Historische Boeken

 

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

 

Jozua 1 - Een nieuw begin

Richteren 1 - Lessen uit het boek Richteren

Ruth 1 - Teleurgesteld in God

2 Koningen 5:1-14 - Het meisje zonder naam

2 Koningen 5:1-15 - Naäman de Syriër

2 Koningen 10:1-20 - Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen

2 Kronieken 20 - Koning Josafat

2 Kronieken 27 - Koning Jotam

Ezra 7-8 - De hand van God

Ezra, de priester-schriftgeleerde

Nehemia - Lessen voor leiders

Ester - Hoofdpersonen in het boek Ester

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Jozua - Een nieuw begin

 

 

 

 

‘Als terugkijken pijn doet … en vooruitkijken je bang maakt … kijk dan naast je: Ik ga met je mee, Ik ben altijd bij je, alle dagen’.

 

 

Inleiding

Veertig jaar lang had Jozua met Mozes opgetrokken, vanuit Egypte door de Sinaï naar Kanaän. Nú, ná het sterven van Mozes en vóór hij het beloofde land binnen gaat trekken, staat hij er alleen voor! Hoe zou Jozua zich gevoeld hebben? Als hij achterom keek, dan zouden de herinneringen aan de gebeurtenissen en aan allen die in de woestijn gevallen waren, pijn kunnen doen. Keek hij vooruit, dan zou hem dat angstig kunnen maken, wat zou de toekomst immers brengen? Wat Jozua, en ook wij, moeten leren is om niet achterom of vooruit te kijken, maar naast ons te kijken. Want Hij is met ons!

Hoe ga je om met het verleden? (Als terugkijken pijn doet … )

We kunnen het verleden niet veranderen, maar het verleden kan ons wel veranderen! Het kan ons bitter maken, of het kan ons beter maken. Hoe gaan wij met ons verleden om? Veertig jaar is een lange tijd waarin veel kan gebeuren. Wat had Jozua niet allemaal meegemaakt? Hij heeft velen van zijn volk zien vallen in de woestijn (vgl. Num. 14:22, Deut. 1:35, Ps. 95: 10-11). Hij heeft veel moeilijke situaties meegemaakt, denk maar aan de gebeurtenissen rond het gouden kalf (Ex. 32), en vele andere. Toch heeft hij al die jaren ook de ‘goede hand’ van God ervaren (vgl. Ezra 8:22)! Achteraf bezien was die tijd een voorbereiding geweest op de taak die hem nu wachtte. Beschouwen wij ons verleden ook als een leerschool? Wat Jozua van Mozes had geleerd, kon hij nu toepassen als leider van het volk. Jozua was veranderd in die veertig jaren, en nog maar enkele dagen geleden had hij afscheid moeten nemen van Mozes. Mozes, die zijn einde voelde naderen, had de Heer gevraagd om een man aanstellen 'die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan, opdat de gemeenschap van de HEERE niet zal zijn als schapen die geen herder hebben’ (Num. 27:16-17). De Heer heeft daarop Jozua aangewezen, ‘een man in wie de Geest is’ (vs. 18). Bij die gelegenheid legde Mozes hem de handen op (vs. 23), zodat Jozua vol zou zijn van de geest der wijsheid, om het bevel over te nemen. Nu stond Jozua er alleen voor, maar hij had de belofte van God: ‘Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn’ (Joz. 1:5) en dat was voldoende voor hem.

Wat verwacht je van de toekomst? ( … en vooruitkijken je bang maakt … )

In het evangelie naar Lukas lezen we over een periode waarvan gezegd wordt dat ‘de mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen’ (Luk. 21:26). Onbekendheid over de toekomst die vóór ons ligt maakt, ook vandaag de dag, veel mensen bang en onzeker. Jozua ging een onbekende, maar geen onzekere, toekomst tegemoet, we weten dat hij voordien al in het beloofde land was geweest. Jozua was een van de twaalf verspieders geweest (Num. 13-14) en hij had de beloften van God waarop hij kon vertrouwen. Het spreekwoord: ‘Van het concert des levens heeft niemand een programma’ gaat voor een gelovige niet op. God heeft het programma van uw leven en van mijn leven! Maar dat plan ging voor Jozua echter niet zonder strijd in vervulling, zoals de rest van het boek Jozua ons leert! Het beloofde land moest immers in bezit worden genomen, de vijand ten spijt.

‘Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven’ (Joz. 1:3). Kanaän is geen beeld van de hemel, maar van de hemelse gewesten. In de hemel is er immers geen strijd meer, daar heerst eeuwige rust en vrede. Ook wij moeten er ons bewust van zijn dat we nog leven in een periode waarin strijd tot de dagelijkse realiteit behoort. Maar ook dat we een vooruitblik hebben op een eeuwige heerlijkheid bij de Heer! “Die hoop, moet al ons leed verzachten!” (Geestelijke liederen nr. 14:3). Jozua stelde zijn vertrouwen op de beloften van God, en hij werd daarin niet teleurgesteld. Aan het einde van het boek Jozua lezen we: ‘Van al de goede woorden die de HEERE tot het huis van Israël gesproken had, is er niet één woord onvervuld gebleven - letterlijk: is er niet één woord onvervuld gebleven - Letterlijk: is er niet één woord gevallen. alles is uitgekomen’ (Joz. 21:45; 23:14). Ook het gebed (tevens een belofte) van de Heer Jezus: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien’ (Joh. 17:24a), zal eenmaal voor u en voor mij in vervulling gaan. Vast en zeker!

Hoe is je relatie met God? ( … kijk dan naast je: Ik ga met je mee, Ik ben altijd bij je, alle dagen)

Wanneer God aan Jozua zijn belofte geeft dat Hij met hem zou gaan, verwijst Hij daarbij naar zijn trouw aan Mozes: ‘Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten’ (Joz. 1:5). Ik denk dat die verwijzing voor Jozua voldoende zal zijn geweest om vol vertrouwen de toekomst tegemoet te zien. In een gebed schrijft Mozes, de man Gods: ‘Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest van generatie op generatie’ (Ps. 90:1). Wat een geweldig getuigenis geeft Mozes daar van de trouw van God!

De relatie die Mozes met God kende komt m.i. het mooist tot uiting in Exodus 33:11: : ‘En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met een vriend’. Mozes was aan de Here verknocht, wat blijkt uit het verdere gebeuren in hetzelfde hoofdstuk. De Heer vraagt aan Mozes of Hijzelf moet meegaan op de reis door de woestijn (vs. 14). Daarop reageert Mozes met de woorden: ‘Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verder trekken. Want hoe moet het anders bekend worden dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daardoor dat U met ons meegaat’ (vs. 15-16)? Een relatie om jaloers op te zijn, toch? Dit prachtig voorbeeld van Mozes is misschien voor u en voor mij een aanleiding om onszelf wat dat betreft eens onder de loep te nemen (2 Kor. 13:5). In Hebreeën 11:27 lezen we over Mozes: ‘hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare’, of zoals David het uitdrukt in Psalm 16:8: ‘Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet’. Laten we die voorbeelden volgen en standvastig onze weg gaan ‘terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof’ (Hebr. 12:2a). Die zegt: ‘Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten’ (Jozua 1:5). Hij is naast je, en bij je, alle dagen. Ervaart u dat?

Wil je voorspoedig zijn? Wil je je doel bereiken?

Het is opmerkelijk hoe sterk in dit gedeelte de nadruk wordt gelegd op het gebruik van Gods Woord (Joz. 1:7-8). Daaruit blijkt overduidelijk hoe belangrijk God het vindt dat wij zijn Woord lezen. In Deut. 17:18-20 vinden we dit prachtig geïllustreerd. De koning krijgt als voorschrift: ‘Verder moet het zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit de rol die onder het toezicht van de Levitische priesters is. Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen en om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door ze te houden, opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij zijn dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël’.

Het voert te ver om in dit artikel uitgebreid te wijzen op het belang van het gebruik van Gods Woord voor een gelovige, maar hoe anders zou het leven van David (een koning!) er hebben uitgezien als hij het Woord altijd een plaats in zijn leven had gegeven? Of, om het met de woorden van de psalmist te zeggen: ‘Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver? Als hij dat bewaart overeenkomstig Uw woord. Ik zoek U met heel mijn hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen, opdat ik tegen U niet zondig’ (Ps. 119:9-11). Woont het Woord van God rijkelijk in u, en laat u zich door Gods Woord waarschuwen, dan zal een nieuw begin ook een goed einde kennen (Kol. 3:16, Ps. 19:12)!

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Lessen uit het boek Richteren

 

 

Inleiding

Voordat Mozes stierf had hij een opvolger aangewezen Jozua (Deut.31:1-8; 34:9). Zoals Jozua, na de dood van Mozes de geschiedenis van het volk Israël verder zet (Joz.1:11), vervolgen de richters na de dood van Jozua, Israëls geschiedenis (1:1). Jozua wees geen opvolger aan, we lezen: ‘Het geschiedde na de dood van Jozua, dat de Israëlieten de Here vroegen…’ (Richt.1:1). De principes, normen en de wijze van handelen van God in het Oude Testament verschilt niet met die van het Nieuwe Testament, met andere woorden: God is Dezelfde (Mal.3:6; Heb.13:8; Jak.1:16). Het boek Richteren is een verslag van nederlaag en ontrouw, zoals we dat kunnen lezen in het sleutelvers, Richteren 17:6: ‘In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen’. De Here was geen Koning meer in Israël, de stammen waren verdeeld, het volk had zich vermengd met de heidense volken, redenen waarom God het volk tuchtigde om hen weer tot Zichzelf te brengen. Het hele boek Richteren kunnen we met de volgende kernwoorden samenvatten: zegen- ongehoorzaamheid – tuchtiging – berouw – bevrijding (Richt.2:10-19). Richteren is een boek van onvoltooide overwinningen; het is een boek van het falen van Gods volk om op zijn Woord te vertrouwen en te gaan in de kracht van zijn Geest. Wanneer we het boek Richteren lezen kunnen we allerlei conclusies trekken uit voorvallen en personen en die toepassen op onze eigen leven en bediening vandaag.

Geestelijke lessen

Om even terug te keren naar het voorgaande boek Jozua, daar kwamen we daar drie belangrijke zaken tegen: (1) het overstrekken van de Jordaan, (2) de overwinning van de vijand en (3) het in het bezit nemen van de erfenis. Jozua vermeld hoe Israël de rivier overstak en begon met de vijanden te bestrijden, maar het boek eindigde met de opmerking: ‘Er is nog zeer veel land overgebleven om in bezit te nemen’ (Joz.13:1; 23:1-11). Het werk was niet afgemaakt. ‘Het overtrekken van de rivier’ wil zeggen, het doden van je eigen ik en een leven leiden gescheiden van de zonde en toegewijd aan God; het betekent ook dat je je geestelijke erfenis door geloof in bezit neemt (Ef.1:3). Kanaän, het beloofde land, is een type van onze erfenis in de hemelse gewesten in Christus. Kanaän is geen beeld van de hemel, want de gelovige hoeft geen strijd te voeren om zijn hemels huis binnen te gaan. Kanaän is een type van Gods erfenis in Christus, geschonken aan de gelovige om het in bezit te nemen door geloof. Het overwinningsleven van een gelovige is een leven van strijd en zegen, maar toch is het ook een leven van vrede. In Hebreeën 4-5 zien we dat het binnengaan van het volk in Kanaän een type is van een gelovige die een leven binnentreedt van rust en overwinning door geloof in Christus. Te veel gelovigen bevinden zich in hun geestelijk leven tussen Egypte en Kanaän. Ze zijn bevrijd van de macht van de zonde, maar ze zijn niet door geloof ingegaan in de erfenis van vrede en overwinning. Maar nadat je deze stap van geloof gezet hebt, is het gemakkelijk te verzwakken, of je te vermengen met de vijand. Israël trok het land binnen, maar ze faalde om de gehele erfenis in bezit te nemen. Ten eerste tolereerde ze de vijand, vervolgens nam ze belastingen aan van de vijand, daarna vermengde ze zich met de vijand, en tenslotte gaf ze zich over aan de vijand (Richt.1). Het was alleen door Gods ‘bevrijders’ (de richters) dat de Israëlieten overwonnen. Hoe gemakkelijk is het ook voor gelovigen ‘om met zonde om te gaan’ en de totale toewijding en overwinning verliezen. In dit boek worden twaalf verschillende richters genoemd, door God geroepen om een speciale vijand in een speciaal gebied te verslaan opdat het volk rust zou krijgen. De richters waren geen nationale leiders; ze waren eerder lokale leiders die het volk van verschillende onderdrukkers bevrijden. Het is mogelijke dat sommige onderdrukkers of periodes elkaar overlappen. Van de twaalf richters, was Debora de enige vrouw. In die dagen was er geen koning in het land (Ri.17:6; 21:25). Onder richters verstaan we personen die door God verwekt werden als verlossers van de onderdrukkers en heersers over het volk. De meest bekende zijn Gideon, Barak en Simson. Sommige waren geestelijke zwak zoals Gideon andere fysiek sterk zoals Simson, maar God kan elk mens gebruiken voor zijn dienst.

Niet alle stammen namen deel aan elke strijd; er was vaak ook nog rivaliteit tussen de stammen. Dat God deze ‘gewone mensen’ als richters riep en dat op een machtige manier, is nog maar eens een bewijs van zijn genade en macht. De Geest van God kwam op deze leiders voor een speciale opdracht (6:34; 11:29; 13:25), hoewel hun eigen leven niet altijd voorbeeldig was. De paar honderd jaar dat de richters optraden was een voorbereiding van de latere vraag van Israël om een koning (1Sam.8). Wanneer God iemand roept in zijn dienst geeft Hij hem daarvoor ook de kracht; dat was toen zo en is nu nog zo! Let maar eens op Gods ‘gereedschapskist’ zoals die beschreven wordt in de eerste brief aan de Korinthiërs: ‘Want kijk naar uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken; maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is te niet te doen, opdat geen vlees roemt voor God’ (1Kor.1:26-29). Dus wat let u, wie u ook bent, stel u beschikbaar en als Hij u roept zal Hij u ook alles schenken wat nodig is!

De vijanden blijven

‘Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde’ (Spr.8:15-16). De Heer regeert, Hij zet koningen aan en zet koningen af (Ps.47:9; 97:1; 99:1; Dan.2:21). Hij kan vorsten gebruiken om zijn volk te tuchtigen als die Hem verlaten zoals in het boek Richteren het geval was. In het beloofde land bevonden zich veel volken en onbeduidende koningen, die over kleine gebieden heersten. Zo wordt gesproken van de Kanaänieten, Ammonieten, Amelekieten enz. Telkens wanneer het volk ontrouw is, wordt het volk getuchtigd door een van deze volken, waarna het volk zich bekeert en God een richter stuurt die hen verlost (Richt.212,14,15,18). God stond de heidense volken toe in het land te verblijven om verschillende redenen: (1) om Israël te tuchtigen (2:3, 20-21); (2) Israël op de proef te stellen (2:22; 3:4); (3) Israël te oefenen en voor te bereiden op strijd (3:2) en tenslotte (4) te voorkomen dat het land verwaarloosd zou worden (Deut.7:20-24).  Jozua had het gehele volk over de grote vijanden laten strijden; de weg was nu voorbereid voor elke stam om in geloof verder te gaan, de ‘kleine’ vijanden te bestrijden en de erfenis, die door loting aangewezen was, in bezit te nemen. Het boek Jozua is het boek waar we een onverdeeld volk zien. Het boek Richteren laat ons een verdeeld volk zien dat niet aan God toegewijd is. Ze waren het verbond van dat ze bij de Sinaï waren aangegaan, vergeten. Het volk kon van een totale overwinning genoten hebben; in plaats daarvan stelden ze zich tevreden met een compromis. De hoofdstukken 3-16 tonen ons de ‘op-en-neer’ ervaringen van Gods volk. Helaas wijdde het volk zich niet toe aan God om Hem te gehoorzamen; ze zagen op de menselijke helpers die God zond. Veel gelovigen hebben hun ‘op-en-neer’ ervaringen’ en zoeken hun hulp bij hun voorganger of andere vrienden, in plaats van God ingang te geven in hun hart zodat Hij hun problemen zou kunnen oplossen.

Waarin het volk faalde

1. Het volk faalde om het land in bezit te nemen (1:1-36)

De verzen 1-18 vermelde de eerste overwinningen van Juda en Simeon, terwijl de rest van het hoofdstuk de verschillende nederlagen vermelden. Deze twee stammen waren in staat geweest om Bezek (vs.4), Jeruzalem (vs.8), Hebron (vs.10), Sefat (vs.17), Gaza, Askelon en Ekron (vs.18) in bezit te nemen. Het volk van Jozef nam Betel in (vs.22) maar de rest van de stammen waren niet in staat om de vijanden te verdrijven. Wat met een reeks overwinningen begon, geleid door de Heer, eindigde in een reeks van compromissen. Juda kon de inwoners van de valleien niet verdrijven (vs.19; zie 4:13vv.) Benjamin kon de Jebusieten niet overwinnen (vs.21) en de andere stammen stelden zich tevreden met de aanwezigheid van de heidense volken (vs.27-36). Natuurlijk zouden deze tekortkomingen op een rationele manier te verklaren zijn geweest, bijvoorbeeld door te zeggen dat we de heidense volken tot slaven hadden gemaakt; maar dat gaf later alleen maar meer problemen! In Jozua 23-24 had Jozua het volk gewaarschuwd om zich niet met de heidense volken te verbinden, maar dat gebeurde helaas wel.

2. Ze faalden om de Wet te houden

Dit was natuurlijk de diepste oorzaak van hun falen en nederlagen. God had Jozua blijvende overwinningen beloofd als het volk Gods Woord zou eren en gehoorzamen (Joz.1:7-8), en Jozua had deze belofte herhaald aan de leiders van het volk (Joz.23:5-11). Gilgal was het toneel geweest van een grote overwinning voor Israël, maar nu ging de Here van Gilgal naar Bochim, ‘de plaats van tranen’, wat Israëls teruggang benadrukte; van overwinning naar nederlaag. (Zie voor het belang van Gilgal, Joz.5:1-9; 9:6;10:6. Gilgal was het centrum van de militaire operaties, het kamp van Jozua. Nu was het verlaten.) God herinnerde het volk eraan dat zij ongehoorzaam waren geweest om de Wet te houden door verdragen te maken met de heidense volken en zich te verbinden met hun goden. Lees eens aandachtig Deuteronomium 7 betreffende Gods instructies wat betreft de verhouding tot de inwoners van Kanaän. Het volk had de Wet gehouden tijdens de jaren van Jozua en de leiders die hem opvolgden, maar toen die stierven, liet het volk het afweten. ‘Nadat ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk, dat Hij voor Israël gedaan had’ (Ri.2:10). Ze hadden zelf hun eigen kinderen niet bij de Heer gebracht! Ze hadden gefaald hun kinderen te onderwijzen in geschiedenis en de Wet, zoals de Here hen had gezegd te doen in Deuteronomium 6:1-15! Hoe vaak gebeuren gelijkaardige zaken niet in onze gemeenten en gezinnen. Hoe gemakkelijk is het voor de ‘jongere generatie’ om de Heer te verlaten als de ‘oudere generatie’ faalt in hun verantwoordelijkheid en in het overbrengen van God Woord.

3. Ze faalden om bij de Heer te blijven

Ze verlieten de Heer en gingen achter andere goden aan. De religie van de Filistijnen was gruwelijk, met praktijken die we hier beter niet verder uitwerken. De verering van Baäl en Astarte - mannelijke en vrouwelijke goden - (vs.13), waren een blijvend probleem in de geschiedenis van het volk Israël. Eenmaal dat het bij hun binnenkwam, was het moeilijk, zo niet onmogelijk deze er weer uit te krijgen. Toen het volk de Here verliet, verliet de Here hen. Telkens liet Hij hen in de handen van de vijanden vallen. In plaats van te genieten van de rust die God hen voor ogen had gesteld, was het volk voortdurend in slavernij van de heidense volken, voor honderden jaren, zo nu en dan onderbroken door een periode van rust, door de Here bewerkt. Telkens wanneer de verdrukking zeer ernstig was riep het volk uiteindelijk tot de Here. God zond wel een richter, maar we moeten wel beseffen dat God met de richter persoonlijk was en niet met het volk als geheel. Jammer genoeg keerde het volk zich alleen tot de Here wanneer het in grote problemen was; eenmaal wanneer het oordeel voorbij was, verviel het volk weer in de zonde. Deze wijze van handelen zien we helaas ook bij veel gelovigen. In tijden van beproeving maken ze compromissen met de vijand in plaats van deze in de kracht van de Geest te bestrijden en te overwinnen, maar laten ze zich mee trekken in een nederlaag. Het ‘ik vermag alle dingen door Hem’ is dan ver zoek! Zijn ook wij soms ongehoorzaam aan Gods Woord, en falen we om God lief te hebben en aan Hem vast te houden in de kracht van het geloof? Wanneer dat gebeurt, moet God ons tuchtigen, en de enige oplossing voor ons is dan berouw te hebben en terug te keren tot de Here. Laten de ‘lessen uit het boek Richteren’ voor ons tot voorbeelden zijn, opdat wij geen begeerte in het kwade zouden hebben! (1Kor.10:6).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Teleurgesteld in God’

Ruth 1

 

 

Inleiding

‘We kunnen de omstandigheden van het leven niet beheersen, maar we hebben wel controle over onze reactie’

Teleurstellingen maken deel uit van het leven. De meeste mensen zijn wel ergens in teleurgesteld en daar ontkomen gelovigen ook niet aan. De oorzaken waardoor we teleurgesteld kunnen worden zijn verschillend. Het kan zijn dat we teleurgesteld zijn in de omstandigheden, mensen, kerk, gelovigen of zelfs in God. In denk dat Noömi in veel dingen teleurgesteld was maar bovenal in God want concludeerde zij: ’De hand des HEREN is tegen mij uitgestrekt’ (Ruth 1:13, 20, 21). Maar ik denk dat haar conclusie niet terecht was. Noömi en haar man Elimelek hadden namelijk tijdens een hongersnood de beslissing genomen om naar Moab te gaan, een land en volk dat zich vijandig gedroeg tegenover Gods volk. We lezen niet dat zij daarover de Here raadpleegden en ook lezen we niet dat de Here hen daavoor opdracht had gegeven. Ze deden wat goed was in hun eigen ogen en gingen een eigen weg (Ri.21:25). De tekst: ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ werd helaas werkelijkheid voor Elimelek en hun beide zonen (Spr.16:25). Het is niet zo dat gelovigen geen keuzes mogen maken maar het kan gebeuren dat ze een verkeerde keuze maken omdat ze God niet in hun plannen betrekken (Joz.9:14). Noömi en Elimelek vonden in Moab wel voedsel voor het lichaam, maar ze ontmoeten daar ook de ene tegenslag na de andere. Elimelek en Noömi zouden zich hebben moeten afvragen hoe ze in die moeilijke situatie terecht waren gekomen, maar ik geloof dat Noömi daar geen pogingen toe heeft ondernomen want zelfs na haar terugkeer naar Betlehem geeft ze van alles God de schuld (Ruth 1:13, 20, 21). Geen wonder dat ze als een verbitterde vrouw terugkwam en dat ze in God teleurgesteld was! We kunnen uit de haar overkomen gebeurtenissen een aantal lessen ter harte nemen.

1. Ongeloof: weg lopen voor onze problemen (Ruth 1:1-2)

‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.’ (Spr14:12)

Het was in de tijd van de Richteren waarin ElimleK en Noömi leefden, een tijd waar iedereen deed wat goed was in eigen ogen (Ri.21:25). Het was ook een tijd waarin leiders ontbraken (5:7), dus waar moesten ze heen om raad te vragen voor wat ze moesten doen nu er hongersnood was? In het leven van een gelovige komen beproevingen voor en het is beter ze te ondergaan zodat we in ons geloof kunnen groeien, dan ze proberen te ontlopen! Maar dat is een les die Noömi en Elimelek door ervaring moesten leren! De hongersnood die in het land was ontstaan was een serieuze beproeving; wat moesten ze doen? Abraham was vroeger in soortgelijke omstandigheden geraakt en trok naar Egypte met het gevolg dat de consequenties daarvan vandaag de dag nog merkbaar zijn. We denken maar aan de strijd tussen Israël en de nakomelingen van Ismaël! Beproevingen mogen we opvatten als tuchtigingen van God, we kunnen ze afwijzen door ze negeren, gering achten door ze niet serieus te nemen en we kunnen er ook onder bezwijken. Maar de Bijbel roept ons op ze te verdragen tot tuchtiging, tot ons nut, opdat we deel zouden krijgen aan Gods heiligheid (Heb.12:5-6, 10). Iemand heeft het zo omschreven: We kunnen tuchtiging verdragen, maar als het alleen maar dat is, kan het ons bitter maken. We kunnen proberen tuchtiging te ontlopen maar dan missen we het doel dat God in ons leven wil bereiken. We kunnen tuchtiging ter harte nemen en zullen dan groeien in ons geloof en mogen die tuchtiging dan aanvaarden als ‘die dingen’ die meewerken ten goede voor hen die geloven (Rom.8:28). Verkeerde keuzes maken kan als reden hebben dat we God niet in onze nood hebben betrokken en geraadpleegd. Ik denk aan het handelen van Jozua met in verband met de list van de Gibeonieten, waarin hij een verkeerde beslissing nam, althans zo bleek later. En hoe kwam het? ‘Zij raadpleegden de Here niet’ (Joz.9:14). Een ander voorbeeld waarbij het verkeerd ging omdat men God niet geraadpleegd had, was de dood van Uzza, die wellicht met goede bedoelingen verkeerd handelde door de ark te willen beschermen en gedood werd. En waarom? ‘Omdat zij de Here niet hadden geraadpleegd zoals het behoorde! (1Kron.13; 15:13). Het was voor Elimelek en Noömi – en in voorkomend geval ook voor ons - beter geweest hun zaak aan de Here voor te leggen, ‘want Hij doet grote en ondoorgrondelijke dingen’ (Job 5:8-9, 5:17-20).  Elimelech’s naam betekend ‘mijn God is Koning’, maar waar bleek dat uit? Hij en zijn vrouw gingen hun eigen weg en vielen daardoor onder de tuchtigende hand van God.

2. Tegenslag: smart op smart (Ruth 1:3-7)

Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’

‘In de reeks: ‘De schrift betwist’ heeft de auteur Maarten ’t Hart in 1997 een boek geschreven met de titel: ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’. Dat was volgens sommige recensenten een reactie op de angst die hem als kind in Maassluis was bijgebracht waar hij te horen had gekregen: ‘Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’. Volgens ’t Hart zaten achter die woorden een harde, wrekende God en getuige zijn triomfantelijke ontkenning heeft Maarten 't Hart er nog steeds last van. Maar heeft Maarten ’t Hart deze woorden wel goed begrepen vraag ik mij af en ik geloof van niet. Het is geen Bijbelvers maar toch ligt er veel waarheid in het gezegd: ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’. ‘Smart op smart’ zouden we kunnen vertalen als een middel tot tuchtiging die een gelovige moet ondergaan wanneer hij een verkeerde weg heeft ingeslagen. Het kan een aanwijzing zijn dat God met ons bezig is en dat ‘Hij niet laat varen het werk van zijn handen’! Tegenslagen in het leven kunnen we ook omschrijven als levensstormen. Er zijn drie soorten ‘stormen’ te onderscheiden waarin wij terecht kunnen komen. Ten eerste een ‘storm’ waarin de Heer ons brengt (Mark.6:45). Ten tweede een ‘storm’ waarin we door eigen toedoen geraken (Jona 1). Tenslotte een ‘storm’ waarin wij door de schuld van anderen in kunnen komen (Paulus – Hand.27:11, 21). Te weten in wat voor een soort storm men zit is belangrijk voor de uitkomst. Hoe reageren wij op een ‘storm’ in ons leven? Hizkia zei ná zijn storm: ‘Zie, mijn bittere beproeving werd tot heil!’ (Jes.38:17). En het waren serieuze ‘stormen’ want Elimelek stierf en daarna de beide zonen Machlon en Kiljon. Was God dan toch een wrekende God? Dat niet, maar wanneer we verkeerde keuzes maken in ons leven dan moeten we ook bereid zijn de consequenties te dragen. Elimelek was uit Bethlehem vertrokken naar het land van de vijand van het volk Israël, Moab. De Moabieten waren nakomelingen van Lot en mochten niet in de gemeente van Israël komen (Gen.13:37; Deut.23:3; Ezra9:1-2). Om het over te brengen naar onze tijd zou je kunnen zeggen: ‘Men heeft zich niet onbesmet van de wereld gehouden en zijn daarin omgekomen’. Noömi, haar naam betekent ‘lieflijke’, zei bij haar terugkeer in Bethlehem tegen de daar aanwezige vrouwen die haar nog kenden en die zeiden toen ze haar zagen: ‘Is dit Noömi?’. Waarop Noömi antwoordde: ‘Noemt mij niet Noömi; noemt mij Mara, want de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’ (1:19, 20). Mara betekend ‘bitter’. Ze was getekend door de gebeurtenissen die in haar leven hadden plaatsgevonden. Bitterheid kan het gevolg zijn van niet verwerkte ervaringen (Heb.12:15).

3. Misleiding: proberen onze fouten te verbergen (Ruth 1:7-18)

‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn’

Bij het lezen van de verzen 7-18 kan het zijn dat u zich afvraagt waarom Noömi probeerde de beide schoondochters af te brengen van hun wens om met haar mee te gaan naar Israël. Ik denk dat ze haar schoondochters niet mee wilde omdat ze het levend bewijs waren dat Noömi en haar man erin bewilligd hadden dat hun zonen met Moabitische vrouwen waren getrouwd wat verboden was (Ezra 9:1-2). Moab was verwekt door Lot bij één van zijn dochters (Gen.19:30-38) en zowel de Ammoniet en Moabiet mochten niet in de gemeente des Heren komen (Neh.13:1). Door te weigeren deze twee vrouwen met haar mee te nemen naar het land Israël probeerde Noömi mogelijk haar gemaakte fouten voor anderen te verbergen. Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming (Spr.28:13). Daar is David een groot voorbeeld van. In Psalm 51 lezen we dat hij zijn schuld aan God belijdt en terug de blijdschap en vrede hervindt die hij kwijt was. Het lukte Noömi niet om haar schoondochter Ruth van gedachte te doen veranderen, want zei deze: ‘Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’ (1:16). Naast Thamar, Rachab en Maria is Ruth één van de vier vrouwen die in het geslachtsregister van de Heer Jezus is opgenomen (Mat.1:5). Daarin mogen we de genade van God zien.

4. Bitterheid: God de schuld geven

‘Het doel van beproevingen is dat ze ons beter zouden moeten maken, niet bitter!’

Noömi keerde naar haar land terug, maar niet naar haar God. Noömi kwam terug als een vrouw met lege handen en een leeg hart, naar een leeg huis. Er was geen verbrokenheid te bemerken bij haar, maar eerder verbittering. Het doel van beproevingen is dat ze ons beter zouden moeten maken, niet bitter. Bitterheid komt van gebeurtenissen die in ons leven voorgekomen zijn, maar nog niet verwerkt. Moeilijkheden in je leven kunnen je dichter bij God brengen denk maar aan die andere weduwe Anna uit Lukas 2 die God diende dag en nacht, en ook Hanna uit 1 Samuël 1. Maar het kan ook zijn dat tegenslagen je verder van God af brengen zoals bij Noömi. Bij haar terugkeer in Bethlehem zit ze vol verwijten en is erg verbitterd. Ze wil dat ze haar Mara noemen, dat is ‘bitter’! Wanneer we de uitspraak van Job (Job.1:21) met die van Ruth (1:20) vergelijken zien we wel een heel opmerkelijk verschil. Bij Job, die toch ook veel en grote tegenslagen heeft gekend, is het ‘de Naam des Heren zij geloofd’, wat bij Noomi ontbreekt. Job kon zeggen toen hij het bericht kreeg van de dood van zijn zonen: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ en ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet? (Job.2:21, 10). Het hoofdstuk eindigt dan ook met het veelzeggend woordje ‘Zó’. Zo, keerde Noömi terug als een verbitterde vrouw. Ze was teleurgesteld in God, want ze verweet al haar moeiten en tegenslagen aan God. Vier van haar uitspraken bevestigen dat ze in God teleurgesteld was: ‘De hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’, ‘De Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’, de Almachtige heeft tegen mij getuigd’ en ‘De Almachtige heeft mij kwaad aangedaan’ (1:13, 20, 21). Ze had een verkeerd beeld van God, zoals Maarten van ’t Hart, en besefte niet dat de tuchtigende hand van God een bewijs van zijn liefde was, want de kinderen die God liefheeft tuchtigt Hij’ (Heb.12:4-11). Ook wij moeten oppassen niet in de omstandigheid te komen waardoor we in grote problemen geraken waardoor we verbitterd kunnen worden, doordat we een eigen weg inslaan zoals Noömi.

5. Verandering: God grijpt in

‘We kunnen de geschiedenis niet veranderen, maar de geschiedenis kan ons wel veranderen’

Na regen komt zonneschijn is het gezegde en zo is het ook met beproevingen, ze komen onverwacht en zijn vaak niet verklaarbaar maar duren niet voor altijd (Jak.5:10-12). Vanaf hoofdstuk 1 verdwijnt Noömi min of meer van het ‘podium’ en staat Ruth op de voorgrond. Het einde van het boek Ruth laat wel een heel andere Noömi zien, een Noömi met haar kleinkind op schoot. ‘En de vrouwen zeiden tot Noömi: Geprezen zij de HERE die het u heden niet laat ontbreken aan een losser, en zijn naam worde vermaard in Israël. En hij zal uw ziel verkwikken en u in uw ouderdom verzorgen; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, zij, die u meer waard is dan zeven zonen. En Noömi nam het kind en legde het op haar schoot en zij werd zijn verzorgster’ (Ruth 4:14-16). Mogen we uit de woorden ‘Hij zal uw ziel verkwikken’ concluderen dat het uiteindelijk met Noömi goed is gekomen en dat haar verbittering is veranderd in een stille aanvaarding? Van Jacobus horen we: ‘U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt uit het einde van de Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontferming is’ (Jak.5:11). ‘Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg.3:32).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘Het meisje zonder naam’

2 Koningen 5:1-14

 

Een onverwachte gebeurtenis!

                           

Inleiding

Zoals alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering geschreven is (Rom.15:4), zo ook deze geschiedenis vermeld in 2 Koningen 5. Wellicht is de bedoeling daarvan niet gelijk voor iedereen duidelijk, maar ik geloof dat God ons hiermee duidelijk wil maken dat voor Hem iedereen een middel kan zijn om tot zijn doel te komen, in dit geval de genezing van Naäman. In Mattheüs 25:14-30 lezen we in de gelijkenis van de talenten: ‘En de één gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde een, ieder naar zijn eigen bekwaamheid.’ Er is dus niemand die kan zeggen ‘ik heb geen talent van de Heer ontvangen!’. ‘Ons’ talent moeten we ontdekken en als we weten wat het is, ook gebruiken en niet in de grond stoppen (Math.25:25). Ook dienen we te waken over hoogmoed zodat we ons talent overwaarderen, maar ook het gevaar voor onderwaardering ligt op de loer. ‘Omdat ik geen hand/oog ben…’, of ‘Het oog kan niet tot de hand zeggen: ik heb je niet nodig…’ (1 Kor.12:15; 21). Een ander gevaar is dat wij, bewust zijnde van ‘onze’ bekwaamheden en talenten, gaan denken dat we nu alles wel alleen kunnen. Zo werkt het in het koninkrijk van God niet, we hebben elkaar nodig! (Luk.5:7). De vraag is dus niet of we een gave (talent) hebben, maar of we God de toegang in ons leven geven om die gave tot ontwikkeling te brengen! Paulus schrijft aan Timotheüs dat ‘er vaten zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester!’ (2 Tim.2:21). Zijn wij bruikbaar voor de Meester?

Naar de mens gesproken stelt Gods ‘gereedschap’ niet zoveel voor. Paulus spreekt over: ‘niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken, het dwaze van de wereld, het zwakke van de wereld, het onaanzienlijke van de wereld, wat niets is.’ (1 Kor.1:26-28). Maar deze ‘gereedschappen’ in de hand van God, kunnen wonderen teweegbrengen! ‘Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen?’ zeiden de discipelen (Joh.6:9-15). Maar de broden en vissen in de hand van de Here Jezus betekenden voeding voor vijfduizend mannen (en vrouwen?)! In het hierboven vermelde Bijbelgedeelte horen we van een meisje dat op wonderlijke wijze door God gebruikt werd. Het stelde misschien niet zoveel voor naar menselijke maatstaven, maar ze werd een werktuig in Gods handen waardoor een generaal genezing ontving. Naäman realiseerde zich waarschijnlijk niet dat God met hem bezig was doordat Hij toeliet dat een joods meisje als gevangene meegevoerd werd, in zijn huis terechtkwam en het dienstmeisje van zijn vrouw zou worden. Het meisje, van wie we de naam niet weten, had er ook niet voor gekozen om op zo’n manier door God gebruikt te worden. Het waren de omstandigheden die het lieten gebeuren dat ze zo tot een zegen zou zijn voor Naäman en zijn huis. Een vergelijking met Jozef dringt zich hier op. Jozef die door zijn broers naar Egypte werd verkocht, zegt later tegen hen: ‘God stuurde mij vooruit, zodat ik jullie levens kon redden’ (Ps. 105:17; Gen.45:5-8). ‘O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, *hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?’ Rom.11:33-34).

De overval

Het moet een zwarte bladzijde in het leven van dat meisje zijn geweest die dag toen die Aramese soldaten in haar dorp kwamen, haar gevangen namen en meevoerden naar hun land. Weg van haar land, familie, vrienden en alles waar ze zo mee vertrouwd was, haar hele (jonge) leven werd er door op zijn kop gezet. Al haar dromen en plannen werden in een klap tenietgedaan. Nu ik dit schrijf denk ik aan de tweehonderd meisjes die in 2014 Nigeria door de extremistische groep van Boko Haram zijn gekidnapt. Ik zal maar niet uitweiden over wat er met die meisjes is gebeurd daarvoor zijn de details te gruwelijk! We zijn niet altijd in staat zulk soort gebeurtenissen te doorgronden en te verklaren.

De slavin

Enige tijd later werd ze dan tewerkgesteld als dienstmeisje in het gezin van Naäman (een generaal zoals ze begreep) waar ze zijn vrouw mocht helpen in de huishouding. Ze begreep er niets van wat God met haar leven wilde, want ze geloofde dat God een doel met haar leven had, zoals dat voor iedere gelovige het geval was. Maar wat er nu gebeurd was kon ze niet rijmen. Haar gedachten gingen onwillekeurig terug naar de verhalen die ze van haar ouders had gehoord over Jozef uit het boek Genesis. Was hij ook niet in een soortgelijke situatie naar een ander land gesleept, en zou hij ook niet met die vraag geworsteld hebben waar God nu was en waarom Hij niets deed? Ze voelde zich erg verdrietig, eenzaam en alleen, maar haar geloof was sterk genoeg om te blijven vertrouwen dat God haar wel zou helpen. Zo kwam het dat ze niet verbitterd werd en bij de pakken neer ging zitten, en had ze ook geen gevoelens van haat ten opzichte van de mensen die haar omringden.

De evangeliste

Toen ze op een dag hoorde ze dat Naäman ziek was, melaats (en ze wist dat deze ziekte ongeneeslijk was en tot de dood zou leiden) werd ze vervuld met een groot medelijden. Als in een flits ging er door haar heen dat Naäman hulp kon vinden in haar land bij haar volk. Maar even snel kwam de gedachte in haar op dat ze nu de kans kreeg om wraak te nemen door te zwijgen en niets te zeggen over de profeet in Israël die hem zou kunnen helpen. Was Naäman en het volk waar ze nu verbleef, tenslotte ook geen vijanden van haar volk en God, was haar redenering? Ze lag de hele nacht wakker met die gedachte maar vond geen vrede. Zo lag ze na te denken over alles wat er gebeurd was vanaf de dag dat ze hier gekomen was tot nu, en met de vraag die haar al zolang bezig hield: ‘waarom moest dit alles gebeuren, wat wilde God van haar?’ En weer als vanzelf kwam het beeld van Jozef haar voor de geest. Hoe had hij gehandeld? Was ook hij niet bij machte geweest om wraak te nemen, zoals zij nu, en zich niets aan te trekken van de ernstige situatie waarin zijn familie toen verkeerde? Mocht je kwaad met kwaad vergelden, of was je ertoe geroepen om zegen te verspreiden? Er stond toch dat je je naaste moest liefhebben en je vijand haten; of stond dat er niet? (Mat.5:43). Nee, het was niet gemakkelijk om te weten wat ze moest doen. Maar geleidelijk aan kwam ze tot rust en werden haar dingen duidelijk en begon ze zich af te vragen of God misschien had toegelaten dat ze hier in dit land en gezin terechtgekomen was voor een bepaald doel? Zou God haar willen gebruiken zodat Naäman genezing zou kunnen vinden bij de profeet in Israël? De ‘waaroms’ werden ‘waarvoors’, en toen ze de volgende morgen opstond wist ze wat haar te doen stond. Ze zou doen wat anderen na haar ook zouden doen, toen ze zeiden: “Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden.” (2 Kon.7:9). Ging ze daardoor niet dezelfde weg die Jozef was gegaan? Ze dacht aan wat Jozef tegen zijn broers had gezegd toen hij zich aan hen bekend maakte. (Op dat moment was ze blij dat haar ouders haar met het woord van God hadden opgevoed en dat ze zoveel teksten uit het hoofd kende.) “Toen zeide Jozef tot zijn broeders: Kom eens hier. Zij staarden hem allen stomverbaasd aan. En hij herhaalde het: “Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte verkochten! Verwijt het jezelf niet, want God had er een bedoeling mee! Hij stuurde mij vooruit, zodat ik jullie levens kon redden. God heeft mij hierheen gestuurd om jullie en jullie gezinnen in leven te houden, zodat jullie kunnen uitgroeien tot een groot volk. Ja, God stuurde mij hierheen, niet jullie!” (Genesis 45:5-8). Ja, nu wist ze het, dat moest ook zij doen, spreken en niet zwijgen!

Een groot gevoel van vrede en blijdschap vervulde haar hart, ze rende naar beneden en zei tot haar meesteres: “Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen.” (5:3). Het was eruit voor ze het wist. Maar gelijk kwam er ook twijfel in haar hart, zou Naäman wel naar de profeet willen gaan? Maar goed, zij had gedaan wat ze kon, dan moest God de rest maar doen, dacht ze stilletjes. Het waren spannende momenten die dag en ze probeerde uit te vinden wat er met haar raad gedaan werd. Even later hoorde ze haar meesteres met een van de officieren van haar man praten en die beloofde Naäman mee te delen wat het meisje aangeraden had. Zou het werkelijk zo zijn dat God haar, zo’n klein nietig meisje, ging gebruiken zodat haar meester zou kunnen worden genezen? En weer dacht ze terug aan haar ouders die haar hadden grootgebracht met het geloof waardoor ze nu in staat was om haar meester mee te delen wie de profeet was, waar hij woonde en wat hij kon doen.

De beloning

Later die dag hoorde ze dat Naäman plannen had om de profeet op te zoeken; het was gelukt! Nee, we kunnen niet alles vertellen hoe het gegaan is, maar na enige tijd hoorde ze dat haar meester weer thuis zou komen, gezond en wel! Maar ze hoorde wel dat haar meesteres enorm blij was toen hij thuiskwam, want wat haar man verandert zeg! Ze wist niet hoe het gebeurd was, maar het lichaam van haar man was weer zo gezond, als het lichaam van een kleine jongen! Later heeft Naäman verteld hoe de God van Israël hem genezen had en ook dat hij daar van wilde getuigen tegenover iedereen die het wilde horen. Hij was bevorderd tot ambassadeur van God en dat was voor hem belangrijker dan een generaal te zijn.

Tenslotte

Maar hoe is het afgelopen met het meisje zonder naam? Heeft zij ook een beloning gekregen, of is ze misschien wel vrijgelaten en teruggestuurd naar haar huis? We weten het niet. Weet je, het is eigenlijk ook niet belangrijk, want het gaat het er helemaal niet om wie wij zijn of wat wij doen, maar wat de Heer door ons heen kan doen! Een beloning? Ik denk dat het meisje gezegd zal hebben: ‘Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: ‘Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen’ (Luk17:10). Neen. Johannes de doper heeft het goed begrepen toen hij zei: ‘Hij moet meer, maar ik minder worden’ (Joh.3:30). Ze is opgegaan in de geschiedenis, maar niet in het ‘vergeetboek’ geraakt bij God, want: ‘Hij is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor zijn naam … (Hebr.6:10).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Naäman de Syriër

 

2 Koningen 5

 

 

 

‘Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad. Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land, en naar geen van hen werd Elia gezonden, maar wel naar Zarfath bij Sidon, naar een vrouw, een weduwe. Ook waren er veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, maar wel Naäman, de Syriër. En allen in de synagoge werden met woede vervuld toen zij dit hoorden’ (Luk.4:24-28)

Inleiding

‘Maar de man, een krijgsheld, was melaats…’ (2Kon.5:1). Melaatsheid wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van de zonde (Lev.13). Enkele voorbeelden maken duidelijk waarom sommige mensen melaats werden. Gehazi, de knecht van Elisa, werd melaats vanwege begeerte en misleiding (2Kon.5:27). Mirjam werd melaats vanwege kritiek en afgunst op Mozes, haar broer (Num.12). Koning Uzzia werd melaats vanwege hoogmoed (2Kron.26:16-23). En als God ook vandaag mensen dit deed overkomen, zou u dan ook melaats zijn? De verborgen zonden van de geest zijn gevaarlijk (2Kor.7:1)! De oorzaak van Naämans melaatsheid weten we niet en daarom zou hij een beeld kunnen zijn van ieder mens die zonder God leeft in deze wereld. Naäman was een melaatse, een onreine, maar niet alleen hij, ook wij, want: ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed’ (Jes.64:6). Een onreine moest gemeden worden en stond buiten de gemeenschap. ‘Want dit weet en erkent u, dat geen hoereerder, onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God’ (Ef.5:5). Zoals gezegd is melaatsheid een beeld van de zonde die ‘in de wereld is gekomen en daardoor de dood’ (Rom.5:12). ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één’ (Rom.3:10). Koning, keizer, admiraal…, zondaars zijn we allemaal! Niet zo’n prettig beeld toch dat de Bijbel geeft over de mens! Is er dan geen mogelijkheid om aan de dood te ontkomen? Ja, dat is er en daarover gaat dit artikel.

Naäman 

‘Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats’ (vs.1) 

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schrijft in zijn boek ‘Joodse Oudheden’ (boek 8, hoofdstuk 15.5) dat het vermoedelijk Naäman is geweest die met een schot met de boog (een speer volgens anderen) de dood heeft veroorzaakt van koning Achab van Israël (1Kon.22:34). Dat, en de overwinning die de Here door zijn hand aan de koning van Aram had geschonken, was de reden dat Naäman zeer gezien werd bij zijn heer, de koning van Aram, en natuurlijk ook bij de bevolking. Hij was een gevierd mens, hij had het gemaakt in deze wereld; wat kon hem nog gebeuren? Het ging hem allemaal voor de wind tot op het moment dat hij een klein wit plekje op zijn lichaam ontdekte: melaatsheid! Naäman zal het wel niet direct bekend hebben gemaakt. Ik stel mij zo voor dat hij het voor anderen geprobeerd heeft te verbergen. Maar wat je ook doet, op de duur wordt het toch zichtbaar, het blijft niet bij een vlekje maar het hele lichaam wordt aangetast. Zoals het gaat met melaatsheid, zo gaat het ook met de zonde; het begint klein maar uiteindelijk wordt het hele leven er door beheerst. Het nieuws verspreidde zich vermoedelijk als een lopend vuurtje door de stad, iedereen had het erover: Naäman is melaats! Het was het gesprek van de dag en ook het dienstmeisje in het huis van Naäman kreeg het te horen…

Een onverwachte gast

‘De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw’ (vs.2)

Het moet een zwarte bladzijde in het leven van dat meisje zijn geweest, toen die Aramese soldaten in haar dorp kwamen, haar gevangen namen en meevoerden naar hun land. Weg van haar land, familie, vrienden en alles waar ze zo mee vertrouwd was, haar hele (jonge) leven werd er door op zijn kop gezet. Al haar mogelijke dromen en plannen werden in één klap tenietgedaan. Ze werd tewerkgesteld als dienstmeisje in het gezin van Naäman, waar ze zijn vrouw mocht helpen in de huishouding. Ze begreep er niets van wat God met haar leven wilde. God had een doel met haar leven, zoals dat voor iedere gelovige het geval is, maar het was voor haar op dat moment nog verborgen. Toen ze op een dag hoorde dat Naäman ziek was (melaats) en wist dat deze ziekte ongeneeslijk was en tot de dood zou leiden, werd ze vervuld met een groot medelijden. Als in een flits ging er door haar heen dat Naäman hulp kon vinden in haar land, bij haar volk. Zou God haar willen gebruiken zodat Naäman genezing zou kunnen vinden bij de profeet in Israël? De ‘waaroms’ werden ‘waarvoors’ en toen ze de volgende morgen opstond wist ze wat haar te doen stond. Ze zou doen wat anderen na haar ook zouden doen, toen ze zeiden: ‘Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden’ (2Kon.7:9). Een groot gevoel van vrede en blijdschap vervulde haar hart, ze rende naar beneden en zei tot haar meesteres: ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (5:3).

Naämans zoektocht

Zo gauw Naäman van zijn vrouw had gehoord wat het meisje haar had verteld, ondernam hij actie en ging naar zijn heer, de koning van Aram, die hem een aanbevelingsbrief gaf voor de koning van Israël met de volgende inhoud: ‘Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid’ (vs.6). Dit was de eerste van een aantal verkeerde beslissingen die Naäman nam. Ten eerste, hij ging naar de verkeerde persoon. Waarom niet gedaan wat het meisje zijn vrouw had gezegd? ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (vs.3). Zoals Naäman zijn er veel mensen in de wereld, ze proberen redding te vinden bij Boeddha, Allah, Maria of andere ‘heiligen’ en ‘verlichte’ geesten van verschillende religies. De Schrift zegt: ‘Al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden’ (Rom.10:12-13). De Heer Jezus is de Persoon die kan redden want Hij is de weg, de waarheid en het leven (Joh.14:6). ‘En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden’ (Hand.4:12).

Zijn tweede misvatting was dat hij dacht dat hij genezing zou kunnen verkrijgen door geld: ‘Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen’ (vs.5). Hij had er alles voor over om genezen te worden, maar begreep niet dat dit niet het juiste middel was, zoals ook later Simon de tovenaar het niet begreep. ‘Toen nu Simon zag dat door de oplegging van handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, bood hij hun geld aan en zei: Geeft ook mij deze macht, opdat ieder die ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt. Petrus echter zei tot hem: Moge uw geld met u naar het verderf gaan, omdat u hebt gemeend de gave van God door geld te kunnen verkrijgen’ (Hand.8:18). Zoals Naäman en Simon, zijn er de eeuwen door mensen geweest die ervan uitgingen dat ze met geld gunsten of hun redding zouden kunnen kopen. We denken maar aan het systeem van aflaten ten tijde van de middeleeuwen, waartegen de hervormer Luther in opstand kwam. Zo wordt verteld, dat men bij Tetzel ook de zonden van reeds overleden mensen kon laten uitdelgen. Ook uitspraken van Tetzel, zoals ‘Als het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt’ laten zien hoe de mensen toen misleid werden. Nee, ‘niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, bent u verlost van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel, maar door kostbaar bloed, als van een smetteloos en onbevlekt lam, het bloed van Christus’ (1Petr.1:18-19).

Niet door de koning van Israël, die toegaf dat hij geen melaatse kon genezen, ook niet door geld of op een door Naäman bedachte manier: Naäman werd toornig en ging heen en maakte zijn derde fout. ‘Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden?’ (vs.11-12). ‘Ik dacht bij mijzelf…’.  Zoals Naäman zijn er ook vandaag mensen die op ‘hun’ zelf uitgedachte manier gered willen worden. Het gaat er niet om of die andere rivieren beter of slechter zijn, het gaat er om wat de profeet en/of Gods Woord zegt: alleen het bloed van Christus reinigt ons van onze zonden (1Joh.1:7). Dit wordt duidelijk in het vervolg van het verhaal.

Naämans genezing

‘Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.14). 

Het lijkt erop dat Naämans dienaren redelijker waren dan hun meester. ‘Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.13). Je mag dankbaar zijn dat er anderen zijn die op een tactvolle wijze proberen je te bewegen dingen te doen waartoe je eigenlijk niet bereid bent. We moeten niet vergeten dat dit hele proces begon met een meisje dat bewogen was met de situatie van haar heer. Alles wat gebeurde tussen dat moment en de raad van zijn dienstknechten was een periode van eigengereidheid. Maar nu Naäman zijn tegenstand had opgegeven en had ingezien dat zijn pogingen om op zijn manier genezen te worden vruchteloos waren, was het moment daar waarop hij in staat was om de raad van anderen te aanvaarden.

Naäman vernederde zichzelf door af te dalen in de Jordaan voor de ogen van zijn dienaren en zich zevenmaal onder te dompelen. Maar met die vernedering begon zijn verhoging (Mat.23:12)! We mogen aannemen dat niet het water het middel was dat tot zijn genezing leidde, maar de helende hand van God. Gods weg tot redding klinkt dwaas in de ogen van de ongelovigen. We weten niet hoe het werkt, hoe het bloed van Christus ons reinigt van de zonden. We ervaren wel dát het werkt! Het evangelie verandert mensen, mensen worden een nieuwe schepping en dat nieuwe leven wordt zichtbaar voor anderen. De apostel Paulus, die wellicht honderden mensen tot geloof heeft zien komen door de verkondiging van het evangelie, was ervan overtuigd dat het werkt! ‘Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft’ (Rom.1:16).

Naäman ging heen om de profeet te bedanken (vs.15). Daarna ging hij naar huis om het blijde nieuws te vertellen en zei: ‘Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël’ (vs.18).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Plotseling zal Hij tot Zijn tempel komen’

         

2 Koningen 11:1-20

 

Inleiding

Wij leven in een tijd waarin wij mogen uitzien naar de openbaring en de komst van de Koning der koningen en Heer der heren, de Heer Jezus Christus voor het volk Israël. Dat heeft Hij beloofd en zal eenmaal plaatsvinden. De gedachte van zijn plotselinge komst wordt in 2 Koningen 11 prachtig geïllustreerd in de geschiedenis van Joas. Voor alle duidelijkheid, ik denk bij de bespreking van dit gedeelte niet aan zijn komst voor de Gemeente, de zgn. Opname, maar aan zijn komst voor Israël. Ik hoop dat u zich het onderscheid tussen die twee verschillende komsten hebt eigen gemaakt!

We verplaatsen ons naar het zuidelijk koninkrijk van Juda, waar de troon vacant was omdat Jehu de koning van Juda - Achazja - naar het leven had gestaan, zodat deze stierf nabij Megiddo (2Kon.9:27-28). De koningin-moeder, Atalja, een dochter van Achab en de moeder van Achazja, maakte van deze gelegenheid gebruik en besteeg de troon en regeerde Juda gedurende zes jaar.

In dit gedeelte van de Bijbel zien we in het bijzonder het handelen van God ten opzichte van zijn volk Israël, toen en in de nabije toekomst, op een grootse manier gedemonstreerd (Rom.8:33)! De raad van God en de verantwoordelijkheid van de mens worden hier duidelijk in beeld gebracht. De raad van God, of zijn plan, staat vast, maar de wegen waarlangs die raad tot stand komt zijn mede afhankelijk van het handelen en de verantwoordelijkheid van de mens. Maar wat er ook gebeurt, Gods plan komt tot stand. ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zegt: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen; die uit het oosten een roofvogel roept, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit; Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering’ (Jes.46:10-11). ‘Maar de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig, de gedachten van Zijn hart bestaan van generatie op generatie’ (Ps.33:11). In het Bijbelgedeelte dat we nu bespreken lijkt het dat door het handelen van Atalia Gods plan zal falen…

De aanslag op de Koning (11:1)

‘Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en bracht het gehele koninklijke geslacht om’ (2Kon.11:1).

Het plan van God om na de zondeval een Verlosser in de wereld te brengen, werd vanaf het begin gedwarsboomd door de Satan. Deze toont zich de eeuwen door zeer actief in het bestrijden van Gods voornemen. In het begin van het boek Genesis wordt deze strijd aangekondigd met de woorden: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). Dat is de oorzaak waarom er, tot vandaag de dag, zoveel antisemitisme in de wereld is, want de Verlosser zou uit het volk Israël voortkomen. In Farao, de koning van Egypte, vinden we de eerste van een reeks ‘Jodenhaters’ die we tegenkomen in de geschiedenis en waarvan Hitler voorlopig de laatste is. Wanneer we de Bijbel raadplegen, zien we dat na de torenbouw van Babel en de daarop volgende spraakverwarring, God Abram roept uit Ur der Chaldeeën en belooft hem tot een groot volk te maken. De belofte van een toekomstige Messias is het voorrecht van de stam Juda: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Later in de geschiedenis van het volk Israël zien we dat God, die in David een man naar zijn hart gevonden had (1Sam.13:14), hem belooft dat zijn huis en koningschap zouden vaststaan voor altijd (2Sam.7:11,16; Ps.89). ‘Want zo zegt de Here: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is’ (Jer.33:17). We zien in de evangeliën dat de belofte vervuld werd in de Persoon van de Heer Jezus, waarvan David een type was. ‘Hij (Jezus) zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven’ (Luk.1:32). In het evangelie naar Mattheüs zien we dan ook in het geslachtsregister dat de Heer Jezus, naar de mens gesproken, afstamt van David (Mat.1:1-17).

Daarom is de daad van Atalia om het gehele koninklijke geslacht uit te roeien, van grote betekenis. Wanneer er geen nageslacht van David meer zou overblijven, zou er geen Messias meer kunnen komen! Er waren niet veel nakomelingen van het huis van David meer over, want eerder had koning Jehoram al zijn broers en de prinsen van Israël gedood (2Kron.21:4). Jehu had enkele van Davids nakomelingen gedood (22:8), en nu had Atalja op haar beurt bevolen om het ‘koninklijk zaad’ uit te roeien. De Satan deed zijn uiterste best om te voorkomen dat de beloofde Messias in Bethlehem geboren zou worden!

De verborgen Koning (11:2-3)

‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim’ (Hos.3:4). 

Het plan van Atalia om haar kleinkinderen, het koninklijk zaad, uit te roeien, faalde want God greep in! Hij had immers een belofte gedaan dat Hij Juda niet wilde verderven ter wille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven (8:19). God greep in en gebruikte daarvoor Jehoseba, de vrouw van de priester Jojada, waarvan we in het volgende gedeelte meer zullen vernemen. ‘Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Achazja, nam Joas, de zoon van Achazja, en bracht hem met zijn voedster heimelijk weg uit de kring der prinsen die gedood werden, naar de bergplaats voor de bedden; en zij verborgen hem voor Atalja, zodat hij niet ter dood gebracht werd. Hij bleef zes jaar bij haar verborgen in het huis des Heren, terwijl Atalja over het land regeerde’ (2Kon.11:2-3).

Omdat alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering is geschreven (Rom.15:4; 1Kor.10:6), is het niet zo moeilijk in deze gebeurtenis een voorafschaduwing te zien van de verwerping van de Heer Jezus en zijn heengaan naar de Vader. Mozes, ook een type van de Heer Jezus als Verlosser, werd toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen (Hebr.11:23). Mozes, en ook Jozef, werden bij hun eerste komst door het volk verworpen, maar de tweede keer aanvaard en zo zal het ook met de Heer Jezus zijn. De verleiding is groot om in Joas een beeld van de Heer Jezus te zien, of is dat te gewaagd? Zoals Joas opgroeide als kind in het huis des Heren, werd de Heer Jezus als jongen van twaalf jaar gevonden in de tempel (Luk.2:46). Hoe Joas als kind opgroeide, weten we niet, maar ook van de Heer Jezus is weinig over zijn jeugd bekend. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet (Gal.4:4) en zo kwam ook voor Joas de tijd dat hij aan het volk getoond werd als diegene die zijn rechten op de troon van David opeiste.

De Koning geopenbaard (11:5-9)

‘Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:5).

Joas moet ongeveer zeven jaar zijn geweest toen de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde werden ingelicht en hij aan hen werd voorgesteld (vs.4). Niemand wist van zijn bestaan af, met uitzondering van de priester Jojada en zijn vrouw Jehoseba. Hij leefde in het verborgene, zoals ook ons leven verborgen is in God, en daar hebben andere mensen geen kennis van (Kol.3:3). Jojada’s naam betekent: ‘God is trouw’. God is trouw in het vervullen van zijn belofte, zoals Hij die deed aan het huis van David, dat Hij voor altijd zijn troon zou bevestigen (2Sam.7:13). ‘Maar in het zevende jaar ontbood Jojada de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde; hij liet hen bij zich komen in het huis des Heren, sloot met hen een verbond en nam hun een eed af in het huis des Heren. Daarop toonde hij hun de zoon des konings’ (vs.4). Joas was verborgen gehouden in het huis des Heren; was er een betere plaats denkbaar? David zegt bij monde van Psalm 23 dat hij zou verblijven in het huis des Heren tot in lengte van dagen. Ze zullen wel verbaasd geweest zijn toen ze hoorden dat er toch nog iemand over was van het huis van David! Zo zullen ook de Emmaüsgangers niet verwacht hebben dat het nog goed zou aflopen. Uiterst voorzichtig lichtte Jojada de oversten in en toonde hun de koning, de zoon van koning Achazja. We weten niet waarom voor Joas als zevenjarige de tijd gekomen was om het koningschap op zich te nemen. Het zevende jaar doet ons denken aan volmaaktheid, het Vrederijk. ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon’ (Gal.4:4) en zo zal het ook in de toekomst gaan: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:1). Wat een gedenkwaardige dag was het toen bleek dat er toch nog iemand over was van het huis van David en wat een dag zal het zijn wanneer de Heer Jezus, als de Ware zoon van David, zal verschijnen en zijn voeten op de Olijfberg zullen staan en zij de Zoon des mensen zullen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid (Zach.14:4; Mat.24:30)! ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen’ (Op.1:7; Zach.12:10; Joh.19:37).

Het kwaad bestraft (11:10-16)

‘En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en teniet doen door de verschijning van zijn komst’ (2Thes.2:8).

Nadat koning Joas aan de oversten van de lijfwacht en de garde was voorgesteld, kregen ze opdracht hem te beschermen en zo nodig te verdedigen. Volledig bewapend stelden zij zich op rondom de koning. ‘Toen bracht hij de zoon des konings naar buiten, zette hem de kroon op en gaf hem de Getuigenis. Zo maakten zij hem koning; zij zalfden hem, klapten in de handen en riepen: Leve de koning!’ (vs.12). Deze twee dingen die de garde deed mogen ook wij doen: Onze Koning verdedigen en het uitroepen: De Koning leeft!

We mogen ons rondom onze Koning scharen met onze wapens in de hand. Wat onze wapens zijn, wat ons zwaard is? Dat is het Woord van God (Ef.6:17). ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard’ (Hebr.4:12). We mogen ons rondom de Koning scharen en zijn eer verdedigen en strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Jud.:3).

We mogen blij zijn en in onze handen klappen en verkondigen dat Jezus leeft; de Heer is waarlijk opgestaan! Nu koning Joas uit de verborgenheid van zijn tempel is gekomen, mag hij worden grootgemaakt en verkondigd aan het volk. De verborgenheid van God zal voleindigd worden en de tijd van het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen (Op.10:7; 11:15). ‘Ze zetten hem de kroon op en gaven hem de Getuigenis’ (vs.12).

Wanneer wij als gelovigen de dood en opstanding van de Heer Jezus verkondigen in deze wereld, zal er vijandschap ontstaan. De koningin hoorde het geroep van de garde en het volk en riep: Verraad, verraad (vs.14)! Maar haar tijd was voorbij en haar einde nabij. Zoals in onze tijd de duivel ook weet dat hij nog weinig tijd heeft en zijn einde nabij is (Op.12:12).

Ten slotte (11:17-20)

Na de dood van koningin Atalja brak een nieuw tijdperk aan voor het volk van Juda. ‘Toen sloot Jojada het verbond tussen de Here en de koning en het volk, dat zij een volk des Heren zouden zijn, alsmede tussen de koning en het volk’ (11:17). Dit doet ons denken aan het toekomstige Vrederijk wanneer de Heer Jezus Koning zal zijn over het volk Israël en zal heersen van het ene einde van de aarde tot het andere. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’ (Jer.31:31-34).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

Koning Josafat

2 Kronieken 17–20

 

 

 

 

 

Inleiding

Josafat (2 Kron.17-20; 1 Kon.22:41-51) is opnieuw een trouw en gelovig koning. Hij herstelt wat sinds Asa’s reformatie weer achteruitgegaan is en stuurt overal in zijn land oversten en Levieten rond om aan het volk onderwijs in Gods wet te geven. Omringende volken beven voor hem en zijn leger bereikt een ongekende omvang. Ook van Israël heeft hij niets te duchten. Integendeel, hij verzwagert zich helaas met Achab (doordat zijn zoon Joram met diens dochter Athalia huwt) en knoopt betrekkingen aan met de koningen Achan, Ahazia en Joram van Israël. De betrekking met Achab houdt een verbond in met deze tegen de Arameeërs (zie 1 Kon.22), waarin Achab sneuvelt en ook Josafat bijna het leven laat. De Profeet Jehu, de zoon van Hanani, komt hem om dit verkeerde bondgenootschap de straf aanzeggen: een invasie van de vijand. Voordat we daarover horen, zien we hoe Josafat de religieuze en burgerlijke rechtspraak in het hele land regelt, met als hoofdrechter de hogepriester Amarja en de Judese vorst Zebadja.

Daarna valt Moab met zijn bondgenoten het land binnen. Josafat wordt bang, want hij weet dat dit Gods straf is; hij roept een vasten uit in het land en het volk komt bijeen. Nu spreekt Josafat in de tempel een prachtig gebed uit, waarin hij pleit op Gods beloften en vroegere uitreddingen. De profeet Jahaziël deelt nu mee dat Jahweh, die de vijand gebracht heeft, hem ook Zelf zal verslaan. De volgende morgen trekt het leger jubelend uit, in vertrouwen op Jahweh. Deze laat de vijanden zich tegen zich keren, zodat zij elkaar uitmoorden. Als Josafat op het slagveld aangekomen is, ziet hij slechts lijken; drie dagen duurt het voor de hele buit is weggesleept. Het volk looft Jahweh in het Dal der Lofprijzing en alle omringende volkeren sidderen voor de macht van Jahweh. Helaas verbindt Josafat zich later met Achabs zoon Ahazia in een scheepshandelsovereenkomst, maar Jahweh laat de schepen schipbreuk lijden (Josafat is de schoonvader van Athalia, de zuster van Ahazia en Joram van Israël, en deze verkeerde familiebetrekking is de oorzaak van de verkeerde bondgenootschappen). Direct daarna biedt Ahazia aan het zijn scheepslui te proberen, maar Josafat heeft zijn les geleerd. Ook met Joram van Israël sluit Josafat een verbond en wel tegen Moab, waartegen Jahweh hem juist zo’n grote overwinning gegeven heeft! Door dit verbond wordt hij mede de bondgenoot van de koning van Edom; wat een afgang… Toch is het oordeel van de Bijbel over het geheel genomen gunstig over deze grote koning uit het huis van David.

Hoofdstuk 17-18

Josafats geestelijk leven wordt omschreven in Psalm 1:1-3 want hij wandelde in de goede raad (17:3), hij had zijn welgevallen aan de wegen van God (17:6), en hij gaf vrucht in zijn dienst door het Woord door te geven aan het volk (1717:3, 6, 9). Hij bracht de vreze des Heren in de praktijk, en werd beschermd door de vreze des Heren. Als men God vreest, heeft men verder niet te vrezen (Ps.112).

Maar Josafat trouwde met de verkeerde vrouw, sloot een verkeerd bondgenootschap, voerde een verkeerde oorlog, en kwam bijna tot een verkeerd levenseinde. Door te wandelen ‘in de raad der goddelozen’ en ‘te zitten in de kring der spotters’ (2 Kron.18:9; Ps.1:1-2), raakte de koning in ernstige moeilijkheden. Hij moest wellicht ongewenst luisteren naar valse profeten en de strijd ingaan met een koning die een vals vertrouwen koesterde. De druk om je aan te passen is vandaag nog groter dan toen. Verzet u zich ertegen? Kunt u de valse profeet en zijn boodschap doorzien, of bent u onder de indruk van zijn ‘visuele hulpmiddelen’ en zijn plezierige boodschap (2 Kron.18:10)? Leest u de laatste drie verzen van Psalm 1 eens en wees op uw hoede!

Hoofdstuk 19

Josafat kwam weer veilig thuis alleen omdat God hem genadig was en hem beschermde tijdens de veldslag. Als we tegen Gods wil in handelen en ons op gevaarlijke plaatsen begeven, verzoeken we God, en het is een zonde om God te verzoeken en Hem te dwingen om wonderen te doen ten behoeve van ons. Dat is de manier waarop de satan de Heer Jezus verzocht (Math.4:5-7).

Josafat onderwierp zich aan Gods woord en wijdde zich weer aan de dienst van zijn volk. Terwijl hij weg was om de strijd van iemand anders te strijden, werden zijn eigen mensen verwaarloosd (Hoogl.1:6). Als een goede schaapherder zocht hij de verdwaalden op en bracht hen terug bij de Heer (Ezech.34:1-10), en hij zorgde ervoor dat de mensen werden beschermd door eerlijke rechters en gediend door vrome priesters.

Let u op de nadruk op de schrik en de vreze des Heren (vs7,9). Josafat had gezondigd, maar God vergaf hem. Het resultaat van vergeving behoort de vreze des Heren te zijn (Ps.130:4). Johannes Calvijn schreef: ‘Ware vroomheid bestaat… in zuivere en ware ijver die God in alle opzichten liefheeft en Hem waarlijk vereert als Heer, zijn rechtvaardigheid betracht en meer dan de dood vreest om Hem te krenken.’

Hoofdstuk 20

A.    Zoek de Heer.

Als u grote problemen ziet aan de horizon, raadpleeg dan de Heer voordat u iets anders doet. Wat betekent dat? Het betekent dat u doet wat Josafat en Juda deden. Zij herinnerden zich Wie God is (vs.6), wat Hij deed in het verleden (vs.7) en wat Hij zei dat Hij zou doen in de toekomst (vs.8-9). Het betekent Hem te vertrouwen en door het geloof uw ogen op Hem gevestigd te houden (vs.12).

B.    Luister naar de Heer.

God heeft altijd een speciaal woord voor hen die zich tot Hem wenden om hulp. Als u voor een strijd staat, besteed dan veel tijd aan zijn Woord en aan gebed, want dan zal Hij u het woord van bemoediging geven dat u nodig hebt. ‘Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd’ (2 Kron.20:12).

C.   Prijs de Heer.

De strijd werd gewonnen door de zangers, die op de meest gevaarlijkste plek stonden – tussen twee legers in. Maar zij zongen de lof van God en dreven de vijand op de vlucht. Het koor loofde God nadat God had gesproken (vs.19), vóór( de veldslag (vs.21), een goed voorbeeld voor ons om te volgen als we Hem prijzen.

Zelfs een dal kan een ‘Dal der Lofprijzing’ worden, als we leren hoe we de Heer moeten prijzen. ‘Gebed verandert alles’ is een bekend gezegde, dat ongetwijfeld waar is. Maar het is ook waar dat ‘lofprijzing alles verandert’. Waarom? Omdat ware lofprijzing mensen verandert, en God kan werken in en door mensen die Hem prijzen. Bij ware lofprijzing zijn geloof, hoop en liefde betrokken, de sterkste wapens in het arsenaal van de christen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

Koning Jotam

2 Koningen 15 - 2 Kronieken 27

 

 

 

 

Inleiding

Beter een kort en goed leven, dan een lang en slecht. Jotam regeerde slechts 16 jaar. Het komt er niet op aan om lang te leven maar wel om goed en productief te leven voor de Heer. Niet hoe lang we leven is belangrijk, maar hóe we leven! Wij vragen ons wel eens AF waarom God de eerder wegneemt dan de ander en zeker als het iemand die veel goeds voor de Heer heeft gedaan. Zo ook met Jotam, hij was een van de weinige koningen die ‘recht deed in de ogen des Heren’. ‘Zo vader, zo zoon’ gaat niet altijd op, want zijn vader Uzzia, die lang leefde en goed begon, eindigde en stierf als een melaatse. Het beste zou natuurlijk zijn dat je lang leeft en tot eer van God, maar dat heb je niet voor het zeggen. En zouden we een lang leven tot eer van God ook volhouden? Uzzia begon ook goed zolang hij door Zekarja begeleidt werd die hem onderrichtte. Zolang hij de Here zocht, maakte God hem voorspoedig (2Kron.26:5; Joz.1:8), maar toen kwam de hoogmoed en werd hij ontrouw. Die hoogmoed maakte dat Uzzia, tegen Gods gebod in, de tempel binnenging om daar reukwerk te ontsteken. Hij luisterde niet naar de priesters die hem waarschuwden en wilden tegenhouden, waarop God hem sloeg met melaatsheid (2Kron.26:16-23). Uzzia kwam in een afgezonderde positie terecht en was uitgesloten van het huis des Heren. Jotam volgde zijn vader dan op als koning van Israël en hij regeerde zestien jaar, maar deed gelukkig niet wat zijn vader wel deed, namelijk: hij ging de tempel des Heren niet binnen! Jotam zijn naam betekend ‘God is volmaakt’, Jotam niet, want de hoogten waar het volk offerde verwijderde hij niet (1Kon.15:35). Jotam was geestelijk, actief, strijdvaardig, sterk en standvastig. Kenmerken die elke gelovige goed zouden staan!

Jotam was geestelijk

Paulus spreekt de Galaten toe met de woorden: ‘U die geestelijk bent’, daarmee erkend hij dat er ook ongeestelijke, of vleselijke gelovigen zijn (Gal.6:1; 1Kor.3:1). Of je geestelijk of ongeestelijk bent zal blijken uit je daden. We mogen opmaken uit het feit dat Jotam de tempel niet binnenging zoals zijn vader gedaan had, dat Gods woord gezag over hem had (2Kron.26:16). Jotam had de gevolgen gezien die deze daad van zijn vader met zich meebrachten, hij werd melaats! Als je Gods Woord hoort en aanneemt kan dat geloof in je bewerken (Rom.10:17). De Heer Jezus toetste Petrus’ geloof toen hij aan het vissen was in de zee van Tiberias en niets gevangen had en Hij hem de opdracht gaf: ‘Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst’ (Luk.5:4). De reactie van Petrus op het bevel van de Heer Jezus toonde zijn vertrouwen in Hem, toen hij zei: ‘Op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen’. Het ging helemaal tegen zijn gevoelens en vakmanschap in, maar hij gehoorzaamde. Iemand heeft eens gezegd: ‘Echt geloof betekent gehoorzaamheid aan God, ongeacht de gevoelens in ons, de omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons!’ God beloont geloof, geloof dat zich openbaart door gehoorzaamheid (2Kron.26:5). De sleutel tot een succesvol christelijk leven is gehoorzaamheid aan Gods Woord. We lezen dan ook: ‘En toen zij dit hadden gedaan, gehoorzamen aan Jezus’ gebod, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden’ (Luk.5:6). Tegenwoordig hebben veel gelovigen moeite met zich te onderwerpen aan Gods Woord, of nog erger hebben heel weinig kennis van Gods Woord. Maar de principes blijven wel geldig: ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Er ligt een rijke beloning klaar al we ons door Gods Woord laten vermanen (Ps.19:12). Dat wil niet zeggen dat Jotam in alles volmaakt was, want de offerhoogten bleven bestaan (2Kon.15:35). Maar we zullen hem daarover maar niet te hard oordelen want mogelijk zijn er ook bij ons nog dingen waarin we tekortschieten!

Jotam was actief

Je kunt niet zeggen dat Jotam het werk des Heren met lauwheid verrichtte (Jer.48:10) nee, hij was vol actie. Hij bouwde binnen en buiten de stad. Hij bouwde de Bovenpoort van het huis des Heren. Jotam beveiligde de tempel, terwijl zijn vader Uzzia dat deed met de stad (26:9). Misschien mogen we daaruit ook opmaken dat Jotam voorrang gaf aan God boven de stad en zijn bewoners. Ook bouwde hij veel aan de muur van Ofel waar de tuinen van de koning waren, waardoor die verbonden werden met de tempel. Hij bouwde versterkingen in het gebergte van Juda, en in de bossen bouwde hij burchten en torens’ (2Kron.27:3-4). Jotam was zich bewust van mogelijke vijanden en bereidde zich daarop voor door verdedigingswerken te bouwen. Van Uzzia lezen we daarvan niets, en omdat hij zich van ‘geen kwaad bewust was’ werd hij onvoorzichtig, viel in hoogmoed en werd ontrouw aan God.

Al deze bijzonderheden die we in het leven van koning Jotam vinden, kunnen we toepassen in ons leven. Bouwen wij ook mee aan het huis van God, de gemeente? (1Tim.3:15) zoals Jotam bouwde aan Gods huis, de tempel in Jeruzalem? En waarmee bouwen wij dan, met goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi of stro? (1Kor.3:10). Jotam probeerde er iets moois van te maken dat blijkt wel daardoor dat hij de koninklijke tuinen wilde doen aansluiten met de tempel. Het huis van de Heer was hem dierbaar! Hoe staat het met onze liefde voor het huis van God, de Gemeente, en wat is onze, wat is mijn bijdrage daaraan? Het Bijbelboek Ezra en Nehemia geven ons prachtige voorbeelden hoe in die dagen gebouwd werd en de ijver en enthousiasme die daarbij aan de dag gelegd werd. Ze wilden het huis des Heren niet aan zijn lot overlaten (Neh.10:39).

Jotam was strijdvaardig

Het huis van God, en alles wat de voortgang van Gods werk kan bevorderen is doelwit van de vijand, de satan die dat wil tegenwerken en/of vernietigen. Daartoe bouwde Jotan versterkingen in het gebergte van Juda, en in de bossen bouwde hij burchten en torens (27:4). ‘Hij streed met de koning der Ammonieten en overwon deze, zodat de Ammonieten hem in dat jaar honderd talenten zilver, tienduizend kor tarwe en tienduizend kor gerst gaven. Dit brachten hem de Ammonieten ook in het tweede en in het derde jaar op’ (2Kron.27:5). Dat alles bracht rust, voorspoed en vrede in het land en onder het volk.

Dat betekent dat wij, evenals Jotam, ons ook dienen voor te bereiden op eventuele aanvallen van de vijand en ons moeten beschermen tegen gevaren van buiten en binnen (Hand.20:7). Voorkomen is beter dan genezen! We mogen de vijand niet onderschatten of negeren, nee deze is actief bezig en zeker in onze tijd. Wij mogen de signalen niet negeren en doen alsof er niets aan de hand is. De kerkverlating in de laatste decennia spreekt boekdelen. En op het westelijk halfrond is de reden daarvan niet zozeer vervolging door overheden, maar veeleer door gevaar van binnenuit, door valse leraren die allerlei dwaalleer verkondigen. Daarbij komt bij dat de kennis van Gods Woord onder het volk van God miniem is, waardoor allerlei dwaalleer gemakkelijk binnenkomt en als waarheid wordt aangenomen. Het ‘mijn volk ten gronde door gebrek aan kennis’ is geleidelijk aan waarheid geworden in onze dagen (Hos.4:6). Waarschuwingen worden in de wind geslagen of niet serieus genomen, gezien als bangmakerij en vaak niet aanvaard. Zelfs Gods Woord wordt niet meer als gezaghebbend aanvaard in zaken van leer en moraal. ‘Zie, het woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?’ (Jer.8:9). Het zou beter zijn dat we de geestelijke wapenrusting aandoen om stand te houden (Ef.6:13) en te strijden voor het geloof dan eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Judas:3). Gelijk Jotam, zullen we in Gods kracht strijden en de vijand overwinnen.

Jotam was krachtig en standvastig

Jotam was het tegenovergestelde van zijn vader Uzzia iemand van wie gezegd kan worden dat hij ‘een wankelmoedig man was, onberekenbaar in al zijn wegen’ (Jak.1:7). Koning Jotam was geen jojo, die de ene keer boven op de berg zat, en even later in het dal! Of, zoals met dat in het Duits zegt: Himmelhoch jauchzend, und zum Tode betrübt! (Hemelhoog juichend en tot de dood bedroefd). Nee, Jotam betoonde zich een krachtig man, want hij was standvastig in zijn wandel voor het aangezicht van de HERE, zijn God’ (2Kron.27:6). Hoe dat kwam? Wel, hij wandelde voor het aangezicht van God, d.w.z. hij hield rekening met de wil van God in zijn leven en paste dat ook toe. Vandaag ontbreekt het aan stabiele gelovigen, die standvastig zijn in leer en praktijk. Paulus roept de gelovigen in Filippi op om hun behoudenis met vrees en beven uit te werken, want het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken, om zijn welbehagen (Fil.2:12-13). We worden niet behouden door geloof en werken, maar door een geloof dat werkt! Is datzelfde enthousiasme en bereidwilligheid om aan het huis van God te bouwen ook bij ons aanwezig, of willen, gelijk de aanzienlijken in Nehemia’s dagen de schouders niet zetten onder het werk? (Neh.3:54). Of behoren wij tot degenen die met krachtige hand het goede werk aanvatten? (Neh.2:18). Er is in onze dagen een groot tekort aan werkers in de verschillen gemeenten; veel werk wordt gedaan door dezelfde, vaak oudere, broeders en zusters. Veel jongere gelovigen hebben zich vaak niet voorbereid op een toekomstige taak die hun wacht. ‘Daarom, mijn geliefde broeders en zusters, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here’ (1Kor.15:58)

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

‘De hand van God’ 

Ezra 7 – 8

 

 

Inleiding

Waarom kon Ezra er herhaaldelijk van getuigen dat ‘de goede hand van God over hem was’ terwijl Naomi uit - het boek Ruth - moest zeggen: ‘de hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’ (Ruth 1:13,20,21)? Is het niet dat Ezra een weg van gehoorzaamheid ging en Noômi niet? We zien in het boek Ruth dat Elkana en zijn vrouw Noömi een weg gingen die niet naar de gedachten van God was. Ze voelden zich genoodzaakt vanwege een hongersnood in Bethlehem om naar Moab te gaan, een volk waarvan God had gezegd dat ze niet in de gemeente des Heren mochten komen (Deut.23:3; Ezra 9:1-3). Was het niet beter geweest om in deze nood God om raad te hebben gevraagd dan een eigen weg te gaan? De vraag is niet of God ons wil zegenen, maar of Hij ons kan zegenen! Ezra ging op goddelijk bevel naar Jeruzalem. Misschien ligt de sleutel van het verstaan van de zegen die Ezra mocht ervaren in zijn leven in wat hij later zegt: ‘De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten’ (8:22). Een man Gods die in opdracht van de Here tot Eli kwam zei: ‘Want wie Mij eren, zal Ik eren’ (1 Sam.2:30). En in het boek Kronieken lezen we dat ene profeet Azaria, de zoon van Oded, in een ontmoeting met koning Asa tegen hem zei: ‘Luister naar mij, Asa, heel Juda en Benjamin! De HEERE is met u, zolang u met Hem bent. Als u Hem zoekt, zal Hij door u gevonden worden, maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten’ (2 Kron.15:1-2). Het is niet voldoende om een goede reis af te smeken van God, op die reis moest God ook mee kunnen gaan! ? Ezra had zich volkomen toegewijd aan de Here (Ezra 7:10). Wanneer u die gezindheid hebt zoals Ezra dan mag u ook rekenen op ‘de goede hand van God’ over uw leven.

Wat er aan voorafging

In 606-605 v.Chr. begonnen de Babyloniërs aan hun verovering van Jeruzalem; ze voerden velen van het volk weg en verwoestten uiteindelijk de stad en de tempel in 587-586 v.Chr. In 538 vervaardigde Kores een proclamatie uit die de Joden toestemming gaf om naar hun land terug te keren en hun tempel te herbouwen, en bijna vijftigduizend man keerden terug onder leiding van Zerubbabel (Ezra 1-6). De zeventig jaren van ballingschap waren ten einde.  Ondanks moeilijkheden en oponthoud werd de tempel voltooid in 515.

De tweede terugkeer gebeurde onder leiding van de priester-schriftgeleerde Ezra. Hij richtte het altaar op en ging in 458 naar Jeruzalem met ongeveer tweeduizend Joden onder wie enkele Levieten om te helpen bij de tempeldienst (Ezra 7-10).

De derde terugkeer, in 444, gebeurde onder leiding van Nehemia. Hij kwam naar Jeruzalem om de muren weer op te bouwen (Neh.1-6) en het volk opnieuw te wijden (Neh.7-10).

Nadat het land hersteld was, ondervond het Joodse volk tijden van beproeving en schande, maar de Here bracht hen er doorheen. Ezra en Nehemia benadrukten het vertrouwen op God als er een nieuw begin moet worden gemaakt en zijn werk moet worden gedaan – welke obstakels en tegenstand er ook worden ontmoet. Al zijn de dagen donker, God is er voor om voor ons te zorgen, te leiden,  te bemoedigen en te beschermen.

Zoals gezegd ging Ezra op goddelijk bevel naar Jeruzalem. Hij was een man ‘die zijn hart erop gezet had om de wet des Heren te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzing en hij was geleerd was in de woorden van de geboden en voorschriften des Heren voor Israël’ (Ezr7:10-11). Maar die goede kwaliteiten en voornemens waren geen garantie dat alles goed zou gaan, ook hij moest de zegen van God afsmeken. Laten we daarom de plaatsen waar over ‘de goede hand van God’ word gesproken eens onder de loep nemen:

Een hand die voorziet (7:6)

Deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem was’ Ezra 7:6)

Door Gods hand, kreeg Ezra van de koning alles wat hij had verlangd waaruit we mogen concluderen dat hij zijn verlangens bekend gemaakt had! Ook wij hebben onze verlangens en mogen ze bekend maken. ‘Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God’ (Fil.4:6). We moeten oppassen dat we niet de fout maken en denken dat we alles wat we verlangen ook daadwerkelijk zullen ontvangen. De brief van Jakobus en Johannes maken dat wel duidelijk. De eerste maakt ons duidelijk dat we moeten uitkijken dat we niet moeten bidden om het ontvangene in onze hartstochten door te brengen. Dat is verkeerd bidden! (Jak.4:2). De tweede zegt dat bidden ook te maken heeft met Gods wil. ‘En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil. En als wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij het gevraagde, dat wij van Hem hebben gebeden, ontvangen.’ (1 Joh.5:14-15). Soms verkeren we in situaties dat we gewoon niet weten wat we zullen bidden. ‘En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit’ (Rom.8:26-27). Ondanks de complexiteit van gebed en verhoring leert de Heer Jezus ons ‘dat men altijd moet bidden en niet de moed verliezen’. Want zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij hen soms lang laat wachten? (Luk.18:1,7).                                           

Een hand die leidt (7:9)  

‘Op de eerste van de eerste maand was namelijk het begin van zijn tocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, omdat de goede hand van zijn God over hem was’ (Ezra 7:9)

Het was geen gemakkelijke reis die Ezra voor zich had! Een reis van ongeveer 1900 Km door een droog, dor en onbekend gebied. Er waren gevaren van vijanden en struikrovers! (8:31) Ezra verkeerde in een soortgelijke situatie als eens Mozes, toen deze met het volk moest optrekken naar het beloofde land. Beide mannen, Mozes en Ezra, waren zich ervan bewust dat het geen gemakkelijke reis zou worden. Beide mannen wisten ook dat ze de aanwezigheid van God nodig hadden om de reis tot een goed einde te brengen. Mozes antwoordde op het voorstel van de Here om Zelf mee te gaan met de woorden: ‘Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken’ (Ex.33:14). Ezra riep een vasten uit en smeekte God om zijn zegen voor de reis. Ook wij zijn op reis, en ook al is het niet naar het Beloofde Land van Mozes, noch naar het Jeruzalem van Ezra, wij zijn op reis naar het hemels Jeruzalem. Ook wij hebben de aanwezigheid, leiding en de zegen van God nodig om ‘onze reis’ tot een goed einde te brengen, want gevaren zijn er niet weinig! Om het met de woorden van Ezra te zeggen: ‘we hebben de goede hand van God nodig!’

Een hand die bemoedigd (7:28)

‘Hij heeft mij goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed omdat de hand van de HEERE, mijn God, over mij was en ik riep uit Israël familiehoofden bijeen om met mij mee te trekken’ (Ezra 7:27-28)

Ezra concludeerde uit de inhoud van de brief van koning Artachsasta die hij meekreeg dat het God was die de koning die bereidheid in het hart had gegeven om het huis van de Here luisterrijk te maken (Spr.21:1). Dat gaf hem moed! Het lijkt er op dat Ezra toch wel enigszins opzag tegen de reis die hij moest maken ook al wist hij dat het Gods bedoeling was. Het is niet goed dat iemand in zijn dienst aan God zichzelf isoleert van de rest van Gods volk. De Heer Jezus zond zijn discipelen twee aan twee uit in de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk (Mark.6:7). Ook de apostelen hadden altijd gezelschap van een of meerdere gelovigen. Daarom deed Ezra een oproep uitgaan en achttien familiehoofden gaven daaraan gehoor; een totaal van 1515 mannen plus de  vrouwen en kinderen. We hebben allemaal wel eens een bemoediging nodig en dat niet alleen Ezra. Ook de apostel Paulus had momenten dat hij moedeloos was. Wanneer hij, na een moeilijke reis in Italië aankomt op weg naar Rome lezen we: ‘En daarvandaan kwamen de broeders, die van onze zaken gehoord hadden, ons tegemoet, tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed’ (Hand.28:15). Door Gods hand kreeg Ezra mannen uit Israël om met hem op te trekken. Ook wij hebben andere gelovigen nodig dat bemoedigd!

Een hand die zorgt (8:18)       

‘En zij brachten ons, omdat de goede hand van onze God over ons was, een verstandig man, uit de nakomelingen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en zijn broers: achttien man’ (Ezra 8:18)

‘Afgezien van wat van buitenaf komt, overvalt mij dagelijks de zorg voor alle gemeenten’ schreef de apostel Paulus aan de Korinthiërs (2 Kor.11:28). Toen Ezra de groep van medereizigers overzag kwam hij tot de ontdekking dat er geen Levieten waren hoewel de koning Artachsasta hen daarvoor wel toestemming had verleend (7:13). Hieruit blijkt Ezra’s zorg voor het huis van God in Jeruzalem. Levieten waren gekwalificeerde mensen bestemd voor de speciale taken verbonden aan dienst van de tempel (Num.1:50-53). Hadden de Levieten de oproep niet gehoord? In elk geval stelde Ezra een aantal familiehoofden aan die inzicht hadden om naar de plaats Casifja te gaan met het verzoek om dienaren voor het huis van God beschikbaar te stellen. Het resultaat was dat er in totaal 38 man en van de tempeldienaren, die David en de vorsten aan de Levieten hadden gegeven voor de dienst: tweehonderdtwintig tempeldienaren (8:15-20). Daarmee waren de voorbereidingen voor de reis naar Jeruzalem ten einde en konden ze vertrekken. ‘Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God en om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen’ (8:21). Heeft het huis van God – de Gemeente – ook onze aandacht en hebben wij er ook zorg voor dan mogen ook wij ons inzetten om aan gebreken tegemoet te komen en de goede hand van God daarin ervaren. Wij willen het huis van God toch niet aan zijn lot overlaten? (Neh.10:39). We mogen al onze zorgen op Hem werpen en de Heer van de oogst om arbeiders smeken (1 Petr.5:17; Matt.9:38).

Een hand die beschermd (8:22,31)

‘Want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten’ (Ezra 8:22)

Hoewel vermoedelijk wel aanspraak had kunnen maken om een escorte van de koning te vragen zag Ezra daar vanaf omdat hij tegen de koning had gezegd: ‘De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten’ (8:22). Ezra ging dan ook de Here zoeken door middel van vasten gebed en Hij liet zich door hen verbidden. Een verre reis maken is tegenwoordig niets bijzonders meer en ik denk dat veel christenen er niet eens bij stilstaan om God daarin te betrekken. ‘En nu dan u die zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken, u, die niet weet wat er morgen gebeuren zal, want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt. In plaats daarvan zou u moeten zeggen: Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen’ (Jak.4:13-15). Ons hele leven als christen kun je zien als een reis door vijandelijk gebied en eerlijkheid gebeid om te erkennen dat vele in handen zijn gevallen ‘vijanden en struikrovers’. Op de eerste van de eerste maand vertrok Ezra naar Jeruzalem en kwam daar vier maanden later aan. Hij kon getuigen dat de hand van God over was geweest en hen had  gered uit de hand van de vijand en van de struikrover op de weg.Ook wij hebben bescherming nodig om gered te worden uit de macht van vijanden en struikrovers. Hij zal ons geenszins begeven of verlaten want de hand des Heren is niet te kort om te verlossen’ (Hebr.13:5; Jes.59:1).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Ezra, de priester-schriftgeleerde

 

 

 

 

‘Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen’ (Ezra 7:10).

Inleiding

Ezra stond voor een heel nieuwe uitdaging. Hij behoorde tot de ballingen die naar Babel waren gevoerd. En nu had God hem opgedragen de dienst in de tempel in Jeruzalem te herstellen, daarom wordt Ezra door de joodse leraars weleens de tweede Mozes genoemd. Ook zeggen ze dat Ezra het Oude Testament heeft samengesteld en zijn er die beweren dat hij de eerste synagoge heeft gesticht. ‘Hierna, onder de regering van Artachsasta, de koning van Perzië, trok Ezra op uit Babel. Hij was een (priester) schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had’ (Ezra 7:1-2, 11).

Ezra werd door koning Artachsasta gemachtigd om de zaken in orde te stellen betreffende de tempeldienst (Ezra 7:12-26). Ezra komt voor het eerst in hoofdstuk zeven in beeld. Zijn opdracht werd door de koning als volgt omschreven: ‘Gij nu, Ezra, stel naar de wijsheid van uw God, die gij bezit, regeerders en rechters aan, opdat zij rechtspreken over het gehele volk dat in het gebied over de Rivier woont, over allen die de wetten van uw God kennen; en hem die ze niet kent, zult gij ze bekendmaken’ (Ezra 7:25).

Ezra had grote gaven en God riep hem om een opdracht voor Hem te vervullen, en dat was geen gemakkelijke! Wat was het geheim van Ezra, dat hij de zware taak waarvoor hij geroepen was kon volbrengen? Was dat niet zijn gebedsleven en zijn gehoorzaamheid aan Gods Woord? Dit dienen twee elementaire zaken in het leven van elke gelovige te zijn als men tot een volwassen en evenwichtig geloofsleven wil komen. ‘Maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord’ (Hand. 6:4; Ex. 33:7-11; 1 Sam. 12:23; Joh. 15:87; 2 Thes. 3:1; Efeze 6:17-18; Kol. 4:2). Laten we maar eens zien welke plaats het Woord van God in het leven van Ezra innam.

Geestelijke groei is nooit het gevolg van ouderdom, maar van groeiende gehoorzaamheid aan Gods Woord.

1. Het Woord van God

Ezra was bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had. De Bijbel is niet zomaar een boek, het is Gods Woord, waarvan de Heer Jezus heeft gezegd: ‘Uw Woord is de waarheid!’ (Joh. 17:17). We dienen er dan ook met respect en eerbied mee om te gaan. De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen in de gemeente te Thessaloniki: ‘En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God’ (1 Thes. 2:13). De in het boek Ezra genoemde wet van Mozes betrof niet alleen maar de Tien Geboden, maar ook de andere inzettingen en verordeningen die God had gegeven (Deut. 4:1-6).Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2 Tim. 3:16).

Ezra had zijn hart erop gezet om Gods Woord te onderzoeken. David heeft vele keren zijn liefde betuigd voor Gods Woord: ‘Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag’ (Psalm 119:97,113,119,127,140,163,167). Het onderzoeken van Gods Woord dient een zaak van het hart te zijn. ‘De Emmaüsgangers zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?’ (Luk. 24:33). Hoe zien wij Gods Woord en hebben wij het ook lief zoals David, en heeft het ook een grote plaats in ons leven?

2. Het Woord onderzoeken

De gelovigen in Berea namen het woord met alle bereidwilligheid aan en dagelijks onderzochten zij de Schriften en gingen na, of deze dingen zo waren.’ En wat was het resultaat? ‘Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen’ (Hand. 17:11-12). De Schriftgeleerden waren ook ernstige onderzoekers van Gods Woord, maar bij hen zien wij een ander resultaat: ‘Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben’ (Joh. 5:39). Bij het lezen van de Schrift gaat het erom een ontmoeting met Hem te hebben over Wie de Schriften spreken, de Heer Jezus. ‘Hij zeide tot hen (de Emmaüsgangers): Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden. Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen. En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem’ (Luk. 24:44-47).

‘Alléén door het lezen van de Bijbel worden we niet behouden!’

3. Het Woord doen

De gelovigen in Thessaloniki aanvaardden het Woord niet alleen maar als het Woord van God, maar het was ook werkzaam in hen (1 Thes. 2:13). ‘En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden’ (Jak. 1:22). Bent u een wijze of een dwaze man of vrouw? (Math. 7:24-27).

Het Woord ‘doen’ houdt onderwerping in aan het Woord. Zijn u en ik daartoe bereid? David beschrijft in Psalm 19 eerst de heerlijkheid van God die wij in de schepping kunnen waarnemen. Vanaf vers 8 beschrijft hij wat de wet van de Heer is, volmaakt, betrouwbaar, waarachtig, en waartoe dat Woord in staat is: het verkwikt, schenkt wijsheid, verheugt het hart, het verlicht de ogen. Daarna lezen we: ‘Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning’ (Psalm 19:12). Hier zien we dat David zich onderwerpt aan Gods Woord. Ook wij worden opgeroepen in het Nieuwe Testament om ons te onderwerpen aan Gods Woord (Rom. 8:7) en dat niet alleen, God vraagt ons ook om ons te onderwerpen aan Hemzelf, de voorgangers, de oudsten van de gemeente en de overheid (Hebr. 13:7; Jak. 4:7; 1 Petr. 5:5, 2:13). Als we dat in praktijk zouden brengen zal Gods zegen niet lang op zich laten wachten!

‘Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?’

4. Het Woord onderwijzen

Nee, niet iedereen is in staat het Woord te onderwijzen, daarvoor heeft God leraars gegeven die daarvoor een gave ontvangen hebben. Mensen zoals Ezra, die bekwaam zijn in het Woord (Ezra 7:6). Het is een grote miskenning van wat Gods Woord daarover leert door geen leraars te willen aanvaarden en daarmee geen rekening te houden en te handelen naar eigen inzicht. ‘En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars’ (1 Kor.12:28; Efeze 4:11). Door onafhankelijk te handelen zijn er al veel sekten en dwaalleringen ontstaan in de loop van de geschiedenis. Mensen die zich niet laten corrigeren terwijl Gods Woord zegt dat ‘de geesten der profeten aan de profeten onderworpen zijn’ (1 Kor. 14:32). Wel wordt elke gelovige opgeroepen om een getuige van Christus te zijn in woord en in daad (Hand. 1:8). Het kan misschien zijn dat u niets meer kunt zeggen dan wat de blindgeborene getuigde: ‘één ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan’ (Joh. 9:25), maar dat kan al veel betekenen.

Maar er is meer dan een getuige zijn. We moeten ook (op)gevoed worden door het Woord; groeien in de kennis en in de genade van onze Heer en Heiland, Jezus Christus (2 Petr. 3:18). En dat was de taak die Ezra op zich had genomen, door te geven van wat hij zelf had ontvangen, het volk te onderrichten in de Wet des Heren. In het boek Nehemia zien we Ezra op een indrukwekkende manier het volk toespreken (Neh. 8). Het is de moeite waard om een gedeelte van dat hoofdstuk hier te vermelden en dit artikel ermee te beëindigen.

‘Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid van de mannen en de vrouwen en van hen die het konden begrijpen. Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. De schriftgeleerde Ezra stond op een houten verhoging, die men voor die gelegenheid gemaakt had. En naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja; en aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zekarja, Mesullam. Ezra opende dus het boek ten aanschouwen van het gehele volk, want hij stond hoger dan het gehele volk. En zodra hij het boek opende, stond het gehele volk op. Ezra loofde de HERE, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de HERE neder met het gelaat ter aarde. En Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten gaven het volk onderricht in de wet, terwijl het op zijn plaats bleef staan. Zij lazen namelijk uit het boek, uit de wet Gods, duidelijk voor en gaven uitlegging, zodat men het voorgelezene begreep. En Nehemia – dat is de stadhouder – met de priester-schriftgeleerde Ezra en de Levieten, die het volk onderricht gaven, zeiden tot het gehele volk: Deze dag is voor de HERE, uw God, heilig; bedrijft geen rouw en weent niet. Want het gehele volk weende, toen het de woorden der wet hoorde. Voorts zeide hij tot hen: Gaat heen, eet lekkernijen en drinkt zoete dranken en zendt aan ieder voor wie niets bereid is, een deel, want deze dag is voor onze Here heilig: weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht. Ook de Levieten brachten het gehele volk tot kalmte door te zeggen: Weest stil, want deze dag is heilig, weest dus niet verdrietig. Toen ging het gehele volk heen, om te eten en te drinken, en een deel ervan te zenden en grote vreugde te bedrijven, want zij hadden begrepen wat men hun had bekendgemaakt’ (Neh. 8:1-13).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Nehemia - Lessen voor leiders

 

 

 

‘Er zijn in de hemel geen kroondragers die hier geen kruisdragers willen zijn!’ (Spurgeon)

 

 

 

 

Nehemia maakt geen deel uit van ‘de grote wolk van getuigen’ vermeld in Hebreeën 11, maar het is vanzelfsprekend dat ook zijn leven, evenals dat van hen die daar wel vermeld staan, voor ons als voorbeeld kan dienen (Rom. 15:4; 1Kor. 10:6).

Opvallend is zijn grote betrokkenheid met het volk, die zich toont in zijn vaderlandsliefde (Neh. 1:1-4, 2:3), gebedsleven (1:5-11, 4:4, 5, 9), geloof (2:20, 4:14), moed (4:20, 6:10-11), ijver (4:21-23, 6:3), leidinggevende capaciteiten (4:13-20), trouw aan het recht (13:11,17) en ten slotte zijn ernst met het werk (13:15-31). Hij was ‘maar’ een schenker en toch heeft hij een stad herbouwd en grootse daden verricht!

We mogen nooit onderschatten wat God door één man of vrouw kan doen en misschien bent u zo’n man of vrouw of wilt u er een zijn, maar voldoet u dan ook aan de volgende voorwaarden?

1. Ben ik een kruisdrager?

‘Het huis van onze God willen wij niet aan zijn lot overlaten’

(Neh. 10:39).

Het nieuws dat Nehemia hoorde, uit de mond van Chanani en enige anderen, over de ontkomenen van het volk Israël en van de stad Jeruzalem, brak zijn hart. De beschrijving van de situatie loog er dan ook niet om, ‘ze verkeerden in grote rampspoed en smaad, de muur van Jeruzalem was afgebroken, en de poorten waren met vuur verbrand’ (Neh. 1:3).

Het nieuws raakte Nehemia zozeer dat hij dagen lang weende, rouwde, vastte en in gebed ging voor het aangezicht van God. In zijn gebed beleed hij schuld, deed een beroep op Gods genade en stelde zich beschikbaar om een instrument te zijn waardoor God een keer zou kunnen brengen in het lot van het volk.

Nehemia had een goede positie aan het hof van de koning en was niet verplicht om die positie op te geven. Maar God had hem in het hart gegeven om wat voor Jeruzalem te gaan doen. Hij nam zijn last, zijn kruis, op; dat wilde zeggen dat hij het huis van God niet aan zijn lot wilde overlaten’ (Neh. 2:12). Een vergelijking met Mozes dringt zich op. Mozes weigerde een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden en gaf er de voorkeur aan om met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van de zonde (Heb. 11:24vv.). Mozes, en ook Nehemia, waren mannen met een langetermijnvisie, ‘want hij (Mozes) zag op de beloning’.

Hoe erg de situatie ook was en hoe weinig er van Jeruzalem nog was overgebleven, Nehemia achtte het huis van God niet gering (1Kor. 11:22). Evenals Elia was zijn hart vol zorg om het getuigenis van God (1Sam. 4:13), zoals we ook van de apostel Paulus lezen dat ‘de bezorgdheid over al de gemeenten hem dagelijks overviel’ (2Kor. 11:28).

2. Zie ik mogelijkheden of moeilijkheden?

‘Ik ben bezig een goed en groot werk te doen en kan niet komen’

(Neh. 6:3, 2:18)

Menselijk gesproken was het onbegonnen werk om de muren te herbouwen en er waren meer dan redenen genoeg om het te laten voor wat het was. Maar ondanks alle mogelijke bezwaren zag Nehemia meer mogelijkheden dan moeilijkheden.

Het verhaal van twee schoenverkopers die door hun firma naar Afrika waren uitgezonden om marktonderzoek te doen is misschien wel bekend. Het illustreert goed het verschil tussen mogelijkheden en moeilijkheden. De ene berichtte zijn firma: “Ik heb onderzoek gedaan, maar ik zie geen enkele mogelijkheid om schoenen te verkopen, want de mensen lopen hier allemaal op blote voeten!”. De andere verkoper berichtte zijn firma: “Ik heb marktonderzoek gedaan, en ik zie grote mogelijkheden om schoenen te verkopen, want de mensen lopen hier allemaal op blote voeten!”. Nehemia zag mogelijkheden, want zoals hierboven gezegd, hij had een visie, een droom. Nehemia lette niet op de wind en wolken (Spr. 11:4), maar deed wat hij kon doen en dat was bidden opdat God hem een deur opende bij de koning, en zo gebeurde het ook (Pred. 2:1-9). Voor Nehemia betekende de herbouw van de muren niet alleen een goed werk maar ook een groot werk. Echter, de vijand, onder aanvoering van Sanballat en Tobia, zag dat heel anders. Zij waren zeer ontstemd dat Nehemia gekomen was om het goede voor de Israëlieten te zoeken en ze begonnen hem tegen te werken. Sanballat spotte en zei: ‘Zullen zij de stenen uit de puinhopen, verbrand als ze zijn, weer tot leven wekken?’. Tobia deed er nog een schepje bovenop door te zeggen: ‘Al bouwen zij ook, als er maar een vos tegen de muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen’ (Neh. 4:2, 3; 2:19).

3. Vertrouw, geloof ik God?

‘De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen’ (Neh. 2:20).

Ontbreekt het ons ook niet vaak aan praktisch geloof zoals de vader van de maanzieke zoon dat erkende toen hij tegen de Heer Jezus zei: ‘ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (Mark. 9:24)? Nehemia zag niet op zichzelf, maar op God die het onmogelijke mogelijk kan maken. Daar is geloof voor nodig! Iemand heeft het eens zo omschreven: ‘Echt geloof is vertrouwen in God ongeacht de gevoelens binnen in ons, de omstandigheden rondom ons en de consequenties voor ons’!

Nehemia wist dat het niet zijn werk was, maar Gods werk en Gods werk is niet te stoppen of te keren! Of, om het met de woorden uit een lied te zeggen: ‘‘t Werk van God is niet te keren omdat Hij er over waakt’.

Dat betekende echter niet dat Nehemia en zijn landgenoten maar bleven afwachten, maar daarentegen ‘met krachtige hand vatten zij het goede werk aan’ (Neh. 2:18). En het ongelofelijke gebeurde, namelijk dat de muur in slechts tweeënvijftig dagen voltooid was. Zelfs hun vijanden waren daarvan behoorlijk onder de indruk en ‘erkenden dat dit werk met de hulp van God gedaan was’ (Neh. 6:16)!

Door geloof in het woord van de Heer Jezus, Die tegen Petrus zei dat hij naar de diepte moest varen om zijn netten uit te werpen, ving Petrus een grote massa vissen (Luk. 5:5-6). De schrijver van de brief aan de Hebreeën schrijft over gelovigen ‘die door middel van het geloof koninkrijken onderwierpen’ (Heb. 11:33). Heeft u dit geloof?

4. En wat als er tegenstand komt?

‘Maar ik zeide: Zou een man als ik vluchten?’ (Neh. 6:11).

Het is een bekend gezegde: “Als God een kerk bouwt, dan plaatst de duivel er een kapelletje naast”. Het blijkt maar al te waar te zijn, zowel toen als ook nu.

Dat er een vijand is, maakt de Heer Jezus ons duidelijk in de gelijkenis van de zaaier en het zaad wanneer Hij zegt: ’Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide. Terwijl echter de mensen sliepen kwam zijn vijand en zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg’ (Math. 13:24). Paulus sluit zich daarbij aan in zijn toespraak tot de oudsten van de gemeente uit Efeze, wanneer hij spreekt over ‘wrede wolven die bij u zullen binnenkomen’ en ‘uit uzelf zullen mannen opstaan die verdraaide dingen spreken’ (Hand. 20:29). Deze ‘mannen’ worden verder in het Nieuwe Testament ‘valse apostelen, profeten en leraars’ genoemd (2Kor. 11:13; 1Petr. 2:1), mensen die een ‘vals evangelie’ verkondigen (Gal. 1:8).

We zien dan ook dat Nehemia heel voorzichtig te werk gaat als hij in Jeruzalem aankomt, want “hij had aan niemand verteld, wat mijn God mij in het hart gegeven had om voor Jeruzalem te doen’ (Neh. 2:12). Hij trok er ’s nachts op uit om onderzoek te doen naar de muren van Jeruzalem. Hij wilde niet “dat de satan voordeel zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend” (2Kor. 2:10).

Maar de satan zat niet stil en stuurde zijn dienaars, Sanballat en Tobia, eropuit om het werk van God teniet te doen. Eerst richtten zij hun aanvallen op het volk door te spotten en te honen (hfdst.4). Later zien we dat ze specifiek Nehemia onder vuur namen door brieven te schrijven om het werk te doen stoppen (hfdst. 6). Ook kreeg hij slechte raad van Semaja om zich te verstoppen in het huis van God, maar Nehemia weigerde want het gezag van Gods Woord was voor hem normatief en dat Woord verbood hem de tempel binnen te gaan (Neh. 6:13; Num. 18:7; vgl. 2Kron. 26:16vv.). Nehemia ging niet op de loop – zou een man als ik vluchten? – maar onderwierp zich aan God, opdat de duivel – en zijn helpers – zou vluchten (Neh. 6:14; Jak. 4:7-8).

5. Ben ik bereid offers te brengen?

‘Wat op één dag bereid werd … kwam op mijn kosten’

(Neh. 5:14-19).

Over de gelovigen van Macedonië kon de apostel Paulus getuigen ‘dat zij zichzelf eerst aan de Heer gaven, en daarna aan ons door de wil van de Heer’ (2 Kor. 8:5). Ze waren bereid om offers te brengen, ook in financieel opzicht, want Paulus schrijft verder: ‘ik getuig dat zij naar vermogen en boven vermogen, uit eigen beweging, ons met veel aandrang smeekten om deze gunst en de gemeenschap in de dienst van de heiligen’ (2 Kor. 8:3).

Nehemia’s bereidheid om offers te brengen blijkt uit het gegeven dat hij een mooie positie aan het hof van de koning opgaf. Maar daar bleef het niet bij, want toen Nehemia hoorde van de armoede en ellende van zijn volksgenoten sprong hij voor hen in de bres (hoofdstuk 5)!

Ook in zijn functie als landvoogd stak hij met kop en schouders uit boven zijn voorgangers, die zich verrijkten ten koste van de bevolking (zien we dit vandaag de dag ook niet?). Maar uit vrees voor God heeft Nehemia zich daar niet aan bezondigd (Neh. 6:15). De apostel Paulus zegt aan de oudsten van de gemeente van Efeze dat ze ‘in’ de gemeente zijn gesteld, niet ‘over’ (Hand. 20:28)! Petrus zegt van de oudsten dat ze zich niet moeten voordoen ‘als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudden worden’ (1 Petr. 5:3). Zo’n voorbeeld was Nehemia! Niet alleen werkte hij zelf ook mee aan de opbouw van de muren (vgl. Hand. 20:33-35), maar hij gaf ook ‘de Joden en de leiders, honderd vijftig man, en zij die tot ons uit de volken rondom ons gekomen waren, te eten’ (Neh. 5:17vv.). Wat op één dag werd bereid, kwam op zijn kosten! Daarin liep hij vooruit op het principe dat de Heer Jezus zelf gezegd heeft: ‘Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen’ (Hand. 20:35).

Ten slotte

Het boek Nehemia begint met ‘grote rampspoed’ (1:3), maar eindigt met ‘grote vreugde’ omdat God het mogelijk had gemaakt het werk in tweeënvijftig dagen te doen. ‘De vreugde van Jeruzalem werd van verre gehoord’ (Neh. 12:43).

Het begon ermee dat één man een last voelde voor het volk van God en Jeruzalem.

Wat kan één man betekenen? Lees Ezra en Nehemia.

Wat kan één vrouw betekenen? Lees over Debora, Ruth en Esther.

Wat kan één kind betekenen? Lees 2 Kon.5:1-7 en Joh. 6:8-14.

Wat kan ú betekenen? Als u ergens een last voor hebt, spreek er met de Heer over. Wellicht kan hij de last die u ervaart in een zegen veranderen voor u en voor anderen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Kom ik om, dan kom ik om!’

Studies over het boek Ester 

Hoofdpersonen in het boek Ester

 

 

 

Inleiding

De gebeurtenissen vermeld in het boek Ester vonden plaats tussen de hoofdstukken 6 en 7 van het boek Ezra. Het ‘derde jaar van Ahasveros’ (1:3) is het jaar 483 v.Chr. ‘Ahasveros’ is de titel van de Perzische heerser, net zoals Farao de titel van de Egyptische heerser was. In het Grieks is zijn naam Xerxes (hoogste heerser). Het boek Esther vermeld nergens de naam van God, terwijl de naam van de koning maar liefst achtentwintig keer vermeld wordt! Joodse rabbijnen menen de naam ‘Jehova’ op een verborgen manier in vijf verschillende verzen in het originele Hebreeuws te hebben ontdekt (1:20; 5:4, 13; 7:5, 7). Hoewel Gods naam niet vermeld is, zien we zijn handelen duidelijk in elk hoofdstuk van het boek. Ester betekend ‘ster’; Hadassah, haar Joodse naam betekend ‘mirre’ (2:7).

Het boek Ester toont ons hoe het Joodse volk van vernietiging gespaard bleef. Het verklaart de oorsprong van één van de meest belangrijke Joodse feestdagen, het Poerimfeest. Het woord ‘Purim’ betekend ‘lot’, en verwijst naar het werpen van het lot door Haman om het besluit om de Joden te vernietigen en uit te roeien vast te stellen (9:26-31; 3:7). Het Poerimfeest wordt gehouden op de veertiende en vijftiende dag van de laatste maand van de Joods kalender (bij ons februari-maart). Daaraan voorafgaand is er een dag van vasten ter herinnering aan het vasten dat door Ester voorgesteld had (4:16). Op die avond wordt het boek Ester in elke synagoge voorgelezen. Elke keer wanneer de naam van Haman gelezen wordt, stampen de Joden op de vloer, fluiten en schreeuwen: ‘Laat zijn naam worden uitgewist!’ De volgende dag, gaat men weer naar de synagoge om te bidden en de Wet te lezen. De rest van de dag en de dag daarop zijn feestdagen waarop men elkaar geschenken geeft. Er is geen vermelding van een verplichting in het Oude Testament om deze gebeurtenis te gedenken, maar de Joden hebben het in de achter ons liggende eeuwen wel gevierd.

Ahasveros de koning

De koning in het boek Ester is Ahasveros, ook bekend onder de Griekse naam Xerxes, de zoon van Darius I, Darius de Grote. Hij heerste over het Perzische rijk van 486 tot 465 v.Chr. De profetie van Daniël dat de Meden en Perzen aan de macht waren bleek juist (Dan.2:26vv.). De geschiedenis vertelt ons dat Ahasveros een groot feest, dat honderdtachtig dagen duurde, hield ter voorbereiding van zijn veldtocht tegen Griekenland. Eerder had hij een opstand in Egypte neergeslagen en mogelijk voelde hij zich sterk genoeg voor een veldtocht tegen Griekenland. Deze invasie duurde van 483-480 v.Chr., en volgens de geschiedschrijver Herodotus is het op een ramp uitgelopen. De laatste drie boeken van Herodotus’ Geschiedenissen bevatten de beschrijving van deze oorlog tussen Ahasveros en de Grieken. Koningin Wasti werd van haar waardigheid als koningin ontslagen in het derde jaar van zijn regering (1:3), dat zou dan in het jaar 483 zijn. De reden dat Wasti weigerde voor de koning te verschijnen kan als mogelijke oorzaak hebben dat zij niet wilde verschijnen daar waar de wijn al enkele dagen rijkelijk gevloeid had... Zij organiseerde dan ook een eigen feest voor de vrouwen (1:9vv.). Ester, die de plaats van Wasti innam werd koningin in het zevende jaar van zijn regering (2:16), het jaar 479. In het twaalfde jaar van zijn regering werd het plan van Haman ontdekt (3:7), het jaar 474; dus was Esther al vijf jaar koningin toen Haman zijn plan ten uitvoer wilde brengen. Ahasveros werd vermoord in 465. De gegevens die we in het boek vinden over Ahasveros geeft de indruk dat hij een impulsief karakter had. Hij stuurde zijn vrouw Wasti zonder dralen weg, waarvan hij later spijt had (1:19; 2:1). Hij gaf onmiddellijk aan Haman groot gezag zonder onderzoek te doen naar de ware gang van zaken en gaf direct toestemming aan het voorstel van Haman, de booswicht en Jodenhater, om maatregelen tegen de Joden te nemen, zonder te onderzoeken wat zijn motieven waren. Historici zien Xerxes als een ‘puppet on a string’ waaraan veel onderdanen aan trokken.

Ester

De hoofdpersoon in dit boek is uiteraard koningin Ester en in haar verkiezing door Ahasveros als koningin is duidelijk de hand van God op te merken, Die, zoals eerder gezegd in het boek niet met zijn naam vermeld wordt! Ahasveros had Wasti afgezet als koningin, op advies van zijn raadgevers, maar terugkerend van zijn oorlog tegen de Grieken, die hij had verloren, mistte hij haar toch. Zijn hovelingen adviseerden hem dan ook om aan een andere, een betere koningin dan Wasti te zoeken (1:29; 2:2). Ze adviseerden hem niet om Wasti terug te nemen want dan liep hun leven gevaar omdat Wasti in die positie in de gelegenheid zou zijn om wraak tegen hen te nemen, vanwege het eerder gegeven advies van de wijzen om haar af te zetten. Vanaf het moment dat Ahasveros op zoek ging naar een andere koningin gebeuren er allerlei ‘toevalligheden’ die wij, de gelovigen, mogen zien als voorzienigheid van God! De eerste ‘toevalligheid’ was dat Ester uit vele kandidaten tot koningin gekozen werd (2:15-18). Bij de dood van Esters vader en moeder had Mordechai haar als dochter aangenomen (2:7) en haar in alles adviseerde hoe te handelen. Zo had hij haar aangeraden haar afkomst niet bekend te maken (2:10). Ester werd dan uitgekozen om opgenomen te worden in het koninklijk paleis onder opzicht van Hegai, de bewaker van de vrouwen (2:8). Dat leidde ertoe dat ze op een bepaald moment aan de beurt was om voor de koning te verschijnen en hij verhief haar tot koningin in de plaats van Wasti (2:17). Ondertussen had Haman plannen ontwikkeld om de Joden in het hele rijk uit te roeien. Mordechai die van die plannen hoorde stelde Ester hiervan op de hoogte via Hatak een hoveling van de koning. (4:1, 4, 5). Deze Hatak ging met een afschrift van de wet die uitgevaardigd was om de Joden te verdelgen naar Ester met de wens van Mordechai dat ze naar de koning zou gaan om bij hem genade af te smeken en bij hem voorbede te doen voor haar volk. Na een aanvankelijke weigering van Ester spreekt Mordechai haar aan op haar verantwoordelijkheid en zegt tegen haar: ‘Beeld u niet in, dat gij alleen van al de Joden ontkomen zult, omdat gij in het paleis des konings zijt. Want, als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen, en wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt (4:13-14). Ester roept hierna een vasten uit en toont zich bereid naar de koning te gaan, ondanks het gevaar dat het met zich mee kon brengen, met de woorden: ‘Kom ik om, dan kom ik om!’ (4:16). Ze slaagt in haar opzet en de koning gaf bevel dat hij de Joden in alle steden toestond zich te verzamelen en hun leven te verdedigen (8:11).

Mordechai

Speelde Mordechai in eerste instantie min of meer op de achtergrond, toen hij hoorde van het plan van Haman om alle Joden uit te moorden trad hij in de openbaarheid op door rouw te bedrijven. Mordechai was iemand van de stam van Benjamin die onder koning Jechonja in ballingschap was weggevoerd en in de burcht Susan terecht was gekomen, hij was de pleegvader van Ester (2:5-7). Hij bleek een zeer belangrijke plaats in Gods handelen met het Joodse volk in te gaan nemen, waarvan hij van tevoren waarschijnlijk geen vermoeden van had, zoals Jozef dat in eerste instantie ook niet had. En misschien krijgt u ook nog een taak te vervullen voor God waarvan u nu nog geen idee heeft! ‘In die dagen dan, toen Mordechai in de poort des konings zat, werden Bigtan en Teres, twee hovelingen des konings, behorende tot de dorpelwachters, zeer verbitterd en zij trachtten aan koning Ahasveros de hand te slaan. Mordechai kwam dit echter te weten en hij vertelde het aan koningin Ester en Ester zeide het de koning namens Mordechai. De zaak werd toen onderzocht en juist bevonden, en die twee werden op een paal gespietst. En het werd in de kronieken opgeschreven in tegenwoordigheid des konings’. Hoe Mordechai achter het plan kwam om de koning te doden weten we niet (2:21-23) maar later bleek het van groot belang te zijn voor de Joodse gemeenschap wiens ondergang aanstaande was. We lezen niet dat Mordechai daarvoor beloond werd maar het was weer één van die ‘toevalligheden waardoor de zaak na een tijd weer aan belangrijkheid won en Mordechai zijn ‘uitgestelde’ beloning ontving. Het was de slapeloosheid van de koning dat hem, door het lezen van het gedenkboek, de daad van Mordechai in herinnering bracht (6:1vv.). Een andere ‘toevalligheid’ was dat het werpen van het lot om de dag te bepalen waarop de Joden zouden moeten worden uitgeroeid met een jaar werd uitgesteld, waardoor Mordechai en Ester voldoende tijd kregen om te handelen en brieven konden uitsturen naar de Joden in alle steden zich te verzamelen en hun leven te verdedigen (3:9-15).

Haman

Een verdrukker, een vijand, die booswicht zo wordt Haman genoemd (7:6), de Jodenhater (3:10). Hij was één van de velen die in de loop van de geschiedenis zich vijandig tegen de Joden gedragen hebben. Omdat God de oorlog aan satan heeft verklaard (Gen.3:15), heeft satan en zijn ‘zaad’ gestreden tegen Christus en zijn ‘zaad’: Kaïn doodde Abel; Farao wilde de Joden doden; Haman probeerde Israël te vernietigen; Herodes trachtte de Heer Jezus – de Christus - te doden. En wat te denken van Hitler in de tweede wereldoorlog? En zo kunnen we doorgaan, want ook vandaag zien we de haat van bijvoorbeeld Iran en de Palestijnen ten opzichte van Israël regelmatig in het nieuws. Veel bijbelleraars zien in de boze Haman een beeld van de toekomstige antichrist die de Joden zal verdrukken om hen te vernietigen. Haman heeft zijn moordplannen opgezet maar deed alsof hij vriendelijk tegen de Joden deed; de antichrist zal een zevenjarig verbond met de Joden maken, maar zal die halverwege verbreken. Haman bezat veel macht, hem door de koning verleend; het beest zal grote macht bezitten, door de satan verstrekt. Haman’s trots was zichtbaar, want hij wilde dat iedereen voor hem zou knielen; het beest zal ervoor zorgen dat iedereen hem zal eren en zijn beeld. Haman haatte de Joden, en de antichrist zal dan evenzo doen. Haman was verdoemd ook al bezat hij voor een tijd macht en gezag. Satans meesterwerk, de antichrist, leek onverwoestbaar, maar Christus zal hem en zijn volgers vernietigen bij zijn komst.

Tenslotte

Zoals eerder gezegd komt de naam van God in dit bijbelboek niet voor, maar toch zien we door alle gebeurtenissen en personen heen dat God aanwezig is en handelt! Een nauwkeurige studie van de boek leidt tot de ontdekking van volgende aanwijzingen van Gods voorzorg: (1) Ester werd uit vele andere kandidaten tot koningin verkozen (2:15-18); (2) Mordechai ontdekt het plan om de koning te doden (2:21-23); (3) Het werpen van het lot voor de dag te bepalen waarop de Joden zouden moeten worden uitgeroeid werd tot later in het jaar uitgesteld, waardoor Mordechai en Esther tijd kregen om te handelen (3:7-15); (4) De aanvaarding van Ester door de koning na een maand (5:2); (5) Het geduld van de koning om Ester toe te staan nog een banket te houden (5:8); (6) De slapeloosheid van de koning dat hem de daad van Mordechai in herinnering bracht (6:1vv.); (7) Het kennelijk gebrek aan herinnering in 6:10, dat ertoe leidde om een Jood te eren waarin hij eerder had toegestaan deze uit te roeien. (8) De bezorgdheid van de koning voor Esters welzijn, terwijl hij een harem had waaruit hij kon kiezen (7:5vv.). Bij Mordechai was het besef dat God deel had in de gebeurtenissen heel sterk aanwezig, wat duidelijk blijkt toen hij, ná de aanvankelijke bezwaren van Ester om naar de koning te gaan, haar antwoordde: ‘Beeld u niet in, dat gij alleen van al de Joden ontkomen zult, omdat gij in het paleis des konings zijt. Want, als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen, en wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt’ (4:13-14; vgl. Gen.45:5). Wat bedoelde Mordechai anders dan dat God op een andere manier zou ingrijpen, toen hij zei: ‘Dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen’?

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX