Profetische Boeken1

Wat zegt de Bijbel?

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Inleiding en Indeling van het boek Jesaja

Christus in het boek Jesaja

Jesaja 6 - Een profeet gezocht

Jesaja 61 - Hij heeft Mij gezonden

Jesaja 65 - Een nieuwe wereld

Inleiding en Indeling Jeremia

Jeremia 16 - Vissers en Jagers

Inleiding en Indeling Klaagliederen

De val van Jeruzalem - Klaagliederen 1-2

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding en Indeling op het boek Jesaja

 

 

Naam

De naam Jesaja betekent ‘redding van God’. Het woord redding of heil komt in dit boek meerdere keren voor. Vermoedelijk stamde Jesaja uit een leidende familie, omdat hij toegang had tot meerdere Joodse koningen. Hij was gehuwd (8:3) en vader van tenminste twee zonen (7:3; 8:1-3). Hij begon zijn dienst aan het einde van de regeringsperiode van koning Uzzia, ongeveer in 758 v.Chr. Hij profeteerde tot de eeuwwisseling, en de overlevering vertelt ons dat hij in stukken werd gezaagd door de slechte koning Manasse (Hebr.11:37).

Onderwerp

Het boek Jesaja verdeelt zichzelf in twee delen, hoofdstukken 1-39 en de hoofdstukken 40-66. In het eerste gedeelte worden de Joden gewaarschuwd voor de op handen zijnde invasie van de Assyriërs, terwijl het tweede gedeelte de ballingen die terugkeerden uit de Babylonische gevangenschap worden bemoedigd. We zien dan ook een volk in verval. Het hoofdthema van het eerste gedeelte is Gods tuchtiging van Juda vanwege hun zonden, terwijl het hoofdthema van het tweede gedeelte Gods vertroosting is van de uit ballingschap teruggekeerde Joden na hun lijden. Jesaja heeft de gebeurtenissen beschreven in de eerste negenendertig hoofdstukken, aan de lijve ervaren maar profeteerde over het laatste gedeelte. In het eerste gedeelte, was Assyrië de belangrijkste vijand; in het laatste gedeelte was Babylon de vijand.

Historische plaats

We herinneren ons de verdeling van het rijk na de dood van Salomo; tien stammen in het noorden maakten Israël uit; de twee stammen in het zuiden, Juda. De hoofdstad van Israël was Samaria; de hoofdstad van Juda was Jeruzalem. Jesaja’s dienst speelde zich af in Jeruzalem, maar zijn boodschap betrof zowel het zuiden als het noorden. Jesaja heeft de ondergang van het noordelijk rijk door Assyrië meegemaakt.

De politieke situatie in die tijd was bedreigend voor Juda. Assyrië was de leidende macht en de andere landen wilden een coalitie vormen om er tegen te strijden. Hoe dan ook, koning Ahaz van Juda wilde er niet aan meedoen. Daarom verenigden Syrië en Juda zich om te strijden tegen Israël om Ahaz te dwingen mee te doen. In plaats van op God te vertrouwen verkoos Ahaz zijn hulp te zoeken bij de Assyriërs en sloot een geheime deal. Assyrië was blij dat ze daardoor een ‘voet tussen de deur’ konden krijgen; ze versloegen Israël in 721 v.Chr., en Juda werd een vazalstaat van Assyrië, de prijs die Ahaz voor zijn eigen veiligheid moest betalen. Nu Israël verslagen was richtte Assyrië zijn blik op Juda en voerde het hele Joodse volk in ballingschap. Jesaja riep het volk op om op God te vertrouwen voor hulp, maar verschillende groepen vroegen de koning om hulp bij Egypte te zoeken. In de hoofdstukken 36-39, verhaald Jesaja hoe God koning Hizkia een overwinning op Assyrië gaf voor de muren van Jeruzalem. Hoe dan ook, Juda was zo verzwakt door de oorlog, en de steden waren zo door de vijand verwoest, dat het volk daarvan nooit volledig herstelde. Assyrië werd verslagen door de Egyptenaren; De Egyptenaren vielen door de Babyloniërs; en in 606-587 v.Chr. voerden de Babyloniërs Juda in gevangenschap. Dus, in het eerste gedeelte van het boek, spreekt Jesaja over het volk met betrekking tot Assyrië; in de tweede helft, vertroost hij het overblijfsel die terugkeerde uit ballingschap van Babylon.

Christus in Jesaja

Jesaja geeft een uitvoerig profetisch beeld van Jezus Christus. We lezen over zijn geboorte (vergelijk 7:14 met Mat.1:23; ook Jes.9:6). De dienst van Johannes de doper (vergelijk 40:3-6 met Mat.3:1vv.). Christus door de Geest gezalfd (vergelijk Jes.61:1-2 met Luk.4:17-19). Christus als Dienstknecht (vergelijk Jes.42:1-4 met Mat.12:17-21). Israëls verwerping van de Christus (vergelijk Jes.6:9-10 met Joh.12:38vv.; Mat.13:10-15 en parallelle vermeldingen in de andere evangeliën: ook Hand.28:26-27 en Rom.11:8). De steen des aanstoots (vergelijk Jes.8:14 en 28:16 met Rom.9:32-33 en 10:11; 1Petr.2:6). Christus dienst voor de volken (vergelijk Jes.49:6 met Luk.2:32, Hand.13:47; zie ook Jes.9:1-2 met Mat.4:15-16). Christus’ lijden en dood (vergelijk Jes.52:13-53:12). Zijn opstanding (vergelijk Jes.55:3 met Hand.13:34, Jes.45:23 met Fil.2:10-11 en Rom.14:11). De komende Koning (vergelijk Jes.9:6-7, 11:1vv, 32:1-2; 59:20-21 met Rom.11:26-27; 62:2-3 met Op.19:13-15).

De lijdende dienstknecht

Er zijn zeventien verwijzingen in Jesaja naar ‘Gods dienstknecht’. In dertien gevallen slaat het op het volk (43:10; 44:1-2,21,26; 45:4;48:20; 49:3, 5-7). In vier gevallen is de Messias, de Heer Jezus bedoeld ((42:1, 19; 52:13-53:11). Het gehele gedeelte van Jes.52:13 tot 53:12 is een levendige beschrijving van het lijden, dood en opstanding van de Heer Jezus. Israël was Gods dienstknecht in die betekenis dat het volk was bedoeld om Gods Woord en de Messias in de wereld te brengen. Maar Israël was een ongehoorzame dienstknecht dat getuchtigd moest worden. Jezus Christus is de ware Dienstknecht van God, die stierf voor de wereld en zijn Vaders wil ten uitvoer bracht. In Jesaja 48:41:8-9, is Cyrus Gods dienstknecht.

Jesaja’s twee zonen

De symbolische betekenis van de namen van de twee zonen (7:3 en 8:1-3) geven weer wat de belangrijkste boodschappen zijn van het boek. Sear-Jasub betekent ‘een overblijfsel zal terugkeren’ en is verbonden met de tweede helft van het boek, de terugkeer van het overblijfsel vanuit Babylon. Maher-Salal Chas-Baz betekent ‘snel om te verwennen en haastig om te jagen’ en is verbonden met de hoofdstukken 1-39, de nederlaag van Assyrië.

Er is wel eens gezegd dat het boek Jesaja een miniatuurbijbel is. De 66 hoofdstukken zijn verdeeld in twee delen, negenendertig hoofdstukken in het eerste gedeelte (Oude Testament) en zevenentwintig hoofdstukken in het tweede gedeelte (Nieuwe Testament). De eerste negenendertig hoofdstukken leggen de nadruk op het oordeel; de laatste zevenentwintig leggen de nadruk op genade en vertroosting.

---------------------------------------------------------------------------------------

 Indeling van het boek Jesaja

De Veroordeling (1-39) (De nederlaag van Assyrië)

Boodschappen voor Israël en Juda (1-12)

Oordeel over de andere volkeren (13-23)

Liederen van de toekomstige heerlijkheid over de volkeren (24-27)

Ellende vanwege de zonden van het volk (28-35)

Historische intermezzo (36-39) (Koning Hizkia)

Zijn overwinning over Assyrië (36-37)

Zijn zonde tegen Babylon (38-39)

II. Vertroosting (40-66) (Het overblijfsel keert terug)

Gods grootheid (40-48)

De ware God versus de valse goden van de heidenen.

Nadruk op de Vader, Jehovah God.

Gods genade (49-57)

De lijdende dienstknecht, Jezus Christus, sterft voor de mens.

Nadruk op de Zoon, Jezus Christus.

Gods heerlijkheid (58-66)

De heerlijkheid van het toekomstig koninkrijk.

Nadruk op de Geest (29:19; 61:1; 63:10-14)

__________________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbek?

 

 

Christus in het boek Jesaja

 

 

Voorwoord

In dit artikel willen we aandacht besteden aan de dienst die de profeet Jesaja heeft verricht, en in het bijzonder aan die profetieën die Christus aangaan. Er is geen profeet in het Oude Testament aan te wijzen die daar meer aandacht aan heeft besteed dat Jesaja. Het spreken van een profeet in de Naam van de Heer, zoals Jesaja heeft gedaan, moest men niet al te lichtvaardig opvatten, want: ‘De profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven’ (Deut.18:20). En: ‘Als een profeet spreekt in de naam des Heren en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Here niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen’ (Deut.18:21-22). Maar, zoals ook bij Samuël, was de Here met Jesaja en liet geen van zijn woorden ter aarde vallen (1Sam.3:19) alles is uitgekomen zoals Hij voorzegt had. Die nauwkeurige voorzeggingen over de Christus, zijn voor de gelovigen een bevestiging van de betrouwbaarheid van Gods Woord.

Inleiding

Er is wel gesteld dat het boek Jesaja de Bijbel in het klein is. De 66 hoofdstukken zijn verdeeld in twee delen, negenendertig hoofdstukken in het eerste gedeelte (Oude Testament) en zevenentwintig hoofdstukken in het tweede gedeelte (Nieuwe Testament). De eerste negenendertig hoofdstukken leggen de nadruk op het oordeel; de laatste zevenentwintig leggen de nadruk op genade en vertroosting.

De naam Jesaja betekend ‘de Here is mijn heil’. Het woord redding of heil komt in dit boek meerdere keren voor. Vermoedelijk stamde Jesaja van een leidende familie, omdat hij toegang had tot meerdere Joodse koningen. Hij was gehuwd (8:3) en vader van tenminste twee zonen (7:3; 8:1-3). Hij begon zijn dienst aan het einde van de regeringsperiode van koning Uzzia, ongeveer in 758 v.Chr. Hij profeteerde tot de eeuwwisseling, en de overlevering vertelt ons dat hij in stukken werd gezaagd door de slechte koning Manasse (Hebr.11:37).

Zoals gezegd, het boek Jesaja verdeelt zichzelf in twee delen, hoofdstukken 1-39 en de hoofdstukken 40-66. In het eerste gedeelte worden de Joden gewaarschuwd voor de op handen zijnde invasie van de Assyriërs, terwijl het tweede gedeelte de ballingen die terugkeerden uit de Babylonische gevangenschap worden bemoedigd. We zien dan ook een volk in verval. Het hoofdthema van het eerste gedeelte is Gods tuchtiging van Juda, het zuidelijke tweestammenrijk, vanwege hun zonden, terwijl het hoofdthema van het tweede gedeelte Gods vertroosting is, van de uit ballingschap terugkeren Joden na hun lijden.

Jesaja, heeft de gebeurtenissen beschreven in de eerste negenendertig hoofdstukken, aan den lijve ervaren, maar profeteerde over het laatste gedeelte. In het eerste gedeelte, was Assyrië de belangrijkste vijand; in het laatste gedeelte was Babylon de vijand. Jesaja was een profeet die niet alleen de gebeurtenissen betreffende het volk Israël, in zijn dagen heeft voorzegt, maar hij zag veel verder en profeteerde over de komende Christus.

Christus in het boek Jesaja

Jesaja geeft een uitvoerig profetisch totaalbeeld van Jezus de Christus. We volgen Jesaja in zijn beschrijving van de Heer Jezus, in chronologische volgorde, vanaf zijn geboorte tot aan zijn wederkomst op aarde.

(1)  Zijn geboorte

‘Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven’ (Vergelijk Jes.7:14 met Mat.1:23 en Jes.9:6).

(2)  De dienst van Johannes de doper

‘Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei. En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken. Hoor, iemand zegt: Roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen? – Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds’ (Vergelijk Jes.40:3-6 met Mat.3:1vv.).

(3)  Christus door de Geest gezalfd

‘De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God’ (Vergelijk Jes.61:1-2 met Luk.4:17-19).

(4)  Christus als Dienstknecht

‘Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten’ (Vergelijk Jes.42:1-4 met Mat.12:17-21).

(5)  Israëls verwerping van de Christus

‘Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde’ (Vergelijk Jes.6:9-10 met Joh.12:38vv.; Mat.13:10-15 en de parallelle vermeldingen in de andere evangeliën: ook Hand.28:26-27 en Rom.11:8).

(6)  De steen des aanstoots

‘Dan zal Hij tot een heiligdom zijn, en tot een steen, waaraan men zich stoot, en tot een rotsblok, waarover men struikelt, voor de beide huizen van Israël, tot een klapnet en tot een valstrik voor de inwoners van Jeruzalem’ en ‘zo zegt de Here Here: Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen van een vaste grondslag; hij die gelooft, haast niet’ (Vergelijk Jes.8:14 en 28:16 met Rom.9:32-33 en 10:11; 1Petr.2:6).

(7)  Christus’ dienst voor de volken

‘Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde’ (Vergelijk Jes.49:6 met Luk.2:32, Hand.13:47; zie ook Jes.9:1-2 met Mat.4:15-16).

(8)  Christus’ lijden en dood

‘Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open’ (Vergelijk Jes.52:13-53:12 met Hand.3:13; 8:32-33).

(9)  Christus' opstanding

‘Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David’ en ‘Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren’ (Vergelijk Jes.55:3 met Hand.13:34, Jes.45:23 met Fil.2:10-11 en Rom.14:11).

(10) De komende Koning

‘De heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen’ (Vergelijk Jes.9:6-7, 11:1vv, 32:1-2; 59:20-21 met Rom.11:26-27; 62:2-3 met Op.19:13-15).

De lijdende dienstknecht (Jes.52:13-15 - 53:1-12)

Er zijn zeventien verwijzingen in Jesaja naar ‘Gods dienstknecht’. In dertien gevallen slaat het op het volk (43:10; 44:1-2,21,26; 45:4;48:20; 49:3, 5-7). In vier gevallen is de Heer Jezus bedoeld ((42:1, 19; 52:13-53:11). Het gedeelte van Jes.52:13 tot 53:12 is een levendige beschrijving van het lijden, dood en opstanding van de Heer Jezus. Israël was Gods dienstknecht en in die betekenis was het de taak van het volk om Gods Woord en de Messias in de wereld te brengen. Maar Israël was een ongehoorzame dienstknecht dat getuchtigd moest worden. Dat is de reden dat in Jesaja 44:28  Kores (Cyrus) als Gods dienstknecht genoemd wordt. Jezus Christus is de ware Dienstknecht van God die stierf voor de zonden van de wereld en die zijn Vaders wil ten uitvoer bracht.

Zijn verwerping (53:1-3) 

‘Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht’

Sommigen hebben Christus verwerping wel eens zó onder woorden gebracht: In het OT heeft het volk Israël zijn God, Jehova verworpen (Heb.1:1), in de Evangeliën zien we de verwerping van de Heer Jezus (Joh.1:11) en in het NT de Heilige Geest (Hand.7:51-53). De gevolgen voor het volk Israël waren desastreus; ze werden kort daarna als gevangenen weggevoerd onder alle volken (Luk.21:24). Maar door de overtreding van het volk Israël is de behoudenis tot de volken gekomen; de aangekondigde Gemeente ontstond (Mat.16:18) en de Heilige Geest werd uitgestort. De discipelen kregen de opdracht om het evangelie te verkondigen aan alle volken (Mat.28:19; Hand.17:30). Dat wil niet zeggen dat er voor het volk Israël geen toekomst meer zou zijn, gelukkig is er een ‘totdat’ (Luk.21:24; Rom.11:25). Bij zijn eerste komst lezen we dat ‘hij gestalte noch luister had, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd’ (Jes.53:2), maar bij zijn tweede komst zal Hij komen ‘met grote kracht en heerlijkheid’ (Mat.24:30).

Zijn verlossing (53:4-6) 

‘Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen’

Wanneer we ons zouden afvragen waarom de Heer Jezus moest sterven kunnen we daar drie redenen voor aanwijzen: (1) God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden opdat zij zouden leven door Hem (1Joh.4:9); (2) Hij is voor ons gestorven opdat wij niet meer voor onszelf zouden leven, maar voor Hem (2Kor.5:15) en (3) Hij is voor gestorven opdat wij zouden leven met Hem (1Thes.5:10). Door Hem, voor Hem en met Hem. ‘Christus heeft eenmaal voor de zonden gelden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’ (1Petr.3:18). Hij is voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem (2Kor.5:21).

Zijn overgave (53:7-9)

‘Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest’

De Heer Jezus heeft zelf aangegeven dat Hijzelf zijn leven heeft overgegeven, het was een vrijwillige daad die van Hemzelf uitging. ‘Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen’ (Joh.16:18). Deze vrijwillige overgave vinden we terug in de brief aan Timotheüs: ‘Want er één God en één middelaar tussen God en mensen de mens Christus Jezus, die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ (1Tim.2:5).

Zijn beloning (53:10-12) 

‘Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben. Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft’

‘Om de vreugde die vóór Hem lag, heeft de Heer Jezus het kruis verdragen en de schande veracht’ (Heb.12:2). ‘Wij zien nu nog niet alles aan Hem onderworpen (Heb.2:8), maar eens komt die tijd dat alle knie zich zal buigen voor de Heer Jezus en zal belijden dat Hij Heer is tot heerlijkheid van de Vader’ (Fil.2:10-11). Die dag komt snel dichterbij en we zien uit naar Zijn komst in heerlijkheid en Hij de volken zal ontvangen tot zijn erfdeel, de einden der aarde tot zijn bezit (Ps.2:8).

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

'Een profeet gezocht'

Jesaja 6

 

Inleiding

‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?’ is de centrale gedachte in dit zesde hoofdstuk van het boek Jesaja. Het antwoord daarop vinden we in Jesaja’s roeping en de aanvaarding van zijn dienst voor God. Hij zag een zondig volk en de Heilige Israëls, en kon zich niet stil houden. Maar voordat hij het ‘wee u’ over anderen uitspreekt, belijdt hij eerst zijn eigen zonden en zegt ‘Wee mij!’ (Jes. 6:5).

Jesaja de evangelist

Jesaja wordt wel ‘de evangelist onder de profeten’ genoemd, omdat hij zoveel zegt over Jezus Christus. Jesaja schrijft over zijn geboorte (7:14; Matt. 1:23); de bediening van Johannes de Doper (40:1-6; Matt. 3); de dienst van de Heer zelf in de Geest (61:1-2; Luk. 4:17-19); zijn verwerping door het volk (6:9-13; Matt. 13:10-15; Joh. 12:38); de Steen des Aanstoots (8:14; 28:16; Matt. 21:42; Rom. 9:32-33; 1 Petr. 2:6); zijn dienst aan de heidenen (49:6; Luk. 2:32; Hand. 13:47); zijn toekomstig koninkrijk (11:1-9; Op. 12:10); en zijn verzoeningsdood aan het kruis (53:1vv; Mark. 10:25).

1. Jesaja zag een volk in verval - Hij keek achterom (Jesaja 5)

Jesaja zag het oordeel naderen en kende ook de reden, namelijk de zonden die het volk begaan had. Vandaar het zesvoudig ‘wee’ daarover in hoofdstuk 5. Ergens anders zegt Jesaja: ‘Maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (Jes. 59:2). ‘Daarom is de toorn des Heren tegen zijn volk ontbrand en heeft Hij zijn hand daartegen uitgestrekt en slaat Hij het.’ (Jesaja 5:25). Wanneer de heiligheid van God in het gedrang komt door zonden die door het volk of door ons gedaan zijn, moet God wel ingrijpen. Dit ingrijpen is een daad van Gods liefde: ‘Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg. 3:33). ‘Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid’ (Hebr. 12:4-11).

2. Een gezicht: Jesaja zag GodHij keek naar boven (Jesaja 6:1-4)

Dit gezicht is dat van de heerlijkheid van Christus (Joh. 12:41). Hij zag Christus in Zijn verhoging, zijn heiligheid en zijn heerlijkheid (Joh. 17:5; 13:3; Hebr. 1:1-3; Hebr. 7:26; 1 Petr. 3:2; Luk. 1:9-10; Openb. 5:5-14; 8:3). Men vermoedt dat Jesaja in de tempel was toen deze geweldige gebeurtenis plaatsvond, maar daar zijn we niet zeker van. De tempel waarnaar verwezen wordt in vers 1 is eerder de hemelse tempel dan Salomo’s tempel. Koning Uzzia stierf in 740 B.C. en was één van Juda’s grootste leiders geweest, zelfs toen hij in zijn latere jaren afweek en bestraft werd door God wegens ongehoorzaamheid (2 Kron. 26:16-21). Een groot koning had zijn troon op aarde verlaten, maar de Grootste Koning zat nog steeds op zijn troon in de hemel (Ps. 2). In overeenstemming met Joh. 12:41, blijkt dat Jesaja de Here Jezus zag. Alleen in dit bijbelgedeelte worden ‘seraphim’ vermeld. Het Hebreeuwse woord betekent ‘brandend’ en deze schepsels verwijzen daarmee naar de heiligheid van God, vandaar het drievoudige: ‘Heilig, heilig, heilig’. Sommigen denken dat deze wezens dezelfde zijn als de ‘levende wezens’ vermeld in Openbaring 4:6-9.

Omdat koning Uzzia gestorven was, was het uitzicht slecht voor Jesaja en het volk. Het volk was in gevaar, en Jesaja kon er weinig aan veranderen. Het uitzicht was slecht, maar de blik naar boven was grandioos (Ps. 121:1)! God was nog steeds op de troon en regeerde soeverein. Vanuit hemels standpunt gezien, was ‘de ganse aarde vol van Zijn heerlijkheid’ (6:3; Num. 14:21-22; Ps. 72:18-19). Als de wereld rondom ons dreigt in te storten, kijk naar Boven!

3. Een inzicht: Jesaja zag zichzelfHij keek naar binnen (Jesaja 6:5-7)

‘Pas als ze het contrast gezien hebben tussen zichzelf en de majesteit van God, worden mensen echt aangeraakt en overtuigd van hun onbeduidendheid,’ schreef Johannes Calvijn. Dit gold niet alleen voor Jesaja, maar ook voor Job (Job 42:5-6), Daniël (Dan. 10:16-17), Petrus (Luk. 5:8) en Johannes (Op. 1:17).

Het zicht op een heilige God en het geluid van een hemels lied brachten een grote overtuiging in het hart van Jesaja, en hij beleed dat hij een zondaar was. Onreine lippen worden veroorzaakt door een onrein hart (Matt. 12:34-35). Jesaja smeekte om een innerlijke reiniging (Ps. 51:10), en God voldeed aan die vraag. Als dit voorval op aarde had plaatsgevonden, dan zouden de kolen van het bronzen altaar gekomen zijn waar bloed van de offers geplengd was, of misschien wel van het reukwerk van de Hogepriester (Lev. 16:12). Jesaja’s reiniging gebeurde door bloed en vuur, en werd getoetst door het Woord van God (6:7).

Alvorens we een dienst verrichten aan anderen, moeten we God toestaan een dienst aan ons te verrichten. Voordat we het ‘wee u’ afroepen over anderen, behoren we eerst te zeggen ‘Wee mij!’. Jesaja’s overtuiging van zondigheid leidde tot belijdenis, en belijdenis leidde tot reiniging, en reiniging maakt bekwaam tot dienst voor God (1 Joh. 1:9). Evenals Jesaja, zagen ook andere grote geloofsmannen zichzelf als zondaars en vernederden ze zich voor God: Abraham (Gen. 18:27), Jakob (Gen. 32:10), Job (Job 40:1-5), David (2 Sam. 7:18), Paulus (1 Tim. 1:15) en Petrus (Luk. 5:8-11).

4. Een visie: Jesaja zag het volk – Hij keek rondom zich (Jesaja 6:8-13)

Jesaja zag het volk in zijn zonden, verdrukking en heerlijkheid. Het volk had God nodig en God wilde een dienstknecht ten behoeve van het volk. Jesaja gaf zich vrijwillig op om die dienstknecht te zijn. Hij ging niet in discussie over zijn roeping zoals Mozes deed (Ex. 3:11-4-15) en Jeremia (Jer. 1:4vv), maar aanvaardde de benoeming en stelde zich beschikbaar voor de Meester. Onderschat nooit wat God kan doen door een enkele gewillige dienstknecht. Vandaag de dag zijn er heel wat meer werkers nodig, en we hebben geweldige mogelijkheden om het evangelie mee te delen aan een verloren wereld. Bent u één van die vrijwilligers? God bemoedigde zijn knecht niet bijzonder! Jesaja’s dienst maakte de blinden nog meer blind, en de doven nog meer doof, en hun harten nog harder. Verzen 9-10 zijn zo belangrijk dat ze zes keer vermeld worden in het NT (Matt. 13:13-15; Mark. 4:12; Luk. 8:10; Joh. 12:40; Hand. 28:25-28; Rom. 11:8). God maakt niet vrijwillig mensen blind, doof en verhard; maar hoe meer de mensen Gods waarheid afwijzen, hoe minder ze in staat zijn om die waarheid te ontvangen. Maar de dienstknecht is geroepen om de waarheid uit te dragen, ongeacht hoe het volk erop reageert. Het succes van dienstbaarheid is niet het uiterlijke succes, maar het getrouw zijn aan God. God liet Jesaja weten dat zijn dienst zou eindigen in een ogenschijnlijke mislukking, met het land als een ruïne, en het volk gaande in ballingschap (6:11-12). Maar een overblijfsel zou behouden blijven! Het zou gelijken op een stomp van een gevallen boom waaruit de scheuten (‘het heilig zaad’) zouden komen, en zij zouden het werkelijke geloof uitdragen in het land. Jesaja had een langetermijnverwachting nodig voor zijn dienst, want anders zou hij de idee kunnen krijgen dat het allemaal voor niets diende.

‘Ga, en zeg’ is nog altijd Gods bevel voor Zijn volk (vs.9; Matt. 28:7; Mark. 5:19). Hij wacht op ons antwoord, “Hier ben ik, zend mij.’

_______________________________________________________________

 

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

 

'Hij heeft Mij gezonden'

Jesaja 61:1

 

 

 

 

De Heer Jezus geneest verbrokenen van hart. Hij kan zich één maken met jouw verdriet want Hij is de ‘man van smarten, en vertrouwd met ziekte’ (Jes. 53:3). Hij weet hoe jij je voelt, en Hij wil zijn vertroosting aan je schenken. “Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden” (Ps. 147:3).

Wat moet je doen opdat de Heer Jezus jouw gebroken hart kan genezen?

Vier stappen

De eerste stap is je verdriet te accepteren en er op een natuurlijke manier mee om te gaan. God heeft ons geschapen zodat we pijn kunnen voelen, bijvoorbeeld bij het verlies van een geliefde. Hij verwacht van ons dat we dat verdriet laten zien. Een ernstig verlies kan voor God een gelegenheid zijn om het helingsproces te beginnen. Echt verdriet is een geestelijke en emotionele therapie. Een verkeerd omgaan met verdriet maakt de wonden alleen maar dieper.

God wil niet dat wij op dezelfde manier verdriet hebben ‘zoals de andere mensen, die geen hoop hebben’ (1Thes. 4:13). Onze hoop in gericht op Jezus Christus, de Zoon van God, die de dood voor ons heeft overwonnen toen Hij stierf en weer opstond uit de doden. Als je op Hem vertrouwt als je Verlosser en Heer, dan kan je verdriet, ziekte en dood door het geloof ondergaan. ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij’ (Ps. 23:4).

De volgende stap is om geduldig te zijn en je zelf tijd geven om te herstellen. Ja, we willen allemaal zo snel als mogelijk uit ‘het dal van diepe duisternis’ gaan. Maar het verblijf duurt soms lang, omdat je in tijden van beproeving gaat groeien in het geloof, en groei vergt tijd. God werkt door liefde en liefde vergt tijd.

Ten derde, neem elke dag tijd om gemeenschap met God te hebben. Lees je bijbel en bid; aanbid en dank Hem, ook al is je hart gebroken. Je zult ontdekken dat, door het lezen van Gods Woord, zijn belofte van troost nog krachtiger is als je door een dal van diepe duisternis gaat.

Ten slotte, aanvaard de hulp van broeders of zusters. God gebruikt mensen om ons te bemoedigen gedurende moeilijke perioden in ons leven (Hand. 28:15). Je broeders en zusters zijn een deel van Gods medicijn om hulp te geven aan ‘verbrokenen van hart’.

Het gezin van Bethanië

We zien dit mooi geïllustreerd in Johannes 11, waar we lezen over Maria en Martha uit het dorp Bethanië, wier broer Lazarus ziek was. Dit was een gelovig gezin, en toch gingen ze door een dal van moeiten, ziekte en zorg. De Heer Jezus had deze mensen lief, maar dat betekende niet dat lijden en troost op hen geen vat zouden kunnen hebben. Sommige mensen hebben de idee dat toegewijde gelovigen uitgesloten zijn van pijn en verdriet, maar dat is niet zo. De dood is een menselijke ervaring, en christenen zijn mensen. Als de Heer Jezus niet eerder komt, dan zullen we allemaal sterven en gaan (mogelijk) door een dal van lijden.

Hoe weten wij dat God ons liefheeft? Omdat we gezond zijn en genieten van een comfortabel leven? Of misschien omdat we geen speciale lasten of zorgen kennen in ons leven? Neen, dit zijn geen bewijzen van Gods liefde. Zelfs ongelovigen kennen deze zegeningen en genieten ervan. We weten dat God ons liefheeft omdat zijn Woord ons dat zegt, en omdat Hij dat bewezen heeft door het kruis. ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is’ (Rom. 5:8). ‘Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief’ (Joh. 11:5). En de Heer Jezus houdt van jou! Hoe ver weg God ook mag lijken in je leven, hoe moeilijk je het ook hebt, Jezus houdt van jou! ‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook’ (1 Joh. 3:1). ‘Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde’ (Jer. 31:3).

Waarom liet God het toe dat Lazarus ziek werd en stierf? De Heer Jezus leert ons in Joh. 11:4: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’. Het doel van ons leven is niet dat we een comfortabel leven lijden, maar dat God verheerlijkt wordt. We begrijpen misschien niet alles van het plan van God voor ons leven, maar we weten wel dat Hij zich nooit vergist. Zoals Maria en Martha mogen we onze zorgen met Hem delen en erop vertrouwen dat wat Hij doet het beste is.

Opdat Christus in de mogelijkheid is om ‘verbrokenen van hart te verbinden’ dienen we Hem alle stukjes te geven. Dit vergt geloof, maar je kunt Hem vertrouwen. Hij houdt te veel van jou om je kwaad te doen, en Hij is te wijs om een fout te maken. ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN’ (Jes. 55:8).

Bidden

Als er moeiten in ons leven komen is het vanzelfsprekend dat we bidden. Maria en Martha zonden een boodschap naar Jezus, ze vroegen Hem om hulp. De Heer Jezus beantwoordde hun vraag, maar niet op de manier zoals zij dat gedacht hadden. Het is een goed voorbeeld om aan te denken als wij bidden.

Een paar zaken verdienen onze aandacht. Ten eerste, zij geloofden in de Zoon van God, daar bestond geen enkele twijfel over. Maria en Martha waren geredde mensen wier zonden vergeven waren omdat ze geloofden in de Heer Jezus. In Joh. 11:27 getuigt Martha daarvan met de woorden: ‘Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou’.

Ten tweede onderwierpen ze zich aan de wil van God. Ze noemden Hem ‘Heer’ en vertelden Hem niet wat Hij moest doen. “Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde”! In hun vraag spraken ze van de nood die er was en lieten dat bij Hem. God kan onze gebroken harten niet helen als wij hem voorschrijven wat en wanneer Hij dat moet doen. We dienen te bidden als de Heer Jezus: ‘niet mijn wil, maar de uwe geschiede!’ (Luk. 22:42). Wees nooit bang voor Gods wil. Hij kent je noden, en weet wat het beste voor je is. ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn’ (Job 23:10).

Maria en Martha vertrouwden op Gods Woord. De Heer Jezus zond hun een boodschap: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’ (Joh. 11:4). Voordat de Heer Jezus in Bethanië aankwam was Lazarus al gestorven, maar zijn zusters wisten dat de Heer Jezus trouw zou zijn aan zijn belofte.

Gebed is altijd belangrijk, maar speciaal in tijden van verdriet. Als we God zeggen hoe we ons voelen en Hem vragen om de genade die we nodig hebben, kan Hij ons helpen en ons gebroken hart verbinden. Gebed is een bewijs dat we op Hem vertrouwen en niet in onszelf. Gebed is een mogelijkheid voor God om zijn liefde en macht te demonstreren. Neem dagelijks de tijd om te bidden en wacht op God. Hij hoort – Hij zorgt – en Hij antwoordt. ‘Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr. 3:5-6).

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘Een nieuwe wereld’

Jesaja 63 - 66

 

 

 

 

Inleiding

De hoofdstukken 60-66 omschrijven de heerlijkheid van het koninkrijk dat Jezus Christus zal oprichten wanneer Hij terugkomt om de aarde te richten. Er was niets van heerlijkheid te zien in Israël of Juda toen de Babylonische ballingschap eindigde en het zwakke overblijfsel teruggekeerd was naar hun land. Hoe ontmoedigend moet het voor hen geweest zijn om terug te keren in een door oorlog geteisterd land en stad, waarvan de muren waren neergehaald en de poorten verwoest, en een geruïneerde tempel. Maar Jesaja keek verder en zag een heerlijke ‘heilige stad’ met een heerlijke tempel (60:7; 64:11) en met herstelde muren en poorten (60:10-11). Israël was veracht door de heidense volkeren, maar het zou het centrum van de aarde worden en de zetel van God: en de volkeren zouden naar Jeruzalem komen en de ware God vereren (Jes.60:3,6,11,16; 61:6,9; 62:2; 66:12,19). Deze beloften van een toekomstige heerlijkheid voor het volk moeten een grote bemoediginjg geweest zijn.

Ze zullen het land beërven ná de terugkeer uit de verstrooiing. We vinden in de hoofdstukken 60-66 vier beelden van het joodse volk. Maar voor we ons daarmee bezighouden, eerst nog een woord vooraf om de bijbel goed te verstaan.

Uitgangspunten

Hermeneutiek is de leer aangaande het wezen, de uitgangspunten en de methoden van de schriftuitleg. Om tot een goede exegese (schriftuitleg) over Jesaja 65 en de voorgaande hoofdstukken te kunnen komen, is het vereist nadruk te leggen op de context van het bijbelgedeelte en die van de schrijver; dit noemt men ‘contextuele exegese’.

Het boek Jesaja maakt deel uit van het Oude Testament en het boek wordt vergeleken met de hele Bijbel omdat het uit twee delen bestaat, net als de twee testamenten. In het ‘oudtestamentische deel’ (hoofdstuk 1-39) veroordeelt de profeet de zonden van Juda en waarschuwt hij voor het komende oordeel. In het ‘nieuwtestamentische deel’ (hoofdstuk 40-66) profeteert hij over Juda’s bevrijding uit de Babylonische ballingschap. In beide delen kondigt hij de oprichting van Gods glorierijk koninkrijk aan. Het eerste deel richt in de eerste plaats de schijnwerper op de wet en de veroordeling, terwijl het tweede deel de genade en verlossing benadrukt. ‘De Heilige Israëls’ is één van Jesaja’s lievelingsnamen voor de Heer.

De naam Jesaja betekent ‘God is redding’, en de profeet heeft het over vier verschillende soorten redding: (1) Juda’s nationale bevrijding van de aanvallen van de andere volken, (2) Juda’s verlossing uit de Babylonische ballingschap, (3) de toekomstige redding van de Joden als het koninkrijk wordt opgericht, en (4) de persoonlijke redding van de zondaar die zijn vertrouwen stelt in de verlosser.

Jesaja profeteerde zevenhonderd jaar voor Christus, in een periode van internationale spanningen. Egypte, Syrië, Israël (het noordelijke koninkrijk), Babylon en Assyrië hadden het oog op Juda laten vallen en de leiders probeerden het ene volk tegen het andere uit te spelen bij hun pogingen om oorlog te voorkomen. Jesaja waarschuwde hen om niet te vertrouwen op de politiek maar op de Heer, en om zijn Woord te gehoorzamen. De leiders luisterden niet, en ten slotte werd Juda door Babel weggevoerd. Jesaja’s boek was de ballingen tot steun en gids, zowel tijdens als na hun ballingschap. Wanneer u het boek Jesaja leest, zult u zien hoe gelovigen dienen te reageren op internationale conflicten, politiek verval van de natie en godsdienstig verval onder het volk, met inbegrip van de godsdienstige leiders. Jesaja verrichtte zijn dienst in een tijd waarin ‘religie’ populair, en de tempeldienst slechts een formaliteit was; godsdienst zonder dat het hart erbij betrokken was (zie: Maleachi). Het volk als geheel was verdorven, maar God had zijn getrouw overblijfsel, zoals ook vandaag.

1. De aankondiging van een toekomstige overwinning (60)

Hoe donker was de toekomst voor de Joden in Jesaja’s dagen, en hoeveel donkerder zal het zijn in de Grote Verdrukking wanneer het volk zal lijden onder de macht van de Antichrist en de volkeren? Maar de duisternis zal verdwijnen bij de terugkeer van Christus. De Heer zelf zal aan de Joden verschijnen – ‘zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben’ (Zach.12:10; Openb.1:7). In die dag zal het volk delen in de heerlijkheid van Christus wanneer Hij zal zitten en regeren op de troon van David en de Gemeente met Hem zal regeren in zijn koninkrijk. Jesaja ziet de heidense volkeren in vrede naar Jeruzalem komen, geen oorlog meer, en de volkeren zullen delen in de rijkdom die Israël ten deel is gevallen (vv.3-9). Sommige uitleggers passen vs.5 toe op de Dode Zee, want zelfs vandaag de dag halen de Joden een deel van hun welvaart daaruit. Nu zijn de volkeren tegen Jeruzalem; het is het centrum van een wereldwijde oppositie. Maar wanneer de Messias komt zal de heerlijkheid van Israël hersteld worden, de volkeren zullen zich buigen in vrede. Het land zal herbouwd worden, en de poorten zullen nooit meer gesloten worden. Het duizendjarig Vrederijk (Openb.20:4-5) zal een tijd zijn van vrede en voorspoed voor de hele wereld. Het zal een ‘nieuwe dag’ zijn voor de mensheid wanneer de Zon van Gerechtigheid, Jezus Christus, teruggekeerd is (Mal.4:1-3). Deze beloften mogen niet worden toegepast op het christendom door deze beloften te vergeestelijken. Ze zullen letterlijk vervuld worden in het land Israël wanneer Jezus Christus teruggekeerd is. Als christenen kijken we uit naar ‘de blinkende morgenster’ (Openb.22:16) die aan de wederkomst voorafgaat, want Christus zal neerdalen van de hemel om de Gemeente mee te nemen naar het Vaderhuis, want we zullen zijn waar Hij is (1 Thes.5:16; Joh.14:1-3). De oordelen zullen over de aarde komen.

2. Een heerlijke bruiloft (61-62)

De Heer Jezus las in de synagoge in Nazareth voor uit Jesaja 61:1-2, en paste deze woorden toe op Hemzelf. Hij kwam om aan de geestelijke noden van het volk tegemoet te komen en verkondigde ‘het aangename jaar van de Heer.’ Daar stopte Hij met voorlezen, want ‘de dag van wrake’ zou niet eerder komen dan in de Grote Verdrukking (Jes.63:1-6). Wij leven nu in het ‘aangename jaar van de Heer’, de dag van genade. Natuurlijk spreekt Jesaja hier over de dienst van de Heer Jezus aan het volk Israël, wanneer Hij ‘rouw’ in ‘vreugde’ zal veranderen. Vers 3 spreekt van de opdrogende tranen van hen die rouwen en die hun feestklederen aantrekken in plaats van rouwgewaden. ‘Dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest’ (Jes.61:3). Vers 10 beschrijft een blijde natie die zich verheugt zoals bruid en bruidegom zich verheugen.

Bij de berg Sinaï was Israël ‘getrouwd’ met Jehova, toen Hij hen daar de Wet gaf (Neh.9:13; Ps.147:21). Maar het volk werd ontrouw en ging andere goden achterna. Vanwege zijn ‘geestelijke overspel’, werd het volk in ballingschap weggevoerd, maar dat herstelde hem niet van zijn zonden. Vandaag is Israël een ‘verlaten vrouw’, maar wanneer Christus terugkeert en de natie gereinigd is, zal het ‘huwelijk’ met Jehova hersteld worden. Jesaja 62:4 belooft dat ze niet meer ‘Verlatene’ of ‘Woestenij’ genoemd zal worden, maar ‘Mijn Welgevallen’ en het land ‘Gehuwde’. In vers 5 zien we dat de Heer zich verblijdt over de herstelde relatie. Verwar dit niet met de Gemeente, de bruid van Christus (2 Kor.11:1-2). Zie : Hosea 2, Jes. 50:1 en 54:1.

3. Een heerlijke overwinning (63-64)

In hoofdstuk 63:1-6 zien we Christus als de bloedbevlekte Strijder, terugkerend van de overwinning over de volkeren in de slag van Harmageddon (Openb.19:11-21). Deze overwinning wordt voorgesteld als een boer die olie perst uit de vruchten in een olijfpers. Het eerste wonder van de Heer Jezus was de verandering van water in wijn; zijn laatste overwinning, voordat het koninkrijk op aarde wordt gevestigd, wordt uitgebeeld als iemand die de wijnpers van wraak toepast. Waarom zal Christus de volkeren verslaan die het joodse volk zullen proberen te vernietigen? Vanwege zijn liefde en mededogen (vs.7-9). Wanneer Jesaja Gods goedheid en genade ten opzichte van Israël overdenkt, ondanks Israëls ontrouw en opstandigheid, barst hij uit in gebed voor de reiniging van het volk (63:15-64:12). Hij verlangt ernaar dat God zal optreden ten gunste van het volk zoals in vroegere tijden. De tempel, die het volk slechts enkele jaren in bezit had gehad, was verwoest (Jes.63:18). Jesaja vermeldt hun zonden: onreinheid (64:5-6), lauwheid (64:7) en ongerechtigheid (64:7,9). Toen de Heer Jezus Jeruzalem binnenreed op een ezel, was dat in vrede. Wanneer hij voor de tweede keer komt voor Israël en de wereld, zal Hij komen op een wit paard en in majesteit (Openb.19:11,14). De volkeren zullen Hem leren kennen als de ‘Prins van Vrede’ maar ook als de ‘Strijder’, die oordeelt en zijn volk zal bevrijden.

4. Een heerlijke geboorte (65-66)

God beschrijft wat Hij zal doen wanneer het koninkrijk gevestigd is. Hij verlost het volk van zijn zonden (65:1-7) en bestraft het niet, want er is een verborgen zegen die daarin ligt dat het het heil mag uitroepen voor de volkeren (Rom.10:19-21). Het Oude Testament belooft zegen voor de volkeren, maar het was toen nog niet geopenbaard dat dit al werkelijkheid zou worden in de Gemeente, waar gelovige Jood en heiden in één Lichaam zouden worden gebracht, de Gemeente (1 Kor.12:13). Het volk verdiende om verstrooid te worden, maar God zou het bewaren (65:8). Het gelovig overblijfsel zou het land beërven, maar de ongelovigen zouden worden afgesneden (64:9-17). Jesaja 65:18-25 doet ons de zegen van het koninkrijk zien wanneer Jeruzalem het middelpunt van deze aarde zal zijn. Er zal een lang leven mogelijk zijn (65:20); de dood zal niet meer zijn totdat het rijk van de satan totaal geoordeeld zal zijn (Openb.20:7-14; 1 Kor.15:26). De mensen zullen hun werk in vrede en met voldoening doen en de natuur zal in rust zijn (65:25; Rom.8:18-24). Wat een heerlijke tijd zal dat zijn! In Jes.66:7-9 zien we de wonderlijke geboorte van de natie. ‘Politiek’ gesproken ontstond Israël op 14 mei 1948, maar dat was als volk in ongeloof. Het ‘echte’ Israël zal onstaan wanneer Jezus terugkomt en ze Hem zullen zien en vertrouwen. De periode van de Grote Verdrukking zal de tijd van ‘Jacobs benauwdheid’ zijn (Jer.30:7), wanneer het volk in barensweeën zal verkeren. Het zal een tijd zijn waarin God het volk zal tuchtigen maar een gelovig overblijfsel in stand zal houden om het koninkrijk op te richten. Er zijn jaren van politiek gekrakeel nodig geweest opdat het huidige Israël tot een staat is geworden, maar het toekomstige Israël zal in één dag geboren worden wanneer ze Christus zien, ontmoeten en aanvaarden. De geboorte wordt aangekondigd in 66:7-9; de vreugde over de geboorte in 66:10. Maar in plaats dat er voor de ‘baby’ gezorgd moet worden, zal hij de volkeren verzorgen (66:10-12). En God zal als een ‘moeder’ voor het ontstane volk zijn (66:13) en de oorzaak zijn om blijdschap en zegen te kunnen brengen naar de volkeren.

Nawoord

Het mag nu duidelijk zijn dat Jesaja’s profetie in hoofdstuk 65 niet spreekt van de heerlijkheid van de hemel, het huis van de Vader of de eeuwige toestand. Hij profeteert over het komende vrederijk of Duizendjarig Rijk dat, hoewel beperkt in tijd, toch een heerlijke tijd voor het volk Israël en deze wereld zal zijn. Een tijd waarin zich elke knie voor de Koning der koningen en de Heer der heren zal buigen.

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

Inleiding van het boek Jeremia

 

 

 

 

De Persoon

De naam Jeremia betekent ‘de Here grondvest’. Los van zijn relatie met God, zou de profeet zijn opdracht nooit trouw hebben kunnen vervullen. Hij was van de priesterlijke lijn en leefde in de priesterstad Anatot. Waarschijnlijk was hij van goede komaf want hij kon zich een bezitting aanschaffen en zelfs een schrijver inhuren (36:4). Hij werd tot de dienst geroepen toen hij nog maar een ‘kind’ was (1:4-6). Dat was in het jaar 627 voor Christus.

Het tijdstip

Jeremia diende tijdens de laatste veertig jaar van Juda’s bestaan, van het dertiende jaar van Josia (627 v.Chr.) tot de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 587 v.Chr. Hij vermelde de koningen in wiens regeringsperiode hij diende (1:1-3), de laatste leiders van het eens zo voorspoedige rijk van Juda. Josia was een godvruchtige koning; hij stierf in 608 v.Chr. Het was in zijn tijd dat het Wetboek werd gevonden en de tempeldienst hersteld werd (2Kon.22). Jojahas volgde hem op, maar regeerde maar drie maanden, om die reden vermeld Jeremia hem niet. Jojakim was de volgende (608-597 v.Chr.); hij was een goddeloos man en deed zijn uiterste best om Jeremia te vervolgen. Hij was het die de rol van Jeremia’s profetie liet verbranden (Jer.36:23). Jehoachin was de volgende koning, maar hij regeerde slechts drie maanden toen hij als gevangene naar Babel werd gebracht. De laatste koning was Zedekia (597-586 v.Chr.); hij had de leiding over het geruïneerde volk en het in bezit nemen van de stad Jeruzalem. De profeet Jeremia zag zijn geliefd land en volk wegzinken in de zonde, oorlog en oordeel; en toch bleef hij trouw om Gods Woord te brengen in het hele land.

Toen Jeremia zijn dienst begon, was Assyrië de leidende macht in die wereld, maar Egypte en Babel wonnen snel aan kracht. In 607 v.Chr. namen de Babyloniërs Nineve in en vernietigenden de macht van Assyrië. Babel keerde zich daarna tot Juda; Juda’s raadgevers adviseerden de koning om Egypte te hulp te vragen. Jeremia was altijd tegen een alliantie met Egypte. Hij wist dat Judas enige hoop God was, maar hun zonden waren te veel, het volk had Gods zegen verspeeld. Uiteindelijk nam Babel Juda in en veroverde Jeruzalem (606-586 v.Chr.). Jeremia schreef de klaagliederen om de ondergang van de heilige stad Jeruzalem te gedenken.

De boodschap

Jeremia had geen gemakkelijke opdracht, want hij moest de doodsklok voor het volk luiden. Het eerste gedeelte van het boek vermeldt meerdere boodschappen die hij in Jeruzalem heeft gegeven, waar hij het volk, de priesters en de oversten aanklaagde voor hun zonden, speciaal de afgoderij. In hoofdstuk 25:11; 29:10; 2Kron.36:21 en Dan.9:2 kondigt hij aan dat het volk zeventig jaar in gevangenschap zou gaan, en dan terug zou keren om het land te herstellen. In hoofdstuk 31 profeteert Jeremia een ‘nieuw verbond’ tussen Jehova en zijn volk, niet een verbond van wetten en geschreven op steen, maar een verbond van liefde en geloof, geschreven in het hart. In de laatste hoofdstukken, handelt Jeremia met de volken rond Jeruzalem en vertelt over Gods plannen voor hen.

Een van de sleutelwoorden in het boek is ‘afkerigen’ (2:19; 3:6, 8, 11-12, 14, 22; 49:4). Het volk had God de rug toegekeerd en volgde de valse profeten die hen voorgingen in afgoderij. Elf keer wordt het woord ‘bekeerd’ door de profeet gebruikt, maar het volk deed het niet. Jeremia weende, zo diep was zijn last voor zijn volk (Zie 9:1; 13:17; 14:17; 15:17-18 en Klaagliederen 1:2; 2:11, 18). Omdat Jeremia gevangenschap profeteerde en onderwerping aan Babel, werd Jeremia als een verrader bestempeld en vervolgd door zijn eigen volk. Geen ander oudtestamentische profeet ervoer meer tegenstand van valse profeten dan Jeremia (zie: 2:8, 26; 4:9; 5:31; 6:14; 14:13-16; 18:18; 23:9-40; 26:8-19; 27:9-16; hoofdstukken 28 en 29). Wanneer Juda zich had bekeerd en tot God was teruggekeerd, zou Hij ze van Babel hebben bevrijd. Omdat ze echter volharden in hun zonde, werd het volk getuchtigd, maar dan belooft God herstel ‘voor zijn Naam’ (16:21).

Jeremia gebruikte veel dramatische illustraties om zijn boodschap over te brengen: fonteinen en waterbakken (2:13); medicijn, balsem (8:22); een linnen gordel (13:1-11); een aarden pot (chaps.18-19), een juk (hfdst.27); een gezonken boek (51:59-64).

Jeremia en Jezus

De overeenkomsten tussen Jeremia en de Heer Jezus verdienen onze aandacht. Geen van beide waren gehuwd (16:2) en beiden werden door hun volk verworpen (11:21; 12:6; Luk.4:16-30). Jeremia diende onder de dreiging van Babel, Jezus onder de schaduw van Rome. Beiden werden door hun volk als verraders beschouwd. Jeremia werd met kwaad opzet door de valse profeten benaderd, Jezus door de Schriftgeleerden en Farizeeën, de valse leiders van zijn dagen. Beiden weenden over de stad Jeruzalem, en beide voorzegden haar verwoesting (Luk.19:41). Jeremia verzamelde maar een paar discipelen rondom hem; Jezus had ook een klein gezelschap van volgelingen. Beiden werden ze vals beschuldigd en vervolgd. Beiden verkondigden een geloof van het hart, en niet een religieus systeem van wetten en regels. Het was Jeremia 7:11 waar de Heer Jezus naar verwijst toen Hij de tempel reinigde en de priesters voorhield dat ze de tempel tot een ‘huis van koophandel’ hadden gemaakt (Joh.2:16). Beiden benadrukte het nieuwe verbond van het hart (Jer.31:31-37; Heb.8:7vv.). In hun prediking gebruikten beiden passende illustraties en vergelijkingen. Beiden toonden een zacht, bewogen hart dat was gebroken door de zonden van het volk, dat Gods geboden had moeten houden. Op het einde van hun dienst, leek het alsof ze gefaald hadden in hun opdracht, maar God eerde hen en zorgde dat hun werk niet zonder gevolg bleef.

______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

‘Vissers en Jagers’

Jeremia 16:14-18

 

 

‘Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet meer zal gezegd worden: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft gebracht, maar veeleer: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten heeft doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; ja, Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven had. Zie, Ik ontbied vele vissers, luidt het woord des HEREN, die hen zullen opvissen, en daarna zal Ik vele jagers ontbieden, die hen zullen opjagen van elke berg en elke heuvel, en uit de rotskloven; want mijn ogen zijn op al hun wegen, deze zijn voor Mij niet verborgen, en hun ongerechtigheid is voor mijn ogen niet bedekt. Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden (vgl. Jes.40:2), omdat zij mijn land hebben ontwijd met het aas van hun gruwelen en afschuwelijkheden, waarmede zij mijn erfdeel hebben vervuld’.

Inleiding

Van mijn laatste bezoek aan Israël in april 2014 zijn bij mij een aantal zaken blijven ‘plakken’ die allemaal met elkaar in verband staan. Ten eerste werd ik mij er weer eens van bewust hoe (profetisch) belangrijk het jaar 1967 was en is. U weet dat in dat jaar het oostelijke deel van Jeruzalem weer onder Israëlische controle kwam. Ten tweede was ik verheugd te horen dat de Messiaanse beweging groeit en er momenteel ongeveer 15.000 gelovigen zijn. Voor alle duidelijkheid: Messias belijdende Joden zijn gelovigen die in de Heer Jezus geloven. Ik had het voorrecht om met drie andere broeders twee keer een samenkomst in een Messias belijdende gemeente bij te wonen. Ten derde hoorde ik tijdens een bezoek aan het ‘Holy Temple Visitors Center’ in Jeruzalem van de concrete plannen en voorbereidingen om de tempel te bouwen. Zestig gebruiks-voorwerpen bestemd voor de tempeldienst zijn al vervaardigt en enkele daarvan kon ik zien. Een gouden model van de toekomstige tempel werd getoond. Een grote gouden(!) menorah zo’n anderhalve meter groot die vroeger op het Cardo stond staat nu opgesteld boven het tempelplein; waarde 500.000 dollar. Tenslotte hoorde ik van grote aantallen Joden die terugkeren naar Israël; de zogenaamde ‘Alija’. Men verwacht in de komende tijd ongeveer 200.000 Joden uit Oekraine. Daarmee in verband gaat dit artikel met bovenvermelde tekst uit het Boek Jeremia.

Terugkeer van de Joden

De terugkeer van Joden naar het land van hun vaderen staat in nauw verband met de profetieën die spreken over een herstel van het volk Israël. ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Nu er weer een staat Israël is geloven veel christenen dat zij (financieel) moeten bijdragen om de terugkeer van Joodse mensen naar Israël mogelijk te maken. Ik verwijs naar de actie van ‘Christenen voor Israël: ‘Breng de Joden thuis’. Men beroept zich daarvoor op teksten als o.a. Jeremia 16:14-17; Jesaja 49:22 en Ezechiël 34:11. En juist over de toepassing van die teksten lopen de meningen nogal uiteen vandaar dit artikel. Nu ben ik zeker niet tegen goeddoen aan mensen, verre van, maar dan wel eerst hulp verlenen aan de huisgenoten van het geloof, voor mij wil dat zeggen hen die behoren tot de Gemeente van de levende God (Gal.6:10). Wereldwijd zijn er enorm veel gelovigen die in grote materiele nood verkeren en daar gaat mijn aandacht het eerst naar uit. In mijn contacten met Messias-belijdende Joden vertelde men mij dat als Oekraïense joden naar Israël willen vertrekken ze van het Jewish Agency een ticket kunnen verkrijgen. Als dat juist is dan zie ik helemaal geen noodzaak meer om hen financieel te steunen en besteed mijn geld liever aan andere doelen. Ik wil echter niemand veroordelen die dat wel doet. ‘Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.’ (Rom.14:5).

Tweeërlei terugkeer naar het land

Het is algemeen geweten en de meeste bijbeluitleggers zijn het er over eens dat de terugkeer van het Joodse volk in twee fasen zal gebeuren. Vóór de wederkomst van de Messias op de Olijfberg zullen de twee stammen in het land komen, daarna de tien stammen. De teksten met beloften voor een terugkeer van het volk in diaspora zijn overweldigend (Ps.107:1-3; Jer.3:18; 16:14-15; 23:7-8; Jes.49:12; 43:5-7; Jer.31:8 enz.). Het is nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid voorgekomen dat een volk dat zo verspreid is geworden als het Joodse weer terugkeerde naar het land van hun vaderen en nog steeds hun eigen taal heeft. We leven werkelijk in de eindtijd waarin de beloften van een terugkeer naar het land van hun vaderen werkelijkheid aan het worden is. Na de verwerping van de Heer Jezus bij zijn eerste komst werd het Joodse volk verstrooid over de hele wereld. Nu, in de periode die voorafgaat aan de terugkeer van de Messias, zien we het tegenovergestelde en horen van Joden die van overal in de wereld terugkeren naar het land van hun vaderen. Je kunt je daarom terdege afvragen hoe ver we af zijn van de wederkomst van de Heer Jezus?

De tijd van de vissers

Wanneer was of is de tijd van het optrekken van de vissers en wat wordt met ‘vissers’ bedoeld. Daarover zijn, zoals gezegd, de meningen verdeeld. Liebi zegt dat er eerst een tijd van de vissers zal zijn en ziet het Zionisme als de ‘vissers’ die Joden naar Israël ‘lokten’. De Zionistische beweging begon volgens Liebi in het begin van de 18e. eeuw en duurde tot 1881, het jaar waarin de tsaar Alexander  II werd vermoord. De zionistische beweging had echter niet het beoogde succes en veel Joden bleven waar ze waren. Omdat de schuld voor de moord op tsaar Alexander II werd toegeschreven aan een Jodin braken in Rusland Jodenvervolgingen uit die duurden van 1881-1884. Hiermee was het tijdperk van de jagers aangebroken. Anderen denken aan een vervulling in het heden en zien hun opdracht daarin dat ze het Evangelie verkondigen (Mat.4:19; Mark.1:17). Een terugkeer naar het land is goed en noodzakelijk om de komende Messias te verwelkomen, maar er is meer dan dat. De Messiaanse gelovigen woonachtig in Israël zien zich dan ook als de vissers die door middel van het evangelie de Joden benaderen om terug te keren naar hun God (Mal.3:24). Zijn zij de voorlopers van de 144.000 uit alle stammen van Israël? (Op.7:4v.; 14:1-3).

De tijd van de jagers

De periode van de jagers beslaat volgens Liebi van het jaar 1881 – tot heden. De jagers zijn vijanden (zie: Jer.16:16b) die er (ongewild en onbedoeld) voor zullen zorgen dat de Joden zullen terugkeren. (Ez.12:13; 29:4-5; Amos 4:2; 9:1-4; Hab.1:14-17). Dat heeft in het recente verleden geleid tot het ontstaan van de staat Israël. De Holocaust, die hoe verschrikkelijk ook, heeft ertoe geleid heeft dat er in 1948 weer een Joodse staat is. Ook nù zien we hetzelfde weer gebeuren, wat vanaf 1881 zo vaak is gebeurd, dat door vervolging de Joden naar Israël terugkeren. Het schijnt, naar ik mij heb laten vertellen door Messiaanse gelovigen, dat veel van de 200.000 Joden die nog in Oekraïne verblijven, denken om naar Israël te immigreren. Voor een uitgebreid overzicht van de terugkeer van de Joden naar het land van de vaderen is het boek van Dr. Roger Liebi ‘Leven we werkelijk in de eindtijd?’ van harte aan te bevelen.

Literatuurlijst:

Liebi R, Dr. Leven we werkelijk in de eindtijd? 2013 Uitg. Middernachtsroep. ISBN: 978 90 6603 163 0

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

Inleiding en Indeling van de Klaagliederen

 

 

 

Inleiding

Dit boek bestaat uit een reeks poëtische beschrijvingen over de verwoesting van de stad Jeruzalem en de tempel in het jaar 586 v.Chr. Het is geschreven op een speciale manier: elk hoofdstuk bestaat namelijk uit 22 verzen, gelijk aan het Hebreeuwse alfabet. Hoofdstuk 3 is daarop een uitzondering want dat bestaat uit 66 verzen, drie keer het Hebreeuwse alfabet. Er is geen ander boek in de Bijbel die het hart van God, bedroefd over de zonde van het volk zo treffend beschrijft als Klaagliederen. (Zie: Jer.13:17 en Mat.23:36-38). Jeremia was getuige van de ondergang van Jeruzalem en de tempel en zijn hart was gebroken, het volk verslagen, en de gevangenen op weg in ballingschap naar Babel. We kunnen vijf belangrijke zaken bij het lezen van dit boek opmerken.

Het vreselijke van Gods oordelen (1:1-6)

In deze verzen wordt Jeruzalem vergeleken met een rijke vorstin die plotseling verlaten wordt en beroofd van al haar rijkdom en schoonheid. Eens was ze rijk, nu arm. Eens was ze geëerd, nu is ze in ongenade gevallen. Haar vreugde is veranderd in tranen; haar grote overwinningen omgekeerd in tegenslagen. Waarom? In plaats dat ze God liefhadden, hadden ze vele liefhebbers (vs.2) en de valse goden van de heidense volkeren. Nu zijn die heidense volken haar vijanden geworden. Zonde brengt altijd verdriet en rampspoed. In hoofdstuk 2 legt Jeremia uit dat God niet langer hun vriend, maar hun vijand is. Eens vocht Hij voor haar de strijd, maar nu was het te laat. Lees maar de droevige beschrijving van de uitgehongerden die hun kinderen opaten (2:20; 4:10 en Jer.19:9). Jeruzalem verloor niet allen haar vreugde, rijkdom en schoonheid, maar ze verloor ook haar getuigenis. Als de heidense volken lachten haar uit (2:15-16). Dit alles kan ook op de gelovige toegepast worden; als God de afvallige tuchtigt, is dat niet zo gemakkelijk om mee te leven. Zonde maakt de zondaar altijd tot een verliezer.

De rechtvaardigheid van Gods oordelen (1:18-22)

‘We oogsten wat we gezaaid hebben’ roept de profeet. Het vreselijk oordeel dat was gekomen was, wat de stad en het volk verdiende. ‘We hebben gerebelleerd tegen zijn Woord’. Tegenstand leidt altijd tot tucht; zie Heb.12:1-14. Waarom liet God toe dat het volk in ballingschap werd gevoerd? Om ze te leren op Hem te vertrouwen en zijn Woord te gehoorzamen. In vs.20 noemt Jeremia het volk ‘opstandigen’ ze vertrouwden op de valse goden en de heidense volken wanneer ze in moeilijkheden kwamen; de valse profeten en priesters, die leugens verkondigden en het volk een vals vertrouwen gaven. Als een volk niet wil luisteren naar de waarheid van Gods Woord, is er geen hoop meer voor haar. Wat kunnen ze dan doen? Niets, dan alleen onderwerping aan Gods tuchtigende hand en vertrouwen op zijn genade (1:22). Belijdenis van zonde is beter dan opstandig te blijven tegen God. Het was te laat voor God om de invasie te stoppen, maar Hij zou zeker en vast op grond van een belijdenis van het volk, ten behoeve van hen op te treden ook al waren ze in ballingschap. Maar helaas ze kwam niet!

De waarachtigheid van Gods Woord (2:17)

‘Hij heeft zijn Woord vervuld’. Veertig jaar had Jeremia het volk gewaarschuwd dat hun zonden oordeel zouden brengen: toch luisterde het volk niet. Het volk wilde de waarheid niet horen; ze gaven voorkeur aan de ‘populaire verzinsels’ van de valse profeten’ (2:14).  Jeruzalem lachte Jeremia uit, vervolgde hem, en probeerden hem zelfs te doden, maar uiteindelijk eerde God zijn dienstknecht en kwamen zijn woorden uit (zie Jer.4:5-10 voor Jeremia’s waarschuwing). Lees Jeremia 5:30-31 voor de vermelding dat het volk leugens geloofde. Het zou vandaag ook heel toepasbaar zijn. In Jer.6:13-14 vergelijkt hij de valse profeten met dokters die de symptomen verborgen hielden en de ziekte niet genazen. Zie 8:11, 21-22. In 23:9 legt Jeremia uit wat er met het volk gebeurt als het het Woord van God verwerpt en de leugens van de mensen geloofd. Toch zal de waarheid van Gods Woord gehandhaafd blijven, zoals het dat ook deed in Jeremia’s dagen. De tijd was al gekomen waarin de mensen ‘de gezonde leer’ niet meer verdroegen, maar ze luisterden naar predikers die een boodschap brachten die hun gevoel streelde en valse zekerheid gaf (2Tim.4:1-5). God zal deze wereld zeker oordelen, in tegenstelling tot wat de valse profeten zeggen.

De gevoeligheid van Gods hart (1:12-16)

Jeremia toont ons het hart van God, gebroken door de zonde van zijn volk. Oordeel is Gods ‘vreemd werk’ (Jes.28:21; Hij doet het niet graag. En zelfs al tuchtigt Hij zijn volk, Hij is met hen in hun lijden (Jes.63:9). ‘Wie de Heer liefheeft die tuchtigt Hij’. Jeremia’s tranen herinneren ons eraan dat God zijn eigen volk liefheeft, zelfs als ze opstandig zijn, en dat die houding zijn liefde niet kan veranderen. Wanneer het volk wandelt bij de verwoeste stad, vraagt Jeremia hen: ‘Raakt het u niet, gij allen die voorbijgaat?’ We kunnen hierin de stem van de Heer Jezus herkennen toen Hij hing aan het kruis voor de zonden van de wereld. Denk eraan hoe Hij weende over Jeruzalem omdat haar dag van het tuchtiging nabij was. God, in liefde, had het volk gewaarschuwd voor hun zonden en zijn onomkeerbaar oordeel. In feite, zo ver als we kunnen teruggaan tot Mozes, had God het volk gewaarschuwd de valse goden niet te volgen (Zie Lev.26 en Deut.28). In zijn liefde had Hij profeten gezonden om hen te waarschuwen (2Kron.36:15-17), maar ze wilden niet gehoorzamen. Nu, in liefde, tuchtigde Hij hen opdat ze zouden leren de lessen die ze voorheen niet wilde leren.

De trouw van Gods genade (3:18-36)

Hier in het hart van het boek Klaagliederen vinden een van de grootste belijdenissen van schuld in de hele Bijbel. Jeremia had geleefd met zijn eigen verdriet en het leed van het volk, maar dan heft hij zijn ogen op tot God – en dat was het keerpunt. In het midden van het leed en in de verwoesting herinnerde hij zich de genade van God; ‘Zijn troost blijven niet achterwege’. We hebben Hem genegeerd, maar dat doet Hij ons niet. ‘Groot in Uw trouw!’ De trouw van God is een geweldige bemoediging in dagen waarin de moed de mensen ontbreekt. Wanneer je jouw leven bouwt op mensen of materiële zaken van deze wereld, zal het je ontbreken aan hoop en zekerheid; maar als je jouw leven bouwt op Christus, de Getrouwe, zal je voor altijd veilig zijn. ‘In trouw hebt Gij mij verdrukt’ (Ps.119:75). Klaagliederen zelf leert ons deze les. God wil ons brengen op een plaats van berouw en bekering (Klg.3:39-41). Hij is trouw om te vergeven wanneer wij onze zonden belijden (1Joh.1:9). Hij is trouw met ons mee te lijden wanneer we lasten en moeiten hebben (Heb.2:17-18; 4:14-16). We hoeven nooit denken dat Hij te druk met andere dingen bezig is of niet in staat is ons te helpen. Hij is trouw ons te bevrijden wanneer we roepen om hulp in tijden van verzoeking (1Kor.10:13). Hij is trouw ons in dit leven en in het eeuwige leven nabij te zijn (1Tim.1:15; 1Thes.5:23-24). We kunnen in geloof ons leven en zielen opdragen aan de Schepper (1Petr.4:19) en weten dat Hij alles goed zal maken op zijn wijze. God in zijn genade behield een overblijfsel van Juda, beschermde en zegende hen gedurende de zeventig jaren van ballingschap, en stond hen dan toe om nog eens terug te keren naar hun land. Hij stelde hen in staat hun stad en tempel te herbouwen. Hij beschermde hen tegen de heidense volken die de Joden haatten; denk aan het boek Ester! Hoe vol genade was God voor zijn volk, hoe genadevol is Hij voor ons!

In moeilijke tijden dienen we Jeremia na te volgen, wegkijken van onze eigen situatie en onze ogen opheffen tot God, en met geduld en vertrouwen op Hem wachten (3:24-26). We kijken te vaak teveel naar onszelf en onze problemen en kunnen daardoor zo ontmoedigd raken dat we afhaken. In plaats daarvan moeten we onze ogen ‘richten op Jezus’ (Heb.12:1-2) en Hem de gelegenheid geven ons te helpen. Het is moeilijk om op God te wachten. Onze gevallen natuur verlangt actie, en als we te vroeg zouden ingrijpen in onze eigen problemen, verergeren we de zaak nog meer. Jeremia wachtte op de Heer, vertrouwde op zijn genade, en vertrouwde op Gods trouw. Hij kende de waarheid van Jesaja 40:31: ‘Wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat’.

--------------------------------------------------------------------------------------

 

Indeling Klaagliederen

I De ontrouw van het volk (1:1-22)

II De verwoesting van de stad Jeruzalem (2:1-22)

III De ellende van de profeet (3:1-66)

IV De tuchtiging van God (4:1-22)

V De verklaring van Joodse overblijfsel (5:1-22)

_______________________________________________________________

Wat zegt de Bijbel?

 

 

 

De val van Jeruzalem

Klaagliederen 1 - 2

 

 

 

Voorwoord

Dit boek bestaat uit een reeks poëtische beschrijvingen over de verwoesting van de stad Jeruzalem en de tempel in het jaar 586 v.Chr. Het boekje is op een speciale manier samengesteld, elk hoofdstuk bestaat namelijk uit 22 verzen, gelijk aan het Hebreeuwse alfabet. Hoofdstuk 3 is daarop een uitzondering want dat bestaat uit 66 verzen, drie keer het Hebreeuwse alfabet. Er is geen ander boek in de Bijbel die de gevoelens van God, bedroefd over de zonde van het volk, zo treffend beschrijft als Klaagliederen (Zie: Jer.13:17 en Mat.23:36-38). Jeremia was getuige van de ondergang van Jeruzalem en de tempel, zijn hart was gebroken, het volk verslagen, en het volk op weg in ballingschap naar Babel. Vijf belangrijke kenmerken die in Klaagliederen voorkomen willen we wat nader bekijken.

Inleiding

Het was een nationale catastrofe, de verwoesting van de tempel in 586 v.Chr. door koning Nebukadnezar. De herinnering eraan wordt door de Joden nog altijd levendig gehouden door de herdenking op Tisja Beav. Tisja Beav is de traditionele rouwdag van het jodendom. Een treurdag ter gelegenheid van de verwoesting van de tempel. Men herdenkt op die dag de verwoesting van zowel de Eerste als de Tweede Tempel, respectievelijk in 568 v. Chr. en 70 n. Chr. Het is een dag van vasten en het zingen van klaagliederen. De tempel werd in de brand gestoken, het koper, zilver en goud werd meegenomen en het volk werd in ballingschap naar Babel gevoerd, waar ze zeventig jaar zouden verblijven (Jer.25:11-12; 29:10; Dan.9:2). In 536 v.Chr. geeft de Perzische koning Cyrus de Joden toestemming op stad en tempel weer op te bouwen (Zie de boeken Ezra en Nehemia). Deze tempel was als niets in vergelijking met de vorige tempel, dat blijkt uit wat de profeet Haggaï daarover schrijft: ‘Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen? (Haggaï 2:4). Haggaï verwijst in één keer door naar de toekomstige tempel, waarvan we de beschrijving vinden het boek Ezechiël 40-48: ‘De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Here der heerscharen’ (Haggaï 2:10). We zijn daarmee dan in het Vrederijk aangeland.

De verwoesting van stad en tempel (1:1-6)

Het had Jeruzalem aan niets ontbroken: ‘Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat ik er niet aan gedaan heb’ zegt de profeet Jesaja wanneer hij spreekt over Juda en Jeruzalem (Jes.5:4). Jeruzalem werd geroemd om haar volmaakte schoonheid, de vreugde der ganse aarde (Klg.2:15). ‘Maar nu oogsten jullie wat je gezaaid hebt’ roept de profeet als het ware. Want herhaaldelijk waren profeten tot hen gezonden om hen te wijzen op hun zonden, en om hen voor het naderend oordeel te waarschuwen, maar ze weigerden te luisteren (Jer.18:18, 44:16; Mat.23:34). In deze verzen wordt Jeruzalem vergeleken met een rijke vorstin die plotseling verlaten en beroofd wordt van al haar rijkdom en schoonheid. Eens was ze rijk, nu arm. Eens was ze geëerd, nu is ze in ongenade gevallen. Haar vreugde is veranderd in tranen; haar grote overwinningen omgekeerd in tegenslagen. Waarom? In plaats dat ze God vereerden en liefhadden, had ze vele liefhebbers (vs.2) en de valse goden van de heidense volkeren, maar die konden niet helpen en waren zelfs haar vijanden geworden. Zonde brengt altijd verdriet en rampspoed. Maar ook God is haar tot een vijand geworden legt Jeremia in hoofdstuk 2:5 uit. Eens vocht Hij voor haar de strijd (Deut.28:7), maar nu was het andersom. Wie God verlaat, baart smart op smart! Lees maar eens de droevige beschrijving van de uitgehongerden die hun kinderen opaten (2:20; 4:10 en Jer.19:9). In wat voor een situatie waren ze terechtgekomen; hoe was het zover kunnen komen? Jeruzalem verloor niet alleen haar vreugde, rijkdom en schoonheid, maar ze verloor ook haar getuigenis. Al de heidense volken lachten haar uit (2:15-16). Dit alles kan ook op de gelovige toegepast worden; als God de afvallige tuchtigt, is dat niet zo gemakkelijk te ondergaan. Zonde maakt de zondaar altijd tot een verliezer. De duivel belooft alles, maar uiteindelijk neemt hij alles! Maar, God is ook een God van genade en Hij tuchtigt ons, en ook het volk Israël, en dat niet zonder reden. ‘Hij tuchtigt ons tot ons nut, opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen’ (Heb.12:10). ‘Aan degene die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen’ (Lev.10:3).

Gods oordelen zijn rechtvaardig (1:18-22)

En ik hoorde het altaar zeggen: Ja Heer, God de almachtige, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen (Op.16:7). Hoe erg het oordeel ook was, dit was wat de stad en het volk moest ondergaan en waarvoor ze gewaarschuwd waren. Al heel vroeg in hun geschiedenis vinden daarvan al getuigenis in het boek Deuteronomium (Deut.28:15vv.). Ze zijn weerspanning geweest tegen zijn woord (1:18) en opstand tegen God leidt altijd tot tucht (zie Heb.12:1-14). Waarom liet God toe dat het volk in ballingschap werd gevoerd? Om hen te leren op Hem te vertrouwen en zijn Woord te gehoorzamen. Ze hebben geroepen om hun minnaars dat zijn de valse goden en de heidense volken waarop Juda vertrouwde. Die valse profeten en priesters, die leugens verkondigden en het volk een vals vertrouwen gaven, lieten hun bedrogen staan. Als een volk niet wil luisteren naar de waarheid van Gods Woord, is er geen hoop meer voor haar. Wat kunnen ze dan doen? Niets dan alleen zich bekeren en onderwerpen aan Gods tuchtigende hand en hopen op zijn genade (1:22). Belijdenis van zonde is beter dan opstandig te blijven tegen God. Het was te laat voor God om de invasie te stoppen, maar anders Hij zou zeker en vast hebben ingegrepen wanneer het volk hun zonde zouden belijden. De les die wij hieruit kunnen leren is, dat het oordeel dat over de wereld gaat komen een rechtvaardig oordeel is. Niemand zal God het kwalijk kunnen nemen. ‘Hij heeft een dag bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen’, maar nu is het is nog een dag van genade heilbrengend voor alle mensen (Hand.17:31; Tit.2:11).

Gods Woord wordt vervuld (2:17)

‘De Here heeft volvoerd wat Hij Zich had voorgenomen, Hij heeft in vervulling doen gaan, wat Hij gesproken heeft, wat Hij sinds de dagen van weleer heeft bevolen’ (Klg.2:17).  Met God valt niet te spotten, we moeten Hem niet uitdagen door dingen te doen waar we Hem tot in het diepste van zijn hart mee kwetsen! De les van de geschiedenis vermeld in 2 Koningen 17 is duidelijk. ‘Daarom was de Here zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd’ (17:18), en ‘De Israëlieten wandelden in al de zonden die Jerobeam begaan had; zij weken daarvan niet af, totdat de Here Israël van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En Israël werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag’ (17:22-23). Veertig jaar had Jeremia het volk gewaarschuwd dat ze door hun zonden Gods oordeel over zichzelf zouden afroepen en toch luisterde het volk niet. Het volk wilde de waarheid niet horen; ze gaven voorkeur aan de ‘populaire verzinsels’ van de valse profeten’ (2:14). Jeruzalem lachte Jeremia uit, vervolgde hem, en probeerden hem zelfs te doden, maar uiteindelijk eerde God zijn dienstknecht en kwamen zijn woorden uit (zie Jer.4-5 voor Jeremia’s waarschuwing). Let op Jeremia 5:31 ‘De profeten profeteren vals en de priesters verschaffen zich gewin nevens hen, en mijn volk heeft het gaarne zo’. ‘Zie, het woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?’ (Jer.8:9).

Het zou vandaag ook heel toepasbaar zijn. In Jer.6:13-14 vergelijkt hij de valse profeten met dokters die de symptomen verborgen hielden en de ziekte niet genazen (zie 8:11). Toch zal de waarheid van Gods Woord gehandhaafd blijven en volbracht worden, in Jeremia’s dagen maar in de nabije toekomst. De tijd was al gekomen waarin de mensen ‘de gezonde leer’ niet meer verdroegen, maar ze luisterden naar predikers die een boodschap brachten die hun gevoel streelde en valse zekerheid gaven (2Tim.4:1-5). God zal deze wereld zeker oordelen, in tegenstelling tot wat de valse profeten zeggen of de mensen denken.

Gebroken harten (1:12-16)

Jeremia toont ons het hart van God, gebroken door de zonde van zijn volk. Oordeel is Gods ‘vreemd en ongewoon werk’ en (Jes.28:21), Hij doet het niet graag; ‘Niet van harte verdrukt en bedroeft hij mensenkinderen’ (Klg.3:33). En zelfs al tuchtigt Hij zijn volk, Hij is met hen in hun lijden (Jes.63:9). ‘Wie de Heer liefheeft die tuchtigt Hij’. In deze verzen zien we dat het oordeel van de Here kwam, Hij zond uit den hoge vuur!’ Jeremia’s tranen (1:16) herinneren ons eraan dat God zijn eigen volk liefheeft, ook al zijn ze opstandig, maar zelfs dat kan zijn liefde niet veranderen. Wanneer het volk wandelt bij de ruïnes van de stad, vraagt Jeremia: ‘Raakt het u niet, gij allen die voorbijgaat?’ We kunnen hierin de stem van de Heer Jezus herkennen toen Hij hing aan het kruis als het Lam dat zijn leven gaf voor de zonden van de wereld. Denk eraan hoe de Heer Jezus weende over Jeruzalem omdat haar dag van haar tuchtiging nabij was. ‘En toen Hij de stad zag, weende Hij over haar en zei: Och, mocht op deze uw dag ook u erkennen wat tot uw vrede dient’ (Luk.19:42). God had, in liefde, het volk gewaarschuwd dat op hun zondige wandel zijn onomkeerbaar oordeel zou volgen. In zijn liefde had Hij profeten gezonden om hen te waarschuwen (2Kron.36:15-17), maar ze wilden niet gehoorzamen. Nu, in liefde, tuchtigde Hij hen opdat ze zouden leren de lessen die ze voorheen niet wilde leren. Maar de geschiedenis herhaalt zich! Veelzeggend is Jezus’ weeklacht over Jeruzalem: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie uw huis wordt aan u woest overgelaten’ (Mat.23:38). Maar gelukkig houdt het daarmee niet op: ‘Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’ (Mat.23:39).

Genade op genade (3:18-36)

Hier in het hart van het boek Klaagliederen vinden een van de grootste belijdenissen van schuld van de hele Bijbel. Jeremia had geleefd met zijn eigen verdriet en het leed van het volk, maar dan heft hij zijn ogen op tot God – en dat was het keerpunt. In het midden van het leed en in de verwoesting herinnerde hij zich de genade van God. ‘Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (Klg.3:22). We hebben Hem genegeerd, maar dat doet Hij ons niet. ‘Groot is Uw trouw!’ De trouw van God is een geweldige bemoediging in dagen waarin het de mensen aan moed ontbreekt om verder te gaan. Er is hoop want: ‘Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Want zo hoog de hemel is boven de aarde, zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen’ (Ps.103:10-11). ‘In trouw hebt Gij mij verdrukt’ (Ps.119:75). Klaagliederen zelf leert ons deze les. God wil ons brengen op een plaats van berouw en bekering (Klg.3:39-41). Hij is trouw om te vergeven wanneer wij onze zonden belijden (1Joh.1:9). Hij is trouw in met ons mee te lijden wanneer we lasten en moeiten hebben (Heb.2:17-18; 4:14-16). We hoeven nooit te denken dat Hij het te druk heeft of met andere dingen bezig is, of niet in staat is ons te helpen. Hij is trouw om ons te bevrijden wanneer we roepen om hulp in tijden van verzoeking (1Kor.10:13). Hij is trouw ons in dit leven en in het eeuwige leven nabij te zijn (1Tim.1:15; 1Thes.5:23-24). We kunnen in geloof ons leven en zielen opdragen aan de Schepper (1Petr.4:19) en weten dat Hij alles goed zal maken op zijn tijd en wijze. God in zijn genade behield een overblijfsel van Juda, beschermde en zegende het gedurende de jaren van ballingschap, en stond hen na zeventig jaar toe om nog eens terug te keren naar hun land. Hij stelde hen in staat hun stad en tempel te herbouwen. Hij beschermde hen van de heidense volken die de Joden haatten. Hoe vol genade was God voor zijn volk toen maar ook in deze tijd waar weer een volk Israël en een stad Jeruzalem aanwezig is. Hoe genadevol is Hij voor ons!

Tenslotte

In moeilijke tijden dienen we Jeremia na te volgen, wegkijken van onze situatie en onze ogen opheffen tot God, en met geduld en vertrouwen op Hem wachten (3:24-26). We kijken te vaak te veel naar onszelf en onze problemen en kunnen daardoor zo ontmoedigd raken dat we afhaken. In plaats daarvan moeten we onze ogen ‘richten op Jezus, de overste leider en voleinder van het geloof’ (Heb.12:1-2) en Hem de gelegenheid geven ons te helpen. Het is moeilijk op God te wachten. Onze gevallen natuur vereist activiteit, en als we te vroeg zouden ingrijpen in onze eigen problemen, verergeren we de zaak nog meer. Jeremia wachtte op de Heer, vertrouwde op zijn genade en trouw. Hij kende de waarheid van Jesaja 40:31 - ‘Wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat’.

______________________________________________________________