Onbeantwoorde Gebeden

 

 

 

Als God nee zegt!

 

 

 

 

 

Deuteronomium 3:23-28

 

Inleiding

In een eerder artikel met als titel ‘Onbeantwoorde Gebeden’, ben ik ingegaan op het vraagstuk waarom niet alle gebeden worden verhoord. Ik heb daar de stelling verdedigd dat onze wensen en verlangens niet altijd overeenkomen met Gods wil en dat er ook verhinderingen in ons leven kunnen zijn waardoor onze gebeden niet verhoord worden. Sommige gelovigen argumenteren dat God de gebeden altijd beantwoordt. Hij zegt of ja, of nee, of wacht! Aan de hand van een aantal voorbeelden uit de Bijbel, waarvan dit het eerste is, willen we verder nadenken over het probleem van onbeantwoorde gebeden en we beginnen met Mozes.

Wanneer we aan Mozes denken, zien we hem vooral als de leider van het volk Israël, dat hij uit Egypte heeft geleid. Natuurlijk was hij een groot leider en wetgever, maar hij was ook leraar, profeet en… een man van gebed! We vinden een groot aantal voorbeelden van Mozes als gelovige met een groot gebedsleven.

Toen God de plagen over Egypte zond, waren het Mozes’ gebeden die de plagen deden komen

(Ex.7:14;12:36). Toen de Amalekieten het volk Israël aanvielen in de wildernis, ging Mozes op de top van de berg staan, hief zijn handen op en bad. Zolang Mozes zijn handen ophief waren de Israëlieten aan de overwinnende hand (Ex.17:8-16). Toen het volk Israël ernstig tegen de Here zondigde door het gouden kalf te aanbidden, was het Mozes die als bemiddelaar voor hen tussenbeide trad, waardoor ze gespaard bleven voor het oordeel (Ex.32:7-14). Hij ging opnieuw de berg Sinaï op en bad tot God met het oog op het volk (Ex.32:30-35). Toen God Miriam met melaatsheid sloeg omdat ze Mozes bekritiseerde, was hij het die voor haar bad, en God genas haar (Num.12:1:16). Te Kadesh-Barnea, toen het volk God niet gehoorzaamde en weigerde het land binnen te trekken, was het weer Mozes die tussenbeide kwam, waardoor God het volk spaarde (Num.14:21). Toen de Israëlieten door vurige slangen werden gebeten, was het vanwege Mozes’ tussenkomst dat ze genezen werden (Num.21:5-9).

Hoewel Mozes zich als grote middelaar openbaarde, bekritiseerde het volk hem toch en klaagden zij over wat hij deed. Ze vonden het vanzelfsprekend dat hij dat deed, maar waar zou het volk geweest zijn zonder Mozes? Zoals we gezien hebben heeft Mozes vaak voor anderen gebeden en God gaf hem wat hij vroeg. Maar niet alle gebeden van Mozes werden beloond. We komen tot de ontdekking als we de Bijbel verder onderzoeken, dat toen Mozes een speciaal verzoek tot God richtte voor hemzelf, God dat weigerde. In Deuteronomium 3:23-29 lezen we: ‘Ook smeekte ik toen de Here: Here Here, Gij zijt begonnen uw knecht uw grootheid en uw sterke macht te laten zien; want welke god is er in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke krachtige daden kan doen als Gij? Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dat schone bergland en de Libanon. Maar de Here was tegen mij verbolgen om uwentwil en hoorde niet naar mij; de Here zeide tot mij: Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak. Beklim de top van de Pisga en sla uw ogen op naar het westen, naar het noorden, naar het zuiden en naar het oosten en zie met uw ogen in het rond, want de Jordaan hier zult gij niet overtrekken. Maar geef Jozua uw bevelen, sterk hem en bemoedig hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overzijde trekken en dit het land doen beërven, dat gij zult zien. En wij bleven in het dal tegenover Bet-Peor’ (Deut.3:23-29).

Waarom werd dit eenvoudig verzoek door God geweigerd? Om de reden voor dit onbeantwoord gebed te weten te komen, moeten we terug naar het verleden, naar een ander voorval in het leven van Mozes. Wanneer we dat doen, zullen we de reden ontdekken waarom Mozes’ gebed niet werd verhoord en dat die reden misschien ook in ons geval de oorzaak kan zijn dat ons verzoek niet wordt ingewilligd.

Betekenis van het gebed

Voordat we zien waarom Mozes’ gebed om toch het beloofde land te mogen binnengaan, niet werd gehonoreerd, willen we eerst ons afvragen wat het eigenlijke doel van het gebed in het algemeen is. Iemand heeft eens gezegd: ‘Gebed is niet dat mijn wil in de hemel wordt gedaan, maar Gods wil op aarde’. Ik denk dat daarmee voldoende is aangegeven wat het doel van gebed is, ook in het geval van Mozes. Hij wist toch al wat Gods wil was, namelijk dat hij het land niet in mocht en toch probeert hij die wil van God te veranderen. Waar het over gaat, lezen we in het boek Numeri: ‘Toen sprak de Here tot Mozes: Neem de staf en laat de vergadering samenkomen, gij en uw broeder Aäron; spreek dan in hun tegenwoordigheid tot de rots, dan zal zij haar water geven; gij zult voor hen water uit de rots te voorschijn doen komen en de vergadering en hun vee drenken. Toen nam Mozes de staf van vóór het aangezicht des Heren, zoals Hij hem geboden had. Toen Mozes en Aäron de gemeente vóór de rots hadden doen samenkomen, zeide hij tot hen: Hoort toch, wederspannigen, zullen wij uit deze rots voor u water te voorschijn doen komen? Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg de rots met zijn staf tweemaal, en er kwam veel water uit, zodat de vergadering kon drinken en ook het vee. Maar de Here zeide tot Mozes en Aäron: Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land, dat Ik hun geef’ (Num.20:7-12). Ten eerste zondigden Mozes en Aäron tegen God door de rots te slaan in plaats van ertegen te spreken, zoals was geboden, en ten twee gaven ze de indruk dat het door hun toedoen was dat er water uit de rots kwam.

We moeten ons afvragen of het niet mogelijk was dat God op zijn eerder genomen besluit terugkwam. Voorbeelden daarvan vinden we voldoende, maar als we ons beperken tot Mozes, dan lezen we in het boek Exodus bij de zonde van het gouden kalf, waar God op het punt staat het volk te vernietigen, dat Mozes tussenbeide kwam en op grond van zijn voorspraak werd het volk gespaard (Ex.32:1-14). Een tweede voorbeeld vinden we in het boek Numeri, waar het volk zondigde door geloof te hechten aan het woord van de tien verspieders, waarna God zijn oordeel aankondigt. Ook hier komt Mozes tussenbeide en schenkt God het volk vergeving (Num.14:1-19). Maar op de vraag van Mozes om alsnog het beloofde land in te mogen, ligt de zaak toch anders en wel om twee redenen. Ten eerste zou het niet fair zijn geweest ten opzichte van het volk, want die hadden tenslotte het oordeel van God wel ontvangen, in die zin dat een hele generatie was gestorven in de woestijn. Ten tweede zou het een voorkeursbehandeling zijn geweest ten opzichte van Aäron, die ook het land niet binnen mocht. Kortom, toestaan dat Mozes wel het land in had gemogen, zou te kort hebben gedaan aan Gods gerechtigheid. Dus Gods besluit stond vast en Mozes moest het doen met de woorden ‘Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak’ (Deut.3:26).

Om terug te komen op ons uitgangspunt, kunnen we stellen dat ‘gebed de vraag naar God is om zijn wil in onze levens te vervullen en wij in gehoorzaamheid die wil aanvaarden opdat God daardoor verheerlijkt mag worden’.

De ernst van de zonde

Ik heb mij er altijd over verbaasd hoe ernstig God over de zonde denkt. Als voorbeeld neem ik daarvoor de sabbatschender in Numeri 15:32-36. ‘Terwijl de Israëlieten in de woestijn waren, betrapten zij iemand, die op de sabbatdag aan het houtsprokkelen was, en zij, die hem betrapt hadden, terwijl hij aan het houtsprokkelen was, brachten hem tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering; dezen stelden hem in bewaring omdat nog niet bepaald was wat met hem gedaan moest worden. Toen zeide de Here tot Mozes: Die man zal zeker ter dood gebracht worden; de gehele vergadering zal hem buiten de legerplaats stenigen. Toen leidde de gehele vergadering hem buiten de legerplaats, en zij stenigden hem, zodat hij stierf – zoals de Here Mozes geboden had’.

In onze ogen is deze daad wellicht een kleinigheid, maar niet in Gods ogen. We mogen ervan uitgaan dat deze sabbatschender Gods gebod kende, en dan gaat het om een zonde met voorbedachten rade waarop de doodstraf stond (Num.15:30).

Toen de Israëlieten morden tegen Mozes wegens gebrek aan water, gaf God Mozes de opdracht tegen de rots te spreken opdat er water zou komen (Num.20:8). Dit was niet de eerste keer dat er water uit de rots kwam (Ex.17:5-7). Bij de eerste gelegenheid moest Mozes de rots slaan, bij de tweede gelegenheid spreken, maar Mozes sloeg de rots evenals de eerste keer.

Waarom was dit zo ernstig? Ten eerste, omdat uit deze daad Mozes’ ongehoorzaamheid ten opzichte van Gods gebod bleek, en ten tweede was het de zonde van ongeloof. ‘Maar de Here zeide tot Mozes en Aäron: Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land, dat Ik hun geef’ (Num.20:12). Maar ook op een andere manier was Mozes’ daad verkeerd. De rots is een beeld van de Heer Jezus van wie het water van het leven voortkwam. Het was een illustratie van hoe de Heer Jezus op het kruis geslagen is en dat eens en voor altijd en niet meerdere keren (Heb.). Daarom was het niet nodig de rots nog eens te slaan. De rots slaan spreekt van Christus’ dood op het kruis; spreken tegen de rots spreekt van Christus’ hemelse dienst. We komen tot Hem, en Hij geeft ons wat we nodig hebben. Toen Mozes de rots de tweede keer sloeg, verhinderde hij eigenlijk de illustratie van Christus die God bezig was te ontwerpen.

Mozes’ zonde was er een van opstandigheid, ongeloof en hoogmoed. Numeri zegt: ‘En de Here zeide tot Mozes: Beklim dit gebergte Abarim, en aanschouw het land, dat Ik de Israëlieten gegeven heb. Als gij het aanschouwd hebt, dan zult ook gij tot uw voorgeslacht vergaderd worden, zoals uw broeder Aäron; omdat gij in de woestijn Sin, toen de vergadering opstandig was, mijn bevel om Mij voor hun ogen bij het water te heiligen, weerstreefd hebt.’ (Num.27:12-14). Natuurlijk speelde het volk in deze zonde van Mozes ook een grote rol. In Deuteronomium komt Mozes daarop terug wanneer hij zegt: ‘Ook op mij werd de Here vertoornd om uwentwil, zodat Hij zeide: ook gij zult daar niet komen’ (Deut.1:37). Zie ook Psalm 106 in dit verband: ‘Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba; het verging Mozes kwalijk om hunnentwil, want zij waren tegen zijn Geest weerspannig, en hij sprak onbezonnen met zijn lippen’ (Ps.106:32-33).

De genade van God

Deze gebeurtenis in Mozes’ leven leert ons niet alleen de belangrijkheid van het gebed en de ernst van de zonde, maar ook de genade van God in het beantwoorden of niet beantwoorden van ons gebed. Hoewel God in zijn genade Mozes’ zonde vergaf, liet God Mozes in zijn bestuur toch rapen wat hij gezaaid had (Gal.6:7).

Maar er was nog een andere reden waarom God Mozes’ gebed om het beloofde land binnen te gaan niet verhoorde. Hij beantwoordde het gebed voor ons en dat heeft te maken met de diepere betekenis van alles wat van tevoren voor onze lering is opgeschreven (Rom.15:4; 1Kor.10:11).

Deze gebeurtenis in Mozes’ leven gebruikte God als een objectles voor toekomstige generaties. Mozes mocht het volk het land niet binnenleiden omdat hij de Wet representeerde. God wil ons leren dat we niet door het houden van de Wet onze geestelijke erfenis kunnen verkrijgen. In plaats daarvan, wees God Jozua aan om het volk in het beloofde land te leiden om hen in de mogelijkheid te stellen hun erfenis in bezit te nemen. Jozua is een beeld van de Heer Jezus. Zijn naam betekent ‘God is heil’. Jozua, in het Oude Testament, is het tegenbeeld van de Heer Jezus, het levende Woord in het Nieuwe Testament. God gebuikte Jozua in plaats van Mozes om ons duidelijk te maken dat we onze erfenis niet verkrijgen door het houden van de Wet maar door de overwinning van de Heer Jezus.

Hoe dicht ben jij bij het land (je erfenis in Christus)? Kanaän is niet het beeld van de hemel; het is het beeld van onze erfenis in Christus. Sommige mensen weten niet van het land. Zij zijn verloren. Anderen weten ervan, maar willen terug, zoals sommigen van het volk dat Mozes uit Egypte had geleid. Deze christenen hebben iets geproefd van de betekenis van het offer van Christus op het kruis, maar willen terug de wereld in. Ze zijn gelijk aan de tien verspieders die stierven. Ze gingen het land binnen, proefden van het fruit, zagen de zegeningen maar vanwege hun ongeloof bleef het daar bij en gingen ze niet verder. Nog andere mensen leven aan de grens van het land, zoals de tweeënhalve stammen die zich vestigden aan de andere kant van de Jordaan. Ze zijn dicht bij het land (leven in Christus), maar bezitten het niet.

Zoals Mozes, zijn er ook nu velen die het land niet binnentrekken om de zegeningen van beantwoorde gebeden te ervaren, omdat ze de betekenis van het gebed zijn vergeten of de verhinderingen die verhoring van gebeden in de weg kunnen staan. In plaats van te redetwisten met God of Hem proberen te overtuigen om toch aan hun verlangens tegemoet te komen, moeten ze aan zijn bedoeling beantwoorden en zeggen ‘Uw wil geschiede!’ Daarom dienen we ons hart te onderzoeken opdat we niet schuldig zijn aan de zonde van ongeloof, trots, opstandigheid of andere zonden die tussen ons en God kunnen staan waardoor onze gebeden niet verhoord kunnen worden. Voordat we ons voor de troon van genade stellen om met God gemeenschap te hebben, dienen we ons hart te reinigen van elke zonde.

Gods genade is groot, want zelfs wanneer Mozes tijdens zijn leven het Beloofde Land niet mocht binnengaan, ontving hij toch het voorrecht om het land binnen te trekken om met Christus te zijn op de berg der Verheerlijking (Mat.17:1-3). Ook al moeten we soms rapen wat we gezaaid hebben, we kunnen bemoedigd zijn door de wetenschap dat we vergeving verkrijgen wanneer we onze zonde voor Hem erkennen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXX