbrenger en een drinker en zo iemand moest gestenigd worden. Wanneer een man een weerbarstige, weerspannige zoon heeft, die naar zijn vader en moeder niet wil luisteren, en hun niet gehoorzaamt, hoewel zij hem tuchtigen, dan zullen zijn vader en moeder hem grijpen en naar de oudsten van zijn stad brengen, in de poort van zijn woonplaats, en zij zullen tot de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is weerbarstig en weerspannig, hij wil naar ons niet luisteren, hij is een doorbrenger en een drinker. Dan zullen alle mannen van zijn stad hem stenigen, zodat hij sterft. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen; geheel Israël zal dit horen en vrezen (Deut.21:18-21). Als de buren of de inwoners hem hadden willen stenigen hadden ze de vader geraakt die hem omhelsde. Wat een prachtig beeld van wat de Heer Jezus voor ons deed op het kruis! We worden niet behouden door de liefde van God, want God heeft de wereld lief maar toch worden niet allemensen behouden, maar door zijn genade die zich heeft geopenbaard op het kruis van Golgotha (Ef.2:8; Tit.3:4-7).

4. Een troostende ‘moeder’

De Heer Jezus zei in de gelijkenis niets over de moeder maar in een ets van Rembrandt van de verloren zoon menen sommige kunstkenners toch een moeder te herkennen. Dit kenmerk van een moeder vinden we ook terug in het schilderij van Rembrandt over de terugkeer van de verloren zoon. In dat schilderij van Rembrandt zien we een geknielde jongeman, die omhelsd wordt door een oudere man, zijn vader. Rechts zijn drie mannen afgebeeld, die in stilte toekijken. Opvallend aan het schilderij zijn de handen van de vader: de ene hand ziet eruit als een krachtige vaderhand, die de zoon stevig tegen zich aandrukt. De andere hand is eerder een vrouwenhand, die de zoon eerder liefdevol en zorgzaam verwelkomt. De staande man rechts is de broer van de verloren zoon. De bijbel toont ons God altijd als een Vader of man, nooit als een moeder of vrouw. De Heer Jezus was de laatste Adam. Toch spreekt de Bijbel van de ‘moederlijke’ gevoelens van God, leest u maar: Maar Sion zegt: De HERE heeft mij verlaten en de HERE heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet’ (Jes.49:14-15). De apostel Paulus spreekt in de eerste brief aan de Thessalonicenzen van zijn gevoelens die hij had voor de gelovigen in de gemeente te Thessaloniki: ‘zoals een moeder haar eigen kinderen koestert’ en van ‘een vader die zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden, aanmoedigden, en betuigden te blijven wandelen, Gode waardig’ (1 Thes.2:7,11).

Een verbitterde zoon

Het zou niet goed zijn de bespreking van de gelijkenis van de verloren zoon te beëindigen zonder iets te zeggen over de oudste zoon. Hij maakt ook deel uit van de gelijkenis. Zoals al aangegeven is hij een beeld van de Farizeeën en schriftgeleerden die de omgang met zondaars vermeden en kritiek uitoefenden dat de Heer Jezus met hen omging (Luk.15:2). Stel dat de jongste zoon niet naar huis was teruggekeerd dan hadden we nooit geweten wie de oudste werkelijk was.  Dan hadden we gedacht dat hij een hardwerkend en oppassend lid van de familie was geweest. Maar door de terugkeer van zijn broer krijgen we een blik in het hart van de oudste zoon. Zo werd ook duidelijk wat in het hart van Judas was toen Maria een pond echte, kostbare nardusmirre nam en de voeten zalfde van Jezus waarop Judas reageerde door te zeggen: ‘Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’ Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam (Joh.12:1-8). De bijzonder grote gift die Barnabas aan de voeten van de apostelen neerlegde bracht het bedrog van Ananias en Saffira aan het licht. (Hand.4:36 - 5:11). De jongste zoon zondigde in een ver land maar hij bekende zijn zondig gedrag. Maar zijn oudere broer zondigde thuis maar wist het goed te verbergen totdat zijn broer thuiskwam. Als de verloren zoon schuldig was aan de zonden van het vlees, dan was zijn oudere broer schuldig aan de zonde van geest (2 Kor.7:1). Het is waar dat van sommige mensen de zonden zo duidelijk zijn, dat zij voor hen uitgaan naar het gericht, bij anderen komen zij achteraan. Zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmede het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven’ (1 Tim.5:24-25).

Tenslotte.

Heb je jezelf in deze gelijkenis herkend? Ben jij een verloren zoon die zijn leven heeft vergooit maar verlangt om terug te keren naar huis, naar de Vader? Hij zal je tegemoet komen rennen om je te ontvangen, dus wacht niet!

Gelijk jij op de oudste broer, die een feest mist vanwege een onverzoenbare geest en een verhard hart? Belijd dan je zonden aan de Vader en ontdek de vreugde van verzoening en vergeving.

Jezus begroet zondaars en eet met hen. De Vader verwelkomt kritische mensen en geeft hen een nieuw hart zodat ze kunnen genieten van het feest en de gemeenschap.

Ook vandaag bied de Heer Jezus je een nieuw leven aan. Wacht dan niet, maar kom!

Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig’ (Ps.16:11).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Zeven tekenen in het Evangelie naar Johannes

 

 

Inleiding

Terwijl de eerste drie evangeliën grotendeels overeenkomen in het verhalen van de gebeurtenissen in het leven van de Here Jezus, verschilt Johannes daarin dat hij de geestelijke betekenis verstrekt. Hij gaat dieper en presenteert waarheden die in de andere evangeliën niet benadrukt worden. Bijvoorbeeld, alle vier de evangeliën vermelden de spijziging van de 5000, maar alleen Johannes vermeld de grote toespraak over het Brood des levens in Johannes 6, dat de betekenis van het wonder verklaart. Daarom gebruikt Johannes ook het woord ‘teken’ in plaats van ‘wonder’ want een teken is een wonder dat een boodschap in zich bergt. ‘Joden begeren tekenen’ (1Kor.1:22).

Christus in het evangelie naar Johannes.

Johannes benadrukt de Persoon van Christus en ook Zijn werk. Hij geeft meerdere boodschappen waarin Jezus over Zichzelf spreekt en Zijn opdracht verklaart. Merk op dat er zeven vermeldingen zijn met ‘Ik Ben’.

Ik ben het brood des Levens; Ik ben het Licht van de Wereld; Ik ben de Deur van de schapen; Ik ben de Goede Herder; In ben de Opstanding en het Leven; Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, en tenslotte Ik ben de Ware Wijnstok.

De tekenen in het evangelie naar Johannes.

Van de vele tekenen die de Here Jezus heeft gedaan, selecteert Johannes er zeven om Zijn Godheid te bewijzen. (Het achtste in hoofdstuk 21 was alleen voor de discipelen en vormde een afsluiting van het evangelie.) Deze zeven tekenen zijn in een bepaalde volgorde gegeven (merk op in 4:54, ‘dit tweede teken nu heeft Jezus weer gedaan’) en geven een beeld van de redding of verlossing.

De eerste drie tekenen laten zien hoe de zondaar de redding ontvangt:

1.         Water verandert in wijn (2:1-11) – verlossing door het Woord

2.         Genezing van de zoon van een hoveling (4:46-54) – verlossing door geloof

3.         Genezing van de verlamde (5:1-9) – verlossing door genade

De laatste vier tekenen laten het resultaat of de gevolgen van die redding zien in het leven van de gelovige:

4.         De spijziging van de vijfduizend (6:1-14) – verlossing geeft bevrediging

5.         Het stillen van de storm (6:16-21) – verlossing geeft vrede

6.         Genezing van de blinde (9:1-7) – verlossing brengt licht

7.         Opwekking van Lazarus (11:38-45) – verlossing geeft leven

1. Water verandert in wijn - Verlossing door Gods Woord (2:1-11)

(1) De mensen hadden dorst, hetgeen een beeld moet zijn van deze wereld zonder Christus. De Bijbel nodigt dorstige zondaars uit om te komen en te drinken. (Joh.4:13, 7:37, Jes.55:1, Op. 22:17)

(2) Lege watervaten symboliseren het menselijk hart, leeg en hard. Het Woord van God vergelijkt het hart met vaten. (2Kor.4:7, 2Tim.2:20)

(3) Water is in de Bijbel een beeld van Gods Woord. (Ef. 5:26, Joh.15:3)

(4) Als het Woord in het hart van de zondaar geraakt, dan kan Christus een wonder werken en vreugde brengen. Filippus vulde de Ethiopiër met het Woord en toen hij tot geloof kwam, gebeurde het wonder van de redding, hij ging zijn weg met blijdschap. (Hand.8:39). In het OT werd water veranderd in bloed (Ex.7:19), wat spreekt van oordeel. Maar Christus veranderde water in wijn, wat spreekt van genade en vreugde. Wijn symboliseert de Heilige Geest (Ef. 5:18) en de vreugde: ‘De wijnstok, die God en mensen vrolijk maakt’ (Ri.9:13, Ps.104:15).

2. Genezing van de zoon van de hoveling – Verlossing door geloof (4:46-54)

Dit is het tweede van de zeven wonderen in Johannes. Deze tekenen laten zien hoe een persoon gered wordt en gevolgen daarvan daarna. De eerste twee tekenen hadden plaats in Kana in Galilea. Het water dat werd veranderd in wijn laat zien dat de redding door het Woord is. De genezing van de zoon in dit hoofdstuk laat ons zien dat de behoudenis door het geloof is. De zoon lag stervend in Kapernaüm, ongeveer 24 KM. van Kana. De man vroeg Christus met hem mee te komen want hij geloofde niet dat Hij op een afstand kon genezen. (vgl. Ook Maria’s reactie in Joh.11:21). Jezus ging niet met de man mee, maar zei tegen hem: ‘Ga heen, uw zoon leeft’. En de man geloofde het woord dat Jezus tot hem zei. Voor de man had een tocht naar het huis slechts drie uur of vier uur gekost, maar vers 52 (gisteren) geeft weer dat hij verder in Kana bleef. De jongen was om een uur ’s middags genezen, en de volgende dag kwam de vader thuis. Dit bewijst dat hij echt geloof had in het woord van Christus, want hij haastte zich niet naar huis om te zien wat er gebeurd was. Dit is de weg waardoor wij gered zijn, door ons geloof te baseren op Gods Woord. ‘Christus zegt het, ik geloof het, dat geeft zekerheid!’ De hoveling bleef kennelijk in Kana, deed zijn zaken, en ging de volgende dag naar huis. Hij had ‘blijdschap en vrede in het geloof’ (Rom.15:13) want hij vertrouwde alleen op het woord van Christus. Hij was niet verrast als zijn knechten hem vertelden ‘Uw zoon leeft’. Hij vroeg slechts wanneer de genezing was ingetreden en verifieerde dat het het uur was dat Jezus tot hem gesproken had. Het resultaat: zijn gehele huis geloofde in de Heer. ‘Geloof komt door het horen en het horen door het Woord van God’ (Rom.10:17). Jezus geeft in vers 48 de reden waarom mensen niet geloven: zij wilden tekenen en wonderen zien (Joh.2:23). Houdt in gedachten dat de satan ook in staat is wonderen en tekenen te doen om te misleiden (2Thes.2:9-10). Als jouw geloof gebaseerd is op gevoelens, dromen, visioenen, stemmen, of iets dergelijks, dan ben je op gevaarlijk terrein. Het is het geloof in het Woord dat ons de zekerheid van het eeuwig leven kan geven (1Joh.5:9-13) 

3. Genezing van een verlamde – Verlossing door genade (5:1-9)

Dit wonder completeert de drie wonderen die laten zien hoe een persoon wordt gered. Het eerste (water in wijn) laat ons zien dat redding gebeurt door het Woord van God. De tweede (de genezing van de zoon van de hoveling) toont os dat de behoudenis is door het geloof. Dit derde wonder laat ons zien dat redding is door genade. Deze man was in een meelijwekkende toestand. Vanwege zijn zonde in het verleden (zie vs.14) was hij getroffen door deze ziekte, meer dan achtendertig jaar. Hij was omringd door dezelfde soort mensen, die allen de droevige toestand tonen van de verlorenen: krachteloos (Rom.5:6), blind, kreupel (niet in staat om goed te wandelen - Ef.2:1-3), verlamd, en wachtend tot er iets zou gebeuren (zonder hoop – Ef.2:12). Als deze mensen in het water gingen als de engel kwam, zouden ze genezen worden; maar ze hadden geen kracht om er te geraken! Dat gelijkt op de zondaar van vandaag; als zij Gods volmaakte Wet zouden kunnen houden, zou hij gered kunnen worden; maar daartoe is hij niet in staat. Maar zie de genade van God aan het werk! ‘Bethesda’ (vs.2) betekend ‘huis van genade’, en dat is het voor die man geworden. Wat betekent genade eigenlijk? Het betekend goedheid voor hen die het niet verdienen. Jezus zag de menigte zieke mensen – maar Hij koos er maar één uit en genas hem! Deze man verdiende het niet meer dan de anderen, maar God koos hem uit. Dit is een mooi beeld van verlossing, en het moet ons nederig maken, wij die weten dat we uitverkoren zijn ‘in hem’ en dat niet vanwege onze eigen verdiensten maar door zijn genade (Ef.1:4). Wat Christus zegt in 5:21 wordt hier toegepast: Hij geeft leven aan wie Hij wil. We kunnen de genade van God niet verklaren (Rom.9:14-16), maar als het niet door Gods genade was, dan zou niemand gered kunnen worden (Rom.11:32-36).

Neem kennis van de volgende punten: Er waren vijf zuilengangen, en vijf is in de Bijbel het getal van genade; en de vijver was bij de Schaapspoort, wat duidt op een offer. Het Lam van God moest sterven voordat Gods genade naar de zondaar kon stromen. Christus genas hem op de sabbat, daardoor bewees Hij dat de wet niets te doen had met de genezing. Hij genas Zelf deze man, alleen in Christus is de redding. De man klaagde, ‘ik heb geen mens’ (vs.7), maar er waren wel mensen maar die konden hem niet helpen zoals Christus dat deed. De verloren zonder heeft geen hulp nodig, maar genezing. De man ging naar de tempel, vermoedelijk om te aanbidden (Hand.3:1-8), en getuigde openlijk dat Christus hem had genezen (vs.15). Er is geen bewijs dat deze man Jezus vertrouwde voor zijn eeuwig heil. Toe Jezus op de sabbat genas, betekende dat het begin van de haat en tegenstand van de religieuze leiders. Dit conflict groeide uit en leidde uiteindelijk tot de kruisiging van Christus.       

4. De spijziging van de vijfduizend – Verlossing geeft voldoening (6:1-14)

De eerste drie wonderen tonen hoe iemand wordt gered; door het Woord, door geloof en door genade. De laatste vier wonderen in het Johannes evangelie illustreren de resultaten van de redding. Het vierde wonder (de spijziging van de 5000) laat ons zien dat redding de innerlijke noden van het hart bevredigd, Jezus is het Brood van het Leven. Dit wonder herinnert ons er ook aan, dat hoewel de redding van God geschonken is uit genade, God mensen gebruikt om zijn evangelie te verkondigen. Jezus gaf het brood en de vis aan zijn discipelen, en zij deelden het met de mensen. ‘Hoe zullen zij horen zonder dat iemand predikt’ (Rom.10:14). Als, zoals de kleine jongen in Joh.6:9, willen wij Hem alles geven, Hij zal het nemen, breken, en het gebruiken om anderen te zegenen.

Christus is het Brood des levens. Het is interessant het manna te vergelijken met Christus.

(1)       Het kwam ’s nachts van de hemel; Christus kwam van de hemel toen de mensen in de duisternis waren.

(2)       Het geleek op de dauw; Christus kwam, geboren uit de Heilige Geest.

(3)       Het was niet verontreinigt door de aarde; Christus was zondeloos en gescheiden van de zondaars.

(4)       Het was klein, rond en wit, hetgeen Christus’ nederigheid, eeuwigheid en reinheid suggereert.

(5)       Het was zoet om te proeven; Christus is liefelijk voor hen die in Hem geloven.

(6)       Het moest genomen en gegeten worden; Christus moet ontvangen en toegeëigend worden (1:12-13)

(7)       Het kwam als een vrije gift; Christus is de gift van God aan de wereld.

(8)       Er was voldoende voor iedereen; Christus is voldoende voor allen.

(9)       Als je het manna niet oppakte vertrapte je het; als je Christus niet aanvaard, verwerp je Hem en loopt ‘op’ Hem (Heb.10:26-31).

(10)     Het was voedsel voor de woestijn; Christus is ons voedsel voor onze pelgrimsreis hier op aarde.

5. Het stillen de storm – Verlossing geeft vrede (6:16-21)

Jezus wilde geen Koning zijn van een groep van mensen die alleen maar geïnteresseerd waren in hoe hun maag gevuld zou kunnen worden (vs.26). Hij verliet de menigte en zond de discipelen over de zee, wel wetende dat ze in een storm terecht zouden komen. Dat lijkt op de kerk van vandaag: we spannen ons in om de stormen van satan tegen te gaan, maar de Heer is op de berg om voor ons te bidden en eens zal Hij komen om vrede te brengen. Het schip kwam op een wonderlijke manier aan de andere kant toen Jezus aan boord kwam. Redding brengt vrede in het hart – vrede met God (Rom.5:1) en de vrede van God (Fil.4:4-7).

6. Genezing van de blinde – Verlossing geeft licht (9:1-7)

A. De man had de karakteristieken van een verloren zondaar:

(1) Hij was blind (Ef.4:18 Joh.3:3 2 Kort.4:3-6) niet gered, alhoewel intellectueel zoals Nicodemus, kunnen ongelovigen nooit de geestelijke zaken verstaan. (1Kor.2:14-16)

(2) Hij bedelde. De niet geredden zijn arm vanuit Gods punt gezien, alhoewel ze misschien rijk zijn in de ogen van de wereld. Ze bedelen voor iets dat hun diepste noden kan bevredigen.

(3) Hij was hulpeloos

B. Het middel toont hoe Jezus een zondaar redt.

(4) Hij kwam tot de man in genade.

(5) Hij trok de aandacht van de man door zijn ogen met slijk te bestrijken

(6) Hij genas de man door zijn macht

(7) Daardoor werd God verheerlijkt

(8) Het werd door anderen opgemerkt.

7. Opwekking van Lazarus – Verlossing geeft leven (11:38-45)

Hier zien we de redding uitgebeeld in de opstanding uit de dood, en het ontvangen van het leven. Het woord leven is zesendertig keer vermeld in dit evangelie. Lazarus representeert de redding van de zondaar op zeven verschillende manieren, die we elk zullen bezien.

1. Hij was dood.

De niet geredde persoon is niet slechts ziek; hij of zij is geestelijk dood (Ef.2:1-3, Kol.2:13). Als iemand lichamelijk dood is, heeft hij geen reactie op dingen zoals voedsel, temperatuur of pijn. De niet geredde mens heeft geen interesse voor God, Bijbel, Christenen en kerk, totdat de Heilige Geest in zijn hart begint te werken. God waarschuwde Adam dat ongehoorzaamheid de dood zou betekenen (Gen.2:15-17) – psychisch dood (scheiding van de ziel van het lichaam) en geestelijk dood (de scheiding van de ziel van God). Openbaring 20:14 noemt dat de tweede dood, dat is de eeuwige dood.

2. Hij was in verval geraakt

Er worden drie opwekkingen vermeld in de evangeliën, naast die van de Heer zelf. Christus wekte een twaalfjarig meisje op die gestorven was (Luk.8:49-56), een jonge man die al enige uren gestorven was (Luk.7:11-17), en een oudere man die al vier dagen in zijn graf lag (Joh.11). Zij presenteren een beeld van drie verschillende soorten zondaars:

1.Het kleine meisje: Kinderen zijn zondaars, maar het verderf heeft nog niet plaatsgevonden.

2.De jonge man: Jonge mensen zijn zondaars waar de zonde zich begint te openbaren.

3.De oudere man: Volwassenen zijn zondaars wiens zonde duidelijk kan worden gezien.

Het punt is dat ze alle drie dood waren, de een niet meer dan de ander. Het enige verschil lag in de mate van ‘verderf’.

1.         Hij werd opgewekt en ontving leven 11:41-44

2.         Hij werd vrijgemaakt 11:44

3.         Hij getuigde naar anderen11:45

4.         Hij had gemeenschap met Christus 12:1-2

5.         Hij werd vervolgd 12:10-11 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Vragend moeten wij vaak gaan

Joh. 11 en Gen. 37-50

  

 

 

 

‘Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan' (Joh.13:7).

Inleiding

Er is een christelijk lied dat de volgende woorden bevat: ‘Moet ik vragend hier vaak gaan, boven zal ik ’t eens verstaan’ (Geestelijke Liederen 118). Deze woorden zijn mij altijd bijgebleven, en zeker in moeilijke tijden tot troost geweest. In ieders leven komen er gebeurtenissen voor waar we geen weg mee weten en waarvoor we geen antwoorden hebben. Waarom, waarom, waarom? Een eeuwenoude vraag!

Al in het Oude Testament vinden we dat, bijvoorbeeld bij Asaf, de schrijver van Psalm 73, wanneer hij zegt naar aanleiding van het raadsel van de voorspoed van de goddelozen: ‘ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen’ (vs.16). Het antwoord is te vinden in vs.17 waar hij zegt: 'ik kon het niet begrijpen, totdat ik in Gods heiligdommen inging', of om het met de woorden uit het bovenvermelde lied zeggen: ‘boven zal ik ‘t eens verstaan.’

Job is hét klassieke voorbeeld als we met vragen worstelen over lijden en tegenslag. Iemand heeft meer dan honderd vragen geteld in het boek Job, en de meeste zijn door hem zelf gesteld.

We willen twee voorbeelden uit de Bijbel nemen, een uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament, om te zien hoe gelovigen in andere tijden omgingen met zulke vragen.

Maria en Martha (zie: Joh. 11)

'Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag' (Joh. 11:17). De Heer Jezus was niet in Bethanië toen Hij het bericht van Maria en Martha ontving, dat hun broer, Lazarus, ziek was (Joh. 11:3). Wat is dat een enerverende week voor Maria en Martha geweest. Ze hadden nagedacht over het antwoord van de Heer Jezus en begrepen niet wat het betekende: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’ (Joh. 11:4). ‘Niet ten dode?’ Maar Lazarus was gestorven! Hoe kon God hierdoor verheerlijkt worden?

De boodschapper moet er ook door van in de war zijn geraakt. Hoe blij moet hij geweest zijn toen hij het antwoord van de Heer Jezus ontvangen had, en wat moet hij gerend hebben om de zusters het goede nieuws te brengen! Maar toen hij in Bethanië aankwam, ontdekte hij dat hun broer al gestorven was! Hij gaf het antwoord van de Heer Jezus door aan de zusters, maar vroeg zich waarschijnlijk af wat het betekende. Het ging niet zoals het zou moeten!  En hij was de enige niet, ook Thomas maakte, door wat hij tegen zijn medediscipelen zei, duidelijk dat hij het ook niet begreep. ‘Tomas dan, genaamd Didymus, zeide: Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’ (Joh. 11:16). En Martha doet er nog een schepje bovenop door tegen de Heer Jezus te zeggen: ‘Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn’ (Joh. 11:21). Toch kwam er even later een ongelofelijke wending in de zaak toen de Heer Jezus Lazarus opwekte uit de dood!

‘Mijn tijden zijn in uw hand’, schreef David in Psalm 31:16, en er is geen beter tijdschema dan dat. We begrijpen misschien nú niet alles wat God zegt of doet, maar eens zal het ons duidelijk worden. En daarom komt hier het geloof om de hoek kijken. Als we kunnen vertrouwen op Gods Woord en wachten op zijn tijd, dat weten we dat alle dingen meewerken ten goede. Leg jouw tijden in zijn hand. En denk eraan, 'Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd' (Pred. 3:11).

Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’ (Joh. 13:7).

2. Jozef (zie: Gen. 37-50)

Een van de meest mooie en aangrijpende gebeurtenissen vinden we terug in het leven van Jozef. Van de kant van de mens gezien werd hij door zijn broers gehaat, verworpen en verkocht naar Egypte. Van de kant van God zien we het heel anders, want we lezen in Psalm 105:16-17: ‘Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een man voor hen uit.’ De mens wikt en God beschikt!

De vraag is: wat heeft Jozef daar van geweten? Hij zal toch zeker de eerste tijd met veel vragen hebben geworsteld? En wat heeft die onzekerheid met hem gedaan? Uit de beschrijving van zijn leven zien we dat hij een opmerkelijk stabiel geloofsleven heeft geleid. We hoeven maar te denken aan de tijd dat hij bij Potifar in huis diende en verzocht werd door diens vrouw. Ook toen hield hij rekening met God! Leest u maar: ‘Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef, en zij zeide: Kom bij mij liggen. Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer bemoeit zich, met mij naast zich, met niets van wat er in huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven; niemand is in dit huis machtiger dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God? En ofschoon zij dag aan dag tot Jozef sprak, voldeed hij niet aan haar wens bij haar te gaan liggen en omgang met haar te hebben’ (Gen. 39:7-10). Een voorbeeld voor veel jongeren vandaag de dag om ook rekening te houden met God en zich onbesmet van de wereld te bewaren en de begeerten van de jeugd te ontvluchten! (Jak. 1:27; 2 Tim. 2:22).

Toch moet Jozef in de verdere jaren in Egypte gegroeid zijn in de kennis en de genade van de Heer Jezus en het verstaan van de raad Gods (2 Petr.3:18), wanneer hij zegt, als hij zich aan zijn broeders bekend maakt, ‘Toen zeide Jozef tot zijn broeders: Komt toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zeide: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte’ (Gen. 45:4-8).

Ook hier vinden we weer die twee kanten wanneer we lezen ‘uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt’ en ‘Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God.’ Een schitterend voorbeeld waarin we de raad van God zien samenwerken met de (zondige) wegen van de mens. Na het sterven van Jakob troostte Jozef zijn broers nog eens met de woorden: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden.’

Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’ (Joh. 13:7).

Tenslotte

Bovenstaande voorbeelden illustreren voldoende dat Gods weg de beste is, en dat Hij zijn kinderen nooit onnodig leed zal doen overkomen. En mocht u eens in een situatie komen waarin u Gods handelen niet kunt volgen, dan mag u leven in de zekerheid dat u ‘het na dezen zult verstaan!’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Waarvoor de Heer Jezus gekomen is

Johannes 14

 

 

 

Inleiding

We kunnen het Johannes evangelie indelen naar het voorbeeld van de tabernakel in het OT in: (1) de voorhof, (2) heilige en (3) het heilige der heiligen. En als we die vergelijking maken, zien we dat de Here Jezus in de hoofdstukken 1–12 leert en spreekt tot alle mensen. We kunnen dat vergelijken met de voorhof in de tabernakel waar ook iedereen mocht komen. In de hoofdstukken 13-16 spreekt de Heer Jezus tot zijn discipelen, en dat gedeelte kunnen we vergelijken met het Heilige waar alleen de priesters mochten komen. En tenslotte spreekt Hij tot zijn Vader in de hoofdstukken 17-19, als de Hogepriester die alleen het Heilige der Heilige mocht betreden. De laatste hoofdstukken vormen dan de afsluiting van het evangelie en de overgang naar het boek Handelingen. Het is alsof Johannes, ‘de discipel die de Here Jezus liefhad’ en die aan zijn borst leunde, ook de diepste inzichten in de Persoon van de Here Jezus heeft ontvangen. Misschien dat daarom ook zijn evangelie het meest geliefd is.

Hoofdstuk 14 begint met de bekende woorden ‘Laat uw hart niet ontroerd worden’ en besluit met bijna dezelfde woorden ‘Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden’ (vs.27). Waarom zegt de Here Jezus dit? Wel daarvoor zijn drie oorzaken. (1) In het voorgaande hoofdstuk (vs.21) vinden we de voorzegging door de Heer Jezus wie Hem zou verraden; Judas zoals wij weten. (2) Als Judas dan is weggegaan zegt de Here Jezus tegen de discipelen in vers 33, dat Hij nog maar een korte tijd bij hen zal zijn en (3) als ‘klap op de vuurpijl’ voorzegt de Here Jezus dan ook nog de verloochening van Petrus! (vs.38). Niet bepaald opbeurende zaken voor de discipelen, vandaar dat de Heer Jezus hen wilde bemoedigen met één van zijn laatste boodschappen.

De Heer Jezus is gekomen om…

… ons plaats te bereiden

‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Jh.17:24).

De Heer Jezus had het huis van de Vader verlaten en staat nu kort voor zijn terugkeer. Nog weinige dagen scheiden Hem van het weerzien met de Vader en de heerlijkheid die Hij had bij de vader had (Joh.17:5). Maar het belangrijkste werk waarvoor de Heer Jezus op aarde was gekomen lag nog vóór Hem, het kruis van Golgotha. Maar Hij kon nog niet zeggen: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Het grootste ‘werk’ moest nog volbracht worden, Hij was het Lam van God tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld (1 Petr.1:20). Het is zonder twijfel de moeilijkste periode in Jezus’ leven hier op aarde geweest ook omdat hij alle dingen van tevoren wist die zouden gaan gebeuren (Joh.6:64; 13:11). ‘En vóór het Paasfeest, toen Jezus wist, dat zijn ure gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde’ (Joh.13:1). De vreugde die voor Hem lag moet dan ook van bijzondere betekenis voor de Heer zijn geweest, want om die vreugde heeft Hij het kruis verdragen (Hebr.12:2). Stond die vreugde niet synoniem voor het terugkeren naar het huis van de Vader? Jezus had gezegd: ‘Ik ga u plaats bereiden’ Je kunt je afvragen voor wie heeft Jezus plaats bereid, voor wie is die belofte bedoeld? De Heer Jezus spreekt tot en over zijn discipelen, mensen die ‘alles achter zich hadden gelaten en Jezus waren gevolgd’ (Mat.19:27-28; Mark.10:28; Hand.9:2). In het gebed van de Heer Jezus tot de Vader vraagt de Heer Jezus: ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Joh.17:24). Wanneer zal die belofte van de Heer Jezus aan zijn discipelen in vervulling gaan? Wel de Heer zegt het zelf: ‘wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben’ (vs.3). Bij zijn wederkomst zal Hij ons brengen in het huis van de Vader en niet eerder. We dienen dan ook onderscheid te maken tussen het ‘paradijs’, waar de ontslapenen nú verblijven (Luk.23:43; 2 Kor.12:4) en het huis van de Vader. Bent u erbij?

… ons de weg bekend te maken

‘Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh.14:6)

De uitspraak van de Heer Jezus: ‘En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg’ ontlokte bij Thomas de vraag: ‘Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? De Het antwoord van de Heer Jezus is meer dan duidelijk: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven’ (Joh.14:3-5). ‘De route is minder belangrijk als we maar weten dat de weg naar huis leidt’ is een spreuk uit het Zen-boedhisme. Dat is een halve waarheid of beter gezegd een onwaarheid. De weg is wel belangrijk omdat er maar één weg is en dat is Jezus Zelf! ‘En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden’ (Hand.4:12). ‘Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ (1 Tim.2:5-6). De behoudenis en het daarmee verbonden vooruitzicht op de hemel is niet te verkrijgen door goede werken, religieuze plechtigheden of door geld. Veel mensen willen op een door hun gekozen manier de hemel bereiken, maar, ‘soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.14:12). Ik denk dat Gods Woord duidelijke taal spreekt over de Weg ter redding. Op veel plaatsen in het Nieuwe Testament wordt de aandacht op Jezus gericht als het gaat om weg tot behoudenis.

… ons de Vader te verklaren                     

‘Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:8).

Blijkt er iets van ongeloof en teleurstelling door in de woorden van de Heer Jezus wanneer hij tegen Filippus zegt: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus?’ (Joh.14:9). Wat was er niet allemaal gebeurt de achterliggende drie jaar? ‘Blinden waren ziende geworden, lammen wandelden, melaatsen waren gereinigd en doven hoorden en doden waren opgewekt en armen hadden het evangelie ontvangen’ (Mat.11:5). Er is over de Heer Jezus in het evangelie van Johannes een viervoudig getuigenis waaruit duidelijk blijkt dat Hij de Zoon van God, ja God Zelf is (Fil.2:5-8). We vinden dat in hoofdstuk 5:30-47: ‘Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.  Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar; een ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes gezonden en hij heeft van de waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet. Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben. Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt? Denkt niet, dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven?’

De apostel Johannes begint zijn evangelie met de woorden: ‘Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard (Jh1:18; 6:46). Verder leert het Nieuwe Testament ons dat de Heer Jezus ‘de uitstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen is’ (Hebr.1:3)  en ‘het beeld van (de onzichtbare) God’ (2 Kor.4:4; Kol.1:15). Thomas heeft het later begrepen toen hij tegen Jezus zei: ‘Mijn Here en mijn God!’ (Joh.20:28).

… de Vader te verheerlijken

‘Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en zijn werk volbreng’ (Joh.4:34).

Bij zijn komen in de wereld had de Heer Jezus gezegd: ‘Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen’ (Hebr.10:6-7). In het evangelie naar Lukas ontdekken we dat de wet van Mozes en de profeten en de psalmen op Jezus betrekking hebben (Luk.24:27, 44). De Heer Jezus verweet de Joden niet dat zij de Schriften onderzochten, dat was goed, maar dat zij niet tot Hem wilden komen waarvan de Schriften getuigenis gaven (Joh.5:39-40). Iemand heeft eens gezegd: ‘Alléén door het lezen van de Bijbel kom je niet in de hemel’. Je moet Jezus Christus aannemen waarnaar de Schriften verwijzen; geen religie, maar relatie!. We lezen het Woord van God, om de God van het Woord te leren kennen. We lezen in de Psalmen: ‘Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste’ (Ps.40:9). Bij zijn komen in de wereld had de Heer Jezus gezegd: ‘Ik ben van de hemel neergedaald, niet opdat Ik mijn wil zou doen, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden’ (Joh.6:38) en nu, bij zijn gaan uit de wereld: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Zijn hele leven was het de Heer Jezus zijn verlangen om ’altijd dat te doen wat Hem (God) welbehaaglijk was’ (Joh.8:29). Laten we in gedachten Jezus volgen terwijl Hij afdaalt van de Olijfberg en Hem vinden in de hof van Getsemane. ‘Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Mat.26:39; Hebr.5:7,8). Geweldig hoever de Heer Jezus is gegaan in zijn verheerlijking van zijn God en Vader. ‘Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus’ (Hebr.10:10).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 ‘Worden als de Meester!’

 Johannes 15:1-17

 

 

 Inleiding

Een mogelijke indeling van het evangelie naar Johannes, is naar het voorbeeld van de tabernakel in het Oude Testament. Hoofdstuk 1-12, waar de Heer Jezus tot alle mensen sprak, kun je gelijkstellen met de Voorhof, die toegankelijk was voor alle Israëlieten. In hoofdstuk 13-16 spreekt de Heer Jezus tot zijn discipelen en dat verwijst naar het Heilige, waar alleen de priesters mochten komen. Hoofdstuk 17 dan, waar de Heer Jezus spreekt tot zijn Vader, is te vergelijken met het Heilige der Heiligen, alleen toegankelijk voor de Hogepriester. De rest van het Evangelie is dan te lezen als een ‘nawoord’.

De hoofdstukken 13-16 kun je dan ook opvatten als ‘hoger onderwijs’ voor Jezus’ discipelen. In hoofdstuk dertien demonstreert de Heer Jezus zijn discipelen in de voetwassing hoe hun houding ten opzichte van elkaar dient te zijn. In het volgende hoofdstuk spreekt Hij dan over hun gemeenschappelijke toekomst in het Vaderhuis. En ten slotte, in hoofdstuk vijftien, de bekende gelijkenis van de Wijnstok en de ranken, waar we ons nu in willen verdiepen.

Meester en Slaven

‘Een discipel is niet boven zijn meester, en een slaaf niet boven zijn heer. Het is de discipel genoeg dat hij wordt als zijn meester, en de slaaf wordt als zijn heer’ (Mat.10:24-25) 

Toen de Heer Jezus zijn twaalf discipelen, die Hij ook apostelen noemde, tot zich riep en hen aanstelde, was dat met het doel dat zij bij Hem zouden zijn en Hij hen zou uitzenden om te preken (Mark.3:14). In het jodendom was de persoon van een leraar zeer belangrijk, niet alleen om wat hij leerde, maar ook wat zijn persoon betreft. Een leerling wilde zijn zoals de leraar. De apostel Paulus was opgevoed aan de voeten van Gamaliël (Hand.22:3) en omdat hij daarnaar verwijst moet dat voor hem wel belangrijk geweest zijn. Gamaliël was geëerd door het hele volk (Hand.5:34). Iets van die gedachte vinden we terug wanneer Paulus zegt: ‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1Kor.11:1).

Discipelschap begint bij het leren kennen van de Meester. Dat is dan ook de reden dat de Heer Jezus zijn twaalf apostelen bij Zich wilde hebben, opdat ze zouden leren Wie Hij is. Wanneer bij ons het verlangen ontstaat om aan anderen het evangelie te brengen, dan moeten we begrijpen dat onze dienst begint bij het leren kennen van de Opdrachtgever, want Hij is zachtmoedig en nederig van hart (Mat.11:29). Vandaar dat er staat: ‘dat zij bij Hem zouden zijn, opdat Hij hen zou (kunnen) uitzenden opdat ze het evangelie van het koninkrijk zouden verkondigen’ (Mark.3:14). Want in de gezindheid waarmee de Heer Jezus de mensen zag en Zich tot hen wendde, dienen ook wij Hem te volgen. ‘Want laat die gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was…’ (Fil.2:5). ‘Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben’ (Mat.9:36). Vandaar het verlangen van de apostel Paulus ‘om Hem te kennen’ (Fil.3:10). Helaas moest de Heer Jezus tegen Filippus zeggen: ‘Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend?’ (Joh.14:9). Hoe staat het met onze kennis van de Heer Jezus?

Ranken en Vruchten

‘Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht.’ (Joh.15:5)

Het is duidelijk dat je verbonden moet zijn met de Heer om vrucht te kunnen voortbrengen, want ‘zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Joh.15:5). Maar wat verstaat u onder ‘vrucht’? Veel gelovigen denken dan onmiddellijk aan het brengen van het evangelie aan anderen opdat die tot geloof komen, en dan zien ze dat als een vrucht, wat op zich niet verkeerd is. Zo spreekt ook Paulus ervan wanneer hij aan de gelovigen te Rome schrijft dat hij zich dikwijls had voorgenomen hen te bezoeken, om ook onder hen enige vrucht te hebben (Rom.1:13). Maar dat is niet alles, er is meer!

Vruchten kunnen ook uw praktische heiliging zijn (Rom.6:22), de verandering van uw gezindheid als vrucht van de Geest (Gal.5:22), vrucht dragen in alle goed werk (Kol.1:10) en ook uw lofprijs aan God als een vrucht van de lippen (Heb.13:15). Dus laat u zich niet beperken!

In veel gelijkenissen verwijst de Heer Jezus naar wat we in de schepping kunnen waarnemen, zo ook wat betreft het dragen van vrucht door een rank die verbonden is met een wijnstok. Wanneer een plant vrucht voortbrengt, dan mag je ervan uitgaan dat er leven is en ook dat de wortels een gezonde activiteit hebben (Ps.1:3). Maar ook dient de rank zo af en toe gereinigd of gesnoeid te worden om meer of veel vrucht te kunnen voortbrengen. Vrucht voortbrengen geschiedt geleidelijk, zoals we dat ook in de natuur zien, en het komt niet door inspanning. Voorwaarde is dat de rank verbonden blijft met de wijnstok! Vrucht voortbrengen is het uiteindelijke doel van een gelovige, want de Heer heeft ons gesteld opdat we heengaan en vrucht dragen voor God (Rom.7:4). Vruchten die ontstaan, zijn bestemd voor God en anderen. Maar centraal staat het woord ‘Wie in Mij blijft’, daar staat of valt uw hele leven als gelovige mee.

Discipelen en Geboden

‘Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult mijn discipelen zijn’ (Joh.15:8) 

Discipelschap begint dus niet met het aanschaffen van een boekje over dat onderwerp, of het volgen van een cursus, maar komt voort uit je relatie met de Heer. Om die relatie te onderhouden en verder te ontwikkelen, is het Woord van God van fundamenteel belang. Door het Woord zijn we immers wedergeboren en het dient voor onze groei als gelovige (1Petr.1:23; 2:2). Psalm 119 is een lofzang op het Woord van God; elk vers, op vijf na, verwijst ernaar in veel verschillende benamingen. Iemand heeft eens gezegd als commentaar bij vers 11, dat Gods Woord het ‘beste boek op de beste plaats met de beste bedoeling’ is.

Maar dat niet alleen. Het liefhebben van Gods Woord is een bewijs van uw liefde voor God. Want: ‘Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft’ (Joh.14:21) en ‘Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren’ (Joh.14:23). Om in die liefde te blijven is het bewaren van Gods geboden een voorwaarde (Joh.15:10). Bewaren wil zeggen: het Woord een plaats geven in je leven, toepassen en naleven. Dit wordt duidelijk gemaakt in de gelijkenis van de wijze en de dwaze man: ‘Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg? Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u laten zien aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan een man die een huis bouwde: hij groef en diepte uit en legde het fundament op de rots. Toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet doen wankelen, want het was op de rots gefundeerd. Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een man die een huis bouwde op de aarde zonder fundament. Toen de waterstroom ertegenaan sloeg, stortte het meteen in, en de val van dat huis was groot’ (Lk.6:46-49). Kunt u met David zeggen: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag’ (Ps.119:97)?

Vrienden en Geheimen

‘U bent mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied’ (Joh.15:15)

Rank, discipel, vriend, daaraan kunnen we geestelijke groei bespeuren. Groeien door het Woord is groeien in de kennis en de genade van de Heer Jezus Christus (2Petr.3:18). Wie heeft, ontvangt meer. ‘Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert wat de elementen van het begin van de uitspraken van God zijn, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een klein kind; maar het vaste voedsel is voor volwassenen, die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel het goede als het kwade te onderscheiden’ (Hebr.5:12-14).

Van Mozes lezen we dat de Here met hem sprak ‘van aangezicht tot aangezicht, zoals een man sprak met zijn vriend’ (Ex.33:11), en Abraham, van wie de Here dacht: ‘Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen’ (Gen.18:17), werd een vriend van God genoemd (Jak.2:23). Tegen vrienden zeg je dingen die je niet tegen een ander zou kunnen zeggen. Dat kan soms niet mogelijk zijn omdat het geestelijk niveau laag is van een gelovige en daardoor vaak ook de belangstelling in het Woord van God. ‘En met vele zulke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen; maar zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen, maar afzonderlijk verklaarde Hij alles aan zijn eigen discipelen’ (Mark.4:33-34). Vooral zij die ‘als pasgeboren kinderen verlangen naar het Woord’ (1Petr.2:2) hebben daarmee een goudmijn waarin je kan delven zonder eind. ‘Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord bekend gemaakt heb’ (vs.15). Gedurende zijn verblijf op aarde heeft de Heer al ‘dingen uitgesproken die van de grondlegging van de wereld af verborgen waren geweest’ (Mat.13:35), maar ook door de arbeid van de apostel Paulus zijn we verder ingelicht over allerlei verborgenheden (Rom.11:25; Ef.5:22; 1Kor.15:51). Bent u erin geïnteresseerd? De heilige Geest wil u daarin helpen en zal u alles in herinnering brengen wat de Heer heeft gezegd en zal u in de hele waarheid leiden en de toekomstige dingen verkondigen (Joh.14:26; 16:13).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Excursen*

In het kader van dit artikel was het niet mogelijk om aan twee onderwerpen in het lopende verhaal uitleg te geven, daarom zal ik ze hieronder afzonderlijk kort behandelen.

Kan een gelovige verloren gaan?

‘Als iemand niet in Mij blijft wordt hij buitengeworpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij verbranden’ (Joh.15:6)

Het is niet toegelaten om op grond van deze gelijkenis een leer te ontwikkelen waardoor zou blijken dat een gelovige verloren zou kunnen gaan. Daarin gaat men voorbij aan het doel van een gelijkenis. Hier gaat het over het dragen van vrucht door een discipel van de Heer. Het zou immers ook in tegenspraak zijn met eerdere woorden van de Heer zoals: ‘Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen’ en ‘Mijn schapen horen mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit mijn hand’ (Joh.6:37 en 10:27-30). Maar ook het verdere onderwijs van de Schrift leert niet dat een wedergeboren persoon verloren kan gaan. Niets of niemand kan ons scheiden van de liefde van Christus! (Rom.8:39).

Gebed

‘Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen’ (Joh.15:7)

Als u al wat langer als gelovige op weg bent, weet u dat niet alles wat wij bidden wordt verhoord zoals wij wensen. Gebed schept verwachtingen en die komen niet altijd overeen met Gods wil. Het voorwerp of onderwerp van gebed dient overwogen te worden in het licht van geheel Gods Woord alvorens het bij God bekend te maken. Bijvoorbeeld, we kunnen verkeerd bidden (Jak.4:3). Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde. Het thema van dit artikel was ‘Worden als de Meester’ en dat geldt ook voor het gebed. De Heer Jezus was zeer bescheiden in het vragen om dingen aan zijn Vader. Bij zijn gevangenneming in Gethsémané zou Hij hebben kunnen bidden om twaalf legioenen engelen die Hem terzijde zouden staan, maar Hij heeft dat niet gedaan (Mat.26:53). De Heer Jezus bezat niets om zijn hoofd neer te leggen (Mat.8:20) en ook wij moeten leren tevreden te zijn met wat God ons toebedeelt (Fil.4:11; 1Tim.6:6,8; Hebr.13:5). De weinige keren dat de Heer Jezus iets wilde, was het ter verheerlijking van God (Joh.17:24). Mag dat ook voor onze gebeden zo zijn! Vergeet niet dat wij al rijkelijk gezegend zijn met allerlei geestelijke zegeningen! (1Kor.1:5-7; Ef.1:3).

 *Een excurs is een passage buiten het hoofdthema van de tekst om.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Petrus tussen twee vuren’

Johannes 18:18 en 21:9

 

 

Inleiding

De persoon van de apostel Petrus spreekt echt wel tot ieders verbeelding, maar hoe zou dat komen? Misschien wel omdat we van hem zo veel in onszelf terugvinden? Is het zijn enthousiasme, zijn vaak krachtdadige uitspraken, of zijn het meer de tragische gebeurtenissen in Petrus’ leven die ons aanspreken? Hij had niet alleen het hart op de tong, maar ook op de juiste plaats; je wist wat je aan hem had! In zijn toewijding aan de Heer wilde hij zijn leven voor de Heer afleggen (Joh.13:38) en was hij zelfs bereid met Hem te sterven en Hem niet te verloochenen (Mat.26:35). In zijn ijver voor de Heer overschatte hij zichzelf toen hij tegen de Heer zei: ‘Al zullen allen over U ten val komen, Ik zal nooit ten val komen’ (Mat.26:33). Toch zou Petrus de Heer tot driemaal toe verloochenen (Mark.14:72) en ontkennen dat hij een discipel van de Heer was (Mark.14:71). Hij ging soms onbezonnen te werk, zoals toen hij met een zwaard het rechteroor van de slaaf van de hogepriester afsloeg tijdens de arrestatie van de Heer Jezus (Joh.18:10-11). Hij bedacht niet altijd de dingen van God en reageerde daarom soms niet juist (Mat.16:23; Kol.3:1-2). Maar naast die tragische momenten die zich in Petrus’ leven voordeden, zijn er ook heel mooie uitspraken van hem in de Schrift vermeld die getuigen van zijn grote liefde voor de Heer Jezus. Waren die er niet geweest, dan hadden we misschien een vertekend beeld van hem overgehouden. Op de ‘uitnodiging’ van de Heer Jezus om mee te gaan met hen die niet meer met Hem wilden wandelen, reageerde Petrus met de onvergetelijke woorden: ‘Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven’ (Joh.6:68). En op de vraag van de Heer: ‘Wie zegt u dat Ik ben?’ antwoordde Simon Petrus: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mat.16:16). Redenen genoeg om ons te verdiepen in wat er gebeurde ‘tussen de twee vuren’, maar voordat we dat doen gaan willen we eerst een zien hoe Petrus een discipel van de Heer Jezus is geworden.

Petrus’ roeping - Lukas 5

‘Bekering is een beslissing die een proces inleidt’

Petrus’ bekering had plaatsgevonden doordat zijn broer Andreas hem tot de Heer Jezus had geleid (Joh.1:42). Deze ontmoeting was een beslissing voor Petrus om vanaf dat moment niet meer te leven naar de begeerten van de mensen, maar om de overige tijd in het vlees te leven naar de wil van God (1Petr.4:2). Dat nieuwe leven, naar de wil van God, kreeg zijn aanvang toen hij geroepen werd tot een fulltime dienst tijdens die wonderbaarlijke visvangst op het meer van Gennézareth (Luk.5:10-11).

Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes hadden de Heer Jezus al een jaar eerder ontmoet (Joh.1:35-42), hadden Hem voor een korte tijd gevolgd, en waren daarna teruggegaan naar hun oude beroep. In Lukas 5:11 roept de Heer Jezus zijn discipelen op om alles te verlaten en Hem te volgen. Het is mogelijk dat zeven van de discipelen vissers waren (Joh.21:2) en wellicht was dat niet zonder reden. Vissers weten hoe ze samen moeten werken, ze geven niet gemakkelijk op, ze zijn moedige en harde werkers. Dat zijn uitmuntende en noodzakelijke kwaliteiten voor discipelen van de Heer, zoals later zou blijken tijdens de verspreiding van het Evangelie na de hemelvaart van de Heer, want dat ging niet altijd zo gemakkelijk. We lezen dat de discipelen de netten aan het wassen waren voor een volgende vangst, nadat ze de hele nacht zich hadden ingespannen en niets hadden gevangen (Luk.5:5). Hierdoor toonden ze hun volharding, die ze nodig zouden hebben in hun latere dienst als ‘vissers van mensen’!

Ook hier vinden we Petrus weer als woordvoerder van de andere discipelen. Op het voorstel van de Heer Jezus om naar de diepte te varen en daar hun netten uit te werpen, antwoordde Petrus: ‘Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen’. Zo geschiedde en zij vingen een grote massa vissen, zodat de beide schepen bijna zonken. Hier toonde Petrus zich op zijn best door aan de knieën van de Heer Jezus te vallen, te erkennen dat hij een zondig mens was en daardoor Jezus de eer voor deze grote vangst te geven. Als succes je nederig maakt, dan beurt een nederlaag je op. Als succes je ‘opblaast’, dan zal een nederlaag je onderuithalen.

Dat was het begin van Petrus’ loopbaan als apostel voor de besnedenen (Gal.2:7), die begon aan het meer van Gennézareth en eindigde in Rome, zoals we weten. Door geloof liet Petrus alles achter en volgde de Heer. De latere belofte van Petrus dat hij bereid was vóór en mét de Heer te sterven, kwam tot vervulling. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jonger was, gordde jij jezelf en wandelde heen waar jij wilde; maar wanneer je oud zult zijn, zul je je handen uitstrekken en een ander zal je gorden en je brengen waarheen je niet wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor een dood hij God zou verheerlijken. En nadat Hij dit had gezegd, zei Hij tot hem: Volg Mij!’ (Joh.21:18-19). Tot dusver had Petrus levende vissen gevangen die stierven en als voedsel dienden, nu zou hij dode vissen - zondaars - vangen, die zouden leven!

Petrus’ uitspraken

‘Om met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven’ (Hand.11:23).

Petrus, die eens aan de knieën van de Heer Jezus had gelegen, verwijderde zich steeds meer van Hem. Was hij zich dat bewust? Zoals reeds vermeld, is de bekering een daad die leidt tot een proces, namelijk het proces van geestelijke groei. Christus moet gestalte in u en mij krijgen, Hij moet meer en ik moet minder worden; niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij! En dat proces verloopt meestal niet zo gemakkelijk, we hoeven maar te denken aan de gelijkenis van de zaaier en het zaad (Mark.4:1-20). Petrus heeft dat goed begrepen, want hij maant de gelovigen later in zijn leven op om ‘op te groeien in de genade en kennis van de Heer Jezus’ (2Petr.3:18). Waarom zegt hij dat? Tegen planten hoef je niet te zeggen dat ze moeten groeien, dat doen ze gewoon. Bij mensen moet dat echter wel, omdat wijzelf de groei kunnen bevorderen of vertragen, afhankelijk van onze geestelijke houding. Daardoor kan het door onze foute houding gebeuren dat we de gemeenschap met de Heer Jezus verstoren.

Maar toch, Petrus, die ooit tegen de Heer Jezus de woorden gesproken had ‘Ook al moest ik met u sterven, ik zal U geenszins verloochenen’ en ‘Al zullen allen over u ten val komen, ik zal nooit ten val komen’, moest al erg snel ervaren dat hij deze woorden niet waar kon maken. Petrus verwijderde zich geleidelijk aan steeds meer van de Heer Jezus. Toen Petrus door de Heer Jezus geroepen werd, had Hij gezegd: ‘Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’ (Mat.4:19). Maar het duurde niet lang of Petrus liep vooraan; beter gezegd, hij liep de Heer Jezus vóór de voeten. De Heer moest tegen hem zeggen: ‘Ga weg, achter Mij!’ (Mat.16:23). Ziet u de verwijdering aankomen? Jezus had Petrus geroepen om achter Hem aan te lopen (Mat.4:19, maar nu liep hij voor de Heer (Mat.16:23)) en later volgde hij de Heer vanuit de verte (Mat.26:58), waarna de verloochening volgde.

Hoe is het met onze relatie met de Heer gesteld? Allerlei zaken kunnen aanleiding zijn of worden om ons van de Heer te verwijderen, waardoor we onszelf en de Heer te kort doen. Dat is de les van Petrus’ verwijdering; laten we ze ter harte nemen.

Petrus’ verloochening - het eerste kolenvuur

‘En Petrus zat samen met de dienaren zich te warmen bij het vuur’ (Mark.14:54).

Wanneer je zit in de kring van spotters (Ps.1:1), mag je ervan uitgaan dat je meegesleept wordt in het verkeerde. Door bemiddeling van Johannes verkreeg Petrus toegang tot het voorhof waar de Heer Jezus naartoe was gebracht (Joh.18:15-18) en daar vervoegde hij zich niet bij de Heer, maar bij de anderen. Het onvermijdelijke gebeurde, te midden van de slaven en de dienaars verloochende Petrus de Heer driemaal (Luk.22:17,25,26). Hoe was het zover gekomen? Jakobus leert ons dat de zonde niet zomaar uit de lucht komt vallen, maar dat er trappen van verval zijn. ‘Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt. Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood’ (Jak.1:14-15).

Er zijn een aantal gebeurtenissen aan te wijzen die hebben geleid tot Petrus’ verloochening van de Heer. Toen de Heer Jezus in gebed was in de hof van Gethsemane: ‘Vader niet mijn wil, maar Uw wil geschiede’, lag Petrus te slapen (Mark.14:37). Hij was dus niet op de hoogte van de naderende gebeurtenissen. Petrus had al eerder op een belangrijk moment in zijn leven geslapen, namelijk op de berg der verheerlijking (Luk.9:32), en in het boek Handelingen vinden we hem slapende in de gevangenis, maar daar als een heel andere Petrus en als bewijs van zijn vertrouwen in God. Petrus had een te groot zelfvertrouwen. ‘Heer, ik ben bereid met u zelfs in de gevangenis en in de dood te gaan’, had hij gezegd (Luk.22:33). Petrus had nog niet geleerd dat hij ‘zonder de Heer niets kon doen’ (Joh.15:5) en kende zijn eigen zwakheid niet. Hij kreeg vrees voor mensen op het moment dat hij zijn eerdere uitspraak, nl. dat hij bereid was met de Heer in de gevangenis te gaan, waar had kunnen maken. ‘Vrees voor mensen spant een strik’ (Spr.29:25).

In Lukas 22:54-62 lezen we het aangrijpend relaas over hoe Petrus zijn Heer verloochende. Daar liet Petrus de Heer Jezus in de kou staan, want ‘de slaven en dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen; en ook Petrus stond zich bij hen te warmen’ (Joh.18:18). Aangrijpend is echter de reactie van de Heer Jezus op zijn verloochening: ‘De Heer keerde Zich om en keek Petrus aan (Luk.22:61); en Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En toen de haan kraaide herinnerde Petrus zich het woord van de Heer’. Eén blik van de Heer Jezus was voldoende om Petrus tot berouw te brengen, want ‘hij ging naar buiten en weende bitter’ (Luk.22:62).

Petrus’ herstel – het tweede kolenvuur

‘Toen zij dan aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur’ (Joh.21:9).

Hoofdstuk 20:30-31 vormt de eigenlijke afsluiting van het Johannesevangelie, en het lijkt vreemd dat Johannes het eenentwintigste hoofdstuk er nog aan toevoegt. Er zijn daarvoor drie redenen. Ten eerste, er waren geruchten dat de discipel Johannes niet sterven zou (21:23) en door deze ‘toevoeging’ werden deze geruchten ontkracht. Ten tweede laat het ons zien dat de Here Jezus meerdere keren verscheen aan de discipelen om hen voor te bereiden op de komst van de heilige Geest (zie: Hand.1:2-3). Ten derde moest er een openlijk herstel plaatsvinden van Petrus, die de Heer Jezus verloochend had, een herstel waarvan iedereen op de hoogte was, omdat hij daarna zo’n belangrijke plaats zou gaan innemen, waarvan we kunnen lezen in het boek Handelingen.

Persoonlijk en openbaar herstel

De roeping van Petrus vond plaats bij het meer, maar ook zijn herstel. Petrus had de Heer Jezus verloochend bij een kolenvuur en hier aan het meer van Gennézareth wordt hij hersteld, ook bij een kolenvuur! Is het niet vreemd dat Petrus zonder enig voorbehoud naar de Heer Jezus gaat, alsof er niets gebeurd is!? (Joh.21:7). Er zijn goede redenen om aan te nemen dat, op grond van een aantal Schriftplaatsen, er al een eerdere ontmoeting tussen de Heer Jezus en Petrus heeft plaatsgevonden, waarbij de dingen die verkeerd waren gegaan uitgesproken zijn geweest. We lezen immers dat de Heer Jezus eerst aan Petrus was verschenen (Luk.24:34; Mark.16:7; 1Kor.15:5). Als dat juist is, dan had er vergeving plaatsgevonden en wandelde Petrus opnieuw in het licht; de verbroken gemeenschap was hersteld. Maar er moest nog iets worden rechtgezet, want de andere discipelen wisten natuurlijk wat er voorgevallen was en zouden zich vragen hebben kunnen stellen. Vandaar dat we in het verdere gedeelte van hoofdstuk 21 het openbaar herstel van Petrus vinden. De Heer herstelt Petrus daar in het openbaar en ter bevestiging geeft hij hem de opdracht de lammeren te weiden en de schapen te hoeden.

Ten slotte

Eén zaak die we natuurlijk ook niet mogen vergeten, is dat de Heer voor Petrus gebeden heeft! ‘Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden!’ (Luk.22:32). Dat gebed heeft zeker aan Petrus’ herstel bijgedragen. Dat mag elke gelovige die in een soortgelijke situatie komt, tot troost en bemoediging zijn. ‘Christus Jezus is het die gestorven is, ja nog meer, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt’ (Rom.8:34).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX