Profetische Boeken

 

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

Jesaja 6 - Een profeet gezocht

Jesaja 61 - Hij heeft Mij gezonden

Jesaja 65 - Een nieuwe wereld

Jeremia 16 - Vissers en Jagers

Ezechiël 37-48 - De vervallen hut van David

De beek Gods is vol water - Ezechiël 47

Daniël 3 - Maar zelfs indien niet

Micha 4-5 -Gods beloften

Habakuk - Al zou de vijgenboom niet bloeien

De toekomst van Israël - Zacharia 12-14 (deel 1)

De toekomst van Israël - Zacharia 12-14 (deel 2)

De toekomst van Israël - Zacharia 12-14 (deel 3)

Maleachi 3-4 - Er is een gedenkboek geschreven

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

'Een profeet gezocht'

Jesaja 6

 

Inleiding

‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?’ is de centrale gedachte in dit zesde hoofdstuk van het boek Jesaja. Het antwoord daarop vinden we in Jesaja’s roeping en de aanvaarding van zijn dienst voor God. Hij zag een zondig volk en de Heilige Israëls, en kon zich niet stil houden. Maar voordat hij het ‘wee u’ over anderen uitspreekt, belijdt hij eerst zijn eigen zonden en zegt ‘Wee mij!’ (Jes. 6:5).

Jesaja de evangelist

Jesaja wordt wel ‘de evangelist onder de profeten’ genoemd, omdat hij zoveel zegt over Jezus Christus. Jesaja schrijft over zijn geboorte (7:14; Matt. 1:23); de bediening van Johannes de Doper (40:1-6; Matt. 3); de dienst van de Heer zelf in de Geest (61:1-2; Luk. 4:17-19); zijn verwerping door het volk (6:9-13; Matt. 13:10-15; Joh. 12:38); de Steen des Aanstoots (8:14; 28:16; Matt. 21:42; Rom. 9:32-33; 1 Petr. 2:6); zijn dienst aan de heidenen (49:6; Luk. 2:32; Hand. 13:47); zijn toekomstig koninkrijk (11:1-9; Op. 12:10); en zijn verzoeningsdood aan het kruis (53:1vv; Mark. 10:25).

1. Jesaja zag een volk in verval - Hij keek achterom (Jesaja 5)

Jesaja zag het oordeel naderen en kende ook de reden, namelijk de zonden die het volk begaan had. Vandaar het zesvoudig ‘wee’ daarover in hoofdstuk 5. Ergens anders zegt Jesaja: ‘Maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (Jes. 59:2). ‘Daarom is de toorn des Heren tegen zijn volk ontbrand en heeft Hij zijn hand daartegen uitgestrekt en slaat Hij het.’ (Jesaja 5:25). Wanneer de heiligheid van God in het gedrang komt door zonden die door het volk of door ons gedaan zijn, moet God wel ingrijpen. Dit ingrijpen is een daad van Gods liefde: ‘Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg. 3:33). ‘Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid’ (Hebr. 12:4-11).

2. Een gezicht: Jesaja zag GodHij keek naar boven (Jesaja 6:1-4)

Dit gezicht is dat van de heerlijkheid van Christus (Joh. 12:41). Hij zag Christus in Zijn verhoging, zijn heiligheid en zijn heerlijkheid (Joh. 17:5; 13:3; Hebr. 1:1-3; Hebr. 7:26; 1 Petr. 3:2; Luk. 1:9-10; Openb. 5:5-14; 8:3). Men vermoedt dat Jesaja in de tempel was toen deze geweldige gebeurtenis plaatsvond, maar daar zijn we niet zeker van. De tempel waarnaar verwezen wordt in vers 1 is eerder de hemelse tempel dan Salomo’s tempel. Koning Uzzia stierf in 740 B.C. en was één van Juda’s grootste leiders geweest, zelfs toen hij in zijn latere jaren afweek en bestraft werd door God wegens ongehoorzaamheid (2 Kron. 26:16-21). Een groot koning had zijn troon op aarde verlaten, maar de Grootste Koning zat nog steeds op zijn troon in de hemel (Ps. 2). In overeenstemming met Joh. 12:41, blijkt dat Jesaja de Here Jezus zag. Alleen in dit bijbelgedeelte worden ‘seraphim’ vermeld. Het Hebreeuwse woord betekent ‘brandend’ en deze schepsels verwijzen daarmee naar de heiligheid van God, vandaar het drievoudige: ‘Heilig, heilig, heilig’. Sommigen denken dat deze wezens dezelfde zijn als de ‘levende wezens’ vermeld in Openbaring 4:6-9.

Omdat koning Uzzia gestorven was, was het uitzicht slecht voor Jesaja en het volk. Het volk was in gevaar, en Jesaja kon er weinig aan veranderen. Het uitzicht was slecht, maar de blik naar boven was grandioos (Ps. 121:1)! God was nog steeds op de troon en regeerde soeverein. Vanuit hemels standpunt gezien, was ‘de ganse aarde vol van Zijn heerlijkheid’ (6:3; Num. 14:21-22; Ps. 72:18-19). Als de wereld rondom ons dreigt in te storten, kijk naar Boven!

3. Een inzicht: Jesaja zag zichzelfHij keek naar binnen (Jesaja 6:5-7)

‘Pas als ze het contrast gezien hebben tussen zichzelf en de majesteit van God, worden mensen echt aangeraakt en overtuigd van hun onbeduidendheid,’ schreef Johannes Calvijn. Dit gold niet alleen voor Jesaja, maar ook voor Job (Job 42:5-6), Daniël (Dan. 10:16-17), Petrus (Luk. 5:8) en Johannes (Op. 1:17).

Het zicht op een heilige God en het geluid van een hemels lied brachten een grote overtuiging in het hart van Jesaja, en hij beleed dat hij een zondaar was. Onreine lippen worden veroorzaakt door een onrein hart (Matt. 12:34-35). Jesaja smeekte om een innerlijke reiniging (Ps. 51:10), en God voldeed aan die vraag. Als dit voorval op aarde had plaatsgevonden, dan zouden de kolen van het bronzen altaar gekomen zijn waar bloed van de offers geplengd was, of misschien wel van het reukwerk van de Hogepriester (Lev. 16:12). Jesaja’s reiniging gebeurde door bloed en vuur, en werd getoetst door het Woord van God (6:7).

Alvorens we een dienst verrichten aan anderen, moeten we God toestaan een dienst aan ons te verrichten. Voordat we het ‘wee u’ afroepen over anderen, behoren we eerst te zeggen ‘Wee mij!’. Jesaja’s overtuiging van zondigheid leidde tot belijdenis, en belijdenis leidde tot reiniging, en reiniging maakt bekwaam tot dienst voor God (1 Joh. 1:9). Evenals Jesaja, zagen ook andere grote geloofsmannen zichzelf als zondaars en vernederden ze zich voor God: Abraham (Gen. 18:27), Jakob (Gen. 32:10), Job (Job 40:1-5), David (2 Sam. 7:18), Paulus (1 Tim. 1:15) en Petrus (Luk. 5:8-11).

4. Een visie: Jesaja zag het volk – Hij keek rondom zich (Jesaja 6:8-13)

Jesaja zag het volk in zijn zonden, verdrukking en heerlijkheid. Het volk had God nodig en God wilde een dienstknecht ten behoeve van het volk. Jesaja gaf zich vrijwillig op om die dienstknecht te zijn. Hij ging niet in discussie over zijn roeping zoals Mozes deed (Ex. 3:11-4-15) en Jeremia (Jer. 1:4vv), maar aanvaardde de benoeming en stelde zich beschikbaar voor de Meester. Onderschat nooit wat God kan doen door een enkele gewillige dienstknecht. Vandaag de dag zijn er heel wat meer werkers nodig, en we hebben geweldige mogelijkheden om het evangelie mee te delen aan een verloren wereld. Bent u één van die vrijwilligers? God bemoedigde zijn knecht niet bijzonder! Jesaja’s dienst maakte de blinden nog meer blind, en de doven nog meer doof, en hun harten nog harder. Verzen 9-10 zijn zo belangrijk dat ze zes keer vermeld worden in het NT (Matt. 13:13-15; Mark. 4:12; Luk. 8:10; Joh. 12:40; Hand. 28:25-28; Rom. 11:8). God maakt niet vrijwillig mensen blind, doof en verhard; maar hoe meer de mensen Gods waarheid afwijzen, hoe minder ze in staat zijn om die waarheid te ontvangen. Maar de dienstknecht is geroepen om de waarheid uit te dragen, ongeacht hoe het volk erop reageert. Het succes van dienstbaarheid is niet het uiterlijke succes, maar het getrouw zijn aan God. God liet Jesaja weten dat zijn dienst zou eindigen in een ogenschijnlijke mislukking, met het land als een ruïne, en het volk gaande in ballingschap (6:11-12). Maar een overblijfsel zou behouden blijven! Het zou gelijken op een stomp van een gevallen boom waaruit de scheuten (‘het heilig zaad’) zouden komen, en zij zouden het werkelijke geloof uitdragen in het land. Jesaja had een langetermijnverwachting nodig voor zijn dienst, want anders zou hij de idee kunnen krijgen dat het allemaal voor niets diende.

‘Ga, en zeg’ is nog altijd Gods bevel voor Zijn volk (vs.9; Matt. 28:7; Mark. 5:19). Hij wacht op ons antwoord, “Hier ben ik, zend mij.’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

'Hij heeft Mij gezonden'

Jesaja 61:1

 

 

 

 

De Heer Jezus geneest verbrokenen van hart. Hij kan zich één maken met jouw verdriet want Hij is de ‘man van smarten, en vertrouwd met ziekte’ (Jes. 53:3). Hij weet hoe jij je voelt, en Hij wil zijn vertroosting aan je schenken. “Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden” (Ps. 147:3).

Wat moet je doen opdat de Heer Jezus jouw gebroken hart kan genezen?

Vier stappen

De eerste stap is je verdriet te accepteren en er op een natuurlijke manier mee om te gaan. God heeft ons geschapen zodat we pijn kunnen voelen, bijvoorbeeld bij het verlies van een geliefde. Hij verwacht van ons dat we dat verdriet laten zien. Een ernstig verlies kan voor God een gelegenheid zijn om het helingsproces te beginnen. Echt verdriet is een geestelijke en emotionele therapie. Een verkeerd omgaan met verdriet maakt de wonden alleen maar dieper.

God wil niet dat wij op dezelfde manier verdriet hebben ‘zoals de andere mensen, die geen hoop hebben’ (1Thes. 4:13). Onze hoop in gericht op Jezus Christus, de Zoon van God, die de dood voor ons heeft overwonnen toen Hij stierf en weer opstond uit de doden. Als je op Hem vertrouwt als je Verlosser en Heer, dan kan je verdriet, ziekte en dood door het geloof ondergaan. ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij’ (Ps. 23:4).

De volgende stap is om geduldig te zijn en je zelf tijd geven om te herstellen. Ja, we willen allemaal zo snel als mogelijk uit ‘het dal van diepe duisternis’ gaan. Maar het verblijf duurt soms lang, omdat je in tijden van beproeving gaat groeien in het geloof, en groei vergt tijd. God werkt door liefde en liefde vergt tijd.

Ten derde, neem elke dag tijd om gemeenschap met God te hebben. Lees je bijbel en bid; aanbid en dank Hem, ook al is je hart gebroken. Je zult ontdekken dat, door het lezen van Gods Woord, zijn belofte van troost nog krachtiger is als je door een dal van diepe duisternis gaat.

Ten slotte, aanvaard de hulp van broeders of zusters. God gebruikt mensen om ons te bemoedigen gedurende moeilijke perioden in ons leven (Hand. 28:15). Je broeders en zusters zijn een deel van Gods medicijn om hulp te geven aan ‘verbrokenen van hart’.

Het gezin van Bethanië

We zien dit mooi geïllustreerd in Johannes 11, waar we lezen over Maria en Martha uit het dorp Bethanië, wier broer Lazarus ziek was. Dit was een gelovig gezin, en toch gingen ze door een dal van moeiten, ziekte en zorg. De Heer Jezus had deze mensen lief, maar dat betekende niet dat lijden en troost op hen geen vat zouden kunnen hebben. Sommige mensen hebben de idee dat toegewijde gelovigen uitgesloten zijn van pijn en verdriet, maar dat is niet zo. De dood is een menselijke ervaring, en christenen zijn mensen. Als de Heer Jezus niet eerder komt, dan zullen we allemaal sterven en gaan (mogelijk) door een dal van lijden.

Hoe weten wij dat God ons liefheeft? Omdat we gezond zijn en genieten van een comfortabel leven? Of misschien omdat we geen speciale lasten of zorgen kennen in ons leven? Neen, dit zijn geen bewijzen van Gods liefde. Zelfs ongelovigen kennen deze zegeningen en genieten ervan. We weten dat God ons liefheeft omdat zijn Woord ons dat zegt, en omdat Hij dat bewezen heeft door het kruis. ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is’ (Rom. 5:8). ‘Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief’ (Joh. 11:5). En de Heer Jezus houdt van jou! Hoe ver weg God ook mag lijken in je leven, hoe moeilijk je het ook hebt, Jezus houdt van jou! ‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook’ (1 Joh. 3:1). ‘Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde’ (Jer. 31:3).

Waarom liet God het toe dat Lazarus ziek werd en stierf? De Heer Jezus leert ons in Joh. 11:4: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’. Het doel van ons leven is niet dat we een comfortabel leven lijden, maar dat God verheerlijkt wordt. We begrijpen misschien niet alles van het plan van God voor ons leven, maar we weten wel dat Hij zich nooit vergist. Zoals Maria en Martha mogen we onze zorgen met Hem delen en erop vertrouwen dat wat Hij doet het beste is.

Opdat Christus in de mogelijkheid is om ‘verbrokenen van hart te verbinden’ dienen we Hem alle stukjes te geven. Dit vergt geloof, maar je kunt Hem vertrouwen. Hij houdt te veel van jou om je kwaad te doen, en Hij is te wijs om een fout te maken. ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN’ (Jes. 55:8).

Bidden

Als er moeiten in ons leven komen is het vanzelfsprekend dat we bidden. Maria en Martha zonden een boodschap naar Jezus, ze vroegen Hem om hulp. De Heer Jezus beantwoordde hun vraag, maar niet op de manier zoals zij dat gedacht hadden. Het is een goed voorbeeld om aan te denken als wij bidden.

Een paar zaken verdienen onze aandacht. Ten eerste, zij geloofden in de Zoon van God, daar bestond geen enkele twijfel over. Maria en Martha waren geredde mensen wier zonden vergeven waren omdat ze geloofden in de Heer Jezus. In Joh. 11:27 getuigt Martha daarvan met de woorden: ‘Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou’.

Ten tweede onderwierpen ze zich aan de wil van God. Ze noemden Hem ‘Heer’ en vertelden Hem niet wat Hij moest doen. “Gebed is niet dat onze wil in de hemel geschiedt, maar Gods wil op aarde”! In hun vraag spraken ze van de nood die er was en lieten dat bij Hem. God kan onze gebroken harten niet helen als wij hem voorschrijven wat en wanneer Hij dat moet doen. We dienen te bidden als de Heer Jezus: ‘niet mijn wil, maar de uwe geschiede!’ (Luk. 22:42). Wees nooit bang voor Gods wil. Hij kent je noden, en weet wat het beste voor je is. ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn’ (Job 23:10).

Maria en Martha vertrouwden op Gods Woord. De Heer Jezus zond hun een boodschap: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde’ (Joh. 11:4). Voordat de Heer Jezus in Bethanië aankwam was Lazarus al gestorven, maar zijn zusters wisten dat de Heer Jezus trouw zou zijn aan zijn belofte.

Gebed is altijd belangrijk, maar speciaal in tijden van verdriet. Als we God zeggen hoe we ons voelen en Hem vragen om de genade die we nodig hebben, kan Hij ons helpen en ons gebroken hart verbinden. Gebed is een bewijs dat we op Hem vertrouwen en niet in onszelf. Gebed is een mogelijkheid voor God om zijn liefde en macht te demonstreren. Neem dagelijks de tijd om te bidden en wacht op God. Hij hoort – Hij zorgt – en Hij antwoordt. ‘Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr. 3:5-6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Maar zelfs indien niet…’

Daniël 3

 

 

‘Veiligheid voor een christen is, niet de afwezigheid van gevaar, maar de tegenwoordigheid van God.’

 

 

 

Inleiding

Je hoort weleens zeggen: ‘de Bijbel is een oud boek en niet meer relevant voor onze tijd!’ Dat de Bijbel een oud ‘boek’ is, daar kan ik mee instemmen, maar dat het niet meer relevant is voor deze tijd zeker niet. Kijk maar eens naar het Midden-Oosten of andere plaatsen in de wereld en merk op hoe christenen vandaag de dag worden vervolgd, zoals dat zo veel eeuwen geleden de vrienden van Daniël overkwam. De Bijbel niet meer relevant, niet meer voor deze tijd? Kom nou!

Het leven van gelovigen gaat niet altijd van een leien dakje, zoals sommigen denken of wensen. De brief aan de Hebreeën leert ons dat soms gelovigen tot grootse dingen in staat waren, maar ook dat anderen door een tijd van grote moeiten gingen en soms het leven lieten (Hebr.11:32-38). Daardoor legden zij allen getuigenis van hun geloof af (Joh.21:29).

De duivel verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te halen en ons geloof te vernietigen, God stelt ons op de proef om het beste in ons naar boven te halen, ons te doen groeien zodat ons geloof zich kan ontwikkelen. Een geloof dat niet op de proef gesteld mag worden, is niet waard om geloof genoemd te worden. En dat is wat we heel nadrukkelijk in hoofdstuk 3 vinden: gelovigen die op de proef worden gesteld.

Het is goed te zien dat er in tijden van verval en vervolging gelovigen zijn die staande blijven. Zulke gelovigen zullen de kroon van het leven ontvangen (Jak.1:12). Tijden van verval en vervolging geven gelegenheid tot getuigen. De ervaringen van Sadrak, Mesak en Abednego helpen ons om ons eigen geloof onder de loep te nemen om te zien welk ‘soort’ geloof wij hebben. ‘Onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf’ (2Kor.13:5). De Heer Jezus zei tegen de apostel Petrus dat hij door zijn dood God zou verheerlijken (Joh.21:19).

We komen in dit hoofdstuk meerdere personen tegen die verschillend reageerden op de situatie.

Geen echt geloof

De eerste groep van mensen die we tegenkomen tijdens de gebeurtenissen zijn mensen die geen echt geloof hebben of eigenlijk helemaal geen geloof! Dat zijn de meelopers. Toen de koning gebood het gouden beeld dat hij had laten oprichten te aanbidden, deden ze dat zonder zich rekenschap te geven wat ze eigenlijk deden. Alle eeuwen door zijn er machthebbers geweest die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisten, bijvoorbeeld een Napoleon, Mao of Hitler. De mensen knielen, buigen en verklaren zich één met de machthebber, wellicht om hun vel te redden en er financieel beter van te worden. Zulke mensen noemen we opportunisten, mensen die uit elke situatie hun voordeel proberen te halen. Een voorbeeld van een heerser die absolute gehoorzaamheid eiste vinden we in het boek Handelingen, waar we Herodes op zijn rechterstoel zien zitten en het volk hem toeroept: ‘Een stem van God en niet van een mens’ (Hand. 12:22)

De festiviteiten die verbonden waren met het oprichten van het gouden beeld van Nebukadnezar moeten een geweldig spektakel zijn geweest! Je zou in hedendaags taalgebruik kunnen spreken van een ‘popconcert’. Allerlei instrumenten waren aanwezig: hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten (Dan.3:5). Bij het horen daarvan moesten ze zich ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden dat was opgericht. Kan het zijn dat Nebukadnezar muziek gebruikte om op het gemoed van de mensen te werken om ze achter zich te krijgen? Muziek kan een helende werking hebben, dat is zeker, we hoeven maar te denken aan Davids citerspel voor Saul (1Sam.16:23; 18:10; 19:9), maar muziek kan mensen ook emotioneel zo raken dat ze meegesleept worden en dingen doen die ze anders niet zouden hebben gedaan. Ze gaan dan letterlijk ‘uit hun dak’. Ik wil niet moraliseren, maar we dienen bewust om te gaan met het gebruik van muziek in christelijke samenkomsten! Muziek dient ervoor om harten tot Christus te brengen, niet om hoofden op hol te doen slaan. Muziek mag ook niet de plaats van het Woord innemen, maar heeft als functie het Woord te ondersteunen.

Een zwak geloof

Er moeten daar meer joodse mensen zijn geweest tijdens deze gebeurtenis dan alleen de drie vrienden van Daniël; maar waar waren ze op dat ogenblik, we zien ze niet? Duizenden joden, inwoners van Juda, waren als balling weggevoerd naar Babel. De eerste deportatie was in 597 v.Chr. (Jer.52:30; 2Kon.24; 25), een tweede geschiedde in 586 v.Chr. en een derde in 581 v.Chr., alles ten uitvoer gebracht in opdracht van Nebukadnezar. Er waren zelfs overlopers bij (2Kon.25:11)! Een aantal jaren daarvoor, in 732 v.Chr., hadden de Assyriërs het tienstammenrijk Israël in ballingschap doen gaan. De Chaldeeën deden hetzelfde met de inwoners van Juda. In 2Koningen 15:29 lezen we dat Tiglatpileser en na hem Sargon II de bewoners van het tienstammenrijk in ballingschap hadden weggevoerd. In zijn annalen noemt Sargon II een getal van 27.290 inwoners van Samaria die hij gevangen maakte.

Dus dat waren er nogal wat! Maar waar waren ze op het moment van deze gebeurtenis? Of zouden ze tegen Sadrak, Mesak en Abednego gezegd hebben: ‘we kunnen niet komen maar we zullen voor jullie bidden!’ of: ‘Je moet het ook niet te ver drijven, levend kun je meer voor God betekenen dan dood!’ In 1 Koningen 18 lezen we over een soortgelijke situatie, toen Elia alleen tegenover vierhonderdvijftig profeten van Baäl stond. Waar waren al die anderen? Pas in Romeinen 11:4 lezen we dat zevenduizend man hun knie niet voor Baäl gebogen hadden, maar daar had Elia op dat moment niet veel aan. Ook de apostel Paulus kon ervan meespreken want, zegt hij: ’Bij mijn eerste verdediging is niemand bij mij geweest, maar allen hebben mij verlaten’ (2Tim.4:16). En wat te denken van de Heer Jezus; Hij moest het zelfs uitroepen: ’Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!’

Een voorwaardelijk geloof

‘Als God ons zal bevrijden…’ (vs.17).  Er zijn veel mensen die een geloof hebben dat voorwaarden eist. Een geloof dat zegt dat als God mij dit of dat geeft, dan geloof ik, en anders niet. ‘Heer, als U dit of dat wilt doen, dan zal ik…’ Ik noem dat maar een conditioneel geloof, en we hoeven maar aan Gideon te denken die tegen de Engel des Heren zei: ‘Och mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen?’, een geloof dat twijfelt aan de macht van God. (Richt.6:13).

Een echt bijbels geloof is geen geloof in wat God kan doen of schenken, maar in Wie God Zelf is. Veel mensen hebben een verkeerd idee van wat het betekent om een volgeling van de Heer Jezus te zijn. Dit kan natuurlijk voortkomen uit een verkeerde voorlichting die verkeerde verwachtingen schept. We hoeven maar te denken aan de zgn. ‘prosperity preaching’, die leert dat het ons als gelovige op elk terrein van het leven goed zal gaan, en dat armoede en/of ziekte een gebrek aan geloof is en daarom zonde!

Mensen met een voorwaardelijk geloof bezien God uit het oogpunt van een handelaar: ‘als U mij dit geeft, dan zal ik dat doen’, of juist andersom, door allerlei beloften te doen om van God iets gedaan te krijgen! Hoeveel gelovigen hebben niet op die manier met God onderhandeld door allerlei beloften te doen die men vaak al gauw weer vergeten was!

Een onvoorwaardelijk geloof

De Heer Jezus had tegen de discipelen gezegd: ‘Voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen’ (Mark.13:9). In het Bijbelboek Handelingen vinden we daarvan rijkelijk verslag (Hand.4:23-31, 5:17vv., 6:8vv.).

Sadrak, Mesak en Abednego hadden een onvoorwaardelijk geloof. Want, zeiden ze tegen koning Nebukadnezar, ‘indien onze God, die zij vereren, in staat is om ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (vs.17). ‘Maar zelfs indien niet…’ Een onvoorwaardelijk geloof betekent God te gehoorzamen ongeacht gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons! De drie vrienden hadden met Daniël God vereerd (hoofdstuk 1), nu vereert God hen! Zou de apostel Paulus aan hen gedacht hebben toen hij schreef: ‘Zij waren onbesproken kinderen van God, te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder ze schenen als lichten in de wereld, en ze het woord van het leven vertoonden’ (Fil.2:15)?

En zo gebeurde het dat zij gebonden in de brandende oven werden gegooid, die zevenmaal heter werd gestookt dan gewoonlijk! Maar toen de koning ging zien hoe het de drie vrienden verging, zag hij er geen drie maar vier mannen die wandelden midden in het vuur! De rest van verhaal is bekend: ze werden alle drie uit de oven gehaald, maar waar de vierde man was gebleven, daarvan horen we niets!

Getuigenis van de koning

In Daniël 3:28 geeft koning Nebukadnezar getuigenis van het geloof van Sadrak, Mesak en Abednego. De koning had gezien dat hun geloof niet oppervlakkig, zwak of voorwaardelijk was, maar echt! Ze stonden voor wat ze geloofden en gaven daarvan getuigenis door hun daden. Iemand heeft eens gezegd: ‘Beter als gelovige in een brandende oven, dan als ongelovige in de poel van vuur!’ De drie vrienden waren wel in het vuur, maar het vuur was niet in hen. Ik denk dat de apostel Petrus de gebeurtenissen die in Daniël 3 worden beschreven voor ogen had toen hij zijn eerste brief schreef, want daarin sprak hij over ‘de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient’ (1Petr.4:12). In zijn afscheidsrede aan de gemeente van Efeze zegt de apostel Paulus: ‘ik reken mijn leven niet kostbaar voor mijzelf’; daarmee gaf hij aan dat hij de woorden van de Heer Jezus als norm voor zijn leven als gelovige aannam, die gezegd heeft: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest ter wille van Mij, zal het vinden’ (Mat.10:39). ‘Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt’ (1 Petr. 2:19).

‘Wie Mij eren, zal Ik eren’ zegt de Heer (1Sam.2:30). ‘Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd’ (Mat.23:12). Al gauw na hun vrijlating werden de drie vrienden verhoogd en werden hun bijzondere gunsten verleend in het gewest Babel, want tenslotte krijgen we bij monde van de heidense koning Nebukadnezar te horen hoe hij over de vrienden denkt en zegt:

1. Ze hebben zich op God verlaten

‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten, zodat wij vrijmoedig mogen zeggen: ‘De Heer is mij een helper ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?’ (Hebr.13:5-6).

2. Hij heeft zijn engel gezonden en zijn dienaren bevrijd

‘De Engel des Heren legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen’ (Ps.34:8).

3. Ze hebben het bevel van de koning overtreden

‘Men moet God meer gehoorzamen dan mensen’ (Hand.5:29).

4. Ze hebben hun lichamen prijsgegeven

In zijn afscheidsrede aan de gemeente van Efeze zegt de apostel Paulus: ‘ik reken mijn leven niet kostbaar voor mijzelf’, daarmee gaf hij aan dat hij de woorden van de Heer Jezus als norm voor zijn leven als gelovige aannam, die gezegd heeft: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest ter wille van Mij, zal het vinden’ (Mat.10:39). Daarom kon hij ook aan de gelovigen in Rome schrijven dat zij hun lichamen dienden te stellen tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk (Rom.12:1; zie: Fp.2:17).

5. Ze wilden alleen hun God vereren en aanbidden.

‘We zullen alleen God aanbidden en niemand anders’.

6. Het gebod van de koning

Daarom wordt door mij een gebod uitgevaardigd, dat ieder, tot welk volk, tot welke natie of taal hij ook behore, die enig oneerbiedig woord spreekt tegen de God van Sadrak, Mesak en Abednego, in stukken gehouwen en dat zijn huis tot een puinhoop gemaakt zal worden, omdat er geen andere god is, die zó verlossen kan. Toen bewees de koning Sadrak, Mesak en Abednego bijzondere gunst, in het gewest Babel.

Echt geloof betekent God te gehoorzamen ongeacht onze gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Een nieuwe wereld’

Jesaja 63 - 66

 

 

 

 

Inleiding

De hoofdstukken 60-66 omschrijven de heerlijkheid van het koninkrijk dat Jezus Christus zal oprichten wanneer Hij terugkomt om de aarde te richten. Er was niets van heerlijkheid te zien in Israël of Juda toen de Babylonische ballingschap eindigde en het zwakke overblijfsel teruggekeerd was naar hun land. Hoe ontmoedigend moet het voor hen geweest zijn om terug te keren in een door oorlog geteisterd land en stad, waarvan de muren waren neergehaald en de poorten verwoest, en een geruïneerde tempel. Maar Jesaja keek verder en zag een heerlijke ‘heilige stad’ met een heerlijke tempel (60:7; 64:11) en met herstelde muren en poorten (60:10-11). Israël was veracht door de heidense volkeren, maar het zou het centrum van de aarde worden en de zetel van God: en de volkeren zouden naar Jeruzalem komen en de ware God vereren (Jes.60:3,6,11,16; 61:6,9; 62:2; 66:12,19). Deze beloften van een toekomstige heerlijkheid voor het volk moeten een grote bemoediginjg geweest zijn.

Ze zullen het land beërven ná de terugkeer uit de verstrooiing. We vinden in de hoofdstukken 60-66 vier beelden van het joodse volk. Maar voor we ons daarmee bezighouden, eerst nog een woord vooraf om de bijbel goed te verstaan.

Uitgangspunten

Hermeneutiek is de leer aangaande het wezen, de uitgangspunten en de methoden van de schriftuitleg. Om tot een goede exegese (schriftuitleg) over Jesaja 65 en de voorgaande hoofdstukken te kunnen komen, is het vereist nadruk te leggen op de context van het bijbelgedeelte en die van de schrijver; dit noemt men ‘contextuele exegese’.

Het boek Jesaja maakt deel uit van het Oude Testament en het boek wordt vergeleken met de hele Bijbel omdat het uit twee delen bestaat, net als de twee testamenten. In het ‘oudtestamentische deel’ (hoofdstuk 1-39) veroordeelt de profeet de zonden van Juda en waarschuwt hij voor het komende oordeel. In het ‘nieuwtestamentische deel’ (hoofdstuk 40-66) profeteert hij over Juda’s bevrijding uit de Babylonische ballingschap. In beide delen kondigt hij de oprichting van Gods glorierijk koninkrijk aan. Het eerste deel richt in de eerste plaats de schijnwerper op de wet en de veroordeling, terwijl het tweede deel de genade en verlossing benadrukt. ‘De Heilige Israëls’ is één van Jesaja’s lievelingsnamen voor de Heer.

De naam Jesaja betekent ‘God is redding’, en de profeet heeft het over vier verschillende soorten redding: (1) Juda’s nationale bevrijding van de aanvallen van de andere volken, (2) Juda’s verlossing uit de Babylonische ballingschap, (3) de toekomstige redding van de Joden als het koninkrijk wordt opgericht, en (4) de persoonlijke redding van de zondaar die zijn vertrouwen stelt in de verlosser.

Jesaja profeteerde zevenhonderd jaar voor Christus, in een periode van internationale spanningen. Egypte, Syrië, Israël (het noordelijke koninkrijk), Babylon en Assyrië hadden het oog op Juda laten vallen en de leiders probeerden het ene volk tegen het andere uit te spelen bij hun pogingen om oorlog te voorkomen. Jesaja waarschuwde hen om niet te vertrouwen op de politiek maar op de Heer, en om zijn Woord te gehoorzamen. De leiders luisterden niet, en ten slotte werd Juda door Babel weggevoerd. Jesaja’s boek was de ballingen tot steun en gids, zowel tijdens als na hun ballingschap. Wanneer u het boek Jesaja leest, zult u zien hoe gelovigen dienen te reageren op internationale conflicten, politiek verval van de natie en godsdienstig verval onder het volk, met inbegrip van de godsdienstige leiders. Jesaja verrichtte zijn dienst in een tijd waarin ‘religie’ populair, en de tempeldienst slechts een formaliteit was; godsdienst zonder dat het hart erbij betrokken was (zie: Maleachi). Het volk als geheel was verdorven, maar God had zijn getrouw overblijfsel, zoals ook vandaag.

1. De aankondiging van een toekomstige overwinning (60)

Hoe donker was de toekomst voor de Joden in Jesaja’s dagen, en hoeveel donkerder zal het zijn in de Grote Verdrukking wanneer het volk zal lijden onder de macht van de Antichrist en de volkeren? Maar de duisternis zal verdwijnen bij de terugkeer van Christus. De Heer zelf zal aan de Joden verschijnen – ‘zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben’ (Zach.12:10; Openb.1:7). In die dag zal het volk delen in de heerlijkheid van Christus wanneer Hij zal zitten en regeren op de troon van David en de Gemeente met Hem zal regeren in zijn koninkrijk. Jesaja ziet de heidense volkeren in vrede naar Jeruzalem komen, geen oorlog meer, en de volkeren zullen delen in de rijkdom die Israël ten deel is gevallen (vv.3-9). Sommige uitleggers passen vs.5 toe op de Dode Zee, want zelfs vandaag de dag halen de Joden een deel van hun welvaart daaruit. Nu zijn de volkeren tegen Jeruzalem; het is het centrum van een wereldwijde oppositie. Maar wanneer de Messias komt zal de heerlijkheid van Israël hersteld worden, de volkeren zullen zich buigen in vrede. Het land zal herbouwd worden, en de poorten zullen nooit meer gesloten worden. Het duizendjarig Vrederijk (Openb.20:4-5) zal een tijd zijn van vrede en voorspoed voor de hele wereld. Het zal een ‘nieuwe dag’ zijn voor de mensheid wanneer de Zon van Gerechtigheid, Jezus Christus, teruggekeerd is (Mal.4:1-3). Deze beloften mogen niet worden toegepast op het christendom door deze beloften te vergeestelijken. Ze zullen letterlijk vervuld worden in het land Israël wanneer Jezus Christus teruggekeerd is. Als christenen kijken we uit naar ‘de blinkende morgenster’ (Openb.22:16) die aan de wederkomst voorafgaat, want Christus zal neerdalen van de hemel om de Gemeente mee te nemen naar het Vaderhuis, want we zullen zijn waar Hij is (1 Thes.5:16; Joh.14:1-3). De oordelen zullen over de aarde komen.

2. Een heerlijke bruiloft (61-62)

De Heer Jezus las in de synagoge in Nazareth voor uit Jesaja 61:1-2, en paste deze woorden toe op Hemzelf. Hij kwam om aan de geestelijke noden van het volk tegemoet te komen en verkondigde ‘het aangename jaar van de Heer.’ Daar stopte Hij met voorlezen, want ‘de dag van wrake’ zou niet eerder komen dan in de Grote Verdrukking (Jes.63:1-6). Wij leven nu in het ‘aangename jaar van de Heer’, de dag van genade. Natuurlijk spreekt Jesaja hier over de dienst van de Heer Jezus aan het volk Israël, wanneer Hij ‘rouw’ in ‘vreugde’ zal veranderen. Vers 3 spreekt van de opdrogende tranen van hen die rouwen en die hun feestklederen aantrekken in plaats van rouwgewaden. ‘Dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest’ (Jes.61:3). Vers 10 beschrijft een blijde natie die zich verheugt zoals bruid en bruidegom zich verheugen.

Bij de berg Sinaï was Israël ‘getrouwd’ met Jehova, toen Hij hen daar de Wet gaf (Neh.9:13; Ps.147:21). Maar het volk werd ontrouw en ging andere goden achterna. Vanwege zijn ‘geestelijke overspel’, werd het volk in ballingschap weggevoerd, maar dat herstelde hem niet van zijn zonden. Vandaag is Israël een ‘verlaten vrouw’, maar wanneer Christus terugkeert en de natie gereinigd is, zal het ‘huwelijk’ met Jehova hersteld worden. Jesaja 62:4 belooft dat ze niet meer ‘Verlatene’ of ‘Woestenij’ genoemd zal worden, maar ‘Mijn Welgevallen’ en het land ‘Gehuwde’. In vers 5 zien we dat de Heer zich verblijdt over de herstelde relatie. Verwar dit niet met de Gemeente, de bruid van Christus (2 Kor.11:1-2). Zie : Hosea 2, Jes. 50:1 en 54:1.

3. Een heerlijke overwinning (63-64)

In hoofdstuk 63:1-6 zien we Christus als de bloedbevlekte Strijder, terugkerend van de overwinning over de volkeren in de slag van Harmageddon (Openb.19:11-21). Deze overwinning wordt voorgesteld als een boer die olie perst uit de vruchten in een olijfpers. Het eerste wonder van de Heer Jezus was de verandering van water in wijn; zijn laatste overwinning, voordat het koninkrijk op aarde wordt gevestigd, wordt uitgebeeld als iemand die de wijnpers van wraak toepast. Waarom zal Christus de volkeren verslaan die het joodse volk zullen proberen te vernietigen? Vanwege zijn liefde en mededogen (vs.7-9). Wanneer Jesaja Gods goedheid en genade ten opzichte van Israël overdenkt, ondanks Israëls ontrouw en opstandigheid, barst hij uit in gebed voor de reiniging van het volk (63:15-64:12). Hij verlangt ernaar dat God zal optreden ten gunste van het volk zoals in vroegere tijden. De tempel, die het volk slechts enkele jaren in bezit had gehad, was verwoest (Jes.63:18). Jesaja vermeldt hun zonden: onreinheid (64:5-6), lauwheid (64:7) en ongerechtigheid (64:7,9). Toen de Heer Jezus Jeruzalem binnenreed op een ezel, was dat in vrede. Wanneer hij voor de tweede keer komt voor Israël en de wereld, zal Hij komen op een wit paard en in majesteit (Openb.19:11,14). De volkeren zullen Hem leren kennen als de ‘Prins van Vrede’ maar ook als de ‘Strijder’, die oordeelt en zijn volk zal bevrijden.

4. Een heerlijke geboorte (65-66)

God beschrijft wat Hij zal doen wanneer het koninkrijk gevestigd is. Hij verlost het volk van zijn zonden (65:1-7) en bestraft het niet, want er is een verborgen zegen die daarin ligt dat het het heil mag uitroepen voor de volkeren (Rom.10:19-21). Het Oude Testament belooft zegen voor de volkeren, maar het was toen nog niet geopenbaard dat dit al werkelijkheid zou worden in de Gemeente, waar gelovige Jood en heiden in één Lichaam zouden worden gebracht, de Gemeente (1 Kor.12:13). Het volk verdiende om verstrooid te worden, maar God zou het bewaren (65:8). Het gelovig overblijfsel zou het land beërven, maar de ongelovigen zouden worden afgesneden (64:9-17). Jesaja 65:18-25 doet ons de zegen van het koninkrijk zien wanneer Jeruzalem het middelpunt van deze aarde zal zijn. Er zal een lang leven mogelijk zijn (65:20); de dood zal niet meer zijn totdat het rijk van de satan totaal geoordeeld zal zijn (Openb.20:7-14; 1 Kor.15:26). De mensen zullen hun werk in vrede en met voldoening doen en de natuur zal in rust zijn (65:25; Rom.8:18-24). Wat een heerlijke tijd zal dat zijn! In Jes.66:7-9 zien we de wonderlijke geboorte van de natie. ‘Politiek’ gesproken ontstond Israël op 14 mei 1948, maar dat was als volk in ongeloof. Het ‘echte’ Israël zal onstaan wanneer Jezus terugkomt en ze Hem zullen zien en vertrouwen. De periode van de Grote Verdrukking zal de tijd van ‘Jacobs benauwdheid’ zijn (Jer.30:7), wanneer het volk in barensweeën zal verkeren. Het zal een tijd zijn waarin God het volk zal tuchtigen maar een gelovig overblijfsel in stand zal houden om het koninkrijk op te richten. Er zijn jaren van politiek gekrakeel nodig geweest opdat het huidige Israël tot een staat is geworden, maar het toekomstige Israël zal in één dag geboren worden wanneer ze Christus zien, ontmoeten en aanvaarden. De geboorte wordt aangekondigd in 66:7-9; de vreugde over de geboorte in 66:10. Maar in plaats dat er voor de ‘baby’ gezorgd moet worden, zal hij de volkeren verzorgen (66:10-12). En God zal als een ‘moeder’ voor het ontstane volk zijn (66:13) en de oorzaak zijn om blijdschap en zegen te kunnen brengen naar de volkeren.

Nawoord

Het mag nu duidelijk zijn dat Jesaja’s profetie in hoofdstuk 65 niet spreekt van de heerlijkheid van de hemel, het huis van de Vader of de eeuwige toestand. Hij profeteert over het komende vrederijk of Duizendjarig Rijk dat, hoewel beperkt in tijd, toch een heerlijke tijd voor het volk Israël en deze wereld zal zijn. Een tijd waarin zich elke knie voor de Koning der koningen en de Heer der heren zal buigen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Vissers en Jagers’

Jeremia 16:14-18

 

 

‘Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet meer zal gezegd worden: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft gebracht, maar veeleer: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten heeft doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; ja, Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven had. Zie, Ik ontbied vele vissers, luidt het woord des HEREN, die hen zullen opvissen, en daarna zal Ik vele jagers ontbieden, die hen zullen opjagen van elke berg en elke heuvel, en uit de rotskloven; want mijn ogen zijn op al hun wegen, deze zijn voor Mij niet verborgen, en hun ongerechtigheid is voor mijn ogen niet bedekt. Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden (vgl. Jes.40:2), omdat zij mijn land hebben ontwijd met het aas van hun gruwelen en afschuwelijkheden, waarmede zij mijn erfdeel hebben vervuld’.

Inleiding

Van mijn laatste bezoek aan Israël in april 2014 zijn bij mij een aantal zaken blijven ‘plakken’ die allemaal met elkaar in verband staan. Ten eerste werd ik mij er weer eens van bewust hoe (profetisch) belangrijk het jaar 1967 was en is. U weet dat in dat jaar het oostelijke deel van Jeruzalem weer onder Israëlische controle kwam. Ten tweede was ik verheugd te horen dat de Messiaanse beweging groeit en er momenteel ongeveer 15.000 gelovigen zijn. Voor alle duidelijkheid: Messias belijdende Joden zijn gelovigen die in de Heer Jezus geloven. Ik had het voorrecht om met drie andere broeders twee keer een samenkomst in een Messias belijdende gemeente bij te wonen. Ten derde hoorde ik tijdens een bezoek aan het ‘Holy Temple Visitors Center’ in Jeruzalem van de concrete plannen en voorbereidingen om de tempel te bouwen. Zestig gebruiks-voorwerpen bestemd voor de tempeldienst zijn al vervaardigt en enkele daarvan kon ik zien. Een gouden model van de toekomstige tempel werd getoond. Een grote gouden(!) menorah zo’n anderhalve meter groot die vroeger op het Cardo stond staat nu opgesteld boven het tempelplein; waarde 500.000 dollar. Tenslotte hoorde ik van grote aantallen Joden die terugkeren naar Israël; de zogenaamde ‘Alija’. Men verwacht in de komende tijd ongeveer 200.000 Joden uit Oekraine. Daarmee in verband gaat dit artikel met bovenvermelde tekst uit het Boek Jeremia.

Terugkeer van de Joden

De terugkeer van Joden naar het land van hun vaderen staat in nauw verband met de profetieën die spreken over een herstel van het volk Israël. ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). Nu er weer een staat Israël is geloven veel christenen dat zij (financieel) moeten bijdragen om de terugkeer van Joodse mensen naar Israël mogelijk te maken. Ik verwijs naar de actie van ‘Christenen voor Israël: ‘Breng de Joden thuis’. Men beroept zich daarvoor op teksten als o.a. Jeremia 16:14-17; Jesaja 49:22 en Ezechiël 34:11. En juist over de toepassing van die teksten lopen de meningen nogal uiteen vandaar dit artikel. Nu ben ik zeker niet tegen goeddoen aan mensen, verre van, maar dan wel eerst hulp verlenen aan de huisgenoten van het geloof, voor mij wil dat zeggen hen die behoren tot de Gemeente van de levende God (Gal.6:10). Wereldwijd zijn er enorm veel gelovigen die in grote materiele nood verkeren en daar gaat mijn aandacht het eerst naar uit. In mijn contacten met Messias-belijdende Joden vertelde men mij dat als Oekraïense joden naar Israël willen vertrekken ze van het Jewish Agency een ticket kunnen verkrijgen. Als dat juist is dan zie ik helemaal geen noodzaak meer om hen financieel te steunen en besteed mijn geld liever aan andere doelen. Ik wil echter niemand veroordelen die dat wel doet. ‘Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.’ (Rom.14:5).

Tweeërlei terugkeer naar het land

Het is algemeen geweten en de meeste bijbeluitleggers zijn het er over eens dat de terugkeer van het Joodse volk in twee fasen zal gebeuren. Vóór de wederkomst van de Messias op de Olijfberg zullen de twee stammen in het land komen, daarna de tien stammen. De teksten met beloften voor een terugkeer van het volk in diaspora zijn overweldigend (Ps.107:1-3; Jer.3:18; 16:14-15; 23:7-8; Jes.49:12; 43:5-7; Jer.31:8 enz.). Het is nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid voorgekomen dat een volk dat zo verspreid is geworden als het Joodse weer terugkeerde naar het land van hun vaderen en nog steeds hun eigen taal heeft. We leven werkelijk in de eindtijd waarin de beloften van een terugkeer naar het land van hun vaderen werkelijkheid aan het worden is. Na de verwerping van de Heer Jezus bij zijn eerste komst werd het Joodse volk verstrooid over de hele wereld. Nu, in de periode die voorafgaat aan de terugkeer van de Messias, zien we het tegenovergestelde en horen van Joden die van overal in de wereld terugkeren naar het land van hun vaderen. Je kunt je daarom terdege afvragen hoe ver we af zijn van de wederkomst van de Heer Jezus?

De tijd van de vissers

Wanneer was of is de tijd van het optrekken van de vissers en wat wordt met ‘vissers’ bedoeld. Daarover zijn, zoals gezegd, de meningen verdeeld. Liebi zegt dat er eerst een tijd van de vissers zal zijn en ziet het Zionisme als de ‘vissers’ die Joden naar Israël ‘lokten’. De Zionistische beweging begon volgens Liebi in het begin van de 18e. eeuw en duurde tot 1881, het jaar waarin de tsaar Alexander  II werd vermoord. De zionistische beweging had echter niet het beoogde succes en veel Joden bleven waar ze waren. Omdat de schuld voor de moord op tsaar Alexander II werd toegeschreven aan een Jodin braken in Rusland Jodenvervolgingen uit die duurden van 1881-1884. Hiermee was het tijdperk van de jagers aangebroken. Anderen denken aan een vervulling in het heden en zien hun opdracht daarin dat ze het Evangelie verkondigen (Mat.4:19; Mark.1:17). Een terugkeer naar het land is goed en noodzakelijk om de komende Messias te verwelkomen, maar er is meer dan dat. De Messiaanse gelovigen woonachtig in Israël zien zich dan ook als de vissers die door middel van het evangelie de Joden benaderen om terug te keren naar hun God (Mal.3:24). Zijn zij de voorlopers van de 144.000 uit alle stammen van Israël? (Op.7:4v.; 14:1-3).

De tijd van de jagers

De periode van de jagers beslaat volgens Liebi van het jaar 1881 – tot heden. De jagers zijn vijanden (zie: Jer.16:16b) die er (ongewild en onbedoeld) voor zullen zorgen dat de Joden zullen terugkeren. (Ez.12:13; 29:4-5; Amos 4:2; 9:1-4; Hab.1:14-17). Dat heeft in het recente verleden geleid tot het ontstaan van de staat Israël. De Holocaust, die hoe verschrikkelijk ook, heeft ertoe geleid heeft dat er in 1948 weer een Joodse staat is. Ook nù zien we hetzelfde weer gebeuren, wat vanaf 1881 zo vaak is gebeurd, dat door vervolging de Joden naar Israël terugkeren. Het schijnt, naar ik mij heb laten vertellen door Messiaanse gelovigen, dat veel van de 200.000 Joden die nog in Oekraïne verblijven, denken om naar Israël te immigreren. Voor een uitgebreid overzicht van de terugkeer van de Joden naar het land van de vaderen is het boek van Dr. Roger Liebi ‘Leven we werkelijk in de eindtijd?’ van harte aan te bevelen.

Literatuurlijst:

Liebi R, Dr. Leven we werkelijk in de eindtijd? 2013 Uitg. Middernachtsroep. ISBN: 978 90 6603 163 0

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘De vervallen tent van David weer opgebouwd’

 

Ezechiël 37-48

 

‘Daarna zal Ik terugkeren en de tent van David weer opbouwen die vervallen is' (Hand.15:16)

1. Inleiding

Over Gods handelen met betrekking tot zijn verbondsvolk Israël laat Gods Woord ons niet in het ongewisse, er worden ons een overvloed van teksten gegeven zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Eeuwenlang is daar door de kerk geen aandacht aan besteed, omdat men ervan uitging dat er voor Israël geen toekomst meer was omdat haar plaats was ingenomen door de kerk. Ik doel op het zgn. substitutionalisme (de vervangingstheologie) dat is de leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen. Ik denk dat het volk Israël daar veel onrecht mee aangedaan is. Na het ontstaan van de staat Israël in 1948 is daar gelukkig verandering ingekomen en hebben velen afgedaan met het vergeestelijken van teksten betreffende het herstel en toekomst van Israël. Maar ook vóór 1948 waren er al velen die in een toekomstig herstel van Israël geloofden en verkondigden.

Ik hanteer een letterlijke uitleg van Gods Woord zoals ook de Heer Jezus deed. Ik voel mij daarbij in goed gezelschap omdat mij geen enkele profetie uit het Oude Testament bekend is die door de Heer Jezus vergeestelijkt wordt. De profetieën zijn te gedetailleerd om vergeestelijkt te kunnen worden en op de kerk toegepast. De Heer Jezus voorzegde een toekomst voor het Joodse vol (Luk.22:29), de apostel Paulus (Rom.11) en eveneens de apostel Johannes (Op.22:1-6). Ook word ik door de gebeurtenissen die plaatsvinden in onze huidige wereld keer op keer bevestigd in mijn overtuiging dat er voor het volk Israël nog een geweldige toekomst is weggelegd! De vervallen tent van David zal weer worden opgebouwd en de heerlijkheid des Heren zal weer terugkeren! (Ez.43:2).

2. Een hersteld volk (hoofdstuk 37)

Van de scheuring van het rijk in 10 en 2 stammen, dat plaats vond na de dood van koning Salomo (1Kon.12), is het volk nooit herstelt en zulk een herstel moet dus nog plaatsvinden. In Ezechiël 36 vinden we oorzaak vermeld waarom Israël onder de volken is verstrooid geworden (vs.16, 21). In datzelfde hoofdstuk wordt tevens Israëls herstel aangekondigd (vs.24-38) dat verder wordt uitgewerkt in het daaropvolgende hoofdstuk 37. Israël zal terugkeren naar het land Israël (Ez.11:17), naar uw land en naar hun land (Ez.11:17; 36:24; 37:21) en het begin van de vervulling van die profetieën daarvan was, toen in 1948 de staat Israël werd opgericht. De herrijzenis van Israël wordt beschreven in het gezicht was Ezechiël kreeg van het dorre doodsbeenderen dal. Uit vers 11 leren we de betekenis van deze dorre beenderen: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israël’. Dan volgt een beschrijving van een geleidelijk herstel: de beenderen voegden zich aaneen, er kwamen spieren op en vlees en er trok een huid overheen (vs.7-8). Dat is wat we gezien hebben de laatste decennia een geleidelijk groei van het volk Israël en het in cultuur brengen van het land. Moerassen zijn drooggelegd, steden en dorpen gesticht, het land tot ontwikkeling gebracht en vanaf 1882 zijn er meer dan 3 miljoen Joden uit alle vijf continenten teruggekeerd naar hun vaderland zodat er nu meer dan 6 miljoen Joden wonen. Wie had dat kunnen bedenken toen tijdens de twee wereldoorlog miljoenen Joden werden uitgeroeid in de holocaust? Zoals zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen! (Vs.11), maar dan hebben ze buiten de Here God gerekend want Hij heeft gedachten van vrede over hen en niet van onheil, om het volk Israël een hoopvolle toekomst te geven (Jer.29:11). Maar één ding ontbrak nog… geest was er nog niet in hen! Het meest fundamentele ontbreekt nog, hun terugkeer naar God! Iedereen die wel eens een bezoek heeft gebracht aan het land Israël weet dat er niet veel gelovige Joden zijn. Statistisch hangt 82% het joodse geloof aan maar dat is meer cultuur dan echt geloof, zoals dat ook in België of andere landen in Europa het geval is. Maar een terugkeer naar het land is niet voldoende, er moet ook een terugkeer naar de God van het land zijn!

3. De hereniging (hoofdstuk 37)

Het laatste gedeelte van hoofdstuk 37 beschrijft de hereniging van de 10 stammen van Israël en de twee stammen Juda en Benjamin. Er zal een wonder gebeuren, de twee en tien stammen zullen weer tot één volk worden, zoals de twee stukken hout tot één worden. Spreekt het eerste gedeelte van dit hoofdstuk over het recente verleden en de herrijzenis van het volk Israël, het tweede gedeelte spreekt over de hereniging van het volk in de nabije toekomst. Eén volk en één koning, want ‘mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn! (37:24, 25). Wie anders dan de Heer Jezus zal die Koning zijn! Er zal een verbond gesloten worden: ’Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal’ (Jer.31:31). ‘Mijn heiligdom, mijn woning zal voor eeuwig te midden van hen staan (vs.26-28). De beschrijving daarvan vinden we terug in de hoofdstukken 40-46. Zoals bekend verondersteld weten we dat een groep religieuze Joden al jarenlang bezig is met de voorbereiding van de herbouw van de tempel. Maar zover is het nog niet want er staat nog heel wat te gebeuren en ook daarvan zien we de schaduwen duidelijker en duidelijker worden, ik bedoel de situatie in het Midden-Oosten. Want niet alleen Israël is weer in het land, de vijgenboom, maar ook alle andere ‘bomen’ (landen) zijn uitgelopen Luk.21:29-30). We denken maar aan Iran, Irak, Syrië, Libanon en Jordanië, stuk voor stuk staten die er honderd jaar geleden nog niet waren. Alle genoemde landen staan zeer vijandig tegenover Israël, het bewijs van hun vijandigheid vinden we in de diverse oorlogen die Israël in haar korte bestaan heeft moeten voeren om niet onder de voet gelopen te worden. En die vijandigheid neemt met de jaren die verstrijken toe en zal tot het hoogtepunt komen in de slag van Armageddon, waarvan we een beschrijving vinden in de volgende twee hoofdstukken!

4. De overwinning (hoofdstuk 38-39)

In de volgende hoofdstukken wordt de strijd beschreven tussen Gog, in het land Magog en ‘het land (Israël) dat zich van de krijg heeft hersteld, een volk dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen Israëls’ (38:8). Gog zal een persoon zijn zoals blijkt uit vers 2, hij is namelijk de grootvorst van Mesek en Tubal. Drie keer wordt er ook gesproken dat ze komen uit het verre noorden (38:6,15; 39:2), terwijl van Israël gezegd wordt dat ze op de navel der aarde wonen, wat symbolisch verstaan moet worden als de levenslijn waarmee God met het volk in verbinding staat. Het is door een groot aantal bijbeluitleggers algemeen aanvaard onder Rusland Gog en Magog Rusland te verstaan, mede door de klankverwantschap van Mesek (Moskou) en Tubal (Tobolsk). Verder zien we in dit gedeelte dat Gog en Magog een grote rol gaan spelen in de eindtijd. Sedert enkele jaren weten we dat Rusland permanente militaire basissen in Syrië heeft en een marinebasis in Tartous en een grote rol speelt in het Midden-Oosten. Daardoor wint Rusland aan invloed in dit gebied. Kort na het uitbreken van de Arabische Lente in 2011 barstte de burgeroorlog in Syrië uit en vanaf die tijd is het Midden-Oosten veranderd in regio vol conflicten. We denken maar aan het conflict tussen Saudi-Arabië en Yemen en daaraan gerelateerd de vijandschap en spanningen tussen Saudi-Arabië en Iran. De strijd tegen de IS die ook nu, in 2019 nog lang niet opgelost is en mogelijk weer op gaat laaien nu Turkije het noorden van Syrië is binnen gevallen om tegen de Koerden te strijden. En dan Syrië zelf dat totaal verdeeld en verwoest is en vanwaar miljoenen inwoners gevlucht zijn naar Europa of in kampen in Turkije zitten. Je houdt je hart vast bij zoveel geweld en verwarring; waar gaat dit eindigen? Gods Woord leert ons dat de uiteindelijk strijd tegen Israël zal gaan en daarover gaan deze twee hoofdstukken. In de strijd tegen Israël zal Gog de leider zijn van de aanval op Israël en andere krijgsbende en volken zullen hem helpen (38:15,22). Te dien dage zullen er plannen in zijn hart opkomen en zij zullen een aanslag beramen. Dat dit door God zo beschikt is, daarvan zal hij geen besef hebben, want zij kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Mi.4:12).

Daar, op de bergen van Israël, zal de Here hen vernietigen en Israël uitkomst geven. We weten niet hoe de situatie zich in de komende tijd zal gaan ontwikkelen maar wat we wel met zekerheid kunnen zeggen is dat de voorzeggingen in Gods Woord vervuld zullen worden.

5. De nieuwe tempel (hoofdstuk 40-46)

De tempel zoals beschreven in deze hoofdstukken is nog nooit gebouwd en zal dus nog moeten plaatsvinden. Er zijn vier interpretaties met betrekking tot de beschrijving van de tempel. (1) De ideale interpretatie. Deze visie vergeestelijkt de beschrijving van de tempel in die zin dat men hierin een voorbeeld ziet van hóe de dienst aan God zou moeten plaatsvinden ook voor de nieuwtestamentische gemeente. Maar hen die de vergeestelijkingstheorie aanhangen zullen grote moeite hebben deze hoofdstukken uit te leggen omdat er zoveel details gegeven worden. Misschien kun je beter zeggen dat je met de vergeestelijkingstheorie alles kunt ‘uitleggen’! (2) Een andere visie is dat de beschrijving van de tempel door Ezechiël een voorbeeld is hoe deze gebouwd moest worden ná de ballingschap onder Ezra en Nehemia. Maar de oudere Joden huilden toen die tempel klaar was, niet omdat het te vergelijken was met de tempel van Ezechiël, maar die van Salomo! (Ezra 3:10-13). (3) De derde visie is dat het een beschrijving is, en vooruitblik van de tempel die Johannes in het boek Openbaring 21 beschrijft. (4) De letterlijke interpretatie. In deze beschrijving ziet men de blauwdruk van de tempel die in het Vrederijk in gebruik zal worden genomen. Deze visie neemt de tekst letterlijk en vergeestelijkt het niet, maar dat wil niet zeggen dat alles wat er staat gemakkelijk is om uit te leggen. Om te beginnen weten we dat er over twee tempels gesproken wordt in het Nieuwe Testament. De eerste is de tempel waarin de antichrist, de mens van de zonde, de zoon van het verderf zichzelf vertonen dat hij God is (Dan.9:24, 26-27; Mat.24:15; 2Thes.2:1-4; Op.11:1, 15:5). De tweede is de tempel die Ezechiël beschrijft en in het Vrederijk aanwezig zal zijn. Het is niet alleen Ezechiël die spreekt over een toekomstige tempel voor Israël maar ook andere profeten. Voor verdere studie verwijs ik naar de volgende teksten: Jes.2:1-5, 60:7,13; Jer.33:18; Jl.3:18; Mi.4:2; Hag.2:7-9; Zach.6:12-15, 14:16, 20-21).

De tempel is belangrijk, maar nog meer is de heerlijkheid die de tempel zal vervullen. Gods heerlijkheid had de tabernakel eerder verlaten (1Sam.4:19-22). De tabernakel werd vervangen door de tempel van Salomo, waaruit de heerlijkheid was vertrokken, voordat deze door de Babyloniërs werd vernietigd (Ez.9:3; 10:4; 11:22-23). Er is geen bewijs dat Gods heerlijkheid in de tempel van Herodus aanwezig is geweest, dan alleen in de Persoon van de Heer Jezus en in die betekenis bracht Hij de heerlijkheid van God terug naar de tempel (Joh.1:14; Hag.2:7). Wanneer de Heer Jezus zal komen op de Olijfberg zal de heerlijkheid van God weer aanwezig zijn en de tempel vervullen (Ez.43:1-5; Hand.1:9-12; Zach.14:4)

6. Het nieuwe land (hoofdstuk 47-48)

De bezoekers van mijn website verwijs ik v.w.b. de toepassing van dit gedeelte naar de rubriek: Profetische Boeken op mijn website www.bijbelstudiesgerardwesterman.be.

Door het water dat onder de drempel van het huis, ten zuiden van het altaar gaat stromen, zal het land herleven. Alle zegen van God komt vanaf het altaar. Ezechiël beschrijft de genezing van het land als zegen voor het volk, er zal een geweldige verandering plaatsvinden. Het water zal oostwaarts stromen en in de zee worden uitgestort; de Dode Zee. Overal waar de beek komt ontstaat er leven. De Dode zee zal levend worden en er zullen vissen van allerlei soorten zijn die de vissers in hun netten zullen vangen. Vruchtbomen zullen opschieten en vrucht dragen vanwege het water dat uit het heiligdom komt. Leven, genezing, vrucht en groei zijn in dit gedeelte de kernwoorden. Een vergelijking met Openbaring 22:1-5 ligt voor de hand. Wie ooit in Israël is geweest en de streek van de Dode Zee heeft bezocht zal het niet meer herkennen.

De grenzen van het land worden beschreven, de Middellandse Zee zal de westgrens zijn; het noorden een lijn van Tyrus naar Damascus; in het oosten zal de rivier de Jordaan en de Dode Zee de grens vormen; en het zuiden zal de rivier van Egypte de grens zijn. Alle stammen zullen zich binnen deze grenzen zijn en geen aan de overkant van de Jordaan.

 De verdeling van het land wordt beschreven in hoofdstuk 48. ‘Dit is het land, dat gij ten erfdeel moet verloten onder de stammen Israëls, en dit zijn hun delen, luidt het woord van de Here Here’ (vs.29).

Ezechiël sluit af met een beschrijving van de poorten van de stad, waarvan de naam voortaan zal zijn: de Here is aldaar.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘De beek Gods is vol water’

 

Ezechiël 47:1-12 

 

 

'1Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. 2En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant. 3Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels. 4Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen. 5Hij mat nog eens duizend (el); nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden. 6Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek. 7Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen. 8Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. 9En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt (het water van de zee) gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven. 10Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglaïm; het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn, zoals de vissen van de grote zee, zeer talrijk. 11Maar de moerassen en poelen ervan zullen niet gezond worden; zij zijn aan het zout prijsgegeven. 12Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel'

 
Inleiding

De letterlijke betekenis van Ezechiël 40-47 is bij veel gelovigen wel bekend; het spreekt immers van de tempel te Jeruzalem in het komend Vrederijk, want ‘te dien dage zullen levende wateren uit Jeruzalem vlieten’ (Zach.14:8). Naast deze letterlijke toepassing is er ook de figuurlijke die we vinden in het boek Openbaring. De apostel Johannes zag een zelfde visioen ‘van een rivier van levenswater, blinkende als kristal, die uitging van de troon van God en het Lam’ (Op.22:1-2).

Wij mogen in deze leven-gevende rivier een schitterende uitbeelding van de volheid van de Heilige Geest zien want dat is de derde toepassing, de praktische, en daaraan is dit artikel gewijd. Deze toepassing is geoorloofd omdat de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen en de Korintiërs heeft geschreven dat ‘alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering geschreven is’ dus ook dit gedeelte (Rom.14:4; 1Kor.10:6).

Waarvan is de rivier een beeld en waar komt het vandaan? De Heer Jezus zag water als een beeld van de Heilige Geest (Joh.7:37-39). ‘Omdat het water uit het heiligdom komt’ (Ez.47:12) is de rivier een beeld van de Heilige Geest wiens oorsprong van God is. ‘De Geest van de waarheid, die van de Vader uitgaat’ (Joh.15:26). Het altaar (47:1) spreekt van het kruis van Christus, van Zijn lijden, sterven en opstanding. De Geest kon maar eerst komen nadat de Heer Jezus verheerlijkt was (Joh.7:39; 16:7).

Veel gelovigen verkeren, voor wat betreft de inwoning van de heilige Geest, in onwetendheid. Ze zijn te vergelijken met de gelovigen te Efeze die op de vraag hen door Paulus gesteld: ‘Hebt u wel de heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam’, moesten antwoordden: ‘Wij hebben zelfs niet gehoord, of de heilige Geest er is’ (Hand.19:2). Mocht u in die situatie verkeren dat hoop ik dat dit artikel daarin verandering mag brengen. Dus laten we ons maar leiden door de ‘man met het meetsnoer’ (Ez.47:2vv.) en de eerste, en volgende, van de vier stappen in het ‘water’ zetten opdat we deel krijgen aan de zegen die God voor eenieder van ons heeft klaarliggen en we van de heilige Geest vervuld mogen raken.

Het water reikte tot aan de enkels

‘Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels’ (Ez.47:3)

Dit is maar een klein begin. Maar beter een klein begin, dan helemaal geen begin! En zijn we zo niet allemaal begonnen? Het echte leven begint wanneer we de Heer Jezus aanvaarden in het geloof als onze Heiland. ‘Het is maar één stap tot Jezus!’ Door die stap te doen hebben we deel gekregen aan Gods Geest want: ‘toen u geloofd hebt, bent u verzegeld met de Heilige Geest’ (Ef.1:13) en dat veronderstelt een nieuw leven en wandel en daarvan spreken de voeten. De apostel Petrus deelt het leven op in twee gedeelten, vóór en ná de bekering. Hij spreekt over ‘de overige tijd in het vlees’ en ‘de voorbijgegane tijd’ (1Petr.4:2, 3). Bij de doop belijden we immers dat ‘we in nieuwheid van leven zouden wandelen’ (Rom.6:4). Die belijdenis dient gevolgd te worden door daden. Gods Woord leert ons dat Christus gestalte in ons moet krijgen, dat we iets mogen gaan vertonen van het leven van Christus in ons. Johannes de Doper heeft dat goed begrepen en onder woorden gebracht toen hij zei: ‘Hij (Jezus) moet meer, maar ik minder worden’ (Joh.3:30). Daar zijn wij dus nog lang niet, er is nog veel te veel van ons zichtbaar, maar het begin is er en dat is belangrijk.

Het water reikte tot aan de knieën

‘Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën’ (Ez.47:4)

De knieën symboliseren onderwerping. Onderwerping aan Christus en het Woord van God. In Jes.45:23 en Fil.2:10 vinden we daarvan een illustratie. ‘Opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen’. Gelovigen geven weleens te kennen dat ze meer van Gods Geest in hun leven wensen te ervaren dat is goede wens maar wanneer je de Geest hebt ontvangen kun je daarvan niet meer krijgen. Het is net andersom: de Geest moet meer van jou krijgen! De enige manier dat het water hoger komt, is dat wij er dieper ingaan! Gebogen knieën representeren de geest van gebed en afhankelijkheid. Hoeveel gelovigen komen niet verder dan de ‘enkels’?

Water is in de Bijbel niet slechts een beeld van de Geest van God maar ook van zijn Woord (Ef.5:26; Joh.7:39,3:5). Het Woord is ons gegeven dat we daardoor zouden opgroeien, zeker wanneer je pas met je voeten in het water staat. Petrus spreekt daarover in zijn eerste brief: ‘Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis’ (Petr.2:2). Door de Geest van God komen we te weten wat de dingen zijn die ons door God geschonken zijn en kunnen die dan toepassen in ons leven (1Kor.2:12). ‘De Bijbel is ons niet alleen gegeven om ons te informeren, maar ook om ons te transformeren.’ Om die ‘transformatie’ te bewerkstelligen is onderwerping aan Gods Woord noodzakelijk. ‘Ook laat uw knecht zich daardoor (door Gods Woord) ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning’ (Ps.19:12).

Het water reikte tot aan de heupen

Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen’ (Ez.47:4)

De ‘heupen’ staan symbool voor dienst zoals we kunnen zien in Johannes 13:4 waar we de Heer Jezus zien als de volmaakte Dienstknecht. In Lukas 12 wordt het nog duidelijker want we lezen daar: ‘Laat uw lendenen omgord en uw lampen brandende’ (Luk.12:35). Hier vinden we een aansporing om beschikbaar en gereed te staan voor de dienst aan de Koning. God heeft ons geschapen tot goede werken die Hij tevoren heeft toebereid opdat wij daarin zouden wandelen (Ef.2:10). God zal u uw taak voor Hem op aarde laten zien tot u er klaar voor bent. Onderzoek intussen Gods Woord en geef uzelf de gelegenheid om te groeien. Door ons het Woord van God eigen te maken zullen we in staat zijn om te strijden voor de Heer. Het is niet zo dat ons verstand niet belangrijk is, juist het tegenovergestelde want we lezen: ‘Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden’ (Luk.24:45) dus laat ‘Uw lendenen omgord zijn met de waarheid’ (Ef.6:14). We mogen God dienen met inzicht en wijsheid, dus: ‘Omgordt de lenden van uw verstand (1Petr.1:13).

De heupen staan ook symbool voor de kracht van de man. Dit representeert de Geest van kracht. ‘God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid’ (2Tim.1:7). De biddende christen zal al gauw een getuigende christen zijn! Daarvoor hebben we de kracht van de heilige Geest nodig. Voordat de Heer Jezus naar de hemel werd opgenomen heeft Hij tegen zijn discipelen gezegd dat ze die kracht zouden ontvangen (Hand.1:8). Maar er is meer…

Er in zwemmen

‘Hij mat nog eens duizend (el); nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden’ (Ez.47:5)

Nu is in het water waden niet meer mogelijk. Men moet zwemmen; helemaal eronder. Dat is belangrijk want dan is er niets meer van jou zichtbaar! Het ‘Hij moet meer, maar ik minder worden’, is hier gerealiseerd! Wordt vervuld met of vol van de Geest (Ef.5:18) was de opdracht. Stefanus was zo iemand, een man ‘vol van geloof en de Heilige Geest’. We lezen van hem in Handelingen 6:5 en 7:55 dat hij: ‘echter vol van de Heilige Geest, staarde naar de hemel en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand’.

‘Stromen van levend water zullen uit uw binnenste vloeien’ (Joh.7:37). Dat is wat de Heer Jezus van de Geest zei, dat zij die in Hem geloven zouden ontvangen (Joh.7:38-39; Ef.1:13). En is dat niet waar we allemaal naar verlangen? Maar stromen van levend water kunnen alleen maar uit uw binnenste stromen wanneer u er zelf vol van bent. ‘Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef niet meer, maar Christus leeft in Mij’ (Gal.2:20). Zo te leven zal niet zonder gevolgen blijven, want dan rust de zegen van God op u!

‘Vol zijn van de Geest’ betekent ook dat Christus gestalte in u krijgt. Vol zijn van Gods Geest betekent ook geestelijke volwassenheid. ‘Want allen die door de Geest geleid worden, die zijn zonen van God’ (Rom.8:14). Alle gelovigen zijn kinderen van God, maar niet alle kinderen zijn zonen! We worden opgeroepen om ‘aan het beeld van zijn zoon gelijkvormig te worden’ (Rom.8:29). Paulus was over de gelovigen in barensweeën totdat Christus gestalte in hen zou krijgen (Gal.4:20, 1:16).

Terug naar af

Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek’ (Ez.47:6).

Na de rondleiding ging de man terug langs de oever van de beek en zien we de gevolgen die door het water waren ontstaan. Overal waar de beek kwam was leven. Langs de beek stonden aan weerszijden bomen, het water van de zee werd gezond en er zou zeer veel vis zijn. Langs de beek zouden op haar oevers zeer veel vruchtbomen zijn. Dat kwam allemaal door het water dat vloeide onder de rechterzijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. 

Maar laten we ook eens terugkijken op ons leven om te ontdekken wat God door zijn Geest in ons leven heeft gedaan. Mogen ook wij zulke grote gevolgen zien van Gods Geest die in ons leven heeft gewerkt? Hoe ver bent u in het ‘water’ geweest? Zoals u wellicht weet zullen alle gelovigen eens rekenschap moeten afleggen van hetgeen ze hier op aarde als gelovige hebben gedaan. ‘Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad’ (2Kor.5:10; Luk.16:2; Rom.14:12). Daarom, laten we ernaar streven om ons ‘aan God beproefd voor te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen’ (2Tim.2:15).

Eenmaal zullen we de opbrengst mogen zien van wat we hier op aarde gezaaid hebben. Hoeveel en wat dat mag zijn blijft tot dan verborgen maar heeft wel te maken met hoever u in het ‘water’ bent gegaan…

De terugweg eindigt weer in Jeruzalem bij het altaar, daar waar de rivier begon. Dit spreekt ervan dat God de eer toekomt voor wat Hij door zijn Geest in ons heeft verricht. Want alles wat wij doen daarvoor komt Hem de eer toe. ‘Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God die de groei geeft’ (1Kor.3:7).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Gods beloften’

Micha 4-5

 

 

 

 

‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (1Kor. 1:20). 

Inleiding

De profetie van Micha beperkt zich niet tot zijn eigen tijd, maar strekt zich uit tot ‘in het laatste der dagen’ (Mi.4:1). Het ‘laatst der dagen’ begint toen de Heer Jezus op aarde kwam en duurt voort tot aan Zijn komst in heerlijkheid. ‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatste van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon’, aldus Hebreeën 1:1.

Het boek Micha kun je vrij gemakkelijk indelen. Het begint met hoofdstuk 1 tot 2:13 met de aankondiging van het komende oordeel vanwege ‘Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls’ (Mi.1:5). Daarmee is het niet gedaan, want vanaf hoofdstuk 3:1 tot 5:15 wordt een Verlosser aangekondigd ‘wiens oorsprong is vanouds’ (Mi.5:1). Ten slotte doet Micha, vanaf hoofdstuk 6, een beroep op het volk om op God te vertrouwen.

De profeet Micha

Micha zelf helpt ons een eind op weg om te weten wie hij was, in welke tijd hij leefde en wat zijn boodschap was. ‘Het woord des HEREN, dat tot Micha, de Morastiet, kwam in de dagen van Jotam, Achaz, Jechizkia, koningen van Juda, hetwelk hij geschouwd heeft over Samaria en Jeruzalem’ (Mi.1:1). Zijn naam betekent ‘Wie is als de Here’. Hij profeteerde in de laatste helft van de achtste eeuw voor Christus. Micha voorzag de val van Israël door de Assyriërs in 722 en van Jeruzalem en Juda door de Babyloniërs van 606-596. Hij probeerde het volk terug te brengen tot de Here, maar helaas weigerden ze te gehoorzamen.

Bekend is het boek Micha vanwege zijn profetie over de komende Verlosser: ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:1-4).

De vervulling van deze profetie van een toekomstige Messias ligt nog in de toekomst, want  bij zijn eerste komst hebben ze Hem verworpen maar bij zijn tweede komst zullen ze hem aanvaarden (Mat.17:12; Hand.13:27). Dit patroon van verwerping en daarna  de aanvaarding vinden we typologisch terug bij Jozef en Mozes. Micha spreekt in hoofdstuk 4 en 5 van meerdere beloften:

1. Een beloofd Koninkrijk (4:1-8)

Het boek Micha begint met de aankondiging van Gods oordeel over Samaria en Juda (Mi.1:1-16) en in het daaropvolgende hoofdstuk 2 worden we ingelicht wat de reden van dit oordeel is, namelijk de hebzucht, de valse profeten en de zonden van de leiders van het volk.

Vanaf hoofdstuk 4 worden we ingelicht over de toekomst van het volk, een voortzetting en uitweiding van de ‘heilsverkondiging’ in hoofdstuk 2:12-13. Nee, God heeft zijn volk niet verstoten (Rom.11:1), er wacht hen nog een geweldige toekomst ‘in het laatst der dagen’, en hoofdstuk 4 begint met een beschrijving van die tijd. Deze profetie moet een geweldige bemoediging zijn geweest voor de profeet op het moment dat de vijand voor de deur stond en het volk in ballingschap zou sturen. Het tegenovergestelde zal in de toekomst gebeuren, namelijk niet dat de volken als vijanden tegen Jeruzalem ten strijde zullen trekken, maar ‘in die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23). Nu wij de vijgenboom en al de bomen zien uitlopen, weten wij dat de zomer reeds nabij is. Het Koninkrijk Gods is op komst en Gods beloften met betrekking tot Israël staan op het punt in vervulling te gaan (Luk.21:29-33).

2. Een beloofde verlossing (4:9-10)

Maar voordat het overblijfsel zal kunnen genieten van het zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom (4:4), zullen ze moeten verlost en teruggekeerd zijn in het land. Na tweeduizend jaar is er in 1948 weer een staat Israël uitgeroepen en wat wij vandaag zien is een voorbode van de heerlijkheid die nog moet komen. Ze zullen bevrijd worden en terugkeren naar het land, niet alleen uit de macht van de koning van Babel maar uit alle volken waarheen ze verstrooid zijn. ‘Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren’ (Jer.29:11-14). Dit was de verlossing die Anna en alle anderen, o.a. Jozef van Arimathéa, verwachtten (Luk.1:68; Mark.15:43), en waarover de profetie van Zacharia sprak (Luk.2:38).

3. Een beloofde overwinning (4:11-18)

We mogen nog eens een kijkje nemen in ‘het laatste der dagen’ en zien dat de rollen zijn omgekeerd ten gunste van het volk Israël. De volkeren ‘kennen de gedachten des HEREN niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Mi.4:12). De wereldleiders van vandaag weten niets van de plannen van God met betrekking tot het volk Israël. De profeet Zacharia spreekt over de positie van Israël en de volkeren in de eindtijd duidelijke taal: ‘Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond; ja ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem. Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen’ (Zach.12:1, 9). ‘Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. Dan zal de HERE uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de HERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem. En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving; ja, het zal één dag zijn – die is bij de HERE bekend – geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen. Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige. Het gehele land zal worden als de Vlakte van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem; maar dit zal verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan, van de Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen; men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn’ (Zach.14:1-11).

4. Een beloofde Koning (5:1-5)

Voordat de hierboven vermelde beloften hun volle vervulling kunnen krijgen, zal eerst de Messias moeten komen en daarvan spreken de eerste verzen van hoofdstuk 5. In hoofdstuk 4 wordt de vraag gesteld: ‘Is er geen koning bij u?’ (4:9), in de eerste verzen van hoofdstuk 5 vinden we het antwoord. We vinden hier de aankondiging van de plaats van herkomst van de Messias, wat bevestigd wordt in het Nieuwe Testament door de aanhaling van deze passage  door de overpriesters en de schriftgeleerden in antwoord op de vraag van Herodes waar de Christus geboren zou worden (Mat.2:6). De joden wisten waar de Christus vandaan zou moeten komen: ‘Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was?’(Joh.7:42). Wij zouden hebben verwacht dat de koning van de joden in de stad Jeruzalem geboren zou worden maar hij kwam ter wereld in alle nederigheid, geboren in een stal en in het dorpje Bethlehem. De kerkvader Tertullianus (ca. 160 - ca. 230) argumenteerde in zijn gesprekken met de joden, dat als Jezus niet de beloofde Messias was, deze profetie nooit meer vervuld kon worden omdat er geen nakomelingen van David meer in Bethlehem waren en de afstamming niet meer achterhaald kon worden.

‘Wie is toch deze, dat Hij ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?’ (Luk.8:25).  Het antwoord op deze vraag vinden we hier al voor een stuk geopenbaard want: ‘uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’. Hier wordt duidelijk gesproken over Hem die kon zeggen: ‘vóór Abraham werd ben Ik’ (Joh.8:58). Hier wordt Christus’ mensheid en Godheid geopenbaard, Hij is God en Mens in één Persoon. ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen’ (Jes.6:5-6).

De verzen 2 en 3 wachten nog op hun vervulling. Eerst zal hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft, hetgeen duidt op Christus’ eerste maar ook op zijn tweede komst. Het volk zal terugkeren, waarvan we al een begin zien toen in 1948 Israël weer een staat werd. ‘Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:3). ‘Zo zegt de Here HERE: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat’ (Ez.37:21-28).

Besluit

Wat zou Micha van zijn ‘eigen’ profetie begrepen hebben? Ook wij verkeren in een situatie dat alles nog niet ten volle geopenbaard is van de dingen die gebeuren moeten, sommige zaken zullen pas ten volle duidelijk worden bij hun vervulling. Ik zou daarom dit artikel willen besluiten met een gedeelte uit de eerste brief van Petrus: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan’ (1Petr.1:10-12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

'Al zou de vijgenboom niet bloeien'

Lessen van Habakuk

 

 

Inleiding.

De tekst uit Habakuk 3:17-19 is een veel geciteerd gedeelte en is voor veel gelovigen, in alle tijden, een bron van troost en bemoediging geweest. Maar theorie en praktijk kunnen vaak ver uit elkaar liggen, toch? Het is ook niet zo dat Habakuk, als hij om zich heen keek, onmiddellijk stond te juichen over hetgeen hij zag. Neen, hij had vragen, veel vragen en zocht naar antwoorden. De betekenis van Habakuks naam kan omarming zijn, anderen denken dat het meer is dan een omarming en denken eerder aan ‘worsteling’. Habakuk ’worstelde’ met levensvragen waarmee ook wij kunnen worstelen! Hij worstelde zoals Jakob worstelde met een man om een zegen (Gen. 22-32). Pas toen Habakuk de antwoorden op zijn vragen kreeg was hij in staat om te zeggen ‘nochtans zal ik juichen in de Heer!’

Willen we eens nagaan wat Habakuks vragen inhielden en welke antwoorden hij kreeg en ten slotte wat dat met hem deed?

Vragen

Habakuk begint zijn boek met het stellen van twee eeuwenoude vragen: hoelang en waarom (Hab. 1:2, 3)? Waarom overkomen ons bepaalde zaken en waarom duurt het zolang voordat er een eind aan komt. Vragen die ook wij wellicht regelmatig hebben als we God niet meer kunnen volgen in bepaalde gebeurtenissen. De situatie waarin Habakuk en het volk Israël zich bevonden, gaf dan ook wel aanleiding voor vragen want ze bevonden zich in een moeilijk parket.

Het eerste ‘waarom’ is tamelijk gemakkelijk te beantwoorden en het mag ons misschien verbazen dat Habakuk daar geen antwoord op had. In Deuteronomium 28 lezen we dat Gods zegen voorwaardelijk was en afhankelijk van het al dan niet onderhouden van Zijn geboden. Als we Habakuk mogen plaatsen in de tijd van de opkomst van de Chaldeeën - ook wel Babyloniërs genoemd - dan weten we dat er voor het volk geen herstel meer mogelijk was vanwege hun houding ten opzichte van Gods profeten (2Kon. 36:15-17). Ze zouden oogsten wat ze hadden gezaaid en vielen nu onder Gods tuchtigende hand, want ze hadden te maken met een heilige God ‘die te rein van ogen is om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kan aanschouwen’ (Hab. 1:12, 13). Daartoe verwekte God de Chaldeeën: ’want tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en, o Rots! om te tuchtigen hebt Gij hem bestemd’, aldus Habakuk 1:12 (vgl. Jes. 44:28, 45:1). Dan wordt ook de tekst in Habakuk 1:5 zinvol: ‘Ziet onder de heidenen en let op, en verbaast u, ontzet u, want Ik doe een werk in uw dagen, dat gij niet zoudt geloven, wanneer het verteld wordt’. God was wel aan het werk maar wij merken het niet altijd, want ‘Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en onnaspeurlijk zijn wegen!’ (Rom. 11:33). Het werk van God was gericht op het herstel van het volk Israël, want ‘wie de Heer liefheeft, tuchtigt Hij’ (Hab. 3:13, Hebr. 12:6).

Het tweede ‘waarom’ in het eerste hoofdstuk ligt dan ook in het verlengde van het eerste. We worden geconfronteerd met de vraag ‘waarom God de trouwelozen aanschouwt en zwijgt, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij’ (Hab. 1:13). Een vraag waarbij we denken aan Psalm 37 en 73 waar we dezelfde gedachte tegenkomen van het raadsel van de voorspoed van de goddelozen. Daar komt de psalmist tot de ontdekking dat het allemaal helder wordt wanneer hij in Gods heiligdom ingaat en op hun einde let, of met andere woorden totdat hij de dingen leert zien zoals God ze ziet (Ps. 73:16).

Antwoorden

In het tweede hoofdstuk zien we Habakuk op zijn wachttoren staan en uitzien naar wat de Heer tot hem spreken zal: ‘Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht. Toen antwoordde de HERE mij: Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen. Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet’ (Hab. 2:1-3). In het vervolg van dit hoofdstuk krijgt Habakuk de voor hem zo belangrijke antwoorden op zijn vragen, het zijn er maar liefst drie.

Ten eerste moest hij de les leren dat ‘de rechtvaardige door geloof zal leven’ (Hab. 2:4). Deze erg belangrijke tekst komen we in het Nieuwe Testament drie keer tegen. In de brief aan de Romeinen 1:17 en Galaten 3 :11 ligt de nadruk op de rechtvaardiging van de zondaar. De mens kan door een persoonlijk geloof in het volbrachte werk van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha rechtvaardig verklaard worden. In de brief aan de Hebreeën 10:38 ligt de nadruk meer op het volharden in het geloof in tijden van vervolging. Hier, in Habakuk 2:4, gaat het erom dat Habakuk moet leren te vertrouwen op God ook al begrijpt hij Hem niet en kan hij Hem niet kan volgen in zijn handelen. “Vragend moet ik hier vaak gaan, boven zal ik het eens verstaan”! Echt geloof betekent op God te vertrouwen ongeacht onze gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!

Ten tweede moest Habakuk leren dat er hoop is voor de toekomst ‘want de aarde zal vol worden van de kennis des Heren heerlijkheid’ (Hab. 2:14). Uiteindelijk is er hoop voor Israël, ook al heeft het alle schijn tegen. ‘Uw koninkrijk kome’, zal eenmaal in vervulling gaan. ‘De volkeren vermoeien zich, en de natiën matten zich af voor niets, want zij kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Hab. 2:13, Micha 4:12). Maar eenmaal zal die tijd aanbreken waaraan de profeten van het Oude Testament zo vaak herinnerd hebben. Maar dat is nog een lange weg, Israël is op weg naar zijn rust (Jer. 31:2). ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos. 3:4-5). Daarop is het wachten en wij – en Israël – zien ernaar uit!

Ten derde moest hij leren dat God alles onder controle heeft want ‘de Here is in zijn heilige tempel’ (Hab. 2:20, vgl. Ps. 2:4). Dit herinnert ons aan Jesaja 6:1-4 waar we de profeet Jesaja in een soortgelijke situatie vinden als Habakuk. ‘In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook’. Als Jesaja om zich heen keek was de situatie volkomen onhoudbaar en stevende het volk af op een catastrofe, maar hij moest leren naar boven te kijken waar de Heer was, de Schepper van hemel en aarde, die alles in de hand heeft. Dat gold ook voor Habakuk. ‘De HERE verbreekt de raad der volken, Hij verijdelt de gedachten der natiën; de raad des HEREN houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht’ (Ps. 33:10-11).

Overwinning

Nu Habakuk antwoord heeft gekregen op zijn vragen (Hab. 3:2) kan hij de toekomst in rust en met vertrouwen tegemoet zien (Hab. 3:16). Hij is vernieuwd in zijn denken en gedenkt Gods majesteit en grootheid en ziet uit naar de vervulling van Gods plannen in het oordeel over de volkeren, maar ook in het herstel van het volk (Hab. 3:16, 13). Hij gedenkt Gods verschijning op de Sinaï (Hab. 3:3-7) en Gods machtige daden voor zijn volk (Hab. 3:8-15).

God was niet veranderd, Gods handelen was niet veranderd, maar Habakuk was veranderd! Zijn visie op God was veranderd en dat bracht een omkeer teweeg in zijn leven. Nu kon hij juichen: ‘Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil. De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten’. Kent u dat?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

De toekomst van Israël

Zacharia 12-14 (deel 1)

 

 

 

Voorwoord

Zijn toespraak tot de Verenigde Naties van 22 september 2016 begon premier Netanyahu van Israël met de woorden: ‘Wat ik nu ga zeggen zal u shockeren: Israël heeft een mooie toekomst bij de VN’. Ik betwijfel of hij deze woorden na de resolutie van 23 december 2016 nog zou zeggen. Want in die resolutie veroordeelde de VN het Israëlische nederzettingenbeleid in de zgn. Palestijnse gebieden. Dat kon gebeuren omdat Amerika zich onthield van stemming en zijn vetorecht niet gebruikte om Israël te steunen. Dat was een unicum! Israël beschuldigde daarom de Amerikaanse president Barack Obama ervan ‘onder één hoedje te spelen met de Palestijnen in een beschamende manoeuvre tegen Israël in de VN’. De toespraak van Netanyahu en de tekst van de resolutie tegen Israël, die aan de basis van dit artikel liggen, kunt u lezen in de Rubriek Israël op deze website. Via YouTube kunt u ook de toespraak beluisteren die premier Netanyahu gehouden heeft op de Algemene Vergadering van de VN, met Nederlandse ondertiteling. Ga naar: https://youtu.be/33dYKifz91E

Maar het is waar en premier Netanyahu heeft gelijk: er staat Israël nog een mooie toekomst te wachten, maar voor het zover is zal er nog een moeilijke tijd komen, de zgn. Grote Verdrukking! Want de Bijbel is duidelijk over de gebeurtenissen van het volk Israël in de eindtijd; het land en volk zullen steeds meer alleen komen te staan. Zodra er wat rust is gekomen in Syrië en in de omringende landen, zal wellicht alle aandacht op Israël gericht worden en wat zullen de gevolgen daarvan zijn? Zacharia zegt dat Jeruzalem in de eindtijd een schaal der bedwelming voor alle volkeren zal zijn en een steen die alle natiën zullen moeten heffen en dat ten slotte alle volkeren der aarde ten strijde zullen trekken tegen Jeruzalem.

Zoals gezegd: wij bezitten Gods Woord en hoeven niet te speculeren over Israëls toekomst. Wij hebben in de Bijbel het profetisch woord waarop we acht dienen te geven (2Petr.1:19) en het boek van de profeet Zacharia spreekt duidelijke taal, vooral in de hoofdstukken 12-14 die we gaan overdenken.

Inleiding

In de hoofdstukken 12-14 neemt Zacharia ons mee naar de eindtijd. Ik geloof dat hij de gebeurtenissen van het laatste gedeelte van de laatste jaarweek van Daniël beschrijft (Dan.9:24-27), want we bevinden ons hier vlak voor de komst van de Heer Jezus op de Olijfberg. Zacharia beschrijft de aanval van de volken tegen Jeruzalem. Het Joodse volk ondergaat ernstige beproevingen: de tijd van ‘Jacobs benauwdheid’ is aangebroken (Jer.30:7), waarna de Heer zal terugkeren in kracht en grote heerlijkheid om zijn volk te bevrijden en om het beloofde koninkrijk te vestigen. Een opwindend scenario! Het is geen fantasie; het is Gods Woord dat zegt dat het zal gebeuren! Wanneer we deze hoofdstukken bestuderen, vinden we zeventien keer de vermelding van de woorden ‘Te dien dage’. ‘Die dag’ is de ‘Dag des Heren’, de dag van wraak en oordeel waarover andere profeten al schreven (Joël 3:9-16; Sef.1) en waarover de Heer Jezus sprak in Mattheüs 24:4-31 en de apostel Johannes in Openbaring 4-19.

Zacharia beschrijft drie belangrijke gebeurtenissen:

1. God zal Israël bevrijden (Zach.12:1-9; 14:1-7)

Judea en Jeruzalem staan centraal in de profetie van Zacharia, liefst vierenveertig keer wordt de stad vermeld in het boek Zacharia, waarvan vijfentwintig keer in de laatste drie hoofdstukken. In hoofdstuk 1:14 sprak de Here: ‘Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand’. Veertien keer wordt door Jesaja God genoemd als de ‘Verlosser voor Israël’. God is zijn volk niet vergeten, maar zijn timing is niet altijd zoals wij het zouden wensen; Hij houdt zich echter altijd aan zijn beloften, ook ten opzichte van het volk Israël. De voorbereidingen voor die toekomstige verlossing zien wij nu al in wording.

Jeruzalem zal worden belegerd (Zach.12:1-3; 14:1-2)

De profetie opent met een bevestiging van Gods almacht en kracht. Let op de vermelding van ‘alle volken’ en ‘alle natiën’ in Zacharia 12:2-3,6,9; 14:2,12,14,16, want bij deze aanval zullen de legers van de hele wereld betrokken zijn en hij maakt deel uit van de beroemde ‘slag van Armageddon’ beschreven in Joël 3:9-16; Mattheüs 24:27-30; Openbaring 9:13-18; 16:13-16 en 19:17-21. We weten dat Rusland (de koning van het verre noorden) een permanente militaire basis heeft in Syrië. We horen van samenwerking tussen Rusland, Syrië en Iran. Amerika en Europa zijn nadrukkelijk aanwezig in het Midden-Oosten. ‘Alle volken en natiën’ die optrekken naar Israël, is verre van denkbeeldig vandaag de dag!

Drie ‘krachten’ zullen betrokken zijn in het bijeenkomen van dit grote leger: (1) de volkeren komen overeen in hun opstand tegen God en zijn volk (Ps.2:1-3); (2) Satan en zijn demonen gebruiken hun invloed om de volkeren bijeen te brengen (Op.16:12-14); en (3) God oefent zijn macht uit om hen bijeen te brengen (Zach.14:2; Openb.16:16; Ez.38:1-6).

Om Jeruzalems situatie ‘te dien dage’ te beschrijven, gebruikt Zacharia de metafoor van een schaal (of kelk of beker) en een steen. Een schaal is een bekende Bijbelse voorstelling voor het oordeel. (Ps.75:9; Jes.51:17, 21-23; Jer.25:15-28; Ezech.23:31-33; Hab.2:16; Openb.14:10; 16:19; 18:6). De volken zijn van plan Jeruzalem te veroveren, maar wanneer ze beginnen met de ‘schaal te drinken’ zullen ze ziek en dronken worden. De geschiedenis leert ons dat elke natie die geprobeerd heeft om Israël te vernietigen, zichzelf heeft vernietigd. En als de volken tezamen Gods volk aanvallen, zal het niet anders gaan! Sommige vijanden zullen de stad binnenvallen, de vrouwen misbruiken, en de helft van de inwoners gevangennemen. Maar in de hoop om de stad en het volk te vernietigen, zullen ze teleurgesteld worden, want God zal ervoor zorgen dat de stad als een onwrikbare ‘steen’ zal zijn. Deze ‘steen’ zal uiteindelijk de vijandelijke legers vernietigen (Dan.2:45).

De komst van de Messias (Zach.14:3-7)

Het mag duidelijk zijn dat het hier niet over de Opname gaat, de komst van Christus voor de Gemeente. Nee, het gaat uiteraard over zijn komst voor Israël. ‘Ze zullen de Zoon des Mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid (Matth.25:30; Openb.1:7). De Heer Jezus is van de Olijfberg naar de hemel opgenomen met de belofte ‘dat Hij zo zal komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan’ (Hand.1:9-11) en zo zal het ook gebeuren. Hij komt vanuit de hemel naar de aarde, en zal staan op diezelfde Olijfberg, waardoor er een grote aardbeving zal komen die het gebied aanzienlijk zal veranderen (Jes.29:6; Openb.16:18-19). Daardoor zal er een nieuw dal ontstaan, dat een ontsnappingsroute zal worden voor velen van het volk. Er zullen ook veranderingen zijn in de hemelen: ‘de zon zal u niet meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten’ (Jes.60:19-20).

‘De Here is een krijgsheld’ zong het volk nadat het uit Egypte was bevrijd (Ex.15:3), maar dat aspect van God wordt vaak ontkend of tegengesproken, of is niet meer gekend vandaag de dag. Er is een generatie die weinig of niets weet over ‘te strijden voor het geloof’, of over een Verlosser die eenmaal zal strijden tegen de naties (Openb.19:11-21).

Voordat het volk Israël het land binnentrok, beloofde Mozes dat God voor hen zou vechten (Deut.1:30; 3:22). ‘Wie is toch de Koning der ere?’ was een vraag van David en het antwoord was ‘De Here, sterk en geweldig, de Here, geweldig in de strijd’ (Ps.24:8). Jesaja kondigde aan ‘De Here trekt uit als een held; als een krijgsman doet hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja, schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen zijn vijanden’ (Jes.42:13). Onze God heeft veel geduld gehad met de volkeren, maar er komt een dag waarop Hij de strijd met hen zal aanbinden en zegevieren.

De Heer zal de vijanden verslaan (Zach.12:4-9; 14:12-15)

Verwarring (14:13), een plaag (14:12) en speciale kracht voor de strijders (12:5) zijn de dingen waardoor God de overwinning geeft over de binnenvallende legers. De paarden panieken vanwege hun blindheid en de berijders zullen door waanzin bezeten worden en elkaar bevechten (14:13). God zal waken over zijn volk en erop toezien dat ze bevrijd worden. Hij zal maken dat de Joden als vuur zijn en de vijanden als droge stoppels. Jezus Christus zal zijn grote macht openbaren wanneer Hij het volk verdedigt en de vijanden verslaat.

Terwijl de inwoners van Jeruzalem hier centraal staan, wordt er aandacht geschonken aan welke plaats Juda zal innemen in de strijd. De binnenvallende legers zullen via Juda moeten om Jeruzalem in te komen (12:2); maar God zal over het volk van Juda waken en hen vanwege David bevrijden (vers 4, 7). Het vertrouwen en de moed van het volk in Jeruzalem is een bemoediging voor Juda, dat dapper was in de strijd, en God zal het mogelijk maken om te overwinnen (vs.5-6). De zwakste Joodse strijder zal de kracht als van David bezitten, die tienduizenden vijanden versloeg (1Sam.18:7). Het leger van de Heer zal voortgaan als de Engel des Heren die 185.000 Assyrische soldaten sloeg in één nacht (Jes.37:36).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

De toekomst van Israël

Zacharia 12-14 (deel 2)

 

 

2. God zal Israël reinigen (Zacharia 12:10-13:9)

De bevrijding van hun vijanden is niet het doel op zich, maar hun geestelijk herstel is wat God waardevoller acht. Hij wil Zichzelf aan Hen openbaren en een relatie opbouwen die in vroegere eeuwen niet mogelijk was vanwege hun zonden. Omdat te bereiken is reiniging nodig van het volk!

Het volk zal zich bekeren (Zach.12:10-14)

Berouw is niet iets wat we zelf bewerken; het is een gave van God doordat we zijn Woord horen en zijn genade beseffen (Hand.5:31, 11:18; 2Tim.2:25). God zal zijn geest uitstorten over Israël (Joël 2:28-29), en het volk zal zich hun zonde realiseren en tot God roepen om vergeving; Ze zullen ook hun Messias zien die de volken doorstoken hebben (Ps.22:16; Jes.53:5; Joh.19:34, 37) en op Hem hun vertrouwen vestigen. Vergeving komt tot elke zondaar alleen door geloof in het offer van Christus op het kruis.

Het volk zal rouw bedrijven, zoals ouders rouwen over het verlies van hun enige zoon, de wijze waarop het volk rouw bedreef over hun geliefde koning Josia nabij Megiddo toe hij in de strijd gedood werd (2Kron.35:20-27). Zacharia vermeld dat alle families van Israël zullen rouwen, de mannen en vrouwen apart, en dat is inclusief Davids familie, de profeten (Natan – 2Sam.7) en de priesters (Levi en Simei – Num.3:17-18, 21). Alle families die overblijven is de rest van het volk. Het zal een tijd zijn van diepe en ernstige nationale verootmoediging zoals er nog nooit geweest is.

Het volk zal worden gereinigd (Zach.13:1-7)

Jesaja had tegen het volk gezegd: ‘Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen’ (Jes.1:16), maar ze weigerden om te luisteren. Jeremia had voor het volk gepleit: ‘Reinigt uw hart van boosheid, Jeruzalem, opdat gij behouden wordt; hoelang zullen in uw binnenste uw zondige overleggingen verwijlen’ (Jer.4:14), ze maar wilden niet gehoorzamen. Maar nu, als antwoord op Israëls berouw en geloof, wil God hen rein wassen! Deze vergeving maakt deel uit van het nieuwe verbond dat God zijn volk beloofde (Jer.31:31-34) ‘Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken’ (vs.34). De Joden konden hun uiterlijke verontreinigingen reinigen door wassingen met water, maar de innerlijke reiniging van de zondige harten van mannen en vrouwen kan alleen bewerkstelligd worden door het bloed van de Heiland (Lev.16:30; 17:11). ‘Hij is het zoenoffer voor onze zonden’ (1Joh.2:2). Maar niet alleen hun harten zullen worden gereinigd maar ook het land zal worden gezuiverd van alles wat niet goed en vervuilend is. De afgoden en de valse profeten – twee van Israëls meest ernstige zonden – zullen verwijderd worden, en ook de ‘onreine geest’ dat veroorzaakte dat mensen zich van God afwenden (Zach.5:5-11).

Overeenkomstig de Wet, moesten de valse profeten worden gedood (Deut.13); dus zullen de valse profeten in die dagen liegen over hun beroep om hun leven te redden (13:2-6). Ze zullen geen speciale kleding dragen (vs.4; 2Kon.1:8; Math.3:4), en zij zullen zich eerder uitgeven voor boeren dan profeten. Wanneer ze gevraagd worden naar de littekens op hun lichamen, die eigenlijk veroorzaakt worden wanneer ze afgoden wouden hebben vereerd (1Kon.18:28), liegen ze daarover en zeggen dat familieleden hen bestraft hebben. In tegenstelling tot de valse profeten wordt de ware Herder voorgesteld in Zach.13:7. (Zie Zach.11 voor de andere vermeldingen betreffen de Herder). Een gedeelte van deze profetie haalde Jezus aan toen Hij met zijn discipelen op weg was naar Gethsemane (Math.26:31), en Hij verwees er nog eens naar toen Hij in die tuin werd gearresteerd (vs.56). Alleen Jezus de Messias kon door de Vader ‘de man die mijn metgezel is’ dat is ‘de man die Mijn Gelijke is’ (Joh.10:30; 14:9) worden genoemd.

Maar er is ook nog verdere verwijzing naar deze tekst naar de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. toen Jeruzalem door de Romeinen werd ingenomen. De Joden hebben hun Herder verworpen op het kruis (Jes.53:10), en deze verwerping leidde tot de verstrooiing van de Joden (Deut.28:64; 29:24-25). Vandaag de dag is Israël een verstrooid volk, maar er komt een dag dat ze bijeen gebracht zullen worden; ze zijn een verontreinigd volk, maar eens zullen ze een gereinigd volk zijn.

Het volk zal worden gezuiverd (Zach.13:8-9)

Dit beeld herinnerd ons eraan hoeveel waarde God hecht aan zijn volk: zij zijn als goud en zilver dat gereinigd dient te worden in vuur van de ellende. Dat was al hun ervaring in Egypte geweest (Deut.4:20) en in Babylon (Jes.48:10), maar ‘de tijd van Jakobs benauwdheid’ zal hun moeilijkste ‘vuuroven ervaring’ worden! De goudsmid zuiver goud en zilver zodat het vuil verwijderd wordt en dat is wat de Verdrukking in de laatste dagen voor Israël zal bewerken. Een derde van de mensen zullen gespaard worden, het gelovig overblijfsel, terwijl de anderen verworpen zullen worden en verloren zullen gaan. Het goddelijk overblijfsel dat tot de Heer roept (Hand.2:21) zullen gered worden de kern vormen van het beloofde koninkrijk, want God zal ze erkennen als zijn eigen volk (Hos.2:21-23).

Voordat we dit gedeelte achter ons laten, proberen we deze gedeelten praktisch toe te passen op Gods volk nu. Zeker de kerk van nu is vervuild en dient ook gereinigd te worden en de belofte voor vergeving is nog altijd geldig en aanwezig (1Joh.1:9). God heeft de kerk vaak in het vuur van het lijden gegooid voordat we Hem aanriepen om zijn aangezicht te zoeken (Hebr.12:3-11; 1Petr.4:12). Als Gods volk de oproep in 2 Kronieken 7:14 zou opvolgen, zou God de kerk reinigen, vergeven en zegenen en genezing brengen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

De toekomst van Israël

Zacharia 12-14 (deel 3)

 

 

 

 

3. God regeert over de aarde (Zacharia 14:8-11, 16-21)

‘En de Here zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige. (Zach.14:9).  Nadat de volkeren zijn geoordeeld en Israël gereinigd, zal de Here zijn rechtvaardig koninkrijk oprichten en regeren op Davids troon (Ps.72; Jer.30; Luk.1:32-33; Openb.17:14, 19:16). Zijn heerschappij zal wereldwijd zijn (‘over de gehele aarde’) Hij zal de enige God zijn die ze zullen vereren, en zijn naam zal de enige zijn die geëerd zal worden (zie Psalm 72; Jer.30;7-9). Wat zal er gebeuren wanneer de Koning alleen zal heersen? 

Het land zal zich herstellen (Zach.14:8)

Jeruzalem is de enige grote stad uit de antieke wereld die niet aan een rivier is gebouwd. Maar tijdens het Vrederijk zal er een rivier van ‘levend water’ uit Jeruzalem stromen die herstel zal brengen en het land vruchtbaar maken (zie: Ezech.47:1-12 en Joël 3:18). De rivier zal zich splitsen zodat de wateren naar de Dode Zee kunnen stromen en naar de Middellandse Zee. Eeuwenlang hebben mensen zich afgevraagd op welke manier de Dode Zee gered zou kunnen worden, maar dat herstel zal gebeuren tijdens het Vrederijk. Een mooie beschrijving van het land gedurende het Vrederijk vinden we in Jesaja 35.

Het landschap zal veranderen (Zach.14:10-11)

Naast de veranderingen die zullen worden veroorzaakt door de komst van Christus en een aardbeving, zullen twee andere zaken plaatsvinden: (1) Het land rondom Jeruzalem zal lager komen te liggen en een vlakte worden, en (2) Jeruzalem zal uitstijgen boven het land waarin het ligt. Deze verandering zijn een vervulling van Jesaja’s profetie: ‘En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als het hoogste, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen’ (Jes.2:2; Zach.8:1-3; Micha 4:1-3).

Wanneer de Messias als Koning-Priester zal heersen dan zal er een tempel moeten zijn en een priesterdienst gedurende het Vrederijk, dit wordt tot in detail beschreven in Ezech. 40-48. Jeruzalem zal de belangrijkste stad op aarde zijn en het tempelgebied het meest belangrijkste van de nieuwe heerlijke stad.

Alle gevaren zullen verwijderd worden (Zach.14:11)

De bergen rondom Jeruzalem dienden voor haar bescherming (Ps.48:1-8, 125:1-2); maar als de Messias regeert zal de stad geen gevaar meer hebben te duchten van vijanden (Ezech.34:22-31). De woorden ‘Het zal bewoond zijn’ herinneren ons eraan dat tijdens de Babylonische ballingschap slechts 50.000 Joden bereid waren het veilige Babylon te verlaten om zich in de ruïnes van Jeruzalem te gaan vestigen, en zelfs Nehemia had moeite mensen te vinden om in de stad te gaan wonen (Neh.11). Zacharia had al eerder verteld dat de kinderen op de straten zullen spelen, en dat de ouderen in de zon zullen zitten en met elkaar praten (Zach.8:4-8).

De heidenen zullen in Jeruzalem komen om te aanbidden (Zach.14:16)

Israël heeft dan een opdracht ten opzichte van de heidenen die de ware en levende God zullen vereren in zijn tempel (Jes.2:2-5; Zach.2:10-13). Van de zeven feesten opgesomd in Leviticus 23, is het Loofhuttenfeest de enige die gevierd zal worden in het Vrederijk (Lev.23:33-44). Het feest gedenkt de omwandeling in de woestijn, maar het is ook een tijd van vreugde om de zegeningen van God gedurende de oogst (vs.40). Maar waarom alleen het Loofhuttenfeest vieren? Het Loofhuttenfeest is het enige feest dat nier vervuld is totdat het koninkrijk is opgericht.

Het Pascha werd vervuld door de dood van Christus (1Kor.5:7; Joh.1:29)

De eerste vruchten van zijn opstanding (1Kor.15:23) en het een week durende feest van de ongezuurde broden is wat de gelovigen mogen doen; wandelen in heiligheid! (1Kor.5:6-8). Het pinksterfeest is vervuld in Handelingen 2 en het feest van de bazuinen zal plaatsvinden voordat het Koninkrijk begint wanneer God zijn volk bijeenbrengt van de einden van de aarde (Jes.18:3, 7; Math.24:29-31). De grote Verzoendag zal plaatsvinden wanneer het volk de verschijning van de Messias zal meemaken, zich bekeren en zullen worden gereinigd.

Maar het Loofhuttenfeest is een vooruit schaduwing van het vreugdevol en gezegend Koninkrijk, dus het zal worden gevierd wanneer het Koninkrijk in wording is. Het zal een jaarlijkse herinnering voor de volken zijn dat de rijke zegen die zij genieten komt van een genadige en barmhartige God.

De Heer zal gerechtigheid uitoefenen (Zach.14:17-19)

De volken die geen afvaardiging naar Jeruzalem sturen om God te vereren zullen terecht worden gewezen doordat ze geen regen zullen ontvangen op hun land. Dat was ook de manier waarop God het volk Israël strafte wanneer ze weigerden Hem te gehoorzamen (Deut.28:22-24). Bedenk, hoewel het Vrederijk een tijd van vrede en voorspoed zal zijn, is het ook de tijd dat de Heer Jezus zal heersen met ‘een ijzeren roede’ en ongehoorzaamheid zal bestraffen (Ps.2:9; Open.2:27; 12:5; 19:15). Het niet vieren van het Loofhuttenfeest staat gelijk aan de zegen van God te verachten en dat is een serieuze overtreding (zie Rom.1:18).

Egypte wordt apart vermeld omdat dat land afhankelijk is van de jaarlijkse overstroming van de Nijl voor de irrigatie, en zonder de regens kan de rivier niet stijgen. Gedurende Jozefs tijd, waren er zeven jaren van een verschrikkelijke droogte. Egypte is Israëls onderdrukker en vijand geweest en tijdens het Vrederijk, zullen ze de zegen van Israëls Messias ervaren. Geen dank betuigen zou een gruwelijke zonde zijn.

Heiligheid zal het kenmerk zijn (Zach.14:20-21).

We zouden ‘heiligheid’ verwachten geschreven op de bellen van de kleren van de hogepriester (Ex.28:36-38), maar zeker niet op de bellen van de paarden! En waarom zouden de gewone huishoudgereedschappen behandeld worden als het vaatwerk in de tempel? Deze twee beelden zijn Gods manier om te zeggen: ‘In het koninkrijk van God zal elk aspect van het leven heilig zijn voor God’. God heeft Israël een ‘koninkrijk van priesters’ genoemd (Ex.19:6), en dat zouden ze dan zijn door Gods genade.

Voor de huidige gelovige, is dit de oude versie van 1Kor.10:31 ‘’ Er is geen ‘onheilig’ en ‘heilig’ in het leven van een christen, want alles komt van God en zou tot Gods eer gebruikt moeten worden. Het Hebreeuwse woord ‘Kanaäniet’ in Zacharia 14:21 verwijst naar handelaars of een onrein persoon, beide zouden de tempel van God verontreinigen. Toen de Heer Jezus zijn dienst begon en eindigde, vond Hij religieuze handelaars die Gods huis voor hun persoonlijk gewin (Joh.2:13-22; Math.21:12-13; Mark.11:19:15-17; Luk.19:45-46). Het huis van gebed voor alle volken was veranderd is een dievenhol ten behoeve van het voordeel van de hogepriesters en zijn familie. Maar de tempel in het Vrederijk zal een heilige tempel zijn niet verontreinigd door hen die de Heer niet kennen of liefhebben en zal er een heilig priesterdom zal dienen.

Zacharia’s boek begint met een oproep tot bekering, maar het eindigt met een toekomstbeeld van een glorieus koninkrijk. Zacharia was een van Gods helden die dienst deden in een moeilijke tijd en plaats, maar hij bemoedigde Gods volk door het volk de toekomst voor te stellen die God voor hen in petto had. God is nog steeds na-ijverig over Jeruzalem en het Joodse volk, en Hij zal zijn belofte nakomen. ‘Bidt voor de vrede van Jeruzalem’ (Ps.122:6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

'Er is een gedenkboek geschreven'

Maleachi 3 – 4

 

 

Inleiding

Dat de tijd waarin de profeet Maleachi leefde, grote gelijkenis vertoont met onze tijd, zal wel geen enkele bijbellezer ontgaan; de parallellen zijn daarvoor te duidelijk.

Maleachi is in onze Bijbel het laatste boek van het Oude Testament en een vergelijking met het laatste boek in het Nieuwe Testament, de Openbaring, ligt dan ook voor de hand. Maleachi was echter niet de laatste oudtestamentische profeet, dat was Johannes de Doper (Matt. 11:10-15; Mark. 1:2 en Luk. 1:17).

De nadruk in het boek Maleachi ligt op de aanstaande komst van de dag des Heren, en de profeet keert zich tegen de wantoestanden die er heersten onder de priesters en het volk. In de dagen van de profeet was het volk (weer) tot zonde vervallen, de priesters waren wereldsgezind, en de natie bevond zich ver van God. Omdat het beloofde koninkrijk niet onmiddellijk kwam, trokken de Joden Gods handelen in twijfel, en beklaagden zich over de manier waarop Hij zijn volk behandelde. Het duurde dan ook niet lang voordat de priesters onzorgvuldig werden in hun dienst, en het volk volgde hun slechte voorbeeld. ‘Zo priester, zo volk’, werd realiteit (Hos. 4:9).

Waarin faalden het volk en de priesters? Ze twijfelden aan Gods liefde (1:1-5), verachtten zijn Naam (1:6-2:9), ontheiligden zijn verbond (2:10-16), trokken Gods rechtvaardigheid in twijfel (2:17-3:6), beroofden Gods huis (3:7-12) en verachtten hun dienst aan God (3:13; 4:6).

Het is dan ook goed te begrijpen dat God zegt in Mal. 1:10: ‘Was er ook maar iemand onder u die de deuren zou sluiten, dan zou u niet zonder reden Mijn altaar aansteken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt de HEERE van de legermachten, en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet.’ Vergelijkbaar is de situatie in het Nieuwe Testament van het christendom in de beschrijving van Laodicea, waarvan de Heer Jezus zegt: “Ik zal u uit mijn mond spuwen” (Op. 3:16). We hebben dus een heel sombere schildering van de zedelijke toestand van het volk Israël aan het einde van Oude Testament en het christendom in het Nieuwe Testament. Maleachi maakt ook melding van het bestaan van een klein gedeelte van het volk dat nog rekening houdt met God, een getrouw overblijfsel dat de dienst aan het huis van God niet verzaakte. God heeft er in alle tijden voor gezorgd dat er altijd een aantal gelovigen zijn die Hem trouw dienen. We vinden hier twee groepen mensen die beweren te behoren tot het volk van God, maar wat verschillen ze enorm van elkaar!

Leven in een eindtijd betekent keuzes maken!

De tijd waarin Maleachi optrad was in alle opzichten te vergelijken met een ‘eindtijd’, en in een eindtijd zullen de situaties zo zijn, dat het zichtbaar zal worden wie de Here dient en wie Hem niet dient; er zullen keuzes gemaakt moeten worden.

Dat was toen zo en vandaag is het niet anders! Het boek Openbaring spreekt daarover: ‘Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden. En wie rechtvaardig is, laat hij nog meer gerechtvaardigd worden. En wie heilig is, laat hij nog meer geheiligd worden’ (Op. 22:11; vgl. 1 Joh. 3:3). Soortgelijke woorden komen we tegen in het boek Ezechiël, waar de profeet spreekt over de toekomstige dienst van het volk: ‘Zij moeten Mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en onheilig, en hun het onderscheid laten weten tussen onrein en rein’ (Ez. 44:23).

Volgens 1 Kor. 10:11 is de ‘eindtijd’ aangebroken met de komst van de Gemeente, nadat Israël de Messias verworpen had. Nu, zoveel jaren later, zien we steeds duidelijker de symptomen van onze eindtijd openbaar worden. Leest u maar eens 1 Tim. 4:1vv. en 2 Tim. 3:1vv. en veel andere gedeelten uit het Nieuwe Testament.

‘Wie Hem niet dient’

Er komt echter een dag waarop duidelijk zal worden waarin we ‘het onderscheid zullen zien tussen een rechtvaardige en een goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient’ (Mal. 3:18). Dit onderscheid wordt door God gemaakt. Het is niet aan ons om te oordelen, maar de vraag rijst wel waaraan wij iemand kunnen herkennen die beweert een gelovige te zijn. Op meerdere plaatsen in dit Bijbelboek lezen we dat de priesters en het volk ongehoorzaam zijn aan God; ‘de vreze Gods stond hun niet voor ogen’. Het voortdurend terugkerend ‘En dan zegt gij…’ zegt ons genoeg. Er zijn twee grote (laatste) klachten op te merken in hoofdstuk 3:14-15. Ten eerste: ‘Nutteloos is het God te dienen; wat gewin geeft het…?’ Met andere woorden ‘het brengt niet op’, en ten tweede: ‘wij prijzen de overmoedigen gelukkig… zij verzoeken God en ontkomen.’ Met andere woorden, we gebruiken de vrijheid tot losbandigheid (Ps.37; 73; Pred. 8:11) Maar het slot van dit boekje laat zien dat God daar anders over denkt! Hoe ernstig is de situatie niet in veel christelijke kerken, als we horen van het loslaten van de Schrift als het Woord van God, het samengaan met andere religies, om maar over veel andere zaken te zwijgen! Er is een enorme leegloop te constateren uit de grote volkskerken van mensen ‘die belijden God te kennen, maar Hem verloochenen met hun werken’ (Tit. 1:16).

‘Wie God dient’

Te midden van de afvalligen van het volk Israël zien we echter ook een groepje dat er anders over denkt! Mensen die ‘geheel anders’ zijn en trouw zijn gebleven aan God. Dat zijn de ‘helden’ van de eindtijd, gelovigen die ook in moeilijke tijden trouw blijven. Representanten van dit groepje getrouwen vinden we onder andere terug in Lukas 2:25-38, met name Simeon en Anna. In deze tijd zien wij hetzelfde gebeuren, aan de ene kant een afvallig christendom, en dat is het grootste gedeelte, en aan de andere kant een evangelische beweging, die het kenmerk van de Heer heeft gekregen: ‘u hebt kleine kracht en u hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend’ (Op. 3:8). Deze gelovigen weten dat God er anders over denkt, want aldus ‘spreken zij die de HEERE vrezen, ieder tot zijn naaste: De HEERE slaat er acht op en luistert. Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht, voor wie de HEERE vrezen en wie Zijn Naam hoogachten’ (Mal. 3:16-17).

Neen, God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten’ (Heb. 6:10; 1 Kor. 15:58). Het loont de moeite, ook in moeilijke tijden, om trouw te blijven aan de Heer want ‘die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien’ (Ps. 126:5; 56:9). Dat zien we dan ook in Maleachi hoofdstuk 4 verwoord, daar worden de getrouwen beloond, terwijl de afvalligen geoordeeld worden. Dan, op die dag (vs 17), zal het onderscheid zichtbaar worden tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient. ‘En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten, op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn. Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart die hem dient’ (Mal. 3:17).

Behoort u tot hen die de Here dienen, de Here vrezen, dan ontvangt u een geweldige bemoediging en belofte, leest u maar: ‘Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn; en u zult naar buiten gaan en dartelen als kalveren uit de stal’ (Mal. 4:2).

Besluit

Maleachi sluit af met de aankondiging van de komst van Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt, en door zijn boodschap roept hij het volk op zich te bekeren tot God. Deze boodschap werd 400 jaar later gebracht door Johannes de Doper, van wie Jezus zegt: ‘als u het wilt aannemen, hij is Elia die wou komen’, die zei: ‘Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht’ (Matt. 11:15). Daarom: ‘Bereid u om uw God te ontmoeten’ (Amos 4:12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX