Wijsheidsboeken Psalmen

  

In deze rubriek zijn de volgende artikelen opgenomen:

 

 

 

 

Psalm 2 - Vier stemmen in Psalm 2

Psalm 23 - De Goede herder

Psalm 37 - Goede raad is duur

Psalmen 42 en 43 - Verlangen naar God

Psalm 51 - Eén daad van ongehoorzaamheid...

Psalm 84 - Op weg naar Sion

Psalm 90 - De eeuwige God en de vergankelijke mens

Psalm 105 - Gods grote daden

Psalm 107 - Reiservaringen

Psalm 139 - Waar is een god aan U gelijk?

Prediker - Deel 1 Inleiding

Prediker - Deel 2 - Hoofdstuk 1:4-11

Prediker - Deel 3 - Hoofdstuk 1:12-2:2

Prediker - Deel 4 -Hoofdstuk 3

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Vier stemmen in Psalm 2

 

 

Inleiding

Dat de Psalmen 1 en 2 één geheel vormen, is onder de meeste Bijbeluitleggers algemeen erkend en aanvaard, de parallellen zijn te opvallend om ze te negeren. Psalm 1 begint met ‘welzalig’ en met hetzelfde woordje eindigt Psalm 2. Dit wordt wel gezien als een aanwijzing dat deze twee Psalmen één geheel zijn, of om het met een theologische term te duiden: een inclusie*. Dat het een inclusie is, wordt mede ondersteund door meerdere tegenstellingen. Ik noem er enkele: (1) Ps.1 begint met ‘welzalig’, Ps.2 eindigt ermee. (2) Ps.1 richt zich op de Wet, Ps.2 op profetie. (3) In Ps.1 zien we Christus als de perfecte Mens en in Ps.2 als de Koning der koningen. (4) Ps.1 gaat over de zegen voor het volk van God, Ps.2 over het oordeel over de volkeren. (5) Ps.1 is de voorbereiding om de Koning van Ps.2 te kunnen ontmoeten. In het Nieuwe Testament wordt Psalm 1 niet vermeld, terwijl Psalm 2 op zijn minst achttien keer wordt aangehaald of ernaar verwezen. Dat de Psalmen genummerd waren, blijkt uit Handelingen 13:32.

Dat Psalm 2 door David is geschreven, blijkt uit de verwijzing die we vinden in het boek Handelingen, waar deze Psalm wordt aangehaald (Hand.4:25-26). Het is dan ook een messiaanse psalm, omdat de tekst vermeld wordt in het Nieuwe Testament en verwijst naar de Heer Jezus. We zien in deze Psalm dan ook profetisch de komst van de Messias aangekondigd, de Heer Jezus. Het koningschap was door God voorzien (Gen.17:6,16; 35:11; Num.24:7,17), maar het was niet de eerste koning, Saul, uit wiens huis de Messias zou komen, maar uit het huis van zijn opvolger, David, want die was van de stam van Juda (Gen.49:10). De belofte vermeld in 2Sam.7:16 spreekt van een verre toekomst en een universeel koninkrijk en koningschap voor altijd en dat gaat ver boven de belofte aan David uit.

De stem van de koningen der aarde bij monde van David (2:1-3)

Dat God geen directe bemoeienis meer met de volken heeft gehad en ze op hun eigen wegen heeft laten gaan na de torenbouw van Babel en de roeping van Abraham, wil niet zeggen dat Hij deze wereld aan zichzelf heeft overgelaten. God heeft als Onderhouder van alle mensen ‘zich niet onbetuigd gelaten in goeddoen door uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven (Hand.14:16-17; 1Tim.4:10). Het wil ook niet zeggen dat God zijn gezag en bestuur over de volken heeft prijsgegeven. Nee, Hij blijft in controle: ‘Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan’ en ‘Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde’ (Dan.2:21; Spr.8:15-16). De volken woelen en zinnen op ijdelheid, wat de profeet Jesaja later omschrijft als: ‘Maar de goddelozen zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kan komen, en wier wateren slijk en modder opwoelen. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’ (Jes.57:20-21). De volken zijn in opstand tegen God, beter gezegd tegen de Christus van God. Die opstand tegen God manifesteert zich in de vervolging van de gelovigen, zoals we dat zien in het boek Handelingen, waar Psalm 2 door Petrus wordt aangehaald na het verhoor door de joodse Raad (Hand.4:25-27). De opstand tegen God houdt vijandschap in tegen zijn volk Israël en de Gemeente. ‘Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat’ en ‘Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen’ (Joh.15:18,20). De volkeren zinnen op ijdelheid ‘want zij kennen de gedachten des Heren niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Mi.4:12).

De wens van de volkeren is om vrij te zijn: ‘Ni Dieu, ni maître!’. Wat die vrijheid dan ook moge betekenen, de echte vrijheid is alleen te vinden in onderwerping aan God en zijn Christus. ‘Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn’ (Joh.8:36). Vrijheid zonder gezag is anarchie en anarchie leidt tot niets en creëert wanorde. Het gezag van God ervaren de volken als een juk dat ze willen afwerpen (Jer.5:5; 27:2,8,11). Van het ‘verscheuren van de banden en touwen’ en de daarmee gepaard gaande gevolgen vinden we een beschrijving in de brief aan de Romeinen (Rom.1:18-32). Hoewel de volken God als Schepper zouden moeten kennen en eren, hebben zij Hem als God niet verheerlijkt of gedankt, en zijn zij in hun overleggingen tot dwaasheid vervallen en is hun onverstandig hart verduisterd geworden (Rom.1:21). De normvervaging in onze dagen legt getuigenis af van de onveranderlijkheid van het menselijk handelen, dat geen rekening wil houden met God. ‘Wij willen niet dat deze over ons regeert’ (Luk.19:14).

De stem van God de Vader (2:4-6)

God is in de hemel en lacht om de ijdelheid en het gewoel van de volken (Ps.37:13; 59:9). God is in de hemel, in volmaakte rust, de volken zijn op aarde en kennen geen rust (Pred.5:1). Voor God zijn de volken als een druppel in een emmer en als een stofje op de weegschaal, ze zijn als niets voor Hem en worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel (Jes.40:15-18). De tijd dat God tot de volken zal spreken in zijn toorn ligt mijns inziens niet meer ver weg, maar tot die tijd spreekt God nog in genade tot deze wereld. Dat God de zondaar niet onmiddellijk oordeelt, betekent niet dat zijn oordeel niet zal komen, het is alleen uitgesteld. ‘Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen’ (Pred.8:11). ‘De goddeloze smeedt boze plannen tegen de rechtvaardige en knarst de tanden tegen hem; de Here belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt’ (Ps.37:12-13). Die dag, de dag des Heren, ‘de grote dag van de toorn van God en het Lam, is gekomen en wie kan bestaan?’ (Op.6:16). De vijandschap van de wereld tegen God zal haar hoogtepunt hebben in de eindtijd, wanneer de satan de naties zal misleiden om hen tot de oorlog te verzamelen om de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad te omsingelen (Op.20:7-9). Maar dan zal Hij tot hen spreken in zijn toorn en hen verschrikken in zijn gramschap, want dan zal er vuur uit de hemel neerdalen en hen verteren, en de duivel, het beest en de valse profeet zullen geworpen worden in de poel van vuur (Op.20:9-10).

Vele keren hebben leiders geprobeerd de wereld aan zich te onderwerpen, we denken maar aan Alexander de Grote en in recentere tijden Napoleon en Hitler. Maar God heeft vastgelegd Wie zijn Koning zou zijn en waar, namelijk in Sion, dat een andere naam voor Jeruzalem is, dat nu nog zonder koning is. ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5). De vervallen hut van David zal weer opgebouwd worden (Hand.15:16) en de voorbereidingen die voorafgaan aan de intrede van Gods Koning, de Heer Jezus, zijn al in volle gang.

De stem van God de Zoon (2:7-9)

De vermelding van Ps.2:7 in het boek Handelingen maakt duidelijk wat het woordje ‘verwekken’ betekent. Het verwijst naar de opstanding van Christus als de eersteling uit de doden (Hand.13:33; 1Kor.15:23; Kol.1:15). Het ‘verwekken’ betekent niet dat de Heer Jezus geschapen is maar dat Hij als Zoon de eerste plaats zal innemen: ‘Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde’ (Ps.89:28). Christus is de eeuwige Zoon van God. Hij is het vleesgeworden Woord en als Zoon van God is hij op aarde gekomen om als Mens te wonen onder de mensen waarvoor Hij zijn leven heeft gegeven op het kruis van Golgotha. Hij is het beeld van de onzichtbare God en de uitstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Heb.1:3; Kol.1:15; 2Kor.4:4). Het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen. ‘Hij is de Christus, die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid’ (Rom.9:5).

Deze Christus nam de duivel mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik u geven, als u neervalt en mij aanbidt (Mat.4:8-9). Maar de Heer Jezus wist van het besluit van zijn Vader (Ps.2:7): de einden der wereld zou de Heer Jezus ontvangen uit de handen van de Vader! Eenmaal zal het moment komen, en wie weet hoe gauw al, ‘dat de Zoon des mensen zal komen in zijn heerlijkheid en alle knie zich voor Hem zal buigen (Mt.25:31v.; Fil.2:9-10).

Een andere Psalm spreekt ons van die dag: ‘Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden. Uw volk (Israël) is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op. De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. De Here is aan uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn; Hij houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op, verplettert hoofden op het wijde veld. Hij drinkt onderweg uit de beek; daarom heft hij het hoofd op’ (Psalm 110).

De stem van God de heilige Geest (2:10-12)

‘Welzalig allen die bij Hem schuilen’ is de oproep en de vaststelling aan het einde van deze Psalm. De stem van de heilige Geest overtuigt de wereld van oordeel, zonde en gerechtigheid (Joh.18:8).

Zelfs na alles wat gebeurd is en gedaan is door de mensen sedert de zondeval tot op heden, is God nog niet veranderd en Hij roept de mensen op zich tot Hem te bekeren en te geloven in zijn Zoon, want Hij wil niet dat er iemand verloren gaat (2Petr.3:9). De voorwaarde om Gods zegen te ervaren is gehoorzaamheid aan Zijn wil; ‘laat u gezeggen’. Het de Here dienen met vreze en beving of ontzag, kan worden uitgebreid met ‘dient de Here met vreugde’ (Ps.100:2), want dat is het gevolg van het zich aan Hem onderwerpen. Die onderwerping aan de Zoon zal in het Vrederijk zichtbaar worden wanneer de volken zullen wandelen in het licht van zijn volk Israël (Jes.42:6). ‘En heidenvolken zullen naar uw licht gaan en koningen naar de glans van uw dageraad’ (Jes.60:3). De volken zullen tot rust zijn gekomen, want de zee is niet meer (Op.21:1).

Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt’ (Mat.25:31-32). ‘Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid’ (Jes9:6). Dan zal Psalm 67 in vervulling zijn gegaan, de Psalm die zo overvloedig spreekt van Gods goedheid voor de volken. ‘God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten; opdat men op aarde uw weg kenne, onder alle volken uw heil. Dat de volken U loven, o God; dat de volken altegader U loven. Dat de natiën zich verheugen en jubelen, omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt, en de natiën op de aarde leidt. Dat de volken U loven, o God, dat de volken altegader U loven. De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons; God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen’. Wat een geweldig vooruitzicht voor de volken, Israël en ook ons, wanneer ‘onze ogen de Koning in zijn schoonheid zullen aanschouwen’ want de Here mijn God, zal komen en alle heiligen met Hem (Jes33:17; Zach.14:6; 2Thes.1:10).

___________________________

* In de theologie is een ‘inclusie’ een literaire structuur gebaseerd op een concentrisch principe, ook bekend als bracketing of een envelopstructuur, die bestaat uit het creëren van een frame door aan het begin en het einde van een sectie vergelijkbaar materiaal te plaatsen, waarbij dit materiaal uit een woord of zin, hoewel ook een grotere hoeveelheid tekst kan bestaan. Van welke lengte de framesectie zou moeten zijn, is onderwerp van debat.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De Goede Herder
Psalm 23

 

 

 

Inleiding

‘Wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en Psalmen’ (Luk.24:45, 27)

De bekende Psalmen 22, 23 en 24 laten ons de Heer Jezus zien zoals ook in heel het Oude Testament. In elk van de drie vermelde Psalmen vinden we een ander aspect van Zijn persoon en werk. Psalm 22 tekent ons de Heer Jezus als de Goede Herder die zijn leven inzet voor de schapen (Joh.10:11). Psalm 23 geeft ons het beeld van de Heer Jezus als de Grote Herder die voor zijn schapen zorgt (Hebr.13:20). Psalm 24 laat ons de Heer Jezus zien als de ‘Overste Herder’ die voor de schapen komt en hen laat delen in zijn heerlijkheid (1 Petr.5:4). Met andere woorden, Christus stierf voor ons in het verleden, Hij leeft en zorgt voor ons in het heden, en Hij zal voor ons in de toekomst komen.

Je kunt Psalm 23 ook lezen als een overzicht van het leven van een gelovige. De verzen 1 en 2 spreken van een pasgeboren gelovige, die zorg nodig heeft. Een baby heeft zorg nodig, het kan zichzelf niet helpen. Vers 3 is voor jongeren, ze hebben discipline en richting nodig, ze moeten leren keuzes te maken. De verzen 4 en 5 spreken van het volwassen leven van een gelovige, moeilijkheden worden ons niet onthouden, en de aanwezigheid van de Herder zal ons tot troost zijn, want ‘Gij zijt bij mij’. Het laatste vers is voor de gelovige die zijn loop heeft volbracht en op het punt staat in te gaan in de heerlijkheid van Gods huis, waar hij of zij zal verblijven tot in lengte van dagen.

1. Op de weide – volmaaktheid (23:1-2)

‘De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren’

Zoals gezegd geeft Psalm 23 geeft ons het beeld van de Heer Jezus als de Grote Herder. In de bijbel worden mensen onder andere gezien als schapen. ‘En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren’ (Mark.6:34). Van de Heer Jezus wordt ook gesproken als van een Lam (Joh.1:29,36; Openb.5:6,12). Volgens Jeremia 10:23 hebben mensen een herder nodig, want zelf kunnen ze hun weg niet vinden. Heeft u een herder om voor u te zorgen en wie is uw herder? De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Ik ben de goede herder die zijn leven inzet voor zijn schapen’ (Joh.11:10).

‘Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden’ (Joh.11:9).

2. In de vallei – rust (23:4)

‘Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil'

Als de schapen de Herder hebben gevonden moeten ze rust hebben om te kunnen herstellen van de gevolgen die ze hebben opgedaan in de tijd dat ze nog geen herder hadden. De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Komt allen tot Mij, Ik zal u rust geven. Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Joh.11:28-29). Ze moeten ook de Herder beter leren kennen. Voordat de Heer Jezus zijn apostelen uitzond om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen lezen we dat ze eerst ‘bij Hem zouden zijn’ om van Hem te leren (Mark.3:14). Een herder drijft zijn schapen niet op, maar gaat voor ze uit dus moeten de schapen zijn stem (her-)kennen. ‘De schapen horen naar zijn stem’ (Joh.10:3). Hoe kunnen wij de stem van de Herder herkennen? Door het Woord van God! Het Nieuwe Testament legt er grote nadruk op dat het kennen van het Evangelie niet voldoende is. Er is meer. Wij moeten, evenals schapen, leiding hebben in ons leven hebben opdat we niet zouden verdwalen in deze wereld vol verleidingen. Daarom dient Gods Woord een onmisbare schakel in ons leven te zijn. En dat niet alleen, we hebben ook voeding nodig en ook daar wil Gods Woord in voorzien.

‘Leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb’ (Mat.28:19).

3. In de kudde – geborgenheid (23:5)

‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij uw stok en uw staf, die vertroosten mij. Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven’

Het leven van een gelovige is geen monotoon bestaan maar staat bol van veranderingen. Psalm 23 begint met groene weiden en stille wateren, waarna je door een vallei van schaduwen des doods kan gaan. Je hebt een wel een dis (er wordt voor je gezorgd) maar wel in het aanschijn van de vijand! Hoe het ook mag gaan in dit leven er is wel een eeuwig huis beloofd en voorzien. We hebben geen ‘roadmap’ die precies aangeeft wat we kunnen verwachten. Beproevingen van ons geloof blijven niet uit, maar God beproefd ons geloof om het beste in ons naar boven te halen. Maar ook de ‘vijand’ zit niet stil. ‘Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden’ (1 Petr.5:8). Maar we hoeven niet bang te zijn ‘want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is’ (1 Joh.4:4).

‘Hij heeft immers zelf gezegd: ‘Nooit zal ik u afvallen, nooit zal ik u verlaten,’ zodat we vol vertrouwen kunnen zeggen: ‘De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat zouden mensen mij kunnen doen’ (Hebr.13:5-6).

4. In het huis des Heren – eeuwigheid (23:6)

‘Ik zal in het huis des HEREN verblijven tot in lengte van dagen’

Ons is geen kalme reis beloofd maar wel een behouden aankomst! Er zijn drie redenen waarom wij zeker kunnen zijn van een plaats in de hemel. Ten eerste de Heer jezus heeft het ons beloofd. ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben’ (Joh.14:2-3). Ten tweede Hij heeft er voor gebeden. ‘Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen’ (Joh.17:24). En ten slotte is Hij ervoor gestorven. ‘Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen’ (1 Petr.3:18). Wat een zekerheid maar ook wat een heerlijkheid om naar uit te kijken!

‘Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’ (1 Kor.2:9).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

‘Goede raad is niet duur’

 

Psalm 37

 

 

 

‘Hij vermaande hen om met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven’ (Hand.11:23)

Inleiding

Ergert u zich ook wel eens aan het feit dat de ongelovige vaak meer voorspoed heeft in het leven dan u, als gelovige? Wel, dan bent u niet de enige! Ook de schrijvers van Psalm 37, 49 en 73 beschrijven die gevoelens en het probleem van de voorspoed van de goddelozen. Dus als gevoelens van afgunst of jaloersheid over de voorspoed van een ongelovige in u opkomen, leest u deze Psalmen maar en u zal tot de ontdekking komen dat die voorspoed maar schijn is.

Psalm 37 is geschreven door David, die kon zeggen: ‘Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden’ (vs25). We mogen er dus van uitgaan dat hij al oud was toen hij deze Psalm schreef en het grootste gedeelte van zijn leven al achter zich had. Met deze Psalm wil hij de ervaringen die hij had opgedaan, met u en mij delen. Hij had geen goede herinneringen aan zijn ontmoetingen met slechte mensen (vs.12) en kende de frustratie die je voelt als je ziet dat de goddeloze voorspoed heeft en de rechtvaardige lijdt. Ja, het lijkt er soms op dat het nutteloos is God te dienen (Mal.3:14). Maar terugkijkend op het verleden geeft David ons de wijze raad ons niet te ergeren aan de schijnbare voorspoed van de goddelozen, maar ons gelukkig te prijzen met onze rijkdommen en dicht bij de Heer te blijven! Daarom, laten we ons voordeel doen met te luisteren naar de ‘woorden van deze wijze man’ (Pred.9:17), want hij geeft ons zes belangrijke adviezen die kunnen dienen voor een gelukkig christelijk leven.

1. Wees niet afgunstig (vs.1)

‘Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht plegen, want zij verdorren als het gras, en verwelken als het groene kruid’

Wat hebben de ongelovigen wat wij missen? In God hebben we immers alles! Want wij zijn ‘gezegend met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus!’ (Ef.1:3). David kon daarvan getuigen : ‘Mij ontbreekt niets!‘ (Ps.23:1). Tijdens zijn ontmoeting met Ezau kon Jakob tegen zijn broer Ezau zeggen: ‘Aanvaard toch mijn geschenk, dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb’ (Gen.33:11).

Beseft u wel dat de goddelozen alles wat zij hebben moeten achterlaten wanneer ze sterven? Denk aan de les van de gelijkenis van de rijke dwaas toen God tegen hem zei: ‘Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn? Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God’ (Luk.12:20-21). Jaloersheid is een zonde wanneer ze overgaat in afgunst om te bezitten wat anderen hebben, maar ze is een deugd wanneer ze betekent dat je waardeert wat je bezit en het wil beschermen. Trouwe echtgenoten kunnen een gezonde jaloersheid tot elkaar hebben en zullen daarom alles doen om een goede relatie met elkaar in stand te houden. God is een naijverig God (Ex.34:3). ‘Ik ben de Here, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven, noch mijn lof aan de gesneden beelden’ (Jes.42:8; 48:11). Zo waakte ook Paulus over de gemeente : ‘Want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen’ (2Kor:11:2).

2. Vertrouw op de Heer (vs.3)

‘Vertrouw op de Here en doe het goede, woon in het land en betracht getrouwheid’

‘Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar voor eeuwig blijft’ (Ps.125:1). Het leven is niet altijd gemakkelijk maar we mogen ons bewust zijn van Gods trouw, Hij zorgt voor ons! In dat bewustzijn mogen we Hem hier dienen met onze gaven. We worden geacht goed te doen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof’ (Gal.6:10). We zijn dienaren en rentmeesters van God en worden geacht daarin trouw te zijn (1Kor.4:2).

Daarom, woon in het land en ook al verheft zich de toorn van een heerser zich tegen u, verlaat dan uw plaats niet, want gelatenheid voorkomt grote misslagen,  maar vertrouw op God, Hij is in staat u te helpen (Pred.10:4). Elimelek en Noömi hebben zich niet aan dat advies gehouden en weken uit naar Moab (Ruth1). De gevolgen zijn bekend. Zou God hen niet geholpen hebben in hun (hongers-)nood? De andere inwoners van Bethlehem leefden immers ook nog toen Noömi na tien jaar terugkwam? Hij Die ons heeft geroepen, is trouw, laten wij het dan ook zijn (1Thes.5:24) 

3. Verlustig u in de Heer (vs.4)

‘Verlustig u in de Here, dan zal Hij u geven de wensen van uw hart’

Je onttrekken aan afgunst of ergernis kun je het beste doen door je met de Heer bezig te houden. Het leidt je aandacht af van anderen. ‘Terwijl wij zien op Jezus’ (Hebr.12:2) want ‘in Hem zijn al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen (Kol.2:3). De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt: ‘Zoek je geluk bij de Heer’. ‘Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!’ (Fil.4:4). De omstandigheden zijn niet altijd zo goed dat wij ons daarin kunnen verblijden, maar de Heer stelt nooit teleur.

Als we ons in Christus verblijden, dan zal zijn wil uw wens zijn. Het was de wens van de Heer Jezus om de wil van God te doen. ‘Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste’ (Ps.40:9). Wij zijn geschapen in Christus Jezus tot het doen van goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen (Ef.2:10). De eerste woorden van de apostel Paulus nadat hij tot geloof was gekomen, waren: ‘Wat moet ik doen, Heer’ (Hand.22:10).

Het zal een verrijking van uw leven als gelovige zijn wanneer u evenals de Heer Jezus kan zeggen: ‘Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen’ (Joh.4:34).

4. Wentel uw weg op de Heer (vs.5)

‘Wentel uw weg op de Here en vertrouw op Hem en Hij zal het maken’

De meest aangehaalde tekst uit het boek Spreuken is waarschijnlijk 3:5 : ‘Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’. Leg uw leven in de handen van de Heer. Wanneer je je vertrouwen stelt op God en je in Hem verlustigt, dan zal je er geen moeite mee hebben je hele leven aan Hem toe te vertrouwen. ‘Hij zal het maken.’ Wat zal Hij maken? Hij zal jouw weg zo bereiden dat jij het meeste voordeel ervan hebt en dat God daarin wordt verheerlijkt. Komen er dan geen moeilijkheden in je leven? Zeker wel. Petrus zou God verheerlijken door zijn dood (Joh.21:19). De eerste gelovige die in de weg van God als martelaar zijn leven gaf ter verheerlijking van God was Stefanus (Hand.7). Hij was in Gods weg en gaf zijn leven zoals zovelen na hem diezelfde weg zijn moeten gaan. En toch: ‘Gods weg is volmaakt!’ (Ps.18:31; 25:4,10). De Heer Jezus heeft God op zijn hoogst verheerlijkt door het werk te voleindigen dat God Hem te doen had gegeven (Joh.17:4). Maar de weg die Hij moest gaan was geen gemakkelijke en toch was het Gods weg! Mag ook de weg die u en ik gaan tot verheerlijking van God zijn.

5. Wees stil voor de Heer (vs.7)

‘Wees stil voor de Here en verbeid Hem; wees niet afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op de man die boze plannen smeedt’

‘De goddelozen zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kunnen komen, en wier wateren slijk en modder opwoelen. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’ (Jes.57:20-21). De Heer waarschuwde het volk Israël dat, mochten zij Hem verlaten, Hij hen zou verstrooien onder alle natiën en dat zij geen rust zouden vinden (Deut.28:64,65). Vandaar dat we lezen dat ‘Israël op weg is naar zijn rust’ (Jer.31:2). Die rust zullen ze pas ervaren wanneer ze tot de Heer zijn teruggekeerd en de Messias hebben aanvaard; dan zal de heerschappij groot zijn en eindeloos de vrede (Jes.6:6).

Maar ook nu nog nodigt de Heer Jezus de mensen uit om tot Hem te komen om rust te vinden voor hun hart. De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Komt allen tot Mij, Ik zal u rust geven’ (Matt.11:28). ‘Onrustig blijft ons hart tot het rust vindt in U’ is een bekende uitspraak van Augustinus. Wat een voorrecht om die vrede te kennen! Rusteloosheid is een bewijs van ongeloof, maar het geloof rust in de Heer en geniet ‘de vrede van God die alle verstand te boven gaat’ (Fil.4:7). Dat had de apostel Paulus ervaren, zelfs in het midden van de strijd. ‘De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn’ (Ex.14:14). ‘Laat los en gij zult losgelaten worden’ (Luk.6:37).

6. Wacht op de Heer (vs.34)

‘Wacht op de Heer en bewaar zijn weg, dan zal hij u verhogen om het land te beërven’

Wachten is altijd moeilijk, om het even waarop, een langverwachte reis, de aankoop van een nieuwe auto of een mooie vakantie. Geduld is een schone zaak! De landman heeft ook geduld nodig om te wachten op de vrucht van het land (Jak.5:7). Geduld zou je ook kunnen vertalen met lankmoedigheid. God is ook lankmoedig over ons (2Petr.3:9). Met het oog op de onrechtvaardige wereld die ons omringt, maant Jakobus de gelovigen aan om geduld te hebben tot de komst van de Heer, want de Rechter staat voor de deur om aan alle onrecht een eind te maken (Jak.5:8,9).

Waar wachten wij op? Het erfdeel dat God voor u heeft? (Ps.37:11,18,22,29,34). Of is uw verlangen meer gericht op een Persoon, degene waarnaar de apostel Paulus verlangde: ‘ik verlang er naar om heen te gaan en met Christus te zijn’ (Fil.1:23)? Of is uw verlangen gericht op de stad die beloofd is (Hebr.11:16)? Of misschien treft u veel lichamelijk lijden en verlangt u naar de verlossing van uw lichaam (2Kor.5:2)? ‘Wanneer zal ik komen om voor Gods aangezicht te verschijnen, want mijn ziel dorst naar de levende God?’ (Ps.42:3).

De Psalmist onderwijst ons dat wij, totdat die dag aanbreekt en wij Hem zullen ontmoeten, rustig in zijn weg hier mogen wandelen, totdat Hij op zijn tijd ons zal verhogen en zal schenken wat beloofd is. ‘Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding’ (Rom.8:24-25). ‘En dit is de belofte die Hij beloofd heeft: het eeuwige leven’ (1Joh.2:25). ‘Laten wij de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden, want Hij die beloofd heeft is getrouw’ (Hebr.10:23).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

  

Verlangen naar God

Psalm 42 en 43

 

 

Inleiding

Het is niet moeilijk om van deze beide Psalmen een indeling te maken, het drievoudig refrein: ‘Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God! ’ geeft dat eigenlijk al aan (Ps.42:6, 12 en 43:5). Dat is de reden dat men ervan uitgaat dat Psalm 42 en 43 één geheel vormen..

Uit de inhoud van deze Psalmen wordt helaas niet duidelijk wie de schrijver is en over wie het gaat. Er zijn er die denken aan koning David, een willekeurige leviet of koning Hizkia, maar echt bewijs daarvoor is er niet. Sommige bijbeluitleggers denken aan koning Hizkia als schrijver of persoon die hier beschreven wordt omdat de gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens zijn leven goed overeenkomen bij de gevoelens die hier beschreven worden.

Van meerdere psalmen ontbreekt de naam van de schrijver en dat biedt de mogelijkheid om ze op ons zelf toe te passen. In meerdere Psalmen worden de gevoelens van de gelovigen uit het Oude Testament beschreven, die ook ons niet onbekend zijn zoals: teleurstelling, verlangen, bitterheid, wanhoop om er maar een paar te noemen.

‘Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij?’ (Ps.42:6, 12; 43:5). Er zijn een aantal factoren waardoor de psalmist zich zo onrustig voelde. Ten eerste was hij zich niet meer bewust van Gods aanwezigheid en verlangde hij naar de dagen van weleer (42:1-6). Maar ook het gespot van anderen speelden een grote rol wanneer ze hem vroegen: ‘Waar is uw God?’ Ja, waar is God in tijden van tegenspoed? (42:7-12) Tenslotte was er de angst voor de toekomst mogelijke  onderdrukking en duisternis (Psalm 43).

1. Verlangen naar God tijdens een grote droogte. (42:1-6)

‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God.’ 

Er was een groot gemis in het leven van de psalmist gekomen, een grote droogte, hij was God kwijt! Iemand heeft een gezegd: ‘het ergste wat een gelovige kan overkomen is de afwezigheid van God!’ Een dergelijke ervaring heeft Maria Magdalena gekend toen zij op de eerste dag van de week naar Jezus’ graf ging en tegen Petrus en de andere discipel zei: ‘Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf en wij weten niet waar zij Hem hebben gelegd’ (Joh.20:2). Was de afwezigheid van de Heer hier nog in algemene zin uitgedrukt, even later maakt ze het persoonlijk wanneer ze de vraag van de twee engelen beantwoord, die vroegen: ‘Vrouw, waarom ween je?’ ‘Omdat zij mijn Heer hebben weggenomen en ik weet niet waar zij hem hebben gelegd’ was haar antwoord (Joh.20:14). Ze was haar Heer kwijt, en dan ben je alles kwijt. Gelukkig weten we uit het vervolg dat haar droefheid in vreugde veranderde toen de Heer Jezus zich aan haar bekendmaakte. Maar de Heer is nooit veraf; Hij is dichtbij zelfs als Maria Magdalena Hem niet herkent en denkt dat het de hovenier is. (Jes.41:10; Ps. 46:8; Heb. 13:5).

Ook als er zonde is in het leven van een gelovige kan de afwezigheid van God ervaren worden. Psalm 32 beschrijft een dergelijke situatie: ‘Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder  mijn gejammer de ganse dag; want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg  verdroogde als in zomerse hitte.’ Dat was de situatie ‘totdat hij zijn zonde bekendmaakte’ (Ps.32:3-4). Ervoer ook David niet die afwezigheid van God in zijn leven doordat zijn zonde bestendig voor hem stond en er geen blijdschap meer over Gods heil aanwezig was? (Ps.51:5,14). ‘Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (Jes.59:1-2). Berouw en bekering zijn de sleutels waardoor de gelovige de deur voor God weer kan openen zodat rust en blijdschap kunnen terugkeren en de aanwezigheid van God weer kan worden ervaren.

De psalmist dacht terug aan hoe goed het vroeger wel was, hij vergeleek zijn situatie met die van vroeger en er ontstond een groot verlangen om terug voor Gods aangezicht te verschijnen. ‘Wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?’ Soortgelijke ervaringen vinden we terug bij de pelgrims in Psalm 84: ‘Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des HEREN; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God’. In Psalm 84 en Psalm 42 is het niet het belangrijkste om weer in de tempel aanwezig te zijn als plaats van aanbidding, maar om een hernieuwde ontmoeting met God. Een groot verlangen ontstaat als er een groot gebrek is. Dat vinden in de gelijkenis van de verloren zoon geïllustreerd. Pas toen hij gebrek begon te lijden kwam hij tot zichzelf en zei: ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van de honger?’ (Luk.15:17).

Is het u ook wel eens overkomen dat u de aanwezigheid van God mistte in uw leven, zoals de psalmist het hier omschrijft? Het is wellicht daarom dat God ons een beetje laat ploeteren, opdat er een oprecht en groot verlangen komt om Hem weer op te zoeken en ons leven met Hem te vullen. ‘Wie Mij ernstig zoeken zullen Mij vinden!’ (Spr.8:17).

2. Herinnering aan God tijdens een grote storm. (42:6-11)

‘Al uw baren en golven slaan over mij heen’

‘Stormen’ horen bij het leven, en als u nog geen storm meegemaakt hebt dat mag u ervan uitgaan dat die nog zal komen. Wellicht heeft u zich ook wel eens onzeker gevoeld wanneer je dreigde te verdrinken tijdens een storm, zoals de psalmist hier. Er zijn drie soorten ‘stormen’ waarin wij terecht kunnen komen. Een storm waarvoor we zelf kiezen, zoals Jona die ongehoorzaam was aan Gods opdracht. Een storm waarin we terecht komen door de schuld van anderen zoals Mozes en Kaleb die onverdiend deelden in de bestraffing en met het volk veertig jaar de woestijn door moesten. En dan zijn er nog stormen waarin de Heer ons laat komen (Joh.6:16). De psalmist spreekt hier van: ‘uwer stromen’, en ‘uw baren en golven’ (42:8). Als u zich door omstandigheden overstelpt voelt, dan is het van grote waarde  om te weten dat het ‘Zijn’ baren en golven zijn, en dat God met u bezig is. Hij weet wat het beste voor u is. De apostel Paulus lijkt ook zo’n soort situatie te hebben gekend wanneer hij zegt dat God Zich, niet alleen over Epafroditus heeft erbarmd, maar ook over hem, opdat hij ‘niet droefheid op droefheid had’ (Fil.2:27).

Gevoelens van verlatenheid kunnen vat op ons krijgen wanneer we in een situatie terecht komen waarin we niet meer weten hoe te handelen. We kunnen gaan twijfelen aan God en zoals de psalmist zeggen: ‘Waarom vergeet Gij mij?’ (Ps.42:10). Tijdens de vaart op het meer van Tiberias stak er een zware stormwind op en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep en de discipelen in grote nood verkeerden, toen maakten zij Hem wakker en zeiden tot Hem: ‘Meester, trekt Gij er U niets van aan, dat wij vergaan’ (Mark.4:35-38).

Er kunnen momenten in ons leven zijn waarin we ‘niet weten wat we naar behoren zullen bidden’ maar dat betekend niet dat God niet aanwezig is in onze beproeving (Rom.8:26). Beproevingen zijn er voor om het beste in ons naar boven te halen, verzoeking om het slechtste in ons naar boven te halen. Stormen in het leven mogen we zien als beproeving van ons geloof. ‘Een geloof dat niet beproefd mag worden is niet waard een geloof genoemd te worden’, heeft eens iemand gezegd. Job antwoorde Elifaz: ‘Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud tevoorschijn‘ (Job23:10). Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt, daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt. Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen bent, terwijl het u aan niets ontbreekt’ (Jak.1:2-4).

Laat u niet leiden door uw gevoelens maar ga u voeden met en u laat u leiden door Gods Woord (43:3). God zal u beschermen en leiden, hoe ellendig en verlaten u zich ook voelt. God is machtiger dan uw gevoelens.  Wandel in geloof, dan zal Hij u erdoorheen helpen. En vergeet niet: ‘werpt al uw bezorgdheid om Hem, want Hij zorgt voor u’ (1Petr.5:7). ‘En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte’ (Mark.4:39).

3. Bezorgdheid over mogelijke gevaren (43:1-5)

‘Zend uw licht en uw waarheid; mogen die mij geleiden’

In Psalm 42 keek de psalmist naar het verleden en heden. De psalmist herinnerde zich de tempel en kreeg een groot verlangen naar vroeger. Er is niets mis met herinneringen zolang je maar niet in het verleden gaat leven. Mensen die zeggen dat de vroegere tijden beter waren hebben vaak veel fantasie en een slecht geheugen! We kunnen de gebeurtenissen in het heden niet veranderen, maar ze kunnen ons wel veranderen doordat we de lessen er uit ter harte nemen.

In Psalm 43 spreekt de psalmist over mogelijke gevaar en onderdrukking in de toekomst (vs.3) en hij ziet de toekomst dan ook met zorg tegemoet en vraagt om te ontkomen aan de man van bedrog en onrecht (vs.1). Hij voelt zich als door God verstoten, aan zichzelf overgelaten, maar geeft de trouw van God in het verleden, geen vertrouwen voor de toekomst? Hoe zwaar de verdrukking ook mag zijn, Hij zal ons niet begeven noch verlaten, dat is toch Gods belofte? Omstandigheden kunnen er toe leiden dat we een donkere periode mee moeten maken in ons leven.

Hoe uit deze situatie te komen? Gelukkig spreekt deze psalm ook van hoop en verlossing. De psalmist vraagt om ‘licht en waarheid’ opdat die hem mogen leiden en brengen naar Gods heilige berg en woningen waar hij de geborgenheid mag verwachten die hem hier ontbreekt. Zulke gevoelen van angst spreekt David uit in Psalm 55: ‘Mijn hart krimpt in mijn binnenste ineen, verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen, vrees en beving komen over mij, schrik overstelpt mij, zodat ik zeg: O, had ik vleugelen als een duif, ik zou wegvliegen en een woonplaats zoeken; zie, ver zou ik heenvlieden, ik zou vernachten in de woestijn. Ik zou mij haastig een wijkplaats zoeken tegen de rukwind, tegen de storm’ (Ps.55:4v.).

Waar vinden we licht en waarheid anders dan in het Woord van God? ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad’ (Ps.119:105). Als de psalmist om zich heen keek zag hij gevaar en donkerheid, maar richtte hij zijn ogen naar boven kreeg hij een geweldig uitzicht. In de brief aan de Hebreeën worden ook wij opgeroepen om te zien op de vreugde die voor ons ligt (Hebr.12:2) om dan, ontrukt aan alle aardse beslommeringen, zorgen, verdriet, pijn en rouw te gaan naar Gods altaar, tot de God van onze jubelende vreugde (vs.4). Het tegenwoordige lijden is niet waard is vergeleken te worden met de heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden.

We zouden verwacht hebben dat deze Psalm zou eindigen met een antwoord op de vraag die al in Psalm 42 werd gesteld: ‘Wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?’ (42:3). Geen antwoord maar daarvoor in de plaats het bekende refrein: ‘Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!’ (43:5). We zijn op weg naar onze rust, gelijk het volk Israël (Jer.31:2) en zien uit naar dat moment wanneer we voor Gods aangezicht zullen verschijnen in heerlijkheid.

En in de tussentijd? Dan mogen we de adviezen van de apostel Petrus ter harte nemen die schreef: ‘Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede’ (2Petr.3:11-14).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Één daad van ongehoorzaamheid...

Psalm 51 (2 Samuël 11-12)

 

 

‘Eén daad van ongehoorzaamheid, kan maken dat men jaren schreit!’ is een gezegde dat gemakkelijk toe te passen is op een gebeurtenis in het leven van David die we allemaal kennen, namelijk zijn overspel met Batseba. Het is een gegeven dat we de slechte dingen van iemand beter onthouden dan de goede. De Bijbel schijnt die gedachte te bevestigen wanneer we lezen: ‘David was niet afgeweken van iets, dat Hij hem geboden had, behalve in de zaak van de Hethiet Uria’ (1 Kon. 15:5). Het was dan ook een ernstige zonde die David had begaan, het was niet alleen het overspel met Batseba, maar ook zijn handelingen die eraan voorafgingen ten opzichte van Uria, de echtgenoot van Batseba.

De strijd tegen de zonde

Toch wordt van David gezegd dat hij ‘een man naar Gods hart was’ (Hand. 13:22). Dat is zeker een prachtig getuigenis! Hoewel deze zonde van David in het Nieuwe Testament niet vermeld wordt - een blijk dat er een totale vergeving geweest moet zijn waarop de Heilige Geest niet terugkomt - kun je jezelf natuurlijk afvragen waarom deze ‘zwarte bladzijde’ uit het leven van David wel vermeld wordt in het Oude Testament. Met een verwijzing naar 1Kor. 10:6 zouden we kunnen zeggen dat de zonde van David behoort tot ‘deze dingen die gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in het kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden’. Ervaren ook wij niet, evenals David, de strijd tegen de zonde! Of is er iemand onder de lezers die kan zeggen: ‘Ik ben zonder zonde!’ (Pred. 7:20, Spr. 20:9). De Heer Jezus heeft gezegd ‘dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel gepleegd heeft in zijn hart’ (Matt. 5:28).

Verliezen van de zonde

Dat men niet graag spreekt over de zonde is duidelijk, het is een beladen onderwerp. En dat men niet graag spreekt over zonde in het leven van een gelovige mag helemaal duidelijk zijn, en David was een gelovige!

Dat David wist dat hij een grote zonde gedaan had, mag wel blijken uit de woorden waarmee hij Psalm 51 begint: ‘Wees mij genadig, o God naar uw goedertierenheid’ (Ps. 51:3). Als iemand van het volk gezondigd had, dan bestond daarvoor de mogelijkheid om God een offer te brengen waarmee de zonde was verzoend en de zondaar zijn weg kon vervolgen. Maar dat was niet zo in Davids geval! De zonde die David had gedaan was immers geen onopzettelijke zonde, maar een zonde gepleegd met opzet en daarvoor bestonden er geen offers, maar slechts de doodstraf (Lev. 4:22, 20:10, Num. 35:15, 31, vgl. Hebr. 10:26). Daarom kon David alleen maar een beroep doen op Gods genade en barmhartigheid.

Het proces van de zonde

Maar laten we eens nagaan hoe David ertoe gekomen is om deze daad te doen? Jakobus 1:14-15 leert ons dat het komen tot zondigen een proces is, het komt immers niet zomaar uit de lucht vallen! Ik meen dat we dit proces kunnen traceren in de gebeurtenissen die aan de uiteindelijke daad voorafgingen.

Ten eerste lezen we dat David geen deel meer nam aan de strijd. ‘In het daaropvolgende jaar, ten tijde, dat de koningen plegen ten strijde te trekken, zond David Joab uit en zijn knechten met hem, benevens geheel Israël, en zij vernietigden de Ammonieten en sloegen het beleg voor Rabba, maar David bleef in Jeruzalem’ (2Sam. 11:1). Spreuken 8:8 zegt: ‘er is geen verlof tijdens de strijd’. Als David meegegaan was in de strijd, zou hij niet in verzoeking zijn geraakt.

Ten tweede mogen we uit het voorgaande afleiden dat David zijn wapenrusting had afgelegd omdat hij geen deel meer nam aan de strijd, waardoor hij bijzonder kwetsbaar was geworden. We weten uit Gods Woord dat de duivel rondgaat ‘zoekende wie hij kan verslinden’ (1Petr. 5:8). Paulus schrijft in de brief aan de gelovigen in Efeze over het gevaar van het niet aandoen van de wapenrusting Gods. ‘Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden’ (Ef. 6:12-13).

Ten derde zien we het proces tot zondigen zich ontplooien zoals we dat kunnen lezen in 2Samuël 11:2-5. ‘Op zekere avond stond David van zijn rustbed op en wandelde op het dak van het paleis, en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk. Toen liet David naar die vrouw vragen en men zeide: Wel, dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria. Daarop zond David boden om haar te halen. Zij kwam tot hem, en hij lag bij haar – zij had zich van haar onreinheid gezuiverd –; daarna keerde zij terug naar haar huis. En de vrouw werd zwanger en liet David weten: Ik ben zwanger’. Hij zag, hij begeerde en hij nam. Een proces zo oud als de mens zelf (Gen. 3:6, 1Joh. 2:16). We worden ervoor gewaarschuwd in het boek Spreuken: ‘Zal iemand vuur in zijn boezem halen, zonder dat zijn klederen in brand geraken? Of zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten verbranden? Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die haar aanraakt, gaat vrijuit’ (Spr. 6:27-29). Had David maar een verbond met zijn ogen gesloten (Job 31:1)!

De last van de zonde

Psalm 51 – de boetpsalm – kunnen we herleiden tot drie vragen: ‘ontzondig mij’ (vs.9), ‘vernieuw mij’ (vs.12) en ‘gebruik mij’ (vs.15).

David was zich bewust van zijn situatie door te zeggen ‘ontzondig mij’,’ want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig vóór mij’ (Ps. 51:5). Het moet geen prettige tijd voor David geweest zijn, hij ging ermee naar bed en hij stond ermee op. Toch heeft David er zeker negen maanden mee rondgelopen voordat hij zover was dat God de profeet Natan naar hem toe kon sturen en David tot belijdenis van zonden kwam. Belijdenis is het begin van herstel. Gelukkig kende hij de God van alle genade (1Petr. 5:10) van Wie geschreven staat ‘Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen’ (Job 5:18). David wilde geheeld worden opdat hij weer dienstbaar kon zijn en ‘overtreders uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren’ (Ps. 51:15).

Bevrijdt van de zonde

En toen kwam Natan … (2Sam. 11:1-5). De tijd die was verlopen tussen Davids overspel met Batseba en de komst van Natan heeft meer dan negen maanden geduurd. Hoe zou Natan gepopeld hebben om David te benaderen om met hem te spreken over zijn zonde, immers het was geen verborgen zonde. We mogen ervan uitgaan dat iedereen ervan op de hoogte was en dat het getuigenis van David daardoor ernstig geschaad was. Maar niet alleen Davids naam en die van het volk, maar ook Gods naam en eer stonden ernstig onder druk.

‘De Here zond Natan tot David’ (2Sam.12:1). De tijd was rijp, het had lang genoeg geduurd, er kwam geen spontane belijdenis van David, hij moest geholpen worden. Ook Natan zijn tijd was gekomen. Ook hij had negen maanden tijd gehad om zich voor te bereiden op deze ontmoeting. Zou hij gebeden hebben voor wijsheid? Het is immers niet gemakkelijk om iemand – en in dit geval de koning – op zijn zonden te wijzen! Maar hij doet het op een meesterlijke wijze, niet met een opgeheven vingertje maar met een verhaal. ‘Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve één klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter. Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen, een van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was’ (2Sam. 12:1-5).

Wat was Davids reactie? Hij ontbrandde in toorn. Zijn gevoel voor rechtvaardigheid kreeg de overhand en hij kwam tot de uitspraak: ‘Zo waar de HERE leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods. En het ooilam moet hij viervoudig vergoeden omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had’ (2Sam. 12:5-6). Dat was voor Natan hét moment om David zijn eigen daad aan de kaak te stellen. ‘Gij zijt die man!’ is Natans antwoord en David reageert daarop met de woorden: ‘Ik heb tegen de Here gezondigd’ (2Sam. 12:13). Eindelijk het is eruit! David heeft het er moeilijk mee gehad om tot dat punt te komen. Psalm 32 en 51 getuigen daarvan. En nu mag hij Gods vergeving, een hernieuwde blijdschap en een genadige en vergevende God ervaren. Ook daarvan getuigen de twee psalmen.

Vier pastorale lessen voor omgaan met zonde

De lessen die wij uit dit voorval in het leven van David kunnen trekken, voor het omgaan met zonde, zijn de volgende. Ten eerste, laten we voorzichtig zijn met het beoordelen van een gelovige die in zonde is gevallen en zien op onszelf (Gal. 6:3). Ten tweede, wacht op Gods tijd mocht u overwegen iemand te willen helpen, laat de Heilige Geest eerst zijn werk doen. Ten derde, wees voorbereid als God u roept. Ten vierde, wees tactvol zodat de ander u mag zien als een boodschapper van God en niet als een bemoeial.

‘Het doel van tuchtiging is herstel, het doel van herstel is dienstbaarheid’

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

Op weg naar Sion

Psalm 84

 

 

 

 

Inleiding

Het is al weer enige jaren terug dat mijn moeder stierf, en ik was, wegens verblijf in het buitenland, niet in de gelegenheid om haar begrafenis bij te wonen. Voor mij was dat een moeilijke tijd omdat ik ernaar verlangde om die dag, zoals veel anderen, bij te wonen. Om die reden kan ik de gevoelens van diegene die Psalm 84 heeft geschreven heel goed begrijpen. Ik begrijp natuurlijk wel dat de vergelijking enigszins mank gaat, omdat je een moeder niet kunt vergelijken met God, naar wie de psalmist uitkeek, maar toch!

De uitdrukking ‘verschijnen voor God in Sion’ geeft aanleiding tot de gedachte dat het hier om een Joodse man gaat die niet in de mogelijkheid is om op te gaan naar Jeruzalem om één van de drie jaarlijkse feesten bij te wonen (Ex.23:17, 34:23). Veertig jaar heeft het volk in de woestijn gewandeld, na de uittocht uit Egypte. Maar ook nadat ze het beloofde land waren binnengetrokken, herinnerden deze drie feesten hen eraan dat ze nog steeds pelgrims waren op aarde (1Kron.29:15), zoals nu Gods volk op aarde dat is (1Petr.1:1, 2:11).

Iemand heeft dat eens zo onder woorden gebracht: “Een landloper heeft geen huis, een vluchteling rent weg van huis, een reiziger is weg van huis, een pelgrim is op weg naar huis”. Maar de onmogelijkheid van de psalmist om aanwezig te kunnen zijn op het feest, beroofde hem niet van de zegen van de gemeenschap met God, dat lezen we in het vervolg van deze Psalm.

Mijn verlangen is naar God

We weten niet wat de reden was waarom deze man niet kon gaan. Misschien was hij ziek of waren er andere problemen. Hij schrijft: ‘Hoe liefelijk zijn uw woningen, o HERE der heerscharen! Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des HEREN; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God’ (vs.1-2). Zijn verlangen was niet uitsluitend om naar Jeruzalem te gaan om een feest te vieren en er deel van uit te maken en ook niet om de tempel te bezoeken met al zijn pracht. Hij wilde naar de tempel gaan om God te ontmoeten. Of om het met de woorden van Psalm 42:2-3 te zeggen: ‘Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?’.

Gods huis, of beter Gods aanwezigheid, is voor de ziel wat een nest is voor een zwaluw: een plaats van rust, vrede en bevrediging. ‘Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen neerlegt’ (vs.3).

De psalmist is wat jaloers op de priesters: ‘Welzalig zij die in uw huis wonen, zij loven U gestadig’ (vs.5). Buitenstanders werden niet geacht om er te wonen, en er was zelfs een limiet gesteld voor hen die wel binnen mochten komen. Wij hebben echter het voorrecht om rechtstreeks met God gemeenschap te mogen hebben, waar we ook zijn, zonder bemiddeling van een priester. Heeft u datzelfde verlangen als de psalmist om God te ontmoeten en te aanbidden?

Mijn kracht is in God

Zoals al gezegd, werd iedere man geacht drie feesten in Jeruzalem bij te wonen en te vieren. Hele dorpen gingen in groep samen en zongen onderweg liederen. ‘Welzalig de mensen wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn. Als zij trekken door een dal van balsemstruiken, maken zij het tot een oord van bronnen; ook hult de vroege regen het in zegeningen. Zij gaan voort van kracht tot kracht en verschijnen voor God in Sion’ (vs.6-8). Ziet u ze al op weg gaan? Men heeft mij verteld dat mijn grootvader, als hij op zondag te voet naar de kerk ging, onderweg altijd hardop geestelijke liederen zong. Hoe gaan wij op naar onze samenkomst, ook met een lied in onze mond en in ons hart? ‘Welzalig zij die in uw huis wonen, zij loven U gestadig’ (vs.5).

De weg die ze gaan moesten bleek een weg vol beproevingen, want ze kwamen door een vallei die Baka[1] heette (d.i. ‘geween’). Een tranendal zeggen we dan, waarmee we bedoelen dat het leven hier op aarde soms veel verdriet en zorgen kent. Maar we lezen dat zij dat dal tot ‘een oord van bronnen’ maakten. Niets kon hen tegenhouden, niets kon hun vreugde wegnemen. Ze zagen uit ‘naar de vreugde die voor hen lag’ (vgl. Hebr.12:2). Als ze door het dal trokken, lieten ze een zegen achter voor iemand anders. Ze bleven niet in het dal, ze trokken erdoor (vgl. Ps.23:4)! Hun beproevingen hadden hen niet bitter gemaakt, maar beter! Gaan ook wij op onze pelgrimsreis niet vaak door een tranendal? En als je erdoor trekt, kom je er dan rijker uit? Zij gaan voort van kracht tot kracht en verschijnen voor God in Sion(vs.7). Ze keken vooruit om de levende God te ontmoeten als ze opgingen naar Jeruzalem om een feest te vieren. Ook wij gaan van kracht tot kracht. Misschien zeg je als je vooruit kijkt: ‘Ik haal het nooit!’ Maar je zult er komen! Hij zal jou de kracht geven op je reis naar Sion. “Nooit kan ’t geloof te veel verwachten; des Heilands woorden zijn gewis. ’t Faalt aardse vrienden vaak aan krachten, maar nooit een vriend als Jezus is”.

We lezen van David ‘dat hij zich sterkte in de Here zijn God’ (1Sam.30:6). Kracht voor de reis krijg je door gebed en het Woord. Vandaar dat de psalmist zegt: ‘Here, God der heerscharen, hoor mijn gebed’ (vs.9). En tegen Elia werd door de engel des Heren gezegd: ‘Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn’ (1Kon.19:7). Bidt u en eet u, opdat u de reis goed kunt voleindigen?

Mijn vertrouwen is op God

De psalmist verlangt er naar om de voorhoven van God binnen te gaan. Maar als hij daarover nadenkt, realiseert hij zich dat hij voor het ontvangen van Gods zegen niet afhankelijk is van een verblijf in de tempel. ‘Want de HERE God is een zon en schild, de HERE geeft genade en ere; het goede onthoudt Hij niet aan hen die onberispelijk wandelen’ (vs.12).

Met Genade – zo begint de geestelijke reis. We zijn behouden door Gods genade. We geloven Jezus Christus, en Gods genade heeft ons gered. Met ere of heerlijkheid – zo eindigt onze reis. Eenmaal zal de dag aanbreken dat we in de hemel zullen zijn en zijn heerlijkheid voor altijd zullen aanschouwen.

Maar tussen genade en heerlijkheid, ligt het leven dat soms moeilijk kan zijn. We lezen in 1Petrus 5:10 ‘Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten’. Wat begint met genade, eindigt met heerlijkheid, maar hoe gaan wij de reis die ligt tussen genade en heerlijkheid? ‘Want de HERE God is een zon en schild’. Hij is een ‘zon’. De zon voorziet in het nodige licht dat we nodig hebben op onze reis. ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad’ (Ps.119:105). Hij is een schild. Dat houdt bescherming en veiligheid in. We beginnen de reis in genade, we volbrengen onze reis in het vertrouwen op God die voorziet en beschermd, en we eindigen onze reis door in te gaan in Gods heerlijkheid.

Wat wil ‘onberispelijk wandelen’ zeggen (vs.12)? Dat wil zeggen dat we wandelen in het licht, in gehoorzaamheid aan zijn Woord, dat wij Hem liefhebben en vertrouwen. Hoort u bij die mensen die ‘onberispelijk wandelen’ op weg Hem tegemoet? Gaat u mee op reis naar Sion?


Het woord dat in vs. 7 vertaald is met ‘balsemstruiken’ is het Hebr. woord ‘baka’, tevens de naam van een vallei in Palestina. Deze naam betekent ‘wenen’. Het sap van de balsemstruik stroomt als tranen en hij wordt ook wel ‘de huilende boom’ genoemd.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

De eeuwige God en de vergankelijke mens

Psalm 90

 

 

 

Inleiding

‘Woorden van wijzen, in rust aangehoord, zijn beter dan het geschreeuw van een heerser onder dwazen’ (Prediker 9:17).

Een ervaringsdeskundige aan het woord.

Dit is de oudste Psalm van alle Psalmen en was geschreven door Mozes, de man Gods (Jozua 14:6; Ezra 3:2). Het gaat over onderwerpen die hun oorsprong hebben van na de zondeval. Deze onderwerpen zijn: de eeuwige God en de zwakke mens, leven en dood, een heilige God en zondige mensen, en de betekenis van het leven in een verwarde wereld. Het is mogelijk dat Mozes deze Psalm schreef na het falen van Israël in Kadesh-Barnea (Numeri 13-14), toen het volk veroordeeld werd om veertig jaar door de woestijn te trekken totdat de oudere generatie was gestorven. Die tragedie werd gevolgd door het sterven van Mozes’ zuster Miriam en zijn broer Aaron en tussen deze twee sterfgevallen, was Mozes aan God ongehoorzaam en sloeg de rots (Numeri 20:1-13). Hoe speelde Mozes het klaar ‘een man Gods’ te worden én dat te blijven na veertig jaar verblijf in Egypte dat eindigde in een fiasco, veertig jaar in Midian als een nederig schaapherder, en veertig jaar lang als leider van het volk door de woestijn? Het leven was niet gemakkelijk, maar Mozes overwon. Tijdens de woestijnreis had Mozes God ervaren (Deuteronomium 8; Jozua 1:5) en in deze Psalm deelt hij zijn ervaringen met ons, opdat wij ook kracht voor de reis zouden ontvangen en overwinnaars zouden worden.

1. Tijd en eeuwigheid (Psalm 90:1-6)

Eerst waren er zonnewijzers. Toen kwamen er waterklokken, zandlopers en mechanische klokken. Nu hebben we digitale klokken en uurwerken en meten we de tijd in honderdsten van een seconde. Onze cultuur heeft iets met de tijd. Daarom is het goed eens na te denken over wat Mozes zegt: ‘Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest van geslacht tot geslacht; eer de bergen geboren waren, en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren, wanneer hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake (vs.1-2, 4). Het is goed om Gods eeuwigheid beschouwen in het licht van de menselijke tijdelijkheid. Wij zijn schepselen in de tijd, maar God is eeuwig. ‘Waar waart gij, toen ik de aarde grondvestte?’ vroeg de Here aan Job (Job 38:4).

De eeuwigheid waar wij voor staan ​​is in Zijn handen. Wij zijn stervelingen, en onze dagen zijn als het gras. (Hebreeën 9:27; Psalm 103:15). De psalmist verteld ons ook dat God trouw is. Van generatie tot generatie, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij is trouw geweest, en zal dat blijven. Hij is de God van Abraham, Izaäk en Jakob. Hij wil de God zijn van elke persoon. Hij is de God Die we kunnen vertrouwen. Laat Hem daarom de God van jouw leven zijn. Als je in Hem blijft en leeft tot eer van Hem, krijg je deel aan zijn heerlijkheid. De Bijbel zegt: ‘wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid’ (1 Johannes 2:17). Wat doe jij met je tijd? Petrus deelt zijn leven op in twee delen, vóór en ná zijn bekering, hij noemt dat ‘de rest van mijn leven’. ‘Zo iemand laat zich gedurende de rest van zijn leven niet meer leiden door menselijke verlangens maar door Gods wil’ (1 Petrus 4:2).

‘Voorwaar, wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht’ (1Kronieken 29:15).

2. Spreken over het leven (Psalm 90:7-11)

De levensverwachting van de mens ligt tegenwoordig boven de zeventig jaar. Dat is goed nieuws, vijfentwintig jaar geleden lag dat een stuk lager. Misschien gaat het nog stijgen, maar in vergelijking tot de eeuwigheid is de levensduur van de mens erg kort. Daarom lezen we: ‘Zeventig jaar duren onze dagen, of tachtig als wij sterk zijn. Het beste daarvan is moeite en leed, het gaat snel voorbij en wij vliegen heen’ (vs.10).

Dat klinkt als een nogal sombere uitspraak, maar het is waar. De ‘setting’ van Psalm 90 is te vinden in de gebeurtenissen die in Numeri 14 vermeld zijn. God had de Israëlieten rechtstreeks naar Kades-Barnea gebracht en gezegd: 'Ga en neem het land in bezit!’ Maar ze deden het niet. Ze twijfelden aan Gods beloften en zijn wijsheid. Ze geloofden niet dat God hen in staat zou stellen om het land in te nemen. De consequentie was dat iedereen die ouder dan twintig jaar was zou sterven binnen de komende veertig jaar. En dat is wat gebeurde. De volgende veertig jaar trok het volk door de wildernis, terwijl de oude generatie stierf. God ging verder met de jonge generatie en het beloofde land werd door hen in bezit genomen. De oudere mensen wisten dat ze zouden sterven voordat ze het beloofde land zouden binnen trekken. Christenen weten dat wanneer zij sterven naar een plaats gaan die de Heer Jezus voor hen heeft bereid (Johannes 14). Het is belangrijk ernst te maken met ons leven hier op aarde. Ja, ons leven wordt niet gespaard van moeiten en zorgen, en als de Heer niet spoedig komt zullen ook wij moeten sterven. Maar de dood leidt naar de eeuwigheid. En we leven vandaag met het uitzicht op het eeuwige leven. De Bijbel zegt: ‘maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid’ (1 Johannes 2:17). Laten we in reactie op de beloofde heerlijkheid vandaag leven naar de wil van God.

‘Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan, zij zouden op hun einde letten’ (Deuteronomium 32:28-29).

3. Een hart vol wijsheid (Psalm 90:12)

‘Leer ons zó onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen’ (Psalm 90:12). Deze woorden van Mozes vatten samen wat we moeten weten wil ons leven waarde hebben. We leven een dag met een keer. Normaal gesproken tellen we onze dagen niet, wel onze jaren. Als je jarig bent en iemand vraagt naar je leeftijd dan zeg je hem hoeveel jaar je bent. Maar we kunnen beter onze dagen tellen, want we leven een dag per keer. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ (Mattheüs 6:11). De hele schepping staat in het teken van de dag (Genesis 1).

Geef ons een wijs hart!(vs.12). We dienen zorg te dragen voor ons hart, niet allen fysiek maar ook geestelijk. Daarom schreef Salomo: ‘Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven’ (Spreuken 4:23) Wat er in je hart is zal jouw leven bepalen.

Om ‘geestelijk’ te overleven in deze wereld hebben we Gods wijsheid nodig. ‘Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden’ (Jakobus 1:5). Kennis van Gods Woord is nodig om Gods wil te verstaan, wijsheid is nodig om die wil toe te passen in ons leven. ‘Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God’ (Kolosse 1:9-10).

Uw werk niet voor niets. Psalm 90 eindigt met de gedachte dat ons werk voor de Heer niet vergeefs is (1 Korinthiërs 15:58). ‘Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijs’ (Hebreeën 6:10). Wellicht stelt u zich ook wel eens de vraag wat het werk dat u voor de Heer hebt gedaan heeft uitgewerkt. U staat daarin niet alleen. Nehemia heeft de Here ook vier keer gevraagd aan God om zijn werk te gedenken. ‘Gedenk mij, mijn God, hierom en wis de weldaden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan zijn instellingen bewezen heb.’ (Nehemia 13:14, 22; 5:19; 13:31). Laten we in dagen van twijfel ons laten leiden door de beloften van Gods Woord en niet door onze gevoelens.

‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is’ (Openbaring 22:12).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

‘Gods grote daden’

Psalm 105

 

 

Inleiding

Er zijn drie Psalmen die Gods handelen met betrekking tot het volk Israël vermelden, dat zijn de Psalmen 78, 105 en 106. Er zijn drie hoofdpersonen in Psalm 105: Abraham, Jozef en Mozes. Deze drie worden ook vermeld in de rede van Stefanus in het boek Handelingen (7:2,9,20). Drie keer brengt God het Joodse volk in het Beloofde Land. De eerste intocht, de Exodus, had tot gevolg dat wij het Oude Testament hebben ontvangen. Het gevolg van de tweede intocht, de terugkeer uit de Babylonische ballingschap, was dat de Messias kon komen. Als gevolg van de derde en laatste intocht, die nog in de toekomst ligt maar waarvan wij het begin al mogen zien, zal het Vrederijk tot stand worden gebracht.

In Psalm 105, de tweede intocht in het land, zien we het volk teruggekeerd uit de Babylonische ballingschap, wat een reden tot dankbaarheid moest zijn zodat de grote daden van God onder de volken bekendgemaakt konden worden. Psalm 105 vestigt onze aandacht op de God van het verbond (vs.8-10), die zijn raad uitwerkt in de menselijke geschiedenis, en op zijn handelen met betrekking tot het volk Israël. Omdat deze Psalm niet verder gaat dan de verovering van Kanaän (v.44) en ook de Davidische dynastie niet vermeldt, zou hij geschreven kunnen zijn na de Babylonische ballingschap. De auteur is onbekend. Het is echter mogelijk dat het iemand van de Levieten is geweest, die met het Joodse overblijfsel was teruggekeerd naar Juda. Dat de psalmist de hand van God in de gebeurtenissen van het Joodse volk zag, was een bemoediging die het Joodse overblijfsel nodig had. Wie de schrijver ook geweest is, hij herinnert het overblijfsel eraan dat zij Gods uitverkoren volk zijn en dat God werkt volgens zijn plan. Tijdens de uittocht uit Egypte had God zijn macht al geopenbaard en Hij zal zich altijd houden aan zijn beloften. Daarom mag dat een bemoediging inhouden voor het volk in moeilijke tijden (vers 5). Gods beloften aan Israël, waarvan de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt: ‘dat zij die van ver zagen’ (Hebr.11:13), zullen eenmaal werkelijkheid worden.

Abraham en zijn nageslacht (vs.7-15)

‘Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, dat Hij met Abraham sloot’

De nakomelingen van Abraham, het volk Israël, zijn bijzonder bevoorrecht, omdat ze een door God uitverkoren volk zijn. ‘Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn (Deut.7:6; Ps.147:19-20). Een geweldig voorrecht, maar ook een grote verantwoordelijkheid, want ze dienden de inzettingen en geboden na te komen die God hen gegeven had, opdat het hun wél zou gaan (Deut.6:6,18,24). Helaas is dat niet het geval geweest, waardoor het volk Israël in de loop van de geschiedenis veel lijden heeft ervaren (Deut.28:58-68). Wat van het volk verwacht werd, Gods daden onder de volken bekend maken (vs.1), vinden we vele eeuwen later ook terug als een opdracht voor de Gemeente: ‘U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht, u die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid heeft verkregen’ (1Petr.2:9-10). Wanneer we moeten vaststellen dat het volk Israël niet in die opdracht is geslaagd, mogen we ons wel afvragen of wij, als volk van God, daarin wel zijn geslaagd.

God had zich met een eed aan Abraham verbonden en hem de onvoorwaardelijke belofte gegeven dat hij hem tot een groot volk zou maken, het latere Israël (Gen.12:1-3; 17:7). Maar ook een belofte van land (vs.11): ‘Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat’ (Gen.15:16-17). Die beloften werd later aan zijn nageslacht, Izaäk en Jakob, herhaald (zie o.a. Ex.2:24; 6:3). Dit verbond was hun verzekering dat ze het land zouden beërven, een belofte en verbond die ook nú, zo veel eeuwen en gebeurtenissen later, hun geldigheid niet verloren hebben.

Toen Abraham en zijn nakomelingen ‘van volk tot volk’ trokken, genoten ze goddelijke bescherming, wat blijkt tijdens hun verblijf in Egypte, waar Abraham ten opzichte van de Farao geen goed getuigenis gaf en hem voorloog betreffende zijn vrouw, Sara. ‘Maar de Here sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, ter oorzake van Sarai, de vrouw van Abram’ (Gen.12:17). Maar ook kwam God tussenbeide in de ontmoeting van Abraham en Abimelek. ‘En God zeide tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken’ (Gen.20:7). Izaäk en Jakob op hun beurt genoten ook deze bescherming (Gen.26:11; 35:1-3).

Jozef (vs.16-41)

‘God zond een man voor hen uit’

‘God heeft met alles een doel’ (Spr.16:4) en dat blijkt heel duidelijk uit het leven van Jozef. Die gebeurtenissen vormen de overgang tussen het Bijbelboek Genesis en Exodus. Wanneer we willen zoeken naar voorbeelden van Gods machtige daden, dan springt zijn handelen met Jozef er wel uit. We mogen daarin ‘de diepte van rijkdom, van wijsheid en van de kennis Gods’ zien en ‘de ondoorgrondelijkheid van zijn beschikkingen en onnaspeurlijkheid van zijn wegen!’ (Rom.11:33). Het is natuurlijk niet mogelijk om de geschiedenis van Jozef, die dertien hoofdstukken van het boek Genesis omvat, in het kort weer te geven. Waar in deze verzen de nadruk op ligt, is Jozefs lijden gevolgd door glorie en Gods handelen in voorzienigheid. Hij die van het begin ook het einde kent, treft voorbereidingen om zijn raadsbesluit ten uitvoer te brengen door een man vóór Jakobs familie uit te zenden, Jozef! (Jes.46:10). Maar voordat die man, Jozef, zeventien jaar oud, in de mogelijkheid was om zijn familie te helpen, verstreken er dertien jaar. Jozef werd verkocht, het begin van een lange periode waarin Jozef in de gevangenis kwam en men zijn voeten in boeien en ijzers knelde. Maar er is een ‘totdat’! Tot de tijd dat zijn woord uitkwam en de uitspraak des Heren hem in het gelijk stelde en de Farao hem losliet en tot heer over zijn huis aanstelde. Die voorbereidingen waren niet alleen nodig opdat Jozef een positie in het rijk van Farao kreeg, maar ook opdat Jakobs familie tot een volk zou kunnen worden, zoals eerder aan Abraham beloofd (Gen.12:2). Toen de hongersnood kwam, trokken Jakob en zijn familie naar Egypte, zoals eerder Abraham dat deed, ook naar aanleiding van een hongersnood (Gen.12:10). Abraham ging toen op eigen initiatief naar Egypte; Jakob ging, zonder dat hij dat besefte, op grond van een beschikking van Godswege. God gebruikte daarvoor een hongersnood, die al eerder door Jozef was aangekondigd in zijn uitlegging van Farao’s droom (Gen.41:30). ‘Toen Jakob zag dat er koren in Egypte was, zei Jakob tegen zijn zonen: Waarom kijken jullie elkaar aan? Verder zei hij: Zie, ik heb gehoord dat er koren in Egypte is; trek erheen en koop daar koren voor ons, zodat wij in leven blijven en niet sterven. Toen vertrokken tien broers van Jozef om koren uit Egypte te kopen’ (Gen.42:1-3; Hand.7:12).

Wanneer we de geschiedenis van Jozefs leven overdenken, gaan onze gedachten uiteraard ook uit naar ‘de man die God later vooruit zond’ tot onze redding, de Heer Jezus. Is het niet treffend dat Jozef en Mozes bij hun eerste komst werden afgewezen als redder voor het volk, maar bij hun tweede komst werden aanvaard? (Hand.7:12-13). Een patroon dat zich zal herhalen wanneer de Heer Jezus, waarvan Jozef en Mozes een type mochten zijn, ‘ten tweede male’ zal komen voor het volk Israël.

Mozes (vs.26-45)

‘Hij zond Mozes, zijn knecht, en Aäron, die Hij Zich verkoren had’

Weer zien we dat God voorbereidingen had getroffen. Mozes was al opgeleid om het volk uit Egypte te leiden. Maar voordat het zover was, moest er bij Farao de bereidheid zijn om Gods volk te laten gaan. Het verblijf in Egypte heeft 430 jaar (Gen.15:13; Gal.3:17) geduurd en in die tijd groeide Jakobs familie van vijfenzeventig zielen (Hand.7:14; vgl.Gen.46:27) uit tot een volk van naar schatting drie miljoen. Ze werden machtiger dan hun tegenstanders, waardoor er vrees voor hen op hen was gevallen (vs.24, 38). Het gevolg was dat de Egyptenaren zich bedreigd gingen voelen en het volk gingen haten en slecht behandelen. Maar op het verzoek om het volk te laten gaan, antwoordde de Farao meerdere keren negatief, waardoor het eerder aangekondigd oordeel niet kon uitblijven (Ex.6:5; 7:4). ‘Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de Here. (Ex.12:12). Gods daden en wonderen die het volk onder de volkeren bekend moesten maken, bestonden dus niet alleen uit de uittocht en de daarmee gepaard gaande doortocht door de Rode Zee, maar ook uit de oordelen die het land Egypte troffen. Het waren Gods oordelen die Mozes aan Farao bekendmaakte, maar het was God die ze ten uitvoer bracht. Merk op dat elk vers begint met ‘Hij’, dat is God. De uittocht of exodus uit Egypte is altijd het centrale thema in de geschiedenis van het volk Israël gebleven. Het is niet nodig de oordelen die Egypte troffen op te sommen. Wel is het nuttig te vermelden wat anderen al eerder hebben opgemerkt, namelijk dat de volgorde van de plagen in Psalm 105 niet overeenkomt met de volgorde vermeld in het boek Exodus. Twee plagen worden in deze Psalm weggelaten, de vijfde en de zesde, de laatste wordt hier het eerste vermeld, waardoor de volgorde is: 9, 1, 2, 4, 3, 7, 8, 10. Deze plagen resulteerden daarin, dat de Farao het volk liet gaan. ‘Hij voerde zijn volk uit met zilver, goud en blijdschap, zijn uitverkorenen met gejubel’ (vs.37, 43). Het zilver en goud zou men kunnen zien als het achterstallig loon voor de vele jaren van slavenarbeid.

De doortocht door de Rode Zee en het ontvangen van de Wet op de berg Sinaï worden in deze Psalm niet vermeld. De aandacht richt zich verder op Gods zorg voor het volk in de woestijn. ‘Hij breidde een wolk uit tot bedekking, en vuur om de nacht te verlichten. Zij vroegen, en Hij deed kwartels komen, met brood (het manna) uit de hemel verzadigde Hij hen. Hij opende de rots, en wateren vloeiden, zij stroomden door de dorre streken als een rivier’ (vs.39-41). Drie zaken worden vermeld, Gods aanwezigheid en het voorzien van eten en drinken, nodig om de veertig jaar in de woestijn te kunnen overleven.

Ten slotte

‘Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (2Kor.1:20). 

De cirkel is rond. God riep Abraham naar het Beloofde Land en na een verblijf van 430 jaar in Egypte keerde het volk daarnaar terug. Na de aankomst nam het volk onder Jozua het land in bezit. ‘Zo heeft de Here aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. En de Here gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de Here in hun macht. Niet één van alle goede beloften, die de Here aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld’ (Joz.21:43-45). ‘Alles is voor u uitgekomen. Zijnerzijds is niets onvervuld gebleven’ (Joz.23:14).

Deze Psalm moest het volk Israël tot bemoediging en vertroosting dienen in moeilijke tijden en aanzetten tot het bekendmaken van Gods daden onder de volken. Ze mochten vertrouwen op Gods beloften en verbond, zijn voorzienigheid en zijn hulp en blijvende zorg voor hen. Wij, die zoveel eeuwen later leven dan dat deze Psalm geschreven is, zien ook nu nog altijd Gods bemoeienis met zijn volk in de gebeurtenissen van de laatste decennia. God is trouw aan de beloften die Hij eens aan Abraham heeft gegeven! Niet alleen het volk Israël, maar ook ons kan deze Psalm helpen om ons vertrouwen in Hem te versterken.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Reiservaringen

Psalm 107

 

 

 

Gedenk dan heel de weg waarop de Here u geleid heeft!

‘Wie verre reizen doet, kan veel verhalen.’ Dit citaat wordt toegeschreven aan de Duitse dichter Matthias Claudius. Als je een reis hebt gemaakt is het altijd prettig, wanneer je weer thuis bent gekomen, om aan de hand van gemaakte foto’s of video’s terug te kijken en de reis als het ware nog eens te beleven. Tenminste, als het een reis is geweest zonder al te veel problemen.

Bijbeluitleggers denken dat Psalm 107 de gebeurtenissen vermeldt van verschillende fasen in de geschiedenis van het volk Israël, anderen denken aan de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Hoe het ook zij, de reis die het volk Israël had gemaakt was niet zo rustig verlopen, er was heel wat gebeurd onderweg! Van die gebeurtenissen vermeldt de psalmist er vier, en hij doet dat met de volgende woorden: ‘Er waren er, die…’

Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet. (Psalm 107:4-9)

Een reiziger die de weg kwijt is.

Het was een lange en gevaarlijke weg geweest naar het beloofde land, Ezra spreekt van vijanden en struikrovers (Ezra 5:22, 31). De apostel Paulus kon er overmee praten als hij verhaalt van: ‘telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee’ (2 Kor. 10:26v.) Te dwalen in een woestijn is een vreselijke ervaring, het maakt je hongerig, dorstig en je ziel versmacht in je. De reden dat mensen verdwalen heeft diverse oorzaken, bijvoorbeeld een slechte voorbereiding, het niet voorhanden hebben van een landkaart, een slecht oriëntatievermogen of het ontbreken van een gids. Deze wereld is voor een gelovige te vergelijken met een woestijn en regelmatig komen we ‘verdwaalde’ gelovigen tegen. Behoort u misschien tot die groep ‘verdwaalden’ en ziet u geen uitkomst meer, doe dan wat het volk Israël deed en roep tot de Here, zijn hand is niet te kort om te helpen en zijn genade is groot. ‘Hij redde hen uit hun angsten; Hij deed hen treden op een effen weg om te gaan naar een stad ter woning.’ En als u geholpen bent en weer terug bent op de weg, vergeet dan niet God te danken voor zijn redding.

‘Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid en om zijn wonderen aan de mensenkinderen, omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd en de hongerende ziel met het goede vervuld.’

Er waren er, die in donkerheid en diepe duisternis zaten, gebonden in ellende en ijzer. (Psalm 107:10-16)

Een zondaar die zijn vrijheid kwijt is.

We hoeven niet lang te zoeken naar de reden waarom ze in zulke moeilijke omstandigheden terecht waren gekomen, de psalmist reikt ze ons zelf aan: omdat: ‘Omdat zij de woorden Gods hadden weerstreefd en de raad des Allerhoogsten versmaad.’ Hier vinden we mensen die zich niet door Gods Woord lieten gezeggen en een eigen weg gingen. Salomo waarschuwt ons voor het gaan van een eigen weg, want: ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.’ (Spr. 16:25) In Handelingen 14:1 lezen we: ’dat God alle volkeren op hun eigen weg had laten gaan’; het resultaat daarvan lezen we in Romeinen 1:18-32.

Ongehoorzaamheid aan Gods Woord is zonde. Hebreeën 12:1 spreekt over ‘de zonde die ons licht omstrikt.’ Ze waren gebonden in ellende en ijzer, en er was geen helper, totdat zij tot de Here riepen in hun benauwdheid. Hij verloste hen uit hun angsten; Hij voerde hen uit donkerheid en diepe duisternis en verscheurde hun banden. Ook vandaag zijn veel gelovigen verstrikt in de zonde omdat ze geen rekening houden met Gods Woord. De gevolgen laten niet op zich wachten. Wat zou het goed voor hen zijn om Psalm 139:23-24 ter harte te nemen!

‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg.’

Er waren dwazen, die wegens hun zondige wandel en wegens hun ongerechtigheden gepijnigd werden. (Psalm 107:17-22)

Een zieke die pijn lijdt.

Ook hier hoeven we niet te raden naar de oorzaak van de ellendige situatie waarin ze geraakt waren: vanwege hun zondige wandel. Er is een gezegde “Eén daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit!” De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen in Galatië: ‘Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.’ (Gal. 6:7) Dat principe geldt ook nu nog. De voorbeelden in onze tijd zijn genoeg bekend. Er sterven veel mensen aan longkanker vanwege een overmatig gebruik van tabak. Ook zijn er veel mensen met een alcohol- of drugsverslaving en de gevolgen daarvan zien we in hun slechte fysieke gezondheid. Veel ziekten komen van een zondige wandel; er wordt geen rekening gehouden met Gods normen. En op seksueel gebied worden we de laatste decennia geconfronteerd met het toenemend aantal HIV-patienten in de wereld. Daarmee is niet gezegd dat alle ziekten voortkomen uit een zondige wandel (Joh. 9:1-3; 2 Kor. 12:7-10), maar een gezonde levenshouding kan veel problemen voorkomen.

Is het niet bijzonder te ontdekken dat het middel tot genezing ‘zijn woord’ was! Wij worden er in Gods Woord op gewezen dat ons lichaam een tempel is van de heilige Geest en daarom dienen we er ook met respect mee om te gaan. (1Kor. 6:19)

Er waren er, die met schepen de zee bevoeren, die handel dreven op de grote wateren. (Psalm 107:23-32)

Een zeeman in zwaar weer.

De ervaringen tijdens hun reis leken op een boot in een storm. In de tijd dat ik werkzaam was als havenaalmoezenier heb ik dit gedeelte van Psalm 107 vaak gelezen met zeelieden. De beschrijving is zo levendig en juist dat ik mij wel eens afgevraagd heb: ‘zou de schrijver zelf ook op zee zijn geweest?’ Stormen doen mij denken aan beproevingen die ons kunnen overkomen. Het bijzondere is dat hier gesproken wordt over een storm die de Heer deed opsteken. (vs.25)

De Bijbel spreekt van drie soorten stormen: ten eerste, stormen die kunnen ontstaan door eigen schuld, denk maar aan Jona. Ten tweede, stormen waarin wij geraken door schuld van anderen, we denken dan bijvoorbeeld aan Paulus (Hand. 27:11vv.) En tenslotte kunnen we ook in een storm terecht komen waarin de Heer ons laat gaan (Matt. 14 :22vv.), en dat is hier het geval.

Stormen of beproevingen komen meestal onverwacht en roepen vaak vragen op over het waarom, maar het is goed te weten dat, als wij in onze benauwdheid tot Hem roepen, Hij de storm maakt tot een zacht suizen, zodat de golven stil worden. Ik heb regelmatig meegemaakt dat zeelieden de HERE loofden om zijn goedertierenheid en zij zich verheugden, omdat Hij hen leidde naar de haven van hun begeerte.

God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst!

Wie is wijs? Hij lette op deze dingen, laat men acht slaan op de gunstbewijzen des HEREN. (Psalm 107:33-43)

Een pelgrim die thuis komt.

Een landloper heeft geen huis, een reiziger is weg van huis en wij, gelovigen, zijn pelgrims op weg naar huis. We hebben vier situaties besproken waarin een mens tijdens zijn aardse reis terecht kan komen en iedere keer werd het gedeelte afgesloten met de woorden ‘Dat zij de HERE loven.’ Het is de genade van God die ons doet thuiskomen, niet onze eigen kracht of kunnen.

In deze laatste verzen van Psalm 107 gaat het niet zozeer om wat ons kan overkomen tijdens onze levensreis, maar over God. ‘Hij maakt stromen tot een woestijn en waterbronnen tot een dorstig land; vruchtbaar land tot zoute grond wegens de boosheid van wie daar wonen’, maar ook: ‘Hij maakt de woestijn tot een waterpoel en dorstige grond tot waterbronnen.’ Of om het met de woorden van Elifaz te zeggen: ‘Want Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen.’ (Job 5 :18) Misschien komt u binnenkort ‘thuis’ en kunt u terugkijken op uw levensreis en gaat u misschien ook de oorzaak kennen waarom God bepaalde gebeurtenissen in uw leven heeft toegelaten. (Deut. 8:2-10)

Wie is wijs? Hij lette op deze dingen, laat men acht slaan op de gunstbewijzen des HEREN.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

Psalm 139

‘Waar is een god aan u gelijk'

 

 

 

 

Inleiding

Psalm 139 is een psalm van David waarin hij zijn gevoelens beschrijft. We weten echter dat de psalmen ook over de Heer Jezus spreken, want, zegt Hij tegen de discipelen: ‘Alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.’ (Luk.24:44; 27). Veel psalmen verwijzen dan ook heel duidelijk daarnaar. Hij is de Gekruisigde in psalm 22 en 69; de goede Herder in psalm 23; de komende Koning in psalm 2 en 24; het Offer in psalm 40; de Hogepriester in psalm 110; de Hoeksteen in Psalm 118:22-23. Maar niet alleen de psalmen spreken over de Heer Jezus, ook alle andere geschriften (Joh.6:39)! Luther noemde de Bijbel: ’De kribbe waarin Jezus ligt’. De psalmen geven ook uitdrukking aan de lofprijzing van God door de mens om Wie Hij is en wat Hij doet. Ze drukken ook de behoefte uit die de mens heeft aan God in tijden van beproeving, en zijn vertrouwen dat God zal helpen. U zult in het boek Psalmen een volledig scala van menselijke emoties aantreffen, van uitbundige vreugde tot wanhoop en berouw. U zult er ook openbaring van God aantreffen die troost brengt en bemoediging als u op Hem vertrouwt. Dat verklaart waarom het boek Psalmen zo bijzonder geliefd is bij Gods kinderen, want elk van ons kan zich herkennen in de schrijvers als ze ontdekken dat Gods genade genoeg is in alle ervaringen tijdens hun leven. In wat voor omstandigheden u zich ook bevindt en wat u ook voelt, er is altijd een psalm die perfect bij uw situatie past. In deze prachtige psalm 139 vinden we een aantal eigenschappen van God waardoor we een beter beeld kunnen krijgen van Wie Hij eigenlijk is. Uw en mijn visie op Wie God is, is bepalend voor het handelen in uw leven als gelovige. Als u de Heer trouw bent, zal deze psalm u bemoedigen. Als u zich probeert te verbergen voor de Heer, zal deze psalm u doen beseffen dat u kansloos bent.

God weet wat u doet – 139:1-6 (De alwetendheid van God)

‘De HERE immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst’ (1Sam.2:3)

God kent u persoonlijk en Hij kent u grondig, dus probeert u maar niet Hem voor de gek te houden. Wees open en eerlijk voor God, en blijf in zijn liefde. Zijn oog is op u, en u hebt niets te vrezen. Maar Hij ziet ook wanneer het verkeerd gaat in uw leven. Toen Mozes een Egyptenaar doodsloeg, lezen we dat hij, voordat hij de hand aan de Egyptenaar sloeg, ‘naar alle kanten keek’, maar hij vergat naar boven te kijken want God zag het, en nog een aantal mensen (Ex.2:12,14; Hand.7:28). De apostel Petrus getuigde: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd’ (Joh.21:17). Hoe vaak houden wij geen rekening met de alwetendheid van God in ons leven?

In het Nieuwe Testament lezen we in Joh.1:49 dat ‘Jezus Nathanaël naar Zich toe zag komen en van hem getuigde: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is. Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgenboom was, zag Ik je.’ Dit bracht Hem tot de belijdenis ‘Rabbi, U bent de Zoon van God’. Maar denk ook aan wat we lezen in Joh.4:16 over de ontmoeting die de Heer Jezus had met de Samaritaanse vrouw, tot wie Hij zei: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier. De vrouw antwoordde en zei tot Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man; want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit hebt u naar waarheid gezegd.’ Dit bracht de Samaritaanse vrouw tot de belijdenis: ‘Heer, ik zie dat U een profeet bent.’  Uit deze voorbeelden kunnen we leren dat God en de Here Jezus weet hebben van alles wat ons bezighoudt en wat we doen. Dat kan ons beangstigen maar ook vertroosten. Als we denken aan Hanna, de vrouw van Elkana, die geen kinderen kon krijgen, of aan Job en zijn beproeving, dan mogen ook wij weten dat God alles weet en bezig is Zijn plan in ons te volbrengen.

God weet waar u heen gaat – 139:7-12 (De alomtegenwoordigheid van God)

‘En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben’ (Heb.4:13)

Wat een rust om te weten dat God bij u is en voor u zorgt! Of u nu naar boven gaat of naar beneden, naar het oosten of naar het westen, Hij is daar. Zondaars proberen zich te verschuilen voor God, maar gelovigen schuilen bij God. ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God!’ De eerste keer dat God de mens een vraag stelde was in de hof van Eden. Hij vroeg Adam: ‘Mens, waar zijt gij?’ (Gen.3:9). In 2 Kon.5:20-27 vinden we een prachtige illustratie die goed weergeeft wat we bedoelen met ‘alomtegenwoordigheid’. We lezen daar over Gechazi, die geschenken van Naäman aannam en daarna terugkeerde naar Elisa, waarop deze hem vroeg: ‘Vanwaar Gechazi?’, waarop Gechazi hem antwoordde: ‘Uw knecht is nergens heen geweest.’ Maar Elisa zeide tot hem: Ben ik in de geest niet meegegaan, toen die man zich omkeerde van zijn wagen af u tegemoet?’.

We kunnen weglopen van God zoals Jona deed, of veel erger, een mens kan zich het leven nemen (Heb.9:27), maar God kun je niet ontlopen want: ‘Met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.’ (vs.3). Dat heeft Jona ervaren toen hij wegvluchtte van het aangezicht des Heren. Hij betaalde voor deze vlucht een hoge prijs! Hij kwam daardoor buiten de gemeenschap met God te staan en zonde kwam in zijn leven. Onesimus, een slaaf van Filemon te Kolosse, liep weg en vluchtte naar Rome, waar hij met Paulus in aanraking kwam en christen werd. Paulus zond hem naar zijn meester terug met een brief waarin hij Onesimus aanbeval en zich bereid verklaarde, geleden schade te vergoeden. Zou God daar niet in betrokken zijn geweest?

God weet wie u bent – 139:13-16 (De almacht van God)

‘Want zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef.2:10).

God heeft u gemaakt, uw mogelijkheden beraamd, en uw dagen beschikt. Hoe en wie u bent is het wijze plan van een liefhebbende Schepper, die weet wat het beste voor u is. Aanvaard hoe u bent als zijn geschenk aan u, en gebruik het dan verstandig als uw geschenk aan Hem. U bent uniek, God heeft u zo gemaakt. Zoals u is er maar één en u heeft bepaalde kwaliteiten of bekwaamheden die een ander niet bezit en die Hij u heeft gegeven om ze tot Zijn eer te gebruiken. We lezen in de gelijkenis van de talenten: ‘En de één gaf hij vijf talenten, de andere twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid’ (Mat.25:14-30). Talenten dienen we te onderscheiden van bekwaamheden. De talenten representeren mogelijkheden om onze bekwaamheden te gebruiken om Christus te dienen. We zijn geboren met verschillende bekwaamheden en de Heer geeft ons allerlei mogelijkheden om die bekwaamheden in praktijk te brengen. Het belangrijkste daarbij is dat we trouw zijn (1 Kor.4:2), want daarnaar zal God ons beoordelen en belonen. In de gelijkenis van de talenten (Mat.25:14-30) lezen we dat de eerste twee dienstknechten beiden trouw waren en hun talent verdubbelden en dezelfde beloning kregen (vs.21, 23). De christen die trouw is in zijn of haar dienst, ook al is die maar klein, krijgt dezelfde beloning als degene met een ‘grote’ dienst. Met de derde dienstknecht is het anders gesteld. Hij noemt de Heer een ‘hard mens’ (vs.24). Eigenlijk weigert hij de beloning door niet de gelegenheden te benutten die Christus hem ook had gegeven. In vs.26 herhaalt Christus de onjuiste beschuldiging van de man (maar zegt niet dat het waar is!), en zegt: ‘Boze en luie slaaf! Je wist dat Ik maai waar ik niet heb gezaaid, en inzamel waar ik niet heb uitgestrooid? Dan had je mijn geld bij de bankiers moeten brengen, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente hebben teruggekregen.’ Het principe m.b.t. de gaven wordt gegeven in Mat.25:29. Als we falen te gebruiken wat Hij ons heeft gegeven, zullen we het verliezen aan een ander. Niet jezelf onderwaarderen of overwaarderen, maar accepteer jezelf zoals God je geschapen heeft.

Gods gedachten over ons – 139:17-18

‘Talrijk hebt Gij gemaakt, o Here, mijn God, uw wonderen en uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen’ (Ps.40:6).

De psalmist overpeinsde Gods gedachten. Op welke manier zou David op de hoogte zijn gekomen van Gods gedachten? Hoe komen wij te weten wat Gods gedachten zijn? David spreekt in deze psalm over Gods alwetendheid, alomtegenwoordigheid en almacht. Maar er zijn veel meer gedachten van God, te talrijk om te noemen! Die gedachten van God vinden we in Zijn Woord geopenbaard en het is goed daaraan aandacht te besteden. In het Nieuwe Testament worden meer gedachten van God bekendgemaakt dan we reeds kenden uit het Oude Testament. Denken we maar aan de verborgenheden die de Heer Jezus en Paulus hebben bekendgemaakt, die in vorige geslachten niet waren bekendgemaakt en die van de grondlegging der wereld verborgen zijn geweest (Mat.13:35; Rom.11:25, 16:25; Ef.3:9; 1Kor.15:51). Paulus schrijft dat het zijn bediening was om ‘in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God’ (Ef.3:9-10). Is het niet een geweldig voorrecht in de mogelijkheid gesteld te zijn om die plannen te ontdekken? Vandaar dat we opgeroepen worden om te zoeken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn en te bedenken de dingen van God en niet van de mensen’ (Kol.3:1; Mat.16:23). De Heer Jezus zegt tegen de discipelen: ‘Ik heb u alles bekendgemaakt wat Ik van mijn Vader gehoord heb’ (Joh.15:15). Wekt dat geen verlangen bij u op om daar meer van te weten?

Laat ik dat met een voorbeeld duidelijk maken. Met betrekking tot het volk Israël zegt God dat Hij weet welke gedachten Hij over hen koestert, gedachten van vrede en niet van onheil, om hen een hoopvolle toekomst te geven (Jer.29:11). We mogen in het ontstaan van de staat Israël in 1948 al de aanloop zien naar de vervulling van deze profetie. Dat mag voor de ongelovigen dwaasheid zijn, maar dat komt omdat zij de gedachten van God en zijn raadslag niet kennen noch verstaan! (Mi.4:12). ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jes.55:8-9).

God kent uw hart – 139:19-24

‘Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede’ (Rom.12:21)

Petrus waarschuwde al dat er in het laatst van de dagen spotters zullen zijn (2Petr.3:3). De tijd is aangebroken dat ‘de koningen der aarde zich in slagorde scharen en de machthebbers samenspannen tegen de Here en zijn gezalfde door te zeggen ‘Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!’ (Ps.2:2,3). Meer en meer zien we in de wereld, en misschien wel het meest in onze geseculariseerde westerse wereld, dat God en het geloof in God niet meer serieus worden genomen. De Bijbelse normen worden met voeten getreden en dat kan ons zo irriteren dat we een houding aannemen van vergelding, zoals we dat tegenkomen bij de discipelen toen de Samaritanen de Heer Jezus niet wilden ontvangen, en dat we wensen dat er vuur uit de hemel zou neerdalen om de ongelovigen te verteren (Luk.9:51-56). Ik denk dat wij allemaal weleens in een gemoedsgesteldheid komen om ons te wreken, om kwaad met kwaad te vergelden (Rom.12:17). Dat vinden we bij David die op het punt stond het recht in eigen handen te nemen (1Sam.25:26v.) en ook bij een andere koning van Israël toen hij Elisa toestemming vroeg om de overwonnen vijand neer te mogen slaan (2Kon.6:22). Elisa liet dat niet toe, de koning moest leren genade te betonen door hun brood en water te geven.

Wij dienen in genade te wandelen voor hen die buiten de gemeenschap van God zijn. ‘U hebt gehoord dat gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen’ (Mat.5:43-44). Het ‘uw vijand haten’ is geen verwijzing naar tekst uit het O.T. Uit Lev.19:18 kan de conclusie getrokken worden dat ‘de naaste’ de Israëliet was die men moest liefhebben, en (dus) ‘de vijand’ de niet-Israëliet die men moest haten! De tekst uit Mattheus is duidelijk: wij dienen zowel onze naaste als onze vijand lief te hebben.

Mogelijk is dat de reden dat David op het eind van Psalm 139 God vraagt om zijn hart te doorgronden om hem op de eeuwige weg te leiden in plaats van op een heilloze weg. Het lijkt erop dat David tijdens het schrijven van deze psalm zichzelf heeft ontdekt. Hij begint de psalm met een bevestiging en beëindigt hem met een vraag. Ook wij moeten ons eigen hart leren kennen want anders zijn we in staat dingen te doen die totaal tegen Gods gedachten ingaan. Een onmogelijke opgave? U kent uw eigen hart niet zo goed als u wel denkt (Jer.17:9-10). Laat God u doorgronden en de dingen die u beangstigen, opruimen. Laat toe dat Hij u leidt. Hij weet de weg die u behoort te gaan. Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was. (Fil.2:5).

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX